Integratiesubsidies in Nederland |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Blik onder de motorkap van de Vlaamse integratiemachine»?1
Ja.
Deelt u de mening dat we in Nederland moeten leren van de situatie bij de buren en dat we moeten voorkomen dat integratiesubsidies die direct dan wel indirect verstrekt worden via platforms of zelforganisaties uiteindelijk het beoogde doel niet bereiken of de integratie zelfs tegenwerken?
Bij het verstrekken van subsidies door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt bij de beoordeling, toekenning en verantwoording van de subsidie zorgvuldig gebruik gemaakt van een set aan maatregelen die mogelijke risico’s onder controle houden. Desondanks kan het risico van misbruik of fraude nooit helemaal worden voorkomen.
Ten aanzien van misbruik van subsidies zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving voor subsidieverstrekking regels opgenomen die misbruik moeten voorkomen. Zo dienen subsidieregelingen op basis van een risicoanalyse te worden geformuleerd en subsidieaanvragen kritisch te worden beoordeeld. Als blijkt uit objectief vooronderzoek dat de risico’s van een subsidieaanvraag te hoog worden ingeschat, is het mogelijk een nadere controle uit te voeren door aanvullende informatie op te vragen, de aanvrager bij de verantwoording intensiever te controleren of de subsidieaanvraag (preventief) te weigeren.
Bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan de screening van subsidieontvangers op verschillende manieren plaatsvinden. Voorafgaand aan het toekennen van de subsidie wordt aan de voorkant gecheckt of de subsidieaanvrager/ontvanger voorkomt in het departementaal misbruikregister. Ook wordt via aanvullende informatie, zoals het opvragen van jaarrekeningen, nagegaan hoe financieel stabiel een organisatie is. In geval van twijfel bij een verantwoording kan een review op de boeken van de organisatie via de auditdienst worden aangevraagd.
Indien ondanks diverse maatregelen aan de voorkant toch vermoedens zijn van misbruik, dan wordt er om een reviewonderzoek gevraagd bij de Auditdienst. Indien misbruik gegrond blijkt, dan wordt het toegekende subsidiebedrag teruggevorderd. Tot slot worden subsidieontvangers die misbruik maken van de toegekende subsidie departementaal geregistreerd. Zo nodig kan een volgende aanvraag van dezelfde ontvanger in de toekomst preventief worden geweigerd. Dit zal van geval tot geval worden bezien.
Kunt u een uitputtend overzicht verstrekken van alle subsidies die in Nederland vanuit de rijksoverheid direct en indirect aan maatschappelijke organisaties worden verstrekt met als doel het bevorderen van de integratie en/of de weerbaarheid van minderheden?
Voor de beantwoording van deze vraag heb ik mij beperkt tot de subsidies die verstrekt zijn door de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In het antwoord op deze vraag zal ik een overzicht geven van de lopende subsidies van deze twee ministeries ten behoeve van integratie en het vergroten van de weerbaarheid.
Hierbij moet worden vermeld dat de financiële uitgaves ten behoeve van integratie en het vergroten van weerbaarheid niet allen te scharen zijn onder de categorie subsidie, dit kan ook via een opdrachtverlening of decentralisatie uitkering.
In een aantal gevallen werkt het ministerie met andere type uitkeringen, namelijk decentralisatie uitkeringen. In het dertigledendebat op 25 mei 2021 van de vaste commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzake anti-islamsentimenten is bijvoorbeeld gesproken over middelen die het ministerie heeft verstrekt aan gemeenten in het kader van het versterken van de kwaliteit van informele scholing.2 Deze middelen zijn verstrekt middels een dergelijke decentralisatie uitkering aan gemeenten. Deze zijn derhalve niet zichtbaar in bijgevoegd overzicht, omdat het om een ander instrument dan subsidies gaat. Het betreft tot op heden pilots in drie gemeenten waarvoor in 2020 een bedrag van € 133.000 is overgeboekt naar het gemeentefonds. In 2021 volgt een tweede tranche van maximaal € 300.000.
COA
Kijkje in de keuken
1/10/20 – 30/9/21
Faciliteren kennismaken kansrijke asielzoekers en Nederlandse arbeidsmark
€ 244.915
COA
Voorinburgering 2020
1/1/20 – 31/12/20
Voor inburgeringstrajecten statushouders in centra
€ 15.020.454
COA
Voorinburgering 2021
1/1/21 – 31/12/21
Voorinburgeringstrajecten statushouders in centra. Instellingssubsidie.
€ 16.686.302
COA
VRIP 2020
1/1/20 – 31/12/20
Vroege integratie en Participatie kansrijke asielzoekers en statushouders. Instellingssubsidie.
€ 3.395.344
COA
VRIP 2021
1/1/21 – 31/12/21
Vroege integratie en participatie kansrijke asielzoekers en statushouders. Instellingssubsidie.
€ 3.516.094
Vluchtelingen Werk Nederland
Steunfunctie 2020
1/1/20 – 31/12/20
Vluchtweb, Helpdesk Integratie, training en opleiding betaalde en vrijwilige hulpverleners. Instellingssubsidie
€ 1.096.950
Vluchtelingen Werk Nederland
Steunfunctie 2021 helpdesk/trainingen
1/1/21 – 31/12/21
Vluchtweb, Helpdesk Integratie, training en opleiding betaalde en vrijwilige hulpverleners. Instellingssubsidie
€ 1.096.950
Verwey Jonker Instituut
KIS 2020
1/1/20 – 31/12/20
Ontwikkeling en beheer Kennisplatform Integratie en Samenleving. Instellingssubsidie
€ 2.770.019
Verwey Jonker Instituut
KIS 2021
1/1/21 – 31/12/21
Ontwikkeling en beheer Kennisplatform Integratie en Samenleving. Instellingssubsidie
€ 2.840.210
St. Nederlands inclusiviteitsmonitor
Opschaling inclusiviteitsmonitor
1/11/20 – 31/12/21
Vormgeving diversiteits- en inclusiebeleids
€ 90.000
St. Blik op Werk
Controle onderwijskwaliteit
1/2/20 – 31/7/21
Interne controle aspirant inburgeringscholen en extra inspectie onderwijskwaliteit
€ 265.590
Visio
Pilot
1/1/20 – 31/12/21
Taaltrainingen voor visueel beperkte inburgeringsplichtigen
€ 229.000
Divosa
Ondersteuning VOI 2020
1/1/20 – 30/4/21
Ondersteuning veranderopgave inburgering
€ 4.541.800
Divosa
Ondersteuning VOI 2021
1/1/21 – 30/4/22
Ondersteuning veranderopgave inburgering
€ 4.447.983
VNG
Ondersteuning gemeenten VOI 2020 – 2021
1/1/20 – 31/12/21
Ondersteuning implementatie inburgering
€ 2.469.159
Vrije Universiteit Amsterdam
Imamopleiding
1/5/21 – 31/5/22
Professionaliseringsprogramma imams in Nederland
€ 194.830
Respect Education Fnd.
N.a.v.amendement Peters en Rog 2020 – 2021
1/1/20 – 31/12/22
Faciliteren Week van Respect en diverse projecten over respect tussen docenten en jongeren op scholen.
€ 1.000.000
GGMD
Pilot inburgering
1/4/21 – 31/12/21
Pilot inburgeringsaanbod voor inburgeraars met een autditieve beperking
€ 49.100
Prins Bernardfonds
Themafonds in het kader VN decennium personen Afrikaanse afkomst
15/12/17 – 15/12/20
Faciliteren van culturele en educatieve projecten inclusiviteit voor personen met oorspronkelijke Afrikaanse afkomst.
€ 300.000
Oranjefonds
Fonds Afrikaanse diaspora in het kader van VN decennium
15/12/17 – 31/12/21
het ondersteunen van maatschappelijke initiatieven die gericht zijn op het duurzaam tot stand brengen van verbinding in de Nederlandse samenleving, door bij te dragen aan bewustwording ten aanzien van anti-zwart racisme en het tegengaan van stereotypering en vooroordelen
€ 300.000
Verwey Jonker Instituut
Leerstoel
1/1/20 – 31/12/21
Leerstoel polarisatie en veerkracht
€ 60.000
Movisie
Alliantie Verandering van Binnenuit. Samenwerking met het Consortium Zelfbeschikking
1/1/2018 – 31/12/2022
Bevorderen lhbti- en gendergelijkheid, en tegengaan gendergerelateerd geweld binnen migranten- en vluchtelingengemeenschappen
€ 2.500.000
Femmes for Freedom
LEF
1/1/2019 – 31/12/2021
Bevorderen zelfbeschikking meisjes en vrouwen met een migratieachtergrond
€ 517.000
Kunt u toelichten welke rol het consortium zelfbeschikking en de alliantie verandering van binnenuit hierbij spelen?
Het Consortium Zelfbeschikking vormt samen met Movisie de alliantie Verandering van Binnenuit. Deze alliantie heeft tot doel het bevorderen van gendergelijkheid en lhbti-acceptatie, en het tegengaan van gender gerelateerd geweld binnen migranten- en vluchtelingengemeenschappen. Het Consortium Zelfbeschikking bestaat uit een aantal vluchtelingen- en migrantenorganisaties die actief zijn op het terrein van gender en seksuele diversiteit. Het gaat om het Inspraakorgaan Turken (IOT), Stichting Kezban, Federatie van Somalische associaties in Nederland (FSAN), Samenwerkingsverband Marokkaanse Nederlanders (SMN), Stichting Landelijke Werkgroep Mudawwanah, HTIB (Turkse arbeidersvereniging in Nederland) en Vluchtelingen Organisaties Nederland (VON).
Welk organisaties zijn betrokken bij het consortium zelfbeschikking? Wat is het doel van het consortium? Hoe wordt het consortium gefinancierd? Welke financiële bijdrage levert de overheid aan het consortium? Welke subsidies verstrekt het consortium op haar beurt aan welke organisaties?
De alliantie Verandering van Binnenuit is één van de acht allianties die een instellingssubsidie ontvangen vanuit de subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022. Iedere alliantie heeft één penvoerder die verantwoordelijk is en zorg draagt voor verdeling van de middelen onder de alliantiepartners. Hiervoor is voorafgaand aan de toekenning van de subsidie een aanvraag ingediend met een uitgewerkt activiteitenplan voor de jaren 2018 en 2019 en met een verplichting jaarlijks (in oktober van het voorgaande jaar) een activiteitenplan in te dienen voor de jaren 2020, 2021 en 2022. Over de besteding van de middelen wordt jaarlijks verantwoording afgelegd door middel van het indienen van een rapportage die aansluit bij de activiteiten van het afgelopen jaar en een jaarverslag vergezeld van een accountantsverklaring. In totaal ontvangt de alliantie een instellingssubsidie van € 2,5 miljoen over vijf jaar. Dat is gemiddeld € 500.000 per jaar verdeeld over vijf jaar. Dit kunt u terugvinden in het besluit vaststelling subsidieplafonds ex artikel 2.6 Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022.
Bij de alliantie Verandering van Binnenuit is Movisie, als penvoerder, verantwoordelijk voor de verantwoording van de middelen. Het Consortium Zelfbeschikking, vertegenwoordigd door het IOT, is een partner binnen de alliantie. Het Consortium Zelfbeschikking ontvangt via Movisie middelen voor het organiseren van bijeenkomsten voor en door de eigen gemeenschap.
Het Consortium Zelfbeschikking verstrekt geen subsidies.
Heeft de overheid een directe relatie met de organisaties die aangesloten zijn bij het consortium zelfbeschikking en zo ja, welke? Krijgen deze betrokken organisaties direct of indirect subsidie of een anderszins financiële bijdrage van de overheid? Waar staat deze financiering op de rijksbegroting en als deze daar niet staat hoe is deze dan door de Kamer te controleren?
Voor de eerste 2 vragen wordt verwezen naar het antwoord op vraag 5.
De subsidie aan de alliantie verandering van Binnenuit valt onder de subsidieregeling gender- en LHBTI- gelijkheid 2017–2022 en wordt verantwoord op artikel 25 van de begroting van het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap. Op 24 april 2017 is een brief aan de Kamer gezonden over de keuze van de partnerschappen emancipatiebeleid.3 Jaarlijks wordt door middel van een voortgangsrapportage aan de Kamer gerapporteerd over de voortgang van het gehele emancipatiebeleid, waaronder ook de allianties.
Vanuit het Ministerie van VWS ontvangt de Federatie van Somalische Associaties Nederland (FSAN) subsidie voor het verstrekken van informatie, het geven van advies en het ondersteunen van sleutelpersonen. FSAN ontvangt hiervoor een subsidie van € 1.001.113 in de periode 2016–2021. Deze subsidie loopt in augustus 2021 af. De subsidie aan FSAN valt in de begroting onder Artikel 3.1 Subsidies, passende zorg en levensbrede ondersteuning.
Bovenstaande subsidies hebben alleen betrekking op de gemaakte kosten in het kader van de uitvoering van de alliantie Verandering van Binnenuit door het Ministerie van OCW en in het kader van de bestrijding van meisjesbesnijdenis van het Ministerie van VWS. Het valt niet uit te sluiten dat gemeenten of andere overheidslagen ook financiële relaties met deze partijen hebben.
Welke eisen worden gesteld aan de organisaties in het consortium die (mede) gefinancierd worden door de overheid? Welke doelstelling koppelt de overheid aan de financiering? Hoe wordt dit geëvalueerd en kunt u de resultaten van de financiering met de Kamer delen?
De criteria waaraan maatschappelijke organisaties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een instellingssubsidie (deelname aan een alliantie) zijn opgenomen in de subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022. Over de opbrengsten van de allianties wordt jaarlijks gerapporteerd in de voortgangsrapportages emancipatiebeleid. De meest recente is de brief van februari 2021.4
Tevens zal er aan het eind van de looptijd van de allianties een eindevaluatie worden gedaan door de acht allianties. Vorig jaar is bovendien een procesevaluatie uitgevoerd door het Verweij-Jonker Instituut naar de samenwerking met allianties.
Kunt u toelichten waarom het feit dat subsidieverstrekking een eigenstandige bevoegdheid van gemeenten is een belemmering zou zijn om een richtlijn op te stellen samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) aan de hand waarvan gemeenten kunnen beoordelen of een integratiesubsidie wenselijk en doelmatig is, zoals is gevraagd in de aangenomen motie Becker/Segers?2
Een subsidieverstrekking door een gemeente is een bevoegdheid op het niveau van de gemeenten. Het kabinet treedt niet in deze bevoegdheid. Het is aan de gemeenten om te beoordelen of deze subsidies een bijdrage leveren aan de participatie in Nederland. Tevens laat het kabinet de beoordeling of gemeenten behoefte hebben aan een handreiking aan de VNG over.
De beoordeling van subsidieaanvragen vindt primair plaats op basis van de inschatting of de aanvrager voldoet aan de doelstellingen van de subsidieregeling. Vanuit de Taskforce Problematisch gedrag & ongewenste buitenlandse financiering wordt ondersteuning geboden aan gemeenten die geconfronteerd worden met problematisch gedrag in hun gemeente. Deze ondersteuning vindt plaats op basis van voortdurend overleg met een breed palet aan betrokken gemeenten en de VNG op basis van de driesporenaanpak. Het niet verstrekken of stopzetten van gemeentelijke subsidies kan onderdeel uitmaken van de lokale aanpak. De uitoefening van deze bevoegdheid berust bij het college van B&W die hierover verantwoording aflegt aan de gemeenteraad.
Deelt u de mening dat het voor gemeenten niet altijd eenvoudig te beoordelen is of een subsidie gegeven zou moeten worden aan een organisatie die zegt te willen bijdragen aan integratie, bijvoorbeeld omdat er sprake kan zijn van problematisch gedrag? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat het wenselijk is om gemeenten van concrete handvatten te voorzien om dit oordeel beter te kunnen geven? Zo ja, gaat u deze alsnog met de VNG opstellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bekend met uw brief aan de Kamer d.d. 18 januari 2021 (Kamerstuk 35 228, nr. 33) waarin wordt beschreven dat u financieel heeft bijgedragen aan «twee initiatieven vanuit de gemeenschap waarbij een kwaliteitsimpuls wordt gegeven aan informele scholing»? Kunt u toelichten om welke projecten dit gaat en in welk kader deze subsidie beschikbaar was gesteld? Welke doelen hebben de organisaties die werken in dit traject? Zijn er nog andere vergelijkbare trajecten en zo ja, levert de overheid daar een bijdrage aan?
In het eindrapport Verkenning informele scholing hebben de onderzoekers onderstreept dat het van belang is om naast een aanpak gericht op problematisch aanbod, beleid te ontwikkelen dat er op de lange termijn aan bijdraagt dat er geen publiek meer is voor onwenselijke invloeden.6 Eén van hun aanbevelingen betreft het gericht stimuleren van goed aanbod. Ik heb onder andere naar aanleiding van deze aanbeveling de klankbordgroep gemeenten van de Taskforce PG&OBF gevraagd of zij bestaande initiatieven in hun gemeenten kennen die hiervoor in aanmerking komen of die ze zouden willen ontwikkelen.
Er lopen inmiddels drie projecten in drie verschillende gemeenten. Een project heeft als doel het bestaande informele scholingsaanbod van een groep moskeeën te professionaliseren en een sterk pedagogisch didactisch leerklimaat te realiseren met aandacht voor democratisch burgerschap en het leven in het moderne en pluriforme Nederland van nu. De andere twee projecten zijn gericht op het (door)ontwikkelen van een alternatief aanbod.
Het Ministerie van SZW heeft in 2020 een incidentele impuls geboden aan deze drie pilots via een decentralisatie uitkering (zie vraag 3). Het betreft een financiële bijdrage van € 133.000. Eind 2021 volgt een tweede tranche ten behoeve nieuwe initiatieven. Het maximaal beschikbare budget voor die tranche bedraagt € 300.000. Dit zijn middelen afkomstig uit de begroting van de directie Samenleving en Integratie en betreft geen vrijgekomen budget.
Welk bedrag wordt er aan deze projecten gegeven en gaat dit om incidenteel, meerjarig of structureel geld? Waar is dit op de begroting SZW of elders op de begroting opgenomen en waardoor was dit budget vrijgekomen om hieraan een bijdrage te kunnen leveren?
Zie antwoord vraag 11.
Deelt u de mening dat het geen overheidstaak is om financieel mogelijk te maken dat kinderen in het Arabisch leskrijgen over de Islamitische taal en cultuur? Zo ja, waarom wordt dan toch een overheidssubsidie verstrekt om dit mogelijk te maken? Zo nee, hoe draagt dit initiatief volgens u bij aan de bevordering van integratie en weerbaarheid?
Het kabinet heeft al eerder aangekondigd zich in te spannen om mensen en met name jongeren, weerbaar te maken tegen ongewenste (buitenlandse) beïnvloeding en problematisch gedrag.7 Onderdeel van die aanpak is om samen met de wetenschap, gemeenten en gemeenschappen te werken aan de kwaliteit van het informele scholingsaanbod. Goede informele scholing helpt jongeren bij hun (religieuze) identiteitsontwikkeling en scherpt hun burgerschapsvaardigheden.
Omdat op dit moment nog weinig kennis beschikbaar is over wat werkt, heb ik een aantal gemeenten in de gelegenheid gesteld om tijdelijk middels pilots te onderzoeken of het stimuleren van de kwaliteit van het bestaande aanbod of de ontwikkeling van alternatief aanbod bijdraagt aan de weerbaarheid van jongeren. De ervaringen die gemeenten hiermee opdoen zullen te zijner tijd worden verspreid als goede voorbeelden.
Wanneer is bij de genoemde projecten sprake van «een wijze die volgens ouders recht doet aan hun religieuze en maatschappelijke beleving»? Hoe beoordeelt u deze wijze? Hoe wordt er toezicht gehouden op deze lessen om te beoordelen of met de overheidsbijdrage wenselijke doelstellingen worden nagestreefd en behaald als de lessen in het Arabisch zijn?
Het Ministerie van SZW heeft de betreffende gemeenten een financiële bijdrage voor hun projecten toegekend middels een decentralisatie uitkering. Het stellen van voorwaarden door het Rijk bij de toekenning van een decentralisatie uitkering die de beleids- en bestedingsvrijheid van decentrale overheden beperken, is niet toegestaan. Er is derhalve enkel sprake geweest van een doelomschrijving. De gemeenten in kwestie zijn derhalve subsidieverlener en zij hebben afspraken gemaakt met de subsidieontvangers. Het Rijk vormt hierin geen partij.
Kunt u deze vragen één-voor-één en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Nee, dat is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘'Gluurapparatuur' in trek door thuiswerken, vakbonden bezorgd’. |
|
Lisa van Ginneken (D66), Steven van Weyenberg (D66) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Gluurapparatuur» in trek door thuiswerken, vakbonden bezorgd»?1
Ja.
Bent u het eens dat de inzet van gluurapparatuur door werkgevers bij werknemers thuis te ver gaat?
Vertrouwen tussen werkgever en werknemer is de basis voor een goede arbeidsrelatie. Het is in sommige gevallen toegestaan om werknemers te controleren, maar hieraan zijn wel strikte voorwaarden gesteld om de privacy van werknemers te waarborgen. Bijvoorbeeld als mensen in toenemende mate thuis of op afstand werken. Zo moet de werkgever goed beargumenteren waarom het noodzakelijk is om werknemers te controleren. De werkgever moet ook beargumenteren waarom het bedrijfsbelang zwaarder weegt dan het belang van de werknemer, namelijk het recht op privacy. Ook dient de werkgever de werknemer vooraf te informeren dat er gecontroleerd kan worden. Daarnaast heeft een ondernemingsraad (OR) op grond van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) instemmingsrecht ten aanzien van voorgenomen besluiten van de ondernemer inzake regelingen betreffende personeelsvolgsystemen en omtrent het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van de personen die in de onderneming werkzaam zijn.
De belangrijkste voorwaarden voor de controle op werknemers zijn vastgelegd in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet AVG (UAVG). Op de website van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is een overzicht van en toelichting op alle voorwaarden te vinden.2
Het maakt niet uit of het werk thuis of op de werkplek plaatsvindt. De regels voor controle van werknemers zijn in beide gevallen gelijk. De werkgever mag de werknemer dus niet opeens intensiever monitoren omdat het werk vanuit huis wordt uitgevoerd.
Aan welke waarborgen moet toezicht op de werkplek thuis voldoen?
Zie het antwoord op vraag twee.
Constaterende dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) eerder aanbevelingen voor privacy bij digitaal thuisonderwijs heeft gepubliceerd, bent u bereid de AP te verzoeken om soortgelijke aanbevelingen op te stellen met betrekking tot thuiswerken en privacy?
Op dit moment zie ik geen aanleiding om de AP te verzoeken om aanvullende informatie over thuiswerken en privacy te publiceren. Op de website van het AP3 staat uitgebreide informatie over de voorwaarden die gelden voor het controleren van werknemers. Zoals aangegeven maakt het niet uit of het werk thuis of op de werkplek plaatsvindt. De regels voor controle van werknemers zijn in beide gevallen gelijk. Tot slot dient te worden opgemerkt dat de AP uiteraard zelf gaat over het inrichten van zijn toezicht en daarbij eigen keuzes en afwegingen maakt.
Op welke manier hebben vakbonden of de ondernemingsraden een rol in het vaststellen van beleid op toezicht bij thuiswerken?
Zoals aangegeven heeft de OR op grond van de WOR instemmingsrecht ten aanzien van voorgenomen besluiten van de ondernemer tot vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling inzake voorzieningen die gericht zijn op of geschikt zijn voor waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van de in de onderneming werkzame personen. Besluiten omtrent de vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling omtrent personeelscontrole- of personeelsvolgsystemen, zoals monitoringssoftware, dienen dus vooraf aan de OR te worden voorgelegd ter instemming. De OR heeft ook instemmingsrecht ten aanzien van een regeling omtrent het verwerken van en de bescherming van de persoonsgegevens van de in de onderneming werkzame personen. Daarnaast heeft de OR adviesrecht ten aanzien van een voorgenomen besluit tot invoering of wijziging van een belangrijke technologische voorziening.
Werknemersorganisaties zouden het onderwerp toezicht bij thuiswerken mee kunnen nemen in het cao-overleg met werkgevers(organisaties). Het is echter aan werkgevers en werknemers om afspraken te maken over arbeidsvoorwaarden en een cao af te sluiten. Zij bepalen dan ook welke onderwerpen zij in dat kader willen bespreken.
Welke rechten hebben werknemers wanneer zij thuiswerken en hun werkgever wil controleren of zij wel of niet aan het werk zijn? Verschilt dat van de situatie dat iemand op kantoor werkt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag twee maakt het niet uit of het werk thuis of op de werkplek plaatsvindt. De regels voor controle van werknemers zijn in beide gevallen hetzelfde. De werkgever mag de werknemer dus niet opeens intensiever monitoren omdat het werk vanuit huis wordt uitgevoerd.
Wanneer is er sprake van een privacy-schending en in welke gevallen is het raadzaam dat mensen de overtreding melden bij de AP?
In het antwoord op vraag twee ben ik ingegaan op de voorwaarden die gelden voor de controle op werknemers. Als een werknemer vermoedt dat deze voorwaarden worden overtreden dan kan hij hierover eerst in gesprek gaan met zijn werkgever. Ook kan hij hiervoor terecht bij de ondernemingsraad of de vertrouwenspersoon, indien aanwezig. Ook kan er een melding worden gedaan bij de AP. Op de website van de AP staat informatie over het melden van een klacht.4 In het uiterste geval heeft de werkgever of de werknemer de mogelijkheid om naar de kantonrechter te stappen als binnen de arbeidsrelatie geen overeenstemming bereikt kan worden over de mate waarin of de wijze waarop het controleren van de werknemer door de werkgever plaatsvindt.5
Welke rol heeft de Inspectie SZW bij het toezicht op thuiswerken door werkgevers, bijvoorbeeld in het kader van recht op een veilige werkplek?
De werkgever is verantwoordelijk voor het bieden van een gezonde en veilige werkplek. Het laten thuiswerken kan één van de maatregelen zijn, waarmee de werkgever de werkplek veiliger kan maken. Ook in de thuiswerksituatie moet de werkgever werknemers zoveel mogelijk beschermen. De werkgever is verplicht een actuele risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) te hebben waar onder andere rekening wordt gehouden met alle risico’s die er in verband met het werk, en dus ook met thuiswerken, aan de orde zouden kunnen zijn. De RI&E vormt daarmee een ingang voor de Inspectie SZW om te controleren of werkgevers de risico’s in verband met thuiswerken onderkennen en vervolgens maatregelen treffen. Het toezicht op de thuiswerkplek richt zich voor de Inspectie SZW op het controleren van het beleid van de werkgever ten aanzien van thuiswerken.
Met betrekking tot de monitoringsoftware biedt de Arbeidsomstandighedenwet geen grondslag voor de Inspectie SZW om toezicht te houden op dergelijke controlemechanismen. De gegevens die worden verzameld door de toepassing van monitoringsoftware kunnen direct worden gelinkt aan individuele medewerkers. Om deze reden zijn deze gegevens te beschouwen als persoonsgegevens in de zin van de AVG. Het onrechtmatig en disproportioneel verwerken van persoonsgegevens is een overtreding van de AVG. Het toezicht op de naleving van de AVG ligt bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Bent u bereid om in uw gesprekken met sociale partners over criteria voor thuiswerken ook het toezicht & controle op de werkplek thuis te agenderen en te kijken of er tot goede afspraken kan worden gekomen?
Ik voer structureel overleg met de sociale partners over de gevolgen van het langdurig en grootschalig thuiswerken tijdens de corona-pandemie. Het is goed dat de vakbonden met de signalen die zij ontvangen het gesprek aangaan met werkgevers. Thuiswerken zal waarschijnlijk ook na de coronacrisis in veel sectoren een rol blijven spelen. Het is dus verstandig dat werkgevers en werknemers alvast in gesprek gaan over de mogelijke gevolgen hiervan. Om werkgevers en werknemers hierbij te ondersteunen heeft het demissionaire kabinet eind maart jl. de SER om een breed advies gevraagd over de toekomst van hybride werken. Met hybride werken wordt de combinatie van thuiswerken en werken op locatie (bijvoorbeeld op kantoor) bedoeld. Met het advies van de SER in de hand kan het nieuwe kabinet een Agenda voor de toekomst van hybride werken vormgeven. Het doel van deze agenda is dat de samenleving, werkgevers, werknemers, het kabinet en andere relevante partijen beter kunnen anticiperen op de ontwikkelingen rond hybride werken na de coronacrisis.
Het bericht over het afsluiten van gasboorputten op LUT-5 in Losser |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Bas van 't Wout (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over het afsluiten van gasboorputten op LUT-5 in Losser?1
Ja, dat bericht is mij bekend.
Is afsluiten met cementpluggen in lijn met het putintegriteitssysteem? Hoe kan het SodM toezicht houden op een permanent afgesloten put? (Aanhangsel handelingen, 1174)
Het putintegriteitssysteem is een monitoringsysteem uitsluitend voor actieve putten en wordt niet gebruikt als richtlijn voor het permanent afsluiten van putten. Putten worden afgesloten volgens industriële standaarden en strikte wettelijke regels die er op gericht zijn om een put permanent af te sluiten zonder dat dit nog periodiek toezicht vergt. Voorafgaand aan een putafsluiting moet een operator een kennisgeving indienen, bestaande uit een werkprogramma, een veiligheids- en gezondheidsdocument en een onafhankelijk reviewrapport. SodM houdt, als onafhankelijk toezichthouder, toezicht door vooraf de kennisgeving en de uitvoering van het afsluiten van de putten te toetsen en achteraf de afsluiting te controleren. Na afsluiting van een put moet de putintegriteit geborgd zijn en blijven. Een put wordt tot drie maanden na afsluiting door de operator gemonitord om zeker te stellen dat de buitengebruikstelling succesvol is.
SodM heeft een wettelijke taak om toezicht te houden op permanent afgesloten putten. Tevens doet SodM onderzoek naar de langetermijnrisico’s en beheersing van afgesloten putten. Mocht hieruit blijken dat operators werkzaamheden aan de afgesloten putten moeten treffen, dan zorgt de toezichthouder ervoor dat dit door de operator wordt opgepakt.
Op welke punten worden/zijn wijzigingen aangebracht als gevolg van de door u onverwacht falende injectieput in Rossum? Hoe draagt u er zorg voor dat u niet op eenzelfde wijze wordt verrast met scheuren bij andere gas- en olieputten?
Het onderzoek naar de precieze oorzaak of oorzaken van het falen van de put in Rossum (ROW2) is nog niet afgerond. SodM verwacht haar beoordeling op het onderzoek van NAM eind juni 2021 af te ronden. Na deze beoordeling zal worden bezien of, en zo ja welke, wijzigingen noodzakelijk zijn.
Op dit moment zijn er geen aanwijzingen dat er vergelijkbare omstandigheden op kunnen treden bij de andere gebruikte waterinjectieputten. Deze putten hebben een andere constructie en zijn gemaakt met buizen die sterker zijn door de grotere wanddikte.
Bent u bereid een versneld en onafhankelijk onderzoek uit te laten voeren naar de putten in het Springendal, naast de Weerribben-Wieden (WAV) en nabij het Dinkeldal (LUT)?
Nee, er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat dat nodig is. De onafhankelijke toezichthouder SodM doet op dit moment onderzoek naar de put ROW-2. Mocht uit dit onderzoek blijken dat nader onderzoek naar andere putten raadzaam is, dan zal SodM de desbetreffende operators opdragen om een nader onderzoek uit te voeren. Vervolgens zal SodM dit onderzoek beoordelen waarbij gebruik gemaakt kan worden van externe experts.
Wat is uw oordeel (of dat van SodM) over de Mander-putten, die zo’n 10 jaar later zijn geboord dan bovengenoemde putten, maar ook op het punt staan te worden afgesloten?
De putten in Manderveen zijn sinds 2015 niet meer in gebruik en zijn daarop aansluitend buiten werking gesteld. Deze putten worden binnenkort afgesloten omdat er geen gebruik van wordt gemaakt en ook hergebruik niet wordt voorzien. De putten zullen conform de wetgeving en onder toezicht van SodM worden afgesloten. De operator moet voorafgaand aan een putafsluiting een kennisgeving indienen, bestaande uit een werkprogramma, een veiligheids- en gezondheidsdocument en een onafhankelijk reviewrapport, zie ook het antwoord bij vraag 2.
Hoe zit het met de olieafvalwater-injectieput ROW 2 in Rossum, waarvan onlangs bleek de buitenbuis gescheurd is?2
Sinds december 2019 was injectie in put ROW-2 gepauzeerd. In eerste instantie vanwege onderhoud aan de bovengrondse installaties. Toen in januari 2020 het onderhoud was afgerond, is de injectie niet herstart vanwege twijfels over de putintegriteit. Eind februari 2021 heeft NAM melding gemaakt van de scheur in buitenbuis ROW-2 bij SodM. SodM heeft NAM daarna opgedragen om nader onderzoek te doen naar oorzaak van scheur en of deze bevindingen gevolgen hebben voor andere putten in het gebied. SodM heeft de bevindingen van NAM ontvangen en is dit aan het beoordelen. SodM verwacht hiermee eind juni 2021 klaar te zijn.
Het onderste gedeelte van de put ROW-2 is recent met een cementplug buiten gebruik gesteld conform de geldende mijnbouwregels. De lekdichtheid van deze afsluiting is geverifieerd. SodM heeft erop toegezien dat de werkzaamheden conform het werkprogramma en wettelijke vereisten zijn uitgevoerd.
Is een second opinion over deze en andere putten mogelijk, als er een cementplug is geplaatst? Hoe hunnen we de komende decennia en komende generaties dergelijke putten blijven monitoren als ze permanent zijn afgesloten, maar nog steeds kunnen lekken?
NAM heeft alle mogelijke onderzoeken gedaan in de waterinjectieput ROW-2 en hierbij data verzameld en geanalyseerd. De beschikbare data geeft informatie over de aanwezige buitenbuis zoals:
SodM heeft geconcludeerd dat de bovenstaande meetgegevens voldoende zijn om het onderzoek naar de oorzaak van de scheur en eventuele consequenties voor andere injectieputten uit te voeren. SodM heeft het onderzoek van NAM ontvangen en is dit onderzoek aan het beoordelen. SodM kan, als zij dat nodig acht, daarbij gebruik maken van externe experts.
Een geplaatste cementplug kan worden uitgeboord indien men weer toegang wil krijgen tot een reservoir. Voor een second opinion is het niet noodzakelijk om de put daadwerkelijk open te boren. SodM heeft aangegeven dat NAM voldoende gegevens heeft verzameld. Uitgaande van deze data kan een andere partij ook een analyse doen. In het antwoord op vraag 2 ben ik nader ingegaan op het permanent afsluiten van putten, het monitoren van afgesloten putten en het toezicht van SodM.
Het bericht dat 65.000 stemmen van 70-plussers niet zijn meegeteld door fouten bij briefstemmen |
|
Liane den Haan (50PLUS) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «65.000 stemmen 70+ niet meegeteld door fouten bij briefstemmen»?1
Ja.
Wat is uw reactie naar mensen die de moeite hebben genomen om per brief te stemmen en hun stem verloren hebben zien gaan?
Het briefstemmen was voor kiezers in Nederland een hele nieuwe vorm van stemmen bij de Tweede Kamerverkiezing. Onder andere omstandigheden zou eerst bij een of meerdere verkiezingen op een kleinschaliger niveau zijn geëxperimenteerd met briefstemmen, om daar ervaring mee op te doen. Dat is gebruikelijk als het gaat om majeure veranderingen in het verkiezingsproces. Kleinschalig experimenteren was nu echter niet mogelijk, omdat, op verzoek van de Tweede Kamer2, briefstemmen is geïntroduceerd als een van de maatregelen om het stemmen in corona-omstandigheden mogelijk te maken.
Zo’n 95% van de kiezers die per brief hebben gestemd, hebben dat goed gedaan. Dat 4–6% niet kon worden meegeteld, heeft er veelal mee te maken dat kiezers alleen hun stempas of alleen hun stembiljet hebben teruggestuurd. Als een kiezer geen stembiljet meestuurt, is er geen stem om te kunnen tellen. Als de kiezer geen stempas meestuurt, kan niet door het stembureau worden gecontroleerd of hij of zij mag stemmen. Het meesturen van de stempas is ook nodig om te waarborgen dat een kiezer niet meer dan één stem kan uitbrengen. Elke stem die niet kan meetellen is er 1 te veel, maar voor het niet opsturen van een stembiljet of een stempas is helaas geen procedurele voorziening te treffen die terzijdelegging kan voorkomen.
Waarom heeft u zelf niet laten onderzoeken hoeveel stemmen zijn afgevallen voordat het tellen begon? Had een deel van deze stemmen wel meegeteld kunnen worden bij de verkiezingsuitslag als er eerder actie was ondernomen?
Het aantal terzijde gelegde briefstemmen is door de briefstembureaus verantwoord in de zogenoemde processen-verbaal van vooropening. Die processen-verbaal zijn door de gemeenten gepubliceerd nadat de burgemeesters de zogenaamde opgave (artikel N 11 Kieswet), met daarin de uitkomst van de telling van de stemmen op gemeentelijk niveau, hadden vastgesteld. Pas na publicatie kon het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in de openbare processen-verbaal nagaan wat er terzijde is gelegd. Ik memoreer dat ik als Minister van BZK geen taken en verantwoordelijkheid heb bij de vaststelling van de verkiezingsuitslag. Die moet immers onafhankelijk worden vastgesteld volgens de in de wet vastgelegde procedure. Het is dus ook niet mogelijk dat de Minister van BZK binnen het proces van de uitslagvaststelling onderzoek doet naar het beoordelen van de uitgebrachte stemmen en het tellen ervan.
De verantwoordelijkheid voor de uitslagvaststelling ligt enerzijds bij het centraal stembureau, dat de uitslag van de verkiezing vaststelt (voor Tweede Kamerverkiezingen is dat de Kiesraad), en anderzijds bij het vertegenwoordigend orgaan waarvoor de verkiezing is gehouden, dat de geldigheid van de verkiezing beoordeelt (in dit geval was dat de Tweede Kamer, die in dat kader ook alle processen-verbaal heeft ontvangen, dus ook de processen-verbaal van vooropening).
De Minister van BZK is wel verantwoordelijk voor de evaluatie van de verkiezingen. Voor de evaluatie zijn de op het internet gepubliceerde processen-verbaal van ca. 160 gemeenten bekeken. Over de uitkomsten hiervan heb ik geschreven in de antwoorden op de vragen van het voormalige TK-lid Van Otterloo3. Kortheidshalve verwijs ik naar die antwoorden.
Zoals ook aangegeven in de antwoorden op vraag 2 en 6 zijn terzijdeleggingen in het geval dat de kiezer de stempas of het stembiljet niet heeft opgestuurd naar het briefstembureau niet met een procedurele voorziening te voorkomen.
Kunt u aangeven welke maatregelen u gaat treffen naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek? Gaat u onderzoeken hoe in de toekomst het stemmen per brief vereenvoudigd kan worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben de Tweede Kamerverkiezing aan het evalueren. Daarvoor kijk ik, net als de NOS en de Open State Foundation hebben gedaan, naar de door de briefstembureaus ingevulde processen-verbaal. In de evaluatie zal in kaart worden gebracht wat, voor het geval briefstemmen ook in de toekomst mogelijk zou zijn, er veranderd c.q. verbeterd kan worden om terzijdeleggingen te beperken.
Laat u de voorlichtingscampagne, die bedoeld was om uit te leggen hoe briefstemmen in zijn werk gaat, evalueren? Zo niet, kunt u aangeven waarom niet?
Net als bij eerdere evaluaties wordt de landelijke voorlichtingscampagne geëvalueerd. Wat het stemmen per brief betreft worden er voor de evaluatie (focus)gesprekken gevoerd met kiezers, en worden er gesprekken gevoerd met gemeenten en intermediaire organisaties, zoals ouderenbonden, die betrokken waren bij de voorlichting.
Kunt u toelichten waarom u tevreden bent met de gang van zaken rondom het briefstemmen terwijl bijna een hele zetel aan stemmen verloren is gegaan? Bij hoeveel niet-getelde stemmen was u niet tevreden geweest?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven hoe het kan dat het percentage verloren stemmen hoger ligt dan in andere landen die worden aangehaald in het artikel? Kunnen wij lering trekken uit de wijze waarop andere landen het briefstemmen aanpakken?
De wet- en regelgeving met betrekking tot verkiezingen verschilt per land. Een vergelijking is daarom niet simpelweg te maken. Ook bestaat de mogelijkheid tot het stemmen per brief, in veel andere landen al langer. Wel kan in zijn algemeenheid worden geconstateerd dat, voor zover landen daarover cijfers publiceren4, het percentage ongeldige/niet meegetelde stemmen hoger is bij het stemmen per brief dan bij het stemmen in het stemlokaal.
Het artikel 'Defensie zet mes in munitiebudget: tijd van ’pang pang’ roepen terug' |
|
Derk Boswijk (CDA), Jeroen van Wijngaarden (VVD), Chris Stoffer (SGP) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Defensie zet mes in munitiebudget: tijd van «pang pang» roepen terug»?1
Ja.
Klopt het dat er in een reductie van het munitiebudget van 140 miljoen euro in 2021 naar 80 miljoen euro in 2023 is voorzien?
De gemiddelde kosten voor conventionele munitie voor opleiding en training (niet zijnde de voorraad kapitale munitie2) bedragen jaarlijks circa € 140 miljoen, waarvan circa een kwart wordt gebruikt voor vaste kosten voor bijvoorbeeld instandhouding en keuringen (typeclassificatie en levensduurverlengend onderzoek). Conventionele munitiesoorten, waaronder springmiddelen, klein kalibermunitie en vuursteunmunitie voor opleiden en training inclusief vaste kosten, worden gefinancierd vanuit het exploitatiebudget. Om het verbruik van conventionele munitie voor opleiding en training aan te vullen, is echter jaarlijks € 80 miljoen beschikbaar.
Eerder heb ik u gemeld dat de mismatch tussen beschikbaar budget en de behoefte aan munitie voor opleiding en training onder andere wordt veroorzaakt doordat de munitieprijzen harder stijgen dan voorzien (Kamerstuk 35 570 X, nr. 12 van 15 oktober 2020). De stijging van de prijzen wordt deels gecompenseerd middels de jaarlijkse toevoeging van de prijsbijstelling. De stijging van de munitieprijzen is onder andere een gevolg van de groeiende Defensie-investeringen door landen om ons heen, waarmee de vraag naar munitie en daarmee de prijs van munitie stijgt. Verder wordt deze mismatch veroorzaakt doordat er meer munitie voor opleiding en training moet worden vervangen dan in voorgaande jaren. De historische voorraden munitie, waar we voor opleiding en training tot nu toe uit konden putten, nemen namelijk af. Als gevolg van strikte toepassing van de veiligheidsnormen, wordt minder munitie na levensduurverlengend onderzoek vrijgegeven voor verbruik. Deze afgekeurde munitie moet worden afgevoerd en worden aangevuld.
Dit alles tezamen leidt tot een mismatch van structureel € 60 miljoen voor conventionele munitie voor opleiding en training. Dit bedrag is onderdeel van het in de Defensievisie 2035 opgenomen aanvullende structurele bedrag in de categorie Moderne bedrijfsvoering (Kamerstuk 34 919, nr. 71 van 15 oktober 2020).
Voor de jaren 2020 en 2021 is ervoor gekozen om het budget voor munitie
incidenteel met € 40 miljoen te verhogen. Voor 2022 is het voornemen dat eveneens te doen, onder voorbehoud van goedkeuring van uw Kamer met de eerste suppletoire begroting waarvan dit voornemen deel zal uitmaken. Hierdoor wordt de mismatch tijdelijk beperkt. Tegelijkertijd zoekt Defensie een structurele oplossing voor deze mismatch.
Om het verbruik in overeenstemming te brengen met het budget, richt Defensie zich in een eerste stap op het verminderen van het verbruik van duurdere munitiesoorten van de grotere wapensystemen ter hoogte van minstens € 20 miljoen, waarbij nog steeds de vereiste mate van geoefendheid kan worden behaald. Daarbij onderzoekt Defensie bijvoorbeeld de mogelijkheden om meer gebruik te maken van simulatie in een digitale omgeving. Verder bekijkt Defensie of minder dure trainingsmunitie kan worden gebruikt, die uiteraard wel aan de geldende kwaliteits- en veiligheidseisen voldoet, zoals het gebruik van goedkopere granaten met een kleiner bereik voor de training van artilleriewaarnemers.
Om de volledige mismatch structureel op te lossen, worden afhankelijk van de ruimte op de Defensiebegroting, verdere stappen bezien.
Wat zijn de gevolgen voor de gereedheid en geoefendheid van de krijgsmacht als het munitiebudget wordt teruggeschroefd per 2023?
Zoals hierboven vermeld richt Defensie zich in een eerste stap op het verminderen van het verbruik van duurdere munitiesoorten van de grotere wapensystemen, waarbij nog steeds de vereiste mate van geoefendheid kan worden behaald.
Binnen de bestaande kaders en het beschikbare budget moeten echter defensiebreed voortdurend keuzes worden gemaakt (Kamerstukken 31 125 nr. 114 en 34 919 nr. 55). Met het huidige defensiebudget en alle opgaven, niet alleen op gebied van munitievoorraden, maar ook op het gebied van bijvoorbeeld IT en vastgoed, valt niet uit te sluiten dat keuzes moeten worden gemaakt, die gevolgen kunnen hebben voor de geoefendheid en gereedheid van eenheden en daarmee voor missies en operaties. Om de geoefendheid van de individuele militair te blijven garanderen, is en blijft hierbij het uitgangspunt dat er geen aanpassingen worden gedaan aan het verbruik van munitie, zoals klein kaliber oefenmunitie, voor de basisvaardigheden van de individuele militair.
Indien het knelpunt niet structureel wordt opgelost, zal op termijn de inzetvoorraad munitie moeten worden gebruikt om de munitie voor opleiding en training aan te vullen. Inzetvoorraden zijn nodig om deel te nemen aan missies of voor het beschikbaar stellen van eenheden in het kader van de eerste hoofdtaak. In de Kamerbrief «Aanvulling munitievoorraden fase 2» heb ik u aangegeven dat Defensie de inzetvoorraden munitie voor de tweede hoofdtaak en de voorraad kapitale munitie voor opleiding en training, niet voor een specifieke hoofdtaak, weer op niveau brengt (Kamerstuk 27 830, nr. 265). Hoewel dit een significante eerste stap is, wordt als vervolg beschouwd wat nodig is om te voldoen aan een inzet in het kader van de eerste hoofdtaak, inclusief kapitale en conventionele munitie voor opleiding en training. In de Defensievisie 2035 is inzichtelijk gemaakt welke stappen Defensie zou kunnen zetten om de (munitie-)voorraden voor de eerste hoofdtaak aan te vullen en zijn deze stappen op hoofdlijnen financieel gekwantificeerd, inclusief de tweede en derde orde effecten, zoals extra opslagcapaciteit voor munitie (Kamerstuk 34 919, nr. 71 van 15 oktober 2020). Met de eventuele groei naar inzetvoorraden voor de eerste hoofdtaak, inclusief tweede en derde orde effecten, zou circa € 4 tot € 6 miljard voor de planperiode van 15 jaar gemoeid zijn, waarvan ongeveer de helft voor de inzetvoorraad munitie. Het is aan een volgend kabinet om hierover een besluit te nemen.
Welke gevolgen zou dit hebben voor de mogelijkheden om deel te nemen aan missies of voor het beschikbaar stellen van eenheden voor de Navo in het kader van de eerste hoofdtaak, zoals de Nato Response Force?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom lukt het niet om voldoende trainingen in simulatoren uit te voeren?
Defensie heeft nog niet voldoende gebruik kunnen en hoeven maken van de mogelijkheden van trainingen met simulatie in een digitale omgeving, dat dit heeft geleid tot een lager verbruik van, munitiesoorten. Dit heeft twee oorzaken:
Allereerst waren er in de afgelopen jaren, ondanks het exploitatietekort, voldoende munitievoorraden beschikbaar voor opleiding en training. Zoals vermeld nemen de historische voorraden munitie, waar we voor opleiding en training tot nu toe uit konden putten, echter af. Dit vergroot de mismatch tussen beschikbaar budget en de behoefte aan munitie voor opleiding en training, want er moet meer munitie voor opleiding en training worden vervangen dan in voorgaande jaren. Het gebruik van meer simulatie in een digitale omgeving van grotere en duurdere wapensystemen leidt mogelijk tot een lager verbruik van duurdere munitiesoorten.
Verder zijn, met het gebruik van modernere wapensystemen, de mogelijkheden voor training met simulatie toegenomen. Het gebruik van simulatie is dan ook een standaard onderdeel in het behoeftestellingsproces van grote wapensystemen, maar vraagt ook om aanzienlijke investeringen, niet alleen in simulatiefaciliteiten, maar ook in structurele personele capaciteit en wordt daarom nog niet altijd en volledig benut. Mogelijk leiden extra investeringen in simulatiemiddelen ertoe dat de uitgaven voor verbruik van echte munitie voor opleiding en training dalen.
Om de kosten van het munitieverbruik voor opleiding en training in lijn te brengen met het beschikbare budget onderzoekt Defensie daarom bijvoorbeeld de mogelijkheden om vanaf 2022 meer gebruik te maken van simulatie in een digitale omgeving, inclusief financiële consequenties. Deze financiële consequenties moeten uiteindelijk opwegen tegen het structureel lager verbruik van munitiesoorten ter hoogte van € 20 miljoen.
Welke stappen worden er gezet om dit gebrek aan simulatiemogelijkheden op te lossen, en per wanneer zijn er verbeteringen te verwachten?
Zie antwoord vraag 5.
De noodzaak van een drastische vermindering van de stikstofuitstoot en de verwachting dat natuurherstelmaatregelen averechts werken |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ecologen: Zonder stikstofreductie geen natuurherstel»?1
Ja.
Beaamt u de conclusie van de ecologen dat hoe langer de stikstofuitstoot hoger dan de kritische depositiewaarde (KDW) is, hoe erger de natuur achteruitgaat? Zo nee, waar baseert u dit op?
Dat is in zijn algemeenheid inderdaad het geval. Of dat daadwerkelijk gebeurt, hangt voor een belangrijk deel af van de effectiviteit van herstelmaatregelen.
Deelt u het inzicht van de ecologen dat, in het belang van de natuur, de stikstofuitstoot in 2030 minimaal met 50% verminderd moet worden, en in 2035 met minimaal 70%, om verdere verslechtering van de staat van instandhouding te voorkomen? Zo ja, bent u voornemens om de stikstofdoelen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering aan te scherpen? Zo nee, waarom niet?
Heeft u zelf laten onderzoeken wat er ecologisch gezien nodig is om uit de stikstofcrisis te komen? Zo ja, kunt u de resultaten van dit onderzoek delen met de Kamer? Zo nee, waarom heeft u dit niet onderzocht?
Ik maak dankbaar gebruik van rapporten die door en in opdracht van andere organisaties worden opgesteld. Daarnaast heb ik ook zelf opdracht gegeven aan de WUR om onderzoek te doen naar dosis-effectrelaties ten aanzien van stikstof en biodiversiteit. Dat rapport zal zeer binnenkort aan beide Kamers worden toegestuurd. Ik laat mij daarnaast adviseren door de Taakgroep Ecologische Onderbouwing over onder andere de relatie tussen bronmaatregelen en herstelmaatregelen. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Hoeveel extra stikstof is er in de afgelopen jaren geaccumuleerd als gevolg van het Programma Aanpak Stikstof en wat is de ecologische schade die daarmee is aangericht?
Deze vraag is niet eenvoudig te beantwoorden. Alvorens ik hieronder de berekeningen presenteer, wil ik benadrukken dat accumulatie van stikstof grotendeels het gevolg is van depositie uit bronnen die al bestonden toen het PAS in werking trad. Die depositie is dus niet veroorzaakt «als gevolg van het PAS» maar «ten tijde van het PAS». Wat was dan wel de depositie «ten gevolge van het PAS»? Dan gaat het in feite om het netto-effect van extra bronmaatregelen enerzijds en gerealiseerde «depositieruimte» anderzijds. Juist op dit punt kunnen geen duidelijke conclusies worden getrokken, zo blijkt uit de «Beleidsevaluatie van het PAS en het wetstraject voorafgaand aan het PAS» (Kamerstuk 35 334, nr. 133, Bijlage 969293). In die evaluatie wordt geconcludeerd: «De ontwikkeling van de stikstofdepositie en stikstofemissie zijn nauwgezet gemonitord. De koppeling naar de brongerichte maatregelen is hierbij echter niet goed gelegd, doordat de werking ervan in de praktijk niet systematisch is gemonitord. [...] De bijdrage van de bronmaatregelen aan het reduceren van de stikstofdepositie en stikstofemissie is vooralsnog niet hard aantoonbaar.» Ook is er geen overzicht van de daadwerkelijke realisatie van door het PAS mogelijk gemaakte extra depositie (ook niet van het vergunde deel daarvan). Daardoor is deze rekensom dus niet te maken.
Wat wél mogelijk is, is een schatting geven van wat de depositie ten tijde van het PAS aan accumulatie van stikstof heeft opgeleverd. Volgens gegevens van het RIVM nam de gemiddelde depositie in de jaren 2014–2018 op de relevante hexagonen met stikstofgevoelige natuur af van 22,1 kg N/ha/j naar 20,5. In totaal is er gemiddeld gedurende die vijf jaar 106,2 kg/ha gedeponeerd. Per hexagoon is dat echter zeer verschillend. De bandbreedte (het 5- en 95-percentiel) is 55,6 tot 155,1 kg/ha.
Hoe stikstofaccumulatie werkt, is het beste bekend voor bossen. WEnR heeft op basis van de RIVM-cijfers een berekening gemaakt van die accumulatie. Daarbij is de volgende rekensom uitgevoerd: accumulatie = depositie min uitspoeling, opname en denitrificatie. De drie laatste termen betreffen dus de «verliesposten» die van de depositie moeten worden afgetrokken. Ze betreffen respectievelijk de uitspoeling naar het grondwater, de opname door de vegetatie en de omzetting (door bacteriën) in stikstof die weer in de atmosfeer terechtkomt. De uitkomst voor loofbossen is dat totaal over vijf jaar 12 kg N/ha is opgehoopt (bandbreedte: 0 tot 31). Voor naaldbossen (waartoe geen habitattypen behoren) is dat gemiddeld 34 (bandbreedte: 14 tot 54). Daarbij is ervan uitgegaan dat de depositiecijfers representatief zijn voor bossen, maar omdat bossen meer stikstof invangen dan lage vegetaties, moet ervan worden uitgegaan dat de accumulatie hoger zal zijn geweest.
De gangbare opvatting is dat bij heidevegetaties 70–90% van de depositie wordt vastgelegd in organische stof in de bodem. Dat zou dus in totaal gemiddeld over vijf jaar circa 85 kg N/ha zijn. Of het terecht is om ervan uit te gaan dat bij heiden een veel grote percentage accumuleert dan bij bossen (op vergelijkbare bodems), is nog niet opgehelderd. Daar staat tegenover dat de invang van stikstof door lage vegetaties minder is dan het hierboven genoemde landelijk gemiddelde.
De berekeningen hebben een sterk vereenvoudigd, generalistisch karakter en hebben vooral betrekking op droge ecosystemen. Bekend is dat er in de praktijk verschillen zijn die samenhangen met het bodemtype, de aard van de vegetatie / dominante boomsoort en de waterhuishouding. Wat dat laatste betreft: voor natte ecosystemen zijn berekeningen veel lastiger omdat er weinig bekend is over uitspoeling en een groter deel verdwijnt door denitrificatie. Maar de gepresenteerde uitkomsten geven wel een orde van grootte weer.
Wat de ecologische schade is die daarmee is aangericht, is niet in zijn algemeenheid samen te vatten. Dat pakt per habitat en per locatie verschillend uit en is ook afhankelijk van de uitvoering en de effectiviteit van herstelmaatregelen.
Beaamt u dat door de huidige accumulatie van stikstof, de natuur minder goed in staat is om verdere stikstofdepositie te verwerken en dat hierdoor de huidige KDWs niet zonder meer zijn toe te passen, omdat deze KDWs gebaseerd zijn op een gezond systeem?
Accumulatie van stikstof in de bodem is meegenomen bij het vaststellen van KDW's. Onder andere door die accumulatie ontstaan negatieve effecten voor habitats. Het in de loop van de tijd minder goed kunnen verwerken van depositie is precies de reden waarom gewaakt moet worden voor een te snelle conclusie dat een overschrijding van de KDW geen kwaad kan in het geval er nog geen negatieve effecten zichtbaar zijn. Die effecten kunnen namelijk met vertraging optreden. Maar dat betekent, aan de andere kant, dus niet dat bij langdurige overschrijding de KDW lager gesteld zou moeten worden: daar is bij het vaststellen van de KDW's al zoveel mogelijk rekening mee gehouden.
Heeft u laten onderzoeken wat de ecologische gevolgen zijn van blijvend hoge stikstofdepositie? Zo ja, kunt u de resultaten met de Kamer delen? Zo nee, hoe garandeert u dat nieuwe activiteiten die bijdragen aan de stikstofdepositie niet leiden tot verslechtering van de staat van de natuur, ook als de depositie op papier niet toeneemt?
Er is geen nieuw onderzoek gedaan naar de ecologische gevolgen van blijvend hoge stikstofdepositie. Het is genoegzaam bekend dat blijvende overschrijding, met name ernstige overschrijding, grote risico's met zich meebrengt voor het behoud van de natuurwaarden.
De noodzakelijke daling zal van bronmaatregelen moeten komen en ten dele ook van het afromen van 30% van de gerealiseerde capaciteit in het geval van extern salderen.
Volgens vaste jurisprudentie is geen vergunning vereist als de depositie niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie.
Deelt u het inzicht dat de beste natuurherstelmaatregel in de meeste gevallen het verminderen van de stikstofdepositie is?
Ja, in die zin dat die vermindering een eerste voorwaarde is, maar deze vermindering zal in de regel gecombineerd moeten worden met herstelmaatregelen in de natuur zelf.
Beaamt u dat het verminderen van de stikstofuitstoot het meest effectief kan door het verminderen van het aantal dieren in de veehouderij?
Het doel van de landbouwmaatregelen uit de structurele aanpak stikstof is om, op een kosteneffectieve manier, de stikstofemissies te reduceren en bij de bron aan te pakken. In de meeste gevallen betekent dit een omslag naar een duurzamere landbouw. Daarom wordt ingezet op maatregelen als het vergroten van het aantal uren weidegang of de aanpassing van stallen. Krimp van de veestapel is in de structurele aanpak geen doel op zich. Het kan wel een consequentie zijn van de te behalen doelen. Bijvoorbeeld als gevolg van extensivering of omdat niet iedere veehouder de omslag naar een duurzame landbouw kan maken. Daarom ondersteunt het kabinet de veehouders die overwegen te stoppen om ook hun een redelijk handelingsperspectief te bieden.
Deelt u het inzicht van ecologen dat veel natuurherstelmaatregelen niet effectief zijn als de stikstofdepositie niet drastisch vermindert? Zo nee, waarom niet?
Alle herstelmaatregelen die zijn goedgekeurd voor toepassing onder het PAS (tot 2019) en daarna, zijn grondig beoordeeld op effectiviteit. Zie daarvoor het rapport «Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats» (digitaal raadpleegbaar op de webpagina https://www.natura2000.nl/meer-informatie/herstelstrategieen). Dat maatregelen helemaal níet effectief zijn als de stikstofdepositie niet drastisch vermindert, is onjuist in het geval van de goedgekeurde herstelmaatregelen. Of ze voldóende effectief zijn, is een andere vraag. Het is uit het genoemde rapport duidelijk dat de effectiviteit per maatregel-habitat-combinatie wisselt: zo is een maatregel gericht op alleen het verbeteren van de buffercapaciteit niet per definitie ook effectief in het bestrijden van een te hoge voedselrijkdom van de bodem. En ook is duidelijk dat herstelmaatregelen in de regel minder ingrijpend hoeven te zijn, met minder ongewenste neveneffecten, en effectiever zijn als ze worden uitgevoerd bij geen of een geringere KDW-overschrijding. Daarnaast hangt de effectiviteit ook af van de lokale omstandigheden in het gebied: zowel de van nature aanwezige omstandigheden als ook de in het verleden getroffen maatregelen.
Welke natuurherstelmaatregelen, zoals kappen, verwijderen van exoten, maaien en begrazen, zijn bewezen effectief in het voorkomen van verslechtering van de staat van de natuur, welke maatregelen zijn bewezen effectief in het herstellen van de natuur en welke maatregelen zijn niet bewezen effectief (graag uitgesplitst of een maatregel verslechtering van de natuur voorkomt of herstel van de natuur bewerkstelligt)? Kunt u het bewijs van de effectiviteit delen met de Kamer?
Zie hiervoor het rapport «Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats». Uit de tekst van het rapport blijkt tot op zekere hoogte ook in hoeverre een maatregel niet alleen het voorkómen van verslechtering als gevolg kan hebben, maar ook verbetering. Tegelijk hangt dit ook sterk af van de lokale situatie (zie daarvoor het antwoord op vraag 10).
Onderschrijft u dat sommige natuurherstelmaatregelen, zoals plaggen, baggeren en chopperen, bij een te hoge stikstofneerslag zelfs schade toebrengen aan de (droge) natuur? Zo nee, waarom niet? Hoeveel geld is er tot 2030 gereserveerd voor deze schadelijke activiteiten?
Natuurherstelmaatregelen zijn in het rapport Herstelstrategieën niet goedgekeurd als ze schadelijk zijn. Veel maatregelen kunnen echter ook ongewilde schadelijke neveneffecten hebben. Daarom is het belangrijk om dit soort maatregelen alleen toe te passen als die neveneffecten in een concreet geval vermeden kunnen worden. Als er geen alternatieven voorhanden zijn, kan de afweging gemaakt worden om een maatregel toe te passen onder de voorwaarde dat de voordelen opwegen tegen de nadelen.
Er is geen geld gereserveerd voor schadelijke activiteiten.
Deelt u de mening dat activiteiten die de natuur verslechteren, niet gekwalificeerd moeten worden als natuurherstel- of beheermaatregel?
Ja, zie het antwoord op vraag 12.
Beaamt u dat natuurherstel- en beheermaatregelen die de staat van de natuur verslechteren onmiddellijk gestopt dienen te worden, omdat de natuur niet verder mag achteruitgaan volgens de Vogel- en Habitatrichtlijn? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
Ja, als dat het geval zou zijn, maar daar heb ik geen concrete aanwijzingen voor.
Bent u bereid om de schade door «natuurherstelmaatregelen» te herstellen? Zo ja, hoe gaat u dit aanpakken en hoeveel belastinggeld zal dit gaan kosten? Zo nee, waarom niet?
Dat is nu niet aan de orde, gezien de antwoorden op vragen 12, 13 en 14.
Bent u bereid om waar nodig meetpunten toe te voegen aan het netwerk ecologische monitoring om inzicht te krijgen over de effecten van Natura 2000-beheerplannen en natuurherstel- en compensatiemaatregelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
Inzicht krijgen in de bedoelde effecten kan het beste plaatsvinden door gerichte montoring, niet door het landelijke meetnet uit te breiden. Die gerichte monitoring wordt geregeld in de Natura 2000-beheerplannen en bij compensatiemaatregelen meegenomen in de vergunningvoorwaarden. Voorts wordt er in het kader van het Programma bezien of verdere verbetering van de monitoring noodzakelijk is.
Klopt het dat er geen passende beoordeling gemaakt hoeft te worden voor natuurherstelmaatregelen, omdat ervan uitgegaan wordt dat het resultaat van de maatregelen per definitie positief is voor de natuur?
Een passende beoordeling is alleen voorgeschreven in geval een plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied. Natuurherstelmaatregelen zijn nu juist bij uitstek wél nodig voor het beheer van een Natura 2000-gebied. Dat wil niet zeggen dat ervan uitgegaan wordt dat het resultaat van de maatregelen per definitie positief is voor de natuur, alleen is de passende beoordeling niet het geëigende instrument om dat te toetsen. Het beheerplan is dat wel, omdat daarin, na een zorgvuldige afweging, bepaald wordt met welke maatregelen verslechtering wordt tegengegaan en de instandhoudingsdoelstellingen worden gehaald.
Bent u bereid om, gezien het gegeven dat niet alle natuurherstelmaatregelen de natuur altijd verbeteren, het uitvoeren van een passende beoordeling ook voor natuurherstelmaatregelen verplicht te stellen? Zo nee, waarom niet?
Nee, om de reden die in het antwoord op vraag 17 is gegeven. Dat neemt niet weg dat het borgen van een goede keuze en uitvoering van natuurherstelmaatregelen van groot belang is. Daartoe is een lidstaat verplicht krachtens de leden 1 en 2 van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Daarom worden de maatregelen zorgvuldig voorbereid. Mochten er signalen zijn dat dit tóch niet goed gebeurt, dan biedt artikel 2, vierde lid, van de Wet natuurbescherming de mogelijkheid om hiertegen adequaat op te treden.
Bent u bereid om het Programma Natuur te herzien op basis van het nieuwe rapport van het Wereld Natuur Fonds en Natuurmonumenten en op basis van het advies van de ecologen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer gaat u dit doen?2
Daar is momenteel geen reden toe. Uit onder andere het antwoord op vraag 12 blijkt al dat via het Uitvoeringsprogramma Natuur alleen goedgekeurde herstelmaatregelen worden toegepast en hoe daarbij de lokale omstandigheden betrokken worden. Nieuwe wetenschappelijke inzichten over de effectiviteit en mogelijk schadelijke neveneffecten van herstelmaatregelen worden verwerkt op de genoemde website met het rapport Herstelstrategieën (zie bijvoorbeeld het meest recente addendum van 2020). Hiervoor is een zorgvuldig wetenschappelijk proces ingericht, met inschakeling van de deskundigenteams van OBN (https://www.natuurkennis.nl/over-obn/) en een internationale review.
Kunt u deze vragen binnen de daarvoor gestelde termijn en per vraag beantwoorden?
Voor een gedegen beantwoording was uitstel nodig. Vervolgens heb ik binnen de termijn van zes weken antwoord gegeven op deze vragen.
Het bericht dat criminele zorgaanbieders kwetsbare cliënten inzetten voor drugshandel of gedwongen prostitutie |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichtgeving dat tientallen criminele zorgaanbieders misbruik maken van zorgbehoevende mensen door hen in te zetten voor het toppen van hennep als dagbesteding of gedwongen prostitutie?1
De verwevenheid van zorg en criminaliteit is zorgwekkend. Het is onacceptabel dat cliënten door misbruik en fraude niet de zorg krijgen die ze nodig hebben en dat zij worden ingezet bij de uitvoering van illegale activiteiten.
Kunt u aangeven hoe lang dergelijke criminaliteit al gaande is binnen zorginstellingen? Is er een toename van criminaliteit in de zorg te zien of niet? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Hierover zijn geen representatieve data beschikbaar. In dit verband verwijs ik u naar de diverse landelijke onderzoeken naar de aanpak van fraude bij zorgaanbieders, waaronder het rapport van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) «Een wereld te winnen» en het lopende landelijke onderzoek van de Algemene Rekenkamer2.
Onderzoeken beschrijven fenomenen, maar door het ontbreken van data kan de omvang niet met voldoende betrouwbaarheid vastgesteld worden. Ik zie geen meerwaarde een nieuw landelijk vervolgonderzoek in te stellen naar de kwantitatieve omvang van de mogelijke verwevenheid tussen criminaliteit en zorg. Daarentegen ben ik wel voorstander van een toegespitst vervolgonderzoek ter bevordering van een concrete aanpak van verwevenheid criminaliteit in de zorgsector. Hiervoor verwijs ik u naar mijn toelichting in de commissiebrief inzake het SO Rapport «Verwevenheid zorg & criminaliteit»3.
Wat vindt u van de uitspraak van het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ) dat wat nu bekend is nog maar het topje van de ijsberg is? Gaat u nader onderzoek (laten) instellen om de onderste steen boven te krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wegens het ontbreken van representatieve data doe ik geen uitspraken over de uitspraak dat dit «slechts het topje van de ijsberg is». Ik ben niet voornemens opnieuw een landelijk vervolgonderzoek in te stellen naar de kwantitatieve omvang van de mogelijke verwevenheid tussen criminaliteit en zorg. Een nieuw onderzoek uitzetten naar de landelijke omvang heeft weinig kans op slagen, en neemt sowieso enkele jaren in beslag. Ik verwijs u hiervoor naar mijn standpunt bij hoofdthema 2 in het VSO betreffende het rapport «Verwevenheid zorg & criminaliteit» van het Informatie Knooppunt Zorgfraude.4
Welke mogelijkheden zijn er op dit moment om criminelen die zorginstellingen willen opzetten te weren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn diverse mogelijkheden om criminelen, die zorginstellingen willen opzetten, te weren. Bijvoorbeeld via diverse wettelijke maatregelen of nieuwe maatregelen ter verbetering van het toezicht zoals het JMV Dashboard. Ik verwijs u voor een volledig overzicht graag naar de opsomming van maatregelen tegen verwevenheid criminaliteit en zorgfraude (punt 3) in het VSO betreffende het rapport «Verwevenheid zorg & criminaliteit» van het Informatie Knooppunt Zorgfraude.5
In hoeverre kan er straks met de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) voor gezorgd worden dat criminelen opgespoord worden en voorkomen worden dat zij een zorgorganisatie beginnen? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Het doel van de Wtza is verbetering van het toezicht van de IGJ op alle zorgaanbieders onder haar toezichtdomein, en het bevorderen van de bewustwording van zorgaanbieders van de landelijke (kwaliteits)eisen die aan de zorgverlening zijn gesteld. Hiertoe komt een meldplicht voor alle zorgaanbieders onder het bereik van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en ook alle jeugdhulpaanbieders onder de Jeugdwet. Daarnaast wordt de WTZi-toelating vervangen door het systeem van de Wtza-vergunning. Daarmee zijn er meer mogelijkheden om de vergunning te weigeren of in te trekken, waaronder de mogelijkheid gebruik te maken van de Wet Bibob. Met de Wet Bibob wordt voorkomen dat de overheid criminele activiteiten faciliteert. Met het wetsvoorstel Wibz wordt het instrument vergunning vanuit integriteit verder ingericht om zorgaanbieders met verkeerde intenties tegen te gaan. Hierbij kan gedacht worden aan extra weigerings- en intrekkingsgronden, maar ook betere grondslagen voor informatie-uitwisseling. Een ontwerp daarvan zal in het najaar voor internetconsultatie worden aangeboden.
In hoeverre kan er straks met het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz) voor gezorgd worden dat criminelen opgespoord worden en voorkomen worden dat zij een zorgorganisatie beginnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is van belang dat zorgaanbieders investeren in een integere en professionele bedrijfsvoering, en in mechanismen die borgen dat hun bedrijfsvoering transparant, integer en beheerst is. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders zelf. In sommige gevallen bleek echter de maatschappelijke doelstelling van de zorgaanbieder ondergeschikt gemaakt aan zakelijke of privébelangen van individuen binnen die organisatie. Daarom acht ik aanvullende maatregelen vanuit de overheid nodig.
Met de Wibz worden de wettelijke eisen aan de bedrijfsvoering van zorgaanbieders aangescherpt. De Wibz kan een bijdrage leveren aan het voorkomen en tegengaan van onrechtmatigheden door voorgenomen normen om de negatieve gevolgen van tegenstrijdige belangen te voorkomen, aanvullende regels te stellen rond winstuitkering in de zorg, en uitbreiding en verscherping van de Wtza-vergunningplicht om toe te treden tot de zorg. Hierdoor kunnen aanbieders die de verkeerde intenties hebben of eerder de fout in zijn gegaan beter worden geweerd. Met het wetsvoorstel wordt tevens het externe toezicht voorzien van extra handvatten om zorgaanbieders aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige bedrijfsvoering.
Welk wettelijk instrumentarium is er nu al beschikbaar om dit soort zaken op te sporen en te voorkomen, en hoe kan het dat de zorginstellingen uit het nieuwsartikel daarmee niet zijn tegengehouden?
Er zijn diverse instrumentaria te benoemen, die gemeenten kunnen inzetten om dergelijke zaken op te sporen en te voorkomen. Aan de voorkant ligt de nadruk van gemeenten op de contractering van de zorg met daarin de in de wet opgenomen eisen ten aanzien van doelmatigheid, rechtmatigheid en veilig handelen. Gemeenten kunnen bovendien in contracten en subsidiebeschikkingen sancties vastleggen die worden opgelegd als een aanbieder niet naar behoren functioneert of de ondersteuning niet naar behoren uitvoert. Ten slotte is er de mogelijkheid om de eerder genoemde Wet Bibob in te zetten.
Ik wil benadrukken dat er altijd zorgaanbieders blijven die willens en wetens misbruik maken van zorggelden, en door de mazen der wet kruipen. Dit neemt niet weg dat ik mij stevig blijf inzetten op maatregelen, die zoveel als mogelijk voorkomen dat criminelen de zorgsector weten te vinden om hun illegale activiteiten voort te zetten. In het VSO inzake het rapport «Verwevenheid zorg & criminaliteit» som ik de maatregelen op om de problematiek omtrent de verwevenheid tussen de zorg en criminaliteit aan te pakken. Ik verwijs u daarom graag naar punt 3 («Maatregelen») in deze brief. Onderstaand licht ik een aantal instrumentaria per instantie op.
Welke maatregelen gaat u treffen om de opgespoorde criminele zorgorganisaties aan te pakken, te berechten en te zorgen voor goede opvang en nazorg voor de zorgbehoevende mensen die slachtoffer zijn geworden van deze criminelen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Binnen de integrale aanpak van zorgfraude zorgt het OM ervoor dat daarvoor in aanmerking komende strafbare feiten worden opgespoord, en vervolgd. Hiervoor Daarvoor wordt samengewerkt met politie en andere opsporingsdiensten, zoals de Inspectie SZW.
Een belangrijke doestelling binnen de integrale aanpak van deze casuïstiek is «goede zorg voor kwetsbare inwoners». Als er als gevolg van een onderzoek wordt besloten om een contract met een malafide zorgaanbieder te ontbinden zal, afhankelijk van de situatie, vervangende opvang voor de cliënt worden georganiseerd, evenals vervangende dagbesteding en begeleiding en zo nodig extra ondersteuning.
Gaan de mensen die in opdracht van criminele zorginstanties illegale handelingen hebben verricht behandeld worden als slachtoffer en niet als dader? Kunt u uw antwoord toelichten?
De inzet van kwetsbare mensen in de criminaliteit is absoluut onacceptabel. Het is aan gemeenten om cliënten, die hierbij betrokken waren, goed op te vangen en de juiste begeleiding te bieden.
Indien en voor zover er strafrechtelijke onderzoek zou lopen – zie daaromtrent tweede deel antwoord vraag 10 – dan kan hier geen generieke uitspraak over worden gedaan. Beantwoording van de vraag hangt zeer af van de specifieke feiten en omstandigheden van de aan de orde zijnde casus.
Is bij de in het artikel genoemde organisaties inmiddels overgegaan tot vervolging? Zo ja, wordt daarbij ook al het onterecht opgestreken zorggeld teruggevorderd? Zo nee, waarom niet en hoe wordt ervoor gezorgd dat het zorggeld terugkomt?
Er kan in dergelijke gevallen worden gehandhaafd met de mogelijkheden van het bestuursrecht, het civiele recht, het strafrecht en/of – in bepaalde gevallen – het tuchtrecht. Het is niet duidelijk op welke zorgaanbieders RTL Nieuws hier exact doelt.
Mijn ambtgenoot van Justitie en Veiligheid berichtte mij dat het Openbaar Ministerie geen antwoord kan geven op de vraag naar welke zorgaanbieders het op enig moment wel of geen strafrechtelijk onderzoek uitvoert, en waar het wederrechtelijk verkregen zorggelden via strafrechtelijke weg terugvordert.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er meer zicht komt op dit probleem van criminaliteit in de zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik verwijs u hiervoor naar onderdeel 2 («Vervolgonderzoek») van het VSO betreffende het rapport «Verwevenheid zorg & criminaliteit» van het Informatie Knooppunt Zorgfraude.7
Daarnaast ligt voor de aanpak van fraude in de zorg het Wetsvoorstel bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) in de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel biedt instanties in het zorgdomein grondslagen voor de uitwisseling van (persoons)gegevens indien dat noodzakelijk is voor de bestrijding van fraude in de zorg.
Welke maatregelen gaat u inzetten om te zorgen dat criminaliteit in de zorg zoveel mogelijk wordt voorkomen en/of aangepakt wordt? Kunt u uw voorstellen op een rij zetten?
Er bestaan diverse maatregelen, die gemeenten kunnen gebruiken, waarbij ingezet kan worden op zowel preventie als interventie. Deze maatregelen heb ik reeds opgesomd en toegelicht in de beantwoording van vraag 3 t/m 11.
In hoeverre kan de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (Wgs) gebruikt worden om informatiedeling tussen gemeenten, zorgverzekeraars, politie en andere betrokken partijen te verbeteren?
De Wgs kan hiervoor niet worden gebruikt. Op het gebied van verbetering gegevensdeling in de zorg lopen andere wetstrajecten. Ik wijs u hierbij op het eerder genoemde Wetsvoorstel bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz).
De bouw en verkoop van sociale huurwoningen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de berichten «Waar blijven de sociale huurhuizen?»1 en «Huizendeal Mitros in 2018 roept serie nieuwe vragen op»?2
Ja.
Kunt u aangeven hoe groot het aandeel van woningen in de plancapaciteit tot 2030 in de categorie «sociale huur» is? Zo nee, kunt u een indicatie geven van het aandeel sociale huur in de komende jaren?
De halfjaarlijkse geïnventariseerde plancapaciteit bevat geen kwalitatieve beschrijving van de woningbouwplannen. Deze plancapaciteit geeft inzicht in het totaalaantal woningbouwplannen per gemeente. Er is vanuit de huidige inventarisatie plancapaciteit dus geen inzicht te geven in het totale aandeel sociale huur voor de komende jaren. Ik acht het van belang dat het aandeel sociale huur op peil blijft en heb daarom afspraken gemaakt over de versnelde bouw van 150.000 sociale huurwoningen, waarvoor aanvragen voor vermindering verhuurderheffing zijn ingediend. Gezien de korte termijn van vijf jaar waarbinnen deze woningen moeten worden gebouwd en de totale bouwopgave van 900.000 nieuwbouw- en transformatiewoningen tot 2030, wordt met de 150.000 afgesproken woningen een stevige bijdrage aan de sociale woningvoorraad geleverd. De nieuwe inventarisatie plancapaciteit wordt binnenkort aan de TK gestuurd. Er zal enig inzicht worden gegeven in de verdeling van de woningbouwplannen naar huur/koop en naar prijssegment.
Hoe beoordeelt u lokale afspraken om een minimum aan sociale huur te verplichten bij nieuwe bouwprojecten? In hoeverre herkent u het beeld dat gemeenten het aandeel sociale huur bij nieuwbouw laag willen houden om zo mensen met een bepaalde sociaaleconomische achtergrond te weren? Wat vindt u hiervan?
Het beeld dat gemeenten het aandeel sociale huur bij nieuwbouw laag willen houden om zo mensen met een bepaalde sociaaleconomische achtergrond te weren komt niet overeen met de geplande bouw van 150.000 sociale huurwoningen waarvoor aanvragen voor vermindering verhuurderheffing zijn ingediend. Bij het indienen van deze aanvragen moeten locaties beschikbaar zijn of door de gemeente zijn toegezegd. Deze woningen worden verspreid over heel Nederland gebouwd en maken, mede gezien de termijn van vijf jaar waarbinnen ze worden gerealiseerd, een aanzienlijk deel uit van de totale woningbouwopgave.
Wat vindt u van afspraken met commerciële bouwers waarbij woningen in het sociale segment na verloop van tijd vrij worden gegeven? Heeft u zicht op hoeveel van deze afspraken zijn gemaakt? Zo ja, kunt u aangeven wat dit met de samenstelling en het aanbod van betaalbare woningen doet als deze termijnen verstrijken?
Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven, vind ik het van belang dat het aandeel sociale huurwoningen op peil blijft. Ik heb geen zicht op in hoeverre gemeenten ook afspraken maken met commerciële partijen over de bouw van huurwoningen voor het gereguleerde segment. Het is in eerste instantie aan de gemeente om af te wegen welke afspraken zij maken en wat daarvan de consequenties zijn. Op basis van de voorgenomen bouw van sociale huurwoningen door corporaties is mijn beeld, zoals hierboven aangegeven, dat er een stevige bijdrage door corporaties aan de sociale woningvoorraad wordt geleverd. Omdat de woonbehoeften en omvang van de sociale doelgroep per gemeente en over de tijd kunnen verschillen, is niet te zeggen dat alle sociale/gereguleerde huurwoningen ook altijd in dat segment moeten blijven. Corporaties maken bijvoorbeeld samen met huurdersorganisaties en gemeenten op lokaal niveau afspraken over zaken als verkoop en huurontwikkeling. Dat doen zij aan de hand van de situatie op de lokale woningmarkt en hun verschillende belangen, met het oog op een sociale voorraad van gewenste grootte, prijs en samenstelling. Daarbij kunnen zij gezamenlijk besluiten in hoeverre verkoop wenselijk is, bijvoorbeeld in het kader van de menging van wijken, het beter laten aansluiten van de woningvoorraad op de wensen van de doelgroep of het genereren van extra middelen voor andere investeringen.
In hoeverre vormen deze afspraken een concurrentievoordeel voor commerciële bouwers ten opzichte van woningcorporaties aangezien de rendementen na het verstrijken van de afspraken aangaande het sociale deel hoger liggen?
Zolang alle bouwers de kans krijgen om dezelfde woningen tegen dezelfde afspraken te bouwen is geen sprake van een verschil in concurrentiepositie. Daarbij geldt wel dat corporaties voor het bouwen van sociale huurwoningen in aanmerking komen voor door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) geborgde leningen en de gemeente alleen aan corporaties een korting op de grondprijs mag geven.
Wordt er bij het verstrekken van subsidies zoals de woningbouwimpuls rekening gehouden met het feit dat bij sommige projecten woningen in het sociale segment na enige tijd overgaan naar het private segment? Zo nee, waarom niet?
In de aanvragen voor de Woningbouwimpuls wordt expliciet gevraagd naar de instrumenten die worden ingezet om betaalbare woningen langjarig betaalbaar te houden. In het beoordelingskader, vastgelegd in de regeling Woningbouwimpuls 2020, is dit een van de subcriteria waarop de externe Toetsingscommissie Woningbouwimpuls aanvragen beoordeelt.
Wat zijn de gevolgen voor huurders wanneer woningen overgaan van een corporatie naar een commerciële partij en ze (na verloop van tijd) buiten het sociale segment worden geplaatst? Hebben zij daarbij instemmingsrecht?
Bij de verkoop van een woning blijft het huurcontract van de huurder in stand. Dat betekent dat de voorwaarden volgens het contract hetzelfde blijven. Als het huurcontract gereguleerd is betekent dit dat het gereguleerd blijft en dat de jaarlijkse huurverhogingen zijn gemaximeerd. Het ligt niet in de rede om een instemmingsrecht op te nemen voor de verkoop van corporatiewoningen aan commerciële partijen, omdat voor de verkoop van corporatiewoningen al strenge waarborgen gelden.
Deelt u de mening dat wanneer subsidie wordt verstrekt voor de bouw van sociale huurwoningen deze woningen in principe ook behouden dienen te worden voor het sociale segment? Zo nee, waarom niet?
In een subsidieregeling kunnen voorwaarden worden neergelegd om sociale woningen in het sociale segment te houden. Het kan dan gaan over de omvang en de samenstelling van de sociale woningvoorraad. Zo wordt in de aanvragen voor de Woningbouwimpuls expliciet gevraagd naar de instrumenten die worden ingezet om betaalbare woningen langjarig betaalbaar te houden. Soms is het echter in het belang van de volkshuisvesting om een (deel van) de sociale woningvoorraad wél te verkopen, bijvoorbeeld in het kader van de menging van wijken, het beter laten aansluiten van de woningvoorraad op de wensen van de doelgroep of het genereren van extra middelen voor andere investeringen, worden dergelijke voorwaarden niet in elke subsidieregeling vastgelegd. Ik licht dit toe in mijn antwoord op vraag 4. De huidige regelgeving voor corporaties voorziet reeds in de mogelijkheid zienswijzen in te dienen op een voorgenomen verkoop en bepaalt dat minimaal de marktwaarde betaald moet worden voor de woningen.
Hoe voorkomt u dat beleggers spekkoper worden door eerst huren betaalbaar te houden maar op termijn torenhoge huren te vragen of de sociale woning te verpatsen?
Voor waar het gaat om de nieuwbouw van gereguleerde huurwoningen door commerciële partijen is het, zoals in mijn voorgaande antwoorden aangegeven, in eerste instantie aan de gemeente zelf om hier afspraken over te maken. Daarnaast geldt, zoals in het antwoord op vraag 5 benadrukt, dat ook de algemene regels voor het betaalbaar houden van de huren gelden. Daarbij zijn dit jaar de huren bevroren in de gereguleerde sector. In de vrije sector is de komende drie jaar de huurverhoging gemaximeerd op inflatie + 1 procentpunt. Ook heeft de huurder met een huurwoning in de vrije sector de mogelijkheid om de aanvangshuurprijs gedurende de eerste zes maanden van het contract te laten toetsen door de Huurcommissie. Daarnaast heb ik een maximering van de WOZ-waarde in het WWS aangekondigd. Deze levert een bijdrage aan het behouden van betaalbare woningen.
Voor waar het gaat om verkopen door corporaties aan beleggers geldt dat deze streng gereguleerd zijn. Bij te liberaliseren woningen dient bijvoorbeeld om een gemeentelijke zienswijze te worden gevraagd en is bepaald dat corporaties de getaxeerde marktwaarde moeten ontvangen. Bij het bepalen van de marktwaarde wordt er rekening mee gehouden dat de woning nadat de huidige huurder verhuisd is tegen een markthuur kan worden aangeboden of verkocht. Het merendeel van de verkopen door corporaties vindt dan ook plaats aan huishoudens die de woning zelf gaan bewonen of aan andere corporaties. Het aandeel verkopen aan personen of bedrijven die de woning gaan verhuren is beperkt: 9% in 2019 en 8% in 2020.
Het bericht ‘Janet Yellen calls for global minimum corporate tax’. |
|
Folkert Idsinga (VVD) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ontwikkelingen zoals beschreven, bijvoorbeeld, in het bericht «Janet Yellen calls for global minimum corporate tax»1 en de opinie in het FD «Belastinginitiatieven Biden verdienen steun»?2
Ja.
Kunt u aangeven wat de implicaties zijn voor Nederland ten aanzien van het feit dat de nieuwe regering van de Verenigde Staten recentelijk voorstellen heeft gedaan voor een wereldwijde minimum winstbelasting en een andere verdeling van de winstafdracht?
De Verenigde Staten hebben recentelijk gepleit voor een stevig minimumniveau van belastingheffing voor grote internationale bedrijven. Tevens hebben de Verenigde Staten voorstellen gedaan voor de concrete invulling van een nieuw systeem voor de verdeling van rechten tussen landen om winstbelasting te heffen van grote bedrijven. De voorstellen van de Verenigde Staten passen binnen de discussies over de herziening van het internationale winstbelastingsysteem die in het Inclusive Framework3 worden gevoerd over de zogenoemde Pijler 1 en Pijler 2.4 Nederland steunt dit werk van het Inclusive Framework en zet zich er voor in om halverwege 2021 tot overeenstemming te komen. Ik zie de voorstellen van de Verenigde Staten als een forse stap in de goede richting om dat doel te bereiken.
Grijpt de Nederlandse regering deze ontwikkelingen aan en is zij voornemens gebruik te maken van het momentum om versneld tot internationale afspraken binnen OESO-verband te komen?
Ja. Het Inclusive Framework van de OESO zet erop in om halverwege 2021 tot wereldwijde afspraken te komen over een herziening van het internationale belastingsysteem. Nederland steunt dit ambitieuze doel. Het feit dat de Verenigde Staten nu met concrete voorstellen komen, laat zien dat de Verenigde Staten ook gecommitteerd zijn aan het vinden van een multilaterale oplossing met 139 landen in het Inclusive Framework. Het momentum is er nu om met een grote groep landen afspraken te maken over een herziening van het internationale belastingsysteem. Dat momentum moeten we gebruiken.
Zo ja, verwacht u, zoals sommige van uw Europese collega’s, dat deze zomer een akkoord zou kunnen worden bereikt op dit terrein?
Ja, ik ben hoopvol dat het lukt om halverwege 2021 een akkoord te bereiken in het Inclusive Framework.
Welke obstakels ziet u bij het bereiken van bovenbedoeld akkoord?
Afspraken over het herzien van het internationale belastingsysteem zijn – door de internationale aard van de problematiek – het effectiefst als de afspraken in een zo breed mogelijk verband worden gemaakt. Tegelijkertijd ligt daar ook de uitdaging. Met 139 landen wordt geprobeerd het eens te worden over een herziening die raakt aan de fundamenten van het internationale belastingsysteem. De uitgangspunten van landen kunnen daarbij uiteenlopen en die verschillen moeten worden overbrugd. Voor Pijler 1 speelt dit bijvoorbeeld bij het vaststellen van de reikwijdte van de voorstellen en de vraag in hoeverre afspraken over bindende geschilbeslechting wenselijk zijn. Bij Pijler 2 zal het Inclusive Framework het onder meer eens moeten worden over de hoogte van het minimum effectieve tarief. Deze discussies met een grote groep landen zijn complex en het tijdpad is ambitieus. Desalniettemin heb ik er vertrouwen in dat het lukt om een akkoord te bereiken. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3, is het momentum er nu om met een grote groep landen afspraken te maken over het internationale belastingsysteem.
Kunt u een stand van zaken geven over de discussies die hieromtrent worden gevoerd in EU- en OESO-verband?
In het Inclusive Framework van de OESO zijn de onderhandelingen in een vergevorderd stadium. Zoals gezegd is het doel om halverwege 2021 een akkoord te hebben over de oplossingen. Op dit moment zijn er regelmatig vergaderingen van de verschillende (technische) werkgroepen van de OESO, waarin de voorstellen verder worden uitgewerkt. Eind juni/begin juli 2021 staat de volgende plenaire vergadering van het Inclusive Framework gepland en de verwachting is dat landen dan zal worden gevraagd in te stemmen met een rapport. Voorafgaand aan de plenaire vergadering van het Inclusive Framework zal ik uw Kamer daarover verder informeren.
Op basis van de hierboven genoemde uitkomst binnen het Inclusive Framework van de OESO, zal de Europese Commissie met een richtlijnvoorstel komen om deze mondiale oplossingen te implementeren in de nationale wetgeving van lidstaten. Op deze manier wordt er een gelijk speelveld gecreëerd binnen de EU over de precieze toepassing en wordt er verzekerd dat de implementatie voldoet aan het EU recht in den brede (zoals de EU-verdragsvrijheden).
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het verplicht moeten tonen van een negatief testbewijs bij de grens tussen Nederland en Duitsland. |
|
Aukje de Vries (VVD), Silvio Erkens (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «De kinderen van school halen net over de grens? Eerst een test doen.»1 Wat vindt u daarvan?
Ja. Het artikel geeft een beeld van de situatie aan de Duitse grens, waar sinds 6 april een testplicht geldt voor het inreizen vanuit Nederland naar Duitsland, ook voor grenswerkers en -scholieren. Dit heeft een grote impact op het dagelijks leven van de inwoners in de grensregio. Overigens zijn ouders die hun kinderen direct halen en brengen van en naar school, door Noordrijn-Westfalen juist uitgezonderd van de testplicht.
Deelt u de mening dat voor mensen die afhankelijk zijn van het regelmatig de grens oversteken doordat hun kinderen over de grens op school zitten, hun baan of onderneming zich daar bevindt, of omdat ze voor medische redenen de grens over moeten, dat nog wel gewoon relatief eenvoudig mogelijk moet zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe is dit nu geregeld? En hoe zou dit beter of makkelijker gemaakt kunnen worden?
Het kabinet deelt deze mening, en wil voor deze specifieke groepen daarom een testvoorziening creëren. Hier wordt in de Kamerbrief waarbij deze beantwoording is gevoegd, op ingegaan.
Tot wanneer geldt de eis om een testbewijs te overhandigen bij het oversteken van de grens?
Voor de aanwijzing als hoogincidentiegebied, waaruit de eis voortvloeit, geldt als belangrijkste criterium dat sprake is van een 7-daagse incidentie van boven de 200 nieuwe besmettingen per 100.000 inwoners. Eventuele afschaling van de maatregelen door de autoriteiten naar de situatie van voor 6 april is onder andere afhankelijk van de ontwikkeling van de incidentie in Nederland.
Welk overleg heeft er door Duitsland met Nederland over deze maatregel plaats gevonden? In hoeverre en hoe is er rekening gehouden met de hiervoor genoemde grensproblematiek?
In aanloop naar de bekendmaking van het besluit heeft frequent (ambtelijk en politiek) contact plaatsgevonden tussen Nederland, de federale Duitse autoriteiten en de deelstaten Noordrijn-Westafelen en Nedersaksen. Dit overleg was erop gericht om onduidelijkheden weg te nemen en aandacht te vragen voor de effectiviteit en proportionaliteit van de maatregelen in het algemeen en de positie van grenswerkers en andere groepen noodzakelijk grensverkeer in het bijzonder. De federale regering heeft het besluit en de inwerkingtreding ervan enkele dagen opgeschort, zodat er meer tijd was voor Nederland om een en ander verder uit te zoeken.
Ook na het besluit is er nog regelmatig contact geweest, onder andere via de Cross Border Corona Taskforce, om aandacht te vragen voor vragen en knelpunten uit de praktijk. Daarnaast is er via en met de Benelux-landen contact geweest over de Duitse grensmaatregelen.
Voor meer uitzonderingen biedt de federale regelgeving echter geen ruimte. Wel is in de implementatie van de federale regels door de deelstaten Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen meer ruimte gecreëerd voor noodzakelijk grensverkeer. In hun «Allgemeinverfügungen» staat dat grenspendelaars (werknemers, scholieren, studenten en mensen die de grens minstens 1 keer per week oversteken om voor familieleden te zorgen) minder vaak, maar nog steeds een test van max. 72 uur oud (in plaats van 48 uur) moeten laten zien, en dat zij deze test ook kunnen doen nádat ze de grens zijn gepasseerd, bijvoorbeeld bij hun werkgever. Verder zijn zoals gezegd ouders die hun kinderen direct halen en brengen van en naar school, door Noordrijn-Westfalen uitgezonderd van de testplicht.
Slechts in één lokaal geval kon voor een concreet gebied een ontheffing worden gecreëerd, namelijk in het grensdorp Dinxperwick – een samensmelting van het Nederlandse Dinxperlo (gemeente Aalten) en Duitse Suderwick (gemeente Bocholt).
Verder is in Duitsland de testcapaciteit uitgebreid en worden werkgevers in Duitsland verplicht hun werknemers kosteloos tweemaal per week een test aan te bieden. Een en ander biedt echter niet voor alle in Nederland woonachtige grenspendelaars een oplossing. Voor inwoners van Nederland die voor werk, opleiding of zorg naar Duitsland moeten en die tot nu toe zijn aangewezen op commerciële teststraten, heeft het kabinet daarom besloten aan Nederlandse zijde een testvoorziening in te richten. De Kamer wordt hierover nader geïnformeerd in de Kamerbrief waarbij deze beantwoording is gevoegd.
Op welke wijze is er door Duitsland afgestemd over de invoering van de eis om een testbewijs te overhandigen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om op korte termijn de grensproblematiek te bespreken met uw collega’s in Duitsland en te kijken welke praktische oplossingen er voor de genoemde grensproblematiek mogelijk zijn, zeker indien dit langere tijd gaat duren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Tweede Kamer daarover zo snel mogelijk informeren, en wanneer is dat mogelijk?
Zie antwoord vraag 4.
De arrestatie van zeven personen op de Molukken. |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brief die u is toegestuurd door Umar Santi, de Minister van Buitenlandse Zaken van de Republik Maluku Selatan (RMS) in ballingschap op 8 april 2021?
Ja.
Bent u bereid om op het verzoek van de heer Santi in te gaan om bij de Indonesische ambassadeur in Nederland te informeren naar de reden van de arrestatie van de zeven in de brief genoemde personen? Waarom wel of waarom niet?
Voor zover bekend zitten drie van de zeven personen nog gevangen en zouden zij worden beschuldigd van verraad. De normale Indonesische rechtsgang lijkt te worden gevolgd en Nederland mengt zich in beginsel niet in de rechtsgang van andere landen. De Nederlandse ambassade in Jakarta zal de zaak nauw blijven volgen.
In algemene zin spreekt Nederland in contacten met de Indonesische regering, zowel bilateraal als in EU-verband, wel herhaaldelijk zijn bezorgdheid uit over de mensenrechtensituatie in het land, waaronder vrijheid van meningsuiting. Dit gebeurde meest recent nog in politieke consultaties op hoogambtelijk niveau in november 2020. Ook in toekomstige contacten zal Nederland aandacht blijven vragen voor de mensenrechtensituatie in Indonesië en hoe deze zich verhoudt tot internationale verdragen die Indonesië heeft geratificeerd, zoals het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.
Het gevangen zetten van activisten voor het op vreedzame wijze kenbaar maken van hun politieke overtuiging is een schending van artikel 2 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, geratificeerd door zowel Nederland als Indonesië; als dit artikel is geschonden, tot welke maatregel(en) ziet u zich genoodzaakt?
Zie antwoord vraag 2.
Het nieuws dat de topman van Air France-KLM een bonus van twee miljoen euro ontvangt |
|
Mahir Alkaya (SP) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aandelenbonus van maar liefst 2 miljoen euro die is toegekend aan Air France-KLM topman Ben Smith, bovenop zijn vaste beloning van 745 duizend euro en 295 duizend euro voor onkosten?1
Ja.
Past deze buitensporige beloning binnen de voorwaarden van het noodsteunpakket dat de Nederlandse staat heeft verstrekt aan Air France-KLM? Zo nee, wat gaat u hiertegen doen?
De voorwaarden zoals deze zijn gesteld in het steunpakket aan KLM richten zich tot KLM, als ontvanger van de steun, en niet op de moedermaatschappij Air France-KLM. In het steunpakket is bepaald dat gedurende de steun de variabele beloning (bonus) voor het bestuur en top management van KLM wordt opgeschort.
Hoe beoordeelt u de verstrekking van deze bonus in het licht van de ruim vijfduizend ontslagen die zijn gevallen bij KLM-medewerkers?
We zitten in een crisis en er is veel belastinggeld nodig om bedrijven en werknemers door deze crisis te loodsen. Dit is daarom echt niet de tijd voor bonussen voor bestuurders van bedrijven die overeind moeten worden gehouden met belastinggeld en dus ook niet voor Air France-KLM.
Hoe beoordeelt u de verstrekking van deze bonus in het licht van de opgelegde loonoffers aan KLM-medewerkers voor de komende vijf jaar?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de verstrekking van deze bonus in het licht van het recordverlies van 7 miljard euro voor Air France-KLM over het jaar 2020?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om namens de Nederlandse Staat als aandeelhouder van Air-France KLM te pleiten voor het terugdraaien en retourneren van deze buitensporige bonus aan Dhr. Smith?
Ik heb het standpunt van de Nederlandse staat steeds kenbaar gemaakt richting de onderneming en dat zal ik blijven doen. Ook ten aanzien van deze bonus is op verschillende niveaus bij de onderneming kenbaar gemaakt dat dit niet de tijd is voor het toekennen en uitkeren van bonussen.
Deelt u de visie dat eventuele toekomstige steunmaatregelen aan de holding Air-France KLM niet overwogen kunnen worden als deze excessieve beloning niet wordt teruggedraaid?
Bij eventuele toekomstige steunverlening staat het belang van KLM voor het intercontinentale bestemmingennetwerk op Schiphol voorop. Dit netwerk is van groot belang voor de Nederlandse economie en werkgelegenheid. Eventuele steun met Nederlands belastinggeld zal dan ook primair ten gunste moeten komen aan KLM, net zoals de Franse staat dat heeft gedaan bij de steun aan Air France. Het bovengenoemde publieke belang zal centraal moeten staan bij de afweging voor eventuele toekomstige steunverlening aan KLM.
Zoals ik hiervoor al heb gezegd is dit niet de tijd voor het toekennen en uitkeren van bonussen aan bestuurders van bedrijven, en dus ook niet bij Air France-KLM.
Bent u op de hoogte van het feit dat KLM nog altijd vaste medewerkers ontslaat, maar ondertussen voor vergelijkbare functies flexpersoneel inhuurt via uitzendbureaus tegen betaling van lage lonen? Hoe past dit volgens u binnen de voorwaarden van het steunpakket en de afspraak om zo veel mogelijk vaste banen bij KLM te behouden?
Bij gebruik van de NOW-regeling is een van de voorwaarden dat het bedrijf, in casu KLM, zich heeft gecommitteerd om gedurende de periode van de toekenning van de NOW-subsidie, geen ontslag wegens bedrijfseconomische redenen aan te vragen. Desondanks kan het vanwege financiële omstandigheden wegens bedrijfseconomische redenen noodzakelijk zijn. Het UWV ziet toe op de naleving van de voorwaarden van NOW-regeling.
In het steunpakket zijn hierover geen specifieke afspraken gemaakt. Een van de voorwaarden van de steun was het opstellen van een herstructureringsplan, waarbij een kostenreductie van 15% moest worden bereikt. Voor zover mij bekend is in dit herstructureringsplan niets opgenomen om medewerkers met een vast contract te vervangen door flexpersoneel tegen lagere lonen.
Wat vindt u ervan dat bij KLM ook de arbeidsvoorwaarden van veel werknemers die onder anderhalf keer modaal verdienen enorm verslechteren, bijvoorbeeld doordat zij verplicht hun arbeidsuren moeten verspreiden over vijf dagen of doordat zij een fors deel van hun loon hebben moeten inleveren, onder meer omdat zij hun onregelmatigheidstoeslag kwijtraken? Past dit volgens u binnen de door u opgelegde voorwaarden?2
Een van de voorwaarden van het steunpakket was het opstellen van een herstructureringsplan, waarbij een kostenreductie van 15% moest worden bereikt. Dit herstructureringsplan is door KLM opgesteld en is, zoals ook toegelicht in de Kamerbrief van 3 november 2020, in lijn met de Motie Stoffer en Slootweg waarin wordt gevraagd om werknemers met een inkomen tot anderhalf keer modaal bij de herstructureringsplannen zo veel als mogelijk te ontzien. In het steunpakket zijn geen verdere voorwaarden opgenomen over de (nadere) invulling van de arbeidsvoorwaarden van werknemers van KLM. Dit is een aangelegenheid van het bestuur van KLM in overleg met de vakbonden.
Het bericht dat veel minder varkensboeren gebruik maken van de vertrekregeling dan gedacht. |
|
Thom van Campen (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Veel minder varkensboeren dan gedacht maken gebruik van vertrekregeling»?1
Ja.
Klopt het dat ruim 500 varkensboeren zich eind 2019 inschreven voor de stoppersregeling, maar dat uiteindelijk slechts 250 boeren daadwerkelijk stoppen?
Zoals ik uw Kamer per brief van 10 juni 2020 heb gemeld zijn er op grond van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) 502 aanvragen ingediend (Kamerstuk 28 973, nr. 238). Ik zal uw Kamer niet zoals eerder genoemd in mei, maar in juni informeren over de stand van zaken, waaronder het aantal aanvragen dat uiteindelijk voldeed aan de gestelde voorwaarden, hoeveel varkenshouders hebben aangegeven hun productie definitief en onherroepelijk te zullen beëindigen en een eerste indicatie van het verwacht stikstofeffect ten behoeve van het SSRS en de beoogde reductie voor het pakket bronmaatregelen van de structurele aanpak. Niet alle gegevens die benodigd zijn voor deze analyse waren tijdig beschikbaar om u al in mei volledig te kunnen informeren.
Herkent u het beeld dat deze aanzienlijke daling van het aantal boeren dat een beroep doet op deze regeling komt omdat gemeenten en provincies onvoldoende meewerken aan herbestemming van het erf en boeren niet toestaan om op het terrein een andere onderneming te beginnen?
Ik herken dit beeld niet. Naast de hoogte van het subsidiebedrag was voor veel varkenshouders ook de doorkijk naar de toekomst een doorslaggevende factor bij hun uiteindelijke besluit om te stoppen of niet. Vragen die daarbij onder meer speelden waren wat wil ik, wat kan ik en wat mag ik op mijn productielocatie aan economische activiteiten ontwikkelen? De verkenning van deze vragen vergde in veel gevallen intensief overleg met gemeenten en, in voorkomende gevallen, provincies. Iedere gemeente maakt daarbij een eigen afweging, binnen de eigen bevoegdheid en afhankelijk van de lokale omstandigheden en het ruimtelijke kader. Dit kan betekenen dat in voorkomende gevallen een gemeente een verzoek tot herbestemming zal hebben afgewezen. Ik heb geen signalen ontvangen dat gemeenten geen bereidheid hebben getoond om hierover het gesprek te voeren met varkenshouders en mee te denken.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat de regeling – die aanvankelijk een succes leek vanwege het hoge aantal inschrijvingen – nu slecht uitvalt voor varkensboeren, door trage procedures en bureaucratische rompslomp?
De subsidieregeling voorziet in een financiële vergoeding voor het definitief en onherroepelijk beëindigen van de productie op een varkenshouderijlocatie. De hoogte van de subsidie is een factor in het besluit van een varkenshouder om te stoppen, maar niet de enige en lang niet altijd de meest doorslaggevende. Het succes van de subsidieregeling is daarmee mede afhankelijk van factoren die buiten de regeling zelf vallen, waaronder de uitkomst van het overleg tussen individuele varkenshouders en hun gemeenten over herbestemming van de productielocatie. Die overleggen kosten tijd. Bij de uitvoering van de subsidieregeling heb ik hiermee rekening gehouden, ook om te vermijden dat varkenshouders zouden afhaken. Varkenshouders moesten, op grond van de subsidieregeling, binnen acht weken na ontvangst van de positieve subsidiebeschikking voldoen aan de eerste vereiste, het ondertekenen en indienen van de in de subsidieregeling opgenomen modelovereenkomst. Op verzoek van zowel varkenshouders als van gemeenten heb ik deze termijn in individuele gevallen meermaals verruimd, uiteindelijk tot uiterlijk 1 april jongstleden. Daarmee hebben veel varkenshouders in de praktijk geen acht weken maar – afhankelijk van de datum waarop de individuele subsidiebeschikking is verstrekt – zes tot acht maanden de tijd gekregen om toekomstplannen te ontwikkelen en hierover het overleg te voeren met hun gemeente. Iedere varkenshouder heeft daarop zijn eigen afweging gemaakt. Ik heb daarbij geen signalen ontvangen dat varkenshouders hun subsidieaanvraag hebben ingetrokken vanwege trage procedures of bureaucratische rompslomp.
Zo ja, bent u bereid om hierover in gesprek te gaan met gemeenten en provincies, waarbij op korte termijn gezocht wordt naar oplossingen voor de bureaucratische knelpunten en oog is voor de behoefte van boeren om op hun terrein een andere onderneming te beginnen, zo nee, waarom niet?
Het verzoek tot uitstel van de termijn van acht weken om te voldoen aan de eerste vereiste kwam in veel gevallen mede van een gemeente. Dit benadrukt de bereidheid die er in veel gemeenten was om met individuele varkenshouders mee te denken. Ik ben maximaal tegemoetgekomen aan de wens om verruiming van termijnen. Gemeenten hebben daarmee de ruimte gekregen om het gesprek te voeren met ondernemers en om tot een weloverwogen afweging te komen. Daarbij is het uiteindelijke besluit aan individuele gemeenten. Als het gaat om herbestemming zijn gemeenten het bevoegd gezag. Iedere gemeente heeft daarbij een eigen afwegingskader. Uiteraard ben ik ook in gesprek met gemeenten en provincies om ze daar waar mogelijk in de uitvoering te ondersteunen. Gemeenten kunnen bovendien gebruik maken van de Regeling specifieke uitkeringen uitvoering Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Staatscourant 2020, nr. 60186, gepubliceerd 16 november 2020). Met deze regeling kunnen gemeenten een eenmalige specifieke uitkering van € 25.000,– krijgen voor de financiering van uitvoeringsactiviteiten voor de sluiting van een individuele varkenshouderijlocatie binnen de eigen gemeente.
Herkent u daarnaast de problematiek dat sommige boeren vaak tienduizenden euro’s mislopen, omdat de waardevermindering doorloopt na de beschikking, waardoor de boer steeds minder voor zijn stal krijgt naarmate de procedure langer duurt?
De vergoeding voor het waardeverlies van de productiecapaciteit is afhankelijk van de leeftijd van de dierenverblijven op het moment dat aan alle vereisten is voldaan die verbonden zijn aan het definitief en onherroepelijk beëindigen van de productiecapaciteit, waaronder afvoer van de dieren en de mest en het intrekken of wijzigen van de milieuvergunning en de vergunning Wet natuurbescherming. Volgens de subsidieregeling dient men binnen acht maanden na de datum van subsidiebeschikking aan deze vereisten te voldoen. Varkenshouders die op verzoek meer tijd hebben gekregen om te voldoen aan de eerste vereiste, het ondertekenen en indienen van de modelovereenkomst, hebben op verzoek ook uitstel gekregen om te voldoen aan de vereisten die zijn verbonden aan het definitief en onherroepelijk beëindigen van de productiecapaciteit. Dit betekent in de praktijk dat varkenshouders pas op een later moment aan alle vereisten voldoen, dat de leeftijd van de dierenverblijven toeneemt en dus de hoogte van de vergoeding afneemt. Wat dit betekent in individuele gevallen is afhankelijk van het aantal maanden waarmee de waardebepaling opschuift en wat de oppervlakte is van de dierenverblijven die op een productielocatie voor vergoeding in aanmerking komt.
Bent u het ermee eens dat een snelle oplossing van bovenstaande knelpunten gewenst is, zodat enerzijds boeren een eerlijke kans krijgen om hun bedrijf (door) te ontwikkelen en anderzijds bijdragen aan de ambitie om vrijwillig de ammoniakuitstoot te verminderen en hoe gaat u samen met de boeren deze oplossing zoeken?
Met de ruimhartige verlenging van de termijnen hebben varkenshouders voldoende tijd gekregen om toekomstplannen te doordenken en te bespreken met hun gemeente. Zoals aangegeven heb ik geen signalen ontvangen dat varkenshouders daarbij onvoldoende medewerking hebben gekregen. Het is dan ook mijn overtuiging dat varkenshouders, binnen de kaders van de subsidieregeling, een eerlijke kans hebben gekregen.
Bent u bereid om de antwoorden op deze vragen te betrekken bij de stand van zakenbrief over deze regeling die toegezegd is voor mei?
Daar waar relevant zal ik bovenstaande antwoorden bij de stand van zakenbrief van juni betrekken. Ik kan uw Kamer niet in mei informeren, zoals eerder toegezegd, omdat het verwacht stikstofeffect nog niet bekend is. Hierover kan ik uw Kamer in juni informeren.
Aandacht voor de eiwittransitie op internationale conferenties. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Bas van 't Wout (VVD), Stef Blok (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de negatieve effecten van de vlees-, vis- en zuivelconsumptie op onder andere het klimaat, natuur, watergebruik, grondgebruik en dierenwelzijn?
Het kabinet is op de hoogte van de effecten van vlees-, vis- en zuivelconsumptie.
Kent u het principe «Carnivoor? Geef het door!», waarin de norm wordt omgedraaid zodat een plantaardig menu de standaard keuze wordt, terwijl opties met dierlijke eiwitten enkel op verzoek beschikbaar worden gemaakt?
Ja.
Herinnert u zich de toezegging van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) om het principe «Carnivoor? Geef het door!» in te voeren op het Ministerie van OCW?1
Ja.
Kent u de Rijksbrede visie «Naar een circulaire categorie catering» waarin het principe staat opgenomen dat vegetarisch de standaard moet zijn?2
Ja.
Herinnert u zich de menukaarten vol vlees, vis en zuivel op onder andere de klimaattop in Katowice (COP24) en de klimaattop in Madrid (COP25)?3 4
Ja, er waren menukaarten waar onder andere vlees, vis en zuivel op het menu stonden. De mate waarin verschilt overigens per conferentie. De ervaring van diverse klimaatconferenties leert dat vegetarisch eten vaak al de standaard is.
Deelt u de mening dat juist op internationale conferenties waar gesproken wordt over het oplossen van de problemen die mede worden veroorzaakt door de consumptie van vlees, vis en zuivel, het vanzelfsprekend zou moeten zijn dat de plantaardige optie daar de norm is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet steunt het uitgangspunt om bij internationale conferenties waar gesproken wordt over klimaat en milieu, bewuste keuzes te maken over de menuopties en gezond, duurzaam geproduceerd voedsel aan te bieden, waar dierlijke eiwitten onderdeel van kunnen zijn.
Zou u het toejuichen als het principe «Carnivoor? Geef het door!» wordt ingesteld op internationale conferenties, zoals de aanstaande klimaattop in Glasgow (COP26)? Zo nee, waarom niet?
Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Wat gaat u doen om het principe «Carnivoor? Geef het door!» onder de aandacht te brengen bij de organisatie van de klimaattop in Glasgow (COP26) en andere internationale conferenties?
Het gastland is verantwoordelijk voor de organisatie van de catering tijdens de VN-klimaattop. Navraag levert op dat het VK in ieder geval de ISO 2012 standaard hanteert voor duurzame evenementen. Het kabinet zal het belang van een gezond en duurzaam aanbod in voorbereidende gesprekken op COP26 bij het Verenigd Koninkrijk onder de aandacht brengen.
Hoe gaat u de negatieve effecten van vlees, vis en zuivel onder de aandacht brengen tijdens de klimaattop in Glasgow (COP26)?
Nederland zet nationaal en internationaal in op een transitie naar een duurzame en toekomstbestendige landbouw, samenvattend aangeduid als kringlooplandbouw en aangeboden aan uw Kamer als de LNV Visie Waardevol en Verbonden (Kamerstuk 35 000 XIV, nr. 5).5 Cruciaal onderdeel daarvan is een integrale benadering, waarin zowel de transitie naar meer plantaardige productie als ook dierlijke productie, inclusief vis, een eigen en waardevolle plek kennen. Deze visie wordt breed uitgedragen en zal waar van toepassing ook een rol kunnen spelen tijdens COP26.
Erkent u dat Nederland als tweede landbouwexporteur ter wereld fors bijdraagt aan grootschalig dierenleed, vervuiling, biodiversiteitsverlies en de klimaatcrisis? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u vanuit die verantwoordelijkheid bereid om op de klimaattop in Glasgow (COP26) een voortrekkersrol op zich te nemen in de eiwittransitie? Zo nee, waarom niet?
Nederland zal in het algemeen aandacht vragen voor de eiwittransitie op internationale conferenties waar dit relevant is, waaronder de klimaattop in Glasgow. Dit is onderdeel van een breder streven om inhoud te geven aan de eiwittransitie, mondiaal en nationaal zoals ook beschreven in de Nationale Eiwitstrategie, NES (Kamerstuk 35 570 XIV, nr. 70).6 De NES is een integrale benadering om onze nationale afhankelijkheid van eiwitimporten te verkleinen.
Hoe gaat u tijdens de klimaattop in Glasgow (COP26) inzetten op de wereldwijde versnelling van de eiwittransitie?
Zie antwoord vraag 11.
Erkent u dat Nederland via de import van veevoer nadrukkelijk bijdraagt aan onder andere ontbossing in andere landen? Zo nee, waarom niet? Hoe gaat u dit onderwerp onder de aandacht brengen tijdens de klimaattop in Glasgow (COP26)?5 6
Volgens een recent rapport van het Wereldnatuurfonds (WNF)9 leidde de internationale handel in landbouwproducten in 2017 tot 1,3 miljoen hectare ontbossing waarvan 203.000 hectare (16%) aan de EU wordt toegeschreven. Soja, palmolie en vlees zijn volgens het rapport de landbouwproducten waarvoor het meest ontbost is. Soja en in beperkte mate palmolie (bijv. oliepalmpitten in krachtvoer voor runderen) zijn een bestandsdeel in veevoer. Soja die in Nederland wordt geconsumeerd is grotendeels afgedekt met duurzaamheidscertificaten die erop toezien dat de productie zonder ontbossing heeft plaatsgevonden.10 Voor palmolie in algemene zin geldt eveneens dat de consumptie grotendeels is afgedekt met duurzaamheidscertificaten die er op toezien dat de productie zonder ontbossing heeft plaatsgevonden, voor wat betreft de toepassing in veevoer is dat ruim twee derde.11 Het rapport beschrijft terecht dat het aandeel in de wereldwijde ontbossing dat aan de EU toegeschreven kan worden de afgelopen jaren sterk is gedaald.
Lidstaten, waaronder Nederland, hebben de Europese Commissie in Raadsconclusies opgeroepen om verdere stappen te nemen door een ambitieus wetgevend voorstel en andere maatregelen te presenteren die gericht zijn op het vermijden dan wel het minimaliseren van het op de interne markt brengen van producten die gerelateerd zijn aan ontbossing of bosdegradatie. Dit voorstel van de Commissie wordt voor het einde van het jaar verwacht. Conform de motie-Bouali (Kamerstuk 35 570 XVII, nr. 28)12 zet Nederland zich met gelijkgezinde landen in voor effectieve maatregelen die ervoor zorgen dat producten die op de Europese markt komen duurzaam en zonder directe en indirecte bijdragen aan ontbossing zijn geproduceerd. Nederland zet zich daarnaast als lid van onder meer het Amsterdam Declarations Partnership al geruime tijd in voor het bevorderen van ontbossingsvrije en duurzame agro-waardeketens.
Daarnaast verwacht het kabinet van bedrijven dat zij handelen in overeenstemming met IMVO-principes en dat zij risico’s, waaronder het risico op ontbossing, binnen hun keten in kaart brengen, mitigeren en voorkomen. Met de beleidsnota «Van Voorlichten tot Verplichten; een nieuwe impuls aan Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemerschap (Kamerstuk 26 485, nr. 337)13 is uw Kamer geïnformeerd over het nieuwe Nederlandse IMVO-beleid, bestaande uit een doordachte mix van maatregelen. Kernelement van deze mix van maatregelen is een verplichting ten aanzien van gepaste zorgvuldigheid, bij voorkeur in EU-verband. Een Europees voorstel daartoe wordt eveneens voor het einde van het jaar verwacht.
In aanloop naar de COP26 heeft het Brits voorzitterschap een dialoog14 opgezet tussen grote consumerende en producerende landen van producten met risico op ontbossing, om duurzame ontwikkeling en verduurzaming van landgebruik, productie en handel te stimuleren, en daarbij bossen te beschermen. Nederland is actief betrokken bij deze dialoog. Het kabinet zet zich in bredere zin in voor een ambitieuze uitkomst van de klimaattop en werkt daarbij ook met gelijkgezinde landen samen om ontbossing te stoppen.
Hoe gaat u tijdens de klimaattop in Glasgow (COP26) de strekking van het advies «Duurzaam en gezond» van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) uitdragen, waarin voor de Nederlandse situatie onder andere wordt gesteld dat «een forse krimp in het aantal dieren, van enkele tientallen procenten, tussen nu en 2030 onvermijdelijk is»?7
In het Klimaatakkoord (2019) zijn afspraken gemaakt over de benodigde reductieopgaven voor de Nederlandse landbouw. In het Klimaatakkoord is daarbij ook al de verbinding gelegd met het terugdringen van de ammoniakemissies. De integrale aanpak van broeikasgassen en stikstof vormt een belangrijk speerpunt voor de komende periode. Het terugdringen van beide emissiegroepen vraagt om actie, zowel voor de korte als de langere termijn. De Subsidieregeling sanering varkenshouderijen en de Maatregel gerichte opkoop zijn voorbeelden van maatregelen die leiden tot reductie van broeikasgassen en stikstof. Tevens wordt gewerkt aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties; ook daar zal door de definitieve beëindiging van veehouderijlocaties krimp van de veestapel het gevolg zijn. Deze maatregelen zullen invloed hebben op de Nederlandse nationale uitstoot van broeikasgassen en in die hoedanigheid een rol spelen op de Klimaattop in Glasgow.
Hoe gaat u tijdens de klimaattop in Glasgow (COP26) aandacht vragen voor de volgende conclusie uit het IPCC Special Report «Climate Change and Land»: «By 2050, dietary changes could free several million km2 (medium confidence) of land and provide a technical mitigation potential of 0.7 to 8.0 GtCO2 eq yr-1, relative to business as usual projections (high confidence)»?8
Nederland zet zich zowel nationaal als internationaal in voor een houdbaarder en duurzamer voedselsysteem. Het tegengaan van voedselverspilling, bevorderen van consumptie van groenten en fruit, en een groter aandeel consumptie van eiwitten op plantaardige basis zonder de keuzevrijheid van burgers te beperken zijn hier een belangrijk onderdeel van. Wel blijft dierlijke productie een rol spelen, bijvoorbeeld om de bodemvruchtbaarheid op peil te houden en te voorzien in de voedselzekerheid van de meest kwetsbare groepen.
De manier waarop we voedsel verbouwen speelt een essentiële rol in het behalen van de mondiale klimaatdoelen. Zoals het IPCC-rapport aangeeft zijn landbouw en landgebruik verantwoordelijk voor bijna een kwart van de door de mens veroorzaakte mondiale emissies. De landbouwonderhandelingen onder het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) richten zich op het reduceren van emissies in de landbouwsector en het weerbaar maken tegen de gevolgen van klimaatverandering van deze sector. Nederland neemt in EU-verband actief deel aan deze onderhandelingen en stuurt hier aan op ambitieuze internationale afspraken.
Daarnaast vond op 23 september ook de UN Food System Summit plaats die de transitie naar duurzame voedselsystemen moet versnellen door gezamenlijke acties te formuleren, onder andere op het gebied van duurzame consumptiepatronen. De top richtte zich op gezondere, duurzamere en eerlijkere voedselsystemen die bijdragen aan het realiseren van alle 17 UN Sustainable Development Goals. Nederland streeft naar een ambitieuze actieagenda als uitkomst van de UN Food System Summit.
Het bericht ‘EU efforts to observe the Palestinian election fall flat’ |
|
Kati Piri (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Mustafa Amhaouch (CDA), Tom van der Lee (GL) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU efforts to observe the Palestinian election fall flat»?1
Ja.
Ziet u ondanks de vertraging kans voor de EU om bij de verkiezingen op 22 mei te waarnemen en te ondersteunen zoals verzocht is door de Palestijnse autoriteiten? Welke opties worden hiervoor overwogen?
Welke redenen draagt Israël aan voor het niet toelaten van EU-personeel?
Heeft u al stappen gezet om ervoor te zorgen dat de Palestijnse verkiezingen waargenomen en ondersteund kunnen worden? Zo ja, welke stappen zijn dit? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat alle partijen eraan bij dienen te dragen dat het democratisch proces in Palestina wordt gewaarborgd en de verkiezingen goed verlopen?
Zoekt de EU ook samenwerking of indien mogelijk vervanging met internationale of regionale partners zoals VN-toezichthouders of gedelegeerden van de Arabische Liga?
Wordt er gekeken naar de mogelijkheid om de permanente vertegenwoordiging van de EU in Israël of de delegatie in de Westelijke Jordaanoever en Gazastrook een rol te laten spelen in het waarnemen en ondersteunen van de Palestijnse autoriteiten aangezien dit personeel al in Israël aanwezig is?
Registratie etniciteit universitair personeel. |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de «Barometer Culturele Diversiteit» van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)?
Ja. Het kabinet heeft, mede op verzoek van uw Kamer, het door de SER gegeven advies «Diversiteit in de Top, Tijd voor Versnelling» integraal overgenomen1 en daarmee de toezegging gedaan om de in dat advies aanbevolen Barometer Culturele Diversiteit mogelijk te maken. Daarmee wordt voorzien in de bij werkgevers aanwezige behoefte om de meetbaarheid van culturele diversiteit in het personeelsbestand te verbeteren, zonder dat individuen herkenbaar zijn in de cijfers. Op verzoek van Minister Koolmees, waarover de Kamer is ingelicht op 14 mei 20202, is deze Barometer Culturele Diversiteit vanaf 1 juli 2020 beschikbaar.
Welke achtergrondkenmerken (geslacht, leeftijd, et cetera) maken onderdeel uit van deze barometer? Kunt u de Kamer de vragenlijst sturen die het CBS hiervoor hanteert?
De Barometer Culturele Diversiteit werkt niet met tot het individu herleidbare persoonskenmerken. Er is ook geen sprake van een vragenlijst.
Als input van de Barometer Culturele Diversiteit wordt gewerkt met reeds bij het CBS en de aanvragende werkgever aanwezige gegevens, zoals omschreven in mijn brief aan de Tweede Kamer van 14 mei 20203 en in het antwoord op uw vragen 4 en 5.
Ter illustratie een dummy-output van de Barometer Culturele Diversiteit:
Totaal
Migratieachtergrond
Nederlandse achtergrond
personen met migratieachtergrond
westerse migratieachtergrond
niet-westerse migratieachtergrond
100
65
10
25
A
100
81
10
10
B
100
73
13
14
C
100
79
12
8
D
100
30
11
59
Is «etniciteit» één van deze achtergrondmerken? Hoe wordt door het CBS «etniciteit» gedefinieerd en geoperationaliseerd voor deze Barometer? Is dat op basis van, zoals gebruikelijk bij het CBS, migratieachtergrond?
Het doel van de Barometer Culturele Diversiteit is om, voor werkgevers die dat willen, de meetbaarheid van culturele diversiteit in het personeelsbestand te verbeteren, zonder dat individuen herkenbaar zijn in de cijfers. Daarbij wordt «culturele diversiteit» geoperationaliseerd in lijn met de daarvoor tot op heden gebruikelijke definities van migratieachtergrond bij het CBS, waarin «Nederlandse achtergrond», «westerse migratieachtergrond» en «niet-westerse migratieachtergrond» worden onderscheiden4.
Het CBS is overigens bezig met een heroverweging van de indeling in «westerse migratieachtergrond» en «niet-westerse migratieachtergrond»5; te zijner tijd komt er een andere indeling.
De Barometer Culturele Diversiteit geeft als output inzicht in de verdeling van migratieachtergrond op het niveau van een groep van voldoende omvang (bijvoorbeeld een afdeling, of salarisschaal, van minimaal 250 personen).
Op basis van welk gegevensbestand zijn universiteiten in staat de etniciteit (d.w.z. migratieachtergrond) van hun personeelsbestand in te schatten?1 Wordt aan alle medewerkers van universiteiten (standaard) gevraagd waar zijzelf en hun ouders geboren zijn of wat hun etniciteit is? Moeten alle medewerkers deze vragen beantwoorden?
De insteek van de Barometer Culturele Diversiteit is om werkgevers een meetwijze voor culturele diversiteit in hun organisatie te bieden, waarbij het niet nodig is om de migratieachtergrond van individuele medewerkers te registreren. Het is evenmin mogelijk om uit de Barometer Culturele Diversiteit af te leiden wat de migratieachtergrond van een individuele werknemer is.
De informatie die het CBS gebruikt voor de Barometer Culturele Diversiteit, is dezelfde als die is vastgelegd in de Basisregistratie Personen.
U verwijst naar enkele universiteiten die interesse hebben getoond in het voor hun organisatie aanvragen van de Barometer Culturele Diversiteit. Medewerkers hoeven, in lijn met het antwoord op uw vraag 2, in het kader van de Barometer Culturele Diversiteit geen vragen te beantwoorden. Universiteiten bevestigen desgevraagd dat er geen informatie over etniciteit of migratieachtergrond uitgevraagd, verzameld, bijgehouden of geregistreerd wordt in de personeelsadministratie van de universiteiten.
Daarnaast worden door deze universiteiten voor de Barometer Culturele Diversiteit uitsluitend gegevens met het CBS gedeeld van medewerkers die daartegen geen bezwaar hebben geuit. Met het oog op het voornemen van deze instellingen om deel te nemen aan de Barometer Culturele Diversiteit, hebben medewerkers individueel een e-mail ontvangen met een toelichting op het doel van het delen van deze gegevens, de rechten van de medewerkers en hoe zij daarvan gebruik kunnen maken. Medewerkers kunnen vervolgens door middel van een e-mail, zonder dat hierbij om onderbouwing wordt gevraagd, kenbaar maken dat zij niet deel willen nemen aan het onderzoek. De gegevens van deze medewerkers worden dan niet gedeeld met het CBS.
Zo nee, hoe zijn universiteiten dan in staat zelf een correcte inschatting hiervan te maken voor de «Barometer Culturele Diversiteit» van het CBS?
Werkgevers die de Barometer Culturele Diversiteit afnemen, maken een dergelijke inschatting niet. De deelnemende universiteiten geven aan dat zij voor gebruik in de Barometer Culturele Diversiteit de volgende personeelsgegevens aan het CBS verstrekken: geboortedatum, geslacht, postcode, huisnummer, huisnummer toevoeging, faculteit/dienst, functie (groepen), salarisschaal, en dienstverband van de medewerkers.
Na ontvangst verwijdert het CBS de direct identificerende gegevens en vervangt deze door een betekenisloos pseudoniem. Op basis hiervan leidt het CBS uit andere, eveneens gepseudonimiseerde, data uit de Basisregistratie Personen de migratieachtergrond7 af. Vervolgens maakt het CBS hiervan een (niet tot een individu herleidbare) geaggregeerde tabel (zie voor een voorbeeld het antwoord op uw vraag 2).
De onzekere toekomst van het ziekenhuis in Zutphen |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat er opnieuw onrust is over het uitkleden van een ziekenhuis, ditmaal in Zutphen?1
Veranderingen in het zorglandschap roepen emoties op, en dat begrijp ik. Mensen zijn gehecht aan «hun» ziekenhuis, en ze vragen zich ook af: kan ik er nog op rekenen dat ik zorg krijg, op het moment waarop ik die zorg nodig heb? De beschikbaarheid van de zorg moet altijd voldoende verzekerd zijn. Dat vind ik van groot belang en daar ben ik als minister ook verantwoordelijk voor, en op aanspreekbaar. Ik vind het van groot belang dat het ziekenhuis in gesprek blijft met de belanghebbenden in de regio over de toekomst van de zorg in Zutphen en dat in de samenwerking tussen de verschillende zorgaanbieders goede en veilige zorg altijd voorop staat.
Wat is volgens u de reden dat de schaalvergroting in ziekenhuizen alsmaar doorgaat, terwijl de samenleving en de patiënten juist pleiten voor ziekenhuiszorg dichtbij?
De samenleving en de zorg veranderen in snel tempo. Ik wil niet alleen kijken naar de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van zorg op dit moment maar ik wil ook dat het voor de toekomst geborgd blijft. We zullen vooruit moeten kijken. Wat verwachten we in de toekomst en hoe kunnen we ons daarop voorbereiden? Welke vormen van zorg moet dichtbij worden geboden en welke zorg is zo specialistisch dat die het beste geconcentreerd en daarmee mogelijk op verdere afstand van de patiënt geleverd kan worden? Daarom heeft u de houtskoolschets acute zorg en de discussienota Zorg voor de toekomst ontvangen. De komende jaren moet bekeken worden hoe dit zich gaat vertalen naar de praktijk. Het is aan een volgend kabinet om zich daar samen met alle partijen in het veld over te gaan buigen.
Welke factoren liggen eraan ten grondslag dat de Gelre ziekenhuizen de zorg in de verschillende ziekenhuizen willen aanpassen, waarbij de kleine vestiging in Zutphen haar volledige pakket aan basiszorg dreigt te verliezen?
Gelre ziekenhuizen heeft mij laten weten dat zij op basis van het hoofdlijnenakkoord en de beweging «de Juiste Zorg op de Juiste plek» een meerjarenstrategie heeft ontwikkeld. Deze anticipeert op deze veranderingen en voldoet volgens het ziekenhuis aan hun maatschappelijke opdracht om daarmee ook in de toekomst waardevolle zorg te kunnen blijven bieden en de zorg in de toekomst toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit te houden. Belangrijke thema’s zijn daarbij:
In haar strategisch document «Gelre 2025» heeft het ziekenhuis beschreven welk antwoord het heeft geformuleerd op deze strategische uitdagingen. Hoe de zorg het beste ingericht kan worden en wat de functie van de (poli)klinische locaties daarbij kan zijn, is één van de onderdelen uit deze strategische koers.
Is het juist dat de Gelre ziekenhuizen financieel gezond zijn en er geen duidelijke financiële noodzaak bestaat om zorg in Zutphen af te bouwen?2
Het is juist dat Gelre op dit moment financieel gezond is. Maar het rendement zal, aldus het ziekenhuis, de komende jaren omhoog moeten (afgelopen jaren was deze rond de 1%) om de toekomstige noodzakelijke investeringen te kunnen financieren. Dit financiële aspect speelt dus wel mee. De zorgvraag in het adherentiegebied van Gelre groeit de komende jaren fors. Het ziekenhuis verwacht bovendien de komende jaren fors te moeten investeren, bijvoorbeeld in zorgtechnologie, om kwalitatief hoogwaardige zorg te kunnen blijven bieden en e-health toepassingen (voor zorg op afstand) te kunnen toepassen. Ook om daarmee een goede informatie-uitwisseling met zowel patiënten als andere zorgverleners te kunnen garanderen. Of er zorg in Zutphen wordt afgebouwd, is volgens het ziekenhuis nog helemaal niet aan de orde. Het ziekenhuis onderzoekt op dit moment hoe ze de zorg voor de burgers in haar regio toekomstbestendig kan inrichten en welke functies bestaande (poli)klinische locaties daarbij hebben.
Klopt het dat juist het Gelre Zutphen het financieel goed doet, zoals we van de werkvloer vernemen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Is het juist dat de Gelre ziekenhuizen een met 80% of meer relatief hoge adherentie (marktaandeel) kennen in hun verzorgingsgebied met 350.000 inwoners? Is dit niet een aanwijzing dat de zorg in de ziekenhuizen, zoals ook in Zutphen wordt aangeboden, zeer wordt gewaardeerd?3
Het primaire verzorgingsgebied van Gelre ziekenhuizen bestaat uit de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Lochem, Voorst en Zutphen, met de gemeenten Berkelland en Rheden als grootste buitengebieden. Gelre ziekenhuizen ligt in een dunbevolkt, landelijk gebied met bijna 450.000 inwoners en heeft hierin ruim 60% marktaandeel. Het marktaandeel in het primaire verzorgingsgebied (exclusief Berkelland en Rheden) is 72%. De zorgvraag in de regio van Gelre wordt gevormd door een bovengemiddeld vergrijsde bevolking die op andere demografische en gezondheidskenmerken niet sterk afwijkt van het Nederlands gemiddelde. Reistijd en toegangstijd lijken voor inwoners in de regio belangrijk in de keuze voor een ziekenhuis; alle ziekenhuizen in de regio beschikken over een 24/7 SEH en acute verloskunde. Patiënten waarderen Gelre gemiddeld met een 8,5. Deze score is vergelijkbaar met andere ziekenhuizen in de benchmark.
Op welke manier behoudt het ziekenhuis in Zutphen een spoedeisende hulp en intensive care?
Het ziekenhuis onderzoekt op dit moment hoe ze de zorg voor de burgers in haar regio toekomstbestendig kan inrichten en welke functies bestaande (poli)klinische locaties daarbij hebben. Ook de spoedeisende hulp en de intensive care zorg maken deel uit van dit onderzoek. Het ziekenhuis is dus momenteel bezig met een verkenning van de toekomstige invulling van de locaties. Ook de stakeholders (gemeentebesturen, zorgverzekeraars, huisartsen, VVT-organisaties en patiënten vertegenwoordiging) worden daarbij in een vroeg stadium betrokken.
Kunnen inwoners uit de omgeving er in de toekomst nog terecht voor bijvoorbeeld kraamzorg, een chemokuur of bloedtransfusies?
Chemokuren zal het ziekenhuis blijven aanbieden. Dit gebeurt momenteel ook al in de thuissituatie. Hetzelfde geldt voor bloedtransfusies.
Blijft het ziekenhuis in Zutphen een volwaardig basisziekenhuis met 24/7 acute zorg en acute verloskunde?
Zie ook vraag 7. Het ziekenhuis onderzoekt op dit moment hoe ze de zorg voor de burgers in haar regio toekomstbestendig kan inrichten en welke functies bestaande (poli)klinische locaties daarbij hebben. Ook de spoedeisende hulp en de acute verloskunde maken deel uit van dit onderzoek.
In hoeverre moeten de patiënt en de bevolking die van het ziekenhuis gebruik maken, een bepalende stem hebben bij het behoud van een volwaardig basisziekenhuis?
Wat burgers vinden moet zwaar meewegen in het besluit dat een zorgaanbieder neemt. Inwoners moeten de gelegenheid krijgen hun zorgen en wensen te uiten en de zorgaanbieder moet helder maken wat hij daarmee doet. Binnen deze randvoorwaarden is de uiteindelijke beslissing aan de zorgaanbieder, in overleg met de zorgverzekeraars die zorgplicht hebben en voldoende goede en bereikbare zorg moeten inkopen.
Als we uitgaan van de bereikbaarheidsnorm dat een patiënt met eigen vervoer binnen 20 minuten een volwaardig basisziekenhuis moet kunnen bereiken, moet het ziekenhuis in Zutphen dan een volwaardig basisziekenhuis met een 24/7 spoedeisende hulp en acute verloskunde blijven?4
Voor de beschikbaarheid van acute zorg (spoedeisende hulp en acute verloskunde) geldt momenteel een 45-minutennorm. In september 2020 is hierover een advies van de Gezondheidsraad verschenen dat ik naar uw Kamer heb gestuurd. Het is aan een volgend kabinet om hierop te reageren. Overigens geldt als er een concreet voornemen is om de locatie Zutphen te sluiten er een bereikbaarheidsanalyse moeten worden opgevraagd bij het RIVM door het ziekenhuis. Het RIVM zal op basis van deze analyse bepalen of de locatie in Zutphen als een «gevoelig» ziekenhuis wordt aangemerkt. Met «gevoelig» wordt bedoeld dat sluiting van een SEH of afdeling acute verloskunde tot gevolg heeft dat het aantal mensen dat volgens de modelberekeningen niet meer binnen 45 minuten naar een SEH vervoerd kan worden toeneemt. Om die reden mogen deze afdelingen dan niet sluiten.
Laten de ervaringen van de coronacrisis, met een chronisch tekort aan acute zorg en ziekenhuiscapaciteit, niet zien dat het verder verdwijnen van volwaardige basisziekenhuizen en ziekenhuiscapaciteit moet worden tegengegaan en extra investeringen in personeel en capaciteit noodzakelijk zijn?5 , 6
Het zorglandschap is in beweging, op weg naar de juiste zorg op de juiste plek. Ik vind het belangrijk dat zorg voor iedereen beschikbaar is: dichtbij waar dat kan, en verder weg waar dat moet, bijvoorbeeld om te kunnen garanderen dat iedereen die hoogcomplexe zorg nodig heeft erop kan rekenen dat hij ook goede kwaliteit van zorg ontvangt. Bij alle ontwikkelingen in het zorglandschap moet steeds weer een balans worden gezocht tussen die drie publieke waarden: kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg. Ik wil niet alleen kijken naar de beschikbaarheid van zorg op dit moment maar ik wil ook borgen dat de zorg in de toekomst beschikbaar blijft. We moeten vooruitkijken. Wat verwachten we in de toekomst en hoe kunnen we ons daarop voorbereiden? Ontwikkelingen die daarbij een rol spelen zijn bijvoorbeeld de stijging van de zorgvraag door onder andere vergrijzing en een toename van het aantal chronische zieken, en tegelijkertijd een afname van het aantal mensen dat deze zorg kan leveren omdat de arbeidsmarkt krapper wordt en minder mensen mantelzorg kunnen leveren. Het is aan een volgend kabinet om samen met alle partijen in het veld op deze en andere uitdagingen waar we in de zorg voor staan, te anticiperen en te reageren.
Vindt u het uw taak om u te bemoeien met de ontwikkelingen in de Gelre ziekenhuizen of wilt u dit overlaten aan de markt en de commerciële zorgverzekeraars?
Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht; daaronder valt ook de bereikbaarheid. De NZa ziet toe op de naleving van de zorgplicht door zorgverzekeraars en gebruikt daarbij de bereikbaarheidsnormen als leidraad. In de (concept) AMvB acute zorg wordt bepaald dat zorgaanbieders op verzoek van een zorgverzekeraar de medewerking moeten verlenen die redelijkerwijs kan worden gevergd en noodzakelijk is voor het door de zorgverzekeraar voldoen aan de zorgplicht. Op deze manier wordt zo goed mogelijk geborgd dat een zorgaanbieder het aanbod van acute zorg niet lichtvaardig sluit en dat andere zorgaanbieders eraan meewerken dat er voldoende aanbod is van acute zorg in de regio. Daarbij is de IGJ de toezichthouder op de verplichtingen voor de zorgaanbieders en de NZa de toezichthouder op de naleving van de zorgplicht door de zorgverzekeraars.
Fraude met coronaverklaringen |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politici willen opheldering over aanpak vervalste coronaverklaringen»?1
Ja, hiermee ben ik bekend.
Deelt u de mening dat als er valse coronaverklaringen kunnen worden gekocht, dat dit uw beleid ten aanzien van het beperken van de verspreiding van corona ondergraaft? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Fraude is zeer ongewenst, juist ook vanwege de epidemiologische risico’s. Het risico is dan dat het virus zich weer verspreidt, als mensen reizen (of toegang krijgen tot een evenement) met een valse verklaring en daarbij in contact komen met anderen. In Nederland wordt toezicht gehouden op de partijen die testen afnemen, door Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
Deelt u de mening dat reeds vele maanden bekend is dat deze vorm van fraude bestaat? Zo ja, wat heeft u hier concreet tegen ondernomen en waar heeft dit toe geleid?
Onder bepaalde omstandigheden kan bij deze problematiek sprake zijn van valsheid van geschrifte als bedoeld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Als er concrete signalen zijn van (grootschalige) fraude met Coronaverklaringen zal het Openbaar Ministerie – zoals bij alle fraudesignalen – die signalen beoordelen en bezien of er aanknopingspunten zijn voor nader onderzoek. Mij is niet bekend of dat thans het geval is. Ik verwijs u voorts naar het antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat als journalisten relatief eenvoudig in staat zijn valse coronaverklaringen te kopen, het ook mogelijk moet zijn om aan deze praktijk een einde te maken? Zo ja, waarom is dit dan nog niet gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden bestaan er om websites of social media waar valse coronaverklaringen worden aangeboden offline te laten halen? Is dit gebeurd, of gaat dit gebeuren?
Websites en sociale media zijn – zolang zij geen kennis hebben van het strafbare of onrechtmatige karakter van de informatie die door gebruikers op hun fora zijn geplaatst – niet aansprakelijk voor de content die zij hosten voor hun gebruikers. Zodra zij daarvan wel kennis hebben of besef krijgen, dienen zij prompt te handelen om de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.
Deelt u de mening dat het dringend nodig is ervoor te zorgen dat er een vorm van certificering of keurmerk moet komen voor coronatestuitslagen? Zo ja, hoe gaat u hier voor zorgen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Nederlandse testaanbieders moeten zich houden aan kwaliteitsnormen en de wet- en regelgeving. De IGJ houdt daar toezicht op. De fraude lijkt vooral veroorzaakt te worden door andere personen of partijen die geen testaanbieder zijn maar zich als zodanig voordoen. Fraude met testverklaringen is in zekere zin eenvoudig zolang een testuitslag een vormvrij document is en het niet goed mogelijk is voor landen om de authenticiteit van een testbewijs uit een ander land vast te stellen. Om reizen binnen de EU mogelijk en veilig te maken is een Europese verordening over een Digitaal Covid Certificaat (DCC) vastgesteld. Het DCC zal vanaf 1 juli aanstaande van kracht worden. Deze verordening betreft een kader voor de afgifte, acceptatie, maar nu juist ook de verificatie van wederzijds geaccepteerde (interoperabele) certificaten inzake COVID-19-vaccinatie, testen en herstel. Lidstaten worden volgens de conceptverordening verplicht deze certificaten af te geven, zowel digitaal als op papier. Zie hier meer informatie over het certificaat (Engelstalig). Het Ministerie van VWS bereidt zich er op dit moment technisch op voor dat de CoronaCheck app gebruikt kan worden als DCC. Het Ministerie van VWS streeft ernaar om deze technische vereisten voor eind juni gereed te hebben. Met de invoering van het DCC wordt er een universeel Europees testbewijs ingevoerd waarin ook technische eisen zijn opgenomen over het testbewijs. In het ontwerp zijn afwegingen gemaakt die een balans vragen tussen privacy en het voorkomen van misbruik. Er zijn diverse maatregelen genomen om de meest voor de hand liggende vormen van misbruik tegen te gaan, zoals het kopiëren of onderhands overdragen van het bewijs etc. Een essentieel onderdeel is het gebruik van digitale handtekeningen waardoor eenvoudige vervalsingen worden tegengegaan. Voor de testen die worden gebruikt voor internationale reizen geldt dat alleen goedgekeurde partijen straks een DCC compatible testbewijs kunnen afgeven.
Het bericht ‘Enquête: Extra lerarengeld is niet op de juiste plek beland’ |
|
René Peters (CDA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Extra lerarengeld is niet op juiste plek beland»?1
Ja.
Hoe weegt u het bericht dat leraren geen idee schijnen te hebben hoe de extra 150 miljoen euro voor het voortgezet onderwijs is besteed?
Het bericht waar u naar verwijst is gebaseerd op een enquête van de vakbond AOb. Naast deze enquête is ook een tussenevaluatie uitgevoerd door het arbeidsmarkt- en opleidingsfonds VOION. Dit deed VOION op verzoek van de cao-tafel vo (vakbonden AOb, CNV onderwijs, FvOv en de VO-raad). De tussenevaluatie is op 13 april 2021 gepubliceerd. Volgens 90% van de ondervraagde bestuurders en schoolleiders was de MR bij de wijze van besteding van middelen betrokken. Het merendeel van de besturen en scholen geeft expliciet aan leraren betrokken te hebben. 84% van de ondervraagde MR-leden (waaronder dus leraren) geven aan betrokken te zijn geweest bij overleggen over de inzet van de extra middelen. Ik heb geen zicht op de individuele overwegingen om medezeggenschapraden (nog) niet te betrekken, maar ik roep besturen en scholen op dit alsnog te doen.
Ik neem de signalen uit de tussenevaluatie en uit de enquête van de AOb serieus. Betrokkenheid van leraren is essentieel. Scholen en besturen moeten zorgdragen voor die betrokkenheid. Besturen moeten in hun jaarverslag aangeven of het onderwijzend personeel actief is betrokken bij de besteding van de extra middelen. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Betrekt u bij uw antwoord de expliciete uitspraak van uzelf dat het, net zoals bij de besteding van de werkdrukmiddelen, de bedoeling was leerkrachten nauw te betrekken en dit ook een uitdrukkelijke wens van de Kamer was, omdat juist de mensen op de werkvloer zelf het beste weten hoe de middelen het meest effectief kunnen worden ingezet en voor de meeste werkdrukverlichting kan zorgen?
Ja. Zie mijn antwoord op vraag 2.
Wat is de reden dat het betrekken van lerarenteams en de medezeggenschapsraad desondanks niet is gebeurd door de meeste scholen?
De tussenevaluatie van VOION laat zien dat veruit de meeste medezeggenschapsraden wel zijn betrokken bij de besteding van de middelen.
Heeft u op dit punt ook al eerder contact opgenomen met besturen en/of sectorraden om vinger aan de pols te houden bij betrekken van de lerarenteams en de medezeggenschapsraad bij de besteding van de middelen? Zo ja, op welke wijze en zo nee, waarom niet?
Besturen moeten zich verantwoorden in het jaarverslag van 2020 over de inzet van de 150 miljoen euro. Ook moeten besturen in het voortgezet onderwijs aangeven of het onderwijzend personeel actief is betrokken bij de besteding van de middelen. Scholen hebben tot 1 juli 2021 om het jaarverslag over 2020 in te dienen.
Daarnaast vindt er in opdracht van de cao-tafel vo, zoals hierboven al genoemd, monitoring plaats door VOION. De resultaten van de tussenevaluatie zijn nu bekend.
Bent u bereid om het gesprek aan te gaan met schoolbesturen via de sectorraden om hen op betrokkenheid van de lerarenteams en medezeggenschapsraad te wijzen en desnoods afspraken met het onderwijsveld hierover te maken?
Ja, ik zal op korte termijn met de VO-raad de bevindingen uit de tussenevaluatie bespreken.
Heeft u zelf enig idee hoe deze middelen zijn besteed en tot welke effecten dit heeft geleid? En kunt u de Kamer een overzicht doen toekomen van zowel de besteding als de effectiviteit?
Op het moment dat scholen hun jaarverslag over 2020 hebben ingediend heb ik inzicht waar scholen de extra middelen aan hebben besteed. Scholen moeten zich in het jaarverslag verantwoorden over de inzet van de extra € 150 mln. Scholen hebben tot 1 juli om het jaarverslag over 2020 in te dienen. In het jaarverslag moeten schoolbesturen antwoord geven op de vraag of het onderwijzend personeel actief is betrokken bij de besteding van de extra middelen. Ook moet het schoolbestuur aangeven waar de extra middelen aan zijn besteed. Als de verantwoording van scholen bekend is zal ik uw Kamer informeren over de resultaten. Daarnaast geeft de tussenevaluatie van VOION mij inzicht in de besteding en de effectiviteit van de extra middelen.
Herkent u de berichten dat met deze middelen externe partijen worden ingehuurd om met behulp van studenten bijles en examentraining te geven?
De meest genoemde maatregelen die met de extra middelen worden genomen zijn volgens de tussenevaluatie extra ondersteunend personeel, onderwijsinnovatie en ontwikkeltijd. Deze maatregelen moeten vooral de hoge werkdruk onder het personeel oplossen. Ik kan mij indenken dat daarbij in sommige gevallen gekozen wordt voor het inhuren van externe partijen, wanneer andere oplossingen niet voor handen zijn. Het is aan scholen en leraren zelf om te bepalen hoe het geld het beste ingezet kan worden voor de afgesproken doelen. Zij weten namelijk het beste wat leerlingen en leraren nodig hebben. De school en de docent blijven verantwoordelijk voor de activiteiten uit het onderwijsprogramma.
Deelt u de mening dat, alhoewel scholen de vrije keuze hierin hebben, het niet de bedoeling kan zijn dat het primaire proces met externe middelen wordt uitbesteed aan commerciële partners?
Zie mijn antwoord op vraag 8.
Hoe denkt u te voorkomen dat dit niet alleen met deze middelen gebeurt, maar ook met de middelen van het Nationaal Programma Onderwijs?
Voor het Nationaal Programma Onderwijs moeten scholen een eigen schoolprogramma maken. De medezeggenschapsraad moet instemmen met het plan. Een afvaardiging van het personeel, ouders en (in het vo) leerlingen hebben zo inspraak in het schoolprogramma. Het schoolbestuur verantwoordt zich in het jaarverslag, onder meer via gerichte vragen, over de inzet van de middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs. Op 21 mei 2021 hebben wij uw Kamer een brief gestuurd over de nadere uitwerking van het Nationaal Programma Onderwijs.
Kunt u zich voorstellen dat er uit de kelen van commerciële bureaus een nauwelijks verholen kreet van vreugde opsteeg toen bekend werd dat de overheid miljarden extra middelen vrij zou maken voor het onderwijs?
Ik kan mij voorstellen dat scholen blij zijn met de grote investering die dit kabinet doet om de opgelopen vertragingen in te halen. De bedoeling is dat het inlopen van de leervertraging zoveel mogelijk binnen de school en in samenwerking met andere partijen binnen het scholennetwerk plaatsvindt, en op basis van bewezen effectieve interventies. Recent heeft uw Kamer een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht om extra waarborgen in te bouwen om te voorkomen dat geld dat bedoeld is voor onderwijs, weglekt naar particuliere bureaus (vergaderjaar 2020–2021, 35 570 VIII, nr. 201). Over de manier waarop die waarborgen vormkrijgen heb ik u geïnformeerd in de Kamerbrief over de aanbieding van de menukaart Nationaal Programma Onderwijs.2
Scholen hebben de vrijheid om de middelen in te zetten voor bewezen effectieve interventies. De regie voor de aanpak van de vertragingen ligt bij de scholen. Daarbij kan het in specifieke situaties zinvol zijn, ook in het kader van werkdrukvermindering voor leraren, om een externe partij in te schakelen. Voorwaarde is dat de regie en de verantwoordelijkheid bij de school blijven liggen, en dat de inzet ondersteunend is aan het primaire proces.
Welke lessen trekt u uit de besteding van deze 150 miljoen euro zodat voorkomen kan worden dat ook de miljarden van het Nationaal Programma Onderwijs in «een zwart gat» zullen verdwijnen en leraren niet alleen niet weten wat ermee is gebeurd, maar er wederom ook niet bij zijn betrokken?
Zie ook mijn antwoord op vraag 2. Ook bij het Nationaal Programma Onderwijs moeten besturen in hun jaarverslag aangeven of het onderwijzend personeel actief is betrokken bij de besteding van de extra middelen. Voor het Nationaal Programma Onderwijs moet het schoolteam een schoolprogramma uitwerken. De medezeggenschapsraad moet instemmen met dit schoolprogramma.
Bent u bereid om hierover op korte termijn het gesprek aan te gaan met de sectorraden en duidelijke afspraken te maken over hoe besturen lerarenteams en medezeggenschapsraad te betrekken bij de keuze voor de besteding van de middelen en besturen zich hierover te laten verantwoorden in het jaarverslag?
Met de sectorraden en met de vakbonden vindt doorlopend overleg plaats over de manier waarop de medezeggenschapsraad betrokken dient te worden bij de inzet van de middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs. In de gesprekken met de sectorraden wordt ook besproken op welke wijze schoolbesturen zich in het jaarverslag moeten verantwoorden over de middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs. Samen met het CAOP en de vertegenwoordigende partijen werk ik aan een handleiding voor de medezeggenschapsraden, die hen handvatten biedt bij hoe zij hun rol in het Nationaal Programma Onderwijs kunnen invullen.
Bent u tevens bereid om op dit punt de Inspectie van het Onderwijs een rol te geven bij het monitoren van het versterken van de betrokkenheid van lerarenteams en de medezeggenschapsraad door de besturen?
Schoolbesturen moeten zich in het jaarverslag verantwoorden over de inzet van zowel de extra middelen uit het convenant, als de middelen voor het Nationaal Programma Onderwijs. De accountant voert een controle uit het jaarverslag. De Inspectie van het Onderwijs voert hier haar regulier toezicht op uit. Ik zie geen aanleiding om de Inspectie van het Onderwijs een grotere rol te geven bij het monitoren van de betrokkenheid van medezeggenschapsraden bij de inzet van middelen.
De brief van de Republik Maluku Selatan. |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brief die u is toegestuurd door de regering in ballingschap van de Republik Maluku Selatan (RMS), ook wel de Republiek der Zuid-Molukken genoemd, op 12 april 2021?1
Ja.
Heeft u, sinds de toezegging van de Staat in de Haagse rechtbank in 2010, de kwestie omtrent het graf van de in 1966 door Indonesië geëxecuteerde oud-RMS-president Soumokil aan de orde gesteld bij de Indonesische regering?2
Ja.
Indien u deze toezegging bent nagekomen; wanneer, op welke manier en in welke bewoordingen heeft u de kwestie bij de Indonesische regering aan de orde gesteld?
Het Kabinet begrijpt heel goed dat de weduwe en de andere nabestaanden van de heer Soumokil informatie willen over zijn laatste rustplaats, ook voor de verwerking van hun verlies. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de kwestie sinds de toezegging in 2010 meerdere keren aangekaart bij de Indonesische autoriteiten. Dit gebeurde voor het laatst in 2015, toen het ministerie middels een brief aan de Indonesische ambassade in Den Haag om aandacht vroeg voor het verzoek van de weduwe van de heer Soumokil om meer details over de locatie van het graf. Op deze brief is geen reactie ontvangen. Ook eerdere pogingen resulteerden niet in meer duidelijkheid over de omstandigheden van de dood van de heer Soumokil en de locatie van het graf. Daarom acht ik het niet kansrijk om de kwestie nogmaals aan de orde te stellen.
Indien u deze toezegging niet bent nagekomen, waarom bent u niet eerder uw toezegging nagekomen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om alsnog de kwestie omtrent het graf van oud-president Soumokil aan de orde te stellen bij de Indonesische regering? Zo ja, wanneer en op welke wijze?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om te bevorderen dat de RMS-vlag, die bij de beëindiging van de kaping bij De Punt en thans in de collectie van het Mariniersmuseum is opgenomen, aan de RMS-regering wordt teruggegeven?
De bewuste vlag is niet in eigendom van de Staat. Bijgevolg kan de Staat niet besluiten over teruggave. Daar komt bij dat de vlag is ingezet als symbool tijdens een gewelddadige gijzelingsactie en dat Nederland de «Republiek der Zuid-Molukken» niet erkent. Hierom zal het kabinet ook niet bemiddelen in deze kwestie.
Zo ja, kunt u aangeven op welke manier en wanneer u zich hiervoor gaat inspannen? En kunt u dit in afstemming doen met de regering van de RMS?
Zie antwoord vraag 6.
Staat u ervoor open om, op uitnodiging van president Wattilete, in gesprek te treden met de RMS-regering om te spreken over de annexatie van de Republiek der Zuid-Molukken en over de verantwoordelijkheid van de Nederlandse Staat in de totstandkoming van deze annexatie?
De territoriale integriteit van Indonesië staat voor het Kabinet niet ter discussie. Het Koninkrijk der Nederlanden erkent de «Republiek der Zuid-Molukken» niet. Een gesprek tussen mij en de heer Wattilete is derhalve niet aan de orde.