Het feit dat mevrouw Bunschoten met drie kinderen door corporatie Dudok feitelijk op straat wordt gezet |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat mevrouw Bunschoten met drie kinderen door corporatie Dudok feitelijk op straat wordt gezet?
Ja, ik ben bekend met de genoemde situatie.
Deelt u de mening dat bij een ingrijpende gebeurtenis als een scheiding mag worden verwacht dat corporaties de menselijke maat hanteren?
Ik ben bekend met het feit dat mevrouw Bunschoten haar koopwoning in verband met echtscheiding heeft verkocht en hierna op zoek was naar woonruimte. Zij heeft gereageerd op enkele sociale huurwoningen in Hilversum via WoningNet Gooi- en Vechtstreek, het aanbodsysteem van woningcorporaties in deze regio. Dit systeem is gebaseerd op de huisvestingsverordening die onder andere in de gemeente Hilversum van kracht is. Hierin is onder andere bepaald wie in aanmerking komen voor een urgentieverklaring. De woningcorporatie verleent voorrang aan de woningzoekenden met een urgentieverklaring en houdt zich hierbij aan de voorwaarden uit de huisvestingsverordening. De corporatie heeft hierin geen eigen afwegingsruimte. Ik heb begrepen dat het verzoek van mevrouw Bunschoten om urgentie door de Regionale Urgentiecommissie Gooi- en Vechtstreek is afgewezen.
Deelt u de mening dat een gescheiden moeder met drie kinderen geen urgentie voor een sociale huurwoning geven in geen enkel geval een menselijke maat is?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van de uitspraak van de corporatie dat mevrouw Bunschoten met drie kinderen zich maar moet melden bij de daklozenopvang? Deelt u de mening dat die uitspraak van de corporatie hartverscheurend is?
Mij is niet bekend dat de corporatie een dergelijk advies aan mevrouw Bunschoten heeft gegeven. In de meeste gemeenten worden mensen zoals mevrouw Bunschoten door de gemeente begeleid en is dit in haar geval ook gebeurd. Daarnaast komt mevrouw Bunschoten op basis van reguliere inschrijftijd op dit moment al in aanmerking voor een sociale huurwoning.
Bent u bereid zo snel mogelijk met corporatie Dudok in gesprek te gaan en aan te dringen op een oplossing?
Zoals hiervoor al aangegeven kan mevrouw Bunschoten op dit moment al reageren op beschikbare sociale huurwoningen en kan zij zich voor verdere ondersteuning tot de gemeente wenden.
Herkent u de signalen die wij ontvangen dat gescheiden ouders vaak geen urgentie voor een sociale huurwoning krijgen?
Ik ben bekend met het feit dat gemeenten in hun huisvestingsverordening woningzoekenden in verband met echtscheiding niet altijd aanmerken als woningzoekenden voor wie voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is. Het is echter aan de gemeenteraad om hierin keuzes te maken.
Bent u bereid om met Aedes afspraken te maken over het geven van urgentie voor een sociale huurwoning aan gescheiden ouders?
Zoals in antwoord op vraag 6 al is aangegeven is het niet aan de corporaties om afspraken te maken over het geven van urgentie voor een sociale huurwoning aan gescheiden ouders, maar is dit een verantwoordelijkheid van gemeenten.
Er zijn veel categorieën huishoudens waarvoor je zou wensen dat ze heel snel een woning kunnen krijgen. De huisvestingswet geeft de gemeente ruimte om categorieën aan te wijzen. Als er een huisvestingsverordening is dan dienen de volgende categorieën op basis van de wettelijke regels een urgentiestatus te krijgen: woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang van personen, die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten en woningzoekenden die mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1., eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning verlenen of ontvangen.
Het is aan gemeenten zelf welke verdere categorieën hieraan toegevoegd worden afhankelijk van de plaatselijke situatie.
Het onterecht aanmerken van mensen als fraudeur. |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fiscus verstuurt 60.000 excuusbrieven na frauderegistratie, ontvangers reageren geagiteerd»?1
Ja.
Klopt het dat 60.000 mensen een excuusbrief hebben ontvangen? Waarom hebben niet meteen alle getroffenen een brief ontvangen?
In de brief van 25 maart jl.2 gaven wij aan dat de brieven aan burgers in FSV gefaseerd verzonden worden omdat het cruciaal is dat individuele vragen en eventuele inzageverzoeken voortvarend en goed beantwoord kunnen worden. Wij willen de mensen waarover signalen in FSV stonden goed informeren. De Belastingdienst is er onvoldoende op ingericht om de toestroom van vragen en inzageverzoeken te behandelen wanneer alle brieven in één keer verzonden zouden worden. Dat zou betekenen dat burgers lange tijd met onbeantwoorde vragen blijven zitten. Omdat inzageverzoeken tijdig moeten worden beantwoord, hebben wij voor gespreide verzending gekozen. In de brief van 22 april jl.3 is een update gegeven over het aantal tot dan toe verzonden brieven. Tot en met 16 juni zijn er ruim 200.000 brieven verzonden.
Op welke gronden werden mensen opgenomen in het register van de Fraude Signalering Voorziening (FSV)? In hoeverre waren deze gronden toegestaan? In hoeverre waren deze gronden in strijd met wet- en regelgeving, zoals de privacywetgeving?
De Kamerbrief van 25 maart jl.4 bevat de aan burgers in FSV gerichte brief als bijlage. Daarin zijn voorbeelden opgenomen van waarom iemand in FSV kon worden opgenomen. Deze zijn in het antwoord hieronder nader toegelicht.
Zoals wij uw Kamer hebben geïnformeerd op 2 maart5, 28 april6 en 10 juli7 2020, voldeed FSV niet aan bepaalde eisen van de AVG en is FSV daarom in februari 2020 buiten werking gesteld. Op 28 april 2020 schreven wij uw Kamer dat signalen van mogelijke fraude in het systeem werden geregistreerd waarbij onduidelijk was of en zo ja hoe er onderscheid gemaakt moest worden in de betekenis en het gewicht van de melding. Deze signalen konden ook door veel medewerkers bekeken worden. Daarbij had FSV geen archieffunctie en werden gegevens niet geschoond. Ook was er sprake van een summiere logging binnen het systeem. Al deze aspecten kunnen er samen voor zorgen dat er informatie in het systeem staat die bijvoorbeeld onvolledig, onjuist of achterhaald is of die meer context vergt. Het KPMG-onderzoek dat wij middels de brief van 10 juli 2020 met uw Kamer gedeeld hebben, gaat zowel in op de vraag welke signalen werden opgenomen in FSV als op de punten waarop FSV niet voldeed aan de privacywetgeving.
Welk doel had het FSV-register en hoe kan het dat ook mensen zijn opgenomen die niet als fraudeur gezien werden?
De Belastingdienst en Toeslagen verwerken per jaar miljoenen belastingaangiften en aanvragen van toeslagen. Om dit werk goed uit te kunnen voeren, is het belangrijk om te kunnen beoordelen of de aangifte of aanvraag naar alle waarschijnlijkheid juist en volledig is, of dat nader onderzoek nodig is. De Belastingdienst toetst de aangifte of aanvraag aan de gegevens die hij tot zijn beschikking heeft, waaronder informatie en signalen van derden. FSV werd gebruikt voor de registratie van deze gegevens. Hierin registreerde de Belastingdienst signalen die konden duiden op fouten of (bewuste) niet-naleving van wet- en regelgeving door burgers en bedrijven. Bijvoorbeeld als iemand hoge reiskosten opgaf, terwijl hij dicht bij zijn werk woonde. Zo’n registratie noemden we een risicosignaal. En dit kon aanleiding zijn om een belastingaangifte of een aanvraag voor een toeslag handmatig te controleren. Daarnaast werden er in FSV verzoeken geregistreerd van bijvoorbeeld een gemeente of UWV waarbij het inkomen van iemand opgevraagd werd. FSV werd daarbij als logistiek systeem ingezet om te zorgen dat de aanvragen tijdig afgehandeld werden. Tenslotte kon FSV ook worden gebruikt om te registreren dat iemand mogelijk slachtoffer was van (identiteits)fraude, bijvoorbeeld bij sommige meldingen bij het Meldpunt Slachtoffers Fraude. FSV was dus een systeem om verschillende signalen te registreren, niet alleen signalen van risico’s in een aangifte of mogelijke fraude. De naam Fraudesignaleringsvoorziening was daarmee dus ongelukkig gekozen. Het doel van FSV hebben wij uitvoeriger beschreven in onze brief van 28 april 20208.
Klopt het dat in veel gevallen niet bekend is waarom mensen in het register zijn opgenomen? Zo ja, hoe kan dat?
Dat klopt. FSV werd voor uiteenlopende doeleinden gebruikt, waardoor burgers om verschillende redenen in FSV konden worden opgenomen. Zoals beschreven in de brief van 26 mei 20219 is een significant deel (ca. 100.000) van de registraties afkomstig uit een oudere applicatie (het dagboek PIT, dat ook is beschreven in de brief van 28 april 202010). Bij het overzetten van deze registraties naar FSV is de oorsprong niet herleidbaar vastgelegd. Ook voor veel nieuwere registraties is er geen bruikbare bron waaruit de aanleiding voor de registratie blijkt, bijvoorbeeld als er «overig» is ingevuld.
Begrijpt u dat mensen graag willen weten waarom zij in het register zijn opgenomen, zeker als zij zich niet bewust hiervan waren en altijd netjes hun belastingen hebben betaald? Hoe gaat u ervoor zorgen dat er voor alle betrokkenen duidelijkheid komt over de gronden van opname in het FSV-register?
Dat begrijp ik. De brief zal voor veel mensen een verrassing zijn geweest, zeker als zij nooit iets gemerkt hebben van hun registratie. Zoals beschreven in de brieven van 25 maart11 en 22 april12 is een speciaal telefoonnummer FSV geopend om mensen te helpen met vragen. Mensen kunnen hier ook geholpen worden met het doen van een inzageverzoek. In de brief van 26 mei jl.13 leg ik uit hoe de Belastingdienst mensen waar mogelijk uitsluitsel zal geven over de oorsprong van hun registratie. Zij zullen na de zomer een brief krijgen met daarin de informatie die we middels data-analyse hebben kunnen achterhalen.
Wanneer is het in de brief aangekondigde onderzoek naar onterechte gevolgen die mensen hebben ondervonden van opname in het register afgerond? Op welke wijze worden mensen hierover geïnformeerd?
Zoals aangegeven in de brief van 22 april14 onderzoekt PwC de effecten van het gebruik van FSV op burgers en bedrijven en streven wij ernaar het onderzoek in september 2021 te laten afronden. Vervolgens zullen de bevindingen met de Kamer worden gedeeld. Zoals aangegeven in de brief van 26 mei jl.15 wordt deze informatie, indien mogelijk, betrokken in de brief na de zomer met de reden van registratie. Ook deze brieven zullen gespreid verzonden worden.
Wat beschouwt u als onterechte gevolgen? Valt hieronder ook intensieve controle? Op welke wijze kunnen mensen nagaan of zij het slachtoffer zijn van onterechte gevolgen?
De opdracht van het hierboven genoemde onderzoek is breed geformuleerd; wij hebben PwC gevraagd de effecten van FSV in kaart te brengen zonder beperkingen vooraf aan welke gevolgen onderzocht mogen worden. Dit gezegd hebbende beschouw ik een afwijkende behandeling als onterecht wanneer die niet wordt gerechtvaardigd door de ernst en betrouwbaarheid van een geregistreerd signaal. Een enkel signaal mag niet leiden tot een nadelige behandeling zonder verdere inhoudelijke beoordeling. Als voorbeeld zij hier de mogelijke afwijzing van verzoeken tot minnelijke schuldsanering gegeven. Bij de brief van 27 januari jl.16hebben wij uw Kamer een werkinstructie doen toekomen waaruit zou blijken dat dergelijke verzoeken konden worden afgewezen op basis van de FSV-registratie «melding fraudepost» in combinatie met een schuldhoogte boven de € 10.000. Zoals gesteld vinden wij dit onacceptabel en wordt hier een separaat onderzoek naar uitgevoerd waarover wij uw Kamer op 22 april jl.17 een stand van zaken hebben gegeven.
Een intensieve controle op een aangifte of een toeslagenaanvraag vind ik niet op voorhand onterecht. De Belastingdienst heeft de taak toe te zien op de juistheid van aangiften. Het is onmogelijk deze taak uit te voeren zonder controles uit te voeren. Daarbij wordt gewerkt met risicogericht toezicht, waarbij een aangifte die naar verwachting meer risico’s bevat een intensievere controle krijgt dan een aangifte zonder risico’s. Wel moet het toezicht proportioneel en zorgvuldig zijn, en moeten beslissingen met verstrekkende gevolgen voor burgers alleen genomen worden na zorgvuldige behandeling met inachtneming van de professionele kernwaarden.
Zoals aangegeven in de brieven van 25 maart18 en 22 april jl.19 is er een meldpunt FSV opgericht voor burgers die mogelijk onterechte gevolgen van een FSV-registratie hebben ondervonden. Verder verwijs ik naar het antwoord op de vorige vraag; wij informeren mensen in FSV over de uitkomsten van het onderzoek naar de effecten van FSV.
Het aanbod van het Diaspora Medisch Team Nederland om steun aan het vaccinatieprogramma in Suriname te faciliteren |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Raoul Boucke (D66), Jan Paternotte (D66), Alexander Hammelburg (D66), Don Ceder (CU) |
|
Stef Blok (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Diaspora Medisch Team Nederland in startblokken om Suriname te helpen bij vaccinatieprogramma»?1
Ja.
Herinnert u zich de uitspraken tijdens het debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus op 12 mei 2021, waarin u stelt dat «wij in de richting van Suriname een grote verantwoordelijkheid hebben» en dat wij «het gesprek moeten aangaan over de vraag waar we zouden kunnen helpen»?
Ja.
Heeft u inmiddels contact gehad met de Minister van Volksgezondheid van Suriname? Zo ja, wat is hier uitgekomen? Zo nee, waarom niet?
Op woensdag 26 mei en op dinsdag 1 juni jl. heb ik een gesprek gehad met de Minister van Volksgezondheid van Suriname. En nog steeds sta ik in contact met mijn collega. In de Corona-stand van zaken brief van vrijdag 28 mei jl. (2368124-1009693 PDC19) heb ik u over de uitkomsten hiervan geïnformeerd.
Klopt het dat Nederland vaccins beschikbaar zal stellen aan het vaccinatieprogramma van Suriname? Zo ja, om hoeveel vaccins gaat het en op welke termijn worden deze geleverd?2
Op 9 juni jl. heeft de regering 90.000 doses AstraZeneca plus naalden en spuiten naar Suriname gestuurd. Verder heeft Nederland toegezegd dat er vanaf week 25, mits de leveringen het toelaten, vaccins worden geleverd aan Suriname. Tot die tijd blijf ik mij inspannen om eerder vaccins te kunnen leveren aan Suriname.
Voor meer informatie verwijs ik graag ook nog naar de stand-van-zakenbrief Covid 19 van 28 mei jl. (Kamerstuk 25 295, nr 1241).
Kunt u reageren op het aanbod van het Diaspora Medisch Team Nederland om logistieke ondersteuning te bieden? Hoe kunt u helpen om dit aanbod te faciliteren?
Tijdens het gesprek dat ik voerde met mijn Surinaamse counterpart, dhr. Ramadhin, gaf de Minister tevens aan dat Suriname een grote behoefte heeft aan medisch personeel. Momenteel brengen we samen met Suriname vraag en aanbod bij elkaar. Oud-directeur-generaal van het RIVM, dr. M. Sprenger, heeft vanuit Nederland de coördinatie hiertoe op zich genomen. Hij is momenteel in Suriname samen met een team van Nederlandse zorg professionals. In het vliegtuig had hij eveneens medische hulpmiddelen en COVID-testen mee.
Het bericht ‘Fors lagere straf voor doodschieten Bas van Wijk’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u dit bericht?1
Ja.
Deelt u de mening dat de rechter deze moordenaar levenslang had moeten opleggen?
De rechtsprekende macht in Nederland is onafhankelijk. Het is aan de rechter om, rekening houdend met de persoon van de dader en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, te bepalen welke straf in een concreet geval passend is.
Bent u ook van mening dat deze verschrikkelijk lage straf een klap in het gezicht is van de nabestaanden van Bas van Wijk? Bent u voorts van mening dat deze rechters geen knip voor de neus waard zijn?
Mijn gedachten gaan vanzelfsprekend uit naar de nabestaanden van Bas van Wijk. Ik vind verder dat de rechters in Nederland vakbekwaam zijn en dat de kwaliteit van de Nederlandse rechtspraak goed te noemen is.
Bent u van mening dat deze lage straf, waar geen enkel afschrikwekkend effect vanuit gaat, een aanmoediging is voor andere criminele niet-westerse allochtonen dergelijke misdrijven te plegen?
Nee, het feit dat de door de rechter opgelegde straf lager is dan door het OM geëist wil niet zeggen dat er geen preventieve werking van uit gaat. Het is aan de rechter om, rekening houdend met de concrete omstandigheden van het geval, een gepaste straf op te leggen.
Klopt het, dat de lager oplegde straf mede veroorzaakt is door een vormfout van het OM?
In de zaak tegen de verdachte van de dodelijke schietpartij op 8 augustus 2020 bij de Nieuwe Meer in Amsterdam, heeft het OM achttien jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging geëist wegens gekwalificeerde doodslag (primair) dan wel moord (subsidiair) dan wel doodslag (meer subsidiair).
Bij vonnis van 18 mei 2021 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam negen jaar gevangenisstraf en tbs opgelegd. Een deel van de dagvaarding werd door de rechtbank nietig verklaard omdat tijd en plaats van het strafbare feit zouden ontbreken.
In de oorspronkelijke tenlastelegging die voor de zitting aan de verdachte was uitgebracht stond bij alle feiten de plaats en datum vermeld. Tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak heeft het OM gemeend de tenlastelegging te moeten wijzigen. Bij deze wijziging zijn abusievelijk «plaats en datum» bij het primair tenlastegelegde feit gekwalificeerde doodslag weggevallen.
Hoewel niet vast staat welke straf door de rechtbank zou zijn opgelegd indien de tenlastelegging niet gedeeltelijk nietig was verklaard, is het mogelijk dat de straf mede hierdoor lager is uitgevallen dan door het OM geëist. Het OM gaat ervan uit dat in hoger beroep het abusievelijk wegvallen van «plaats en datum» bij het primair tenlastegelegde feit kan worden hersteld. Het OM heeft inmiddels hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank in deze zaak.
Hoe vaak maakt het OM in de afgelopen vijf jaar vormfouten bij geweld- en zedenzaken uitgesplist per jaar?
Dergelijke cijfers worden niet bijgehouden.
Welke maatregelen gaat u nemen om een einde te maken tegen het stuntelende en slordige OM?
Het OM streeft te allen tijde naar een zorgvuldige behandeling van strafzaken en dat streven onderschrijf ik. Het OM betreurt de omissie in dit geval. Zoals ook aangegeven bij het antwoord op vraag 5, gaat het OM ervan uit dat in hoger beroep het abusievelijk wegvallen van «plaats en datum» bij het primair tenlastegelegde feit kan worden hersteld. Ik zie dan ook geen aanleiding om verdere stappen te ondernemen.
Het bericht ‘Asielzoeker met claimgeld betaalt amper mee aan opvang’. |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Asielzoeker met claimgeld betaalt amper mee aan opvang» uit De Telegraaf van maandag 17 mei?1
Ja.
Klopt het dat sinds eind 2020, toen de reeds bestaande «Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008» werd uitgebreid, door asielzoekers slechts 65.000 euro is bijgedragen in het kader van hun opvang? Zo nee, hoeveel dan wel?
Het COA heeft in de periode van eind 2020 tot en met april 2021 ongeveer 65.000 euro aan eigen bijdrage gerelateerd aan door de IND uitgekeerde dwangsommen heeft ontvangen. Op 20 mei jl. was dit bedrag opgelopen tot 87.000 euro. Deze bedragen zijn geïnd op basis van de Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008 (hierna: Reba 2008). In het antwoord op vraag 13 staan de bedragen die de afgelopen jaren zijn geïnd in het kader van de Reba.
Door hoeveel individuele asielzoekers is dit totaalbedrag opgebracht?
Het totaalbedrag van 87.000 euro is opgebracht door 105 asielzoekers.
Uit welke landen zijn de asielzoekers in kwestie afkomstig?
Deze informatie wordt niet bijgehouden. De reden hiervoor is dat het primair gaat om de vraag of door de IND uitgekeerde dwangsommen kunnen worden geïnd. De nationaliteit van de betrokken asielzoekers is hiervoor niet ter zake doende.
Kunt u aangeven uit welke bestandsdelen dit totaalbedrag van 65.000 euro bestaat, inkomen uit arbeid, eigen vermogen, buitenlandse bezittingen etc. uitgesplitst naar bedrag per onderdeel? Zo nee, waarom niet?
Dit bedrag is geïnd op basis van de dwangsommen die aan de betreffende asielzoekers zijn uitgekeerd. Uitgekeerde dwangsommen worden gezien als vermogen bedoeld in de Reba 2008. Op basis van de uitgekeerde dwangsommen is overgegaan tot het opleggen van een eigen bijdrage voor de kosten van de opvang.
Kunt u zo concreet mogelijk aangeven wat wordt verstaan onder het eigen vermogen waarop een beroep kan worden gedaan? Betreft dit naast een eventuele buitenlandse bankrekening bijvoorbeeld ook onroerend goed in het land van herkomst?
Vermogen wordt gedefinieerd als de waarde van de bezittingen waarover de asielzoeker bij de aanvang van de opvang beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische waardeverkeer bij vrije oplevering. Persoonlijke bezittingen, zoals horloges, trouwringen, computers en telefoons, worden niet beschouwd als eigen vermogen.
Het is goed in dit verband te benoemen dat de Reba 2008 is afgeleid van de participatiewet. In artikel 7 van de Reba 2008 is uitgelegd wat onder vermogen moet worden verstaan. Van enkele vermogensbestanddelen is het ongewenst om deze als vermogen in aanmerking te nemen. Hierover zijn bepalingen opgenomen in het tweede lid van artikel 7 van de Reba 20082.
In het artikel in De Telegraaf geeft een woordvoerder van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) aan dat het in de praktijk amper voorkomt dat een asielzoeker een eigen bijdrage levert uit vermogen, waaronder een buitenlandse rekening, «omdat hier het zicht vaak op ontbreekt», klopt dat? Kunt u aangeven hoe hier onderzoek naar gedaan wordt? Waarom levert een dergelijk onderzoek kennelijk zelden resultaat op?
Bij binnenkomst in Nederland vindt door de afdeling Vreemdelingen, identificatie en mensenhandel (AVIM) van de politie een bagagecontrole plaats. Als er sprake is van in aanmerking te nemen vermogen dan wordt het COA geïnformeerd. Het COA informeert bij de bewoner naar eigen vermogen tijdens het rechten- en plichtengesprek. De bewoner ondertekent, indien dat het geval is, een verklaring dat het eigen vermogen lager is dan de vrijstellingsnorm. Ook wordt aangegeven dat een bewoner verplicht is een eventuele latere wijziging in zijn financiële situatie te melden bij het COA.
Het COA heeft geen bevoegdheid of mogelijkheid om actief te controleren of deze verklaring naar waarheid is afgegeven of eventueel vermogen op te sporen. Wel voorziet de Regeling verstrekkingen asielzoekers (hierna: Rva 2005) in de mogelijkheid dat, mocht achteraf blijken dat de bewoner vermogen of inkomsten heeft verzwegen, alsnog terugvordering kan plaatsvinden.
Klopt het dat u de hoogte van het bedrag dat u met deze regeling ophaalt niet het belangrijkste vindt, zoals in het artikel staat te lezen, omdat het u erom gaat dat «degene die kan bijdragen aan de kosten dat ook doet»?
Het is belangrijk dat vreemdelingen die het kunnen betalen bijdragen aan de kosten van hun opvang. De druk die de kosten van de opvang van asielzoekers legt op de collectieve middelen rechtvaardigt dat slechts opvang wordt geboden indien en voor zover de asielzoeker niet in het eigen bestaan kan voorzien. De Opvangrichtlijn geeft hier richting aan. De in de Opvangrichtlijn gestelde normen, die betrekking hebben op opvang en verstrekking van financiële ondersteuning aan asielzoekers, zijn opgenomen in de Rva 2005. De Reba 2008 betreft een nadere uitwerking van artikel 20, tweede lid van de Rva 2005. Er worden nadere regels gesteld ten aanzien van de berekening van de eigen bijdrage in de kosten van opvang door asielzoekers met vermogen of inkomen. Hierbij wordt aangesloten bij de Participatiewet en bij de vermogens- en inkomensgrenzen en vrijstellingen die ook gelden voor bijstandsgerechtigden.
Of een eigen bijdrage gevraagd kan worden en hoe hoog deze is, is afhankelijk van:
Door de toepassing van deze regeling wordt het asielzoekers direct duidelijk dat Nederland mensen die dat nodig hebben financieel ondersteunt, maar dat mensen die op eigen benen kunnen staan hieraan zelf kunnen en moeten bijdragen.
Deelt u de conclusie dat het verwaarloosbare bedrag dat wordt opgehaald juist aantoont dat dit níet gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze conclusie niet. Zoals ook genoemd in het voorgaande antwoord gaat het erom dat degene die kan bijdragen aan de kosten dat ook doet. Uit het antwoord op vraag 13 blijkt dat dit regelmatig gebeurt, daarmee is geen sprake van een verwaarloosbaar bedrag. Doordat de Reba het uitgangspunt hanteert dat niet meer aan eigen bijdrage wordt geïnd dan de kosten van de opvang, is de eigen bijdrage is dan ook maximaal gelijk aan de zogeheten economische waarde van de verstrekkingen die een asielzoeker van het COA ontvangt. Hierdoor ligt het bedrag dat is geïnd substantieel lager dan het bedrag aan uitgekeerde dwangsommen.
Bent u bereid deze regeling meer slagkracht te geven door de vermogensgrens te verlagen en/of de eigen bijdrage te verhogen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven?
Ik zie daartoe geen aanleiding. Het is goed in dit verband te benoemen dat de Reba 2008 is afgeleid van de participatiewet en aldus bij de normbedragen die ook gelden voor bijstandsgerechtigden. Het is niet wenselijk hiervan af te wijken en asielzoekers op dit punt gunstiger of ongunstiger te behandelen dan ingezetenen. Belangrijk daarbij is dat de te innen eigen bijdrage niet op gespannen voet komt te staan met het fundamentele recht om asiel aan te vragen.
Bent u in dat kader eveneens bereid te onderzoeken met welke vormen van bezit, inkomen en vermogen de regeling kan worden opgerekt? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie ook antwoord op vraag 8.
Deelt u het vermoeden dat intensiever onderzoek naar eventuele bezittingen in het buitenland die onder de regeling vallen had kunnen leiden tot een fors hogere bijdrage dan het totaalbedrag van 65.000 euro dat nu is opgehaald? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hierin te investeren of hiervan op zijn minst een kosten-batenanalyse te maken? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit vermoeden deel ik niet. Het bedrag waar naar verwezen wordt, ziet op de geinde eigen bijdrage naar aanleiding van uitgekeerde dwangsommen door de IND. In het geval van dwangsommen die door de IND zijn uitgekeerd hebben we hier een volledig beeld van omdat deze door de IND worden gemeld aan het COA. Het COA is dus op de hoogte van dit vermogen. Zoals eerder aangegeven is de vaststelling of er sprake is van vermogen in grote mate afhankelijk van de bagagecontrole of de opgave van vermogen door de asielzoeker tijdens het rechten- en plichtengesprek met het COA. En nogmaals; het COA heeft geen bevoegdheid om actief te controleren of deze verklaring naar waarheid is afgegeven of eventueel vermogen op te sporen. Daarnaast is het lastig zo niet onmogelijk om vermogen in het buitenland te achterhalen. Ik acht het daarom niet opportuun om intensiever onderzoek te doen naar eventueel vermogen of bezittingen in het buitenland.
Kunt u aangeven hoeveel jaarlijks werd bijgedragen door asielzoekers tussen de inwerkingtreding van de aanvankelijke regeling in 2008 en de uitbreiding van de regeling eind 2020?
De Regeling Eigen Bijdrage Asielzoekers met inkomen en vermogen heeft volgens de jaarrekeningen van het COA in de volgende opbrengst geresulteerd:
Jaar
Bedrag
2008
€ 324.000
2009
€ 611.000
2010
€ 430.000
2011
€ 336.000
2012
€ 221.000
2013
€ 177.000
2014
€ 178.000
2015
€ 109.000
2016
€ 309.000
2017
€ 497.000
2018
€ 318.000
2019
€ 479.000
2020
€ 375.000
Totaal
€ 4.364.000
Dit is inclusief de uitbreiding van de regeling eind 2020.
Het bericht dat een melding van een poging tot Russische beïnvloeding van het Nederlandse parlement in een la verdween |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Is het gebruikelijk dat meldingen als de melding wordt gedaan bij de Beveiligingsdienst van de Tweede Kamer niet bij de AIVD terechtkomen? Zo ja, waarom is dat?1
Tweede Kamerleden en fracties die te maken krijgen met zaken of opvallende signalen die raken aan hun veilig en ongestoord functioneren kunnen dat melden bij de Beveiligingsautoriteit (BVA) van de Tweede Kamer. De BVA kan deze melding vervolgens vertrouwelijk doorzetten aan de AIVD en/of de NCTV op ad hoc basis, dan wel via reguliere contactmomenten waarna afhankelijk van de melding, wordt bezien welke opvolging gewenst is.
Hoe is de samenwerking tussen deze Beveiligingsdienst en de AIVD vormgegeven? Bent u van mening dat deze samenwerking en/of afstemming verbeterd dient te worden?
De BVA kan meldingen vertrouwelijk doorzetten aan de AIVD op ad hoc basis, dan wel via reguliere contactmomenten, dan wel via de NCTV. Dit betreft een standaard werkwijze. De Kamervoorzitter heeft aangegeven dat in het geval van de bewuste melding vanuit de fractie Splinter/Van Kooten-Arissen niet de juiste afweging is gemaakt.
Met alle nieuwe Tweede Kamerleden wordt reeds door de BVA een individueel gesprek gevoerd, in aanwezigheid van de NCTV. Doel van dit gesprek is onder andere de nieuwe Tweede Kamerleden informeren over de rol van de BVA als eerste aanspreekpunt voor alle veiligheidsgerelateerde onderwerpen.
Ik heb er vertrouwen in dat in het vervolg dergelijke meldingen op de juiste plek terecht zullen komen.
Erkent u dat het zorgelijk is dat meldingen over gulle gevers aan politieke partijen, waarvan de integriteit in twijfel wordt getrokken, blijven liggen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In algemene zin kan worden gesteld dat het van belang is dat personen en organisaties met informatie, dan wel met een financiële component, over mogelijke dreiging van terrorisme, spionage en inmenging delen. Dit kan ook altijd direct bij de AIVD, hiervoor zijn geen belemmeringen. Verstrekte informatie wordt altijd vertrouwelijk behandeld.
Welke risico’s van politieke beïnvloeding vanuit het buitenland zijn er de afgelopen jaren gesignaleerd?
De AIVD waarschuwt al langere tijd in opvolgende jaarverslagen, alsmede het recent uitgebrachte Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA), voor de dreiging van ongewenste buitenlandse beïnvloedingactiviteiten. Hierbij gaat het om heimelijke politieke beïnvloeding waarbij zowel digitale als klassieke middelen kunnen worden ingezet. Blijvende waakzaamheid is dan ook noodzakelijk.
Zijn er meer meldingen van politieke partijen over (eventuele) buitenlandse inmenging? Zo ja, welke?
In de openbaarheid worden in de regel geen uitspraken gedaan over individuele meldingen aan de AIVD. Verstrekte informatie wordt altijd vertrouwelijk behandeld.
Kunt u uitsluiten dat er discutabele financiers zijn van politieke partijen?
De Wet financiering politieke partijen (Wfpp) heeft o.a. tot doel om transparantie over de financiering van politieke partijen te vergroten. Zo moeten giften vanaf 4.500 euro per donateur per jaar aan de politieke partijen en hun neveninstellingen jaarlijks worden gemeld aan het Ministerie van BZK. Deze overzichten moeten gecontroleerd zijn door een accountant. Het voorstel tot wijziging van de Wfpp (Evaluatiewet Wfpp) bevat aanvullende regels voor giften van rechtspersonen en giften aan neveninstellingen (3). Dit gaat om het vergroten van de transparantie over giften van rechtspersonen en andere juridische entiteiten en het uitbreiden van de transparantie voorafgaand aan een Tweede Kamerverkiezing naar de neveninstellingen van politieke partijen. Gelet op het belang dat het kabinet hecht aan het zoveel mogelijk vrijwaren van politieke partijen van onwenselijke buitenlandse beïnvloeding worden hier in het wetsvoorstel aanvullende maatregelen voor getroffen. Dit betreft het verbieden van giften van donateurs uit derde landen en het volledig transparant maken van giften afkomstig uit de lidstaten van Europese Unie en de Europese Economische Ruimte (EU en EER) niet zijn de Nederland.
Bent u nog steeds van mening dat financiering van politiek partijen uit het buitenland niet in z’n geheel aan banden hoeft te worden gelegd? Zo ja, waarom?
Dat vind ik niet wenselijk en daarom zijn in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wfpp (Evaluatiewet Wfpp) verschillende maatregelen (zie ook het antwoord op vraag 6) opgenomen tegen het omzeilen van het voorgenomen giftenverbod. Een algemeen giftenverbod dat ook voor de lidstaten van de EU/EER zou gelden, acht de regering niet proportioneel gelet op het beginsel van het vrij verkeer van kapitaal, de nauwe banden die de meeste Nederlandse politieke partijen met Europese zusterpartijen hebben en het belang om die (financiële) banden te blijven onderhouden. Voorwaarde hierbij is wel dat het duidelijk moet zijn waar en van wie eventuele giften uit andere landen van de EU/EER afkomstig zijn. Daarom heeft de regering er in het wetsvoorstel voor gekozen om de drempel voor openbaarmaking van € 4.500 per jaar af te schaffen voor giften uit andere lidstaten van de EU en de EER. Dit betekent dat alle giften van gevers uit deze landen openbaar worden. Een uitzondering hierop geldt voor aldaar woonachtige kiesgerechtigden voor de verkiezing van de Tweede Kamer. Voor giften van rechtspersonen uit andere EU/EER-landen geldt evenals voor giften uit Nederland dat zij moeten melden wie de uiteindelijk belanghebbenden achter deze rechtspersonen zijn. Naar verwachting zal risico op financiering via stromannen met de inzet van de genoemde maatregelen worden beperkt.
Vindt u het wenselijk dat mogelijke buitenlandse financiering via stromannen in EU-landen verloopt?
Zie antwoord vraag 7.
Wanneer kan de Kamer de nota naar aanleiding van het verslag verwachten op het wetsvoorstel dat financiering van politieke partijen van landen búíten de EU moet voorkomen?2
De nota naar aanleiding van het verslag inzake het voorstel tot wijziging van de Wet financiering politieke partijen in verband met de evaluatie van deze wet (Evaluatiewet Wfpp) is inmiddels aan de Kamer gestuurd.
Zijn aanpak voor ondersteuning van LHBTI’ers in gesloten gemeenschappen |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat het vandaag internationale dag tegen de homofobie is?
Ja.
Deelt u de mening dat homofobie niet thuishoort in de vrije Nederlandse samenleving en we moeten strijden voor de vrijheid van iedereen die niet zichzelf kan zijn?
Ik vind het belangrijk dat iedereen in Nederland zich veilig voelt en de ruimte krijgt om te kunnen zijn wie ze willen zijn. Hoewel er vooruitgang is geboekt, valt hier nog winst te behalen.
Kunt u cijfers met de Kamer delen van het meest recente onderzoek dat u bekend is over de mate waarin in migrantengemeenschappen homoseksualiteit wordt geaccepteerd? Klopt het dat hier te weinig verbetering in zit?
In de LHBT-monitor 2016 van het SCP over opvattingen over en ervaringen van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender personen treffen we de meest recente cijfers over opvattingen binnen migrantengemeenschappen aan (gebaseerd op de Survey Integratie Migranten uit 2015). Binnen alle herkomstgroepen is de meerderheid – variërend van 57% van de Somalische, 65% van de Turkse, 68% van de Marokkaanse, tot 85% van de Surinaamse Nederlanders – van mening dat homoseksuele mannen en lesbische vrouwen hun leven moeten kunnen leiden zoals zij dat willen.
De grootste verschillen doen zich voor als migrantengemeenschappen wordt gevraagd wat ze van homoseksualiteit in de nabije kring vinden. Marokkaanse en Turkse Nederlanders vinden het ongeveer zeven keer vaker een probleem als hun kind gaat samenwonen met een vaste partner van hetzelfde geslacht, dan autochtone Nederlanders (78% en 76% versus 11%). Onder Somalische Nederlanders ligt het aandeel zes keer zo hoog (66%), onder Poolse Nederlanders vier keer (44%) en onder Surinaams en Antilliaanse/Arubaanse Nederlanders iets minder dan drie keer (29%).
Ander onderzoek van het SCP (Integratie in Zicht, 2016) laat een vergelijkbaar beeld zien. Dit laatste onderzoek laat bovendien zien dat er ten opzichte van een meting 4 jaar eerder, sprake is van een lichte toename van de acceptatie.
Sinds het verschijnen van deze onderzoeken is er veel geïnvesteerd in LHBTI-acceptatie in het algemeen, en specifiek binnen religieuze en/ of migrantengemeenschappen (zie vraag 4 voor lopende initiatieven). Want niet alleen binnen migrantengemeenschappen is de acceptatie van LHBTI lager, ook binnen andere gemeenschappen, waaronder religieuze gemeenschappen. Binnen deze gemeenschappen is de LHBTI-acceptatie lager dan gemiddeld. Dit hangt samen met strikte, traditionele, genderopvattingen over de rol van mannen en vrouwen. Van de mensen die eens per week of vaker naar de kerk gaan, is ongeveer 47% positief over homoseksualiteit, terwijl dit onder mensen die nooit naar de kerk gaan 77% is.
In het beleid richten we ons daarom op alle groepen in de samenleving, waarbij de acceptatie van LHBTI achterblijft, zodat ook in die gemeenschappen LHBTI-personen de vrijheid hebben en voelen om zichzelf te zijn.
We kunnen geen uitspraak doen over de ontwikkeling van acceptatie van homoseksualiteit binnen migrantengemeenschappen omdat er na 2016 geen vervolgmeting is gedaan.
Ziet u het als uw taak van Minister van integratie om op te komen voor onderdrukte LHBTI’ers in migrantengemeenschappen en zo ja, wat doet u hier actief aan?
Zoals bij het antwoord op vraag 2 aangegeven, vind ik het van belang dat iedereen in Nederland zelf mag bepalen hoe ze hun eigen leven willen inrichten. Samen met mijn collega van OCW zet ik in op de bevordering van het recht op zelfbeschikking in gesloten gemeenschappen. We gaan hierbij uit van de veronderstelling dat mensen in gesloten gemeenschappen nog te vaak beperkt worden in hun persoonlijke autonomie vanwege traditionele denkbeelden over mannelijkheid en vrouwelijkheid.
Vanuit SZW wordt er via het Platform Eer en Vrijheid integraal aandacht besteed aan bovenstaande thema’s en ook worden er op dit moment vanuit SZW 2 projecten ondersteund die zijn gericht op de bevordering van zelfbeschikking van LHBTI+’ers:
Daarnaast ondersteunt het Ministerie van OCW de alliantie Verandering van Binnenuit. Deze alliantie, bestaande uit 7 migranten- en vluchtelingorganisaties en Movisie, zet zich in voor gendergelijkheid en LHBTI-acceptatie in vluchtelingen- en migrantengemeenschappen en werkt aan het terugdringen van gendergerelateerd geweld.
Ook ondersteunt mijn collega van OCW bijvoorbeeld de activiteiten van de christelijke LHBTI-alliantie LCC+ waar onder andere «Homo in de Klas» een plek in heeft. Deze alliantie zet zich in voor het bespreekbaar maken van LHBTI binnen christelijke kring.
Vanuit OCW wordt ook het project «Stil verdriet» van Theater AanZ ondersteund. In samenwerking met de protestant-christelijke scholen, Stichting School en Veiligheid en de organisatie «Homo in de Klas» heeft Theater AanZ een voorstelling ontwikkeld over homoseksualiteit binnen het christelijk geloof. Hierbij wordt na afloop een gesprek gevoerd over deze thema’s in de klas. Aanvullend is er een training voor de docenten van de school waar de voorstelling wordt gegeven. De voorstelling is op 1 oktober 2020 in première gegaan.
Hoe staat het met de uitvoering van het amendement-Becker bij de begrotingsbehandeling in november 2020 waarmee drie ton is vrijgemaakt voor organisaties die opkomen voor LHBTI’ers in gesloten gemeenschappen?1 Kunt u de Kamer zo snel mogelijk in detail informeren over de beoogde besteding van deze middelen en de planning van toekenning?
Om de middelen die voortvloeien uit het amendement 35 570 XV, nr. 10 – dat toeziet op ondersteuning van organisaties die strijden tegen culturele onderdrukking en zelfbeschikking ondersteunen – zo zorgvuldig en effectief mogelijk te besteden, laat ik een korte verkenning uitvoeren naar mogelijke witte vlekken in de huidige preventieve aanpak van schadelijke praktijken. Ik wil weten welke gemeenschappen en/of risicogroepen aanvullend gerichte aandacht behoeven. Deze verkenning zal ook in kaart brengen welke effectieve instrumenten er bestaan om binnen gesloten gemeenschappen mentaliteitsverandering te bevorderen.
Het gaat daarbij om een aanvulling op al lopende initiatieven zoals het project van Femmes for Freedom gericht op voorlichting over het recht op zelfbeschikking aan vrouwen en LHBTI’ers uit nieuwkomersgroepen en het project van Dona Daria dat zich richt op het vergroten van het sociaal netwerk van vrouwen en LHBTI’ers in gesloten gemeenschappen.
Op basis van de resultaten van de verkenning zal ik in het najaar verdere uitvoering geven aan het amendement 35 570 XV, nr. 10.
Het artikel 'Toezichthouder vindt groot gasplan te riskant' |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Bas van 't Wout (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Toezichthouder vindt groot gasplan te riskant»?1 Wat vindt u van het bericht?
Ja, ik ben bekend met het artikel. Zorgen over de winning van kleine gasvelden zijn bekend en zijn onderwerp van gesprek met de omgeving, ook tijdens de procedures en in de besluiten die ik neem.
Deelt u de mening dat gaswinning alleen kan als dat veilig en verantwoord is? Zo nee, waarom niet?
Het is een uitgangspunt van het beleid dat zolang er gas gebruikt wordt in Nederland, gaswinning alleen wordt toegestaan als dat veilig kan.
Deelt u de mening dat voor het bepalen of de gaswinning veilig kan, het advies van de toezichthouder SodM van cruciaal belang is? Zo nee, waarom niet?
Ja, bij de afweging of een gaswinning veilig is, is het advies van SodM zeer belangrijk. Bij de beoordeling van een winningsplan vraag ik naast advies aan SodM, ook TNO, de Technische commissie bodembeweging, de provincie, gemeenten en waterschap en tot slot de mijnraad om advies. Elke adviseur vraag ik om advies vanwege diens eigen kennis en expertise. Vanwege de verschillende kennis en expertise van de adviseurs is elk advies van belang voor de afweging die ik moet maken. Uiteindelijk maak ik op basis van al deze adviezen samen een afweging over eventuele instemming met het winningsplan.
Klopt het dat er een negatief advies van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) ligt voor het gaswinningsplan rond Burgum in de driehoek Drachten – Kootstertille – Suwâld voor maximaal 11,5 miljard kuub tot 2050, zoals ook de woordvoerder van SodM bevestigt in het artikel?
Het klopt dat ik een negatief advies van SodM ontvangen heb.
Kunt u aangeven waarom het advies van SodM nog niet openbaar is? Wanneer wordt het advies van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) openbaar?
Nee, ik ben niet bereid om het advies voortijdig openbaar te maken. Zoals ik op 21 april jl. heb aangegeven in de beantwoording van de vragen van het lid Beckerman (Aanhangsel Handelingen II 2020–2021, nr. 2431) houd ik mij bij de openbaarmaking aan hetgeen de wet mij oplegt. Bij wet is namelijk geregeld dat ik de adviezen openbaar maak tegelijkertijd met het ontwerpbesluit waarin ik de afweging over de aanvraag maak en de adviezen beschrijf. Deze juridische procedure is zo ingericht dat ik een zorgvuldige afweging kan maken.
Bent u bereid om het advies van SodM nu openbaar te maken, gelet op alle publiciteit en onzekerheid en onrust bij de bewoners van het gebied? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u op korte termijn een besluit nemen over het desbetreffende gaswinningsplan, zeker gelet op de onrust bij de bewoners? Zo nee, waarom niet?
Ik beoordeel een aanvraag tot instemming met een winningsplan op basis van de aanvraag en de daarop gegeven adviezen van de wettelijke adviseurs. Ik ben momenteel nog in afwachting van de laatste adviezen. Pas na ontvangst van deze adviezen kan ik een zorgvuldige afweging maken en het ontwerpbesluit opstellen. Een ontwerpbesluit zal daardoor nog enkele maanden op zich laten wachten en niet eerder dan na de zomer ter inzage worden gelegd. Het ontwerpbesluit met daarin de door mij gemaakte afweging leg ik vervolgens samen met de aanvraag en alle gegeven adviezen gedurende 6 weken ter inzage. De terinzagelegging heeft als doel om inzicht te geven in de gemaakte afweging en geeft de mogelijkheid om een zienswijze te geven waarin aangegeven kan worden of men van mening is dat ik de afweging onjuist of onvoldoende gemotiveerd heb gemaakt. Deze zienswijzen betrek ik vervolgens bij het nemen van het definitieve besluit.
Wanneer bent u van plan om een besluit te nemen over het desbetreffende gaswinningsplan? Op basis van welke stukken neemt u dat besluit? Hoe ziet het proces er de komende tijd uit?
Zie antwoord vraag 7.
In het artikel wordt gesproken over de mogelijkheid van het indienen van losse, kleinere winningsplannen, in hoeverre worden bij de beoordeling van die afzonderlijk gaswinningsplannen de cumulatieve effecten van verschillende gaswinningsplannen meegenomen in de beoordeling?
De wet schrijft niet voor of een winningsplan per veld moet worden ingediend of dat een winningsplan de ontwikkeling van meerdere velden tegelijkertijd beschrijft. Door de omgeving wordt het separaat indienen van winningsplannen als zogenoemde salamitactiek ervaren. In dit geval is er, conform de wens van de omgeving, voor gekozen om een integraal winningsplan voor meerdere velden in te dienen met als doel dat er een totaalbeeld geschetst wordt van de mogelijke ontwikkelingen in het gebied.
In het winningsplan dat nu voorligt, beschrijft de operator alle mogelijkheden die het bedrijf ziet ten aanzien van gaswinning in het gebied. Het is overigens niet zo dat ik alleen de keuze zou hebben om geheel in te stemmen dan wel de instemming geheel te weigeren. Als de afweging daartoe aanleiding geeft, kan ik ook besluiten om de instemming te beperken tot een deel van hetgeen beschreven is in het winningsplan.
Het bericht dat provincie Noord-Holland woningbouw in Landsmeer tegen houdt. |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie houdt woningbouw in Landsmeer tegen, wat nu»?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Is het waar dat veel gebied rondom Landsmeer is aangewezen als BPL-landschap (Bijzonder Provinciaal Landschap)?
Inderdaad heeft provinciale staten van Noord-Holland in de vastgestelde omgevingsverordening Noord-Holland 2020 «Bijzonder Provinciale Landschappen» aangewezen. Een groot gedeelte van het buitengebied van Landsmeer maakt daarbij onderdeel uit van één van de 32 bijzondere landschappen. Deze aanwijzing betekent dat er voor dit gebied een extra bescherming geldt.
Bij de beantwoording van de Kamervragen over de bouwopgave in Noord-Holland in relatie tot het bericht «Nieuwe omgevingsverordening beschermt 32 bijzondere landschappen»2 heb ik u geïnformeerd over de achtergronden en effecten van de Bijzondere Provinciale Landschappen (BPL).
Klopt het dat door de nieuwe omgevingsverordening een groot aantal woningbouwlocaties van de gemeente Landsmeer is komen te vervallen? Zo ja, om hoeveel woningbouwlocaties gaat het en om hoeveel woningen?
Nee dit klopt niet.
De woningbouwmogelijkheden van de regio Waterland, waar Landsmeer deel van uitmaakt, zijn namelijk nu ook al beperkt. Dit komt door de ligging in een uniek veenpolderlandschap met bijzondere landschappelijke kwaliteiten en natuurwaarden (in de provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie aangeduid als ensemble Wormerland-Oostzaan). De aanwijzing als BPL voegt daar alleen het dorpslint van Landsmeer aan toe. Dit raakt echter geen groot aantal woningbouwlocaties. Ik heb via de provincie vernomen dat het in ieder geval gaat om één ruimte-voor-ruimte locatie waar twee beoogde woningen niet gebouwd konden worden. De provincie heeft daarnaast aangegeven dat voor locaties in lintbebouwing waar volgens provinciale regelgeving formeel geen bouwmogelijkheden zijn, wordt gewerkt aan maatwerkoplossingen.
De Bijzondere Landschappen hebben betrekking op zo’n 1% van de beschikbare harde en zachte plancapaciteit in Noord-Holland. Daarbij gaat het om ongeveer 1200 woningen op acht locaties op een totaal van circa 430.000 woningen.
In de vastgestelde Omgevingsverordening heeft de Provincie Noord-Holland een afweging gemaakt tussen ruimte voor ontwikkelingen en bescherming van het landelijk gebied. Daarbij zijn geen harde plannen van gemeenten vervallen. De provincie heeft ook aangegeven harde plannen te respecteren.
Hoe staat het met het overprogrammeren in de provincie Noord-Holland: hoeveel procent «hard» voor de komende 5 jaar en hoeveel procent «hard» en «zacht» voor de komende 15 jaar? Hoe staat het met uw toezegging om provincies op te roepen 130% overprogrammeren toe te staan?
Met de provincie Noord-Holland heb ik afgesproken de plancapaciteit te inventariseren en zonodig te verhogen tot een overprogrammering van tenminste 130%.
Uit de inventarisatie van de plancapaciteit blijkt voor de periode tot 2030 in heel Noord-Holland ruim voldoende plancapaciteit. Daarbij zetten wij de plancapaciteit af tegen de netto bouwopgave. De bouwopgave is de toename van de woningbehoefte vermeerderd met het inlopen van het tekort en verminderd met de raming voor de sloop. In Noord-Holland blijkt voor de periode tot 2030 137% harde en zachte plancapaciteit beschikbaar te zijn ten opzichte van de netto bouwopgave. Voor de periode tot 2040 is er nog geen prognose van de bouwopgave en zijn er vanzelfsprekend meer onzekerheden in de prognose, maar bedraagt het percentage op basis van de huidige gegevens ongeveer 130% harde en zachte plancapaciteit ten opzichte van de toename in de woningbehoefte.
De provincie heeft via de woonagenda gemeenten opgeroepen om voor de korte termijn (5 jaar) minimaal 130% harde plancapaciteit te hebben. Dit lukt nog niet in alle regio’s, maar daar is wel voldoende zachte plancapaciteit beschikbaar die hard gemaakt kan worden. De provincie helpt deze regio’s onder andere door cofinanciering van extra inhuur van ambtelijke capaciteit via de zogenaamde Flexibele Schil om een groter deel van de zachte plannen tijdig hard te maken.
Waarom is er door de provincie Noord-Holland voor gekozen om ook onder voorwaarden geen kleinschalige woningbouw toe te staan in de BPL-gebieden in de Metropoolregio Amsterdam?
Kleinschalige woningbouw is in principe wel toegestaan in BPL-gebieden, mits de kernkwaliteiten van het landschap niet worden aangetast door de ontwikkeling. In het zuiden van de provincie is kleinschalige woningbouw in «regulier landelijk gebied», waar het BPL-gebied ook onder valt, niet toegestaan. Dit geldt dus ook voor bouwlocaties buiten de bestaande bebouwing en/of in het lint van Landsmeer.
Deelt u de mening dat er zowel binnenstedelijk als buitenstedelijk gebouwd moet worden om de grote woningbouwopgave in Nederland te halen?
Ik deel uw mening dat alleen binnenstedelijk bouwen niet voldoende is om de bouwopgave in te vullen. Met name in de regio’s met een groot woningtekort en een sterke stijging van de woningbehoefte is het nodig gelijktijdig binnen- en buitenstedelijke locaties in beeld te brengen.
In de Nationale Omgevingsvisie is vastgelegd dat het binnenstedelijk bouwen van woningen, bedrijven en voorzieningen in de bereikbaarheid van een OV- knooppunt de voorkeur verdient en dat deze ruimte optimaal benut dient te worden; waar die ruimte onvoldoende is, is realisatie aan de randen van verstedelijkt gebied aan de orde. In alle gevallen is het belangrijk dat dit gebeurt met oog voor ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit. De provincie geeft ruimte om in regulier landelijk gebied te bouwen, mits de ladder duurzame verstedelijking doorlopen wordt. Ik verwijs u verder ook naar mijn antwoord van 15 december 2020 op uw eerdere vragen over de aanwijzing van de BPL in Noord-Holland. 3
Bent u bereid om, ook voor de gemeente Landsmeer, met de provincie Noord-Holland in gesprek te gaan om een aanpak vanuit de provincie te realiseren die de gezamenlijke opdracht voor de woningbouwopgave ondersteunt en versnelt, die het samenwerken tussen overheden stimuleert en het vertrouwen dat daarbij hoort als uitgangspunt neemt? Bent u bereid hier de Kamer over te informeren?
Voor mij is het van belang dat de provincies voldoende ruimte bieden voor de regionale van de bouwopgave. Zoals ik in vraag 4 heb aangegeven gebeurt dat ook, is er voldoende plancapaciteit om te voorzien in de behoefte. Daarnaast heb ik ook afspraken gemaakt met de provincie en de regio over versnelling en over goede monitoring. Op dit moment vindt binnen de lopende trajecten zoals de woondeal, de verstedelijkingsstrategie en Bereikbare steden, samenwerking plaats met provincie regio en gemeenten over de woningbouwopgave.
Deelt u de mening dat, gezien de grote woningbouwopgave, de provincie Noord-Holland het vervallen van woningbouwlocaties, ook in de gemeente Landsmeer, zoveel mogelijk moet voorkomen en terugdraaien?
Zie antwoord vraag 6.
Het manifest ‘Klimaat in de Klas’. |
|
Christine Teunissen (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het manifest «Klimaat in de Klas»?1
Ja.
Bent u – net zoals de Minister van EZK – bereid om in gesprek te gaan met de initiatiefnemers van het manifest «Klimaat in de Klas»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer gaat dit gesprek plaatsvinden?2
In algemene zin zijn we altijd bereid over dit soort thema’s in gesprek te gaan. Een uitnodiging voor het gesprek is verzonden aan de initiatiefnemers.
Onderschrijft u de oproep uit dit manifest dat het nieuwe curriculum doorlopend moet meegroeien met de actuele ontwikkelingen op het gebied van klimaatverandering en duurzame ontwikkeling? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is daarop uw inzet?
Het onderwijs, en daarmee de doelen die via het curriculum hieraan worden gesteld, moet uiteraard aansluiten bij de actualiteit en maatschappelijke ontwikkelingen. Dat betreft daarmee natuurlijk ook de vraagstukken rondom duurzame ontwikkeling, waaronder klimaatverandering. In de voorstellen van Curriculum.nu is er versterkte inzet op kennis en vaardigheden rondom duurzaamheid in vergelijking met het huidige curriculum. Het is de intentie om deze voorstellen aan te scherpen met de aanbevelingen van de wetenschappelijke curriculumcommissie en deze vervolgens door te ontwikkelen tot kerndoelen zodat álle leerlingen kunnen profiteren van goed onderwijs over het thema duurzaamheid.
In de kwalificatiestructuur van het mbo is duurzaamheid inmiddels in een groot aantal kwalificatiedossiers opgenomen. Ook zijn er generieke keuzedelen duurzaamheid, die als onderdeel van alle opleidingen kunnen worden gevolgd. Er is namelijk een toenemende vraag naar kennis hierover vanuit het bedrijfsleven.
Onderschrijft u de oproep uit dit manifest dat leerlingen actief betrokken moeten worden bij de samenstelling van het curriculum? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is daarop uw inzet?
Leerlingen zijn via het LAKS betrokken geweest bij de totstandkoming van de voorstelen van de Curriculum.nu, en wij zullen LAKS in het vervolg daarop natuurlijk blijven betrekken. Daarnaast is er een rol voor leerlingen weggelegd in het gesprek over een bijgesteld curriculum op de school zelf. Wanneer een curriculum op landelijk niveau wordt bijgesteld, moet dit uiteindelijk ook naar de schoolpraktijk worden vertaald, waarbij er voldoende ruime is voor schooleigen keuzes. We verkennen graag met het LAKS wat de rol van (de) leerlingen(raad) hierin zou kunnen zijn.
Onderschrijft u de oproep uit dit manifest dat docenten meer vrijheid en faciliteiten moeten krijgen om hun (klimaat)lessen te verbeteren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is daarop uw inzet?
We onderschrijven dat leraren meer zeggenschap over en keuzemogelijkheden moeten hebben om hun eigen curriculum te kunnen samenstellen. Dit willen we bijvoorbeeld ondersteunen door in de – nog bij te stellen – examenprogramma’s een bepaalde keuzeruimte voor leraren te borgen, zodat zij kunnen inspelen op thema’s die bij hen of bij hun leerlingen passen.
Onderschrijf u de oproep uit dit manifest dat klimaatonderwijs meer vakoverstijgend moet worden, vanwege de complexiteit van de klimaatcrisis? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is daarop uw inzet?
In het verlengde van het antwoord op vraag 3, kunnen we ons voorstellen dat thema’s als duurzaamheid en klimaat inderdaad vragen om een multidisciplinair perspectief. Dat vraagt erom dat deze thema’s in verschillende leergebieden terugkomen, vanuit een stevige (vakspecifieke) kennisbasis. Op het niveau van de school kunnen leraren vanuit verschillende disciplines en vakexpertises gezamenlijk invulling geven aan onderwijs over klimaat. Of zij dit relatief meer vakgericht doen, of via vakoverstijgende projecten is aan hen. Voorbeelden over hoe dat kan ten aanzien van duurzaamheid zijn beschikbaar via bijvoorbeeld netwerken die aangesloten zijn bij de door het Ministerie van LNV ondersteunde coöperatie «Leren voor Morgen».
Onderschrijft u de oproep uit dit manifest dat klimaatonderwijs objectief ontwikkeld en gegeven moet worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is daarop uw inzet?
In algemene zin moet al het onderwijs aan de hoogst mogelijke wetenschappelijke standaarden voldoen, zo ook het onderwijs dat gaat over klimaat, milieu en duurzaamheid. Vandaar dat bij de curriculumbijstelling diverse vakinhoudelijke experts en vakdidactici worden betrokken. Hoe scholen en leraren vervolgens invulling aan deze kerndoelen en eindtermen geven, is aan hen.
Onderschrijft u de oproep uit dit manifest dat een volledige terugtrekking van vervuilende bedrijven uit het onderwijssysteem noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is daarop uw inzet?
Scholen zijn financieel niet afhankelijk van bedrijven, daar de financiering via de rijksoverheid verloopt. Inhoudelijk hebben scholen en leraren de autonomie om zelf het curriculum in de praktijk vorm te geven en lesmaterialen te kiezen en gebruiken. Desgewenst kunnen zij daarbij gebruik maken van specifiek aanbod van bedrijven of organisaties. Het staat elk bedrijf of maatschappelijke organisatie in beginsel vrij om lesmaterialen te ontwikkelen en aan te bieden aan de scholen. Daarbij is het niet aan de overheid om bepaalde methoden uit te sluiten, maar aan de scholen en leraren zelf om al dan niet gebruik te maken van bepaalde (les)materialen. Wel zijn voor de inzet van bedrijven en maatschappelijke organisaties het convenant Kindermarketing en de richtlijnen van de Reclame Code Commissie recent aangescherpt.
Herinnert u zich dat vertegenwoordigers van dit kabinet en het ministerie aanwezig waren bij Generation Discover, het aantoonbaar misleidende techniekfestival van Shell?3
Ja, enkele vertegenwoordigers van het kabinet waren hierbij aanwezig. De kwalificatie «misleidend» laat ik aan u.
Herinnert u zich dat dit kabinet royale subsidies heeft uitgedeeld aan partijen als Agractie om, zonder controle op de lesinhoud, onderwijsprojecten op te zetten die de vee-industrie promoten?4
Ook hiervoor verwijzen we u naar antwoorden op eerdere vragen, via de link in het antwoord op vraag 10. De invloed van het kabinet op de keuzes die scholen maken op het gebied van leermiddelen is, zoals u weet, beperkt gelet op de grondwettelijke vrijheid van onderwijs. Daarnaast zijn de bepalingen uit het convenant kindermarketing en de geldende regels vanuit de Reclame Code Commissie van toepassing.
Erkent u dat dit kabinet nauwelijks serieuze stappen heeft gezet om korte metten te maken met de beïnvloeding van het onderwijs door de fossiele industrie, vee-industrie, jagers en andere ontwrichtende sectoren? Zo nee, welke stappen meent u wel gezet te hebben?
Zie antwoord vraag 10.
Wat is tot nu toe uw oordeel over het effect van de aanpassingen in het vrijblijvende convenant over sponsoring in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs voor de jaren 2020–2022?5
Het effect van het sponsorconvenant wordt periodiek geëvalueerd. Uit het laatste onderzoek van 2019 bleek dat ongeveer een kwart van de scholen sponsoring accepteert. Twee derde van deze scholen meende dat hun school in sterke mate aan de richtlijnen van het convenant voldoet. Schoolleiders, mr-leden en convenantpartijen onderschrijven in grote mate de richtlijnen in het convenant en de toegevoegde waarde ervan. In het convenant 2020–2022 zijn door de convenantpartijen verbeteringen aangebracht. Na afloop van het sponsorconvenant wordt een volledige evaluatie uitgevoerd, en dan kan een afgewogen oordeel gegeven worden over de effecten die het convenant heeft gehad.
Is er al sprake van een aantoonbare vermindering van het aantal geslaagde pogingen van bedrijven om het onderwijs te beïnvloeden? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Er wordt niet landelijk bijgehouden hoe vaak en waarmee bedrijven of andere partijen proberen het onderwijs te beïnvloeden. Bovendien is er geen eenduidige definitie te geven van wat een «geslaagde» poging is.
Wanneer gaat u eindelijk eens paal en perk stellen aan als lesmateriaal verpakte kindermarketing door ontwrichtende sectoren?
Gezien de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting staat het in beginsel iedereen vrij om lesmateriaal te ontwikkelen en aan scholen aan te bieden, en gezien de grondwettelijke vrijheid van onderwijs is het aan scholen en leraren zelf om al dan niet van een bepaald aanbod gebruik te maken. We hebben geen signalen dat scholen massaal gebruik maken van materialen die zijn ontwikkeld door derden: in de regel worden de reguliere vakspecifieke lesmethoden gebruikt die worden ontwikkeld door educatieve uitgevers. We zijn voortdurend in gesprek met leermiddelenmakers en de onderwijssectoren zelf, om te bezien welke kwalitatieve waarborgen ingebouwd kunnen worden bij de ontwikkeling van leermiddelen.
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Van Raan (d.d. 16 juni 2020) waarin de regering werd verzocht te onderzoeken op welke wijze het beste tegemoet kan worden gekomen aan de behoefte van leraren omtrent kennis en lesmaterialen rondom duurzaamheid en de samenwerkende non-profitorganisaties voor duurzaam onderwijs te betrekken bij dit onderzoek?6
Deze motie wordt meegenomen in de bijstelling van het curriculum van het funderend onderwijs. De kerndoelen worden in de praktijk beproefd alvorens ze definitief vast te stellen, en dit wordt uitgebreid gemonitord. Daarbij zal in lijn met deze motie aandacht zijn voor de behoefte die leraren hebben aan ondersteunend materiaal rondom specifieke thema’s, zoals duurzaamheid. Op dit moment is de vraag hoe we komen tot bijstelling van de kerndoelen en eindtermen onderwerp van gesprek met Uw Kamer.
In de tussentijd ondersteunt het interdepartementale en interbestuurlijke programma DuurzaamDoor onder regie van het Ministerie van LNV diverse onderwijsnetwerken die zich met duurzaamheid bezighouden. Deze zijn verenigd in de coöperatie «Leren voor Morgen». In de komende jaren zal dit netwerk ondersteund worden in het ontsluiten en delen van good practices, trainingen en onderzoek.
Dynamische evenementenvergunningen. |
|
Mustafa Amhaouch (CDA), Hilde Palland (CDA), Lucille Werner (CDA) |
|
Bas van 't Wout (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is de stand van zaken van de gesprekken over «een meer flexibele en gefaseerde vorm van vergunningverlening» naar aanleding van de aangenomen motie Amhaouch/Palland over dynamische evenementenvergunning (Kamerstuk 35 669, nr. 20), waarnaar in de Kamerbrief Tijdelijke regeling subsidie evenementen COVID-19 (Kamerstuk nr. 2021Z04751) wordt verwezen?
Het verstrekken van vergunningen is primair een lokale verantwoordelijkheid van gemeente, zij worden hierbij geadviseerd door de veiligheidsregio, hulpdiensten en andere partijen. De beoordeling of en in welke vorm evenementen in hun gemeente of regio georganiseerd kunnen worden ligt dan ook bij hen. Zij kennen de lokale omstandigheden en kunnen dan ook de beste afweging maken. Wel vindt het kabinet het belangrijk dat als er weer evenementen georganiseerd mogen worden hiervoor ook, binnen de kaders, zoveel mogelijk duidelijkheid wordt geboden aan de aanvragende partijen. Met de VNG/gemeenten zijn wij in gesprek om te kijken hoe het vergunningverleningsproces zo flexibel mogelijk kan worden. De VNG geeft aan dat vele gemeenten al op een dynamische manier met vergunningverlening trachten om te gaan. Dat wil zeggen dat aanvragen al getoetst worden voor zover dat mogelijk is.
Kunt u aangeven waarom kermissen in het openingsplan onder evenementen staan en niet onder doorstroomlocaties zoals dierentuinen? Kermissen vinden doorgaans plaats in de buitenlucht en daarmee is toch ook sprake van doorstroming? Wilt u dit duiden?
Doorstroomlocaties kennen een andere dynamiek dan evenementen, waaronder kermissen. Doorstroomlocaties zoals dierentuinen, maar ook attractieparken hebben een permanente vestigingsplaats en zijn doorgaans het hele jaar door geopend. Bij doorstroomlocaties wordt de maximaal beschikbare ruimte reeds benut door regulier/permanent aanwezige voorzieningen. Voor evenementen, zoals kermissen, geldt dat zij op een bepaalde locatie een beperkte tijd aanwezig zijn, waardoor geïnteresseerde bezoekers binnen dat tijdsbestek naar de locatie gaan. Het openen van een evenement brengt een bezoekersstroom bovenop de reguliere benutting van die openbare ruimte op gang. Die reguliere benutting is op dit moment de maximale ruimte die epidemiologisch gezien beschikbaar is.
In hoeverre is in het openingsplan differentiatie naar aard en omvang van evenementen mogelijk, waardoor meer ruimte ontstaat voor maatwerk? Bijvoorbeeld door aan te sluiten bij het onderscheid in zgn. A- B- en C-evenementen, waarbij A- en B-evenementen wel eerder kunnen worden toegestaan dan C-evenementen, c.q. daarvoor nadere voorschriften worden gesteld?
In het openingsplan is reeds sprake van differentiatie. Zo zijn geplaceerde (kleine) evenementen, waarbij mensen een vaste (zit)plaats hebben met een testbewijs, in stap 3 al toegestaan. In stap 4 worden ongeplaceerde evenementen ook weer toegestaan onder voorwaarden. In de daaropvolgende stap zullen (een deel van) die voorwaarden komen te vervallen. Aanvullend kan er ook worden gewerkt met de inzet van een test-, herstel- of vaccinatiebewijs waardoor er meer differentiatie mogelijk is.
Herkent u het beeld dat veel evenementenorganisatoren of brancheorganisaties ervaren dat gemeenten aarzelen om alvast met vergunningverlening aan de slag te gaan of aangeven geen toetsingskader daarvoor te hebben? Welke signalen heeft u hierover ontvangen?
Ik heb enkele signalen binnen gekregen dat gemeenten aarzelen om alvast met vergunningverlening aan de slag te gaan of aangeven dat onzekerheid over de coronasituatie hen parten speelt, omdat op dit moment evenementen niet toegestaan zijn, maar ook omdat de voorwaarden waaronder in de toekomst evenementen weer mogelijk worden nog niet bekend waren. Dit maakt het lastig om vergunningsaanvragen voor te bereiden.
Wij begrijpen dat een groot deel van de vergunningverleningen zo goed mogelijk worden voorbereid, zodat een zo snel mogelijke doorloop kan worden bewerkstelligd. Een aanvullende positieve ontwikkeling daarbij is een Learning Community die door de VNG is gestart. Hierin kunnen gemeenten onderling best practices uitwisselen.
Om de organisatoren van evenementen en vergunningsverleners zoveel mogelijk duidelijkheid te geven, heeft het kabinet vooruitlopend op de besluitvorming over het zetten van stap 4 gecommuniceerd over de voorwaarden die zullen gelden voor evenementen. Deze voorwaarden zijn besproken met de VNG/gemeenten en de Veiligheidsregio’s en zijn mede tot stand gekomen op basis van de uitkomsten van de Fieldlab evenementen en de OMT-adviezen die daarop zijn gegeven.
Deze brief1 over de opvolging van de uitkomsten van de Fieldlabs is op 11 juni jl. aan uw Kamer gezonden.
Deelt u de mening dat zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat wanneer evenementen straks weer zijn toegestaan organisatoren alsnog tot tien weken moeten wachten eer zij open kunnen als gevolg van tijdrovende vergunningstrajecten?
Ik deel deze mening. Hierover ben ik ook dan in gesprek gegaan met de VNG/gemeenten en Veiligheidsregio’s en weet ik dat zij deze mening ook delen. De VNG en gemeenten spannen zich in om de vergunningverleningsprocedures spoedig te laten verlopen en delen tevens hun best practices.
Bent u bereid op korte termijn een handreiking aan gemeenten te verstrekken op welke wijze gemeenten invulling kunnen geven aan een dynamische vergunningverlening terzake evenementen in onderscheiden categorieën (A/B en C) met inachtneming van COVID-19-maatregelen en openingsplan?
Ik verwijs graag naar mijn eerdere antwoorden waarin heb aangegeven dat: 1) verstrekken van vergunningen primair een lokale verantwoordelijkheid is van gemeenten, zij hierbij geadviseerd worden door de veiligheidsregio’s, hulpdiensten en andere partijen, 2) veel gemeenten al bezig zijn met dynamische vergunningverleningen en 3) de VNG een Learning Community is gestart waarin gemeenten onderling best practices kunnen uitwisselen. Tegelijkertijd wordt de Integrale COVID-19 evenementen werkwijze herzien naar een 2.0 versie door de VNG, Veiligheidsregio’s, GGD/GHOR en de politie. Hierin staan handvatten voor het proces van vergunningverlening en advisering; de inhoudelijke voorwaarden die gaan gelden voor evenementen worden geregeld door de rijksoverheid in de Twm/Trm.
Hebt u kennisgenomen van het position paper van de commissie Veiligheid van de Nederlandse Kermisbond? Hoe gaat u deze betrekken bij de richtlijnen/een handreiking voor gemeenten?
Ja ik heb kennis genomen van het position paper en deze gedeeld met de VNG en Veiligheidregio’s zodat zij, indien zij hiertoe aanleiding zien, kunnen gebruiken in de stappen die zijn momenteel nemen zoals beschreven in mijn antwoord onder vraag 6.
Kunt u deze vragen vóór 21 mei 2021 beantwoorden?
Er is voor gekozen om de beantwoording van deze vragen parallel te laten lopen met de communicatie van 11 juni jl. over de voorwaarden die gaan gelden voor evenementen zodra de besluitvorming over het zetten van stap 4 heeft plaatsgevonden.
Het bericht dat een borstkankerpatiënt naaktfoto’s van zichzelf moest opsturen naar de zorgverzekeraar. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Wendy (51) moest naaktfoto’s naar zorgverzekeraar sturen: «Fout op elk niveau»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het moeten opsturen van naaktfoto’s naar je zorgverzekeraar volstrekt onacceptabel is?
Ik ben van mening dat het uitwisselen van gegevens en foto’s ten behoeve van de beoordeling (in het bijzonder wanneer het gaat om een hersteloperatie bij een borstreconstructie) met veel respect en privacy moet worden behandeld.
Daarom zouden dit soort gegevens uitgewisseld moeten worden in een beveiligde omgeving tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar. Hierdoor wordt de verzekerde zo min mogelijk belast. Zowel de zorgaanbieder en zorgverzekeraar hebben ook de verantwoordelijkheid om de verzekerde uit te leggen waarom een foto in het dossier wordt toegevoegd en daarbij de verzekerde te informeren hoe met deze gevoelige informatie wordt omgegaan.
Aanspraak op behandelingen van plastisch-chirurgische aard valt slechts gedeeltelijk onder de basisverzekering. Behandelingen die alleen cosmetisch van aard zijn en dus medisch gezien niet nodig zijn, zijn uitgesloten van het basispakket. Voor een behandeling van plastisch-chirurgische aard moet daarom in alle gevallen voorafgaand toestemming (een machtiging) door de zorgverzekeraar gegeven worden, zodat vastgesteld kan worden of de aanspraak op de basisverzekering terecht is.
De voorwaarden voor voorafgaande toestemming worden opgesteld door de wetenschappelijke verenigingen en vastgesteld door het Zorginstituut Nederland. Zorgverzekeraars hebben de wettelijke verplichting om vast te stellen of een vergoeding voldoet aan de voorwaarden. De precieze voorwaarden voor vergoeding van behandelingen en een limitatieve lijst van ingrepen van plastisch-chirurgische aard staan beschreven in de Werkwijzer beoordeling behandelingen van plastisch-chirurgische aard.
Zorgverzekeraars moeten kunnen onderbouwen of de gevraagde persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor het verlenen van een machtiging.
Indien er foto’s tussen de zorgaanbieder en zorgverzekeraar worden uitgewisseld vindt dit plaats met toestemming van de patiënt en in een beveiligde omgeving. Omdat het sturen van foto’s voor de betrokkene confronterend kan zijn, is juist afgesproken om de foto’s door de behandelaar te laten maken en samen met de aanvraag voor vergoeding via VECOZO (een beveiligd platform voor het uitwisselen van aanvragen) aan een zorgverzekeraar beschikbaar te stellen.
De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor de volledigheid van de aanvraag, inclusief eventuele foto’s. Het komt echter voor dat de behandelaar deze foto’s niet met de aanvraag meestuurt. Dat ontslaat de verzekeraar niet van de plicht om de aanvraag op rechtmatigheid te controleren. Bij het ontbreken van foto’s bij de aanvraag worden foto’s bij de verzekerde opgevraagd.
De beoordeling van de aanvragen vindt plaats door medisch adviseurs die – net als artsen die de foto’s versturen – een BIG-registratie hebben.
Aansluitend daarop zijn deze medewerkers gebonden aan het medisch beroepsgeheim en kunnen zij in geval van misstappen tuchtrechtelijk worden vervolgd. Ook zijn zij – net als artsen – gehouden aan de KNMG-richtlijnen2.
Uit het artikel blijkt dat de foto’s in eerste instantie ook via de zorgaanbieder met de zorgverzekeraar zouden worden gedeeld. De patiënt heeft de zorgaanbieder verzocht om deze informatie niet met de zorgverzekeraar te delen. Vervolgens heeft de verzekeraar een incompleet dossier ontvangen en heeft de zorgverzekeraar gevraagd om de foto’s zelf te maken met als doel de verzekerde in staat te stellen om alsnog een machtiging te verkrijgen. Daarnaast is door de zorgverzekeraar als alternatief voor het versturen van foto’s aangeboden dat de medisch adviseur (BIG-geregistreerde arts) van een verzekeraar tijdens een consult de aanvraag kan beoordelen.
Kunt u zich voorstellen dat de vrouw in kwestie zich vernederd voelde en de foto’s niet wilde opsturen?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u verzekeraars duidelijk maken dat het opsturen van foto’s van het lichaam niet de bedoeling zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u de verzekeraars duidelijk maken dat beslissingen over de te volgen behandeling aan de arts en patiënt zijn en dat het niet de bedoeling is dat verzekeraars op de stoel van de behandelend arts gaan zitten, ook niet als ze artsen in dienst nemen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven vallen behandelingen van plastisch-chirurgische aard maar voor een beperkt deel onder de basisverzekering. Voor het vaststellen van de rechtmatigheid van de zorg moet voorafgaand toestemming (een machtiging) door de zorgverzekeraar gegeven worden, waarbij deze zich baseert op de richtlijnen die opgesteld zijn door de wetenschappelijke verenigingen en door het Zorginstituut Nederland zijn vastgesteld. Deze taak van zorgverzekeraars is opgenomen in de Zorgverzekeringswet.
Het gaat bij procedures als deze niet om beoordeling van de behandeling, waardoor het niet zo is dat de zorgverzekeraar op de stoel van de arts gaat zitten. Het voorkomt wel dat er sprake is van onverzekerde zorg. En met een machtiging krijgt de verzekerde vooraf duidelijkheid over de vraag of zorgkosten worden vergoed. Hiermee wordt voorkomen dat de declaratie achteraf wordt afgekeurd en de verzekerde geconfronteerd wordt met onverwachte kosten.
Hoe bewerkstelligt u dat patiënten geen naaktfoto’s van zichzelf meer hoeven op te sturen naar de zorgverzekeraar?
Zorgverzekeraar Menzis heeft naar aanleiding van dit artikel laten weten de afspraken met zorgaanbieders opnieuw actief bij de zorgaanbieders onder de aandacht te gaan brengen. De verzekeraar onderzoekt of afspraken hierover explicieter vastgelegd moeten worden in de contracten met zorgaanbieders. Daarbij kijkt Menzis ook naar de mogelijkheid om een toestemmingsverklaring van de patiënt/verzekerde op te nemen in het aanvraagproces. Ik zal ook de andere zorgverzekeraars vragen om hun procedures rondom het uitwisselen van foto’s in het kader van machtigingen te bezien en bij zorgaanbieders actief onder de aandacht te brengen.
Een verklaring van de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Stef Blok (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de verklaring1 van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken over toelating van Taiwan tot de jaarvergadering van de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO)?
Het kabinet is met de VS en vele andere landen van mening dat Taiwan op betekenisvolle wijze zou moeten kunnen deelnemen aan internationale bijeenkomsten wanneer dit kwesties betreft die van mondiaal belang zijn, bijvoorbeeld als het de volksgezondheid betreft. Dat geldt dus ook voor de Wereldgezondheidsassemblee (WHA) waarop de genoemde verklaring betrekking heeft. Nederland zet zich daar met gelijkgezinde landen voor in.
Deelname van Taiwan als waarnemer aan de WHA is voor het kabinet geen doel op zich. Het belangrijkste is dat Taiwan niet verstoken mag blijven van cruciale informatie voor de volksgezondheid, en dat de internationale gemeenschap niet verstoken mag blijven van Taiwanese ervaringen en inzichten – ook waar het de bestrijding van COVID-19 betreft. Participatie van Taiwan in essentiële technisch-wetenschappelijke netwerken geleid door de WHO is daarvoor evenzeer van belang. De participatie van Taiwan in dergelijke werkgroepen heeft reeds aangetoond zeer waardevol te zijn.
Bent u bereid om nog voor de aanstaande jaarvergadering een Nederlandse verklaring van gelijke strekking openbaar te maken? Zo neen, waarom niet?
Deze antwoorden alsook eerdere schriftelijke en mondelinge uitlatingen van gelijke strekking van het kabinet aan uw Kamer zijn reeds openbaar.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor 20 mei 2021?
Ja.
Het feit dat meerdere gedupeerde ouders een brief van Incassobureau GGN hebben ontvangen. |
|
Mahir Alkaya (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Hoe is het mogelijk dat vele ouders die nog geen integrale toets hebben gehad, of zelfs (deels) gecompenseerd zijn, een brief van GGN hebben gekregen dat zij niet gedupeerd zouden zijn?1
Via het amendement Lodders/Van Weyenberg kwam het moratorium tot stand.2 In dit moratorium is opgenomen dat de gegevens van de gedupeerden met gerechtsdeurwaarders, waaronder GGN, via de Stichting Netwerk Gerechtdeurwaarders (SNG) met ondersteuning van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) worden gedeeld om zo te voorkomen dat beslagen worden uitgevoerd. In eerste instantie is een lijst geleverd met alle mensen die zich voor 15 februari hadden gemeld, het moratorium, de pauzeknop, was namelijk voor alle mensen die zich melden geldig tot 1 mei en vanaf 1 mei voor iedereen die gedupeerd was. Vanaf 1 mei worden periodiek updates gestuurd naar de gerechtsdeurwaarders met daarin de gegevens van de mensen die zijn aangemerkt als gedupeerden.
Op 5 mei hebben we met de SNG nieuwe gegevens gedeeld van de gedupeerde voor wie het moratorium na 1 mei van toepassing blijft. Op zondag 16 mei werd duidelijk dat de gedeelde informatie onvolledig was; de lijst bevatte alleen de gegevens van ouders die via de Catshuisregeling € 30.000 hebben ontvangen. De ouders die al via de integrale beoordeling herstel hadden ontvangen, stonden niet op de lijst. Tevens ontbraken er ouders die zich hadden gemeld bij UHT en die ook toeslagpartner zijn van een gedupeerde. Dit waren ongeveer 1.500 ouders. Daarnaast ontbrak een groep ouders die wel recht heeft op de € 30.000 vanuit de Cathuisregeling, maar deze nog niet heeft ontvangen, bijvoorbeeld omdat we deze ouders nog niet hebben kunnen bereiken.3 Dit betreft ongeveer 4.400 ouders
Gedupeerden die schulden hebben en van ons al een positief bericht over herstel hadden ontvangen, hebben daardoor plots een brief ontvangen waarin stond dat zij hun schulden moeten afbetalen. Door deze situatie zijn ouders in verwarring gebracht en hebben we hen opnieuw in onzekerheid gebracht. Ik vind dat heel naar en bied daar deze ouders mijn excuses voor aan.
Voor alle ouders die geld van ons hebben gekregen of bericht hebben gekregen dat ze dat gaan krijgen, geldt de pauzeknop.
Voor ouders waarbij wij na de lichte toets op dit moment geen aanwijzingen hebben gevonden dat ze recht hebben op herstel, eindigt het moratorium vanaf 1 mei. Deze ouders zijn daarover per brief geïnformeerd. Het moratorium loopt af om te voorkomen dat hun private schulden oplopen gedurende een langere looptijd van het moratorium. Schuldeisers weten immers niet welke ouders zich hebben gemeld bij UHT en kunnen gedurende het moratorium nog wel verhogingen en kosten in rekening brengen. Dit zou de schuldenproblematiek van deze ouders vergroten en dat is onwenselijk. Wij maken met de deurwaarders graag afspraken over de herstart van de invorderingen van ouders waarbij er nu geen aanwijzingen zijn gevonden voor recht op herstel. Het kan zijn dat deze ouders problematische schulden hebben. Zij hebben uiteraard de mogelijkheid om afspraken te maken met de deurwaarders en zij kunnen altijd terecht bij hun gemeenten voor hulp met hun schulden.
Op basis van welke wettelijke gronden mag de Belastingdienst doorgeven dat iemand wel of niet gedupeerde is aan een incassobureau?
De wettelijke grond van gegevensuitwisseling met de schuldeisers is door middel van het amendement Lodders/Van Weyenberg opgenomen in de Awir, art 49i. Schuldeisers, incassobureaus en gerechtsdeurwaarders kunnen daarvoor aan Belastingdienst/Toeslagen vragen of een ouder gedupeerd is. De gegevenswisseling die wij doen is alleen met SNG voor de gerechtsdeurwaarders; GGN is een gerechtsdeurwaarderskantoor. Deze gegevensuitwisseling is namelijk nodig om het moratorium te effectueren. Schuldeisers en incassobureaus kunnen alleen op initiatief van een ouder, met de aan ouders gestuurde code, verifiëren of een ouder gedupeerde is.
Over hoeveel mensen heeft GGN gegevens opgevraagd?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. In eerste instantie is een bestand met alleen BSN’s verstuurd naar de SNG van alle mensen die zich hadden gemeld voor 15 februari. Dit betrof ongeveer 25.000 ouders. Daarna is er een bestand verstuurd met ongeveer 12.000 toeslagpartners. Dat is ook door de gerechtsdeurwaarders verwerkt. Op 5 mei is een bestand gestuurd met daarin de ouders die € 30.000 hebben ontvangen, ongeveer 11.000 ouders.
Door de SNG worden alleen die BSN’s verstrekt aan de gerechtsdeurwaarder die ook in het klantenbestand van de betreffende gerechtsdeurwaarder zitten. De gegevensdeling vanuit de SNG vindt plaats naar het gerechtsdeurwaarderskantoor GGN. Hoeveel gedupeerden of mogelijk gedupeerden bij GGN zitten is bij de Belastingdienst niet bekend omdat deze informatie niet wordt verstrekt vanuit privacy oogpunt.
Op welke wijze kan iemand die gedupeerd is, bij de Belastingdienst checken of zijn/haar gegevens gedeeld zijn met GGN en andere incassobureaus?
Ouders die gedupeerd zijn en via de Catshuisregeling € 30.000 hebben gekregen, hebben een brief ontvangen met een code, deze correspondeert met een register waar opgezocht kan worden of het moratorium voor deze ouder geldt en vanaf welk moment. Alle ouders die via integrale beoordeling in aanmerking komen voor het moratorium en de huidige toeslagpartners van alle ouders die in aanmerking komen voor het moratorium zullen deze brief op korte termijn ontvangen. Een ouder kan opvragen of en wie zijn/haar gegevens heeft opgevraagd. Het proces hiervoor wordt nu ingericht. Deze mogelijkheden zijn gerealiseerd omdat het de wens van uw Kamer is dat schuldeiser moeten kunnen verifiëren of iemand gedupeerd is en dat een ouder deze verzoeken ook kunnen raadplegen zodat ze aan schuldeisers kunnen aantonen dat ze tot de groep gedupeerden behoren.
De gegevens van deze ouders zijn niet gedeeld met incassobureaus, alleen met deurwaarderskantoren. Zie voor een aanvulling op dit antwoord ook het antwoord op vraag 2.
Wie heeft goedkeuring gegeven voor het doorgeven van gegevens van mensen aan GGN? Is dit behandeld in de Ministeriële Commissie Herstel Toeslagen?
Zie ook het antwoord op vraag 2, dit is via het amendement Lodders/Van Weyenberg wettelijk verankerd via het moratorium (art 49i Awir).
Klopt het dat ouders door de Belastingdienst een specifieke code toegewezen krijgen als zij gedupeerd zijn? Zo ja, wat zijn hiervan de consequenties voor hen?
Voor dit antwoord verwijzen ik graag naar vraag 4 waar dit wordt toegelicht.
Bent u van mening dat het delen van de gegevens met incassobureaus of deurwaarders rechtsgevolgen heeft?
Het al dan niet bevestigen of een ouder gedupeerd is, is noodzakelijk om te zorgen dat het moratorium voor private schuldeisers van kracht wordt. Het moratorium is daarmee het rechtsgevolg van het delen van gegevens. Gerechtsdeurwaarders en private schuldeisers mogen de gegevens alleen voor dit doel gebruiken en hier geen andere (rechts)gevolgen aan verbinden.
Is het delen van de gegevens met incassobureaus of deurwaarders conform artikel 1.3 van de Awb? Kunt u aangeven op welke wijze mensen in bezwaar kunnen gaan tegen het delen van de gegevens?
De AWB kent geen artikel 1.37. Daarom is het mij niet duidelijk waar u op doelt. De gegevensverstrekking naar gerechtsdeurwaarders is conform artikel 49i Awir. Toeslagen is dus ook verplicht de gegevens van gedupeerde ouders met de gerechtsdeurwaarders te delen zodat zij zich aan het moratorium kunnen houden. Als een ouder niet wil dat schuldeisers of incassobureaus weten dan een ouder gedupeerd is, hoeft de ouder niets te doen. Toeslagen deelt deze gegevens niet met schuldeisers of incassobureaus. Alleen als de ouder de code die hij of zij ontvangt deelt met derden kunnen die in het register verifiëren of een ouder gedupeerd is.
Op welke wijze kan een gedupeerde bezwaar maken tegen het besluit van de Belastingdienst om een naam op de lijst te zetten die gedeeld is met de incassobureaus die daarna met invorderingen starten?
De Belastingdienst heeft geen besluit genomen om ouders op een lijst te zetten en deze lijst te delen met incassobureaus. Hiertegen hoeft dus ook geen bezwaar gemaakt te worden. De Belastingdienst heeft de gegevens van gedupeerde ouders gedeeld met gerechtsdeurwaarders zodat voor deze groep het wettelijke moratorium geëffectueerd kan worden.
Waarom mag GGN stellen in de brief dat mensen niet gedupeerd zijn en dat de incasso derhalve weer gaat lopen?
Dat is niet de bedoeling. GGN kan aangeven dat iemand nog niet aangemerkt staat als gedupeerde. Als iemand op dit moment niet aangemerkt is als gedupeerde mag een gerechtsdeurwaarder weer starten met het incasseren van de vorderingen. Benadrukt dient te worden dat het hier gaat om de GGN als deurwaarderskantoor, en niet over het incassobureau.
Heeft u enig besef hoe het voelt voor mensen om opnieuw te lezen «u bent niet gedupeerd», zonder dat er ook maar een gesprek is geweest?
Ik kan me inderdaad voorstellen dat dit enorm naar is. Ik vind het dan ook verschrikkelijk dat deze foute lijst gedeeld is en dat vervolgens deze brieven zijn uitgestuurd. We doen onze uiterste best om te zorgen dat iedereen die gedupeerd is zo snel mogelijk de hulp en ondersteuning ontvangt waar ze recht op hebben. In eerste instantie gebeurt dit door middel van een lichte toets. Voor ouders waarbij we in de lichte toets geen aanwijzingen hebben gevonden kijken wij in de integrale beoordeling zorgvuldig naar hun verzoek voor herstel. Het gesprek met en verhaal van de ouder geldt hier als leidraad.
Wij zullen op korte termijn ge-update bestand met gegevens met de deurwaarders delen, met een volledig overzicht van alle ouders waarvoor het moratorium doorloopt of ingaat.
Voor ouders waarbij wij na de lichte toets op dit moment geen aanwijzingen hebben gevonden dat zij recht hebben op herstel, eindigt het moratorium vanaf 1 mei. Deze ouders zijn daarover per brief geïnformeerd. Het moratorium loopt af om te voorkomen dat hun private schulden oplopen gedurende een langere looptijd van het moratorium. Schuldeisers weten immers niet welke ouders zich hebben gemeld bij UHT en kunnen gedurende het moratorium nog wel verhogingen en kosten in rekening brengen. Dit zou de schuldenproblematiek van deze ouders vergroten en dat is onwenselijk. Wij maken met de deurwaarders graag afspraken over de herstart van de invorderingen van ouders waarbij er nu geen aanwijzingen zijn gevonden voor recht op herstel. Het kan zijn dat deze ouders problematische schulden hebben. Zij hebben uiteraard de mogelijkheid om afspraken te maken met de deurwaarders en zij kunnen altijd terecht bij hun gemeenten voor hulp met hun schulden.
Heeft u tevens enig besef wat het betekent voor mensen om wederom op basis van het doorgeven van gegevens beoordeeld worden en zij zelf helemaal niet betrokken zijn of er iets aan hen gevraagd is?
Ik betreur ten zeerste dat deze fout heeft kunnen gebeuren. In eerste instantie zijn de gegevens van ouders die in aanmerking komen voor de Catshuisregeling gedeeld met de gerechtsdeurwaarders om zo het moratorium te continueren. Helaas waren deze gegevens onvolledig en hebben sommige ouders dus onterecht een brief ontvangen, terwijl zij wel recht hebben op het moratorium. Ik kan mij voorstellen dat dit erg schrikken is geweest voor deze ouders. Ik wil dus ook benadrukken dat zij af kunnen gaan op het bericht dat zij ontvangen van de Herstelorganisatie en dat er geen nieuwe beoordeling plaatsvindt bij de gerechtsdeurwaarders.
Heeft de Belastingdienst ook aan andere incassobureaus gegevens over gedupeerden doorgegeven? Zo ja, aan welke incassobureaus en hoeveel personen betreft het?
Zie hiervoor ook het antwoorden op vragen 2 en 3. Er zijn geen gegevens gedeeld met incassobureaus, alleen met gerechtsdeurwaarders. Alle gerechtsdeurwaarders zijn aangesloten bij de KBvG en hun gegevensdeling verloopt via de SNG.
Snapt u dat incassobureaus juist in mei weer willen gaan incasseren omdat ze dan beslag op het vakantiegeld van mensen kunnen leggen? Waarom werkt de Belastingdienst/ de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen actief mee aan deze agenda?
Conform het amendement Lodders/Van Weyenberg verloopt het moratorium per 1 mei voor ouders waarbij er nog geen aanwijzing is gevonden voor het recht op compensatie. De gerechtsdeurwaarders voeren bij het herstarten van de invorderingen hun wettelijke taak uit. Er is dan ook geen andere motivatie bij het delen van deze gegevens dan de wettelijke grondslag uit Awir/amendement.
Kunt u deze vragen per ommegaande beantwoorden en in ieder geval voor het aanstaande commissiedebat over de Hersteloperatie Kinderopvangtoeslag van 27 mei 2021?
Ja.
Het rapport van ABN AMRO om niet alleen in te zetten op elektrisch vervoer in de toekomst. |
|
Peter de Groot (VVD), Silvio Erkens (VVD) |
|
Bas van 't Wout (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van ABN AMRO «Energy Transition Monitor – Critical Metals» met als boodschap «No easy road to greening road transportation»?
Ja, ik heb kennis genomen van het rapport.
Hoe kijkt u aan tegen de boodschap dat met enkel inzet op elektrificatie van het wagenpark en the way to go om vergroening van het wegtransport te realiseren, dit grote gevolgen heeft voor het gebruik van sommige specifieke grondstoffen?1
In het rapport wordt gesteld dat met een combinatie van efficiëntere verbrandingsprocessen, uitrol van een brandstofcellen-infrastructuur en elektrificatie van het wegtransport de afhankelijkheid van kritieke metalen zal worden beperkt. Ik deel met ABN AMRO dat de beschikbaarheid van grondstoffen een belangrijk aandachtspunt is voor de verduurzaming van transport. In de Nederlandse batterijenstrategie is het onderwerp Grondstoffen als pijler benoemd.2 In het rapport wordt niet ingegaan op circulaire strategieën die het mogelijk maken om de afhankelijkheid van kritieke metalen te verminderen en die kunnen helpen om het wegtransport te vergroenen. Dit zal aanvullend in beschouwing genomen moeten worden om de gevolgen van het gebruik van specifieke grondstoffen te overzien en te beheersen. Met betrekking tot voertuigen wordt in Nederland al 98,4% van alle onderdelen hergebruikt, ten opzichte van het EU gemiddelde van 92,2%.3 Batterijen kunnen al voor 95% worden gerecycled. Naar schatting kan met hergebruik en recycling in een aanzienlijk deel van de benodigde grondstoffen worden voorzien, namelijk 20% in 2040 en 40% in 2050.4
Wat gaat u doen om te voorkomen dat een grondstoffentekort leidt tot problemen voor de uitvoering van de Nederlandse ambities op het gebied van verduurzaming van mobiliteit? Hoe gaat u de effecten van (de dreiging van) een grondstoffentekort monitoren om op tijd andere keuzes te kunnen maken voor de verduurzaming van mobiliteit?
Problemen in de uitvoering voorkom ik, in samenwerking met de Minister van Buitenlandse Zaken en voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Economische Zaken en Klimaat, door in te zetten op voldoende delving van grondstoffen, het verminderen van grondstofrisico’s, het bevorderen van circulariteit en het stimuleren van alternatieven voor het gebruik van bepaalde kritieke grondstoffen (innovatie), zoals batterijen zonder kobalt. Ook zet ik in op het gebruik van deelauto’s en andere manieren om gebruik van voertuigen efficiënter te maken. Binnen de Nederlandse batterijenstrategie zijn reeds de pijlers Grondstoffen, Inzameling en hergebruik (inclusief recycling) en Economische perspectieven opgenomen. Via de grondstoffenscanner maakt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat inzichtelijk welke grondstoffenrisico’s verbonden zijn aan specifieke materialen, componenten en producten die ook te maken hebben met mobiliteit. Hiermee kunnen ondernemers op tijd andere keuzes maken om deze grondstoffenrisico’s te verminderen.
Welke rol speelt het door de Europese Commissie gepresenteerde «Actieplan voor kritieke grondstoffen» hierin? Wat is de precieze rol van de European Raw Materials Alliance (ERMA)? Wat is de rol van Nederland in het Actieplan en de ERMA? Wat (welke resultaten) verwacht u van het Actieplan en de ERMA als het gaat om verduurzaming van mobiliteit?
De beschikbaarheid van grondstoffen is een mondiaal speelveld, waarmee het «Actieplan voor kritieke grondstoffen» van de Europese Commissie zeer relevant is. Met dit actieplan wordt gewerkt aan een grotere beschikbaarheid van belangrijke grondstoffen voor Europa, onder andere door te kijken naar mijnbouw in Europa. Het kent 10 acties, waaronder het opzetten van de European Raw Materials Alliance. In deze grondstoffenalliantie worden Europese partijen bij elkaar gebracht om geconstateerde kwetsbaarheden rond grondstoffen in Europese waardeketens te verminderen. Nederlandse partijen zijn betrokken bij ERMA, zoals de TU Delft. Daarnaast wordt bijvoorbeeld via het uitvoeringsprogramma circulaire maakindustrie gebruik gemaakt van de deze alliantie om te komen tot investeringsvoorstellen op het gebied van circulaire wind- en zonneparken, waarbij eveneens kritieke grondstoffen worden gebruikt. Ik verwacht dat ERMA eraan bijdraagt dat meer grondstoffen beschikbaar komen en de circulariteit verbetert, wat nodig is in de energietransitie en de verduurzaming van de mobiliteit.
In hoeverre speelt circulariteit een rol in de verduurzaming van mobiliteit, gelet op het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie? Welke projecten lopen er op dit gebied? Zijn er belemmeringen in (Europese) wet- en regelgeving die circulaire projecten op het gebied van verduurzaming van mobiliteit in de weg staan? Zo ja, welke belemmeringen zijn dat?
Circulariteit speelt een belangrijke rol in de verduurzaming van mobiliteit. Innovatieve en duurzame transport- en vervoersmodellen hebben veelal een positief milieueffect en leiden tot efficiënt gebruik van materialen. Plannen zijn in de maak door de industrie voor de ontwikkeling van een Battery Competence Center, waarin de nadruk ligt op ontwikkeling en circulariteit van batterijen m.b.t. elektrisch vervoer. Een ander voorbeeld zijn partijen, waaronder scooterimporteurs, die gezamenlijk willen komen tot een goede recycling en hergebruik van scooterbatterijen. Ook vanuit Europese wetgeving wordt circulariteit bevorderd. Bij de door de Europese Commissie voorgestelde Batterijverordening wordt bijvoorbeeld sterk ingezet op recycling en het gebruik van gerecyclede materialen in batterijen. Dit zorgt ervoor dat er minder primaire winning van grondstoffen nodig is en bevordert zo de verduurzaming van mobiliteit. Daarmee draagt wet- en regelgeving juist bij aan circulariteit.
Hoe kijkt u aan tegen de in het rapport genoemde verschillende paden van vergroening van mobiliteit: elektrisch, zuinigere fossiele motoren en waterstof? Hoe kijkt u aan tegen een sterkere rol voor waterstof en biobrandstoffen in de transitie naar duurzaam vervoer? Bent u het ermee eens dat dit rapport maar ook de waarschuwing van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) ons laat zien dat we niet slechts moeten focussen op óf elektrificatie, óf waterstof, óf biobrandstoffen, maar een mix van deze drie om te voorkomen dat schaarste en daarmee afhankelijkheid ontstaat?
Het IEA noemt terecht deze drie opties voor duurzame mobiliteit. De transitiepaden die ik voor deze opties voor ogen heb zijn gepubliceerd in de Visie Duurzame Energiedragers in Mobiliteit.5 Met name in het wegverkeer (personenauto’s) zien we dat op korte/middellange termijn batterij-elektrisch de hoofdroute is. Voor het milieu als ook voor besparing van kosten levert deze route de meeste voordelen op. Waterstof kan naar verwachting vooral in zwaarder transport een rol spelen. Biobrandstoffen kunnen worden ingezet in het bestaande (zwaardere) transport dat nog niet geëlektrificeerd (batterij of waterstof) is of op korte termijn kan elektrificeren. Alle drie deze opties worden op dit moment al ondersteund door mij en de Minister van Economische Zaken en Klimaat, onder meer via diverse subsidiemogelijkheden en regelgeving, zoals door de implementatie van de RED2. Met het IEA ben ik het eens dat het inzetten op deze verschillende opties de risico’s van afhankelijkheid en schaarste vermindert. Hierbij wil ik ook benadrukken dat er ook binnen de verschillende opties naar gestreefd wordt om het gebruik van kritieke metalen te verminderen. Zo worden er batterijen ontwikkeld en inmiddels toegepast waarbij er minder of geen kobalt wordt gebruikt.
Heeft u helder hoe u schaarse duurzame brandstoffen gaat alloceren, gezien de brede ambities in het Klimaatakkoord? Heeft u bijvoorbeeld een helder afwegingskader om te beslissen waar waterstof het beste ingezet kan geworden zolang er schaarste is? Heeft u dit voor biobrandstoffen? Zo nee, bent u naar aanleiding van deze berichten en waarschuwingen van plan een dergelijk afwegingskader op te stellen?
Ik ben mij ervan bewust dat er schaarste kan zijn aan duurzame brandstoffen. Daarom wordt er ingezet op een zo efficiënt mogelijke inzet van de verschillende brandstoffen. Dit betekent dat er batterij elektrisch wordt toegepast waar dat kan, en waterstof daar waar batterijen niet of minder goed mogelijk zijn. Voor beide geldt dat de technologieën en markten nog volop in ontwikkeling zijn. Het is belangrijk om de markten voor duurzame brandstoffen op gang te brengen en zo het aanbod van duurzame hoogwaardige brandstoffen en grondstoffen te vergroten. Voor deze verschillende toepassingen geldt dat secundaire vraag en aanbod zich de komende jaren stapsgewijs zullen ontwikkelen, waarbij de verwachting is dat met name de industrie en het zware transport belangrijke (internationale) markten gaan worden. Inzet van waterstof voor de productie van synthetische brandstoffen voor o.a. de luchtvaart zal hier ook een rol spelen. In de kabinetsvisie waterstof van 30 maart 2020 en recentelijk in de kabinetsreactie op het Rli-advies over waterstof is dit nader toegelicht. Tot slot zullen biobrandstoffen voorlopig in de transitie naar emissieloze mobiliteit van groot belang blijven in het wegtransport, de scheepvaart en de luchtvaart. Voor de inzet van biobrandstoffen verwijs ik naar het duurzaamheidskader biogrondstoffen.6 Bij schaarste adviseert de SER7 om de meest hoogwaardige toepassingen te prioriteren. De SER concludeert dat er in beginsel mondiaal en in Europa voldoende biogrondstoffen beschikbaar zijn om aan de Nederlandse behoefte (inclusief export) te voldoen.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat Duurzaam Vervoer van 8 juni beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Faith het huis uit moet na het overlijden van haar moeder |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u bekend met het bericht dat Faith (20) het huis uit moet na het overlijden van haar moeder?1
Ja.
Deelt u de mening dat bij een ingrijpende gebeurtenis zoals het overlijden van een familielid verwacht mag worden dat corporaties de menselijke maat hanteren? Vindt u het in dat licht passend dat een corporatie besluit direct over te gaan tot huisuitzetting?
Zoals ik eerder in antwoord op vragen van lid Koerhuis2 heb aangegeven is het van belang dat alle partijen hun verantwoordelijkheid nemen om eraan bij te dragen dat een volwassen weeskind niet op straat belandt. Wettelijk geldt een inwonend meerderjarig kind in de regel niet als medehuurder maar als medebewoner. Een medehuurder kan bij het overlijden van een andere huurder het huurcontract overnemen, een medebewoner kan dat in principe als aangetoond kan worden dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Bij een inwonend meerderjarig kind wordt meestal geacht dat hiervan geen sprake is, omdat verwacht wordt dat kinderen op enig moment op zichzelf gaan wonen.
Bij het overlijden van de huurder heeft een medebewoner het recht om nog 6 maanden in de woning te blijven wonen, daarna is het aan de verhuurder (of de rechter) om te oordelen wat een passende vervolgstap is. Corporaties hebben bij het beoordelen van die vervolgstap ook te maken met onder andere de toewijzingsregels uit de gemeentelijke huisvestingsverordening, en met vragen over passendheid van een woning. Mijn insteek is dat maatwerk nodig is om per situatie een goede oplossing te vinden. Uitgangspunt is daarbij voor mij dat een weeskind niet op straat komt te staan.
Naar ik heb begrepen is er in het geval van Faith door de woningcorporatie meerdere malen alternatieve woonruimte aangeboden en is er van op straat zetten geen sprake. Faith heeft tot op heden geen gebruik van gemaakt van het aanbod van de woningcorporatie voor alternatieve woonruimte. Op 25 mei 2021 heeft de rechter, onder afweging van de belangen van Faith en die van de woningcorporatie besloten dat Faith de huur van de sociale huurwoning niet voortzet en de woning per 1 september moet verlaten. Om te zorgen dat Faith niet op straat komt te staan, houdt de woningcorporatie alternatieve woonruimte voor haar gereserveerd3.
Vindt u dat corporatie Woonplus in strijd handelt met de afspraak dat er tijdens de coronacrisis geen huisuitzettingen plaatsvinden, tenzij er sprake is van criminaliteit of ernstige overlast?
De afspraak waar in de vraag naar wordt gerefereerd gaat over de gedeelte verantwoordelijkheid van partijen om in een zo vroeg mogelijk stadium huurachterstanden te signaleren en daarbij oplossingen te bieden, zodat huisuitzettingen als gevolg van huurachterstanden zo veel mogelijk worden voorkomen. In het geval van Faith heeft de rechter om andere redenen dan huurachterstanden bepaald dat zij niet in de sociale huurwoning van haar overleden moeder kan blijven wonen. Zoals in mijn antwoord op de vorige vraag vermeld, heb ik begrepen dat er in het geval van Faith door de woningcorporatie meerdere malen alternatieve woonruimte is aangeboden. Ik heb er vertrouwen in dat in samenspraak met de woningcorporatie een alternatieve woonruimte gevonden wordt.
Bent u bereid op korte termijn de corporatie te wijzen op de afspraken die in maart vorig jaar met Aedes zijn gemaakt over het voorkomen van huisuitzettingen en aan te dringen op een oplossing?
Om de redenen die ik heb beschreven in mijn antwoord op vraag 3 zie ik hier geen aanleiding voor.
Een coronatoegangsbewijs voor Nederlanders die in het buitenland gevaccineerd worden |
|
Jan Paternotte (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «New Yorkse burgemeester wil ook toeristen inenten, stad gaat volledig open»?1
Ja.
Hoeveel Nederlanders zijn er inmiddels in het buitenland, danwel in het Caribisch deel van het Koninkrijk, gevaccineerd met vaccins die goedgekeurd zijn door het Europees Medicijn Agentschap (EMA)?
Op Bonaire, Saba en Sint Eustatius hebben respectievelijk 14.005, 1.429 en 1.130 mensen minstens één prik ontvangen. Op Bonaire is daarvoor het Pfizer-vaccin gebruikt, op Saba en Sint Eustatius het Moderna-vaccin. Op Curaçao, Aruba en Sint Maarten zijn respectievelijk 84.505, 62.675 en 17.940 mensen minstens één keer gevaccineerd. Het is niet bekend hoeveel van deze mensen (ook) in het bezit zijn van een Nederlands paspoort. Op Curaçao zijn het Pfizer- en Moderna-vaccin ingezet. Op Aruba en Sint Maarten zijn mensen gevaccineerd met het Pfizer-vaccin. De vaccins van BioNTech/Pfizer en Moderna zijn goedgekeurd door het Europees Medicijn Agentschap.
Zijn er mogelijkheden voor Nederlanders die in het buitenland zijn gevaccineerd met een door EMA goedgekeurd vaccin, en een burgerservicenummer hebben, om zich vrijwillig te laten registreren in het landelijk registratiesysteem het COVID-vaccinatie Informatie- en Monitoringsysteem (CIMS)? Zo ja, hoe kunnen zij dat doen? Zo nee, waarom niet?
Het is de bedoeling dat Nederlanders die in het buitenland zijn gevaccineerd met een door EMA goedgekeurd vaccin, een Burgerservicenummer hebben, en in Nederland wonen/langdurig verblijven, geregistreerd kunnen worden in het CIMS. Ik ben samen met het RIVM momenteel bezig met een verkenning hoe hier vorm aan te geven, het is nog niet duidelijk hoe dit mogelijk gemaakt zal worden. Daarom is het van belang dat mensen hun registratiekaartjes goed bewaren.
Het doel van het CIMS is monitoring van de vaccinatiestrategie binnen Nederland. Nederlanders die in het buitenland zijn gevaccineerd en niet woonachtig zijn in Nederland vallen daarom normaal gesproken niet in de scope van CIMS. Mochten deze mensen op enig moment weer verhuizen naar Nederlands grondgebied of langdurig hier verblijven, zullen zij opgenomen kunnen worden in CIMS. De registratie van personen die in het buitenland zijn gevaccineerd en hier geregistreerd willen worden, wordt momenteel verder uitgewerkt. Dit complexe vraagstuk omhelst verschillende voorliggende vragen, zoals het (h)erkennen van buitenlandse COVID-19 vaccinatiebewijzen, die niet gebaseerd zijn op het Europese Digitaal COVID-19 Certificaat. Ik informeer uw Kamer hier over wanneer meer duidelijk is.
Wordt bij het technisch gereedmaken van het Europees Digital Green Certificate (DGC) de mogelijkheid voorbereid dat Nederlanders die in het buitenland gevaccineerd zijn ook gebruik kunnen maken van het DGC?
De verordening over het Digitaal Covid Certificaat (DCC) eist o.a. van de Europese lidstaten dat wanneer een burger wordt gevaccineerd, deze een vaccinatiebewijs kan ontvangen van de lidstaat dat het vaccin geplaatst heeft. Het DCC van Nederland zal interoperabel zijn met de DCC’s van andere lidstaten, waardoor vaccinatiebewijzen die in een andere lidstaat zijn ontvangen, ook in Nederland bruikbaar zijn. Nederlandse burgers die in een derde land gevaccineerd zijn, zullen gefaciliteerd worden in het kunnen aanvragen van een Nederlands vaccinatiebewijs welke ook zal werken met het DCC, mits de burger is gevaccineerd met een EMA-goedgekeurd vaccin en woonachtig is in Nederland.
Bent u bereid om Nederlanders die in het buitenland gevaccineerd zijn met een door EMA goedgekeurd vaccin, dezelfde rechten te geven als mensen die in Nederland zijn gevaccineerd, wanneer gevaccineerden volgens de Tijdelijke wet testbewijzen COVID-19 ook toegang kunnen krijgen bij bepaalde locaties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer is dit geregeld?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en zo spoedig als mogelijk beantwoorden?
Ja.
Munitietekort van militairen |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat vanaf 2023 het munitiebudget structureel achteruitgaat van 140 miljoen euro naar 80 miljoen euro? Indien ja, wat zijn hiervan de consequenties?
Zoals vermeld in mijn brief van 21 mei jl. (kenmerk 2021Z08736) bedragen de gemiddelde kosten voor conventionele munitie voor opleiding en training (niet zijnde de voorraad kapitale munitie1) jaarlijks circa € 140 miljoen, waarvan circa een kwart wordt gebruikt voor vaste kosten voor bijvoorbeeld instandhouding en keuringen (typeclassificatie en levensduurverlengend onderzoek). Conventionele munitiesoorten, waaronder springmiddelen, klein kalibermunitie en vuursteunmunitie voor opleiden en training inclusief vaste kosten, worden gefinancierd vanuit het exploitatiebudget. Om het verbruik van conventionele munitie voor opleiding en training aan te vullen, is echter jaarlijks € 80 miljoen beschikbaar.
Voor de jaren 2020 en 2021 is ervoor gekozen om het budget voor munitie incidenteel met € 40 miljoen te verhogen. Voor 2022 is het voornemen dat eveneens te doen, onder voorbehoud van goedkeuring van uw Kamer met de eerste suppletoire begroting waarvan dit voornemen deel zal uitmaken. Hierdoor wordt de mismatch tijdelijk beperkt. Tegelijkertijd zoekt Defensie een structurele oplossing voor deze mismatch.
Om het verbruik in overeenstemming te brengen met het beschikbare budget, richt Defensie zich in een eerste stap op het verminderen van het verbruik van duurdere munitiesoorten van de grotere wapensystemen ter hoogte van minstens € 20 miljoen, waarbij nog steeds de vereiste mate van geoefendheid kan worden behaald. Daarbij onderzoekt Defensie bijvoorbeeld de mogelijkheden om in 2022 meer gebruik te maken van simulatie in een digitale omgeving. Verder bekijkt Defensie of minder dure trainingsmunitie kan worden gebruikt, die uiteraard wel aan de geldende kwaliteits- en veiligheidseisen voldoet, zoals het gebruik van goedkopere granaten met een kleiner bereik voor de training van artilleriewaarnemers.
Om de volledige mismatch structureel op te lossen, worden afhankelijk van de ruimte op de Defensiebegroting, verdere stappen bezien. Met het huidige defensiebudget en alle opgaven, niet alleen op gebied van munitievoorraden, maar ook op het gebied van bijvoorbeeld IT en vastgoed, valt niet uit te sluiten dat keuzes moeten worden gemaakt, die gevolgen kunnen hebben voor de geoefendheid en gereedheid van eenheden en daarmee voor missies en operaties. Om de geoefendheid van de individuele militair te blijven garanderen, is en blijft hierbij het uitgangspunt dat er geen aanpassingen worden gedaan aan het verbruik van munitie, zoals klein kaliber oefenmunitie, voor de basisvaardigheden van de individuele militair.
Indien het knelpunt niet structureel wordt opgelost, zal op termijn de inzetvoorraad munitie moeten worden gebruikt om de munitie voor opleiding en training aan te vullen. Inzetvoorraden zijn nodig om deel te nemen aan missies of voor het beschikbaar stellen van eenheden in het kader van de eerste hoofdtaak. In de Kamerbrief «Aanvulling munitievoorraden fase 2» heb ik u aangegeven dat Defensie de inzetvoorraden munitie voor de tweede hoofdtaak en de voorraad kapitale munitie voor opleiding en training, niet voor een specifieke hoofdtaak, weer op niveau brengt (Kamerstuk 27 830, nr. 265). Hoewel dit een significante eerste stap is, wordt als vervolg beschouwd wat nodig is om te voldoen aan een inzet in het kader van de eerste hoofdtaak, inclusief kapitale en conventionele munitie voor opleiding en training. In de Defensievisie 2035 is inzichtelijk gemaakt welke stappen Defensie zou kunnen zetten om de (munitie-)voorraden voor de eerste hoofdtaak aan te vullen en zijn deze stappen op hoofdlijnen financieel gekwantificeerd, inclusief de tweede en derde orde effecten, zoals extra opslagcapaciteit voor munitie (Kamerstuk 34 919, nr. 71 van 15 oktober 2020). Met de eventuele groei naar inzetvoorraden voor de eerste hoofdtaak, inclusief tweede en derde orde effecten, zou circa € 4 tot € 6 miljard voor de planperiode van 15 jaar gemoeid zijn, waarvan ongeveer de helft voor de inzetvoorraad munitie. Het is aan een volgend kabinet om hierover een besluit te nemen.
Hebt u onderzocht in hoeverre de kwaliteit van trainingen afneemt indien met simulaties wordt getraind in plaats van met echte munitie? Indien ja, kan de Minister uitleggen waarom deze keuze verantwoord is?
Er is nu geen sprake van structurele bezuinigingen. De afgelopen jaren heeft het kabinet extra middelen beschikbaar gesteld voor Defensie, waarmee belangrijke stappen zijn gezet richting het herstel en de modernisering van de krijgsmacht. Voor diverse wapensystemen wordt, naast oefenen en trainen met echte munitie, digitale simulatie reeds toegepast, waarbij de kwaliteit van de opleiding en/of niveau van militairen gelijk is gebleven of is verbeterd. Beide processen hebben voor- en nadelen, maar een combinatie leidt ertoe dat militairen uiteindelijk beter getraind worden. Op dit moment onderzoekt Defensie welke schietoefeningen kunnen worden uitgebreid met en/of worden vervangen door digitale simulatie, zonder dat dit invloed heeft op de kwaliteit en niveau van de opleiding. Om de geoefendheid van de individuele militair te blijven garanderen, is en blijft hierbij het uitgangspunt dat er geen aanpassingen worden gedaan aan het verbruik van munitie, zoals klein kaliber oefenmunitie, voor de basisvaardigheden van de individuele militair. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de stappen die Defensie op dit moment onderneemt leiden tot een effect op het moreel. Met het huidige defensiebudget en alle opgaven, niet alleen op gebied van munitievoorraden, maar ook op het gebied van bijvoorbeeld IT en vastgoed, valt niet uit te sluiten dat keuzes moeten worden gemaakt, die effect kunnen hebben op het moreel van het personeel.
Bij de werkbeleving van het defensiepersoneel is overigens sprake van een significante verbetering van de motivatie (+5%), de tevredenheid (+10%) en het vertrouwen in de toekomst (+9%). Daarover bent u geïnformeerd in de Personeelsrapportage 2020 (kenmerk 2021D18311 van 19 mei 2021). Deze positieve trend werd eerder versterkt na de totstandkoming van het arbeidsvoorwaardenakkoord 2018–2020 in 2019 en heeft zich in 2020 doorgezet, mede door de maatregelen uit de Defensienota 2018 die nu gerealiseerd worden. Maar om toegerust te zijn op de uitdagingen voor de toekomst is dit niet voldoende. Vervolgstappen zoals geschetst in de Defensievisie 2035 kunnen helpen om deze trend vast te houden. Volgende kabinetten zullen zich hierover buigen.
Deelt u de mening dat er vanwege een tekort aan munitie nooit meer «pinda, pinda» mag worden geroepen?
Een munitietekort is altijd onwenselijk. Om die reden heeft Defensie de afgelopen periode flink geïnvesteerd in munitie (Kamerstuk 27 830, nr. 265) en worden er, om de geoefendheid van de individuele militair te garanderen, geen aanpassingen gedaan aan het verbruik van munitie, voor de basisvaardigheden van de individuele militair, zoals klein kaliber oefenmunitie. Het herstel en het in balans brengen van de organisatie blijft echter een groot aandachtspunt. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Bent u ervan op de hoogte dat er inmiddels meer dan 9.000 vacatures bij Defensie openstaan?
Zoals vermeld in de Personeelsrapportage 2020, had Defensie op 1 januari 2021 9.061 (militaire) vacante functies (Kamerstuk 35 570, nr. 90 van 19 mei jl.). Hierbij is het goed om een aantal zaken in ogenschouw te nemen. Zo is jaarlijks sprake van de in- en uitstroom van circa 3.000 tot 4.000 militairen, conform de regels in het huidige Flexibel Personeelssysteem (FPS). Hierdoor heeft Defensie standaard een flink aantal functies structureel open staan. Daarnaast zijn niet alle vacante functies ook vacatures (zie voor nadere duiding Kamerstuk 35 000 X, nr. 130 van 8 april 2019). Dat komt vanwege grote aantallen militair personeel in opleiding (Defensie leidt grotendeels zelf haar personeel op), militair personeel dat tussen functies rouleert (conform het functieroulatiesysteem) en re-integranten. Bovendien geldt dat een vacante functie pas een vacature wordt, zodra die daadwerkelijk wordt opengesteld voor vulling. Bij reorganisatietrajecten bijvoorbeeld, blijven functies regelmatig enige tijd vacant. Het besef is verder gegroeid dat niet elke vacature hetzelfde effect heeft op de gereedheid en inzetbaarheid. Vandaar dat de focus nu ligt op het werven van personele capaciteit voor die schaarstecategorieën die cruciaal zijn voor de gereedheid en inzetbaarheid.
In een aparte brief op 28 mei jl. bent u geïnformeerd over de HR-transitie (Kamerstuk 35 570, nr. 91). Deze uitgebreide brief is geheel gewijd aan de maatregelen die Defensie neemt om het personeelstekort tegen te gaan en de personele gereedheid structureel te verbeteren. Kortheidshalve verwijs ik naar deze brief.
Hebt u onderzocht wat de effecten van de structurele bezuinigingen zijn op het moreel van het personeel?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om het moreel van het personeel de komende jaren op peil te houden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om het personeelstekort te dichten?
Zie antwoord vraag 4.
Wat gaat u, in het licht van de structurele bezuinigingen, doen om er voor te zorgen dat de kwaliteit niet achteruit gaat?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Goede relatie met China belangrijker voor Universiteit Groningen dan academische vrijheid’. |
|
René Peters (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Goede relatie met China belangrijker voor Universiteit Groningen dan academische vrijheid»?1
Ja.
Wat vindt u er van dat Hongkongse studenten aan de RUG2 zich onveilig voelen door de aanwezigheid van het Confucius Instituut in Groningen en ze zich zorgen maken over hun academische vrijheid? Wat zou volgens u de collegevoorzitter moeten doen met de aangeboden petitie?
Ik hecht groot belang aan het waarborgen van academische vrijheid door de hoger onderwijsinstellingen. Het is aan de instellingen, in dit geval de RUG, om dit te garanderen. Ook hecht ik eraan dat studenten zich veilig voelen binnen de academische omgeving en dat zorgen van studenten serieus worden genomen.
Vanwege de huidige organisatorische inbedding van het Confucius Instituut in enkele Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs, is het voorstelbaar dat zorgen, zoals beschreven in het artikel waarnaar u verwijst, ontstaan. De onderzoekers van Instituut Clingendael wijzen er in hun rapport «China’s invloed op onderwijs in Nederland» ook op dat «de huidige situatie van inbedding van de Confucius Instituten in Nederlandse kennisinstellingen op gespannen voet staat met de onafhankelijkheid van Nederlandse kennisinstellingen en de Nederlandse normen en waarden op het gebied van wetenschappelijke integriteit.» Ik vind het dan ook verstandig dat de betrokken instellingen deze inbedding heroverwegen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Wat vindt u van de uitspraak van de collegevoorzitter van de RUG dat er een kader van de overheid nodig is om in te kunnen grijpen? Wat is de stand van zaken van het opstellen van richtsnoeren kennisveiligheid en het toetsingskader ongewenste kennis- en technologieoverdracht? Welke resultaten zijn er uit de eerste ronde gekomen van de kennisveiligheidsdialoog met de universiteiten? Wanneer worden de bestuurlijke afspraken kennisveiligheid naar verwachting afgesloten?
In de Kamerbrief over kennisveiligheid heeft het kabinet een reeks maatregelen gepresenteerd om kennisveiligheid, in algemene zin, beter te waarborgen. Deze maatregelen zijn landenneutraal en dus op ieder land van toepassing. De maatregelen bieden de kennisinstellingen een kader op het gebied van kennisveiligheid om zo beter invulling te kunnen geven aan de verantwoordelijkheid die zij op grond van hun institutionele autonomie hebben. Het is verder belangrijk te onderstrepen dat het bij maatregelen als de richtsnoeren, bestuurlijke afspraken en de kennisveiligheidsdialoog gaat om een gezamenlijke opgave voor de kennisinstellingen en de overheid.
De in de Kamerbrief genoemde maatregelen zijn: de dialoog kennisveiligheid gericht op het verhogen van het kennisveiligheidsbewustzijn binnen kennisinstellingen; richtsnoeren en bestuurlijke afspraken over kennisveiligheid die samen met de kennissector worden uitgewerkt; een Rijksbreed expertise- en adviesloket; een toetsingskader ongewenste kennis- en technologieoverdracht. De richtsnoeren zullen naar verwachting kort na de zomer opgeleverd worden. Verder is in de Kamerbrief aangegeven dat er naar gestreefd wordt om de bestuurlijke afspraken in de tweede helft van 2021 gereed te hebben en de basisfuncties van het expertise- en adviesloket in de loop van 2021 operationeel te hebben. Voor het toetsingskader geldt dat het op zijn vroegst in 2023 in werking zal treden. Zoals toegezegd in de brief zal ik uw Kamer dit najaar informeren over de voortgang bij het uitwerken van de genoemde maatregelen.
De eerste ronde van de kennisveiligheidsdialoog met de universiteiten en de onderzoeksinstituten laat een wisselend bewustzijnsniveau ten aanzien van kennisveiligheid zien. De instellingen geven aan de risico’s rondom kennisveiligheid te herkennen, maar nog niet overal is het bewustzijn ten aanzien van kennisveiligheid ook tot in de haarvaten van de organisatie doorgedrongen. De dialoog kennisveiligheid is daarom ook een doorlopend gesprek. Sinds de eerste gespreksreeks is te zien dat door verschillende universiteiten en onderzoeksinstituten actief stappen gezet worden op het gebied van kennisveiligheid. Het Ministerie van EZK heeft parallel ook met de TO2-instellingen een kennisveiligheidsdialoog gevoerd en werkt deze nu verder uit in een thematische workshopronde waarin de instellingen een aantal aspecten dieper analyseren en praktisch uitwerken. De kennisveiligheidsdialoog met de Hogescholen is in juni begonnen. De dialoog met de universitair medisch centra gaat binnenkort van start.
Wat vindt u van de uitspraak van Van Rosmalen dat hogescholen wel kunnen samenwerken met een Confucius Instituut omdat de academische vrijheid bij hen niet in het geding is? Tot wanneer loopt het contract van Hogeschool Zuyd met het Confucius Instituut en is hogeschool Zuyd voornemens om de samenwerking te verlengen?
Ik begrijp de uitspraak van Van Rosmalen zó, dat hij het risico op aantasting van de academische vrijheid bij de Hogeschool Zuyd gering acht, omdat er daar geen China-gerelateerd onderzoek wordt uitgevoerd. Ik ben het met hem eens dat het risico inderdaad groter zou zijn als de Hogeschool Zuyd dergelijk onderzoek wél zou uitvoeren. Tegelijkertijd kan de huidige inbedding van een Confucius Instituut in een Nederlandse kennisinstelling, zoals dat ook bij Hogeschool Zuyd het geval is, wel op gespannen voet staan met de onafhankelijkheid van Nederlandse kennisinstellingen (zie ook antwoord op vraag 2).
Zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten3 heeft de Hogeschool Zuyd aangegeven dat de overeenkomst tussen het Confucius Instituut Maastricht (CIM) en de Chinese moederorganisatie Hanban een geldigheidsduur van vijf jaar kent.4 De overeenkomst is getekend op 28 december 2016 en zal dus verlopen op 28 december 2021, met een opzegtermijn van 90 dagen voorafgaand aan de einddatum. Indien de overeenkomst niet vóór de opzegtermijn wordt beëindigd door een van de beide partijen zal deze stilzwijgend worden verlengd. Hogeschool Zuyd laat desgevraagd weten dat besluitvorming omtrent het voortzetten van de huidige inbedding van het Confucius Instituut bij Hogeschool Zuyd dit najaar verwacht wordt. In vervolg op de gesprekken die OCW met de instellingen heeft gevoerd over het rapport van Instituut Clingendael5 adviseer ik om te kiezen voor ontkoppeling van het Confucius Instituut. Dat zou mijns inziens de beste manier zijn om zorgen over mogelijke aantasting van academische vrijheid, of de schijn daarvan, weg te nemen. Ik heb de andere twee instellingen op dezelfde manier geadviseerd.
Het bericht ‘Overvallen door stikstofmalaise; Ministerie lijkt niet klaar te zijn geweest voor crisis’ |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Overvallen door stikstofmalaise; Ministerie lijkt niet klaar te zijn geweest voor crisis»?1
Ja.
In hoeverre werd u in 2019 overvallen door de uitspraak van de Raad van State?
Op het moment van de uitspraak lagen vier verschillende scenario’s klaar: van het voortzetten van het PAS tot het compleet stoppen met het programma. Informatie hierover is in het wob-verzoek over uitspraken Hof van Justitie en Raad van State over het Programma Aanpak Stikstof op 8 oktober 2019 openbaar geworden.2 Dat neemt niet weg dat de ontwikkeling van nieuw stikstofbeleid tot in het kleinste detail aan moet sluiten bij de eisen die de Raad van State stelt bij de onderbouwing van de uitspraak. Zodoende kon het nieuwe beleid pas na de datum van de uitspraak worden geconcretiseerd.
Hoe lang duurde het na de uitspraak van de Raad van State voordat u in kaart had gebracht wat de gevolgen daarvan waren? Was voordat de uitspraak een feit was voor u al duidelijk dat er een volledig nieuwe stikstofaanpak nodig zou zijn of kwam dat als een verrassing?
Binnen enkele dagen was mij op hoofdlijnen duidelijk welke consequenties de PAS-uitspraak had. Daarover heb ik uw Kamer op 11 juni 2019 (Kamerstuk 32 670, nr. 147) geïnformeerd. In de Kamerbrief van 13 september 2019 (Kamerstuk 32 670, nr. 165) heb ik uw Kamer ook geïnformeerd over de aantallen projecten die door de uitspraak zijn geraakt. Daartoe was het nodig om een uitgebreide uitvraag te doen aan de bevoegde gezagen. Voor het tweede deel van deze vraag verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 2.
In hoeverre was u voldoende voorbereid op de uitspraak van de Raad van State? Welke voorbereiding waren er op uw ministerie getroffen voor het geval de Raad van State tot een nadelige uitspraak zou komen?
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik u naar de beantwoording van vragen 2 en 3.
Waarom duurde het ondanks deze voorbereidingen nog zo lang voordat de gevolgen van de uitspraak daadwerkelijk in kaart waren gebracht en duidelijk werd voor hoeveel projecten de uitspraak gevolgen had?
Zie antwoord vraag 4.
Is het juist dat er voor de uitspraak van de Raad van State weliswaar een «zwart scenario» is uitgewerkt, maar dat er op basis daarvan geen «plan B» is ontwikkeld? Zo ja, waarom is dat niet gebeurd en hoe lang duurde het voordat er wel concrete plannen waren uitgewerkt?
Voor het eerste deel van de vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2. De ontwikkeling van de aanpak van de stikstofproblematiek vond in verschillende stappen plaats. Sinds 16 september 2019 was het weer mogelijk om de depositie van stikstof te berekenen (Kamerstuk 32 670, nr. 165). Vanaf 4 oktober 2019 kon op basis van de nieuwe kaders toestemming voor projecten worden verleend (Kamerstuk 32 670, nr. 167). Op 13 november 2019 is het stikstofregistratiesysteem aangekondigd waarmee woningbouwprojecten vergund kunnen worden (Kamerstuk 35 334, nr. 1). Op 24 april 2020 heeft het kabinet de structurele aanpak aangekondigd waarmee een divers aantal bron- en natuurmaatregelen genomen wordt om de natuur te herstellen en economische en maatschappelijke activiteiten mogelijk te maken (Kamerstuk 35 334, nr. 82). Deze aanpak is in een krap jaar wettelijk verankerd via de wet stikstofreductie en natuurverbetering. De Eerste Kamer heeft hier op 9 maart jl. mee ingestemd.
Heeft er inmiddels een interne evaluatie plaatsgevonden van wat er mis is gegaan met de stikstofproblematiek rondom de uitspraak van de Raad van State en het anticiperen daarop? Zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten? Zo nee, bent u bereid om daar alsnog onderzoek naar te doen?
Ik constateer dat de Raad van State op 29 mei 2019 een stevige uitspraak heeft gedaan. Op dat moment kreeg ik de opdracht om het stikstofbeleid opnieuw vorm te geven. Dat heb ik gedaan zo snel als op een verantwoorde wijze mogelijk was. Ik zie geen aanleiding om hier een onderzoek naar in te stellen.
Welke stappen zijn er gezet om in de toekomst beter voorbereid te zijn op vergelijkbare situaties op het gebied van stikstof of andere beleidsterreinen? Hoe is te voorkomen dat ons land in de toekomst weer in een dergelijke juridische impasse terechtkomt?
Het kabinet doet alles binnen haar kunnen aan om te handelen binnen de geldende wet- en regelgeving. Op deze manier wordt in beginsel gewerkt aan het voorkomen dat er in de toekomst sprake is van een dergelijke juridische impasse.