De uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland dat technische lapmiddelen geen oplossing vormen voor de stikstofproblematiek |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland in een beroep van Mobilisation for the Environment en Vereniging Leefmilieu tegen een natuurvergunningbesluit van de provincie Friesland?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de rechter heeft geoordeeld dat de effecten van technische stalaanpassingen op de stikstofuitstoot zo onzeker zijn dat een uitbreiding van het aantal dieren er niet mee te legitimeren is?
Nee. De uitspraak van de rechtbank Noord Nederland van 12 maart 2021 gaat uitsluitend over de diercategorie van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) code A.1.28, niet over de Rav-factoren in het algemeen.
Kunt u bevestigen dat de verkenningen in het kader van de stikstofproblematiek door ABDTOPConsult concluderen dat een forse krimp van het aantal dieren onvermijdelijk is om aan de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn te voldoen?2
In de onafhankelijk uitgevoerde verkenningen van ABDTopconsult wordt inderdaad ingegaan op betekenis van de omvang en reductie van het aantal dieren in relatie tot de stikstofopgave. Een inhoudelijke reactie op de onafhankelijke verkenningen met betrekking tot de stikstofproblematiek is aan het volgende kabinet, evenals de keuzes die al dan niet op basis daarvan worden gemaakt.
Deelt u het inzicht dat het zeer inefficiënt is om boeren zich nu in de schulden te laten steken met dure technieken, om die boerderijen vervolgens mogelijk uit te moeten kopen?
Dat inzicht deel ik. Om die reden zijn de bronmaatregelen voor de landbouw gebalanceerd tussen maatregelen voor stoppers en blijvers. Daarmee wordt voorkomen dat nu geïnvesteerd wordt in bedrijven die later opgekocht moeten worden.
Kunt u bevestigen dat er tot 2030 € 678 miljoen gereserveerd is vanuit het Rijk voor technische lapmiddelen voor de veehouderij, onder andere de totale Subsidie brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv), subsidies voor waterbassins (voor het verdund uitrijden van mest) en voor het verlagen van het ruw eiwitgehalte in veevoer en voor mestverwerking?
In het structurele pakket voor de aanpak van de stikstofproblematiek (Kamerbrief 35 334, nr. 82) is een pakket aan maatregelen voor de landbouw opgenomen, met daarin een balans voor boeren die willen blijven en boeren die gaan stoppen. Deze zijn gericht op zowel de korte als de lange termijn.
Voor de blijvende boeren heeft het kabinet een maatregelpakket opgesteld dat gericht is op innovatie en ondersteuning van eerste investeringen in staltechniek:
Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv), € 280 mln. voor de ondersteuning van boeren bij het doorvoeren van de benodigde stalaanpassingen
Emissiearme mestaanwending, € 105 mln.
Weidegang, € 3 mln.
Omschakelfonds, € 175 mln.
Verlaging ruweiwit in veevoer, € 73 mln. waarvan een deel wordt ingezet voor coaches en advies
Mestverwerking, € 15 mln.
Voor de boeren die willen stoppen zet het kabinet ook in op meerdere maatregelen:
Landelijke beëindigingsregeling (Lbv) bestaande uit twee tranches: een van € 750 mln. en een van € 250 mln.
Gericht opkoop, waarvoor in totaal € 350 mln. beschikbaar is.
Daarnaast heeft het kabinet ook de warme sanering varkenshouderij in het kader van stikstof verhoogd met € 275 mln.
Deelt u het inzicht dat dit weggegooid belastinggeld is, omdat het ten eerste onzeker is dat de natuur er iets mee opschiet en ten tweede omdat de rechter heeft geoordeeld dat dit een onvoldoende basis is voor intern salderen, waardoor boeren er ook niks aan hebben?
Dit inzicht deel ik niet. Het pakket aan natuurmaatregelen en stikstofreducerende maatregelen van de structurele aanpak stikstof bevat een combinatie van maatregen. Elke maatregel leidt ertoe dat depositiereductie wordt gerealiseerd. Dat is zonder voorbehoud gunstig voor de natuur. Boeren en andere initiatiefnemers hebben hier profijt van doordat de mogelijkheden voor toestemmingverlening groter worden als de natuur op orde is gebracht. Bovendien kan een gedeelte van de gerealiseerde reductie via de ontwikkelreserve worden uitgegeven om meldingen en projecten met nationale belangen mogelijk te maken.
Welke gevolgen heeft de genoemde uitspraak voor de beleidsregels betreffende intern en extern salderen en welke gevolgen heeft het voor de stikstofaanpak van het kabinet?
De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland heeft vooralsnog geen gevolgen voor de provinciale beleidsregels intern en extern salderen, en ook niet voor de stikstofaanpak van het kabinet.
Het verwerpelijke Nederlandse stemgedrag in de VN-Mensenrechtenraad |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u verklaren waarom Nederland samen met onvrije landen als China, Pakistan etc. ervoor heeft gezorgd dat er wéér een eenzijdige anti-Israël resolutie is aangenomen in de VN-Mensenrechtenraad?1
Momenteel zijn China en Pakistan, evenals Nederland, lid van de VN-Mensenrechtenraad en kunnen dus ook stemmen over de Palestijnse resoluties. Bij de afweging die Nederland maakt over de eigen stempositie is dit niet relevant. Zoals bekend trekt Nederland nauw op met andere EU lidstaten om gezamenlijk te komen tot verbetering van Palestijnse resolutieteksten en afbouw van agendapunt 7.
Realiseert u zich dat Israël sinds de oprichting van de Mensenrechtenraad (2006) meer dan negentig keer is veroordeeld en notoire mensenrechtenschenders als Pakistan en China NUL keer?
De Nederlandse inzet blijft erop gericht om disproportionele aandacht voor één land binnen de VN tegen te gaan, conform motie van het lid Van der Staaij (Kamerstuk 34 775, nr. 44). Dit laat onverlet dat er ruimte moet zijn om gerechtvaardigde kritiek op het optreden van lidstaten te uiten. In de Mensenrechtenraad zet Nederland zich daarom in voor minder Palestijnse resoluties en voor de afbouw van het speciale agendapunt 7 over Israël, maar blijft het zich wel uitspreken over ernstige schendingen van mensenrechten die het gevolg zijn van het conflict.
Mede door de inzet van Nederland en andere Europese landen, heeft de Palestijnse Autoriteit dit jaar één resolutie minder ingediend en het aantal resoluties dat het indient op het speciale agendapunt 7 gehalveerd ten opzichte van 2018, door samenvoeging van de «Human Rights» en «Accountability» resolutie en indiening onder agendapunt 2. Dat is in lijn met de inzet van het kabinet. De Palestijnse Autoriteit is bereid tot deze aanpassingen vanwege de opstelling van Nederland en de meeste andere EU lidstaten in de onderhandelingen. Indien Nederland en de EU niet zouden onderhandelen met de Palestijnen over deze resoluties zou deze afbouw niet bereikt worden, omdat de Palestijnen kunnen rekenen op een grote mate van steun en de resoluties doorgaans met een grote meerderheid worden aangenomen.
Nederland beoordeelt iedere resolutie op zijn totale inhoud en hanteert daarbij als maatstaf internationaal recht, het regeerakkoord, EU-Raadsconclusies en EU-beleid t.a.v. het MOVP. Zie ook de kamerbrief van 26 november 2019, met kenmerk 23 432, nr. 475.
De Mensenrechtenraad behandelt ook thematische resoluties over bijvoorbeeld vrijheid van religie en levensovertuiging, vrijheid van meningsuiting en vrouwenrechten die het normatief kader voor mensenrechten versterken. Door deze resoluties worden landen als Pakistan en China aangesproken op mensenrechtenschendingen. Ook worden deze landen gevraagd zich te verantwoorden over de mensenrechtensituatie in hun land in de plenaire debatten van de zittingen van de VN-Mensenrechtenraad.
Waarom blijft u meewerken aan deze poppenkast door voortzetting van het zinloze en verwerpelijke stemgedrag dat het hele mensenrechtendebat bij de VN totaal, maar dan ook totaal ongeloofwaardig maakt?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom houdt u zich weer niet aan het verzoek van de Kamer om stelling te nemen tegen VN-lidstaten en organisaties die disproportioneel stelling nemen tegen Israël?2
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de Nederlandse zetel bij de VN-Mensenrechtenraad onmiddellijk op te geven en de financiering te stoppen? Zo nee, welk belang is er dan mee gediend nog langer deel te nemen aan deze wanstaltige praktijken?
Het kabinet zal zich actief blijven inzetten voor de bescherming en bevordering van de mensenrechten wereldwijd. De Mensenrechtenraad is daarbij een belangrijk instrument. Daarom is Nederland lid van de Mensenrechtenraad voor de periode 2020–2022. Het kabinet wil zichzelf niet buiten spel zetten, maar wil juist in gesprek blijven met landen die een andere kijk hebben op mensenrechten, ook in de Mensenrechtenraad.
Het artikel 'Datacenters brengen levering drinkwater Noord-Holland in gevaar' |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Datacenters brengen levering drinkwater Noord-Holland in gevaar, gebruikt koelwater gaat vervuild het milieu in»?1
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat bewoners uit Middenmeer (Hollands Kroon) na de berichtgeving in het Noord-Hollands Dagblad zich zorgen maken of hun drinkwater schoon genoeg is en of er tijdens warme periodes nog wel voldoende drinkwater beschikbaar is?
Ja.
Kunt u aangeven of deze zorgen van bewoners, over onvoldoende drinkwater, maar ook over het gevaar van chemicaliën in drinkwater terecht zijn?
Voor wat betreft de leveringszekerheid heb ik navraag gedaan bij de provincie Noord Holland en het drinkwaterbedrijf PWN. Zij geven aan dat de levering van drinkwater voor koeling (aan onder andere datacenters) relatief klein is: 0,6% van de totale levering in het gehele voorzieningsgebied (650,000 m3/jaar in 2020). PWN heeft daarom aangegeven dat de inwoners van Noord-Holland zich geen zorgen hoeven te maken dat hun drinkwater in gevaar is. Ook niet tijdens een hittegolf. Dit is gecommuniceerd in een nieuwsbericht door PWN2.
Voor wat betreft het gevaar van chemicaliën in drinkwater heb ik navraag gedaan bij de provincie Noord-Holland en het Hoogheemraadschap Hollandsnoorderkwartier (HHNK). HHNK is bevoegd gezag voor de lozing van water. HHNK heeft aangegeven dat er momenteel twee lozingsvergunningen zijn afgegeven aan de twee actieve datacenters in de Wieringermeer. Bij één datacenter wordt niets toegevoegd aan het drinkwater dat voor koeling wordt gebruikt. Bij het andere datacenter wordt zout toegevoegd om het water te ontharden. Het HHNK heeft hierover een bericht op haar website geplaatst.3
Vindt u ook dat bij lozingen van koelwater in drinkwater extra waarborgen moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat het niet schadelijk is voor de mens en de omgeving?
Er wordt geen koelwater in drinkwater geloosd. Drinkwater wordt door datacenters voor koeldoeleinden gebruikt, waarna het wordt geloosd op oppervlaktewater (sloten/vaarten). In geval van de Wieringermeer is bij lozing op watergangen in de Wieringermeer het HHNK bevoegd gezag. Het lozen van het afvalwater afkomstig van de datacenters is vergunningplichtig als bedoeld in 6.2, lid 1 van de Waterwet. Door HHNK zijn vergunningseisen (maximale concentraties in lozingswater) opgelegd waaraan moet worden voldaan om te zorgen dat er geen verslechtering van de waterkwaliteit optreedt ten opzichte van de huidige situatie.
Bent u daarom bereid om de zorgen van bewoners van de gemeente Hollands Kroon serieus te nemen en zodoende onderzoek te doen of er te allen tijde voldoende drinkwater beschikbaar blijft, of er chemicaliën in het drinkwater worden geloosd, en zo ja welke chemicaliën en welke mogelijke risico’s dit kan opleveren?
Ik neem de zorgen van de bewoners van de gemeente Hollands Kroon serieus. Vanuit verschillende trajecten werkt het Rijk samen met regionale overheden, drinkwaterbedrijven, en andere partijen om de leveringszekerheid te garanderen:
Voor wat betreft de lozing van chemicaliën door datacenters, zie ik vooralsnog geen aanleiding voor extra onderzoek.
Kunt u deze conclusies met de Kamer delen, maar ook actief onder de aandacht brengen bij de bewoners van de gemeente Hollands Kroon?
De resultaten van de bovenstaande acties zullen worden gerapporteerd aan uw kamer. Zoals bij vraag 3 aangegeven heeft het drinkwaterbedrijf PWN reeds gereageerd op de berichtgeving rond drinkwatertekorten en heeft HHNK gereageerd op het punt van de lozing.
Wat vindt u van de suggestie van hoogleraar Michiel de Vries dat de wetgeving dient te worden aangepast om ervoor te zorgen dat bij de bouw van de grote datacenters ook een milieueffectrapportage (m.e.r.) nodig is die in ieder geval inzicht dient te geven in het energie en waterverbruik, de aard van de chemicaliën en de gevolgen van de lozing voor het milieu?
De bouw van een datacenter zelf is als activiteit niet mer-plichtig. Maar bij planvorming voor, en bouw van een datacenter zijn verschillende activiteiten mer-(beoordelings)plichtig. Het gaat dan onder andere om het realiseren van een industrieterrein of stedelijk ontwikkelingsproject, het lozen van water, of de aanleg van een hoogspanningsleiding. Als het om ruimtelijke plannen gaat dan kan er ook een plan-mer plicht gelden vanwege een passende beoordeling op basis van de Wet natuurbescherming. Energieverbruik, waterlozingen, aard van de chemicaliën moeten in de mer-beoordeling betrokken worden.
Voor verschillende grote datacenters zijn mer-procedures doorlopen (o.a. Zeewolde, Eemshaven) en zodoende acht ik het niet noodzakelijk om de wetgeving hierop aan te passen.
Naast een m.e.r. voor nieuwe grote datacenter, welke andere maatregelen bent u bereid te nemen rondom bestaande grote datacenters?
Zie het antwoord op vraag 5.
Verder wordt op regionaal niveau door verschillende partijen gewerkt aan beleid om datacenters beter in te passen en aan het bepalen van vestigingsvoorwaarden. Hier worden aspecten als waterverbruik, energieverbruik en ruimtelijke inpassing in meegenomen. De provincie Noord-Holland werkt momenteel aan een provinciale aanvulling op de datacenter strategie van de Metropoolregio Amsterdam.
Het advies van de politie om na intimidatie online onder een andere naam verder te gaan |
|
Jan Paternotte (D66), Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een lokale politicus door de politie werd geadviseerd zijn twitternaam te veranderen nadat hij melding had gemaakt van intimidatie? Kunt u bevestigen of dit het geval is?1
Ja, dit bericht is mij bekend. Een politiemedewerker kan een slachtoffer vertellen wat hij of zij zelf kan doen om een onwenselijke, in potentie bedreigende situatie zo snel mogelijk te beëindigen.
Hoe zou u de actie duiden van de politie om iemand naar aanleiding van intimidatie te adviseren niet langer onder zijn eigen naam zijn mening te uiten online? Welk signaal zou er worden afgegeven aan de daders als dit advies zou worden opgevolgd?
De politie kan een persoon die bedreigd wordt adviseren om iets te doen of na te laten, zodat een onwenselijke en bedreigende situatie voor het slachtoffer snel kan worden beëindigd. Een politiemedewerker kan tot een dergelijk advies besluiten om het slachtoffer te beschermen in afwachting van de resultaten van het opsporingsonderzoek. De veiligheid van het slachtoffer staat voorop. Maar ook in het geval politie en OM van oordeel zijn dat de intimidatie niet strafbaar is, kan de politie het slachtoffer adviseren om bepaalde handelingen al dan niet na te laten. Het is uiteraard aan het slachtoffer zelf om het advies van de politie al dan niet op te volgen.
Deelt u de mening dat de overheid het recht om open en vrij je mening te uiten juist dient te beschermen? Zo ja, hoe strookt dit advies met die constatering?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of dit advies in lijn is met het beleid ten aanzien van aangiften en meldingen van (online) intimidatie? Zo ja, wat is de onderbouwing voor dit beleid? Zo nee, wat kunt u doen om de kennis binnen de politie van omgang met meldingen van (online) intimidatie te vergroten?
Van (strafbare) gedragingen (waaronder (online)bedreiging) kan aangifte worden gedaan of een melding worden gemaakt bij de politie. Het gegeven dat een politiemedewerker een slachtoffer adviseert om zichzelf te beschermen door eigen gedrag aan te passen, staat hier niet aan in de weg. Dit advies wordt gegeven uit de overweging dat de veiligheid van het slachtoffer voorop staat of mogelijkerwijs gevaar loopt.
Het bericht dat de Reddingsbrigade ernstige zorgen heeft over het zomerseizoen |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Begrijpt u de zorgen van de Reddingsbrigade over de ontbrekende mogelijkheden voor lifeguards om zich voor te bereiden op het zomerseizoen vanwege coronamaatregelen?1
Zwemmen en recreëren op en rond het water zijn voor miljoenen Nederlanders belangrijke vormen van beweging en vrije tijd. Zeker gedurende het zomerseizoen waarin mogelijk veel mensen zijn aangewezen op vakantie in eigen land. Dat dit veilig kan is daarbij van groot belang. Lifeguards hebben daar een belangrijke rol in en het is dan ook belangrijk dat zij hier goed op voorbereid zijn. Ik ben de Reddingsbrigade zeer erkentelijk voor het werk dat zij doen.
Wij hebben inmiddels contact gehad met Reddingsbrigade Nederland om toe te lichten op welke wijze zij binnen de huidige geldende maatregelen kunnen trainen, mits ze een opdracht hebben tot het houden van toezicht bij officiële zwemwaterlocaties van de betreffende veiligheidsregio hebben.
Van toepassing op de training en voorbereiding door de Reddingsbrigade zijn:
Deelt u de mening dat het ontzettend belangrijk is dat lifeguards zich kunnen voorbereiden op waterhulpverlening, omdat dit het verschil tussen leven en dood kan betekenen en omdat grote drukte verwacht wordt deze zomer aan de kust en op het binnenwater?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om in gesprek te treden met de Reddingsbrigade en te zorgen voor ontheffingen zodat lifeguards in zwembaden, stranden, plassen en meren kunnen trainen om voorbereid te zijn op het zomerseizoen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht 'Rijksoverheid komt met stikstofvisie mede op basis niet beschikbare ecologische studies' |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht 'rijksoverheid komt met stikstofvisie mede op basis niet beschikbare ecologische studies»?1
Ja.
Klopt het dat de onderbouwing van de genoemde stikstofvisie niet publiekelijk beschikbaar is?
ABDTOPConsult heeft voor de Langetermijnverkenning Stikstofproblematiek gebruik gemaakt van de meest actuele informatie en onderzoeken. In de verkenning wordt onder andere verwezen naar twee studies waarvan de uitgave in voorbereiding is.
Het onderzoek van Van der Burg et al. Is 9 april jl. gepubliceerd. De studie van Wamelink et al. is al eerder in overleg met de Eerste Kamer aan de orde geweest, waarbij toegezegd is deze na afronding dit voorjaar toe te zenden aan de Eerste Kamer en Tweede Kamer. Dit staat vermeld in de verkenning. Publicatie van deze studie is voorzien in mei 2021.
Vindt u het juist dat er verstrekkende conclusies getrokken en gepubliceerd worden op basis van een onderbouwing die niet publiek beschikbaar is?
In de verkenning zijn verwijzingen naar beide studies opgenomen en is aangegeven dat de publicatie in voorbereiding is. Verder geldt dat de verkenning onafhankelijk is uitgevoerd en ABDTOPConsult verantwoordelijk is voor de inhoud en teksten van de verkenning.
Vindt u het vreemd dat er gedacht wordt dat boeren van hun grond getreiterd worden om plaats te maken voor massa-immigratie, de energietransitie en hobbyruimte voor terreinbeherende organisaties, als deugdelijke wetenschappelijke onderbouwing van het stikstofbeleid niet beschikbaar is?
De verkenning schetst op onderbouwde wijze belangrijke aandachtspunten, perspectieven en opties, waarbij de voor- en nadelen in kaart zijn gebracht. Ten aanzien van beleidsopties worden in het rapport geen keuzes voorgeschreven.
Het artikel ‘Zet kinderen niet onder druk met genderkeuze’ |
|
Roelof Bisschop (SGP), Eppo Bruins (CU) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zet kinderen niet onder druk met genderkeuze»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het feitelijke bestaan van variaties in geslachtskenmerken niet mag betekenen dat kinderen in het onderwijs de suggestie meekrijgen dat deze variaties veelvoorkomend zijn en dat zij zelfs zouden kunnen kiezen uit een reeks van geslachten? Vindt u het verantwoord dat Rutgers in de handreiking voor scholen als normatief kader schrijft dat «ontzettend veel variatie in genitalia» bestaat en dat intersekse «geen afwijking» zou zijn, maar «een natuurlijke variatie in geslachtskenmerken»?2
Zoals ook in de handreiking van Rutgers wordt weergegeven, heeft ieder mens een eigen unieke set geslachtskenmerken. Geslachtskenmerken zijn niet alleen de genitaliën, maar ook chromosomen, hormonen of inwendige geslachtsorganen (baarmoeder, hormoonklieren). Intersekse personen worden geboren met geslachtskenmerken die niet (of niet helemaal) voldoen aan de maatschappelijke en medische normen van mannen- en vrouwenlichamen.
Volgens onderzoek komen intersekse variaties bij 1,3% van de geregistreerd mannen en 0,9% van de geregistreerd vrouwen voor, waarbij hun biologische geslachtskenmerken niet passen bij de typische definities voor mannelijke of vrouwelijke lichamen, waaronder leerlingen.3 Zoals gezegd, gaat het bij intersekse over diversiteit in geslachtskenmerken, en niet over genderbeleving, seksuele oriëntatie of een keuze uit een reeks van geslachten.
Wij streven ernaar dat álle leerlingen zich veilig voelen en ook geaccepteerd worden op school, dus ook intersekse leerlingen. Over intersekse is onder de Nederlandse bevolking nog veel onbekendheid.4 Scholen zijn verplicht om een veilig sociaal klimaat te creëren voor alle leerlingen, daarbij staat het scholen uiteraard vrij om wel of niet gebruik te maken van de handreiking van Rutgers.
Hoe is de opvatting van Rutgers dat intersekse een reguliere geslachtelijke variatie zou zijn te verenigen met de gebruikelijke wetenschappelijke aanduiding Disorder of sex development, met het gegeven dat medisch specialisten erkennen dat sprake is van zeldzame uitzonderingen en dat de belangenvereniging DSDNederland spreekt van een aandoening? Hoe is het mogelijk dat Rutgers met overheidssteun kan voorzien in lesaanbod voor scholen, terwijl op wetenschappelijke gronden ernstige bedenkingen te formuleren zijn bij het materiaal dat Rutgers verspreidt?
In medische kringen wordt soms de term DSD «Disorders of Sex Development» gehanteerd. De laatste jaren wordt echter de voorkeur gegeven aan de minder pathologiserende term «Differences in Sex Development» oftewel variaties in geslachtskenmerken. Hieronder worden 40+ variaties in geslachtskenmerken geschaard. DSDNederland gebruikt ook de term Differences of sex development. Het is gebruikelijk dat er in de wetenschappelijke wereld verschillende visies zijn en dat er over vele thema’s wordt gediscussieerd. Dit betekent niet dat kennisinstituten geen aandacht kunnen besteden aan deze thema’s. Vanzelfsprekend dient een kennisinstituut prudent om te gaan met verschillen van inzicht.
Rutgers ontvangt instellingssubsidie voor haar rol als kennisinstituut op het gebied van seksualiteit en seksuele gezondheid. Vanuit die rol zorgt Rutgers er onder meer voor dat wetenschappelijke kennis op het gebied van seksualiteit een seksuele gezondheid voor iedereen beschikbaar is. Het aanbieden van een dergelijke handreiking voor leerkrachten die inzicht geeft in actuele thema’s, zoals intersekse, past bij deze rol. Scholen hebben de vrijheid om zelf te kiezen welke informatiebronnen zij willen gebruiken. Het staat scholen dus vrij om de handreiking van Rutgers te gebruiken of voor andere bronnen te kiezen.
Bent u het ermee eens dat de problematiek van intersekse personen en de zorgvuldige aandacht die zij verdienen niet misbruikt mogen worden om een ideologische visie op het geslacht te promoten in het onderwijs? Vindt u het beeld van het knutselen van een genderkoekje passend bij de fundamentele vragen die voor kinderen aan de orde zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw reactie op het indringende signaal vanuit de genderzorg over de grote stroom kinderen die zich sinds 2013 aanmelden?3 Worden nieuwe onderzoeken gestart om de stijging onder jongeren te verklaren en betrekt u hierbij expertise uit het buitenland? Hoe voorkomt u dat onevenwichtige beeldvorming in het onderwijs bijdraagt aan de stijging van het aantal genderbehandelingen?
Op 4 november 2020 heeft de Minister voor Medische Zaken en Sport uw Kamer geïnformeerd over de Toekomstvisie Transgenderzorg. Voor de beantwoording van uw vragen, verwijzen wij graag naar het verslag van het schriftelijk overleg (VSO) d.d. 4 november 2020 en specifiek het antwoord op de vragen 41 en 62. Vraag 41 gaat over het onderzoeksbudget voor transgender personen en vraag 62 gaat over onderzoek naar de stijging van de zorgvraag onder jongeren. Volledigheidshalve worden beide antwoorden hieronder integraal weergegeven.
Vraag 62 – Genoemde leden maken zich zorgen over de sterke stijging van de zorgvraag. Kan de Minister aangeven wat de achtergronden zijn van deze sterke stijging, met name bij jonge meisjes? Er wordt op enkele plekken in de wereld (Canada, Verenigd Koninkrijk, Scandinavische landen en Nederland) momenteel onderzoek gedaan naar de oorzaken achter deze ontwikkeling. In de toekomstvisie transgenderzorg zegt de kwartiermaker hier het volgende over: In het algemeen worden de volgende verklaringen gegeven voor de toename in het aantal manifeste transgender personen: • De toegankelijkheid en kwaliteit van zorg zijn toegenomen. • Bekendheid en sociale acceptatie zijn toegenomen, mede als gevolg van meer aandacht in de media. • Er is een grotere beschikbaarheid van laagdrempelige informatie via internet, waardoor eerdere onderkenning plaatsvindt. • De publicatie van DSM-5 (Diagnostic & Statistical Manual of Mental Disorders) bracht een bredere diagnose voor genderdysforie voor adolescenten en volwassenen. • In diverse landen zijn de laatste jaren de voorwaarden versoepeld om wettelijke/administratieve geslachtswijziging te kunnen doen. In Nederland was dit in 2014 met de Transgenderwet. De genoemde verklaringen voor de groei van het aantal transgender personen, zijn ook relevante factoren voor de toekomst. De zichtbaarheid van rolmodellen in de media is een moeilijk te voorspellen factor. Ook is moeilijk het effect in te schatten van de huidige bredere maatschappelijke discussie over het flexibiliseren van de klassieke genderrollen. Er komt daardoor enerzijds meer ruimte voor gendervariatie (wat een verhogende uitwerking kan hebben op de zorgvraag), anderzijds zal voor sommigen gelden dat door flexibeler genderrollen het juist makkelijker is om zonder medische ingrepen in de genderrol te leven die men wenst. Het toenemen van maatwerk in de zorg kan een dempend effect hebben op de zorgvraag omdat bepaalde onderdelen van zorg die voorheen een vanzelfsprekend onderdeel waren van een medische transitie minder aangesproken zullen gaan worden. Maatwerk kan ook de vraag naar minder klassieke vormen van zorg doen toenemen, bijvoorbeeld fertiliteitszorg en nazorg. Het is onduidelijk hoe de balans in kwantitatief opzicht zal uitpakken en hoe snel deze ontwikkeling zal gaan. In het Verenigd Koninkrijk en Australië is er onderzoek geweest naar de groei van de zorgvraag bij kinderen en adolescenten op basis van hun aanmeldingen voor zorg en de associatie met media-uitingen in de weken voorafgaand aan de aanmeldingen. Deze studie is onlangs gepubliceerd. Over de tijd is er een forse groei in aanmeldingen te constateren in beide landen. Tevens worden er verschillende associaties gevonden tussen media-uitingen met betrekking tot transgender en gender diversiteit en aanmeldingen in gendercentra in de weken daaropvolgend. Het is nog niet duidelijk of dit ook voor Nederland geldt en wat dit zegt over de zorgvraag van volwassenen.
Voor wat betreft de vraag hoe wij voorkomen dat onevenwichtige beeldvorming in het onderwijs bijdraagt aan de stijging van het aantal genderbehandelingen het volgende.
Het is een positieve zaak dat leerlingen beter geïnformeerd worden doormiddel van voorlichting zodat zij als individu keuzes kunnen maken die bij hen passen en ook hun medeleerlingen leren accepteren. Wij ontvangen geen signalen dat voorlichting op scholen bijdraagt aan de stijging van het aantal genderbehandelingen.
Het bericht dat de startersregeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) pas medio mei open zal gaan |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat er een grote groep ondernemers is die nu al bijna een jaar lang geen euro aan steun zoals TVL en Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) heeft ontvangen vanwege ontbrekende omzet in de referentieperiode terwijl ze al maanden gesloten zijn?
Ja, daar ben ik me van bewust.
Kunt u de situatie van deze ondernemers eens duiden?
Veel ondernemers in Nederland hebben het zwaar in de huidige crisis. Daarom doet het kabinet er alles aan om zoveel mogelijk ondernemers zo goed mogelijk te helpen met het steunpakket. Voor ondernemers die geen gebruik kunnen maken van de NOW en de TVL is de huidige crisis nog moeilijker. Dit geldt soms ook voor ondernemers met ontbrekende omzet in de referentieperiode.
In het onderzoek dat ik op verzoek van uw Kamer heb gedaan1, komt ook naar voren dat deze ondernemers in meerderheid ook niet van andere steunmaatregelen gebruik (kunnen) maken. Hierdoor verslechtert hun liquiditeits- en solvabiliteitspositie in een hoger tempo in vergelijking met ondernemingen die wel gebruik kunnen maken van het steunpakket.
Om ervoor te zorgen dat subsidies snel kunnen worden uitbetaald, is gekozen voor generieke regelingen. Helaas betekent dit ook dat niet alle ondernemingen gebruik kunnen maken van het steun- en herstelpakket. Ik span mij continu in om zoveel mogelijk ondernemingen, zo goed mogelijk te kunnen helpen. Om de ondernemingen in deze moeilijke situatie alsnog te kunnen ondersteunen, heeft het kabinet in januari onder meer aangekondigd ook de startersregeling aan het steun- en herstelpakket toe te voegen2 daarnaast bekijk ik ook mogelijke oplossingen voor andere ondernemingen die door de referentiesystematiek van de TVL geen of geen representatieve subsidie ontvangen3.
Herinnert u zich de toezegging gedaan aan de Kamer dat de speciale TVL-regeling voor ondernemers die zijn ingeschreven tussen 1 oktober 2019 en 30 juni 2020 open zou gaan in april of mei?
Ja, die herinner ik mij.
Deelt u de mening dat gezien het feit dat deze groep nog nul euro aan steun heeft ontvangen, de uitvoering van deze regeling een topprioriteit zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
De uitvoering van alle regelingen en wijzigingen van regelingen in het steunpakket hebben bij mij prioriteit. Er wordt door mijn ministerie en RVO.nl hard gewerkt om alle regelingen en de daarbij komende wijzigingen zo snel mogelijk te effectueren, zodat zoveel mogelijk ondernemers zo snel mogelijk hun tegemoetkoming kunnen ontvangen.
Overigens ontvangt een deel van de ondernemingen uit de doelgroep van de startersregeling wel TVL en NOW. Immers, bedrijven die gestart zijn voor 15 maart 2020 vallen binnen de doelgroep van de TVL en kunnen als zij aan de voorwaarden van de TVL voldoen al TVL aanvragen.
Wat is de reden dat de startersregeling niet begin april open gaat voor deze groep ondernemers die al meer dan een jaar wacht op steun?
Aan het begin van 2021 werd duidelijk dat de lockdown die in december was aangekondigd langer zou duren. Daarmee is ook het steunpakket fors uitgebreid, zoals toegelicht in de Kamerbrief van 21 januari jl.4. Dit heeft tot gevolg gehad dat er een groot aantal wijzigingen aan de bestaande regelingen moet worden doorgevoerd, gedurende de looptijd van de regeling. Dit is buitengewoon complex, vanwege de grote hoeveelheid wijzigingen en de aanpassingen in de systemen die dat vereist. Daarnaast is de startersregeling aangekondigd en ook de extra renteloze leningen via Qredits.5
Het uitwerken, voorbereiden en uitvoeren van al deze wijzigingen en regelingen kost tijd. De uitvoering van de al eerder opengestelde regelingen moet ook op hoge snelheid door blijven gaan. Dit proberen mijn ministerie en RVO.nl zo snel en zo goed mogelijk te realiseren. Daarbij kies ik ervoor om de regeling en de wijzigingen zo uit te voeren dat over het geheel genomen zoveel mogelijk ondernemers, zo snel mogelijk subsidie ontvangen. Ik verwijs u graag naar de voortgangsrapportage die ik op 22 maart jl. naar uw Kamer heb verzonden voor een uitgebreide toelichting op de planning en het proces6. Er zit een grens aan wat mijn ministerie en RVO.nl kunnen leveren. Dat heeft te maken met de complexiteit van de regelingen, zowel in de vormgeving als de uitvoering van de regelingen.
De startersregeling is een extra regeling die naast de TVL komt te staan. Aangezien hierdoor een groep ondernemers zowel voor de TVL als voor de startersregeling in aanmerking kan komen vraagt dit om een goed onderbouwde regeling, die ook de goedkeuring van de Europese Commissie kan verkrijgen.
Wat heeft u gedaan om de uitvoering van deze regeling te versnellen?
Op het ministerie zijn meer mensen vrijgemaakt om aan de opzet van deze en andere regelingen te werken. RVO.nl schaalt continu op wat betreft menskracht en heeft ook voor deze regeling weer speciaal capaciteit vrijgemaakt7. Daarmee is al zoveel mogelijk versnelling gerealiseerd. Het aantrekken van nog meer personeel leidt niet per definitie tot verdere versnelling. Zoals in de beantwoording op vragen over de derde incidentele suppletoire begroting van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat is aangegeven8, vraagt het ontwerpen en programmeren van de regeling om specialistische kennis. Te snelle opschaling van capaciteit kan ook leiden tot fouten in de uitvoering en dat wil ik voorkomen. Ik zoek daarom continu naar de balans tussen snelheid en zorgvuldigheid.
Wat is er nodig om deze regeling eerder open te stellen dan medio mei?
Het is niet mogelijk om de regeling eerder open te stellen dan medio mei. De regeling is eerst ontworpen en vervolgens dient deze aan de Europese Commissie te worden voorgelegd. Het ontwerpen van een regeling kost tijd, aangezien het om een gedeeltelijk nieuwe en gedeeltelijk overlappende doelgroep gaat en daarmee de TVL niet één op één gekopieerd kan worden, ook al zal de regeling grote gelijkenissen hebben met de TVL.
Naast het ontwerpen van de regeling, dienen ook de systemen voor de uitvoering van de regeling gebouwd te worden. Dit kan pas op het moment dat er een duidelijk beeld is hoe de regeling vorm krijgt.
Daarnaast, zoals bij antwoord 5 aangegeven, zijn er veel wijzigingen en nieuwe regelingen tegelijk aangekondigd. Dit betekent niet dat alles ook tegelijk ontworpen, geïmplementeerd en uitgevoerd kan worden. Zie hiervoor ook de Voortgangsrapportage TVL die ik u recent heb toegestuurd9. Ik probeer zoveel mogelijk tegelijk uit te voeren en te versnellen, maar er zitten grenzen aan de specialistische capaciteit van mijn ministerie en van de uitvoering bij RVO.nl. Zoals ik ook in mijn antwoord op vraag 6 heb aangegeven, leidt meer capaciteit niet altijd tot versnelling.
Klopt het dat er nog geen pre-notificatie naar de Europese Commissie is verstuurd voor deze startersregeling? Wat is hier de reden van?
De pre-notificatie is 25 maart jl. aan de Europese Commissie verzonden.
Wat is de reden dat de startersregeling niet het vierde kwartaal van 2020 gaat vergoeden? Bent u voornemens om dit toch wel te doen? Zo nee, waarom niet?
De doelgroep van de startersregeling overlapt deels met de doelgroep van de reguliere TVL, namelijk de ondernemingen gestart vanaf 1 oktober 2019 tot en met 15 maart 2020. Een significante groep van die ondernemingen ontvangt reeds TVL. Met het uitbreiden van de doelgroep van de startersregeling naar ondernemingen gestart vanaf 1 oktober 2019, in plaats van de door het kabinet voorgestelde datum van 1 januari 2020, is de groep die uit beide regelingen subsidie zal ontvangen al vergroot. Daarmee is ook de groep die dubbel subsidie voor de vaste lasten gaat ontvangen ook significant groter geworden. In Q4 gaat dat om 2596 bedrijven die € 34 miljoen subsidie hebben ontvangen.
Ik vind het vergoeden van het vierde kwartaal van 2020, waarbij nog een keer al deze ondernemingen dubbele subsidie zouden ontvangen, niet verdedigbaar ten opzichte van andere ondernemingen, die slechts van één van de regelingen gebruik kunnen maken. Daarom ben ik ook niet voornemens de startersregeling ook het vierde kwartaal te laten vergoeden.
Heeft u juridisch advies ingewonnen over het besluit om het vierde kwartaal van 2020 voor startende ondernemers niet te vergoeden? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog te doen? Zo ja, hoe verhoudt deze beslissing zich tot het gelijkheidsbeginsel waarbij de overheid ernaar moet streven om gelijke gevallen zo veel als mogelijk gelijk te behandelen?
Op mijn ministerie is de mogelijkheid om het vierde kwartaal van 2020 ook aan de startersregeling toe te voegen onderzocht. Echter, zoals ik in mijn antwoord op vraag 9 aangaf, ontstaat er dan een grote overlap met de TVL. Dat is onwenselijk.
Met het steun- en herstelpakket en alle aanvullingen en wijzigingen die in de TVL zijn gedaan de afgelopen periode, probeert het kabinet zoveel mogelijk ondernemingen te ondersteunen in deze crisis. Echter, de grote hoeveelheid aanvragen en de snelheid waarmee de subsidie dient te worden uitgekeerd vragen om regelingen met een generiek karakter. Daarmee worden helaas niet altijd alle ondernemers geholpen en zullen er dus altijd ondernemingen blijven die niet of niet voldoende door de steunmaatregelen geholpen kunnen worden. Aan de andere kant zullen er ook ondernemingen zijn die meer subsidie ontvangen dan wenselijk. Alhoewel de eerste prioriteit van het kabinet is dat ondernemingen zo veel mogelijk geholpen worden, moet hier ook een balans in gevonden worden om te voorkomen dat ondernemingen in grote mate bevoordeeld worden ten opzichte van andere ondernemingen, mede om de rechtsgelijkheid zo goed mogelijk te borgen.
Kun u aangeven welk perspectief er kan worden geboden aan ondernemers die onder de startersregeling vallen, maar die nog geen geld hebben ontvangen?
Het kabinet doet haar uiterste best om alle ondernemers zo goed mogelijk te ondersteunen in deze crisis en daarbij ondernemers perspectief te kunnen bieden. Voor ondernemers die geen aanspraak kunnen maken op steun is het een moeilijke situatie. Het kabinet werkt echter aan zowel de startersregeling als een extra faciliteit via Qredits om startende ondernemers liquiditeit te bieden. Daarnaast krijgen veel ondernemers gestart tussen 1 oktober 2019 en 15 maart 2020 al subsidie uit de TVL, zoals ik in mijn antwoord op vraag 9 heb toegelicht.
In de stand van zaken brief van 23 maart jl. staat een uitgebreide toelichting op het perspectief dat het kabinet voor ogen heeft voor de komende maanden10. Daar geeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport onder meer aan te verwachten dat in mei de piek van de derde golf achter ons ligt. Het kabinet zet ook in op het grootschalig inzetten van toegangstesten om weer meer mogelijk te maken. Hier zullen ook veel ondernemers van gaan profiteren.
Tot slot werkt het kabinet ook aan een brief over het economisch herstelbeleid, welke in het tweede kwartaal naar uw Kamer zal worden verzonden11.
Kunt u deze vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Kunt u deze vragen voor 1 april 2021 beantwoorden?
Nee.
Het bericht dat Amsterdam een bouwstop doorvoert in belangrijke groeigebieden. |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bouwstop belangrijke groeigebieden Amsterdam»?1
Ja, dit is mij bekend.
Deelt u de mening dat de bouw niet moet worden stilgelegd, maar juist omhoog moet om het woningtekort aan te pakken?
Van de gemeente Amsterdam begrijp ik dat er op dit moment terughoudend wordt omgegaan met nieuwe initiatieven. Er is dan ook geen sprake van dat al bekende woningbouwprojecten worden gestopt. Door projecten in de tijd te faseren kan er een continue bouwstroom worden gecreëerd.
Hoeveel woningen worden naar verwachting niet gebouwd door de aangekondigde bouwstop?
De vermindering van het aantal nieuwe initiatieven heeft geen invloed op projecten die in de plancapaciteit zijn opgenomen van de Metropoolregio Amsterdam en waaraan ook al gewerkt wordt. Zowel de gemeente Amsterdam als de Metropoolregio hebben aangegeven de hoge ambities ten aanzien van de bouwproductie en het uitvoeren van voorgenomen plannen voort te zetten.
Wat is het gevolg van de aangekondigde bouwstop voor de plancapaciteit in de metropoolregio Amsterdam? In hoeverre slaan deze gevolgen neer in de periode tot 2025 en in hoeverre in de periode tot 2030?
Het woningtekort in Nederland is groot, ook in de Metropoolregio Amsterdam. De urgentie om voldoende projecten en woningen te kunnen realiseren zie ik terug in mijn gesprekken ook in de metropoolregio. De beschikbare plancapaciteit zachte en harde bouwplannen binnen de Metropoolregio is ruim voldoende ten opzichte van de netto bouwopgave.
Klopt het dat de metropoolregio Amsterdam in 2020 het grootste berekende woningtekort had? Wat is het actuele woningtekort in de metropoolregio Amsterdam
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 aangegeven worden er geen lopende projecten geraakt door het besluit van de gemeente Amsterdam. De afspraken die ik heb gemaakt met de gemeente en Metropoolregio Amsterdam zijn uitgangspunt voor de uitvoering.
Welke al lopende projecten worden door de bouwstop geraakt? Hoeveel woningen zouden in die projecten worden gebouwd?
Voor zover mij bekend worden er geen statistieken bijgehouden van grondprijzen die gemeenten hanteren. In het grondprijsbeleid van gemeenten wordt over het algemeen wel aangegeven welke methodieken worden gehanteerd voor het bepalen van de grondprijs. Het gaat dan meestal om de (genormeerde) residuele methode, comparatieve methode en/of de taxatiemethode. Dit blijkt uit de benchmark die de Stec Groep2 heeft uitgevoerd.
De hoogte van de grondprijzen is niet openbaar. Grondprijzen worden per locatie bepaald en zijn dikwijls een uitkomst van een onderhandeling met een marktpartij. Openbaar maken van de grondprijs zou de onderhandelingspositie van de gemeente kunnen schaden. De gemeente is bij het overeenkomen van een grondprijs overigens gehouden aan de staatssteunregels. Als een gemeente wel inzicht geeft in de hoogte van de grondprijs gaat het over het algemeen over een indicatie of bandbreedte van de gehanteerde grondprijzen in de gemeente of om vaste prijzen, bijvoorbeeld voor sociale woningbouw.
In de gemeente Amsterdam worden de grondprijzen in de regel residueel bepaald. De grondwaarde is het resultaat van het verschil tussen de opbrengsten en de (her)bouwkosten. De stijgende marktwaarden hebben een sterke invloed op de grondprijzen. Daarbij zijn verschillen zichtbaar tussen de stadsdelen.
Hoe hebben de grondprijzen voor woningbouw zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld in Amsterdam en in heel Nederland?
Het klopt dat de gemeente Amsterdam voor de projecten Sloterdijk I-Zuid (3713 woningen) en IJburg fase 2 (4147 woningen) een bijdrage uit de Woningbouwimpuls heeft ontvangen. Bij de schriftelijke beantwoording van de Kamervragen over het artikel «woningbouwimpuls zorgt voor bijna 45.000 nieuwbouwwoningen»3 en de aangenomen motie-Koerhuis c.s. heb ik u hierover geïnformeerd. De bijdrage voor de locatie Sloterdijk I-Zuid bedraagt € 13.121.137 en voor IJburg 2e fase een bedrag van € 19.783.795.
Klopt het dat Amsterdam sinds 2020 een bijdrage voor ruim 7.800 woningen heeft gekregen uit de Woningbouwimpuls? Welk projecten betrof dit precies en welk bedrag was hiermee gemoeid?
Het besluit van de gemeente Amsterdam betreft geen lopende projecten. Dat geldt ook voor de hiervoor genoemde projecten waarvoor een Rijksbijdrage is toegekend.
Welke gevolgen heeft de bouwstop van Amsterdam voor de investeringen waar het Rijk mede aan heeft bijgedragen?
De afspraken die in de Woondeal zijn gemaakt vormen het uitgangspunt voor de woningbouwopgave in Metropoolregio. De aangekondigde bouwstop heeft geen invloed op de lopende projecten en met name de projecten die in het kader van versnelling van de woningbouwopgave plaatsvinden.
Hoe verhoudt de aangekondigde bouwstop zich tot de afspraken die u met de metropoolregio Amsterdam heeft gemaakt in de woondeal?
In mijn gesprekken in de regio en met provincies benadruk ik de woningbouwopgave waar we met zijn allen voor staan. Dat betekent dat er ruim voldoende plancapaciteit beschikbaar moet zijn en dat ik in gesprek ga over het wegnemen van eventuele knelpunten die do voortgang van de bouw in de weg staan. Bij deze gesprekken is ook de gemeente Amsterdam aanwezig. Daarom is een gesprek met de gemeente Amsterdam naar aanleiding van het bericht op dit moment niet nodig.
Heeft u overleg met Amsterdam om te voorkomen dat de problemen op de woningmarkt worden verergerd door een bouwstop? Wat zijn hiervan de uitkomsten?
Het bericht 'Durfinvesteerders zien brood in tieners met lichte psychische klachten, zwaardere patiënten belanden op wachtlijst' |
|
Lisa Westerveld (GL), Attje Kuiken (PvdA), Maarten Hijink (SP) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Durfinvesteerders zien brood in tieners met lichte psychische klachten, zwaardere patiënten belanden op wachtlijst»?1
Ja.
Welke concrete veranderingen heeft u tot stand gebracht in de afgelopen periode, waarin u meermaals constateerde dat de geestelijke gezondheidszorg verziekt is door marktwerking?
Zorggeld moet effectief, doelmatig en rechtmatig worden besteed. Een zorgaanbieder moet een positief resultaat kunnen behalen. Dat is nodig om als organisatie gezond te blijven en is in het belang van de continuïteit van zorg voor de patiënten en cliënten. Tegelijkertijd is er in de zorg geen plaats zijn voor zelfverrijking. Het is van belang dat er goede afspraken worden gemaakt over tarieven en eventuele winstuitkeringen door de gemeenten met hun te contracteren aanbieders. Het is belangrijk dat gemeenten weloverwogen de keuze maken welke aanbieders ze contracteren voor welke zorgvormen én onder welke voorwaarden zij dit doen. Het programma «Inkoop en Aanbesteden Sociaal domein» kan gemeenten ondersteunen bij het vormgeven van hun inkoop. Het biedt ook ondersteuning aan gemeenten bij het bepalen van hun tarifering.
Daarnaast wordt gewerkt aan het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz).2 Dit betreft onder andere wetgeving op grond waarvan voorwaarden kunnen worden gesteld aan winstuitkering, als zich excessen voordoen en het noodzakelijk is die tegen te gaan. De Wibz bouwt als aanpassingswet voort op de aanpassingswet Wet toetreding zorgaanbieders ((a)Wtza). Ik ben voornemens de maatregelen die worden voorbereid in het kader van de Wibz ook te laten gelden voor aanbieders in de jeugdzorgsector. Dit sluit aan bij de motie Kuiken en Peters3 waarin wordt gevraagd om te onderzoeken welke maatregelen kunnen worden genomen om excessieve winstuitkering tegen te gaan.
Onlangs heeft u het rapport «Normering winstuitkering zorg» ontvangen als bijlage bij de voorgangsbrief over de aanpassingswet Wet toetreding zorgaanbieders ((a)Wtza) en de Wibz4. De uitkomsten van dit onderzoek worden betrokken bij de verdere uitwerking van de Wibz.
Bent u van mening dat het acceptabel is dat er «geleurd» moet worden met suïcidale tieners omdat zij voor het systeem te duur zijn om te helpen? Zo nee, welke directe conclusie verbindt u daaraan?
Het is niet acceptabel dat jongeren met suïcidale gedachten niet geholpen worden. Hulp moet tijdig ingezet worden voor kinderen en jongeren die dit nodig hebben. Gemeenten hebben de plicht om jeugdhulp en ondersteuning te bieden en zijn verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van jeugdhulp. Ook hebben gemeenten vanuit de Jeugdwet de verplichting om hun gecontracteerde aanbieders een reële prijs te betalen. Het eerder genoemde programma «Inkoop en Aanbesteden Sociaal domein» kan gemeenten ondersteunen bij het vormgeven van hun inkoop. Het biedt hierbij ook ondersteuning t.a.v. de vraag op welke wijze gemeenten in hun tarifering onderscheid kunnen maken in meer lichte en zwaardere zorg.
Daarnaast werk ik aan een AMvB «reële prijzen Jeugdwet». Deze AMvB moet gemeenten helpen om tot een reële prijs te komen en nadere invulling geven aan hun verplichting om te voorzien in reële prijzen.
Naast reële prijzen voor aanbieders is het belangrijk dat weinig-voorkomende specialistische zorg voldoende beschikbaar is. Dit willen we realiseren door de maatregelen die worden voorgesteld in het wetsvoorstel «Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen». Dit wetsvoorstel heeft als doel om de beschikbaarheid van zorg voor de meest kwetsbare jeugdigen te borgen. Eén van de voorgestelde maatregelen is de verplichte regionale samenwerking en bovenregionale afstemming van gemeenten ten aanzien van (de inkoop van) bepaalde weinig voorkomende specialistische zorgvormen. Door regionale samenwerking komen gemeenten beter in positie om te sturen op het gecontracteerde zorgaanbod, met als doel het realiseren van een sluitend zorglandschap in de regio en het borgen van de beschikbaarheid van specialistische zorg voor jeugdigen. Tevens wordt in het wetsvoorstel een aantal vereisten met betrekking tot intern toezicht, transparante financiële bedrijfsvoering en de openbare jaarverantwoording wettelijk verankerd, waardoor financiële problemen bij jeugdzorginstellingen vroegtijdig worden gesignaleerd. Dit draagt bij aan het verminderen van de continuïteitsproblematiek, waardoor de beschikbaarheid van zorg voor jeugdigen beter wordt geborgd.
In hoeverre kunnen gemeenten eisen stellen over maximale winsten bij zorgaanbieders?
Gemeenten zijn in het kader van de Jeugdwet verantwoordelijk voor het formuleren van kwaliteitscriteria en het contracteren van aanbieders die doelmatige en veilige jeugdhulp kunnen bieden. Gemeenten kunnen als inkopende partij in hun contractering en zelfs in verordeningen randvoorwaarden en harde criteria opnemen om winsten te beperken of om op z’n minst zicht te hebben op het feit dat er winsten worden gemaakt. Het is belangrijk dat gemeenten weloverwogen de keuze maken welke aanbieders ze contracteren voor welke zorgvormen én onder welke voorwaarden zij dit doen. Een voorbeeld hiervan is Den Bosch. Zij hebben er voor gekozen om in de nieuwe contractronde voor contracten per 2022 op te nemen dat er een maximum winstpercentage van 5% is toegestaan voor aanbieders.
Bij de contractering van een aanbieder en de levering van de jeugdhulp is het aan de gemeente om te beoordelen of deze voldoet aan de lokaal vastgestelde kwaliteitseisen en of deze doelmatig en veilig geboden wordt. Dit vraagt van gemeenten goed opdrachtgeverschap in de vorm van contractbeheer of contractmanagement inclusief een beoordeling van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitgaven, ook gedurende de looptijd van het contract.
Is het volgens u wenselijk dat Nederlandse ggz-aanbieders verdienmodellen hebben die blijkbaar aantrekkelijk zijn voor buitenlandse investeerders? In hoeverre is dit juridisch houdbaar? Komt dit de zorg voor kwetsbare jongeren ten goede?
Zoals eerder genoemd vind ik dat geld voor zorg niet bedoeld is voor zelfverrijking. Een zorgaanbieder moet wel een positief resultaat kunnen behalen. Dat is nodig om als organisatie gezond te blijven en is in het belang van de continuïteit van zorg voor patiënten en cliënten. Daarom is het belangrijk dat er goede afspraken over tarieven en eventueel winstuitkeringen worden gemaakt door de gemeenten met hun te contracteren aanbieders. Zorginstellingen moeten, ongeacht het eigenaarschap, zich houden aan de wet- en regelgeving, bijvoorbeeld op het gebied van kwaliteit. Zie ook de beantwoording van vraag 2.
Zijn er meer van dit soort investeringsmaatschappijen actief in de jeugdzorg? Zo ja, hoeveel en hoeveel zorg verlenen zij?
Ik heb geen overzicht van eigenaren van instellingen in de jeugd-ggz. Ik heb hierover navraag gedaan bij branchevereniging van investeringsmaatschappijen, de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP). De NVP vertegenwoordigt circa 90% van het door participatiemaatschappijen beheerde vermogen in Nederland. Op basis van een inventarisatie onder haar leden laat de NVP weten dat het aantal Nederlandse participatiemaatschappijen dat investeert in aanbieders van jeugd-ggz en andere onderdelen van de jeugdzorg, beperkt is. Naar schatting van de NVP hebben vijf tot zeven investeringsmaatschappijen nu geïnvesteerd in twee tot vier zorgaanbieders in de jeugdzorg.
Bent u bereid zich hierbij uit te spreken richting de directeur van deze onderneming, en in het algemeen, dat deze werkwijze niet bijdraagt aan het verkorten van wachtlijsten «door samenwerking met traditionele ggz»?
De directeur van de betreffende organisatie heeft mij laten weten zich niet te herkennen in het beeld dat geschetst wordt door het artikel. Ten aanzien van het verkorten van wachtlijsten heeft hij aangegeven dat de organisatie actief is in regionale samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld aan de transfertafels, om gezamenlijk met andere aanbieders te zoeken naar regionale oplossingen voor wachtlijsten.
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar sprake geweest van buitenlandse investeringen in Nederlandse (jeugd)-ggz instellingen? Heeft u zicht op welke instellingen het betreft en de effecten die dit gehad heeft?
Ik heb geen overzicht van alle investeringen die in de (jeugd-)ggz worden gedaan. Concentraties (waaronder fusies en overnames) in de zin van de Mededingingswet moeten bij de NZa gemeld worden voor de zorgspecifieke fusietoets. De verplichting een concentratie bij de NZa te melden geldt voor een zorgaanbieder die in de regel met minstens vijftig personen zorg verleent. De NZa heeft aangegeven de afgelopen vijf jaar geen soortgelijke overnames te hebben beoordeeld waarbij een buitenlandse investeerder een (jeugd) ggz-instelling overneemt. Wel heeft Orpea SA, een Franse investeerder die actief is op het gebied van intramurale zorg in Europa (waaronder Nederland), via haar indirecte Nederlandse dochterondernemingen een enkele keer een ggz-instelling overgenomen. Orpea SA is door middel van haar indirecte Nederlandse dochterondernemingen al langer actief op de Nederlandse zorgmarkt.
Wat gaat u, met gepaste urgentie, doen om zo voortvarend mogelijk in te grijpen in dit systeem dat wat betreft de stellers van deze vragen vooral is geënt op marktwerking en zich meer bezighoudt met het tevreden houden van investeerders en aandeelhouders dan met het bieden van de beste zorg voor kwetsbare jongeren?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht 'Faillissement van BOPEC kost overheid Bonaire € 300.000' |
|
Attje Kuiken (PvdA), Antje Diertens (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Faillissement van BOPEC kost overheid Bonaire € 300.000» van 21 maart 2021?1
Ja.
Is het u bekend of er overleg heeft plaatsgevonden tussen de curator en de vakbonden over de werknemers die in dienst blijven als «skeleton crew» om de potentiële veiligheidsrisico’s beheersbaar te houden? Is het naar uw mening wenselijk dat vakbonden betrokken worden bij de wijze waarop door de curator is besloten het personeel in zetten? Zo nee, waarom niet?
Ja, op voordracht van de Gezaghebber van Bonaire heeft er overleg tussen de curator, de general manager van Bopec en de vakbonden plaatsgevonden over de samenstelling van de zogenaamde «skeleton crew». De vakbonden hebben daarbij een lijst met 23 namen bij de curator aangeleverd. Over deze lijst is, nadat enkele aanpassingen waren doorgevoerd, op 15 maart 2021 overeenstemming bereikt met de vakbonden, de general manager van Bopec en de (toenmalige) bewindvoerder, ILT en RWS zijn hiermee in eerste instantie ook akkoord gegaan. Kort daarna bleken echter meerdere door de vakbonden aangedragen medewerkers op de lijst te staan die om verschillende redenen niet meer beschikbaar waren. Vanwege de feitelijke onuitvoerbaarheid van dit akkoord, heeft de curator vervolgens met de general manager van BOPEC en in afstemming met ILT en RWS een nieuwe gezamenlijke lijst vastgesteld waarop alleen medewerkers staan met de vereiste ervaring en kwalificaties waarvan vaststond dat zij ook daadwerkelijk beschikbaar en inzetbaar waren.
Wie is verantwoordelijk voor de selectie van het personeel dat in dienst blijft om de potentiële veiligheidsrisico’s beheersbaar te houden? Wie is verantwoordelijk voor de kwalificaties van het personeel dat verantwoordelijk is voor het beheersbaar houden van de potentiële risico’s?
Bij surseance van betaling dan wel faillissement is de bewindvoerder/curator primair verantwoordelijk voor de selectie en de kwalificaties van de medewerkers die deel uit maken van de skeleton crew. De bewindvoerder/curator heeft zijn beslissing genomen op voordracht van de general manager van BOPEC en na akkoord door de toezichthouders ILT en RWS. De rechter-commissaris in het faillissement van Bopec heeft ook de vereiste toestemming verleend aan de curator voor het voortzetten van de onderneming van Bopec in afgeslankte vorm, waarbij het de curator door de rechter-commissaris is toegestaan voornoemde werknemers van de nieuwe lijst in dienst te houden.
Is het juist dat er een getekend akkoord ligt tussen de vakbonden, de bewindvoerder en de BOPEC-directie als een van de voorwaarden voor het verlenen van een eventueel boedelkrediet? Zo ja, op welke wijze is dit akkoord nu betrokken bij de afwikkeling?
Zie antwoord vraag 2. Er lag op 15 maart 2021 een getekend akkoord tussen de bewindvoerder, de general manager van Bopec en de vakbonden. Dat akkoord is echter komen te vervallen nadat was gebleken dat dit onuitvoerbaar was doordat verschillende personeelsleden niet meer beschikbaar waren. Genoemd akkoord was overigens geen voorwaarde voor het verlenen van de bijdrage.
Bij wie ligt de verantwoordelijkheid voor de potentiële veiligheidsrisico’s in het geval van een private onderneming? En waarom?
De verantwoordelijkheid voor veiligheidsrisico’s ligt te allen tijde bij de vergunninghouder, in dit geval BOPEC. Na het uitspreken van het faillissement is deze verantwoordelijkheid overgegaan op de curator. ILT en RWS houden toezicht op de naleving van de vergunningvoorschriften.
Is het mogelijk dat het kabinetsbeleid (indirect) heeft bijgedragen aan het uiteindelijke faillissement van BOPEC? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen treft u om de gevolgen van het faillissement op te vangen?
Sinds medio 2019 liggen alle commerciële activiteiten van BOPEC stil als gevolg van onder andere internationale sancties tegen het moederbedrijf van BOPEC, Petróleos de Venezuela, S.A. (PdVSA). De ernstige financiële problemen bij Bopec spelen al langer en hebben ook al voor medio 2019 geleid tot ernstig achterstallig onderhoud. Daardoor moest BOPEC steeds meer opslagtanks buiten gebruik stellen en is in 2019 een verbod opgelegd voor het gebruik van beide steigers. De op 9 maart 2021 verleende surseance van betaling en het op 18 maart 2021 uitgesproken faillissement van BOPEC zijn uiteindelijk veroorzaakt door een ernstig tekort aan liquide middelen en het daardoor niet meer betalen van het personeel en een reeks aan andere (preferente) schuldeisers en was geen gevolg van kabinetsbeleid.
Is overwogen om vanuit de rijksoverheid een regeling te treffen voor de loondoorbetaling van het personeel dat ingezet wordt om de potentiële veiligheidsrisico’s te beheersen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom eist men dan nu van het Openbaar Lichaam Bonaire (OLB) een boedelkrediet?
Op 9 maart 2021 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba voorlopige surseance van betaling verleend aan BOPEC. BOPEC is vervolgens op 18 maart 2021 failliet verklaard. De curator is belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel van het bedrijf. Nadat in eerste instantie door de bewindvoerder, later de curator, was geconstateerd dat BOPEC niet over liquide middelen beschikte om de hoogstnoodzakelijk operationele kosten te betalen heeft de bewindvoerder op 11 maart 2021 een verzoek om een bijdrage bij het Openbaar Lichaam Bonaire ingediend. Het OLB heeft inmiddels een bijdrage van 250.000 dollar toegezegd. Deze bijdrage wordt in twee tranches uitgekeerd; de eerste tranche van USD 125.000 is reeds uitbetaald. De skeleton crew, het personeel dat wordt ingezet om de veiligheidsrisico’s te beheersen, wordt door de curator betaald uit de bijdrage. De bijdrage heeft binnen het faillissement een preferente status als boedelschuld en zal naar verwachting van de curator volledig worden terugbetaald aan het OLB.
Zijn er andere alternatieve regelingen overwogen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
BOPEC heeft op 8 maart 2021 zelf een verzoek tot surseance van betaling bij het gerecht ingediend en deze surseance van betaling is op 9 maart 2021 door het gerecht verleend.
Na constatering door de bewindvoerder dat Bopec geen voldoende beschikbare liquiditeit had om aan haar lopende verplichtingen te kunnen voldoen, is op verzoek van de bewindvoerder de voorlopige surseance van betaling ingetrokken en is BOPEC door het gerecht in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is op 18 maart 2021 door het gerecht uitgesproken.
Bent u bereid om de haalbaarheid van een doorstart te onderzoeken, bijvoorbeeld in de vorm van een participatiebedrijf waarin zowel de rijksoverheid als het OLB deelnemen? Zo ja, op welke termijn gaat u dit onderzoek starten? Zo nee, waarom niet?
De curator heeft de mogelijkheden van een doorstart van BOPEC in onderzoek.
In hoeverre is het verzoek van de curator tot het verstrekken van een boedelkrediet door het Bestuurscollege strijdig (of in overeenstemming) met de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in het bijzonder met artikel 11?
De Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet FinBES) staat de inzet door het OLB van de post onvoorzien voor de operationele en boedelkosten van BOPEC, zoals genoemd in artikel 13, niet in de weg. Deze post is immers een voorziening voor het doen van noodzakelijke uitgaven die niet op de oorspronkelijke begroting waren geraamd. Het OLB heeft besloten om een bijdrage te verstrekken, gelet op de acute situatie en het belang van de openbare orde en veiligheid, waarbij beoogd is dat de middelen vanuit de boedel op een later moment terugvloeien. Daarbij geldt dat, ingeval in de toekomst nog andere uitgaven voor BOPEC nodig zullen zijn, de geëigende weg het specifiek opnemen van deze uitgaven in de begroting is. Dit dient plaats te vinden via een begrotingswijziging waarmee de eilandsraad heeft ingestemd.
De intimidatie van historicus Nadia Bouras |
|
Jan Paternotte (D66), Kees Verhoeven (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Historicus Nadia Bouras thuis bedreigd: «Locatie in de gaten gehouden»?1
Ja.
Hoe duidt u het gegeven dat de anonieme organisatie Vizier op Links stickers verstrekt waarop wordt vermeld dat locaties geobserveerd worden en dat men tips kan doorgeven om «zicht te krijgen op linkse activisten»?
Ik vind deze gedragingen intimiderend en onwenselijk. Ik doe verder geen uitspraken over individuele gevallen. De noodzaak tot interventies en de interventiemogelijkheden hangen sterk af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat wetenschappers, journalisten, politici en andere mensen die publiekelijk hun mening uiten op deze manier geïntimideerd worden? Welke mogelijkheden ziet u om deze vorm van intimidatie een halt toe te roepen?
Ja. De vrijheid van meningsuiting is een bijzonder groot goed. Het staat buiten kijf dat eenieder zonder belemmeringen zijn of haar standpunten – al dan niet publiekelijk – zou moeten kunnen uitdragen, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet. Agressie en intimidatie zijn daarom volstrekt onaanvaardbaar.
Voor politici in het bijzonder is het cruciaal dat zij onbevangen kunnen deelnemen aan het publieke debat. Wanneer de spelregels van het publieke debat met voeten getreden worden door middel van intimidatie is dit onacceptabel.
Met betrekking tot het decentrale openbaar bestuur vervult het Netwerk Weerbaar Bestuur onder leiding van het Ministerie van BZK een rol om de weerbaarheid te versterken en steun na incidenten te bieden. Het netwerk biedt onder anderen handvatten aan om duidelijke grenzen te stellen en bij grensoverschrijding steun in te schakelen waardoor kwaadwillenden niet het beoogde effect bereiken. Aan de hand van bijvoorbeeld woningscans, trainingen, normstelling, agressieprotocollen en persoonlijke bijstand worden decentrale politici en hun organisaties concreet ondersteund.
Herkent u het beeld dat slachtoffers op basis van de huidige wetgeving weinig mogelijkheden hebben om juridische stappen te zetten? Herinnert u zich de antwoorden die u op 11 januari 2021 gaf op Kamervragen over het fenomeen doxing, waarin u aangeeft dat de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de aanpak van internetpesten van toepassing zijn, en dat u een separate aanpak niet nodig acht? Herinnert u zich tevens de uitspraak tijdens het notaoverleg politie op 3 februari 2021, waarin u stelt dat doxing een dusdanig ernstig fenomeen is dat een separate aanpak wellicht toch nodig is? Ziet u op basis van die conclusie en de dreiging veroorzaakt door Vizier op Links nu wel de urgentie in van een specifieke aanpak van doxing?2 3
De politie heeft naar aanleiding van diverse incidenten met burgers die persoonsgegevens van politieambtenaren op internet plaatsten om hen ondemocratisch of onrechtmatig te beïnvloeden een handelingskader doxing opgesteld. De politie heeft aangegeven graag vroegtijdiger tegen dit soort praktijken te willen optreden en heeft mij verzocht te verkennen of strafbaarstelling van kale doxing een oplossing zou kunnen bieden. Ik ga dit onderzoeken in samenhang met het beleidskader internetpesten dat is ontwikkeld en waarvan de verschillende stappen momenteel worden uitgevoerd.
Erkent u dat de huidige werking van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel onvoldoende bescherming biedt tegen dit soort misbruik van adresgegevens, zoals uitgesproken door de Kamer in de motie van het lid Verhoeven c.s. over geen privéadressen verstrekken van ingeschrevenen die aangeven dat niet te willen? Hoe staat het met de aanpassing van het Handelsregisterbesluit die ervoor dient te zorgen dat de adresgegevens van zelfstandigen niet meer door iedereen kunnen worden ingezien?4 5
De Staatssecretaris van Economische Zaken heeft een voorstel tot aanpassing van het Handelsregisterbesluit in voorbereiding dat de afscherming van het als zodanig geregistreerde woonadres van de ondernemer uitbreidt naar alle inschrijvingen. Op dit moment geldt dat nog alleen voor rechtspersonen. Dat voorstel ligt voor advies bij de Autoriteit Persoonsgegevens en moet daarna naar de Raad van State. Dit voorstel regelt dus de afscherming van het woonadres en niet de afscherming van het vestigingsadres, ook niet als dat het adres is waar de ondernemer woont. Inzicht in vestigingsadressen is een basisfunctie van het Handelsregister. De ondernemer moet daar bij het kiezen van een vestigingsadres ook rekening mee houden.
Overigens ziet KVK zich steeds nadrukkelijker geconfronteerd met moeilijk verenigbare wensen van belanghebbenden bij het handelsregister van binnen en buiten de overheid. Dit betreft vooral de afweging tussen privacy en openbaarheid. EZK en KVK zijn voornemens daarover op korte termijn het gesprek aan te gaan met stakeholders.
Hoe groot acht u het risico dat de organisatie Vizier op Links bijdraagt aan de online radicalisering van rechts-extremistische eenlingen zoals geschetst in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 53? Wat kunt u hiertegen doen?6
Twitter heeft het account van Vizier op Links inmiddels geschorst omdat het in strijd zou hebben gehandeld met de regels van het sociale medium.
De activiteiten van Vizier op Links kunnen bijdragen aan een verdere polarisatie tussen «links» en «rechts». Het is activistisch van aard, maar er gaat veel intimidatie van uit waardoor waakzaamheid is geboden omdat escalatie rond gebeurtenissen zou kunnen plaatsvinden. Dit online polariserend fenomeen kan door inzet van minimale middelen voor maximale polarisatie zorgen.
In een gepolariseerd klimaat is de kans op het radicaliseren van eenlingen aanwezig. De lokale, persoonsgerichte aanpak wordt ingezet wanneer sprake is van radicalisering of rechts-extremistische uitingen door individuen, met als doel de dreiging die van een persoon uitgaat te onderkennen en daarop te interveniëren. Op landelijk niveau zet de overheid zich in om terroristische en extremistische uitingen, zowel online als offline, geen vat te laten krijgen op de samenleving. Wanneer er sprake is van extremistische gedragingen die een vermoeden van een strafbaar feit opleveren, waaronder intimidatie en bedreiging, kan het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek instellen en indien opportuun overgaan tot vervolging.
Ziet u mogelijkheden om ook de verantwoordelijkheid aan te scherpen die sociale netwerk bedrijven dragen in het faciliteren van doxing en het handhaven van de eigen richtlijnen?
Ik ben blij met de voortgang die op Europees en op nationaal niveau is geboekt om afspraken te maken met de grote platformen over het melden en verwijderen (Notice and Take Down) van illegale en anderszins onrechtmatige content. Platformen als Facebook doen zichtbaar hun best om beter inzichtelijk te maken welke afwegingen ze maken bij het al dan niet verwijderen van content op hun platform. Toch ben ik van mening dat platformen meer kunnen – en ook zouden moeten – doen om ongewenste content tegen te gaan, door het ontoegankelijk maken van strafbare en anderszins onrechtmatige uitingen, maar ook door het actief beperken van de verspreiding van schadelijke content, het blootleggen van onjuiste assumpties en het organiseren van tegengeluid. Ik ben voornemens om – waar mogelijk samen met andere landen – verdergaande afspraken te maken om platformen ertoe te bewegen zich (nog) meer in te spannen om ongewenst online gedrag te voorkomen.
De ontwikkelingen van de gezondheidssituatie op Bonaire en Curaçao |
|
Antje Diertens (D66), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel ziekenhuisopnames er op dit moment zijn door de Covid-19 besmetting op Bonaire?
Op dit moment (26 april) zijn er 6 patiënten van Bonaire opgenomen in een ziekenhuis vanwege Covid-19.
Hoeveel van deze ziekenhuisopnames verblijven op Bonaire en hoeveel verblijven elders? Hoeveel daarvan liggen op de afdeling intensieve zorg?
Op dit moment (26 april) is er één Covid patiënt opgenomen op de IC en 3 op de Covid verpleegafdeling van het ziekenhuis op Bonaire. Er ligt momenteel één patiënt van Bonaire in het ziekenhuis op Aruba één patiënt in Colombia.
Is het u bekend of er problemen zijn met het callcenter op Bonaire? Zo ja, ziet u mogelijkheden dit te verbeteren? Zo nee, bent u bereid hier navraag naar te doen?
Het is mij bekend dat er problemen waren met de bereikbaarheid van het callcenter op Bonaire en er is aan oplossingen gewerkt. Zo is een aparte telefoonlijn geopend voor vragen over en aanmeldingen voor vaccinaties. Mensen die zich willen laten vaccineren kunnen zich ook online registreren. De speciale telefoonlijn voor vaccinaties is sinds 29 maart bereikbaar. Dit heeft de druk op het callcenter verlicht.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de vaccinaties op Bonaire? Is er voldoende capaciteit beschikbaar omtrent de logistiek die verband houdt met het vaccineren?
Sinds 29 maart is begonnen met het vaccineren van de gehele volwassen bevolking. Inmiddels is 63% van de volwassen bevolking ten minste één keer gevaccineerd. De prikcapaciteit is opgeschaald naar 700–1000 prikken per dag. Hier is voldoende capaciteit voor.
Kunt u aangeven hoeveel ziekenhuisopnames er op dit moment zijn door de Covid-19 besmetting op Curaçao? Hoeveel daarvan liggen op de afdeling intensieve zorg?
Er liggen momenteel 29 patiënten uit Curaçao op de Covid IC en 42 patiënten op de Covid verpleegafdeling in het ziekenhuis.
Is het u bekend of er sprake is van maatregelen om de reguliere gezondheidszorg af te schalen op Curaçao? Zo ja, welke gevolgen heeft dit? Zo nee, bent u bereid hier navraag naar te doen?
Op dit moment zijn niet-urgente operaties uitgesteld. Het ziekenhuis is open voor acute operaties en acute zorg (SEH). Andere zorg (niet-operatieve opnames, diagnostiek en poliklinische zorg) is deels afgeschaald.
Is er een risico op overbelasting van de intensieve zorg, en zo ja, bent u bereid de ZMS Karel Doorman in te zetten om beschikbaarheid van zorg te waarborgen op de eilanden?
Het risico op overbelasting van de acute en intensieve zorg wordt zo veel mogelijk afgedekt door goede afspraken tussen de 4 ziekenhuizen (op Aruba, Bonaire, Curaçao, Sint Maarten) over de spreiding van patiënten. De afgelopen weken is er extra personeel vanaf Sint Maarten naar de benedenwindse eilanden verplaatst. Ook wordt extra personeel via het Amerikaanse uitzendbureau AMI ingezet om de (IC) capaciteit op Aruba, Bonaire en Curaçao uit te breiden. De benodigde apparatuur is in een eerder stadium al aan de ziekenhuizen geleverd. Ook worden gesprekken gevoerd over de overplaatsing van patiënten naar andere landen in de regio, wanneer de lokale capaciteit ondanks gezamenlijke inspanningen onvoldoende blijken te zijn. Zo zijn de afgelopen maand 5 patiënten van Bonaire overgeplaatst naar Colombia. Het Ministerie van VWS heeft geen zeggenschap over de inzet van de ZMS Karel Doorman. Voor eventuele steunverlening kan een verzoek worden gedaan aan het Ministerie van Defensie. Defensie is toegerust op traumazorg van gewonden en heeft beperkte capaciteit aan boord van de schepen om grote capaciteitstekorten aan IC zorg op te kunnen vangen. Een steunverzoek is tot op heden niet gedaan.
Overweegt u voor reizigers vanaf Aruba, Curaçao en Bonaire naar Nederland tijdelijk een negatieve PCR-test verplicht te stellen? Zo nee, waarom niet?
Met ingang van zaterdag 20 maart wordt Bonaire aangemerkt als hoogrisicogebied voor Nederland. Aruba en Curaçao worden sinds zaterdag 27 maart als hoogrisicogebied beschouwd. Reizigers die vanaf Aruba, Bonaire of Curaçao naar Nederland reizen worden daarom dringend geadviseerd om 10 dagen in thuisquarantaine te gaan, en net als voor andere hoogrisicogebieden geldt een (dubbele) testverplichting.
Het hoge gebruik van landbouwgif door de sierteeltsector en de slechte naleving van de betreffende wet- en regelgeving |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat lelies en tulpen (na aardappels) tot de meest intensief bespoten gewassen behoren en dat het gebruik van landbouwgif ook in de glassierteelt relatief hoog is?1
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voert elke vier jaar een enquête uit om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de agrarische sector in beeld te brengen. De meest recente gegevens zijn van het jaar 20162. Hieruit blijkt dat het gebruik per hectare in de teelt van lelies het hoogst is (125 kg per hectare, waarvan 93 kilogram minerale olie). Het gebruik per hectare in de teelt van tulp en bloemen onder glas is respectievelijk 27 en 30 kg.
Voor de hierboven genoemde gewassen is het gebruik per hectare lager dan in 2012.
Kunt u bevestigen dat het areaal aan sierteeltgewassen sinds 2012 is toegenomen, waarmee ook het gebruik van landbouwgif per hectare is toegenomen?
Het areaal bloembollenteelt is in de periode 2012 tot en met 2019 toegenomen van 23.488 hectare naar 27.218 hectare. Het areaal voor de teelt van lelies is ook toegenomen, namelijk van 5.090 hectare naar 6.021 hectare3. Het areaal snijbloemen is in dezelfde periode afgenomen van 2.306 hectare naar 1.821 hectare4. Het areaal pot- en perkplanten is in dezelfde periode ongeveer gelijk gebleven (1.799 hectare in 2012 en 1.764 hectare in 2019)5.
Voor de bloembollen en -knollen en de bloemen onder glas geldt dat het gebruik per hectare in 2016 lager is dan in 2012.
Wat is het huidige sierteeltareaal, uitgesplitst naar open teelt en glassierteelt? Wat is daarvan het areaal bollenvelden en op welk deel worden lelies geteeld?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (bureau) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) schrijft: «met name zijn er risico’s door het onjuist gebruik van middelen en van het gebruik van niet-toegelaten middelen in de sierteelt. Het (illegaal) gebruik van middelen in de sector kan bijvoorbeeld tot schadelijke effecten bij bijen leiden»?2
Ja, dit citaat is lezen op blz. 17 van de publicatie «Advies over de risico's van de sierteeltketen».
Kunt u bevestigen dat in 2019 slechts 1,5% van de bedrijven die met landbouwgif werken hierop is gecontroleerd door de NVWA?3
Ik heb uw Kamer geïnformeerd dat in 2019 circa 1,5% van de land- en tuinbouwbedrijven (exclusief veehouderijbedrijven) is gecontroleerd op het juist gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Uitgesplitst naar sector lag de toezichtintensiteit in de akkerbouw op 1% en in de tuinbouw op 2% (Kamerstuk 33 835, nr. 173).
Kunt u bevestigen dat de NVWA in 2019 een nalevingspercentage van de wet- en regelgeving betreffende landbouwgif vond van 67%, wat betekent dat de rest, zijnde een derde, van de telers de regels overtreedt?4
In heb uw Kamer op 20 mei 2020 geïnformeerd over enkele actualiteiten op het terrein van gewasbescherming. Een van deze actualiteiten betrof het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen in de akkerbouw, vollegrondsgroenten, bloembollen, fruit- en boomkwekerijgewassen. Deze inspecties richtten zich met name op het gebruik van spuittechnieken om de verwaaiing van spuitvloeistof naar bijvoorbeeld het oppervlaktewater te voorkomen. Dit leidde tot een nalevingsindicatie van 67%, hetgeen betekent dat de overige gecontroleerde agrarische ondernemers de wet- en regelgeving bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen niet naleefden. Ik vind het uiteraard onacceptabel dat wet- en regelgeving niet door iedereen wordt nageleefd. Ik heb de NVWA daarom gevraagd mij te informeren over hun analyse van de achterliggende redenen en een bijbehorende voortvarende aanpak om naleving te verbeteren. (Kamerstuk 27 858, nr. 509).
De NVWA bespreekt de resultaten van de verschillende typen controles, zoals administratieve verplichtingen, gebruik van toegelaten middelen en het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen, met de betrokken sectoren, om de naleving door de sectoren te verbeteren.
Kunt u bevestigen dat er in 2017 geen boetes uitgedeeld zijn voor het niet invullen van de gewasbeschermingsmonitor, hoewel 20% van de gecontroleerde gebruikers deze gewasbeschermingsmonitor niet (volledig) had ingevuld? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd?5
Het specifiek interventiebeleid biociden en gewasbeschermingsmiddelen van de NVWA houdt rekening met de ernst van het gevaar of het risico op gevaar voor mens, dier en milieu, de mate waarin de overtreding hersteld kan worden en of er sprake is van ondermijnend gedrag. Voor het niet (volledig) bijhouden van de gewasbeschermingsmonitor is in het interventiebeleid opgenomen om iemand die voor het eerst een overtreding begaat een schriftelijke waarschuwing te geven en niet te beboeten.
Er zijn in 2017 in totaal 3 boetes opgelegd, omdat er sprake was van herhaalde overtreding. De overige overtredingen waren eerste overtredingen en zijn afgedaan met een schriftelijke waarschuwing.
Kunt u bevestigen dat er in Nederland een bloeiende handel bestaat in illegale pesticiden en dat het Bureau voor Intellectuele Eigendom van de Europese Unie ervan uitgaat dat 13,8% van de Europese markt voor landbouwgif uit illegale middelen bestaat?6
Er is sprake van illegale handel in gewasbeschermingsmiddelen vanuit landen buiten de Europese Unie en dit baart mij zorgen, omdat het gebruik van deze middelen zou kunnen leiden tot risico’s voor mens, dier en milieu. De inzet is om deze illegale middelen op te sporen en te vernietigen en uiteraard om de overtreders aan te pakken. Dit gebeurt niet alleen in nationaal verband via een nauwe samenwerking tussen de douane en de NVWA, maar ook in Europees verband via het uitwisselen van signalen over illegale handel. Dit heeft ertoe geleid dat in de periode 2015 tot en met 2019 ongeveer 300 ton illegale biociden en gewasbeschermingsmiddelen in beslag is genomen en vernietigd (Kamerstuk 27 858, nr. 523).
Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie heeft in 2017 een rapport gepubliceerd, waarin een inschatting wordt gemaakt van het economische verlies van de industrie door de aanwezigheid van illegale biociden en gewasbeschermingsmiddelen. Deze inschatting leidt tot een gemiddeld verlies van afzet van 13,8% voor alle 28 lidstaten van de Europese Unie.11
Welke actie gaat u ondernemen om een groter deel van de bedrijven dat met landbouwgif werkt te controleren, om de naleving van wet- en regelgeving door telers te verhogen en om de controle op de handel in illegale middelen te intensiveren? Welke voorbereidingen gaat u treffen zodat u of uw ambtsopvolger na de komende formatie snel actie kan ondernemen op deze punten?
De NVWA werkt risicogericht en baseert zich daarbij op de risico-indeling van de verschillende onderdelen van de keten en de verschillende sectoren. Deze risico-indeling wordt regelmatig herijkt op basis van de uitkomst van onder andere de nalevingscontroles, toepassingscontroles, doelgroepenanalyses en ketenanalyses.
Daarnaast voert de NVWA herinspecties uit bij niet-naleving, gesprekken met de sectoren over het verbeteren van de naleving en voert zij analyses uit naar achterliggende redenen van niet-naleving.
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 8 voor het toezicht op de handel in illegale gewasbeschermingsmiddelen.
Waarom heeft u er vorig jaar voor gekozen om geen voorwaarden te verbinden aan de Regeling tegemoetkoming land- en tuinbouwondernemers COVID-19 voor de sierteelt, zoals het verplicht reduceren van het gifgebruik? Deelt u de mening dat dit een gemiste kans is om de sierteelt te verduurzamen en dat dit dus geen efficiënte besteding van belastinggeld was?
De Regeling tegemoetkoming land- en tuinbouwondernemers COVID-19 ondersteunt bedrijven met toekomstperspectief om de sector zo goed mogelijk door de coronacrisis heen te helpen. Dat is ook nodig om na deze crisis weer de investeringen te kunnen doen die voor verdergaande verduurzaming (zoals klimaat en gewasbescherming) nodig zijn. De steunmaatregelen zijn bedoeld voor het ledigen van de acute financiële nood die ontstond door het wegvallen van de vraag door beperkende maatregelen als gevolg van COVID-19. Bij deze regeling is een milieuvriendelijke bedrijfsvoering geen extra criterium om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming (Kamerstukken 35 442, nr. 3 en 35 452, nr. 3).
Bent u bereid voorbereidingen te treffen om de gangbare bollenteelt, vanwege het hoge gifgebruik en uitputting van de bodem terwijl het niet bijdraagt aan de voedselzekerheid, af te bouwen en de telers te helpen bij het omschakelen naar biologische productie of naar een plantaardige voedselproductie? Zo nee, waarom niet?
Ik richt mij met de betrokken partijen in de Toekomstvisie gewasbescherming 2030 en het bijbehorende uitvoeringsprogramma op het realiseren van weerbare planten en teeltsystemen en het verbinden van land- en tuinbouw met natuur. Dit leidt tot het verminderen van de behoefte aan gewasbeschermingsmiddelen. Als er dan toch gewasbeschermingsmiddelen nodig zijn voor het bestrijden van ziekten, plagen en onkruiden, dan bij voorkeur laag-risicomiddelen, nagenoeg zonder emissies naar het milieu en nagenoeg zonder residuen op producten voor de voedselconsumptie (Kamerstuk 27 858, nr. 449 en 518).
In de provincie Drenthe start dit teeltseizoen onder regie van de provincie een pilot in de teelt van lelies. Deze pilot heeft drie doelen:
ontwikkelen van kennis die moet leiden tot een fundamentele verbetering in de verduurzaming van de lelieteelt;
bevorderen van de dialoog tussen de telers en omwonenden, zodat een open gesprek ontstaat en begrip voor elkaars situatie;
het beschikbaar krijgen van een middelenpakket met lagere milieubelasting dan de huidige toegelaten middelen in de teelt van lelies.
Het bericht 'TT te vroeg voor financiële compensatie, Mulder stelt Kamervragen' |
|
Mustafa Amhaouch (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «TT te vroeg voor financiële compensatie, Mulder stelt Kamervragen»?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de Veiligheidsregio Drenthe tot 1 juni 2021 geen ruimte ziet voor grote evenementen in Drenthe?2
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt deze datum zich tot de datum 1 juli 2021, de ingangsdatum van de Tijdelijke regeling subsidie evenementen COVID-19? Is de datum 1 juli 2021 in beton gegoten?
Als de Veiligheidsregio Drenthe vanaf 1 juni evenementen toestaat, kunnen deze evenementen vallen onder de Tijdelijke subsidieregeling evenementen Covid-19 vanaf 1 juli, mits zij voldoen aan de voorwaarden. De regeling zal betrekking hebben op de periode 1 juli–31 december 2021.
Wat betekent dit voor evenementen als Pinkpop in Landgraaf, Concert At Sea in Ouddorp en de TT in Assen, die vooralsnog vóór 1 juli 2021 gepland staan?
Evenementen die voor 1 juli staan gepland kunnen worden verplaatst naar een datum binnen de periode 1 juli–31 december, mits dat in de lokale agenda past en er een vergunning verleend wordt. Wanneer evenementen binnen deze periode door de rijksoverheid verboden worden, dan kunnen de organisatoren van deze evenementen eventueel gebruik maken van de regeling (als ze voldoen aan de voorwaarden van de regeling).
Acht u evenementen vóór 1 juli 2021 per definitie uitgesloten, ook wanneer de epidemiologische situatie in een veiligheidsregio dat zou toestaan?
In het openingsplan gepresenteerd tijdens de persconferentie op 13 april staat dat per 16 juni evenementen weer worden toegestaan, onder voorwaarden. Het hangt af van het epidemiologisch beeld of en onder welke voorwaarden dit zal gaan plaatsvinden.
In hoeverre heeft voor het bepalen van de data in de Tijdelijke regeling subsidie evenementen COVID-19 overleg en afstemming plaatsgevonden met zowel de evenementenbranche als de verschillende veiligheidsregio’s?
De regeling is in nauw overleg met de evenementensector tot stand gekomen. Over uitvoeringsaspecten als vergunningverlening, veiligheid en handhaving heeft het kabinet de veiligheidsregio’s en de VNG benaderd.
Wat zou u de organisatoren van eerdergenoemde evenementen op dit moment adviseren te doen?
Zie antwoord op vraag 4: verplaatsing van een eerder gepland evenement naar een datum binnen de genoemde periode is mogelijk. Ook in de overleggen met de sector heeft het kabinet deze boodschap overgebracht.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Zie antwoord vraag 7.
Het intimideren van linkse politici |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Dreigende sticker op de voordeur: «Deze locatie wordt geobserveerd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat genoemde stickers als intimiderend of bedreigend kunnen overkomen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja. Fysieke nabijheid van mensen die erop uit lijken te zijn dat je je terugtrekt uit het publieke debat, kunnen zeer intimiderend of bedreigend overkomen.
Kent u meer signalen van acties aan privéadressen van burgers die om hun mening uitkomen? Zo ja, welke?
Ja, er zijn meerdere meldingen gedaan door burgers bij de politie. In tien gevallen heeft dit geleid tot een aangifte.
Deelt u de mening dat opiniemakers, journalisten, politici en andere burgers in alle vrijheid voor hun mening of politieke overtuigingen moeten kunnen uitkomen? Zo ja, hoe oordeelt u in dit verband over de genoemde stickers?
Ja. De vrijheid van meningsuiting is in onze democratie een bijzonder groot goed. Het staat buiten kijf dat eenieder zonder belemmeringen zijn of haar standpunten – al dan niet publiekelijk – zou moeten kunnen uitdragen, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet. Agressie en intimidatie zijn daarom volstrekt onaanvaardbaar.
De stickers met de tekst «geobserveerde locatie» zijn intimiderend van aard en daarmee norm-overschrijdend. Vanuit een anonieme positie iemand met een andere politieke voorkeur op diens het huisadres belagen, zie ik als een laffe daad.
Afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval kunnen gedragingen zoals genoemd in het nieuwsbericht strafbare feiten of een onrechtmatige daad opleveren. Deze toetsing vindt plaats door de civiele rechter of strafrechter.
Deelt u de mening dat ongevraagde boodschappen of bezoeken als extra intimiderend of bedreigend kunnen overkomen als die aan een privéadres van iemand worden gedaan? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja. Wanneer vormen van intimidatie of geweld zich manifesteren op het privéadres van het slachtoffer, kan dat forse inbreuk maken op het gevoel van veiligheid en geborgenheid dat een thuis idealiter biedt aan mensen en hun medebewoners.
Zijn er aangiftes gedaan vanwege de genoemde stickers? Zo ja, hoeveel en in welk stadium bevinden die aangiftes zich?
Er zijn tot nog toe tien aangiftes gedaan waarvan er nog vier in behandeling zijn. Zes aangiftes zijn inmiddels afgerond. Het Openbaar Ministerie onderzoekt momenteel of de betreffende handelingen zich kwalificeren als strafbare feiten.
In hoeverre heeft de Autoriteit Persoonsgegevens de juridische mogelijkheid om tegen het verzamelen en publiceren van (persoonlijke) gegevens van een individu op te treden? Hoeveel capaciteit heeft de Autoriteit Persoonsgegevens daarvoor beschikbaar?
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft de juridische mogelijkheid om tegen doxing op te treden. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft de ruimte om haar capaciteit naar eigen inzicht te verdelen over haar verschillende taken.
Wanneer is het beleidskader rond de aanpak van verschillende vormen van internetpesten, waaronder doxing, gereed?
Uw Kamer heeft op 5 februari 2021, als bijlage bij de «Stand van zaken uitvoering Agenda horizontale privacy» de beleidsreactie op het WODC-onderzoek «Voorziening voor verzoeken tot snelle verwijdering van onrechtmatige online content» ontvangen.2 Deze beleidsreactie bevat een concreet stappenplan dat beoogt burgers te faciliteren om onrechtmatige content op een laagdrempelige wijze van het internet verwijderd te doen krijgen. Hiermee is het beleidskader internetpesten dus gereed.
Het artikel ‘Deurwaarders even niet langs bij gedupeerden toeslagen’ |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Deurwaarders even niet langs bij gedupeerden toeslagen» in de Telegraaf van 10 maart 2021?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Klopt het dat de beroepsorganisatie van gerechtsdeurwaarders afspraken heeft gemaakt met de Belastingdienst over het «delen van informatie» waarmee verhinderd moet worden dat schuldeisers de 30.000 euro schadevergoeding (voor gedupeerde ouders in de toeslagenaffaire) op kunnen eisen zodra ouders dit bedrag van de overheid hebben gekregen?
Dat klopt. Om de «pauzeknop» op basis van artikel 49i van de Awir, naar aanleiding van het amendement Lodders/Van Weyenberg2, te kunnen effectueren wordt voor iedereen die zich voor 15 februari3 heeft aangemeld bij UHT en voor hun toeslagpartners. Om dit te kunnen doen zijn de gegevens van deze personen gedeeld met de Stichting Netwerk Gerechtsdeurwaarders (SNG). SNG heeft haar module Verwijsindex Schuldhulpverlening (VISH) ingericht zodat de gerechtsdeurwaarder bij de voorbereiding van een ambtshandeling een signaal krijgt indien het dossier van een gedupeerde ouders betreft. De gerechtsdeurwaarder zal dan contact opnemen met zijn opdrachtgever, de schuldeiser, en met de gedupeerde ouder. Het is aan de schuldeiser om te besluiten wat hij/zij wil. De uitwinning van de schuld is niet mogelijk onder het moratorium, maar alle andere acties kunnen nodig zijn volgens de schuldeiser om de schuld te laten erkennen en zijn rechten veilig te stellen.
De gerechtsdeurwaarders zijn een belangrijke ketenpartner in dit dossier en zij zijn in staat geweest op zeer korte termijn te handelen. Zij hebben zich aldus bereid verklaard en getoond om een belangrijke rol te spelen in de afwikkeling van deze toeslagenaffaire, waar ik ze erkentelijk voor ben.
Bent u bekend met de berichtgeving dat gerechtsdeurwaarders nog steeds doorbehandelen, dagvaarden en vonnis halen bij gedupeerde ouders van de kinderopvangtoeslagaffaire? Wat vindt u hiervan?
Dit heb ik inderdaad begrepen. Dat is onwenselijk voor de ouder. Het doel van het moratorium is om rust en ruimte te creëren, zodat in de afkoelingsperiode een passende oplossing kan worden gevonden voor de schulden van gedupeerden en voor hun schuldeisers. Het moratorium zorgt ervoor dat de schuldeiser tijdelijk zijn verhaalsmogelijkheden niet kan inzetten richting de ouder en zijn of haar toeslagpartner.
Het moratorium is echter geen allesomvattende oplossing om alle invorderingsactiviteiten van alle schuldeisers tegen te houden. Het moratorium voorkomt gedwongen executie. Voordat een schuld in dat stadium is, is er al een lang proces aan vooraf gegaan.
Dat proces wordt door het moratorium niet stil gelegd. Dat kan betekenen dat schuldeisers bijvoorbeeld betalingsherinneringen sturen. Ook kan een schuldeiser er toe over gaan naar de rechter te gaan, om zo erkenning van de schuld door de rechter te krijgen. Daartoe kan de schuldeiser dus ook opdracht geven aan een deurwaarder om een dossier door te behandelen, eventueel over te gaan tot een dagvaarding van een ouder en vonnis te halen. Dit zijn allemaal voorbereidende handelingen die een schuldeiser mag laten doorgaan.
De deurwaarder kan de schuldeiser meegeven dat een ouder onder het moratorium valt en de uitwinning van de schuld tijdelijk niet mogelijk is, waardoor de ouder in deze fase beschermd is. De verwachting is dat de meeste schuldeisers hun invorderingsactiviteiten zullen staken. De KBvG heeft mij gemeld dat dit in de meeste situaties inderdaad het geval is.
Om ook schuldeisers mee te nemen in het proces, werken wij, naast het delen van de gegevens aan de SNG, aan het informeren van zowel ouders als schuldeisers over hun handelingsperspectieven. Gedupeerden krijgen binnenkort een brief met een code die ze kunnen overleggen aan hun schuldeisers, zodat zij kunnen verifiëren dat de ouder inderdaad gedupeerde is en er gewerkt wordt aan een oplossing voor de schuld. Ook zullen ouders meer informatie krijgen over het moratorium en wat dat voor hen kan betekenen. Om ook schuldeisers voldoende informatie te geven, is er op 10 maart een nieuwe website live gegaan met informatie die specifiek is gericht op schuldeisers.
Daarnaast werken we hard aan een oplossing om zo snel mogelijk en voor zoveel mogelijk ouders en schuldeisers de schuldensituatie op te lossen. Hierover informeer ik u in de Voortgangsrapportage die ik tegelijk met de beantwoording van deze vragen naar uw Kamer stuur.
Is de onder vraag 3 benoemde werkwijze wat u betreft in overeenstemming met de intentie die in het bovengenoemde artikel wordt geduid? Zo nee, wat gaat u hier op korte termijn aan doen om ouders duidelijkheid te geven en vooral de noodzakelijke «rust» te bieden die beoogd is met het moratorium en de beoogde pauzeknop in het amendement Lodders/Van Weyenberg2 in de op 3 maart 2021 door de Eerste Kamer aangenomen Incidentele suppletoire begroting Financiën 2021 inzake Herstel Toeslagen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat met het «vonnis halen» bedoeld wordt dat een rechter vaststelt dat de schuldeiser de vordering heeft en dat de ouder in verzuim is met betalen en daarmee de vordering in principe opeisbaar en inbaar is? Klopt het dat met het moratorium zoals door het amendement Lodders/Van Weyenberg3 in de Wet Awir is vastgelegd de rechter niet zal meewerken en de gerechtsdeurwaarder geen beslag zal leggen en deze procedure zal stoppen? Zo ja, kunt u in overleg met de beroepsorganisatie van gerechtsdeurwaarders aanvullende afspraken maken om deze situatie voor ouders te verduidelijken en deze handelingen tijdens de duur van het moratorium te voorkomen? Zo nee, kunt u toelichten wat er misgaat en wat er nodig is om het moratorium wel te laten werken?
De eerste stelling is juist. Wat betreft de tweede stelling moet onderscheid gemaakt worden tussen de verschillende beslagen die bestaan: het leggen van conservatoir of executoriaal beslag. Conservatoir of bewarend beslag zorgt ervoor dat wanneer een schuldenaar een goed, bijvoorbeeld zijn auto, wil verkopen, terwijl hij/zij schulden heeft, de opbrengst van de verkoop tijdelijk wordt vastgezet. De schuldeiser kan dan door de rechter vast laten stellen dat hij als schuldeiser inderdaad een rechtmatige vordering heeft op de schuldenaar. Wanneer de schuldenaar vervolgens niet betaalt, kan normaal gesproken de schuldeiser het conservatoir beslag om laten zetten in executoriaal beslag waarmee de opbrengst van de verkoop van de auto naar de schuldeiser gaat. Het moratorium regelt nu dat tijdelijk de uitvoering van het executoriaal beslag niet mogelijk is.
Een deurwaarder handelt altijd in opdracht van een schuldeiser. De deurwaarder zal nadat uit VISH blijkt dat een schuldenaar geregistreerd staat als gedupeerde ouder en het moratorium tijdelijk van toepassing is, contact opnemen met zijn opdrachtgever, de schuldeiser, en overleggen wat deze wil.
Zoals ook bij de beantwoording van de vragen 3 en 4 aangegeven, zijn alle handelingen voor de uitwinning van het beslag mogelijk. Daarbij kan het variëren van conservatoir beslag om de positie van de schuldeiser te beschermen, tot een vonnis dat de schuld bestaat. De rechter zal de schuldeiser geen toestemming geven om het beslag daadwerkelijk te executeren. Daarmee wordt de positie van de gedupeerde ouder beschermd en kan in gezamenlijkheid aan een oplossing voor de schuld worden gewerkt,
De Koninklijke Beroepsorganisaties van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) heeft uitgebreide voorlichting over het moratorium aan haar leden gegeven. Een gerechtsdeurwaarder blijft echter afhankelijk van de opdracht van de schuldeiser en kan en mag niet zelf besluiten om een bepaalde handeling niet te verrichten. Ik werk hard aan een totaaloplossing voor de schulden van de gedupeerde ouders en zal uw Kamer daar bij de volgende voortgangsrapportage over informeren. Deze oplossing is ook van belang voor de deurwaarders, omdat zij dan hun opdrachtgevers daarop kunnen wijzen en zo de schuld kunnen afhandelen, zodat zowel de ouder als de schuldeiser het kunnen afsluiten.
Kunt u toelichten of het overleg over aanpak schulden al is afgerond en wat hiervan de uitkomst is? Zo nee, kunt u een inschatting geven op welke termijn u de Kamer over de afwikkeling van schulden kan informeren?
Hier ga ik op in, in de zesde Voortgangsrapportage kinderopvangtoeslag die ik tegelijk met de beantwoording van deze vragen naar uw Kamer stuur.
De productie van zonnepanelen met Oeigoerse dwangarbeid. |
|
Tom van den Nieuwenhuijzen-Wittens (GL) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in de New York Times dat de American Federation of Labourunions (AFL) de regering van president Biden oproept om de import van zonnepanelen gemaakt met Oeigoerse dwangarbeid aan banden te leggen?1
Ja. Vooropgesteld staat dat het kabinet niet over gegevens beschikt in hoeverre de in Nederland gebruikte panelen polysilicium uit Xinjiang is verwerkt. Zoals bekend maakt het kabinet zich ernstig zorgen over de mensenrechtensituatie in China en Xinjiang. Nederland spreekt zich in alle relevante fora uit tegen deze zorgwekkende situatie en pleit onder andere voor betekenisvolle en ongehinderde toegang voor onafhankelijke waarnemers zoals de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN tot Xinjiang.
Het kabinet hecht er groot belang aan dat alle Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen (OESO-richtlijnen) en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) naleven. Het kabinet zet daarom ook in op een brede gepaste zorgvuldigheidsverplichting voor bedrijven, bij voorkeur op Europees niveau. Tevens wijst het kabinet bedrijven actief op de risico’s van zakendoen in Xinjiang. Gezien de verdenkingen beschreven in internationale rapporten en de beperkte mogelijkheden voor bedrijven om gepaste zorgvuldigheid toe te passen, kan beëindiging van de betrekkingen met een zakelijke relatie in Xinjiang passend zijn.
Heeft u inzicht in de verbondenheid van zonnepanelen die in Nederland worden gebruikt met de dwangarbeid en onderdrukking van de Oeigoeren in China? Bent u bereid om hier verder onderzoek naar te laten doen?
Uit onderzoek van DNE Research blijkt dat 86 procent van de importwaarde van zonnepanelen in de Rotterdamse haven in 2020 uit China kwam. Een deel daarvan wordt geïmporteerd in Nederland en een deel wordt doorgevoerd naar andere Europese landen. Volgens mediaberichten kwam in 2020 circa 75 procent van de wereldproductie aan polysilicium uit China2. Van de totale Chinese productie kwam ongeveer 237.000 MT uit de Xinjiang regio. Dit betreft 52 procent van de totale Chinese productie en 42 procent van de productie wereldwijd.3
De brancheorganisatie Holland Solar, die de Nederlandse zonne-energiesector vertegenwoordigt, meldt in een persbericht dat het lastig te bewijzen is dat er geen sprake is van dwangarbeid in hun ketens en dat het eveneens lastig is om te bepalen waar het silicium in een bepaald product vandaan komt4. Het is echter aannemelijk dat de Nederlandse situatie ongeveer overeenkomt met de wereldwijde markt. Het rapport van Horizon Advisory waarover in de internationale en Nederlandse media wordt bericht, stelt dat er data zijn die de polysiliciumproductie en -verwerking in Xinjiang linken aan dwangarbeid. De bevindingen in het rapport zijn bedoeld als waarschuwingssignaal: samengebrachte data ondersteunen het vermoeden dat er dwangarbeid in de ketens van zonnepanelen plaatsvindt. Het kabinet heeft geen eigenstandige informatiepositie hieromtrent.
Zoals uit de berichtgeving van Volkskrant en Trouw van 17 mei jl. blijkt, verscheen half mei het rapport «In Broad Daylight»5. Het kabinet neemt deze onderzoeksbevindingen uiteraard, waar relevant, mee in verdere stappen.
Het is de verantwoordelijkheid van de zonne-energiesector zelf om niet alleen gepaste zorgvuldigheid toe te passen, maar ook te onderzoeken of er in de keten misstanden plaatsvinden en deze aan te pakken of te voorkomen in lijn met de OESO-richtlijnen. Ondernemingen die opereren in een context met IMVO risico’s zoals dwangarbeid, moeten bereid zijn tot openheid over hun besluit om in die context te blijven opereren en dienen dat besluit te kunnen motiveren richting hun stakeholders. Zij moeten overwegen of ze daar verantwoord kunnen blijven opereren of inkopen.
Kunt u aangeven wat u doet om toezicht te houden op het naleven van de mensenrechten in de productieketens van zonnepanelen die in Nederland worden gebruikt? Vind u dat dat voldoende is?
Het kabinet houdt geen overzicht bij van de productieketens van producten op de Nederlandse markt. Wel verwacht het kabinet van alle Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen dat zij de OESO-richtlijnen en de UNGP’s naleven. Dit houdt in dat bedrijven in kaart brengen in hoeverre zij via hun bedrijfsactiviteiten en ketenpartners verbonden zijn aan risico’s voor mens en milieu, en hun invloed aan te wenden om deze risico’s te voorkomen en aan te pakken, de aanpak hiervan te monitoren en hier verantwoording over af te leggen.
Ondanks de vele goede stappen die door veel bedrijven worden gezet, is uit evaluaties gebleken dat het bestaande IMVO-beleid onvoldoende effectief is; er zijn nog te weinig Nederlandse bedrijven die ondernemen in lijn met de internationale MVO-normen. Aanvulling en aanscherping van de IMVO-maatregelen is daarom nodig. Het kabinet heeft in de beleidsnota «Van voorlichten tot verplichten» (Kamerstuk 26 485, nr. 337) IMVO-beleid voorgesteld dat bestaat uit een mix van elkaar versterkende maatregelen die tezamen leiden tot effectieve gedragsverandering bij koplopers, achterblijvers en bedrijven in het peloton. De beleidsmix voorziet erin dat maatwerk wordt geleverd en dat maatregelen verplichten, voorwaarden stellen, verleiden, vergemakkelijken en voorlichten (conform het zogenaamde 5V-model). In de mix worden nieuwe instrumenten gecombineerd met reeds bestaande instrumenten, die op basis van evaluaties worden verstevigd. Kern van dit nieuwe beleid is een brede gepaste zorgvuldigheidsverplichting voor bedrijven, bij voorkeur op Europees niveau. Over de vorderingen heb ik op 11 februari 2021 aan uw Kamer gerapporteerd (Kamerstuk 26 485, nr. 364).
Onlangs hebben 175 grote bedrijven uit de internationale zonnesector, waaronder een aantal van de bedrijven die in het artikel van het FD worden genoemd, een verklaring getekend waarmee zij zich tegen dwangarbeid keren en zich eraan committeren om hun ketens vrij te maken van dwangarbeid6. Hiertoe ondersteunen zij de ontwikkeling van een door de industrie geleid traceerbaarheidsprotocol voor de toeleveringsketen van zonnepanelen.
Bent u bereid om het gesprek dat u de Kamer beloofd heeft aan te gaan met de textielindustrie over hun productieketens en de verbondenheid met de mensenrechtenschendingen van de Oeigoeren, breder te voeren, ook met bedrijven die actief zijn binnen de energietransitie?
Op 12 januari jl. heb ik contact gehad met VNO-NCW om de specifieke risico’s van zakendoen in Xinjiang te bespreken en te zorgen dat die informatie ook proactief gedeeld wordt met de relevante achterban van VNO-NCW. Er werd afgesproken dat VNO-NCW in samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken een online bijeenkomst over dit onderwerp zou organiseren voor Nederlandse bedrijven die actief zijn in China, zowel in de textielindustrie als in andere sectoren zoals de energiesector. Deze bijeenkomst heeft 19 april plaatsgevonden. Tijdens deze digitale bijeenkomst hebben verschillende experts bedrijven geïnformeerd over de situatie in de regio, het proces van gepaste zorgvuldigheid, en de IMVO-risico’s rondom zakendoen in Xinjiang. Aan de bijeenkomst namen ongeveer honderd vertegenwoordigers van verschillende sectoren, waaronder een brancheorganisatie en meerdere bedrijven uit de zonne-energiesector zoals Holland Solar, SolarProf, Naga Solar, IBC Solar, van het Nederlandse bedrijfsleven deel. De branchevereniging Holland Solar heeft aangegeven samen met de SER de mogelijkheden te zullen onderzoeken voor hun leden om toe te treden tot het IMVO-convenant voor hernieuwbare energie. Tevens zal het Ministerie van Buitenlandse Zaken nader in contact treden met de zonne-energiesector over de zorgen die het kabinet en de sector hebben over dwangarbeid naar aanleiding van de berichtgeving hierover. Daarbij zullen de verantwoordelijkheden van de sector worden benadrukt, en de wijze waarop de overheid de sector kan bijstaan.
Bent u bekend met de hoeveelheid Nederlandse subsidie die is besteed aan zonnepanelen die gemaakt zijn met behulp van Oeigoerse dwangarbeid? Kunt u uitsluiten dat hier subsidie aan is besteed? Hoe kunt u zorgdragen dat in de toekomst geen Nederlandse subsidie wordt besteed aan zonnepanelen die gemaakt zijn met Oeigoerse dwangarbeid? Bent u bereid om zorg te dragen dat er geen subsidies meer verstrekt worden aan de toepassing van zonnepanelen die gemaakt zijn met dwangarbeid van Oeigoeren?
Het kabinet heeft geen zicht op de hoeveelheid subsidie verstrekt aan zonnepanelen waarbij in de keten mogelijk sprake is geweest van Oeigoerse dwangarbeid. In Nederland ontvangen vrijwel alle zonnepanelen in zonneparken én op daken direct of indirect subsidie. In 2019 betrof dit middels de salderingsregeling circa 253 miljoen euro, vanuit de Subsidieregeling Duurzame Energie (SDE++) circa 140 miljoen euro aan uitgekeerde subsidie, vanuit de Energie Investeringsaftrek (EIA) circa 62 miljoen euro. Holland Solar geeft in zijn persbericht aan dat het lastig te bepalen is waar het polysilicium in zonnepanelen vandaan komt. Hoewel de productie van de zonnepanelen zelf regelmatig wordt gecontroleerd door leden van Holland Solar, is de productieketen van polysilicium minder transparant en de herkomst van deze grondstof dus moeilijk te controleren. Het Ministerie van Economische Zaken wint bij het uitgeven van subsidie geen informatie in over het merk van de zonnepanelen waarvoor subsidie wordt verleend. Deze informatie zou echter geen gedetailleerd inzicht geven in de herkomst van het polysilicium dat in de panelen is verwerkt. Zodoende is niet uit te sluiten dat er subsidie is besteed aan panelen waarbij in de keten mogelijk sprake is geweest van Oeigoerse dwangarbeid.
Gelet op het grote aandeel van polysilicium uit China in de wereldmarkt en de intransparantie van de ketens van zonnepanelen, zou het uitsluiten van subsidiering voor zonnepanelen waarbij mogelijk in de keten sprake is geweest van Oeigoerse dwangarbeid neerkomen op het geheel stopzetten van subsidieregelingen voor zon-PV waaronder de salderingsregeling en de SDE++. Dit zou er toe leiden dat de uitrol van zonne-energie in Nederland tot stilstand komt. De Staatssecretaris van EZK is wel bezig om uit te zoeken hoe IMVO in EZK-instrumenten kan worden ingevoegd. Een eerste stap die hierin is gezet is om bij alle EZK-instrumenten de link naar de IMVO pagina van RVO toe te voegen om verdere bekendheid van de OESO-richtlijnen te bevorderen.
Hoe verhoudt de dwangarbeid van Oeigoeren in de ketens van zonnepanelen zich tot de richtlijnen voor multinationale ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO-richtlijnen)? Hebben de Nederlandse bedrijven die actief zijn in de energie-transitie, specifiek zonnepanelen, de OESO-richtlijnen onderschreven? Bent u bereid om bedrijven te houden aan de OESO-richtlijnen? Hoe gaat u dit vormgeven?
In de OESO-richtlijnen staat een aantal aanbevelingen voor bedrijven met betrekking tot werkgelegenheid en arbeidsverhoudingen. Zo bevelen de richtlijnen ondernemingen aan om, binnen het kader van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, de heersende gebruiken op het gebied van arbeidsverhoudingen en tewerkstelling en de van toepassing zijnde internationale arbeidsnormen, bij te dragen aan de afschaffing van elke vorm van gedwongen arbeid of dwangarbeid en adequate stappen te ondernemen opdat gedwongen arbeid of dwangarbeid niet voorkomt in hun activiteiten. Gegeven de ernstige verdenkingen beschreven in internationale rapportages en de beperkte mogelijkheden voor bedrijven om gepaste zorgvuldigheid toe te passen, kan beëindiging van de betrekkingen met een zakelijke relatie passend zijn. Wanneer deze ketenpartner echter een cruciale zakelijke relatie betreft dan kan beëindiging wellicht niet haalbaar zijn. Een relatie kan als cruciaal worden aangemerkt wanneer deze een product of dienst levert die essentieel is voor de activiteiten van de onderneming en waarvoor geen redelijke alternatieve bron bestaat. In dit soort gevallen wordt de onderneming geadviseerd de situatie intern te rapporteren, de zakelijke relatie te blijven monitoren en haar beslissing om de zakelijke relatie voort te zetten te herzien zodra de omstandigheden veranderen of in het kader van een langetermijnstrategie om systematisch te reageren op alle negatieve gevolgen.
Het kabinet verwacht van alle bedrijven in Nederland dat zij de OESO-richtlijnen onderschrijven, maar houdt geen overzicht bij van bedrijven die de OESO-richtlijnen hebben onderschreven. Als bedrijven aanspraak maken op het bedrijfsleveninstrumentarium van het Ministerie van Buitenlandse Zaken bij internationaal ondernemen, moeten zij laten zien dat zij de OESO-richtlijnen naleven. Doelstelling van het kabinet is dat uiterlijk per 2023 90 procent van alle grote bedrijven kan aangeven zich aan de OESO-richtlijnen te houden (90 procent-doelstelling) en dat ook openbaar bekend maakt, bijvoorbeeld in zijn jaarverslag of op zijn website. Ook een aantal energiebedrijven valt binnen deze categorie. Tot en met 2023 zal de overheid om het jaar controleren hoeveel van de geïdentificeerde grote bedrijven de OESO-richtlijnen hebben onderschreven en dat bekend hebben gemaakt. Bovendien zet het kabinet, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, als onderdeel van nieuw beleid in op een brede gepaste zorgvuldigheidsverplichting voor bedrijven, bij voorkeur op Europees niveau.
Het bericht 'Grootontvangers van loonsteun in Nederland keren in het buitenland winst uit' |
|
Paul Smeulders (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grootontvangers van loonsteun in Nederland keren in het buitenland winst uit»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat er bedrijven zijn die miljoenen winst uitkeren aan hun aandeelhouders, terwijl zij ook steun van de overheid ontvangen? Hadden de miljoenen die nu aan aandeelhouders worden uitgekeerd niet ook gebruikt kunnen worden om lonen van werknemers door te betalen?
Het primaire doel van de NOW is om zoveel mogelijk banen te behouden. In de totstandkoming van de NOW-regelingen is telkens de afweging gemaakt om werkgelegenheid in Nederland te beschermen. Vanaf de invoering van de NOW2 geldt dat elk bedrijf dat subsidie ontvangt vanuit de NOW, en een voorschot van € 100.0002 of een definitieve subsidie van € 125.000 of meer ontvangt, geen bonussen aan directie en bestuur mag uitkeren, geen dividend aan aandeelhouders mag uitkeren en geen eigen aandelen mag inkopen. Dit geldt ook voor internationale bedrijven/multinationals die gebruik maken van de NOW.
Hiermee wordt voorkomen dat subsidiegeld vanuit de Nederlandse overheid wordt aangewend voor het uitkeren van bonussen en dividend. Deze voorwaarden zien niet op de bedrijfsonderdelen van (internationale) concerns die niet in Nederland zijn gevestigd en/of geen werknemers in dienst hebben met Nederlands sociaal verzekeringsloon (SV-loon). Deze bedrijfsonderdelen hebben geen werknemers die ze in Nederland verlonen en kunnen derhalve geen gebruik maken van de NOW. Om die reden zijn ze ook niet gehouden aan dit verbod.
Bij een NOW-aanvraag op werkmaatschappijniveau, wanneer een concern minder dan 20% omzetdaling heeft ten opzichte van 2019 maar een werkmaatschappij binnen het concern wél meer dan 20% omzetdaling heeft, zijn er aanvullende voorwaarden en geldt er een breder verbod. De gehele groep waarvan de werkmaatschappij onderdeel uitmaakt, mag in dat geval geen dividend uitkeren. Dit geldt ook voor de internationale bedrijfsonderdelen van de groep en groepsonderdelen die zelf geen NOW hebben aangevraagd. Het bonusverbod ziet toe op de Raad van Bestuur, directie van het concern/groep en de aanvragende rechtspersoon of vennootschap zelf, maar niet op andere bedrijfsonderdelen die zelf geen NOW-aanvraag hebben ingediend. Het inkopen van eigen aandelen is ook voor de gehele groep niet toegestaan.
Het verbod geldt voor de NOW1 (enkel bij aanvraag op werkmaatschappijniveau), NOW2 en NOW3.1 (derde tranche) over 2020 en voor de NOW3.2 (vierde tranche), NOW3.3 (vijfde tranche) en NOW4 over 2021.
Om invulling te geven aan de recente motie van Ploumen c.s. m.b.t. voorwaarden NOW bonussen- en dividendverbod multinationals, ben ik voornemens om in de NOW4 een aanvullende voorwaarde omtrent het bonus- en dividendverbod op te nemen waardoor de werkgever een ondertekende overeenkomst met de werknemersvertegenwoordiging dient te sluiten over het uitkeren van bonussen- en dividend. Hierover heb ik u in een aparte brief geïnformeerd.
Hebt u er na het zien van deze jaarverslagen spijt van dat u toch geen verbod hebt ingesteld op het uitkeren van winsten door buitenlandse moederbedrijven? Vindt u dit nog steeds een uitlegbare maatregel?
De NOW-regeling is in maart 2020 onder grote tijdsdruk opgezet. De focus lag daarbij op snelle financiële ondersteuning van werkgevers die werden geconfronteerd met een verplichte sluiting door de eerste lockdown. Het bonus- en dividendverbod heeft later de benodigde aandacht gekregen en is toen, mede op verzoek van de Kamer, volgens de huidige opzet vormgegeven vanaf de NOW2. Specifiek met betrekking tot uitkeren van bonussen: Met de NOW financiert de Staat gedeeltelijk de loonkosten van ondernemers. We doen dit vanwege de ongekende crisis en de daarop, door de overheid, opgelegde maatregelen met als doel om de werkgelegenheid zoveel mogelijk te behouden. Ik vind het onwenselijk dat wanneer er door deze steun financiële ruimte ontstaat bij werkgevers die wordt benut om bonussen uit te keren aan directie en bestuur, winstuitkeringen uit te betalen of eigen aandelen in te kopen. Echter ontbreken in de NOW1 nog de voorwaarden bij een reguliere aanvraag waarmee de uitkering van bonussen en dividend kan worden voorkomen. Het uitbreiden en dus verzwaren van de voorwaarden met terugwerkende kracht voor de NOW1 is echter niet mogelijk.
Bent u hierover in gesprek met de betreffende bedrijven? Zo ja, wat is de reactie van deze bedrijven? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen en de Kamer hierover te informeren?
Nee, ik ben niet in gesprek gegaan met deze bedrijven. Zoals bij het antwoord van vraag 1 toegelicht, is het bonus- en dividendverbod zorgvuldig tot stand gekomen. Ik heb daarbij bewust een beroep gedaan op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven en die oproep heb ik ook meerdere keren herhaald. Zolang bedrijven zich aan alle voorwaarden van de NOW houden, zie ik geen aanleiding om het gesprek aan te gaan. Wel heb ik met de sociale partners gesproken over het uitkeren van bonussen en dividend. Mede naar aanleiding daarvan ben ik voornemens om de voorwaarden voor de NOW 4 aan te passen.
Waar is de inschatting dat een verbod op winstuitkeringen voor moederbedrijven leidt tot verlies van banen op gebaseerd? Welke onderbouwing is daarvoor? Zijn er voorbeelden van?
Als concerns/moedermaatschappijen geen dividend zouden mogen uitkeren, waren er signalen dat zij geen NOW steun aan zouden vragen. Dit zou een negatief effect hebben op de werkgelegenheid, wat het doel is van de regeling. Het risico bestond en bestaat dat buitenlandse moederbedrijven door deze eis sneller Nederlandse banen verloren zouden laten gaan. De werkmaatschappijenregeling, waarbij op werkmaatschappijniveau een aanvraag wordt gedaan als het concern geen 20% omzetverlies heeft, kent echter wel een ruim dividendverbod, namelijk ook voor de moedermaatschappij, ongeacht de plaats van vestiging.
Klopt het dat in Duitsland wel een vergelijkbare voorwaarde is ingesteld? Wat zijn daar de gevolgen? Waarom is daar geen angst voor het verlies van banen?
Navraag bij de Duitse collega’s leert dat een dergelijke voorwaarde niet bestaat en er ook geen intenties zijn om dit alsnog in te voeren.
In hoeverre is er door het toelaten van dividenduitkeringen van de moedermaatschappij een ongelijk speelveld tussen volledig Nederlandse bedrijven die aan de Nederlandse voorwaarden zijn verbonden (na loonsteun vanaf mei) en Nederlandse dochters die dat niet zijn? Is dat niet onwenselijk? In hoeverre is dit eerder meegenomen in de besluitvorming en geeft deze nieuwe informatie aanleiding om dit te heroverwegen?
In de NOW is geregeld dat het verbod op dividend, winstuitkering, bonussen en inkoop eigen aandelen alleen geldt voor de aanvragende rechtspersoon of natuurlijke persoon (ongeacht vestigingsplaats) over 2020 (en over 2021 voor de 4e en 5e tranche van de NOW3 én de NOW4). Hierdoor is het verbod alleen van toepassing op een moedermaatschappij als deze zelf NOW-subsidie aanvraagt. Op deze manier wordt voorkomen dat buitenlandse concerns voordeliger worden behandeld dan binnenlandse concerns.
Het nadeel van deze aanpak was en is dat er verschillende manieren blijven waarop een concern/moedermaatschappij geld kan onttrekken uit de onderneming, bijvoorbeeld via leningen, schulden en andere transferpricingberekeningen. Het concern/de moedermaatschappij kan vervolgens dividend uitkeren. Het effect van het verbod is daarmee minder zeker. Toch is er voor dit beleid gekozen omdat er veel multinationals slechts een tak in Nederland gevestigd hebben. Voor de verwachte gevolgen om voor deze concerns/
moedermaatschappijen tóch een bonus- & dividendverbod in te stellen, verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Bent u bekend met het artikel «5G knokt om bandbreedte met levensreddend satellietstation voor schepen» en «Reders bezorgd over ontmantelen Burum»? Wat vindt u van de berichten?1 2
Ja, ik heb kennis genomen van deze berichten. Door vertraging in beantwoording van deze vragen zijn deze vragen door de tijd ingehaald. In oktober 2023 is er namelijk tussen de Minister van Economische Zaken en Klimaat en Inmarsat overeenstemming bereikt over het vrijwillig migreren van de communicatiediensten ten behoeve van het nood-, spoed- en veiligheidsverkeer naar Griekenland uiterlijk 1 februari 20244.
Welk overleg heeft u, als bewindspersonen van Economische Zaken en Klimaat en Infrastructuur en Waterstaat, over deze problematiek? Wat is daaruit gekomen?
Tussen de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft regelmatig afstemming plaatsgevonden over de genoemde problematiek.
Klopt het dat de International Maritime Satellite Organisation (IMSO) zijn zorgen heeft geuit over het Nederlandse voornemen in het National Frequentie Plan bij de International Maritime Organisation? Hebben deze zorgen u ook bereikt en wat heeft u daarmee gedaan?
Het klopt inderdaad dat IMSO zorgen heeft geuit die mij en mijn ambtsvoorganger hebben bereikt. Ambtenaren van mijn ministerie en van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat hebben meerdere malen contact gehad met IMSO over deze kwestie. IMSO is verheugd dat er inmiddels een oplossing is gevonden voor de afwikkeling van het nood-, spoed- en veiligheidsverkeer. De zorgen die IMSO schriftelijk heeft geuit zijn ook beantwoord.
U heeft in het schriftelijk overleg d.d. 1 maart 2021 aangegeven dat nog niet duidelijk is of Nederland de verplichtingen voor de veiligheid op zee onder de internationale verdragen nog voldoende kan uitvoeren, indien Inmarsat haar activiteiten dient te beëindigen, en dat dit complex is en nadere bestudering vraagt. Wanneer is dit gereed en kan de Kamer daarover geïnformeerd worden?2
Door de overeenstemming met Inmarsat is het nood-, spoed- en veiligheidsverkeer geborgd en zijn er geen twijfels meer over de vraag of Nederland de verplichtingen voor de veiligheid op zee onder de internationale verdragen voldoende kan uitvoeren.
Deelt u de mening dat Inmarsat in Burum een sleutelrol vervult voor de (veiligheid van de) scheepvaart en andere sectoren zoals de luchtvaart? Zo nee, waarom niet? Wat zijn de gevolgen voor de veiligheid voor onder meer de scheepvaart en luchtvaart op het moment dat er niet tijdig een goede oplossing voor Inmarsat beschikbaar is?
Ik deel deze mening.
Welk overleg heeft u tot nu toe gehad met het Britse telecombedrijf Inmarsat over Burum en wat is daar tot nu toe uit gekomen? Welk overleg heeft er tot nu toe plaatsgevonden met de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders (KNVR) over dit dossier en wat is daar tot nu toe uit gekomen?
Door de jaren heen hebben mijn ambtsvoorganger en ik – evenals mijn ambtenaren – veelvuldig contact gehad met Inmarsat. Dat heeft geresulteerd in de hiervoor genoemde overeenstemming over migratie van de afwikkeling van het nood-, spoed- en veiligheidsverkeer naar Griekenland. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat had en heeft sowieso veelvuldig contact met de KNVR, ook over dit onderwerp.
In hoeverre kan noodcommunicatie voor schepen en vliegtuigen technisch gezien over de huidige 3,5 GHz-frequentie plaats vinden? Welke andere oplossingen zijn er mogelijk om te zorgen dat Inmarsat gewoon haar taak kan blijven uitvoeren? Welke andere oplossingen zijn er onderzocht en waarom zouden die wel of niet kunnen?
Met de overeenstemming over migratie naar Griekenland hebben Inmarsat en ik een oplossing gevonden voor de communicatiediensten die Inmarsat afwikkelt ten behoeve van het nood-, spoed- en veiligheidsverkeer.
Heeft er overleg plaatsgevonden met de provincie Fryslân en de gemeente Noard-East Fryslân, het gaat bij Inmarsat in Burum om directe werkgelegenheid van 45 personen? Zo ja, wat is daaruit gekomen? Zo nee, waarom heeft er geen overleg plaatsgevonden?
Er heeft geen overleg plaatsgevonden met de provincie Fryslân of met de gemeente Noord-East Fryslân. Deze organisaties hebben mij noch mijn voorgangers om overleg gevraagd. Overigens heeft Inmarsat aangegeven dat de migratie van de afwikkeling van het nood-, spoed- en veiligheidsverkeer naar Griekenland weinig tot geen gevolgen heeft voor het personeelsbestand van Inmarsat in Burum. Dit omdat de operationele aansturing van het satellietgrondstation in Griekenland vanuit Burum plaatsvindt.
In hoeverre is er eventueel een nieuwe locatie voor Inmarsat beschikbaar, zodat onder meer de veiligheid op zee in ieder geval gewaarborgd kan blijven? Welk overleg vindt hierover plaats of heeft hierover plaatsgevonden? Bent u bereid om daarbij een meer actieve rol te vervullen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet? Waarom is Inmarsat nog niet ingegaan op uw aanbod voor ondersteuning bij het zoeken van een alternatieve locatie?
Er is met Inmarsat overeenstemming bereikt over vrijwillige migratie naar Griekenland zoals ik met mijn brief van 28 november 2023 aan de Tweede Kamer heb laten weten6. Inmarsat heeft inmiddels haar dienstverlening in de 3,5 GHz-band ten behoeve van het nood-, spoed- en veiligheidsverkeer verhuisd naar Thermopylae in Griekenland.
U heeft aangegeven dat het belang van maritieme nood-, spoed- en veiligheidsverkeer niet ter discussie staat, en dat van Inmarsat vraagt om bereidheid om constructief mee te werken aan een oplossing, geldt dat aan de andere kant ook niet voor de rijksoverheid?
Uiteraard vraagt een oplossing ook aan de kant van de rijksoverheid bereidheid om constructief mee te werken. Bij brief van 16 augustus 20237 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de veelvuldige gesprekken die hebben plaatsgevonden door mijn ministerie met de Griekse autoriteiten afgelopen jaar over dit onderwerp. In vervolg hierop heeft de Griekse Minister van Digitale Zaken mij in oktober 2023 een brief gestuurd over de positie van Inmarsat in Griekenland. Deze brief was aanleiding voor Inmarsat en mij om de onderhandelingen over de migratie te hervatten met overeenstemming over migratie van de dienstverlening ten behoeve van het nood-, spoed- en veiligheidsverkeer naar Griekenland als gevolg.
Wat is de tijdplanning rondom Burum en Inmarsat?
Inmarsat heeft inmiddels haar dienstverlening ten behoeve van het nood-, spoed- en veiligheidsverkeer in de 3,5 GHz-band verhuisd naar Griekenland.
Kunt u de voorgaande vragen één voor één en dus afzonderlijk beantwoorden?
Ja.