De persvrijheid op Curaçao |
|
Ronald van Raak |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
Wat is uw reactie op klachten van journalisten over de beperking van de persvrijheid op Curaçao in coronatijd?1
Zoals u eerder medegedeeld in beantwoording op de Kamervragen op 19 mei 2020 over de persvrijheid op Aruba, is het juist in een moeilijke periode als deze van belang dat burgers zowel door de overheid als door onafhankelijke journalisten geïnformeerd kunnen worden over ontwikkelingen in hun omgeving. Dat geldt voor alle landen in ons Koninkrijk. Journalisten informeren de inwoners over de laatste ontwikkelingen rond het coronavirus en zijn als journalistieke waakhond cruciaal voor het functioneren van de democratie. Dat moet ondanks de crisis door kunnen gaan. Zonder over de casuïstiek te oordelen, vind ik dat er ook tijdens de crisis ruimte moet zijn voor de informerende en controlerende rol van journalisten.
Deelt u de opvatting dat juist in tijden van crisis de vrije media een belangrijke controlerende taak hebben?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting dat dit moet gelden voor alle landen van het Koninkrijk en dus ook voor het land Curaçao?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting dat de financiële steun aan Curaçao gepaard mag gaan met eisen aan de persvrijheid?
In mijn brief van 22 mei 2020 over aanvullende financiële steun aan Curaçao en Sint-Maarten in verband met COVID-19, zijn voor Curaçao voorwaarden opgenomen die zich voornamelijk richten op de financiële sector. De voorwaarden zijn gericht op effect en op voorhand niet limitatief vastgesteld. Per tranche van de liquiditeitssteun wordt besloten over de voorwaarden, die ook buiten de financiële sector kunnen liggen. In het plenaire debat met uw Kamer van 20 mei jl. over de incidentele suppletoire begroting inzake liquiditeitssteun Aruba, Curaçao en Sint Maarten heb ik dit uiteengezet en aangegeven bereid te zijn met een brede blik naar de voorwaarden te kijken.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het debat op woensdag 20 mei over financiële steun aan Curaçao?
Beantwoording binnen een tweetal dagen is niet gelukt gelet op de zorgvuldigheid die ik voorsta in de beantwoording en de in dat kader benodigde afstemming. Op 19 mei jl. heb ik uw Kamer hierover geïnformeerd.
Het racisme bij de NOS |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NOS Divibase: Staatsomroep heeft geheime wisselbokaal voor «Divers Profileren»»?1
Ja.
Bent u geschokt over het feit dat de NOS etnisch profileert, waar dit bij de Belastingdienst tot veel verontwaardiging leidde?
Het verzorgen van evenwichtig en kwalitatief hoogstaand journalistiek media-aanbod behoort tot de taak van de NOS. Het in beeld brengen van diverse bronnen en vertellen van verschillende verhalen draagt juist bij aan de kwaliteit van journalistieke producties. Ik twijfel niet aan de intenties van de NOS, maar begrijp wel de gevoeligheid rondom dit thema. In het licht van de publieke verantwoording die de publieke omroep moet afleggen past het dat de NOS haar doel en werkwijze toelicht, daarover met haar publiek in discussie gaat en daar waar nodig aanpast. Ik zie ook dat dit gebeurt. Inmiddels is de NOS met de Divibokaal gestopt. Welke personen bij de NOS om welke reden tot nu toe een bokaal hebben gekregen betreft een interne redactionele aangelegenheid. Daarin past bemoeienis vanuit de overheid niet.
Bent u verontwaardigd dat bij de NOS journalistieke waarden zoals objectiviteit zijn ingeruild voor links activisme?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom krijg je bij de NOS een bokaal als je blanken uitsluit? Is de NOS even racistisch als de Ku Klux Klan?
Zie antwoord vraag 2.
Wie zijn de winnaars van de diversiteitsbokaal tot dusverre? Waarom kregen zij exact de bokaal?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt het diversiteitsgedram zich tot de Mediawet, in het bijzonder artikel 2.1.2?
De publieke omroep is van en voor alle Nederlanders. De publieke omroep heeft dan ook op grond van de Mediawet als taak om alle groepen in de samenleving te bereiken en evenwichtig te weerspiegelen. Dit heeft tevens zijn beslag gekregen in de prestatieafspraken die ik met de NPO heb afgesloten. Zo dient de NPO jaarlijks te rapporteren over wat het publiek vindt van de weerspiegeling van met name vrouwen en mensen met een migratieachtergrond in zijn media-aanbod. Deze taakopdracht staat wat mij betreft op geen enkele wijze ter discussie. De wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven qua vorm en inhoud is een zaak van omroepen zelf. Dat geldt ook voor de NOS.
Verklaart het diversiteitsgedram van de NOS ook dat men daar niet meer spreekt van «blanken» maar van «witten»?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom maak je bij de NOS kans op een prijs als je Zwarte Piet belastert, terwijl onze hardwerkende kindervriend steeds populairder wordt?
Zie antwoord vraag 6.
Verklaart het diversiteitsgedram van de NOS ook dat veel nieuws dat negatief afstraalt op allochtonen, zoals moorden door asielzoekers, overlast van AZC’s, ramadanterreur en islamitische misdaden systematisch onder de pet blijft bij de NOS?
Ik zie geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid en objectiviteit van de NOS. De uitspraak van de NPO ombudsman dat er geen bewijs is voor de conclusie dat de NOS diversiteit boven deskundigheid zou stellen sterkt mij in deze overtuiging.
Zou de NOS wel objectieve journalistiek bedrijven als D66’er Shula Rijxman en PvdA’er Martijn van Dam niet langer in het bestuur van de NPO zouden zitten?
Zie antwoord vraag 9.
Waarom moeten Nederlanders hiervoor betalen en op welke manier kunnen zij hun abonnement opzeggen?
De bekostiging van de publieke omroep verloopt via de Rijksmiddelen en niet op basis van een abonnement. Dit is vastgelegd in de Mediawet (zie Mediawet titel 2.6. bekostiging publieke mediadiensten) en is gestoeld op het principe dat de publieke omroep van en voor alle Nederlanders is.
Veilige evenementen |
|
Eppo Bruins (CU), Rutger Schonis (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Een drive-in bioscoop: organisatoren staan te trappelen maar krijgen geen vergunning»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Bent u bekend met de signalen uit het bericht, namelijk dat er bij een vergunningsaanvraag meteen wordt afgewezen op basis van de noodverordening en niet wordt gekeken of een individueel evenement veilig is volgens de RIVM-richtlijnen?
Het verbod op evenementen tot 1 september 2020 was een maatregel die noodzakelijk was om de verdere verspreiding van het Corona-virus tegen te gaan.
Op 24 juni heeft besluitvorming plaatsgevonden en zodoende wordt per 1 juli het algemene verbod op meld- en vergunningplichtige evenementen opgeheven. Het is aan de lokale autoriteiten om te bepalen of organisatoren hun activiteit voldoende op anderhalve meter in kunnen richten en tevens aan andere van toepassing zijnde maatregelen kan worden voldaan. De procedure voor het aanvragen van een vergunning kost tijd en het zal dus een aantal weken duren voordat de eerste evenementen weer kunnen plaatsvinden. Niet alles zal meteen mogelijk zijn. 1,5 meter afstand houden blijft ook de norm bij evenementen.
Bent u het ermee eens dat door een algemeen verbod op evenementen met een vergunnings- en meldplicht veilige evenementen onnodig geen doorgang kunnen krijgen?
Nee. Een algemeen verbod op evenementen was een eenduidige norm die, vanwege de mogelijke effecten op de publieke gezondheid, het gebruik van de publieke ruimte, de handhaafbaarheid en op (de beschikbare capaciteit in) het openbaar vervoer noodzakelijk geacht werd. Gezien de positieve ontwikkelingen wordt per 1 juli is het algemeen verbod op meld- en vergunningplichtige evenementen opgeheven.
Kunt u toelichten waarom het in Nederland niet mogelijk is om net als in Duitsland2 en Denemarken3 evenementen te organiseren die veilig zijn?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven, is het afschalen van maatregelen een politieke afweging, waarbij niet alleen het gezondheidsperspectief wordt meegewogen maar ook het maatschappelijk en economisch perspectief.
Bent u het ermee eens dat hierdoor onnodig schade wordt geleden door een sector die reeds hard wordt getroffen door de corona maatregelen?
Ik besef dat de maatregelen ter voorkoming van het coronavirus onvermijdelijke gevolgen hebben voor de economie. We zien dat daardoor ook de evenementensector zwaar getroffen wordt, net als andere sectoren. Daarom ondersteunt het kabinet (zelfstandig) ondernemers met tijdelijke financiële regelingen. De steun heeft als doel dat Nederland zich kan aanpassen aan een veranderde samenleving en economie. De regelingen zijn in twee noodpakketten gepresenteerd op 17 maart en 20 mei 2020.
Bent u bereid om het OMT te vragen te bezien hoe bij de advisering over sectoren meer maatwerk mogelijk kan worden gemaakt anders dan een generiek go/no-go signaal?
Het kabinet streeft naar eenduidige normen binnen sectoren. Op 24 juni is op basis van adviezen van het OMT besloten dat een verdere versoepeling van de maatregelen mogelijk is.
Bent u bereid burgemeesters meer ruimte te bieden om uitzonderingen op te nemen in de noodverordening die de mogelijkheid bieden evenementen die kunnen plaatsvinden, conform de richtlijnen van het RIVM doorgang te laten vinden?
Zoals ik eerder heb aangegeven is op 24 juni besloten dat het algemene verbod op meld- en vergunningplichtige evenementen per 1 juli wordt opgeheven. Het is aan de lokale autoriteiten om te bepalen of organisatoren hun activiteit voldoende op anderhalve meter in kunnen richten en tevens aan andere van toepassing zijnde maatregelen kan worden voldaan.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Blijvende signalen van tekorten aan persoonlijke beschermingsmiddelen voor zorgverleners |
|
Maarten Hijink (SP), Lilian Marijnissen (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een update geven hoe het staat met het verstrekken van persoonlijke beschermingsmiddelen aan zorgverleners in de ziekenhuizen en de zorg buiten de ziekenhuizen?1
Het Landelijk Consortium Hulpmiddelen (LCH) heeft sinds de oprichting 71 miljoen persoonlijke beschermingsmiddelen uitgeleverd aan de curatieve en langdurige gezondheidszorg (stand 23 juni 2020). Het LCH kan met de huidige voorraad in Nederland voorzien in de vraag die zorginstellingen bij het LCH hebben gemeld. Informatie over de precieze vraag, de bestellingen en de beschikbare voorraad van beschermingsmiddelen van het LCH is beschikbaar op hun website2.
Kunt u verklaren hoe het mogelijk is dat er nog steeds zorgverleners zijn die zonder bescherming moeten werken, want de SP-fractie blijft meldingen binnenkrijgen van zorgverleners die werkzaam zijn buiten de ziekenhuissector en die moeten werken zonder persoonlijke beschermingsmiddelen?2
Uitgangspunt in zorg en ondersteuning blijft dat gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) volgens de uitgangspunten van het RIVM nodig is bij verpleging, verzorging of lichamelijk onderzoek van een patiënt met (verdenking van) COVID-19 en als het niet mogelijk is om 1,5 meter afstand te houden. Bij cliënten die niet verdacht zijn van COVID-19 is er geen risico op besmetting en zullen geen extra maatregelen nodig zijn. Daarom blijft het belangrijk dat elke keer dat een cliënt thuis wordt bezocht het gesprek aan wordt gegaan en te checken of hij of zij geen COVID-19 klachten heeft of niet besmet is. In het geval hier wel sprake van is dient de zorg en ondersteuning uitgesteld te worden als dit kan en waar dit niet kan zullen PBM nodig zijn om de zorg veilig te verlenen.
In de praktijk blijkt echter dat het niet altijd even duidelijk is, of vooraf goed in te schatten. In de motie van het lid Marijnissen c.s.4 wordt daarom gevraagd meer ruimte te geven aan de professionele inschatting van zorgverleners bij het gebruiken van PBM. Deze wens was ook aanwezig bij de zorgverleners in het veld en heeft in overleg tussen RIVM en veldpartijen ertoe geleid dat dit vanaf 1 mei jl. expliciet is opgenomen in de uitgangspunten van het RIVM voor het gebruik van PBM buiten het ziekenhuis, en op 6 mei jl. in de uitgangspunten voor Wmo ondersteuning. Dit betekent dat zorgmedewerkers op basis van hun professionele inzichten en ervaring beredeneerd kunnen afwijken van de uitgangspunten als de specifieke situatie daarom vraagt. Daarvoor dienen dan ook voldoende PBM beschikbaar te zijn.
De beroepsvereniging V&VN, heeft voor de verpleegkundigen, verzorgenden en verpleegkundige specialisten een handreiking opgesteld die op 14 mei jl. is gepubliceerd. Deze bevat handvatten voor de praktijk, inclusief voor situaties wanneer afgeweken kan worden van de norm en PBM gebruikt kunnen worden. Ook de vakbonden hebben hiervoor een richtlijn opgesteld. Algemeen preventief inzetten van persoonlijke beschermingsmiddelen is niet wenselijk omdat daardoor juist weer schaarste kan ontstaan.
Krijgt u ook signalen binnen van zorgverleners die besmet zijn geraakt met het coronavirus na de verzorging van cliënten terwijl zij geen persoonlijke beschermingsmiddelen kregen, de SP-fractie krijgt namelijk deze meldingen? Hoe treedt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op bij dergelijke meldingen?3
De IGJ heeft een tiental meldingen ontvangen waarbij melding is gemaakt van een coronabesmetting bij een zorgverlener en geen beschermingsmiddel beschikbaar of voorradig was. Dit betekent niet per definitie dat de zorgverlener de besmetting heeft opgelopen doordat er geen persoonlijke beschermingsmiddelen beschikbaar waren.
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg, en beoordeelt vanuit die verantwoordelijkheid de meldingen die het binnenkrijgt. Het toezicht op arbeidsomstandigheden en veilig werken in de zorg is belegd bij de Inspectie SZW. In de afgelopen periode heeft de IGJ één melding doorgestuurd naar de Inspectie SZW. Deze betrof een anonieme melding aan de IGJ over onder andere het niet krijgen van beschermingsmiddelen. Er was geen sprake van besmetting door het coronavirus. De Inspectie SZW heeft tot en met vrijdag 5 juni 2020 216 klachten en signalen in relatie tot Corona ontvangen afkomstig uit de gezondheids- en welzijnssector. Ongeveer een kwart van deze meldingen heeft betrekking op het beschikken over onvoldoende en ongeschikte persoonlijke beschermingsmiddelen. Ook dit betekent niet per definitie dat de zorgverlener de besmetting heeft opgelopen doordat er geen persoonlijke beschermingsmiddelen beschikbaar waren. Afhankelijk van de aard van de melding wordt deze onderzocht door een inspecteur of meegenomen in het risico gestuurd toezicht.
Waarom worden geen persoonlijke beschermingsmiddelen preventief verstrekt aan zorgverleners, om risico’s op besmettingen af te doen nemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u uitleggen waarom in supermarkten mondkapjes te koop zijn, maar dat zorgverleners geen persoonlijke beschermingsmiddelen preventief krijgen aangereikt voor de zorg van cliënten die risico lopen besmet te raken met het coronavirus? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om in overleg met het RIVM de richtlijnen voor zorgverleners aan te passen zodat zij voor de zorg aan cliënten ook preventief persoonlijke beschermingsmiddelen krijgen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘Zorgen om luchtvervuiling in Brabant en Limburg: 'Wat als er een tweede golf komt en het aantal doden hier weer hoger ligt?’ |
|
Henk van Gerven (SP), Frank Futselaar (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zorgen om luchtvervuiling in Brabant en Limburg: «Wat als er een tweede golf komt en het aantal doden hier weer hoger ligt?»?»1
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat inwoners van Limburg en Brabant bovenmatig bezorgd zijn over een heropleving van COVID-19, met name in hun directe woonomgeving die zwaar is getroffen door de pandemie?
Ik kan mij voorstellen dat bewoners in zwaar getroffen regio’s, zoals Limburg en Noord-Brabant, bezorgd zijn over een heropleving van COVID-19. Door de maatregelen op advies van de experts stapsgewijs en gecontroleerd te versoepelen, maar ook door het testen en bron- en contactonderzoek wordt getracht een tweede golf van het virus te voorkomen.
Kunt u aangeven hoe lang het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bij benadering bezig zal zijn met het door u aangekondigde onderzoek naar de eventuele relatie tussen luchtkwaliteit, veehouderij en gevoeligheid van mensen voor COVID-19?2
Zoals ik in mijn brief «COVID-19 en mogelijke relatie met dieren» van 22 april jongstleden (Kamerstuk 28 286, nr. 1088) heb aangegeven, is het RIVM gevraagd een verkenning uit te voeren naar de onderzoeksmogelijkheden aangaande de relatie luchtkwaliteit, veehouderijen en COVID-19. Dit betreft een complex vraagstuk. Ik ben met het RIVM in gesprek over de onderzoeksmogelijkheden. Nadat deze in kaart zijn gebracht zullen mijn collega’s van I&W en VWS en ikzelf besluiten of en zo ja, welke onderzoeken we willen uitzetten bij het RIVM. Daarbij worden de regionale partijen zoals de provincie Noord-Brabant en de GGD betrokken. Uw Kamer wordt daarover geïnformeerd.
Welke mogelijkheden ziet u om in afwachting van de resultaten van dit onderzoek te starten met het verbeteren van de luchtkwaliteit, bijvoorbeeld door te beginnen met het inkrimpen van de veestapel in de meest veedichte gebieden?
Het is bekend dat luchtverontreiniging in het algemeen kan leiden tot een verhoogd risico op ziekte en sterfte. Daarom heeft het verbeteren van de luchtkwaliteit ten behoeve van de gezondheid de volle aandacht. Met het Schone Lucht Akkoord (hierna: SLA) zet het kabinet samen met decentrale overheden zich in om voor alle inwoners van Nederland de luchtkwaliteit te verbeteren zodat de gezondheidsschade door luchtverontreiniging minder wordt. Binnen het SLA wordt ingezet op de belangrijkste bronnen van luchtverontreiniging voor de impact op gezondheid zoals verkeer, landbouw, houtstook en industrie.
De maatregelen in het kader van de stikstofaanpak, de verduurzaming van de veehouderij (middels stalinnovaties) en het Klimaatakkoord zullen eveneens bijdragen aan de verbetering van de luchtkwaliteit.
Bent u bereid om de Kamer te informeren over de resultaten van tot op heden uitgevoerde internationale onderzoeken naar de relatie tussen luchtkwaliteit en risico’s op besmetting met COVID-19 en de effecten op medische schade daardoor?
Zoals de Staatssecretaris van I&W heeft aangegeven in haar brief van 4 mei jongstleden in antwoord op de vragen van het lid Van Esch (PvdD) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 2667) zal uw Kamer geïnformeerd worden over welk onderzoek er in internationaal verband (Multi-Country Multi-City Collaborative Research Network) uitgevoerd zal worden naar de relatie tussen luchtkwaliteit en COVID-19.
Is het uitgesloten dat mensen die werken in een nertsenfokkerij besmet kunnen raken door met het coronavirus besmette nertsen?
Nee. Er zijn tot op heden op 25 locaties een besmetting met SARS-CoV-2 bij nertsen aangetroffen. Op twee locaties is naar alle waarschijnlijkheid SARS-CoV-2 overgegaan van nerts naar mens. Op beide locaties heeft de infectie waarschijnlijk plaatsgevonden toen nog niet bekend was dat nertsen op dit bedrijf besmet waren en er nog geen persoonlijke beschermingsmiddelen werden gebruikt. Inmiddels is het gebruik van niet medische mondkapjes en gezichtsschermen op alle nertsenbedrijven verplicht. Daarnaast zal de NVWA het toezicht op de naleving van de maatregelen ter voorkoming van infectie van nertsen met SARS-CoV-2 intensiveren. Naast het traceringsonderzoek dat door de NVWA en GGD wordt gedaan zal de Faculteit Diergeneeskunde de komende tijd op alle besmette bedrijven nog uitgebreider onderzoek doen om introductieroutes te achterhalen.
Wat is de medische stand van zaken met betrekking tot de overdracht van het COVID-19 virus?
Het SARS-CoV-2-virus verspreidt zich vooral via druppels in de lucht en mogelijk via oppervlaktes. De stuwende kracht achter de uitbraak van COVID-19 is de mens-op-mens overdracht. Daarnaast zijn er nertsenbedrijven positief getest voor SARS-CoV-2, waarbij het aannemelijk is dat de nertsen via verzorgers besmet zijn geraakt. Zoals ik in het antwoord op vraag 6 heb aangegeven, hebben er naar alle waarschijnlijkheid vervolgens ook enkele besmettingen van nerts op mens plaatsgevonden.
Deelt u de mening dat de bedrijfsactiviteiten van de nertsenhouderijen waar SARS-CoV-2 aangetroffen is bij dieren versneld afgebouwd dienen te worden in aanloop naar het verbod op pelsdierhouderij, gezien de omstandigheden in het gebied en de mogelijke risico’s tot besmetting van andere nertsenhouderijen en het aldaar werkzame personeel?
Besmette nertsenbedrijven worden geruimd. Zoals ik in mijn brief «Reactie op aangenomen moties over COVID-19 gerelateerd aan slachthuizen en de nertsenhouderij» van 1 juli jongstleden (Kamerstuk 28 286, nr. 1120) heb aangegeven, onderzoek ik of en zo ja hoe een stoppersregeling kan worden vormgegeven waarmee deze bedrijven op korte termijn vrijwillig hun bedrijfsvoering kunnen beëindigen. Het kabinet is voornemens om in augustus aanstaande een besluit te nemen over de stoppersregeling en de Kamer daarover te informeren.
De bevindingen van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) dat containerschepen vaak nog steeds de veiligheidsregels niet naleven |
|
Rutger Schonis (D66), Jan de Graaf (CDA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Containerschepen lappen nog steeds veiligheidsregels aan hun laars»?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Kunt u toelichten waarom u ervoor heeft gekozen de inspectierapporten van de controles niet met de Kamer te delen en deze pas vrij te geven na een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur door journalisten?
Ik heb in mijn brief aan uw Kamer2 van 24 mei 2019 gemeld dat de ILT onderzoek aan het doen was naar het sjorren van containers. Daarbij heb ik aangegeven dat ik u het rapport daarvan naar verwachting in het najaar van 2019 zou kunnen aanbieden. Het opstellen van het rapport heeft helaas meer tijd in beslag genomen dan doorgaans het geval is. Ik kon u het rapport niet eerder dan op 14 mei jl. toesturen. Het rapport was niet eerder gereed.
Deelt u de mening van de vragenstellers dat deze rapporten direct met de Kamer hadden moeten worden gedeeld?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de vragenstellers dat de bevindingen van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) onmiddellijk aanleiding zouden moeten zijn om voorzorgsmaatregelen te treffen om ecologisch kwetsbare gebieden zoals de Waddenzee te beschermen? Zo nee, waarom niet? Indien u deze mening deelt, welke voorzorgsmaatregelen bent u bereid om op korte termijn te treffen?
Ik zal de bevindingen uit het ILT-rapport betrekken in mijn beleidsreactie op de uitkomsten van de relevante onderzoeken naar aanleiding van het ongeval met de MSC Zoe, o.a. van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, waarbij ik ook in zal gaan op mogelijke vervolgstappen. Daarbij zal ik ook bezien of het huidige waarschuwingssysteem aangepast zou moeten worden.
Bent u bereid om met uw Duitse collega afspraken te maken om de zuidelijke vaarroute door de Waddenzee voor grote containerschepen in stormachtige omstandigheden preventief te sluiten?
In mijn brief aan uw Kamer3 van 23 januari j.l. ben ik reeds ingegaan op de mogelijkheden voor afsluiting van de zuidelijke vaarroute. Afsluiting van de zuidelijke vaarroute kan niet unilateraal worden opgelegd. Als Nederland deze route of daaraan verbonden voorwaarden wil veranderen, moet daartoe een voorstel worden ingediend bij de IMO in overleg met Duitsland en Denemarken. Ik heb met mijn Duitse collega afgesproken dat we, zo snel mogelijk nadat de verschillende onderzoeksrapporten beschikbaar zijn gekomen, gezamenlijk de conclusies en aanbevelingen daarin bespreken en de mogelijke vervolgstappen met elkaar afstemmen.
Heeft u al gesproken met de International Maritime Organization (IMO) over de potentiële juridische mogelijkheden om deze route te sluiten voor grote containerschepen bij stormachtige omstandigheden?
Ik begrijp de wens om robuuste maatregelen te nemen om een ongeval zoals dat van MSC Zoe te voorkomen. Ik heb de mogelijkheden tot het afsluiten van de zuidelijke route daarom onderzocht, en verwijs hiervoor naar mijn antwoord op de vorige vraag. De conclusies en aanbevelingen van de verschillende onderzoeksrapporten zullen moeten uitwijzen of een traject in IMO in dit verband een mogelijke vervolgstap is.
Kunt u toelichten of de bevindingen van de ILT van invloed zijn op het huidige waarschuwingssysteem van de Kustwacht bij stormachtige omstandigheden, aangezien het ongeluk met de OOCL Rauma liet zien dat de risico’s ook bestaan bij kleinere schepen?
Zie antwoord vraag 4.
Gaat het waarschuwingssysteem van de Kustwacht worden uitgebreid nu duidelijk is dat zoveel schepen in overtreding zijn van de veiligheidsvoorschriften, waardoor niet uitgesloten kan worden dat een herhaling zal plaatsvinden van de MSC Zoë ramp en het ongeluk met de OOCL Rauma?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Dat heb ik zoveel mogelijk gedaan.
Het beoordelingskader voor LVS-instrumenten van de Expertgroep toetsen PO |
|
Michel Rog (CDA), Paul van Meenen (D66), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het beoordelingskader voor leerlingvolgsysteem (LVS) -instrumenten van de Expertgroep toetsen PO?1
Ja.
Kunt u toelichten waar de Expertgroep de stelling op baseert dat onder de verplichte normering van toetsen ook observatie-instrumenten zouden vallen, terwijl de huidige wet enkel een grondslag biedt voor het hanteren van regels voor toetsen en leerlingvolgsystemen? Deelt u de mening dat het schrappen van kleutertoetsen geen vrijbrief is om dan maar eisen te gaan stellen aan observatie-instrumenten?
De Expertgroep Toetsen PO toetst de inhoudelijke validiteit, betrouwbaarheid en deugdelijke normering van alle LVS-instrumenten. Dit zijn instrumenten met als doel om de vorderingen in de kennis en vaardigheden op het niveau van de leerling, de groep en de school te volgen. Dit kunnen schoolse toetsen zijn, maar ook observatie-instrumenten vallen hieronder. De wettelijke basis hiervoor ligt in artikel 8, zesde en zevende lid, Wet op het Primair Onderwijs. Alle instrumenten die de groei van een leerling in kaart brengen, moeten worden beoordeeld door de Expertgroep Toetsen PO. Het beoordelingskader van LVS-instrumenten van de Expertgroep geldt enkel voor LVS-instrumenten. Wanneer een observatie-instrument de groei van leerlingen niet in kaart brengt, kijkt de Expertgroep Toetsen PO niet naar de kwaliteit van het instrument. Scholen zijn niet verplicht om observatie-instrumenten voor kleuters te gebruiken, maar indien zij de groei van kleuters in kaart brengen in het LVS mag dit enkel met een door de Expertgroep Toetsen PO erkend instrument.
In mijn brief aan Uw Kamer van 6 juli 2018 schreef ik verder dat in het Regeerakkoord is afgesproken dat scholen binnen het LVS voor kleuters geen gebruik meer kunnen maken van schoolse LVS-toetsen. Ik schreef hier ook dat er wel ruimte blijft voor het gebruik van observatie-instrumenten binnen het LVS voor kleuters.2
Hoe is de opvatting van de Expertgroep, dat scholen gebruik zouden moeten maken van goedgekeurde observatie-instrumenten, te rijmen met het gegeven dat momenteel niet eens een duidelijk kenbaar en onderscheidend kader voor goedkeuring van deze instrumenten beschikbaar is? Hoe is uitwerking gegeven aan uw aankondiging dat de Expertgroep met aanbieders zou gaan overleggen over de beoordelingscriteria?2 Op welke wijze worden scholen en aanbieders een duidelijk verhaal en eerlijke kansen geboden?
Scholen zijn niet verplicht om observatie-instrumenten af te nemen bij kleuters, maar indien zij de groei van kleuters in kaart brengen in het LVS mag dit enkel met een door de Expertgroep Toetsen PO erkend instrument. De eisen voor goedkeuring van instrumenten verbonden aan het LVS staan beschreven in het «Beoordelingskader LVS-instrumenten» van de Expertgroep Toetsen PO. Daarnaast vindt overleg plaats tussen de Expertgroep en een toetsaanbieder indien de toetsaanbieder voornemens is een volginstrument voor kleuters te ontwikkelen. De eisen beschreven in het beoordelingskader van de Expertgroep zijn transparant en gelden voor alle aanbieders op een gelijke manier. Het beoordelingskader LVS-instrumenten is geschikt voor de beoordeling van alle LVS-instrumenten. Daarnaast kan dit worden bijgesteld als blijkt dat dit nodig is om aspecten als normering, betrouwbaarheid en validiteit voor specifieke instrumenten goed te kunnen beoordelen.
Deelt de u de opvatting dat het onwenselijk is dat de criteria voor beoordeling van (kleuter)toetsen min of meer ongewijzigd worden toegepast op instrumenten, gelet op de erkenning in uw brief dat de bezwaren tegen de kleutertoets zich in belangrijke mate ook richten tegen de normering ervan?
Voor het in kaart brengen van groei geldt voor kleuters hetzelfde als voor andere leerlingen in het basisonderwijs: een leerkracht wil op basis van de prestaties op een instrument bepalen of een leerling goed op weg is om gestelde doelen te behalen. Om de groei van een kleuter in kaart te brengen is het nodig om deze groei te duiden ten opzichte van een vaststaande meetlat. Hierbij is een normgroep van afdoende grootte nodig. Dit hoeft geen landelijk gemiddelde te zijn. In mijn brief beschrijf ik dat ik bezwaar heb tegen het indelen van kleuters in een bepaalde niveaugroep, op basis van een vergelijking van de prestaties van individuele kleuters met een landelijk gemiddelde. Dit doet namelijk geen recht aan het feit dat kleuters zich sprongsgewijs ontwikkelen. Dit alles laat onverlet dat ook observatieinstrumenten moeten voldoen aan eisen van betrouwbaarheid en validiteit.
Kunt u aangeven waarom de strekking van het aanhangige wetsvoorstel, dat de verplichting schrapt om genormeerde toetsen te gebruiken, verheldering zou behoeven?3 Kunt u bevestigen dat in ieder geval klip en klaar is dat op grond van het wetsvoorstel geen genormeerde toetsen verplicht zijn en dat scholen die observatiemiddelen mogen kiezen, die het beste zijn voor de leerlingen?
Zowel leden van de fractie van de ChristenUnie als leden van de SGP-fractie in de Eerste Kamer hebben vragen gesteld over het amendement-Bisschop c.s. bij het wetsvoorstel actualisering deugdelijkheidseisen in het funderend onderwijs. Zoals ik ook gedurende het debat over dit wetsvoorstel aangaf, maak ik mij zorgen over het effect van de onderdelen van het amendement die zich richten op het schrappen van de referentieniveaus in de LVS-instrumenten en het vervallen van de beoordeling van de LVS-toetsen op de onderwijskwaliteit door een onafhankelijke commissie. Ook schrapt het amendement de grondslag om bij AMvB nadere regels te stellen over toetsen in het LVS, zoals nu gebeurt in het Toetsbesluit PO. Op 6 juli 2018 heb ik uw Kamer geïnformeerd dat in deze AMvB de eisen voor het toetsen van kleuters worden aangescherpt. In deze brief heb ik ook aangegeven dat dit zal worden meegenomen in de wijziging van wet- en regelgeving die voortvloeit uit de evaluatie van de Wet eindtoetsing po. Het nieuwe wetsvoorstel doorstroomtoetsen po hoop ik nog dit jaar met uw Kamer te bespreken. Ik vind het belangrijk om alle consequenties van het amendement-Bisschop c.s. goed in beeld te hebben voordat de regering dit onderdeel eventueel in werking laat treden. Door de grondslag voor een AMvB volledig te schrappen is het bijvoorbeeld niet langer mogelijk om erkende observatie-instrumenten voor kleuters die voldoen aan alle eisen op te nemen als toets uit het LVS. Ik vraag de inspectie daarom een uitvoeringstoets uit te voeren op het amendement, zoals ook bij reguliere wetstrajecten gebruikelijk is. Ik wil benadrukken dat het niet gepast is om vooruit te lopen op wetgeving waarover parlementair nog gestemd wordt. De wetgeving wordt dus niet vooruitlopend op deze stemming opgeschort.
Onderkent u dat scholen die keuzes moeten maken voor komende schooljaren, snel behoefte hebben aan duidelijkheid over de wettelijke kaders en dat het met het oog daarop niet toereikend is om in de communicatie te volstaan met plannen voor 2022? Zo ja, bent u bereid in de communicatie van uw ministerie en de Inspectie van het Onderwijs duidelijk op te nemen dat scholen de komende jaren geen verplichtingen hebben tot het gebruik van goedgekeurde instrumenten en bent u bereid hierover contact op te nemen met de Expertgroep en de betrokken sectororganisaties?
De tekst op rijksoverheid.nl is in lijn met de nu geldende wetgeving. Deze wordt aangepast als de nog lopende wetstrajecten zijn afgerond. De informatie wordt niet aangepast vooruitlopend op de nog aan te passen wetgeving waarover parlementair nog gestemd wordt. Daarnaast is op de website van de Expertgroep Toetsen PO een pagina met veel gestelde vragen over de kleutertoetsen opgenomen.
13.000 mbo’ers die geen stageplek of leerbaan hebben |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), William Moorlag (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Hoe gaat u in het mbo een sluitende aanpak voor de beroepspraktijkvorming waarmaken, zoals de Kamer in 2015 de regering heeft verzocht door de motie van het lid Jadnanansing c.s. aan te nemen, nu het tekort aan stageplekken in het mbo is opgelopen tot 13.000?1 2
Op dit moment is er inderdaad een tekort van 13.000 stages en leerbanen, wat uitzonderlijk hoog is en te maken heeft met onder andere de contact-beperkende maatregelen die veel impact hebben op sectoren zoals toerisme, verzorging en horeca. SBB heeft daarom op verzoek van mij en de Minister en Staatssecretaris van SZW een actieplan opgesteld dat er voor moet zorgen dat zoveel mogelijk jongeren en werkenden en werkzoekenden toch een stage of leerbaan kunnen krijgen.3 Er wordt door SBB extra acquisitie gedaan om nieuwe leerbanen en stageplekken te vinden. Hiervoor zijn door het kabinet ook additionele middelen ter beschikking gesteld aan SBB.4 Onderdeel van het actieplan is dat er een goed beeld ontstaat van de studentenaanmeldingen per school, voor zowel opleiding als locatie. Door het regelmatig ophalen van deze informatie ontstaat een nog beter inzicht in waar tekorten aan leerbanen en stages (dreigen te) ontstaan. SBB kan dan proactief en tijdig bijsturen. SBB gaat hier samen met de scholen mee aan de slag. Het meldpunt stage- en leerbanentekorten wordt extra onder de aandacht gebracht van scholen en studenten. Studenten die hun stage of leerbaan verliezen melden zich eerst bij de school om een passende oplossing te vinden. SBB helpt als er een vervangende plek nodig is. Om studenten in staat te stellen hun opleiding af te ronden en niet in de knel te komen als gevolg van het wegvallen van stages en leerbanen, heb ik met de sector afgesproken dat onderwijsteams kunnen beoordelen of leerdoelen en praktijkopdrachten afgerond kunnen worden zonder dat de uren volledig gemaakt worden. Daarbij kan ook gekeken worden naar resultaten uit eerdere stages of naar alternatieve (praktijk-)opdrachten. In formele zin is er zo sprake van een sluitende aanpak. Dat laat onverlet dat vanwege de onzekerheid over de economische ontwikkelingen zich nog steeds knelpunten bij de beroepspraktijkvorming kunnen voordoen.
Vanzelfsprekend houd ik nauw een vinger aan de pols of de genomen maatregelen volstaan.
Kunt u garanderen dat deze mbo’ers, die vooral worden opgeleid voor beroepen in de openbare orde en veiligheid, retail, horeca, luchtvaart en evenementen- en toeristensector, niet de dupe worden van de ontstane situatie, die geheel buiten hun schuld is ontstaan? Zo ja, hoe gaat u dan voorkomen dat de betrokken mbo’ers studievertraging oplopen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de zorg van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) dat deze stagetekorten een voorbode zijn van toekomstige werkloosheid van de mbo’ers die geen stageplek weten te verwerven? Zo ja, wat gaat u daartegen ondernemen?
Het tekort aan stageplaatsen en leerbanen kan inderdaad een indicatie zijn van knelpunten op de arbeidsmarkt voor schoolverlaters. Het CPB heeft in het rapport «Scenario’s economische gevolgen coronacrisis» (26 maart 2020) aangegeven dat de gevolgen voor onder meer schoolverlaters groot kunnen zijn. Ondanks dat de crisis het voor scholen niet gemakkelijk maakt, wil ik wel het belang benadrukken van dat de omvang van de instroom van opleidingen zo goed mogelijk aansluit bij de toekomstige vraag van de arbeidsmarkt. Scholen hebben daartoe een wettelijke zorgplicht arbeidsmarktperspectief. SBB monitort in hun werkwijze doelmatigheid welke opleidingen een goed arbeidsmarktperspectief bieden en welke niet. Voor het zomerreces zal ik conform toezegging uw Kamer een voortgangsbrief over de kabinetsreactie op het IBO-onderzoek «Jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt» toesturen. Ik zal hierbij ook ingaan op de knelpunten voor schoolverlaters en mogelijke maatregelen.5
Wilt u in overleg treden met de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat om gezamenlijk de problematiek die zich nu aftekent, te verhelpen?
In het kabinet is volop overleg over de aanpak van de COVID-19 problematiek. Zo heeft het kabinet onlangs een brief aan de Tweede Kamer gestuurd over het wegwerken van achterstanden, onder meer door een extra impuls voor SBB voor de aanpak van tekorten aan stages en leerbanen.
Het bericht ‘Koning krijgt ten onrechte subsidie voor het Loo’ |
|
Tjeerd de Groot (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Koning krijgt ten onrechte subsidie voor het Loo»?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom de Kamer niet eerder over deze details is geïnformeerd?
De subsidie is opgenomen op de begroting van LNV, die jaarlijks door de Tweede Kamer wordt behandeld. De Kamer is hier ook over geïnformeerd bij brief in reactie op de motie Arissen (Kamerstuk 33 576, nr. 133) en bij de begrotingsbehandelingen van Begrotingshoofdstuk I en Algemene Zaken op 19 december 2017, 10 oktober 2018 en op 16 oktober 2019.
Kunt u bevestigen dat de Koning wordt vrijgesteld van bepaalde subsidievoorwaarden – zoals gemeld in de berichtgeving –, die voor anderen wel gelden?
De subsidie zoals deze aan het Kroondomein wordt verleend, is specifiek. Om dezelfde vergoedingen te hanteren is ervoor gekozen om de Subsidieverordening Natuur en Landschap 2016 Gelderland zo veel mogelijk naar analogie toe te passen. In vergelijking met deze SVNL 2016 Gelderland, is er voor gekozen om de maximale oppervlakte van 1 hectare ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, niet van toepassing te verklaren op deze subsidie.
Bent u bereid alsnog opheldering te verschaffen aan de Kamer over de precieze afspraken rondom de subsidies voor het Kroondomein alsmede de redenen voor de afwijkingen van de «model-voorwaarden»?
De precieze afspraken kunt u vinden in de meegestuurde subsidiebeschikking2. Voor een uitgebreidere motivatie verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2 en 4 van de Kamervragen gesteld door het lid Wassenberg, die eerder in deze brief beantwoord zijn.
Bent u bereid de subsidiebeschikking met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik heb de subsidiebeschikking als bijlage bij deze brief opgenomen.
In hoeverre bent u het eens met de uitspraken van onder andere emeritus-hoogleraar notarieel recht Martin Jan van Mourik dat deze afwijkingen c.q. constructie onvoldoende juridische basis heeft en zorgt voor ongelijke behandeling?
De subsidie is rechtmatig en zorgvuldig verstrekt. Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4 van de vragen die gesteld zijn door het lid Wassenberg.
Bent u bereid de Kamer op de hoogte te houden over het verloop van de juridische procedure die door Stichting De Faunabescherming is gestart om de subsidiebeschikking aan te vechten?2
Ja. Over de uitkomst hiervan zal ik u informeren.
Kunt u herbevestigen dat een eventuele verlenging dan wel nieuwe verlening van subsidie voor het onderhoud en beheer van Het Loo eerst aan de Kamer voorgelegd wordt, zodat deze in de gelegenheid wordt gesteld zich over de voorwaarden uit te spreken alvorens deze opnieuw worden vastgesteld?
De huidige subsidie loopt door tot en met 31 december 2021. Mocht er sprake zijn van een nieuwe aanvraag, dan zal ik de Kamer voorafgaande aan de eventuele toekenning van een nieuwe subsidie informeren.
Corona onder bewoners azc Sneek |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Besmette bewoners azc Sneek overgeplaatst naar noodopvang Zoutkamp»1 en het bericht «Man uit AZC Sneek slaapt buiten uit angst voor corona»?2
Ja.
Wie heeft het besluit genomen om de bewoners van het asielzoekerscentrum (AZC) Sneek over te plaatsen? Wat was de rol van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en de GGD hierbij?
Naar aanleiding van de testuitslagen is in afstemming tussen GGD Fryslân, Veiligheidsregio Fryslân en het COA besloten om besmette personen, hun gezinsleden en degenen die tot hun wooneenheid behoren over te plaatsen.
Er is voor deze aparte opvang voor besmette bewoners uit Sneek en hun gezinsleden en/of huisgenoten gekozen om de verspreiding van het virus zo snel mogelijk te stoppen. Op de locatie in Sneek is onvoldoende mogelijkheid om deze verschillende groepen gescheiden van elkaar te huisvesten.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van deze overplaatsing?
Vrijwel alle bewoners die in Zoutkamp in quarantaine verbleven, zijn na het aflopen van hun quarantaine periode weer teruggeplaatst naar het AZC in Sneek. Drie bewoners zijn vanaf Zoutkamp op een andere COA locatie geplaatst.
Op welke wijze, op welk moment en door wie zijn de bewoners op de hoogte gebracht van de verhuizing?
Naar aanleiding van de testuitslagen heeft er overleg plaatsgevonden tussen GGD Fryslân, Veiligheidsregio Fryslân en het COA over de te nemen vervolgstappen. Nadat duidelijk was dat de locatie in Zoutkamp daadwerkelijk kon worden ingezet en ingericht als quarantainelocatie zijn de betrokken bewoners zijn door COA medewerkers van de locatie Sneek geïnformeerd over hun verhuizing.
Kent u signalen van onrust onder de bewoners? Zo ja, waar bestaan die uit? Zo nee, wilt u zich op de hoogte laten stellen?
De overplaatsing van een groep bewoners naar de quarantaine locatie in Zoutkamp had vanzelfsprekend grote impact op de bewoners van AZC Sneek. Het COA personeel heeft er alles aan gedaan om de situatie voor de bewoners zo aangenaam mogelijk te maken en zorgen die leefden onder bewoners weg te nemen. Dit laat onverlet dat deze periode voor bewoners en het personeel van COA een bijzondere uitdaging is geweest.
Alle bewoners die zijn overgeplaatst naar Zoutkamp kregen op hun kamer de nodige voorzieningen voor het verblijf in quarantaine; zoals een ijskast, magnetron of oven. Daarnaast ontvingen bewoners fruitpakketten, speelgoed voor de kinderen en spelletjes voor volwassenen. Ook konden bewoners bij het COA personeel aangeven welke boodschappen ze nodig hadden. Bij sommige bewoners leidde deze situatie tot zorgen en medische vragen. De GGD is verschillende keren op de locatie aanwezig geweest om uitleg te geven aan de betrokken bewoners.
Welke beschermingsmaatregelen zijn er getroffen om bewoners en medewerkers tegen verdere verspreiding van het virus te beschermen? Zijn de regels over het gebruik voor iedereen duidelijk? Is er voldoende beschermingsmateriaal beschikbaar?
Het COA heeft verschillende maatregelen getroffen ter voorkoming van verspreiding van het virus. Een duidelijke en doelgerichte informatievoorziening aan bewoners speelt daarbij een zeer belangrijke rol. COA-medewerkers informeren de bewoners over het coronavirus, de maatregelen die het COA treft en wat bewoners zelf kunnen doen om besmetting te voorkomen.
Via «MyCOA», de website speciaal voor asielzoekers, zijn bewoners in meerdere talen geïnformeerd over het coronavirus. In de AZC’s hangen posters en tevens worden flyers verspreid over het coronavirus en hygiënemaatregelen. Om verdere verspreiding van het coronavirus te voorkomen, volgen medewerkers de algemene richtlijn «houd anderhalve meter afstand» en heeft het COA de infobalies voorzien van plexiglas schermen. Een verpleegkundige «infectieziektebestrijding / publieke gezondheidszorg asielzoekers» van de GGD geeft persoonlijke voorlichting op de COA locaties.
Beschikbaarheid van voldoende beschermingsmiddelen is in Nederland in meer algemene zin een knelpunt geweest in de achterliggende periode. Alle COA locaties hebben sinds eind april voldoende persoonlijke beschermingsmiddelen voor situaties waarbij het gebruik hiervan noodzakelijk is. Voor bewoners en medewerkers van de locatie Zoutkamp zijn verschillende aanvullende maatregelen getroffen, zoals het volledig scheiden van positief geteste bewoners van niet-positief geteste bewoners en het beschikbaar stellen van aanvullende persoonlijke beschermingsmiddelen voor medewerkers.
Begrijpt u dat bewoners die negatief op corona zijn getest, liever niet met besmette bewoners in een opvang in quarantaine willen worden gebracht? Zo ja, waarom en kan daar rekening mee worden gehouden? Zo nee, waarom niet?
Na de vastgestelde besmettingen in Sneek hebben COA, GGD en de Veiligheidsregio overleg gehad over de noodzakelijke stappen. Ter bescherming van de volksgezondheid in het algemeen en de COA bewoners in het bijzonder, is besloten tot overplaatsing van geïnfecteerde personen plus hun gezinsleden en/of huisgenoten naar Zoutkamp. De locatie Sneek bood voor deze groep onvoldoende mogelijkheden voor isolatie en quarantaine. In de locatie Zoutkamp zijn de positief geteste (geïnfecteerde) mensen en negatief geteste (maar mogelijk wel besmette) huisgenoten separaat opgevangen (in respectievelijk een isolatie- en quarantaine-afdeling).
Deelt u de mening dat, als asielzoekers de voorkeur geven aan het slapen in een tent zonder voorzieningen, dat er op duidt dat men bang is om door contact met positief geteste bewoners besmet te worden en dit daarom niet als een echt vrijwillige keuze kan worden beschouwd? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Na de vastgestelde besmettingen in Sneek heeft de GGD telefonische gesprekken gevoerd met alle bewoners die waren getest. Bewoners die bijzondere zorgen of aandachtspunten hadden, hebben aanvullend contact gehad met een arts. De GGD, noch de behandelend artsen hebben specifieke zorgpunten gesignaleerd ten aanzien van de betrokken personen en geadviseerd dat alle bewoners op hun gebruikelijke kamer kunnen blijven.
Waarom worden zowel positief als negatief geteste bewoners samen in hun nieuw onderkomen geplaatst? Is het mogelijk om positief en negatief geteste asielzoekers afzonderlijk ergens onder te brengen? Zo ja, welke mogelijkheden zijn daarvoor en onder welke voorwaarden kan daar alsnog voor worden gekozen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 7.
Het besluit om de ILT te verzoeken tot handhaving Verordening (EG) 261/2004 passagiersrechten luchtvaart. |
|
Jan Paternotte (D66), Rutger Schonis (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «KLM volgt Brussel: biedt groep klanten weer geld terug» en «De Europese Commissie overweegt wel degelijk procedures om vouchers»?1
Ja.
Klopt het dat het in Nederland mogelijk blijft voor luchtvaartmaatschappijen om ervoor te kiezen om geen geld terug te geven, wanneer een geboekt ticket vanwege de coronacrisis niet kan worden gebruikt? Zo ja, kunt u toelichten hoe zich dit volgens u verhoudt tot de uitspraak van de Europese Commissie dat het verplichten van consumenten om een voucher te accepteren in strijd is – en blijft – met de Europese wet- en regelgeving?
Nee, op 14 mei jl. heb ik uw Kamer laten weten dat ik de aanwijzing aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) inzake de handhaving op luchtvaartvouchers intrek (Kamerstuk 31 936, nr. 740). Daarmee gaat de ILT de Verordening (EG) 261/2004 weer handhaven. Overigens veranderde deze aanwijzing niet het recht op terugbetaling en had de aanwijzing een tijdelijk karakter.
Deelt u de mening van de vragenstellers dat de aanbeveling van de Europese Commissie ertoe strekt dat klanten recht hebben op teruggave bij álle tickets van vluchten die geannuleerd zijn sinds de aanwijzing aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) om niet te handhaven, tenzij die klanten actief hebben aangegeven de voucher als alternatief te accepteren? Zo nee, waarom niet?
Ja, mits Verordening (EG) nr. 261/2004 van toepassing is.
Heeft uw besluit om de aanwijzing richting ILT in te trekken mogelijk directe gevolgen voor de liquiditeitspositie van luchtvaartmaatschappijen?
Zoals eerder gemeld aan uw Kamer (Kamerstuk 31 936, nr. 740) heb ik met de aanwijzing beoogd om de druk op de liquiditeitspositie van luchtvaartmaatschappijen te verminderen en in het bijzonder om faillissementen te helpen voorkomen. Wat de directe gevolgen van de intrekking zullen zijn voor de liquiditeitspositie valt op dit moment nog niet te overzien en zal ook per luchtvaartmaatschappij verschillen. Wel blijf ik iedereen die het zich financieel kan permitteren, oproepen om vouchers te accepteren.
Wat gaat u doen om consumenten die reeds een voucher hebben geaccepteerd te beschermen tegen liquiditeitsproblemen of een faillissement van een luchtvaartmaatschappij?
Nederland heeft meermaals bij de Europese Commissie gepleit voor een Europese garantie op vouchers. Deze boodschap heb ik herhaald tijdens de informele videoconferentie voor EU Transportministers op 4 juni jl. Ik heb bij de Commissie aangegeven graag met hen hierover in gesprek te gaan.
Deelt u de mening van de vragenstellers dat met uw besluit en de aangekondigde mogelijke inbreukprocedure tegen Nederland door de Europese Commissie hierover nog meer urgentie is ontstaan om over de toelaatbaarheid van luchtvaartvouchers zo spoedig mogelijk duidelijkheid te verschaffen? Indien u deze mening deelt, bent u bereid om hier op korte termijn actie op te ondernemen?
Met de beantwoording van 11 juni jl. op eerdere Kamervragen van de leden Paternotte en Schonis (D66) over het uitreiken van «coronavouchers» door reisorganisaties (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 3115) en ook met mijn brief van 11 juni jl. over handhaving van Verordening (EG) nr. 261/2004 in relatie tot vouchers in de luchtvaart (Kamerstuk 31 936, nr. 783) heb ik meer duidelijkheid verschaft.
Kunt u toelichten hoe u dit onderwerp in de Europese Unie al heeft aangekaart en wat de resultaten hiervan tot nu toe waren?
Zie antwoord 5.
Kunt u toelichten of en op welke manier uw huidige aanwijzing aan de ILT voorkomt dat consumenten alsnog een jaar op hun geld moeten wachten?
Op 14 mei jl. heb ik uw Kamer laten weten dat ik de aanwijzing aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) inzake de handhaving op luchtvaartvouchers intrek (Kamerstuk 31 936, nr. 740). De ILT handhaaft Verordening (EG) nr. 261/2004.
De ILT ziet er in Nederland op toe dat luchtvaartmaatschappijen zich houden aan de Europese regels op het gebied van passagiersrechten. Als luchtvaartmaatschappijen stelselmatig onvoldoende actie ondernemen, zal de ILT handhavend optreden. Daarbij kunnen bestuursrechtelijke sancties worden ingezet zoals het opleggen van een last onder dwangsom.
De civiele rechter heeft de bevoegdheid om te oordelen over individuele claims.
Wordt door de ILT ook toezicht gehouden en gehandhaafd op de wettelijke betalingstermijn die de Europese Commissie voorschrijft?
De ILT kan niet afdwingen dat luchtvaartmaatschappijen in individuele gevallen tot terugbetaling binnen de wettelijke termijn overgaan, maar betrekt de meldingen van passagiers bij de handhaving op het stelselmatig overtreden van de verordening door luchtvaartmaatschappijen.
De Kamer wordt half juli geïnformeerd over de handhaving door de ILT inzake de luchtvaartvouchers, zoals toegezegd tijdens het notaoverleg luchtvaart en corona op 18 juni.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De financiering van ziekenhuizen en over het bericht ‘NVZ: ‘VWS laat ziekenhuizen en verzekeraars vrij worstelen over geld’ |
|
Corinne Ellemeet (GL), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Martin van Rijn (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat uit een peiling van de NVZ blijkt dat afgelopen maanden de zorgomzet van ziekenhuizen met gemiddeld 47% is afgenomen, hetgeen neerkomt op een reductie van circa € 700 mln. per maand?1
Ja.
Deelt u de mening dat in deze bijzondere tijd, waarin zorgverleners in allerlei opzichten een cruciale rol spelen, ziekenhuizen niet financieel de dupe mogen zijn van het covidvirus? Zo ja, hoe gaat u als stelselverantwoordelijke er zorg voor dragen dat ziekenhuizen volledig worden gecompenseerd? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de mening dat het van belang is dat er goede zorg kan worden geleverd, nu en in de toekomst. Zorgverzekeraars hebben in maart en april2 al aangegeven financieel comfort te willen bieden als de omzet terugvalt, de meerkosten als gevolg van COVID-19 te vergoeden en aanbieders (sneller) te bevoorschotten om liquiditeitsproblemen te voorkomen.
Zorgverzekeraars Nederland (ZN) heeft op 1 mei 2020 een generieke regeling vastgesteld voor de continuïteitsbijdrage aan zorgaanbieders met een jaarlijkse omzet tot 10 miljoen euro. De continuïteitsbijdrage is gebaseerd op de normale omzet die zorgverzekeraars zouden vergoeden uit de basisverzekering en aanvullende verzekeringen. Van de omzet die is weggevallen krijgen zorgaanbieders een percentage vergoed. De zorgverzekeraars hebben, met steun van onafhankelijke partij Gupta Strategists, een percentage per sector vastgesteld. Voor de meeste zorgaanbieders ligt dit percentage tussen de 75% en 87% (van die omzet die is weggevallen). Vanaf 15 mei 2020 kunnen zorgaanbieders een continuïteitsbijdrage aanvragen. Na aanvraag wordt de bijdrage in de regel binnen 5 tot 10 werkdagen door de zorgverzekeraar overgemaakt aan de aanvragende zorgaanbieder. Deze bijdrage zal op een later moment nog wel verrekend worden met inhaalzorg, en het vaststellen van de definitieve bijdrage zal dus nog wel vele maanden duren.
Met zorgaanbieders met een jaarlijkse omzet boven de 10 miljoen euro, zoals de ziekenhuizen, zullen zorgverzekeraars met zorgaanbieders specifieke afspraken maken voor de continuïteitsbijdrage. ZN, NVZ en NFU zijn met elkaar in gesprek, met als streven om rond 1 juli een regeling gereed te hebben. Tot dat moment kunnen zorgaanbieders een vooruitbetaling van hun zorgverzekeraar krijgen.
Om de declaratie van continuïteitsbijdragen en meerkosten corona mogelijk te maken, ook voor de medisch specialistische zorg, heb ik een aanwijzing gegeven aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), waarop de NZa prestatiebeschrijvingen heeft vastgesteld voor de continuïteitsbijdrage en de meerkosten corona.
Zorgaanbieders kunnen net als andere ondernemers ook gebruik maken van de Rijksregelingen, als zij aan de voorwaarden van de betreffende regelingen voldoen. Belangrijk hierbij is wel dat de financiële afspraken met zorginkopers voorliggend zijn aan de Rijksregelingen, hetgeen betekent dat zorgaanbieders worden geacht zich in eerste instantie te wenden tot deze zorginkopers en met hen te bezien of zij financiële ondersteuning kunnen krijgen.
Wanneer krijgen zorgaanbieders zekerheid over de financiële afwikkeling?
Zie antwoord vraag 2.
Wat voor impact heeft de coronacrisis op de geraamde volumeontwikkeling?
De impact van de coronacrisis op de geraamde volumeontwikkeling is nog niet te bepalen. Ziekenhuizen en andere zorgaanbieders hebben enerzijds te maken gehad met veel zorg voor coronapatiënten die zij van tevoren logischerwijs niet hadden geprognosticeerd, anderzijds hebben zij – zeker in het begin van de coronacrisis – veel reguliere zorg zien wegvallen. Zorgaanbieders hebben hun best gedaan om ook reguliere zorg zoveel mogelijk te blijven leveren, al dan niet met innovatieve en inventieve oplossingen. Uitgestelde zorg zal voor een deel op een later moment alsnog worden ingehaald, maar dat zal niet voor alle uitgestelde zorg van toepassing zijn. Bovendien zijn er grenzen aan de mogelijkheid om inhaalzorg te realiseren, bijvoorbeeld door de bestaande capaciteit in het zorgaanbod en/of restricties die zorgaanbieders ook de komende tijd in acht moeten nemen als gevolg van de coronacrisis. Het is daarom heel moeilijk om nu al te zeggen wat per saldo het effect op het volume van de zorg zal zijn.
Kunt u garanderen dat geen enkel ziekenhuis faillissement hoeft aan te vragen vanwege gederfde inkomsten nu en in de nabije toekomst?
Met de continuïteitsbijdrage en meerkostenregeling is er sprake van compensatie, waardoor ziekenhuizen niet vanwege de coronacrisis in financiële problemen hoeven te komen. Hiermee wordt de toegankelijkheid van zorg voor korte en langere termijn geborgd. De NZa houdt toezicht op de uitvoering van de zorgplicht door zorgverzekeraars, ook tijdens deze coronacrisis. Zie ook de beantwoording van vraag 2 en 3.
Kunt u zich voorstellen dat sommige zorgverzekeraars harder getroffen worden dan anderen door de coronacrisis? Kunt u kwantificeren wat het verwachte effect is van de coronacrisis op de risicoverevening onder zorgverzekeraars?
Ja, dat kan ik mij zeker voorstellen. Het is echter nog niet bekend wat de totale financiële gevolgen zijn, en dus ook niet wat de gevolgen zijn voor individuele verzekeraars. Ik ben op dit moment samen met ZN, Zorginstituut Nederland en NZa in beeld aan het brengen wat de gevolgen zijn, zowel voor de reguliere zorg als voor coronakosten. Ik ben in overleg met zorgverzekeraars om te kijken wat het effect is op de risicoverevening. Ik verwacht u in juni een brief te sturen over de risicoverevening 2021. Mogelijke aanpassingen in het model vanwege COVID-19 worden in de komende maanden in beeld gebracht. Ik verwacht daar in september, als ik het model voor 2021 vaststel, duidelijkheid over te geven.
Ziet u in de huidige omstandigheden ook reden voor structurele aanpassingen van het zorgstelsel?
Bij de behandeling van de begroting van VWS voor 2020 op 30 en 31 oktober 2019 heb ik een Contourennota aangekondigd. Daarbij heb ik aangegeven dat ik de Tweede Kamer voor de zomer van 2020 via de Contourennota zal informeren over mogelijke aanpassingen van het zorgstelsel, waarbij ook een vraag is hoe wij omgaan met (regionale) samenwerking tussen aanbieders en inkopers ten aanzien van domeinoverstijgende vraagstukken. Wegens de coronacrisis is de Contourennota uitgesteld tot het najaar. Daarin zal ook worden ingegaan op de huidige omstandigheden: welke lessen de Coronacrisis ons leert.
Overweegt u, of heeft u overwogen, om de zorg volledig (al dan niet tijdelijk) te financieren op basis van de omzetcijfers van 2019? Zo ja, wat zijn uw afwegingen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij het antwoord op de vragen 2 en 3 hebben zorgverzekeraars eerder al aangekondigd financieel comfort te willen bieden bij omzetdaling, de meerkosten te vergoeden en aanbieders (sneller) te bevoorschotten om liquiditeitsproblemen te voorkomen. De invulling van de continuïteitsbijdrage wordt vormgegeven door zorgverzekeraars en besproken met aanbieders. Voor mij is van belang dat de continuïteit van zorg wordt geborgd, en ik ben daarom in nauw contact met zorgverzekeraars en zorgaanbieders over nadere afspraken.
Voor de instellingen met een omzet kleiner dat 10 miljoen euro per jaar is er vorige maand een generieke invulling van de regeling opgesteld waarbij is gekozen voor een basis in 2020. Aan de invulling van de regeling voor grotere zorgaanbieders wordt momenteel hard gewerkt.
Zelfstandigen die net buiten de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) dreigen te vallen |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat als een ondernemer wel omzet heeft gemaakt in het eerste kwartaal en voldoet aan het criterium voor de zelfstandigenaftrek, maar om wat voor reden dan ook (nog) niet was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (Kvk) op 17 maart 2020, hij of zij geen aanspraak kan maken op de Tozo?
Ja. Een persoon die met zijn onderneming niet staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is naar de definitie van de Tozo geen zelfstandige, omdat deze persoon niet heeft voldaan aan alle wettelijke vereisten voor de uitoefening van een eigen bedrijf of zelfstandig beroep (artikel 1, onderdeel a, van de Tozo). Een ondernemer dient het eigen bedrijf of zelfstandig beroep vanaf een week vóór tot een week ná de start in te schrijven in het handelsregister van de Kamer van de Koophandel (artikel 20 Handelsregisterwet 2007). Het niet voldoen aan de inschrijvingsverplichting levert een economisch delict op (artikel 1 e.v. van de Wet op de economische delicten).
Hoeveel zelfstandigen zijn er die wel beschikken over een btw-nummer maar nog geen inschrijving hadden bij de KvK op 17 maart 2020?
Het aantal zelfstandigen dat beschikt over een btw-nummer, maar niet over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel is mij niet bekend. De normale gang van zaken is eerst een inschrijving in handelsregister van de Kamer van Koophandel, waarna afgifte van een btw-nummer volgt.
Er kunnen verschillende redenen zijn waarom een persoon wel ondernemer voor de omzetbelasting is, maar géén onderneming voor het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
Overigens is, anders dan in de vraagstelling blijkens de formulering «nog geen inschrijving» lijkt te worden verondersteld, het beschikken over een btw-nummer geen stap naar inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (zie ook antwoord 3).
Hoeveel zelfstandigen zijn er die wel ingeschreven zijn bij de KvK maar geen btw-nummer hadden op 17 maart 2020?
Het aantal zelfstandigen dat beschikt over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, maar niet over een btw-nummer, kan niet anders dan gering zijn. Een zelfstandige ontvangt binnen twee weken na inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel bericht van de Belastingdienst of de ondernemer ook ondernemer is voor de omzetbelasting. Dit is bij veruit de meeste ondernemers het geval. De ondernemer ontvangt dan een btw-nummer van de Belastingdienst.
Indien een btw-nummer door de Belastingdienst wordt ingetrokken, bijvoorbeeld omdat er langer dan een jaar geen btw is betaald of in rekening is gebracht, wordt in de situatie van een inschrijving in het handelsregister de onderneming in de meeste gevallen tevens door de Kamer van Koophandel uitgeschreven.
Wanneer geldt een verplichting voor het hebben van een btw-nummer?
Zodra iemand een onderneming start en door de Belastingdienst wordt aangemerkt als ondernemer voor de omzetbelasting, is een btw-nummer nodig voor het doen van de btw-aangifte en communicatie met de belastingdienst.
Wanneer geldt een verplichting tot inschrijving bij de KvK?
Op grond van de Handelsregisterwet 2007 zijn alle ondernemingen en rechtspersonen in Nederland verplicht zich in te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Er is sprake van een onderneming als er sprake is van het zelfstandig leveren van goederen of diensten aan anderen, met de bedoeling om door deelname aan het economisch verkeer winst te maken1.
Wat is de reden dat bij de Tozo-uitkering de inschrijving bij de KvK als voorwaarde is gesteld en niet het hebben van een btw-nummer?
Voor de opzet van de Tozo is voor wat betreft de doelgroep in belangrijke mate aangesloten bij het bestaande Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). De voorwaarde van inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel geldt ook voor het recht op bijstand op grond van het Bbz 2004, als onderdeel van de wettelijke vereisten voor de uitoefening van een eigen bedrijf of zelfstandig beroep (artikel 1, onderdeel b, onder 1, van het Bbz 2004). Er is niet overwogen om voor de Tozo af te wijken van deze voorwaarde voor bijstandsverlening aan zelfstandigen op grond van het Bbz 2004.
Kunnen gemeenten bij schrijnende gevallen afwijken van de eis tot inschrijving bij de KvK in de Tozo als iemand wel duidelijk een bedrijf was gestart en beschikte over een btw-nummer?
Een persoon die niet staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel is naar de definitie van de Tozo geen zelfstandige, omdat niet is voldaan aan alle wettelijke vereisten voor de uitoefening van een bedrijf of zelfstandig beroep. Het beschikken over een btw-nummer maakt dat niet anders. Wie niet aan de wettelijke definitie van zelfstandige van de Tozo voldoet, en is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking kan bij een inkomen onder de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm eventueel een beroep doen op bijstand op grond van de Participatiewet.
Alleen als sprake is van «zeer dringende redenen» zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet, kan van de artikelen van de Participatiewet en eventueel van de Tozo worden afgeweken. Een zeer dringende redenen in de zin van artikel 16 van de Participatiewet is alleen aan de orde als vast staat dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze te verhelpen zijn. Een schrijnende situatie is hiervoor niet voldoende; het zal hierbij moeten gaan om een situatie die van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.
Bent u bekend met het feit dat er zich nu situaties voordoen waarbij al een voorschot door de gemeente is verstrekt, maar deze moet worden terugbetaald? En dat gemeenten hebben gewerkt met informatie van de website van de rijksoverheid, waar op dat moment stond «voldoet aan wettelijke vereisten voor de uitoefening van het eigen bedrijf, waaronder ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel; is vóór 17 maart 2020, 18.45 uur gestart met de onderneming en voldoet aan het urencriterium, d.w.z. minimaal 1.225 uur per jaar werkzaam in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep;» als twee losse eisen?
In de brieven van 17 maart2 en 27 maart3 2020 aan de Tweede Kamer zijn de kaders geschetst van de Tozo. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in zijn brief van 31 maart 20204 aan de Tweede Kamer aangegeven dat gemeenten op basis van die contouren al konden beginnen met het verwerken van de aanvragen. Ik ben bij de wettelijke vormgeving van de Tozo niet afgeweken van de eerder geschetste kaders. Een aantal gemeenten is op basis van die geschetste kaders voortvarend gestart met het verstrekken van voorschotten. Eigen aan het verstrekken van voorschotten is dat achteraf kan blijken dat in een aantal gevallen niet aan de wettelijke voorwaarden voor het recht op bijstand is voldaan, en dat het voorschot geheel of gedeeltelijk moet worden terugbetaald.
In de bijlage bij de genoemde brief van 27 maart 2020 is onder andere opgenomen:
«Zelfstandigen dienen te voldoen aan de volgende eisen:
Op de website van de rijksoverheid heeft gestaan:
«Meer specifiek gelden de volgende eisen:
Vanzelfsprekend zijn deze criteria cumulatief, zoals ook uit de gehanteerde formuleringen blijkt.
De verruimde vergunning voor garnalenvissers |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Garnalenvissers mogen veel meer vissen in Natura-2000-gebieden»?1
Ja.
Klopt het dat het aantal toegestane visuren voor de garnalenvisserij met de laatste vergunningsverruiming bijna is verdubbeld ten opzichte van de oorspronkelijke 130.000 visuren?
Nee, dat is niet juist. In de vergunning ten tijde van de bezwaarprocedure waren in totaal 187.250 visuren toegestaan. Na de herberekeningen vanuit WMR is het nu geldende maximale aantal 246.366 visuren.
In totaal waren in de primaire vergunning destijds 129.820 visuren vergund.
Ter verheldering op dit ingewikkelde proces wil ik graag een toelichting geven. De wijzigingen zijn doorgevoerd via losse wijzigingsbesluiten, de integrale vergunning, zoals die ook online raadpleegbaar is, is hierop niet aangepast. Het werken met losse wijzigingsbesluiten is overigens een reguliere werkwijze binnen de vergunningverlening en die wijzigingsbesluiten zijn ook destijds voor een ieder direct online raadpleegbaar gemaakt.
Het jaar 2015 is bij de vergunningverlening van destijds als ijkjaar aangehouden. De omvang van visserij in dat jaar is ten tijde van de vergunningverlening en op basis van de passende beoordeling als ecologisch verantwoord aangemerkt. Die omvang blijkt, na berekening door WMR, groter dan eerder door de NVWA was vastgesteld.
De herberekening van WMR geeft nu een accurater beeld van de daadwerkelijke visserij in dat specifieke jaar. In de daadwerkelijke beïnvloeding van de visserij op de natuur verandert met deze wijziging dus niets. Op de nu vastgestelde visserij-omvang had de sector feitelijk al recht, maar omdat de berekeningen van de in 2015 gerealiseerde visuren niet juist bleken, is dit nu gecorrigeerd met de beslissingen op bezwaar.
Deelt u de mening dat de ecologische impact van de garnalenvisserij in een zeer belangrijke mate wordt bepaald door het totaal aantal visuren en de snelheid waarmee gevist wordt?
Het totaal aantal visuren is inderdaad een van de factoren die bepalend is voor de ecologische impact van de garnalenvisserij. Daarom is het maximale aantal visuren ook formeel vastgelegd in de vergunningverlening.
De snelheid van vissen is een redelijk vast gegeven en verschilt per visregio; in de zuidelijke Natura 2000-gebieden wordt op een hogere snelheid gevist dan in de noordelijke Natura 2000-gebieden. De aan de passende beoordeling ten grondslag gelegde wetenschappelijke onderzoeksrapportages zijn mede gebaseerd op feitelijk veldonderzoek die de specifieke visserijpraktijk, en daarmee ook de specifieke reguliere vissnelheden, onderzocht hebben op hun ecologisch effect. Op basis van de diverse effectanalyses is vanuit mijn ministerie geconcludeerd dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden.
Klopt het dat de negatieve ecologische effecten op Natura 2000-gebieden ondanks de natuurconvenanten Viswad en Vibeg en de daarin opgenomen doelstellingen, waaronder een halvering van de visserij-impact, de laatste jaren juist is toegenomen?
Uit beschikbare objectieve en wetenschappelijke informatie kan worden vastgesteld dat er geen sprake is van negatieve ecologische effecten die destijds tot weigering van de aangevraagde vergunning hadden moeten leiden of nu aanleiding zouden moeten zijn tot ingrijpen in de verleende vergunningen.
De beoogde vermindering van de visserij-impact is een bestuurlijke afspraak en moet door de garnalensector zelf geïmplementeerd en geoperationaliseerd worden. Bijvoorbeeld door minder visuren of minder visgebied aan te vragen dan voorheen.
Klopt het dat bij in het verleden afgegeven vergunningen de daaraan ten grondslag liggende passende beoordelingstoets uitging van een vissnelheid van 3,5 knopen? Zo ja, deelt u de mening dat het uitgangspunt van de vergunning niet meer valide is in deze nieuwe situatie met hoge vissnelheden en een hogere impact?
Bij de keuze voor het gebruiken van de parameter «visuren» is vanuit mijn ministerie uitgegaan van de in de passende beoordeling vastgelegde algemene ecologische effectanalyse. Vanuit die optiek bevatte die passende beoordeling de effectanalyse voor de garnalenvisserij in haar daadwerkelijke en feitelijke omvang in het jaar 2015.
Met de keuze voor de gerealiseerde visuren in het ijkjaar 2015 is daarmee dus in de op die basis afgegeven vergunningen, een ecologisch oordeel uitgesproken over de toelaatbaarheid van deze visserij in de vorm waarin zij in 2015 werd uitgevoerd. Die omvang van vissen in dat jaar is initieel op een te lage vissnelheid ingeschat. Per besluit van 21 december 2018 is dit gecorrigeerd. Er wordt in de zuidelijke Natura 2000-gebieden namelijk op hogere snelheid gevist vergeleken met de noordelijke Natura 2000-gebieden. De initiële berekening door NVWA ging enkel uit van de «noordelijke» vissnelheid; zij heeft dat dus ter inhoudelijke onderbouwing van het voorgenoemd besluit van 21 december 2018 gecorrigeerd voor de hogere «zuidelijke» vissnelheden. Dat heeft dan ook geleid tot een hoger aantal aan vergunde visuren (187.250 visuren). WMR heeft vervolgens op dezelfde basis haar berekeningen uitgevoerd, maar met correctie voor de bij de NVWA geconstateerde omissies in de software.
De feitelijke situatie in 2015 is dus eerst ten onrechte te beperkt «vastgelegd» in de vergunning; dit is later gecorrigeerd. Dat doet echter niets af aan de inhoudelijke beoordeling van de aangeleverde passende beoordeling en de mate waarin zij representatief is voor de visserij-omvang in 2015.
Heeft u een nieuwe passende beoordelingstoets laten uitvoeren om de effecten van de vergunningsverruiming op de ecologie in het Natura 2000-gebied te toetsen? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Nee. Er is dan ook geen sprake van een feitelijke verruiming van de vergunning. Ik verwijs op dit punt naar hetgeen ik hierover in de Kamerbrief meld.
Deelt u de mening dat, aangezien het uitgangspunt dat ten grondslag lag aan de eerdere beoordelingstoets niet meer valide is en een verruiming een potentieel grotere invloed heeft op de ecologie, een nieuwe beoordelingstoets zou moeten worden uitgevoerd?
Nee, ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op de vragen 5 en 6.
Kunt u toelichten in hoeverre u belanghebbende natuurorganisaties heeft betrokken in uw besluitvorming rondom de vergunningsverruiming? Indien deze niet voldoende betrokken waren, welke stappen bent u voornemens te nemen om hen alsnog te betrekken?
Via de diverse bestuurlijke overlegkaders zijn de betrokken natuurorganisaties meegenomen in het proces van de herberekeningen en de uitkomsten daarvan. Ten behoeve van een zo volledig mogelijke geïnformeerdheid is er vanuit mijn ministerie al eerder met deze organisaties de afspraak gemaakt hierover hen in een technische briefing in meer detail mee te nemen. Met hen is afgesproken daarmee te wachten tot het moment van afgifte van de beslissingen op bezwaar. Deze technische briefing heeft op 2 juni 2020 plaatsgevonden.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het afleggen van examens in het buitenland. |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Wereldschool die leerlingen in het buitenland ondersteunt bij het doen van Nederlandse examens?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel leerlingen zich bij DUO hebben ingeschreven voor het doen van staatsexamen dit schooljaar?
Er hebben zich in totaal 8.696 kandidaten ingeschreven. Hiervan zijn er 4.282 individuele kandidaten en zijn er 4.414 kandidaten uit het voortgezet speciaal onderwijs.
Wat zijn de gevolgen voor deze leerlingen nu het centraal schriftelijk examen, een van de verplichte onderdelen van het staatsexamen naast het college-examen, vanwege COVID-19 dit schooljaar niet doorgaat?
Vanwege het vervallen van het centraal schriftelijk examen in dit schooljaar bestaat het staatsexamen alleen uit het college-examen. Dit college-examen bestaat uit mondelinge of praktische examens, voor een aantal vakken aangevuld met een schriftelijk college-examen. Deze examens worden in Europees Nederland afgenomen, met uitzondering van de college-examens die normaliter op de staatsexamenlocatie Bonaire worden afgenomen.
Hoe verhoudt de eis van de mondelinge afname van het college-examen in Nederland zich met de huidige reisbeperkingen tussen landen in de wereld, zowel in Europa als wereldwijd? In hoeverre is het realistisch dat leerlingen in juli of augustus de mogelijkheid hebben om vanuit hun land van verblijf te reizen naar Nederland? Wilt u daarbij het feit meenemen dat sommige werkgevers van ouders strikte reisbeperkingen hebben opgelegd aan hun personeel waardoor het de facto ook heel lastig is voor gezinsleden om te reizen?
Het coronavirus heeft een grote impact in zowel Europa als daarbuiten, waaronder op reisbewegingen. Dat brengt onzekerheid met zich mee over de vraag of het mogelijk is om op tijd in Nederland of Bonaire te zijn om staatsexamens af te leggen. Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is zich hier goed van bewust en houdt hier rekening mee. Voor de groep staatsexamenkandidaten die zich in het buitenland bevindt en niet op korte termijn naar Nederland kan komen, geldt in eerste instantie dat zij uitstel kunnen aanvragen en later met hun examens kunnen starten. De afnameperiode van het staatsexamen beslaat een aantal maanden en er kan gebruik gemaakt worden van de tijd die er is. In een deel van de gevallen zal dit voldoende ruimte geven om alsnog af te kunnen reizen en aan het examen deel te nemen. In die gevallen waar voortdurende en zware reisrestricties of de slechte gezondheid van een staatsexamenkandidaat de reis naar Nederland belemmeren, gaat het CvTE op zoek naar een passende oplossing om de examinering door te laten gaan.
Voor de groep staatsexamenkandidaten die examens af zouden leggen op de staatsexamenlocatie Bonaire heeft het CvTE besloten om vanwege de omstandigheden, waaronder de aanhoudende onzekerheid over de hervatting van het vliegverkeer in het Caribisch gebied, de fysieke examenafname te vervangen door digitale afnames. Dit is een noodmaatregel die wordt genomen omdat het CvTE op dit moment geen andere manier ziet om deze groep het staatsexamen af te laten leggen, ook al is dit geen ideale oplossing. Deze vervangende manier van examineren zal het nodige vragen van staatsexamenkandidaten en van examinatoren. Het CvTE heeft daarom een beroep gedaan op scholen op de afzonderlijke eilanden om hierbij ondersteuning te verlenen. Die hebben aangegeven hiertoe bereid te zijn. In de komende maand wordt er samengewerkt aan het voorbereiden van deze afnames.
Onder welke voorwaarden is het mogelijk om het examen op een Nederlandse ambassade af te leggen, zoals op de website van de Wereldschool wordt aangegeven?
Het organiseren van examenafnames op Nederlandse ambassades is geen taak van de Nederlandse overheid. Het staatsexamen wordt in Europees Nederland of Bonaire afgenomen. In uitzonderlijke gevallen kan het CvTE toestaan dat een (deel van het) staatsexamen in het buitenland wordt afgenomen, bijvoorbeeld via een digitale afname. De beoordeling hiervan ligt bij het CvTE. Zoals ik aangeef in het antwoord op vraag 4 gaat het CvTE op zoek naar een passende oplossing om de examinering door te laten gaan in de gevallen waar het staatsexamenkandidaten niet lukt om op tijd op een staatsexamenlocatie te geraken.
Bent u bereid om voor alle kinderen die dit schooljaar examen doen in het buitenland mogelijk te maken dat zij het college-examen kunnen afleggen op de Nederlandse ambassade in hun land van verblijf of een andere mogelijkheid indien reizen naar de ambassade niet mogelijk is, waarbij uiteraard bepaalde waarborgen ten aanzien van omgang met de examens in acht genomen moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit wordt niet generiek mogelijk gemaakt voor alle staatsexamenkandidaten die zich in het buitenland bevinden. Zie ook mijn antwoord op vragen 4 en 5.
Bent u bereid deze vragen op de kortst mogelijke termijn te beantwoorden?
Ja.
De onderzoeksresultaten van het Trimbos-instituut over psychische hulp tijdens coronacrisis |
|
Antje Diertens (D66) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Driekwart leden panel Psychisch Gezien heeft geen face to face contact met hulpverlener» van het Trimbos-instituut?1
Ja.
Hoe duidt u deze berichtgeving?
Mensen die zorg behoeven, ongeacht of dat medisch specialistische zorg, geboortezorg of ggz-zorg betreft, hebben in de afgelopen maanden vanwege de virusdreiging te maken gekregen met zorg die aangepast is in verband met de coronamaatregelen. De betrokken uitvraag van de peiling vond plaats tussen 16–27 april jl. De zorgverlening was, mede in het licht van hetgeen door het RIVM is gecommuniceerd, in eerste instantie gericht op het verlenen van de zorg op afstand en waar nodig face-to-face. Voorop stond en staat dat patiënten de behandeling krijgen die zij nodig hebben, ook in deze lastige omstandigheden.
De betrokken richtlijn is sinds eind april aangescherpt, inmiddels is versie 5.0 beschikbaar die verdere stappen bevat. Door de ggz-aanbieders wordt sinds afgelopen maand hard gewerkt aan ruimere herstart van face-to-face, met in achtneming van de 1m50 en de hygiënemaatregelen.
Ik houd vinger aan de pols of dit op gang komt en op welke wijze dit proces op een veilige en verantwoorde manier versneld kan worden mocht dat nodig zijn. VWS en de IGJ voeren hierover periodiek overleg met de betrokken organisaties waarbij ook de cliënten via MIND betrokken zijn. Ook de IGJ heeft aandacht voor dit onderwerp en neemt het herstarten van de reguliere (face-to-face) behandeling voorlopig mee in haar wekelijkse belronde met ggz-aanbieders. De inspectie informeert mij en de verschillende veldpartijen wekelijks over de uitkomsten.
Hoe kunt u verklaren dat slechts een kwart van de mensen met ernstige psychische aandoeningen daadwerkelijk face-to-face contact had met een hulpverlener, aangezien in de richtlijnen van 3 april 2020 al wordt aangeven dat een behandeling face-to-face moet plaatsvinden waar dat kan en u in uw brief van 1 mei 2020 ter beantwoording van vragen in een schriftelijk overleg aangeeft dat «een face-to-face behandeling voorop staat»?2 3
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen gaat u ondernemen richting de zorgaanbieders en zorgverzekeraars naar aanleiding van dit onderzoek?
Zie antwoord vraag 2.
Is met behulp van (declaratie)data van zorgverzekeraars te bevestigen dat men gemiddeld ook minder hulp krijgt dan voorheen, zoals uit de onderzoeksresultaten blijkt?
Voorop staat dat veel behandelingen in de ggz doorgang hebben gevonden, al dan niet met een korte tussenstop of in een andere (bijvoorbeeld) digitale vorm.
Het is op basis van (declaratie)data van zorgverzekeraars niet te zeggen of individuele patiënten tijdens de corona-crisis minder behandelminuten hebben gekregen/krijgen. Dit vanwege het feit dat dbc’s pas na afloop van de behandeling of na een looptijd van maximaal een jaar worden gedeclareerd en aan de gedeclareerde dbc niet te zien is in welke periode welke behandelminuten geleverd zijn.
De richtlijn ggz en corona roept in elk geval op behandelingen zoveel mogelijk te laten doorgaan en patiënten de zorg te geven die ze nodig hebben.
Uit de eerste NZa-monitor over de stand van de reguliere zorg in de ggz, die op 20 mei jl. is gepubliceerd, blijkt dat het aantal verwijzingen door de huisarts naar de ggz sterk was teruggelopen. Mensen hebben minder vaak de huisarts bezocht. We hebben als kabinet mensen meermaals opgeroepen gewoon contact op te nemen met de huisarts bij gezondheidsklachten. Inmiddels loopt het aantal verwijzingen weer op.
Hoe kunt u, indien er ook minder hulp of ggz wordt verleend, dit verklaren omdat in deze tijd er juist een toename is van vraag naar geestelijke gezondheidszorg?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre is een afname van de capaciteit in de ggz een oorzaak van een afname in hulpverlening, ondanks dat zorgaanbieders de mogelijkheid krijgen van zorgverzekeraars om een continuïteitsbijdrage aan te vragen voor voldoende capaciteit van het zorgaanbod?
Zie antwoord vraag 5.
In welke mate zal een afname in hulpverlening van invloed zijn op de wachtlijsten in de specialistische ggz?
Veel behandelingen in de ggz hebben doorgang gevonden, al dan niet met een korte tussenstop of in een andere (bijvoorbeeld) digitale vorm.
Het is op basis van (declaratie)data van zorgverzekeraars niet te zeggen of individuele patiënten tijdens de corona-crisis minder behandelminuten hebben gekregen/krijgen. Het kabinet heeft de NZa gevraagd de opschaling van reguliere zorg te coördineren, waaronder de ggz. In het kader daarvan publiceert de NZa wekelijks een monitor met cijfers die hiervoor relevant zijn, waaronder de wachttijden. Op 20 mei jl. is de eerste versie van deze monitor gepubliceerd, met daarin ook de ontwikkeling van de landelijke wachttijdcijfers. De NZa heeft hiervoor gekeken naar cijfers die ggz-aanbieders de afgelopen periode hebben aangeleverd bij Vektis, tot en met de cijfers over de maand april 2020. Op basis van de cijfers signaleert de NZa in de periode januari tot en met maart 2020 een toename van de wachttijden. In april lijken de wachttijden licht te dalen.
De NZa geeft echter aan dat nog geen betrouwbare uitspraken kunnen worden gedaan over de impact van de corona-crisis op de wachttijden. De wachttijden worden namelijk deels retrospectief (terugkijkend op de twee voorgaande maanden) berekend. De verwachting van de NZa is dat de wachttijden in de ggz de komende maanden weer zullen oplopen, mede omdat een deel van de zorg die is weggevallen door achterblijvende verwijzingen door de huisarts, weer zal moeten worden ingehaald. De NZa verwacht dat het volgende peilmoment (medio juni) hierover meer duidelijkheid zal geven.
Welke stappen gaat u ondernemen om een afname in hulpverlening en de toename in vraag naar ggz dichter bij elkaar te krijgen?
GGZ Nederland, MeerGGZ, InEen en de LHV hebben op basis van eerdere signalen over teruglopende verwijzingen op 20 mei jl. een factsheet gepubliceerd over de samenwerking tussen huisartsen en ggz-behandelaren tijdens de corona-crisis. De factsheet biedt de betrokkenen handvatten om goede samenwerkingsafspraken te maken en verwijzingen naar de ggz weer goed op gang te brengen. De betreffende factsheet treft u als bijlage aan.4
De uitkomsten van de eerdergenoemde NZa-monitor is met ggz-partijen gedeeld en op basis daarvan wordt bepaald welke acties er verder nodig zijn om te zorgen dat de planbare zorg zo snel en goed mogelijk de omslag naar «het nieuwe normaal» kan maken. Daarvoor wordt de ggz-crisisstructuur gebruikt waarover ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd (Kamerstukken 25 424 en 25 295, nr. 526 en 25 424, nr. 530). Deze crisisstructuur wordt daarnaast nog steeds benut om samen met partijen knelpunten in de ggz naar aanleiding van de corona-crisis te signaleren en op te pakken.
Deze lastige tijd brengt veel onzekerheid met zich en dit kan zijn weerslag hebben op de mentale gezondheid in onze samenleving. Het is van groot belang dat mensen laagdrempelig betrouwbare informatie over goede hulp en steun weten te vinden. Met het oog hierop bundelt het Informatie en Verwijscentrum sinds 19 mei jl. alle beschikbare psychosociale hulp en steun voor het algemene publiek en zorgverleners (https://www.rivm.nl/ivccorona).
Kunt u deze vragen zo spoedig als mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat festivalorganisator Thuishaven steun van de overheid ontvangt, maar toch niet alle medewerkers doorbetaalt |
|
Bart van Kent |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de festivalorganisator Thuishaven uit Amsterdam overheidssteun ontvangt via de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW), maar desondanks toch niet al zijn medewerkers doorbetaalt?1
Het doel van de NOW-regeling is om werkgevers die te maken hebben met een daling in de omzet van ten minste 20%, in staat te stellen om zoveel mogelijk hun werknemers door te betalen. Hierbij wordt van de werkgever verwacht zoveel mogelijk werknemers in dienst te houden, dit kan echter niet altijd. Om te voorkomen dat in deze gevallen een werkgever subsidie ontvangt voor werknemers die reeds niet meer in dienst zijn, wordt de NOW-subsidie bij vaststelling verlaagd.
Indien bij vaststelling van de subsidie blijkt dat een werkgever een lagere loonsom heeft, wordt de subsidie ook evenredig lager vastgesteld. Dit heeft tot gevolg dat een werkgever de NOW-subsidie nooit zal ontvangen voor loonkosten die niet meer worden gemaakt. Voor elke euro aan loonkosten die een werkgever niet meer maakt t.o.v. januari daalt de gehele subsidie met 90 cent.
In de geschetste casus had de werkgever zelf kunnen opteren om zo veel mogelijk werknemers die in januari 2020 in dienst waren ook in de subsidiemaanden in dienst te houden. Het feit dat hier niet voor gekozen is zal leiden tot een aanzienlijke subsidieverlaging bij vaststelling.
Klopt de bewering van Thuishaven dat ondanks dat de overheidssteun gebaseerd is op de loonlijst van januari 2020, het geld niet ten minste hoeft te gaan naar de werknemers die in die maand op de loonlijst stonden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dat klopt. De werkgever heeft voor de verplichting gedurende het subsidietijdvak (in dit geval maart, april en mei) de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden aan de loonsom zoals die was in de referentiemaand januari. Als de loonsom in de subsidieperiode vervolgens daalt, dan zal dat ertoe leiden dat de uiteindelijke subsidie lager wordt vastgesteld. De verplichting gaat niet zo ver dat de werkgever deze subsidie uitsluitend mag gebruiken ter betaling van de lonen van die werknemers die in januari op de loonlijst stonden.
Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat de werkgever nieuwe werknemers heeft aangenomen voor werknemers in januari nog in dienst waren maar dat inmiddels niet meer zijn.
Klopt het dat Thuishaven zelf mag bepalen hoe de overheidssteun die het ontvangt via de NOW, wordt verdeeld over de diverse werknemers? Kan dit bijvoorbeeld betekenen dat al het geld gaat naar het betalen van (kantoor)personeel in vaste dienst ten koste van flexwerkers?
De NOW biedt ook een compensatie voor het doorbetalen van de lonen van werknemers met een flexibel contract waarvoor de werkgever geen wettelijke loondoorbetalingsverplichting heeft. De werkgever kan er dus voor kiezen om in die gevallen het loon onverplicht toch door te betalen. Dat neemt niet weg dat de subsidie waar de werkgever aanspraak op kan maken gemaximeerd is op januari 2020 (of indien de loonsom in de periode maart tot en met mei 2020 hoger is dan driemaal de loonsom van januari, is deze gemaximeerd op driemaal maart 2020). De werkgever zal afhankelijk van de hoogte van de subsidie die hij ontvangt, mogelijk alsnog genoodzaakt zijn keuzes te maken en derhalve het loon niet door te betalen als daar geen wettelijke verplichting toe bestaat. De werkgever heeft de verplichting de subsidie te besteden aan loonkosten. Deze wordt echter niet op naam uitgegeven.
Bent u bereid allereerst een moreel appèl te doen op Thuishaven dat het ook flexwerkers doorbetaalt met de overheidssteun die het ontvangt? Bent u vervolgens bereid om de situatie bij Thuishaven onder de loep te nemen om te kijken of alles volgens de regels verloopt?
Met de invoering van de NOW is een moreel appèl gedaan op werkgevers in het algemeen om daar waar mogelijk het loon van hun flexwerkers door te betalen. Voor iedere werkgever die NOW heeft aangevraagd en ontvangen geldt dat UWV de definitieve hoogte van de subsidie achteraf vaststelt, waarbij wordt beoordeeld of en hoe aan de voorwaarden van de NOW is voldaan.
Mag in het algemeen een bedrijf dat gebruik maakt van de NOW, zelf bepalen hoe het geld wordt verdeeld onder de diverse medewerkers? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten? Zo nee, loopt dit bedrijf dan het risico dit geld terug te moeten betalen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is het toegestaan dat bedrijven zelf besluiten het geld van de NOW vooral in te zetten voor het doorbetalen van werknemers in vaste dienst ten koste van de werknemers met contracten zonder een vast aantal uren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Waarom is voor de NOW uitgerekend gekozen voor de maand januari als uitgangspunt voor de aan te vragen overheidssteun? Is het bij het vervolg op deze regeling voor ondernemers ook mogelijk om een meer representatieve maand of periode te kiezen?
Er is gekozen voor de loonsom van januari 2020, omdat deze bij openstelling van de regeling de meest actuele maand was die kon worden vastgesteld in de polisadministratie. Daarbij was ook van belang dat de loonsom van een jaar geleden voor veel bedrijven geen goed beeld geeft als de personeelsomvang door krimp of groei substantieel is gewijzigd. Voor veel bedrijven zal dat het geval zijn.
Met de derde wijziging van de regeling is een alternatieve rekenmethode voor de subsidiehoogte opgenomen waardoor bedrijven die te maken hebben met een stijging van de loonsom in de maanden maart tot en met mei, deze mee kunnen nemen in de hoogte van de subsidie bij de vaststelling.
Zie ook het antwoord op vraag 1.
Erkent u dat indien bedrijven daadwerkelijk zelf mogen bepalen aan welke werknemers het geld van de NOW besteed wordt, dat werknemers zonder een vast aantal uren dan altijd de klos zijn? Wat is uw moreel appèl dan nog waard, als de NOW dit gedrag juist uitlokt?
De NOW-regeling stimuleert werkgevers om hun personeel in dienst te houden. De NOW is ook van toepassing op de loonkosten voor werknemers waarvoor de werkgever geen loondoorbetalingsplicht heeft. Denk bijvoorbeeld aan werknemers met een oproepcontract of een flexibel contract, mits zij in dienst blijven gedurende de aanvraagperiode. Werkgevers kunnen dus ook werknemers met flexibele contracten met behulp van de tegemoetkoming in de loonkosten in dienst houden. De hoogte van de subsidie wordt vastgesteld op basis van de loonsom in de referentiemaand januari, of via de alternatieve rekenmethode indien de loonsom van maart tot en met mei hoger is dan die van driemaal januari.
Het is inderdaad juist dat werkgevers zelf bepalen aan welke loonsommen ze de subsidie besteden. De werkgever heeft wel de verplichting de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden. De NOW is bedoeld om als compensatie voor het totaal van de lonen van de betreffende werkgever, die totale loonsom is niet gekoppeld aan individuele werknemers. Met de invoering van de NOW is een moreel appèl gedaan op werkgevers in het algemeen om daar waar mogelijk het loon van hun flexwerkers door te betalen. Er moet echter wel ruimte blijven voor een werkgever om in geval van bedrijfseconomische omstandigheden als gevolg van deze crisis keuzes te maken over de wijze waarop de onderneming wordt ingericht. Daar valt ook de keuze onder om werknemers waarvoor geen wettelijke loondoorbetalingsverplichting geldt, niet door te betalen. Dat kan in het belang zijn van het voortbestaan van de onderneming en behoud van werkgelegenheid in algemene zin op langere termijn. Zoals eerder aangegeven zal de beslissing van een werkgever om minder flexwerkers in dienst te houden nagenoeg altijd leiden tot een verlaging van het uiteindelijke subsidiebedrag.
De wenselijkheid van zelfonderzoek in fraudezaken |
|
Michiel van Nispen , Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten hoe de huidige beroeps- en gedragsregels voor advocaten bescherming bieden tegen onterechte verdachtmakingen van derden of het weglaten van bekende feiten in zelfonderzoeken naar fraude?
Zoals eerder aangegeven1 dienen advocaten die worden ingeschakeld voor zelfonderzoeken zich te houden aan de voor hen geldende beroeps- en gedragsregels, zoals neergelegd in de kernwaarden genoemd in artikel 10a van de Advocatenwet. Zo dienen advocaten bij het uitvoeren van het onderzoek voldoende onafhankelijkheid te betrachten ten opzichte van hun opdrachtgever. Tevens is de advocaat bij de uitoefening van zijn beroep partijdig bij de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt. In de Gedragsregels advocatuur 2018 over de onafhankelijkheid en partijdigheid is verder het volgende opgenomen: de advocaat vermijdt dat zijn onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep in gevaar zou kunnen komen; en het belang van de cliënt, geen enkel ander belang, bepaalt de wijze waarop de advocaat zijn zaken behandelt. Deze regels zijn te allen tijde van toepassing op de advocaat, dus ook bij zelfonderzoeken naar fraude door advocaten.
Hierbij merk ik op dat de advocaat uitsluitend instructies ontvangt van zijn cliënt, niet betekent dat hij zonder meer gehouden is om al hetgeen te doen dat hem door zijn cliënt wordt opgedragen. De advocaat behoort zich, gelet op het vereiste van onafhankelijkheid, niet met zijn cliënt te vereenzelvigen. Een partijdige belangenbehartiging brengt bovendien niet mee dat de advocaat bewust onwaarheden zou mogen spreken of in strijd met een goede procesorde of rechtsbedeling zou mogen handelen. Belangenbehartiging van cliënten mag alleen met rechtmatige middelen worden nagestreefd. De advocaat behoudt zijn eigen verantwoordelijkheden ten aanzien van het handelen overeenkomstig de wet en het recht. Wat partijdigheid concreet inhoudt, betreft een professionele inschatting van de advocaat. Bij de behartiging van belangen van een cliënt komt een advocaat een grote mate van vrijheid toe.
De naleving van deze regels wordt geborgd door het voor de beroepsgroep geldende tuchtrecht. Het handelen van een advocaat kan derhalve worden getoetst door de tuchtrechter.
Kunt u toelichten hoe de verplichte partijdigheid van advocaten te verenigen is met objectief onderzoek?
Bij zelfonderzoeken door advocaten selecteert en beoordeelt de advocaat de juridisch relevante feiten teneinde de cliënt te adviseren over diens juridische positie en hem bij te staan in lopende of toekomstige procedures en/of optreden door autoriteiten. Dit zelfonderzoek doet de advocaat vanuit zijn onafhankelijke en partijdige rol overeenkomstig de kernwaarden. Onpartijdig optreden is niet verenigbaar met de kernwaarden van artikel 10a van de Advocatenwet en de Gedragsregels advocatuur 2018, zoals in antwoord op de vorige vraag nader uiteen is gezet. Het Openbaar Ministerie (OM) en de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) dienen zich dan ook goed te vergewissen van deze onafhankelijke en partijdige rol wanneer advocaten zelfonderzoek verrichten.
Onderkent u het risico op perverse financiële prikkels bij betaald fraudeonderzoek in opdracht van de verdachte partij, aangezien grondiger onderzoek of een objectiever geschetst beeld kan leiden tot negatieve gevolgen voor de opdrachtgever?
Een eventueel risico op perserve financiële prikkels wordt naar mijn mening in voldoende mate gemitigeerd door het feit dat advocaten zijn gehouden aan de voor hen geldende beroeps- en gedragsregels en het tuchtrecht, zoals in antwoord op vraag 1 is aangegeven. Bovendien zullen resultaten van een zelfonderzoek alleen worden aanvaard, indien sprake is van een lopend strafrechtelijk onderzoek waarin door het OM met de verdediging is afgesproken dat zelfonderzoek plaats kan vinden en wat de aard en omvang van zo’n onderzoek zal moeten zijn. Voorts controleert de FIOD de door de verdachten aangeleverde onderzoeksresultaten altijd op voldoende diepgang, volledigheid en juistheid, hetgeen vervolgens ook door het OM wordt geverifieerd. Daarnaast is en blijft het OM verantwoordelijk voor een strafrechtelijk onderzoek en beslist over het inzetten van strafvorderlijke bevoegdheden en over de vervolging.
Heeft u zicht op de grootte van de markt voor zelfonderzoek bij fraude? Zo ja, hoeveel wordt jaarlijks verdiend in de juridische sector aan zelfonderzoek in fraudezaken? Zo nee, hoe waarborgt u de onafhankelijkheid van advocaten en objectief onderzoek zonder te weten in hoeverre advocatenkantoren afhankelijk zijn van onderzoeksopdrachten?
Nee, ik heb geen zicht op de grootte van de markt voor zelfonderzoek bij fraude.
Het waarborgen van de onafhankelijkheid van advocaten en een objectief onderzoek wordt mijns inziens voldoende gewaarborgd, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat de advocatuur gebaat is bij specifieke gedragsregels om de spanning tussen de verplichte partijdigheid van advocaten en de gewenste objectiviteit in zelfonderzoek bij fraudezaken het hoofd te bieden?
Nee, die mening deel ik niet. De geldende beroeps- en gedragsregels en het tuchtrecht bieden naar mijn mening voldoende mogelijkheden om een mogelijke spanning tussen partijdigheid en onafhankelijkheid het hoofd te kunnen bieden.
Is het waar dat advocaten, in tegenstelling tot accountants, op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) geen vergunningsplicht dragen voor het verrichten van zelfonderzoek bij fraudezaken? Zo ja, acht u dit verschil wenselijk?
Het is juist dat advocaten niet vallen onder de vergunningsplicht voor zelfonderzoek, zoals neergelegd in de Wpbr. Dit is ook niet onwenselijk, aangezien de geldende beroeps- en gedragsregels voor advocaten en het tuchtrecht voorzien in voldoende waarborgen waardoor advocaten ontheven kunnen worden van die vergunningsplicht.
Waarom wordt er expliciet aangestuurd op zelfonderzoek door advocaten, gezien het feit dat de beroepsregels van (forensisch) accounts expliciet aansturen op objectiviteit?
Het OM heeft te kennen gegeven in de toekomst open te staan voor zelfonderzoek door professionals, waaronder advocaten of (forensisch) accountants, die door verdachte bedrijven zelf zijn ingehuurd. Daarbij worden de voorwaarden, zoals genoemd in antwoord op vraag 3, te allen tijde door het OM in acht te worden genomen. Er wordt niet louter aangestuurd op zelfonderzoek door advocaten.
Kunt u aangeven wat de «goede werkafspraken» tussen de FIOD en het OM over de verantwoording van de evaluatie van zelfonderzoek in fraudezaken inhouden, waarnaar u refereert in uw antwoorden op schriftelijke vragen van 8 april jongstleden?1
Het betreft reguliere werkafspraken die zijn gemaakt tussen het OM en de FIOD, dat vanuit de opsporing wordt gestuurd op de voorwaarden voor zelfonderzoek en dat het OM in staat wordt gesteld een eigen toets aan te brengen. Daarom worden ook alleen de resultaten van een zelfonderzoek aanvaard indien de meldende c.q. verdachte partij daarover vooraf concrete afspraken met het OM heeft gemaakt, zie ook het antwoord op vraag 3. Verder zal de FIOD nagaan of het zelfonderzoek op voldoende diepgaande, volledige en juiste wijze is uitgevoerd, waarbij zij ook toegang moeten kunnen hebben tot de onderliggende stukken. Zo nodig doet de FIOD aanvullend onderzoek. Ten slotte zal het OM beoordelen of de uitkomsten van het zelfonderzoek en de validatie daarvan door de FIOD voldoende grondslag bieden voor een vervolgingsbeslissing in de casus.
Waaruit blijkt dat in de Verenigde Staten van Amerika «heel goede ervaringen zijn opgedaan» met zelfonderzoek bij fraude, zoals u beweert in de antwoorden op mondelinge vragen 4 juni 2019?2
Mijn antwoord is gebaseerd op ervaringen van het OM, zoals ook aangegeven in het krantenbericht van het Financieele Dagblad van 4 juni 2019. Het OM heeft gemeld dat de Nederlandse autoriteiten door hun samenwerking met de Amerikaanse autoriteiten, onder andere in de Vimpelcom-zaak en de Telia Company-zaak, ervaring hebben opgedaan met deze wijze van samenwerken met de advocatuur.
In hoeverre zijn de voorbeelden uit de Verenigde Staten van Amerika representatief voor het Nederlandse rechtssysteem, gezien het feit dat in de Verenigde Staten van Amerika specifieke richtlijnen bestaan voor strafvermindering bij zelfmelding en medewerking in fraudezaken en daardoor de stimulans hiertoe groter is?
Dat in Verenigde Staten van Amerika specifieke richtlijnen bestaan voor strafvermindering bij zelfmelding en medewerking in fraudezaken maakt niet dat het voorbeeld geen representatieve waarde heeft. Indien een verdachte meewerkt in een strafproces is dat een omstandigheid die ook in de huidige situatie door het Nederlandse OM in de regel positief wordt meegewogen bij het bepalen van de strafeis. Die afweging kan ook plaatsvinden bij een zelfstandig onderzoek zolang het onderzoek voldoende diepgang heeft en juist en volledig is. Verder heeft het OM aangegeven te zullen onderzoeken of het mogelijk is om meer duidelijkheid te gaan geven aan een verdachte voor wat betreft de vraag hoe meewerken en zelfmelden concreet wordt meegewogen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Dat heb ik bij deze gedaan.
Het voorgenomen uitstel van nieuwe btw-regels voor e-commerce van de Europese Commissie |
|
Wybren van Haga (Lid-Haga) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het voornemen van de Europese Commissie om de invoering van nieuwe btw-regels voor e-commerce met zes maanden uit te stellen?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat dit uitstel ook uitstel betekent voor het heffen van btw op Chinese pakketjes?
Ja, dit leidt ertoe dat ook de btw-heffing wordt uitgesteld over pakketjes met een waarde van niet meer dan € 22 uit landen van buiten de Europese Unie die rechtstreeks naar consumenten worden gezonden.
Bent u het ermee eens dat deze gederfde btw-inkomsten zeer onwenselijk zijn, juist in deze tijd waarbij de staatsschuld oploopt?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het niet-heffen van btw op pakketjes onder de € 22,– zorgt voor een blijvend oneerlijk speelveld tussen Nederlandse (web)winkels en Chinese webwinkels zoals Alibaba?
Op basis van het zogenoemd «btw e-commerce pakket» wordt de btw heffing op grensoverschrijdende internetverkopen van goederen en diensten aan consumenten gemoderniseerd en vereenvoudigd. Deze handel is de afgelopen jaren zeer fors toegenomen. Dit heeft ertoe geleid dat de btw-regels aangepast moeten worden. Uitgangspunten hierbij zijn onder meer dat de btw wordt geheven in het land van bestemming en er gelijke concurrentievoorwaarden gelden voor bedrijven binnen en buiten de EU. Voor de handel van buiten de EU zal de heffing in veel gevallen verschuldigd zijn door de platforms die betrokken zijn bij de verkoop.
Op dit moment geldt er in Nederland een btw-vrijstelling bij de invoer van goederen met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 22 voor consumenten in de EU. Deze -al tientallen jaren bestaande- vrijstelling komt omwille van het gelijke speelveld tussen non-EU en EU-ondernemers te vervallen. Om te voorkomen dat consumenten separaat de btw moeten afrekenen voor iedere zending die in Nederland wordt ingevoerd, veelal via de postbezorger, wordt er voorzien in een nieuw aangiftesysteem voor de leveranciers, het zogenoemde éénloketsysteem. Voor de afdracht van de btw in alle lidstaten waar zijn klanten zitten, kan de ondernemer zich dan registreren en aangifte doen in één lidstaat. Deze lidstaat zorgt er vervolgens voor dat de btw wordt doorgeleid naar de belastingdiensten van de andere betrokken lidstaten.
Hiernaast wordt eenzelfde systeem opgezet voor de levering van goederen en diensten binnen de EU. Implementatie van het omvangrijke pakket aan maatregelen en het op elkaar aansluiten van deze éénloketsystemen in alle lidstaten vergt veel van de IT systemen van de belastingdiensten. Diverse lidstaten, waaronder ook Nederland, hebben aangegeven niet op tijd klaar te zijn om inwerkingtreding per 1-1-2021 te kunnen garanderen. Ook van ondernemers wordt veel gevraagd met de implementatie van de nieuwe regels. De Corona crisis zet de tijdige implementatie alleen maar verder onder druk.
De Belastingdienst onderzoekt op dit moment op welke manier en per welke datum het e-commerce pakket kan worden geïmplementeerd (inclusief bijbehorende IT-systemen). Dit onderzoek is voor de zomer gereed. We zullen uw Kamer hier daarna zo snel mogelijk over informeren. Iedere vorm van uitstel zorgt voor een tijdelijk langer ongelijk speelveld tussen ondernemers buiten en binnen de EU. Voor de Belastingdienst, Douane, ondernemers en consumenten is het echter essentieel dat het nieuwe systeem goed wordt voorbereid en zoveel mogelijk gelijktijdig met de andere lidstaten wordt geïmplementeerd. Uiteraard streven alle lidstaten ernaar om het systeem zo snel mogelijk te laten functioneren.
Bent u bereid om dit namens Nederland ter discussie te stellen?
Zoals reeds aangegeven is Nederland één van de landen die 1 januari 2021 niet gereed is om het e-commercepakket naar behoren te laten functioneren. Daar komt bij dat sommige Nederlandse ondernemers ook hebben aangegeven meer voorbereidingstijd nodig te hebben. Nederland is dan ook om die redenen gebaat bij het voorgestelde uitstel.
Ziet u mogelijkheden om de btw op Chinese pakketjes zoals gepland in te voeren per 1 januari 2021, ook bij een generiek uitstel van de nieuwe btw-regels voor e-commerce? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Nederland ziet geen mogelijkheden om de btw-vrijstelling per 1 januari 2021 af te schaffen. Het IT-systeem van de Belastingdienst is per die datum niet gereed om de forse toename aan btw-aangiftes te kunnen verwerken. Voor een goede werking van de interne markt is vereist dat alle lidstaten de nieuwe EU-wetgeving tegelijkertijd invoeren.
Kunt u toelichten hoe u dit oneerlijke speelveld wilt rechttrekken als het voorstel voor de nieuwe btw-regels wordt uitgesteld?
De eerder genoemde € 22 vrijstelling bestaat al tientallen jaren en is slechts een onderdeel van een meer omvattend pakket aan maatregelen. Door met name de toename van e-commerce hebben de lidstaten besloten dat er een einde moet komen aan het ongelijke speelveld tussen ondernemers buiten de EU en binnen de EU. De implementatie van het omvangrijke wetgevingspakket vergt echter een forse aanpassing van de IT-systemen van de Belastingdiensten en de ondernemers. Mede vanwege de corona is nader uitstel voor een EU-brede implementatie nodig. Tussentijdse maatregelen op een enkel onderdeel van het totale pakket liggen niet in de rede.
Bent u bereid bovenstaande vragen afzonderlijk en voor de eerstvolgende Europese top waar dit onderwerp wordt besproken te beantwoorden?
Het is ons op dit moment niet bekend of en zo ja, wanneer dit dossier op een Europese top wordt besproken. De verwachting is wel dat de Ecofin Raad hier voor de zomer overeenstemming over bereikt.Dit zal waarschijnlijk via een zogenoemde schriftelijke procedure plaatsvinden.
Het bericht dat China het oog laat vallen op (verzwakte) Nederlandse bedrijven |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «China laat oog op (verzwakte) Nederlandse bedrijven vallen»?1
Ja.
Herkent u de signalen dat China grote interesse lijkt te hebben om Nederlandse bedrijven in de maritieme industrie over te nemen, mede in het kader van de «Made in China 2025» strategie?
Het kabinet is bekend met de «Made in China 2025»-strategie en de Chinese ambitie op het gebied van de maritieme maakindustrie. Het beeld dat dit leidt tot een toename in overnames van Nederlandse bedrijven, wordt niet herkend.
Klopt het dat deze strategie mede mogelijk gemaakt wordt door staatssteun van de Chinese overheid en wat heeft dit voor gevolgen voor de concurrentiepositie van de Nederlandse (en Europese) maritieme industrie?
De mondiale scheepsbouw kent een lange traditie van scherpe internationale concurrentie waarbij een directe overheidsbetrokkenheid geen uitzondering is. De Nederlandse maritieme maakindustrie heeft door een strategie gericht op de ontwikkeling en productie van hoogwaardige innovatieve schepen een onderscheidende positie weten op te bouwen. Dat neemt niet weg dat het kabinet zich in internationaal en Europees verband hard maakt voor een gelijk speelveld voor het Nederlandse bedrijfsleven, inclusief de maritieme maakindustrie. Onderdeel hiervan is de kabinetsinzet voor het realiseren van een gelijk speelveld op de Europese interne markt voor alle ondernemingen (level playing field instrument) (Kamerstuk 21 501-30, nr. 470).
Hoe waarborgt u de concurrentiepositie van de Nederlandse maritieme industrie, zeker nu deze door de gevolgen van de coronacrisis lijkt te verzwakken, en bent u hierover in overleg met de sector?
De concurrentiepositie van de Nederlandse maritieme maakindustrie is vanwege de sterke internationale oriëntatie van deze industrie een terugkerend agendapunt in mijn gesprekken met vertegenwoordigers van de bedrijven en de brancheorganisaties in deze sector. Met de Topsector Water & Maritiem en diverse specifieke instrumenten wordt het innovatievermogen, duurzame ontwikkeling en de toegang tot financiering versterkt. Tegelijkertijd is het Nederlandse marinebouwcluster, als onderdeel van de maritieme sector, van groot strategisch belang voor Nederland. Zoals beschreven in de Defensie Industrie Strategie uit 2018 (Kamerstuk 34 225, nr. 23) is het vanuit strategisch belang wenselijk een zelfscheppend marinebouwcluster te behouden, beschermen en versterken.
Bent u van mening dat het onwenselijk is voor de Nederlandse economie als China maritieme bedrijven overneemt, die door de coronacrisis verzwakt zijn?
Het kabinet is van mening dat directe buitenlandse investeringen bijdragen aan ons innovatievermogen, onze werkgelegenheid en onze concurrentiekracht. Dit geldt ook voor overnames en investeringen in de Nederlandse maritieme maakindustrie en in tijden van economische tegenwind. Ook in deze tijden is het wenselijk dat kapitaal in eerste aanleg door marktpartijen wordt verschaft; dat leidt eveneens tot minder noodzaak tot financiële ondersteuning door de overheid. Niettemin, wanneer overnames en investeringen binnen de maritieme sector tot risico’s voor de nationale veiligheid leiden, is het wenselijk dat de overheid in kan grijpen. In beginsel zal hierbij gezocht worden naar oplossingen vanuit de markt. Tegelijkertijd moet ook hier benadrukt worden dat het kabinet zich inzet voor het verbeteren van een gelijk speelveld zodat er geen sprake is van oneigenlijke voordelen voor ondernemingen van buiten Europa.
Erkent u dat de huidige coronacrisis (familie)bedrijven in de maritieme industrie, maar ook in andere sectoren, kwetsbaar maakt door bijvoorbeeld vraaguitval en dat deze bedrijven daarom een makkelijke prooi worden voor overnemende partijen, zoals investeerders uit China?
Zonder twijfel hebben bedrijven in sommige branches, vooral die direct lijden onder de noodzakelijke coronamaatregelen, hun marktwaarde zien dalen. Het kabinet heeft echter vooralsnog geen signalen ontvangen van ongewenste overnames of investeringen in de maritieme industrie of in andere sectoren als gevolg van de coronacrisis. Vanwege de economische situatie is het mogelijk dat ondernemingen goedkoper worden overgenomen. Tegelijkertijd biedt dat ook kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven. Daar staat tegenover dat potentiele ondernemende partijen ook hun buffers hebben moeten aanspreken en daarmee een kleinere oorlogskas hebben. Wat per saldo het effect is, is moeilijk te zeggen. Vooralsnog is geen sprake van een overnamegolf, ook niet binnen de maritieme industrie.
Kunt u ingaan op de zorgen die leven in de maritieme industrie omtrent de risico’s op overnames? Hoe gaat u aan deze zorgen tegemoetkomen?
Het kabinet heeft begrip voor de zorgen die leven binnen de Nederlandse maritieme maakindustrie ten aanzien van het risico’s op overnames. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat staat in nauw contact met de grote ondernemingen, de familiebedrijven en brancheorganisaties om voortdurend op te hoogte te blijven van ontwikkelingen in de sector. We doen dit proactief, zodat signalen van ongewenste overnames of investeringen tijdig worden opgepakt.
Kunt u aangeven welke mogelijke oplossingen en instrumenten er zijn en/of worden genomen om de door de coronacrisis verzwakte maritieme industrie te beschermen tegen onwenselijke overnames bijvoorbeeld vanuit China? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen de nationale en de Europese inzet?
Het Nederlandse ondernemingsrecht kent een aantal reguliere beschermingsmaatregelen waarmee ondernemingen zichzelf kunnen beschermen tegen vijandige overnames, waaronder blokkeringsmaatregelen en – indien het een beursgenoteerde onderneming betreft – het uitgeven van prioriteitsaandelen of beschermings-preferente aandelen of het buitenplaatsen van bepaalde strategische activa.
Het kabinet werkt daarnaast in den brede aan de uitbreiding van het instrumentarium in geval van ongewenste overnames of investeringen. Het wetsvoorstel Bedenktijd door het bestuur van een beursvennootschap ligt momenteel voor in uw Kamer. Dit wetsvoorstel biedt aanvullende bescherming in geval van een vijandige overname. Op 17 april 2020 heeft uw Kamer de Nota naar aanleiding van het verslag ontvangen.
In uitzonderlijke gevallen, wanneer er sprake is van risico’s voor onze nationale veiligheid, zal de overheid in moeten kunnen grijpen bij overnames of investeringen. Het kabinet ontwikkelt hiervoor zowel sectorspecifiek als generiek instrumentarium. Op 11 november 2019 is uw Kamer geïnformeerd over de implementatie van de EU-verordening voor de screening van buitenlandse directe investeringen (Kamerstuk 30 821, nr. 97). De Uitvoeringswet hiervoor wordt naar verwachting voor de zomer naar uw Kamer verstuurd. In dezelfde brief bent u ook geïnformeerd over het breder wetsvoorstel voor een stelsel van investeringstoetsing op risico’s voor de nationale veiligheid. Dit stelsel gaat toezien op de screening van overnames en investeringen binnen aanbieders van de vitale processen of vitale infrastructuur en bij ondernemingen die technologieën ontwikkelen die raken aan nationale veiligheid. Het wetsvoorstel voor de brede investeringstoets wordt naar verwachting eind 2020 aan uw Kamer aangeboden.
In aanvulling op het in ontwikkeling zijnde instrumentarium, heeft het kabinet op 2 juni 2020 aangekondigd een peildatum op te nemen in het wetsvoorstel investeringstoets op risico’s voor de nationale veiligheid (Kamerstuk 30 821, nr. 113). Het opnemen van deze peildatum 2 juni 2020 in de toekomstige wet heeft tot gevolg dat na inwerkingtreding van de wet, overnames en investeringen die vanaf 2 juni 2020 zijn gedaan, met terugwerkende kracht getoetst kunnen worden wanneer daar vanuit de bescherming van onze nationale veiligheid aanleiding voor is. Tegelijkertijd wordt het mogelijk strategisch gedrag van ondernemingen of investeerders in aanloop naar de inwerkingtreding te voorkomen. Op deze manier zet het kabinet zich proactief in om ongewenste overnames of investeringen met risico’s voor de nationale veiligheid tegen de achtergrond van de coronacrisis te voorkomen.
Daarnaast werkt het kabinet ook aan sectorspecifieke wetgeving voor toetsing op risico’s voor de nationale veiligheid bij overnames en investeringen in de defensie-industrie, ter borging van de Nederlandse technologische en industriële basis (Kamerstuk 31 125, nr. 108).
Op Europees vlak worden verschillende maatregelen ontwikkeld die bijdragen een sterke concurrerende sectoren, inclusief de maritieme sector zodat die weerbaar is tegen ongewenste overnames. Deze maatregelen zijn onderdeel van onder andere de Europese industriestrategie van de EU. De Europese voorstellen, die zich onder meer concentreren rondom het verbeteren van het mondiale gelijke speelveld, het stimuleren van innovatie, verduurzaming en het ondersteunen van het mkb, zijn veelal ook in nationale beleidsdoelstellingen terug te vinden. Mede naar aanleiding van de motie Palland (Kamerstuk 21 501-30, nr. 475) wordt momenteel verkend in hoeverre specifieke maatregelen noodzakelijk zijn ter bevordering van het gelijke speelveld voor de maritieme maakindustrie.
Bent u bereid om reeds geplande overheidsinvesteringen bij de maritieme industrie naar voren te halen, zodat deze sector gestimuleerd wordt en zodat de risico’s voor onwenselijke overnames mogelijk verkleind worden?
Momenteel brengen de collega’s van Infrastructuur en Waterstaat en Defensie de mogelijkheden in kaart. Over de uitkomst hiervan kunnen nog geen mededelingen gedaan worden.
Wat kan het stelsel van investeringstoetsing op nationale veiligheidsrisico’s betekenen voor de maritieme industrie en in hoeverre kan deze toetsing de industrie ondersteunen tegen vijandige overnames, bijvoorbeeld uit China?
Wanneer ondernemingen in de Nederlandse maritieme industrie onder het toepassingsbereik van het wettelijk instrumentarium voor investeringstoetsing komen te vallen – als het brede stelsel van investeringstoets dan wel de sectorspecifieke toets voor de defensie-industrie in werking treedt – kan het kabinet besluiten tot ingrijpen bij overnames en investeringen indien de bescherming van de nationale veiligheid hier aanleiding toe geeft. Dit zal mogelijk zijn wanneer de onderneming een aanbieder van een vitaal proces is of een technologie ontwikkelt die raakt aan onze nationale veiligheid. Wanneer de onderneming een aanbieder van het vitale proces Inzet Defensie is (als onderdeel van de Nederlandse defensie technologische en industriële basis), zal het in ontwikkeling zijnde wettelijke regime voor investeringstoetsing binnen de defensie-industrie van toepassing worden.