Verloop Defender 2020 naar aanleiding van maatregelen in het kader van de bestrijding van Coivd-19 pandemie |
|
Sadet Karabulut |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
Wat is de betekenis van de beslissing van EUCOM over het beperken van Amerikaanse deelnemers aan de oefening Defender 2020 in Europa voor de betrokkenheid van Nederland bij deze oefening?1
Op 13 maart jongstleden is uw Kamer een brief toegegaan over de gevolgen van COVID-19 voor militaire en civiele uitzendingen in lopende missies en operaties (Kamerstuk 29 521, nr. 402). Daarin is tevens een paragraaf opgenomen over militaire oefeningen, waarin uw Kamer is gemeld dat de oefening Defender 2020 is aangepast. De geplande troepenverplaatsing van een Amerikaanse gevechtsbrigade door Nederland wordt niet voortgezet. Het Ministerie van Defensie blijft de bondgenoten ondersteunen tot zij uit Nederland zijn vertrokken.
Klopt het dat alleen de mediadag voor oefening Defensie 2020 op 14 maart wordt afgelast of zijn andere elementen van de oefening die niet doorgaan?2
Zie antwoord vraag 1.
Overweegt u Nederlandse betrokkenheid aan Defender 2020 af te zeggen in het kader van pandemiebestrijding? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat betekenen de vandaag door de regering afgekondigde maatregelen, om bijeenkomsten met meer dan 100 personen af te gelasten, voor deze oefening en voor overige werkzaamheden en oefeningen van Defensie?
Zie antwoord vraag 1.
De aanstaande evaluatie van de Wet Doorstroming Huurmarkt |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Zorgen over tijdelijke huur van woningen, steeds meer klachten»?1
Ja.
Hoe rijmt u de uitspraak van de toenmalig Minister voor Wonen en Rijksdienst bij de behandeling van de wet in 2015: «Het huurcontract voor onbepaalde tijd blijft wat mij betreft de norm»2 met de bevinding in het artikel dat het aantal tijdelijke huurcontracten toeneemt?
De wet Doorstroming Huurmarkt heeft als doelstelling de flexibiliteit en doorstroming van de huurmarkt te bevorderen. Uitgangspunt is dat bij «reguliere» verhuur contracten voor onbepaalde tijd worden afgesloten. Zo mogen bijvoorbeeld woningcorporaties enkel in bijzondere gevallen een tijdelijk huurcontract van maximaal 2 jaar aanbieden.
Ook brancheverenigingen Vastgoed Belang en IVBN gaven eerder aan dat hun leden er in de regel baat bij hebben om langdurige huurovereenkomsten aan te gaan. Een nieuwe huurder brengt namelijk kosten met zich mee, voor bijvoorbeeld de eindinspecties en mogelijke leegstandderving. Daarnaast zijn er kosten gemoeid bij het inschakelen van een bemiddelaar om een nieuwe huurder te vinden.
Over het gebruik van tijdelijke contracten kan ik, op basis van de monitor tijdelijke verhuur van het CBS5, het volgende zeggen. Per 31 december 2018 verhuren particuliere verhuurders en institutionele beleggers 880 duizend woningen. Bij 72 duizend van deze woningen wordt daarbij gebruik gemaakt van een vorm van tijdelijke verhuur. Hiermee is het aandeel tijdelijke contracten bij dat type verhuurders circa 8%. Van de circa 2,2 miljoen woningen die woningcorporaties verhuren, gaat het bij 61 duizend om een vorm van tijdelijke verhuur. Hier betreffen tijdelijke huurcontracten bijna 3% van het totaal.
Het toepassen van tijdelijke huurcontracten kan wel degelijk gewenst zijn in bepaalde situaties. Met de wet Doorstroming huurmarkt 2015 werden bepaalde categorieën huurders, zoals jongeren en grote gezinnen, aangewezen bij wie het huurcontract kan worden beëindigd op het moment dat de huurder niet meer tot die doelgroep behoort. Op deze manier kan de verhuurder de woning weer toewijzen aan een huurder die wel tot de betreffende doelgroep behoort. Dit verhoogt de slagingskans van woningzoekenden binnen deze doelgroepen en bevordert de doorstroming naar passende huisvesting.
Bent u van mening dat de wet, anders dan voorzien, heeft bijgedragen aan toegenomen onzekerheid bij huurders over hun woonsituatie zoals naar voren komt in het bericht? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel tijdelijke contracten niet worden verlengd? Zo nee, waarom niet?
Ook voor dat de wet Doorstroming Huurmarkt van kracht was, was het mogelijk om tijdelijk te verhuren, zoals bijvoorbeeld via zogenoemde «çampuscontracten» voor studenten. Voorafgaand aan de wet gebruikten verhuurders regelmatig huurovereenkomsten met een gebruik dat naar zijn aard slechts van korte duur is (de wetgever dacht bij dit type huurcontracten aan vakantieverhuur). De huurder heeft bij dit type huurovereenkomsten geen huurbescherming en geen huurprijsbescherming. Met de introductie van tijdelijke huurovereenkomsten van maximaal 2 jaar voor zelfstandige woningen en maximaal 5 jaar voor kamers) is beoogd om verhuurders en huurders bij het sluiten van de huurovereenkomst zekerheid te geven dat het huurcontract na de overeengekomen huurperiode eindigt. Daartegenover staat dat de huurder bij die huurcontracten wel huurprijsbescherming heeft. Dit heeft bijgedragen aan een verbetering van de rechtspositie van huurders.
Bij de doelgroepcontracten hebben huurders dezelfde huurprijsbescherming als huurders bij «reguliere» huurcontracten.
Op het moment dat er sprake is van tijdelijke verhuur dient dat aan de voorkant te blijken uit het af te sluiten huurcontract. Een huurder weet dus van tevoren dat het contract tijdelijk is en dat het contract automatisch zal eindigen op de afgesproken datum of wanneer de verhuurder opzegt omdat de huurder niet meer tot een bepaalde doelgroep behoort6. In dat geval dient de huurder op zoek te gaan naar andere woonruimte. Ik kan mij voorstellen dat dat niet in alle gevallen makkelijk is en daarom zijn er diverse maatregelen om deze huurders te ondersteunen, zoals de mogelijkheid om de inschrijftijd te behouden of hulp bij het zoeken van een woning.
Uit de monitor tijdelijke verhuur van het CBS over 2018 blijkt dat tijdelijke contracten over het algemeen niet worden verlengd. Van de in 61 duizend tijdelijke contracten (waar alle soorten van tijdelijke verhuur onder vallen) die woningcorporaties sloten werden er 200 verlengd. 1200 contracten werden voortijdig opgezegd door de huurder zelf. Woningcorporaties gebruik tijdelijke contracten met name voor de doelgroep studenten. Op het moment dat zij niet meer tot de doelgroep behoren, wordt het contract beëindigd. De woningen blijven dan beschikbaar voor de specifieke doelgroep.
Van de 18 duizend contracten die institutionele beleggers sloten werden er 1200 verlengd en werden er 900 voortijdig door de huurder beëindigd. De 54 duizend tijdelijke contracten die particuliere verhuurders sloten werden vrijwel niet verlengd. Deze verhuurders gebruiken tijdelijke contracten met name voor specifieke doelgroepen en daarnaast in het kader van leegstandbeheer (naast het gebruik van tijdelijke huurcontracten van maximaal 2 jaar voor zelfstandige woningen en maximaal 5 jaar voor kamers).
Een vergelijking met tijdelijke contracten voordat de wet Doorstroming Huurmarkt van kracht was, is lastig te maken. Met de wet zijn verschillende vormen van tijdelijke huurcontracten geïntroduceerd die eerder niet bestonden en waarvan dus ook geen gebruik kon worden gemaakt. Omdat dergelijke tijdelijke contracten niet bestonden konden ze simpelweg ook niet worden opgezegd (doelgroepcontracten) of verlengd naar onbepaalde tijd (tijdelijke huurcontracten van maximaal 2 jaar voor zelfstandige woningen en maximaal 5 jaar voor kamers).
Heeft de wet tot een toename van het aantal tijdelijke huurcontracten geleid? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel extra tijdelijke huurcontracten door de wet tot stand zijn gekomen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of de invoering van de wet geleid heeft tot een toename in het aanbod van huurwoningen?
In de evaluatie van de wet Doorstroming huurmarkt zal ik verder aandacht aan de toename van het aanbod van huurwoningen na invoering van de wet.
Kunt u per groep huurders (studenten, starters, ouderen) aangeven hoe vaak een tijdelijk huurcontract wordt gehanteerd?
Ik kan niet aangeven hoe vaak er een tijdelijk contract wordt aangeboden aan starters en ouderen. Starters zijn geen aangewezen doelgroep op basis waarvan het huurcontract kan worden beëindigd als zij niet meer tot die doelgroep behoren. Ik beschik daardoor niet over specifieke cijfers over deze groepen.
Van studenten (alsmede promovendi, jongeren en grote gezinnen) zijn deze cijfers wel beschikbaar. Deze cijfers zijn afkomstig uit de eerder aangehaalde monitor tijdelijke verhuur van het CBS.
Huurcontracten afgesloten door corporaties
Huurcontracten afgesloten door bedrijven
Huurcontracten afgesloten door particulieren
Studenten
36,9
5,9
14,4
Promovendi
0,7
-
-
Jongeren
3,3
1,6
-
Grote gezinnen
0
0,1
-
x 1.000
Kunt u aangeven hoeveel tijdelijke huurcontracten uiteindelijk zijn omgezet in vaste huurcontracten? Zo ja, worden er meer of minder tijdelijke huurcontracten omgezet in vaste huurcontracten na invoering van de wet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u op de hoogte van gevallen waarin de tijdelijke huurcontracten worden gebruikt om na de huurperiode een hogere huur op te leggen? Zo ja, kunt u cijfers overleggen in welke mate dit gebeurt?
Ik beschik niet over cijfers over deze gevallen en ik kan niet zeggen of, en zo ja in welke mate, dit gebeurt. Een nieuwe huurder heeft, ook bij tijdelijke contracten, wel de mogelijkheid om de huurprijs te laten toetsen bij de Huurcommissie.
Gezien de toename van het aantal tijdelijke huurcontracten, bent u bereid om de evaluatie die wettelijk verplicht is binnen een termijn van 5 jaar nu al op te starten? Zo ja, bent u bereid om in de evaluatie mee te nemen of de wet heeft geleid tot meer onzekerheid voor huurders? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment ben ik reeds begonnen met de voorbereidingen voor de evaluatie, zodat de evaluatie gereed is binnen de termijn van 5 jaar7. Hoe de wet wordt ervaren door huurders en verhuurders in de praktijk is een onderdeel van de evaluatie.
Bent u het ermee eens dat het ontbreken van een registratieplicht voor tijdelijke contracten van commerciële verhuurders leidt tot beperkt zicht op de omvang van het aantal tijdelijke contracten? Zo ja, bent u bereid om te onderzoeken of een registratieplicht voor tijdelijke contracten ingevoerd kan worden?
Het CBS onderzoekt via de eerdergenoemde monitor voor tijdelijke verhuur hoeveel tijdelijke huurcontracten er worden gesloten. Op dit moment heb ik geen aanleiding om te veronderstellen dat de daarin genoemde cijfers niet kloppen. Een registratieplicht acht ik daarom nu niet nodig, mede gezien de administratieve lastenverzwaring die dit met zich mee zou brengen.
Bent u het ermee eens dat huurders bescherming verdienen tegen malafide pandjesbazen? Zo ja, bent u bereid toezicht te intensiveren op personen en/of bedrijven die zich schuldig maken aan het uitknijpen van huurders door misbruik te maken van de onzekerheid over de verlenging van het huurcontract?
In 2018 is gezamenlijk met vertegenwoordigende partijen uit de sector, huurders en gemeenten de aanpak Goed Verhuurderschap gestart. In dat kader wordt door middel van pilots kennis opgedaan en gedeeld met alle belanghebbenden en wordt een wettelijke grondslag uitgewerkt voor gemeenten om excessen tegen te gaan en malafide verhuurders aan te pakken. Kern is dat een lokale aanpak van malafide verhuurders zo gericht moet kunnen worden dat deze goed aansluit bij de lokale problematiek die van gemeente tot gemeente verschilt. In gesprek met gemeenten onderzoek ik daarom welke elementen onder zo’n lokale aanpak zouden kunnen vallen.
Specifiek voor het gebruik van contractvormen is de bestaande wetgeving leidend. Als partijen een tijdelijke overeenkomst willen aangaan dient dat te blijken uit het huurcontract. De verhuurder dient vervolgens bij tijdelijke huurcontracten van maximaal 2 jaar voor woningen en maximaal 5 jaar voor kamers 1 tot 3 maanden voor het verstrijken van de overeengekomen huurtermijn de huurder schriftelijk over de afgesproken einddatum van het huurcontract te informeren. Als de verhuurder dat niet doet wordt het contract van rechtswege verlengd tot een huurcontract voor onbepaalde tijd («regulier huurcontract) en heeft de huurder volledige huurbescherming.
Binnen de termijnen die de wet stelt dient de verhuurder dan ook duidelijkheid te verschaffen over het eindigen of verlengen van het tijdelijk contract.
Bij de zogenoemde doelgroepcontracten kunnen verhuurders alleen de huur opzeggen als de huurder niet meer tot de betreffende doelgroep behoort. Daarbij moet de verhuurder de wettelijke opzegtermijn8 in acht nemen.
Deelt u de opvatting dat zekerheid voor huurders essentieel is en een woning niet alleen een stapel stenen is maar een thuis? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken in welke mate een aanscherping van de wet, door tijdelijke contracten in te perken, kan leiden tot een afname van een aaneenschakeling van tijdelijke huurcontracten en de bevordering van vaste huurcontracten? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat een woning meer is dan een stapel stenen. Daarom is reguliere verhuur (verhuur voor onbepaalde tijd) nog steeds de norm. Dat neemt niet weg dat het in bepaalde gevallen passend is om een tijdelijke huurovereenkomst te sluiten. Bijvoorbeeld als de verhuurder zonder de mogelijkheid van tijdelijke verhuur niet tot verhuur van de woonruimte zou zijn overgegaan of niet aan de betreffende doelgroep. Naast de eerdergenoemde doelgroepcontracten kan er bijvoorbeeld ook gedacht worden aan tijdelijke huurcontracten voor spoedzoekers die in een flexwoning gaan wonen.
Het is daarbij zo dat een tijdelijk huurcontract van 2 jaar of korter (zelfstandige woning) of 5 jaar of korter (onzelfstandige woning) niet nogmaals kan worden verlengd met een tijdelijke periode wanneer het dezelfde huurder betreft. Het is alleen mogelijk om te verlengen met een contract van onbepaalde tijd. Een aaneenschakeling van tijdelijke contracten is dus juridisch niet mogelijk.
Het kan wel gebeuren dat een huurder bijvoorbeeld eerst een tijdelijk contract heeft gehad als student en daarna voor een andere woning, bijvoorbeeld als promovendus, ook een doelgroepcontract aangeboden krijgt. Het idee hierachter is dat dergelijke woningen en/of kamers beschikbaar blijven voor die specifieke doelgroep. De huurder die afgestudeerd of gepromoveerd is wordt geacht door te stromen.
Ik wil de evaluatie gebruiken om verder inzicht te krijgen of de wet de beoogde doelstellingen behaalt en of er geen sprake is van ongewenste neveneffecten. Ook kan dan worden bezien of- en zo ja op welke punten, het wenselijk is om de wet aan te passen.
De nazorg aan slachtoffers van misbruik in de sport |
|
Antje Diertens (D66) |
|
Bruno Bruins (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Slachtoffers «misbruikcoach» waterpolo: «Het ging in De Doofpot»»?1
Ja.
Hoe duidt u deze berichtgeving?
Ik betreur dat misbruik in de sport nog steeds voorkomt. Desondanks vind ik
het een goede ontwikkeling dat er meer aandacht is voor slachtoffers en dat er steeds meer wordt gemeld. Alleen dan kan grensoverschrijdend gedrag worden aangepakt en slachtoffers worden geholpen.
Bent u bekend met het aantal toegenomen meldingen van misbruik in de sport? Zo ja, bent u bereid zowel het aantal meldingen als de procentuele stijging van deze meldingen met de Kamer te delen?
Ja, in de tabel hieronder worden het aantal contacten bij het Centrum Veilige Sport (voorheen Vertrouwenspunt Sport) opgesomd. Deze contacten betreffen grensoverschrijdend gedrag in de breedste zin, waaronder meldingen van seksuele intimidatie en misbruik, maar ook discriminatie, bedreiging, pesten
en geweld.
Jaar
Aantal contacten
Procentuele stijging
2019
467
7,6%
2018
434
13,1%
2017
377
40,7%
2016
268
-0,3%
2015
269
44,6%
2014
186
28,3%
2013
145
57,6%
2012
92
37,3%
2011
67
Welke verklaring kunt u de Kamer geven voor deze stijging?
De toename van het aantal meldingen is een logisch gevolg van de toegenomen maatschappelijke aandacht voor seksueel misbruik. Alsmede de inspanningen die zijn gedaan naar aanleiding van het rapport van commissie De Vries, zoals de ingevoerde meldplicht in de sport. De verwachting is dat dit de komende jaren zal blijven stijgen, mede door een binnenkort te starten communicatiecampagne door de sportsector om de meldingsbereidheid te verhogen. Ik ben in nauw contact met het Centrum Veilige Sport over adequate opvolging van de meldingen.
Zijn er meer gevallen van misbruik in de sport bekend waarbij slachtoffers zich in onvoldoende mate gehoord en gesteund voelen? Indien uw antwoord bevestigend luidt, over welke aantallen spreken we dan?
Het Centrum Veilige Sport (CVS) geeft aan dat er meer gevallen zijn waarbij slachtoffers zich in onvoldoende mate gehoord en gesteund voelen. Het CVS geeft aan dat aantallen niet bekend zijn, mede doordat deze slachtoffers zich niet altijd melden om alsnog gehoord te worden. Bij het CVS worden mensen die zich alsnog melden te woord gestaan met als doel om alsnog de gewenste nazorg te organiseren. Zo is in een aantal van deze gevallen een traject met Perspectief Herstelbemiddeling gestart.
Herinnert u zich de eerdere hoorzitting en het daaropvolgende debat over misbruik in de sport van respectievelijk 12 maart en 16 mei 2018?
Ja.
Heeft u zicht op de informatie-uitwisseling tussen het Centrum Seksueel Geweld en het Centrum voor Veilige Sport, zoals verzocht in de motie-Diertens?2
Ja, mede naar aanleiding van deze motie zijn er afspraken gemaakt tussen het Centrum Seksueel Geweld en het Centrum Veilige Sport over de doorgeleiding van meldingen3. Momenteel verwijst het CVS slachtoffers actief door naar het Centrum Seksueel Geweld.
Waartoe wordt deze uitwisseling van kennis benut?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat er onvoldoende aandacht is voor nazorg van de slachtoffers van misbruik in sport?
Nee, er is voldoende nazorg voor slachtoffers beschikbaar. Sinds de komst van het Centrum Veilige Sport worden slachtoffers actief begeleid en doorverwezen naar bijvoorbeeld Perspectief Herstelbemiddeling, Schadefonds geweldsmisdrijven, Slachtofferhulp Nederland, Veilig Thuis alsmede de eigen huisarts. Met al deze organisaties heeft het CVS hierover afspraken gemaakt.
Welke maatregelen zijn wel ondernomen ter ondersteuning van slachtoffers van misbruik?
De sportsector heeft sinds 2018 stappen ondernomen om slachtoffers adequaat te helpen en ondersteuning te bieden. Allereerst is het proces van melden zo laagdrempelig mogelijk gemaakt en zijn er verschillende manieren van melden, bijvoorbeeld rechtsreeks bij het CVS, of via de vertrouwenscontactpersoon van de sportvereniging of -bond. En is er een chatfunctie beschikbaar om slachtoffers in de avond en nacht te woord te staan. Daarnaast werkt het CVS met een poule van vertrouwenspersonen om slachtoffers bij te staan en casemanagers voor opvolging en monitoring van de melding. Tenslotte werkt de sportsector samen met deskundige organisaties op dit gebied, zoals genoemd in antwoord 9.
Daarnaast ondersteun ik de activiteiten van de Stichting de Stilte Verbroken om bewustwording over misbruik in de (top)sport te vergroten en voor het opzetten van een platform voor lotgenotencontact. Bovendien heb ik bij het Instituut voor Sportrechtspraak een fonds opgezet waaruit de proceskosten betaald kunnen worden zodat de kosten geen belemmering vormen voor slachtoffers om een tuchtzaak te starten.
Acht u deze maatregelen voldoende toereikend?
Ja. Ik heb geen recente signalen ontvangen dat meldingen van slachtoffers ontoereikend zijn opgepakt.
Bent u bereid deze maatregelen te intensiveren dan wel tot nieuwe maatregelen over te gaan?
Ik ben met NOC*NSF voor het Centrum Veilige Sport en het Instituut voor Sportrechtspraak in overleg over de benodigde investeringen om de groei in het aantal meldingen, ook in de toekomst, aan te kunnen.
Op welke wijze zou professionele hulp, hetgeen door NOC*NSF wordt aanbevolen, toegankelijker kunnen worden gemaakt voor slachtoffers van misbruik in de sport?
Vanuit het CVS wordt actief doorverwezen naar alle beschikbare professionele hulp. De beschikbaarheid van deze hulp zal ook onderdeel vormen van de communicatiecampagne die CVS dit jaar start en daarmee bijdragen aan het toegankelijker maken van de hulp. Daarnaast zijn er veel slachtoffers die geen hulp zoeken omdat ze de ernst van een situatie niet herkennen of erkennen. Daar gaat de campagne ook aandacht aan besteden.
Ziet u een taak weggelegd voor NOC*NSF in de nazorg voor slachtoffers van misbruik in sport? Zo ja, bent u bereid om samen met NOC*NSF, sportverenigingen, gemeenten en het Centrum Seksueel Geweld tot een plan van aanpak te komen teneinde slachtoffers van misbruik in sport op een actieve, duurzame en structurele wijze ondersteuning te bieden?
Nee. Slachtoffers hebben recht op professionele hulp. Daarom stimuleer ik juist dat de sportsector gebruik maakt van de beschikbare expertise waar landelijke slachtofferhulporganisaties in gespecialiseerd zijn en niet zelf het wiel opnieuw gaat uitvinden.
Het bericht ‘Nabestaandenpensioen in gevaar door coronavirus’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nabestaandenpensioen in gevaar door coronavirus»?1
Ja.
Wat vindt u van de opmerkingen van de woordvoerder van pensioenadviesbureau Aon, dat het negatieve reisadvies van de Nederlandse overheid naar aanleiding van het coronavirus:
Werkgevers hebben de plicht te zorgen voor de veiligheid en gezondheid van hun werknemers, ook als werknemers voor hun werk naar het buitenland reizen en daar verblijven. In dat kader en in het belang van de volksgezondheid dient de werkgever de richtlijnen van het RIVM en de reisadviezen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zoveel als mogelijk na te leven. Op dit moment geldt kleurcode oranje voor de hele wereld. Buitenlandse Zaken adviseert alle Nederlanders om niet meer naar het buitenland te reizen tenzij het noodzakelijk is. Voor zakenreizen geldt dat werkgevers en werknemers goed moeten overwegen of een zakenreis op dit moment wel echt noodzakelijk is.
Bent u het eens met het advies van de woordvoerder van pensioenadviesbureau Aon, dat werkgevers en werknemers er goed aan doen om de uitvoeringsovereenkomst goed door te nemen en eventueel contact op te nemen met de adviseur en de pensioenuitvoerder? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat werkgevers en werknemers er in het algemeen altijd goed aan zullen doen om de uitvoeringsovereenkomst goed door te nemen. Op deze manier weten beide partijen vooraf waar ze aan toe zijn.
Bent u voldoende gerustgesteld door de opmerking van de woordvoerder van het Verbond van Verzekeraars dat het onwaarschijnlijk is dat verzekeraars daadwerkelijk gebruik gaan maken van de clausule? Wilt u daar nog iets aan toevoegen?
Ja, dit is bevestigd door het Verbond van Verzekeraars. Zie antwoord op vraag 5.
Kunt u uitsluiten dat het negatieve reisadvies van de Nederlandse regering naar aanleiding van het COVID19 virus gebruikt wordt door verzekeraars om polissen in het kader van nabestaandenpensioen, arbeidsongeschiktheid en/of andere verzekeringen niet uit te keren? Zo nee, waarom niet?
Door het Verbond van Verzekeraars is bevestigd dat het feit dat iemand overleden is door het coronavirus geen gevolgen heeft voor de uitkeringen uit hoofde van levensverzekeringen, uitvaartverzekeringen en nabestaandenpensioen. Eventuele uitsluitingen in polisvoorwaarden met betrekking tot verblijven in gebieden waar een negatief reisadvies geldt zijn niet bedoeld voor een situatie zoals deze met het virus. Zij verwachten dan ook dat verzekeraars gewoon zullen uitkeren. Dit staat ook vermeld op de website van het Verbond van Verzekeraars.2
Deelt u de mening dat het momenteel ongewenst en ongepast is om onzekerheid over verzekeringspolissen te laten ontstaan bij mensen die direct of indirect het slachtoffer zijn van (de gevolgen van) het COVID19 virus?
Ja. Op de website van het Verbond van Verzekeraars worden de meest gestelde vragen/situaties beantwoord, om zo de onzekerheid voor een groot gedeelte bij mensen weg te nemen.
Het bericht ‘Trillende handen, dementie, depressie: landbouwgif is zo onschuldig niet' |
|
Tjeerd de Groot (D66), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de 70 meldingen bij de Parkinson Vereniging die zijn gedaan naar aanleiding van een uitzending van het tv-programma «Zembla» betreffende Parkinson en de link met bestrijdingsmiddelen? Zo ja, hoe kijkt u naar deze meldingen?1
Ja. Ik neem deze berichtgeving serieus en ik begrijp dat deze aanleiding kan geven tot zorgen.
Heeft u naar aanleiding van de motie-Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 502) er bij de Gezondheidsraad op aangedrongen dat naast Parkinson ook andere neurologische aandoeningen meegenomen worden in het advies over risico’s van bestrijdingsmiddelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, worden deze nu meegenomen in het huidige onderzoek en advies?
Ja, de Gezondheidsraad is gevraagd om op basis van (internationaal) gepubliceerd onderzoek nader te onderzoeken of er gezondheidsrisico’s zijn door blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en hierover te adviseren.
Heeft u de aanbevelingen van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), de European Food Safety Authority (EFSA) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) omtrent het verbeteren van de Europese goedkeuringsprocedure in relatie tot mogelijke motorische en neurologische aandoeningen al neergelegd bij de Europese Commissie? Zo ja, wat is hier tot op heden mee gedaan? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik heb de Europese Commissie per brief verzocht een traject te starten om de datavereisten op het gebied van neurologische aandoeningen te herzien voor Verordening (EG) 1107/2009.
Wat is de reden dat de Europese Unie de vergunning van het middel Mancozeb, ondanks de vele zorgen en de weerstand van Nederland, toch heeft verlengd tot november 2021?
Nederland heeft in de SCoPAFF-vergadering van 21 en 22 oktober 2019 met een stemverklaring aangegeven niet akkoord te kunnen gaan met de tijdelijke verlenging van de werkzame stof mancozeb en de Europese Commissie opgeroepen de besluitvorming over de herbeoordeling van deze stof af te ronden voor 31 januari 2020. De Europese Commissie heeft toegezegd dit zo spoedig mogelijk te doen (Kamerstuk 27 858, nr. 485). In deze herbeoordeling wordt de laatste beschikbare wetenschappelijke kennis meegenomen.
De Europese Commissie heeft de goedkeuring van de werkzame stof mancozeb (als onderdeel van een pakket van 10 werkzame stoffen) verlengd met een jaar, tot 31 januari 2021. De herbeoordeling van de werkzame stof mancozeb was helaas niet tijdig afgerond. Aangezien dit buiten de schuld is van de aanvrager voorziet Verordening (EG) 1107/2009 in het tijdelijk procedureel verlengen van zo’n werkzame stof op Europees niveau, zodat er voldoende tijd is om de herbeoordeling te kunnen afronden.
De Europese beoordeling van de werkzame stof mancozeb is inmiddels bijna afgerond. Er ligt een conceptvoorstel van de Europese Commissie tot het niet verlengen van de goedkeuring van deze werkzame stof. Dit conceptvoorstel stond voor discussie op de agenda van het SCoPAFF op 18 en 19 mei. Er is in dit overleg nogmaals het verzoek neergelegd bij de Europese Commissie om de besluitvorming over dit voorstel zo snel mogelijk af te ronden.
Bent u voornemens dit middel aan banden te leggen vanwege de grote vraagtekens rondom de volksgezondheid bij het gebruik van dit middel en de gevaren voor boerengezinnen en bewoners van het platteland die rechtstreeks met dit middel in aanraking komen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Wanneer verwacht u het advies van de Gezondheidsraad te ontvangen en met de Kamer te kunnen delen?
Ik verwacht het advies van de Gezondheidsraad over de gezondheidsrisico’s van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen in de zomer en zal dit, samen met de Minister voor Medische Zorg en Sport en de Minister voor Milieu en Wonen, met uw Kamer delen.
Het bericht dat Apollo/Vredestein 750 fulltime-equivalent (fte) aan banen wil schrappen in de locatie in Enschede |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Apollo/Vredestein 750 fte aan banen wil schrappen in de locatie in Enschede?1 Zo ja, was u eerder op de hoogte van dit besluit dan de media of de betreffende medewerkers?
Ja. En nee, ik was niet eerder op de hoogte van dit besluit dan de media of de betreffende medewerkers.
Hebt u contact gezocht met de directie van Apollo/Vredestein om te zorgen dat zoveel mogelijk banen behouden blijven voor de regio? Zo nee, bent u alsnog bereid dit te doen?
Mijn medewerkers houden op mijn verzoek nauw contact met de provincie, gemeente en het bedrijf.
Deelt u de mening dat het verdwijnen van hoogwaardig productiewerk op deze schaal een zeer verontrustende ontwikkeling is en zoveel mogelijk zou moeten worden voorkomen?
Het bericht over het voornemen om 750 van de 1.100 vaste banen te schrappen bij Apollo Vredestein in Enschede, is vooral een zware klap voor de getroffen medewerkers en hun gezinnen. Ik ben het eens dat het verdwijnen van hoogwaardig productiewerk in beginsel zoveel mogelijk voorkomen zou moeten worden. Deze voorgenomen reorganisatie is echter een strategische overweging van het bedrijf. De voorgenomen reorganisatie zal wordt nu eerst met de ondernemingsraad en bonden worden besproken.
Ziet u in het feit dat het Indiase Apollo Tyres naar eigen zeggen Vredestein heeft overgenomen specifiek voor de kennis en met deze kennis een nieuwe fabriek in het Hongaarse Gyöngyöshalász heeft gebouwd een structureel risico, waarbij hoogwaardige industriële bedrijven in Nederland door buitenlandse investeerders worden opgekocht voor hun kennis en vervolgens de werkgelegenheid verdwijnt naar lagelonenlanden? Hoe denkt u dit soort scenario’s in de toekomst te gaan voorkomen?
De directie van Apollo Vredestein NL heeft aangegeven dat de uitbreiding in Hongarije bedoeld was om aan de groeiende vraag naar banden te kunnen voldoen. Die vraag is echter de laatste jaren gedaald door veranderende marktomstandigheden. Door deze veranderende marktomstandigheden maakt Apollo nu de keuze om in Enschede de kleinschalige en specialistische productie van banden te houden en de grootschalige productie in Hongarije en India te laten plaatsvinden. Volgens de directie heeft Apollo de houdbaarheid van productie van dat productsegment in Enschede geanalyseerd en met inachtneming van veranderende marktomstandigheden de intentie uitgesproken om de fabriek in Enschede te specialiseren tot de productie van landbouwbanden en specialistische hoogwaardige banden met als doel het voortbestaan van Apollo Vredestein in Enschede te borgen. Het is goed om te vermelden dat het besluit tot de steunverlening 5,5 jaar geleden is genomen en dat Apollo al geruime tijd actief is in Hongarije. Apollo geeft aan dat er geen causaal verband is tussen de reorganisatie in Enschede en de Hongaarse fabriek.
De overheid kan dit niet voorkomen, maar door middel van inzet van onder anderen NFIA en regionale ontwikkelmaatschappijen trachten wij hoogwaardige industriële bedrijven zoveel mogelijk te binden aan de regio door het scheppen van de juiste voorwaarden (verbeteren van het vestigingsklimaat, samenwerking met kennisinstellingen en clustervorming).
Klopt de berichtgeving in sommige media dat voor de bouw van de Hongaarse fabriek Europese subsidie is gebruikt?2 Kunt u duidelijk aangeven of dit het geval is? Zo ja, hoe duidt u het feit dat Europese subsidie er feitelijk toe lijdt dat werkgelegenheid uit Nederland verdwijnt?
Uit documentatie van de Europese Commissie en gesprekken met Apollo Vredestein is mij gebleken dat hier geen sprake is van Europese subsidies maar van subsidies van de Hongaarse overheden. Deze subsidies bestaan uit: 48,2 mln. directe subsidie, 2,8 mln. werkgelegenheidssubsidie en belastingvoordeel dat kan oplopen tot 44,7 mln. Deze subsidies zijn vervolgens getoetst door de Europese Commissie.
Is het correct dat de Europese Commissie in 2014 een omvangrijk pakket aan staatssteun heeft toegestaan voor de bouw van de Hongaarse fabriek?3 In hoeverre deelt u met de kennis van nu de analyse van de Europese Commissie destijds dat er nauwelijks sprake was van marktverstoring?
Ik heb geen reden om te twijfelen aan de legitimiteit van de destijds verleende steun. Binnen de EU gelden strikte voorwaarden voor staatssteun, die bovendien worden getoetst door de Europese Commissie. In dit geval heeft de Commissie geoordeeld dat de staatsteun die Hongarije heeft gegeven verenigbaar is met de interne markt.
In hoeverre kunnen medewerkers van Vredestein een beroep doen op het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering? Wordt hiervoor een aanvraag gedaan, hetzij door de rijksoverheid, hetzij door de provincie Overijssel?
Het Europees Globaliseringsfonds (EGF) is een fonds dat steun biedt aan werknemers die als gevolg van globalisering of economische en financiële crises hun baan verliezen. Er kan een mogelijk beroep op het EGF gedaan worden, wanneer er minimaal 500 personen ontslagen worden in een referentieperiode. Voor bedrijven is deze referentieperiode vier maanden. De aanvrager moet aantonen dat de ontslagen een gevolg zijn van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen.
In deze specifieke casus zou de provincie Overijssel de aanvrager kunnen zijn. Het Ministerie van SZW begeleidt en ondersteunt aanvragen bij EGF en bepaalt uiteindelijk ook of de aanvraag ingediend gaat worden bij het EGF. Of het in deze casus tot een dergelijke aanvraag komt, is op dit moment nog niet bekend.
Bent u op de hoogte van het feit dat onder veel werknemers het oordeel leeft dat de locatie Enschede gebaseerd alleen op de productie van banden voor agrarische voertuigen en het duurdere segment niet op termijn rendabel is en daarmee de huidige voorstellen in de praktijk op termijn het einde van de locatie Enschede betekenen?
Ik begrijp dat er bij de medewerkers zorgen bestaan over de toekomst. Apollo stelt dat de reden voor de voorgestelde reorganisatie in Enschede, waarbij wordt gekozen voor specialisatie in hoogwaardige banden en banden voor agrarische voertuigen, juist bedoeld is om de fabriek in de toekomst winstgevend te maken en het voortbestaan te borgen. Ik heb geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Uiteraard is het moeilijk om op dit moment te voorspellen hoe succesvol deze reorganisatie zal zijn in het licht van de ontwikkelingen in de markt.
Wat wordt gedaan specifiek om de locatie voor Research & Development (R&D) van Vredestein te behouden?
Het Global R&D Centre van Apollo Europe is in Enschede gevestigd. Apollo heeft bevestigd dat dit centrum niet wordt aangetast door de voorgenomen reorganisatie. Dit onderdeel valt direct onder de holding in India. Er werken ongeveer 150 mensen.
Is er de afgelopen jaren vanuit het Rijk, de provincie Overijssel of de regio Twente subsidie gegaan naar Vredestein?
Apollo Vredestein heeft in het verleden gebruikgemaakt van de instrumenten die EZK ter beschikking gesteld zoals de WBSO.
Sinds 2010 is er ongeveer 8,5 miljoen euro aan subsidie uitbetaald aan Apollo Vredestein. Het merendeel daarvan in het kader van de subsidieregeling Praktijkleren. Een flink deel van deze subsidies is al jaren geleden verstrekt. Ook is er nog een SDE (Stimuleren Duurzame Energieproductie)subsidie toegekend (EUR 2,5 miljoen) voor een zon-pv project. Tot slot heeft Apollo R&D in 2017 en 2018 deelgenomen aan een PPS toeslag project op het gebied van Bio Based Economy. Het bedrijf ontving hiervoor overigens zelf geen subsidie.
Het weigeren door Knab van religieuze organisaties als zakelijke klant |
|
Stieneke van der Graaf (CU), Eppo Bruins (CU) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het acceptatiebeleid voor zakelijke klanten bij Knab, waarin wordt gesteld dat religieuze organisaties niet worden geaccepteerd als klant?1
Ja.
Zijn deze acceptatiecriteria in lijn met Nederlandse en Europese regelgeving? Kunt u dit toelichten?
Het uitgangspunt is dat het banken vrij staat om hun klantenbestand te baseren op een door de bank zelf bepaalde ondernemersstrategie en het door de bank gewenste risicoprofiel. Hierbij spelen verschillende factoren een rol die door banken zelf worden gewogen, zoals het bestaande kader van wet- en regelgeving, evenals de door banken gewenste risicobereidheid en de door hen opportuun geachte strategie. Een bank kan besluiten zich te willen richten op een bepaald klantensegment in de zakelijke dan wel consumentenmarkt.2
Het is banken op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) niet toegestaan om een bepaald type organisatie integraal als klant te weigeren. De Wwft maakt het weigeren van cliënten beperkt mogelijk. Alleen als de risico’s op witwassen en financieren van terrorisme onvoldoende kunnen worden gemitigeerd, mag dienstverlening worden geweigerd. Het uitvoeren door de bank van een (al dan niet verscherpt) cliëntenonderzoek zoals bedoeld in de Wwft, houdt in dat per geval moet worden beoordeeld of de risico’s in dat concrete geval kunnen worden ondervangen. Banken zijn verplicht om de beoordeling van die risico’s vast te leggen. Ook de Europese anti-witwasrichtlijn, die hoofdzakelijk is geïmplementeerd in de Wwft, staat niet toe dat een financiële instelling religieuze organisaties als klant weigert, zonder dat er voorafgaand aan die weigering een individuele risicobeoordeling heeft plaatsgevonden.
De afgelopen jaren is er door overheden, toezichthouders en internationale organisaties het nodige gedaan om banken, andere financiële instellingen en beroepsgroepen bij te staan bij het adequaat toepassen van geldende wet- en regelgeving. Zij stellen bijvoorbeeld richtlijnen op. Zo is in november 2017 door de Financial Action Task Force (FATF) een richtlijn gepubliceerd over hoe financiële inclusiviteit te bewerkstelligen en tegelijkertijd regels met betrekking tot het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering correct toe te passen.3 Daarnaast publiceren zowel het Ministerie van Financiën als de zes Wwft-toezichthouders leidraden voor de uitvoering van de wettelijke verplichtingen voor het voorkomen van witwassen en anti-terrorismefinanciering.4 Het doel van dergelijke handreikingen en toelichtingen is om de toepassing en naleving van de wet- en regelgeving voor instellingen zo veel mogelijk te vergemakkelijken.
Zijn deze acceptatiecriteria in lijn met de Algemene wet gelijke behandeling en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, die het maken van onderscheid op basis van religie verbieden? Kunt u dit toelichten?
Discriminatie is op grond van artikel 1 van de Grondwet verboden. Dit artikel is nader uitgewerkt in verschillende wetten. De Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) verbiedt om bij het aanbieden van diensten ongerechtvaardigd onderscheid te maken op grond van godsdienst. Dat betekent dat het verboden is om onderscheid te maken tussen godsdienstige organisaties op grond van de religie waartoe zij behoren. Ook het maken van onderscheid tussen organisaties met en zonder religieus karakter, valt onder het verbod.
Of in dit geval sprake is van verboden onderscheid is niet aan het kabinet om te beoordelen. Het staat een afgewezen religieuze organisatie overigens wel vrij bij het College voor de Rechten van de Mens een verzoek in te dienen om te beoordelen of sprake is van discriminatie. Ook kan men andere geëigende instrumenten aanwenden zoals het doen van een melding van discriminatie bij een ADV of het doen van aangifte bij de politie.
Hoe verhoudt deze situatie zich tot de eerdere situaties, zoals bij het bedrijf Payleven dat de Navigators Studentenvereniging in Amsterdam weigerde als klant in 20172, en het bedrijf SumUp dat de Tabernakelkerk in Apeldoorn weigerde als klant in 2018?
Knab schrijft in de acceptatiecriteria dat sommige typen klanten om verschillende redenen niet worden geaccepteerd als zakelijke klant. Nu er niet wordt uitgeweid over de achterliggende redenen is het niet mogelijk om deze casus een-op-een te vergelijken met de eerdere situaties die worden genoemd.
Weet u hoeveel bedrijven religieuze organisaties weigeren als klant? Komt dit breder voor dan in de banken- en betaalsector?
Ik ben niet bekend met andere casussen waarbij religieuze organisaties zouden worden geweigerd als klant.
Kan er meer worden gedaan dan een verwijzing naar de individuele route voor de gedupeerden naar het College voor de Rechten van de Mens?
Naast het indienen van een klacht bij het College voor de Rechten van de Mens, kan een mogelijke gedupeerde ook aangifte doen bij de politie of een melding doen bij de lokale anti-discriminatievoorziening. De anti-discriminatievoorzieningen bieden gratis advies en bijstand aan personen die zich gediscrimineerd voelen. Zij kunnen het gesprek aangaan met, in dit geval, de bank, of bijstand bieden bij een gang naar het College voor de Rechten van de Mens. De zaak kan ook aanhangig gemaakt worden bij de rechtbank. De rechter kan oordelen over de vraag of het gemaakte onderscheid in lijn is met de Awgb.
Indien een cliënt zich niet kan vinden in de handelwijze van een bank of andere financiële onderneming, kan ook een klacht worden ingediend bij het Klachteninstituut financiële dienstverlening (Kifid).
Is het toegestaan dat een gemiddeld bedrijf zelf beoordeelt wanneer sprake is van een religieuze organisatie? Bestaat er regelgeving hierover of een definitie hiervan? Zo nee, in hoeverre leidt het beleid religieuze organisaties te weigeren tot willekeur?
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat brengt met zich dat de overheid geen geloof of wijze van geloofsbelijdenis mag voorschrijven of voortrekken. De overheid stelt zich neutraal op. Dat betekent ook dat de staat zich niet of zeer terughoudend zal bezighouden met de interpretatie van religie en zich niet zal bemoeien met interne geloofsaangelegenheden en/of aangelegenheden van religieus institutionele aard. Het is dan ook niet aan de overheid om te definiëren wat heeft te gelden als een religieuze organisatie. De instelling bepaalt zelf wanneer zij een cliënt aanmerkt als een religieuze organisatie. Bij het bepalen of er sprake is van een religieuze organisatie dienen instellingen voor alle godsdienstige stromingen dezelfde criteria te hanteren.
Overigens zullen in de praktijk de meeste organisaties hun religieuze karakter en/of religieuze achtergrond zelf uitdragen. Organisaties verwijzen hier bijvoorbeeld naar op hun website. Op basis van die informatie kan een bedrijf bepalen of het om een religieuze organisatie gaat.
De aanhoudende intimidatie van vrouwen buiten abortusklinieken |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat ondanks eerdere debatten, toezeggingen en moties over het onderwerp, de intimidatie van vrouwen buiten abortusklinieken onverminderd doorgaat?1
Ik heb kennisgenomen van het artikel.
Deelt u de mening dat het intimideren van vrouwen voor een abortuskliniek moreel verwerpelijk gedrag is dat per direct moet stoppen? Zo ja, waarom en wat gaat u doen om dit te bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn eerdere commissiebrief en antwoorden op Kamervragen over dit onderwerp heb aangegeven vind ik het onwenselijk als vrouwen die op het punt staan een abortuskliniek te bezoeken hinder ondervinden door demonstranten.2, 3 Vrouwen moeten in alle vrijheid een zwangerschapsafbreking kunnen overwegen.
Het recht om te demonstreren is vastgelegd in de Grondwet. Dat daarbij onwelgevallige of soms zelfs choquerende meningen aan de orde kunnen zijn, is op zichzelf genomen geen reden om het demonstratierecht te beperken. Ik kan me echter goed voorstellen dat bepaalde meningen, op een voor een vrouw toch vaak al moeilijk moment in haar leven, op zijn minst intimiderend voelen. Zie verder het antwoord op de vragen 3, 4, 8 en 9.
Kunt u een uitgebreid overzicht geven van de concrete stappen die u heeft gezet sinds het eerste debat over deze kwestie in juni 2019?2 Kunt u daarbij toelichten welke resultaten uw aanpak heeft gehad? Hoe verhouden deze resultaten zich tot de voortdurende intimidaties die gesignaleerd worden door de abortusklinieken?
In mijn eerdere commissiebrief en beantwoording van Kamervragen gaf ik al aan dat het op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) primair aan gemeenten (de burgemeester) is om demonstraties bij abortusklinieken in goede banen te leiden. Tot dusverre hebben gemeenten waar abortusklinieken zijn gevestigd steeds aangegeven dat zij over genoeg bevoegdheden beschikken om de demonstraties in goede banen te leiden.
Omdat de vrijheid van demonstreren en de vrijheid van meningsuiting fundamentele grondrechten zijn, is het uitgangspunt dat de burgemeester zich zoveel mogelijk moet inspannen om demonstraties te faciliteren en te beschermen. Daarbij geldt dat ook meningsuitingen die choqueren of als storend worden ervaren bescherming verdienen. Volgens de Grondwet heeft in Nederland niemand voorafgaand toestemming nodig om gedachten en gevoelens te openbaren, dat zou neerkomen op censuur. De burgemeester kan daarom geen beperkingen opleggen vanwege de (onjuiste) inhoud van een demonstratie of een meningsuiting. Wel kan hij op grond van de Wom om andere redenen voorschriften en beperkingen stellen, aanwijzingen geven of in het uiterste geval een demonstratie verbieden of beëindigen. In de beantwoording van eerdere Kamervragen ben ik hier uitvoeriger op ingegaan.9 Het recht om te demonstreren en om je mening te uiten is niet onbegrensd. Bij strafbare gedragingen of uitingen, zoals intimidatie, kan worden ingegrepen. Iedereen die kennis heeft van een (vermeend) strafbaar feit kan aangifte doen bij de politie.
De politie, het OM en uiteindelijk de strafrechter zullen van geval tot geval moeten beoordelen of een concrete gedraging strafbaar is.
Ik heb vanuit de gemeenten geen signalen ontvangen dat zij, met inachtneming van het respect voor de hiervoor geschetst grondrechten, niet genoeg mogelijkheden hebben om demonstraties bij abortusklinieken in goede banen te leiden. Zie verder het antwoord op de vragen 8 en 9.
Deelt u tevens de mening dat het onaanvaardbaar is dat de groepering «Schreeuw om Leven» in Rotterdam een nepambulance parkeert bij de abortuskliniek met de tekst «abortus is babymoord» en daarnaast ook nog onjuiste informatie verspreidt? Zo ja, waarom? Welke bestuurlijke dan wel juridische mogelijkheden bestaan er om hier tegen op te treden? Zo nee, waarom niet? Zou volgens u wetgeving zoals in Frankrijk bestaat, waarbij misleidende informatie wordt verboden, een optie zijn om dergelijke acties te verbieden?
Zie antwoord vraag 3.
Hebben burgemeesters voldoende handvatten om tegen deze praktijken op te treden? Zo ja, kunt u dan uitleggen waarom enkele burgemeesters aangeven niet de juiste handvatten te hebben? Zo nee, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat zij die handvatten wel krijgen?
Uit de wetsgeschiedenis van de Wom volgt dat het criterium «bescherming van de gezondheid» restrictief moet worden uitgelegd. In de memorie van toelichting is de bestrijding van een epidemie als voorbeeld genoemd. Gelet hierop zie ik in algemene zin geen aanknopingspunten om aan te nemen dat hieronder ook de mogelijke effecten voor de psychische gezondheid van vrouwen kunnen vallen die te maken (kunnen) krijgen met demonstranten bij een bezoek aan een abortuskliniek. Zou een burgemeester met dat doel een beperking opleggen, dan is het uiteindelijk aan de bestuursrechter om daar – in een concreet geval – een oordeel over te geven, indien een demonstrant daartegen opkomt.
Deelt u de mening dat bovenstaande praktijken de psychische gezondheid van de desbetreffende vrouwen kan schaden en dat daarom artikel 2 van de Wet openbare manifestaties van toepassing kan zijn op grond waarvan beperkingen aan het recht tot belijden van godsdienst of levensovertuiging en het recht tot vergadering en betoging, kunnen worden opgelegd «ter bescherming van de gezondheid»? Zo ja, welke beperkingen zijn mogelijk? Kan daartoe ook het aanleggen van een bufferzone behoren? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Bij de uitoefening van het demonstratierecht kan sprake zijn van hinder. Indien abortusklinieken van mening zijn dat zij onevenredige schade oplopen door de demonstranten, kunnen zij ervoor kiezen om een civiele procedure op te starten. Het is vervolgens aan de burgerlijke rechter om daarover een oordeel te vellen.
Acht u het mogelijk dat abortusklinieken vanwege de genoemde praktijken onevenredige schade oplopen, bijvoorbeeld vanwege extra kosten voor beveiliging of voor begeleiding en nazorg van vrouwen? Zo ja, in hoeverre zou dit in een civiele procedure op de demonstranten kunnen worden verhaald? Zo nee, waarom acht u dit niet mogelijk?
Voor een demonstratie acht ik een dergelijk gebiedsverbod niet mogelijk. Op vragen over het groepsverbod van artikel 172a Gemeentewet heeft de regering bij de totstandbrenging van dit artikel geantwoord dat het recht tot betoging een grondrecht is, dat niet kan worden beperkt door een dergelijk, door de burgemeester opgelegd verbod. Het reguleren van een demonstratie kan uitsluitend op grond van de Wom.10
Acht u de inzet van een gebiedsverbod op grond van artikel 172a Gemeentewet mogelijk om dit soort praktijken te voorkomen?
Demonstreren is het (grond)recht om met meerdere mensen in het openbaar uiting te geven aan gevoelens of wensen op maatschappelijk en politiek gebied. Zoals eerder aangegeven krijgen meningsuitingen die choqueren of als storend worden ervaren ook bescherming.
Het recht om te demonstreren en om je mening te uiten is echter niet onbegrensd. Uitingen kunnen onder bepaalde omstandigheden strafbaar zijn, bijvoorbeeld wanneer zij beledigend zijn (artikel 266 Sr), opruiend zijn (artikel 131 Sr) of wanneer ze aanzetten tot haat, discriminatie of geweld tegen bepaalde groepen. Of er sprake is van strafbare gedragingen of uitingen is afhankelijk van de aard van de uitingen en gedragingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden. Van strafbaarheid op grond van «belediging» (artikel 266 Sr) kan slechts sprake zijn als de uiting een bepaalde persoon betreft. Voor strafbaarheid op grond van opruiing (artikel 131 Sr) is onder meer vereist dat degene die de uiting doet de opzet heeft om anderen aan te zetten tot strafbare feiten. Voor strafbaarheid wegens aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden is vereist dat het gaat om een uiting die een bepaalde groep betreft, vanwege de kenmerken van die groep, die bij wet bepaald zijn. Zowel bij belediging als bij het aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden, speelt bovendien dat de uiting dient te worden afgewogen tegen het recht op de vrijheid van meningsuiting. In voorkomende gevallen verdient een uiting bescherming vanwege het recht op de vrijheid van meningsuiting. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de uiting een bijdrage aan het publieke debat levert (bijvoorbeeld een deelname aan een maatschappelijke discussie). Dergelijke uitingen zijn in beginsel niet strafbaar, tenzij ze «onnodig grievend» zijn. De politie, het OM en uiteindelijk de strafrechter zullen echter van geval tot geval moeten beoordelen of een concrete gedraging strafbaar is. Als Minister ga ik hier niet over.
Kunnen leuzen zoals «abortus is (baby) moord» onder omstandigheden strafbaar zijn? Zo ja, op grond van welke wetsartikelen? Kan er bijvoorbeeld sprake zijn van aanzetten tot haat zoals bedoeld in artikel 137d Wetboek van Strafrecht? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de overige gestelde vragen biedt de Wom de burgemeester verschillende mogelijkheden om te voorkomen dat de activiteiten van abortusklinieken en hun bezoekers worden belemmerd in het uitoefenen van hun rechten. Zo zijn er gemeenten waar een plek voor de demonstratie is aangewezen. Dit kan op grond van de plaatselijke omstandigheden een geschikte en juridisch aanvaardbare manier zijn om recht te doen aan enerzijds de vrijheid om te demonstreren en anderzijds de vrijelijke toegang voor vrouwen tot abortuszorg. Het strafrecht biedt mogelijkheden om tegen eventuele uitwassen op te treden. Gelet hierop, evenals op het recht op de vrijheid van meningsuiting en het recht tot vergadering en betoging, zie ik dan ook geen aanleiding om de wet- en regelgeving te wijzigen.
Welke wijzigingen in wet- of regelgeving zouden nodig zijn om het aanspreken van vrouwen voor een abortuskliniek, met de boodschap dat abortus moord is en het tonen van afbeeldingen van foetussen, wel strafbaar te kunnen stellen?
Een dergelijk overzicht is mij niet bekend. Wel wordt opgemerkt dat het demonstratierecht en de vrijheid van meningsuiting niet alleen nationaal, maar ook internationaal stevig zijn verankerd, zoals in het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Andere (ons omringende) landen, waaronder de landen van de Raad van Europa, zijn daarmee ook internationaalrechtelijk gebonden aan de vergaande bescherming die het demonstratierecht en het recht op vrije meningsuiting genieten. Daaruit vloeit onder meer voort dat de overheid haar best moet doen een protest toe te staan daar waar de doelgroep die kan horen en zien. Deze bescherming geldt ook voor protesten of betogingen waarbij beledigende, verwerpelijke of zelfs choquerende uitingen worden gedaan. Voor het overige geldt dat andere landen binnen de bandbreedte van het internationale recht de vrijheid hebben eigen keuzes maken die aansluiten bij hun eigen rechtscultuur. Die keuzes zijn soms (sterk) historisch bepaald. Nederland heeft ervoor gekozen om zoveel mogelijk bescherming te bieden aan demonstraties.
Kunt u een overzicht geven van regelgeving in andere landen waarbij dit soort activiteiten worden verboden, dan wel het recht op demonstratie wordt beperkt?
In de Nederlandse abortuswetgeving is gekozen voor een balans tussen de beschermwaardigheid van het leven en het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw. Dat betekent dat ook dat vrouwen in alle vrijheid een zwangerschapsafbreking moeten kunnen overwegen en toegang moeten hebben tot abortuszorg. Ik sta daarvoor en meen dat de abortuszorg momenteel voldoende toegankelijk is.
Gemeenten hebben aangeven dat zij over genoeg bevoegdheden beschikken om de demonstraties in goede banen te leiden. Daarom zie ik geen noodzakelijke actie, anders dan het landelijk delen van informatie, zoals dit nu al plaatsvindt. Ik zal in gesprek blijven met gemeenten en abortusklinieken en uw Kamer jaarlijks informeren.
Hoe gaat u uitvoering geven aan uw rol als hoofdverantwoordelijke voor de volksgezondheid en verzekeren dat ook vrouwen die een abortus moeten ondergaan deze zorg veilig kunnen ontvangen, zonder bedreigd of geïntimideerd te worden?
De berichten ‘Glyfosaatverbod in pachtcontract onwettelijk en ‘Brabant mag verbod glyfosaat eisen van pachters' |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Grondkamer omtrent de pachtovereenkomsten van de gemeente Gilze en Rijen waarin een verbod is opgenomen van het bestrijdingsmiddel glyfosaat en met de uitspraak van de Centrale Grondkamer omtrent een glyfosaatverbod in pachtcontracten van de provincie Brabant?1 2
Ja.
Kunt u toelichten waarom een verbod op het gebruik van glyfosaat wel is toegestaan vanuit de provincie Brabant, een verbod vanuit de gemeente niet en een algeheel verbod vanuit het Rijk niet is toegestaan of niet mogelijk is, eveneens een verbod op bepaalde toepassingen zoals voor-oogsttoepassingen, voor het behandelen van onkruiden, vanggewassen en groenbemesters, kalenderspuiten en het resetten van grasland?
De werkzame stof glyfosaat is eind 2017 hernieuwd goedgekeurd op Europees niveau voor onkruidbestrijding. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) is momenteel bezig met het herbeoordelen van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof glyfosaat in Nederland. Dit proces is nog niet afgerond, maar het Ctgb heeft mij laten weten dat het voornemens is om de volvelds voor-oogsttoepassingen in enkele gewassen niet meer toe te laten (zie Kamerstuk 27 858, nr. 487). Verordening (EG) 1107/2009 biedt de mogelijkheid om in te grijpen in de goedkeuring of de toelating als uit nieuwe wetenschappelijke informatie blijkt dat niet meer aan de goedkeurings- of toelatingsvereisten wordt voldaan. Daar is op dit moment geen sprake van.
Er kunnen door partijen, zoals natuurorganisaties en andere overheden, overeenkomsten worden gesloten met agrarische ondernemers, waarin bovenwettelijke randvoorwaarden zijn opgenomen over het al dan niet gebruiken van bepaalde toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen. In dit geval heeft de provincie Brabant in een pachtovereenkomst voor de duur van één jaar een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof glyfosaat opgenomen. De Centrale Grondkamer heeft inmiddels geoordeeld dat dit verbod in deze zaak niet leidt tot een buitensporige last voor de agrarische ondernemer en de agrarische ondernemer niet buitensporig in zijn exploitatievrijheid raakt, omdat er onder meer vooraf is gewezen op dit verbod. De Centrale Grondkamer geeft aan dat per situatie aan de hand van de omstandigheden moet worden beoordeeld of een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof glyfosaat een buitensporige verplichting oplevert.
Ik begrijp uit het bericht van Boerenbusiness dat de gemeente Gilze-Rijen tegen een uitspraak van de grondkamer in hoger beroep gaat, waarin een contractueel verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op basis van glyfosaat op gemeentelijke gronden werd vernietigd. Ik wacht de uitspraak van de Centrale Grondkamer in deze casus af.
Deelt u de mening dat de inzet van de gemeente Gilze en Rijen, de provincie Brabant en Staatsbosbeheer in lijn zijn met de aangenomen motie-De Groot (Kamerstuk 27 858, nr. 463) over een verbod op glyfosaat buiten geïntegreerde gewasbescherming? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u verder invulling geven aan de motie?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de reden dat alleen voor kortlopende overeenkomsten een glyfosaatverbod opgenomen kan worden en hoe strookt dit met het huidige beleid om langdurige pacht te stimuleren?
De Centrale Grondkamer toetst of de randvoorwaarden die zijn opgenomen in een pachtovereenkomst tot een buitensporige last of verplichting voor de agrarische ondernemer leiden. Dit dient van geval tot geval beoordeeld te worden.
De aangekondigde wetswijziging om langlopende pachtcontracten te stimuleren betreft een totaalpakket waarbij ook met duurzaamheidseisen rekening wordt gehouden.
Kunt u toelichten waarom de motie-De Groot (Kamerstuk 27 858, nr. 463) over een verbod op glyfosaat buiten geïntegreerde gewasbescherming tot op heden niet wordt uitgevoerd?
Er is – zoals ik uw Kamer heb geschreven – geen sprake van kalenderspuiten met gewasbeschermingsmiddelen op basis van glyfosaat. Ik hanteer het «nee, tenzij principe» bij het toepassen van deze middelen tegen onkruiden en voor het vernietigen van ongewenste planten of delen van planten, zoals groenbemesters en vanggewassen. Ik zet in op het opstellen van de IPM-stappenplannen door een inventarisatie van chemische en niet-chemische alternatieve maatregelen voor het gebruik van glyfosaat (Kamerstuk 27 858, nr. 487). Daarmee geef ik invulling aan de motie De Groot.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden voordat de Nederlandse grasvelden weer geel kleuren door het gebruik van glyfosaat?
Dat is helaas niet gelukt.
Het beperkt aantal wettelijke verlofdagen in een verpleeghuis |
|
Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Radar «Maximaal 42 verlofdagen voor bewoners van zorginstelling»?1
Ja.
Tot mijn spijt heeft de beantwoording van deze vragen door de aanpak van de corona-crisis langer geduurd dan gebruikelijk.
Klopt het dat het daadwerkelijke aantal verlofdagen niet 42 is maar 146, en interpreteert het verpleeghuis in kwestie daarom de door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) opgestelde beleidsregel onnodig te strikt? Zo nee, zou in deze casus zorgverlening via het Volledig Pakket Thuis (VPT), Modulair Pakket Thuis (MPT) of een Persoonsgebonden budget (PGB) uitkomst kunnen bieden?
Ja, dat klopt. Het totaal aantal afwezigheidsdagen dat een zorgaanbieder in een jaar kan declareren wanneer de cliënt niet in de instelling verblijft, is maximaal 146 dagen per jaar1. Het betreft 42 dagen vakantieverlof met een maximum van twee weken per keer. Daarnaast kunnen cliënten wekelijks twee dagen (52 x 2 dagen = 104 dagen per jaar) aaneengesloten elders verblijven. De NZa heeft het per 1 januari 2020 mogelijk gemaakt dat weekenddagen ook doordeweeks kunnen worden opgenomen.
Komt het vaker voor dat mensen met een hoog geïndiceerd zorgprofiel door een familielid zelfstandig langdurig verzorgd worden, aangezien iemand zorg vanuit de Wet langdurige zorg(Wlz) kan aanvragen als er 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig is om ernstig nadeel te voorkomen?
Mensen die voor de Wlz zijn geïndiceerd kunnen die zorg ook thuis ontvangen in de vorm van een VPT, een MPT of een PGB. Zij hebben allen een behoefte aan 24 uur zorg in de nabijheid. Het betrof ultimo 2019 respectievelijk 11.977 VPT, 28.268 MPT en 45.555 PGB2. Een deel van deze mensen woont in een geclusterde woonvoor- ziening. In de regel wonen mensen met een hoog zorgprofiel in een intramurale instelling. Ouderinitiatieven worden hoofdzakelijk gefinancierd op basis van een PGB. Hierop zijn de beleidsregels van de NZa niet van toepassing.
In individuele omstandigheden is sprake van een behoefte aan een langer vakantie- verlof dan veertien dagen. Navraag bij Zorgverzekeraars Nederland en de branche- verenigingen ActiZ en de VGN leert dat in enkele tientallen individuele situaties per jaar sprake is van een wens tot verlof dat niet past binnen de voorwaarden van de in het antwoord op vraag 2 genoemde beleidsregels.
Speelt de problematiek rondom verlofdagen ook in de zorg voor kinderen met een beperking? Zo ja, zijn er ook signalen vanuit bijvoorbeeld bepaalde ouderinitiatieven dat de beleidsregel van de NZa rond verlofdagen spanning oplevert binnen het functioneren als gezin?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van zins om de beleidsregel van de NZa te laten aanpassen om ouders en kinderen van personen die intramurale Wlz-zorg ontvangen en regelmatig hun familielid te logeren hebben, tegemoet te komen?
Het op- en vaststellen van beleidsregels is primair een bevoegdheid van de NZa. Over de signalen zoals ook in deze vragen verwoord, heb ik contact opgenomen met de NZa. De NZa heeft mij laten weten bereid te zijn om met zorgkantoren en zorg- aanbieders/brancheverenigingen knelpunten in de regels en nadere voorwaarden rondom de bekostiging van de afwezigheidsdagen te bespreken en zo nodig aan te passen, zodat partijen voldoende mogelijkheden hebben om maatwerk af te spreken.
Vanwege de coronacrisis komt het de afgelopen maanden voor dat mantelzorgers hun verwanten die in Wlz-instellingen wonen bij hen thuis verzorgen. Bij een langere afwezigheid dan veertien dagen, krijgen de instellingen de omzetderving die hiermee gepaard gaat gecompenseerd via de NZa beleidsregel SARS-CoV-2 virus.
Voor instellingen binnen de gehandicaptenzorg heb ik de regeling ten aanzien van de omzetderving verlengd tot 1 augustus 2020. Voor instellingen binnen de ouderenzorg tot 1 september 2020.
De uitspraken van netbeheerders over de energietransitie |
|
Daniel Koerhuis (VVD), Mark Harbers (VVD) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna helft oudere huizen steenkoud zonder gas»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Deelt u de mening dat het belangrijk is dat mensen hun huis goed kunnen verwarmen? Hoe wordt dit aspect meegenomen in de wijkenaanpak die gemeenten voorbereiden?
Dat mensen hun huis goed kunnen verwarmen, is de basis van de energietransitie in de gebouwde omgeving. In de brief bij het Klimaatakkoord is dit vertaald in het uitgangspunt «haalbaar en betaalbaar». In eerdere brieven aan uw Kamer ben ik nader ingegaan op de vertaling van dat uitgangspunt in concrete maatregelen.2
In hoeverre deelt u de analyse van de netbeheerders dat er om technische redenen onderscheid gemaakt moet worden tussen huizen die voor 1980 zijn gebouwd en nieuwere woningen? Hoe wordt dit onderscheid meegenomen in de planvorming van gemeenten voor de wijkgerichte aanpak?
Het onderscheid dat nodig is, is fijnmaziger dan simpelweg het onderscheid tussen bouwjaren vóór en na 1980. De Startanalyse van de Leidraad houdt rekening met technische eigenschappen zoals de isolatiegraad van alle woningen en gebouwen en de Handreiking voor lokale analyse helpt gemeenten om factoren die de warmtevraag beïnvloeden nader in kaart te brengen. Daarmee krijgen zij inzicht in de (on)mogelijkheden en kostenefficiëntie van de verschillende vormen van duurzame warmtevoorziening. Gemeenten kennen bovendien de situatie in de wijk en eventuele lokale aandachtspunten of ambities. Zodoende overwegen zij wat écht haalbaar en verstandig is en in welke wijken de warmtetransitie het beste van start kan gaan.
Deelt u de mening van de netbeheerders dat de bestaande gasinfrastructuur in de toekomst gebruikt moet worden voor andere gassen, zoals groen gas en waterstof? Zo ja, op welke wijze wordt dit nu meegenomen in de planvorming en uitwerking van het klimaatakkoord? Zo nee, waarom niet?
De bestaande gasinfrastructuur is een waardevol bezit, dat met enige aanpassingen te gebruiken is om grotere hoeveelheden groen gas in te voeden. Voor het gebruiken van het gasnet voor waterstof zijn grotere aanpassingen nodig. Het kabinet zet ook in op het vergroten van het aanbod van groen gas en waterstof. Het is nog moeilijk in te schatten wanneer welke volumes groen gas en waterstof beschikbaar komen en hoeveel daarvan in de gebouwde omgeving kan worden benut. Zoals gezegd in de beantwoording op de vragen hiervoor brengen de Transitievisies Warmte in beeld in welke wijken duurzame gassen (op de langere termijn) mogelijk de preferente warmtevoorziening zijn.
De Handreiking voor lokale analyse, onderdeel van de Leidraad Aardgasvrije Wijken, adviseert gemeenten rekening te houden met de leeftijd (waarde) van het gasnet en waar mogelijk aan te sluiten op de vervangings- en investeringsplannen van netbeheerders om zo desinvesteringen te voorkomen en de kosten te drukken. Pas als er een definitief besluit is genomen voor een kosteneffectieve warmtevoorziening waarbij er geen huidige of toekomstige functie meer is voor het gasnet, zal uiteindelijk worden overgegaan tot verwijdering op basis van de Wet Milieubeheer.
Deelt u de analyse dat er een aanpassing van de koppelingen in het gasnetwerk nodig is om waterstof te vervoeren? Welke aanvullende aanpassingen zijn volgens u nodig?
Nieuwe netten die worden aangelegd voldoen aan de eisen om ook waterstof te kunnen vervoeren. Onderzoek heeft aangetoond dat het bestaande gasnet gebruikt kan worden voor waterstof en geeft aan dat het gasnet qua toegepaste materialen en onderdelen in beginsel geschikt is voor waterstof, maar dat nader praktijkonderzoek nog nodig is.3 Dit onderzoek zal zich onder andere moeten richten op veiligheid, normen, werkinstructies en het verrekenen van waterstof.
Een andere voorwaarde voor het gebruik van waterstof is dat bij de eindgebruiker de toestellen geschikt gemaakt worden voor 100% waterstof. Om inzicht te krijgen in de precieze aanpassingen en de veiligheidsaspecten daarvan, moet er praktijkervaring worden opgedaan met pilots en grootschalige demonstraties. Dit wordt overwogen in het nationaal waterstofprogramma, naast het beantwoorden van de vragen rond toepasbaarheid, veiligheid, beschikbaarheid, duurzaamheid en betaalbaarheid. Een aantal gerichte pilots in de gebouwde omgeving zullen in de periode 2020–2025 worden gerealiseerd, waarbij onder andere wordt gekeken naar de plannen in Rozenburg, Stad aan 't Haringvliet en Hoogeveen. Voor het faciliteren hiervan wordt waar nodig ruimte gecreëerd in wet- en regelgeving. Er volgen richting 2030 mogelijk nog meer en grotere pilots. Het doel is om de randvoorwaarden voor het veilig toepassen van waterstof in de gebouwde omgeving op orde te krijgen.
In hoeverre zijn wetswijzigingen en andere beleidswijzigingen nodig om waterstof en groen gas door het leidingnetwerk naar huizen te vervoeren? Welke van deze maatregelen zijn nu al in voorbereiding en wanneer komen deze maatregelen naar de Tweede Kamer?
Groen gas is hetzelfde molecuul als aardgas (methaan), dus het transport van groen gas via het leidingnetwerk vindt momenteel al plaats en hiervoor zijn geen wetswijzingen noodzakelijk. Voor waterstof zijn wel beleids- en wetswijzigingen nodig. In de kabinetsvisie Waterstof wordt hier nader op ingegaan. Er is een traject gestart om regionale en landelijke netbeheerders ervaring op te laten doen op het gebied van transport en distributie van waterstof. Dit kan mogelijke worden gemaakt op grond van de huidige Gaswet via de AMvB «tijdelijke taken». Opzet is om deze AMvB in 2020 gereed te hebben.
Om waterstof en groen gas door te leidingen te vervoeren, is allereerst de beschikbaarheid van deze gassen noodzakelijk. Momenteel is de productie van deze CO2-vrije gassen nog beperkt. In de kabinetsvisie waterstof en de routekaart groen gas heeft het kabinet een beleidsagenda geschetst om de productie van deze gassen te bevorderen.
Wat zijn de geschatte kosten voor het volledig verwijderen van het aardgasnetwerk en de bijkomende kosten voor nieuwe infrastructuur (verzwaring elektriciteitsnet, aanleg warmtenetten, etc.)? Onderschrijft u hierbij de inschatting die Stedin maakt?
Het is onjuist dat het aardgasnetwerk volledig verwijderd gaat worden. Gemeenten gaan per wijk bekijken wat het beste alternatief is voor aardgas. Een uitkomst kan zijn dat het gasnet blijft liggen en gebruikt gaat worden voor (op termijn) duurzaam gas. Uiteraard zijn er wijken waar het beste alternatief is om volledig over te gaan op verwarmen via een warmtenet of via het elektriciteitsnet. Gemeenten beginnen met wijken die met de laagste kosten per ton vermeden CO2 en met de meeste zekerheid van wat het beste alternatief is aardgasvrij gemaakt kunnen worden. Dit voorkomt dat we het gasnet gaan verwijderen op plekken waar het gasnet nog veel potentiele waarde heeft. Op dit moment is er nog veel onzekerheid over de beschikbaarheid van duurzaam gas, met name waterstof, na 2030. In het Klimaatakkoord is de afspraak gemaakt om de Transitievisie Warmte iedere 5 jaar te actualiseren. Dat betekent dat nieuwe inzichten over de beschikbaarheid en de prijs van duurzaam gas zullen worden meegenomen in de planvorming. Doordat er voorlopig nog onzekerheid bestaat over de beschikbaarheid van duurzaam gas en omdat pas eind 2021 uit de Transitievisies Warmte een eerste beeld ontstaat van hoe de toekomstige warmtevoorziening is samengesteld kan ik in deze fase geen uitspraken doen over het aantal woningen dat aangesloten blijft op het gasnet.
Wat zijn de geschatte kosten voor het ombouwen van het aardgasnetwerk naar een gasnetwerk geschikt voor alternatieve gassen, zoals groen gas en waterstof?
De eventuele aanpassingen aan de gasinfrastructuur hangen af van hoe het aantal aansluitingen op het gasnet zal veranderen en welk gas per geval wordt toegepast. Gemeenten zijn aan zet met het opstellen van Transitievisies Warmte. Gemeenten maken keuzes over hoe zij de warmtevoorziening willen inrichten en dat heeft een weerslag op wat de gasinfrastructuur moet kunnen leveren. De komende jaren gaan gemeentes met netbeheerders en andere stakeholders om tafel om te zien wat de (on)mogelijkheden zijn, en worden onder meer bijgestaan door de Startanalyse van de Leidraad Aardgasvrije Wijken die op buurtniveau een indicatie geeft van de kosten voor netaanpassingen.
De kosten voor het transporteren van grote volumes CO2-vrij gas door het gasnetwerk verschillen per gekozen energiedrager. Doordat groen gas qua samenstelling en eigenschappen gelijk is aan aardgas hoeft het net niet geschikt gemaakt te worden voor het transport van groen gas. Wel kunnen er maatregelen nodig zijn voor het realiseren van voldoende invoedcapaciteit op het net, bijvoorbeeld door een groen gas booster, want groen gas wordt vaak ingevoed op lagedruknetten waar niet altijd voldoende vraag aanwezig is om grote volumes groen gas nuttig in te zetten, met name in de zomermaanden. Netbeheer Nederland schat de netinvesteringskosten voor het realiseren van de in 2030 gewenste 105 PJ invoedcapaciteit voor groen gas op circa 300 miljoen euro.4
De kosten van de mogelijk noodzakelijke aanpassingen aan het regionale aardgasnet voor een overgang naar waterstof (exclusief aanpassingen in woningen) worden geschat op maximaal 700 miljoen euro.5Het moment waarop en de mate waarin die aanpassingen noodzakelijk zijn hangen af van hoe de beschikbaarheid van waterstof voor de gebouwde omgeving zich ontwikkelt. Deze kosten zijn voor de komende jaren dus nog niet aan de orde.
Hoe zorgt het kabinet ervoor dat netbeheerders en andere partijen met relevante expertise betrokken worden bij het opstellen van de regionale energiestrategieën en lokale plannen vanuit de wijkenaanpak?
Voor het uitvoeren van de lokale analyse en het maken van afwegingen die worden vastgelegd in een gedegen Transitievisie Warmte adviseert het Expertise Centrum Warmte gemeenten om voortdurend in gesprek te zijn met lokale stakeholders zoals de netbeheerders en woningcorporaties. Zowel voor het opstellen van de RES als de Transitievisie Warmte is uitgebreide ondersteuning en informatie beschikbaar. De Handreiking Regionale Energiestrategieën 1.1 gaat in op elektriciteit en warmte. In de Handreiking voor lokale analyse (onderdeel van de Leidraad Aardgasvrije Wijken) en het Stappenplan Transitievisie Warmte wordt aandacht besteed aan de relevante partijen om te betrekken bij het ontwikkelen van de Transitievisie Warmte. Alle ondersteuningsinstrumenten benadrukken het belang van de inbreng van lokale experts en belanghebbenden, waaronder de netbeheerders. Bovendien zijn vertegenwoordigers van die relevante partijen betrokken bij het ontwikkelen van deze instrumenten.
Het coronavirus (COVID-19) |
|
Wim-Jan Renkema (GL), Paul Smeulders (GL), Lisa Westerveld (GL), Nevin Özütok (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de chef van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) overheden dringend adviseert om een «whole government approach»? Kunt u in hoofdlijnen kort uiteenzetten waaruit blijkt dat ook u adequate beleidsmaatregelen neemt om het coronavirus in te dammen?1
Het is ons bekend dat de directeur-generaal van de WHO aandringt op een «whole government approach». Het kabinet heeft een brede aanpak ingezet zodra duidelijk werd dat de maatregelen om het coronavirus te bestrijden invloed hebben op vrijwel alle beleidsterreinen. Dit is ook de reden dat ik u op donderdag 12 maart jl., mede namens het kabinet, een brief heb gestuurd met maatregelen die het kabinet neemt en die raken aan diverse sectoren. Daarnaast heb ik u op zondag 15 maart jl. een brief gestuurd met aanvullende maatregelen. Volgens het kabinet zijn dit adequate bestrijdingsmaatregelen om het virus in te dammen.
Kunt u kwantificeren wat de gewenste capaciteit aan beademingsapparatuur en mondkapjes is? Wat is het verschil tussen de gewenste capaciteit en de gerealiseerde capaciteit? Wat bent u voornemens te doen om de voorraad aan mondkapjes en beademingsapparatuur te verbeteren?
De gewenste capaciteit van zowel beademingsapparatuur als beschermingsmiddelen is afhankelijk van de ontwikkelingen. Ten aanzien van beademingsapparatuur is nu nog voldoende capaciteit beschikbaar. Ik neem wel maatregelen om de bestaande capaciteit uit te breiden. Er worden tachtig extra beademingsapparaten in orde gemaakt voor gebruik. Daarnaast ben ik bezig met andere aanbiedingen om voldoende voorraad achter de hand te hebben. Ten aanzien van beschermingsmiddelen, zoals mondmaskers, is de vraag op dit moment hoger dan het aanbod. Vele aanbiedingen van leveranciers worden op dit moment uitgelopen om te zorgen dat Nederland voldoende beschermingsmiddelen ontvangt. Ik heb inmiddels maatregelen genomen om de beschikbare voorraden via een centrale inkoop en distributieprocedure goed te verdelen over Nederland. De directeuren publieke gezondheid (DPG) zullen hierin een belangrijke verantwoordelijkheid hebben, in samenspraak met het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ). De inkoop van bovenstaande producten zal worden uitgevoerd door een centraal team van inkopers van ziekenhuizen. Ik ondersteun dit inkoopteam, bijvoorbeeld als het gaat om internationale contacten met ambassades in Nederland en het buitenland en voorfinanciering van enkele grote voorraden, om de structuur snel te kunnen laten draaien. Ik zal daar het budget voor inzetten dat hiervoor noodzakelijk is.
Is het mogelijk om op korte termijn het aantal Intensive Care bedden uit te bereiden?
Ten eerste wil ik graag verduidelijken dat niet elke patiënt die besmet is met COVID-19 hoeft te worden opgenomen in het ziekenhuis of op de intensive care. Op basis van medisch inhoudelijk criteria wordt door zorgverleners besloten welke zorg nodig is voor de patiënt. Je ziet nu dat er veel patiënten in thuisisolatie kunnen verblijven. In totaal zijn ongeveer 160 patiënten opgenomen (geweest) in een ziekenhuis, minder dan de helft daarvan worden op de IC verzorgd.
In totaal hebben we in Nederland ca. 1150 IC-bedden beschikbaar. Normaal gesproken is ca. 70–75% van deze bedden bezet. Dit verschilt echter per ziekenhuis; sommige ziekenhuizen hebben een hogere bezetting dan anderen. Ziekenhuizen nemen maatregelen om het aantal IC-bedden uit te breiden. Het afschalen van planbare zorg levert ruimte op, omdat een deel van de huidige bezetting op de IC’s patiënten zijn die een operatie hebben ondergaan. Dit levert 20% extra IC-capaciteit op voor zorg aan patiënten met COVID-19.
Ook zijn er in de ziekenhuizen meer IC-bedden beschikbaar, die normaal gesproken niet bezet zijn. Deze boxen kunnen in gebruik worden genomen als er extra personeel van elders uit het ziekenhuis wordt ingezet. Het personeel dat geen electieve zorg uit hoeft te voeren, kan hier bijvoorbeeld voor worden ingezet. Ook kan er op de OK beademd worden, wat extra (nood)capaciteit oplevert. Tot slot kan Defensie zorgen voor 70 extra beademingsapparaten. Met deze maatregelen kunnen in totaal 1500 IC-plekken gecreëerd worden. In aanvulling hierop zijn ook de ziekenhuizen maatregelen aan het verkennen om uit te breiden, zoals de aanschaf van extra beademingsapparatuur, om de capaciteit nog verder op te schalen tot uiteindelijk ongeveer 2000 IC-bedden.
Bent u ervan op de hoogte dat de WHO en het Europees Centrum voor ziektepreventie en bestrijding (ECDC) aangeven dat zij geen signalen hebben dat het coronavirus seizoensgebonden is? Wat betekent dat voor de aanpak van het virus?2 3
Het is nog niet bekend of het virus seizoensgebonden is. Het coronavirus is nieuw en er is veel dat we nog niet weten. We zien onder andere uitbraken in Iran en Zuid-Korea en de WHO stelt dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat het virus zich anders gedraagt bij verschillende temperaturen. De experts van de WHO geven aan dat seizoensgebondenheid samenhangt met een aantal factoren: bijvoorbeeld de eigenschappen van het virus en het vermogen van het virus om te overleven in het milieu, maar ook met gedrag van mensen. Van het influenzavirus en andere virussen die luchtwegziekten veroorzaken, is bekend dat zij zich in de winter goed kunnen verspreiden, omdat mensen dan meer bij elkaar komen in kleine ruimten.
Dit betekent voor de aanpak van het virus dat we er niet op moeten rekenen dat het in de lente vanzelf wel minder wordt, aldus het RIVM. Onze maatregelen zijn daarom gericht op indamming van het virus en het beperken van verdere verspreiding.
Kunt u schematisch weergegeven hoe besluiten over noodzakelijke maatregelen worden genomen (met daarbij nadrukkelijk aandacht voor de verantwoordelijkheden die de verschillende overheden (rijk, provincies, gemeenten, bijzondere openbare lichamen) en andere betrokken organen zoals veiligheidsregio’s, GGD’en en andere betrokkenen hebben)?
Ik heb tijdens het debat van donderdag 5 maart toegezegd u hierover per brief te informeren. Ik wil u voor dit antwoord dan ook graag verwijzen naar deze brief die ik u deze week zal doen toekomen.
Kunt u een afwegingskader delen met scholen en kinderopvangcentra op basis van welke afwegingen zij in de «bedrijfsvoering» besluiten moeten nemen?
Het antwoord op deze vraag is vandaag achterhaald door de maatregelen die het kabinet heeft aangekondigd. Vanaf maandag 16 maart tot en met 6 april zijn alle scholen gesloten. Voor nadere precisering verwijs ik u naar de kamerbrief van 15 maart. Gedurende die drie weken zullen wij met de scholen kijken hoe een dergelijke afwegingskader vorm kan krijgen.
Het belang van het kind, het belang van de volksgezondheid én het voorkomen van maatschappelijke onrust spelen bij het maken van een afweging een belangrijke rol. Bij het debat over de bestrijding van het Coronavirus is een motie van het lid Heerma aangenomen waarin het kabinet wordt verzocht een afwegingskader te ontwikkelen met richtlijnen voor het onderwijspersoneel. In onze brief aan uw Kamer van 13 maart (Kamerstuk 35 300 VIII, nr. 151) hebben wij gemeld deze motie uit te gaan voeren. Er zal dus een afwegingskader worden uitgewerkt.
Kunt u uiteenzetten hoe de (crisis)communicatie over het coronavirus op de BES-eilanden is geregeld? Op welke wijze worden de andere landen binnen het Koninkrijk ondersteund bij de aanpak van het virus?
Het zogenaamde IHR-netwerk, gecoördineerd door het RIVM, is de structuur waarlangs aanbevelingen en maatregelen gecommuniceerd worden. Deze structuur is opgezet om de implementatie van de International Health Regulations (IHR regels) binnen de context van de eilanden mogelijk te maken. De afgelopen weken heeft het RIVM als coördinatiepunt van het IHR-netwerk dagelijks contact gehad met alle eilanden. Zowel de diensten publieke gezondheid van de vier Koninkrijkslanden, als ook de drie eilanden van Caribisch Nederland, nemen deel aan dit netwerk.
De diensten Publieke Gezondheid op de eilanden zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering.
Wat betreft ziekenhuiscapaciteit: er is nu wekelijks overleg met de ziekenhuizen op Curaçao, Aruba, Bonaire en St. Maarten om te bespreken hoe elkaar te helpen als er capaciteitsproblemen zijn bij een grotere schaal van besmettingen.
Ook worden Caribisch Nederland en de landen van het Koninkrijk ondersteund bij het ontstaan van tekorten in persoonlijke beschermingsmiddelen.
Bent u ermee bekend dat de Duitse overheid voornemens is om miljarden te investeren om de economische effecten van het coronavirus te beperken, zoals het invoeren van deeltijd-WW? Wanneer acht u het noodzakelijk om ook in Nederland deeltijd-WW in te voeren? Welke andere maatregelen worden in Nederland overwogen en binnen welk tijdspad?
Voor het antwoord op deze vraag wil ik u verwijzen naar de brief van de Minister van Economische Zaken en Klimaat over economische maatregelen met betrekking tot het coronavirus, die hij op 12 maart jl., mede namens de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, heeft verstuurd (Kamerstuk 35 420, nr. 1).
Bent u ervan op de hoogte dat verschillende mensen met een beperking, waaronder de Minister van Gehandicaptenzaken, de toegankelijkheid van de communicatie onvoldoende vinden? Waarom wordt bij persconferenties of extra uitzendingen rondom het coronavirus geen gebruikgemaakt van een tolk gebarentaal en ondertiteling in eenvoudig Nederlands? Deelt u de mening dat de publieke omroep de taak heeft iedereen te bereiken met deze noodzakelijke informatie? Wat bent u voornemens te doen om de toegankelijkheid van de informatievoorziening te verbeteren?
Ik vind het van groot belang dat informatie voor iedereen begrijpelijk, toegankelijk en eenduidig is. We richten ons in dit kader ook op mensen met een beperking. Bij het achtuurjournaal wordt de komende periode een gebarentolk ingezet en ook bij belangrijke persconferenties zullen we dit doen. Daarnaast zijn er filmpjes in gebarentaal met als uitgangspunt de meest gestelde vragen over het coronavirus en de vier handelingsperspectieven. Deze worden gedeeld op de website rijksoverheid.nl/coronavirus. Ook zijn de belangrijkste handelingsperspectieven vertaald naar Engels, Papiamento en Papiamentu, Pools, Arabisch, Turks en Spaans. Deze vertalingen worden onder andere aan zorgorganisaties beschikbaar gesteld. Voor laaggeletterden is, via het landelijk expertisecentrum Pharos dat gespecialiseerd is in communicatie met laaggeletterden, een aangepaste boodschap opgesteld. Slechtzienden maken doorgaans gebruik van voorleessoftware op hun eigen digitale middelen. Ondertiteling is een dienstverlening die de NPO verzorgt op een speciaal kanaal. Zo goed als het gehele Nederlandstalige aanbod van de publieke omroepen wordt door TT888 van ondertiteling voorzien.
Bent u ermee bekend dat indammen van het coronavirus alleen mogelijk is als burgers alert zijn en de richtlijnen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) adequaat opvolgen? Bent u bereid op zeer korte termijn de publiekscommunicatie te intensiveren op radio, televisie en online? Wilt u toezeggen om in Nederland ook televisiespotjes uit te zenden om de voorlichting te intensiveren, net als in Vlaanderen wordt gedaan?
Ja. Daarom heeft het kabinet aan iedereen de oproep gedaan om de adviezen van het RIVM, GGD’en en veiligheidsregio’s op te volgen, en zelf na te denken over het verkleinen van risico’s en daarnaar te handelen. Daarnaast heb ik tijdens het plenair debat van 12 maart jl., ook aangekondigd de publiekscommunicatie te gaan intensiveren, onder andere door in te gaan zetten op televisiespotjes. Daarnaast doe ik regelmatig onderzoek naar het sentiment van het algemeen publiek met betrekking tot de informatiebehoefte en het vertrouwen in de genomen maatregelen.
Bent u bereid de gestelde vragen afzonderlijk te beantwoorden voor maandag 16 maart 2020?
Ja.
Het aangekondigde massaontslag bij Apollo Vredestein in Enschede |
|
Gijs van Dijk (PvdA), Kees Verhoeven (D66), Eppo Bruins (CU), Hilde Palland (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA), Pieter Omtzigt (CDA), Dennis Wiersma (VVD), Chris Stoffer (SGP), Bart van Kent |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aankondiging van Apollo Vredestein – de grootste private werkgever in Enschede – dat er 750 banen zullen verdwijnen?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat Apollo Vredestein recentelijk een nieuwe fabriek in Hongarije gebouwd heeft met een capaciteit die nog wat groter is dan in Enschede en dat Hongarije daarvoor ongeveer 100 miljoen euro subsidie gegeven heeft?
Ja. In 2017 opende Apollo Tyres, het moederbedrijf van Apollo Vredestein, een nieuwe fabriek in Hongarije. Volgens de Europese Commissie heeft Hongarije daarbij inderdaad subsidie verstrekt, namelijk: 48,2 mln. directe subsidie, 2,8 mln. werkgelegenheidssubsidie en belastingvoordeel dat kan oplopen tot 44,7 mln (totaal max. 95,7 mln).
Heeft u kennisgenomen van het besluit van de Europese Commissie dat deze subsidie, die aan de commissie genotificeerd is, geen staatssteun is?2
Ja. In het besluit van 5 september 2014 is de maatregel door de Europese Commissie als geoorloofde staatssteun gekwalificeerd omdat de staatssteun verenigbaar was met de interne markt.
Klopt het dat Hongarije de aanvraag in juni 2014 indiende, in september toestemming kreeg en dus de steun pas in september kon uitkeren en dat in september 2014 de EU-staatssteunregels 2014–2020 van toepassing waren?
De Hongaarse autoriteiten hebben op 27 juni 2014 de steunmaatregel bij de Europese Commissie genotificeerd en meegedeeld dat zij op 30 juni 2014 regionale steun aan Apollo Tyres zouden verlenen onder voorbehoud van goedkeuring door de Commissie.
In de Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014–2020 (paragraaf 188) is bepaald dat de Europese Commissie regionale steun die ná 31 december 2013 en vóór 1 juli 2014 wordt verleend, zal beoordelen overeenkomstig de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2007–2013.
De Europese Commissie heeft de notificatie dan ook beoordeeld overeenkomstig de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2007–2013. De Europese Commissie heeft de steunmaatregel vervolgens op 5 september 2014 goedgekeurd.
Bent u bekend met artikel 122 van de staatssteunregels, die tussen 2014 en 2020 van kracht zijn en luiden »Where the beneficiary closes down the same or a similar activity in another area in the EEA and relocates that activity to the target area, if there is a causal link between the aid and the relocation, this will constitute a negative effect that is unlikely to be compensated by any positive elements.» (C209/33, Official journal of the European Union)?
Ja.
Deelt u de mening juist datgene wat artikel 122 poogt te voorkomen, namelijk subsidie geven om een bedrijf in een niet-achtergestelde regio te verplaatsten naar een achtergestelde regio in de EU, hier gebeurd is?
Nee. Het verplaatsen van het bedrijf in een niet-achtergestelde regio naar een achtergestelde regio in de EU door middel van het geven van subsidie is in dit geval niet aan de orde. De directie van Apollo Vredestein NL heeft aangegeven dat de uitbreiding in Hongarije bedoeld was om aan de groeiende vraag naar banden te kunnen voldoen. Die vraag is echter de laatste jaren gedaald door veranderende marktomstandigheden. Door deze veranderende marktomstandigheden maakt Apollo nu de keuze om in Enschede de kleinschalige en specialistische productie van banden te houden en de grootschalige productie in Hongarije en India te laten plaatsvinden. Volgens de directie heeft Apollo de houdbaarheid van producten die in Enschede worden geproduceerd geanalyseerd en met inachtneming van voornoemde veranderende marktomstandigheden de intentie uitgesproken om de fabriek in Enschede te specialiseren tot de productie van landbouwbanden en specialistische hoogwaardige banden met als doel het voortbestaan van Apollo Vredestein in Enschede te borgen. Het is goed om te vermelden dat het besluit tot de steunverlening 5,5 jaar geleden is genomen en dat Apollo al geruime tijd actief is in Hongarije. Apollo geeft aan dat er geen causaal verband is tussen de reorganisatie in Enschede en de Hongaarse fabriek.
Bent u bereid spoedig per brief opheldering te vragen bij de Europese Commissie over deze gang van zaken, waarbij staatssteun (mede)geleid heeft tot sluiting van een fabriek in Enschede? Kunt u vragen of Apollo bij de aanvraag van de staatssteun ook om de toezegging gevraagd is om productie niet op deze manier te verplaatsen en of Apollo dat ook toegezegd heeft?
Ik heb geen reden om te twijfelen aan de legitimiteit van de destijds verleende steun. Binnen de EU gelden strikte voorwaarden voor staatssteun, die bovendien worden getoetst door de Europese Commissie. In dit geval heeft de Commissie geoordeeld dat de staatsteun die Hongarije heeft gegeven verenigbaar is met de interne markt. Ik zie daarom vooralsnog geen reden om contact op te nemen met de Europese Commissie of met de Hongaarse overheid over deze kwestie.
Het besluit om een nieuwe fabriek in Hongarije neer te zetten is door Apollo rond 2014 genomen. Op dat moment kon de productiecapaciteit in Enschede niet aan de stijgende vraag voldoen en waren de prognoses voor de verkoop van banden positief. Een uitbreiding van productiecapaciteit was in de ogen van Apollo dan ook noodzakelijk om aan de toenemende vraag te voldoen én om als bedrijf te groeien in de markt van banden. De nieuwe fabriek in Hongarije zou complementair zijn aan de fabriek in Enschede en in beide fabrieken zouden grotere series van bandentypen gemaakt worden, gaf Apollo in die tijd ook aan.
Helaas is volgens het bedrijf de productie van banden voor gewone personenauto’s in Enschede door allerlei omstandigheden minder competitief. Oorzaken die daarbij door het bedrijf genoemd worden zijn de toenemende concurrentie in de markt voor banden, stijgende productiekosten, teruglopende prijzen van banden en de dalende autoverkopen waardoor de markt voor banden gekrompen is. Daardoor is de productie in Enschede de afgelopen jaren al afgenomen en nam de kostprijs toe. Deze omstandigheden waren in 2014 niet voorzien.
De economie is voortdurend in beweging met verschuiving van activiteiten als bijkomend gevolg. Het is aan de leiding van een onderneming om adequaat te handelen in belang van de continuïteit van een onderneming als geheel en van alle stakeholders, waaronder de werknemers. Mocht er na verdere bestudering van de casus aanleiding toe zijn dan zal ik dat bij de Commissie en mijn collega’s die hierbij zijn betrokken onder de aandacht te brengen.
Kunt u er de Europese Commissie ook nadrukkelijk wijzen op het zeer nadelige effect van het besluit om de steun van Hongarije niet als staatssteun te zien en haar vragen medeverantwoordelijkheid te zijn voor het vinden van een oplossing voor Enschede?
Zoals hierboven reeds aangegeven heb ik geen reden om te twijfelen aan de legitimiteit van de destijds verleende steun.
Zijn er de afgelopen twee jaar contacten geweest met de eigenaar van Apollo Vredestein en is daar een mogelijke drastische reorganisatie aan de orde gesteld?
De afgelopen jaren zijn op verschillende niveaus contacten geweest met de eigenaar van Apollo Vredestein. In algemene zin is daarbij de actuele situatie omtrent het bedrijf aan de orde gekomen.
Welke contacten zijn er de afgelopen twee jaar vanuit Den Haag geweest met de vestiging Enschede over investeringen en mogelijke problemen bij Apollo Vredestein?
Ook met de directie van de vestiging van Apollo Vredestein in Enschede zijn de afgelopen jaren gesprekken gevoerd door het Ministerie van EZK. Tijdens die gesprekken is gesproken over de algemene ontwikkeling van het bedrijf en mogelijke knelpunten daarin. Daarbij is geen melding gemaakt van een aanstaande reorganisatie.
Op welke wijze zet u zich in voor het behoud van werkgelegenheid in Enschede – helaas op plek 46 van de 50 grootste steden in Nederland in de atlas van de Nederlandse gemeentes – bij Apollo Vredestein?
Het kabinet volgt de ontwikkelingen op de voet en houdt daarbij nauw contact met het bedrijf, de provincie Overijssel en gemeente Enschede. Het is nu echter eerst aan het bedrijf om met de ondernemingsraad en bonden om tafel te gaan over mogelijke alternatieve oplossingen en over de uitwerking van een sociaal plan.
Het is daarbij belangrijk om te bezien hoe onderdelen van het bedrijf die wél toekomst hebben in de regio, behouden kunnen blijven en verder in de regio verankerd kunnen worden. Het gaat dan specifiek om het meer specialistische deel van de productie bij Apollo Vredestein maar ook bij de R&D-afdeling van Apollo in Enschede, die overigens niet in het reorganisatieplan is betrokken. Daar waar het niet lukt om de werkgelegenheid bij Apollo Vredestein te behouden zal een goed sociaal plan erop gericht zijn om medewerkers op weg te helpen bij het vinden van een nieuwe werkomgeving. De verantwoordelijkheid voor dit sociaal plan ligt bij het bedrijf, in nauwe samenspraak met de bonden.
In dit kader is het bemoedigend dat de eerste bedrijven met interesse zich al hebben gemeld. Het kabinet heeft duidelijk oog voor het belang van de Twentse economie en werkgelegenheid. Recent is met regionale partijen een Regio Deal gesloten met als doel de sociaaleconomische structuur van de regio verder te versterken. Het Rijk stelt daarbij 30 miljoen Euro ter beschikking voor onder meer arbeidsmarkt en talentontwikkeling, bereikbaarheid en vestigingsklimaat. Dit komt bovenop de generieke instrumenten die vanuit het Rijk voor de regio Twente ter beschikking worden gesteld.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen twee weken beantwoorden?
De voorgenomen beantwoording binnen twee weken is helaas niet gelukt vanwege het vele werk m.b.t. COVID-19 dat voorrang kreeg bij de betrokken directies.
Een plantaardige voedingsaanbod in ziekenhuizen |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Bruno Bruins (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «New York's landmark bill guarantees healthful plant-based meals to hospital patients»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het in het kader van gezonde en duurzame voeding van belang is dat plantaardige maaltijden en tussendoortjes beschikbaar zijn in openbare instellingen, en zeker in ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat in ziekenhuizen en bij voorkeur in alle openbare instellingen gezonde en duurzame voeding beschikbaar moet zijn. Onder gezonde en duurzame voeding versta ik voeding -maaltijden en tussendoortjes- die past in de Schijf van Vijf. Plantaardige producten en maaltijden horen daarbij om tot een voldoende gevarieerd voedingspatroon te komen. Daarnaast geldt in ziekenhuizen dat de voeding ook moet voldoen aan eventuele specifieke behoefte bij ziekte of herstel.
Bij een volledig plantaardig (veganistisch) eetpatroon is het in aanvulling op de Schijf van Vijf overigens altijd nodig bepaalde supplementen en/of verrijkte producten te gebruiken om in voldoende mate in alle voedingsstoffen te voorzien.
Zijn plantaardige maaltijden en tussendoortjes beschikbaar in alle Nederlandse ziekenhuizen? Zo nee, waar niet?
Op basis van een beknopte rondvraag (gezien de actualiteit van het Corona virus) is mijn indruk dat (volledig) plantaardige opties over het algemeen in bescheiden hoeveelheid aanwezig zijn, mede omdat de vraag ernaar (nog) niet groot is.
Ziekenhuizen zijn gewend om met een diversiteit aan diëten om te gaan. Op basis hiervan verwacht ik dat plantaardig eten in alle ziekenhuizen mogelijk is.
Vanuit het Nationaal Preventieakkoord werkt de Alliantie Voeding in de Zorg samen met de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen en onder andere het Voedingscentrum aan gezonder (en duurzamer) voedingsaanbod in ziekenhuizen met het project «Goede zorg proef je». Het doel is gezond voedingsaanbod in alle ziekenhuizen in 2030. Dit doel geldt voor zowel het aanbod voor patiënten (op de kamer), als voor medewerkers en bezoekers. De Schijf van Vijf is hierbij een belangrijke leidraad en daarmee ook variatie in plantaardig en dierlijk eiwit. Ik verwacht dat hierdoor het aanbod aan plantaardige keuzes zal toenemen. Daarnaast zal een toenemende vraag naar plantaardige maaltijden het aanbod hiervan ook kunnen stimuleren.
Indien dit nog niet in alle ziekenhuizen het geval is, bent u bereid zich ervoor in te zetten dat er overal plantaardige maaltijden en tussendoortjes beschikbaar komen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe ziet u het doel uit het Nationaal Preventieakkoord dat in 2025 50% van alle ziekenhuizen een gezond voedingsaanbod hebben? Klopt het dat u daarmee accepteert dat – zelfs als dit doel gehaald wordt – over vijf jaar nog de helft van de ziekenhuizen een ongezond voedingsaanbod heeft?
Ik had het liefst gezien dat het voedingsaanbod in alle ziekenhuizen al gezond was. Dat is helaas niet de realiteit. Ziekenhuizen hebben vaak langjarige contracten met cateraars, en verschillende contracten voor catering voor bezoekers, werknemers en patiënten. De partijen in het Preventieakkoord hebben 2030 afgesproken als haalbare termijn voor gezond voedingsaanbod in alle ziekenhuizen. Dat is de afspraak waar de betrokken partijen nu met elkaar aan werken. Ik hoop dat de goede voorbeelden die er zijn zich, mede door de inzet van de Alliantie Voeding in de Zorg, als een olievlek over het land verspreiden en dat het beoogde resultaat eerder wordt bereikt.
Deelt u de mening dat dit doel ambitieuzer ingezet dient te worden, omdat ziekenhuizen toch wel de eerste plekken zijn waar van patiënten, personeel en bezoekers verwacht mag worden dat zij gezond eten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt in de overschakeling op een gezond voedingsaanbod in het kader van het Preventieakkoord ook ingezet op een (gedeeltelijke of volledige) omschakeling naar plantaardige eiwitten? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, waarom niet?
Ja. De Schijf van Vijf is zoals hierboven aangegeven het uitgangspunt bij de inzet op gezond voedingsaanbod in het kader van het Nationaal Preventieakkoord. Voor de meeste mensen houdt meer volgens de Schijf gaan eten in dat ze meer plantaardig(e eiwitten) gaan eten dan ze tot op heden doen. Voldoende en aantrekkelijk aanbod helpen hierbij.
Voor kwetsbare groepen zoals ouderen of zieken zit er een kanttekening aan volledig omschakelen naar plantaardige eiwitten. Voor kwetsbaren is het extra belangrijk voldoende eiwit van goede kwaliteit binnen te krijgen, onder andere met het oog op het tegengaan van ondervoeding. De kwaliteit van plantaardig eiwit is minder dan die van dierlijk eiwit. Daarom is de huidige aanbeveling van de Gezondheidsraad om (relatief) meer eiwit te eten als alleen eiwit uit plantaardige producten wordt gegeten. Of het ook voor kwetsbare groepen op verantwoorde wijze mogelijk is dierlijk eiwit (volledig) door plantaardig eiwit te vervangen wordt nog onderzocht. In Maastricht wordt bijvoorbeeld het effect van consumptie van plantaardig eiwit op spieren, herstel en prestaties onderzocht en in Wageningen de voedingskundige kwaliteit van plantaardige eiwitten.
Plannen voor extra huurverhogingen door Vestia |
|
Sandra Beckerman |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
Kent u het bericht «Vestia onderzoekt extra huurverhoging»?1 Zo ja, wat is hierop uw reactie?
Ja. In de brief met kenmerk 29 453 nr. 496 die ik op 9 december aan de Kamer heb verzonden heb ik dit beleid van Vestia ook benoemd.
Wat vindt u ervan dat Vestia de huurprijzen met 0,5% bovenop de inflatie wil verhogen in 2021 en 2022 en daarmee hun huurders extra op kosten jaagt in tegenstelling tot de prestatieafspraken die met hen en de gemeente Den Haag zijn gemaakt voor 2020?
Met de inwerkingtreding van de wet Huursom per 1 januari 2020 geldt dat corporaties de huursom met maximaal inflatie mogen laten stijgen. Wel mogen corporaties in hun prestatieafspraken met huurders en de gemeente afspreken om lokaal de huursom met meer dan inflatie te laten stijgen, maar dan niet meer dan 1 procentpunt boven inflatie. In dit kader zou een huursomstijging van 0,5% boven inflatie passen binnen de wet- en regelgeving, indien de lokale partijen hier gezamenlijk afspraken over maken. Momenteel zijn in de gemeente Den Haag nog geen prestatieafspraken gesloten voor 2021 en 2022 en betreft dit nog uitsluitend een voornemen van Vestia.
Zijn deze voornemens afgestemd met de Huurdersraad van Vestia, aangezien de Huurdersraad expliciet heeft aangegeven de prijs-kwaliteitsverhouding van de huurwoningen ondermaats te vinden?2
Vestia geeft aan dat zij de huurdersraad heeft geïnformeerd over deze voornemens bij de totstandkoming van het herijkt verbeterplan. Vestia’s inzet bij het verbeterplan was om niet meer het wettelijk maximum (inflatie + 1% extra huurverhoging) te hoeven vragen.
Op welke wijze(n) gaat Vestia aan het gemaakte voorbehoud van de Huurdersraad inzake de prijs-kwaliteitsverhouding tegemoetkomen, door deze verhouding wel rechtvaardig en acceptabel te maken voor hun huurders? Bent u bereid om Vestia hierop aan te spreken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vestia geeft aan dat ze bij de jaarlijkse huurverhoging, binnen haar financiële mogelijkheden, wel rekening houdt met de verbetering van de prijs-kwaliteitverhouding van de woningen door bij de huurverhoging staffels toe te passen: woningen met een relatief hoge huur (dit is een huur die in verhouding al dichtbij de maximale huur ligt) geven ze een lagere huurverhoging dan woningen met een relatief lage huur. Corporatie, de gemeente en de huurdersorganisaties kunnen in de prestatieafspraken, binnen de wettelijke regels, afspraken maken over het lokale huurbeleid en de passendheid daarvan.
Waarom is in het herijkt verbeterplan een huurverhoging van 0,5% bovenop de inflatie opgenomen voor Den Haag, Delft en Rotterdam? En wat betekent dit voor de huurprijzen van Vestiawoningen in gemeenten die niet tot deze «kern» behoren?3
In Den Haag, Delft en Rotterdam heeft Vestia een relatief grote investeringsopgave in de bestaande voorraad. Wettelijk gezien hebben corporaties de mogelijkheid om via de prestatieafspraken met de gemeente en huurdersorganisatie een huursomstijging van 1,0% bovenop de inflatie overeen te komen. Partijen kunnen hiertoe bijvoorbeeld besluiten bij een grote investeringsopgave. De investeringsopgave in Den Haag, Delft en Rotterdam is de reden waarom Vestia met huurdersorganisaties en gemeenten wil afspreken om in 2021 en 2022 een huursomstijging van 0,5% bovenop de inflatie te vragen. In de overige gemeenten wordt een inflatievolgend huurbeleid gevoerd.
Hoe verhouden de extra inkomsten voor investeringen en verduurzaming van de woningvoorraad, die Vestia zegt nodig te hebben, tot de massale verkoop van sociale huurwoningen en de maximale huurverhogingen die de afgelopen zeven jaren al hebben plaatsgevonden? Bent u van mening dat deze extra kosten moet worden opgebracht door de Vestia-huurders? Kunt u uw antwoord toelichten
Vestia staat voor een grote opdracht waarin het langjarig werkt aan financieel herstel, terwijl ze haar volkshuisvestelijke taken uitvoert. Ondanks dat Vestia in de komende jaren een grotere volkshuisvestelijke bijdrage zal kunnen leveren, zal het volledige financieel herstel nog enige tijd vergen. Dit kan spanning opleveren. Zo bestaat er bij Vestia een spanning tussen gewenste extra volkshuisvestelijke investeringen en verduurzaming waarvoor ook extra inkomsten gewenst zijn. Daarbij geldt de vigerende wet- en regelgeving als kader voor de mogelijkheden van Vestia om extra inkomsten te genereren ter financiering van de extra volkshuisvestelijke investeringen en verduurzaming.
Betalen huurders van Vestiawoningen in de «kerngemeenten» van Vestia (Den Haag, Delft en Rotterdam) op dit moment gemiddeld een hogere huurprijs dan huurders bij andere woningcorporaties in vergelijkbare woningen, en wat is het verschil? Kunt u uw antwoord verklaren en toelichten?
Bij het opstellen van haar herijkt verbeterplan heeft Vestia de gevolgen van haar huurbeleid in kaart moeten brengen. Daarbij is ook door WSW en Aw een benchmark opgesteld. In de beoordeling van het herijkt verbeterplan heeft de saneerder daarover aangegeven dat uit de WSW/Aw-benchmark met vergelijkbare woningcorporaties blijkt dat het gevoerde huurbeleid van Vestia niet heeft geresulteerd in bovengemiddelde huren in absolute zin in de DAEB-tak van Vestia. Ook geeft de saneerder aan dat gegeven deze benchmark en het feit dat Vestia binnen de wettelijke normen opereert er geen indicaties zijn dat betaalbaarheid van het bezit van Vestia onder druk staat als gevolg van de financiële positie van Vestia en het voorstel in het herijkt verbeterplan. Wel is door de saneerder geconstateerd dat Vestia ten opzichte van vergelijkbare woningcorporaties relatief hoge huren vraagt ten opzichte van de maximaal toelaatbare huren onder het woningwaarderingsstelsel (WWS). Vestia blijft hierbij echter ruimschoots binnen de voorgeschreven maximale huurprijzen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat huurders niet langer de dupe (zullen) zijn van financieel wanbeleid van Vestia of van welke corporatie dan ook? Kunt u uw antwoord toelichten?
Door de Woningwet, het toezicht van de Aw en de rol van de borger moet wanbeleid bij woningcorporaties worden voorkomen. Nu en in de toekomst. Bij onwenselijke situaties heeft de Aw de mogelijkheid om te interveniëren. In het toezicht op woningcorporaties werkt de Aw samen met het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW).
Daarnaast worden huurders beschermd door het huurprijsbeleid, waarin de maximale huurprijzen en maximale huurprijsstijging zijn geregeld. Bij geschillen over deze punten kunnen huurders zich tot de huurcommissie wenden.
Hoeveel financiële ruimte voor investeringen, als onderhoud, verduurzaming en rechtvaardige huurprijzen, zou er bij Vestia zijn als er geen verhuurderheffing en geen belasting in het kader van ATAD betaald hoeft te worden? Kunt u in uw antwoord uitsplitsen hoeveel Vestia jaarlijks moet betalen aan deze bellastingsposten en hoe dat er in de toekomst uit zal zien als het beleid niet wijzigt?
Uit de verantwoordingsinformatie van Vestia over het jaar 2018 blijkt dat Vestia een bedrag van € 42 miljoen aan verhuurderheffing heeft betaald. De cijfers over de betaalde verhuurderheffing over het jaar 2019 zijn nog niet vastgesteld. Dat geldt ook voor de gevolgen voor de vennootschapsbelastingpositie van woningcorporaties als gevolg van de earningsstrippingmaatregel uit ATAD14. Inschattingen voor de toekomst kunnen hierbij niet worden gegeven, omdat deze van meerdere factoren afhankelijk zijn en daardoor te speculatief zijn. In zijn algemeenheid geldt echter dat als een belastingplichtige geen verhuurderheffing, dan wel een lager bedrag aan vennootschapsbelasting verschuldigd zou zijn doordat de earningsstrippingmaatregel5 uit ATAD1 niet van toepassing zou zijn deze bedragen ingezet kunnen worden voor investeringen zoals nieuwbouw, onderhoud of verduurzaming of voor huurverlaging. Hierbij geldt bij Vestia geen vermenigvuldigingsfactor, omdat Vestia aan haar maximale leencapaciteit zit. Daarnaast zal het huur- en investeringsbeleid van Vestia in samenspraak met de saneerder moeten worden bezien, gezien de financiële situatie van Vestia.
Bent u bereid om gezien de financiële omstandigheden bij woningcorporaties en de druk op hun huurders, de lastendruk bij woningcorporaties te verminderen en de verhuurderheffing en de belasting inzake ATAD te heroverwegen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn wilt u dit gaan doen?
Zoals eerder aangekondigd, werk ik aan een evaluatie van de verhuurderheffing en voer ik een onderzoek uit naar de opgaven en middelen van corporaties. Beide onderzoeken verwacht ik voor de zomer van 2020 af te ronden. Het kabinet ziet, zoals ook eerder met uw Kamer gedeeld6, geen mogelijkheid om binnen de earningsstrippingmaatregel een uitzondering op te nemen voor woningcorporaties, aangezien zo’n uitzondering niet past binnen het huidige staatssteunbesluit van de Europese Commissie.
Kunt u de vragen apart beantwoorden en niet clusteren?
Ja
Het bericht ‘Bijna helft oudere huizen steenkoud zonder gas’ |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Bijna helft oudere huizen steenkoud zonder gas» van 9 maart 2020?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Kunt u reageren op de stelling dat in veertig tot vijftig procent van de woningen een gasnet ook in te toekomst nodig blijft omdat de warmtebehoefte van de koude winterdagen niet kan worden ondervangen met isolatiemaatregelen en een alternatieve warmtevoorziening? Is dit een stelling die het kabinet onderschrijft? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op dit moment zijn er uiteenlopende scenario’s voor het aantal woningen en gebouwen dat in de toekomst aangesloten zal blijven op het gasnet. De belangrijkste onbekende daarbij is de toekomstige beschikbaarheid van duurzaam gas. Verder constateer ik dat naast duurzame gassen en de warmtepomp («all-electric» verwarmen), waar in het artikel de nadruk op ligt, ook warmtenetten op grote schaal gebruikt kunnen worden om wijken duurzaam te verwarmen.
Warmtenetten kunnen goed voorzien in de warmtebehoefte van oudere woningen, ook op koude dagen. Het is daarbij mogelijk om (op termijn duurzaam) gas te gebruiken als back-up en om in de piekvraag in de winter te voorzien. Voor elke wijk geldt dat er, in combinatie met het juiste isolatieniveau, één of meerdere geschikte en betaalbare technieken bestaan. Als voor een wijk uit bijvoorbeeld 1960 uit analyses blijkt dat de warmtepomp niet in staat zou zijn om ’s winters voldoende warmte te leveren omdat de woningen niet tot het benodigde niveau geïsoleerd kunnen worden, zal deze techniek niet worden toegepast en is bijvoorbeeld een warmtenet of een hybride oplossing een meer reële en kosteneffectieve optie. Alle technieken hebben zo hun eigen toepassingsbereik.
De Leidraad Aardgasvrije Wijken is een belangrijk hulpmiddel dat gemeenten op buurtniveau inzicht verschaft in de haalbaarheid van die warmtealternatieven en de daarbij vereiste mate van isolatie. Wanneer eind 2021 in alle gemeenten een Transitievisie Warmte is opgesteld kunnen we daaruit een eerste grove indruk krijgen van de verhouding waarin de verschillende warmte-alternatieven – in elk geval tot 2030 – toegepast zullen worden.
Op dit moment is echter nog niet duidelijk welke techniek waar toegepast zal gaan worden, evenals het percentage woningen waarvoor het wenselijk is om aangesloten te blijven op het gasnet. Ik onderschrijf de genoemde stelling daarom niet.
Hoe verklaart u dat netbeheerders nu aan de bel trekken, terwijl de toekomstige verwarming van woningen onderdeel is van het Klimaatakkoord dat mede door netbeheerders is ondertekend?
De netbeheerders geven aan dat het vergaand elektrificeren van de warmtevoorziening gevolgen heeft voor de elektriciteitsinfrastructuur en dat duurzame gassen ook een rol (moeten) hebben in een aardgasvrije gebouwde omgeving. Netbeheerders zullen vanzelfsprekend voldoende tijd moeten krijgen om de vereiste investeringen in het elektriciteits- en gasnet te kunnen realiseren. In het Klimaatakkoord is opgenomen dat voor veel wijken geldt dat het aardgasnet tot na 2030 gewoon blijft liggen en mogelijk benut kan worden voor groen gas of waterstof.2 Op dit moment is nog veel onbekend over de toekomstige beschikbaarheid van duurzame gassen. Duurzame gassen worden meegenomen in de oplossingsrichtingen die worden geschetst in de Leidraad. Van hybride oplossingen (warmtepomp + duurzaam gas op piekmomenten) is bekend dat dit een minder zware belasting vormt voor het elektriciteitsnet dan volledig «all-electric» verwarmen. In de Leidraad worden de gevolgen van de mogelijke oplossingen voor de elektriciteitsinfrastructuur meegenomen. Daarbij wordt gerekend met nationale kosten, dus ook de kosten voor aanpassing van het elektriciteitsnet worden zodoende meegewogen. Daarnaast zijn netbeheerders als lokale stakeholders actief betrokken bij het opstellen van de gemeentelijke Transitievisies Warmte en de Regionale Energie Strategieën. In de toekomstige situatie zullen de netbeheerders hoe dan ook een belangrijke rol blijven spelen.
Klopt het dat de herstructurering start in wijken met verouderde gasnetten, waar sowieso iets moet gebeuren, en dat relatief nieuwe gasleidingen niet rücksichtlos uit de grond worden getrokken?
Gemeenten voeren de regie en richten zich met name op betaalbaarheid en zekerheid bij het bepalen in welke wijken wordt gestart met de transitie. Daarbij kan het logisch zijn om te starten in wijken met (technisch) verouderde gasnetten, maar dan moeten er ook goede warmte-alternatieven beschikbaar zijn. De Handreiking voor lokale analyse, onderdeel van de Leidraad Aardgasvrije Wijken, adviseert gemeenten rekening te houden met de leeftijd (waarde) van het gasnet en waar mogelijk aan te sluiten op de vervangings- en investeringsplannen van netbeheerders om zo desinvesteringen te voorkomen en de kosten te drukken. Natuurlijk nemen gemeenten meer belangen mee in de uiteindelijke afweging. De Handreiking voor lokale analyse biedt gemeenten daarvoor een integraal afwegingskader.
Tot slot benadruk ik nogmaals dat het «rücksichtslos uit de grond trekken van gasnetten» niet aan de orde is. Er wordt per wijk gekeken wat de beste duurzame warmtevoorziening is. Pas als blijkt dat er geen functie meer is voorzien voor het huidige gasnet omdat een gasloos alternatief kosteneffectiever is, zal uiteindelijk – na realisatie van het alternatief – worden overgegaan tot verwijdering op basis van de Wet Milieubeheer.
Is het waar dat uiteindelijk voor een beperkt aantal woningen, voor een beperkt aantal dagen in het jaar gasverwarming noodzakelijk zal zijn om de woning te verwarmen? Kan naar verwachting met groen gas en waterstof in de geschetste behoefte worden voorzien?
Voor veel woningen is verwarming met gas niet noodzakelijk, deze kunnen goed verwarmd worden met een elektrische warmtepomp of een warmtenet. Het is nog moeilijk in te schatten wanneer welke volumes groen gas en waterstof beschikbaar zullen zijn voor de gebouwde omgeving, en tegen welke prijs. Het kabinet zet in op het stimuleren van de beschikbaarheid van groen gas en waterstof binnen een duurzame economie, maar zoals ik aangeef in bijgaande brief is het met name voor waterstof voorlopig onzeker wanneer en in welke hoeveelheden het beschikbaar komt voor de gebouwde omgeving. De Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft u hierover recent geïnformeerd.3 Daarnaast werk ik aan het vaststellen van een standaard en streefwaarden voor het isolatieniveau van woningen. Het Klimaatakkoord gaat uit van een gebouwde omgeving die volledig aardgasvrij wordt, tegelijk is een randvoorwaarde van het kabinet dat de overgang van aardgas naar een duurzaam alternatief haalbaar en betaalbaar moet zijn. Huishoudens hoeven niet bang te zijn dat hun huis straks niet meer goed verwarmd kan worden of dat verwarming onbetaalbaar wordt.
Op welke manier krijgen warmtenetten een plek in de warmtetransitie? Hebben gemeenten en netbeheerders voldoende aandacht voor warmtenetten als alternatief voor aardgas? Krijgt duurzame warmte net zoveel aandacht als elektriciteit in de RES-en?
Warmtenetten met zowel midden- en hogetemperatuurbronnen als lagetemperatuurbronnen zijn naast de individuele elektrische warmtepomp, groen gas en waterstof onderdeel van het palet aan alternatieven voor verwarming met aardgas. Om gemeenten te helpen deze alternatieven tegen elkaar af te wegen, wordt door het PBL in de Startanalyse van de Leidraad Aardgasvrije Wijken op buurtniveau de nationale kosten van de verschillende alternatieven voor aardgas en verschillende isolatieniveaus weergegeven. Daarbij worden uiteraard alle hierboven genoemd opties betrokken. In een deel van de wijken zal vanwege de aard van de bebouwing en de nabijheid van duurzame warmtebronnen een warmtenet het alternatief met de laagste nationale kosten blijken te zijn.
Begrijpt u dat mensen die een krantenartikel over steenkoude huizen lezen zich zorgen maken over de warmtevoorziening van hun woning? Waar kunnen bewoners met hun zorgen terecht? Op welke wijze kunt u hen geruststellen?
Ik begrijp de zorgen. Het kabinet gaat uit van een gebouwde omgeving die volledig aardgasvrij wordt, tegelijk is een randvoorwaarde van het kabinet dat de overgang van aardgas naar een alternatief haalbaar en betaalbaar is. Huishoudens hoeven dus niet bang te zijn dat hun huis straks niet meer verwarmd kan worden of dat verwarming onbetaalbaar wordt. De transitie in de gebouwde omgeving is een zorgvuldig proces, waarbij de gemeente de regie voert en geen enkele wijk zonder betrokkenheid van burgers aardgasvrij zal worden gemaakt. Gemeenten zijn het aanpreekpunt voor burgers met vragen over de concrete plannen in de wijk. Isoleren is daarbij altijd een goed idee. Dat verlaagt de energiekosten en verbetert het comfort in huis. Het is mijn streven voor de zomer de standaard en streefwaarden voor woningen vast te stellen. De standaard en streefwaarden geven mensen handelingsperspectief als zij hun woning, of delen daarvan, op eigen initiatief willen verduurzamen maar nog niet weten welke duurzame warmtevoorziening zij in de toekomst zullen krijgen.
Het bericht ‘Dik half jaar wachten voor plaatsen snellader geen uitzondering’ |
|
Matthijs Sienot (D66), Rutger Schonis (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Dik half jaar wachten voor plaatsen snellader geen uitzondering»?1
Ja.
Deelt u de mening van de vraagstellers dat een goede en landsdekkende laadinfrastructuur van cruciaal belang is voor het bereiken van het kabinetsdoel van 100% zero-emissie nieuwverkoop van personenvoertuigen in 2030? Zo ja, op welke wijze draagt u bij aan een goede landsdekkende laadinfrastructuur in Nederland en daarbuiten? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel het belang van een goede en landsdekkende laadinfrastructuur. Om dit te bereiken is samen met decentrale overheden, netbeheerders, kennisinstellingen en brancheorganisaties voor laadinfrastructuur een Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) opgesteld, die onderdeel is van het Klimaatakkoord. Belangrijk onderdeel van de NAL is de vorming van 6 regionale samenwerkingsverbanden voor de uitrol van laadinfrastructuur. Hiervoor wordt momenteel gewerkt aan de ondertekening van zes samenwerkingsovereenkomsten met decentrale overheden en netbeheerders. Het Rijk zal hier ook financieel aan bijdragen. Doel van de overeenkomsten is het versnellen van de regionale uitrol van laadinfrastructuur. De regionale uitvoering brengt een groot aantal werkzaamheden met zich mee die in nauwe samenspraak met de bestuurlijke partners en de netbeheerders moeten worden uitgevoerd. Hierover worden afspraken gemaakt met zes zogenaamde samenwerkingsregio’s. Deze samenwerkingsregio’s gaan zich inzetten op het gebied van het beleid en de uitrol van laadinfrastructuur voor alle typen voertuigen.
Daarnaast wordt momenteel onderzocht in hoeverre de omgevingswet ingezet kan worden om streefcijfers voor de aanleg van laadinfrastructuur bij decentrale overheden te introduceren.
Kunt u – tegen de achtergrond van het feit dat er veel miscommunicatie en desinformatie is over elektrisch rijden en laden, waardoor ondernemers niet goed kunnen overzien wat er op hen afkomt bij het aanschaffen van een snellaadpaal – uiteenzetten waarom het voor ondernemers onduidelijk is en op welke wijze u ondernemers ondersteunt?
De onduidelijkheid voor ondernemers wordt vooral veroorzaakt door onzekerheid over de toekomstige technologische en economische ontwikkelingen rond elektrisch rijden en opladen. In het regeerakkoord en het Klimaatakkoord is een duidelijke ambitie vastgelegd: in 2030 zijn alle nieuw verkochte personenauto’s emissieloos. Met de uitvoering van de NAL zorg ik er samen met regionale overheden, netbeheerders en marktpartijen voor dat hiertoe de benodigde laadinfrastructuur wordt aangelegd.
Ik ondersteun ondernemers met informatie en handreikingen over de aanleg van laadinfrastructuur via onder andere het Nationaal Kennisplatform Laadinfrastructuur (NKL), dat binnenkort een handreiking snelladen publiceert (zie ook vraag 5). Ook werk ik samen met partijen als de ANWB, Stichting Natuur & Milieu en Milieu Centraal om betrouwbare informatie over andere aspecten van elektrisch vervoer beschikbaar te stellen. Daarnaast ondersteun ik ondernemers in financiële zin. Ondernemers kunnen investeringen in laadpunten aanmelden voor de milieu-investeringsaftrek2. Op het leveren van stroom via laadpalen met een eigen netaansluiting geldt een verlaagde energiebelasting. En ondernemers die werken aan innovatieve laadoplossingen ondersteun ik via de demonstratieregeling klimaattechnologieën en -innovaties in transport. Zo komen bijvoorbeeld ondernemers in aanmerking voor deze regeling die hun vloot bestelbusjes laten rijden op zelf opgewekte zonne-energie.
Herkent u de situatie die wordt geschetst dat het plaatsen van snellaadpalen een half jaar op zich kan laten wachten, omdat ze niet op het elektriciteitsnet aangesloten kunnen worden? Zo ja, op welke wijze ondersteunt u de sector om de snellaadstations versneld te kunnen plaatsen?
In het kader van de NAL heb ik continu contact met netbeheerders over de uitrol van laadinfrastructuur. In veel gevallen lukt het om een nieuwe aansluiting binnen de wettelijk gestelde termijn van 18 weken te realiseren. Dit hangt sterk af van de lokale situatie. Soms wordt dit inderdaad niet gehaald. Dit kan in het geval van snelladers te maken hebben met de extra netcapaciteit die moet worden gecreëerd door bijvoorbeeld de bouw van een extra onderstation. Dit kost tijd.
Stichting ElaadNL vertegenwoordigt de netbeheerders als kenniscentrum voor laadinfrastructuur in het kader van de NAL. ElaadNL werkt proactief aan het versnellen van de uitrol van laadpunten door met de netbeheerders en gemeenten prognoses op te stellen voor de benodigde nieuwe netaansluitingen. Deze prognoses moeten worden vertaald in uitrolplanningen van netbeheerders. Hoe beter de nieuwe aansluitingen gepland kunnen worden, hoe sneller de uitrol zal lopen.
Specifiek voor het versneld plaatsen van snelladers op verzorgingsplaatsen langs de snelweg heb ik Rijkswaterstaat gevraagd om te verkennen hoeveel snelladers er op de verzorgingsplaatsen bijgeplaatst zouden kunnen worden (tot 2030) en op welke wijze de overheid dit mogelijk kan faciliteren.
Bent u bereid om ondernemers te helpen bij het opstellen van een plan de campagne per locatie door duidelijkheid te geven over de locaties waar snellaadpalen probleemloos aangesloten kunnen worden op het elektriciteitsnet? En kunt u ondernemers inzicht geven in beschikbare technische mogelijkheden om bij een gebrek aan netcapaciteit toch een laadpaal te installeren?
Ja, dat is reeds onderdeel van de NAL. Per regio zal een plan gemaakt worden voor de uitrol van (snel)laadinfrastructuur. Dit gebeurt samen met de netbeheerders en de regionale samenwerkingsverbanden in het kader van de NAL. Iedere netbeheerder publiceert daarnaast een overzichtskaart met de beschikbare netcapaciteit voor zowel opwek als afname3. Technische mogelijkheden om toch een laadpunt aan te sluiten bij een gebrek aan netcapaciteit worden beschreven in de handreiking snelladen van NKL.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg Duurzaam vervoer van 22 april 2020?
Ja.
De ontwerp-Luchtvaartnota |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een inschatting geven wanneer u denkt dat de ontwerp-Luchtvaartnota, die december 2019 verwacht werd, beschikbaar komt voor de Kamer?
Bij de afronding van de besluitvorming over de ontwerp-Luchtvaartnota heb ik ervoor gekozen om het rapport van het Adviescollege Stikstofproblematiek over de relatie tussen stikstof en luchtvaart te betrekken. In dat verband heb ik op 7 februari aan de Commissie MER, in samenwerking met het RIVM, gevraagd een review uit te voeren op het onderzoek van de Samenwerkende Actiegroepen Tegen Laagvliegen (SATL) naar berekeningen voor stikstofdepositie. De resultaten hiervan worden op korte termijn verwacht. Ik streef ernaar om dit voorjaar de besluitvorming over de ontwerp-Luchtvaartnota, de aanpak voor Schiphol, en informatie voor de voorhangprocedure voor de wijziging van het Luchthavenbesluit Lelystad aan de Tweede Kamer voor te kunnen leggen.
De huidige situatie rondom het COVID-19 virus kan mogelijk leiden tot aanpassing van deze planning.
Kunt u toezeggen dat de ontwerp-Luchtvaartnota vóór de behandeling van het Luchthavenbesluit Lelystad beschikbaar is?
Ja, mijn verwachting is dat de ontwerp-Luchtvaartnota dan beschikbaar is.
Het ontbreken van een meldpunt voor slachtoffers en familieleden van sektes |
|
Attje Kuiken (PvdA), Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van EenVandaag over de problematiek van sektes, de zorgen van slachtoffers en familieleden en het ontbreken van één meldpunt voor sekteproblematiek?1
Het kabinet onderkent dat binnen Nederland gesloten gemeenschappen zijn waarbinnen misstanden, waaronder strafbare feiten, plaatsvinden. Slachtofferschap kan op individueel niveau en voor direct betrokkenen een grote impact hebben; het is dan ook van belang dat meldingen en aangiftes goed en zorgvuldig worden opgepakt.
Uit de in de uitzending aangehaalde voorbeelden blijkt dat misstanden en strafbare feiten gemeld kunnen worden bij de daartoe aangewezen instanties, en ook door hen opgepakt worden.
Erkent u dat het bijzonder ongelukkig is dat juist nu Sektesignaal zeer tegen onze zin is opgeheven, nu blijkt dat in het jaar 2019 de meeste meldingen van sektes zijn binnengekomen?
Ik kan deze conclusie niet onderschrijven. Uit het jaarverslag 2019 van Sektesignaal komt naar voren dat Sektesignaal in 2019 267 keer is gebeld. Dit heeft geleid tot 103 dossiers waarin melding werd gedaan van misstanden en/of strafbare feiten. Sektesignaal deelde deze informatie niet met de opsporing, maar melders kregen wel het advies om melding of aangifte te doen en werden waar mogelijk rechtstreeks in contact gebracht met de betreffende instantie. Op basis van deze cijfers moet ik concluderen dat het aantal meldingen bij Sektesignaal de afgelopen jaren redelijk constant is geweest.2
Wist u dat op dit moment slachtoffers van sektes en hun naasten bij de balies van politiebureaus door onvoldoende kennis en expertise niet voldoende gehoord en geholpen worden? Wat vindt u daarvan?
Het beeld dat slachtoffers en naasten niet voldoende gehoord en geholpen worden herken ik niet. In de door u aangehaalde uitzending wordt dat beeld ook niet door feiten gestaafd. Organisaties als Slachtofferhulp kunnen ondersteuning bieden bij de verwerking van strafbare gedragingen. Indien gewenst kunnen ggz-instellingen geestelijke gezondheidszorg bieden.
Wist u dat op dit moment de auteur van een boek over sekteproblematiek veel hulpvragen van familieleden van slachtoffers van sektes ontvangt, wat er op duidt dat het wegbezuinigen van het Meldpunt Sektesignaal voor een leemte heeft gezorgd?
Het oorzakelijk verband in uw vraagstelling vermag ik niet te zien. Sektesignaal heeft zich de afgelopen jaren vooral gericht op het doorverwijzen van slachtoffers naar de verschillende behandelende instanties. Deze telefonische functie is de afgelopen jaren omgebouwd naar een online verwijsfunctie.
Op welke wijze en op welke termijn zal de aangenomen motie-Van Nispen (Kamerstuk 31 015, nr. 189) worden uitgevoerd, nu een grote Kamermeerderheid de regering heeft verzocht zich ervoor in te spannen dat slachtoffers van sektes en hun familieleden zo veel mogelijk bij één herkenbaar punt terechtkunnen voor hulp en doorverwijzing en waar signalen van sektes samenkomen, en de Kamer hierover te informeren?
Naar aanleiding van de motie Van Nispen heb ik het WODC verzocht een onderzoek uit te voeren waarbij bezien wordt of het beëindigen van de subsidie aan Sektesignaal heeft geleid tot een lacune in het beschikbare instrumentarium van politie en andere instanties om te komen tot een opvang van slachtoffers conform de daarvoor geldende uitgangspunten als neergelegd in de Richtlijn minimumnormen slachtoffers (2012/29/EU). Met dit onderzoek geef ik tevens uitvoering aan de motie Van Toorenburg/Van Wijngaarden (31 015, nr. 183) over het versneld uitvoeren van een evaluatie.
Bent u bereid het meldpunt Sektesignaal in de oude vorm terug te laten keren, omdat hiermee slachtoffers en hun naasten een laagdrempelige voorziening geboden kan worden die hulp biedt en doorverwijst, en dat de mensen die ervaring, kennis en expertise hebben opgebouwd hier nu nog steeds beschikbaar voor zouden zijn?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. De politie en betrokken instanties in goed staat zijn om misstanden en strafbare feiten aan te pakken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk binnen twee weken beantwoorden?
Ik heb mijn best gedaan de antwoorden op de vragen zo spoedig als mogelijk te beantwoorden.
De berichtgeving rondom het coronavirus COVID-19 via de sociale mediakanalen van de Rijksoverheid |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Michel Rog (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Bruno Bruins (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving rondom het coronavirus (COVID-19) via de sociale mediakanalen van de Rijksoverheid?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat op zowel de website van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als de Inspectie van het Onderwijs geen enkele informatie te vinden is over COVID-19, specifiek gericht op zaken die voor het onderwijs relevant zijn?
Informatie van de overheid is te vinden op de website van rijksoverheid.nl. Daar is ook alle informatie van de rijksoverheid te vinden over het Coronavirus COVID-19. Er is bewust voor gekozen om op één centrale plek alle actuele informatie continu bij te werken en er voor te zorgen dat er eenduidig informatie wordt verstrekt. Ministeries plaatsen dus niet zelf informatie over het Coronavirus COVID-19 op de pagina van hun eigen ministerie maar alle informatie wordt gebundeld op rijksoverheid.nl. Op de centrale pagina over het Coronavirus COVID-19 zijn specifieke vragen en antwoorden te vinden over reizen, voor ondernemers en ook over onderwijs. Op de website van het Ministerie van OCW, onderdeel van rijksoverheid.nl, is recent ook een link naar de veelgestelde vragen antwoorden over het Coronavirus COVID-19 en onderwijs op rijksoverheid.nl geplaatst. Ook de Inspectie van het Onderwijs heeft een link op haar website die verwijst naar de pagina «Veelgestelde vragen over het Coronavirus en het onderwijs» op rijksoverheid.nl.
Wat is de reden dat er op de hierboven genoemde websites bijvoorbeeld geen informatie is te vinden over hoe scholen om moeten gaan met personeel en/of kinderen met (milde) klachten en over wat de regels zijn voor het sluiten van scholen of het thuislaten van kinderen vanwege (angst voor) besmetting met het coronavirus, of hoe om te gaan met schoolreizen in binnen- en buitenland?
Tot en met maandag 6 april wordt er geen les gegeven op locatie in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van onderwijs op afstand.
Op de pagina «Veelgestelde vragen over coronavirus en het onderwijs» op rijksoverheid.nl, waar het Ministerie van OCW en de Inspectie van het Onderwijs naar verwijzen, worden vragen beantwoord. Naast vele andere vragen en antwoorden is daar ook het antwoord te vinden op de vraag waar school, universiteit of kinderopvangorganisaties terecht kunnen voor actuele informatie.
Bent u bereid om op de kortst mogelijke termijn wel deze informatie specifiek toegespitst op het onderwijs op de websites te plaatsen?
Zoals in de vorige antwoorden staat aangegeven is dat al gebeurd.
Kunt u aangeven of er rechtstreekse informatie hierover naar de scholen in Nederland is gestuurd of dat er een centraal punt is waar scholen zich kunnen melden met allerhande vragen over het coronavirus? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid scholen rechtstreeks te informeren en/of een centraal punt in te stellen waar scholen met vragen naartoe kunnen?
Vanuit het Ministerie van OCW is de afgelopen weken intensief contact geweest met de vertegenwoordigers van het onderwijsveld om hen zo goed mogelijk van informatie te voorzien. Zo zijn met de vertegenwoordigers van onderwijs-instellingen de adviezen van het RIVM gedeeld en is er op de website van de rijksoverheid specifieke informatie beschikbaar voor het onderwijs. Op dinsdag 10 maart hebben wij een brief gestuurd aan het onderwijs via alle sectorraden, vakbonden en diverse belangenorganisaties. Op donderdag 12 maart heeft het kabinet nieuwe adviezen en maatregelen aangekondigd om het virus zoveel mogelijk in te dammen en verdere verspreiding zoveel mogelijk te beperken. Naar aanleiding van deze adviezen en maatregelen is met al deze partijen overleg gevoerd over de uitwerking en uitvoering van de maatregelen in het onderwijs en over de impact die dit heeft voor scholen, onderwijspersoneel, leerlingen en ouders. Met de vertegenwoordigers van onderwijsinstellingen is afgesproken dagelijks contact te hebben over actuele ontwikkelingen. Hiervoor is een centraal informatiepunt ingericht op www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-covid-19
Met de vertegenwoordigers van de onderwijsinstellingen is op vrijdag 13 maart en op zondag 15 maart overleg gevoerd. Op zondag 15 maart heeft het kabinet besloten de scholen te sluiten.
Wordt er op dit moment nagedacht op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over hoe te handelen bij scenario’s waarbij scholen dicht moeten vanwege gebrek aan personeel of grootschalige besmetting met het coronavirus bij kinderen/ouders of scenario’s waarbij scholen in delen van Nederland of heel Nederland dicht moeten voor een bepaalde tijd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze worden scholen geholpen bij het vormgeven van afstandsonderwijs op een dergelijk grote schaal?
Zondag 15 maart is besloten om tot en met maandag 6 april geen les meer te geven op locatie in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, en middelbaar beroepsonderwijs. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van onderwijs op afstand.
We waren voorbereid op het nemen van aanvullende maatregelen. Ook zijn we doorlopend in goed overleg met het onderwijsveld over de uitvoering van de maatregelen die nu gelden en de ondersteuning die daarbij nodig is.
Kunt u aangeven hoeveel scholen zich de afgelopen weken genoodzaakt zagen om schoolreizen of uitwisselingen naar het buitenland af te blazen uit angst voor het coronavirus? Kunt u daarbij tevens aangegeven om hoeveel scholen het gaat die deze beslissing hebben moeten nemen voordat er sprake was van een negatief reisadvies voor het betreffende land of deel van het land?
Nee, die cijfers heb ik niet.
Bent u bereid om met reisorganisaties en vervoersmaatschappijen in gesprek te gaan over goede oplossingen voor scholen voor het omboeken en annuleren van reizen? Zo nee, waarom niet?
Scholen staan zelf in contact met reisorganisaties en vervoersmaatschappijen over het omboeken en annuleren van reizen. Het gaat om specifieke situaties per school, ook als het gaat om verzekeringskwesties. Reisorganisaties en vervoersmaatschappijen zijn goed in staat om deze situaties te overzien.