Illegale aanbieders van online kansspelen die mogelijk in aanmerking willen komen voor een vergunning |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het rapport van de Kansspelautoriteit «Omvang online kansspelmarkten»?1
Ja.
Herinnert u zich de motie-Bouwmeester c.s. uit 2011 waarin de regering wordt verzocht te bewerkstelligen dat illegale aanbieders van kansspelen niet in aanmerking kunnen komen voor een vergunning om kansspelen via internet aan te bieden? Herinnert u zich de motie-Postema c.s. van februari 2019 waarin de regering wordt verzocht te bewerkstelligen dat vergunningverlening voor het aanbieden van kansspelen op afstand enkel en alleen geschiedt aan partijen die zich gedurende een aaneengesloten periode van minimaal twee jaar niet onvergund, actief en specifiek op de Nederlandse markt hebben gericht?2, 3
Ja.
Deelt u de mening dat aanbieders die online kansspelen aanbieden of hebben aangeboden reeds lang weten dat zij met dergelijke activiteiten de kans kunnen verspelen op het verkrijgen van een vergunning? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vragen 5, 6 en 7.
Deelt u de mening dat uit het genoemde rapport, onderliggende onderzoeken en het feit dat de legale markt voor online kansspelen grotendeels nog gesloten is, blijkt dat de omvang van de online gokmarkt grofweg 400 miljoen euro bedraagt en dat dat voor een groot deel illegaal aanbod betreft? Zo nee, waarom niet en over welke andere cijfers beschikt u dan wel?
In het rapport wordt, op basis van cijfers van marktanalysebureaus, het totale bruto spelresultaat voor de Nederlandse online kansspelmarkt in 2019 geschat op 424 miljoen euro. Het gaat hier inderdaad grotendeels om illegaal aanbod.
Deelt u de mening dat aanbieders die nu illegaal online kansspelen aanbieden en dus de wet aan hun laars lappen niet betrouwbaar zijn en dat daarom tenminste vraagtekens gesteld kunnen worden bij hun intenties om zich straks als eventuele legale aanbieder wel aan de wet te gaan houden, met name daar waar het gaat om hun wettelijke plicht om bovenmatig gokgedrag tegen te gaan? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik wil illegale aanbieders weren die zich actief op de Nederlandse markt blijven richten en zich niets aan de Nederlandse wet- en regelgeving gelegen laten liggen. Als een aanbieder een vergunning aanvraagt, weegt de Kansspelautoriteit bij de beoordeling diens eerdere gedrag mee in de beoordeling van de betrouwbaarheid. Een aanbieder die in het verleden actief illegaal heeft aangeboden kan de twijfel over zijn betrouwbaarheid wegnemen door gedurende een aaneengesloten periode voorafgaand aan de vergunningaanvraag goed gedrag te laten zien. De motie van het lid Postema die in de Eerste Kamer is aangenomen noemt daarbij een termijn van minimaal twee jaar. Over dit onderwerp is meermaals met het parlement gesproken.4 De Ksa heeft op basis hiervan een beleidsregel opgesteld. Hierin staat dat bij een aanvraag voor een online kansspelvergunning wordt gekeken naar een aantal criteria:
Als aan één of meer van deze criteria wordt voldaan, krijgt de aanvrager geen vergunning. De Ksa kijkt hierbij naar de twee jaar en negen maanden voorafgaand aan het indienen van de aanvraag.
Deelt u de mening dat, gezien de genoemde moties, partijen die sinds februari 2019 illegaal online kansspelen aanbieden of in die periode enige tijd hebben aangeboden niet in aanmerking mogen komen voor een vergunning voor het aanbieden van online kansspelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe gaat de Kansspelautoriteit de aanvragers van vergunningen onderzoeken op het illegaal aanbieden van online kansspelen gedurende (een deel van) de periode van februari 2019 tot nu toe?
Zie antwoord vraag 5.
Het artikel ‘Union busting in de polder’ |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het online artikel «Union busting in de polder» van 18 februari 2021?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat supermarktwerkgevers in Nederland per 1 februari 2021 onderling een prijsafspraak inhoudende een eenzijdige loonsverhoging van 2,5 procent hebben gemaakt?
Uit artikelen in de media begrijp ik dat een aantal supermarktwerkgevers de lonen van hun werknemers in februari 2021 met 2,5 procent hebben verhoogd. Het is mij niet bekend in hoeverre de betreffende supermarktwerkgevers dan wel werkgeversorganisaties daar onderling afspraken over hebben gemaakt.
Bent u ervan op de hoogte dat deze eenzijdige prijsafspraak is gemaakt door drie werkgeversorganisaties, terwijl de onderhandelingen over twee collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) door de werkgevers zijn gestaakt, namelijk de cao Vereniging Grootwinkelbedrijven in Levensmiddelen (VGL) en de eerder algemeen verbindend verklaarde cao Levensmiddelenbedrijf (LMB)?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het onwenselijk dat werkgevers zonder tussenkomst van werknemersvertegenwoordiging loonafspraken maken om de loonkosten te drukken? Zo nee, waarom vindt u het wel wenselijk?
Het is allereerst de vraag of de betreffende supermarktwerkgevers de genoemde loonsverhoging hebben toegekend om de loonkosten te drukken. Daarover kan ik niet oordelen. Daarnaast geldt dat hoewel het gebruikelijk is om afspraken over arbeidsvoorwaarden vast te leggen in een cao, daartoe geen verplichting bestaat. Ook op individueel niveau kunnen afspraken over arbeidsvoorwaarden worden gemaakt. De keuze om al dan niet een cao te sluiten is aan de betrokken partijen zelf. In het algemeen juich ik het toe dat er cao’s tot stand komen.
Bent u op de hoogte van de arbeidsvoorwaardenregeling die door de Jumbo is afgesloten zonder tussenkomst van de vakbonden? Bent u ervan op de hoogte dat dit in strijd is met conventies 98 en 154 van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) op grond waarvan de vakbonden het recht en de mogelijkheid moeten hebben de belangen van de werknemers te behartigen?
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat Jumbo in 2018 een arbeidsvoorwaardenregeling (AVR) Logistiek heeft gesloten met de Centrale ondernemingsraad.
In Nederland geldt het principe van contractsvrijheid. Sociale partners bepalen zelf met wie zij om tafel gaan zitten en afspraken maken. Het kader waarbinnen de onderhandelingen plaatsvinden, wordt gevormd door de relevante nationale en internationale wet- en regelgeving. Zo zien de genoemde ILO-conventies 98 en 154 respectievelijk op het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen en de taak van de overheid het proces van collectieve onderhandelingen te bevorderen. De rol van de regering ziet met name op het scheppen van de voorwaarden waarin onderhandelingen kunnen plaatsvinden; de invulling van de onderhandelingen is echter aan sociale partners zelf. Het is natuurlijk mogelijk dat cao-onderhandelingen uiteindelijk niet leiden tot het daadwerkelijk afsluiten van een overeenkomst tussen werkgevers(organisaties) en vakbonden.
Een onderneming kan ervoor kiezen om met een ondernemingsraad afspraken te maken over arbeidsvoorwaarden en deze vast te leggen in een AVR. Een AVR heeft echter niet het karakter en de rechtsgevolgen van een cao. Zo is de AVR – in tegenstelling tot de cao – niet automatisch van toepassing op individuele werknemers.
Een juridische toets op de wijze waarop sociale partners invulling geven aan de onderhandelingen in relatie tot het wettelijk kader, is aan de rechter en niet aan mij.
Hoe bevordert u de totstandkoming van algemeen verbindend verklaarde cao’s conform de verplichting van de Nederlandse overheid op basis van de ILO-verdragen? Gaat u de sociale partners in de sector oproepen de collectieve onderhandelingen te hervatten en te goeder trouw te onderhandelen, aangezien de Nederlandse overheid die plicht nu niet op een juiste manier kan vervullen door de prijsafspraken van de werkgevers?
Het cao-stelsel zoals dat in Nederland geldt, is erop gericht om het maken van collectieve afspraken te bevorderen. De Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (Wet CAO) en de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Wet Avv) bieden daarvoor o.a. het juridisch kader. De totstandkoming en de inhoud van afspraken omtrent de arbeidsvoorwaarden is in beginsel de verantwoordelijkheid van sociale partners. Zij hebben op grond van de Wet Avv de mogelijkheid om bij mij een verzoek in te dienen tot het algemeen verbindend verklaren (avv) van cao-bepalingen. Het doel van avv is om het uitoefenen van die verantwoordelijkheid van sociale partners om collectieve afspraken te maken te ondersteunen en te beschermen. Het beoogde effect van avv is concurrentie op arbeidsvoorwaarden door onderbieding door niet gebonden werkgevers en werknemers te voorkomen. Zoals gezegd is het aan werkgevers(organisaties) en vakbonden om over de arbeidsvoorwaarden te onderhandelen en een cao af te sluiten. De ILO-verdragen omvatten overigens geen verplichting of een garantie dat er daadwerkelijk een cao tot stand komt.
Op welke wijze ziet u toe op het naleven van de ILO-verdragsverplichtingen die de Nederlandse regering heeft?
De ILO kent een toezichtmechanisme waarin op verschillende manieren naleving van de regels uit ILO-verdragen wordt bewaakt. Zo dienen lidstaten bijvoorbeeld te rapporteren over de wijze waarop de principes in ILO-verdragen worden nageleefd. De sociale partners worden bij deze rapportages betrokken. Deze rapportages worden geanalyseerd door een onafhankelijke Commissie van Experts, die daarover zijn bevindingen jaarlijks presenteert.
Het toezichtmechanisme van de ILO kent ook de procedure van het Committee on the Freedom of Association (CFA). Hier kunnen vakbonden en werknemersorganisaties bijvoorbeeld een klacht indienen wanneer in een lidstaat het principe van collectief onderhandelen, zoals vastgelegd in ILO-verdrag 98, niet correct zou worden nageleefd. Het CFA is een vaste commissie van de Beheersraad van de ILO, die tripartiet is samengesteld en onder leiding staat van een onafhankelijke voorzitter. Het CFA kan vervolgens, indien strijdigheid met genoemd verdrag wordt geconstateerd, via de Beheersraad aanbevelingen doen aan de betreffende lidstaat.
Zoals gezegd geldt in Nederland het principe van contractsvrijheid. Sociale partners bepalen zelf met wie zij om tafel gaan zitten en afspraken maken. Het kader waarbinnen de onderhandelingen plaatsvinden, wordt gevormd door de relevante nationale en internationale wet- en regelgeving. Een juridische toets op de wijze waarop sociale partners invulling geven aan de onderhandelingen dan wel of sprake is van overtreding van de ILO-conventies is aan de rechter.
Welke consequenties ondervinden werkgevers als zij handelen in strijd met de ILO-conventies?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe gaat u voorkomen dat werkgevers de vakbonden als werknemersvertegenwoordiging en de ILO-conventies negeren?
Zoals gezegd zijn collectieve onderhandelingen een zaak van werkgevers en werknemers. Zij onderhandelen samen over de arbeidsvoorwaarden en geven daarbij invulling aan cao-afspraken. Het is aan partijen om al dan niet te besluiten om een cao overeen te komen.
Deelt u de mening dat eenzijdige loonafspraken, zoals de supermarktbazen onderling hebben gemaakt, teneinde de vakbonden buiten spel te zetten ook in strijd zijn met de Mededingingswet?
Afspraken tussen concurrerende ondernemingen kunnen in strijd zijn met het kartelverbod in de Mededingingswet, voor zover zij het onderlinge concurrentieproces verhinderen of beperken. Om de sociale bescherming van werknemers niet te belemmeren, bevat artikel 16 van de Mededingingswet een cao-exceptie die het organisaties van werkgevers en werknemers toestaat om gezamenlijk cao-afspraken te maken. De toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft aangegeven uit te zoeken of de afspraken die enkele supermarkten hebben gemaakt in strijd zijn met het kartelverbod uit de Mededingingswet.
Deelt u de mening dat hier sprake is van een kartelafspraak nu de afspraak niet valt onder artikel 1, eerste lid WCAO juncto artikel 6 Mw of enig andere uitzondering van de Mededingingswet?
Ik beschik niet over de nodige informatie om hier een uitspraak over te doen. Bovendien is het niet aan mij, maar aan de ACM als onafhankelijk toezichthouder om dit te onderzoeken en te toetsen of er daadwerkelijk sprake is van een kartelafspraak.
Vindt u dat deze eenzijdige loonafspraak die gemaakt is door deze drie werkgeversorganisaties voor werknemers onder de VGL-cao en LMB-cao, valt onder het kartelverbod? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Op welke termijn verwacht u dat het onderzoek van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als onafhankelijk toezichthouder naar deze eenzijdige afspraak van de supermarktwerkgevers is afgerond? Welke stappen bent u van plan te nemen op basis van de uitkomsten van het ACM onderzoek?
De ACM is onafhankelijk in het verrichten van onderzoeken naar kartelafspraken. De ACM doet dit op eigen initiatief of aan de hand van (anonieme) meldingen. Op 23 februari jl. gaf de ACM naar aanleiding van berichtgeving van de NOS aan een verkennend onderzoek te zijn gestart.2 De ACM zal op basis van de uitkomst bepalen of zij tot handhaving overgaat. De ACM beschikt daartoe over verschillende instrumenten om een passende en effectieve oplossing te kiezen.
Nieuwe fouten met de uitkering van toeslagen |
|
Bart Snels (GL) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belastingdienst weer in de fout: veel te veel toeslag voor arbeidsmigranten»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de in het artikel uiteengezette problemen? Is hier sprake van onrechtmatige overheidsbestedingen? En wat vindt u ervan dat hierdoor een potentieel grote groep mensen in de financiële problemen komt?
Wij streven ernaar iedere toeslaggerechtigde de toeslag toe te kennen waar hij/zij recht op heeft. Wanneer dit onverhoopt niet goed gaat, of wanneer burgers met (hoge) terugvorderingen geconfronteerd worden, betreuren we dat. Graag zetten wij hieronder uiteen hoe het proces rond toekennen van het kindgebondenbudget (kgb) werkt en hoe dit bij arbeidsmigranten in het bijzonder kan uitpakken. Dit geeft op veel van de onderstaande vragen antwoord. Wij verwijzen daarom bij andere antwoorden regelmatig naar dit antwoord.
Jaarlijks hebben circa 1 miljoen huishoudens recht op kgb. Deze toeslag is bedoeld voor mensen met een laag- of middeninkomen en (jonge) kinderen. Dit is vaak een doelgroep waarbij het toeslagenstelsel niet altijd aansluit bij het doenvermogen van de burger.
Voor de vaststelling en toekenning van het kgb gebruikt de Belastingdienst/Toeslagen gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) waarbij alleen die gegevens verwerkt kunnen worden die gekoppeld zijn aan een BSN. Het gebruik van het BSN houdt verband met de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst/Toeslagen en is voor wat betreft de aanvrager van een toeslag vastgelegd in artikel 1b van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Daarnaast worden gegevens uit de aanvraag van de belanghebbende zelf gebruikt. Voor specifiek het kgb geldt dat wanneer burgers al een andere toeslag ontvangen (vaak zorgtoeslag) en er wordt kinderbijslag ontvangen, er volgens de wet tevens een aanvraag voor kgb is gedaan. De Belastingdienst/Toeslagen kent daarop kgb toe op basis van gegevens gebruikt bij de vaststelling van de andere toeslag. Deze automatische toekenning is in wetgeving opgenomen om burgers zo goed mogelijk van dienst te zijn.
Het automatisch toekennen en het «voorinvullen» van deze gegevens maakt het voor burgers eenvoudiger om een toeslag aan te vragen en helpt veel fouten bij de aanvraag te voorkomen. Keerzijde van deze werkwijze is dat onvolledige gegevens uit een eerdere aanvraag doorwerken in de aanvraag kgb. Ook is het niet mogelijk om de authentieke gegevens (afkomstig uit de BRP) in de aanvraag aan te vullen of te wijzigen en is de verwerking van gegevens zonder BSN van aanvrager en/of toeslagpartner niet mogelijk.
Het algemene proces werkt zodanig dat als de gegevens uit de BRP en uit de (eerdere) aanvraag juist en volledig zijn, en er wordt voldaan aan de overige voorwaarden, de toeslag op de juiste wijze wordt toegekend. Dit betekent dat als de Belastingdienst/Toeslagen een toeslagpartner kan vaststellen het kgb zonder verhoging voor alleenstaande ouders (de alleenstaande ouderkop, hierna: alo-kop) wordt toegekend. Als er geen toeslagpartner kan worden vastgesteld, wordt kgb inclusief de alo-kop toegekend.2 De alo-kop bedraagt voor 2021 maximaal € 3.242,– per jaar.
Voor de vaststelling van het toeslagpartnerschap worden adresgegevens en gegevens over een eventueel huwelijk of geregistreerd partnerschap en ouder-kindrelaties uit de BRP gebruikt. Voor situaties waarin beide partners in Nederland wonen (als inwoner in de BRP staan met een Nederlands adres èn BSN), kan het toeslagpartnerschap met deze gegevens vrijwel altijd worden vastgesteld.
Wanneer sprake is van een mogelijke partner in het buitenland is een juiste vaststelling en toekenning van het kgb complex en niet altijd goed mogelijk. De BRP (met gegevens over inwoners van Nederland en anderen met een relatie met de Nederlandse overheid, zogenaamde niet-ingezetenen) bevat namelijk niet alle benodigde gegevens om in alle gevallen vast te kunnen stellen of iemand een toeslagpartner in het buitenland heeft:
Het (financiële) belang van het beschikken over de juiste partnergegevens is met de invoering van de alo-kop in 2015 sterk toegenomen. In toenemende mate werd duidelijk dat de vaststelling van kgb in situaties met een buitenlandcomponent niet altijd goed mogelijk is. Vanaf dat moment is gezocht naar oplossingen en zijn maatregelen genomen om het toeslagpartnerschap beter te kunnen vaststellen om daarmee onterechte toekenning van een Alo-kop te voorkomen.
Bij de inwerkintreding van de Wet BRP (als opvolger van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, waarbij de BRP werd uitgebreid met het registreren van gegevens van niet-ingezetenen, bekend als RNI) is bezien of het registeren van de verwantschapsgegevens voor niet-ingezetenen in de BRP tot de mogelijkheden behoorde. Het toenmalige kabinet heeft daar echter niet toe besloten. Dit omdat er onvoldoende zekerheid was dat deze gegevens op een acceptabel niveau van actualiteit en juistheid gehouden zouden kunnen worden.
In reactie daarop is in 2015 een tijdelijke oplossing, de zogenaamde verwantschapsquery, ontwikkeld. Met behulp van deze query biedt de SVB de Belastingdienst/Toeslagen signalen over (buitenlandse) partnergegevens waarover de SVB beschikt op grond van haar taak om de samenloop met buitenlandse gezinsbijslagen vast te stellen.3 Voor deze taak is o.a. de aanwezigheid van een (werkende) partner in het thuisland relevant. Via zusterorganisaties in het buitenland laat de SVB buitenlandse registraties van persoonsgegevens en partnergegevens verifiëren die nodig zijn voor de beoordeling van het recht op kinderbijslag. Op basis van deze gegevens kan de Belastingdienst/Toeslagen in een aantal gevallen alsnog een toeslagpartner (in het buitenland) in de eigen systemen registreren. Deze informatie-uitwisseling tussen de SVB en de Belastingdienst/Toeslagen is daarmee behulpzaam maar is niet sluitend en biedt geen structurele oplossing:
Specifiek voor statushouders met een partner in het buitenland is het mogelijk gemaakt dat zij op verzoek kunnen afzien van de Alo-kop. De reden hiervoor is dat vluchtelingen als gevolg van hun situatie vaak niet meer beschikken over (een betrouwbare kopie van) de relevante documentatie. Het is daarom niet (altijd) mogelijk aan hun partner een BSN toe te kennen dat de Belastingdienst/Toeslagen nodig heeft om een partner te kunnen registreren. De Belastingdienst/Toeslagen heeft daarvoor een samenwerkingsconvenant met VluchtelingenWerk Nederland, die deze verzoeken namens vluchtelingen kan indienen.
Sinds maart 2021 kunnen toeslaggerechtigden met een partner in het buitenland de partnergegevens bij de Belastingdienst/Toeslagen aanleveren middels een formulier op de site. Daarbij worden gegevens (een huwelijksakte, een partnerschapsakte of een door een notaris opgemaakt samenlevingscontract) uitgevraagd waarmee de Belastingdienst/Toeslagen de toeslagpartner kan vaststellen en registreren in de eigen systemen. De Belastingdienst/Toeslagen kan ervoor kiezen de partner vervolgens als niet-ingezetene te laten registreren in de BRP.4 De partner verkrijgt daarmee een BSN dat noodzakelijk is voor de verwerking van de partnergegevens in de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen. De vindbaarheid en de toelichting bij het formulier zijn recent op de site van de Belastingdienst/Toeslagen verbeterd.
Naar aanleiding van de Beleidsdoorlichting Tegemoetkoming Ouders5 is het proces van verrekening van de buitenlandse bijslagen en het controleren van (partner)gegevens in het buitenland met het oog op vereenvoudiging en verbetering onderzocht. De Belastingdienst/Toeslagen, SVB en onze beide departementen hebben op basis daarvan verschillende oplossingsrichtingen geformuleerd. Het voornemen was om voor de zomer van 2020 de oplossingsrichtingen uitgewerkt te hebben en mogelijke eerste verbetervoorstellen te kunnen doen. Als gevolg van de Coronacrisis en de herstelactie van het kgb6 is dit niet gelukt. Wij verwachten dit jaar met de uitwerkingen en eventuele voorstellen tot verbetering te komen.
Naast verbetering van het uitvoeringsproces zet het kabinet in op een verbetering van de registratie in de BRP van niet-ingezetenen, waaronder arbeidsmigranten. In het kader van de Ontwikkelagenda BRP vindt een aantal acties plaats om de registratie van niet-ingezetenen in de BRP te verbeteren:
Hoeveel arbeidsmigranten hebben sinds 2015 aangegeven door het niet registreren van een partner te veel kindgebonden budget te ontvangen? Betreft het hier alle 5.000 arbeidsmigranten die een beroep doen op de Wet op het Kindgebonden Budget (WKB) maar als alleenstaande ouders geclassificeerd zijn? Waarom wel/niet?
Het is niet bekend hoeveel arbeidsmigranten hebben aangeven dat zij onterecht een alo-kop hebben ontvangen. Dit wordt niet geregistreerd. In totaal is aan circa 5.000 alleenstaande ouders waarvan het kind niet in Nederland woont kgb toegekend. Hierbij gaat het niet uitsluitend om arbeidsmigranten, maar bijvoorbeeld ook om grensarbeiders.
Hoeveel geld ontvangen de in het artikel genoemde personen gemiddeld te veel? Voor een hoe lange periode hebben deze mensen gemiddeld een teveel aan kindgebonden budget ontvangen? Klopt het dat dit vaak jarenlang doorgaat, zoals het artikel schetst? Wat is het totaal aan te veel uitgekeerde toeslagen voor deze groep sinds 2015? Hoeveel van dit te veel uitgekeerde bedrag is daadwerkelijk teruggevorderd?
Wij kennen de situaties uit het artikel niet en kunnen er daarom niet specifiek op ingaan. Ook in het algemeen is niet bekend hoeveel arbeidsmigranten teveel kgb ontvangen omdat dit niet geregistreerd wordt. Wel is bekend dat in totaal aan circa 5.000 alleenstaande ouders waarvan het kind niet in Nederland woont kgb wordt toegekend. Hierbij gaat het niet uitsluitend om arbeidsmigranten, maar bijvoorbeeld ook om grensarbeiders.
Hoe kan het dat bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) bekend is dat arbeidsmigranten een partner hebben in het thuisland maar dit niet in de systemen voor het uitkeren van toeslagen verwerkt is? Is hier geen juridische grondslag voor of wordt dit gewoon niet gedaan? En waarom niet?
De gegevens over een partner in het buitenland waarover de SVB beschikt uit gronde van haar taak om de samenloop met buitenlandse gezinsbijslagen vast te stellen9, worden aan de Belastingdienst/Toeslagen middels de verwantschapsquery beschikbaar gesteld. Hiermee kan de Belastingdienst/Toeslagen in een aantal gevallen alsnog een toeslagpartner (in het buitenland) in de eigen systemen registreren. Deze informatie-uitwisseling tussen de SVB en de Belastingdienst/Toeslagen is daarmee behulpzaam maar is niet sluitend en biedt geen structurele oplossing. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Welke concrete stappen zijn er genomen om de informatie-uitwisseling tussen de Sociale Verzekeringsbank en de Belastingdienst te verbeteren? Wanneer zijn deze stappen gezet? Hoe kan het dat de SVB tegelijkertijd erkent dat het op dit moment nog steeds fout gaat? Welke stappen gaat u zetten om dit zo spoedig mogelijk te regelen?
Naast de verwantschapsquery is het proces van verrekening van de buitenlandse bijslagen en het controleren van (partner)gegevens in het buitenland met het oog op vereenvoudiging en verbetering onderzocht. De Belastingdienst/Toeslagen, SVB en onze beide departementen hebben op basis daarvan verschillende oplossingsrichtingen geformuleerd. Een te onderzoeken mogelijkheid is de SVB een taak te geven in het uitvragen van partnergegevens voor de vaststelling van het kgb. Wij verwachten dit jaar met de uitwerkingen en eventuele voorstellen tot verbetering te komen.
Waarom vaart de Belastingdienst op haar eigen gegevensadministratie terwijl die van de SVB evident een hogere accuraatheid heeft? Erkent u dat hierdoor onnodig fouten gemaakt worden?
De Belastingdienst/Toeslagen gebruikt voor de vaststelling en toekenning van het kbg gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP), gegevens uit de aanvraag van de belanghebbende zelf en in sommige gevallen ook uit de verwantschapsquery van de SVB. Deze laatste gegevens zijn niet altijd van voldoende kwaliteit om als hard gegeven voor de vaststelling van het kgb te beschouwen. Ook wijken de partnerdefinities in de sociale zekerheid af van die in de fiscale wetgeving waardoor de registratie van een partner bij de SVB niet automatisch betekent dat er sprake is van een toeslagpartner voor het kgb.
Kunt u meer zeggen over het project van het Ministerie van SZW, de SVB en de Belastingdienst om de uitvoering van internationale casussen te vereenvoudigen? Wat zijn hier de beoogde doelen en hoe worden die behaald? Wat is de samenhang tussen dit project en de beschreven problematiek?
Naar aanleiding van de Beleidsdoorlichting Tegemoetkoming Ouders10 is het proces van verrekening van de buitenlandse bijslagen en het controleren van (partner)gegevens in het buitenland met het oog op vereenvoudiging en verbetering onderzocht. Een onderdeel daarvan is de problematiek met de toekenning van de alo-kop. De SVB, de Belastingdienst/Toeslagen en onze beide departementen hebben op basis daarvan verschillende oplossingsrichtingen geformuleerd. Wij verwachten dit jaar met de uitwerkingen en eventuele voorstellen tot verbetering te komen.
Kunt u uitleggen hoe het kan dat de Belastingdienst «niet gelooft» dat personen te veel kindgebonden budget ontvangen, zoals beschreven in het genoemde artikel, als belastingadviseurs de Belastingdienst opbellen om hierop te wijzen? En waarom gaat de Belastingdienst door met het uitkeren van te hoge toeslagen zelfs als al het ondersteunende bewijs schriftelijk wordt doorgestuurd?
Wijzigingen kunnen uitsluitend worden doorgevoerd indien vaststaat dat dit op verzoek van de burger is. Wanneer een adviseur belt, kan dit niet altijd met zekerheid worden vastgesteld. Daarnaast is het niet altijd mogelijk gegevens per telefoon te wijzigen, bijvoorbeeld als de wijziging met authentieke gegevens onderbouwd moet worden. In dat geval wordt de burger gewezen op de wijze waarop deze wijziging schriftelijk kan worden doorgevoerd. De situatie die in het artikel wordt genoemd zijn ons niet bekend.
Hoe kan het dat een persoon voor 2021 kindgebonden budget ontvangt terwijl er in december 2020 aangekondigd is dat die persoon hier geen recht op had, zoals in het genoemde artikel beschreven wordt? Wat is hier misgegaan? Komt dit vaker voor?
Deze situatie uit het artikel is ons niet bekend.
Waarom registreert de Belastingdienst zelf pas een partner van de arbeidsmigrant op het moment dat deze partner naar Nederland komt en zich bij de gemeente inschrijft? Is dit staand beleid? Is hier een ambtelijke instructie voor? Zo ja, kan deze aan de Kamer toegestuurd worden? Zo nee, impliceert dit dan willekeur? Waarom wel/niet?
De toeslagpartner kan alleen worden vastgesteld als de relevante partnergegevens (op de juiste wijze) bekend zijn en opgenomen in de systemen van de Belastingdienst. Deze zijn niet altijd op het moment van de aanvraag bekend. Wanneer deze partnergegevens later beschikbaar komen bijvoorbeeld omdat de partner zich in Nederland vestigt en registreert in de BRP, wordt voor Belastingdienst/Toeslagen het partnerschap bekend en is het mogelijk het toeslagpartnerschap vast te stellen. Wij verwijzen u ook naar het antwoord op vraag 2.
Wat is de gemiddelde behandeltijd van de 200 tot 250 verzoeken die de Belastingdienst elk jaar krijgt om de extra hoge toeslag te laten stoppen? Klopt de vaststelling van ervaringsdeskundigen dat dit proces tot wel een half jaar kan duren? Waarom gaat de Belastingdienst pas overstag als er tig brieven gestuurd zijn, en lopen arbeidsmigranten en hun belastingadviseurs op dit punt tegen een bureaucratische muur op?
Arbeidsmigranten of administratiekantoren worden als zij contact opnemen met de Belastingdienst/Toeslagen zo goed mogelijk geholpen om de registratie van de partnergegevens in de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen en de registratie van de partner zelf mogelijk te maken. Dat kan echter alleen wanneer de toeslaggerechtigde en zijn/haar partner beschikt over (een kopie van) de relevante documentatie. Dit kan daarom niet uitsluitend over de telefoon en duurt daarmee langer, afhankelijk van de beschikbaarheid van de noodzakelijke documentatie.
Zodra de mutatie heeft plaatsgevonden, is deze binnen 24 uur zichtbaar in MijnToeslagen. De nieuwe beschikking volgt regulier binnen één maand na de mutatie. Vervolgens ontvangt de burger bij de eerst volgende betaling11 het aangepaste bedrag (dus zonder alo-kop). Als de mutatie net na het moment van het opmaken van beschikkingen wordt gedaan dan schuift de ontvangst van de nieuwe beschikking een maand op. Voor zover bekend, hebben wij geen signalen dat verzoeken niet worden opgevolgd.
Wat is uw reactie op het gegeven dat er steeds meer arbeidsmigranten zijn die helemaal geen toeslagen meer willen, omdat het meer ellende oplevert dan gemak? Wat zegt dit over de dienstbaarheid van de Belastingdienst?
Als arbeidsmigranten geconfronteerd worden met hoge terugvorderingen als gevolg van situaties waarin zij onterecht een alo-kop hebben ontvangen kan dat erg ingrijpend zijn. Zeker als zij zich in een kwetsbare (financiële) situatie bevinden. Dat betreuren wij. Alles is erop gericht om, binnen de beperkingen die er zijn, te voorkomen dat onterecht een alo-kop wordt toegekend en burgers geconfronteerd worden met hoge terugvorderingen.
Hoeveel arbeidsmigranten die binnen de in het artikel uiteengezette casus vallen zijn in de financiële problemen gekomen door hoge terugvorderingen? Hoe wordt dit bijgehouden? Komen deze mensen in aanmerking voor een minnelijke schuldsanering? Waarom wel/niet?
Dat is niet bekend. In zijn algemeen geldt dat alle burgers bij een terugvordering in ieder geval een standaard betalingsregeling wordt aangeboden. Ook kunnen zij verzoeken om een betalingsregeling op maat waarbij rekening gehouden wordt met de betalingscapaciteit van die burger.
Hoe gaat voorkomen worden dat een grote groep arbeidsmigranten in de financiële problemen komt doordat ze alsnog grote bedragen van soms wel tienduizenden euro’s moeten terugbetalen omdat ze door fouten bij de Belastingdienst te veel toeslagen hebben ontvangen? Hoe voorkomen we op dit punt een verdere uitbreiding van de toeslagenaffaire?
Als arbeidsmigranten geconfronteerd worden met hoge terugvorderingen wanneer partnergegevens beschikbaar komen, betreuren wij dat. Helaas is dit de uitkomst van een toeslagenstelsel met voorschotten, sterke inkomensafhankelijkheid en veel complexe grondslagen in combinatie met een automatische verwerking van gegevens die sterk afhankelijkheid zijn van een volledige en juiste registratie van partnergegevens die niet makkelijk voor handen zijn.
Kunt u en wilt u een groep mogelijke slachtoffers in deze casus tegemoetkomen, omdat zij in de problemen zijn gekomen door het handelen van de Belastingdienst? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Alles is erop gericht om, binnen de beperkingen die er zijn, te voorkomen dat onterecht een alo-kop wordt toegekend en burgers geconfronteerd worden met hoge terugvorderingen. Burgers die wel te maken krijgen met terugvorderen hebben 24 maanden om het onterecht ontvangen bedrag terug te betalen. Mochten ze dat niet kunnen dan kunnen ze een betalingsregeling op maat krijgen.
Hoe verklaart u dat de Belastingdienst al sinds 2016 ervan wist dat dit ook bij arbeidsmigranten speelde, maar het probleem nog steeds niet opgelost is? Welke acties zijn in de tussentijd op dit punt ondernomen? Wanneer en op welke manier heeft u zich er persoonlijk mee bemoeid om dit zo snel mogelijk op te lossen? Waarom is er in het voorjaar van 2020 geen oplossing gekomen, terwijl dit wel beloofd was?
Dit is helaas het gevolg van het huidige toeslagenstelsel met voorschotten, sterke inkomensafhankelijkheid en veel complexe grondslagen in combinatie met een automatische verwerking van gegevens die sterk afhankelijkheid zijn van een volledige en juiste registratie van partnergegevens die niet makkelijk voor handen zijn. Sinds 2015 zijn oplossingen onderzocht en verbeteringen doorgevoerd:
Op dit moment wordt het proces van verrekening van de buitenlandse bijslagen en het controleren van (partner)gegevens in het buitenland met het oog op vereenvoudiging en verbetering onderzocht. De SVB, de Belastingdienst/Toeslagen en onze beide departementen hebben op basis daarvan verschillende oplossingsrichtingen geformuleerd. Het voornemen was om voor de zomer van 2020 de oplossingsrichtingen uitgewerkt te hebben en mogelijke eerste verbetervoorstellen te kunnen doen. Als gevolg van de Coronacrisis en de herstelactie van het kgb12 is dit niet gelukt. Wij verwachten dit jaar met de uitwerkingen en eventuele voorstellen tot verbetering te komen.
Is er sinds 2016 op enig moment contact geweest met de Algemene Rekenkamer over deze problematiek, gegeven dat het hier gaat om de rechtmatigheid van overheidsuitgaven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was daar de uitkomst van?
De Algemene Rekenkamer heeft in haar verantwoordingsonderzoek 201913 bij de jaarverslagen van het Ministerie van Financiën en van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgenomen dat bij de uitvoering van de Toeslagen door de Belastingdienst sprake is van een inherente onzekerheid over de juistheid van de toeslaguitgaven in verband met de afhankelijkheid van door belanghebbenden verstrekte informatie aan de Belastingdienst. Deze onzekerheid doet geen afbreuk aan het oordeel van de Algemene Rekenkamer over de financiële informatie, omdat er een stelsel aan maatregelen is ingericht om het risico van misbruik en oneigenlijk gebruik zoveel mogelijk te beperken. Deze onzekerheid is niet nader kwantificeerbaar.
Hoe kan het dat het tot nu toe niet aan de Tweede Kamer gemeld is dat beschreven problemen niet alleen voor vluchtelingen, maar ook bij arbeidsmigranten speelden? Is hier sprake van het foutief informeren van de Kamer? Waarom wel/niet?
Vanaf de invoering van de alo-kop in 2015 is de complexiteit van het proces van verrekening van de buitenlandse bijslagen en het controleren van (partner)gegevens in het buitenland bekend. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in de:
Wat gaat u doen om de beschreven problematiek zo spoedig mogelijk te verhelpen? Wanneer gaan we daar de resultaten van zien?
Naast de maatregelen die in de loop van de tijd reeds zijn genomen, is recent de site van de Belastingdienst/Toeslagen aangepast zodat arbeidsmigranten beter de weg kunnen vinden in het registeren van de partner in het buitenland. Ook wordt op korte termijn de informatievoorziening aan arbeidsmigranten op de site WorkinNL.nl uitgebreid. In meer algemene zin zet het in op een verbetering van de registratie in de BRP van niet-ingezetenen, waaronder arbeidsmigranten. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u voorgaande vragen één voor één beantwoorden en binnen drie weken retour sturen?
In verband met nader onderzoek en afstemming is een beantwoording binnen drie weken helaas niet gelukt. Op 24 maart 2021 is hiervoor een uitstelbrief verzonden.
Het bericht dat er in Dronten vijf stembureaus minder komen |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat er in de gemeente Dronten niet meer maar minder stemlocaties zullen zijn?1
Ja.
Bent u het eens dat de aangenomen motie-Van Raak moet worden uitgevoerd die stelt dat er meer stembureaus moeten komen?
Ja.
Bent u bereid om met de gemeente Dronten in contact te treden zodat er alsnog recht gedaan wordt aan de aangenomen motie, bijvoorbeeld doordat er stembureaus in de buitenlucht worden ingericht? Zo nee, waarom niet?
Uit navraag bij de gemeente Dronten blijkt dat er in Dronten op 17 maart 2021 dertien stemlokalen zullen zijn; in 2017 waren dat er achttien. Het totaal aantal stembureaus in Dronten op 17 maart 2021 neemt wel toe ten opzichte van 2017: in 2017 waren er achttien stembureaus; op 17 maart 2021 zullen dat er twintig zijn. In één stemlokaal komen drie stembureaus, in vijf stemlokalen komen er ieder twee stembureaus.
Daarnaast zijn er in Dronten op 15 en 16 maart 2021 dagelijks drie stembureaus open. Het gaat dan om drie stembureaus op drie verschillende locaties.
Heeft u een overzicht voor welke gemeenten nog meer geldt dat zij niet meer maar minder stembureaus inrichten? Zo ja, kunt u dat de Kamer doen toekomen? Zo nee, kunt u daarvoor zorgen?
In de op 2 maart jl. aan de Tweede Kamer verzonden voortgangsbrief over de voorbereiding van de Tweede Kamerverkiezing meld ik de laatste stand van zaken omtrent het aantal stemlokalen/stemlocaties in 2021. Bij die brief is als bijlage de «Rapportage 3e peiling Tweede Kamer Verkiezing 2021» toegevoegd, over het aantal stemlokalen en stembureauleden. Daarin staat ook het door de gemeenten opgegeven eventuele verschil in aantal stemlokalen in 2021 ten opzichte van 2017.
Om de spreiding bij de Tweede Kamerverkiezing zo groot mogelijk te maken, streef ik ernaar dat gemeenten het aantal stemlokalen/locaties op peil houden ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezing in 2017, ongeacht het aantal stembureaus dat op elk van die locaties zitting houdt. In combinatie met de extra mogelijkheden om te stemmen op 15 en 16 maart, en dus de spreiding ook in de tijd te vergroten, moet dit bijdragen aan het veilig kunnen stemmen in deze coronaperiode.
Ik heb gemeenten eerder gewezen op het belang van het op peil houden van de stemlokalen/locaties ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezing in 2017, en op het belang van spreiding en toegankelijkheid. Mijn indruk is dat gemeenten het belang van spreiding over de verschillende wijken c.q. dorpen of kernen goed op het netvlies hebben. Ondanks al hun moeite lukt dit echter niet overal, en zien sommige gemeenten, zoals in dit geval Dronten, zich toch genoodzaakt om over te gaan tot het inrichten van meerdere stembureaus op één locatie.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht dat de Autoriteit Persoonsgegevens de noodklok luidt om de stijging van het aantal hacks bij datalekken. |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het aantal meldingen van hacking, phishing en malware bij datalekken het afgelopen jaar met 30% is gestegen ten opzichte van het voorgaande jaar?1
Ja.
Hoe verklaart u dat de overheid, meer dan ooit, persoonsgegevens heeft afgegeven of verstuurd aan de verkeerde ontvanger? Wat wordt er concreet aan gedaan om dit soort fouten te voorkomen?
Deze vraag ziet op de constatering in de Rapportage datalekken 2020 van de AP dat het aantal meldingen van datalekken vanuit de overheid is gestegen en dat deze stijging vooral komt doordat er meer persoonsgegevens zijn afgegeven of verstuurd aan een verkeerde ontvanger.
De constatering heeft betrekking op de openbare sector als geheel, waardoor het moeilijk is om dit punt toe te schrijven aan een specifiek deel daarvan. Ook wordt uit de rapportage niet duidelijk wat de oorzaak is van (de stijging van) het verkeerd versturen van persoonsgegevens; het kan bijvoorbeeld een menselijke fout betreffen of een onjuiste registratie van een e-mailadres. Dat neemt niet weg dat bij de overheid wordt geïnvesteerd in het verhogen van de beveiliging van informatie en dus ook in de beveiliging van persoonsgegevens. Concreet loopt bij de overheid de implementatie van de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO). Onderdeel van de BIO is het verhogen van het beveiligingsbewustzijn van medewerkers.
Hebben de Autoriteit Persoonsgegevens en de politie genoeg capaciteit om alle meldingen van hacks, phishing en malware goed te onderzoeken? Zo ja, waaruit blijkt dat?
Het opsporen van cybercriminaliteit is geen taak van de AP. De AP houdt toezicht op de uitvoering van de AVG. Als door een datalek inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van burgers, dan is een bedrijf verplicht daarvan een melding te doen bij de AP. De AP kan naar aanleiding van de melding onderzoek doen naar het datalek en eventueel een boete opleggen. In het onderzoek dat door KPMG is uitgevoerd naar de capaciteit en de financiële middelen van de AP is geconcludeerd dat er nog te veel onzekerheden aanwezig zijn om voor de AP tot een eenduidige, meerjarige, vooruitkijkende capaciteitsraming te komen. Ik voer gesprekken met de AP om te zorgen dat haar datapositie wordt verbeterd, om zodoende meer zicht te krijgen op de benodigde capaciteit (brief aan TK van 1 maart 2021, kenmerk 3218059).
Indien aan het datalek een misdrijf – zoals een hack, phishing, malware of een datadiefstal – ten grondslag ligt dan wordt het bedrijf aangemoedigd daarvan aangifte te doen bij de politie. Voor de opsporing van cybercrime beschikt de politie over het Team High Tech Crime van de Landelijke Eenheid en de cybercrimeteams in de regionale eenheden. Deze laatste zijn met gelden uit het Regeerakkoord de afgelopen jaren met 100 fte uitgebreid. Daarnaast is 45 fte ingezet om de aanpak verder te versterken, bijvoorbeeld voor het verbeteren van de intelligence. De politie werkt met een fenomeenaanpak, waarbij zij proactief kijkt naar de brede bestrijding van specifieke cybercrime-fenomenen. Zeker gezien de digitalisering van onze samenleving is het aannemelijk dat cybercrime zal toenemen. Daarom wordt naast opsporing ook ingezet op alternatieve interventies met publieke en private partners, zoals verstoring en preventie.
Hoeveel fte hebben de Autoriteit Persoonsgegevens en politie om zelf actief op zoek te gaan naar hacks en datadiefstallen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel van de in het bericht genoemde 1.173 meldingen van hacks en datadiefstallen hebben opvolging gekregen bij de politie? In hoeveel van die gevallen zijn ook daadwerkelijk daders opgespoord en straffen opgelegd?
De meldplicht van datalekken staat los van een mogelijke aangifte van datadiefstal. Het is daarom niet mogelijk om vast te stellen welke meldingen bij de AP hebben geleid tot opsporing en/of vervolging. Uiteraard worden burgers, organisaties en bedrijven die het slachtoffer zijn van datadiefstal aangemoedigd om aangifte te doen, zodat daders opgespoord kunnen worden.
Wat is uw reactie op de suggestie dat veel schade beperkt of zelfs voorkomen had kunnen worden als «meerfactorauthenticatie» was gebruikt bij het inlogproces? Zou meerfactorauthenticatie dan niet de standaard moeten zijn om in te loggen? Bent u bereid te kijken naar manieren om meerfactorauthenticatie de norm te maken bij online inlogprocedures?
Meerfactorauthenticatie is in beginsel veiliger dan toegangscontrole waarbij een enkele factor voor authenticatie wordt gebruikt. Daarom adviseren het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC), het DTC en www.veiliginternetten.nl meerfactorauthenticatie te gebruiken waar dat wordt aangeboden en wordt hier aandacht aan besteed in bewustwordingsactiviteiten bij specifieke doelgroepen. Daarnaast adviseert het NCSC aan systeemeigenaren meerfactorauthenticatie zo veel mogelijk aan te bieden. In het kader van het publieke-private Convenant Preventie Cybercriminaliteit spreken de ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Justitie en Veiligheid met diverse publieke en private partijen onder meer over hoe meerfactorauthenticatie breder kan worden gebruikt.
De keuze om digitale uitzendingen van culturele evenementen als elektronische dienst te beschouwen. |
|
Renske Leijten (SP), Peter Kwint (SP) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het commentaar van professor Wolf in het Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht (NTFR) op de antwoorden op eerder door ons gestelde vragen over de keuze voor het hoge btw-tarief van 21 procent over digitale uitzendingen van culturele evenementen in plaats van het lage btw-tarief van 9 procent?1
Ja
Hoe beoordeelt u de zaak-Geelen, zoals in het commentaar aangehaald, waarin een digitale uitzending van een cultureel evenement werd beschouwd als een cultureel evenement in plaats van een elektronische dienst? Volgt dit naar uw mening ook uit de btw-richtlijn? Zo nee, waarom is deze keuze destijds gemaakt?
Ja ik ken deze zaak. Hieruit is niet af te leiden dat alle live streaming is uitgezonderd van het begrip elektronische diensten. Ik licht dit hieronder graag toe.
De Btw-richtlijn bevat een expliciet verbod op toepassing van een verlaagd tarief voor elektronische diensten. Elektronische diensten zijn onder meer: de levering van «muziek of films» en «uitzendingen of manifestaties op het gebied van cultuur of ontspanning»2. Ook het «ontvangen van radio of televisieprogramma’s die verspreid worden via het internet of een soortgelijk elektronisch netwerk (IP-streaming), tenzij de uitzending van die programma’s samenvalt met de uitzending ervan via een radio en televisienetwerk» vallen daarbinnen3. Die uitzondering hangt samen met het toegestane verlaagde tarief voor de ontvangst van radio en televisie-uitzendingen via de traditionele netwerken. Hieruit is niet af te leiden dat alle live streaming is uitgezonderd van het begrip elektronische diensten.
De zaak Geelen (HvJ 8 mei 2019, nr. C-568/17) gaat om het aanbod van interactieve erotische webcamoptredens door een Nederlandse ondernemer aan Nederlandse klanten. Daarbij gaat de zaak om de vraag of deze dienst niet in Nederland belast is als de optredende modellen zich in het buitenland bevinden. Het Hof van Justitie EU (hierna: het Hof) onderkent op basis van eerdere jurisprudentie een complexe, uit meerdere componenten bestaande vermakelijkheidsdienst, die in dit geval materieel plaatsvindt daar waar de dienstverrichter is gevestigd. Dit is een bijzondere oplossing voor deze specifieke situatie. In deze zaak is niet beoordeeld of een digitale uitzending van een cultureel evenement een elektronische dienst kan zijn. Weliswaar heeft de Hoge Raad aan het Hof gevraagd of genoemde activiteit een elektronische dienst is, maar die vraag is door het Hof uiteindelijk niet beantwoord vanwege gebrek aan belang. De kwalificatie als elektronische dienst was alleen relevant geweest als de afnemers van Geelen zich buiten Nederland zouden bevinden4, of als een dergelijke kwalificatie van invloed zou zijn op het btw-tarief. Elektronische diensten en erotische optredens zijn in Nederland allebei uitgezonderd van het verlaagde tarief. Uit het casuïstische arrest Geelen kan dan ook niet worden afgeleid of digitale culturele evenementen elektronische diensten zijn.
Bent u bereid op basis van deze beoordeling de tarifering van digitale uitzendingen van culturele evenementen te herzien? Zo nee, bent u bereid in deze uitzonderlijke omstandigheden een uitzondering te maken en niet te wachten op jarenlange Europese onderhandelingen over een wijziging? Zo nee, waarom interesseert het lot van de culturele sector u zo weinig?
Het kabinet trekt zich het lot aan van alle sectoren die getroffen worden door deze pandemie. Zo ook de culturele sector. Om die reden heeft het kabinet ook een set aan generieke en specifieke maatregelen getroffen om de sector te ondersteunen. Echter, een goedkeuring van het verlaagd btw-tarief op digitale culturele evenementen vindt geen steun in het arrest-Geelen en zou op dit moment in strijd zijn met de Btw-richtlijn. Het kabinet is daarom niet voornemens hiervoor op dit moment te voorzien in wettelijke maatregelen. Dit zou overigens ook uitstralingseffecten hebben naar alle andere elektronische diensten buiten de culturele evenementen (bijvoorbeeld het streamen van muziek, series en films). Daarbij ontstaan afbakeningsproblemen. Er is namelijk geen duidelijk afgebakende definitie van de prestatie «online culturele diensten». Daarin kan ook niet goed worden voorzien binnen de meeromvattende categorie elektronische diensten. Wel heeft Nederland – net als een aantal andere lidstaten – bij de onderhandelingen over de Richtlijn tarieven ervoor gepleit om lidstaten meer beleidsruimte te geven om het lage btw-tarief toe te passen op online culturele evenementen en daarbij afbakeningskaders te geven. De onderhandelingen over deze richtlijn worden door de huidige voorzitter van de Raad van de EU voortvarend opgepakt. Op dit moment is niet te zeggen wanneer de onderhandelingen tot een afronding komen.
Hoe beoordeelt u het onderzoek dat uitwijst dat gemeenten de coronasteun aan gemeenten voor culturele doeleinden dikwijls gebruiken voor andere zaken?2
Voor zover ik heb kunnen nagaan is er geen representatief inventariserend onderzoek gedaan naar de besteding van de extra middelen die aan gemeenten zijn verstrekt voor de ondersteuning van de lokale culturele infrastructuur. Er zijn mij momenteel ook geen gemeenten bekend die het besluit hebben genomen om deze middelen in te zetten voor andere zaken.
Blijft u daarmee bij uw eerdere antwoord dat de ondersteuning voor de cultuursector die verloopt via gemeenten, die in deze tijd door de rampzalige decentralisaties vooral bezig zijn met het dichten van gaten in de begroting, afdoende is?
De maatregel om extra middelen voor gemeenten beschikbaar te stellen voor de ondersteuning van de lokale culturele infrastructuur is één onderdeel van het totale pakket aan maatregelen uit het tweede steunpakket voor cultuur van in totaal € 414 miljoen. Het kabinet ondersteunt de culturele sector daarnaast via generieke maatregelen en heeft daarnaast extra middelen beschikbaar gesteld voor specifieke maatregelen voor de sector tot en met 1 juli 20216. Het kabinet is van oordeel dat deze maatregelen gezamenlijk voor de ondersteuning van de culturele sector afdoende zijn voor deze periode en ziet geen aanleiding deze te wijzigen.
De sloop van een Palestijns dorp |
|
Sadet Karabulut (SP), Bram van Ojik (GL), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Keer op keer wordt Humsah al-Fawqa gesloopt, terwijl EU-vertegenwoordigers toekijken»?1
Ja.
Wat is uw reactie nu het in de noordelijke Jordaanvallei gelegen Palestijnse dorpje Humsah al-Fawqa voor de zoveelste keer is gesloopt door Israël, waardoor ruim zeventig mensen dakloos zijn geworden? Veroordeelt u dit illegale optreden van Israël?
Nederland en de EU zijn zeer bezorgd over de sloop en confiscatie van Palestijnse bezittingen in de bezette gebieden, waaronder in Humsah al-Fawqa. In de VN-Mensenrechtenraad heeft de EU zich krachtig uitgesproken tegen het nederzettingenbeleid en de sloop van Palestijnse huizen. De Nederlandse vertegenwoordiger in Ramallah heeft samen met de EU en andere Europese vertegenwoordigers op 5 februari 2021 een bezoek aan Humsah al Fawqa gebracht om de gevolgen van Israëlisch ingrijpen te zien en hun zorgen hierover te uiten. Daarnaast hebben de EU-lidstaten die momenteel in de VN Veiligheidsraad zitten of net hun termijn hebben afgerond, samen met Noorwegen en het VK, Israël opgeroepen af te zien van nieuwe sloop en humanitaire toegang te geven tot de gemeenschap van Humsah al-Fawqa.
Israël geeft aan dat het de bewoners van Humsah al-Fawqa in hun eigen belang tracht te verplaatsen. Humsah al-Fawqa bevindt zich in een gebied dat door Israël is aangemerkt als militair oefengebied, en verplaatsing zou volgens Israël noodzakelijk zijn voor de eigen veiligheid van de bewoners. Het kabinet is echter van mening dat dit geen geoorloofde grond onder het bezettingsrecht betreft, aangezien het houden van militaire oefeningen niet valt onder dwingende militaire redenen.
Ziet u net als de indieners van deze vragen ook een patroon van continu voortgaande sloop van Palestijnse gebouwen in Palestina, waaronder alleen al vorig jaar vele honderden?
Afgaande op gegevens van OCHA is er de afgelopen jaren sprake van een stijging in de sloop van Palestijnse gebouwen, met name in Area C en Oost-Jeruzalem. Het aantal sloopgevallen en in beslag genomen goederen nam volgens OCHA voor het vierde jaar op rij toe: van 420 in 2017 naar 849 in 2020.
Hoe kijkt u erop terug dat u al jaren kritiek uit op de sloop van Palestijnse, niet zelden met EU-steun totstandgekomen, gebouwen en projecten, maar dat Israël hier desondanks mee doorgaat?
Nederland zet zich actief in voor een gezamenlijke Europese reactie ten aanzien van sloop van Palestijnse gebouwen. Bijvoorbeeld door EU-demarches bij de Israëlische autoriteiten, of bezoeken van Europese diplomaten aan Palestijnen die bedreigd worden met sloop of gedwongen uithuiszetting.
Zou u in EU-verband aan willen dringen op stevige maatregelen tegen Israël als de sloop van Palestijnse gebouwen voortgaat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘Afhandeling aanvragen farmaceutische vergunningen ernstig vertraagd’ |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Afhandeling aanvragen farmaceutische vergunningen ernstig vertraagd» van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en CIBG/Farmatec?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Hoe groot is de huidige ernstige vertraging in de doorlooptijd van de behandeling van farmaceutische vergunningen in het licht van de gebruikelijke termijn van maximaal 90 dagen? Hoeveel vergunningaanvragen liggen op dit moment te wachten op behandeling en wat is op dit moment de gemiddelde totale doorlooptijd voor nieuwe vergunningen?
De wettelijke termijn voor behandeling van adviesaanvragen is 90 dagen na ontvangst bij Farmatec. Eind 2020 hebben IGJ en Farmatec het internetbericht geplaatst dat deze termijn niet voor alle lopende aanvragen kon worden gehaald.
Bij verzending van een adviesaanvraag is de aanvrager nog niet altijd gereed voor een inspectiebezoek. Er is dan eerst contact tussen de inspectie en de aanvrager nodig om dit vast te stellen. Eind 2020 liep de achterstand in beantwoording van adviesaanvragen op tot ongeveer 25 lopende aanvragen waarvan de termijn van 90 dagen was overschreden.
Inmiddels heeft met alle bedrijven die een aanvraag ingediend hebben contact gehad en zijn vervolgafspraken gemaakt. Op dit moment is voor alle betrokken bedrijven een inspectiebezoek gepland of inmiddels uitgevoerd.
In hoeverre hebben de IGJ en CIBG/Farmatec genoeg capaciteit om het achterstallige werk en nieuwe aanvragen op korte termijn weg te werken?
De achterstand van eind 2020 was de aanleiding van de genoemde publicatie (1), waarin de achtergrond van de vertraging is aangeven. Door de coronacrisis heeft IGJ een periode minder inspecties op locatie uitgevoerd. Vervolgens heeft IGJ prioriteit gegeven aan de inspecties van bedrijven die (mogelijk) een rol gaan spelen in de productie en distributie van coronavaccins. Daarnaast heeft IGJ in het najaar van 2020 prioriteit gegeven aan het inspecteren van apotheken die IC-gerelateerde middelen bereiden en doorleveren.
Ook nu vraagt het inspecteren van bedrijven die betrokken zijn bij productie of distributie van COVID vaccins een groot deel van de inspectiecapaciteit. Deze inspectiecapaciteit kan dan niet worden ingezet voor het reguliere toezicht, waardoor nu de achterstanden oplopen.
Hoe verhoudt deze ernstige vertraging in het behandelen van nieuwe vergunningen zich tot de recente aankondiging voor een zoektocht naar mogelijke nieuwe productiefaciliteiten of snellere productieprocessen voor coronavaccins in Nederland onder leiding van special envoy vaccins, de heer Schikan?2
Bij de behandeling van nieuwe of gewijzigde vergunningaanvragen krijgen de aanvragen die een relatie hebben met de ontwikkeling of de productie of distributie van COVID-vaccins of medicatie gericht op het bestrijden van de Corona pandemie voorrang op het reguliere toezicht. Deze aanvragen worden met voorrang opgepakt, waarbij inzet van IGJ is om dit proces zo goed en snel mogelijk te doorlopen.
Kunnen de IGJ en CIBG/Farmatec vergunningaanvragen voor eventuele nieuwe productiefaciliteit spoedig behandelen, en hoe verhoudt zich dit tot het bericht over de huidige achterstanden en vertraging?
Naast het adviseren van vergunningaanvragen is regulier toezicht op vergunninghouders een van de taken van de IGJ. Deze taken worden naast elkaar uitgevoerd. Omdat de capaciteit eindig is betekent dat voorrang verlenen aan het adviseren van het CIBG/Farmatec voor het verlenen van een nieuwe vergunning voor een eventuele nieuwe productiefaciliteit ten koste gaat van andere taken van de IGJ, zoals regulier toezicht op houders van een fabrikantenvergunning, of het uitvoeren van een inspectiebezoek op verzoek van CBG of EMA bij nieuwe productielocaties in derde landen in verband met de aanvraag van een handelsvergunning.
Wat zijn de gevolgen van de ernstige vertragingen en het ontbreken van de mogelijkheid tot een verbetertraject bij de IGJ op beslissingen van biotechbedrijven en farmaceuten om al dan niet in Nederland te investeren in innovatieve, nieuwe Good Manufacturing Practice (GMP)-productiefaciliteiten voor bijvoorbeeld klinisch materiaal?
Indien een inspectie onderdeel uitmaakt van een vergunningaanvraag kan tijdens die inspectie worden vastgesteld dat de aanvrager nog niet voldoet aan de (GMP)-voorwaarden om te starten met de activiteiten. Na het oplossen van de constateerde tekortkomingen volgt, eventueel na een aanvullende inspectie, een positief advies. Het is aan de aanvragers om dergelijke verbetertrajecten op te volgen. Bij grote omissies kan een inspectie leiden tot een negatief advies. Ook dan is het aan het bedrijf om een verbetertraject te starten en opnieuw een aanvraag in te dienen. In de praktijk vraagt het verbetertraject bij het bedrijf zelf de meeste tijd. Ook bij vestiging buiten Nederland zal het bedrijf aan de GMP eisen moeten voldoen, voordat een vergunning kan worden verkregen. De plaats van vestiging heeft hier derhalve beperkt invloed op.
De ervaring is dat het opzetten van een farmaceutisch kwaliteitssysteem dat voldoet aan GMP en het bereiken van het GMP niveau doorgaans meer tijd vraagt dan het vergunningsverleningstraject. Bovendien wordt, door het vergroten van de bekendheid van de werkwijze van IGJ en Farmatec, de tijdsduur van een adviesaanvraag zo voorspelbaar mogelijk en helpt dit bedrijven om in te schatten of ze aan de eisen te voldoen, voordat ze een aanvraag indienen.
Ook bij bedrijven die al gevestigd zijn in Nederland is voldoende capaciteit voor regulier toezicht belangrijk. Van houders van een fabrikantenvergunning wordt verwacht dat zij een geldig GMP certificaat kunnen overleggen bij aanvraag van een handelsvergunning of export. Een GMP certificaat wordt uitsluitend verleend na een positief resultaat bij een regulier inspectiebezoek en heeft een beperkte geldigheid.
Bent u het ermee eens dat het met name voor startups en kleinere biotechbedrijven een grote impact heeft dat zij geen mogelijkheid meer hebben tot een verbetertraject bij het verkrijgen van een vergunning voor een nieuw GMP-faciliteit?
Zie antwoord vraag 6.
Hoeveel extra vertraging levert het op dit moment op als een aanvrager een negatief advies krijgt van de IGJ en als gevolg daarvan geen vergunning krijgt vanuit CIBG/Farmatec waardoor zij achter moeten aansluiten in de rij met een nieuwe vergunningaanvraag?
Wanneer een bedrijf kleine geen of kleine omissies heeft, krijgt het de gelegenheid om deze ter herstellen. In dat geval is extra doorlooptijd beperkt. In geval dat de omissies zo groot zijn dat IGJ negatief adviseert zal de aanvrager een nieuwe vergunningaanvraag moeten indienen. Hiervoor geldt een vastgelegde doorlooptijd, hierbij niet meegerekend de tijd die het bedrijf zelf nodig heeft om correcties of verbeteringen door te voeren om een nieuwe aanvraag in te kunnen dienen.
Ziet u ook de mogelijke negatieve gevolgen voor beslissingen over nieuwe GMP-faciliteiten in Nederland en de ambitie om van Nederland een life sciences hub te maken vanuit de grote onzekerheid en onvoorspelbaarheid die nu uitgaat van de huidige situatie bij de IGJ en CIBG/Farmatec rond de behandeling van farmaceutische vergunningen?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke termijn verwachten de IGJ en CIBG/Farmatec de ernstige vertragingen en het ontbreken van de mogelijkheid tot een verbetertraject op te lossen?
Zie antwoord vraag twee.
Welke maatregelen zijn er volgens u nodig om extra capaciteit vrij te maken om de achterstanden en ernstige vertraging zo snel mogelijk weg te werken? Bent u bereid er op toe te zien dat deze maatregelen ook worden doorgevoerd?
IGJ werft momenteel nieuwe medewerkers om zo weer voldoende capaciteit te hebben voor de inspecties en de achterstanden in te lopen.
Daarnaast wordt in 2021 een aangepast inspectie programma uitgerold. Om de achterstand in GMP-inspecties weg te werken is samenwerking nodig tussen de inspectie en de geïnspecteerde. De inspectieduur op locatie wordt verkort en er wordt vooraf meer documentatie bij bedrijven opgevraagd. Ook worden de inspectierapporten minder uitgebreid.
Met behulp van een strakke planning en wederzijdse goede voorbereiding wordt er zo efficiënt mogelijk gewerkt, zonder dat het inspectiebezoek minder zorgvuldig wordt. De inspectie vraagt alle vergunninghouders de inspectie goed voor te bereiden. Een deel van de benodigde documentatie moet vooraf al worden toegestuurd. Dit is meer informatie dan bedrijven tot nu toe gewend waren. Dit opsturen moet uiterlijk drie weken voor de feitelijke inspectie. Op deze manier kan de inspecteur nog op tijd andere informatie opvragen of ter voorbereiding klaar laten leggen. Het inspectiebezoek kost dan minder tijd en kan in veel gevallen in één dag worden afgehandeld. Om zoveel mogelijk inspecties te kunnen doen en om de strakke planning te kunnen uitvoeren, kan bovendien de datum van het bezoek alleen bij uitzonderlijke omstandigheden aangepast worden. De datum van het inspectiebezoek kan niet worden gewijzigd.
Over deze werkwijze staat berichtgeving op IGJ.nl.
Wat is nodig om ervoor te zorgen om voor startups en kleinere biotechbedrijven de mogelijkheid tot een tussentijds verbetertraject in de vergunningaanvraag bij nieuwe GMP-productiefaciliteiten zo snel mogelijk weer beschikbaar te krijgen, zodat Nederland geen innovatieve bedrijvigheid misloopt die uiteindelijk leidt tot toepassingen die bijdragen aan gezondheidswinst? Bent u bereid erop toe te zien dat deze maatregelen ook worden doorgevoerd?
Het is belangrijk dat startups en kleinere biotech bedrijven zorgen dat ze ten tijde van het indienen van de aanvraag voldoen aan de GMP-eisen die gesteld worden aan hun toekomstige activiteiten. De kans dat er tekortkomingen worden geconstateerd, waarvoor eerst een plan van aanpak moet worden overgelegd, wordt daarmee kleiner. Ook de aard van de tekortkomingen zullen dan een minder grote impact hebben en mogelijk sneller kunnen worden opgelost. Er zijn diverse bedrijven in Nederland actief die GMP consultancy aanbieden om deze bedrijven hierbij te begeleiden.
Het inschakelen van burgers bij de bestrijding van ondermijning |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Burgers effectief in aanpak ondermijning»?1
Ja.
Wat kunnen oplettende burgers doen als zij menen dat zij signalen van ondermijnende criminaliteit zien? Wat doen politie, gemeente of Belastingdienst nu bijvoorbeeld met een signaal dat een winkel nog steeds bestaat, ook al komen daar nooit klanten? Of wat doen zij met een melding dat een werkloze buurman in een te dure auto rijdt?
Burgers kunnen bij verschillende (overheids)instanties melding maken van ondermijnende criminaliteit. Denk aan:
Een melding kan op verschillende manieren worden opgevolgd. Dit hangt af van de aard van de melding en de wettelijke taak van de genoemde instanties (zie antwoord vraag 5).
Deelt u de mening van de in het bericht genoemde onderzoekers dat een hogere meldingsbereidheid van signalen van ondermijning door burgers kan leiden tot een effectievere aanpak van ondermijning? Zo ja, waarom en hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals het artikel zelf al aangeeft: »je gaat het pas zien als je het doorhebt». Burgers spelen een cruciale rol in het veilig houden van de maatschappij. Zij vormen zelf de «oren en ogen» van hun omgeving en de samenleving.
Daarom wordt ingezet op een hogere meldingsbereidheid. Er zijn op dit gebied verscheidene initiatieven ontplooid:
Wat wordt er al gedaan om de genoemde meldingsbereidheid van burgers aan te moedigen en te vergroten?
Zie antwoord vraag 2 en 3.
Hoe kan worden voorkomen dat signalen van burgers tot onterechte verdenkingen gaan leiden?
Een verdenking moet zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden. Een melding van een burger is slechts een signaal. Zeker een melding, als genoemd in vraag 2, zal bewerkt moeten worden met andere informatie om te kunnen leiden tot een concrete strafrechtelijke verdenking. Meldingen met een strafrechtelijk karakter zullen, indien er voldoende aanleiding is, altijd gedeeld worden met de politie. De informatie uit de melding moet als betrouwbaar en correct worden ingeschat. Deze inschatting doet de opsporingsinstantie over het algemeen aan de hand van reeds bekende informatie bij de opsporingsinstantie zelf.
De melding kan vervolgens worden toegevoegd aan een onderzoek, de aanleiding zijn voor een nieuw onderzoek of aanleiding zijn voor het heropenen van een oude zaak. Een melding kan bijvoorbeeld andere informatie bevatten die niet relevant is voor het verkrijgen van een concrete verdenking, maar wel voor een lopend of afgesloten opsporingsonderzoek.10 Daarmee kan een melding een waardevolle bijdrage leveren aan het succesvol afronden van een opsporingsonderzoek waardoor een verdenking wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De opsporing heeft daarom baat bij betrouwbare meldingen. Dat neemt niet weg dat in sommige gevallen tijdens het opsporingsonderzoek kan blijken dat de informatie uit de melding niet klopte of niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dan wel niet relevant was voor het opsporingsonderzoek.
Deelt u de mening van de genoemde onderzoekers dat de overheid, om het voor burgers zo gemakkelijk mogelijk te maken, één centraal meldpunt voor melding van signalen van ondermijnende criminaliteit moet krijgen? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Burgers kunnen met (algemene) signalen en meldingen van alle soorten criminaliteit terecht bij de politie. Zoals gezegd zet de politie in op een laagdrempelig contact, waarbij de burger hen kan bereiken door gebruik te maken van diverse contactkanalen. Juist om de toegang tot rechtshandhaving en rechtsorde (extra) te verlagen en het overkomen van de drempel voor de burgers nog gemakkelijker te maken, is M. ingericht waarbij de burgers anoniem hun signalen kunnen aankaarten. Het meldpunt Meldt Misdaad Anoniem draagt er zorg voor dat het signaal anoniem terecht komt bij de politie, andere opsporingsinstanties (zoals de FIOD) of gemeenten voor de uitoefening van de aan hen opgedragen taken in de gezamenlijke strijd tegen ondermijning. De stijgende jaarcijfers van dit meldpunt (50% meer meldingen in 2020) laten zien dat het meldpunt door de maatschappij ook gevonden wordt.
Het bericht ‘Belastingdienst weer in de fout: veel te veel toeslag voor arbeidsmigranten’. |
|
Helma Lodders (VVD), Chantal Nijkerken-de Haan (VVD) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Belastingdienst weer in de fout: veel te veel toeslag voor arbeidsmigranten»?1
Ja.
Wat is uw reactie op deze berichtgeving?
Wij streven ernaar iedere toeslaggerechtigde de toeslag toe te kennen waar hij/zij recht op heeft. Wanneer dit onverhoopt niet goed gaat, of wanneer burgers met (hoge) terugvorderingen geconfronteerd worden, betreuren we dat. Graag zetten wij hieronder uiteen hoe het proces rond toekennen van het kindgebondenbudget (kgb) werkt en hoe dit bij arbeidsmigranten in het bijzonder kan uitpakken. Dit geeft op veel van de onderstaande vragen antwoord. Wij verwijzen daarom bij andere antwoorden regelmatig naar dit antwoord.
Jaarlijks hebben circa 1 miljoen huishoudens recht op kgb. Deze toeslag is bedoeld voor mensen met een laag- of middeninkomen en (jonge) kinderen. Dit is vaak een doelgroep waarbij het toeslagenstelsel niet altijd aansluit bij het doenvermogen van de burger.
Voor de vaststelling en toekenning van het kgb gebruikt de Belastingdienst/Toeslagen gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) waarbij alleen die gegevens verwerkt kunnen worden die gekoppeld zijn aan een BSN. Het gebruik van het BSN houdt verband met de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst/Toeslagen en is voor wat betreft de aanvrager van een toeslag vastgelegd in artikel 1b van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Daarnaast worden gegevens uit de aanvraag van de belanghebbende zelf gebruikt. Voor specifiek het kgb geldt dat wanneer burgers al een andere toeslag ontvangen (vaak zorgtoeslag) en er wordt kinderbijslag ontvangen, er volgens de wet tevens een aanvraag voor kgb is gedaan. De Belastingdienst/Toeslagen kent daarop kgb toe op basis van gegevens gebruikt bij de vaststelling van de andere toeslag. Deze automatische toekenning is in wetgeving opgenomen om burgers zo goed mogelijk van dienst te zijn.
Het automatisch toekennen en het «voorinvullen» van deze gegevens maakt het voor burgers eenvoudiger om een toeslag aan te vragen en helpt veel fouten bij de aanvraag te voorkomen. Keerzijde van deze werkwijze is dat onvolledige gegevens uit een eerdere aanvraag doorwerken in de aanvraag kgb. Ook is het niet mogelijk om de authentieke gegevens (afkomstig uit de BRP) in de aanvraag aan te vullen of te wijzigen en is de verwerking van gegevens zonder BSN van aanvrager en/of toeslagpartner niet mogelijk.
Het algemene proces werkt zodanig dat als de gegevens uit de BRP en uit de (eerdere) aanvraag juist en volledig zijn, en er wordt voldaan aan de overige voorwaarden, de toeslag op de juiste wijze wordt toegekend. Dit betekent dat als de Belastingdienst/Toeslagen een toeslagpartner kan vaststellen het kgb zonder verhoging voor alleenstaande ouders (de alleenstaande ouderkop, hierna: alo-kop) wordt toegekend. Als er geen toeslagpartner kan worden vastgesteld, wordt kgb inclusief de alo-kop toegekend.2 De alo-kop bedraagt voor 2021 maximaal € 3.242,– per jaar.
Voor de vaststelling van het toeslagpartnerschap worden adresgegevens en gegevens over een eventueel huwelijk of geregistreerd partnerschap en ouder-kindrelaties uit de BRP gebruikt. Voor situaties waarin beide partners in Nederland wonen (als inwoner in de BRP staan met een Nederlands adres èn BSN), kan het toeslagpartnerschap met deze gegevens vrijwel altijd worden vastgesteld.
Wanneer sprake is van een mogelijke partner in het buitenland is een juiste vaststelling en toekenning van het kgb complex en niet altijd goed mogelijk. De BRP (met gegevens over inwoners van Nederland en anderen met een relatie met de Nederlandse overheid, zogenaamde niet-ingezetenen) bevat namelijk niet alle benodigde gegevens om in alle gevallen vast te kunnen stellen of iemand een toeslagpartner in het buitenland heeft:
Het (financiële) belang van het beschikken over de juiste partnergegevens is met de invoering van de alo-kop in 2015 sterk toegenomen. In toenemende mate werd duidelijk dat de vaststelling van kgb in situaties met een buitenlandcomponent niet altijd goed mogelijk is. Vanaf dat moment is gezocht naar oplossingen en zijn maatregelen genomen om het toeslagpartnerschap beter te kunnen vaststellen om daarmee onterechte toekenning van een Alo-kop te voorkomen.
Bij de inwerkintreding van de Wet BRP (als opvolger van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, waarbij de BRP werd uitgebreid met het registreren van gegevens van niet-ingezetenen, bekend als RNI) is bezien of het registeren van de verwantschapsgegevens voor niet-ingezetenen in de BRP tot de mogelijkheden behoorde. Het toenmalige kabinet heeft daar echter niet toe besloten. Dit omdat er onvoldoende zekerheid was dat deze gegevens op een acceptabel niveau van actualiteit en juistheid gehouden zouden kunnen worden.
In reactie daarop is in 2015 een tijdelijke oplossing, de zogenaamde verwantschapsquery, ontwikkeld. Met behulp van deze query biedt de SVB de Belastingdienst/Toeslagen signalen over (buitenlandse) partnergegevens waarover de SVB beschikt op grond van haar taak om de samenloop met buitenlandse gezinsbijslagen vast te stellen.3 Voor deze taak is o.a. de aanwezigheid van een (werkende) partner in het thuisland relevant. Via zusterorganisaties in het buitenland laat de SVB buitenlandse registraties van persoonsgegevens en partnergegevens verifiëren die nodig zijn voor de beoordeling van het recht op kinderbijslag. Op basis van deze gegevens kan de Belastingdienst/Toeslagen in een aantal gevallen alsnog een toeslagpartner (in het buitenland) in de eigen systemen registreren. Deze informatie-uitwisseling tussen de SVB en de Belastingdienst/Toeslagen is daarmee behulpzaam maar is niet sluitend en biedt geen structurele oplossing:
Specifiek voor statushouders met een partner in het buitenland is het mogelijk gemaakt dat zij op verzoek kunnen afzien van de Alo-kop. De reden hiervoor is dat vluchtelingen als gevolg van hun situatie vaak niet meer beschikken over (een betrouwbare kopie van) de relevante documentatie. Het is daarom niet (altijd) mogelijk aan hun partner een BSN toe te kennen dat de Belastingdienst/Toeslagen nodig heeft om een partner te kunnen registreren. De Belastingdienst/Toeslagen heeft daarvoor een samenwerkingsconvenant met VluchtelingenWerk Nederland, die deze verzoeken namens vluchtelingen kan indienen.
Sinds maart 2021 kunnen toeslaggerechtigden met een partner in het buitenland de partnergegevens bij de Belastingdienst/Toeslagen aanleveren middels een formulier op de site. Daarbij worden gegevens (een huwelijksakte, een partnerschapsakte of een door een notaris opgemaakt samenlevingscontract) uitgevraagd waarmee de Belastingdienst/Toeslagen de toeslagpartner kan vaststellen en registreren in de eigen systemen. De Belastingdienst/Toeslagen kan ervoor kiezen de partner vervolgens als niet-ingezetene te laten registreren in de BRP.4 De partner verkrijgt daarmee een BSN dat noodzakelijk is voor de verwerking van de partnergegevens in de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen. De vindbaarheid en de toelichting bij het formulier zijn recent op de site van de Belastingdienst/Toeslagen verbeterd.
Naar aanleiding van de Beleidsdoorlichting Tegemoetkoming Ouders5 is het proces van verrekening van de buitenlandse bijslagen en het controleren van (partner)gegevens in het buitenland met het oog op vereenvoudiging en verbetering onderzocht. De Belastingdienst/Toeslagen, SVB en onze beide departementen hebben op basis daarvan verschillende oplossingsrichtingen geformuleerd. Het voornemen was om voor de zomer van 2020 de oplossingsrichtingen uitgewerkt te hebben en mogelijke eerste verbetervoorstellen te kunnen doen. Als gevolg van de Coronacrisis en de herstelactie van het kgb6 is dit niet gelukt. Wij verwachten dit jaar met de uitwerkingen en eventuele voorstellen tot verbetering te komen.
Naast verbetering van het uitvoeringsproces zet het kabinet in op een verbetering van de registratie in de BRP van niet-ingezetenen, waaronder arbeidsmigranten. In het kader van de Ontwikkelagenda BRP vindt een aantal acties plaats om de registratie van niet-ingezetenen in de BRP te verbeteren:
Deelt u de mening dat het pijnlijk is dat de Belastingdienst opnieuw en een langere periode in de fout is gegaan met de uitvoering van een regeling waardoor mogelijk ruim 15.000 arbeidsmigranten te veel kindgebonden budget hebben ontvangen?
Het is niet bekend in hoeveel gevallen er door de Belastingdienst/Toeslagen onterecht van wordt uitgegaan dat geen sprake is van een toeslagpartner. Wel is bekend dat in totaal aan circa 5.000 alleenstaande ouders waarvan het kind niet in Nederland woont kgb wordt toegekend. Hierbij gaat het niet uitsluitend om arbeidsmigranten, maar bijvoorbeeld ook om grensarbeiders. Wij verwijzen u ook naar het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat, zoals verwoord in het artikel, de Belastingdienst de toeslagen toekent op basis van foute informatie in zijn eigen systemen? Kunt u toelichten waarom dit gebeurt?
De Belastingdienst/Toeslagen registreert niet of een toeslagontvanger een arbeidsmigrant is. Het is daarom niet vast te stellen hoeveel arbeidsmigranten te veel kgb hebben ontvangen of hoe vaak de alo-kop is teruggevorderd bij deze doelgroep. Wel is bekend dat in totaal aan circa 5.000 alleenstaande ouders waarvan het kind niet in Nederland woont kgb is toegekend. Hierbij gaat het niet uitsluitend om arbeidsmigranten, maar bijvoorbeeld ook om grensarbeiders.
Kunt u verklaren waarom deze werkwijze nog steeds gaande is, terwijl de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in het artikel erkent dat deze situatie al vanaf 2016 gaande is en de Belastingdienst erkent dat het probleem al jarenlang bestaat?
Dit is helaas het gevolg van het huidige toeslagenstelsel met voorschotten, sterke inkomensafhankelijkheid en veel complexe grondslagen in combinatie met een automatische verwerking van gegevens die sterk afhankelijkheid zijn van een volledige en juiste registratie van partnergegevens die niet makkelijk voor handen zijn. Dit speelt met name in situaties waarin sprake is van een proces van verrekening van de buitenlandse bijslagen en het controleren van (partner)gegevens in het buitenland.
Kunt u zich voorstellen dat mensen, als zij persoonlijke informatie delen met de overheid, ervan uitgaan dat zij te maken hebben met een overheid, zeker in deze situatie waarbij de SVB informatie vergaart en aanlevert aan de Belastingdienst voor de uitvoering van de regeling? Zo ja, hoe heeft u deze situatie dan zo lang kunnen laten bestaan? Bij welke andere regelingen of diensten van de overheid komt deze situatie voor?
Mede ingegeven door de gedachte dat burgers te maken hebben met één overheid, maakt de Belastingdienst/Toeslagen voor het vaststellen van de hoogte van het kgb zoveel mogelijk gebruik van reeds beschikbare gegevens. Voor zover het authentieke gegevens uit een basisregistratie (BRP) betreft, is gebruik in beginsel9 verplicht. Dit maakt onderdeel uit van het stelsel van basisregistraties, de daarbij geldende afspraken en de automatische verwerking en de beperking daarvan zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. Naast deze gegevens maakt de Belastingdienst/Toeslagen gebruik van gegevens uit de aanvraag en de eigen systemen.
In het antwoord op vraag 2 is de rol van de SVB in het proces van verrekening van de buitenlandse bijslagen en het controleren van (partner)gegevens in het buitenland uiteengezet. De informatie-uitwisseling die hieruit voortkomt, is niet gebaseerd op een wettelijke taak van de SVB in het vergaren van (toeslagpartner)gegevens voor de uitvoering van de Wet op het Kindgebonden budget (WKB) en kan niet in alle gevallen worden gebruikt om het toeslagpartnerschap mee vast te stellen. Burgers die een toeslag aanvragen zijn gehouden om de gegevens van de toeslagpartner (die in het buitenland verblijft) bij de Belastingdienst/Toeslagen te melden. Daarbij realiseren wij ons dat dit veel vraagt van het doenvermogen van burgers. In antwoord op vraag 2 is aangegeven dat het kabinet streeft naar vereenvoudiging en verbeteringen van het proces.
Hoeveel signalen heeft de Belastingdienst de afgelopen zeven jaren ontvangen van mensen die het betreft, belastingadministratiekantoren, belastingadviesbureaus en/of anderen die deze situatie hebben aangekaart (graag een overzicht over de signalen van de afgelopen zeven jaar, per jaar)?
Er vindt geen specifieke registratie van signalen van arbeidsmigranten of hun vertegenwoordigers plaats. Concrete signalen zijn ons daarom niet bekend.
Wat heeft de Belastingdienst met deze signalen gedaan en welke reactie hebben de bij vraag 7 genoemden ontvangen? Binnen welke termijn zijn meldingen over personen aangepast in de systemen?
Genoemde signalen zijn ons niet bekend. De signalen die wel zijn ontvangen, hadden vooral betrekking op statushouders. Voor statushouders is met Vluchtelingenwerk Nederland een convenant afgesloten. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat er minimaal negen administratiekantoren aan de bel hebben getrokken over de situatie en daarbij de juiste familiegegevens hebben verstrekt, maar mensen nog steeds een te hoog kindgebonden budget ontvangen? Zo nee, kunt u uw antwoord onderbouwen?
Deze concrete signalen zijn ons niet bekend.
Klopt het in het artikel genoemde percentage van 50 procent van alle aanvragen van toeslagen waarbij het mis gaat? Hoe kunt u verklaren dat de door het administratiekantoor aangeleverde informatie niet verwerkt wordt en daarmee dus een te hoge toeslag wordt uitgekeerd met alle gevolgen van dien? Zo niet, waarom niet?
Het is door de Belastingdienst/Toeslagen niet vast te stellen in hoeveel gevallen arbeidsmigranten onterecht een alo-kop ontvangen. De Belastingdienst/Toeslagen kan alleen afzien van de toekenning van een alo-kop als een toeslagpartner kan worden vastgesteld.
Arbeidsmigranten of administratiekantoren worden als zij contact opnemen met de Belastingdienst/Toeslagen zo goed mogelijk geholpen om de registratie van de partnergegevens in de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen en de registratie van de partner zelf mogelijk te maken. Dat kan echter alleen wanneer de toeslaggerechtigde en zijn//haar partner beschikt over (een kopie van) de relevante documentatie. Dit kan daarom niet uitsluitend over de telefoon en duurt daarmee langer, afhankelijk van de beschikbaarheid van de noodzakelijke documentatie.
Zodra de mutatie heeft plaatsgevonden, is deze binnen 24 uur zichtbaar in MijnToeslagen. De nieuwe beschikking volgt regulier binnen één maand na de mutatie. Vervolgens ontvangt de burger bij de eerst volgende betaling10 het aangepaste bedrag (dus zonder alo-kop). Als de mutatie net na het moment van het opmaken van beschikkingen wordt gedaan dan schuift de ontvangst van de nieuwe beschikking een maand op. Voor zover bekend, hebben wij geen signalen dat verzoeken niet worden opgevolgd.
Vanaf wanneer werd het voor de Belastingdienst duidelijk dat er fouten in het proces zaten waardoor niet alleen vluchtelingen maar ook arbeidsmigranten te veel aan kindgebonden budget hebben ontvangen?
Met de invoering van de alo-kop in 2015 nam het (financiële) belang van het beschikken over de juiste partnergegevens sterk toe. In toenemende mate werd duidelijk dat de vaststelling van kgb in situaties met een buitenlandcomponent niet altijd goed mogelijk is. Vanaf dat moment is gezocht naar oplossingen. Er zijn maatregelen genomen om het toeslagpartnerschap beter te kunnen vaststellen om daarmee onterechte toekenning van een alo-kop te voorkomen.
Wat heeft u en wat heeft de Belastingdienst vanaf dat moment (vraag 11) gedaan om het uitvoeringsproces te wijzigen?
Sinds 2015 zijn oplossingen onderzocht en verbeteringen doorgevoerd:
Wij verwijzen u ook naar het antwoord op vraag 2.
Kunt u toelichten waarom u op dezelfde wijze doorgaat met het toekennen van het kindgebonden budget als u weet dat dit op basis van foute informatie plaatsvindt?
Er zijn sinds 2015 verbeteringen doorgevoerd en oplossingen onderzocht. Helaas zijn als gevolg van het huidige toeslagenstelsel makkelijke oplossingen niet voorhanden.
Kunt u het proces beschrijven hoe een administratiekantoor het snelste wijzigingen in de gezinssituatie met betrekking tot toeslagen kan doorgeven aan de Belastingdienst? Is dit proces voor iedereen van toepassing? Hoe lang duurt het in dit proces voordat de wijziging ook daadwerkelijk is verwerkt?
De snelste weg die door een administratiekantoor kan worden bewandeld, is zorgen dat de partnergegevens van de arbeidsmigrant worden geregistreerd in de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen. Dit kan door middel van een formulier op de site van de Belastingdienst/Toeslagen. Dat kan echter alleen wanneer de toeslaggerechtigde en zijn/haar partner beschikt over (een kopie van) de relevante documentatie. Dit kan daarom niet uitsluitend over de telefoon. Wij verwijzen u ook naar het antwoord op vraag 2 en 8 waar wordt toegelicht dat de Belastingdienst/Toeslagen personen kan laten registreren in de BRP.
Kunt u ingaan op de ervaring zoals geschetst in het artikel waarbij er meerdere keren moet worden gebeld, alle informatie schriftelijk moet worden doorgegeven en het proces een half jaar duurt?
Wijzigingen kunnen uitsluitend worden doorgevoerd indien vaststaat dat dit op verzoek van de burger is. Wanneer een adviseur belt, kan dit niet altijd met zekerheid worden vastgesteld. Daarnaast is het niet altijd mogelijk gegevens per telefoon te wijzigen, bijvoorbeeld als de wijziging met authentieke gegevens onderbouwd moet worden. In dat geval wordt de burger gewezen op de wijze waarop deze wijziging schriftelijk kan worden doorgevoerd. De situatie die in het artikel wordt genoemd is ons niet bekend.
Deelt u de mening dat, als de geschetste ervaring (vraag 15) klopt, deze niet acceptabel is? Bent u bereid om in deze situatie (doorgeven van wijzigingen bij aanvraag en toekenning toeslagen) zo snel mogelijk te starten met een «track & trace systeem» zodat te allen tijde de informatie bekend is, gevolgd en verwerkt kan worden (met verwijzing naar de eerder gestelde vragen en antwoorden van het lid Lodders: Voorstel track & trace voor de Belastingdienst 2021Z00311)? Zo nee, waarom niet?
Het streven is dat als een toeslaggerechtigde contact opneemt met de Belastingdienst/Toeslagen hij/zij zo goed mogelijk wordt geholpen om registratie van zijn partner mogelijk te maken. Er lopen verschillende trajecten binnen de Belastingdienst die de mogelijkheden onderzoeken voor het invoeren van een systeem als track & trace en het uitbreiden van bestaande functionaliteiten om stukken te volgen.
Herinnert u zich dat de Kamer in het voorjaar van 2020 zou worden geïnformeerd over een oplossing waardoor de vaststelling van het kindgebonden budget voor «buitenland gevallen» structureel goed zou worden ingericht? Wat is de status van deze structurele oplossing?
Ja. Naar aanleiding van de Beleidsdoorlichting Tegemoetkoming Ouders11 is het proces van verrekening van de buitenlandse bijslagen en het controleren van (partner)gegevens in het buitenland met het oog op vereenvoudiging en verbetering onderzocht. De SVB, Belastingdienst/Toeslagen en onze beide departementen hebben op basis daarvan verschillende oplossingsrichtingen geformuleerd. Het voornemen was om voor de zomer van 2020 de oplossingsrichtingen uitgewerkt te hebben en mogelijke eerste verbetervoorstellen te kunnen doen. Als gevolg van de Coronacrisis en de herstelactie van het kgb12 is dit niet gelukt. Wij verwachten dit jaar met de uitwerkingen en eventuele voorstellen tot verbetering te komen.
Kunt u aangeven bij hoeveel arbeidsmigranten de fout is ontdekt en deze is rechtgezet? Hoeveel arbeidsmigranten zijn de afgelopen jaren in de knel gekomen omdat ze onterecht te veel kindgebonden budget hebben ontvangen en deze hebben moeten terugbetalen? Kunt u tevens aangeven om hoeveel geld het in totaal gaat (overzicht van de afgelopen zeven jaar, per jaar)?
Dit aantal is niet bekend en kan niet uit de systemen worden herleid.
Zijn of worden de betreffende arbeidsmigranten op enige wijze aangemerkt als «fraudeur» binnen de Belastingdienst? Zo ja, op welke wijze?
Het ontbreken van partnergegevens is geen reden om aangemerkt te worden als fraudeur.
Kunt u garanderen dat de betreffende mensen niet (langer) als fraudeur worden aangemerkt en behandeld en er gezocht wordt naar een passende oplossing? Zo nee, waarom niet?
Het ontbreken van partnergegevens is geen reden om aangemerkt te worden als fraudeur.
Kunt u aangeven op welke termijn het geconstateerde probleem structureel is opgelost?
De complexiteit van het proces van verrekening van de buitenlandse bijslagen en het controleren van (partner)gegevens in het buitenland is niet eenvoudig op te lossen binnen het huidige toeslagenstelsel. De historie laat dit ook zien. Op dit moment wordt dit proces opnieuw onderzocht om te zien of vereenvoudiging en verbetering mogelijk is. Wij verwachten dit jaar met de uitwerkingen en eventuele voorstellen tot verbetering te komen.
Deelt u de ernstige zorgen over de ontvlechting (reorganisatie) van de Belastingdienst, het ontbreken van een haalbaarheids- en uitvoeringstoets waardoor er geen inzicht is voor de gevolgen voor de werkzaamheden waar de dienst voor staat? Heeft de ontvlechting (reorganisatie) invloed gehad op het uitblijven van de toegezegde oplossing in het voorjaar van 2020? Heeft de ontvlechting (reorganisatie) van de dienst invloed op de huidige situatie? Zo nee, kunt u beide antwoorden uitgebreid toelichten? Kunt u hierbij, conform een eerder verzoek van de leden van de VVD-fractie, een actuele haalbaarheids- en uitvoeringstoets aan de Kamer doen toekomen?2
De ontvlechting heeft geen invloed gehad op de huidige situatie met het kgb. Wij verwijzen u hiervoor ook naar het antwoord op vraag 2 en het antwoord op vraag 17. De wijze van ontvlechting wordt nog uitgewerkt. Als toegezegd, wordt uw Kamer over die uitwerking geïnformeerd.
Klopt het dat de SVB een startbericht doorgeeft aan de Belastingdienst om over te gaan tot het uitkeren van het kindgebonden budget? Wordt deze informatie een-op-een overgenomen? Zo nee, waarom niet?
Nee, de SVB voert de Algemene Kinderbijslagwet uit. Iemand maakt aanspraak op kgb als kinderbijslag wordt ontvangen. De SVB informeert de Belastingdienst/Toeslagen hierover via een zogenaamd tijdlijnbericht. Partnergegevens zijn hierin niet opgenomen omdat deze gegevens voor het ontvangen van kinderbijslag niet relevant zijn. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat het Ministerie van Financiën de uitvoering van toeslagen monitort? Klopt het dat de Belastingdienst rapporteert aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid? Kunt u toelichten of deze kwestie eerder aan de orde is gekomen in de monitoring door het Ministerie van Financiën? Zo ja, op welke manier en is hiermee gedaan? Zo nee, kunt u toelichten of de monitoring op een adequate manier gebeurt als deze situatie vanaf 2015 bekend is en er geen concrete actie ondernomen is om de situatie aan te pakken? Deelt u de mening dat deze kwestie natuurlijk veel eerder door het Ministerie van Financiën aan de orde gesteld had moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Ja, het Ministerie van Financiën monitort de uitvoering van de toeslagen vanaf de invoering van het stelsel. Bij deze monitoring komt een groot aantal onderwerpen aan de orde die te maken hebben met de uitvoering door de Belastingdienst/Toeslagen, waaronder ook het kgb. Ook tussen Belastingdienst/Toeslagen en SZW vindt periodiek overleg plaats over de uitvoering van het kgb. Specifiek bij internationale vraagstukken is ook de SVB gesprekspartner. Zoals in antwoord op vraag 2 is aangegeven, is de complexiteit van vaststelling van de hoogte van het kgb voor aanvragers waarbij een in het buitenland verblijvende partner aan de orde zou kunnen zijn, onderdeel van deze overleggen geweest en is gestreefd naar vereenvoudiging en verbetering van dit proces.
Het ongevraagd uitkeren van een te hoog kindgebonden budget |
|
Renske Leijten (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat arbeidsmigranten al jaren ongevraagd en buiten hun schuld om teveel kindgebonden budget krijgen uitgekeerd door de Belastingdienst?1
Wij streven ernaar iedere toeslaggerechtigde de toeslag toe te kennen waar hij/zij recht op heeft. Wanneer dit onverhoopt niet goed gaat, of wanneer burgers met (hoge) terugvorderingen geconfronteerd worden, betreuren we dat. Graag zetten wij hieronder uiteen hoe het proces rond toekennen van het kindgebondenbudget (kgb) werkt en hoe dit bij arbeidsmigranten in het bijzonder kan uitpakken. Dit geeft op veel van de onderstaande vragen antwoord. Wij verwijzen daarom bij andere antwoorden regelmatig naar dit antwoord.
Jaarlijks hebben circa 1 miljoen huishoudens recht op kgb. Deze toeslag is bedoeld voor mensen met een laag- of middeninkomen en (jonge) kinderen. Dit is vaak een doelgroep waarbij het toeslagenstelsel niet altijd aansluit bij het doenvermogen van de burger.
Voor de vaststelling en toekenning van het kbg gebruikt de Belastingdienst/Toeslagen gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) waarbij alleen die gegevens verwerkt kunnen worden die gekoppeld zijn aan een BSN. Het gebruik van het BSN houdt verband met de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst/Toeslagen en is voor wat betreft de aanvrager van een toeslag vastgelegd in artikel 1b van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Daarnaast worden gegevens uit de aanvraag van de belanghebbende zelf gebruikt. Voor specifiek het kgb geldt dat wanneer burgers al een andere toeslag ontvangen (vaak zorgtoeslag) en er wordt kinderbijslag ontvangen, er volgens de wet tevens een aanvraag voor kgb is gedaan. De Belastingdienst/Toeslagen kent daarop kgb toe op basis van gegevens gebruikt bij de vaststelling van de andere toeslag. Deze automatische toekenning is in wetgeving opgenomen om burgers zo goed mogelijk van dienst te zijn.
Het automatisch toekennen en het «voorinvullen» van deze gegevens maakt het voor burgers eenvoudiger om een toeslag aan te vragen en helpt veel fouten bij de aanvraag te voorkomen. Keerzijde van deze werkwijze is dat onvolledige gegevens uit een eerdere aanvraag doorwerken in de aanvraag kgb. Ook is het niet mogelijk om de authentieke gegevens (afkomstig uit de BRP) in de aanvraag aan te vullen of te wijzigen en is de verwerking van gegevens zonder BSN van aanvrager en/of toeslagpartner niet mogelijk.
Het algemene proces werkt zodanig dat als de gegevens uit de BRP en uit de (eerdere) aanvraag juist en volledig zijn, en er wordt voldaan aan de overige voorwaarden, de toeslag op de juiste wijze wordt toegekend. Dit betekent dat als de Belastingdienst/Toeslagen een toeslagpartner kan vaststellen het kgb zonder verhoging voor alleenstaande ouders (de alleenstaande ouderkop, hierna: alo-kop) wordt toegekend. Als er geen toeslagpartner kan worden vastgesteld, wordt kgb inclusief de alo-kop toegekend.2 De alo-kop bedraagt voor 2021 maximaal € 3.242,– per jaar.
Voor de vaststelling van het toeslagpartnerschap worden adresgegevens en gegevens over een eventueel huwelijk of geregistreerd partnerschap en ouder-kindrelaties uit de BRP gebruikt. Voor situaties waarin beide partners in Nederland wonen (als inwoner in de BRP staan met een Nederlands adres èn BSN), kan het toeslagpartnerschap met deze gegevens vrijwel altijd worden vastgesteld.
Wanneer sprake is van een mogelijke partner in het buitenland is een juiste vaststelling en toekenning van het kgb complex en niet altijd goed mogelijk. De BRP (met gegevens over inwoners van Nederland en anderen met een relatie met de Nederlandse overheid, zogenaamde niet-ingezetenen) bevat namelijk niet alle benodigde gegevens om in alle gevallen vast te kunnen stellen of iemand een toeslagpartner in het buitenland heeft:
Het (financiële) belang van het beschikken over de juiste partnergegevens is met de invoering van de alo-kop in 2015 sterk toegenomen. In toenemende mate werd duidelijk dat de vaststelling van kgb in situaties met een buitenlandcomponent niet altijd goed mogelijk is. Vanaf dat moment is gezocht naar oplossingen en zijn maatregelen genomen om het toeslagpartnerschap beter te kunnen vaststellen om daarmee onterechte toekenning van een Alo-kop te voorkomen.
Bij de inwerkintreding van de Wet BRP (als opvolger van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, waarbij de BRP werd uitgebreid met het registreren van gegevens van niet-ingezetenen, bekend als RNI) is bezien of het registeren van de verwantschapsgegevens voor niet-ingezetenen in de BRP tot de mogelijkheden behoorde. Het toenmalige kabinet heeft daar echter niet toe besloten. Dit omdat er onvoldoende zekerheid was dat deze gegevens op een acceptabel niveau van actualiteit en juistheid gehouden zouden kunnen worden.
In reactie daarop is in 2015 een tijdelijke oplossing, de zogenaamde verwantschapsquery, ontwikkeld. Met behulp van deze query biedt de SVB de Belastingdienst/Toeslagen signalen over (buitenlandse) partnergegevens waarover de SVB beschikt op grond van haar taak om de samenloop met buitenlandse gezinsbijslagen vast te stellen.3 Voor deze taak is o.a. de aanwezigheid van een (werkende) partner in het thuisland relevant. Via zusterorganisaties in het buitenland laat de SVB buitenlandse registraties van persoonsgegevens en partnergegevens verifiëren die nodig zijn voor de beoordeling van het recht op kinderbijslag. Op basis van deze gegevens kan de Belastingdienst/Toeslagen in een aantal gevallen alsnog een toeslagpartner (in het buitenland) in de eigen systemen registreren. Deze informatie-uitwisseling tussen de SVB en de Belastingdienst/Toeslagen is daarmee behulpzaam maar is niet sluitend en biedt geen structurele oplossing:
Specifiek voor statushouders met een partner in het buitenland is het mogelijk gemaakt dat zij op verzoek kunnen afzien van de Alo-kop. De reden hiervoor is dat vluchtelingen als gevolg van hun situatie vaak niet meer beschikken over (een betrouwbare kopie van) de relevante documentatie. Het is daarom niet (altijd) mogelijk aan hun partner een BSN toe te kennen dat de Belastingdienst/Toeslagen nodig heeft om een partner te kunnen registreren. De Belastingdienst/Toeslagen heeft daarvoor een samenwerkingsconvenant met VluchtelingenWerk Nederland, die deze verzoeken namens vluchtelingen kan indienen.
Sinds maart 2021 kunnen toeslaggerechtigden met een partner in het buitenland de partnergegevens bij de Belastingdienst/Toeslagen aanleveren middels een formulier op de site. Daarbij worden gegevens (een huwelijksakte, een partnerschapsakte of een door een notaris opgemaakt samenlevingscontract) uitgevraagd waarmee de Belastingdienst/Toeslagen de toeslagpartner kan vaststellen en registreren in de eigen systemen. De Belastingdienst/Toeslagen kan ervoor kiezen de partner vervolgens als niet-ingezetene te laten registreren in de BRP.4 De partner verkrijgt daarmee een BSN dat noodzakelijk is voor de verwerking van de partnergegevens in de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen. De vindbaarheid en de toelichting bij het formulier zijn recent op de site van de Belastingdienst/Toeslagen verbeterd.
Naar aanleiding van de Beleidsdoorlichting Tegemoetkoming Ouders5 is het proces van verrekening van de buitenlandse bijslagen en het controleren van (partner)gegevens in het buitenland met het oog op vereenvoudiging en verbetering onderzocht. De Belastingdienst/Toeslagen, SVB en onze beide departementen hebben op basis daarvan verschillende oplossingsrichtingen geformuleerd. Het voornemen was om voor de zomer van 2020 de oplossingsrichtingen uitgewerkt te hebben en mogelijke eerste verbetervoorstellen te kunnen doen. Als gevolg van de Coronacrisis en de herstelactie van het kgb6 is dit niet gelukt. Wij verwachten dit jaar met de uitwerkingen en eventuele voorstellen tot verbetering te komen.
Naast verbetering van het uitvoeringsproces zet het kabinet in op een verbetering van de registratie in de BRP van niet-ingezetenen, waaronder arbeidsmigranten. In het kader van de Ontwikkelagenda BRP vindt een aantal acties plaats om de registratie van niet-ingezetenen in de BRP te verbeteren:
Hoe is het mogelijk dat de Belastingdienst in zoveel gevallen de juiste informatie ontvangt van aanvragers van toeslagen en toch de verkeerde berekeningen maakt en er bijvoorbeeld vanuit gaat dat iemand geen partner heeft?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 1 beschikt de Belastingdienst/Toeslagen niet in alle situaties over de juiste informatie om een toeslagpartner vast te stellen.
Hoeveel gevallen van arbeidsmigranten die ongevraagd deze toeslagen krijgen zijn bij u bekend? Kunt u bevestigen dat het fout gaat in 50 procent van de gevallen?
Het is niet bekend in hoeveel gevallen er door de Belastingdienst/Toeslagen onterecht wordt uitgegaan dat geen sprake is van een toeslagpartner. Wel is bekend dat in totaal aan circa 5.000 alleenstaande ouders waarvan het kind niet in Nederland woont kgb wordt toegekend. Hierbij gaat het niet uitsluitend om arbeidsmigranten, maar bijvoorbeeld ook om grensarbeiders.
In hoeveel van deze gevallen krijgen deze mensen te maken met hoge terugvorderingen zoals het beschreven geval waar de partner zich ook in Nederland vestigt en direct geconfronteerd wordt met een terug te betalen bedrag? Hoe is het mogelijk dat de Belastingdienst pas handelt bij deze vestiging van de partner, soms jaren na dato?
Dit is niet bekend. De Belastingdienst/Toeslagen kan de toeslagpartner vaststellen als de relevante partnergegevens (op de juiste wijze) bekend zijn. Als dit later is dan het moment van de aanvraag, bijvoorbeeld wanneer de partner zich in Nederland vestigt en registreert in de BRP, wordt voor Belastingdienst/Toeslagen het partnerschap op dat moment bekend en is het mogelijk toeslagpartnerschap vast te stellen. Hierdoor kunnen terugvorderingen ontstaan. Wij verwijzen u ook naar het antwoord op vraag 1.
Hoeveel mensen zijn als gevolg van de terugvordering van duizenden of tienduizenden euro’s onterecht uitgekeerd, maar door de Belastingdienst verkeerd berekend kindgebonden budget in de schulden gekomen? Erkent u dat arbeidsmigranten en vluchtelingen zich in vele gevallen in de slechtst denkbare sociaaleconomische positie verkeren waardoor zij buitengewoon hard getroffen worden door deze zaak?
Het is mij niet bekend hoeveel arbeidsmigranten in de schulden zijn gekomen door terugvorderingen. Wij streven ernaar zo zorgvuldig mogelijk te werk te gaan en terugvorderingen te voorkomen. Dit geldt zeker ook voor vluchtelingen en arbeidsmigranten die zich vaak in een (financieel) kwetsbare situatie bevinden. Om terugvorderingen te voorkomen, zijn maatregelen zoals in antwoord op vraag 1 genomen. Dit neemt niet weg dat bij het (tijdelijk) niet volledig zijn van gegevens terugvorderingen kunnen ontstaan. Burgers die wel te maken krijgen met terugvorderen hebben 24 maanden om het onterecht ontvangen bedrag terug te betalen. Mochten ze dat niet kunnen dan kunnen ze een betalingsregeling op maat krijgen.
Zoals ook in de kabinetsreactie op de POK aangekondigd houden we ook de invorderingsstrategie van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen tegen het licht, in het bijzonder voor mensen die langdurig te maken hebben met hoge schulden.9 We kijken daarbij zowel naar regelgeving als naar verbeteringen in de uitvoering. De Invorderingswet gaan we herijken om ervoor te zorgen dat er voldoende ruimte is om rekening te houden met omstandigheden van mensen. We zullen in ieder geval kijken naar de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een betalingsregeling en willen een hardheidsclause toevoegen. We maken een gestructureerde inventarisatie van gevallen waarin de invorderingsmaatregelen van de Belastingdienst of de Dienst Toeslagen onredelijk streng uitpakken.
Waarom duurt het een half jaar voordat deze situatie rechtgezet kan worden? Is het systeem van toeslagen zo vastgeroest dat individueel contact geen enkel effect meer heeft op de uitvoering?
Wanneer een toeslaggerechtigde contact opneemt met de Belastingdienst/Toeslagen wordt hij zo goed mogelijk geholpen om de registratie van de partnergegevens in de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen en de registratie van de partner in de BRP mogelijk te maken. Dat kan echter alleen wanneer de toeslaggerechtigde en zijn/haar partner beschikt over (een kopie van) de relevante documentatie. Dit kan daarom niet uitsluitend over de telefoon. Wij verwijzen u ook naar het antwoord op vraag 1 waar toegelicht wordt dat de Belastingdienst personen kan laten registreren in BRP.
Waarom is dit al sinds in ieder geval 2018 bekend en nooit gemeld aan de Kamer? Sinds wanneer doen deze problemen zich voor?
Vanaf de invoering van de alo-kop in 2015 is de complexiteit van het proces van verrekening van de buitenlandse bijslagen en het controleren van (partner)gegevens in het buitenland bekend. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in de:
Is de Belastingdienst, getuige deze uiterst gebrekkige uitvoering, de juiste organisatie voor de uitvoering van het kindgebonden budget?
Het kgb maakt onderdeel uit van het toeslagenstelsel. Het kabinet heeft geconcludeerd dat het huidige toeslagenstelsel problemen kent.10 De uitvoering van het kgb waarbij internationale aspecten aan de orde zijn, laat zien dat dit onderdeel van het stelsel veel van burgers en de Belastingdienst/Toeslagen vraagt. Het kan leiden tot onzekerheid over terugvorderingen en nabetalingen. In het rapport Alternatieven voor het toeslagenstelsel11 zijn scenario’s geschetst om het stelsel te hervormen. Belangrijk doel van een alternatief stelsel is dat het beter uitvoerbaar wordt. Het is aan een volgend kabinet om een keuze te maken om het stelsel te hervormen.
Bent u bereid in kaart te brengen welke schade deze mensen hebben opgelopen en deze recht te zetten?
Als arbeidsmigranten geconfronteerd worden met hoge terugvorderingen wanneer partnergegevens bekend worden, kan dat erg ingrijpend zijn, zeker als zij zich in een kwetsbare (financiële) situatie bevinden. Dat betreuren wij. Helaas is dit de uitkomst van een toeslagenstelsel met voorschotten, sterke inkomensafhankelijkheid en veel complexe grondslagen in combinatie met een automatische verwerking van gegevens die sterk afhankelijkheid zijn van een volledige en juiste registratie van partnergegevens die niet makkelijk voor handen zijn. Alles is erop gericht om, binnen de beperkingen van het stelsel, te voorkomen dat burgers geconfronteerd worden met hoge terugvorderingen. Burgers die hier wel mee te maken krijgen, hebben 24 maanden om het onterecht ontvangen bedrag terug te betalen. Mochten ze dat niet kunnen dan kunnen ze een betalingsregeling op maat krijgen. Zie ook ons antwoord op vraag 1.
Schadelijke beleggingen van pensioenfondsen. |
|
Paul Smeulders (GL) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen artsen beleggen in wapens, drank, casino’s en cannabis»?1
Ja.
Bent u ook bekend met de resultaten van het donderdag op 25 februari 2021 gepubliceerde onderzoek van de Eerlijke Pensioenwijzer naar de financiering van schendingen van landrechten door pensioenfondsen?2
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat nota bene de pensioenfondsen van artsen op grootschalige wijze beleggen in drugs, alcohol en wapens? Deelt u de mening dat dit volstrekt onacceptabel is?
Pensioenfondsen bepalen zelf waarin zij beleggen, daar gaat het kabinet niet over. In het beleggingsbeleid houdt het pensioenfonds rekening met de voorkeuren van de deelnemers. Voor de manieren waarop pensioenfondsen dit doen, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 6.
Het kabinet vindt het belangrijk dat het beleggingsbeleid van pensioenfondsen verantwoord is en vindt daarbij de fondsen aan zijn zijde. Daarom heeft het kabinet samen met pensioenfondsen, vakbonden en maatschappelijke organisaties het Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen (IMVB)-convenant gesloten. Het IMVB-convenant richt zich op de inbedding van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen) en United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) in het beleid van pensioenfondsen en implementatie in de uitvoering. Binnen dit convenant prioriteert een pensioenfonds duurzaamheidsthema’s op basis van risico-inschatting, gepaste zorgvuldigheid (due diligence) en deelnemersraadpleging. Inmiddels hebben meer dan 80 pensioenfondsen het convenant medeondertekend.
Wat is uw reactie op het feit dat de tien grootste pensioenfondsen in Nederland (minimaal) 8,2 miljard euro beleggen in 46 bedrijven die betrokken zijn bij ernstige schendingen van landrechten? Deelt u de mening dat dit ontluisterende resultaten zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is volgens u de relatie tussen de zeer gebrekkige naleving van het Internationaal Verantwoord Maatschappeijk Beleggen (IMVB-) Convenant Pensioenfondsen, waarover ik recentelijk Kamervragen heb gesteld, en de in voorgaande vragen aan de orde gestelde problematische casussen?
In de beantwoording van de eerder gestelde Kamervragen (Kamerstuk 2083, 22 maart jl.) over het eerste monitoringsrapport van het IMVB-convenant Pensioenfondsen is toegelicht waarom de voortgang van de pensioenfondsen in het eerste jaar van het convenant achterblijft bij de doelstellingen.
Veel pensioenfondsen beleggen wereldwijd en zijn met hun beleggingsportefeuille aan verschillende duurzaamheidsrisico’s blootgesteld. Volgens de OESO-richtlijnen moeten ondernemingen de meest urgente risico’s prioriteren en deze mitigeren of voorkomen. Of de eerdergenoemde thema’s worden geselecteerd als meest prioritair is een afweging dat elk pensioenfonds afzonderlijk maakt met inachtneming van ernst en waarschijnlijkheid in lijn met de OESO-richtlijnen en van deelnemersvoorkeuren. De afspraken in het convenant zien op de implementatie van de zes stappen voor gepaste zorgvuldigheid. De pensioenfondsen kunnen daarmee binnen de hiervoor gestelde termijnen in het convenant hun duurzaamheidsrisico’s beter gaan beheersen.
Op welke manier geven pensioenfondsen invulling aan de uit de Pensioenwet voortvloeiende verplichting dat het geld in lijn met de wens van deelnemers belegd moet worden? Vindt u dat bovenstaande casussen laten zien dat deze wettelijke verplichting niet voldoende nageleefd wordt? Zo nee, hoe kan het anders zijn dat artsen zelf zeer negatief reageren op de schadelijke investeringen die hun pensioenfondsen doen?
Het pensioenfondsbestuur gaat over de uitvoering van de pensioenregeling, inclusief het beleggingsbeleid. Bij een paritair bestuursmodel worden vertegenwoordigers van sociale partners, dus zowel werkgevers- als werknemerszijde, en pensioengerechtigden door de betreffende organisaties voorgedragen en benoemd in het bestuur. Daarnaast worden werkgevers benoemd in het verantwoordingsorgaan, en worden de vertegenwoordigers van de werknemers en de gepensioneerden in dit orgaan verkozen. Via deze vertegenwoordiging worden de belangen van werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden behartigd en hun opvattingen meegewogen binnen de eigenstandige integrale bestuurstaak van het fonds, om tot een zo goed mogelijk pensioenresultaat voor huidige en toekomstige gepensioneerden te komen. Verder is het verantwoordingsorgaan bevoegd om een oordeel te geven over het handelen van het bestuur, over het gevoerde beleggingsbeleid en de bestuurskeuzes voor de toekomst. Dit oordeel wordt opgenomen in het bestuursverslag.
Verder blijkt uit navraag bij de Pensioenfederatie, dat in zijn algemeenheid pensioenfondsen in toenemende mate de deelnemers actief betrekken bij de vormgeving van het beleggingsbeleid. Dit doen zij onder meer door het uitzetten van enquêtes of het inschakelen van onderzoeksbureaus en universiteiten.
Vindt u dat de bovengenoemde casussen laten zien dat de verplichtingen uit IORP II en de Pensioenwet, die pensioenfondsen voorschrijven dat zij rekening moeten houden met de langetermijneffecten van beleggingsbeslissingen op Environmental, Social en Governance (ESG-)factoren, dit moeten integreren in hun risicomanagement (beiden IORP II) en hierover moeten rapporteren in hun jaarverslag (Pensioenwet) en communicatie met deelnemers (IORP II), onvoldoende nageleefd worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid hier met de toezichthouder over in gesprek te gaan? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, waarin de richtlijn IORP II is geïmplementeerd, verplicht pensioenfondsen expliciet in het kader van een beheerste bedrijfsvoering en in de eigenrisicobeoordeling dat zij de risico’s beheersen die zich voordoen op terrein van milieu, klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen (ESG).
De vraag in hoeverre een pensioenfonds eventuele negatieve impact van het beleggingsbeleid op ESG-factoren of duurzaamheidsfactoren meeweegt, is bij uitstek een onderwerp dat zich leent voor het overleg van het fondsbestuur met de fondsorganen, om op dit gebied de doelstellingen en beleidsuitgangspunten vast te stellen. Pensioenuitvoerders moeten volgens de Verordening betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiële dienstensector vermelden in hun jaarverslag op welke wijze zij in het beleggingsbeleid rekening houden met ESG-factoren. Als pensioenuitvoerders negatieve duurzaamheidsimpact meewegen, moeten zij in de verklaring op de website daarover verantwoording afleggen in de voorgeschreven terminologie. Dit zal een wezenlijke impact hebben op de rapportageplicht van pensioenuitvoerders. Op deze manier worden overwegingen rond duurzaamheid transparanter en beter vergelijkbaar voor deelnemers.
Het staat pensioenuitvoerders vrij om op hun website te vermelden dat zij geen rekening houden met negatieve duurzaamheidsimpact bij het doen van beleggingen (hierna: de negatieve verklaring). In dat geval behoeft het fonds geen inhoudelijke verantwoording af te leggen over haar due diligence beleid. Echter, de pensioenuitvoerder zal dan (wel) de negatieve verklaring op de website moeten voorzien van een motivering (comply-or-explain). Hierop is één uitzondering, namelijk: pensioenuitvoerders met 500 of meer werknemers, mogen niet kiezen voor een negatieve verklaring.
Beslissingen om te beleggen in investeringen moeten passen binnen de beleidsuitgangspunten en doelstellingen van het fonds. Dit geldt voor alle investeringen dus ook als die nadelige effecten zouden kunnen hebben op ESG-factoren. Daarover moet worden gerapporteerd in het bestuursverslag en moeten eventuele risico’s die daaruit voortvloeien worden beheerst. Het pensioenfonds is daarvoor als eerste zelf verantwoordelijk. De vraag of pensioenfondsen de Pensioenwet onvoldoende naleven kan op basis van de informatie uit de genoemde casussen niet zomaar beantwoord worden.
Vindt u dat bovengenoemde casussen aanleiding bieden om de vereisten ten aanzien van het integreren van ESG-factoren in het beleggingsbeleid en de verslaggeving hierover aan te scherpen, zowel in Europees verband als in Nederland (Pensioenwet)? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het afgelopen jaar liep er in Europees verband een herziening van de Non-Financial Reporting Directive (NFRD). Deze eist van bepaalde bedrijven en instellingen dat zij rapporteren over niet-financiële informatie, zoals arbeid, mensenrechten, milieu en corruptie. Het kabinet heeft deelgenomen aan de publieke consultatie en onder andere aangegeven dat due diligence in lijn met de OESO-richtlijnen vereist zou moeten worden.3 Op 21 april jl. heeft de Europese Commissie het voorstel voor herziening gepresenteerd.4 Met dit voorstel zou de reikwijdte van de richtlijn (het aantal bedrijven en instellingen dat eraan moet voldoen) behoorlijk worden uitgebreid en worden er meer eisen gesteld over bekendmaking van de impact van het bedrijf op mens en milieu. In de pensioensector zullen mogelijk pensioenuitvoeringsorganisaties (PUO’s) onder de richtlijn vallen. Of dit ook voor de pensioenfondsen geldt, is op dit moment nog niet bekend.
Verder heeft het kabinet op 16 oktober 2020 de nieuwe IMVO-beleidsnota (Kamerstuk 26 485, nr. 337) gedeeld met de Tweede Kamer. In de nota geeft het kabinet aan in te zetten op een brede gepaste zorgvuldigheidsverplichting naast vrijwillige maar zeer zeker niet vrijblijvende instrumenten, zoals de huidige convenanten en toekomstige sectorale samenwerking. Het kabinet heeft daarbij een sterke voorkeur voor een Europese brede due diligence verplichting uit oogpunt van een gelijk speelveld en een grotere effectiviteit van beleid. Het kabinet zal daarom maximaal inzetten op het beïnvloeden van de ontwikkelingen in Europa om een Europese brede due diligence verplichting te realiseren.
Bent u bereid om volledige transparantie te vereisen van de grootste tien Nederlandse pensioenfondsen over de maatregelen die zij genomen hebben om het financieren van landroof tegen te gaan en de concrete effecten die dit tussen nu en eind 2021 gehad heeft? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen dat ze de OESO-richtlijnen en de UNGP’s naleven. Dit houdt in dat zij de vereiste, gepaste zorgvuldigheid (due diligence) toepassen. Een belangrijk onderdeel van gepaste zorgvuldigheid is het transparant rapporteren over de genomen beslissingen en de opvolging en voorkoming van misstanden in de waardeketen. Daarom zijn er ook expliciet afspraken opgenomen over rapportage en transparantie in hoofdstuk 6 van het pensioenconvenant en hebben pensioenfondsen zich gecommitteerd om te rapporteren over het beleid en de uitvoering van prioritaire thema’s. Het is aan de pensioenfondsen zelf wanneer zij dit doen en in welke vorm. Dit neemt niet weg dat ik hen oproep om zo transparant mogelijk te zijn en gebruik te maken van de aangeboden kennis en ontwikkelde producten binnen het pensioen- en verzekeringsconvenant, zoals het webinar over landrechten en het instrumentarium5.
Bent u bereid pensioenfondsen publiekelijk op te roepen zo spoedig mogelijk te stoppen met het financieren van activiteiten, waarbij sprake is van landroof, drugs, alcohol, tabak en wapens? Welke verdere stappen gaat u zetten om te waarborgen dat pensioenfondsen zich aan de OESO-richtlijnen gaan houden? Bent u bereid pensioenfondsen aan te zetten om zich bij de Nederlandse LANDdialoog aan te sluiten? Op welke manier gaat u zich hier hard voor maken?
Graag verwijs ik hiervoor ook naar de beantwoording van vraag 9, waarin ik aangeef dat het kabinet van pensioenfondsen die internationaal opereren verwacht dat zij de OESO-richtlijnen en de UNGP’s naleven. Dit betekent dat zij voor hun financieringskeuzes risico’s op misstanden voor mens en milieu in kaart brengen, hun invloed aanwenden om deze risico’s te voorkomen, te verminderen en/of aan te pakken, de aanpak hiervan monitoren en hier verantwoording over afleggen. Hoe individuele pensioenfondsen invulling geven aan de naleving van deze internationale richtlijnen en in welke bedrijven zij wel of niet investeren is de verantwoordelijkheid en keuze van de individuele pensioenfondsen. Dit geldt ook voor de beslissing om engagement te voeren met een bedrijf of juist over te gaan tot uitsluiting.
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 8 heeft het kabinet een nieuwe IMVO-nota opgesteld. Hierin wordt ingezet op een mix van verplichtende en vrijwillige maatregelen om de implementatie van gepaste zorgvuldigheid door bedrijven beter te waarborgen.
In het IMVB-convenant Pensioenfondsen zijn verschillende afspraken opgenomen over de naleving van de OESO-richtlijnen. De aan het convenant gecommitteerde pensioenfondsen moeten onder meer inzichtelijk maken hoe hun ESG-beleid wordt meegenomen bij beleggingsbeslissingen en dienen te rapporteren over de resultaten van het ESG-beleid. Om de richtlijnen hier nog beter in te borgen, zullen er dit jaar aanvullende webinars worden georganiseerd over de OESO-richtlijnen, waaronder over de verschillende stappen van gepaste zorgvuldigheid. Ook is er 22 april jl. een webinar georganiseerd over landrechten. In dit verband is de multi-stakeholder LANDdialoog6 onder de aandacht van pensioenfondsen gebracht.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en binnen drie weken retour sturen?
Vraag 3 en 4 zijn tezamen beantwoord. Gezien het verkiezingsreces en nadere informatie-inwinning was het niet mogelijk de beantwoording binnen drie weken retour te zenden aan uw Kamer.
De brandbrief van de bewoners van het asielzoekerscentrum in Apeldoorn |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekent met het recente bericht «Vluchtelingen sturen brandbrief over opvang in Apeldoorn: koud, benauwd en vies» en de daarbijbehorende brandbrief?1
Ja.
Klopt het dat de locatie Christiaan Geurtsweg bedoeld was als een tijdelijk azc, aangezien in het oorspronkelijke collegevoorstel uit 2016 een termijn van drie jaar staat, hoewel in latere berichtgeving gesproken wordt over uitstel tot 1 juli 2021 en inmiddels zelfs tot april 2022?2 3
De locatie aan de Christiaan Geurtsweg is een voormalig kantoorpand dat in 2016 gereed is gemaakt voor de opvang van asielzoekers. Het pand is in 2016 uiteindelijk niet in gebruik genomen als opvanglocatie, omdat de asielinstroom destijds sterk afnam. Eind 2018 heeft het COA de gemeente Apeldoorn opnieuw benaderd met de vraag deze locatie te mogen inzetten als opvanglocatie voor maximaal 400 bewoners in verband met een toegenomen behoefte aan opvangcapaciteit. In februari 2019 zijn de eerste bewoners gearriveerd. Deze locatie is in gebruik genomen vooruitlopend op de opening van een nieuw azc aan de Deventerstraat in Apeldoorn. Insteek is om de locatie aan de Christiaan Geurtsweg te sluiten zodra het nieuwe azc gereed is en de bewoners hiernaartoe zijn overgebracht.
De realisatie van deze nieuwe locatie is door diverse procedures vertraagd. Hierdoor heeft het COA de gemeente gevraagd om de huidige locatie langer te mogen gebruiken, dit ook om te voorkomen dat bewoners voor een korte periode naar een andere stad moeten verhuizen. Naar verwachting kan de nieuwe locatie in het eerste kwartaal van 2022 in gebruik worden genomen. Omwonenden zijn hierover geïnformeerd.
Bent u het met de mening eens dat deze locatie nadrukkelijk als tijdelijk is ingeschat en qua voorzieningen niet voldoet aan deze langdurige inzet en langdurig verblijf?
De opvanglocaties van het COA voldoen aan het afgesproken programma van eisen. Dit is een document waarin beschreven staat aan welke eisen een opvanglocatie moet voldoen. Doordat het COA gebruik maakt van vele verschillende soorten opvanglocaties, zoals voormalige kloosters en kantoorpanden, uit units opgebouwde locaties, etc. kunnen er verschillen zijn in de werk- en leefomgeving tussen de locaties onderling. Het COA voert gedurende het gebruik van de locatie onderhoud uit om eventuele geconstateerde gebreken te herstellen.
In de opvanglocaties zijn bewoners verantwoordelijk voor het schoonhouden van de eigen leefomgeving. Dit is ook opgenomen in de huisregels. Indien nodig worden bewoners begeleid in het schoonhouden van de leefomgeving.
De situatie in het azc Apeldoorn heeft de aandacht en het COA is dan ook in overleg met de bewoners van het azc om samen met hen te bekijken welke veranderingen ingezet kunnen worden om het verblijf aangenamer te maken en daarmee ook de sociale veiligheid te verbeteren. Dit heeft recent geleid tot een aantal concrete afspraken zoals tijdelijk een intensievere begeleiding bij de schoonmaak en een aanpassing van de kamerindeling. Daarnaast heeft het COA een ongediertebestrijder ingezet om het ongedierte te verdelgen en is de wc-bril waaraan wordt gerefereerd in het artikel in de Stentor van 19 februari jl., inmiddels vervangen. Tevens wordt bekeken in hoeverre de maaltijden aangepast kunnen worden en of er technische mogelijkheden zijn om de ventilatie aan te passen. Het overleg met bewoners in de bewonersraad wordt gecontinueerd.
Bent u het met de mening eens dat dit eindeloze uitstel niet goed is voor het vertrouwen van omwonenden, de inwoners van het azc en de Apeldoornse gemeenteraad op een spoedige, betere oplossing? Wat kunt u doen om een echte oplossing dichterbij te brengen?
De vertraging van de opening van de nieuwe locatie is voor alle betrokken partijen, inclusief het COA, vervelend. Het verlengen van het gebruik van deze locatie en het in gebruik nemen van de nieuwe locatie verloopt in goed overleg tussen het COA en het college van B&W van Apeldoorn. Ik kijk uit naar de opening van de nieuwe locatie in Apeldoorn.
Hoe beoordeelt u de situatie in het azc voor wat betreft hygiëne en sociale veiligheid? Acht u de situatie in overeenstemming met de normen voor humane opvang? Wat gaat u eraan doen om de situatie op korte termijn te verbeteren?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht 'Ziekenhuizen op ramkoers met artsen die cashen op coronatesten' |
|
Maarten Hijink (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Ziekenhuizen op ramkoers met artsen die cashen op coronatesten»?1
Ik ben bekend met de berichtgeving, maar ik heb op basis daarvan geen volledig beeld van de situatie. Het is bovendien ook niet aan mij om een oordeel te vellen over dit conflict tussen een individueel maatschap en een aantal ziekenhuizen.
Wat vindt u ervan dat artsen-microbioloog van het laboratorium Microvida dankzij de pandemie flinke winsten, ongeveer drie ton bruto bovenop hun reguliere inkomen, maken?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de inkomsten van deze artsen niet in verhouding staan tot de inspanningen, temeer er geen ondernemersrisico tegenover staat, zoals investeringen in personeel of testapparatuur?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u ervan dat gesprekken tot niets hebben geleid en de ziekenhuizen en artsen-microbioloog waarschijnlijk naar de rechter gaan?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u dat de heer Kluytmans een onafhankelijke rol kan uitoefenen binnen het Outbreak Management Team (OMT), wanneer hij zelf flink verdient aan de testen waarover hij tegelijkertijd adviseert? Kunt u uw antwoord toelichten?
Prof. dr. Kluytmans geeft onafhankelijk advies en heeft een belangenverklaring ondertekend voor zijn werkzaamheden in het OMT. Bovendien heeft prof. dr. Kluytmans in samenwerking met het Ministerie van VWS veel onderzoek verricht naar de mogelijkheden van zelftesten, bij uitstek een vorm van testen waar geen laboratoria voor nodig zijn. Zijn onafhankelijkheid staat bij mij niet ter discussie.
Deelt u de mening dat de beloning van artsen-microbioloog in verhouding moet staan tot die van andere artsen, die enorm hard werken zonder de extra beloning die artsen-microbioloog wel ontvangen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dergelijke casussen laten de uitwerking zien van prikkels die er in het huidige zorgsysteem kunnen zijn. Helaas is geen enkel systeem perfect en dienen de juiste randvoorwaarden te worden gecreëerd om zorg in ziekenhuizen op de juiste manier te bekostigen. Ik vind het belangrijk dat daar afspraken over worden gemaakt met zorgaanbieders en verzekeraars en dat die afspraken ook doorwerken op het niveau van de medisch specialist. Overigens is in het huidige Hoofdlijnenakkoord Medisch Specialistische Zorg wel afgesproken dat de vrije keuze van medisch specialisten om te werken als vrijgevestigde of in loondienst gehandhaafd blijft.
Hoe legt u uit dat vrijgevestigde artsen-microbioloog tonnen kunnen opstrijken zonder dat dit in verhouding staat tussen de geleverde diensten, terwijl het personeel op de werkvloer niet in aanmerking komt voor structureel meer waardering en betere beloning, ondanks dat hier enorme vraag naar is?
Vrijgevestigde artsen kunnen op verschillende manieren deelnemen in het medisch specialistisch bedrijf, bijvoorbeeld via een eigen B.V. of in een maatschap. Van het laatste is in deze casus sprake. Afhankelijk van de structuur zijn er verschillen in de hoogte en de samenstelling (winstdeling, salaris, dividend) van hetgeen een specialist ontvangt.
Deelt u de mening dat corona-labtesten ook onder de afspraken over verrichtingenmethodiek zouden moeten vallen om zodoende de perverse prikkel van méér inkomen voor artsen-microbioloog naarmate meer getest wordt weg te halen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik begrijp uit de berichtgeving dat het hier een situatie betreft waarbij er al voor de coronacrisis contractuele afspraken zijn gemaakt over vergoedingen. Tijdens de coronacrisis hebben deze bestaande afspraken tot een onvoorziene uitwerking geleid waar een conflict over ontstaan is.
Kunt u aangeven wat de prijs en de vergoeding zijn voor een corona-labtest? Staan deze tot elkaar in verhouding? Zo nee, bent u bereid de vergoeding voor een corona-labtest te verlagen? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS heef vanaf 1 juni 2020 een maximumvergoeding van € 65 vastgesteld en vanaf 1 april 2021 een maximumvergoeding van € 50. Deze maximale vergoeding vergoedt alle kosten die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de laboratoriumdiagnostiek, zoals personeelskosten, materiaal kosten, gebouw gebonden kosten et cetera. Voor meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brochures/2021/05/04/uitgangspunten-financiering-covid-19-pcr-laboratoriumtesten-20212.
Kunt u aangeven hoeveel vrijgevestigde artsen-microbioloog er zijn in Nederland en hoeveel publieke middelen zij inmiddels hebben ontvangen via corona-labtesten? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken? Zo nee, waarom niet?
In Nederland zijn circa 7.000 vrijgevestigde medisch specialisten. Het CBS houdt de beloning van in de zorg werkzame artsen bij en onderscheidt daarbij ook verschillende type specialismen. Ik beschik niet over cijfers tot aan het detailniveau van een arts-microbioloog, en heb ook geen inzicht in de precieze opbouw van de beloning.
Deelt u de mening dat deze onacceptabele situatie aantoont dat het beter is wanneer labs niet in een apart bedrijf worden gestopt en artsen in loondienst treden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ken de casus niet goed genoeg om te kunnen beoordelen of dit exemplarisch is voor de uitwerking van ongewenste prikkels die er in het zorgsysteem kunnen bestaan. Helaas is geen enkel systeem perfect en dienen de juiste randvoorwaarden te worden gecreëerd om zorg in ziekenhuizen op de juiste manier te bekostigen. Ik vind het belangrijk dat daar afspraken over worden gemaakt met zorgaanbieders en verzekeraars en dat die afspraken ook doorwerken op het niveau van de medisch specialist. Overigens is in het huidige Hoofdlijnenakkoord Medisch Specialistische Zorg wel afgesproken dat de vrije keuze van medisch specialisten om te werken als vrijgevestigde of in loondienst gehandhaafd blijft.
Kunt u een overzicht geven van de ziekenhuizen waar dit speelt en in welke mate?
Ik heb hier geen overzicht van.
Deelt u de mening dat niet kan worden gewacht tot artsen-microbioloog vrijwillig afzien van hun disproportioneel hoge inkomen en de politiek dient in te grijpen? Zo ja, wat gaat u doen om aan deze situatie een einde te maken? Zo nee, waarom niet?
Dat is aan de artsen en ziekenhuizen in kwestie. Ik speel daar geen rol in.
Gaat u het gemeenschapsgeld terugvorderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Zou het niet van moreel leiderschap getuigen als u zich hier duidelijker over zou uitspreken dan u eerder heeft gedaan? Bent u bereid de betreffende artsen-microbioloog erop aan te spreken dat coronacashen zich niet verhoudt met een maatschappelijk verantwoorde uitoefening van het artsenvak?2
Ik zie het niet als mijn rol om in dit conflict handelend op te treden. In zijn algemeenheid vind ik wel dat als er artsen zijn die buitensporig verdienen aan de coronacrisis dat zij zich zouden moeten afvragen of dat maatschappelijk gewenst is. Zeker als het gemeenschapsgeld betreft.
Wilt u vraag 15 afzonderlijk beantwoorden?
Dit heb ik gedaan.
Het bericht 'Wederom levensgevaarlijke stenenactie Greenpeace in VK-wateren' van de Nederlandse Vissersbond |
|
Agnes Mulder (CDA), Maurits von Martels (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wederom levensgevaarlijke stenenactie Greenpeace in VK-wateren»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat Greenpeace wederom kolossale rotsblokken heeft geloosd, dit keer in de zee ten zuiden van Brighton (Verenigd Koninkrijk), en dat dit levensgevaarlijk is voor de vissers?
Ik ben er mee bekend dat de Britse tak van Greenpeace natuurstenen heeft afgezonken, dit keer ten zuiden van Brighton in het Engelse deel van de Noordzee. Hoewel Greenpeace aangeeft dat met het delen van de coördinaten van de locatie van de stenen de veiligheid gewaarborgd is, kan dit tot risico’s leiden voor de (bodem beroerende) visserij als zij dit over het hoofd ziet.
Herinnert u zich de uitspraken nog die u deed tijdens het algemeen overleg Visserij op 12 oktober 2020 waarin u aangaf zeer ontstemd te zijn en dat u het niet zou laten gebeuren dat één partij het hele Noordzeeakkoord zou gijzelen door één zo’n actie? Hoe beoordeelt u deze actie van Greenpeace? Wat betekent dit voor de positie van Greenpeace in het Noordzeeoverleg?2
Ik herinner mij deze uitspraken. Ik verwerp en betreur de acties van Greenpeace dan ook. Greenpeace Nederland wordt vertegenwoordigd in het NZO. Hoewel dit de Britste tak van Greenpeace betreft doet deze actie afbreuk aan het wederzijdse opgebouwde vertrouwen en begrip tussen de partijen in dit overleg.
Nederland heeft de actie van Greenpeace in internationaal overleg aan de orde gesteld. Dit is door vertegenwoordigers van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gedaan in het internationale Noordzee visserijoverleg, bekend als de «Scheveningen groep». Hiernaast heeft Greenpeace Nederland haar commitment aan het Noordzeeakkoord onderstreept en verzekerd in Nederland dit soort acties niet van plan te zijn. Hiermee blijft Greenpeace betrokken bij de overleggen over de toekomst van de Noordzee.
Deelt u de mening dat het tijd is dat Greenpeace Nederland afstand neemt van de actie van hun Britse afdeling? Bent u het er tevens mee eens dat er geen reden meer is om geen actie te ondernemen tegen Greenpeace? Zo nee, waarom niet?
Het betreft een actie van de Britse tak van Greenpeace in het Engelse deel van de Noordzee. De Waterwet is hier niet van toepassing. Het betreffende ministerie in het VK (DEFRA) is naar aanleiding van deze actie een onderzoek gestart of er wet- en/of regelgeving is overtreden. Indien dat het geval is, is het aan de Britse autoriteiten om te bepalen of en hoe daartegen wordt opgetreden. Van de Britse autoriteiten heb ik vernomen dat naar aanleiding van een soortgelijke actie van Greenpeace op 22 september 2020 – waarbij natuurstenen zijn afgezonken in het Britse deel van de Doggersbank – door de Britse Marine Management Organisation (MMO) een officiële waarschuwing aan Greenpeace is gegeven.
Een oordeel over de strafbaarheid van dit handelen in Nederland is aan het Openbaar Ministerie. Greenpeace heeft nauwkeurig doorgegeven op welke locatie de stenen zijn afgezonken. Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de vorige actie geconcludeerd dat er geen aanleiding is om strafrechtelijk onderzoek te doen omdat er geen sprake is van een directe gevaarzetting.
Het uit zijn huurhuis zetten van een bejaarde man door sociale woningcorporatie Stek in Lisse |
|
René Peters (CDA), Julius Terpstra (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat een 76-jarige man uit zijn senioren(huur)woning in Lisse wordt gezet door woningcorporatie Stek omdat hij met zijn Sint Bernardhond overlast zou hebben veroorzaakt in 2019?1 2
Ja.
Herinnert u zich de afspraak die u in maart 2020 met verhuurdersorganisaties en brancheverenigingen hebt gemaakt dat zij tijdens de coronacrisis niet tot huisuitzettingen overgaan?
Ja, ik herinner mij deze afspraken. U verwijst naar de afspraken die ik in oktober 2020 met verhuurdersorganisaties (Aedes, IVBN, Kences, Vastgoed Belang) en de VNG maakte en in een gezamenlijk statement naar buiten bracht. Daarin hebben de partijen afgesproken dat zij huisuitzettingen voorlopig gedurende de corona-crisisperiode uitstellen, tenzij er evidente redenen zijn, zoals criminele activiteiten of (extreme) overlast. Deze afspraken over de inzet op het voorkomen van huisuitzettingen hebben partijen herijkt en verlengd (zie bijlage 1). De specifieke situatie waar u mij over bevraagt, valt daarmee buiten de reikwijdte van de afspraken in het statement. De inhoudelijke aanleiding voor ontbinding- en ontruiming is niet gerelateerd aan huurachterstanden. De rechter heeft bepaald dat de huurovereenkomst mag worden ontbonden op basis van aanhoudende woonoverlast3.
Hoe verhoudt deze voorgenomen uitzetting zich tot de afspraak die u met de woningcorporaties en brancheorganisaties hebt gemaakt om tijdens de coronacrisis niemand uit zijn/haar huurwoning te zetten?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u er bij woningcorporatie Stek, in lijn met die gemaakte afspraken, op aandringen in deze casus niet daadwerkelijk tot huisuitzetting over te gaan, ondanks het vonnis van de kantonrechter waartegen appèl is ingediend? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik hierboven reeds aangaf handelt de woningcorporatie niet in strijd met de gemaakte afspraken rondom het voorkomen van huisuitzettingen wegens betaalachterstanden door de gevolgen van de coronacrisis. Het gaat hier immers niet om een vonnis tot ontbinding en ontruiming wegens het niet-betalen van de huur, maar om een situatie van aanhoudende woonoverlast. Deze situatie valt daarmee buiten de reikwijdte van de gemaakte afspraken (zie ook het statement in bijlage 1). Het afdwingen van afspraken bij de woningcorporatie is daarmee ook niet aan de orde.
De kantonrechter heeft in deze casus het ontruimingsvonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De uitvoerbaar bij voorraadverklaring is in een door de huurder aangespannen kort geding niet geschorst. De voorzieningenrechter heeft daarbij onder meer in ogenschouw genomen dat Stek heeft verklaard dat haar sociale partners zich inspannen om te voorkomen dat de huurder die het betreft na ontruiming met zijn hond op straat staat. De woningcorporatie liet mij desgevraagd ook weten samen met sociale partners een alternatieve tijdelijke huisvestingsoplossing met begeleiding te hebben gevonden. Medewerking vanuit de huurder is hierbij noodzakelijk. Ondertussen liepen er nog diverse juridische procedures tegen het uitgesproken vonnis bij de rechter. De rechter heeft op een zitting op 22 maart jl. besloten dat de geplande ontruiming van 24 maart wordt opgeschort tot 5 april. De huurder moet op korte termijn laten weten of hij de aangeboden woonruimte accepteert.
Welke instrumenten heeft u om het nakomen van de afspraken bij woningcorporatie Stek in deze casus zo nodig af te dwingen en zult u deze inzetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u ervan dat een sociale woningbouwcorporatie, i.c. Stek, ondanks een verzoek daartoe van de advocaat van de man, de uitspraak in appèl niet wil afwachten en deze 76-jarige man de huurwoning uiterlijk 24 maart 2021 dient te ontruimen?
Zie antwoord vraag 4.
Indien huisuitzetting in strijd met de daartoe gemaakte afspraken in deze casus toch plaats vindt, vindt u dat woningcorporatie Stek de uitgezette huurder alternatieve huisvesting moet aanbieden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kent u meerdere berichten uit gemeenten dat huurders door de verhuurders, ondanks de gemaakte afspraak, toch uit hun huurwoning (dreigen te) worden gezet? Zo ja, welke gemeenten en verhuurders betreft het?
Ja, via Kamervragen zijn mij diverse situaties bekend geworden waarbij werd verondersteld dat gemaakte afspraken over het voorkomen van huisuitzettingen werden geschonden. In alle gevallen bleek er bij navraag bij betrokken partijen meer, of iets anders, aan de hand te zijn dan een huurachterstand. Zie bijvoorbeeld de situaties die aan de orde zijn gesteld in Kamervragen van de leden Dik-Faber en Bruins (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 1858)4, Kamervragen van het lid Beckerman (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 514)5 en Kamervragen van het lid Koerhuis (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 979)6.
Wat is uw oordeel over het (mogelijk) schenden van de gemaakte afspraken door deze verhuurders?
Zie antwoord vraag 4.
Welke actie gaat u op welke termijn ondernemen om naleving van de gemaakte afspraken bij deze verhuurders af te dwingen?
Zie antwoord vraag 4.
Het niet verlagen van het afromingspercentage in het fosfaatrechtenstelsel |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u nader onderbouwen waarom u vasthoudt aan een afromingspercentage fosfaat van 20%, gezien het feit dat met 10% afroming nog steeds sprake is van afroming van rechten en dat u eerder heeft toegezegd dat de afroming naar 10% verlaagd zou worden zodra het aantal rechten voor melkvee onder het melkveefosfaatplafond zou komen?1
Zoals aangegeven in mijn brief van 15 februari jl. houd ik vanwege de daarin genoemde onzekerheden het percentage vooralsnog op 20%. Daarbij merk ik op dat ten gevolge van de wetsbehandeling in uw Kamer in artikel 77b van de Meststoffenwet, zoals dat is komen te luiden door het amendement Geurts/Lodders (Kamerstuk 35 208, nr. 10), staat dat uiterlijk twee weken nadat het totaal aantal fosfaatrechten niet meer bedraagt dan het fosfaat productie plafond, bedoeld in de staatssteunbeschikking van de Europese Commissie van 19 december 2017 (C(2017) 8483), bij koninklijk besluit in artikel 32a, eerste lid, «80 procent» wordt vervangen door «90 procent». Het plafond bedraagt 84,9 miljoen kg fosfaat. Het totaal aantal fosfaatrechten (namelijk alle rechten in gebruik bij melkveehouderij en vleesveehouderij) dat op 1 februari 2021 bij RVO is geregistreerd bedraagt circa 85,4 miljoen kg fosfaat. Daarmee is er volgens de wet zoals aangenomen door uw Kamer geen verplichting het afromingspercentage terug te zetten op 10%.
Kunt u aangeven in hoeverre 20% afroming daadwerkelijk heeft geleid tot een verdere reductie van het aantal fosfaatrechten ten opzichte van een afromingspercentage van 10%, in het licht van het feit dat daarmee de handel in fosfaatrechten minder aantrekkelijk werd gemaakt?
Het is niet mogelijk te achterhalen hoeveel handel en daarmee afroming plaatsgevonden zou hebben bij een blijvend percentage op 10%. Veel handel vindt aan het eind van het jaar plaats wanneer ondernemers zicht hebben op het totaal aantal rechten wat benodigd is om hun productie te verantwoorden. In 2018 is ca. 420.000 kg fosfaat afgeroomd bij een afromingspercentage van 10%. In 2019 betrof dit 252.000 kg bij wisselende percentages (10% tot 13 juni 2019 en 20% vanaf 13 juni 2019). In 2020 is 483.000 kg fosfaat afgeroomd bij een percentage van 20%.
Heeft de Europese Commissie inmiddels duidelijkheid gegeven over het al dan niet meetellen van de fosfaatproductie c.q. fosfaatrechten van vleesvee bij het melkveefosfaatplafond?
Nee, de Europese Commissie heeft hier geen nadere uitspraken over gedaan.
Gaat u gebruik maken van de fosfaatbank om knelgevallen tegemoet te komen, mede gelet op de aangenomen motie-Geurts/Lodders?2
Overeenkomstig de Meststoffenwet (art 38a) is de fosfaatbank geen instrument om knelgevallen tegemoet te komen, maar een milieumaatregel ter bevordering van de grondgebondenheid of het stimuleren van jonge landbouwers in Nederland. Een vrijstelling of ontheffing wordt uitsluitend gegeven voor milieudoelstellingen die verder gaan dan die welke op grond van de voor de betrokken ondernemingen verplichte Unie-normen zouden zijn bereikt. Ik heb vanwege het totaal aantal fosfaatrechten in relatie tot het productieplafond, nog geen besluit genomen over de openstelling van de fosfaatbank en de bijbehorende voorwaarden. Dit laat ik aan mijn ambtsopvolger.
Wat gaat u nog doen om te voorkomen dat knelgevallen die geen aanspraak konden maken op de minimale knelgevallenregeling in de kou blijven staan, in het licht van de toeslagenaffaire en de lessen die daaruit getrokken zijn en de uitspraken van staatsraad Van Ettekoven hierover?3
Er is meerdere keren uitgebreid gesproken met uw Kamer over knelgevallen. Dit heeft geleid tot de knelgevallenregeling zoals deze in de wetgeving is opgenomen.
Daarnaast geldt dat als een melkveehouder wordt geconfronteerd met feiten en omstandigheden die niet voor alle veehouders gelden en die meebrengen dat hij in bijzondere mate wordt getroffen door de maatregel, er sprake kan zijn van een individuele disproportionele last. Het bedrijf kon/kan dan in het kader van zijn bezwaar en beroep extra rechten toegekend krijgen in de vorm van een ontheffing.
De recente ontwikkelingen waar u naar verwijst zijn geen aanleiding om wijzigingen in de toekenning van rechten aan te brengen. De procedures over de toekenning van fosfaatrechten zijn bovendien bijna afgerond.
Deelt u de mening dat het verlagen van de afroming naar 10% een stimulans is voor de handel in fosfaatrechten en dat het voor knelgevallen goedkoper en aantrekkelijker wordt om fosfaatrechten bij te kopen of te leasen?
Ik verwijs naar de beantwoording op vraag 2. Uit de cijfers blijkt niet dat het verhogen van het afromingspercentage heeft geleid tot een grote rem op de handel.
Bent u bereid het afromingspercentage voor fosfaatrechten alsnog te verlagen naar 10%?
Nee. Ik verwijs voor een nadere toelichting naar het antwoord op vraag 1.
Bent u voornemens het wetsvoorstel betreffende het mogelijk maken van afromingsvrije lease van fosfaatrechten op zeer korte termijn naar de Kamer te sturen?
Hierover kan ik melden dat het wetsvoorstel in voorbereiding is en dat binnenkort in verband met eventuele staatssteunaspecten ambtelijk overleg plaatsvindt met de Europese Commissie. Nadat dit is doorlopen en nader rapport over het advies van de Raad van State over het wetsvoorstel is uitgebracht, kan ik het wetsvoorstel aan uw Kamer voorleggen.
Een explosieve toename hacks en datadiefstal |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «AP luidt noodklok: explosieve toename hacks en datadiefstal»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het verontrustend is dat voor het tweede jaar op rij het aantal incidenten van hacking, phishing of malware om persoonsgegevens buit te maken sterk gestegen is? Zo nee, waarom niet?
Zoals onder meer gemeld in de Kamerbrief van 9 oktober jl. (Kamerstukken 2019–2020, 26 643, nr. 715) zijn geregistreerde cybercrime (waaronder hacken) en gedigitaliseerde criminaliteit (waaronder online fraude en babbeltrucs) de afgelopen jaren beide gestegen. Sinds het begin van de coronacrisis zijn deze vormen van criminaliteit verder toegenomen. Dat is zorgelijk. Het is niet bekend in hoeveel gevallen er persoonsgegevens zijn overgenomen.
Heeft u een indicatie in hoeveel gevallen genoemde incidenten leiden tot misdrijven waaronder oplichting en identiteitsfraude?
Uit de cijfers van de politie, het OM, de Fraudehelpdesk en het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude is niet te herleiden welke specifieke hack of datadiefstal ook heeft geleid tot fraude. Ook de AP beschikt niet over informatie over misdrijven die het gevolg zijn van datalekken. Er zijn namelijk verscheidene manieren om aan informatie en persoonsgegevens te komen, denk hierbij aan phishing, het onderscheppen van de post en online gedrag op social media. Bij het plegen van fraude wordt ook vaak gebruik gemaakt van combinaties van meerdere datasets. Bijvoorbeeld wordt een dataset die is gestolen via phishing gecombineerd met de dataset die is gestolen door middel van hacken. Ook kan er veel tijd zitten tussen het moment dat de gegevens worden gestolen en de mogelijke gevolgen, waardoor een direct verband moeilijk aan te tonen is. Daarnaast hebben slachtoffers vaak zelf geen zicht op hoe de fraudeur aan de gegevens is gekomen, waardoor het niet herleidbaar is.
Deelt u de mening van de voorzitter van de Autoriteit Persoonsgegevens dat organisaties waar mensen hun persoonsgegevens aan toevertrouwen daar niet altijd zorgvuldig mee omgaan? Zo ja, hoe komt dat en hoe gaat u er aan bijdragen dat dat verbeterd gaat worden? Zo nee, waarom niet?
De AP rapporteert in haar datalekkenrapportage dat 2020 een toename met 30% kende van het aantal hacks dat gericht is op het buitmaken van persoonsgegevens. Die toename kan verschillende oorzaken hebben, waaronder onzorgvuldigheid. De AVG verplicht tot het nemen van technische en organisatorische maatregelen om persoonsgegevens te beveiligen en het verlies van persoonsgegevens te voorkomen. De verbetering hiervan is in belangrijke mate een kwestie van bewustwording. De voorlichtende rol met betrekking tot de AVG ligt primair bij de AP. Daarnaast is vergroting van het privacybewustzijn een van de voornemens uit de Agenda horizontale privacy, waarover ik uw Kamer bij brief van 5 februari jl. (Kamerstukken 2020–21, 34 926, nr. 11) informeerde.
Bij hoeveel datalekken is de Autoriteit Persoonsgegevens bij gebrek aan capaciteit niet in de staat om daar actie tegen te ondernemen?
In 2020 ontving de AP 23.976 meldingen van datalekken. Uit de rapportage Datalekken 2020 van de AP blijkt dat de AP in 1.736 gevallen actie heeft ondernomen. Dit kan naar aanleiding van datalekmeldingen zijn, maar ook als de AP een datalek vermoedt door klachten, tips of andere datalekmeldingen.
Het is niet mogelijk om aan te geven of het niet oppakken van gemelde datalekken te wijten is aan capaciteitsgebrek. Het is immers niet zo dat elke melding automatisch om ingrijpen van de AP vraagt. De AP beoordeelt na binnenkomst van een melding of actie nodig is, waarbij de ernst van het datalek het zwaarstwegende criterium is.
Deelt u de mening, zoals die mede verwoord is door de Kamer in het debat over het datalek bij de GGD, dat de Autoriteit Persoonsgegevens als de toezichthouder moet meegroeien met de toename van het aantal risico’s waardoor de bescherming van persoonsgegevens steeds meer onder druk komt te staan? Zo ja, hoe gaat u hier en op welke termijn concreet gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
In de rapportage Datalekken 2020 van de AP wordt een toename van het aantal meldingen van hacking en malware gemeld van 271 meldingen. Het totaal aantal datalekmeldingen neemt echter af met 2.980 meldingen. Dit impliceert dat niet meer capaciteit nodig is, maar een herprioritering van de bestaande capaciteit. Het is aan de AP om haar capaciteit risico-gestuurd in te zetten.
Het vergroten van de opdracht aan de AP door toekenning van meer middelen op bijvoorbeeld dit specifieke punt of in totaliteit, zoals is verzocht in de motie van het lid Hijink c.s., vraagt om investeringen en fundamentele beleidskeuzes die aan een volgend kabinet zijn. Zoals ik per brief van 1 maart aan uw Kamer heb laten weten, is het gelet op de demissionaire status van dit kabinet thans niet mogelijk om toezeggingen te doen over de verhoging van het budget van de AP.
Misstanden in de transportsector |
|
Kathalijne Buitenweg (GL), Paul Smeulders (GL), Suzanne Kröger (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «TLN en PostNL bemoeiden zich met onderzoek naar misstanden in transportsector»?1
Ja.
Wat was de aanleiding om opdracht te geven tot dit onderzoek? Wie is precies de opdrachtgever?
Crimineel misbruik van de transport- en logistieke sector vormt een concreet gevaar voor de internationale positie van Nederland en haar positie van «gateway to Europe». Dit was voor Transport en Logistiek aanleiding onderzoek te laten uitvoeren naar de kwetsbaarheid van de sector voor crimineel misbruik. Het rapport heet Doorbraak verzocht.
Transport en Logistiek Nederland was opdrachtgever. Gezien het belang van het onderzoek naar kwetsbaarheden van de sector, heeft mijn ministerie een subsidie verleend.
Klopt het dat Transport en Logistiek Nederland (TLN) en PostNL hebben geprobeerd dit onderzoek niet door te laten gaan? Welke argumenten gaven zij daarbij? Wat was uw afweging om het toch door te zetten?
TLN is opdrachtgever voor dit onderzoek en verantwoordelijk voor het laten uitvoeren ervan.
Als subsidieverlener was het niet aan mij om het onderzoek al dan niet door te laten gaan. Ik heb geen bericht of signalen gekregen dat TLN er vanaf wilde zien en daarmee geen gebruik meer wilde maken van deze subsidie.
Wat vindt u ervan dat TLN heeft geprobeerd de resultaten van het onderzoek te beïnvloeden? Zijn er door bemoeienissen van TNL of Post NL wijzigingen gekomen in de onderzoeksscope, -methode of anderszins?
TLN heeft als opdrachtgever van het onderzoek een zorgvuldig proces ingericht.
Zoals in het rapport vermeld was er een klankbordgroep en een begeleidingsgroep, met daarin ook wetenschappers. Ook de onderzoeker zelf is gehouden aan en heeft zich gehouden aan de wetenschappelijke vereisten. Mijn ministerie nam deel aan de begeleidingsgroep. Dat gold ook voor TLN als opdrachtgever, die daarin hun opmerkingen en vragen in hebben gebracht. De mate en wijze van verwerking van input uit de begeleidingsgroep was uiteindelijk aan de onderzoeker. De methode en uitvoering van het onderzoek heeft naar het oordeel van de wetenschappers voldaan aan de daarvoor geldende wetenschappelijke kaders.
Wat vindt u van de uitkomsten van het onderzoek? Welke stappen worden gezet naar aanleiding van dit onderzoek?
Ik vind het een gedegen onderzoek. Dat de branche opdracht heeft gegeven voor onderzoek naar criminaliteit in de transportsector, laat zien dat de sector ondermijnende criminaliteit krachtig wil bestrijden. De risico’s en kwetsbaarheden voor misbruik/criminele inmenging zoveel mogelijk in kaart brengen, helpt de aanpak van ondermijning verder te verbeteren en om economische sectoren/infrastructuur weerbaarder te maken tegen criminaliteit. Ik ga de uitkomsten bestuderen en onder meer met TLN en de Minister van SZW bespreken. Dit voorjaar gaan we er in een kabinetsreactie nader op in.
Kunt u een uitgebreide en integrale reactie op het rapport naar de Kamer sturen? Kunt u daarbij ook uitgebreid ingaan op de sociaaleconomische kwetsbaarheid van chauffeurs in de sector?
Zie antwoord op vraag 5. In het voorjaar komt er een kabinetsreactie, waarin ook aandacht zal zijn voor de sociaaleconomische kwetsbaarheid van chauffeurs.
Het bericht 'Toevoegen leefgebieden Natura 2000 grote puinzooi' |
|
Mark Harbers (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Toevoegen leefgebieden Natura 2000 grote puinzooi»?1
Ja.
Klopt het dat stukjes natuur van slechts dertien vierkante meter de stikstofgevoelige status hebben gekregen terwijl voor habitattypen minimaal 100 vierkante meter als ondergrens wordt gebruikt en voor bossen 1.000 vierkante meter? Klopt het deze kleinere gebieden onterecht zijn toegevoegd?
Inderdaad is afgelopen jaar geconstateerd dat er stukjes stikstofgevoelige natuur in AERIUS zijn opgenomen die zijn ontstaan als gevolg van technische fouten (namelijk: het niet volledig verwijderen van kaartvlakken waarvan was geconstateerd dat ze niet stikstofgevoelig zijn). Deze resterende snippers waren niet tijdig ontdekt voordat de huidige versie van AERIUS online kwam. De verwijdering zal bij de eerstvolgende versie van AERIUS plaatsvinden.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Geurts/Harbers (Kamerstuk 35 600, nr. 31)? Is al duidelijk wanneer het naar aanleiding van deze motie gestarte project waarin de provincies zullen bezien waar de habitatkartering afwijkt van de feitelijke situatie en noodzakelijke correcties hierna zullen verwerken, voltooid is of kan worden?
Er is inmiddels een vrij goed beeld van welke percelen met zekerheid geen stikstofgevoelig leefgebied kunnen zijn. Daarbij is gebruik gemaakt van het digitale kaartbestand Basisregistratie Gewaspercelen. Naar verwachting kan hiermee ongeveer 80% van de gevallen waar nu discussie over is, worden opgelost. Dat zal tijdig afgerond zijn voor de eerstvolgende versie van AERIUS. Het resterende deel vergt een nauwkeuriger analyse waarbij naar verwachting een veldcheck in het groeiseizoen nodig is. In hoeverre daarvan al resultaten meegenomen kunnen worden in de eerstvolgende versie van AERIUS, is nog niet duidelijk; de resultaten worden in ieder geval in de daarop volgende versie verwerkt.
Over de aanpak van dat resterende deel is inmiddels ook overleg gevoerd met BoerenNatuur, de vereniging van agrarische collectieven.
Herkent u dat de mogelijkheden voor vergunningverlening voor nieuwe economische activiteiten of bedrijfsaanpassingen moeilijker of zelfs onmogelijk zijn, terwijl dit bij een snelle aanpassing van AERIUS mogelijk wel het geval is?
In de meeste gevallen is de mogelijkheid om een vergunning te verlenen niet volledig afhankelijk van de aanwezigheid van de nog te verwijderen kaartvlakken met stikstofgevoelige leefgebieden. Projecten veroorzaken namelijk in de regel ook stikstofdepositie op vele andere locaties, waar geen discussie is over de stikstofgevoeligheid. De vergunbaarheid wordt dan mede bepaald door die andere locaties.
Deelt u de mening dat gezien het feit dat een actualisering van AERIUS sowieso noodzakelijk is, dit op de snelst mogelijke termijn zou moeten gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik.
Bent u bereid om de noodzakelijke update van AERIUS zo snel mogelijk uit te voeren om daarmee onnodig negatieve effecten op de vergunningverlening zo spoedig mogelijk ongedaan te maken? Zo nee, waarom niet?
Ja. In dit verband is ook relevant dat ik in het debat van 2 maart 2021 aan de Eerste Kamer heb toegezegd dat ik de provincies zal verzoeken in de tussentijd bij de vergunningaanvragen zelf rekening te houden met nieuwe informatie over de leefgebieden. Dat betreft de gevallen waarvan al wel zeker is dat een locatie niet stikstofgevoelig is, maar waarvan die informatie nog niet verwerkt is in AERIUS.