Het bericht dat de Belastingdienst opnieuw in de fout is gegaan met toeslagen. |
|
Hülya Kat (D66) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Belastingdienst weer in de fout is gegaan met toeslagen?1
Het is hier erg misgegaan. Ik heb de betrokkenen inmiddels hiervoor excuses gemaakt. Graag zal ik in antwoord op deze vraag een uitgebreide toelichting geven.
In de periode tussen 12 februari en 12 maart jl. hebben 224 toeslaggerechtigden ten onrechte één of meer toeslagenbeschikkingen gekregen waarin staat dat zij geen recht meer hebben op toeslagen, omdat zij geen verblijfstatus zouden hebben. De dagtekeningen van deze in totaal 1.127 beschikkingen liggen tussen 4 maart en 24 april. Deze beschikkingen varieerden flink met maximaal € 6.800 per beschikking en waren in totaal een bedrag van € 2,4 mln. Naast deze formele beschikking vanuit Toeslagen werden ook terugvorderingsbeschikkingen met acceptgiro’s eraan gestuurd. Gemiddeld was dat bij deze 224 toeslaggerechtigden ruim € 11.000 per persoon of € 2.100 per beschikking. Deze burgers hebben wel een verblijfstatus, maar wij hebben de gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) niet goed verwerkt. Van de 1.127 beschikkingen waren er inmiddels 3 betaald met een totaal van € 461 dit wordt uiteraard zo spoedig mogelijk teruggestort.
Dagelijks ontvangt (en verwerkt) Toeslagen gegevens over de «verblijfsstatus» vanuit de IND, in de periode 12 februari tot 12 april betrof dat 160.000 berichten. Op basis van de verblijfstatus wordt het recht op en de hoogte van toeslagen bepaald. De IND verstrekt zowel gegevens over de verblijfstatus in de actualiteit (het huidige toeslagjaar) als mutaties over de verblijfstatus in het verleden (met terugwerkende kracht). Voor een correcte afhandeling van mutaties met terugwerkende kracht was tot februari 2021 een handmatig proces ingericht. In februari 2021 is een aanpassing ingevoerd waarbij dit handmatige proces is geautomatiseerd. Deze geautomatiseerde afhandeling, zo blijkt nu, werkt niet in alle gevallen correct. Er was een ontwerpfout gemaakt waardoor wijzigingen van de ingangsdatum van een verblijfstatus met terugwerkende kracht niet in alle gevallen juist worden afgehandeld. De verblijfstatus werd daardoor onterecht geschoond waardoor er ten onrechte sprake was van «niet rechtmatig verblijf» en daarmee onterecht geen recht op toeslag zou zijn. Hierop is meteen actie ondernomen om dit te herstellen. We hebben op de site een bericht geplaatst over de onterecht verstuurde brieven en uitgelegd hoe wij de fout herstellen.2 Van de 224 toeslaggerechtigden waren er 28 die via het reguliere proces in maart behandeld en hersteld waren. De situatie van de overige 196 toeslaggerechtigden waar het om gaat is heel verschillend, daarom hebben we deze 196 toeslaggerechtigden in 3 groepen verdeeld. De eerste groep (64) betreft de berekening bij een definitieve toekenning van toeslagjaren van 2014 tot en met 2019. Deze groep is hersteld, ze hebben inmiddels een nieuwe beschikking gekregen, zowel in de berichtenbox als op papier. De verkeerde verwerking heeft er ook voor gezorgd dat herzieningen van definitieve beschikkingen voor de toeslagjaren 2014 en 2015 zijn ontstaan. 5 Jaar na afloop van een berekeningsjaar mag een toeslag (in principe) niet meer herzien worden. Door deze fout is dit toch gebeurd. Door de softwareaanpassing zal dit ook opgelost worden. De tweede groep (ook 64) betreft voornamelijk de berekening van voorlopige toekenning voor het jaar 2021 en ook enkele oude jaren. Ook deze groep is helemaal hersteld en zij hebben op 20 april ook het juiste voorschot gekregen. De toeslaggerechtigden uit groep 1 en 2 waarvan we het telefoonnummer hebben zijn gebeld. Zij hebben ook een excuusbrief gekregen. De derde groep (68) betreft complexere situaties rondom onder meer partnerschappen, verhuizingen en medebewoners. Deze situaties zijn inmiddels ook onderzocht en zijn inmiddels behandeld en hersteld. Zij hebben inmiddels een telefoontje gekregen en ontvangen een excuusbrief.
De ontwerpfout wordt zo spoedig mogelijk rechtgezet. Tot die tijd worden meldingen van de IND die vergelijkbaar zijn met de groep van 224 «geparkeerd» zodat ze niet de verkeerde behandeling krijgen.
Kunt u aangeven hoeveel mensen ten onrechte een brief van de Belastingdienst/Toeslagen hebben ontvangen met de boodschap dat ze toeslagen moeten terugbetalen, om wat voor bedragen het gaat en welke toeslagen het over welke jaren betreft?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1. Het betreft 224 toeslaggerechtigden en 1.127 beschikkingen. Het totaal aan foutieve beschikking was € 2,4 mln, het gemiddelde bedrag per toeslaggerechtigde ruim € 11.000. Het gaat hierbij om de jaren 2014–2021 en betreft alle vier de toeslagen.
Kunt u aangeven hoe en per wanneer u dit probleem oplost?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1. Er wordt hiervoor een softwareaanpassing doorgevoerd.
Kunt u aangeven hoe u dit probleem in de toekomst wilt voorkomen?
Jaarlijks verwerkt Toeslagen miljoenen mutaties waardoor het recht op en de hoogte van de toeslagen kan wijzigen. Dit kan zijn door mutaties die toeslaggerechtigden zelf invoeren, signalen vanuit externen (zoals van de IND) en vanuit de Belastingdienst/Toeslagen zelf (zoals een gewijzigd inkomen). Dit zijn massale geautomatiseerde processen. De Belastingdienst/Toeslagen spant zich in om al in de voorschotfase (hoge) terugvorderingen zoveel mogelijk te voorkomen. Automatische processen kunnen helpen om in een vroegtijdig stadium te signaleren dat (mogelijk) een hoge terugvordering ontstaat. Zo kan eerder een signaal worden afgegeven aan burgers, zodat zij voorschotten kunnen aanpassen om hoge terugvorderingen later te voorkomen.
Om de praktische rechtsbescherming voor burgers te verbeteren, in het bijzonder bij hoge terugvorderingen, is in de Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen geregeld dat burgers in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven voordat definitieve toekenningsbeschikkingen met een terugvordering van minimaal € 1.500,– vastgesteld worden. Door de belanghebbende in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze in te brengen, krijgt de Belastingdienst/Toeslagen belangrijke feiten en omstandigheden in beeld die nodig zijn voor een zorgvuldige belangenafweging. Indien daar aanleiding toe is, kan de terugvordering worden gematigd alvorens definitief te worden vastgesteld. Met deze maatregel kan de evenredigheid van deze beschikkingen verbeterd worden en kunnen mogelijk bezwaar en beroepsprocedures voorkomen worden. De maatregel gaat in per toeslagjaar 2021.
Kunt u aangeven wanneer de Belastingdienst dit signaal heeft ontvangen en welke acties sindsdien zijn en worden ondernomen om deze mensen te informeren en hun zorgen en onrust weg te nemen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1.
Kunt u aangeven of deze verkeerde brief ook al directe financiële gevolgen heeft gehad? Zijn er bijvoorbeeld mensen die al geld naar de Belastingdienst hebben overgemaakt of van wie een toeslag is stopgezet?
Alle foutieve beschikkingen zijn inmiddels rechtgezet. Alle getroffen toeslaggerechtigden die op 22 maart en 20 april hun toeslagen voor de maanden april respectievelijk mei zouden krijgen zijn inmiddels uitbetaald. Er waren inmiddels wel 3 betalingen met een totaal van € 461 ontvangen, dit wordt uiteraard zo spoedig mogelijk teruggestort.
In hoeverre heeft het bericht dat de Belastingdienst van 9 april jl. over onterecht verstuurde berekeningen Toeslagen2 geleid tot nieuwe reacties en signalen van ontvangers van deze brief?
Er zijn verschillende communicatiekanalen en manieren waarop dergelijke reacties kunnen worden geuit door de ontvangers van deze brief – denk aan de BelastingTelefoon, Twitter, Facebook, Instagram etc. Uit een eerste rondgang zijn er geen reacties gebleken, maar gezien de veelheid aan mogelijkheden valt niet uit te sluiten dat er vanaf 9 april nog reacties en signalen door deze ontvangers zijn geuit
Heeft u overwogen om naast de plaatsing van een bericht op de website van de Belastingdienst nog andere instrumenten in te zetten om mogelijke gedupeerden te informeren? Hoeveel mensen kijken er maandelijks op het verstoringenoverzicht van de Belastingdienst?
Met alle getroffen toeslaggerechtigden wordt contact opgenomen. Zij zijn inmiddels gebeld en ontvangen een (excuus) brief met uitleg. Op de site www.belastingdienst.nl zijn er twee pagina's waarop verstoringen worden gemeld: een algemene verstoringspagina en een verstoringspagina Particulier. De meest actuele verstoringen worden daarnaast ook gemeld op de homepage van www.belastingdienst.nl én die van Toeslagen. De informatie over de verstoringen die hierop staat is dusdanig beknopt, dat het doorklikken op een individuele verstoringsmelding noodzakelijk is om de inhoud en impact van een verstoringsmelding te kunnen begrijpen. In 2020 is er in totaal ruim 90.000 keer geklikt op een dergelijke verstoringsmelding, hetgeen een gemiddelde is van 7.650 keer per maand. De maandgemiddelden variëren echter: zo werd in maart 2020 ruim 20.000 keer geklikt op een verstoringsmelding. Dit is relatief hoog en wordt veroorzaakt door de start van de aangiftecampagne IH in die maand waardoor er meer digitale interactie is dan gemiddeld met de Belastingdienst. In oktober 2020 werd bijvoorbeeld echter slechts een kleine 2.000 keer op een verstoringsmelding geklikt.
Hoe verklaart u dat het brieven tussen 5 maart en 21 april 2021 betreft? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de brieven met een verzenddatum in de toekomst? Kunt u nog voorkomen dat deze brieven worden verzonden? Zo nee, waarom niet?
Dit betreft de gebruikelijke gang van zaken waarbij doorgaans een beschikking wordt verzonden met een datum die circa twee weken in de toekomst ligt. In de massale processen wordt hiermee geborgd dat de toeslaggerechtigden geen nadeel ondervinden van vertragingen bij de verzendingen. Door te late bezorging zou bijvoorbeeld de bezwaartermijn voor toeslaggerechtigden korter worden, dit is onwenselijk.
Klopt het dat de verkeerde verwerking van gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de oorzaak is van de onterechte terugvorderingen? Op welke manier zijn deze gegevens verkeerd verwerkt? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de vraag of deze verkeerde verwerking van gegevens een gevolg is van een verkeerde aanlevering door de IND of een verkeerde verwerking door de Belastingdienst?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1. De verkeerde verwerking ligt aan de kant van Toeslagen.
Bij welke toeslagen zijn de gegevens van de IND belangrijk voor de toekenning en hoogte van de toeslag?
Bij alle toeslagen. Op basis van de wet dient Toeslagen bij personen zonder EER-nationaliteit de verblijfsstatus te weten om het recht op toeslagen te kunnen vaststellen. De gegevens van de IND kunnen voor de hoogte van de toeslagen ook relevant zijn bijvoorbeeld bij het vaststellen van een één of meerpersoonshuishouden.
Om de verwerking van wat voor soort gegevens van de IND gaat het? Gaat het bij de verwerking van de gegevens van de IND naast de verwerking van de verblijfstatus ook om andere gegevens, zoals een (tweede) nationaliteit? Speelt de verblijfstatus een rol in de risicomodellen en het toezicht van de Belastingdienst? Hoe lang bewaart de Belastingdienst gegevens over een (voormalige) verblijfstatus als iemand met een verblijfstatus de Nederlandse nationaliteit krijgt?
Een melding van de IND bevat; BSN, datum verblijfstatus, datum einde verblijfsstatus, nationaliteit en de verblijfstatus. De verblijfstatus speelt geen rol in de risicomodellen en het toezicht, anders dan dat een geldige verblijfstatus noodzakelijk is voor het ontvangen van toeslagen. Als iemand de Nederlandse nationaliteit heeft behaald blijven deze gegevens conform de Archiefwet 1995 voor 12 jaar bewaard.
Kunt u toelichten hoe het proces er tussen de aanlevering van gegevens door de IND en een automatisch aangemaakte brief van de Belastingdienst uitziet? Welke checks worden er uitgevoerd om te controleren dat gegevens kloppen, goed worden verwerkt en er niet onterecht brieven op de deurmat of in de inbox van MijnOverheid.nl belanden?
Allereerst wil ik hierbij benadrukken dat de door de IND geleverde gegevens juist waren. Zoals ook in het antwoord op vraag 1 beschreven is door een ontwerpfout in het systeem bij Toeslagen de verwerking fout gegaan. In het kort gaat de aanlevering van de gegevens van de IND als volgt; de IND gegevens worden verwerkt in de Basisregistratie Personen (BRP), de gegevens uit de BRP worden door de Belastingdienst verwerkt in het Belastingdienst systeem Beheer van Relaties (BvR), deze worden weer doorgeleverd aan TVS. Op basis van ingekomen mutaties wordt door TVS vervolgens het recht op en de hoogte van de toeslagen berekend. De BRP is een door de overheid officieel aangewezen registratie van persoonsgegevens waarnaar de AWIR wetgeving verwijst en die door Toeslagen wordt gebruikt voor de uitvoering van haar taken.
Kunt u deze vragen in ieder geval binnen drie weken en uiterlijk voor het eerstvolgende debat over toeslagen beantwoorden?
Ja dit is gelukt.
Het bericht dat er meer ‘gluurapparatuur’ wordt ingezet |
|
Senna Maatoug (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht ««Gluurapparatuur» in trek door thuiswerken, vakbonden bezorgd»?1
Ja.
Herkent u de cijfers van Capterra en CNV? Is er nog meer informatie bij u bekend over de toename van het gebruik van monitoringssoftware? Weet u in welke sectoren dit het meest wordt gebruikt?
Alhoewel de AP een toename in het aantal klachten signaleert over digitale monitoring sinds de start van de coronacrisis is het totaal aantal klachten over dit onderwerp beperkt. Zo zijn er in 2020 veertien klachten ontvangen in de periode 1 januari tot en met 1 december. Drie daarvan zijn afgehandeld. Voor één van deze klachten is een gesprek gevoerd met de organisatie om uit te leggen wat de regels zijn. Voor de tweede klacht heeft de AP de burger erop gewezen welke stappen hij/zij zelf in eerste instantie kan nemen richting de organisatie om het probleem op te pakken. De overige 11 klachten worden nog door de AP bekeken. De AP heeft geen zicht op het gebruik van monitoringssoftware in sectoren.
Vindt u dit ook zorgwekkende cijfers en een negatieve ontwikkeling?
Vertrouwen tussen werkgever en werknemer is de basis voor een goede arbeidsrelatie. Het is in sommige gevallen toegestaan om werknemers te controleren, maar hieraan zijn wel strikte voorwaarden gesteld om de privacy van werknemers te waarborgen. Bijvoorbeeld als mensen in toenemende mate thuis of op afstand werken. Zo moet de werkgever goed beargumenteren waarom het noodzakelijk is om werknemers te controleren. De werkgever moet ook beargumenteren waarom het bedrijfsbelang zwaarder weegt dan het belang van de werknemer, namelijk het recht op privacy. Ook dient de werkgever de werknemer vooraf te informeren dat er gecontroleerd kan worden. Daarnaast heeft een ondernemingsraad (OR) op grond van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) instemmingsrecht ten aanzien van voorgenomen besluiten van de ondernemer inzake regelingen betreffende personeelsvolgsystemen en omtrent het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van de personen die in de onderneming werkzaam zijn.
Welk toezicht en met welke omvang vindt er momenteel plaats vanuit de overheid op digitale monitoring op de werkvloer? Wat is daarin de verdeling tussen de Inspectie SZW en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)? In welke mate is dat toezicht vanuit de overheid proactief, of vindt er alleen toezicht plaats naar aanleiding van meldingen?
De gegevens die worden verzameld door de toepassing van monitoringsoftware kunnen direct worden gelinkt aan individuele medewerkers. Om deze reden zijn deze gegevens te beschouwen als persoonsgegevens in de zin van de AVG. Het onrechtmatig en disproportioneel verwerken van persoonsgegevens is een overtreding van de AVG. Het toezicht op de naleving van de AVG ligt bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De AP monitort deze ontwikkeling. Naar aanleiding van klachten of meldingen kan er onderzoek ingesteld worden. De Inspectie SZW heeft in de arbeidsomstandighedenwet geen wettelijke grondslag om toezicht te houden op dergelijke controlemechanismen.
Worden werknemers geacht melding van ongeoorloofd digitaal toezicht te doen bij zowel de Inspectie SZW als bij de AP?
Een melding over ongeoorloofd digitaal toezicht valt onder de AVG-wetgeving. Het toezicht op de naleving van de AVG ligt bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Werknemers worden verzocht om meldingen met betrekking tot ongeoorloofd digitaal toezicht te doen bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Hoe kunnen werknemers worden geïnformeerd over wat wel en niet mag, en waar zij melding kunnen doen van ongeoorloofd digitaal toezicht? Waar kunnen werknemers informatie vinden over hun rechten?
Op de website van het AP staat uitgebreide informatie2 over de voorwaarden die gelden voor het controleren van werknemers (zie ook antwoord op vraag drie). Zoals aangegeven maakt het niet uit of het werk thuis of op de werkplek plaatsvindt. De regels voor controle van werknemers zijn in beide gevallen gelijk. Als een werknemer vermoedt dat er sprake is van een mogelijke inbreuk op het privacy recht kan hij hierover eerst in gesprek gaan met zijn werkgever. Ook kan hij hiervoor terecht bij de ondernemingsraad of de vertrouwenspersoon, indien aanwezig. Ook kan er een melding worden gedaan bij de AP. Op de website van de AP staat informatie over het melden van een klacht.3 In het uiterste geval heeft de werkgever of de werknemer de mogelijkheid om naar de kantonrechter te stappen als binnen de arbeidsrelatie geen overeenstemming bereikt kan worden over de mate waarin of de wijze waarop het controleren van de werknemer door de werkgever plaatsvindt.4
In welke mate is de dramatische achterstand van 10.000 klachten op de plank waar de AP mee kampt problematisch bij het oppakken van een (proactieve) rol in het toezicht op ongeoorloofde digitale monitoring op de werkvloer en wanneer is die achterstand weggewerkt?
Bij de afhandeling van klachten, dus ook die over ongeoorloofde digitale monitoring op de werkvloer, hanteert de AP haar Beleidsregels Prioritering klachtenonderzoek. De AP vindt het voeren van een prioriteringsbeleid belangrijk en noodzakelijk omdat het toezichtveld veelomvattend is en zij efficiënt met haar financiële middelen moet omgaan. De AP moet daarom de mogelijkheid hebben haar middelen zodanig in te zetten dat zij kan optreden in die gevallen waarin de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens naar haar oordeel het meest geboden is. Schrijnende klachten worden door de AP met voorrang behandeld. Over de werkachterstanden die de AP momenteel heeft, worden tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de AP gesprekken gevoerd.
Welke maatregelen wilt u nemen om deze negatieve trend te keren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag drie is het de werkgever soms toegestaan om zijn werknemers te controleren. Werkgevers moeten zich daarbij houden aan diverse voorwaarden, zodat de privacy van werknemers gewaarborgd is. Het is aan werkgevers en werknemers gezamenlijk om goede afspraken te maken over de eventuele (digitale) controle en daar invulling aan te geven. Daarin heb ik geen rol.
Als een werknemer vermoedt dat de (digitale) controle niet in overeenstemming is met de geldende voorwaarden kan hij hierover eerst in gesprek gaan met zijn werkgever. Ook kan hij hiervoor terecht bij de ondernemingsraad of de vertrouwenspersoon, indien aanwezig. Ook kan er een melding worden gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. In het uiterste geval heeft de werkgever of de werknemer de mogelijkheid om naar de kantonrechter te stappen als binnen de arbeidsrelatie geen overeenstemming bereikt kan worden over de mate waarin of de wijze waarop het controleren van de werknemer door de werkgever plaatsvindt.5
Wanneer komt u, in afstemming met werknemers en werkgevers, met de eerder toegezegde reactie op het rapport «Werken op waarde geschat: Grenzen aan digitale monitoring op de werkvloer door middel van data, algoritmen en AI» van het Rathenau Instituut, dat stelt dat er grenzen gesteld moeten worden aan digitale hulpmiddelen vanuit de overheid en sociale partners?
Zoals eerder aan uw Kamer toegezegd, ben ik voornemens om uw Kamer voor het zomerreces de beleidsreactie op het rapport van het Rathenau Instituut toe te sturen.
Het bericht dat het NFI de komende jaren minder onderzoeken kan doen door financiële tekorten. |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het NFI de komende jaren minder onderzoeken kan doen door financiële tekorten? Was u op de hoogte van deze financiële tekorten?1
Ja.
Klopt het dat het aantal onderzoeken naar explosieven bij het NFI de afgelopen vijf jaar is verdubbeld; klopt het voorts dat het NFI daar geen extra budget voor heeft gekregen? Zo ja, waarom heeft het NFI hier geen extra budget voor gekregen?
Het klopt dat het aantal onderzoeken naar explosieven ongeveer is verdubbeld, maar dit is niet direct gekoppeld aan een geldstroom voor deze onderzoeken. Het NFI wordt niet op basis van het aantal producten en/of per onderzoeksgebied gefinancierd, maar ontvangt van mijn ministerie jaarlijks een vast bedrag waarmee alle forensische onderzoeken bij het NFI ten behoeve van de strafrechtketen worden gefinancierd (lump sum financiering). In een Service Level Agreement wordt in afstemming met OM en politie jaarlijks vastgelegd hoeveel van ieder product geleverd wordt. Van sommige producten wordt de productie van het ene jaar op het andere verhoogd, terwijl die van andere producten juist wordt verlaagd.
Klopt het dat het NFI de komende jaren minder onderzoeken kan uitvoeren voor politie en OM, vanwege financiële tekorten? Zo ja, om hoeveel onderzoeken gaat het dan en acht u dit wenselijk?
Het NFI heeft een jaarplan voor 2021 ingediend met een sluitende exploitatie ten opzichte van de op mijn begroting beschikbare middelen en daarop gebaseerde financiële kaderstelling. Het klopt echter dat het NFI de komende jaren minder onderzoeken uit kan voeren voor politie en OM. Het NFI heeft vastgesteld dat in de afgelopen jaren tegen een te lage kostprijs onderzoeken zijn geproduceerd, omdat er te weinig geld is besteed aan de bedrijfsvoering: het onderhouden en vernieuwen van IT-systemen en het vervangen van laboratoriumapparatuur. Voor de continuïteit van de organisatie is het essentieel dat het NFI de kosten van onderhoud, vervanging en vernieuwing opneemt in haar kostprijzen.
De keerzijde van hogere kostprijzen is dat bij een gelijkblijvend lump sum budget (ca. € 74 mln.) de productie in 2021 omlaag moet ter waarde van 1,6 tot 2,0 miljoen euro. Om de daling van de productie te dempen is door mijn ministerie 1 miljoen euro vrij gemaakt in 2021 (door een meevaller binnen het forensische domein in 2020) voor forensisch onderzoek. Bij de besteding van dit extra geld zijn de behoeften van OM en politie leidend. Hiermee wordt de aanvankelijke daling in productie teruggebracht naar 0,6 tot 1,0 miljoen euro. Door de wijze van financieren (zie het antwoord op vraag 2) is het niet mogelijk om dit geldbedrag uit te drukken in aantallen onderzoeken.
Ook in de komende jaren zal het nodig zijn om een hoger bedrag dan in de afgelopen jaren te besteden aan de bedrijfsvoering. In het kader van de begrotingsvoorbereiding wordt de precieze hoogte van deze bedragen nog vastgesteld. Dat zal duidelijk worden in de begroting 2022 die uw Kamer op Prinsjesdag ontvangt.
Klopt het dat het budget van het NFI ook nog eens met 5% gekort wordt, zoals door de directeur van het NFI in het artikel wordt gezegd? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de aandacht die u wilt geven aan het terugdringen van (georganiseerde) misdaad?
Nee, het budget voor het NFI blijft de komende jaren gelijk. De algemeen directeur van het NFI heeft gezegd dat hij verwacht dat het NFI in 2025 ca. 5% extra van het lump sum budget moet reserveren voor de kosten van de informatietechnologie en laboratoriumapparatuur. Zoals vermeld in antwoord 3 wordt de precieze hoogte van de bedragen nog vastgesteld.
Waarom heeft het NFI geen extra geld gekregen voor het vervangen van apparatuur en ICT? Erkent u dat de vervanging van apparatuur en ICT nu ten koste gaat van het aantal onderzoeken dat het NFI kan uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals uiteengezet in antwoord 3 gaan de noodzakelijke vervanging en het onderhoud van apparatuur en ICT nu ten koste van het aantal onderzoeken dat het NFI uit kan voeren, zij het dat daar door mij deels compensatie voor is gevonden door een extra bijdrage. In antwoord 3 heb ik toegelicht hoe de daling van de productie in 2021 is gedempt tot 0,6–1,0 mln. euro. Hier bovenop meer geld voor het NFI vrijmaken kan niet zonder een verlaging van andere posten op de begroting van mijn ministerie. Binnen de huidige begroting zie ik hiervoor geen vrije ruimte.
Bent u bereid extra geld vrij te maken voor het NFI zodat het NFI meer onderzoeken kan doen om de opsporing te ondersteunen in strafzaken, of in ieder geval niet mínder onderzoeken hoeft te doen dan het de afgelopen jaren heeft gedaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat algoritmes van de gemeente Rotterdam kunnen leiden tot vooringenomen uitkomsten |
|
Bouchallikh , Laura Bromet (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de berichten «Algoritmes gemeente Rotterdam kunnen leiden tot «vooringenomen uitkomsten»»1 en «Harde kritiek op algoritmes voor opsporing van bijstandsfraude?»2
Ja.
Wat is uw reactie op het rapport «Gekleurde technologie» van de Rekenkamer Rotterdam?
Het is belangrijk om onderzoek te doen naar de manier waarop algoritmische data-analyses in de praktijk door de overheid gebruikt worden en hoe het toezicht daarop georganiseerd is. Het Rekenkamerrapport maakt nog eens inzichtelijk dat er risico’s op het gebied van vooringenomenheid kunnen ontstaan wanneer in datasets (indirect) onderscheid wordt gemaakt met behulp van variabelen. De Rekenkamer Rotterdam concludeert dat er in deze gemeente aandacht is voor ethische principes bij het gebruik van algoritmen, maar dat deze aandacht nog niet wijdverspreid is. De gemeente Rotterdam is eerstverantwoordelijk om op dit rapport te reageren en dat heeft de gemeente ook gedaan.
Is het waar dat de gemeente Rotterdam in het kader van het project «Analytics Uitkeringsfraude» gebruik maakt van algoritmes die op eigen houtje zoeken naar kenmerken van fraudeurs? Is er daarmee sprake van de inzet van zelflerende algoritmes?
In haar bestuurlijke reactie zegt de gemeente dat het genoemde algoritme geen fraude opspoort, maar risico op fraude inschat. Het gaat om een risico-inschattingsmodel dat op basis van beschikbare historische data uit het uitkeringsproces een inschatting maakt van de kans dat er iets met de rechtmatigheid van een uitkering aan de hand kan zijn. Op basis van de risico-inschatting worden uitkeringsgerechtigden uitgenodigd voor een gesprek. Daarna wordt de rechtmatigheid van de uitkering beoordeeld.
De gemeente Rotterdam zegt dat er geen sprake is van een zelflerend algoritme. Het ontwikkelen («trainen») van het algoritmisch model gebeurt door in data van historische rechtmatigheidsonderzoeken naar patronen te zoeken en te testen of deze patronen in ongeziene data (een apart gehouden deel van de historische rechtmatigheidsonderzoeken) een voorspellende waarde hebben over de mate van (on)rechtmatigheid. Hierin zit altijd een menselijke handeling.
Deelt u de conclusie dat dit kan leiden tot vooringenomenheid omdat het model, via een omweg langs andere variabelen zoals laaggeletterdheid, ook etnische achtergrond mee kan nemen en sommige mensen als gevolg daarvan een grotere kans hebben te worden onderworpen aan controles? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ik deel de conclusie dat door het gebruik van variabelen die een (indirecte) relatie hebben met een in de wet beschermde grond zoals leeftijd of godsdienst, vooringenomenheid in algoritmische modellen kan ontstaan. Dat moet worden voorkomen. Het gebruik van kenmerken die indirect verwijzen naar een beschermde grond is lastiger te herkennen dan kenmerken die direct verwijzen naar beschermde gronden. In het voorbeeld van de Rekenkamer Rotterdam wordt spreekvaardigheid genoemd als een kenmerk dat indirect kan verwijzen naar iemands afkomst of etniciteit. De gemeente Rotterdam zegt dat zij voorafgaand aan het Rekenkameronderzoek op eigen verzoek een onderzoek door Concern Auditing heeft laten uitvoeren op het algoritme. Door Concern Auditing is aangegeven dat er bij de ontwikkeling van het algoritme en de werking daarvan goed is nagedacht over keuzes en maatregelen om vooringenomenheid te voorkomen. Zo bevat de input geen beschermde gronden zoals nationaliteit en vindt er pseudonimisering plaats op de data waarop het algoritme draait. Ook wordt de output gescreend om te voorkomen dat er onnodige heronderzoeken plaatsvinden.
Niet alleen de gemeente Rotterdam zet algoritmen in ter ondersteuning van publieke taken; vele overheden doen dat. Daarom wordt vanuit het Ministerie van BZK beleid ontwikkeld dat overheden helpt om algoritmen op een verantwoorde manier in te zetten. Om vooringenomenheid van algoritmische modellen te voorkomen, is de Handreiking AI-systeemprincipes voor non-discriminatie ontwikkeld (die binnenkort aan uw Kamer zal worden toegezonden). De handreiking bevat een overzicht van de belangrijkste non-discriminatiewetgeving en allerlei voorbeelden van direct en indirect onderscheid die mogelijk kunnen leiden tot discriminatie. De handreiking helpt overheden om al in de ontwikkelfase van een algoritmisch systeem discriminerende patronen in modellen en gegevens zoveel mogelijk te identificeren, te voorkomen en te bestrijden. In de handreiking is een vertaalslag gemaakt van essentiële juridische kaders naar operationele ontwerpprincipes. Binnenkort zal het ministerie daarnaast een impact assessment mensenrechten en algoritmen (IAMA) publiceren. Dit impact assessment helpt overheden om risico’s voor mensenrechten (waaronder non-discriminatie) bij de ontwikkeling van systemen in kaart te brengen en af te zwakken. Verschillende instrumenten voor een verantwoorde inzet van algoritmen komen samen in de toolbox ethisch verantwoord innoveren voor overheden.3
Wat onderneemt u, in navolging van de motie-Klaver c.s., om te verzekeren dat zelflerende algoritmes die worden gebruikt door de overheid geen gevoelige variabelen zoals nationaliteit of etniciteit hanteren, direct of indirect?3
Het is niet toegestaan om nationaliteit of etniciteit te gebruiken als indicator in risicomodellen tenzij er een objectieve rechtvaardiging voor die gegevensverwerking is en het gemaakt onderscheid proportioneel is. Naast de bovengenoemde instrumenten die overheden helpen om de juiste variabelen in modellen te gebruiken, kijken we ook naar de kwaliteit van bestaande modellen in de praktijk. Zo vindt er momenteel een rijksbrede inventarisatie plaats naar het onrechtmatig (niet volgens geldende wet- en regelgeving toegestane) en het oneigenlijk (niet objectief gerechtvaardigd) gebruik van nationaliteit, etniciteit en geboorteplaats in risicomodellen. Als gegevens zijn gebaseerd op onrechtmatig en oneigenlijk gebruik in risicomodellen, dan worden deze gegevens beschouwd als vervuilde data en worden deze opgeruimd door de overheidsinstellingen zelf. Gemeenten en andere overheidsinstellingen zijn bij deze inventarisatie betrokken in zoverre zij onderdeel zijn van de ketens en dienstverleningsprocessen aan burgers en bedrijven. Op 8 april jl. zond ik uw Kamer hierover een brief.5 De rijksbrede inventarisatie is een uitwerking van de motie van het lid Marijnissen (SP) c.s. om voor 1 maart een voorstel te doen hoe overal binnen overheidsinstellingen vervuilde data, risicomodellen en het gebruik van nationaliteit worden opgeruimd met inachtneming van de motie van het lid Klaver (GroenLinks) c.s. om hierbij niet alleen te kijken naar nationaliteit, maar ook naar etniciteit en geboorteplaats.
Deelt u de bevinding van de Rekenkamer Rotterdam dat bijstandsontvangers onmogelijk kunnen weten waarom het algoritme hen aanmerkt voor nadere controle? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in hoeverre is dat verenigbaar met de privacywetgeving die stelt dat burgers het recht hebben om inzicht te krijgen in de achtergrond van belangrijke beslissingen? Kunt u het antwoord juridisch onderbouwen met verwijzing naar de relevante wet- en regelgeving?
Het transparantievereiste uit de AVG (artikel 5, eerste lid, onder a) vergt dat persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die voor de betrokkenen transparant is. Dit beginsel wordt uitgewerkt in verschillende informatieverplichtingen. Bij artikel 5 AVG is overwogen dat overeenkomstig het transparantiebeginsel informatie en communicatie in verband met de verwerking van die persoonsgegevens eenvoudig toegankelijk en begrijpelijk moeten zijn, en dat duidelijke en eenvoudige taal moet worden gebruikt. Het beginsel betreft met name het informeren van de betrokkenen over de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke en de doeleinden van de verwerking. Tevens bevat het beginsel verdere informatie om te zorgen voor behoorlijke en transparante verwerking met betrekking tot de natuurlijke personen in kwestie en hun recht om bevestiging en mededeling te krijgen van hun persoonsgegevens die worden verwerkt.
De gemeente Rotterdam heeft aangegeven zich ervan bewust te zijn dat er duidelijker moet worden gecommuniceerd over het gebruik van algoritmen. Ook uit een interne beoordeling van het risico-inschattingsmodel, die de gemeente op eigen initiatief heeft laten uitvoeren voorafgaand aan het rapport van de Rekenkamer Rotterdam, was al gebleken dat transparantie rondom en communicatie over het gebruik van het algoritme aandacht behoeven. De gemeente heeft inmiddels actie uitgezet om dit te verbeteren. Dit zou in de komende maanden zichtbaar moeten worden.
Hoe verhoudt het gebruik van algoritmes binnen het project «Analytics Uitkeringsfraude» zich tot de rechterlijke uitspraak van 5 februari 2020 die het gebruik van het fraude-opsporingssysteem SyRI verbiedt?
In de SyRI-uitspraak wijst de rechtbank fraudebestrijding en het verzamelen en combineren van gegevens en het gebruik van algoritmen/profilering daarvoor niet zonder meer af. De rechtbank oordeelde dat het programma niet in verhouding stond met de inmenging in de privacy die de toepassing met zich meebracht. Het systeem was volgens de rechtbank onvoldoende transparant, o.a. over welke objectieve feitelijke gegevens tot een verhoogd risico konden leiden, over de werking van het risicomodel (dus welk type algoritme, welke methode voor risicoanalyse), en over hoe het model gevalideerd werd. Ook was het niet duidelijk hoe betrokkenen geïnformeerd werden of konden controleren of hun gegevens op de juiste manier werden verwerkt. Bovendien werden bij SyRI veel gegevens gecombineerd, zonder integraal toezicht van een onafhankelijke derde, wat strijdig is met doelbinding. Tot slot was niet duidelijk of het risico op discriminatie werd ondervangen.
In algemene zin bestaat er ruimte om algoritmen in te zetten bij het uitoefenen van taken en bevoegdheden. De wet biedt daar kaders voor, in het bijzonder de AVG. De rekenkamer en de bestuurlijke reactie van de gemeente Rotterdam adresseren dezelfde zorgen die ook in deze uitspraak geuit zijn. Daarbij gaat het met name om transparantie en om de validatie van de gebruikte modellen.
Wat vindt u ervan dat het project «analytics uitkeringsfraude» al vier jaar bestaat, in toenemende mate wordt gebruikt om uitkeringsgerechtigden te selecteren voor controles, maar nog altijd de status van een pilot heeft?
De gemeente Rotterdam heeft aangegeven dat het project feitelijk niet meer de status heeft van een pilot, ook al suggereert de naamgeving dit. De gemeente heeft toegezegd hierover duidelijk te zullen communiceren, bijvoorbeeld via haar website.
Bent u bereid, op basis van het rapport van de Rekenkamer Rotterdam, deze uitgerekte pilot met onmiddellijke ingang stop te laten zetten? Zo nee, waarom niet?
Uiteindelijk zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor naleving van de wet. Dat geldt ook wanneer zij algoritmen inzetten. Als rijksoverheid bieden wij kaders en beleid om dit zo goed mogelijk te doen.
Hoe is het mogelijk dat er algoritmes worden ingezet zonder dat de betrokken ambtenaren, volgens de Rekenkamer Rotterdam, ook maar beseffen dat daar ethische risico’s aan zijn verbonden?
In het rapport is niet gesteld dat de betrokken ambtenaren geen enkel besef hebben van de ethische risico’s die zijn verbonden aan het gebruik van algoritmen. Wel constateert de Rekenkamer Rotterdam dat instrumentarium om ethische risico’s in beeld te brengen en te toetsen, onvoldoende aanwezig is of wordt gebruikt. De gemeente Rotterdam heeft aangegeven ervoor zorg te dragen dat gemaakte keuzes rondom ethische vraagstukken, navolgbaar zullen worden vastgelegd.
Vanuit het Ministerie van BZK zetten we de komende jaren in op het beter over het voetlicht brengen van eerdergenoemde instrumenten voor een verantwoorde inzet van algoritmen. Daarnaast hebben we het Rathenau Instituut gevraagd om in kaart te brengen op welke vlakken (denk aan bijvoorbeeld kennis, capaciteit en processen) overheidsorganisaties verder versterkt kunnen worden om mensenrechten (zoals non-discriminatie) bij digitalisering (en dus de inzet van algoritmen) te borgen.
Vanuit de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) worden gemeenten daarnaast gestimuleerd om een commissie in te zetten die advies geeft over de ethische en maatschappelijke aspecten van digitaliseringsprojecten.
Deelt u de mening dat de verantwoorde inzet van algoritmes onmogelijk is zonder besef van de risico’s? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat onderneemt u om bewustwording en kennis onder rijksambtenaren en medeoverheden op dit vlak te vergroten?
Die mening deel ik. Het bewustzijn van de risico’s is altijd de eerste stap. Er bestaan al instrumenten, zoals het Privacy Impact Assessment (PIA), waarmee de risico’s in kaart worden gebracht. Zo’n PIA moet worden gedaan bij het verwerken van (bijzondere) persoonsgegevens. Aanvullend werkt het kabinet aan de ontwikkeling en toepassing van instrumenten die overheden en bedrijven ondersteunen bij het beter in de praktijk toepassen van wettelijke verplichtingen en die (daarmee) helpen algoritmen op verantwoorde wijze in te zetten. Onder de beantwoording van vraag vier ben ik al ingegaan op de Handreiking AI-systeemprincipes voor non-discriminatie en het impact assessment mensenrechten en algoritmen (IAMA). Ook heeft het kabinet richtlijnen voor data-analyse opgesteld die op verschillende plekken binnen de overheid zijn getest en momenteel verder worden doorontwikkeld. Vanuit het innovatiebudget financier ik projecten die zien op verantwoorde inzet van algoritmen. Onder die projecten is ook het project «Public AI in Control» dat de Rekenkamer Rotterdam als goed voorbeeld benoemt. Ten slotte wordt op dit moment een vervolg op de nationale AI-cursus ontwikkeld met speciale aandacht voor ethiek.
Wat vindt u ervan dat de gemeente Rotterdam nog geen overzicht heeft van de algoritmes die de gemeente zelf gebruikt? Wat onderneemt u om een overzicht te krijgen van alle overheidsalgoritmes? Bent u bijvoorbeeld bereid om er bij medeoverheden op aan te dringen dat zij ieder een centrale regisseur en eindverantwoordelijke benoemen voor het gebruik van algoritmes?
De gemeenten zijn zelf verantwoordelijk om een overzicht te hebben van algoritmen die worden ingezet. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de digitale overheid wordt vanuit BZK onderzoek gedaan naar de nut- en noodzaak van een algoritmeregister. De gemeente Rotterdam experimenteert hiermee. Daarnaast zijn er ook proeven in Amsterdam, Utrecht en de provincie Zuid-Holland. In een dergelijk register worden algoritmen opgenomen die voor burgers en toezichthouders in te zien zijn. Een register kan informatie verschaffen over het type algoritmen, maar ook over de data die gebruikt zijn. Ook kan zo’n register een status overzicht geven van de kwaliteitseisen die toegepast zijn en de verantwoordelijke vermelden waar burgers terecht kunnen met vragen. Het is belangrijk dat een algoritmeregister aansluit bij de behoeften van burgers. Ik kom hier op terug in de brief aan uw Kamer die medio juni verschijnt en bericht over de voortgang van moties die zijn ingediend tijdens het debat over het rapport van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Klaver c.s. die de regering verzoekt om een algoritmeregister op te zetten zodat iedereen, ook experts van buiten, toezicht kan houden op mogelijk discriminerende algoritmes? Kunt u een nauwkeurig tijdpad geven van de uitvoering van deze motie?
Zie antwoord vraag 12.
In hoeverre denkt u dat de door de Rekenkamer geconstateerde problemen rond het gebruik van algoritmes in Rotterdam ook spelen in andere gemeenten? Hoe houdt u daar zicht op?
Ik heb geen zicht op het gebruik van algoritmen door gemeenten, en ik heb geen signalen ontvangen dat er in andere gemeenten soortgelijke problemen spelen. Er vinden interne controles plaats bij gemeenten, daarnaast zijn er ook externe controles van gemeentelijke auditdiensten en van gemeentelijke rekenkamers. Op Rijksniveau vinden ook interne controles plaat, is de Audit Dienst Rijk bevoegd om audits uit te voeren op algoritmen en doet de Algemene Rekenkamer (ARK) regelmatig onderzoek naar algoritmen. Onlangs nog heeft de ARK een onderzoek afgerond «Aandacht voor algoritmen» met daarin een overzicht van algoritmen die het Rijk gebruikt.6 Daarnaast zijn er toezichthouders zoals de Autoriteit Persoonsgegevens en het College voor de Rechten van de Mens die proactief, of op basis van signalen die ze krijgen, onderzoek kunnen instellen. De Nationale ombudsman doet onderzoek naar klachten. Recent bracht de Nationale ombudsman een onderzoek naar buiten «de burger is geen dataset».7 Verder is in mijn opdracht recent door TNO opnieuw een quick-scan gemaakt met daarin een inventarisatie van AI-toepassingen in de publieke sector.8
Welke instanties houden toezicht op het gebruik van algoritmes bij de rijksoverheid en medeoverheden? Hoeveel modellen zijn door een toezichthouder getoetst en hoeveel zijn aangemerkt als problematisch?
Zie antwoord vraag 14.
Deelt u de conclusie van de Rekenkamer Rotterdam dat de bestaande AVG-wetgeving niet toereikend is voor goede borging van de ethiek en kwaliteit van algoritmes? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze zou de wetgeving moeten worden aangepast?
Het kabinet heeft eerder in de kabinetsreactie op drie algoritmeonderzoeken geconcludeerd dat algoritmen niet in een juridisch vacuüm vallen.9 Zo bevat de AVG uitvoerige eisen voor de kwaliteit van data en vraagt zij tests die van tevoren moeten worden gedaan, óók om andere fundamentele vrijheden te beschermen. Toch bestaan er in praktische zin knelpunten, zoals de mogelijkheid om «bijzondere persoonsgegevens» te gebruiken om de kwaliteit van modellen en data te beoordelen.10 Het kabinet zal een wettelijke grondslag voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens in het leven roepen die ertoe strekt het onder strenge voorwaarden mogelijk te maken gegevens te verwerken om discriminatie in een algoritmisch model te voorkomen.11 Daarnaast zal het kabinet bezien of in aanvulling op de bestaande transparantieverplichtingen die voortvloeien uit de AVG, aanvullende wettelijke waarborgen nodig zijn die o.a. beogen om het publiek beter te informeren. Tot slot vindt het kabinet het van belang om wet- en regelgeving die veel open normen bevatten, beter toepasbaar te maken voor de ontwerppraktijk. Zie ook het antwoord op vraag 11. Begin juni zal een voortgangsrapportage AI en algoritmen uw Kamer bereiken. Hierin worden de verschillende acties die nodig zijn om burgers de noodzakelijke bescherming te bieden verder toegelicht.
Bent u bereid om de aanbeveling van de Rekenkamer Rotterdam, om voor alle algoritmes regels, richtlijnen en instructies te formuleren die toezien op transparantie en eerlijkheid en die voorzien in de systematische beoordeling en evaluatie van in gebruik zijnde algoritmes, Rijksbreed op te volgen?
Zie antwoord vraag 16.
De pedofilie activist Nelson M. die onvindbaar zou zijn |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending «Danny’s wereld» met daarin een interview met de pedofilieactivist Nelson M.?1
Ja.
Klopt het dat Nelson M. door het Openbaar Ministerie gesignaleerd staat op een internationale opsporingslijst en «onvindbaar» zou zijn?
Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat betrokkene op 17 mei jl. in Nederland is aangehouden en in voorlopige hechtenis is gesteld. Op 19 mei jl. is de voorlopige hechtenis van betrokkene onder voorwaarden geschorst. Over deze individuele zaak, waarin het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, kan ik verder geen inhoudelijke mededelingen doen.
Sinds wanneer is Nelson M. volgens het Openbaar Ministerie onvindbaar?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 2.
Waarom is geen actie ondernomen toen de reclassering al meldde dat Nelson M. zich niet aan zijn meldplicht hield en geen medewerking verleende?
Zoals bekend doe ik geen inhoudelijke mededelingen over individuele zaken waarin het strafrechtelijk onderzoek nog loopt.
In zijn algemeenheid merk ik op dat de reclassering het toezicht retour stuurt indien een onder toezicht gestelde zich niet aan de meldplicht of aan andere algemene of bijzondere voorwaarden houdt. Het Openbaar Ministerie besluit vervolgens of er een vervolgbeslissing of een bevel tot aanhouding nodig is, of dat er een vordering moet worden ingediend bij de rechter.
Welke criteria hanteert het Openbaar Ministerie om te beoordelen of een verdachte onvindbaar is?
In zijn algemeenheid wordt een verdachte als onvindbaar aangemerkt indien ondanks naspeuringen de verdachte niet te vinden is.
Hoe verklaart u dat het Openbaar Ministerie Nelson M. niet kan vinden en wat is ervoor nodig om Nelson M. wel te vinden?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 2.
Wat vindt u van het feit dat Nelson M. kennelijk wél door journalisten is gevonden?
Zoals aangegeven doe ik geen inhoudelijke mededelingen over individuele zaken waarin het strafrechtelijk onderzoek nog loopt. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat Nelson M. opgespoord en vervolgd wordt?
Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Als Minister van Justitie en Veiligheid heb ik geen bemoeienis met individuele strafzaken. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Het bericht dat een aquaduct bij Oirschot ruim 100 miljoen euro goedkoper is dan Rijkswaterstaat eerder voorrekende |
|
Jaco Geurts (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Aquaduct bij Oirschot ruim 100 miljoen goedkoper dan Rijkswaterstaat eerder voorrekende»?1
Ja.
Kloppen volgens u de verschillende cijfers van het onderzoek van ingenieursbureau IPV Delft in opdracht van de gemeente Oirschot? Zo nee, waarom niet?
Een groot deel van de eenheidsprijzen en kengetallen klopt, maar op een aantal onderdelen is de raming niet in overeenstemming met de uitgangspunten van RWS. Er is gerekend met een lager percentage voor ingenieurskosten (Engineering). Dit betreft de ontwerp en voorbereidingskosten voor alle betrokken partijen, alsmede onderzoekskosten en tendervergoedingen. IPV Delft hanteert een kostenraming van 7%, terwijl Rijkswaterstaat hiervoor een kostenraming hanteert van minstens 15%.
Verder is de risicoreservering lager ingeschat; Rijkswaterstaat hanteert in deze fase een risicoreservering van 25%, mede gelet op het schetsmatige ontwerp. IPV Delft hanteert een risicoreservering van 9%. Studies van Horvath/AT Osborne/Rijkswaterstaat laten zien dat in de planfases percentages van 25% tot 30% noodzakelijk zijn voor een stabiele realisatiefase en om het risico op latere tegenvallers te verkleinen.
De kostenraming van 105 miljoen euro van IPV Delft is exclusief BTW, terwijl de raming van Rijkswaterstaat inclusief BTW is. Met BTW zou de raming van IPV Delft 127 miljoen euro bedragen. Tenslotte hanteert Rijkswaterstaat een gefaseerde uitvoering, waar het neerzetten van een tijdelijke brug bijvoorbeeld onderdeel van is. Hierdoor blijft de binnenscheepvaart mogelijk, maar zijn de uitvoeringskosten logischerwijs ook hoger.
Wat is volgens u de verklaring dat volgens het onderzoek de kosten om een aquaduct aan te leggen als alternatief voor het A58-viaduct bij Oirschot geen 220 miljoen euro zou kosten maar 105 miljoen euro, dat er een onderschatting is van de kosten van de huidige voorkeursvariant van een viaduct met circa 5 miljoen euro (geen 70 miljoen maar 74,3 miljoen euro) en dat de meerkosten van een aquaduct in vergelijking met een viaduct circa 30 miljoen euro bedragen in plaats van 150 miljoen euro, waar bij het nemen van de startbeslissing nog van werd uitgegaan?
In het artikel worden de verkeerde ramingen met elkaar vergeleken. De raming die sluit op 220 miljoen euro is een raming van ingenieursbureau Grontmij welke in 2008 in opdracht van de gemeente Oirschot is uitgevoerd voor een aantal interne analyses. De kostenraming die Rijkswaterstaat heeft ingebracht voor de besluitvorming in 2014 over het aquaduct sluit op een bedrag van 141 miljoen euro, incl. BTW (prijspeil 2013). Daarmee is de vergelijking die wordt gemaakt tussen de bedragen 220 miljoen euro en 105 miljoen euro een onjuiste vergelijking.
Wat betreft de kosten van de huidige voorkeursvariant: deze gegevens worden niet herkend. Er is geen reden om aan te nemen dat de raming buiten de gehanteerde marges van 25% valt.
De meerkosten van een aquaduct t.o.v. een viaduct zoals in het artikel aangedragen (aangenomen wordt dat met viaduct brug bedoeld wordt), zijn meer dan 30 miljoen euro, aangezien IPV Delft niet alle kosten voor het aquaduct meegerekend heeft (zie antwoord 2).
Klopt het dat het onderzoek «appels met appels» heeft vergeleken door dezelfde berekening als Rijkswaterstaat te gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Nee, omdat de verkeerde ramingen met elkaar vergeleken zijn. Ook als wel met de raming van Rijkswaterstaat vergeleken wordt, zijn er nog een aantal verschillen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Hoe komt het volgens u dat Rijkswaterstaat in 2013 stelde dat een aquaduct 220 miljoen euro zou gaan kosten?
De kostenraming die Rijkswaterstaat heeft ingebracht voor de besluitvorming in 2014 over het aquaduct sluit op een bedrag van 141 miljoen euro, incl. BTW (prijspeil 2013). De raming die sluit op 220 miljoen euro is een raming van het ingenieursbureau Grontmij. Deze is in 2008 in opdracht van de gemeente Oirschot uitgevoerd voor een aantal interne analyses.
Verwacht u dat wanneer Rijkswaterstaat deze berekening opnieuw zou gaan maken, zij nog steeds op 220 miljoen euro uit zou komen?
Nee, de kostenraming van Rijkswaterstaat kwam niet uit op 220 miljoen, maar sluit op een bedrag van 141 miljoen euro. Met de huidige uitgangspunten zou een nieuwe raming op de jaarlijkse indexatie na niet wijzigen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de gemeente Oirschot en eventueel de provincie Noord-Brabant om de bevindingen van het nieuwe onderzoek te bespreken en te bezien waar de verschillen vandaan kunnen komen?
De besluitvorming over het niet verder onderzoeken van het aquaduct is tot stand gekomen in samenwerking met alle betrokken overheden, waaronder de gemeente Oirschot. Er zijn uit de onderzoeken geen nieuwe feiten op tafel gekomen die voor mij aanleiding zijn om hierover het gesprek met de regionale bestuurders aan te gaan en tot heroverweging van mijn eerdere besluit te komen.
Uiteraard is Rijkswaterstaat bereid om desgewenst een toelichting te geven op de cijfers uit de verschillende ramingen.
Kunt u aangeven of dit nieuwe onderzoek van ingenieursbureau IPV Delft in opdracht van de gemeente Oirschot voor u aanleiding geeft om nader te verkennen of een aquaduct aanleggen als alternatief voor het A58-viaduct bij Oirschot een verstandig idee zou zijn, aangezien dit een nadrukkelijk wens is van de lokale gemeenschap in Oirschot?
Zie antwoord 7.
Negatieve rentes voor particulieren. |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op mijn vragen van 3 september 2019 over de mogelijkheid dat banken in Nederland over zouden gaan op negatieve rentes?1
Ja.
Wat vindt u van de aankondiging dat ING al vanaf een spaartegoed van 100.000 euro negatieve rente gaat rekenen, zoals verschillende kleinere banken al doen?
Dat banken een negatieve rente rekenen over een deel van de deposito’s hangt samen met het huidige renteklimaat. Banken lenen zowel geld in als uit. Zij streven ernaar om daarbij hun rentemarge, het tariefverschil tussen in- en uitleenrentes, op peil te houden. Afgelopen jaren waren banken daartoe in staat. Bij een nog verder dalende rente kan het voor banken lastiger worden om die daling volledig door te rekenen in hun depositotarieven, omdat deze dan negatief zouden worden. Volgens DNB kan een situatie van langdurig lage rentes de winstgevendheid van banken onder druk zetten, met potentieel nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit.2 Tegelijkertijd kan ik mij de zorgen van spaarders over de dalende rente goed voorstellen. Op dit moment rekenen Nederlandse banken geen negatieve rente aan gewone spaarders. De aangekondigde wijziging van ING brengt daar geen verandering in: ING verwacht dat voor meer dan 97,8% van alle klanten er niets verandert. Zoals ik eerder heb laten weten in een brief aan uw Kamer, vind ik een negatieve rente voor gewone3 spaarders zeer ongewenst.4 Er dienen voldoende mogelijkheden te blijven voor de gewone spaarder om te bankieren bij een bank die geen negatieve rente rekent. Mochten die mogelijkheden in de toekomst significant worden beperkt, dan neem ik het onderwerp opnieuw ter hand en overweeg ik indien opportuun ook wetgeving.
Wat betekent het voor het vertrouwen in het bankenstelsel als mensen negatieve rente wordt gerekend op hun spaargeld? Bent u niet bang dat mensen hun geld op andere manier gaan stallen, bijvoorbeeld in risicovolle beleggingen of contanten?
Op dit moment wordt aan de meeste spaarders geen negatieve rente doorberekend. In 2019 heeft DNB op mijn verzoek een rapportage gemaakt over het rekenen van negatieve spaarrentes. Daarin heeft DNB ook getracht de gevolgen van een eventuele negatieve spaarrente op de financiële stabiliteit te inventariseren. In de rapportage wordt gewezen op het risico dat spaarders hun tegoeden onttrekken of verplaatsen door invoering van negatieve spaarrentes.5 Als dit in groten getale gebeurt, vormt dit een bedreiging voor de financiële stabiliteit. De effecten van een negatieve rente op de financiële stabiliteit laten zich volgens DNB echter moeilijk kwantificeren. Vooralsnog zijn er geen signalen van een grote uitstroom van deposito’s bij Nederlandse banken die negatieve spaarrentes zijn gaan hanteren of hebben aangekondigd dit te gaan doen. Uit beschikbare data blijkt juist dat tegoeden op deposito’s de afgelopen jaren significant zijn toegenomen, terwijl de rentes daalden.6
Zoals ik schreef in de beantwoording van Kamervragen van het lid Van Dijk (CDA)7, heeft DNB laten weten bereid te zijn om op mijn verzoek haar analyse over de renteomgeving en de gevolgen daarvan voor banken te actualiseren. Deze analyse zal ik deze zomer aan uw Kamer doen toekomen.
Bent u, zoals u aankondigde in de antwoorden op mijn vragen, inmiddels in gesprek gegaan met banken en, zo ja, wat hebben deze gesprekken opgeleverd? Was uw inzet te voorkomen dat de saldogrenzen voor negatieve rente omlaag zouden gaan? Zo ja, wat vindt u ervan dat de banken hier kennelijk geen gehoor aan hebben gegeven?
Ik ben destijds in gesprek gegaan met banken en heb hierover gerapporteerd in mijn brief aan uw Kamer van 5 december 2019. Ook daarna is het ministerie met individuele banken in gesprek gebleven over het onderwerp van negatieve spaarrente en de dilemma’s die banken daarin tegenkomen. In mijn eerdergenoemde brief beschreef ik mijn indruk dat Nederlandse banken de nadelen van negatieve rente voor gewone spaarders en de zorgen die hierover leven scherp op het netvlies hebben. Uit hun publieke opmerkingen maakte ik op dat zij niet van plan zijn om in de voorzienbare toekomst over te gaan tot het rekenen van een negatieve rente aan gewone spaarders en dat zij goed oog hebben voor het grote belang van financiële stabiliteit. Mijn beeld is dat dit nog steeds geldt. Daarbij wil ik nogmaals benadrukken dat er voldoende mogelijkheden dienen te blijven voor de gewone spaarder om te bankieren bij een bank die geen negatieve rente rekent. Indien die mogelijkheden significant worden beperkt zal ik het onderwerp opnieuw ter hand nemen en, indien opportuun, ook wetgeving overwegen.
Wat acht u een redelijke saldogrens om negatieve rente in rekening te brengen?
Zoals ik eerder schreef in antwoord op vraag 2 is de rente al geruime tijd laag als gevolg van incidentele en structurele factoren, die zijn versterkt door de coronacrisis.8 Door de dalende rente staan de rente-inkomsten van banken steeds meer onder druk: het verschil tussen in- en uitleenrentes – de rentemarge – is steeds verder afgenomen. Als ze bij een nog verder dalende marktrente een negatieve spaarrente voor gewone spaarders willen voorkomen, zal dit ten koste gaan van hun rentemarge. Banken staan daarom voor een dilemma. Enerzijds willen zij hun winstgevendheid op peil houden in een klimaat van lage rentes. Het rekenen van een negatieve rente vanaf een bepaalde saldogrens is dan een van de mogelijkheden, net als het verhogen van de kosten van andere diensten van de bank. Anderzijds zijn banken zich bij het rekenen van een negatieve rente ervan bewust dat dit kan leiden tot minder spaarklanten, reputatieschade en verlies aan inkomsten op andere producten. Daarbij hebben banken publiekelijk aangegeven de zorgen van gewone spaarders over de dalende rente op het netvlies te hebben.
Op dit moment rekenen Nederlandse banken geen negatieve rente aan gewone spaarders. In mijn eerdergenoemde brief uit 2019 refereerde ik al aan de gemiddelde depositowaarde en de mediaan om aan te geven dat de meeste Nederlandse huishoudens geen negatieve rente gerekend wordt: dat is nog steeds het geval.9 In 2019 betrof de gemiddelde depositowaarde in Nederland € 40.800 en de mediaan lag op een waarde van € 13.900.
In tabel 1 treft u de verdeling van spaargeld per vermogensgroep op basis van de meest recente CBS-data.10 Zo geeft de eerste rij (percentiel 1) bijvoorbeeld voor de tien procent van de particuliere huishoudens met het minste vermogen weer hoeveel bank- en spaartegoeden zij aanhouden, hoeveel spaarders dit betreft en wat het totaalsaldo aan bank- en spaartegoeden is in dat percentiel. Voor de eerste negen vermogensgroepen geldt dat zowel het gemiddelde als de mediaan van het spaarsaldo ruim onder de saldogrens liggen vanaf waar banken op dit moment negatieve rente doorberekenen. De verdeling in de tabel laat zien dat aan veruit de meeste Nederlandse particuliere huishoudens op dit moment geen negatieve rente gerekend wordt.
1
740,2
6,2
8.400
2.400
2
661,7
1,4
2.100
500
3
781
2,4
3.100
2.100
4
779,2
8,8
11.200
10.000
5
777,7
16,5
21.200
21.600
6
778,3
21,7
27.900
18.600
7
779,3
26,8
34.300
23.300
8
780,5
34,8
44.600
33.000
9
781,3
55,0
70.400
53.700
10
781,6
138,3
177.000
102.100
Bron: CBS (2019). Percentielen niet op basis van totale bank- en spaartegoeden, maar op basis van totaal vermogen. Daardoor is het aantal spaarders per percentiel niet gelijk.
DNB merkt in haar jaarverslag over 2020 op dat het bij een langdurig lage rente een forse uitdaging is voor banken om de lagere rente-inkomsten te compenseren.11 Indien banken de vermindering in inkomsten niet doorberekenen via een negatieve rente, zullen zij mogelijk op zoek gaan naar andere inkomstenbronnen. Naast rentetarieven concurreren banken ook op andere factoren, waaronder de vaste kosten voor een bankrekening. Een stijging van de vaste kosten van een bankrekening treft mogelijk alle spaarders, terwijl bij de saldogrens van de huidige negatieve rente in ieder geval de meeste spaarders worden ontzien.
Als Minister van Financiën ga ik – ook met oog op de mededinging – niet over de rentetarieven van banken. Banken zelf gaan over hun prijsbeleid, waaronder hun rentetarieven. Wel vind ik het, zoals ook genoemd in antwoord op vragen 2 en 4, van belang dat er voldoende mogelijkheden dienen te blijven voor de gewone spaarder om te bankieren bij een bank die geen negatieve rente rekent. Mijn beeld is dat dit op dit moment het geval is.
Bent u alsnog bereid te onderzoeken of negatieve rentes tot een bepaald spaarsaldo verboden kunnen worden?
Zoals genoemd heeft DNB eind 2019 op mijn verzoek onderzocht wat de gevolgen zouden kunnen zijn van een wettelijk verbod op een negatieve rente vanaf een bepaald spaarsaldo. Een wettelijk verbod kent volgens DNB overwegend nadelen en risico’s. Ten eerste beperkt een verbod volgens DNB de economische prijsvorming en marktwerking. Banken moeten zelf verantwoordelijk zijn voor de eventuele reputatiekosten en onzekere gedragseffecten van hun handelen en de risicobeheersing daarvan. Ten tweede doorkruist een verbod volgens DNB het monetair beleid, met nadelige gevolgen voor de Nederlandse economie. Banken zullen minder geneigd zijn rentes op bedrijfsleningen en hypotheken te verlagen. Ten derde kan een verbod de winstgevendheid van banken uithollen, wat volgens DNB kan leiden tot financiëlestabiliteitsproblemen. Dat kan vervolgens weer leiden tot minder vertrouwen in het financieel systeem. Tot slot wijst DNB erop dat een wettelijk verbod op het rekenen van negatieve rente effecten kan hebben die nu niet zijn te overzien.
Wat betekent de lagere grens voor negatieve rentes voor (semi-)publieke instellingen als scholen, ziekenhuizen en non-profit organisaties? Erkent u de negatieve gevolgen en bent u bereid met banken in gesprek te gaan om deze te vermijden?
In antwoord op de schriftelijke vragen van het lid Nijboer van 5 februari 2021 ben ik ingegaan op de effecten van lage rentes voor onderwijsinstellingen, zorginstellingen en goededoelenorganisaties.12 Onderwijsinstellingen die publieke liquide middelen beheren, hebben zelf de keuze tussen het aanhouden van publieke tegoeden bij het Ministerie van Financiën (middels schatkistbankieren), of bij een commerciële bank. Bij het schatkistbankieren wordt geen negatieve rente gerekend. Zorginstellingen kunnen te maken hebben met een negatieve rente over een deel van hun tegoeden bij commerciële banken. Hetzelfde geldt ook voor sommige goededoelenorganisaties, vermogende consumenten en bedrijven.
Ik realiseer me dat het rekenen van negatieve rente over banktegoeden een relatief nieuwe en ongemakkelijke gewaarwording is. De verwachting is immers dat geld bij de bank in de loop van de tijd in waarde groeit of in ieder geval gelijk blijft. Een negatieve rente staat daarmee op gespannen voet. Op dit moment rekenen banken over het algemeen aan een klein deel van hun klantbestand een (licht) negatieve rente. Het lagerenteklimaat heeft tegelijkertijd ook positieve effecten. Zo hoeft er bijvoorbeeld minder rente over nieuwe leningen betaald te worden.
Vanwege regels ten aanzien van de mededinging en het gegeven dat banken zelf gaan over hun rentetarieven, ben ik terughoudend met het opzetten van gesprekken met banken over hun prijsstelling.
Het manifest van artsen en wetenschappers dat pleit voor schonere lucht |
|
Bouchallikh |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
Bent u bekend met het bericht «Drie keer op de intensive care door luchtvervuiling: «Dit is het moment om onze kinderen gezonde lucht te geven»»1?
Ja
Wat is uw oordeel over het feit dat Noëlle uit Rozenburg, onderdeel van de gemeente Rotterdam, drie keer op de intensive care belandde vanwege de slechte luchtkwaliteit rondom de Rotterdamse haven?
Het is uiterst verdrietig als een kind zoals Noёlle zulke ernstige gezondheidsklachten moet ondervinden. In algemene zin is bekend dat luchtvervuiling, naast vroegtijdige sterfte, ook tot een breed scala aan negatieve gezondheidseffecten kan leiden, waaronder een hogere kans op het ontstaan en het verergeren van longklachten. De luchtkwaliteit is de afgelopen jaren al sterk verbeterd. Inmiddels voldoen we in Nederland vrijwel overal aan de Europese grenswaarden voor NO2 en fijnstof. Maar ook onder de Europese grenswaarden en zelfs onder de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), leidt luchtvervuiling tot negatieve gezondheidseffecten. Daarom zet ik mij in het Schone Lucht Akkoord, samen met decentrale overheden, in voor een permanente verbetering van de luchtkwaliteit om gezondheidswinst voor alle Nederlanders te realiseren. Concreet is afgesproken om de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging uit Nederlandse bronnen met 50% te reduceren in 2030 ten opzichte van 2016.
Hoe staat dit voorval in verhouding tot het feit dat de gemeente Rotterdam het Schone Lucht Akkoord (SLA) heeft ondertekend? Op welke termijn kunnen we resultaten verwachten van het SLA en op welke wijze wordt de uitvoering van het SLA gehandhaafd?
Ingrijpende gezondheidseffecten zijn niet alleen voor de rijksoverheid, maar ook voor provincies en voor gemeenten zoals Rotterdam, een belangrijke reden om te werken aan ambitieus luchtbeleid.
Ik heb uw Kamer in april de uitvoeringsagenda van het Schone Lucht Akkoord gestuurd. Hierin staat welke activiteiten en resultaten op welk moment geleverd worden en hoe de voortgang wordt gemonitord. Eind van dit jaar voert RIVM de 0-meting van het Akkoord uit, hierin wordt met de gezondheidsindicator de gezondheidswinst van het Schone Lucht Akkoord berekend. Vervolgens zal eens per twee jaar het doelbereik worden berekend met de gezondheidsindicator. Zodra de rapportage van de 0-meting gereed is, zal ik uw Kamer hierover informeren.
Deelt u de mening dat elk kind recht heeft op schone lucht? Zo ja, bent u van oordeel dat het kabinet op dit moment voldoende maatregelen neemt om dat recht te waarborgen en waarom?
Mijn ambitie is dat niet alleen kinderen, maar dat iedereen in Nederland in een gezonde leefomgeving kan opgroeien en leven. Schone Lucht is daarvoor een belangrijke voorwaarde. De luchtkwaliteit is door internationaal, nationaal en lokaal luchtkwaliteitsbeleid de afgelopen jaren sterk verbeterd. Toch behoort luchtverontreiniging nog tot één van de belangrijkste risicofactoren voor de gezondheid. Daarom heeft het kabinet met andere overheden in het Schone Lucht Akkoord afgesproken te werken aan gezondheidswinst door in te zetten op een permanente verbetering van de luchtkwaliteit.
Bent u bekend met de dwarsverbanden die door wetenschappers worden gelegd tussen een slechte luchtkwaliteit en kwetsbare wijken? Wat vindt u er bijvoorbeeld van dat kinderen op achtergestelde scholen meer risico lopen op de gevolgen van een slechte luchtkwaliteit2? Heeft dit thema uw aandacht? Zo ja, hoe uit zich dat?
In de beantwoording op de Kamervragen van lid Kuzu (DENK) de leden Kwint en Laçin (beiden SP) op 27 januari 2020 ben ik, samen met de Ministers van VWS en OCW, ingegaan op de samenhang tussen luchtkwaliteit en kwetsbare wijken en scholen. Ik ben van mening dat de luchtkwaliteit overal in Nederland moet verbeteren, ook in kwetsbare wijken. Daarnaast werk ik conform het advies van de Gezondheidsraad, samen met RIVM, gemeenten en provincies een aanvullende aanpak uit voor gebieden waar de blootstelling aan luchtverontreiniging hoog is. Mijn streven is om uw Kamer nog dit jaar te informeren over deze aanpak.
De aanpak van gezondheidsachterstanden en de gezondheid van de fysieke en sociale leefomgeving zijn ook prioriteiten voor het lokale gezondheidsbeleid die de Staatssecretaris van VWS heeft opgenomen in de Landelijke Nota Gezondheidsbeleid (Kamerstuk 32 793, nr. 481).
Klopt het dat er tienduizenden mensen met een longziekte overwegen om te verhuizen vanwege een slechte luchtkwaliteit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen moeten er ondernomen worden om de luchtkwaliteit in ieder deel van Nederland op peil te houden?
Uit onderzoek door Nivel3 in opdracht van het Longfonds blijkt dat één op de acht longpatiënten (12 procent) vanwege slechte luchtkwaliteit weleens overweegt te verhuizen. Het op peil houden van de huidige luchtkwaliteit is niet voldoende om ervoor te zorgen dat ook kwetsbare groepen zoals longpatiënten overal in Nederland kunnen wonen zonder gezondheidsklachten te ervaren. Daarom werk ik samen met medeoverheden aan verdergaande gezondheidswinst door een permanente verbetering van de luchtkwaliteit.
Bent u bekend met het manifest van longartsen, kinderartsen, huisartsen en wetenschappers voor schone lucht3? Zo ja, kunt u reflecteren op de inhoud van dit manifest?
Ja, ik ben bekend met het manifest. Ik zie het manifest als een belangrijke aansporing om het Schone Lucht Akkoord ambitieus en effectief uit te voeren.
Deelt u de mening van zorgprofessionals en wetenschappers dat er meer ambitie en snelheid nodig is voor preventie van ziekte en dat er een extra impuls moet worden gegeven aan schone lucht? Zo nee, waarom niet?
Hoe beter de luchtkwaliteit, hoe groter de gezondheidswinst. Bij het opstellen van het Schone Lucht Akkoord is het doel afgesproken om 50% gezondheidswinst te realiseren in 2030 ten opzichte van 2016 voor luchtvervuiling afkomstig uit binnenlandse bronnen. Voor dit doel is gekozen omdat het naar verwachting ambitieus én haalbaar is.
Naast de concrete maatregelen uit het Akkoord, werk ik aan pilots en een kennisagenda om aanvullende innovatieve aanpakken te ontwikkelen. Ook voer ik een verkenning uit naar aanvullende maatregelen voor het terugdringen van luchtvervuiling door houtstook. Daarnaast zijn deelnemende gemeenten en provincies volop bezig met het uitwerken van hun eigen aanvullende maatregelen om de luchtkwaliteit verder te verbeteren. Mocht blijken dat het mogelijk is om meer gezondheidswinst te realiseren, door de luchtvervuiling sneller of meer te verbeteren, dan zal ik mij daar zeker voor inzetten.
Belangrijke notie die ik niet onvermeld wil laten, is dat voor de verbetering van de luchtkwaliteit ook het effectief uitvoeren van bestaand beleid, inclusief het monitoren en toezicht, het verankeren van luchtkwaliteit in ander beleid en inzet op ambitieus internationaal beleid van groot belang zijn. Ook daar zet ik mij, samen met gemeenten en provincies en stakeholders, voor in.
Deelt u de mening van de ondertekenaars van het manifest dat het doel uit het SLA – 50% gezondheidswinst in 2030 – naar voren moet worden gehaald? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Hoeveel gemeenten doen er inmiddels mee aan het SLA en welke stappen neemt u om meer gemeenten te stimuleren om mee te doen?
Op dit moment telt het Schone Lucht Akkoord 91 deelnemers waaronder alle twaalf provincies en 78 gemeenten. Een actueel overzicht van de deelnemers staat op de website www.schoneluchtakkoord.nl. Daarmee heeft het Schone Lucht Akkoord al een landsdekkende werking. Wel helpt het als meer gemeenten deelnemen en met lokale maatregelen de luchtvervuiling in hun gemeente aanpakken. Daarom zet ik mij in om meer gemeenten bij het akkoord te betrekken. Ik heb gemeenten en provincies per brief uitgenodigd om aan het Schone Lucht Akkoord deel te nemen. Daarnaast informeer ik gemeenten regelmatig over het Schone Lucht Akkoord via nieuwsbrieven, artikelen in tijdschriften en social media. Ook heb ik dit voorjaar informatiebijeenkomsten georganiseerd voor geïnteresseerde gemeenten. Veel van de deelnemende gemeenten en provincies benaderen ook zelf gemeenten in hun omgeving om het belang van deelname aan het Schone Lucht Akkoord te benadrukken. Ten slotte ondersteun ik gemeenten financieel bij de uitvoering van het Schone Lucht Akkoord met een Specifieke Uitkering die in april is opengesteld.
Wat vindt u van de oproep om de noodzaak van het realiseren van gezonde lucht beter te verbinden aan bestaande opgaven rondom klimaat, de energietransitie en de stikstofproblematiek? Worden de effecten op luchtkwaliteit en gezondheid in dergelijke dossiers op dit moment voldoende meegenomen?
Het kabinet onderschrijft het belang van het verbinden van verschillende beleidsopgaven. Veel maatregelen uit het klimaatbeleid, de stikstofaanpak en het Schone Lucht Akkoord hangen nauw met elkaar samen en versterken elkaar. Zo dragen maatregelen voor het versnellen van de transitie naar elektrisch vervoer, het stimuleren van de fiets en schoon OV, het verlagen van de maximumsnelheid, investeringen in walstroom en het verduurzamen van de landbouw ook bij aan gezondere lucht. Een mooi voorbeeld is de integrale routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen die wordt uitgewerkt vanuit zowel klimaat, stikstof als Luchtkwaliteit en Gezondheid. Een ander voorbeeld is het duurzaamheidskader voor biogrondstoffen, luchtkwaliteit is hier als een van de pijlers in uitgewerkt.
Op 16 april heeft u een brief ontvangen over het nieuwe programma Gezonde Groene Leefomgeving dat onder de Nationale Omgevingsvisie wordt opgezet (Kamerstuk 32 793, nr. 549). In dat programma worden ook dwarsverbanden gelegd met het Schone Lucht Akkoord en het Nationaal Milieukader, naast vele andere (beleids)activiteiten om de gezondheid van de leefomgeving van mensen in Nederland te verbeteren.
Om deze voortgang meer structureel vorm te geven, verken ik, conform de aanbevelingen uit het IBO luchtkwaliteit, op welke wijze gezondheidseffecten van luchtvervuiling nu al zijn verankerd in ander beleid en waar aanvullende afspraken effectief kunnen zijn.
Wat is uw oordeel over het pleidooi in het manifest om een speciaal gezant voor schone lucht te benoemen? Ziet u dat als een effectieve manier om de luchtkwaliteit in Nederland sneller te verbeteren? Kunt u toelichten waarom wel of niet?
Ik vind het pleidooi voor een speciaal gezant een sympathiek idee. Tegelijk ben ik van mening dat dit op dit moment geen versnelling voor de aanpak van het Schone Lucht Akkoord op zal leveren. Met de uitvoeringsagenda is dit voorjaar een belangrijke mijlpaal gerealiseerd voor een effectieve uitvoering van het akkoord. Naar mijn overtuiging zou de prioriteit de komende tijd moeten liggen op het snel en voortvarend uitvoeren van de afspraken uit het akkoord.
Het bericht ‘Raad van State vreest dat uitstel tot afstel leidt bij kwaliteitsafspraken’ |
|
Hatte van der Woude (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Raad van State vreest dat uitstel tot afstel leidt bij kwaliteitsafspraken»?1
Ja.
Wanneer is precies het advies van de Raad van State over «het besluit de kwaliteitsbekostiging toe te voegen aan de lumpsum van hoger onderwijsinstellingen» aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gegeven?
Het advies van de Raad van State over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, houdende de aanpassing van de kwaliteitsbekostiging over het jaar 2021 in verband met de uitbraak van COVID-19 (hierna: het besluit) is op 12 augustus 2020 gegeven.
Waarom is het advies van de Raad van State over «het besluit de kwaliteitsbekostiging toe te voegen aan de lumpsum van hoger onderwijsinstellingen» destijds niet gedeeld met de Tweede Kamer en de Eerste Kamer?
Adviezen van de Raad van State over een algemene maatregel van bestuur (amvb) worden niet toegezonden aan de Tweede Kamer, ook adviezen over een zogenoemde voorhang-amvb niet. De voorhangprocedure, zoals deze is opgenomen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, houdt in dat de amvb wordt toegezonden aan de Tweede en Eerste Kamer voordat de Koning wordt verzocht het ontwerpbesluit ter advisering aan de Raad van State voor te leggen. De Raad van State heeft dan ook pas geadviseerd over het besluit nadat de voorhangprocedure bij de Tweede Kamer en Eerste Kamer was afgerond. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is de nota van toelichting bij het besluit aangepast en is het besluit in het Staatsblad geplaatst.
Waarom moet de Kamer via de publicatie in de Staatscourant op 12 april 2021 uitvinden dat dit advies van de Raad van State aan het Ministerie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is gegeven?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 worden adviezen van de Raad van State over een amvb niet aan de Tweede Kamer toegezonden. Op grond van de Wet op de Raad van State vindt openbaarmaking van adviezen van de Raad van State over algemene maatregelen van bestuur plaats door publicatie ervan in de Staatscourant. De openbaarmaking moet gelijktijdig met de bekendmaking van de amvb plaatsvinden. Openbaarmaking kan derhalve niet plaatsvinden voordat de amvb waarop het advies betrekking heeft is vastgesteld en gepubliceerd in het Staatsblad.
Wel heeft in dit geval openbaarmaking van het advies ten onrechte niet gelijktijdig met de bekendmaking van het besluit plaatsgevonden. Dit is vergeten in de hectiek van deze met spoed (vanwege de gevolgen van Corona) tot stand gebrachte amvb. Het advies van de Raad van State, is tezamen met het nader rapport en de aan de Raad van State voorgelegde tekst van de amvb, alsnog gepubliceerd in de Staatscourant onmiddellijk nadat uit een administratieve controle bleek dat openbaarmaking van het advies nog niet had plaatsgevonden.
Klopt de constatering van ScienceGuide dat het advies van de Raad van State over het besluit voor de Tweede Kamer is achtergehouden en dat de Kamer dus niet volledig is geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit verklaren? Klopt het dat u in het schriftelijke overleg van juni 2020 de vraag van de VVD-fractie «Hoe weten we achteraf dat dit geld daadwerkelijk besteed wordt aan het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs?» niet heeft beantwoord?2 Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
In het artikel van Science Guide wordt aangegeven dat de Tweede en Eerste Kamer het advies niet hebben kunnen betrekken bij het overwegen van het besluit. Dit vormt kennelijk de onderbouwing voor de constatering dat het ministerie het advies achterhield. Zoals echter aangegeven in het antwoord op vraag 3 worden adviezen van de Raad van State over een amvb niet toegezonden aan de Tweede Kamer, ook adviezen over een voorhang-amvb niet. Bovendien kunnen adviezen van de Raad van State niet eerder openbaar worden gemaakt dan nadat de amvb waarop het advies betrekking heeft is vastgesteld en bekendgemaakt. De constatering dat het advies is achtergehouden is dan ook onterecht.
In het schriftelijk overleg heb ik de uitgangspunten en het proces van de kwaliteitsafspraken geschetst en daarbij de vragen beantwoord. Ik zal hier nogmaals ingaan op de vraag. Met de kwaliteitsafspraken hebben we beoogd dat instellingen de middelen werkelijk investeren in de kwaliteit van het onderwijs. Daartoe hebben instellingen een plan ingediend of moeten dat nog doen. Indien het plan van een instelling niet wordt goedgekeurd ontvangen zij over de jaren 2022 tot en met 2024 geen kwaliteitsbekostiging. Wanneer een plan bij de realisatiebeoordeling in 2022 onvoldoende voortgang heeft geboekt, ontvangt de instelling de oploop tussen 2023 en 2024 niet. Instellingen dienen ook jaarlijks, al vanaf 2019, verantwoording af te leggen over de voortgang van de realisatie van de plannen én het proces dat is gevolgd, waarbij afspraken met de medezeggenschap over de besteding van de studievoorschotmiddelen terugkomen3. De medezeggenschap wordt ook in de gelegenheid gesteld om jaarlijks te reflecteren op de stand van zaken en het proces in een bijlage van het jaarverslag van 2021 te voegen. De NVAO zal bij de realisatiebeoordeling zich ook mede baseren op deze reflectie voor het oordeel van de medezeggenschap.
Wat is uw reactie op het advies van de Raad van State? Bent u bereid om de kritiek van de Raad van State op de regeling serieus te nemen en in te grijpen wanneer er onvoldoende zicht is op de besteding van de kwaliteitsgelden?
In het nader rapport met datum 26 augustus 2020, gepubliceerd op 12 april 2021, heb ik gereageerd op het advies van de Raad van State. Met de kwaliteitsafspraken hebben we beoogd dat instellingen de middelen werkelijk investeren in de kwaliteit van het onderwijs. In de jaarverslagen reflecteren de instelling op de inzet van de kwaliteitsmiddelen. Bij de realisatiebeoordeling in 2022 zal de NVAO naar de voortgang kijken en ook de reflectie van de medezeggenschap hierop betrekken. Als de voortgang als onvoldoende wordt beoordeeld, zal de oploop voor 2023 en 2024 niet worden toegekend.
Welke instellingen hebben nog steeds geen goedkeuring voor hun kwaliteitsafspraken maar hebben door uw regeling wel de kwaliteitsbekostiging ontvangen? Welke instellingen hebben inmiddels een herstelplan ingediend?
De volgende instellingen hebben een aangepast plan ingediend en vervolgens een positief besluit ontvangen:
Hogeschool Utrecht;
Fontys Hogescholen;
Hogeschool van Amsterdam;
Hogeschool VIAA;
Gerrit Rietveld Academie;
Iselinge Hogeschool;
Hogeschool van Arnhem en Nijmegen;
Hogeschool Rotterdam;
Tilburg University;
Hogeschool IPABO Amsterdam Alkmaar;
Hogeschool The Hague;
Pedagogische hogeschool De Kempel;
Breda University Applied Science;
Aeres Hogeschool, en;
NHL Stenden Hogeschool.
Er dient nog een besluit genomen te worden over de aangepaste plannen van de volgende instellingen:
Hogeschool Van Hall Larenstein;
Vrije Universiteit van Amsterdam;
Christelijke Hogeschool Ede, en;
Haagse Hogeschool.
Deelt u de mening dat u het advies van de Raad van State op «het besluit de kwaliteitsbekostiging toe te voegen aan de lumpsum van hoger onderwijsinstellingen» wel met de Tweede Kamer en Eerste Kamer had moeten delen? Zo nee, waarom niet? Op welke wijze gaat u er nu voor zorgen dat alle instellingen zo snel als mogelijk voldoen aan de kwaliteitsafspraken, zodat studenten van deze instellingen ook daadwerkelijk kunnen profiteren van de vrijgekomen kwaliteitsgelden?
Ik deel de mening dat ik het advies van de Raad van State met de Tweede en Eerste Kamer had moeten delen niet. Ik verwijs hierbij naar mijn antwoorden op vraag 3 en 4.
De NVAO heeft de afgelopen periode meerdere aangepaste plannen beoordeeld. Dit heeft ertoe geleid dat er op dit moment nog 4 instellingen zijn die nog geen besluit op hun nieuwe aanvraag hebben ontvangen. Ook de genoemde 4 instellingen zijn op dit moment bezig met het aanpassen van het plan of het ingediende plan ligt nu voor advies voor bij de NVAO.
Kunt u alle vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de Italiaanse maffia vat probeert te krijgen op de miljarden uit het Corona Herstelfonds |
|
Jasper van Dijk |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Wat vindt u van de zorgen die hoofdofficier van Justitie Bombardieri heeft geuit over de Italiaanse maffia en hun invloed op het budget van tweehonderd miljard euro die Italië krijgt voor het Coronaherstel?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht van Nieuwsuur over de belangstelling van de Italiaanse maffia in middelen uit het herstelfonds (Recovery and Resilience Facility, RRF). Het is noodzakelijk dat fraude wordt voorkomen in alle lidstaten. De gemaakte afspraken over de werking van de RRF bieden hier waarborgen voor. Lidstaten kunnen pas aanspraak maken op middelen uit de RRF op basis van een plan (Recovery and Resilience Plan, RRP) met hervormings- en investeringsprojecten dat door de Europese Commissie wordt getoetst aan de vereisten uit de RRF-verordening, inclusief ten aanzien van de audit- en controlesystemen (zie toelichting bij beantwoording van vragen 4 t/m 6). De middelen worden pas uitgekeerd als de vastgelegde mijlpalen en doelen zijn bereikt. Indien de Commissie na een betalingsverzoek oordeelt dat mijlpalen en doelen niet tot tevredenheid zijn bereikt, wordt de uitbetaling opgeschort. Als een lidstaat na zes maanden niet de noodzakelijke maatregelen heeft genomen, wordt de financiële vastlegging naar verhouding gereduceerd.
Deelt u de zorg dat de Italiaanse maffia, gezien hun invloed op bedrijven, al betrokken is bij uitgaven van het Herstelfonds?
De Italiaanse justitiële autoriteiten hebben zelf aandacht gevraagd voor het feit dat in sommige delen van het land inmenging door de maffia een belangrijk risico is. In het verleden heeft Italië al veel ervaring opgedaan met de aanpak van de maffia. In internationaal verband, en bilateraal, wordt nauw met de Italiaanse politie en justitie samengewerkt om de maffia te bestrijden en dat zal ook in de komende periode worden voortgezet. Italië kent een breed scala aan middelen dat ingezet kan worden bij de bestrijding van de maffia. Eén van de mogelijkheden ligt in de regelgeving rond de controles op aanbestedingen. Italië heeft daarnaast recentelijk aangekondigd in het RRP extra maatregelen te zullen nemen om de controle, audits en correcte implementatie van projecten aan te scherpen. Een groot deel van deze projecten ligt op gebied van duurzaamheid en digitalisering, in lijn met de vereisten van het RRF.
Deelt u de analyse van hoofdofficier van Justitie Bombardieri dat er met name sprake kan zijn van de infiltratie door de maffia op bedrijven die failliet zijn of dreigen te gaan, in met name de digitale sector of omtrent groene energie?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat toezicht op het fonds van groot belang is, alleen al omdat Nederland één van de grootste nettobetalers is van het Herstelfonds en Italië één van de grootste netto-ontvangers – met ontvangsten van rond de tweehonderd miljard euro?2
Deelt u de zorgen over een juiste besteding van het fonds – ook in het licht van de kritiek die al eerder is geuit door de Europese Rekenkamer over de beperkte controle op dit enorme budget? Wat onderneemt u om het toezicht te verbeteren?
Hoe gaat u voorkomen dat deze miljarden worden gebruikt als subsidiepot voor de Italiaanse maffia?
Gaat u dit punt op Europees niveau aan de orde stellen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van oordeel dat met de in het voorgaande antwoord beschreven controlestructuur in de RRF-verordening voldoende waarborgen voor een juiste besteding van middelen zijn ingebouwd. Het is aan de Commissie om de eerder genoemde controlesystemen te beoordelen wanneer een lidstaat een herstelplan indient.
Kunt u een overzicht geven van de aanvragen die Nederland heeft ingediend ten aanzien van het coronaherstelfonds (met het oog op de deadline van 30 april 2021)?
Er is nog geen herstelplan door Nederland ingediend. Het vaststellen van het definitieve Nederlandse plan en het formeel indienen daarvan is aan een nieuw kabinet. U bent hierover geïnformeerd in de Kamerbrief van 27 november jl.3 Een besluit over het Nederlandse herstelplan biedt het nieuwe kabinet de mogelijkheid om hervormingen en investeringen die volgen uit de formatie mee te nemen. Het kabinet heeft opdracht gegeven tot een ambtelijke verkenning naar de mogelijke inhoud van een Nederlands herstelplan. Op dit moment vinden hierover verkennende gesprekken met de Commissie plaats. Het conceptplan zal voor indiening met uw Kamer worden gedeeld. Vanwege de timing van de verkiezingen en de formatie zal Nederland geen plan indienen voor 30 april 2021. Het later indienen dan 30 april heeft geen gevolgen voor de omvang van het bedrag dat Nederland uit de RRF kan ontvangen. Om aanspraak te maken op de 13% voorfinanciering, dient het plan voor 31 december 2021 te zijn door de Raad te zijn goedgekeurd.
Natuur die zich goed ontwikkelt ondanks stikstofdepositie en de definitie van het begrip project bij vergunningsverzoeken. |
|
Derk Boswijk (CDA), Jaco Geurts (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ecoloog: Korenburgerveen ontwikkelt zich goed ondanks stikstofdepositie»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat de natuur in het Achterhoekse Natura 2000-gebied Korenburgerveen zich in de praktijk beter ontwikkelt dan op basis van theoretische stikstofmodellen werd voorspeld?
De reactie van de natuur op basis van de bedoelde theoretische stikstofmodellen betreft de verwachte verslechtering in het geval de KDW van een habitattype wordt overschreden. De kans op het daadwerkelijk optreden van verslechtering neemt toe als de overschrijding groot is en lang duurt. Aan de andere kant staan herstelmaatregelen ter beschikking om verslechtering zoveel mogelijk te voorkomen. Meestal zal het dan gaan om een tijdelijk positief effect, maar zeker bij waterhuishoudkundige maatregelen is de ervaring dat het positieve effect langjarig voortduurt. Dat de balans bij het Korenburgerveen op dit moment neutraal tot positief is, was voorspeld in het beheerplan, want het beoogde doel van de maatregelen van de afgelopen jaren.
Wat is uw appreciatie van de uit de analyse voortkomende conclusie dat door gerichte (hydrologische) herstelmaatregelen het effect van de depositie van stikstof in het Korenburgerveen geminimaliseerd wordt en er in het gebied sprake is van een gunstige ontwikkeling?
Als een gebied van twee problemen last heeft, in dit geval verdroging en stikstof, en je pakt vooral één probleem grondig aan, dan mag je gedeeltelijke verbetering verwachten. Terecht zijn degenen die die verbetering hebben geconstateerd, optimistisch gestemd.
Dit soort verbeteringen zijn dan ook de reden dat waterhuishoudkundige maatregelen onderdeel uitmaakten van de maatregelen die zijn uitgevoerd binnen het Programma Aanpak Stikstof, hoewel dat type maatregelen als zodanig het stikstofprobleem niet oplossen. En ook onder het Programma Natuur worden maatregelen ingezet die bijvoorbeeld verruiging en bodemverzuring kunnen tegengaan. Beide problemen kunnen worden veroorzaakt door stikstof maar ook door verdroging. Door de verdroging aan te pakken, wordt een verbetering bewerkstelligd ten aanzien van de kwaliteit die mede door stikstof was aangetast. Dat laat onverlet dat stikstof nog steeds tot die verruiging en bodemverzuring leidt. Het opgetelde effect van verdroging en stikstof is echter veel minder geworden door de waterhuishoudkundige maatregelen. Dat sprake is van een «minimalisering» van het effect van stikstofdepositie is niet juist; zo blijkt bijvoorbeeld dat het habitattype Actieve hoogvenen zich heeft uitgebreid, maar dat wel degelijk effecten van stikstof zichtbaar zijn in dat habitattype, zoals een grotere bedekking van grassen dan van nature het geval is. Bij de Blauwgraslanden is dat nog veel duidelijker, omdat hier het positieve effect van de maatregelen nog onvoldoende is. En zoals in het antwoord op vraag 2 al is gemeld, is het positieve effect van waterhuishoudkundige maatregelen eindig, wat betekent dat de negatieve effecten van stikstof op termijn niet meer opgevangen zullen worden door de verbetering als gevolg van de genomen waterhuishoudkundige maatregelen.
Wat betekent deze ontwikkeling in het Natura 2000-gebied Korenburgerveen voor andere Natura 2000-gebieden in Nederland? Ziet u dit als aanleiding om ook in andere gebieden meer in te zetten op gerichte (hydrologische) herstelmaatregelen of dat ten minste te onderzoeken?
De positieve reactie van dit gebied op de genomen herstelmaatregelen staat niet op zichzelf. Ook in andere (hoogveen)gebieden zijn positieve reacties te zien. De noodzaak tot het nemen van deze maatregelen is dus heel duidelijk, niet alleen vanwege stikstof maar ook vanwege de klimaatproblematiek (dat hebben de drie droge zomers ons ook geleerd). Daarom vormen ze een prominent onderdeel van het Programma Natuur, waarvoor momenteel veel plannen worden ingediend.
Deelt u de mening dat deze casus eens te meer aantoont dat het van groot belang is om verder te kijken dan de theoretische gevolgen van het overschrijden van kritische depositiewaardes voor stikstof, en dat een integrale aanpak met daarin meer aandacht voor herstelmaatregelen in de praktijk tot betere resultaten leidt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat betekent deze conclusie voor het stikstofbeleid op de korte, middellange en lange termijn?
Een integrale aanpak is inderdaad heel belangrijk. Dat is ook wat onder meer de aanpak van het Programma Natuur behelst. Dit betekent echter niet dat het ene probleem (stikstofeffecten) weggestreept kan worden tegen het andere (verdroging). Het betekent wel dat de oplossing van het verdrogingsprobleem ons de tijd geeft om ook het stikstofprobleem op te lossen, voor zover het waterafhankelijke natuur betreft.
Kunt u een definitie geven van het begrip «project», aangezien dit niet is gedefinieerd of wordt uitgelegd in de Wet natuurbescherming of de Habitatrichtlijn?
In het arrest van het Europese Hof en de uitspraken van de Raad van State over het PAS en de vrijstelling voor beweiden en bemesten staat dat voor de vraag of een activiteit een project is, als bedoeld in de Habitatrichtlijn, moet worden nagegaan of die activiteit significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
Kan het begrip «project» naar eigen oordeel worden afgebakend door aanvragers of bevoegde gezagen?
Nee, uit het antwoord op vraag 6 blijkt dat de afbakening afhangt van de vraag of de betrokken activiteit significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
Moeten bij een uitbreiding op basis van het verkeersmodel Nederlands Regionaal Model (NRM) de mogelijke effecten van de verkeersaantrekkende werking van de beoogde uitbreiding meegenomen worden?
Bij de toetsing of een plan of project tot significant negatieve effecten in Natura 2000-gebieden kan leiden, dienen alle mogelijke effecten van het desbetreffende plan of project betrokken te worden, waaronder de mogelijke effecten van verkeersaantrekkende werking. Dat geldt dus ook voor plannen en projecten waarvoor het NRM wordt gebruikt om de verkeersaantrekkende werking te bepalen.
Moet een vergunning die aangevraagd wordt in het kader van de Wet natuurbescherming (bijvoorbeeld een melkveehouderij die van 100 melkkoeien wil groeien naar uiteindelijk 300 melkkoeien) betrekking hebben op het gehele project (bijvoorbeeld 300 melkkoeien), of mag het in onderdelen worden opgeknipt (bijvoorbeeld elke twee jaar een vergunning vragen voor 100 koeien meer ten opzichte van de vorige aanvraag)?
De aanvraag is altijd de basis voor de te verlenen vergunning. De aanvraag van een natuurvergunning moet betrekking hebben op alle met de aangevraagde activiteit onlosmakelijk samenhangende onderdelen. Onzekere toekomstplannen zijn niet als zodanig aan te merken. Wanneer een natuurvergunning is verleend voor het project melkveehouderij met 100 koeien, en na twee jaar wil de veehouderij uitbreiden met 100 koeien, dan moet die uitbreiding worden beoordeeld ten opzichte van de bestaande situatie van 100 koeien en de gevolgen daarvan voor Natura 2000-gebieden. Als de vergunning voor de tweede 100 koeien kan worden verleend, en de veehouderij wil twee jaar later opnieuw uitbreiden met 100 koeien, dan moet die uitbreiding worden beoordeeld ten opzichte van de vergunde 200 koeien en de gevolgen daarvan voor Natura 2000-gebieden.
Kan een vergunningverzoek van Bedrijf B dat extern wil salderen met bedrijf A (beide uiteindelijk van dezelfde eigenaar en 54 kilometer uit elkaar liggend) in behandeling worden genomen als bedrijf A nog geen onherroepelijke Wet natuurbescherming-vergunning heeft waarin de stikstofruimte is vastgelegd?
Ja, dat kan, mits wordt gesaldeerd met toegestane depositie op dezelfde locatie waar stikstofgevoelig habitat voorkomt. Die toestemming kan bestaan uit een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of een toestemming van voor het moment dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is gaan gelden voor het betrokken Natura 2000-gebied.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor 7 mei 2021?
Een gedegen beantwoording van de vragen kostten meer tijd, waardoor het niet is gelukt om deze vragen te beantwoording voor 7 mei 2021.
De stijgende energienota op lange termijn |
|
Joris Thijssen (PvdA) |
|
Bas van 't Wout (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Energienota stijgt op termijn flink»?1
Ja.
Klopt het dat de vier grote netwerkbedrijven in Nederland een bedrag van meer dan honderd miljard euro moeten investeren in de verbouwing van ons elektriciteitsnetwerk? Hoe reëel is de hoogte van het genoemde bedrag?
Als gevolg van de energietransitie is de verwachting dat de vraag naar transportcapaciteit van het elektriciteitsnetwerk sterk gaat toenemen. In welke mate dit precies toeneemt is onzeker. PricewaterhouseCoopers (hierna: PwC) heeft in opdracht van Netbeheer Nederland een onderzoek gedaan naar de financiële impact voor netbeheerders. In dit onderzoek gaat PwC ervan uit dat netbeheerders meer dan honderd miljard euro gaan investeren in de periode tot 2050. Deze inschatting is mede gebaseerd op de investeringsprognoses van netbeheerders. De prognoses zijn in grote mate gebaseerd op het Klimaatakkoord en houden tevens rekening met de maakbaarheid. Op de lange termijn (na 2030) geeft PwC aan dat de onzekerheid over de omvang van de investeringen toeneemt. PwC verwacht echter niet dat de investeringen na 2030 significant zullen dalen, omdat de energietransitie na 2030 nog niet is afgerond. Ik heb geen aanleiding om aan te nemen dat de schatting van PwC van de omvang van de investeringen te hoog of te laag is. Omdat de schatting betrekking heeft op een periode tot ver in de toekomst is de omvang onzeker.
Hoe hoog zijn de nettarieven voor bedrijven in vergelijking met de nettarieven voor huishoudens? Indien deze tarieven verschillen, kunt u uitleggen waarom?
Netbeheerders mogen niet discrimineren tussen verschillende typen gebruikers. Ze hanteren daarom dezelfde tarieven voor huishoudens en bedrijven. Dit betekent dat een huishouden en een bedrijf hetzelfde tarief betalen als ze een vergelijkbare aansluiting op een vergelijkbare manier gebruiken.
Sommige bedrijven maken veel meer gebruik van het elektriciteitsnet dan andere bedrijven. In welke mate het elektriciteitsnet gebruikt wordt is van invloed op de hoogte van het nettarief. Een bedrijf dat het elektriciteitsnet zwaarder belast moet in beginsel ook een hoger nettarief betalen. Het is daarom niet mogelijk om een algemene vergelijking te geven van het nettarief van een bedrijf in vergelijking tot het nettarief van een gemiddeld huishouden.
Een eerlijke verdeling van de netkosten tussen verschillende groepen afnemers wordt gerealiseerd door een aantal randvoorwaarden aan te houden die gelden voor de nettarieven: de tarieven mogen niet discrimineren, moeten transparant zijn en moeten de werkelijke kosten weerspiegelen. Door deze randvoorwaarden toe te passen ligt het voor de hand dat (groepen van) afnemers die meer kosten veroorzaken in het elektriciteitsnet ook een tarief betalen dat aansluit bij deze veroorzaakte netkosten.
Het is niet mogelijk om per afnemer exact vast te stellen hoeveel netkosten er worden veroorzaakt. Daarom worden de kosten van het elektriciteitsnet verdeeld aan de hand van verdeelsleutels die met een bepaalde mate van abstractie een verband leggen tussen het gebruik van het elektriciteitsnet, de veronderstelde kosten die met dat gebruik gepaard gaan, en het daaraan gekoppelde nettarief. De Autoriteit Consument en markt (hierna: ACM) heeft de bevoegdheid om deze verdeelsleutels te bepalen. De ACM moet hierbij uitgaan van de eerder genoemde randvoorwaarden.
Deelt u de mening dat een manier om de energietransitie eerlijk voor elkaar te krijgen is dat huishoudens met een laag of middeninkomen er financieel niet op achteruit zouden moeten gaan als zij een gemiddelde hoeveelheid energie verbruiken, en dat dit bijvoorbeeld kan door de heffingskorting in de energiebelasting te verhogen?
Er is terecht veel aandacht voor de betaalbaarheid van de energietransitie. De energietransitie moet haalbaar en betaalbaar blijven. Begin van het jaar verwachtte het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) een daling van de energierekening in 2021 voor een huishouden met een gemiddeld verbruik ten opzichte van vorig jaar, met name door lagere leveringstarieven. Dit was op basis van de prijzen in januari 2021. Deze prijzen fluctueren door het jaar heen. In het voorjaar van volgend jaar zal het CBS komen met een update van het beeld voor de korte termijn. Op de lange termijn, richting 2030, verwacht het PBL een beperkte stijging van de energierekening voor een huishouden met een gemiddeld verbruik.
De energierekening bestaat naast belastingen op energie en de nettarieven ook uit commerciële prijzen voor gas en elektriciteit. Hier heeft het kabinet geen invloed op. Het kabinet stuurt daarom niet op de ontwikkeling van de energierekening, maar monitort de ontwikkeling hiervan wel nauwgezet.
Of een huishouden zijn energierekening kan betalen, hangt bovendien niet alleen af van de uitgaven aan energie, maar ook van het besteedbare inkomen en de andere noodzakelijke uitgaven van huishoudens. Het kabinet weegt in de koopkrachtbesluitvorming jaarlijks alle plussen en minnen voor huishoudens, waaronder de energierekening.
Het is mogelijk om de energiebelastingen te verlagen door de heffingskorting in de energiebelasting te verhogen. Bij het Klimaatakkoord is deze heffingskorting reeds sterk gestegen als gevolg van de aanpassing van de lastenverdeling in de ODE naar een derde voor huishoudens en twee derde voor bedrijven. Een nadeel van deze maatregel is echter dat het niet mogelijk is om deze te richten op specifieke groepen vanwege het feit dat een dergelijke verhoging voor alle huishoudens en bedrijven zou gelden.
Bent u bereid de heffingskorting in de energiebelasting te verhogen om het in bovenstaande vraag genoemde te kunnen garanderen? Zo nee, hoe bent u dan voornemens te voorkomen dat kleinverbruikers straks de prijs gaan betalen voor de noodzakelijke transitie van gas naar elektriciteit? En op welke wijze bent u voornemens woonlastenneutraliteit, een van de uitgangspunten van het klimaatakkoord, te realiseren?
Voor het antwoord op uw eerste vraag verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Betaalbaarheid is voor het kabinet een belangrijk uitgangspunt bij de energietransitie. Het is onwenselijk dat de rekening van de transitie alleen bij kleinverbruikers terecht zou komen. De lasten moeten rechtvaardig worden verdeeld. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in het commissiedebat over het Klimaatakkoord Gebouwde Omgeving van 22 april jl. toegezegd dat zij uw Kamer een brief zal sturen over de betaalbaarheid van de energietransitie, waaronder de motie van lid Beckerman over woonlastenneutraliteit.
Vindt u het een gewenste ontwikkeling dat deze investeringen worden verrekend in de energienota? Bent u bereid de grote vervuilers structureel meer te laten betalen dan ze op dit moment doen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bevoegd om de kostenverdeling van de elektriciteitsnetten vast te stellen, deze bevoegdheid ligt bij de ACM. Het is ook voor de ACM niet toegestaan om de kostenverdeling te wijzigen met als primaire doel om voor een specifieke groep aangeslotenen hogere of lagere energielasten te realiseren. Dit zou in strijd zijn met het Europese uitgangspunt dat de nettarieven die gebruikers betalen gebaseerd zijn op de werkelijke kosten die netbeheerders maken voor het aanleggen en beheren van netten. Dit uitgangspunt zorgt er ook voor dat de investeringen in de elektriciteitsnetten moeten worden betrokken bij de nettarieven. De stijging van de nettarieven kan wel beperkt worden door bepaalde netkosten uit de algemene middelen te betalen. Dit is mogelijk voor bijvoorbeeld de kosten voor het verwijderen van gasaansluitingen en de kosten voor het elektriciteitsnet-op-zee. Het is echter aan een volgend kabinet om hier keuzes over te maken. Op 28 april jl. heeft het kabinet het interdepartementaal beleidsonderzoek over de financiering van de energietransitie (Kamerstuk 32 813, nr. 689) aan uw Kamer gezonden. Dit onderzoek gaat nader in op de kosten van de energietransitie en de keuzes die hierin gemaakt kunnen worden.
Het bericht 'Energienota onder druk – Uitbreiding stroomnet kost 102 miljard euro' |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Bas van 't Wout (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van adviesbureau Pricewaterhouse Coopers (PwC), waaruit blijkt dat het elektriciteitsnet de komende 30 jaar voor maar liefst 102 miljard euro uitgebreid moet worden om alle windmolens, zonnepanelen en laadpalen te kunnen aansluiten?1
Ja.
Deelt u de conclusie dat de energietransitie met de dag bizarder wordt?
Nee, die conclusie deel ik niet.
Wat vindt u ervan dat netwerkbedrijven deze investeringen in het elektriciteitsnet «sneller willen kunnen verrekenen in de energienota»? Deelt u de mening dat het krankzinnig is om huishoudens op te laten draaien voor uw onbetaalbare windmolenobsessie en de energieslurpende laadpalen van de D66-Tesla-elite?
Als gevolg van de overgang naar hernieuwbare energie moeten netbeheerders meer investeren in de elektriciteitsnetten. Het is aannemelijk dat netbeheerders hiervoor nieuwe financiering moeten aantrekken. Netbeheerders willen graag dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) besluit om investeringen in het elektriciteitsnet sneller te vergoeden. Op de korte termijn zorgt dit voor hogere inkomsten en op de lange termijn voor lagere inkomsten. Met de extra inkomsten op de korte termijn kunnen netbeheerders een deel van investeringen financieren.
De ACM heeft, als onafhankelijk regulerende toezichthouder, de taak om op basis van de werkelijke kosten van netbeheerders de tarieven vast te stellen. De ACM bepaalt onder andere de jaarlijkse afschrijvingskosten van de elektriciteitsnetten. De ACM is momenteel bezig met een herijking van de methode die gebruikt wordt om de tarieven te berekenen. Bij de publicatie van het ontwerpmethodebesluit heeft de ACM aangegeven op zoek te zijn naar de balans tussen enerzijds de ruimte om te investeren en anderzijds de betaalbaarheid van de energievoorziening op de korte en langere termijn. Het is de bevoegdheid van de ACM om deze afweging te maken.
Door de investeringen in elektriciteitsnetten gaan netbeheerders naar verwachting geleidelijk meer kosten maken. De kosten van netbeheerders (inclusief de kosten voor netverzwaring) worden verdeeld over alle gebruikers. Dit zijn zowel huishoudens als bedrijven. Het is niet ongebruikelijk dat de nettarieven voor huishoudens, net als de nettarieven voor bedrijven, kunnen stijgen als gevolg van de benodigde investeringen in de elektriciteitsnetten. Deze investeringen dragen bij aan de gewenste energietransitie en stellen de afnemers in staat om te verduurzamen. De ontwikkeling van de nettarieven is van diverse factoren afhankelijk (waaronder de marktrente) en is dus onzeker. De studie van PriceWaterhouseCoopers (hierna: PwC) geeft al wel een indicatie van het effect dat deze investeringen op de lange termijn op de nettarieven voor huishoudens gaan hebben. De indicatie van PwC is dat de nettarieven voor huishoudens, gecorrigeerd voor inflatie, in 2050 ongeveer 155 euro hoger zijn als nu. Het gemiddelde nettarief stijgt van 445 euro naar circa 600 euro per jaar. Het nettarief loopt volgens PwC geleidelijk op omdat de nieuwe investeringen steeds meer gaan meewegen in het tarief. Volgens de indicatie van PwC komt de tariefstijging gemiddeld neer op iets meer dan 5 euro per jaar.
Deelt u de mening dat energie een basisbehoefte is en voor ieder huishouden betaalbaar moet zijn? Deelt u dan ook de conclusie dat het te beschamend voor woorden is dat nú al ruim 650.000 huishoudens hun energierekening nauwelijks tot niet meer kunnen betalen en vaak letterlijk in de kou zitten?
Er is terecht veel aandacht voor de betaalbaarheid van de energietransitie. Het kabinet wil dat de transitie voor iedereen haalbaar en betaalbaar is. Als onderdeel van het Klimaatakkoord heeft het kabinet belastingmaatregelen aangekondigd ten gunste van huishoudens. Juist door deze maatregelen profiteren huishoudens met een lager inkomen relatief het meest en, zoals ook aangegeven in de conclusie van het Ecorys-rapport, zal het aantal energiearme huishoudens dan naar verwachting lager uitvallen.
Uit het rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), «Meten met twee maten», uit december 2018 blijkt dat Nederland in Europees perspectief relatief goed scoort op betaalbaarheid van de energierekening voor huishoudens en relatief weinig energiearmoede kent. Ook uit Europese rapportages, zoals het EU Energy Poverty Observatory (EPOV), volgt dat Nederland goed scoort op het terrein van energiearmoede.
Begin van het jaar verwachtte het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een daling van de energierekening in 2021 voor een huishouden met een gemiddeld verbruik ten opzichte van vorig jaar, met name door toedoen van lagere leveringstarieven. Dit was op basis van de prijzen in januari 2021. Deze prijzen fluctueren door het jaar heen. In het voorjaar van volgend jaar zal CBS komen met een update van het beeld voor de korte termijn. Op de lange termijn, richting 2030, verwacht het PBL een beperkte stijging van de energierekening voor een huishouden met een gemiddeld verbruik.
Of een huishouden zijn energierekening kan betalen, hangt niet alleen af van de uitgaven aan energie, maar ook van het besteedbare inkomen en de andere noodzakelijke uitgaven van huishoudens. Het kabinet weegt in de koopkrachtbesluitvorming jaarlijks alle plussen en minnen voor huishoudens, waaronder de energierekening.
Deelt u de conclusie dat de energietransitie huishoudens regelrecht de energiearmoede in jaagt?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat de onbetaalbaarheid van de energietransitie haaks staat op uw herhaaldelijke belofte dat deze «haalbaar en betaalbaar» zou zijn? Bent u bereid uw woorden terug te nemen? Zo nee, hoe lang denkt u uw volksverlakkerij nog vol te kunnen houden?
Nee, die mening deel ik niet. Van een onbetaalbare energietransitie is momenteel geen sprake. Het CBS en het PBL publiceren jaarlijks in het voorjaar een actueel beeld van de energierekening, zo monitort het kabinet de hoogte van de energierekening.
Wanneer zet u uw allesverblindende klimaatoogkleppen af en komt u – eindelijk – tot de onvermijdelijke conclusie dat de energietransitie (1) onzinnig, (2) onmogelijk en (3) onbetaalbaar is?
De gevolgen van de mondiale opwarming zijn nu al zichtbaar en merkbaar. Gletsjers trekken zich terug, de oppervlakte aan zee-ijs rond de noordpool neemt af en weersextremen zoals hittegolven, droogte, overstromingen treden vaker op. In Nederland heeft klimaatverandering geleid tot hogere temperaturen, meer (extreme) neerslag en een stijgende zeespiegel. Zonder klimaatbeleid zullen de kosten van klimaatverandering in Nederland naar verwachting sterk toenemen door effecten als wateroverlast, droogte en hittestress.
Het kabinet heeft daarom in 2019 het Klimaatakkoord gesloten met bedrijven, maatschappelijke organisaties en decentrale overheden om de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs na te streven. Momenteel werkt het kabinet aan de uitvoering hiervan.
Wanneer stopt u met de energietransitie en zorgt u ervoor dat de energierekening substantieel omlaag gaat?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht 'Pulsvisserij blijft verboden, Europees Hof veegt Nederlandse bezwaren van tafel' |
|
Peter Valstar (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pulsvisserij blijft verboden, Europees Hof veegt Nederlandse bezwaren van tafel»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze uitspraak een nieuwe klap in het gezicht is van de Nederlandse pulsvissers, die de visserij juist hebben verduurzaamd, en dat zij een compensatie uit Europa zouden moeten ontvangen voor de gedane investeringen?
Ik begrijp dat de pulsvissers teleurgesteld zijn in de uitspraak van het Europese Hof. Gezien de uitspraak van het Hof, waarin geoordeeld is dat het pulsverbod in stand moet blijven, acht ik de mogelijkheid van compensatie uit Europa niet reëel. Het Hof heeft immers gesteld dat het verbod rechtmatig is.
Legt u zich neer bij deze uitspraak of biedt de uitspraak mogelijkheden om de pulsvisserij dusdanig aan te passen dat er nog een toekomst is voor deze sector?
Zoals aangegeven in mijn eerdere brief aan uw Kamer (Kamerstuk 29 675, nr. 115) handhaaft het Hof het pulsverbod. Dit betekent dat er geen mogelijkheden zijn om met deze techniek, die gebaseerd is op elektriciteit, te vissen.
Zijn er mogelijkheden om de uitspraak aan te vechten? Zo ja, welke vervolgstappen gaat u nemen? Zo nee, hoe gaat u de Nederlandse onvrede over de uitspraak uiten op het Europese toneel? Welke Europese bondgenoten heeft u om hierin samen op te trekken?
Nee, het is niet mogelijk tegen deze uitspraak in beroep te gaan. Wel zal Nederland bij de voortgangsrapportage komende zomer over de Verordening Technische Maatregelen, waar het pulsverbod onderdeel van is, blijven pleiten voor deze methode van visserij. De verwachting is dat er geen lidstaten bereid zullen zijn om de discussie over pulsvisserij de komende periode te heropenen.
Ziet u mogelijkheden om de gestelde termijn van 1 juli 2021 te verlengen om de ruim 40 Nederlandse pulsvissers ademruimte te geven om eventueel over te stappen op andere vormen?
Nee. Op dit moment zijn er nog 22 pulsvissers actief, waarvan er nooit meer dan 15 tegelijkertijd met puls mogen vissen (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1242). De overgangstermijn, die tot 1 juli 2021 loopt, is wettelijk vastgelegd in de Verordening Technische Maatregelen. Dat betekent dat deze vissers niet meer met puls mogen vissen met ingang van 1 juli 2021. Er is geen mogelijkheid om deze datum te veranderen.
Wat is de geschatte schade voor de sector nu er een definitief einde lijkt te komen aan pulsvissen?
De verwachting is dat, gezien de ervaringen van de pulsvissers die in 2019 en 2020 reeds moesten stoppen, andere visserijmethodes minder opleveren dan pulsvisserij.
Worden de Nederlandse pulsvissers gecompenseerd voor de schade die zij lijden door deze uitspraak? Ziet u mogelijkheden om dit uit Europese gelden te financieren?
Zie antwoord vraag 6.
Wat betekent de uitspraak voor de duurzame visvangst binnen de Europese Unie? Deelt u de mening dat de uitspraak een dolksteek is voor de duurzame visvangst en innovatie frustreert in plaats van stimuleert?
Deze uitspraak heeft niet direct gevolgen voor het visserijbeleid van de Europese Unie. Pulsvisserij is een van de vele visserijmethodes die de Europese Unie kent. Dat deze uitspraak een teleurstelling is voor de pulsvissers begrijp ik. Daarom is het zo belangrijk dat de vissers perspectief geboden wordt. Het pulsverbod is immers een van de vele uitdagingen die deze sector kent. Het stimuleren en versnellen van innovaties is één van de speerpunten uit de kottervisie. Hiervoor zal ik de middelen uit het Noordzeeakkoord inzetten. Daarbij zijn verschillende partijen binnen de sector al bezig met het ontwikkelen en testen van alternatieve tongtuigen. Die ontwikkelingen steun ik van harte.
Wat gaat u doen om de ontwikkeling van innovatieve technologieën als pulsvisserij aantrekkelijk te houden?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht 'Hoe vrouwen vergeten werden in het Covid-19-onderzoek' |
|
Jan Paternotte (D66), Jeanet van der Laan (D66) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe vrouwen vergeten werden in het Covid-19-onderzoek»?1
Ja.
Deelt u de stelling van onderzoeker Ghossein-Doha, dat je er wetenschappelijk niet omheen kunt de interactie tussen geslacht en Covid-19 te onderzoeken, ook als het gaat om behandelmethodes en medicatie?
Ja.
Bent u bereid met andere lidstaten op te trekken om Europees het belang te adresseren dat verschillen in werking en bijwerking tussen sekse worden meegenomen in lopende en toekomstige studies naar medicatie en behandelmethoden voor Covid-19?
Waar opportuun zal vanuit Nederland het belang worden onderstreept dat bij onderzoek relevante kenmerken van diversiteit, waaronder sekse, worden meegenomen.
Zo zijn de resultaten uit de projecten van het ZonMw programma Gender en Gezondheid zowel nationaal als internationaal gepubliceerd en gepresenteerd. Ook zijn de resultaten en aanbevelingen uit de review van het CBG naar de sekseverdeling bij geneesmiddelenonderzoek gepubliceerd en gedeeld in het Europese netwerk, waaronder ook het wetenschappelijk comité Scientific Advice Working Party (SAWP) waar plannen voor geneesmiddelontwikkeling worden afgestemd. De resultaten geven niet direct aanleiding om de regulatoire richtlijnen met betrekking tot de ontwikkeling van geneesmiddelen aan te passen. Het blijft wel de aandacht van het CBG houden, ook in wetenschappelijk adviezen over geneesmiddelenontwikkeling. Het CBG ziet erop toe dat in publiek toegankelijke informatie voldoende aandacht wordt besteed aan de aanwezige gegevens over man/vrouw vertegenwoordiging en het eventuele verschil in effecten.
Hoe beoordeelt u in het licht van deze berichtgeving de noodzaak van het voorzetten van het programma «Gender en Gezondheid»?2
Het laatste deel van het programma loopt momenteel nog. In de lopende fase van het programma Gender en Gezondheid voeren de partijen activiteiten uit die moeten gaan bevorderen dat gender structureel onderdeel zal zijn van de ontwikkeling en herziening van kennisagenda’s en richtlijnen; in communicatie en ontsluiting richting patiënten en in bewustwording en duurzaam draagvlak bij relevante besturen en financiers. Tijdens de laatste begrotingsbehandeling is een amendement ingediend om voor 2021 3 miljoen euro beschikbaar te stellen voor onderzoek naar gender en gezondheid. VWS is op dit moment in gesprek met het ministerie OCW (die destijds opdrachtgever was van de kennisagenda gender en gezondheid) over de inzet van deze middelen.
Aandacht voor diversiteit krijgt een sterkere plek in het schrijven en uitvoeren van ZonMw-programma’s en in een nieuw online aanvraagsysteem zal bij projectleiders standaard gevraagd worden naar aandacht voor diversiteit bij aanvragen en bij tussentijdse en eindrapportages over lopende projecten. Zo is ook bij alle onderzoeken naar zorg en behandeling (inclusief geneesmiddelen) in het ZonMw COVID-19 programma, gevraagd om aandacht te besteden aan diversiteit.
Hoe gaat u zich er de komende periode voor inzetten dat de bevindingen uit het programma «Gender en Gezondheid» zowel nationaal als internationaal worden opgepakt?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is de uitkomst geweest van het delen van het onderzoek van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) met het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) over verschillen in geneesmiddeleffecten tussen vrouwen en mannen, zoals toegezegd in de beantwoording van vragen van het lid Bergkamp?3
Zie antwoord vraag 3.
Het gebruik van commerciële bijlesbureaus en examentrainingen om corona-achterstanden in te halen |
|
Peter Kwint , Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u in beeld hoeveel scholen het geld dat zij het afgelopen jaar hebben gehad om corona-achterstanden in te halen, besteed hebben aan commerciële bijlesbureaus of commerciële examentrainingen? Bent u van plan dit bij te houden voor het Nationaal Programma Onderwijs?
Het type programma’s dat scholen in het kader van de subsidieregeling Inhaal- en Ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021 hebben georganiseerd om coronavertragingen in te halen heb ik in beeld. Ook weet ik met welk soort partners de scholen hebben samengewerkt in het organiseren van deze programma’s. Er is geen verplichting voor solen om gedetailleerd over hun uitgaven te communiceren.
Voor het Nationaal Programma Onderwijs moeten scholen aangeven in de verantwoording aan welke interventies zij de middelen hebben besteed en of de medezeggenschapsraad instemt met het schoolprogramma waar deze interventies in zijn opgenomen. Binnen een maand zullen wij uw Kamer een brief sturen over de nadere uitwerking van het Nationaal Programma Onderwijs.
Wat vindt u ervan dat studenten van bijles-instituten ingezet worden voor de klas om examentraining te geven aan leerlingen, in plaats van de aanwezige bevoegde docenten, en dat dit gebeurt met het geld dat bedoeld is om corona-achterstanden in te halen?1
De regie voor de aanpak van de leervertragingen van leerlingen ligt bij de school. Het is aan scholen en leraren zelf om te bepalen hoe het geld het beste kan worden ingezet voor de afgesproken doelen. Scholen hebben de vrijheid om de middelen in te zetten voor bewezen effectieve interventies.
Aanvullende middelen die scholen in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs ontvangen mogen alleen worden ingezet voor de inhuur van derden indien de medezeggenschap hiermee instemt, de medezeggenschapsraad moet immers akkoord gaan met het schoolprogramma dat scholen opstellen. De organisatie en uitvoering van interventies mág (deels) worden uitbesteed aan derden, zoals (commerciële) huiswerkbegeleidingsdiensten, lerarenopleidingen, sportverenigingen, bibliotheken of culturele instellingen, en hier mogen dan ook middelen voor worden ingezet. Dit is ook in lijn met de motie Kwint-Heerema2, die oproept dat o.a. pabostudenten waar nodig betaald kinderen kunnen helpen met thuisonderwijs.
Gezien de hoge werkdruk die de eigen docenten veelal ervaren en de wens hun werkdruk te verlichten kan het zinvol en wenselijk zijn hen zo te «ontzorgen». Hier moet de medezeggenschapsraad dus echter wel mee instemmen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan genoemde motie-Futselaar c.s. die de regering verzoekt bij de verdere uitwerking van het Nationaal Plan Onderwijs extra waarborgen in te bouwen om te voorkomen «dat onderwijsgeld weglekt naar particuliere bureaus».3 Als eigen docenten worden ingezet, kan de aanvullende bekostiging ook worden gebruiken om hen een passende financiële vergoeding te geven voor het (extra) werk dat zij verrichten.
Bent u bekend met commerciële bureaus die meerdaagse trainingen aanbieden waarin geleerd wordt om een projectplan te schrijven voor het Nationaal Programma Onderwijs dat aan de eisen voldoet? Deelt u de mening dat het totaal de omgekeerde wereld en onwenselijk is dat private investeerders op deze manier geld verdienen aan het aanvragen van publiek geld door scholen? Bent u bereid om maatregelen te treffen zodat dit niet gebeurt?
Ik ben daarmee bekend. De regie voor de aanpak van de leervertragingen van leerlingen ligt bij de school, daarvoor ontvangt iedere school extra middelen vanuit het Nationaal Programma Onderwijs. Veel scholen pakken de leervertragingen ook nu al aan. Voor de inzet van de middelen van het Nationaal Programma Onderwijs beschrijven scholen in een schoolprogramma welk pakket aan interventies zij inzetten om de leer- en ontwikkelvertragingen veroorzaakt door de coronacrisis aan te pakken. Dit doen scholen op basis van een analyse van behoeften en problemen bij leerlingen en de school, die zij met de schoolscan hebben gemaakt. Een aanpak kan alleen effectief zijn als die met betrokkenheid van het schoolteam, ouders, leerlingen en relevante partners rond de school tot stand komt. Scholen kunnen met het schoolprogramma aansluiten bij hun reguliere plancyclus voor het nieuwe schooljaar of schoolplan. Om scholen te ondersteunen wordt onder meer een brochure met succesfactoren voor een effectief schoolprogramma ter beschikking gesteld. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat scholen de planvorming in zijn geheel uitbesteden. Ook als derden worden ingezet is het bevoegd gezag verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op de organisatie en uitvoering van de interventie.
Wordt op enige manier toezicht gehouden of gecontroleerd of commerciële bijlessen of examentrainingen effectief zijn? Zo ja, op welke manier?
Scholen moeten kiezen voor bewezen of aannemelijk effectieve interventies uit de menukaart die door OCW beschikbaar wordt gesteld. Bij deze interventies worden ook praktijkkaarten ontwikkeld, waarmee scholen concretere handvatten hebben bij de verschillende interventies. Via de kenniscommunity wordt kennis verspreid over wat bekend is over effectiviteit van interventies in de Nederlandse context. De school en de leraar blijven verantwoordelijk voor de activiteiten uit het onderwijsprogramma. De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs, dat op de scholen onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag wordt verzorgd.
Voorziet u het risico dat door dit over te laten aan een ongereguleerde markt, er veel nieuwe bedrijven zullen worden opgestart die op dit geld zullen springen, zonder dat deze worden gecheckt op effectiviteit?
Scholen mogen de middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs enkel inzetten voor de interventies opgenomen in de menukaart of de randvoorwaarden die nodig zijn om deze interventie effectief in te zetten De school bepaalt op basis van de schoolscan welke interventies uit de menukaart passend zijn voor de situatie van de school. Scholen geven zelf uitvoering aan de bewezen effectieve interventies op de menukaart. Veel interventies sluiten aan bij wat scholen al doen. Het kan bijdragen aan een effectieve aanpak om gerichte externe expertise in te zetten. Hierbij is het van belang dat scholen zorgvuldig te werk gaan en goed nadenken of een externe partij de benodigde kwaliteit, ervaring en voldoende gekwalificeerd personeel heeft in relatie tot de interventie. In de menukaart is in hoofdlijnen opgenomen welke voorwaarden voor effectieve toepassing per interventie gelden. In de beschikbare praktijkkaarten en in de kenniscommunity is hierover meer informatie voor scholen beschikbaar.
Wat is er gebeurd met de motie van de leden Westerveld en Kwint waarin de regering wordt gevraagd om met scholen afspraken te maken met het doel dat er geen reclame wordt gemaakt voor private aanbieders van schaduwonderwijs?2 Ziet u met ons dat dit op sommige plaatsen nog steeds gebeurt?
In de verzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs van 22 januari 2021 heb ik aangegeven dat ik in samenspraak met de VO-raad heb besloten de uitvoering van deze moties gefaseerd op te pakken. Door de coronacrisis ligt de prioriteit nu bij het draaiende houden van het onderwijs. Scholen hebben hun handen vol aan de continuïteit van het onderwijs, inhaal- en ondersteuningsprogramma’s en de veiligheid van leerlingen en personeel. Het is nu niet het moment om met scholen het gesprek te voeren over het uitwerken van de moties over aanvullend onderwijs. De komende maanden zal ik gebruiken om – in samenspraak met de VO-raad – een stappenplan op te stellen voor de uitvoering van deze moties na de coronacrisis. Daarbij wil ik ook rekening houden met de uitkomsten van de evaluatie van de subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s (IOP) en het Nationaal Programma Onderwijs. Scholen kunnen mogelijk ondersteuning nodig hebben bij het aanpakken van de opgelopen vertragingen. Het effect hiervan op het gebruik van gratis dan wel betaald aanvullend onderwijs zal ik nader onderzoeken.
Ziet u ook het risico, dat veel van de 8,5 miljard euro in de zakken van commerciële bureaus zal eindigen? Ziet u met ons dat scholen het gewoonweg binnen dit korte tijdbestek niet anders kunnen organiseren door het lerarentekort en de werkdruk?
Ik zie dat scholen in een kort tijdsbestek en in soms zeer complexe situaties veel moeten organiseren. Ik zie ook dat scholen dit oppakken en de leervertragingen van de leerlingen echt aan willen pakken. Ik waardeer dat zeer. Het kan voorkomen dat een school daarbij hulp nodig heeft. Een school kan er dan voor kiezen om, in aanvulling op de samenwerking binnen het scholennetwerk en de gemeente, tijdelijk en doelgericht externe expertise en ondersteuning in te winnen. Deze aanvullende expertise en ondersteuning dienen gericht te zijn op de interventies van de menukaart of de randvoorwaarden (zoals extra handen in de klas) die nodig zijn om deze interventies effectief in te zetten.
Deelt u de mening dat op deze manier het onderwijs weinig structureel baat heeft bij de forse investering in 8,5 miljard euro in het onderwijs en dat dit zeer kwalijk is, zeker in een tijd waarin het onderwijs al voor zeer grote problemen staat? Zou publiek geld niet gewoon in de publieke sector moeten blijven?
De bedoeling is dat het inlopen van de leervertraging zoveel mogelijk binnen de school en in samenwerking met andere partijen binnen het scholennetwerk plaatsvindt, en op basis van bewezen effectieve interventies. Het is belangrijk dat onderwijs wordt gegeven door of onder verantwoordelijkheid van bevoegde docenten. Dat wil echter niet zeggen dat alle activiteiten in het onderwijs moeten worden uitgevoerd door bevoegde docenten. De inzet van externe expertise of van hulp van andere partijen kan een aanvulling zijn als dat bijdraagt aan het versterken van het primaire proces. De baten van deze investering van 8,5 miljard euro zijn onder andere het gebruik maken van bewezen effectieve interventies in het onderwijsproces en het duurzaam borgen van dataverzameling en data-analyse op schoolniveau. Deze baten komen ten goede aan de publieke sector.
Wat is uw reactie op de waarschuwing van de Algemene Rekenkamer dat er een reëel risico is dat de controle en verantwoording over dit publieke geld gaat ontbreken? Deelt u de mening dat deze controle en verantwoording nog verder te zoeken is als het geld vooral naar private bureaus gaat?
De brief van de Algemene Rekenkamer bevat waardevolle aandachtspunten die ik ter harte neem. Scholen verantwoorden zich financieel en bestuurlijk via hun jaarverslag, welke door een externe accountant wordt gecontroleerd en goedgekeurd. Dit jaarverslag is openbaar en staat ter beschikking van zowel het horizontale toezicht, de ouderraad en medezeggenschapsraad, als de onderwijsinspectie die het (financieel) jaarverslag gebruikt voor risicogericht (verticale) toezicht, waarbij de kwaliteit van het onderwijs een belangrijk onderdeel is. Specifiek voor het Nationaal Programma Onderwijs stel ik gerichte vragen aan scholen aan welke interventies de middelen zijn besteed en of de medezeggenschapsraad heeft ingestemd met deze inzet van middelen. Op deze wijze borg ik de controle en verantwoording van de middelen voor het Nationaal Programma Onderwijs.
Waarom is er gekozen om het Nationaal Programma Onderwijs binnen zo’n korte tijdspanne te organiseren en zo’n groot bedrag uit te keren, terwijl ook u heeft geconcludeerd dat de achterstanden die nu worden opgelopen langdurig zullen doorwerken? Waarom is er niet gekozen voor een structureel weldoordacht lange termijnplan waar de 8,5 miljard euro over uitgesmeerd kan worden?
Het is duidelijk dat leerlingen door de coronacrisis vertraging hebben opgelopen. De problemen zijn zo dringend dat scholen nu aan de slag moeten met het maken van een plan om de opgelopen vertragingen de komende jaren aan te pakken. Uw Kamer heeft hiermee ingestemd. Met verschillende onderzoeken houdt de overheid een vinger aan de pols om te zien hoe de opgelopen vertragingen worden ingelopen.
In de nieuwste Staat van het Onderwijs blijkt dat de uitgaven van Nederlandse huishoudens aan bijlessen, examen- en citotrainingen de afgelopen 25 jaar van 26 naar 284 miljoen euro is gestegen en dat één op de drie middelbare scholieren en één op de vier basisschoolleerlingen gebruik maakt van schaduwonderwijs; vindt u deze cijfers ook niet alarmerend? Deelt u de mening dat deze groei kansengelijkheid in het onderwijs tegenwerkt?
De Inspectie heeft een onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van aanvullend onderwijs in het primair onderwijs. Aanvullend onderwijs heeft ook mijn aandacht, daarom heb ik in 2019 een onderzoek laten uitvoeren naar de verschijningsvormen en de motieven voor het gebruik van aanvullend onderwijs in het primair en voortgezet onderwijs. Het is voornamelijk van belang dat leerlingen gelijke kansen krijgen om zich te ontplooien. Het onderzoek van de Inspectie concludeert – overeenkomstig met het onderzoek dat ik liet uitvoeren in 2019 – dat hoger opgeleide ouders meer dan lager opgeleide ouders geneigd zijn om betaalde bijles te regelen voor hun kind. Dit is zorgelijk vanuit kansengelijkheid. Positief is dat het onderzoek ook laat zien dat lager opgeleide ouders meer dan hoger opgeleide ouders geneigd om gratis bijles in te schakelen. Zoals genoemd in het antwoord bij vraag 6 verken ik welke stappen rond aanvullend onderwijs gezet kunnen worden. Het is echter nu niet het moment om daarover met scholen het gesprek aan te gaan. Door de coronacrisis ligt de prioriteit nu bij het draaiende houden van het onderwijs.
Zou u deze vragen zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval voor het eerst volgende debat over corona en funderend onderwijs willen beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘'Gluurapparatuur' in trek door thuiswerken, vakbonden bezorgd’. |
|
Steven van Weyenberg (D66), Lisa van Ginneken (D66) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Gluurapparatuur» in trek door thuiswerken, vakbonden bezorgd»?1
Ja.
Bent u het eens dat de inzet van gluurapparatuur door werkgevers bij werknemers thuis te ver gaat?
Vertrouwen tussen werkgever en werknemer is de basis voor een goede arbeidsrelatie. Het is in sommige gevallen toegestaan om werknemers te controleren, maar hieraan zijn wel strikte voorwaarden gesteld om de privacy van werknemers te waarborgen. Bijvoorbeeld als mensen in toenemende mate thuis of op afstand werken. Zo moet de werkgever goed beargumenteren waarom het noodzakelijk is om werknemers te controleren. De werkgever moet ook beargumenteren waarom het bedrijfsbelang zwaarder weegt dan het belang van de werknemer, namelijk het recht op privacy. Ook dient de werkgever de werknemer vooraf te informeren dat er gecontroleerd kan worden. Daarnaast heeft een ondernemingsraad (OR) op grond van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) instemmingsrecht ten aanzien van voorgenomen besluiten van de ondernemer inzake regelingen betreffende personeelsvolgsystemen en omtrent het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van de personen die in de onderneming werkzaam zijn.
De belangrijkste voorwaarden voor de controle op werknemers zijn vastgelegd in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet AVG (UAVG). Op de website van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is een overzicht van en toelichting op alle voorwaarden te vinden.2
Het maakt niet uit of het werk thuis of op de werkplek plaatsvindt. De regels voor controle van werknemers zijn in beide gevallen gelijk. De werkgever mag de werknemer dus niet opeens intensiever monitoren omdat het werk vanuit huis wordt uitgevoerd.
Aan welke waarborgen moet toezicht op de werkplek thuis voldoen?
Zie het antwoord op vraag twee.
Constaterende dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) eerder aanbevelingen voor privacy bij digitaal thuisonderwijs heeft gepubliceerd, bent u bereid de AP te verzoeken om soortgelijke aanbevelingen op te stellen met betrekking tot thuiswerken en privacy?
Op dit moment zie ik geen aanleiding om de AP te verzoeken om aanvullende informatie over thuiswerken en privacy te publiceren. Op de website van het AP3 staat uitgebreide informatie over de voorwaarden die gelden voor het controleren van werknemers. Zoals aangegeven maakt het niet uit of het werk thuis of op de werkplek plaatsvindt. De regels voor controle van werknemers zijn in beide gevallen gelijk. Tot slot dient te worden opgemerkt dat de AP uiteraard zelf gaat over het inrichten van zijn toezicht en daarbij eigen keuzes en afwegingen maakt.
Op welke manier hebben vakbonden of de ondernemingsraden een rol in het vaststellen van beleid op toezicht bij thuiswerken?
Zoals aangegeven heeft de OR op grond van de WOR instemmingsrecht ten aanzien van voorgenomen besluiten van de ondernemer tot vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling inzake voorzieningen die gericht zijn op of geschikt zijn voor waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van de in de onderneming werkzame personen. Besluiten omtrent de vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling omtrent personeelscontrole- of personeelsvolgsystemen, zoals monitoringssoftware, dienen dus vooraf aan de OR te worden voorgelegd ter instemming. De OR heeft ook instemmingsrecht ten aanzien van een regeling omtrent het verwerken van en de bescherming van de persoonsgegevens van de in de onderneming werkzame personen. Daarnaast heeft de OR adviesrecht ten aanzien van een voorgenomen besluit tot invoering of wijziging van een belangrijke technologische voorziening.
Werknemersorganisaties zouden het onderwerp toezicht bij thuiswerken mee kunnen nemen in het cao-overleg met werkgevers(organisaties). Het is echter aan werkgevers en werknemers om afspraken te maken over arbeidsvoorwaarden en een cao af te sluiten. Zij bepalen dan ook welke onderwerpen zij in dat kader willen bespreken.
Welke rechten hebben werknemers wanneer zij thuiswerken en hun werkgever wil controleren of zij wel of niet aan het werk zijn? Verschilt dat van de situatie dat iemand op kantoor werkt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag twee maakt het niet uit of het werk thuis of op de werkplek plaatsvindt. De regels voor controle van werknemers zijn in beide gevallen hetzelfde. De werkgever mag de werknemer dus niet opeens intensiever monitoren omdat het werk vanuit huis wordt uitgevoerd.
Wanneer is er sprake van een privacy-schending en in welke gevallen is het raadzaam dat mensen de overtreding melden bij de AP?
In het antwoord op vraag twee ben ik ingegaan op de voorwaarden die gelden voor de controle op werknemers. Als een werknemer vermoedt dat deze voorwaarden worden overtreden dan kan hij hierover eerst in gesprek gaan met zijn werkgever. Ook kan hij hiervoor terecht bij de ondernemingsraad of de vertrouwenspersoon, indien aanwezig. Ook kan er een melding worden gedaan bij de AP. Op de website van de AP staat informatie over het melden van een klacht.4 In het uiterste geval heeft de werkgever of de werknemer de mogelijkheid om naar de kantonrechter te stappen als binnen de arbeidsrelatie geen overeenstemming bereikt kan worden over de mate waarin of de wijze waarop het controleren van de werknemer door de werkgever plaatsvindt.5
Welke rol heeft de Inspectie SZW bij het toezicht op thuiswerken door werkgevers, bijvoorbeeld in het kader van recht op een veilige werkplek?
De werkgever is verantwoordelijk voor het bieden van een gezonde en veilige werkplek. Het laten thuiswerken kan één van de maatregelen zijn, waarmee de werkgever de werkplek veiliger kan maken. Ook in de thuiswerksituatie moet de werkgever werknemers zoveel mogelijk beschermen. De werkgever is verplicht een actuele risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) te hebben waar onder andere rekening wordt gehouden met alle risico’s die er in verband met het werk, en dus ook met thuiswerken, aan de orde zouden kunnen zijn. De RI&E vormt daarmee een ingang voor de Inspectie SZW om te controleren of werkgevers de risico’s in verband met thuiswerken onderkennen en vervolgens maatregelen treffen. Het toezicht op de thuiswerkplek richt zich voor de Inspectie SZW op het controleren van het beleid van de werkgever ten aanzien van thuiswerken.
Met betrekking tot de monitoringsoftware biedt de Arbeidsomstandighedenwet geen grondslag voor de Inspectie SZW om toezicht te houden op dergelijke controlemechanismen. De gegevens die worden verzameld door de toepassing van monitoringsoftware kunnen direct worden gelinkt aan individuele medewerkers. Om deze reden zijn deze gegevens te beschouwen als persoonsgegevens in de zin van de AVG. Het onrechtmatig en disproportioneel verwerken van persoonsgegevens is een overtreding van de AVG. Het toezicht op de naleving van de AVG ligt bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Bent u bereid om in uw gesprekken met sociale partners over criteria voor thuiswerken ook het toezicht & controle op de werkplek thuis te agenderen en te kijken of er tot goede afspraken kan worden gekomen?
Ik voer structureel overleg met de sociale partners over de gevolgen van het langdurig en grootschalig thuiswerken tijdens de corona-pandemie. Het is goed dat de vakbonden met de signalen die zij ontvangen het gesprek aangaan met werkgevers. Thuiswerken zal waarschijnlijk ook na de coronacrisis in veel sectoren een rol blijven spelen. Het is dus verstandig dat werkgevers en werknemers alvast in gesprek gaan over de mogelijke gevolgen hiervan. Om werkgevers en werknemers hierbij te ondersteunen heeft het demissionaire kabinet eind maart jl. de SER om een breed advies gevraagd over de toekomst van hybride werken. Met hybride werken wordt de combinatie van thuiswerken en werken op locatie (bijvoorbeeld op kantoor) bedoeld. Met het advies van de SER in de hand kan het nieuwe kabinet een Agenda voor de toekomst van hybride werken vormgeven. Het doel van deze agenda is dat de samenleving, werkgevers, werknemers, het kabinet en andere relevante partijen beter kunnen anticiperen op de ontwikkelingen rond hybride werken na de coronacrisis.
Het nieuwsbericht ‘'Gluurapparatuur' in trek door thuiswerken, vakbonden bezorgd’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht ««Gluurapparatuur» in trek door thuiswerken, vakbonden bezorgd»?1
Ja.
Deelt u de zorgen van de vakbonden FNV en CNV over de toegenomen controle van werknemers nu zij (verplicht) thuis moeten werken? Zo nee, waarom niet?
Vertrouwen tussen werkgever en werknemer is de basis voor een goede arbeidsrelatie. Het is in sommige gevallen toegestaan om werknemers te controleren, maar hieraan zijn wel strikte voorwaarden gesteld om de privacy van werknemers te waarborgen. Bijvoorbeeld als mensen in toenemende mate thuis of op afstand werken.
Zo moet de werkgever goed beargumenteren waarom het noodzakelijk is om werknemers te controleren. De werkgever moet ook beargumenteren waarom het bedrijfsbelang zwaarder weegt dan het belang van de werknemer, namelijk het recht op privacy. Ook dient de werkgever de werknemer vooraf te informeren dat er gecontroleerd kan worden. Daarnaast heeft een ondernemingsraad (OR) op grond van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) instemmingsrecht ten aanzien van voorgenomen besluiten van de ondernemer inzake regelingen betreffende personeelsvolgsystemen en omtrent het verwerken en de bescherming van persoonsgegevens van de personen die in de onderneming werkzaam zijn.
De belangrijkste voorwaarden voor de controle op werknemers zijn vastgelegd in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet AVG (UAVG). Op de website van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is een overzicht van en toelichting op alle voorwaarden te vinden.2
Het maakt niet uit of het werk thuis of op de werkplek plaatsvindt. De regels voor controle van werknemers zijn in beide gevallen gelijk. De werkgever mag de werknemer dus niet opeens intensiever monitoren omdat het werk vanuit huis wordt uitgevoerd.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat de burger, bovenop de mobiliteitsbeperkende coronamaatregelen, ook thuis privacy en autonomie kwijtraakt? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk dat werknemers en werkgevers het gesprek aangaan over de gevolgen van de coronamaatregelen voor het werk. Vertrouwen tussen werkgever en werknemer is de basis voor een goede arbeidsrelatie. Zoals hiervoor aangegeven is het in sommige gevallen toegestaan om werknemers te controleren, maar hieraan zijn wel strikte voorwaarden gesteld om de privacy van werknemers te waarborgen. De werkgever moet voldoen aan diverse voorwaarden voor het controleren van zijn werknemers (zie het antwoord op vraag twee). Daarnaast is het belangrijk om aandacht te hebben voor het gebruik en de uitwerking van de controlesystemen en hoe werknemers dit ervaren.
Verwacht u dat thuiswerken ook na Corona in grote mate blijft bestaan? Zo nee, waarom niet?
Voorlopig is het dringende advies van de overheid om thuis te blijven werken waar dat kan, om het aantal contacten en of verplaatsingen te beperken en op deze manier het coronavirus eronder te krijgen. Maar er komt een moment dat we weer een keuze hebben om (deels) op de werkplek te gaan werken. Het is onzeker hoe werkgevers en werknemers na de coronacrisis invulling gaan geven aan hybride werken. Er zitten namelijk voor- en nadelen aan hybride werken. Verschillende onderzoeken3 lijken er wel op te wijzen dat werknemers die hun werk thuis goed kunnen doen, in de toekomst één tot drie dagen per week thuis willen werken.
Het is goed dat de vakbonden met de signalen die zij ontvangen alvast het gesprek aangaan met werkgevers. over de mogelijke gevolgen hiervan. Om werkgevers en werknemers hierbij te ondersteunen heeft het demissionaire kabinet eind maart jl. de SER om een breed advies gevraagd over de toekomst van hybride werken.4 Met hybride werken wordt de combinatie van thuiswerken en werken op locatie (bijvoorbeeld op kantoor) bedoeld. Met het advies van de SER in de hand kan het nieuwe kabinet een Agenda voor de toekomst van hybride werken vormgeven. Het doel van deze agenda is dat de samenleving, werkgevers, werknemers, het kabinet en andere relevante partijen beter kunnen anticiperen op de ontwikkelingen rond hybride werken na de coronacrisis.
Heeft u het risico op meer wantrouwen bij de werkgever als gevolg van meer thuiswerken van de werknemer voorzien? Zo ja, welke maatregelen zijn er genomen om dit risico te ondervangen?
Het vele thuiswerken levert zowel voor werkgevers als werknemers naast kansen ook uitdagingen op. Dat is niet altijd makkelijk. Het is daarom van groot belang dat zij in deze situatie goed met elkaar in gesprek blijven en elkaar vertrouwen. Het dringende advies om zoveel mogelijk thuis te werken was en is van groot belang om het aantal coronabesmettingen te beperken. Thuiswerken beperkt immers het aantal contacten en reisbewegingen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag twee gelden bij thuiswerken dezelfde voorwaarden voor de controle van werknemers als op de werkplek.
Is er al een wettelijk regime over wat wel en niet mag met betrekking tot monitoring van thuiswerkers door werkgevers? Zo nee, moet daar dan niet een wettelijk regime voor ontwikkeld worden?
Ja, er is een wettelijk regime. Zie het antwoord op vraag twee.
Deelt u de mening van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) dat de werkgever eerst de noodzakelijkheid en proportionaliteit moet kunnen onderbouwen, en ook eerst andere mogelijkheden moet hebben verkend voor zij overgaan op monitoring via Spyware? Zo nee, kunt u dit toelichten? Zo ja, gebeurt dit voldoende?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag twee is vertrouwen tussen werkgever en werknemer de basis voor een goede arbeidsrelatie. Het is in sommige gevallen toegestaan om werknemers te controleren, maar hieraan zijn wel strikte voorwaarden gesteld om de privacy van werknemers te waarborgen. Onderdeel van deze voorwaarden is dat de werkgever goed moet beargumenteren waarom het noodzakelijk is om werknemers te controleren. Vaak kan een werkgever ook op een minder ingrijpende manier controleren dan via digitale monitoring. Bijvoorbeeld door afspraken te maken over wat een werknemer moet doen op een dag en hoe de werknemer zich daarover kan verantwoorden. De AP heeft er geen zicht op of het maken van deze afwegingen in de praktijk ook voldoende gebeurt.
Wat gaat u doen om het gebruik verregaande digitale controle door werkgevers te ontmoedigen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag twee is het de werkgever soms toegestaan om zijn werknemers te controleren. Werkgevers moeten zich daarbij houden aan diverse voorwaarden, zodat de privacy van werknemers gewaarborgd is. Het is aan werkgevers en werknemers gezamenlijk om goede afspraken te maken over de eventuele (digitale) controle en daar invulling aan te geven. Daarin heb ik geen rol.
Als een werknemer vermoedt dat de (digitale) controle niet in overeenstemming is met de geldende voorwaarden kan hij hierover eerst in gesprek gaan met zijn werkgever. Ook kan hij hiervoor terecht bij de ondernemingsraad of de vertrouwenspersoon, indien aanwezig. Ook kan er een melding worden gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. In het uiterste geval heeft de werkgever of de werknemer de mogelijkheid om naar de kantonrechter te stappen als binnen de arbeidsrelatie geen overeenstemming bereikt kan worden over de mate waarin of de wijze waarop het controleren van de werknemer door de werkgever plaatsvindt.5
Hoeveel meldingen zijn er bij de AP over controle op thuiswerken gedaan en hoe zijn deze meldingen afgehandeld?
Er zijn in 2020 veertien klachten ontvangen in de periode 1 januari tot en met 1 december. Drie daarvan zijn afgehandeld. Voor één van deze klachten is een gesprek gevoerd met de organisatie om uit te leggen wat de regels zijn. Voor een andere klacht heeft de AP de burger erop gewezen welke stappen hij/zij zelf in eerste instantie kan nemen richting de organisatie om het probleem op te pakken. 11 klachten worden nog door de AP bekeken.
De uitstel van de invoering van het verbod op lachgas en designerdrugs en het bericht ‘Woede om uitstel drugswet: ‘Echt grote onzin’’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Woede om uitstel drugswet: «Echt grote onzin»»?1
Ja.
Hoe schadelijk vindt u lachgas en designerdrugs, zoals 3-methylmethcathinone (3-MMC)? Deelt u de mening dat hier een groot gevaar voor de volksgezondheid vanuit gaat? Is het niet zeer onwenselijk dat deze middelen vrij verkrijgbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening dat deze stoffen schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid en dat het uiterst onwenselijk is dat deze middelen nog steeds eenvoudig verkrijgbaar zijn.
In 2019 heeft de Staatssecretaris van VWS het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) gevraagd een risicobeoordeling voor de stof lachgas als drugs uit te voeren. Dit verzoek werd in het bijzonder ingegeven door het toegenomen aantal meldingen over lachgas intoxicaties bij het Nationaal Vergiftigingen Informatiecentrum (NVIC).2 Uit het informatierapport en de risicobeoordeling van het CAM dat eind 2019 aan uw Kamer is verstuurd blijkt dat het gebruik van lachgas als drug risico’s voor de (volks)gezondheid kent.3 Zoals eerder ook aan uw Kamer gemeld, is het evident dat hoe meer en hoe vaker een gebruiker lachgas als recreatieve drug gebruikt, hoe groter de kans is dat serieuze risico’s intreden.4 Tegelijkertijd is gebleken dat ook beperkt gebruik al risicovol kan zijn en er geen veilige bovengrens voor het gebruik van lachgas als drugs bekend is.5 Onlangs heeft de Staatssecretaris van VWS aan uw Kamer toegelicht dat er doorlopend meer bekend wordt over de schadelijkheid van het gebruik van lachgas als drug en ook over de soms onomkeerbare schade die dit tot gevolg heeft.6
Eén van de adviezen van het CAM was om de brede beschikbaarheid van lachgas tegen te gaan. Met het Lachgasbesluit is beoogd het aanbod van lachgas voor gebruik als drug stevig terug te dringen (zie ook het antwoord onder vraag 13). Een dergelijke aanbod-beperkende maatregel is noodzakelijk en kan niet met dezelfde reikwijdte en beoogde impact op grond van bijvoorbeeld lokale regelgeving getroffen worden.7
Het gebruik van designerdrugs, of nieuwe psychoactieve stoffen (NPS), is in ons land relatief beperkt, vooral in vergelijking met landen om ons heen. In Nederland wordt de voorkeur gegeven aan de bekende drugs zoals ecstasy, speed en cocaïne. Wel worden vanuit Nederland veel NPS naar het buitenland verzonden. Er zijn veel soorten NPS die in beginsel weinig grote gezondheidsrisico’s met zich mee lijken te kunnen brengen. Dat is anders bij designerdrugs die gebaseerd zijn op de chemische basisstructuur van bekende harddrugs, hiervan is de verwachting dat zij vergelijkbare gezondheidsrisico’s met zich meebrengen als de harddrugs die nu al onder de Opiumwet vallen. Voor deze groepen designerdrugs hebben we een wettelijk verbod voorbereid. Over designerdrug 3-MMC, dat tot voor kort nog vrij onbekend was, zijn in de loop van vorig jaar steeds meer zorgwekkende signalen ontstaan. De populariteit van dit middel is gestegen, al staat het niet in verhouding tot de bekende drugs. Inmiddels heeft het CAM ook voor de stof 3-MMC een risicobeoordeling uitgevoerd en geadviseerd om over te gaan tot een separaat verbod op dit middel vanwege de gebleken gezondheidsrisico’s in combinatie met de eenvoudige verkrijgbaarheid. De Staatssecretaris van VWS heeft uw Kamer recentelijk (brief d.d. 27 mei) geïnformeerd dat hij opvolging geeft aan dit advies van het CAM en thans de benodigde regelgeving voorbereidt. De verwachting is dat het verbod op 3-MMC rond eind september kan worden ingevoerd. Dat betekent dat voor dit middel niet wordt gewacht op de voorgenomen wetswijziging met betrekking tot drie stofgroepen NPS.
Maakt u zich zorgen over het gebruik van deze relatief nieuwe drugs onder jongvolwassenen en kinderen? Wat doet u momenteel al om het gebruik van lachgas en designerdrugs te ontmoedigen en jonge mensen ervan te weerhouden deze drugs te gaan gebruiken? Geven de huidige ontwikkelingen u aanleiding om het beleid aan te passen? Waaruit laat u daarbij de urgentie blijken?
Los van een aanbod-beperkende maatregel zoals beoogd met het Lachgasbesluit blijkt uit het CAM-rapport dat voorlichting en preventie over lachgas belangrijk is, zeker voor kwetsbare gebruikersgroepen.8 Ik onderschrijf dit belang te meer ook omdat ondanks dat er steeds meer bekend is over de risico’s en negatieve effecten van het gebruik van lachgas als drug, het middel door een deel van de gebruikers als onschuldig wordt gezien.9
In het najaar van 2020 heeft de Staatssecretaris van VWS uw Kamer geïnformeerd over de specifieke inzet op lachgasvoorlichting en -preventie.10 Deze inzet gaat ook in 2021 onverminderd door. Zo zal het Trimbos-instituut de handreiking over lachgas herzien en onderzoek doen naar het beter bereiken van ouders van jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond die lachgas als drug gebruiken.11 Gelet op de aanhoudende problematiek is er dus specifiek preventiebeleid ontwikkeld voor dit middel en wordt dit nog verder uitgebreid.
Aangezien er sprake is van beperkt gebruik van designerdrugs in Nederland is hierop geen specifiek preventiebeleid ontwikkeld. Vanwege de zorgelijke ontwikkelingen rondom het gebruik van 3-MMC wordt op dit middel wel actief ingezet op voorlichting en preventie. Zo ontwikkelt het Trimbos-instituut een folder over 3-MMC met informatie voor (potentiële) gebruikers en een factsheet voor professionals over hoe om te gaan met 3-MMC problematiek. Beide producten worden dit voorjaar opgeleverd. Ook is het online informatieaanbod over dit middel aangepast en uitgebreid. Hiervan wordt veel gebruik gemaakt door zowel professionals als gebruikers. Tot slot heeft het Trimbos-instituut in opdracht van VWS onderzoek gedaan naar de 3-MMC problematiek in Aalten en adviseren zij deze gemeente, en vervolgens tevens andere gemeenten, hoe zij het preventieaanbod vorm kunnen geven.
Hoe beoordeelt u het handelen van gemeenten die een lokaal verbod op lachgas instellen en de oproep om een landelijk verbod, ook op designerdrugs? Wat is uw reactie op de oproep van burgemeester Haseloop van Oldebroek? Staat u naast deze burgemeester en naast deze gemeenten? Ook als het gaat om de handhaving?
Wij spreken ons begrip uit voor het handelen van gemeenten die, in afwachting van een landelijk verbod, een lokaal verbod op lachgas instellen. Wij begrijpen ook hun oproep om een landelijk verbod. Dat een lokale aanpak voor lachgas onvoldoende slagvaardig is, is één van de redenen waarom wij een wijziging van het Opiumwetbesluit hebben voorbereid.
Wij begrijpen ook dat de opkomst van designerdrugs zoals 3-MMC tot grote zorgen leidt over de schadelijke effecten voor de volksgezondheid, en daarmee ook tot de roep om dergelijke drugs te verbieden, zoals de oproep van burgemeester Haseloop van Oldebroek. Deze zorg heeft voor de Staatssecretaris van VWS aanleiding gevormd het CAM te verzoeken een risicobeoordeling voor 3-MMC uit te voeren. Het CAM heeft geadviseerd om 3-MMC op lijst II bij de Opiumwet te plaatsen. Hierover is uw Kamer geïnformeerd per brief van 27 mei jl.
Kunt u nader toelichten wat de reden is om niet over te gaan tot een wettelijk verbod? Kunt u de betreffende uitvoerings- en handhavingstoetsen delen met de Kamer? Kunt u aangeven welke meerkosten worden verwacht voor handhaving en uitvoering bij invoering van een verbod?
Het ontwerpbesluit om lachgas op lijst II bij de Opiumwet te plaatsen en de wetswijzigingen om via een nieuwe lijst IA enkele stofgroepen NPS onder het bereik van de Opiumwet te plaatsen, zijn inhoudelijk gereed. De vertraging in het overgaan tot een verbod is ontstaan door het gebrek aan financiële dekking voor de uitvoeringskosten van de politie, het Openbaar Ministerie (OM) en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het besluit over beide initiatieven wordt dus overgelaten aan een nieuw kabinet, zoals vermeld in de brief van 31 maart jl. over dit onderwerp.12
Het plaatsen van een stof onder het bereik van de Opiumwet is vaste praktijk. Dit leidt doorgaans niet tot substantieel hogere handhavingskosten. De drugsmarkt is constant in beweging en er verschijnen voortdurend nieuwe drugs. Er zijn middelen waarvan de populariteit afneemt of die in onbruik raken. Ook kan de plaatsing van een stof onder het bereik van de Opiumwet een normerend effect hebben waardoor een daling van het gebruik plaats vindt, zoals onder meer het geval was bij 4-FA.
Bij majeure veranderingen zoals de NPS-wetswijziging is de inzet van extra middelen voor opsporing en handhaving zonder meer gerechtvaardigd. Het gaat hier om nieuw beleid waarbij door een wetswijziging een nieuwe lijst aan de Opiumwet wordt toegevoegd, waardoor in één keer een groot aantal reeds bestaande en toekomstige drugs onder het bereik van de Opiumwet komt te vallen.
In het geval van lachgas is het bestaande beleid toegepast en wordt lachgas als enkele stof onder het bereik van de Opiumwet gebracht. Hoewel deze toevoeging formeel niet tot een extra taak leidt, ontstaan door dit besluit wel enige bijzondere omstandigheden omdat lachgas als eerste gasvormige stof onder het bereik van de Opiumwet wordt geplaatst. Knelpunten als testmogelijkheden, opslag en vervoersaspecten kunnen in beginsel voor alle stoffen gelden die onder het bereik van de Opiumwet vallen. Wel is het zo dat het bijzondere karakter van lachgas als eerste gasvormige substantie onder de Opiumwet bij uitzondering een toevoeging aan de algemene middelen van de politie rechtvaardigt. Hiermee wordt de politie in staat gesteld met betrekking tot gasvormige substanties nu en in de toekomst invulling te geven aan haar bestaande taak.
De impactanalyse van de politie voor het lachgasverbod is een quickscan met een aantal scenario’s, waarvan op voorhand niet eenvoudig in te schatten is welk scenario zich in de praktijk voor zal doen. Deze inschattingen heeft de politie gemaakt op basis van hoe vaak het woord «lachgas» is vermeld bij incidenten die de politie in 2019 heeft geregistreerd. Dat was 19.367 keer. De politie heeft vervolgens ingeschat hoeveel extra capaciteit nodig zou zijn om die incidenten af te handelen in de nieuwe situatie, waarbij lachgas op lijst II van de Opiumwet staat en dus anders moet worden gehandhaafd dan nu. Het incidentele geld is voor de aanschaf van extra apparatuur voor het testen van stoffen en initiële instructie. De structurele kosten zijn in verband met een hogere werklast bij het behandelen en afhandelen van meldingen, het testen van stoffen, instructie & opleiden, en het vervoer en de opslag van stoffen omdat lachgas een gevaarlijke stof is.
De verwachte meerkosten van de politie zijn € 33.000 incidenteel, en tussen € 9,8 mln. (laag scenario) en € 24,4 mln. (hoog scenario) aan structurele kosten. De andere geconsulteerde organisaties hebben aangegeven nu geen meerkosten te verwachten.
De handhavings- en uitvoeringskosten van het geconsulteerde wetsvoorstel dat strekt tot opname van een nieuwe lijst bij de Opiumwet met NPS-stofgroepen zijn geraamd op € 1,5 miljoen incidenteel en tussen de € 4,1 miljoen en € 4,7 miljoen structureel. De structurele kosten bestaan uit verwachte meerkosten voor politie (€ 2,8 miljoen), OM (tussen de € 1,1 miljoen en € 1,7 miljoen) en NFI (oplopend tot maximaal € 210.000).
Is de plaatselijke inzet van politie niet een zaak van de veiligheidsregio? Ziet u verschil tussen de regio’s? Zou men in Oost-Nederland niet een andere afweging kunnen maken dan in bijvoorbeeld Amsterdam? Zou u in het licht van deze overweging het uitstel van een landelijk verbod willen heroverwegen? Zo ja, wanneer bericht u daarover? Zo nee, waarom niet?
De plaatselijke inzet en prioritering van politiecapaciteit is aan de lokale driehoek. We zien daarin uiteraard verschil tussen de eenheden. In de handhavingstoets wordt echter gevraagd om een inschatting voor de politie als geheel, omdat die algemene vraag voorafgaat aan de lokale vraag.
Zoals wij u hebben bericht in de brief van 31 maart jl., is er momenteel geen (financiële) ruimte voor heroverweging. Daarom laten we dit traject over aan een nieuw kabinet.
Wanneer heeft u met de burgemeesters over deze problematiek en de keuze tot uitstel gesproken? Staan de burgemeesters achter uw besluit om nog niet over te gaan tot invoering van het verbod op lachgas en designerdrugs?
Het besluit tot overlaten aan een volgend kabinet is niet genomen op inhoudelijke gronden, maar slechts op financiële. Een gesprek met burgemeesters over deze trajecten had dus ook niet tot een andere uitkomst kunnen leiden.
Een aantal burgemeesters heeft ons per brief laten weten dat de bestrijding van lachgas en designerdrugs, specifiek 3-mmc, niet alleen met lokale instrumenten is aan te pakken en ons gevraagd om voortvarendheid te betrachten met de invoering van het verbod. Daarnaast is het besproken in het Strategisch Beraad Veiligheid van 20 mei jl. Omdat inmiddels het uitstel door het gebrek aan financiële dekking onvermijdelijk was geworden, kunnen wij hen, wat lachgas en designerdrugs betreft, niet anders berichten dan langs dezelfde lijn waarlangs wij uw Kamer hebben bericht op 31 maart jl. en de stand van zaken zoals beschreven in deze beantwoording. Voor wat betreft 3-mmc verwijzen we u naar de brief die is verstuurd over de voorbereiding van de regelgeving naar aanleiding van het advies van het CAM, van 27 mei jl.
Wat zijn de verwachte kosten voor hulpverlening, jeugdzorg en gezondheidszorg wanneer nog niet wordt overgegaan tot invoering van het verbod op korte termijn? Wat is de verwachte maatschappelijke impact, die niet in geld is uit te drukken, zoals de gevolgen voor een vijftienjarige die verslaafd raakt aan 3-MMC en alle risico’s die jongeren lopen? Indien deze kosten nog niet bekend zijn, bent u bereid een impacttoets hiernaar te laten doen en dit af te wegen tegen het geschatte tekort voor de handhaving?
Het is nu niet mogelijk om in beeld te brengen hoeveel mensen voor druggerelateerde problematiek binnen de hulpverlening, jeugdzorg en gezondheidszorg worden behandeld. Dit komt onder meer omdat wij hiervoor afhankelijk zijn van de nationale database voor verslavingszorg LADIS (Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem). Het LADIS is momenteel niet operationeel, omdat deze niet voldoet aan de vereisten van de AVG, waardoor het sinds 2015 niet mogelijk is om data van verslavingszorginstellingen in het systeem te verwerken. De Minister voor Medische Zorg heeft een wetsvoorstel ingediend waarmee de benodigde wettelijke grondslag voor de gegevensverwerking wordt gecreëerd. Dit wetsvoorstel staat nu geagendeerd voor behandeling in uw Kamer. Zodra het wetsvoorstel is aanvaard kunnen de cijfers met terugwerkende kracht vanaf 2015 beschikbaar komen. Bij gebrek aan een totaaloverzicht van de hulpvraag kan er ook geen eenduidig beeld gegeven worden over de kosten gemoeid met de daar aan gekoppelde zorgvraag. Een impacttoets is daarom nu niet opportuun.
Kunt u reageren op het normatieve effect dat uitgaat van uitstel van een wettelijk verbod? Deelt u de mening dat wanneer lachgas niet meer in de winkel mag worden verkocht en bekend is dat een middel als 3-MMC, maar ook andere designerdrugs, een verboden middel is, hier ook een duidelijke normerend en waarschuwend effect van uitgaat? Hoe beoordeelt u het effect op het werk van wijkagenten die nu al inzetten op preventie, maar die het uitstel zien als ondermijnend aan hun boodschap?
De plaatsing van stoffen onder de Opiumwet geeft het signaal dat het om risicovolle producten gaat en kan een normerend effect hebben. In het geval van 4-FA is bijvoorbeeld gebleken dat de waarschuwing over de risico’s van de stof naar aanleiding van ernstige incidenten vermoedelijk een belangrijke factor is in de daling van gebruik sindsdien. Dit is ook af te leiden uit het aantal 4-FA monsters dat destijds werd aangeleverd bij het Drugs Informatie en Monitoring Systeem. De risicobeoordeling van het CAM over 4-FA en het daarop aangekondigde naderende verbod in mei 2017 hebben deze dalende trend vermoedelijk versterkt. Een effect van een verbod kan tweeledig zijn; het kan bijdragen aan de waarschuwing dat een middel echt gevaarlijk is en tegelijkertijd de beschikbaarheid op de drugsmarkt terugdringen. Een dergelijk normerend en waarschuwend effect is ook onderdeel van wat we beogen met het voorgenomen lachgas verbod. Spoedige invoering van het verbod zou bijdragen aan deze doelstelling, met name omdat ondanks berichtgeving over risico’s en negatieve effecten lachgas een middel is dat door een deel van de gebruikers als onschuldig wordt gezien.13 Daar spelen verschillende factoren een rol bij, waaronder het gegeven dat lachgas niet onder de Opiumwet valt en het middel makkelijk verkrijgbaar is. Om redenen hierboven toegelicht is spoedige invoering echter nu niet haalbaar. Een verbod is overigens niet de enige manier om te waarschuwen, het specifieke preventie en voorlichtingsbeleid ontwikkeld op lachgas speelt hier een belangrijke rol (zie vraag 3).
Voor wat betreft wijkagenten continueert vooralsnog de huidige praktijk, waarbij zij zich richten op handhaving en het voorkomen van overlast.
Overweegt u om meer wetgeving ter bestrijding van drugscriminaliteit of ter bevordering van de volksgezondheid te schrappen met het oog op de handhaving, gezien het feit dat er lokaal heel vaak een afweging wordt gemaakt qua handhaving?
Nee. Dat is ook niet wat hier aan de hand is. We laten deze wetgeving over aan een nieuw kabinet gezien het gebrek aan financiering, niet omdat we op inhoudelijke gronden niet bereid zijn om deze in te voeren. Zie hiervoor ook vraag 5 en 6 van deze beantwoording en de brief van 31 maart jl. over dit onderwerp.14
Dat er lokaal een afweging wordt gemaakt in de prioritering, neemt niet weg dat we de impact op de werklast voor de handhavingsorganisaties als geheel betrekken bij de voorbereidingen van de besluitvorming.
Als u toch nog niet bereid bent over te gaan tot een landelijk verbod, hoe kunnen alle ruim 350 gemeenten in Nederland worden geholpen om gebruik van deze middelen verder tegen te gaan? Wat kunnen gemeenten met name doen tegen het gebruik van designerdrugs, omdat dit nog lastiger blijkt aan te pakken in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) dan lachgas?
We zijn absoluut bereid om over te gaan tot een landelijk verbod, maar kunnen dat door gebrek aan financiële dekking nu niet doen. Zie hiervoor ook vraag 5, 6 en 10 van deze beantwoording en de brief van 31 maart jl. over dit onderwerp.15
Ten aanzien van lachgas, hebben gemeenten bij ons aangegeven dat zij kunnen worden geholpen door het ontwikkelen van een feitcode. Het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) werkt op dit moment aan een voorstel. In afwachting van het landelijk verbod, biedt de vernieuwde handreiking over lachgas van het Trimbos-instituut16 gemeenten, handhavers en preventieprofessionals handvatten voor de aanpak van de ervaren lachgasproblematiek. De financiële consequenties voor de politie van het handhaven van een lachgasverbod blijven ook als dat gebeurt op grond van de APV van kracht.
Naast het voorgenomen lachgasverbod zetten de Staatssecretaris van VWS en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in op voorlichting en preventie. In 2021 wordt bestaand preventiemateriaal bijvoorbeeld in het Arabisch vertaald en doet het Trimbos-instituut aanvullend onderzoek naar het beter bereiken van ouders van jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond die lachgas als drugs gebruiken. TeamAlert heeft in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in november 2020 de campagne «Rij ballonvrij» gelanceerd om het lachgasgebruik in het verkeer onder jongeren tegen te gaan. De campagne is online ingezet en heeft mede door de hulp van jongerenwerkers meer dan één miljoen jongeren bereikt. Gemeenten kunnen in samenwerking met TeamAlert deze campagne gepersonaliseerd inzetten en zo extra jongeren in hun gemeente bereiken.
Voor wat betreft gemeenten kunnen doen tegen het gebruik van designerdrugs, verwijzen we u naar het antwoord op vraag 3.
Bent u er mee bekend dat lachgas, bedoeld voor inhalering, nog steeds in winkels wordt verkocht en dat designerdrugs kinderlijk eenvoudig online zijn te bestellen?
Ja.
Wat doet u om ontwikkeling, aanbod en verkoop van deze middelen te voorkomen en in elk geval aan banden te leggen?
Voorop staat dat burgers vrij zijn legale stoffen te ontwikkelen, produceren en verhandelen. Zo kent lachgas verschillende eigenlijke toepassingen, in de zorg, technische industrieën en gastronomie. Deze vrijheid kan worden ingeperkt als er sprake is van een dringend publiek belang. Een dergelijk belang is aanwezig als de stof een risico vormt voor de volksgezondheid. Indien het vermoeden rijst dat een stof met psychoactieve werking tot gezondheidsrisico’s leidt, kan het CAM om een risicobeoordeling worden gevraagd. Op basis van het advies van het CAM wordt vervolgens een beleidsreactie geformuleerd. Op basis van het advies kan het zijn dat een aanbod-beperkende maatregel wordt getroffen en een stof zo nodig wordt toegevoegd aan lijst I of lijst II bij de Opiumwet. Deze vaste procedure is zowel op lachgas als 3-MMC ingezet.
Met het Lachgasbesluit zoals dat in consultatie is geweest, wordt beoogd een extra interventiemogelijkheid te creëren waardoor, ter bescherming van de volksgezondheid, de verkeersveiligheid en de samenleving in het algemeen, een sluitend en daarmee ook doeltreffender kader wordt geboden voor het terugdringen van het aanbod van lachgas voor recreatief gebruik als roesmiddel en de daarmee samenhangende problematiek.
Het NPS-wetsvoorstel zoals dat in consultatie is geweest, beoogt een slagvaardiger aanpak van NPS door stofgroepen te verbieden die sterk verwant zijn aan reeds verboden drugs. Hoewel het huidige kader volstaat om op te treden tegen specifieke stoffen laat de problematiek rondom de ontwikkeling van steeds nieuwe designerdrugs zien dat een aanpak op basis van stofgroep van meerwaarde is.
Wij zien beide voorstellen nog altijd als de juiste stap om beter op te kunnen treden tegen het aanbod van lachgas voor gebruik als drugs en om slagvaardiger op te treden tegen de ontwikkeling van nieuwe typen risicovolle drugs. Ook zijn er voor beide voorstellen geen alternatieve vormen van regelgeving beschikbaar. Met name bij lachgas is ter bevordering van de rechtszekerheid voor burgers en voor bedrijven uitvoerig aandacht besteed aan de scheidslijn tussen wat wel en niet is toegestaan in het licht van de Opiumwet.
Zijn er binnen de huidige wettelijke kaders al mogelijkheden voor het Rijk om iets te doen aan het online aanbod van designerdrugs waarbij verkopers de regels omzeilen door de producten aan te bieden als «research chemicals»? Zo nee, bent u bereid om daar alsnog werk van te maken en op welke termijn?
De verkoop van chemicaliën voor onderzoeksdoeleinden als zodanig is niet verboden. Het aanbieden van chemicaliën zoals NPS voor consumptie kan wel strafbaarheid op grond van de Warenwet opleveren als deze gevaarlijk zijn uit het oogpunt van voedselveiligheid. In de praktijk worden research chemicals daarom doorgaans aangeboden met de waarschuwing dat deze niet voor consumptie geschikt zijn, zodat NPS-handelaren de vereisten van de Warenwet eenvoudig kunnen omzeilen. Tot 2014 konden producenten en handelaren van NPS worden vervolgd op grond van de Geneesmiddelenwet. Een uitspraak dat jaar van het Europees Hof van Justitie heeft deze route afgesneden, doordat het Hof bepaalde dat NPS niet vallen onder het begrip «geneesmiddel» zoals bedoeld in de Europese richtlijn betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik.17 Binnen de bestaande wettelijke kaders zijn er daarom geen mogelijkheden om NPS-handelaren die onder het mom van «research chemicals» actief zijn gericht aan te pakken.
NPS worden niet alleen als «research chemicals» op de markt gebracht, maar ook wel onder andere etiketten, zoals badzout of plantenvoeding. Daarom vormt een aanpak die gericht is op het beperken of reguleren van de verkoop van «research chemicals» geen effectieve oplossing om NPS-handelaren de pas af te snijden. Indien het hun onmogelijk wordt gemaakt NPS onder de noemer «research chemicals» te verkopen zullen zij simpelweg een andere handelsnaam voor hun waren kiezen. Het ontwikkelde NPS-wetsvoorstel strekt ertoe bepaalde stofgroepen te verbieden waarvan op grond van hun sterke chemische verwantschap van reeds verboden middelen kan worden aangenomen dat zij een gevaar voor de volksgezondheid opleveren. Omdat hier de chemische eigenschappen van de stof bepalend zijn, en niet de benaming waaronder de stof op de markt wordt gebracht, kan een dergelijk verbod niet worden omzeild. Het geconsulteerde wetsvoorstel biedt ook hierom volgens ons nog steeds het beste perspectief op een meer slagvaardige aanpak van designerdrugs.
Zijn er mogelijkheden om verkoop en aanbod van deze middelen enkel voor te behouden aan gecertificeerde partijen of verkoop alleen mogelijk te maken voor rechtspersonen met een nummer bij de Kamer van Koophandel?
De eigenlijke toepassingen van lachgas worden op grond van artikel 3c eerste lid Ow in algemene zin van het opiumwetverbod uit artikel 3 Ow uitgezonderd. Een gesloten systeem van verkoop aan gecertificeerde partijen leidt volgens ons tot een onevenredige lastenverzwaring voor eigenlijke aanbieders. In het voorstel zoals dat voor internetconsultatie heeft opengestaan, wordt gebruik gemaakt van SBI-codes van de Kamer van Koophandel als indicatie om aan te duiden aan welke partijen geleverd mag worden.
In het antwoord op vraag 14 hebben wij aangegeven geen voorstander zijn van een aanpak die zich specifiek richt op één van de handelsnamen waaronder NPS worden verkocht. Een dergelijke aanpak weerhoudt handelaren er niet van NPS onder een andere noemer op de markt te brengen en draagt daarom niet effectief bij aan beperking van de verkrijgbaarheid van NPS. Aan het reguleren van de markt voor chemische producten, door middel van het stellen van voorwaarden aan de verkoop daarvan of door middel van certificering, zijn echter wel nadelen verbonden. Regulering is juridisch ingewikkeld en brengt zowel uitvoeringskosten voor de overheid als een lastenverzwaring voor bedrijven met zich mee. De verwachte geringe effectiviteit van het reguleren van «research chemicals» weegt op voorhand niet tegen deze nadelen op. Daarbij komt dat indien het volgende kabinet besluit het geconsulteerde wetsvoorstel alsnog in procedure te brengen, de toegevoegde waarde van het reguleren van «research chemicals» verder zal afnemen. Zoals reeds vermeld in het antwoord op vraag 13 is er geen sprake van een lacune in de regelgeving en worden zorgwekkende NPS aan een risicobeoordeling onderworpen en zo nodig verboden. Via deze procedure is de aangekondigde plaatsing van 3-MMC op Lijst II bij de Opiumwet tot stand gekomen. In afwachting van een besluit van het volgende kabinet bestaat daarom geen noodzaak al dan niet tijdelijke alternatieven voor het geconsulteerde wetsvoorstel te ontwikkelen.
Overweegt u om ook het tegengaan van drugs toe te voegen aan het Preventieakkoord?
Bij het opstellen van het Nationaal Preventie Akkoord dat in 2018 is gesloten, is gekozen voor focus op drie leefstijlthema’s (roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik) omdat deze drie thema’s verreweg de grootste oorzaak voor ziektelast in Nederland zijn, met 35.000 doden en 9 miljard euro aan zorguitgaven per jaar. De aanpak van drugsproblematiek vergt een eigen aanpak. De vraag of hiervoor gebruik wordt gemaakt van een akkoord, is aan een nieuw kabinet.
Integratiesubsidies in Nederland |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Blik onder de motorkap van de Vlaamse integratiemachine»?1
Ja.
Deelt u de mening dat we in Nederland moeten leren van de situatie bij de buren en dat we moeten voorkomen dat integratiesubsidies die direct dan wel indirect verstrekt worden via platforms of zelforganisaties uiteindelijk het beoogde doel niet bereiken of de integratie zelfs tegenwerken?
Bij het verstrekken van subsidies door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt bij de beoordeling, toekenning en verantwoording van de subsidie zorgvuldig gebruik gemaakt van een set aan maatregelen die mogelijke risico’s onder controle houden. Desondanks kan het risico van misbruik of fraude nooit helemaal worden voorkomen.
Ten aanzien van misbruik van subsidies zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving voor subsidieverstrekking regels opgenomen die misbruik moeten voorkomen. Zo dienen subsidieregelingen op basis van een risicoanalyse te worden geformuleerd en subsidieaanvragen kritisch te worden beoordeeld. Als blijkt uit objectief vooronderzoek dat de risico’s van een subsidieaanvraag te hoog worden ingeschat, is het mogelijk een nadere controle uit te voeren door aanvullende informatie op te vragen, de aanvrager bij de verantwoording intensiever te controleren of de subsidieaanvraag (preventief) te weigeren.
Bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan de screening van subsidieontvangers op verschillende manieren plaatsvinden. Voorafgaand aan het toekennen van de subsidie wordt aan de voorkant gecheckt of de subsidieaanvrager/ontvanger voorkomt in het departementaal misbruikregister. Ook wordt via aanvullende informatie, zoals het opvragen van jaarrekeningen, nagegaan hoe financieel stabiel een organisatie is. In geval van twijfel bij een verantwoording kan een review op de boeken van de organisatie via de auditdienst worden aangevraagd.
Indien ondanks diverse maatregelen aan de voorkant toch vermoedens zijn van misbruik, dan wordt er om een reviewonderzoek gevraagd bij de Auditdienst. Indien misbruik gegrond blijkt, dan wordt het toegekende subsidiebedrag teruggevorderd. Tot slot worden subsidieontvangers die misbruik maken van de toegekende subsidie departementaal geregistreerd. Zo nodig kan een volgende aanvraag van dezelfde ontvanger in de toekomst preventief worden geweigerd. Dit zal van geval tot geval worden bezien.
Kunt u een uitputtend overzicht verstrekken van alle subsidies die in Nederland vanuit de rijksoverheid direct en indirect aan maatschappelijke organisaties worden verstrekt met als doel het bevorderen van de integratie en/of de weerbaarheid van minderheden?
Voor de beantwoording van deze vraag heb ik mij beperkt tot de subsidies die verstrekt zijn door de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In het antwoord op deze vraag zal ik een overzicht geven van de lopende subsidies van deze twee ministeries ten behoeve van integratie en het vergroten van de weerbaarheid.
Hierbij moet worden vermeld dat de financiële uitgaves ten behoeve van integratie en het vergroten van weerbaarheid niet allen te scharen zijn onder de categorie subsidie, dit kan ook via een opdrachtverlening of decentralisatie uitkering.
In een aantal gevallen werkt het ministerie met andere type uitkeringen, namelijk decentralisatie uitkeringen. In het dertigledendebat op 25 mei 2021 van de vaste commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzake anti-islamsentimenten is bijvoorbeeld gesproken over middelen die het ministerie heeft verstrekt aan gemeenten in het kader van het versterken van de kwaliteit van informele scholing.2 Deze middelen zijn verstrekt middels een dergelijke decentralisatie uitkering aan gemeenten. Deze zijn derhalve niet zichtbaar in bijgevoegd overzicht, omdat het om een ander instrument dan subsidies gaat. Het betreft tot op heden pilots in drie gemeenten waarvoor in 2020 een bedrag van € 133.000 is overgeboekt naar het gemeentefonds. In 2021 volgt een tweede tranche van maximaal € 300.000.
COA
Kijkje in de keuken
1/10/20 – 30/9/21
Faciliteren kennismaken kansrijke asielzoekers en Nederlandse arbeidsmark
€ 244.915
COA
Voorinburgering 2020
1/1/20 – 31/12/20
Voor inburgeringstrajecten statushouders in centra
€ 15.020.454
COA
Voorinburgering 2021
1/1/21 – 31/12/21
Voorinburgeringstrajecten statushouders in centra. Instellingssubsidie.
€ 16.686.302
COA
VRIP 2020
1/1/20 – 31/12/20
Vroege integratie en Participatie kansrijke asielzoekers en statushouders. Instellingssubsidie.
€ 3.395.344
COA
VRIP 2021
1/1/21 – 31/12/21
Vroege integratie en participatie kansrijke asielzoekers en statushouders. Instellingssubsidie.
€ 3.516.094
Vluchtelingen Werk Nederland
Steunfunctie 2020
1/1/20 – 31/12/20
Vluchtweb, Helpdesk Integratie, training en opleiding betaalde en vrijwilige hulpverleners. Instellingssubsidie
€ 1.096.950
Vluchtelingen Werk Nederland
Steunfunctie 2021 helpdesk/trainingen
1/1/21 – 31/12/21
Vluchtweb, Helpdesk Integratie, training en opleiding betaalde en vrijwilige hulpverleners. Instellingssubsidie
€ 1.096.950
Verwey Jonker Instituut
KIS 2020
1/1/20 – 31/12/20
Ontwikkeling en beheer Kennisplatform Integratie en Samenleving. Instellingssubsidie
€ 2.770.019
Verwey Jonker Instituut
KIS 2021
1/1/21 – 31/12/21
Ontwikkeling en beheer Kennisplatform Integratie en Samenleving. Instellingssubsidie
€ 2.840.210
St. Nederlands inclusiviteitsmonitor
Opschaling inclusiviteitsmonitor
1/11/20 – 31/12/21
Vormgeving diversiteits- en inclusiebeleids
€ 90.000
St. Blik op Werk
Controle onderwijskwaliteit
1/2/20 – 31/7/21
Interne controle aspirant inburgeringscholen en extra inspectie onderwijskwaliteit
€ 265.590
Visio
Pilot
1/1/20 – 31/12/21
Taaltrainingen voor visueel beperkte inburgeringsplichtigen
€ 229.000
Divosa
Ondersteuning VOI 2020
1/1/20 – 30/4/21
Ondersteuning veranderopgave inburgering
€ 4.541.800
Divosa
Ondersteuning VOI 2021
1/1/21 – 30/4/22
Ondersteuning veranderopgave inburgering
€ 4.447.983
VNG
Ondersteuning gemeenten VOI 2020 – 2021
1/1/20 – 31/12/21
Ondersteuning implementatie inburgering
€ 2.469.159
Vrije Universiteit Amsterdam
Imamopleiding
1/5/21 – 31/5/22
Professionaliseringsprogramma imams in Nederland
€ 194.830
Respect Education Fnd.
N.a.v.amendement Peters en Rog 2020 – 2021
1/1/20 – 31/12/22
Faciliteren Week van Respect en diverse projecten over respect tussen docenten en jongeren op scholen.
€ 1.000.000
GGMD
Pilot inburgering
1/4/21 – 31/12/21
Pilot inburgeringsaanbod voor inburgeraars met een autditieve beperking
€ 49.100
Prins Bernardfonds
Themafonds in het kader VN decennium personen Afrikaanse afkomst
15/12/17 – 15/12/20
Faciliteren van culturele en educatieve projecten inclusiviteit voor personen met oorspronkelijke Afrikaanse afkomst.
€ 300.000
Oranjefonds
Fonds Afrikaanse diaspora in het kader van VN decennium
15/12/17 – 31/12/21
het ondersteunen van maatschappelijke initiatieven die gericht zijn op het duurzaam tot stand brengen van verbinding in de Nederlandse samenleving, door bij te dragen aan bewustwording ten aanzien van anti-zwart racisme en het tegengaan van stereotypering en vooroordelen
€ 300.000
Verwey Jonker Instituut
Leerstoel
1/1/20 – 31/12/21
Leerstoel polarisatie en veerkracht
€ 60.000
Movisie
Alliantie Verandering van Binnenuit. Samenwerking met het Consortium Zelfbeschikking
1/1/2018 – 31/12/2022
Bevorderen lhbti- en gendergelijkheid, en tegengaan gendergerelateerd geweld binnen migranten- en vluchtelingengemeenschappen
€ 2.500.000
Femmes for Freedom
LEF
1/1/2019 – 31/12/2021
Bevorderen zelfbeschikking meisjes en vrouwen met een migratieachtergrond
€ 517.000
Kunt u toelichten welke rol het consortium zelfbeschikking en de alliantie verandering van binnenuit hierbij spelen?
Het Consortium Zelfbeschikking vormt samen met Movisie de alliantie Verandering van Binnenuit. Deze alliantie heeft tot doel het bevorderen van gendergelijkheid en lhbti-acceptatie, en het tegengaan van gender gerelateerd geweld binnen migranten- en vluchtelingengemeenschappen. Het Consortium Zelfbeschikking bestaat uit een aantal vluchtelingen- en migrantenorganisaties die actief zijn op het terrein van gender en seksuele diversiteit. Het gaat om het Inspraakorgaan Turken (IOT), Stichting Kezban, Federatie van Somalische associaties in Nederland (FSAN), Samenwerkingsverband Marokkaanse Nederlanders (SMN), Stichting Landelijke Werkgroep Mudawwanah, HTIB (Turkse arbeidersvereniging in Nederland) en Vluchtelingen Organisaties Nederland (VON).
Welk organisaties zijn betrokken bij het consortium zelfbeschikking? Wat is het doel van het consortium? Hoe wordt het consortium gefinancierd? Welke financiële bijdrage levert de overheid aan het consortium? Welke subsidies verstrekt het consortium op haar beurt aan welke organisaties?
De alliantie Verandering van Binnenuit is één van de acht allianties die een instellingssubsidie ontvangen vanuit de subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022. Iedere alliantie heeft één penvoerder die verantwoordelijk is en zorg draagt voor verdeling van de middelen onder de alliantiepartners. Hiervoor is voorafgaand aan de toekenning van de subsidie een aanvraag ingediend met een uitgewerkt activiteitenplan voor de jaren 2018 en 2019 en met een verplichting jaarlijks (in oktober van het voorgaande jaar) een activiteitenplan in te dienen voor de jaren 2020, 2021 en 2022. Over de besteding van de middelen wordt jaarlijks verantwoording afgelegd door middel van het indienen van een rapportage die aansluit bij de activiteiten van het afgelopen jaar en een jaarverslag vergezeld van een accountantsverklaring. In totaal ontvangt de alliantie een instellingssubsidie van € 2,5 miljoen over vijf jaar. Dat is gemiddeld € 500.000 per jaar verdeeld over vijf jaar. Dit kunt u terugvinden in het besluit vaststelling subsidieplafonds ex artikel 2.6 Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022.
Bij de alliantie Verandering van Binnenuit is Movisie, als penvoerder, verantwoordelijk voor de verantwoording van de middelen. Het Consortium Zelfbeschikking, vertegenwoordigd door het IOT, is een partner binnen de alliantie. Het Consortium Zelfbeschikking ontvangt via Movisie middelen voor het organiseren van bijeenkomsten voor en door de eigen gemeenschap.
Het Consortium Zelfbeschikking verstrekt geen subsidies.
Heeft de overheid een directe relatie met de organisaties die aangesloten zijn bij het consortium zelfbeschikking en zo ja, welke? Krijgen deze betrokken organisaties direct of indirect subsidie of een anderszins financiële bijdrage van de overheid? Waar staat deze financiering op de rijksbegroting en als deze daar niet staat hoe is deze dan door de Kamer te controleren?
Voor de eerste 2 vragen wordt verwezen naar het antwoord op vraag 5.
De subsidie aan de alliantie verandering van Binnenuit valt onder de subsidieregeling gender- en LHBTI- gelijkheid 2017–2022 en wordt verantwoord op artikel 25 van de begroting van het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap. Op 24 april 2017 is een brief aan de Kamer gezonden over de keuze van de partnerschappen emancipatiebeleid.3 Jaarlijks wordt door middel van een voortgangsrapportage aan de Kamer gerapporteerd over de voortgang van het gehele emancipatiebeleid, waaronder ook de allianties.
Vanuit het Ministerie van VWS ontvangt de Federatie van Somalische Associaties Nederland (FSAN) subsidie voor het verstrekken van informatie, het geven van advies en het ondersteunen van sleutelpersonen. FSAN ontvangt hiervoor een subsidie van € 1.001.113 in de periode 2016–2021. Deze subsidie loopt in augustus 2021 af. De subsidie aan FSAN valt in de begroting onder Artikel 3.1 Subsidies, passende zorg en levensbrede ondersteuning.
Bovenstaande subsidies hebben alleen betrekking op de gemaakte kosten in het kader van de uitvoering van de alliantie Verandering van Binnenuit door het Ministerie van OCW en in het kader van de bestrijding van meisjesbesnijdenis van het Ministerie van VWS. Het valt niet uit te sluiten dat gemeenten of andere overheidslagen ook financiële relaties met deze partijen hebben.
Welke eisen worden gesteld aan de organisaties in het consortium die (mede) gefinancierd worden door de overheid? Welke doelstelling koppelt de overheid aan de financiering? Hoe wordt dit geëvalueerd en kunt u de resultaten van de financiering met de Kamer delen?
De criteria waaraan maatschappelijke organisaties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een instellingssubsidie (deelname aan een alliantie) zijn opgenomen in de subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022. Over de opbrengsten van de allianties wordt jaarlijks gerapporteerd in de voortgangsrapportages emancipatiebeleid. De meest recente is de brief van februari 2021.4
Tevens zal er aan het eind van de looptijd van de allianties een eindevaluatie worden gedaan door de acht allianties. Vorig jaar is bovendien een procesevaluatie uitgevoerd door het Verweij-Jonker Instituut naar de samenwerking met allianties.
Kunt u toelichten waarom het feit dat subsidieverstrekking een eigenstandige bevoegdheid van gemeenten is een belemmering zou zijn om een richtlijn op te stellen samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) aan de hand waarvan gemeenten kunnen beoordelen of een integratiesubsidie wenselijk en doelmatig is, zoals is gevraagd in de aangenomen motie Becker/Segers?2
Een subsidieverstrekking door een gemeente is een bevoegdheid op het niveau van de gemeenten. Het kabinet treedt niet in deze bevoegdheid. Het is aan de gemeenten om te beoordelen of deze subsidies een bijdrage leveren aan de participatie in Nederland. Tevens laat het kabinet de beoordeling of gemeenten behoefte hebben aan een handreiking aan de VNG over.
De beoordeling van subsidieaanvragen vindt primair plaats op basis van de inschatting of de aanvrager voldoet aan de doelstellingen van de subsidieregeling. Vanuit de Taskforce Problematisch gedrag & ongewenste buitenlandse financiering wordt ondersteuning geboden aan gemeenten die geconfronteerd worden met problematisch gedrag in hun gemeente. Deze ondersteuning vindt plaats op basis van voortdurend overleg met een breed palet aan betrokken gemeenten en de VNG op basis van de driesporenaanpak. Het niet verstrekken of stopzetten van gemeentelijke subsidies kan onderdeel uitmaken van de lokale aanpak. De uitoefening van deze bevoegdheid berust bij het college van B&W die hierover verantwoording aflegt aan de gemeenteraad.
Deelt u de mening dat het voor gemeenten niet altijd eenvoudig te beoordelen is of een subsidie gegeven zou moeten worden aan een organisatie die zegt te willen bijdragen aan integratie, bijvoorbeeld omdat er sprake kan zijn van problematisch gedrag? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat het wenselijk is om gemeenten van concrete handvatten te voorzien om dit oordeel beter te kunnen geven? Zo ja, gaat u deze alsnog met de VNG opstellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bekend met uw brief aan de Kamer d.d. 18 januari 2021 (Kamerstuk 35 228, nr. 33) waarin wordt beschreven dat u financieel heeft bijgedragen aan «twee initiatieven vanuit de gemeenschap waarbij een kwaliteitsimpuls wordt gegeven aan informele scholing»? Kunt u toelichten om welke projecten dit gaat en in welk kader deze subsidie beschikbaar was gesteld? Welke doelen hebben de organisaties die werken in dit traject? Zijn er nog andere vergelijkbare trajecten en zo ja, levert de overheid daar een bijdrage aan?
In het eindrapport Verkenning informele scholing hebben de onderzoekers onderstreept dat het van belang is om naast een aanpak gericht op problematisch aanbod, beleid te ontwikkelen dat er op de lange termijn aan bijdraagt dat er geen publiek meer is voor onwenselijke invloeden.6 Eén van hun aanbevelingen betreft het gericht stimuleren van goed aanbod. Ik heb onder andere naar aanleiding van deze aanbeveling de klankbordgroep gemeenten van de Taskforce PG&OBF gevraagd of zij bestaande initiatieven in hun gemeenten kennen die hiervoor in aanmerking komen of die ze zouden willen ontwikkelen.
Er lopen inmiddels drie projecten in drie verschillende gemeenten. Een project heeft als doel het bestaande informele scholingsaanbod van een groep moskeeën te professionaliseren en een sterk pedagogisch didactisch leerklimaat te realiseren met aandacht voor democratisch burgerschap en het leven in het moderne en pluriforme Nederland van nu. De andere twee projecten zijn gericht op het (door)ontwikkelen van een alternatief aanbod.
Het Ministerie van SZW heeft in 2020 een incidentele impuls geboden aan deze drie pilots via een decentralisatie uitkering (zie vraag 3). Het betreft een financiële bijdrage van € 133.000. Eind 2021 volgt een tweede tranche ten behoeve nieuwe initiatieven. Het maximaal beschikbare budget voor die tranche bedraagt € 300.000. Dit zijn middelen afkomstig uit de begroting van de directie Samenleving en Integratie en betreft geen vrijgekomen budget.
Welk bedrag wordt er aan deze projecten gegeven en gaat dit om incidenteel, meerjarig of structureel geld? Waar is dit op de begroting SZW of elders op de begroting opgenomen en waardoor was dit budget vrijgekomen om hieraan een bijdrage te kunnen leveren?
Zie antwoord vraag 11.
Deelt u de mening dat het geen overheidstaak is om financieel mogelijk te maken dat kinderen in het Arabisch leskrijgen over de Islamitische taal en cultuur? Zo ja, waarom wordt dan toch een overheidssubsidie verstrekt om dit mogelijk te maken? Zo nee, hoe draagt dit initiatief volgens u bij aan de bevordering van integratie en weerbaarheid?
Het kabinet heeft al eerder aangekondigd zich in te spannen om mensen en met name jongeren, weerbaar te maken tegen ongewenste (buitenlandse) beïnvloeding en problematisch gedrag.7 Onderdeel van die aanpak is om samen met de wetenschap, gemeenten en gemeenschappen te werken aan de kwaliteit van het informele scholingsaanbod. Goede informele scholing helpt jongeren bij hun (religieuze) identiteitsontwikkeling en scherpt hun burgerschapsvaardigheden.
Omdat op dit moment nog weinig kennis beschikbaar is over wat werkt, heb ik een aantal gemeenten in de gelegenheid gesteld om tijdelijk middels pilots te onderzoeken of het stimuleren van de kwaliteit van het bestaande aanbod of de ontwikkeling van alternatief aanbod bijdraagt aan de weerbaarheid van jongeren. De ervaringen die gemeenten hiermee opdoen zullen te zijner tijd worden verspreid als goede voorbeelden.
Wanneer is bij de genoemde projecten sprake van «een wijze die volgens ouders recht doet aan hun religieuze en maatschappelijke beleving»? Hoe beoordeelt u deze wijze? Hoe wordt er toezicht gehouden op deze lessen om te beoordelen of met de overheidsbijdrage wenselijke doelstellingen worden nagestreefd en behaald als de lessen in het Arabisch zijn?
Het Ministerie van SZW heeft de betreffende gemeenten een financiële bijdrage voor hun projecten toegekend middels een decentralisatie uitkering. Het stellen van voorwaarden door het Rijk bij de toekenning van een decentralisatie uitkering die de beleids- en bestedingsvrijheid van decentrale overheden beperken, is niet toegestaan. Er is derhalve enkel sprake geweest van een doelomschrijving. De gemeenten in kwestie zijn derhalve subsidieverlener en zij hebben afspraken gemaakt met de subsidieontvangers. Het Rijk vormt hierin geen partij.
Kunt u deze vragen één-voor-één en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Nee, dat is helaas niet gelukt.