De grote afstand naar stembureaus |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat stemmen voor iedereen toegankelijk en zo makkelijk mogelijk moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat de afstand naar een stembureau zo kort mogelijk is, zeker voor ouderen, mensen zonder eigen vervoer of mensen die slecht ter been zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het wenselijk is dat gemeenten bij het aanwijzen van stemlocaties (waar meerdere stembureaus zitting kunnen hebben), zo te werk gaan dat de verkiezing goed toegankelijk is voor zo veel mogelijk kiezers, onder wie ook ouderen. Juist nu we vanwege het coronavirus te maken hebben met beperkingen, is het belangrijk dat er voor kiezers een stemlocatie op korte afstand beschikbaar is. Het is daarom ook mijn streven dat het aantal stemlocaties ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezing in 2017 op peil blijft, ongeacht het aantal stembureaus dat op elk van die locaties zitting houdt.
Ik heb navraag laten doen bij de gemeente Eindhoven. Men liet weten dat bij het aanwijzen van de stemlocaties zorgvuldig is gekeken naar spreiding van stemlokalen. Tevens is getracht de afstand van kiezers naar het dichtstbijzijnde stemlokaal zo klein mogelijk te houden. Het kan echter voorkomen dat de afstand naar een stemlokaal groter is dan men gewend is, omdat bepaalde reguliere locaties niet geschikt zijn om een stemming te houden onder covid-19-omstandigheden. In de gemeente Eindhoven worden 15 verzorgingslocaties bezocht door mobiele stembureaus met beperkte toegang. De betreffende bewoners ontvangen hierover een brief met informatie. Deze stemlokalen zijn echter niet opgenomen op de website «waarismijnstemlokaal.nl», omdat ze niet publiek toegankelijk zijn.
Deelt u de mening dat stembureaus die op meer dan een kilometer afstand liggen van bijvoorbeeld een 55+ woonvoorziening, zoals bijvoorbeeld in Eindhoven het geval is, daarom een slechte zaak zijn? Zo nee, waarom niet?1
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid alle gemeenten erop te wijzen dat er niet alleen, conform de aangenomen motie-Van Raak, méér stembureaus moeten zijn bij de aankomende verkiezingen maar dat deze stembureaus ook goed verspreid moeten zijn zodat iedereen veilig en laagdrempelig kan stemmen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb gemeenten eerder gewezen op het belang van het op peil houden van de stemlocaties ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezing in 2017 en op het belang van spreiding en toegankelijkheid. Mijn indruk is dat gemeenten het belang van spreiding over de verschillende wijken c.q. dorpen of kernen goed op het netvlies hebben; ik zie dan ook geen reden om hen opnieuw op dit belang te wijzen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor 26 februari? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
De kritiek op peperdure advocaten van politieagenten en de onderbetaling van sociaal advocaten |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van RTL nieuws over de 1,3 miljoen euro die de politie aan advocaatkosten heeft betaald in één zaak?1 Wat is daarop uw reactie?
Ja. Als een politieambtenaar als gevolg van de uitoefening van zijn of haar werk aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht, dan heeft de werkgever op grond van het Besluit algemene rechtspositie politie de plicht op om een tegemoetkoming te geven voor rechtskundige hulp. Daarnaast maakt dit deel uit van goed werkgeverschap. Het in het artikel genoemde bedrag betreft de kosten van rechtsbijstand die is verleend aan in totaal 26 politieambtenaren in complexe procedures die over een totale periode van ca. 3 jaar hebben plaatsgevonden.
Klopt het dat de declaratie van het advocatenkantoor Sjöcrona-Van Stigt bij de politie voor juridische hulp aan agenten in deze zaak 1.309.380,96 euro bedroeg? Is dat nu het totale bedrag in deze zaak, en zo niet, wat is dat dan wel? Wat vindt u van zo’n declaratie, beschouwt u die als marktconform en noodzakelijk? Kunt u uiteenzetten hoe dat bedrag tot stand is gekomen?
Het genoemde bedrag gaat om een tegemoetkoming voor de rechtskundige hulp aan politieagenten in de periode van juni 2015 tot mei 2018. De hoogte van de declaratie wordt zoals gezegd verklaard door de omvang en complexiteit van de zaak en het grote aantal politiemensen dat erbij betrokken was.
De gehanteerde tarieven zijn gebruikelijk in de markt. Aan de rechtskundige hulp van dergelijke zaken worden bijzondere eisen gesteld. De ingezette advocaten maken deel uit van een door de politie samengestelde advocatenpoule van strafrechtadvocaten die getraind zijn in de finesses van het politievak.
De advocaten uit de poule hebben in het verleden, bij de toenmalige korpsen, veel ervaring opgedaan in het verlenen van rechtsbijstand aan politieambtenaren die wegens een geweldsaanwending tijdens de dienstuitoefening in een strafrechtelijke procedure terecht kwamen.
Overigens mogen agenten zelf kiezen of ze een advocaat uit de poule inzetten of niet.
Vooropgesteld dat politieagenten, die verdachte zijn in het kader van de werkzaamheden tijdens hun diensten, recht hebben op goede verdediging op kosten van de Staat, deelt u ten principale wel de mening dat exorbitante uurtarieven van commercieel werkende advocaten niet door de belastingbetaler betaald hoeven te worden?
Artikel 69a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) schrijft voor dat politieambtenaren recht hebben op een tegemoetkoming van de kosten voor rechtsbijstand indien de ambtenaar wegens de uitvoering van de politietaak aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht. De Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie bevat regels over het toekennen van deze vergoeding. De gehanteerde uurtarieven zijn zoals voormeld marktconform.
Wat waren de gedeclareerde uurtarieven in deze zaak vanuit dit advocatenkantoor? Bent u nu bereid dit openbaar te maken, in tegenstelling tot de beantwoording van eerdere Kamervragen hierover en in lijn met de motie Van Nispen?2 3
De politie heeft vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap een advocatenpoule beschikbaar die politieambtenaren kunnen bijstaan. Deze advocaten uit de advocatenpoule die politieambtenaren bijstaan, zijn door opleiding, ervaring en betrokkenheid specialist op het gebied van ondersteuning van politieambtenaren.
Openbaarmaking van gegevens mag achterwege blijven voor zover het belang niet opweegt tegen het belang van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel derden; artikel 10, tweede lid, onderdeel g, van de Wob. Ook de Raad van State is van oordeel dat deze informatie op deze genoemde grond mag worden geweigerd.
Waarom heeft het eigenlijk zo lang geduurd voor hier enige openheid over is en zijn dit soort WOB-verzoeken van RTL nieuws, Kamervragen en moties nodig om dit soort informatie te krijgen? Hoe kan het dat zelfs geprocedeerd is om openheid te voorkomen, tot aan de Raad van State, wat heeft dat eigenlijk wel niet gekost?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u het gedeclareerde uurtarief in deze zaak redelijk, marktconform, en noodzakelijk om de gewenste kwaliteit te krijgen? Zo ja, bent u dan ook bereid sociaal advocaten dergelijke tarieven te gaan betalen? Zo niet, waarom is deze gang van zaken dan geaccepteerd?
Commerciële advocatentarieven worden bepaald door de markt. Kortgezegd is dat vraag en aanbod en het bijzondere specialisme.
Het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand voorziet in een subsidie aan advocaten en mediators voor burgers die minder draagkrachtig zijn. Daarvoor geldt een bepaald vastgesteld tarief conform het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Gelet op artikel 42a Wet op de rechtsbijstand en artikel 5 van het Subsidiebesluit Raad voor Rechtsbijstand worden op basis van de begroting van de Raad voor Rechtsbijstand jaarlijks voorschotten verstrekt. Hierbij wordt rekening gehouden met de ontwikkelingen in het volume van de toevoegingen en piketregelingen. Advocaten zijn vrij in hun keuze om voor dit tarief al dan niet hun diensten aan te bieden.
De rechtsbijstand die de overheid in casu afneemt is geen subsidie. De overheid is daarbij in dezelfde positie als iemand die niet in aanmerking komt voor gesubsidieerde rechtsbijstand en een betalende cliënt, en dus afhankelijk van de marktconforme tarieven.
Wat is uw reactie op de kritiek op deze torenhoge rekening?4
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat deze extreme tarieven in geen verhouding staan tot de vergoedingen die de Staat betaalt in de sociaal advocatuur, de rechtshulp voor mensen die dat ook hard nodig hebben, die al zoveel jaar ernstig onder druk staat?
Nederland behoort tot de top in Europa met een budget voor gesubsidieerde rechtsbijstand van € 400 mln. Per hoofd van de bevolking geeft Nederland twee keer zoveel meer uit dan België en drie keer zoveel meer dan Duitsland. Het huidige stelsel is niet klaar voor de toekomst. Het programma Stelselvernieuwing rechtsbijstand is ingesteld met het doel om het stelsel toekomstbestendig en duurzamer te maken zodat deelnemende advocaten een hogere beloning voor de te verrichte werkzaamheden ontvangen. Dit toekomstbestendig en duurzamer maken is de primaire taak van de overheid. Zoals ook vermeld in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Van Nispen (SP) over de dwang op commerciële advocatuur om gesubsidieerde rechtsbijstand te gaan verlenen doen we daarbij ook een beroep op commerciële advocatenkantoren om vanuit hun maatschappelijke ondernemerschap en gelet op de grote verschillen met de sociale advocatuur, iets te betekenen voor het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand.9 Het verheugt ons dan ook dat de NOvA Walter Hendriksen als kwartiermaker heeft aangesteld om meer structuur aan te brengen in de gefragmenteerde initiatieven op dit gebied en dit verder te ontwikkelen.
Wat is uw reactie op de kritiek dat de overheid voor haar eigen mensen oneindig budget uittrekt, die er voor andere verdachten en slachtoffers niet is, waardoor dit rechtsongelijkheid oplevert?
Er zijn binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid geen richtlijnen vastgesteld omtrent de (maximale) hoogte van het tarief voor advocaatkosten dat vergoed wordt in voorkomende zaken; de hoogte van de tegemoetkoming aan de medewerker wordt vastgesteld naar redelijkheid en billijkheid. Indien aan medewerkers een vergoeding wordt verleend voor de inhuur van rechtsbijstand is dat meestal onderdeel van een (vaststellings-)overeenkomst tussen medewerker en werkgever. Voor het toekennen van de vergoeding is geen tariefplafond vastgesteld omdat, anders dan bij rechtsbijstandsverzekeraars, deze situaties zich beperkt voordoen en de hoogte van de vergoeding een individuele weging vraagt.
Voorts kunnen sectorspecifieke regelingen van toepassing zijn, zoals artikel 69a Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) voor politieambtenaren. Hierin is geregeld dat indien een politieambtenaar in de uitvoering van de politietaak als verdachte wordt aangemerkt, het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toekent.
Voor zover de rechterlijke macht zich er al over heeft uitgesproken, is geoordeeld dat de gemaakte kosten als redelijk en billijk zijn aan te merken. Daarbij heeft de rechter expliciet overwogen dat «gelet op de aard, omvang en mate van juridische complexiteit (.) de kosten van rechtsbijstand naar het oordeel van de rechtbank niet bovenmatig of onredelijk [zijn].»
Doordat de overheid zelf een betalende cliënt is én ook als goed werkgever moet optreden, ontstaan er verschillen in de positie van rechtzoekenden. Dat is overigens ook aan de orde bij andere cliënten die de commerciële tarieven verschuldigd zijn.
Hoe kunt u uitleggen dat het budget voor gesubsidieerde rechtsbijstand ernstig tekortschiet en er geprotesteerd en gestaakt moest worden om een redelijke vergoeding voor sociaal advocaten af te dwingen, hetgeen nog steeds niet is gerealiseerd, en dat aan de andere krant de geldkraan onbeperkt openstaat voor commerciële advocatenkantoren op kosten van de Staat?
Zie antwoord vraag 8.
Wat gaat u doen om dit in de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u in ieder geval bereid per direct sociaal advocaten eindelijk een redelijke vergoeding te betalen, conform de conclusies van de commissie Van der Meer, om deze nu al grote rechtsongelijkheid te verminderen? Zo niet, waarom niet?
Met de commissie-Van der Meer delen wij de constatering dat de vergoedingen onder druk staan. Het opvolgen van de conclusies (scenario 1) van de commissie Van der Meer betekent een structurele investering van € 154 miljoen, voor 2021. Wij zijn ervan overtuigd dat met de stelselvernieuwing binnen het budgettaire kader hogere vergoedingen mogelijk zijn. In 2019 is geconstateerd dat het dermate knelde dat er in een overbrugging voorzien moest worden. Voor 2020 en voor 2021 is daarom extra geld (voor beide jaren € 36,5 mln.) beschikbaar gesteld.
Ook wenden we, zoals is aangekondigd in de vierde voortgangsrapportage rechtsbijstand, de onderuitputting van € 19 mln. uit het rechtsbijstandsbudget aan om nu al de vergoedingen op het gebied van het personen- en familierecht te verhogen, zoals uw Kamer per brief van 8 april jl. is bericht.10
De misstanden rondom de ontwikkeling van het nieuwe RIVM-gebouw |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat het Rijksvastgoedbedrijf opdracht heeft gegeven om een zeer trillingsgevoelig gebouw, namelijk het hoofdgebouw van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), te bouwen naast één van de drukste snelwegen (A27 bij Utrecht) en pal langs een trambaan? Zo ja, op welke wijze zijn hierbij de hoge veiligheidseisen die zulke gebouwen met zich meebrengen, meegenomen in het besluit voor deze locatie?
Het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport en het Rijksvastgoedbedrijf hebben samen de opdracht gegeven voor de nieuwbouw van het RIVM en CBG aan de Helsinkilaan in Utrecht. In de outputspecificatie (Programma van Eisen) is, naast de eisen op het gebied van veiligheid voor de laboratoriumruimten, een trillingseis opgenomen om te zorgen dat de werkzaamheden met gevoelige apparatuur niet worden verstoord. Deskundigen van advies- en ingenieursbureaus Arcadis en Movares gaven in de periode 2012–2013 aan dat het op deze locatie mogelijk is een gebouw te realiseren dat aan de trillingseis voldoet. In de aanbesteding van deze nieuwbouw is dit onderwerp eveneens uitgebreid aan de orde geweest.
In hoeverre denkt u dat Nederland – met het oog op COVID-19 en eventueel toekomstige pandemieën – in de toekomst een eigen biosafety level (BSL) level 4-laboratorium nodig zal hebben?
Voor het overgrote deel van de ziekteverwekkers, inclusief COVID-19, is een BSL 3 laboratorium voldoende. Indien er, bij hoge uitzondering, een BSL 4 laboratorium nodig zou zijn, is hiervoor voldoende capaciteit in omringende landen. Tevens zijn er standaardafspraken gemaakt met Duitsland over BSL 4 capaciteit. COVID-19 verandert niets aan de noodzaak voor BSL 4 capaciteit.
Kan er in de toekomst toch een BSL level 4-laboratorium worden bijgebouwd bij het huidige gebouw op Utrecht Science Park? Zo nee, wat moet dan volgens u de oplossing zijn, aangezien de conclusie inmiddels is getrokken dat het inefficiënt zou zijn om op meerdere plekken laboratoria te bouwen?
Ja. In het gebouw op het Utrecht Science Park is een laboratorium aanwezig dat opgewaardeerd kan worden naar BSL level 4 niveau.
Klopt het dat de kosten voor de bouw van het nieuwe RIVM-gebouw op € 267 miljoen zijn geraamd? Zo nee, wat zijn op dit moment de verwachte totale kosten?
Ja, het genoemde geraamde bedrag klopt.
Hoeveel wordt op jaarlijkse basis – rekening houdende met het feit dat het hoofdkantoor van het RIVM en het CBG naar verwachting drie jaar te laat wordt opgeleverd en het prijspeil inmiddels fors is gestegen – door Nederland betaald aan Bilthoven Biologics in verband met de huur van het huidige complex?
In 2020 is € 6.198.423 huur betaald aan Poonawalla Science Park, de eigenaar van de panden die het RIVM huurt. De huur wordt jaarlijks verhoogd conform het prijsindexcijfer CPI reeks alle huishoudens. In 2021 worden meer vierkante meters gehuurd en is het huurbedrag € 6.669.580. Er is overigens geen sprake van dubbele huisvestingskosten. De vergoeding voor de nieuwbouw in Utrecht vangt pas aan nadat het nieuwe pand in gebruik is genomen.
Is het waar dat Nederland vanwege de vertraging van drie jaar ten minste drie maal € 9,1 miljoen (totaal € 27,3 miljoen) extra dient te betalen aan Bilthoven Biologics en dit als tegenvaller dient te registreren?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of de thans verwachte oplevering in het najaar van 2021 wel met zekerheid wordt gehaald? Zo nee, wat is dan de nieuw verwachte opleverdatum?
Nee. De Kamer wordt middels een brief separaat geïnformeerd over de nieuwe opleverdatum.
Klopt het dat twee van de drie gecontracteerde bouwmaatschappijen, namelijk Heijmans en Hurks, reeds voor aanvang van de bouw met ruzie zijn vertrokken wegens het niet kunnen starten met de bouw, omdat er door het Rijksvastgoedbedrijf geen aanvangscertificaat kon worden afgegeven vanwege het niet kunnen voldoen aan de trillingsvereisten?
Het klopt dat er door het Rijksvastgoedbedrijf in 2015 in eerste instantie geen aanvangscertificaat kon worden afgegeven vanwege het niet kunnen voldoen aan de trillingsvereisten. Het consortium heeft het Rijksvastgoedbedrijf niet geïnformeerd over de reden waarom twee van de drie bouwbedrijven besloten hebben het consortium te verlaten.
Klopt het dat het Rijksvastgoedbedrijf de opdracht heeft gegeven aan het bouwconsortium, namelijk Strukton, Heijmans en Hurks, die door een second opinion van het bedrijf Arup al snel ontdekten dat het oorspronkelijke ontwerp van dit consortium voor het nieuwe hoofdgebouw van het RIVM en CBG absoluut niet aan de vereiste trillingsvereisten zou voldoen?
Het Rijksvastgoedbedrijf gunde het project in juli 2014 aan het consortium van Strukton, Hurks en Heijmans. De bouw kan starten nadat het Rijksvastgoedbedrijf het zogenoemde aanvangscertificaat (AC) verstrekt. Dit certificaat bevestigt dat het consortium het ontwerp voldoende kwalitatief heeft uitgewerkt en dat aan de gestelde eisen wordt voldaan om de nieuwe huisvesting van RIVM en CBG te kunnen bouwen. In november 2015, ruim één jaar later, werd bij de toetsing van het uitwerkings- en realisatieplan duidelijk dat niet werd voldaan aan de trillingseis en dat het AC daarom op dat moment niet kon worden verstrekt.
Heeft de Nederlandse staat zich volgens u aan alle wettelijke regels rondom aanbesteding gehouden, ook nadat twee van de drie bouwmaatschappijen zijn vertrokken en er reeds voor de bouw begon, grote tekorten aan het ontwerp van de huidige overgebleven aannemer (Strukton) zijn vastgesteld?
Ja. De Nederlandse staat heeft zich gehouden aan de wettelijke aanbestedingsregels.
Vindt u niet dat Nederland, bij het tijdig ontdekken van deze gebreken en het overblijven van slechts een derde van het oorspronkelijke bouwconsortium, opnieuw een aanbestedingsronde had moeten organiseren?
Nee. Voortzetting van de samenwerking was de beste optie gezien de diverse risico’s die zich zouden voordoen bij een nieuwe aanbestedingsronde.
Is het waar dat de bouw ruim een jaar heeft stilgelegen, teneinde nieuwe berekeningen uit te voeren met betrekking tot de vraag hoe het gebouw wél aan de trillingsvereisten zou kunnen voldoen?
Dit is juist. In 2016–2017 heeft de bouw omwille van de uitwerking van de trillingsvereisten ruim een jaar stilgelegen.
Klopt het dat, teneinde aan de trillingsvereisten te voldoen, er extra materiaal – in de vorm van onder andere heipalen – ter waarde van € 21 miljoen benodigd is, welke kosten voor 40% door de Nederlandse staat worden gedragen?
Op 30 juni 2017 heeft een Commissie van Deskundigen, in lijn met het contract tussen de Staat en het consortium, een bindend advies gegeven over de financiële gevolgen van de trillingenproblematiek. De Commissie oordeelde dat de trillingenproblematiek dermate complex was, dat deze voor het bouwconsortium en de Nederlandse Staat niet te voorzien was en dat een deel van de financiële gevolgen, een percentage van 40%, voor rekening van de Nederlandse Staat kwam. Dit resulteerde in een bedrag van € 36,5 miljoen. Het bedrag is opgebouwd uit de directe kosten voor de mitigerende maatregelen, waaronder de kosten voor de funderingspalen en de funderingsplaat, de vertragingskosten organisatie, de prijsontwikkeling van het investeringsdeel en de inflatiecorrectie. Deze meerkosten t.a.v. de trillingenproblematiek zijn vanwege financiële meevallers door een lager rentepercentage en een langere afschrijvingstermijn binnen de begroting opgevangen.
Zijn bij u, naast de meerkosten voor het materiaal ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan, nog meer materiële tegenvallers bekend geworden? Zo ja, kunt u deze kosten specificeren?
Zie antwoord vraag 13.
Klopt het dat de Nederlandse staat eveneens heeft ingestemd om een deel, namelijk € 5 miljoen van de in totaal beraamde € 25 miljoen, te betalen voor het meerwerk van het personeel?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u aangeven hoeveel meerkosten in totaal zijn gemaakt? Kunt u deze kosten specificeren?
De totale meerkosten zijn nog niet bekend, omdat het project nog niet is afgerond.
Kunt u garanderen dat, gezien dit enorm complexe bouwproces en uitzonderlijk stroeve verloop van dit project, het later opgeleverde gebouw aan alle trillings-en veiligheidsvereisten voldoet en het oorspronkelijk beoogde gebruik bij aanvang van het project, in de vorm van een nieuw hoofdkantoor voor het RIVM en CBG plus BSL 1,2 en 3 laboratoria, mogelijk is?
Ja. Het RIVM en RVB geven aan dat een belangrijke eis voor de laboratoria is dat conform het Validatiemasterplan (VMP) gewerkt moet zijn. In dit plan zijn de procedures, procesafspraken en toetsmomenten vastgelegd voor het doorlopen van het ontwerp- en het realisatieproces van de laboratoria. Doel van het VMP is om er voor zorg te dragen dat de laboratoria en de daaraan gerelateerde technische installaties en laboratorium apparatuur en processen zullen voldoen aan de gestelde eisen en de wettelijke eisen m.b.t. biologische en radiologische veiligheid en beveiliging en aantoonbaar goed en veilig functioneren.
Het ontwerp van het gebouw is door externe partijen doorgerekend op het trillingenrisico. Aanvullend is een borgingsplan gemaakt om specifiek op dit onderdeel aan te tonen dat gebouwd is conform het ontwerp. Als het gebouw wordt gerealiseerd conform het goedgekeurde ontwerp (waarop strikt wordt toegezien), zou het aan de trillingseisen moeten voldoen. Mocht dit zeer onverwacht niet het geval zijn, dan kunnen beheersmaatregelen worden genomen die het beoogde gebruik van het gebouw niet in de weg staan. Een voorbeeld hiervan is de aanschaf van trillingvrije laboratoriumtafels
Bent u nog steeds van mening dat het verstandig is om een gebouw met zulke strenge eisen te plaatsen in één van de dichtstbevolkte gebieden van Europa en pal naast een snelweg en trambaan?
Ja. Het RIVM staat als kennisinstituut midden in de maatschappij en zoekt actief kennisuitwisseling op met wetenschap en bedrijfsleven. De locatie op het Utrecht Science Park in Utrecht biedt voor deze kennisuitwisseling ideale omstandigheden. Tegelijkertijd moeten de laboratoria de onderzoeksactiviteiten optimaal ondersteunen. Vandaar de voorkeur van het RIVM voor deze locatie. Met de juiste maatregelen is het goed mogelijk om op deze locatie een gebouw te realiseren dat aan de trillingseisen voldoet.
Het bericht 'Bewoners op achterstand gezet in strijd tegen verbreding A27: ‘Hoort niet zo in een democratie’' |
|
Cem Laçin , Eva van Esch (PvdD), Suzanne Kröger (GL) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bewoners op achterstand gezet in strijd tegen verbreding A27: «Hoort niet zo in een democratie»« van RTV-Utrecht en de Zembla-uitzending: «De strijd over asfalt?»
Ja.
Klopt het dat het besluit over de verbreding van de A27 is genomen zonder een actuele verkeersprognose met daarin het veel grotere aandeel thuiswerken en/of een scenario met minder grote economische groei?
Tegen het Tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht is beroep aangetekend. Omdat de beroepsprocedure nog loopt, kan ik richting uw Kamer niet op de inhoud van het besluit ingaan.
Wat is de waarde van de oude stikstofberekeningen voor dit trajectbesluit in het licht van de ViA15-uitspraak van de Raad van State (20 januari 2021) en de bevindingen van de commissie Hordijk?
Zie antwoord op vraag 2.
Is er een inhoudelijke of politieke reden waarom niet alle onderzoeken zijn gedeeld met de Commissie voor de milieueffectrapportage (m.e.r.)?
Er is advies gevraagd over het MER bij de Structuurvisie met het voorkeursbesluit en het MER bij het Ontwerp Tracébesluit. Na vaststellen van het Tracèbesluit (TB) in 2016 werd bij de voorbereidingen van de aanleg van het project meer inzicht verkregen in de concrete technische uitwerking van de verdiepte ligging op de A27. Daarom is specifiek voor dit onderwerp bij de aanvulling op het MER een advies aan de Commissie gevraagd. Deze en overige aanbevelingen van de commissie zijn verwerkt in de definitieve versie van het MER en TB.
Hoe kunnen belanghebbenden zoals omwonenden en milieuorganisaties de rechtmatigheid van het besluit onderzoeken zonder een volledig advies van de Commissie voor de m.e.r.?
De Commissie m.e.r. heeft de afgelopen jaren diverse keren over het MER en de actualisaties daarvan geadviseerd. Het MER, de Actualisatie MER, de gerelateerde onderzoeken en de adviezen van de Commissie voor de m.e.r. zijn openbaar beschikbaar via https://platformparticipatie.nl/ringutrecht/default.aspx en de website van het project www.a27a12ringutrecht.nl.
Als de rechter zich moet uitspreken over dit project, op basis van welke onderzoeken en data zou dat dan moeten? Die van de omwonenden en milieuorganisaties?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe schat u uw kansen in, als de omwonenden en milieuorganisaties de enige zijn die geactualiseerde onderzoeken opvoeren met betrekking tot stikstofuitstoot en verkeersontwikkelingen?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe denkt u dat een rechter de technisch complexe onderzoeken bij het tracébesluit moet duiden, zonder de onafhankelijke expertise van de Commissie voor de m.e.r.?
Zie antwoord op vraag 2 en 5.
Hoe denkt u de A (alternatieve oplossing) van de ADC-toets te onderbouwen nu u niet heeft gekeken naar bijvoorbeeld meer thuiswerken of een kilometerheffing om files te bestrijden? Hoe denkt u de D (dwingend algemeen groot belang) van de ADC-toets te onderbouwen nu de files niet meer groeien doordat mensen uit zichzelf blijvend meer thuiswerken en de nieuwste lage WLO-scenario’s (Welvaart en Leefomgeving) een krimp van het autoverkeer verwachten? Hoe denkt u de C (compenserende maatregelen) van de ADC-toets te realiseren, als een gelijkwaardige vervangende boom 200 jaar moet groeien? Wat gebeurt er als de ADC-toets wordt afgewezen?
Zie antwoord op vraag 2.
Als u geen toets van de Commissie voor de m.e.r. wenst voor het hele project, waarom dan überhaupt nog een milieueffectrapport? Ziet u meerwaarde voor het project in een milieueffectrapport of beschouwt u het slechts als een verplicht nummer?
Een milieueffectrapport wordt opgesteld om de verwachte milieueffecten van een project in kaart te brengen, met daarbij ook de bijbehorende mitigerende en/of compenserende maatregelen. Op deze manier kunnen negatieve effecten worden voorkomen, of gecompenseerd. De Commissie voor de m.e.r. toetst de kwaliteit van het milieueffectrapport en speelt zo een belangrijke rol. Daarom is een geactualiseerd MER op een aantal specifieke onderdelen ter advisering voorgelegd aan de Commissie. Zoals toegelicht in antwoord op vraag 4 heeft de Commissie voor de m.e.r. eerder in de procedure meerdere malen advies uitgebracht wat ook heeft geleid tot aanpassing van de milieueffectrapportage en gerelateerde stukken.
Kunt u reageren op de uitspraak van de heer Ketting, voormalig voorzitter van de Commissie voor de m.e.r. dat de Crisis- en herstelwet op gespannen voet staat met het beleid om te decentraliseren?
In de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is geregeld dat decentrale overheden geen beroep kunnen instellen tegen besluiten van de centrale overheid als deze besluiten niet tot hen zijn gericht. Deze inperking van het beroepsrecht van decentrale overheden is in 2010 in de Chw opgenomen, omdat veel ontwikkelingen bij beroepen stokten. Ook past een gang naar de rechter minder goed in de onderlinge verhoudingen tussen overheden. De inperking van het beroepsrecht geldt overigens uitsluitend voor besluiten die zijn genomen in het kader van projecten die zijn genoemd of omschreven in de bijlagen I en II bij de Chw. De Chw bepaalt niet wat centraal of decentraal wordt geregeld in dit land.
Hoort dit zo in een democratie?
De procedure tot het nemen van het tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht is zorgvuldig en volgens de met de Tweede Kamer afgestemde kaders doorlopen. In 2014 is de voorkeursvariant met instemming van de Tweede Kamer vastgesteld. De parlementaire commissie Schoof heeft geconcludeerd dat een uitgebreid en zorgvuldig proces is doorlopen in aanloop naar het vaststellen van de voorkeursvariant voor de Ring Utrecht. Vervolgens is binnen de kaders van de gekozen voorkeursvariant een tracébesluit uitgewerkt. Belanghebbenden hebben tot 13 januari tegen het besluit beroep kunnen aantekenen bij de Raad van State.
De steunmaatregelen voor de bruine vloot |
|
Thierry Aartsen (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de teleurstelling dat de regeling voor de ondernemers van de bruine vloot pas eind tweede kwartaal 2021 gereed kan zijn? Wanneer was bekend dat een regeling pas eind tweede kwartaal 2021 gereed kon zijn?
Ik snap de teleurstelling en het ongeduld van deze ondernemers. Tegelijkertijd maken deze ondernemers inmiddels goed gebruik van de TVL, waardoor voor een groot deel van de ondernemers ook op de korte termijn steun beschikbaar is.
Hoe is dit te rijmen met het bericht in de Flevopost van 11 februari 2021 waarin wordt gesteld dat er in maart een beslissing over de regeling voor de bruine vloot komt, en dus het college van burgemeester en Wethouders van Lelystad in april een beslissing kan nemen over de liggelden? Is de Staatssecretaris bereid in overleg te gaan met de meest betrokken gemeenten waar de bruine vloot schepen liggen over de liggelden, waarvoor gemeenten ook compensatie krijgen vanuit het compensatiepakket gemeenten?1
Het vast stellen van de hoogte van de liggelden valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Ik weet dat de Waddenzee en IJsselmeer gemeentes samen werken aan een plan om de toekomst van deze sector te verzekeren. Mijn ministerie is met de branche en een van de initiatiefnemers van deze samenwerkende gemeentes in gesprek over ondersteuning van deze sector en zal in deze gesprekken ook de liggelden onder de aandacht brengen.
Hoe is de opmerking in de brief van 17 februari 2021 dat door de recente uitbreidingen ook al veel steun voor deze sector beschikbaar is zodat de ergste nood eraf is, te rijmen met het artikel in het Algemeen Dagblad van 17 februari 2021 «Historische zeilvloot met de ondergang bedreigd», en de signalen van de ondernemers van de bruine vloot? Hoe staat de sector er financieel voor? Kunt u een uitgebreide onderbouwing geven van het feit dat «de ergste nood eraf is»? Zo nee, waarom niet?2
De bruine vloot-ondernemers met hun historische zeilschepen zijn door de coronacrisis in het hart getroffen. Het kabinet heeft een generiek pakket aan maatregelen ontwikkeld waar ook ondernemers met een bruine vloot-zeilschip gebruik van kunnen maken.
Zowel de TOGS als de TVL lijken voor bruine vloot-schippers goed te passen hier hebben de aanpassingen van de afgelopen periode zeker aan bij gedragen.
Sinds de start van de crisis in maart vorig jaar is ruim € 23 miljoen euro TOGS/TVL subsidie toegekend aan bedrijven binnen de codes waar deze ondernemers grotendeels toe behoren: 5010, 5030 en 9103.
Ik ben me er van bewust dat naast bruine vloot-ondernemers ook andere ondernemers zoals bijvoorbeeld met motorschepen en rondvaartboten tot deze codes behoren, maar dit geeft wel een beeld van de hulp die deze regelingen bieden.
Het water staat veel ondernemers tot aan de lippen, bent u bereid om een noodloket te openen voor die ondernemers die het niet meer redden tot eind tweede kwartaal 2021? Zo nee, waarom niet? Is hier in een eerder stadium al naar gekeken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de afwegingen om dit niet te doen?
Op dit moment staan er verschillende steunmaatregelen open die ondernemers in nood kunnen helpen. Naast de TVL die liquiditeitssteun biedt voor het ondersteunen van ondernemers in de vaste lasten gaat het hier ook om andere maatregelen uit het steun- en herstelpakket zoals NOW, uitstel van belasting, de TOZO en de TONK. De kamer van Koophandel heeft het «Coronaloket» geopend met het overzicht van de verschillende de steunmaatregelen.
In hoeverre bent u bereid te kijken naar de mogelijkheid van een voorschot op de regeling? Is hier in een eerder stadium ook al naar gekeken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de afwegingen om dit niet te doen?
Bij het uitvoeren van de regeling kijken we ook naar verschillende mogelijkheden om de uit te keren middelen zo snel mogelijk bij de aanvrager te krijgen. Het is hierbij niet mogelijk voorschotten uit te betalen voordat de regeling is gepubliceerd en indien nodig door de Europese Commissie is goedgekeurd.
Een groot deel van deze ondernemers kan ook een aanvraag doen binnen de TVL. De meeste ondernemers krijgen binnen een week, soms zelfs dezelfde dag een goedkeuring van hun aanvraag en dan wordt binnen enkele dagen het voorschot van 80% van de subsidie overgemaakt.
In de Kamerbrief van 17 februari jl. (Kamerstuk 35 420, nr.231) heb ik uw Kamer laten weten dat daarnaast aan een aanvullende regeling wordt gewerkt. Op basis van deze brief zijn de contouren van de regeling uitgewerkt. Ik ben met de Europese Commissie in gesprek of deze regeling past binnen de steunkaders voor cultuur en instandhouding van het erfgoed.
Na een positief advies van de commissie kan de regeling nader worden uitgewerkt, gepubliceerd en zal de Kamer worden geïnformeerd, waarna de regeling, zoals aangekondigd in mijn brief van 17 februari jl., eind tweede kwartaal kan worden opengesteld.
Heeft u in de afgelopen periode ook gekeken naar de mogelijkheid van een opslag op de TVL (Tegemoetkoming Vaste Lasten) voor deze sector? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de afwegingen om dit niet te doen?
Zoals aangegeven in mijn brief van 22 april jl. (2021D14892) is het niet mogelijk deze steun via een opslag in de TVL vorm te geven. De bruine vloot is niet enkel op basis van een SBI-code af te bakenen. De Kamer van Koophandel heeft een overzicht van bedrijven binnen bepaalde SBI-codes, maar het is niet mogelijk op basis daarvan een onderscheid te maken tussen zeilschepen en andere ondernemingen. Binnen de SBI codes 5010, 5030 en 9103 zitten dan ook veel bedrijven die niet tot de historische zeilschepen behoren van meer dan 50 jaar oud. Tevens zal de regeling die we aan het in richten zijn, zien op omzetverlies van afgelopen jaar.
Welke contacten heeft u al met de Europese Commissie over de steunmaatregel voor de bruine vloot (gehad) en wat is de stand van zaken van het overleg?
Ik ben met de Europese Commissie in gesprek of deze regeling past binnen de steunkaders voor cultuur en instandhouding van het erfgoed.
Wat is het risico dat er nu nog weer maanden wordt gestudeerd op een regeling en dat er straks toch onvrede is over de uitgangspunten van de regeling? In hoeverre is er al overeenstemming met de betrokken organisaties over de uitgangspunten, criteria, et cetera? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar is overeenstemming over?
Mijn ministerie heeft de afgelopen periode nauw contact gehad met de vertegenwoordigende brancheverenigingen waaronder de HSWA-RECRON, FVEN en de BBZ. Daarnaast hebben we contact gehad met verschillende schippers die hun zorgen, wensen en mogelijke oplossingen met ons hebben gedeeld. De input uit deze gesprekken wordt, voor zover mogelijk, gebruikt om de regeling nader uit te werken. Aanvullende suggesties, voor zover passend binnen de kaders zoals deze in de Kamerbrief van 17 februari jl. zijn geschetst, worden hierbij gebruikt voor de Coronaregeling bruine vloot.
In hoeverre is er overwogen om de regeling niet door de Rijksdient voor Ondernemend Nederland (RVO) uit te laten voeren, maar bijvoorbeeld door een externe partij? Zo nee, waarom niet? Welke partijen zouden hiervoor voldoende kennis en ervaring om dat sneller te doen voor de bruine vloot dan het eind tweede kwartaal 2021?
Bij het ontwikkelen van de regeling zijn verschillende opties bekeken. Ook die van het laten uitvoeren van een regeling door een andere uitvoerder dan RVO.nl. Gezien de relatie tussen deze regeling en de TVL-regeling is ervoor gekozen om de uitvoering toch door RVO.nl te laten uitvoeren. Van ondernemers die binnen TVL subsidie hebben aangevraagd, worden de gegevens hergebruikt door RVO.nl, wat voor de ondernemers tijd en moeite scheelt. Tevens zal deze nieuwe regeling aansluiten op de TVL om te voorkomen dat voor dezelfde kosten twee maal subsidie wordt versterkt. Uitvoering door een andere organisatie maakt dat erg ingewikkeld om te controleren, en kan ook voor de ondernemer tot meer onduidelijkheid leiden.
Op 18 februari 2021 heeft FVEN (Federatie Varend Erfgoed Nederland) een brief gestuurd aan u en demissionair Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, kan de Tweede Kamer een afschrift ontvangen van de reactie van de betrokken demissionaire bewindspersonen op deze brief? Zo nee, waarom niet?
Wij hebben met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap afgesproken dat zij deze brief beantwoorden. Een afschrift van het antwoord zal naar uw Kamer worden verzonden. Daarnaast heeft mijn ministerie op verzoek van de FVEN ambtelijk gesproken over de wensen die deze sector heeft om ook historische motorschepen onder deze regeling te laten vallen. Tijdens dit gesprek hebben wij laten weten dat regeling wordt ontwikkeld langs de lijnen die in de Kamerbrief van 17 februari jl. (Kamerstuk 35 420, nr. 231) zijn geschetst. Motorschepen worden hiermee dus niet meegenomen.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden, samen met de vragen waarop deze vragen een aanvulling zijn en dus ruim voor het eerstvolgende coronadebat van 23 februari 2021 aanstaande beantwoorden? Zo nee, waarom niet? Kunnen deze schriftelijke vragen en de vragen van 15 februari 2021 in ieder geval binnen de daarvoor gestelde termijn van 3 weken worden beantwoord? Zo nee, waarom niet?
We hebben uw Kamer op 18 maart 2021 gevraagd om uitstel voor het beantwoorden van deze vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 2033).
Het artikel ‘Klein experiment met poststemmen in Den Haag’ |
|
Gerrit-Jan van Otterloo (50PLUS) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Klein experiment met poststemmen in Den Haag»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het bericht dat in deze weliswaar kleine proef meerdere personen fouten maakten met het invullen van het briefstemformulier, waar zij dachten dat zij dat goed hadden gedaan?
In mijn antwoorden2 op de vragen van het TK-lid Özütok (GroenLinks) heb ik uiteengezet op welke wijze het Ministerie van BZK in november 2020 heeft laten toetsen of het voor kiezers van 70 jaar en ouder begrijpelijk is hoe het stemmen per brief gaat. Op basis van deze uitkomsten zijn er aanpassingen doorgevoerd op de stempluspas en de uitleg die de kiezer ontvangt bij zijn briefstembescheiden. Het rapport met de uitkomsten van deze focusgroepen heb ik op 12 januari jl.3 aan uw Kamer gezonden. Tevens heb ik in deze antwoorden uiteengezet hoe ik aankijk tegen de kleine proef die is gehouden door Steffie4. De uitleg die de kiezers van 70 jaar en ouder krijgen bij hun briefstembescheiden is erop gericht dat de kiezer alle stappen volgt, zodat zij hun briefstem op de correcte wijze uit brengen.
Ik memoreer dat uit de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19, die op 30 januari jl. in werking is getreden, volgt dat een niet ondertekende stempluspas geaccepteerd wordt door het briefstembureau.5 In artikel 11g vierde lid van deze wet is geregeld dat als het stembiljet los (dus niet in de briefstembiljetenveloppe) in de retourenveloppe zit, het briefstembiljet (zonder dat in te zien) door het briefstembureau in de stembus wordt gedeponeerd. Dit leidt dus niet tot terzijdelegging en ongeldigheid.
Wat wel kan leiden tot terzijdelegging van de retourenvelop is het vergeten om de stempluspas mee te sturen, of de stempluspas in de gesloten stembiljetenvelop te stoppen, of dat de ongeadresseerde briefstembiljetenvelop in de brievenbus wordt gestopt (in plaats van de geadresseerde retourenvelop). In die gevallen kan de kiesgerechtigdheid niet worden vastgesteld en/of het stemgeheim niet worden gewaarborgd. De informatie die aan kiezers wordt gegeven is erop gericht dat deze fouten niet worden gemaakt.
Omdat het briefstemmen voor personen van 70 jaar en ouder een nieuwe vorm van stemmen is, is er veel aandacht voor communicatie om uit te leggen hoe briefstemmen gaat. Naast de landelijke campagne gaat het onder meer om een radiocommercial, advertenties in landelijke, regionale en huis-aan-huisbladen, advertorials in magazines van ouderenbonden en in alle RTV-gidsen en via communicatiemiddelen die ter beschikking worden gesteld aan gemeenten en intermediairen zoals ouderenbonden. Specifiek voor verpleeg- en verzorgingshuizen is een mailing met informatie en communicatiemiddelen gemaakt, met het verzoek aan deze instellingen om dit te gebruiken in de voorlichting aan bewoners van 70 jaar en ouder. In alle communicatiemiddelen wordt verwezen naar de website elkestemtelt.nl en naar de telefoonlijn 0800-1351 waar kiezers van 70 jaar en ouder met vragen over briefstemmen terecht kunnen.
Kunt u begrijpen op welke onderdelen dit fout is gegaan?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze zal er voorlichting worden gegeven over het op de juiste wijze invullen van een briefstembiljet aan de betreffende doelgroep?
Zie antwoord vraag 2.
Met welk percentage fout ingevulde formulieren houdt u rekening?
Zie antwoord vraag 2.
Welke tests zijn er uitgevoerd onder de groep potentiële gebruikers om de gebruiksvriendelijkheid en de begrijpelijkheid van de toelichting te testen?
Zie antwoord vraag 2.
Nederlandse militairen die als migrant geregistreerd zijn |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat Nederlandse militairen die in het buitenland gestationeerd zijn of waren, geregistreerd staan als «immigrant»? Zo ja, hoe is dit mogelijk en om hoeveel militairen gaat dit?
Voor iedere inwoner van Nederland geldt dat bij vertrek naar het buitenland, als langer dan acht maanden binnen twaalf maanden buiten Nederland verbleven gaat worden, er bij de woongemeente aangifte moet worden gedaan van vertrek uit Nederland1. De persoon die naar het buitenland vertrekt, blijft geregistreerd staan in de BRP, maar niet meer als inwoner van een gemeente, maar als niet-ingezetene. Bij terugkeer naar Nederland moet men zich dan weer melden bij de woongemeente voor inschrijving als ingezetene (de aangifte van verblijf en adres als bedoeld in artikel 2.38 van de Wet BRP). In BRP-systeemtermen wordt dan «groep 14 Immigratie» ingevuld. Dit geldt inderdaad voor militairen, maar ook bijvoorbeeld voor studenten die een jaar in het buitenland gaan studeren of werknemers die voor hun werkgever tijdelijk in het buitenland werken. In de BRP is geen informatie beschikbaar over waarom iemand naar het buitenland vertrekt of waarom iemand in het buitenland was, dus ook niet over het aantal militairen waar dit voor geldt.
Is er een aanpassing mogelijk in de basisregistratie personen zodat deze mensen niet meer als immigrant geregistreerd staan, omdat zij nooit daadwerkelijk zijn geëmigreerd?
In de BRP-systemen wordt de term «immigratie» gebruikt voor zowel vestiging vanuit het buitenland als voor remigratie en hervestiging. Op basis van gegevens uit de BRP kan echter wel onderscheid worden gemaakt tussen personen die naar Nederland geëmigreerd zijn vanuit het buitenland en personen die in Nederland geboren zijn, tijdelijk in het buitenland verbleven en weer zijn teruggekeerd. Dat onderscheid blijkt bijvoorbeeld uit de datum van eerste inschrijving in de BRP, en het al dan niet ontleend zijn van de persoonsgegevens aan een Nederlandse geboorteakte. Er is dus wel onderscheid tussen immigranten en inwoners die slechts tijdelijk in het buitenland waren. Echter, ik ben me er van bewust dat het gebruik van de term «immigratie» voor mensen die tijdelijk uit Nederland vertrokken waren een vreemde indruk wekt en dat men hecht aan duidelijkheid over het onderscheid.
Daarover kreeg ik ook meldingen via de Nationale ombudsman (onderdeel Veteranen Ombudsman). Het gebruik van de term «immigratie» in het BRP-systeem leidt er toe dat Nederlanders die terug zijn gekeerd na tijdelijk verblijf uit het buitenland, bij inzage van hun persoonslijst uit de BRP (via mijnoverheid.nl of bij de gemeente) de term «immigratie» zien staan. Dat men als «immigrant» staat genoteerd wordt door sommige militairen die in het buitenland geplaatst zijn geweest als onjuist ervaren. Bij vraag 4 ga ik in op mogelijke aanpassingen om het onderscheid zichtbaar te maken.
is het waar dat deze mensen of hun gezinsleden, die in dienst van de Nederlandse overheid zijn uitgezonden, hiervan gevolgen ondervinden zoals het opbouwen van minder AOW-rechten? Zo ja, wat gaat u hierop ondernemen?
Uitvoeringsinstanties en andere overheidsorganen zijn op grond van de Wet BRP in beginsel verplicht om gebruik te maken van gegevens uit de BRP. Er zijn echter uitzonderingen opgenomen op dat uitgangspunt. Eén van de uitzonderingen is dat mag worden afgeweken van de gegevens in de BRP indien een goede vervulling van de taak dat vereist. Daarmee is in de wet gewaarborgd dat het bestuursorgaan, belast met de uitvoering van sectorale regelgeving, invulling kan geven aan zijn eigen verantwoordelijkheid om ten aanzien van de individuele burger te beslissen over het toekennen van een voorziening of het opleggen van een verplichting. Het is van belang dat bestuursorganen deze verantwoordelijkheid nemen en in voorkomende gevallen zelf onderzoek doen naar de concrete situatie, voordat op basis van gegevens uit de BRP jegens betrokkene een beslissing wordt genomen.
Bij zelfstandige vestiging in het buitenland langer dan 12 maanden2 worden Defensiemedewerkers geïnformeerd (mondeling en met een brochure) dat men zich moet laten uitschrijven als inwoner uit de BRP en dat men contact moet opnemen met overheidsorganisaties om aan te geven dat er sprake is van uitzending en niet van emigratie, zodat die rekening daarmee kunnen houden.
Het gebruik van de term «Immigrant» bij de registratie bij terugkeer na verblijf in het buitenland in plaats van bijvoorbeeld de term «hervestiging» heeft geen gevolgen voor rechten en plichten. Zoals bij vraag 2 toegelicht kan onderscheid gemaakt worden tussen immigratie, remigratie en hervestiging.
Bent u het eens dat het voor militairen als erg vervelend kan worden ervaren dat zij worden geregistreerd als immigrant, terwijl zij in dienst van de Nederlandse overheid zijn uitgezonden? Zo ja, wat gaat u hierop ondernemen?
Ja, daar ben ik het mee eens.
In het kader van de Ontwikkelagenda BRP werk ik aan verbeteringen en vernieuwingen in het BRP-stelsel. Een van de onderwerpen is «Meerdere adressen registreren». Dat punt is geagendeerd om te onderzoeken of en hoe een tweede adres opgenomen zou kunnen worden in de BRP en hoe dit kan bijdragen aan het oplossen van knelpunten voor de burger en verbetering van zicht op verblijf van personen door de overheid. Een van de daarbij genoemde knelpunten is tijdelijk verblijf in het buitenland vanwege werkzaamheden. Ik zal deze casus in het onderzoek betrekken. Uiteraard zal ik daarbij de bijzondere omstandigheden van militairen meenemen (zo zal een adres registreren niet altijd wenselijk zijn).
Daarnaast wil ik laten onderzoeken hoe bij het tonen van de gegevens op mijnoverheid.nl wel het onderscheid zichtbaar kan worden tussen «immigratie» en «hervestiging», en hoe beter over het onderscheid gecommuniceerd kan worden bij uitleg over de registratie.
In de eerstvolgende voortgangsbrief over de BRP zal ik over de stand van zaken van de verbeteringen rapporteren.
Onduidelijkheid bij gemaakte afspraken door banken inzake het vergoeden van spoofingfraude |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is de huidige stand van zaken wat betreft het vergoeden van slachtoffers van spoofing en de uitvoering van de motie-Van Nispen c.s?1
De motie-Van Nispen verzoekt de regering om met banken in gesprek te gaan met als doel de slachtoffers van bankfraude, zoals spoofing, te compenseren en als dat niet lukt, de Kamer zo spoedig mogelijk te laten weten hoe compensatie alsnog wettelijk afgedwongen kan worden. Daarnaast wordt de regering verzocht te rapporteren over de inspanningen om criminelen op te sporen en het misdaadgeld af te pakken.
Eind vorig jaar heb ik met de banken gesproken over de compensatie van de schade ten gevolge van deze vormen van fraude. De banken besloten toen om de schade door telefoonnummerspoofing uit coulance te vergoeden, omdat bij deze vorm misbruik wordt gemaakt van het vertrouwen van klanten in hun bank. Hierover heb ik uw Kamer nader geïnformeerd in mijn brief van 18 december.2
De banken vergoeden de schade als gevolg van telefoonnummerspoofing als er aantoonbaar sprake is van misbruik van de naam of het telefoonnummer van de eigen bank en als het slachtoffer aangifte bij de politie heeft gedaan.
De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) heeft aangegeven dat de totale schade als gevolg van phishing en telefoonnummerspoofing in het betalingsverkeer in 2020 € 39,5 miljoen bedroeg. In de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 was volgens de vier grootbanken (ABN AMRO, ING, Rabobank en Volksbank) sprake van 3508 gevallen van telefoonnummerspoofing. Deze banken hebben in 96% van alle voornoemde gevallen de schade vergoed. Een klein deel van deze gevallen, circa 0,44%, is niet vergoed, omdat er bijvoorbeeld sprake was van een valse melding of dat een klant niet mee wilde werken aan het onderzoek. Bij de overige gevallen is de beoordeling van de zaak nog niet afgerond.
Gelet op het maatschappelijke probleem van toegenomen gedigitaliseerde fraudevormen heb ik gezamenlijk met de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat het voornemen om u in mei te informeren over een gezamenlijke aanpak van spoofing en gedigitaliseerde fraudevormen die daarmee mogelijk zijn. Ik heb u hierover geïnformeerd in mijn brief van 18 december 2020.3 Wij zijn in overleg met de banken en de telecomsector, aangezien dit probleem zowel burgers als het bedrijfsleven raakt, veel schade veroorzaakt en ook het vertrouwen in het betalingsverkeer kan ondermijnen.
In deze brief zal het kabinet ook ingaan op de inspanningen om criminelen op te sporen en misdaadgeld af te pakken, zoals is verzocht in het tweede deel van de motie-Van Nispen.
Herinnert u zich uw brief aan de Kamer waarin u schreef over een afwegingskader coulancebeleid spoofingfraude?2
Ja.
Hoe staat het met de afspraak dat de banken collectief nog nader zouden gaan uitwerken wanneer er sprake kan zijn van «grove nalatigheid» bij spoofing?
Uit de verstrekte cijfers van de NVB onder vraag 1 blijkt dat de banken de schade door spoofing in vrijwel alle gevallen hebben vergoed, tenzij er een duidelijke aanleiding was om dit niet te doen, bijvoorbeeld als betrokkene niet wilde meewerken aan het onderzoek. Zoals ik ook schreef in de eerdergenoemde brief van 18 december, is met de banken afgesproken dat zij gezamenlijk uitwerken wanneer er sprake is van grove nalatigheid bij spoofing, de zogeheten «toetsingscriteria» voor coulance bij spoofing. Om ook toekomstige gevallen van spoofing goed te kunnen beoordelen is het belangrijk dat de banken snel de definitie van de toetsingscriteria voor coulance vaststellen.
In mijn gesprekken met de banken in het kader van de toetsingscriteria zet ik mij niet alleen in voor zo snel mogelijk duidelijkheid over de invulling van de criteria, maar benadruk ik ook dat de criteria ruimhartig genoeg moeten zijn om de slachtoffers van spoofing tegemoet te komen. De NVB en de banken hebben aangegeven dit traject binnenkort af te ronden. Ik kom hierop terug in de aangekondigde brief van mei.
Ik merk hierbij op dat bij de toetsingscriteria sprake zal zijn van zogenoemde minimumcriteria. Dit in verband met mededingingsregelgeving. Individuele banken kunnen dus ook ruimhartiger omgaan met deze toetsingscriteria, waardoor meer slachtoffers in aanmerking komen voor een vergoeding. Het kan dus zijn dat vergelijkbare gevallen niet op eenzelfde manier worden behandeld door verschillende banken. Zolang de criteria voldoende helder maken welke schade minimaal door banken wordt vergoed, vind ik het verdedigbaar dat banken in specifieke situaties ruimhartiger vergoeden dan afgesproken in de toetsingscriteria.
Klopt het dat er nog steeds geen overeenstemming bestaat onder banken over wat nu precies valt onder «grove nalatigheid» en dat het dus voor kan komen dat gelijke, dan wel vergelijkbare gevallen alsnog anders beoordeeld worden door verschillende banken? Zo ja, acht u dat wenselijk? Zo nee, wat is dan precies de definitie van «grove nalatigheid»?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid zich in te spannen om alsnog zo snel als mogelijk duidelijkheid te krijgen over wat banken nu precies verstaan onder «grove nalatigheid»? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht ‘Slechts voor genodigden, liefst anoniem: fondsenwerving bij de VVD’ |
|
Nevin Özütok (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Slechts voor genodigden, liefst anoniem: fondsenwerving bij de VVD»?1
Ja.
Kunt u aangeven of de situatie waarover in het artikel gesproken wordt, waarbij personen een politieke partij in natura steunen door middel van het faciliteren en bekostigen van een bijeenkomst ten behoeve van die partij, een volgens de Wfpp meldingsplichtige gift (in natura) aan een politieke partij betreft?
In de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) gelden voor giften in natura dezelfde regels als voor geldelijke giften. Volgens de Wfpp is sprake van een bijdrage in natura indien ««een zaak of dienst, op verzoek van een politieke partij aan haar geleverd dan wel door deze aanvaard, waar geen of geen evenredige tegenprestatie tegenover staat».2 In de memorie van toelichting van de Wfpp worden de volgende voorbeelden van bijdragen in natura genoemd: de terbeschikkingstelling van vergaderruimte, het vervoer van personen, het verzorgen van catering, het rondbrengen van informatiemateriaal en het gratis of tegen gereduceerd tarief ter beschikking stellen van advertentieruimte. Van een bijdrage in natura is ook sprake als de waarde van de ontvangen dienst of prestatie meer bedraagt dan de door de politieke partij betaalde prijs of de geleverde tegenprestatie.3
Of de in het artikel genoemde casussen als bijdrage in natura moeten worden aangemerkt kan ik op basis van enkel de informatie in dit artikel niet beoordelen. Ik heb daarom de VVD verzocht mij hierover te informeren.
Kunt u aangeven of de situatie waarover in het artikel gesproken wordt, waarbij personen advertentieruimte bekostigen met daarin een oproep om op een partij te stemmen, een volgens de Wfpp meldingsplichtige gift (in natura) aan een politieke partij betreft?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven wat de consequenties zijn van het niet voldoen aan de wettelijke meldingsplicht?
Indien de indruk ontstaat dat de door een politieke partij aangeleverde documenten niet volledig voldoen aan de in de Wfpp gestelde eisen kan de toezichthouder een aantal maatregelen treffen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om een verzoek aan de Auditdienst Rijk om een review te verrichten bij de accountant van een politieke partij. Als ultieme remedie kan op basis van de Wfpp (artikel 37) een bestuurlijke boete van maximaal 25.000 euro per overtreding worden opgelegd.
Kunt u deze vragen één voor één op korte termijn, bij voorkeur voor woensdag 24 februari, beantwoorden?
Deze vraag is zo snel als mogelijk beantwoord.
Werkzaamheden onder Europese aanbestedingsregels bij Schiphol |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat de beveiliging op Schiphol voor ten minste vier jaar wordt aanbesteed en er per december 2020 van aanbieder is gewisseld?1
Schiphol heeft aangegeven dat er tot december 2020 4 beveiligingsbedrijven werkzaam op Schiphol waren: G4S, CTSN,I-SEC, Securitas en SDBV. Vanaf december zijn er 5 beveiligingsbedrijven werkzaam op Schiphol: G4S, Securitas, Trigion, I-sec en CTSN. De minimale duur van deze contracten is 4 jaar.
Klopt het dat de werkzaamheden bij Schiphol op het gebied van beveiliging sterk zijn teruggelopen door de coronacrisis?
Schiphol geeft aan dat alle beveiligingswerkzaamheden gerelateerd aan passagiers sterk zijn teruggelopen.
Wanneer hebben de partijen zich in moeten schrijven voor deze aanbesteding en hoeveel tijd hebben zij om voldoende mensen te werven als de aanbesteding wordt gegund?
Schiphol geeft aan dat de inschrijving op 6-6-2019 opende en de gunning vond plaats op 9-11-2019. Na de gunning werd via het mechanisme van minicompetities het beveiligingswerk verdeeld over de partijen. Het streven was om deze verdeling in juni 2020 af te ronden. Door de sterk afgenomen vraag van de aan passagiers gerelateerde beveiligingswerkzaamheden is deze verdeling uitgesteld en in september 2020 afgerond. Indien noodzakelijk hadden partijen 2,5 maand de tijd om te werven. In september 2020 was het aantal beveiligingsmedewerkers in dienst van de zittende partijen op het niveau van voor de COVID-19 pandemie. Grootschalige werving was daardoor niet aan de orde.
Klopt het dat het risico voor de teruglopende vraag naar beveiligingsdiensten nu volledig wordt neergelegd bij deze beveiligingsbedrijven?
Schiphol geeft aan dat dit voor het grootste gedeelte het geval is. Daarnaast geeft Schiphol aan dat beveiligingsbedrijven voor een gedeelte worden gecompenseerd voor de teruggelopen vraag. De verschillen tussen de bedrijven, betreffende de teruglopende vraag zijn erg groot. Bedrijven werkzaam bij doorlaatposten of surveillance hebben niet te maken gekregen met teruglopende vraag. Bedrijven werkzaam bij passagierscontrole zijn echter wel geraakt door de teruglopende vraag.
Vindt u de teruglopende vraag horen bij regulier bedrijfsrisico als de aanbesteding van deze diensten al voor de start van de coronacrisis rond was?
Schiphol geeft aan dat de partijen tijdens de verdeling van de werkzaamheden in de zomer van 2020 de gelegenheid hebben gehad zich terug te trekken. Dit was zoals eerder beschreven de voornaamste reden om de verdeling uit te stellen tot september 2020. Tijdens de periode van uitstel tot september 2020 konden de partijen de (nieuwe) bedrijfsrisico’s inschatten. Geen van de partijen heeft uiteindelijk besloten om zich terug te trekken.
Klopt het dat deze beveiligingsbedrijven dan geen gebruik kunnen maken van de Tijdelijke noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) voor hun personeel, omdat er geen goede vergelijking te maken is met het voorgaande jaar?
Bedrijven kunnen aanspraak maken op de NOW-regeling als ze aan de voorwaarden voldoen. Deze voorwaarden zijn onder andere dat er een omzetverlies is van ten minste 20% ten opzichte van de referentiemaand, geldend voor de tranche NOW die wordt aangevraagd. Daarnaast heeft de NOW als doel om werkgelegenheid te behouden. Om dat te bereiken is er in de NOW-1 en -2 een korting op de subsidie als er bedrijfseconomisch ontslag wordt aangevraagd. Het uitgangspunt is uiteraard dat zo veel mogelijk bedrijven, zo veel mogelijk werknemers in dienst houden. Binnen de NOW-3 is er iets meer ruimte voor werkgevers om hun bedrijfsvoering aan te passen aan de nieuwe werkelijkheid. Als een bedrijf niet aan deze voorwaarden voldoet, kan zij geen aanspraak maken op NOW-subsidie.
Zou Schiphol voor het minder gebruikmaken van de beveiligingsdiensten wel van de NOW gebruik kunnen maken?
Nee, Schiphol heeft de beveiligingsmedewerkers niet op de loonlijst staan. De NOW is een subsidie op de loonsom. Werkgevers kunnen loonsomsubsidie aanvragen voor alle werknemers die op de loonlijst staan en voor wie ze sociale premies betalen. Hieronder vallen werknemers met een vast contract en werknemers met een flexibel contract, zoals een oproep- of nul-urencontract. Voor werknemers die niet op de loonlijst staan, zoals uitzendkrachten, kan geen tegemoetkoming aangevraagd worden. De werkgever die hen in dienst heeft, kan uiteraard wel voor deze werknemers NOW subsidie aanvragen.
Zou het mogelijk zijn om bedrijven met zulke grote nieuwe aanbestedingen aan te merken als «startend» en zo wel in aanmerking te laten komen voor de NOW?
Startende ondernemers kunnen aanspraak maken op de NOW, mits zij voor 1 maart 2020 minstens een maand omzet hebben gedraaid. Voor bedrijven die zijn gestart na 1 januari 2019 geldt een andere meetperiode voor omzetberekening dan bedrijven die heel 2019 al bestonden. De voorwaarden voor deze startende bedrijven staan verder gespecificeerd in de regeling. Voor bedrijven die voor 1 januari 2019 zijn begonnen gelden de algemene voorwaarden zoals die in de regeling staan beschreven.
Ondernemingen die een andere onderneming hebben overgenomen kunnen gebruik maken van dezelfde afwijking van de standaardregel voor omzetbepaling van startende ondernemingen als de overname is geweest voor 2 februari 2020. Net als voor startende ondernemingen geldt dat de overname minimaal een kalendermaand voor 29 februari 2020 ligt; er moet immers een relevante referentiemaand overblijven.
Vormt het niet (gedeeltelijk) doorbetalen van de beveiliging niet een risico op termijn voor Schiphol, aangezien de tekorten in de beveiliging groot zijn?2
Schiphol geeft aan dat de beveiliging voldoende is gewaarborgd. Indien de bedrijven bij toenemende passagiersaantallen niet evenredig kunnen meegroeien zou dit logistieke problemen kunnen geven. Schiphol werkt nauw samen met beveiligingsbedrijven en luchtvaartmaatschappijen om dit risico te minimaliseren.
Deelt u de mening dat Schiphol hier verantwoordelijkheid zou moeten nemen, zeker gezien het feit dat het een staatsdeelneming betreft?
Schiphol besteedt de werkzaamheden aan via de Europese aanbestedingsregels en neemt daarmee de verantwoordelijkheid voor het juist aanbesteden van de beveiligingswerkzaamheden op Schiphol zoals van een staatsdeelneming mag worden verwacht. Zoals in voorgaande antwoorden is aangegeven, heeft Schiphol eveneens ruimte gegeven aan bedrijven om zich terug te trekken en om zich aan te passen aan de veranderende capaciteitsvraag. Daarnaast werkt Schiphol nauw samen met de beveiligingsbedrijven en luchtvaartmaatschappijen om eventuele risico’s van een gebrek aan capaciteit van beveiliging te minimaliseren.
Financiële hulp voor wildopvangcentra en de kosten die dierenambulances en vogelopvangcentra maken als gevolg van vogelgriepuitbraken. |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u zich herinneren dat de Kamer u middels een motie heeft verzocht om in samenwerking met gemeenten, provincies en andere stakeholders een uniforme landelijke richtlijn te ontwikkelen voor vergoedingen aan lokale en regionale wildopvangcentra?1
Ja.
Kunt u zich herinneren dat u geen landelijke richtlijn heeft ontwikkeld vanwege de grote variatie aan opvangcentra en hun financiële behoeften, en dat u in plaats daarvan gemeenten en provincies heeft aangemoedigd in gesprek te gaan met lokale wildopvangcentra over welke hulp zij nodig hebben?2
Ja.
Welke concrete resultaten zijn uit deze gesprekken gekomen?
Het is mij bekend dat enkele provincies vorig jaar steun hebben toegezegd aan de opvang en het vervoer van gewonde wilde dieren. De provincie Noord-Holland helpt opvangcentra voor wilde dieren door een adviseur in te zetten bij het opstellen van formats voor wettelijk verplichte protocollen en door de opvangcentra te ondersteunen in hun communicatie middels een subsidieregeling. Ook de provincie Utrecht ondersteunt opvangcentra en dierenambulances. De aanpak is gericht op professionalisering van de organisaties, met bijvoorbeeld cursussen (werven en vasthouden van vrijwilligers en fondsenwerving) voor medewerkers/vrijwilligers. Na het gebruik van de cursusmogelijkheid kunnen er vouchers worden aangevraagd voor bijvoorbeeld verbeteringen aan de dierenambulance of het dierenopvangcentrum. Ook de provincie Limburg heeft het afgelopen jaar dierenambulances en -opvangcentra financieel ondersteund waar het gaat om de opvang van wilde dieren.
Kunt u een overzicht geven van de provincies en gemeenten die wildopvangcentra financieel bijstaan en kunt u een overzicht geven van de provincies en gemeenten die dit tot nu toe hebben geweigerd?
Het ministerie beschikt niet over deze gegevens.
Wat doet u voor wildopvangcentra die tot nu toe nul op het rekest hebben gekregen van hun provincie of gemeente?
Zoals in de brief aan uw Kamer van 28 juni 2020 (Kamerstuk 33 576, nr. 196) wordt toegelicht werkt het ministerie, samen met de opvangcentra, de dierencoalitie en een aantal provincies aan een aantal acties met als insteek om een betere en duidelijke basis te bieden op grond waarvan de opvangcentra hun activiteiten kunnen uitvoeren. Het is de verwachting dat deze acties, die het lid Wassenberg in de vragen 6, 7 en 8 benoemt, zullen bijdragen aan de verbetering van opvang van wilde dieren en meer duidelijkheid zullen scheppen voor de opvangcentra.
Wanneer verwacht u de aanvulling op de zienswijze «Zorgplicht natuurlijk gewogen» over wildopvang van de Raad voor de Dieraangelegenheden naar de Kamer te kunnen sturen?3
De zienswijze van de RDA zal in het tweede kwartaal van 2021 gereed zijn en naar uw Kamer worden gestuurd.
Hoe ver bent u met de aanpassing van de Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten en het bijbehorende Protocol?
Het ministerie heeft de wensen van de opvangcentra en gemeenten geïnventariseerd en is nu samen met een aantal gemeenten, opvangcentra en de dierencoalitie de beleidsregels vorm aan het geven. Dit vraagt om zorgvuldigheid en overleg met alle partijen, dat kost tijd. Het streven is om dit eind van dit jaar af te ronden.
Hoe ver zijn de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD), de opvanglocaties en andere stakeholders met het voorstel voor het maken van een uitzondering voor opvangcentra voor het onder voorwaarden uitvoeren van enkele veterinaire handelingen?
Op 27 augustus is het genoemde voorstel door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ontvangen. Met de opvangcentra, de KNMvD, enkele dierenartsen op eigen titel en het ministerie is hier eind vorig jaar overleg over gevoerd. Momenteel wordt naar aanleiding van dit voorstel een verdiepingsslag gemaakt om de behoefte van de opvanglocaties met betrekking tot het uitvoeren van veterinaire handelingen nog scherper in beeld te krijgen. De KNMvD is momenteel bezig hiervoor een enquête uit te zetten onder opvanglocaties en dierenartsen. Dit biedt de mogelijkheid om een gewogen en onderbouwd besluit te nemen over de voor- en nadelen van een dergelijke uitzondering voor opvangcentra. Over de uitkomsten van deze enquête vindt naar verwachting in april overleg plaats.
Is het u bekend dat Vogelopvang de Fugelspits, samen met het Fryske Gea en terreinbeheerders, de afgelopen tijd alleen al in de regio Noordoost Friesland zo’n 7.000 met vogelgriep besmette vogels heeft opgevangen, uit hun lijden heeft verlost of dood uit de natuur heeft gehaald?
Ja.
Is het u bekend dat Vogelopvang de Fugelspits ondanks al deze extra werkzaamheden nog geen enkele gemeente bereid heeft gevonden financiële compensatie te bieden voor de door hen gemaakte kosten?
Dat is mij niet bekend.
Erkent u dat vogelopvangcentra door alle meldingen van met vogelgriep besmette vogels veel extra kosten moeten maken voor onder andere beschermingsmiddelen en dierenartskosten voor bijvoorbeeld euthanasie, maar hiervoor vaak niet worden gecompenseerd en daardoor volledig afhankelijk zijn van particuliere donoren?
Dat erken ik.
Vindt u dat rechtvaardig, gezien de belangrijke bijdrage die de opvangcentra leveren aan het welzijn van wilde vogels, maar ook aan het voorkomen van de verdere verspreiding van de vogelgriep?
Opvangcentra van wilde dieren voorzien in een maatschappelijke behoefte om voor gewonde of zieke dieren te zorgen. Het is heel vervelend dat zij door een dergelijke uitbraak extra kosten moeten maken. Op dit moment is het zo geregeld dat de financiering van de activiteiten van de opvangcentra lokaal moet worden geregeld. Desondanks ben ik voornemens een eenmalige subsidie toe te kennen om een deel van de kosten voor de zorg voor vogels met vogelgriep te vergoeden (zie ook het antwoord op vraag 13).
Het is een gegeven dat vogelgriep met wilde vogels naar Nederland komt en circuleert onder wilde vogels. Het weghalen van zieke wilde vogels door opvangcentra wordt niet gedaan in het kader van de bestrijding van aviaire influenza. Het is namelijk niet waarschijnlijk dat zieke wilde vogels een grote rol spelen in de verspreiding van vogelgriep. Juist zieke vogels blijven op een bepaalde locatie en verplaatsen zich niet meer of minder. Opvangcentra hebben dan ook geen rol als het gaat over maatregelen die genomen worden in het kader van de preventie en bestrijding van vogelgriep.
Klopt het dat u heeft toegezegd 50% van de kosten die wildopvangcentra en dierenambulances hebben gemaakt vanwege de vogelgriep te vergoeden en is dit een eenmalig besluit of wordt dit een regeling met een structureel karakter? Geldt dit ook voor kosten die worden gemaakt vanwege andere aangifteplichtige ziekten, zoals pseudo-vogelpest, papegaaienziekte en botulisme?
Het klopt dat ik voornemens ben om een subsidie te verlenen aan dierenhulporganisaties. Deze voorgenomen subsidie is niet in het kader van preventie en bestrijding van aangifteplichtige ziekte, aangezien zoals ik in mijn antwoord op vraag 12 heb aangegeven de activiteiten van de opvangcentra en dierenambulances in deze situatie niet gericht zijn op de preventie en bestrijding van vogelgriep.
Het zal gaan om een eenmalige subsidie, omdat de afgelopen periode door vogelgriep een uitzonderlijk hoeveelheid aantal zieke vogels werd gevonden. De dierenhulporganisaties hebben toen hogere kosten gemaakt voor de zorg voor de vogels met vogelgriep. Niet eerder werden er in een korte periode zoveel zieke wilde vogels gevonden. Daarnaast waren ook de kosten voor beschermingsmaterialen duurder, door de schaarste die ontstaan was door corona.
Het betreft een uitzonderlijke situatie die door de uitzonderlijke omstandigheden geen precedent vormt voor alle wilde dieren met een aangifteplichtige ziekte.
Waar verwacht u dat wildopvangcentra en dierenambulances het geld vandaan halen om de overige 50% van de kosten te financieren en bent u bereid de volledige kosten van vogelgriep gerelateerde activiteiten van de vogelopvangcentra te laten dekken door het Rijk? Zo nee, waarom niet?
Gezien de uitzonderlijke situatie zoals beschreven in mijn antwoord op vraag 13 heb ik besloten de organisaties tegemoet te komen in een deel van de kosten. Vooruitlopend op de zienswijze en mijn besluit over de zorgplicht voor wilde dieren heb ik hiertoe besloten. Op basis van het RDA-advies zullen Rijk, provincies en gemeenten zich beraden over het ontwikkelen van aanvullend beleid voor de toekomst.
Bent u bereid om te investeren in maatregelen die kunnen voorkomen dat het bij een volgende vogelgriepuitbraak opnieuw misgaat, zoals het opstellen van protocollen voor organisaties en beroepsgroepen die met in het wild levende dieren te maken hebben, duidelijke informatievoorziening voor gemeenten, provincies, waterschappen, politie en dierenhulporganisaties, en een duidelijk overzicht van taken en verantwoordelijkheden en een inbedding van deze structuren in de veiligheidsregio’s?
Iedere dierziekte-uitbraak is uniek. Bij de eerste uitbraak is het vaak nog niet duidelijk hoe het verloop van deze specifieke variant zal zijn en dat zal altijd in enige mate een aanpassing vragen. Zoals na elke dierziekte-uitbraak zal ik lering trekken uit het verloop van de crisis en waar nodig de processen aanpassen. Ik ben voornemens om ten aanzien van de grote hoeveelheid zieke wilde vogels met andere overheden, uitvoerende diensten en andere organisaties die met wilde dieren in contact komen te bespreken wat er nodig is mocht dit weer voorkomen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Ja.
De strijd tegen mestfraude |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Internationaal onderzoek naar mestfraude in België en Nederland» en «Grote controle naar internationale mestfraude, inval in Esbeek en meer plekken in Brabant»?1 2
Ja.
Kunt u bevestigen dat bij de reguliere inspecties van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij co-vergisters in 2019 in 67% van de gevallen overtredingen zijn geconstateerd?3
Ja, dit kan ik bevestigen.
De resultaten van deze 9 geïnspecteerde bedrijven kunnen niet geëxtrapoleerd worden naar de gehele doelgroep, omdat het een risicogerichte selectie en controle betreft. De 6 niet-akkoorden hadden vooral betrekking op de gebruikte co-materialen en resulteerden in 3 schriftelijke waarschuwingen en 3 Rapporten van Bevindingen (RvB). Op basis van analyse van de gegevens van RVO en NVWA zijn deze bedrijven als risicobedrijven geselecteerd en gecontroleerd.
Controleert de NVWA bij de reguliere inspecties ook grensoverschrijdende gevallen, gezien de berichtgeving dat de grens mogelijk als camouflagemiddel gebruikt wordt bij de illegale mesthandel?
Ja, de NVWA houdt toezicht op export en import van meststromen en werkt daarbij samen met de Duitse en Belgische toezichthouders.
Kunt u bevestigen dat de NVWA zwaar overbelast is en twee derde van haar taken niet naar behoren uit kan voeren?4
In mijn opdracht heeft Deloitte een onderzoek uitgevoerd naar de taken en middelen van de NVWA. Op 16 oktober 2020 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek (Kamerstuk 33 835, nr. 171). Deloitte geeft aan dat met de thans beschikbare middelen de maatschappelijke opdracht van de NVWA op 100 van de 152 taken niet naar verwachting of conform eis kan worden uitgevoerd.5
In de afgelopen periode hebben mijn collega voor Medische Zorg en Sport en ik op die terreinen waar de spanning het meest voelbaar is een aantal concrete maatregelen genomen om het toezicht te versterken, waaronder voor het domein meststoffen. Daarmee zijn de geconstateerde tekorten echter nog niet volledig opgeheven. Zie ook mijn brief van 29 januari 2021 (Kamerstuk 33 835, nr. 179).
Extra capaciteit voor het toezicht is niet de enige oplossing om mestfraude aan te pakken. Behalve fraudepreventie is het ook belangrijk om de handhavingscapaciteit die er is zo efficiënt mogelijk in te zetten. Dit wordt gedaan door een risicogerichte aanpak, waarbij gebruik gemaakt wordt van verschillende datasets die worden gecombineerd en aangevuld met fysieke controles waar dit nodig is. Samenwerken met andere toezichtpartners is daarbij een vereiste. Dit is een continu proces, waarin bijvoorbeeld met de Versterkte Handhavingsstrategie Mest (VHS) goede stappen worden gezet. Naast toezicht en handhaving is ook een cultuurverandering in de sector nodig waarbij naleving van de mestregelgeving de standaard wordt. Door verschillende sectorpartijen is in 2017 het sectorplan van aanpak «Samen werken in een eerlijke keten» opgesteld om fraude met mest tegen te gaan. Onderdeel van dit sectorplan is het realiseren van een cultuurverandering in houding en gedrag (Kamerstuk 33 037, nr. 230).
Deelt u het inzicht dat dit internationale onderzoek waarschijnlijk slechts het topje van de ijsberg zal ontdekken van de mestfraude die zich in ons land (en in Vlaanderen) afspeelt?
De NVWA heeft meerdere fraudeonderzoeken lopen. Mestfraude is per definitie verborgen. De omvang van de echte mestfraude is daarom niet te kwantificeren, maar de NVWA krijgt regelmatig signalen over vermeende mestfraude. Daarbij wil ik wel aantekenen dat bij niet-naleving van de mestwetgeving niet per se sprake hoeft te zijn van fraude. Niet-naleving van de regelgeving kan ook veroorzaakt worden door een fout of vergissing van de landbouwer of intermediaire ondernemer.
Kunt u zich herinneren dat u op de zorgen hierover tijdens het algemeen overleg Mestbeleid op 4 november 2020 antwoordde dat er een elektronische controle zou komen per 1 januari 2021 (hetrealtime Vervoersbewijs Dierlijke Mest), wat volgens u de methode was om mestfraude te beteugelen?5
Het real time Vervoersbewijs Dierlijke mest (hierna: rVDM) is één van de maatregelen uit de Versterkte Handhavingsstrategie Mest (Kamerstuk 33 037, nr. 311) om de naleving te bevorderen en fraude met mesttransporten tegen te gaan. Naast rVDM is ingezet op intensivering van de samenwerking tussen controlerende en handhavende instanties onder meer door betere informatie-uitwisseling tussen verschillende overheidsinstanties en gezamenlijke handhavingsacties (gebiedsgerichte handhaving). Daarnaast vindt er extra handhaving plaats op risicovolle schakels in de mestketens (zoals intermediaire ondernemingen, co-vergisters en varkensbedrijven).
Op 30 juni 2020 heb ik uw Kamer en de Europese Commissie over de resultaten van de VHS geïnformeerd (Kamerstuk 33 037, nr. 370). Op 24 december jl. heb ik uw Kamer over de voortgang van rVDM geïnformeerd (Kamerstuk 33 037, nr. 381). Uw Kamer heeft deze brief vervolgens controversieel verklaard.
Kunt u bevestigen dat de invoering van die elektronische controle met een jaar is uitgesteld tot 2022? Welk antwoord heeft u nu op de zorgen die in de samenleving spelen over mestfraude?
In mijn brief van 24 december jl. (Kamerstuk 33 037, nr. 381) heb ik u geïnformeerd over de stappen die worden gezet in de (technische) ontwikkeling van het rVDM-systeem. Ik heb hierin een gefaseerde aanpak geschetst om een zo goed mogelijke invoering voor de betrokken uitvoerende diensten en de sector te kunnen garanderen. Zoals aangegeven heeft uw Kamer deze brief controversieel verklaard, wat met zich brengt dat besluitvorming over de invoering van rVDM aan mijn ambtsopvolger is.
rVDM is één van de maatregelen uit de VHS om de naleving te bevorderen en fraude met mesttransporten tegen te gaan. Het hele palet aan maatregelen uit de VHS draagt bij aan het bestrijden van mestfraude. Ik verwijs u daarover ook naar de beantwoording van vraag 6.
Welke stappen neemt u om te voorkomen dat banken bedrijven die zich schuldig maken aan mestfraude financieel blijven steunen, zoals de Rabobank deed in 2017?6
Door verschillende sectorpartijen, waaronder de Rabobank, is in 2017 een sectorplan van aanpak «Samen werken in een eerlijke keten» opgesteld om fraude met mest tegen te gaan. Dit plan van aanpak bestaat uit vier lijnen: 1) verandering van cultuur, houding en gedrag; 2) private borging van de keten; 3) ondersteuning door technologie en 4) samenwerking (Kamerstuk 33 037, nr. 230).
Als onderdeel van dit sectorplan heeft de sector een vrijwillig certificeringsschema (KeurMest) ontwikkeld. Daarnaast wordt er door deze sectorpartijen een systeem voor digitalisering van de mestketen (MineralenManager) ontwikkeld. Een voortvarende uitvoering van het sectorplan blijft belangrijk, aangezien de aanpak van fraude nadrukkelijk ook de verantwoordelijkheid van de sector zelf is.
Over de voortgang van het sectorplan, verbetering van de naleving en het tegengaan van fraude vindt periodiek overleg op (hoog)ambtelijk niveau plaats met de (sector)organisaties (LTO, CUMELA, TLN, POV en Rabobank).
Deelt u het inzicht, dat ook het openbaar ministerie onderschrijft, dat mestfraude alleen opgelost kan worden wanneer de fraudeprikkel afneemt, dus wanneer er minder mest geproduceerd wordt? Zo ja, kunt u ten behoeve van de volgende formatie een plan opstellen voor het drastisch terugdringen van de mestproductie door de veehouderij?7
Op 9 september jl. heb ik de contouren voor het toekomstig mestbeleid toegestuurd aan uw Kamer (Kamerstuk 33 037, nr. 374). Hierin zet ik de stip op de horizon voor eenvoudiger mestbeleid met transparante meststromen waarin door kringlopen te sluiten en innovatieve technieken emissies worden beperkt. De reductie van dieraantallen is geen doel van mijn beleid, dat is een robuuste en toekomstbestendige landbouw die structureel binnen de milieugrenzen (fosfaat, stikstof, klimaat, biodiversiteit) opereert en daardoor boeren toekomstperspectief biedt.
Het artikel ‘Milieuramp in de Berkel: Friesland Campina vervuilde, het waterschap betaalde’ |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Milieuramp in de Berkel: Friesland Campina vervuilde, het waterschap betaalde»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Waterschap Rijn en IJssel ruim twee derde van de kosten van de schade van ernstige vervuiling door FrieslandCampina heeft betaald, ondanks dat het waterschap er zelf geen schuld aan had? Bent u het eens dat dat de kostenverdeling in het nadeel van het waterschap opmerkelijk is?
Het waterschap heeft de autonome bevoegdheid om zelf een afweging te maken over de kostenverdeling. Waterschap Rijn en IJssel heeft inderdaad twee derde van de kosten betaald. Als eigenaar van de persleiding en het afvalwater ligt de verantwoordelijkheid voor de persleidingbreuk primair bij het waterschap. Het waterschap is verantwoordelijk voor de beheerkosten van de persleiding en de risico’s die daarbij horen.
Bent u het ermee eens dat volgens het uitgangspunt «de vervuiler betaalt» in het milieurecht FrieslandCampina het grootste deel van de schade had moeten betalen? Kunt u dit toelichten?
TNO heeft in opdracht van betrokken partijen (waterschap, Friesland Campina en de aannemer) een onafhankelijk onderzoek gedaan naar de oorzaak van de persleidingbreuk. Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft TNO geconcludeerd dat de lekkage drie mogelijke oorzaken kan hebben of een combinatie van deze drie oorzaken. De mogelijke oorzaken die zijn aangewezen zijn aan alle partijen (deels) toe te rekenen. Daarmee kan niet één vervuiler worden aangewezen.
Wat vindt u van het beeld dat ontstaat dat het waterschap een groot aandeel heeft betaald omdat FrieslandCampina «een belangrijke en gewaardeerde partner» is en het waterschap «belang heeft bij een goede verstandhouding»? Wat is uw mening over dergelijke belangenverstrengeling?
Van het Waterschap Rijn en IJssel heb ik begrepen dat de verstandhouding geen rol heeft gespeeld. Het waterschap is de verantwoordelijk eigenaar van de persleiding en bijbehorende risico’s.
In hoeverre denkt u dat de agrarische belangen in het waterschap, onder andere vertegenwoordigd middels geborgde zetels, een rol hebben gespeeld bij de beslissing om FrieslandCampina te ontzien in deze kosten?
In vervolg op mijn antwoorden op de vragen 2, 3 en 4 heb ik geen aanleiding te denken dat agrarische belangen in het bijzonder een rol hebben gespeeld. Het waterschap is hier als eigenaar opgetreden.
Deelt u de opvatting dat het afschaffen van de geborgde zetels in waterschapsbesturen de kans op dergelijke belangenverstrengeling zal verminderen? Zo nee, waarom niet?
Ieder bestuur dient in zijn optreden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te hanteren.
Een bericht op Nu.nl met de titel ‘Sportclubs lopen miljoenen euro’s mis door ‘weeffout’ in NOW regels’ |
|
Judith Tielen (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van 17 februari jl. op nu.nl met de titel «Sportclubs lopen miljoenen euro’s mis door «weeffout» in NOW regels»?1 Deelt u de opvatting dat sprake is van een weeffout?
Ik ben bekend met het bericht. De NOW is een generieke regeling, waarbij het vanaf de start belangrijk was dat werkgevers snel konden worden voorzien in steun om werkgelegenheid zoveel mogelijk te behouden. Om dit mogelijk te maken, worden voorschotten uitgekeerd op basis van het door de werkgever geschatte omzetverlies en de vastgestelde loonsom in een bepaalde referentiemaand. In het geval van de NOW 3 betreft deze referentiemaand de maand juni 2020. Deze maand is gebruikt als referentiemaand voor de NOW 3 die loopt van 1 oktober 2020 tot 1 juli 2021. Op deze manier werd er voor een langere periode rust en zekerheid gecreëerd voor ondernemers. De referentiemaand moet bij de publicatie van de regeling in het verleden liggen, om misbruik en oneigenlijk gebruik zoveel mogelijk te voorkomen. Als de referentiemaand in de toekomst ligt, bestaat het risico dat werkgevers hun loonkosten verhogen door bijvoorbeeld fictieve dienstverbanden aan te gaan waardoor een hogere subsidie wordt uitgekeerd dan waar eigenlijk recht op bestaat. Vervolgens is hierbij het streven om de meest recente maand te kiezen, om een zo representatief mogelijk beeld te hebben van de loonsom. De NOW 3 regeling werd in augustus 2020 bekend gemaakt, waardoor juni de meest recente maand was waarvan de loongegevens beschikbaar waren in de polisadministratie.
Er zijn werkgevers, en ook specifieke sectoren, die in juni 2020 een lagere, niet-representatieve loonsom hebben. Gevolg hiervan is dat zij hierdoor minder NOW-subsidie ontvangen dan bij de keuze voor een andere referentiemaand. Voor deze werkgevers is dit begrijpelijk een teleurstellende uitkomst, ook omdat de maand juni voor alle negen maanden van de NOW 3 de referentiemaand is.
Afwijken van de referentiemaand juni is echter geen optie. Bij elke maand die gekozen wordt, zullen er bepaalde werkgevers zijn die juist gebaat zouden zijn bij een andere maand. De referentiemaand aanpassen tijdens de looptijd van de regeling is niet mogelijk, omdat een dergelijke wijziging andere werkgevers benadeelt. Het bieden van een keuze op basis van twee verschillende referentiemaanden is vervolgens in de uitvoering niet mogelijk gezien de risico’s op fouten en de vertragingen die dit met zich meebrengt. Dit geldt ook voor het uitwijken naar een andere referentiemaand in het geval van een nihilaangifte. Dit zou betekenen dat er een grote herstelactie plaats zou moeten vinden voor de derde en vierde tranche van de NOW. Concreet zou dit betekenen dat in ieder geval de uitbetaling van de voorschotten van de huidige vierde tranche van de NOW substantiële vertraging oploopt, evenals de opening van het loket voor de volgende tranche die gepland staat voor half mei 2021. Hoewel ik betreur dat hierdoor werkgevers mogelijk NOW-subsidie mislopen, zie ik geen oplossing voor dit probleem zonder dat dit te grote risico’s betekent voor de huidige uitvoering van de regelingen.
Hoeveel aanvragen van sportverenigingen zijn afgewezen omdat er in juni 2020 een nul-aangifte is gedaan? Hoeveel van deze verenigingen hebben bezwaar gemaakt en wat is de status van deze bezwaren?
Deze gegevens worden niet bijgehouden.
Heeft u met de sportbonden over deze problematiek gesproken? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is continu in gesprek met NOC*NSF, de ondernemende sport en de sportbonden over de gevolgen van de coronacrisis. Ook dit onderwerp staat daar op de agenda. In de gesprekken met de sport is ook gekeken naar het compenseren van loonkosten via de NOW-regeling. Voor de amateurclubs waarbij de NOW-regeling niet toepasbaar is, is het wel mogelijk om in de Tegemoetkomingsregeling Amateursportorganisaties (TASO) een vergoeding te krijgen voor personeelslasten die niet via andere regelingen zijn gecompenseerd. Daarmee kunnen ook de loonkosten van deze amateurclubs deels vergoed worden. Het kabinet hoopt hiermee de amateurclubs tegemoet te komen.
Herinnert u zich dat bij de NOW 1 en 2, waar ook vergelijkbare problemen speelden voor seizoenswerk en nul-aangiften, een oplossing gevonden is voor deze problematiek2? Is nu een vergelijkbare oplossing mogelijk? Zo nee, waarom niet?
Bij de NOW 1 is er een uitzondering gemaakt voor zgn. seizoenswerkgevers. Werkgevers die in maart, april en mei 2020 een hogere loonsom hadden dan drie keer de referentiemaand (januari 2020 bij de NOW3 krijgen uiteindelijk subsidie gebaseerd op deze hogere loonsom. Hiervoor is toen gekozen omdat de seizoensbedrijven aan het begin van de crisis vaak al mensen in dienst hadden genomen. Zij hadden op dat moment immers nog geen rekening kunnen houden met de crisis. Ook is hierbij van belang dat ten tijde van deze seizoensmaatregel UWV zich hoofdzakelijk bezighield met het uitkeren van aangevraagde voorschotten voor de NOW 1. Ondertussen zijn we verder in de tijd en lopen de processen voor de vaststelling van de NOW 1 en NOW 2, de voorschotten voor de tweede tranche van de NOW 3 en de voorbereidingen op de vaststelling van de eerste tranche van de NOW 3 en de aanvraagperiode voor de derde tranche van de NOW 3 tegelijkertijd. Naast de bij de totstandkoming van de regeling noodzakelijke keuzes om de regeling zowel snel als uitvoerbaar (en daardoor grofmazig) te houden, is deze stapeling van werkzaamheden bij UWV de reden dat ik in de afgelopen periode meerdere malen heb aangegeven dat maatwerk binnen de NOW slechts zeer beperkt mogelijk is. UWV loopt op dit moment tegen de grenzen van uitvoerbaarheid aan en elke aanpassing brengt risico’s op fouten en vertraging met zich mee. Hiervan is onlangs overigens ook een concreet voorbeeld duidelijk geworden, die ik in de op 22 maart aan uw Kamer verstuurde brief «Dilemma’s in de NOW»4 heb toegelicht. Dit betrof een fout die specifiek is ontstaan als gevolg van de invoering van de seizoensmaatregel en de complexiteit die deze aanpassing met zich meebracht binnen de uitvoering door UWV.
Op welke manier is bij de inrichting van de NOW-3, 4 en 5 rekening gehouden met het feit dat de maand juni 2020 voor veel sectoren, waaronder sportverenigingen, niet-representatief is voor de loonsom van de rest van de periode? Wat heeft u gedaan om dit te voorkomen en waarom is dat niet doorgevoerd?
Er is bij de totstandkoming van de NOW 3 niet specifiek rekening gehouden met de verschillende sectoren die een niet-representatieve maand aan loonsom hebben. Wel ben ik me ervan bewust dat bij elke maand die gekozen wordt, er werkgevers zullen zijn die gebaat zouden zijn bij een andere maand. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat het probleem vergroot wordt doordat de maand juni 2020 negen maanden lang als referentie wordt gebruikt? Bent u bereid om, net als bij NOW 1 en 2, een alternatieve referentiemaand, bijvoorbeeld september 2020 als mogelijkheid te creëren? Zo nee, waarom niet?
Voor werkgevers kan het probleem inderdaad vergroot worden door de duur van negen maanden. Het derde grote steun- en herstelpakket is echter in augustus door het kabinet voor negen maanden aangekondigd. Op deze manier werd er voor een langere periode rust en zekerheid gecreëerd voor ondernemers. Zie verder het antwoord op vraag 1 en 4.
Deelt u de grote zorgen over de banen van sporttrainers en daarnaast de continuïteit van de (sport)verenigingen, doordat de NOW hierdoor onvoldoende ondersteuning biedt? Bent u daarom bereid de NOW-regeling zodanig aan te passen dat deze weeffout wordt hersteld? Zo nee, op welke wijze kunt u wel een effectieve ondersteuning bieden die banen behoudt en voldoende overbrugging mogelijk maakt?
Zoals ik in de eerdere vragen heb gezegd, is het is niet mogelijk om de NOW-regeling hierop aan te passen. Zoals aangegeven in vraag 3 is het kabinet continu in gesprek met NOC*NSF, de ondernemende sport en de sportbonden. Voor de amateurclubs waarbij de NOW-regeling niet toepasbaar is, is het al mogelijk om in de Tegemoetkomingsregeling Amateursportorganisaties (TASO) een vergoeding te krijgen voor personeelslasten die niet via andere regelingen zijn gecompenseerd. Daarmee kunnen ook de loonkosten van deze amateurclubs deels vergoed worden.
Ongevraagde voorlopige aanslagen. |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de Belastingdienst ongevraagd voorlopige aanslagen over het jaar 2021 naar belastingplichtigen heeft gestuurd?
Ja, ik ben bekend met dit feit.
Om hoeveel ongevraagde voorlopige aanslagen gaat het?
Van 4 januari tot uiterlijk 29 januari 2021 hebben bijna 1,3 miljoen belastingplichtigen op initiatief van de Belastingdienst een ongevraagde positieve (door de belastingplichtige te betalen) voorlopige aanslag ontvangen.
Hoe verhoudt het aantal ongevraagde voorlopige aanslagen over 2021 zich tot het aantal ongevraagde voorlopige aanslagen in eerdere jaren?
Het volgende overzicht geeft een weergave van de totale populatie ongevraagde positieve voorlopige aanslagen over de jaren 2019 tot en met 2021.
Jaar
Totaal aantal ongevraagde positieve voorlopige aanslagen
2019
1.464.000
2020
1.438.000
2021
1.299.000
Aantal opgelegde voorlopige aanslagen
Dit jaar (voorlopige aanslag 2021) zijn er bijna 1,3 miljoen te betalen voorlopige aanslagen opgelegd. Dat zijn er iets minder dan voorgaande jaren omdat er een wijziging in de selectie is doorgevoerd waardoor deze is verbeterd.
Hoe en waarom is besloten tot het versturen van deze (extra) ongevraagde voorlopige aanslagen?
Het opleggen van ongevraagde voorlopige aanslagen vindt al vele jaren plaats. Vanaf eind jaren 80 van de vorige eeuw is gestart met het automatiseren van dit destijds nog handmatige proces. Doel is de belastingheffing zo goed mogelijk aan te laten aansluiten bij het moment waarop de te belasten inkomsten ook worden genoten. Daarom is er het systeem van voorheffingen, zoals inhouding van loonheffing op loon en uitkeringen, en dat van voorlopige aanslagen, in gevallen waarin geen sprake is van inhouding van voorheffingen of de voorheffingen niet juist berekend kunnen worden. De belasting wordt dan betaald op het moment waarop het inkomen wordt verdiend. Dit geeft duidelijkheid aan belastingplichtigen (‘Hoeveel houd ik netto over?’) en voorkomt ook onverwachte aanslagen achteraf.
Bij (onverwachte) aanslagen achteraf, een jaar nadat het inkomen is genoten en soms langer dan een jaar, bestaat het risico dat de belastingplichtige onvoldoende rekening heeft gehouden met de verschuldigde belasting op het eerder genoten inkomen. Hierdoor kunnen betalingsproblemen ontstaan. Dit speelt vooral als de inkomenspositie van de belastingplichtige op dat moment veranderd is. In dat geval sluit de belastingheffing niet (meer) aan bij de inkomsten van dat moment. De Belastingdienst beoogt om zoveel als mogelijk in de actualiteit belasting te heffen, in het belang van de belastingplichtige. Voor het voorlopige aanslagen-proces betekent dit dat er voortdurend wordt gestreefd naar verbeteringen in het voorlopige aanslagenproces. Door voorlopige aanslagen gerichter op te leggen en daarmee aan te sluiten bij de actuele situatie van belastingplichtigen vindt belastingheffing meer in de actualiteit plaats. Met een voorlopige aanslag bieden we mensen de gelegenheid om gespreid (maandelijks) te betalen, om zo een te betalen bedrag in één keer te voorkomen, wat mogelijk met belastingrente gepaard gaat. Het is echter ook mogelijk om in één keer betalen, als men dat wil.
De Belastingdienst beschikt over steeds meer gegevens en mogelijkheden om dit heffen in de actualiteit voor burgers mogelijk te maken. Voorlopige aanslagen kunnen steeds gerichter en kwalitatief beter worden opgelegd. Een belangrijk signaal om voor de eerste keer een voorlopige aanslag op te leggen is de situatie waarin een belastingplichtige voor de eerste keer een relatief hoge definitieve aanslag heeft gekregen. Deze belastingplichtige krijgt dan een voorlopige aanslag.
Welke voor- en nadelen hebben deze ongevraagde voorlopige aanslagen voor belastingplichtigen?
De te betalen voorlopige aanslag leidt ertoe dat de belastingplichtige in de actualiteit, op het moment dat hij de inkomsten geniet, in meerdere termijnen de aanslag kan betalen. Door de systematiek van de voorlopige aanslag mag deze in maandelijkse termijnen worden betaald. Dit kan een voordeel voor de belastingplichtige zijn.
Ik begrijp echter dat er zich situaties kunnen voordoen waarbij de termijnen niet overeenkomen met het moment waarop de belastingplichtige de inkomsten geniet, bijvoorbeeld omdat het merendeel van de inkomsten in een bepaalde periode van het jaar wordt genoten.
Ik vind het belangrijk dat daarop ingespeeld kan worden. Voor belastingplichtigen die met een te betalen voorlopige aanslag worden geconfronteerd kan de situatie ontstaan dat zij binnen enkele maanden zowel een voorlopige aanslag over het actuele belastingjaar als de definitieve aanslag over het voorgaande belastingjaar ontvangen. In dergelijke gevallen kan de voorlopige aanslag tot liquiditeitsproblemen leiden bij de belastingplichtigen. De belastingplichtige kan dan met de Belastingdienst een betalingsregeling afspreken.
Omdat de definitieve aanslag steeds meer overeenkomt met de voorlopige aanslag, zal bovenstaand probleem zich vooral voordoen bij de eerste keer dat een belastingplichtige een voorlopige aanslag krijgt. In die situaties waarbij de belastingplichtige voor het eerst wordt geconfronteerd met een voorlopige aanslag kan ik me voorstellen dat het voor sommige mensen een vervelende gebeurtenis is als zij geconfronteerd worden met een voorlopige aanslag.
De voorlopige aanslag kan ook tot een teruggaaf leiden. Dit is bijvoorbeeld het geval als de geschatte ingehouden loonheffing hoger is dan de geschatte verschuldigde inkomstenbelasting. Een voorlopige aanslag met een terug te geven bedrag wordt alleen opgelegd wanneer de belastingplichtige hierom op enig moment heeft verzocht. Doet belastingplichtige dit verzoek niet, dan krijgt hij het totale bedrag uitgekeerd op basis van de definitieve aanslag. Wanneer een belastingplichtige een verzoek om een voorlopige teruggaaf heeft gedaan, wordt jaarlijks geautomatiseerd een voorlopige aanslag opgelegd op basis van de bij de Belastingdienst bekende gegevens.
Klopt het dat belastingplichtigen tenminste voor 1 maart (een deel van) de voorlopige aanslag moeten betalen?
Ja, dat klopt. De te betalen voorlopige aanslagen worden in het algemeen in januari van het belastingjaar opgelegd. De belastingplichtige kan ervoor kiezen om deze in maximaal 11 termijnen te betalen of het gehele bedrag van de aanslag in één keer te betalen. De eerste termijn, of indien de belastingplichtige daarvoor kiest het gehele bedrag van de aanslag, dient vóór 1 maart van het belastingjaar betaald te worden.
Herkent u dat de samenloop tussen het betalen van eerdere aanslagen en de ongevraagde voorlopige aanslag over 2021 tot problemen kan leiden voor belastingplichtigen, bijvoorbeeld omdat ze op deze korte termijn niet kunnen voldoen aan beide belastingaanslagen?
Ja, ik herken deze samenloop ingeval de belastingplichtige voor de eerste keer een te betalen voorlopige aanslag ontvangt. Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 5. Het is natuurlijk bijzonder vervelend als belastingplichtigen hierdoor in de problemen komen. In dat geval kunnen zij de Belastingdienst vragen om uitstel van betaling.
Bij de beoordeling van het verzoek om uitstel van betaling kan de Belastingdienst verder rekening houden met alle relevante omstandigheden. Ieder verzoek wordt daarom ook zorgvuldig beoordeeld.
Herkent u dat belastingplichtigen de (ongevraagde) voorlopige aanslag dan niet als dienstverlening ervaren, maar juist als extra last?
Ja, dit is mij bekend. Ik ben echter van mening dat de voorlopige aanslag mogelijke betalingsproblemen kan voorkomen ten opzichte van de situatie als het bedrag bij de definitieve aanslag een kalenderjaar later in één keer betaald moet worden. In die zin – het opleggen van een voorlopige aanslag in combinatie met de mogelijkheid om over 11 maanden te betalen – is het dienstverlenend richting belastingplichtigen.
Ik wil kijken hoe de communicatie rond de voorlopige aanslag verder verbeterd kan worden omdat ik me realiseer dat vooral wanneer belastingplichtigen deze voor de eerste keer ontvangen dit vragen oproept. Dit signaal neem ik ter harte en neem ik mee in de voorbereiding van de communicatie campagne voorlopige aanslag 2022.
In hoeverre en hoe ver van tevoren worden belastingplichtigen op de hoogte gesteld dat zij een ongevraagde voorlopige aanslag zullen ontvangen, zodat zij waar mogelijk ook rekening kunnen houden met een dubbele belastingaanslag?
De belastingplichtige ontvangt de voorlopige aanslag in januari van het belastingjaar. De eerste termijn moet vóór 1 maart worden betaald. Zoals bij vraag 8 is aangegeven wordt bekeken hoe de communicatie op dit vlak verbeterd kan worden.
Welke mogelijkheden hebben belastingplichtigen om, bijvoorbeeld als de samenloop van de definitieve aanslag van 2020 en voorlopige aanslag voor 2021 tot problemen leidt, de voorlopige aanslag later te voldoen en bijvoorbeeld te kiezen voor het voldoen als de definitieve aanslag over 2021 bekend is?
Zie mijn antwoord op vraag 7.
Vindt u deze mogelijkheden voldoende ruim of bent u voornemens om belastingplichtigen die moeite hebben met het voldoen van eerdere aanslagen en de ongevraagde voorlopige aanslagen verder tegemoet te komen?
Ik vind de mogelijkheden zoals beschreven bij vraag 7 voldoende ruim. De Belastingdienst zal in het belastingjaar waarin dit probleem zich eenmalig voordoet in overleg met de belastingplichtige tot een oplossing komen waarmee wordt bereikt dat de aanslagen door de belastingplichtige kunnen worden betaald. Het belastingjaar daaropvolgend lopen de voorlopige aanslagen synchroon met de genoten inkomsten en doet zich dit probleem niet meer voor.
Kunt u, gezien de betalingstermijn voor de ongevraagde voorlopige aanslag, deze vragen uiterlijk 25 februari 2021 beantwoorden?
De beantwoording heeft tot mijn spijt langer geduurd.
Het bericht 'Vertraging ggz-indicaties in de Wlz door hoge aantal aanvragen' |
|
Evert Jan Slootweg (CDA), René Peters (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «vertraging ggz-indicaties in de Wet langdurige zorg (Wlz) door hoge aantal aanvragen»?1
Het bericht is mij bekend. Het artikel is gebaseerd op een brief van Minister De Jonge aan de Tweede Kamer van 10 februari jl. (Kamerstuk 34 104, nr. 321).
Kunt u aangeven hoe het komt dat er ruim tweederde aanvragen meer zijn dan de 9.500 aanvragen die het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vorig jaar verwachtte?
Het oorspronkelijke aantal verwachte indicaties is gebaseerd op een onderzoek van HHM uit 2017 onder zorgaanbieders en bedroeg 9.250 indicaties. Daarbij werd verondersteld dat alleen cliënten vanuit beschermd wonen met verblijf of met verblijf in een klinische GGZ-setting een indicatie zouden verkrijgen. Uit de aanvragen bij het CIZ blijkt dat ook cliënten met ambulante Wmo/Zvw ondersteuning een Wlz-indicatie hebben aangevraagd en gekregen. Daarnaast waren zorgaanbieders oorspronkelijk terughoudend met het aanmelden van cliënten gezien de onzekerheid over de positionering van behandeling, de inkoopvereisten van de zorgkantoren en de toen nog niet bekende tarieven in de Wlz. In de tweede helft van 2020 heeft een extra toeloop plaatsgevonden, nadat duidelijkheid was geboden over deze onderwerpen. Hierdoor kunnen en willen veel van de huidige zorgaanbieders ook de zorg leveren in het kader van de Wlz.
Kunt u toelichten hoeveel mensen uiteindelijk ook een indicatie voor de Wlz krijgen?
Het indicatietraject is nog niet afgerond. Op basis van de huidige inzichten zullen naar verwachting ruim 16.000 cliënten een Wlz GGZ-wonen indicatie krijgen, die voorheen zorg en ondersteuning vanuit Wmo/Zvw kregen.
Kunt u aangeven wat precies wordt bedoelt met «dat er een apart beoordelingsteam» bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) gevormd is?
Voor het gehele project heeft het CIZ al in 2019 extra medewerkers aangenomen en opgeleid. Het oorspronkelijke doel was dat deze medewerkers na de afronding van het project uit zouden vloeien naar de reguliere teams. Dit zou gebeuren per 1 januari 2021, wanneer de GGZ-instroom onderdeel werd van de reguliere Wlz-instroom. Gezien de vertraging heeft het CIZ er echter voor gekozen dit uit te stellen en de medewerkers vooralsnog volledig voor de afhandeling van de GGZ-aanvragen in te blijven zetten.
Welke stappen heeft u genomen om de wachtduur voor de mensen met een aanvraag te verkorten? Bent u voornemens meer capaciteit beschikbaar te stellen aan het CIZ?
Eind 2020 heb ik met het CIZ afspraken gemaakt over een noodplan, waarin verschillende maatregelen zijn opgenomen om het stuwmeer aan aanvragen zo snel en zorgvuldig mogelijk weg te werken. Het gaat daarbij vooral om maatregelen voor de extra inzet van personeel voor onder meer triage, telefonie, onderzoekers en medisch adviseurs. Daarbij wordt nieuw personeel geworven, maar worden ook bestaande contracten verlengd. Inmiddels heb ik met het CIZ ook afspraken gemaakt over het stuwmeer dat nu ontstaat bij de GGZ-aanvragen die in 2021 worden gedaan. Hierbij geldt over het algemeen dat de maatregelen van het eerste noodplan worden verlengd. Voor de uitvoering van dit noodplan zal ook extra personeel worden geworven. Omdat de opleiding tijd kost, is het effect van de inzet van deze medewerkers nog niet meteen zichtbaar. Ook wordt in communicatie richting cliënten voorzien.
Betekent dit dat overige indicatiestellingen, voor bijvoorbeeld opname in een verpleeghuis, langer op zich laten wachten?
De vertraging heeft in eerste instantie vooral gevolgen voor de GGZ-aanvragen. Het is echter niet uitgesloten dat ook op termijn de doorlooptijden voor de reguliere Wlz-aanvragen hinder gaan ondervinden van deze situatie. Dit komt omdat de GGZ-medewerkers vooralsnog niet worden doorgeplaatst naar de reguliere teams, waar dat wel was beoogd. De inzet is om de GGZ-aanvragen zo snel mogelijk af te handelen en daar de andere werkstromen van het CIZ zo min mogelijk onder te laten leiden. Met het CIZ vindt daarom frequent overleg plaats om de situatie goed te monitoren en zo nodig bij te stellen. Indicaties waarbij spoed is vereist worden door het CIZ nog steeds met spoed opgepakt.
Kunt u uitleggen wat wordt bedoeld met «om ervoor te zorgen dat zorg voor cliënten wordt voortgezet, zijn er «overgangswerkwijzen» afgesproken»? Wat houden die overgangswerkwijzen in?
Eind 2020 zijn aanvullende afspraken gemaakt met CIZ, VNG en ZN voor cliënten die een aanvraag hebben ingediend bij het CIZ maar op 1 januari 2021 nog geen Wlz-zorg ontvangen. Kern van de afspraak is dat de huidige zorg bijvoorbeeld in beschermd wonen wordt gecontinueerd door gemeenten, totdat de zorgtoewijzing in de Wlz heeft plaatsgevonden. Om dit mogelijk te maken zijn onder meer de toekenningsbeschikkingen Wmo van deze cliënten, die op 1 januari 2021 afliepen, verlengd tot 1 juli 2021. De Wlz-zorgverlening kan overigens eerder ingaan, als de zorgtoewijzing voor 1 juli heeft plaatsgevonden.
Kunt u uiteenzetten wat de extra toename aan mensen uit de geestelijke gezondheidszorg (ggz) naar de Wlz betekent voor de financiële overheveling van Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)-middelen naar Wlz-middelen?
Onderdeel van de afspraken met de VNG is dat in 2021 de bedragen die worden overgeheveld van de Wmo naar de Wlz worden nagecalculeerd uitgaande van de nieuwe gegevens van het CIZ. Omdat meer mensen overgaan naar de Wlz zal het bedrag van de uitname en het kader voor de Wlz worden verhoogd. Uitgangspunt hierbij is dat de uitname voor gemeenten budgettair neutraal plaatsvindt.
Hoeveel uur zorg ontvangen de mensen die een positieve beoordeling hebben ontvangen op hun aanvraag, ten opzichte wat men hiervoor ontving?
Het aantal uren zorg dat iemand ontvangt is niet inzichtelijk, omdat in de Wlz wordt gewerkt met zorgprofielen waar geen zorguren aan gekoppeld zijn. Het zorgkantoor, de cliënt en zijn naasten en de zorgaanbieder kijken gezamenlijk naar wat de zorgbehoefte van de cliënt is en hoe hier invulling aan kan worden gegeven. De verwachting is dat de meeste cliënten in de Wlz dezelfde hoeveelheid zorg en ondersteuning zullen ontvangen als die zij hiervoor al ontvingen in de Wmo. Voor wat betreft dagbesteding is de aanname dat cliënten hier in de Wlz meer gebruik van gaan maken, omdat dagbesteding onderdeel is van de Wlz-aanspraak.
Bent u bekend met de artikelen «Nieuw onderzoek «probleemkanaal» Almelo-De Haandrik: «Provincie was grip van begin af aan kwijt»1 en «Provincie: rapport naar probleemkanaal Almelo-De Haandrik geeft geen nieuwe inzichten»?2
Ja.
Hoe verklaart u dat uit het onderzoek van onderzoeksbureau Deltares wordt geconcludeerd dat in veel gevallen niet met zekerheid is vast te stellen dat de schade aan de woningen ook daadwerkelijk veroorzaakt is door werkzaamheden aan het kanaal, terwijl het onderzoek van Stefan van Baars concludeert dat er grote fouten zijn gemaakt bij de verdieping van het kanaal en dat hierdoor wel schade aan de woningen is veroorzaakt?
Het kanaal Almelo-De Haandrik is een provinciale vaarweg waar de provincie het vaarwegbeheer uitvoert. Het is niet aan het Rijk om onderzoeken te beoordelen die provinciale projecten aangaan. Om die reden ben ik niet bekend met de inhoud van het onderzoek van Deltares noch met het onderzoek van Stefan van Baars.
Ziet u ook dat cruciale informatie zoals trillingsgegevens mist en dat daarom moeilijk conclusies worden getrokken? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord op vraag 2.
Kunt u toelichten wat de stappen zijn rondom schadevergoeding naar aanleiding van de onderzoeken van Deltares en Van Baars?
Het is aan de provincie en de overige betrokken partijen om te bepalen of en welke stappen noodzakelijk worden geacht.
Welk onderzoek wordt er momenteel verricht om de problematiek veroorzaakt door de verdieping van het kanaal in beeld te brengen? Wordt hierbij ook gekeken naar verzakkingen van de wegen?
Zie antwoord op vraag 4.
Kunt u toelichten wie er verantwoordelijk is voor de financiering van schade door het verdiepen van het kanaal Almelo-De Haandrik? Wat is de rol van het Rijk hierin, gezien de rijksbijdrage aan het project?
Mijn ministerie heeft geen rijksbijdrage verstrekt aan het provinciale project verdieping kanaal Almelo-De Haandrik. Wel heeft IenW in 2009 in het kader van de Tijdelijke regeling Quick Wins Binnenvaart subsidie verstrekt aan de gemeente Hardenberg om de kades in de binnenhaven van Hardenberg te versterken. Het rijk heeft hier dus geen rol.
Bent u het eens met de stelling dat het door de decentralisatie steeds moeilijker wordt om te bezien wie er verantwoordelijk is voor de problematiek? Kunt u dit toelichten?
Nee. De provincie heeft de verantwoordelijkheid om de nodige stappen te nemen.
Bent u het eens met de stelling dat de betrokkenen zo snel mogelijk moeten worden geïnformeerd en zekerheid moeten krijgen over de situatie? Kunt u dit toelichten?
In algemene zin ben ik het met u eens dat betrokkenen in een dergelijke situatie goed geïnformeerd moeten worden. Over deze specifieke casus kan ik geen nadere uitspraken doen, omdat ik hierin geen betrokkenheid heb.
Welke manieren heeft u om de kwaliteit van de participatie te verbeteren en het tempo in de afhandeling van de schade te vergroten? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord op vraag 4.
Het nieuws dat Duitse haantjes niet meer in de hakselaar hoeven |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duitse haantjes hoeven niet meer in de hakselaar»?1
Ja.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van de afspraken die u met de pluimveesector heeft gemaakt in het kader van de Uitvoeringsagenda Pluimveesector over het vinden van alternatieven voor het doden van hanenkuikens?2
Medio februari heeft mijn ministerie een gesprek gevoerd met de sector over de stand van zaken op dit onderwerp. De Nederlandse pluimveesector heeft zich in de Uitvoeringsagenda Pluimveesector immers gecommitteerd om toe te werken naar maatschappelijk geaccepteerde oplossingen voor het doden van eendagshaantjes. De sector ziet daarbij twee mogelijkheden. Geslachtsbepaling in het ei en het afmesten van haantjes. De geslachtsbepaling in het ei vindt op relatief kleine schaal plaats. Op jaarbasis worden de bij de geslachtsbepaling in het ei gebruikte technieken op zo’n 7 miljoen eieren toegepast. De technieken laten kinderziektes zien en er is tijd en geld nodig om de capaciteit van deze technieken op te schalen. Er bestond onduidelijkheid over de benutting van de uitgeselecteerde eieren. Inmiddels worden deze gebruikt in petfood.
Het afmesten van haantjes wordt door de sector gezien als tussenoplossing. In 2020 zijn 5 tot 7 miljoen haantjes afgemest. De sector heeft de voorzichtige verwachting uitgesproken dit jaar een verdubbeling van het aantal afgemeste haantjes te zien.
Voor beide opties blijft het van belang dat er voldoende afzetmarkt bestaat. Mijn ministerie zal de ontwikkelingen in Duitsland en Frankrijk blijven volgen en in gesprek blijven met de sector over de ontwikkelingen op het gebied van afzet en technieken.
Bent u met de supermarktketens in gesprek om te onderzoeken in hoeverre er voldoende afzetmarkt bestaat voor pluimveeproducten waarbij geen kuikens vroegtijdig gedood behoeven te worden?
De sector als marktpartij is in gesprek met de retail.
Welke maatschappelijk geaccepteerde oplossingen ziet u momenteel als het meest perspectiefrijke alternatief voor het doden van hanenkuikens en welke technische mogelijkheden horen daarbij?
Uit recent gesprek met de pluimveesector lijken het afmesten van haantjes en de geslachtsbepaling in het ei de meest perspectiefrijke alternatieven te zijn. Ook in Duitsland zijn dit de routes die verder worden uitgewerkt. Er zijn meerdere technische mogelijkheden voor de geslachtbepaling in het ei.
Zijn er volgens u nog belemmeringen die het invoeren of verplicht stellen van deze alternatieven voor doding van kuikens verhinderen en zo ja, welke zijn dit?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 2. De belemmeringen betreffen zowel de afzet als de nog beperkte capaciteit van de technieken voor geslachtsbepaling in het ei.
Bent u nog steeds van mening dat er onvoldoende commercieel toepasbare oplossingen voor handen zijn om over te gaan tot een verbod op het doden van eendagskuikens?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2 en 5.
Bent u bekend met de uitspraak van het Internationaal Strafhof (ICC) waarbij de Pre-Trial Chamberbij meerderheid heeft geoordeeld dat het Hof bevoegd is misdaden in de Gaza-strook, de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem te onderzoeken?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraak?
Het Internationaal Strafhof is onafhankelijk. Het kabinet heeft vertrouwen in de professionaliteit van het Hof en de aanklager. Nederland bemoeit zich dan ook niet inhoudelijk met onderzoeken of uitspraken van het Internationaal Strafhof.
Bent u van mening dat deze beslissing noodzakelijk volgt uit het internationaal recht, of dat hier sprake is van vermenging met politieke stellingname inzake het Israëlisch-Palestijnse conflict?
De aanklager van het Strafhof had eerder om een uitspraak van de rechters gevraagd over de territoriale jurisdictie van het Hof over de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem, en Gaza, nadat zij haar vooronderzoek naar de situatie in de Palestijnse Gebieden had afgerond en had vastgesteld dat aan alle voorwaarden werd voldaan om een officieel onderzoek te starten. De rechters onderstrepen in de uitspraak dat zij niet bevoegd zijn om te beslissen over vragen rond statelijkheid waaraan de internationale gemeenschap gebonden wordt, of dat zij kunnen oordelen over grenskwesties. Het oordeel ziet enkel op de territoriale rechtsmacht van het Strafhof, waarbij de Kamer van Vooronderzoek aangeeft dat bij de Palestijnse toetreding tot het Statuut van Rome alle regels zijn gevolgd en dat de Palestijnse Gebieden daarmee dezelfde rechten hebben als andere verdragspartijen. Op basis van die informatie is er wat het kabinet betreft geen sprake van een politieke stellingname.
Hoe beoordeelt u het minderheidsstandpunt van de voorzitter van dePre-Trial Chamber, die stelt dat er in het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof geen basis te vinden is voor deze beslissing? Waar is het verschil in opvatting tussen de leden van deze Kamer volgens u op gebaseerd?2
Anders dan in de Nederlandse rechtspraak is het bij internationale hoven en tribunalen gebruikelijk dat de bij een zaak betrokken rechters, indien zij dit wensen, hun eigen standpunt toelichten in een «separate opinion». Hierin kunnen zij aangeven of zij het al dan niet eens zijn met de redenering die de meerderheid van de betreffende kamer volgt dan wel de conclusies die zij hieruit trekt. In de huidige uitspraak heeft de voorzitter van de Kamer van vooronderzoek een «partly dissenting opinion» opgesteld waarin hij uiteenzet op welke gronden hij de meerderheid deels niet kan volgen. Dit heeft geen gevolgen voor de rechtskracht van de uitspraak die door de meerderheid van de Kamer is vastgesteld. Overigens betwist de betreffende rechter niet dat het Internationaal Strafhof in beginsel rechtsmacht heeft ten aanzien van bepaalde internationale misdrijven die in de Palestijnse gebieden zijn gepleegd. Zijn «dissent» heeft betrekking op de precieze geografische afbakening van de gebieden waarin het Strafhof rechtsmacht kan uitoefenen.
Wat vindt u van de kritiek die landen als Canada en Duitsland op de beslissing van het ICC hebben geleverd? Bent u het eens met de Canadese en Duitse regering dat het ICC geen jurisdictie heeft in deze kwestie?3 Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van plan dit standpunt aan het ICC over te brengen?
De Kamer van Vooronderzoek heeft besloten dat het Strafhof rechtsmacht heeft ten aanzien van mogelijke internationale misdrijven die in de Palestijnse gebieden zijn gepleegd. Nederland is van mening dat dit een zaak van het Hof is. Zoals gezegd zijn het Strafhof, diens rechters en de aanklager onafhankelijk. Het kabinet heeft vertrouwen in de professionaliteit van het Hof en de aanklager. Nederland bemoeit zich niet inhoudelijk met onderzoeken of uitspraken van het Internationaal Strafhof, en het kabinet zal dan ook niet ingaan op standpunten van andere landen in deze kwestie.
Het bericht 'Tienduizenden jonge, gezonde mensen gesloopt door corona: ‘Ik neem afscheid van wie ik was’' |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tienduizenden jonge, gezonde mensen gesloopt door corona: «Ik neem afscheid van wie ik was»«?1
Ja
Klopt het dat de patiënt binnen vier maanden na de acute coronafase door de huisarts of medisch specialist doorverwezen moet worden naar de fysiotherapeut, die vervolgens binnen een maand de behandeling moeten starten? Waarom is er voor deze termijnen gekozen?
De tijdelijke regeling richt zich op de mensen die in de herstelfase na covid-19 behoefte hebben aan paramedische ondersteuning. Het gaat om mensen waarbij sprake is van een duidelijk stagnerend herstel met aanhoudende forse klachten en beperkingen als gevolg van covid-19. Deze behoefte blijkt bijna altijd binnen de gestelde termijn van vier maanden na het einde van het acute infectiestadium. Het acute infectiestadium is de fase van covid-19, waarin een patiënt symptomen heeft als koorts, benauwdheid, lamlendigheid, misselijkheid, diarree, heftige spierpijn of hoofdpijn. Het acute infectiestadium duurt bij de ene patiënt veel langer dan bij de andere patiënt. Pas aan het einde ervan gaat dus de periode van vier maanden tellen. Wanneer zich binnen de termijn van vier maanden na het acute infectiestadium geen zodanige klachten en beperkingen voordoen dat paramedische herstelzorg nodig is, dan is het onwaarschijnlijk dat deze problemen zich in een latere fase alsnog voordoen. Het is wel mogelijk dat een patiënt duidelijk klachten heeft, maar dat de verwijzing om allerlei redenen niet tijdig tot stand is gekomen.
Ten tijde van de invoering van de tijdelijke en voorwaardelijke toelating van de paramedische herstelzorg was nog weinig bekend over het verloop en herstel van ernstige covid-19. Het is dus voorstelbaar dat de voorwaarden in de uitvoering onbedoeld knellen voor een substantiële groep patiënten. Er is een motie door uw Kamer aangenomen over dit onderwerp (TK 2020–2021, 25 295, nr. 1043). Bij de behandeling van deze motie wil ik graag casuïstiek betrekken die bij C-Support wordt ingebracht. Op initiatief van het Zorginstituut is de mogelijkheid gecreëerd dat C-support advies gaat uitbrengen over individuele casussen, waarvoor de uitwerking van de regeling niet duidelijk is of niet passend lijkt. Structureel overleg tussen C-support en het Zorginstituut borgt hierbij een goede interpretatie van de regeling voor deze aanspraak. Patiënten kunnen hun probleemcasus indienen via de website van C-support. Uit deze casuïstiek zal ook moeten blijken in hoeverre de periode van vier maanden knelt in de uitvoering en in hoeverre verlenging van de termijn voor een substantiële groep patiënten een oplossing kan zijn.
Wat vindt u ervan dat uit de praktijk blijkt dat sommige patiënten langer dan deze vier maanden doorlopen met klachten waardoor zij niet meer in aanmerking komen voor herstelzorg?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het niet begrijpelijk dat vooral jongere ex-coronapatiënten zelf proberen conditie, spierkracht etc. op te bouwen voordat ze «aan de bel trekken' bij de huisarts of medisch specialist over het feit dat het herstel niet goed gaat?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of de termijn van vier maanden wordt onderbouwd door middel van onderzoek? Loopt er momenteel onderzoek naar herstelzorg en de meerwaarde voor ex-coronapatiënten? Zo ja, wat is er bekend? Zo nee, wanneer komen de eerste gegevens?
Er loopt onderzoek naar de effectiviteit van paramedische herstelzorg bij covid-19. In het voorjaar van 2021 komen via het Zorginstituut Nederland landelijke cijfers beschikbaar over aantallen patiënten, kosten en benodigde behandelsessies van paramedische herstelzorg na covid-19. In 2022 komen de eerste resultaten beschikbaar van het prospectieve onderzoek op basis waarvan meer bekend wordt over de effectiviteit van paramedische herstelzorg bij covid-19.
Weet u of, en hoe duidelijk het is voor ex-coronapatiënten dat de termijn om in aanmerking te komen voor herstelzorg vier maanden bedraagt?
Er is een verwijzing nodig van huisarts of medisch specialist om gebruik te kunnen maken van paramedische herstelzorg. Het is daarom vooral van belang dat de termijn van vier maanden bekend is bij huisartsen en medisch specialisten.
De patiënten die niet in het ziekenhuis zijn opgenomen kunnen worden verwezen door de huisarts. Zoals in vraag 4 is aangegeven, organiseert het Zorginstituut uitvoeringsoverleggen waaraan onder andere beroeps- en patiëntenorganisaties deelnemen. Deze zijn uitgebreid geïnformeerd over de regeling en de voorwaarden. Ook is er relevante informatie inclusief antwoorden op veel gestelde vragen te vinden op de website van het Zorginstituut2.
Deelt u dat de opvatting dat de groep ex-patiënten die niet zijn opgenomen geweest in het ziekenhuis en thuis ziek zijn geweest niet op de hoogte zijn van deze termijnen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het van belang is dat «restschade» voor ex-patiënten zoveel als mogelijk beperkt wordt en dat de vier maanden-grens arbitrair is?
Ja, het is van belang dat de restschade zoveel mogelijk wordt beperkt. Het is nu nog onduidelijk in hoeverre paramedische herstelzorg bijdraagt aan het beperken van restschade. Daarom is aan de voorwaardelijke en tijdelijke toelating van paramedische herstelzorg na covid-19 wetenschappelijk onderzoek verbonden naar de effectiviteit ervan. De tijdelijke aanspraak paramedische zorg is gericht op patiënten die in de herstelfase nog ernstige fysieke of cognitieve klachten en beperkingen ondervinden van covid-19. In de praktijk blijkt dat vrijwel altijd binnen de gestelde termijn van vier maanden na het acute infectiestadium.
Wat vindt u ervan dat er voor die tweede periode van herstelzorg (hier: fysiotherapie) in alle gevallen een verwijzing van een medisch specialist nodig is? Ook bij patiënten die tijdens hun ziekteperiode nooit in contact zijn geweest met een medisch specialist en daar ook niet onder behandeling zijn?
De verwijzing van een medisch specialist is verplicht gesteld om te voorkomen dat mensen onnodig lang worden behandeld. Er moet immers wel sprake zijn van een medisch probleem dat naar verwachting te verhelpen of te verlichten is met paramedische zorg wil deze zorg zinnig zijn. Zorginstituut Nederland organiseert uitvoeringsoverleggen paramedische herstelzorg na covid-19. Aan deze overleggen nemen beroeps- en brancheorganisaties, zorgverzekeraars, betrokken onderzoekers en VWS deel. Signalen over knellende regelgeving in de uitvoering worden daar besproken. Zoals ik bij vraag 4 heb aangegeven, is de mogelijkheid gecreëerd dat C-support advies uitbrengt over individuele casussen, waar nodig na overleg met het Zorginstituut. Uit de casuïstiek die ingebracht wordt moet bekeken worden in hoeverre de verplichte verwijzing door de medisch specialist knelt in de uitvoering.
Is het niet beter om de verwijzing voor de tweede periode van herstelzorg (na bijvoorbeeld 50 behandelingen fysiotherapie) neer te leggen bij de huisarts indien een coronapatiënt nooit in het ziekenhuis opgenomen is geweest? Waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven of, als er een terugval is na aanvankelijk herstel, dit ook valt onder deze herstelzorgregeling?
De beoordeling of paramedische zorg zinnig is bij een terugval na aanvankelijk herstel laat ik aan medisch professionals. Indien dat het geval is en de verwijzing binnen de gestelde termijnen valt, kan deze worden vergoed uit de tijdelijke aanspraak paramedische herstelzorg. Bij een herbesmetting met covid-19 kan de patiënt (opnieuw) aanspraak maken op de paramedische herstelzorg. Dezelfde voorwaarden zijn van toepassing. In geval van een herbesmetting start dus een nieuw behandeltraject.
Klopt het dat de herstelregeling loopt tot en met 1 augustus 2021? Gaat u in overleg met de zorgverzekeraars om de regeling te verlengen?
Ik beraad me momenteel op de vraag of, en hoe, de tijdelijke regeling een vervolg zal krijgen.