Het bericht dat laadpalenbedrijf Allego stopt met investeringen in langzame laders. |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat laadpalenbedrijf Allego heeft laten weten niet langer te zullen investeren in langzame publieke laders voor elektrische auto’s in rond de honderd gemeenten waarmee een contract is gesloten1?
Ja.
Deelt u de mening van de marktleider in de laadpalensector dat de opzet van «paal volgt auto» niet meer werkt?
De opzet «paal volgt auto» is een belangrijk uitgangspunt geweest om een rendabele business case voor laadpaalexploitanten te kunnen garanderen. Deze methode werkt nog steeds goed op plekken waar nog geen openbare laadpalen zijn. Maar inmiddels zijn er ook andere methoden die beter passen bij de opschaling van de uitrol van laadinfrastructuur (zie ook vraag 4).
Welke gevolgen kan de strategie van dit bedrijf, en wellicht andere bedrijven die zullen volgen, om zich uitsluitend te gaan richten op het plaatsen en exploiteren van (ultra)snelladers hebben voor de uitrol van laadpalen in Nederland?
Een stijging in het aanbod van snelladers kan op termijn tot gevolg hebben dat er minder behoefte is aan publieke laadpalen. In de huidige markt is voldoende interesse voor het aanbieden van publieke laadpalen. Prijsverschillen en de individuele voorkeur van EV-rijders spelen hierin ook een rol. Uiteindelijk gaat het erom dat in de laadbehoefte van EV-rijders wordt voorzien.
Deelt u de mening dat het tijd is voor een nieuwe plaatsingsstrategie voor laadpalen? Op welke termijn zult u hieraan werken en welke rol ziet u daarbij voor gemeenten?
In de Nationale Agenda Laadinfrastructuur is afgesproken dat steeds meer gebruik gemaakt gaat worden van proactieve plaatsing. Deze nieuwe plaatsingsstrategie is onder andere gebaseerd op het gebruik van bestaande openbare laadpunten. Als het gebruik toeneemt wordt in de directe omgeving een laadpaal bijgeplaatst. Een ander element van deze strategie is om proactief te plaatsen op plekken waar nog geen laadpaal staat maar waar wel op korte termijn een laadvraag verwacht wordt. Daarnaast wordt ook steeds meer gewerkt met plankaarten zodat niet voor iedere nieuwe laadpaal een afzonderlijk traject gestart hoeft te worden. Toepassing van deze methoden zorgt voor een aanzienlijke versnelling van de plaatsing van laadpalen (zie ook vraag 6).
Wat zou volgens u de inzet moeten zijn van een nieuwe plaatsingsstrategie? Op welke wijze zou een nieuwe strategie bij kunnen dragen aan een versnelling van het plaatsen van voldoende laadpalen?
Zie antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening van deze aanbieder van laadpalen dat het tijd is voor een volgende fase in de uitrol van de laadinfrastructuur en dat daarbij de aanleg van publieke laadpleinen waar meerdere auto’s tegelijk (snel) kunnen laden een goede optie is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat betekent dat voor de huidige plaatsingsstrategie?
Ik zie dat de transitie naar elektrisch rijden steeds sneller plaats vindt. De manier waarop elektrische auto’s geladen worden ontwikkelt zich ook, bijvoorbeeld in de vorm van slimme laadpleinen waarmee op nationaal niveau positieve ervaringen zijn opgedaan. Het Ministerie van I&W werkt samen met zes regionale samenwerkingsverbanden die de inliggende gemeenten ondersteunen bij de plaatsing van laadpalen. Het komend jaar wordt gewerkt aan een vernieuwing van de samenwerkingsovereenkomsten. De plaatsingsstrategie zal hier een onderdeel van zijn.
Zou een slimmere plaatsingsstrategie van laadpalen kunnen leiden tot efficiënter werken van netbeheerders en dus enige verlichting kunnen geven aan het omvangrijke werkpakket?
Ja, en dat gebeurt al door het opstellen van plankaarten waarin geschikte plekken voor toekomstige laadpalen worden aangewezen. Hierdoor hoeft niet voor iedere nieuwe laadpaal een afzonderlijk traject te worden gestart en neemt de doorlooptijd aanzienlijk af. Dit leidt ook tot een efficiëntere inzet van netbeheerders doordat de capaciteitsplanning hierop afgestemd kan worden. Ook het evalueren van wet- en regelgeving rond aansluittermijnen kan leiden tot een efficiënter plaatsingsproces. Ik geef hierover input aan de ACM.
Bent u bereid opnieuw te laten bekijken of de aantallen laadpunten/laadpalen die in het Klimaatakkoord voor 2030 zijn voorzien, nog kloppen?
Hiertoe ben ik bereid. Wel wijs ik erop dat de in het Klimaatakkoord genoemde aantallen geen doelen zijn maar een prognose. Daarbij gaan de technologische ontwikkelingen snel. Elektrische auto’s hebben een steeds grotere actieradius en laadpunten hebben grotere laadvermogens. Dit heeft ook gevolgen voor het aantal benodigde laadpunten en het laadgedrag van de gebruiker.
Het containerverlies van de Marcos V boven de Waddeneilanden. |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Vindt u het ook volstrekt onacceptabel dat er nu alweer containers overboord zij gegaan rond de Waddeneilanden?
Containerverlies op zee is iets wat alle betrokkenen bij het proces van containervervoer proberen te voorkomen, door een zorgvuldige belading, vastzetten van containers en het maken van een goede reisvoorbereiding. De overheid draagt er hard aan bij om het risico op containerverlies zo klein mogelijk te maken, door het nemen van aanvullende maatregelen na het incident met de MSC Zoe. Uw Kamer is daarover in een aantal voortgangsbrieven geïnformeerd1, waaronder op 19 november 2021. Ondanks deze inspanningen is een incident helaas nooit helemaal uit te sluiten.
Hoe staat het met de opsporing van de 26 containers?
De eigenaar van de Marcos V heeft een berger ingeschakeld. Die kon vanwege slechte weersomstandigheden niet eerder dan zaterdag 26 februari starten met de opsporings- en bergingsoperatie. De verloren containers zijn allemaal gezonken. Er moest een groot oppervlakte van de zeebodem worden afgezocht. Rijkswaterstaat houdt toezicht op de operatie. Alle 26 containers van de Marcos V zijn inmiddels aangetroffen. Daarvan zijn er tot nu toe 18 geborgen en aan land gebracht. Het bergen zal nog enkele dagen in beslag nemen.
Betaalt de reder alle kosten die gemaakt moeten worden om de containers op te sporen en te bergen?
Ja. Rijkswaterstaat heeft de geregistreerde eigenaar en de verzekeraar van de Marcos V op grond van de Wet bestrijding maritieme ongevallen verantwoordelijk gesteld voor de berging en opsporing van de verloren containers. De eigenaar heeft daarop een berger ingeschakeld. Zie ook het antwoord op vraag 2. De kosten van het opsporen en bergen van containers komen voor rekening van de eigenaar en de verzekeraar van de Marcos V.
Wat vindt u ervan dat er gevaren wordt boven de Wadden tijdens een uitzonderlijk zware storm als Eunice?
Kapiteins dienen tijdens een storm extra alert te zijn en moeten rekening houden met de risico’s die zulk weer met zich meebrengt. Het betrachten van goed zeemanschap is hier in het bijzonder van toepassing.
Waarom liet de Kustwacht de Marcos V via de Noordelijke route varen, terwijl ook deze route volgens de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) niet veilig is tijdens een storm?
De Marcos V kwam van Duitse wateren en heeft, zoals door de Duitse autoriteiten geadviseerd, de noordelijke route gevaren conform het met de Nederlandse Kustwacht geharmoniseerde advies. Deze route is tijdens een storm voor een schip van deze afmetingen veiliger dan de zuidelijke route, omdat het risico op bodemcontact hier beduidend kleiner is. De Kustwacht kan een schip niet verbieden om op zee te verblijven en kan ook geen dwingende vaarroute opleggen.
Vindt u ook dat de Kustwacht de bevoegdheid moet hebben om tijdens een zware storm in te grijpen als schepen langs de Wadden willen varen?
De Kustwacht speelt een belangrijke rol in het reduceren van het risico op containerverlies. Daartoe waarschuwt en adviseert de Kustwacht containerschepen die tijdens bepaalde weersomstandigheden de routes boven de Waddeneilanden bevaren, door deze aan te bevelen te voorkomen om dwars op de golven te komen en zo nodig de noordelijke route te nemen. Daarnaast is er door Arcadis onderzoek gedaan naar de mogelijkheid voor actievere verkeersbegeleiding van schepen2. Ik heb u het rapport op 19 november 2021 toegestuurd. Ik streef ernaar om u hierover voor het zomerreces nader te informeren.
Bent u het eens dat een containerschip dat vaart tijdens windkracht 10 à 11 met golven van 4,5 meter hoog een concrete en ernstig dreiging van (milieu)schade met zich meebrengt? Zo ja, ben u het dan eens dat er volgens de Wet bestrijding maritieme ongevallen maatregelen getroffen mogen worden in het kader van scheepsveiligheid en de bescherming van het mariene milieu op grond van de interventiebevoegdheid?
Onder bepaalde weersomstandigheden bestaat er een verhoogd risico van containerverlies voor containerschepen die containers aan dek vervoeren. De Kustwacht wijst containerschepen hierop en waarschuwt en adviseert hen. Schepen kunnen vervolgens passende maatregelen nemen om dit risico zoveel mogelijk te beperken. De Marcos V heeft dit advies (van de Duitse autoriteiten) opgevolgd. Ik kan in het kader van de Wet bestrijding maritieme ongevallen (Wbmo) de interventiebevoegdheid toepassen voor een individueel schip dat een ernstige en onmiddellijke dreiging vormt voor het Waddengebied, maar het internationale recht waarop de Wbmo is gebaseerd, verbindt hier strenge voorwaarden aan. Dit moet steeds per situatie worden beoordeeld. Ik kan de interventiebevoegdheid dus niet in generieke zin toepassen, bijvoorbeeld op een bepaalde categorie schepen, of in bepaalde omstandigheden. Het feit op zich dat een containerschip tijdens bepaalde omstandigheden een bepaalde route kiest maakt niet dat er sprake is van een concrete en ernstige dreiging van (milieu)schade.
Vindt u ook dat de Kustwacht in ieder geval moetadviseren om zowel de zuidelijke als noordelijke vaarroute niet te nemen, maar bijvoorbeeld om ergens te ankeren of met lage snelheid «met de kop op de golven» te gaan liggen?
Op basis van onderzoek van MARIN is een advies opgesteld dat door de Kustwacht wordt verstrekt aan containerschepen om het risico van containerverlies zoveel mogelijk te beperken, en waarin onder meer wordt aangeraden om te voorkomen dat het schip dwars op de golven komt. De kapitein blijft altijd verantwoordelijk voor de veilige navigatie van zijn schip, en zal moeten beslissen welke actie onder dergelijke omstandigheden de meest veilige is. Het is belangrijk dat de verantwoordelijkheid zo veel mogelijk daar blijft waar zij thuishoort: bij de kapitein op de brug van het schip. Het is aan de kapitein van een containerschip om te overwegen zowel de noordelijke als de zuidelijke route niet te nemen en te voorkomen dat het schip dwars op de golven komt.
Welke acties heeft u ondernomen om internationale afspraken aan te passen ter bescherming van het Waddengebied? Wat is het resultaat daarvan?
De OvV stelt dat de richtlijnen van de IMO voor PSSA’s (Particularly Sensitive Sea Areas) meer ruimte bieden voor beschermende maatregelen, zoals «adoption of ships» routing and reporting systems». Dat is precies het initiatief dat ik genomen heb om, samen met Duitsland en Denemarken, een voorstel in te dienen bij de IMO voor aanpassing van bestaande, internationaal vastgestelde routeringsmaatregelen boven de Wadden. In dit voorstel wordt de verbinding gelegd met de PSSA-status van de Waddenzee. Door deze aanpassing wordt de kapitein alert gemaakt op het risico op containerverlies boven de Wadden, nog voordat hij door de Kustwacht gewaarschuwd wordt.
In welke mate kunt u de PSSA-status (Particularly Sensitive Sea Area) nog gebruiken om de Waddenzee te beschermen voor containerverlies, zoals de OVV adviseert?
Zie antwoord vraag 9.
Begrijpt u dat veel mensen denken dat de overheid, door containervaart tijdens storm toe te staan en gasboringen onder de Waddenzee te accepteren, economische belangen boven het ecologisch belangen van het Waddengebied stelt?
Ik zou het jammer vinden als die indruk bestaat. Ik werk er hard aan om het risico op containerverlies in de buurt van het Waddengebied zo klein mogelijk te maken.
Wat is uw plan om ervoor te zorgen dat containerverlies in het Waddengebied niet meer voorkomt?
Ik vind het belangrijk om het risico op containerverlies boven de Waddeneilanden te verkleinen. Daartoe voer ik een groot aantal acties uit, zoals onderzoeken en initiatieven in IMO, waarover uw Kamer in een aantal voortgangsbrieven is geïnformeerd3, waaronder op 19 november 2021. Ik streef ernaar om uw Kamer voor het zomerreces een volgende voortgangsbrief te sturen, waarin ik onder meer inga op de mogelijkheden voor het instellen van verkeersbegeleiding van containerschepen boven de Waddeneilanden.
Waarom duurde het bij de vorige storm vele uren voordat een sleepboot werd gemobiliseerd, toen de Julietta D een ander schip en een transformatorstation ramde en op een haar na windmolens en een waterstofstation miste?
Direct nadat het maritieme ongeval van de Julietta D was gemeld heeft de Kustwacht de dichtstbijzijnde noodhulpsleper (Emergency Response Towing Vessel, ERTV) gemobiliseerd. Het zou deze ERTV echter minstens zes uur kosten om in stormcondities de zuidwaarts driftende Julietta D te bereiken. De berger die inmiddels door de eigenaar van de Julietta D was gecontracteerd bleek sneller ter plaatse te kunnen zijn met de sleepboot Sovereign. De ERTV is daarop teruggekeerd naar het noorden om weer inzetbaar te zijn voor eventuele andere incidenten. Omdat de bemanning van de Julietta D was geëvacueerd heeft de berger eerst met een helikopter mensen aan boord moeten brengen om een sleepverbinding met de Sovereign te kunnen maken.
Wat waren de gevolgen geweest als de Julietta D een gasplatform of waterstofstation had geramd?
De gevolgen van een aanvaring zijn op voorhand niet in te schatten, aangezien veel factoren hierbij een rol spelen zoals de windrichting, de windkracht, snelheid van het schip, golfhoogte, aanvaringshoek en dergelijke. Het is echter aannemelijk dat een aanvaring tot aanzienlijke schade aan het schip en het object in kwestie had kunnen leiden.
Wordt de infrastructuur op zee voldoende beschermd tegen (stuurloze) schepen tijdens storm?
Rondom windparken zijn veiligheidszones ingesteld waardoor het in beginsel verboden is voor schepen om zich in die zone te bevinden. In Den Helder en bij Windpark Borssele is er een ERTV gereed om direct naar een incident te varen als het nodig is. Vanaf juli 2022 komt er een derde ERTV bij die gepositioneerd wordt bij de windparken Hollandse Kust. Hiermee zijn er dan in totaal drie ERTV’s beschikbaar voor de Noordzee.
Bent u ermee bekend dat een veel plantaardig(er) dieet een enorm positieve bijdrage kan leveren aan onder andere het dempen van de klimaatverandering, het herstel van de natuur en het voorkomen van nieuwe pandemieën? Ziet u hier -als lid van een kabinet met klimaat- en natuurambities – ook een mooie rol voor zichzelf om met een relatieve kleine aanpassing in het aanbod van voedsel (op uw departement) een voortrekkersrol te nemen?1
Ik ben bekend met de positieve bijdrage die een gebalanceerd voedingspatroon kan leveren aan mens en milieu. In 2021 is een JenV brede2 CO2 voetafdruk opgesteld. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat voedsel en dranken 7% van de CO2 emissie van heel JenV veroorzaakt. De categorie voedsel en dranken staat hiermee op de derde positie in de ranglijst van emissiebronnen. Vastgoed gerelateerde emissies vormen met 44% de grootste categorie, gevolgd door vervoer met 42%. Op grond van de uitkomsten van de CO2 voetafdruk worden momenteel maatregelen vormgegeven om de emissies van JenV terug te dringen.
Onderschrijft u de wetenschappelijke inzichten dat een plantaardig(er) dieet zelfs dubbele klimaatwinst oplevert: niet alleen zorgt een afname van het aantal dieren dat wordt gefokt en gedood voor voedsel voor een forse afname van de uitstoot van broeikasgassen, ook zorgt het ervoor dat er landbouwgrond vrijkomt (die immers niet meer nodig is voor het verbouwen van veevoer) die kan worden teruggeven aan de natuur om zo blijvend veel meer CO2 vast te leggen?2
Het kabinet zet in op een gezond en duurzaam voedingspatroon, gebaseerd op de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum biedt informatie op basis van wetenschappelijke en onafhankelijke inzichten. Onderdeel hiervan is dat een toename van het aandeel plantaardige eiwitten in het voedingspatroon een belangrijke bijdrage kan leveren aan zowel het klimaat, als aan de gezondheid. Daarmee onderschrijft dit kabinet deze wetenschappelijke inzichten.
Bent u bekend met het besluit van de burgemeester van New York om op alle scholen in de stad op vrijdag voortaan plantaardige maaltijden in de kantines aan te bieden (Vegan Fridays)? Deelt u de mening dat ook hier het mes aan meerdere kanten snijdt, namelijk én klimaatwinst én een gevarieerd en gezond menu en een goed voorbeeld voor de scholieren?3
Ja, hier ben ik mee bekend. In Nederland is eten volgens de Schijf van Vijf het uitgangspunt voor een gezond voedingspatroon. Plantaardige maaltijden dragen bij aan klimaatwinst en een gevarieerd en gezond menu. Binnen JenV5 worden bij de verschillende bedrijfsrestaurants en bij de catering voor vergaderingen daarom steeds meer ingezet op plantaardige voeding. JenV volgt de Rijksbrede initiatieven op dit gebied.
Bent u bereid mee te doen met de Nationale week zonder vlees en zuivel (van 7 tot en met 13 maart aanstaande)? Doet uw departement ook mee?
Het Ministerie van JenV doet net als veel andere onderdelen van de rijksoverheid mee aan deze nationale week in verschillende bedrijfsrestaurants van de kantoorpanden.
Bent u bereid om op uw departement het principe «Carnivoor? Geef het door!» in te voeren, wat inhoudt dat plantaardig voedsel (geen vlees en andere dierlijke producten) de norm wordt, waarbij ambtenaren en gasten van het ministerie op bestelling dierlijke producten kunnen eten zodat niemand in keuzevrijheid wordt beperkt?
Het Ministerie van JenV (zie eerdere voetnoten) heeft zich, net als veel andere ministeries, aangesloten bij de Rijksbrede visie circulaire catering waarin plantaardige voeding een belangrijk onderdeel is.
Kunt u deze vragen (alleen namens uw eigen departement) beantwoorden voor 7 maart 2022?
Ik heb getracht de antwoorden voor mijn departement alvorens 7 maart toe te sturen aan uw Kamer. Dit is helaas net niet gelukt.
Het meedoen van het ministerie van Algemene Zaken aan de Nationale Week Zonder Vlees & Zuivel en het invoeren van het principe ‘Carnivoor? Geef het door!’ |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat een veel plantaardig(er) dieet een enorm positieve bijdrage kan leveren aan onder andere het dempen van de klimaatverandering, het herstel van de natuur en het voorkomen van nieuwe pandemieën en ziet u hier -als lid van een kabinet met klimaat- en natuurambities – ook een mooie rol voor uzelf om met een relatief kleine aanpassing in het aanbod van voedsel (op uw departement) een voortrekkersrol te nemen?1
Ik ben bekend met de positieve bijdrage die een gebalanceerd voedingspatroon kan leveren aan mens en milieu. Bedrijfsrestaurants van de overheid voldoen daarom aan het MVI-inkoopcriterium Overheidsniveau Gezonde Catering. Het Overheidsniveau Gezonde Catering gaat uit van de Richtlijn Eetomgevingen van het Voedingscentrum. Hierdoor wordt stap voor stap gewerkt aan het verschuiven van het aanbod richting de Schijf van Vijf met gezondere en duurzamere keuzes. Hoe meer producten uit de Schijf van Vijf er worden aangeboden, hoe beter het is voor mens en milieu. Hiermee worden werknemers bij de rijksoverheid geholpen om ook op het werk gezonder en duurzamer te eten en te drinken in het bedrijfsrestaurant, de koffiecorner en tijdens bijeenkomsten.
Onderschrijft u de wetenschappelijke inzichten dat een plantaardig(er) dieet zelfs dubbele klimaatwinst oplevert: niet alleen zorgt een afname van het aantal dieren dat wordt gefokt en gedood voor voedsel voor een forse afname van de uitstoot van broeikasgassen, ook zorgt het ervoor dat er landbouwgrond vrijkomt (die immers niet meer nodig is voor het verbouwen van veevoer) die kan worden teruggeven aan de natuur om zo blijvend veel meer CO2 vast te leggen?2
Het kabinet zet in op een gezond en duurzaam voedingspatroon, gebaseerd op de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum biedt informatie op basis van wetenschappelijke en onafhankelijke inzichten. Onderdeel hiervan is dat een toename van het aandeel plantaardige eiwitten in het voedingspatroon een belangrijke bijdrage kan leveren aan zowel het klimaat, als aan de gezondheid. Daarmee onderschrijft dit kabinet deze wetenschappelijke inzichten. Om toe te werken naar een duurzamer voedingspatroon van de consument, is het belangrijk om naar de kansen én obstakels te kijken binnen het hele voedselsysteem, van boer tot consument, en alles wat daar tussen zit in de keten.
Deelt u de mening dat iemand die Olympisch kampioen wil worden onmogelijk een aanpak links kan laten liggen die zulke klinkende resultaten oplevert?
Ik deel de mening dat een gebalanceerd en duurzaam voedingspatroon, gebaseerd op de Schijf van Vijf en een daarmee gepaard gaande toename van het aandeel plantaardige eiwitten in het voedingspatroon, een bijdrage kan leveren aan de klimaatopgave. Daarom is het van belang dat het Voedingscentrum hierover informatie blijft verstrekken.
Bent u bekend met het besluit van de burgemeester van New York om op alle scholen in de stad op vrijdag voortaanplantaardige maaltijden in de kantines aan te bieden (Vegan Fridays) en deelt u de mening dat ook hier het mes aan meerdere kanten snijdt, namelijk én klimaatwinst én een gevarieerd en gezond menu en een goed voorbeeld voor de scholieren?3
Ik ben bekend met dit besluit. In Nederland is eten volgens de Schijf van Vijf het uitgangspunt voor een gezond voedingspatroon. Als je eet volgens de Schijf van Vijf dan eet je producten die gezondheidswinst opleveren. Ook is het goed voor het milieu. Plantaardige maaltijden dragen bij aan klimaatwinst en een gevarieerd en gezond menu. In Nederland zetten we in op voedseleducatie via de Gezonde School, Jong Leren Eten en de Gezonde Schoolkantine. Daarbij is het belangrijk om te vermelden dat het in Nederland geen wettelijke taak van het onderwijs is om een lunch aan te bieden, daarnaast is bij lang niet elke school een kantine aanwezig.
Heeft u gelezen dat de voorzitter van de Duitse land- en tuinbouworganisatie inmiddels van mening is dat de opmars van een plantaardig eetpatroon goede kansen biedt voor boeren en voor de landbouw uiteindelijk meer voordelen dan nadelen kent en deelt u deze inzichten?4 5
Zie het antwoord op vraag 2. Ik deel het inzicht dat een plantaardig eetpatroon ook goede kansen biedt voor de landbouw.
Bent u bereid mee te doen met de Nationale Week Zonder Vlees & Zuivel(van 7 tot en met 13 maart aanstaande) en doet uw departement ook mee?
De bedrijfscatering op mijn ministerie is deelnemer aan de Nationale Week Zonder Vlees & Zuivel.
Bent u bereid om op uw departement het principe «Carnivoor? Geef het door!» in te voeren, wat inhoudt dat plantaardig voedsel (geen vlees en andere dierlijke producten) de norm wordt, waarbij ambtenaren en gasten van het ministerie op bestelling dierlijke producten kunnen eten zodat niemand in keuzevrijheid wordt beperkt?
Het Ministerie van AZ heeft zich net als veel andere ministeries aangesloten bij de Rijksbrede visie circulaire catering waarin plantaardige voeding een belangrijk onderdeel is. Concreet betekent dit dat bij alle nieuwe aanbestedingen voor de catering de eiwittransitie een belangrijk aspect is.
Kunt u deze vragen (alleen namens uw eigen departement) beantwoorden voor 7 maart 2022?
Ik heb getracht de antwoorden voor mijn departement voor 7 maart 2022 toe te sturen aan uw Kamer. Dit is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Bouw brandblusinstallatie Waalhaven Zuid op losse schroeven’ |
|
Fahid Minhas (VVD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bouw brandblusinstallatie Waalhaven Zuid op losse schroeven»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat de kosten voor de bouw van de permanente blusvoorzieningen op het emplacement Waalhaven Zuid vier keer zo duur blijken als verwacht en de werkzaamheden hierdoor niet kunnen beginnen?
De forse kostenstijging voor de brandblusvoorzieningen hangt samen met de complexiteit en het bijzondere karakter van dit project. ProRail heeft aangegeven tijd nodig te hebben om de huidige scope, raming, planning en risico’s verder inzichtelijk te maken en te onderbouwen en is daarbij mede afhankelijk van goedkeuring door het bevoegd gezag van de door ProRail voorgestelde maatregelen. Aan de hand van deze verdere uitwerking stelt ProRail een nadere onderbouwing van de uiteindelijke kosten op ten behoeve van het verklaren van het tekort. Daarnaast heb ik ProRail gevraagd de raming extern te laten toetsen en de scope en planning nader in beeld te brengen. Zodra er een stabiel beeld is kan ik overgaan tot besluitvorming over het tekort.
Kunt u toelichten waarom de kosten van deze werkzaamheden zo veel hoger zijn uitgevallen en hoe het tekort van 63 miljoen euro bij ProRail is ontstaan?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u in beeld waarom het tekort van 63 miljoen euro bij ProRail nu pas duidelijk is geworden? Zo ja, waarom is dit niet eerder gecommuniceerd? Zo nee, waarom niet?
Op 24 december 2021 is door ProRail met mijn ministerie gedeeld dat een forse tegenvaller verwacht kon worden op basis van een eerste analyse van nieuwe ramingen. Als uitvoerder van dit project is het de taak van ProRail om het ministerie hier op te attenderen. Begin dit jaar zijn de ramingen verder geanalyseerd en heeft ProRail een tekort van circa 63 miljoen moeten vaststellen. Dit is toen ook met het bevoegd gezag gedeeld maar niet verder gecommuniceerd, omdat ProRail nog bezig was en is om de uiteindelijke omvang van het tekort te bepalen en te laten toetsen. Naast de onderbouwing van de huidige raming heb ik ProRail gevraagd in kaart te brengen wat de gevolgen zijn als het emplacement Waalhaven Zuid per 1 januari 2023 moet sluiten.
Is het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat op de hoogte geweest van het tekort bij ProRail? Zo ja, waarom heeft het ministerie ProRail niet tijdig geattendeerd op het tekort en de mogelijke gevolgen van dit probleem?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u ook van mening dat, gezien de resultaten van het onafhankelijke onderzoek van bureau Crisislab naar de knel- en verbeterpunten bij ProRail, de spoorwegbeheerder al minimaal anderhalf jaar eerder actie had kunnen ondernemen met het op orde brengen van de blusvoorzieningen voor het goederenvervoer?
ProRail is sinds de oplevering van het Crisislab-onderzoek in 2020 aan de slag om de brandblusvoorzieningen conform de omgevingsvergunning op orde te brengen. De voorbereidingen blijken echter complex, onder andere omdat ProRail bij de aanleg van voorzieningen afhankelijk is van de medewerking van diverse derde partijen. In de tussentijd heeft ProRail in overleg met bevoegd gezag onder andere een nieuwe en tijdelijke voorziening in de vorm van een blustrein in gebruik genomen, waarmee het rangeren van gevaarlijke stoffen gecontinueerd kan worden.
Bent u het ermee eens dat alles in het werk gesteld moet worden om de einddatum van 1 januari 2023 voor het afronden van de werkzaamheden op Waalhaven Zuid te halen? Welke inspanningen gaat u daarvoor verrichten?
Dat ben ik met u eens. De inspanningen van alle betrokken partijen zijn erop gericht om op 1 januari 2023 aan de eisen in de omgevingsvergunning van Rotterdam te voldoen. De voortgang wordt onder andere besproken in regulier bestuurlijk overleg tussen ProRail, de gemeente Rotterdam, de omgevingsdienst, de veiligheidsregio, het havenbedrijf Rotterdam en het ministerie.
Heeft u in beeld welke logistieke oplossingen er klaarliggen bij het wederom moeten sluiten van Waalhaven Zuid?
ProRail zal al het mogelijke in het werk stellen om het goederenvervoer op het spoor zo goed als mogelijk af te wikkelen, maar de mogelijkheden daarvoor zijn beperkt wanneer Waalhaven Zuid gesloten zou worden voor het rangeren met gevaarlijke stoffen. Dit wordt onder andere belemmerd omdat emplacement Kijfhoek vanaf 2023 voor langere tijd minder capaciteit heeft vanwege een grootschalige renovatie. Het voorkomen van dit scenario is een gezamenlijke opgave van alle betrokken partijen. Daartoe vindt intensief bestuurlijk overleg plaats.
Heeft u in beeld of er meer werkzaamheden met betrekking tot spoorinfrastructuur en blusvoorzieningen voor het goederenvervoer onder druk staan als gevolg van hogere kosten?
ProRail legt op vijf emplacementen in de Rotterdamse haven brandblusvoorzieningen aan, namelijk op Waalhaven Zuid en op vier andere emplacementen. Deze vormen samen één project. De kostenoverschrijding betreft dit totale project. Daarnaast zullen de komende jaren op meer plaatsen aanpassingen op emplacementen moeten worden uitgevoerd. In het landelijk emplacementenproject zijn met regionale partijen afspraken gemaakt over uniforme veiligheidspakketten. Ik heb geen signalen dat deze werkzaamheden onder druk staan door hogere kosten.
In de brief over de financiële situatie met betrekking tot instandhouding en ontwikkeling van de Rijksinfrastructuur2 heeft mijn voorganger uw Kamer tevens gemeld dat onder andere voor de aanpak van de onderhoudsachterstanden in de haven in 2022 extra financiële middelen noodzakelijk zijn, waarover aan uw Kamer in de Voorjaarsnota een concreet voorstel wordt opgenomen. In het kader van het verbeterprogramma Zee-Zevenaar3 blijven IenW en ProRail met elkaar in gesprek over de inzichten in de kosten(ontwikkeling) van de benodigde maatregelen voor het aanpakken van de onderhoudsachterstanden in de haven in 2023 en latere jaren.
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
Ik heb geprobeerd uw vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
Het meedoen van het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Nationale Week Zonder Vlees & Zuivel en het invoeren van het principe ‘Carnivoor? Geef het door!’ |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat een veel plantaardig(er) dieet een enorm positieve bijdrage kan leveren aan onder andere het dempen van de klimaatverandering, het herstel van de natuur en het voorkomen van nieuwe pandemieën?1 Ziet u hier -als lid van een kabinet met klimaat- en natuurambities – ook een mooie rol voor zichzelf om met een relatieve kleine aanpassing in het aanbod van voedsel (op uw departement) een voortrekkersrol te nemen?
Ik ben bekend met de positieve bijdrage die een gebalanceerd voedingspatroon kan leveren aan mens en milieu. Bedrijfsrestaurants van de overheid voldoen daarom aan het MVI-inkoopcriterium Overheidsniveau Gezonde Catering. Het Overheidsniveau Gezonde Catering gaat uit van de Richtlijn Eetomgevingen van het Voedingscentrum. Hierdoor wordt stap voor stap gewerkt aan het verschuiven van het aanbod richting de Schijf van Vijf met gezondere en duurzamere keuzes. Hoe meer producten uit de Schijf van Vijf er worden aangeboden, hoe beter het is voor mens en milieu. Hiermee worden werknemers bij de rijksoverheid geholpen om ook op het werk gezonder en duurzamer te eten en te drinken in het bedrijfsrestaurant, de koffiecorner en tijdens bijeenkomsten.
Onderschrijft u de wetenschappelijke inzichten dat een plantaardig(er) dieet zelfs dubbele klimaatwinst oplevert: niet alleen zorgt een afname van het aantal dieren dat wordt gefokt en gedood voor voedsel voor een forse afname van de uitstoot van broeikasgassen, ook zorgt het ervoor dat er landbouwgrond vrijkomt (die immers niet meer nodig is voor het verbouwen van veevoer) die kan worden teruggeven aan de natuur om zo blijvend veel meer CO2 vast te leggen?2
Het kabinet zet in op een gezond en duurzaam voedingspatroon, gebaseerd op de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum biedt informatie op basis van wetenschappelijke en onafhankelijke inzichten. Onderdeel hiervan is dat een toename van het aandeel plantaardige eiwitten in het voedingspatroon een belangrijke bijdrage kan leveren aan zowel het klimaat, als aan de gezondheid. Daarmee onderschrijft dit kabinet deze wetenschappelijke inzichten. Om toe te werken naar een duurzamer voedingspatroon van de consument, is het belangrijk om naar de kansen èn obstakels te kijken binnen het hele voedselsysteem, van boer tot consument, en alles wat daar tussen zit in de keten.
Bent u bekend met het besluit van de burgemeester van New York om op alle scholen in de stad op vrijdag voortaan plantaardige maaltijden in de kantines aan te bieden (Vegan Fridays)? Deelt u de mening dat ook hier het mes aan meerdere kanten snijdt, namelijk én klimaatwinst én een gevarieerd en gezond menu en een goed voorbeeld voor de scholieren?3
Ik ben bekend met dit besluit. In Nederland is eten volgens de Schijf van Vijf het uitgangspunt voor een gezond voedingspatroon. Als je eet volgens de Schijf van Vijf dan eet je producten die gezondheidswinst opleveren. Plantaardige maaltijden dragen bij aan klimaatwinst en een gevarieerd en gezond menu. Aangezien kinderen een groot deel van hun tijd op school doorbrengen, is de school een zeer geschikte plek om scholieren bewust te maken van gezonde en duurzame voeding. In Nederland zetten we hier met de Gezonde School, Jong Leren Eten en de Gezonde Schoolkantine op in.
Bent u bereid mee te doen met de Nationale week zonder vlees en zuivel (van 7 tot en met 13 maart aanstaande)? Doet u uw departement ook mee?
De bedrijfscatering op mijn ministerie is deelnemer van de Nationale week zonder vlees en zuivel.
Bent u bereid om op uw departement het principe «Carnivoor? Geef het door!» in te voeren, wat inhoudt dat plantaardig voedsel (geen vlees en andere dierlijke producten) de norm wordt, waarbij ambtenaren en gasten van het ministerie op bestelling dierlijke producten kunnen eten zodat niemand in keuzevrijheid wordt beperkt?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft zich net als veel andere ministeries aangesloten bij de Rijksbrede visie circulaire catering waarin plantaardige voeding een belangrijk onderdeel is. Concreet betekent dit dat bij alle nieuwe aanbestedingen voor de catering de eiwittransitie een belangrijk aspect is.
Kunt u deze vragen (alleen namens uw eigen departement) beantwoorden voor 7 maart 2022?
Ik heb getracht de antwoorden voor mijn departement voor 7 maart toe te sturen aan uw Kamer. Dit is helaas niet gelukt.
Investeringen in stalsystemen Noord- Brabant. |
|
Thom van Campen (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat in de provincie Noord-Brabant naar schatting 1.500 boeren gaan stoppen en dat nog eens circa 2.200 veehouderijen hun stallen aangepast moeten hebben per 1 januari 2024 aan de strenge eisen voor ammoniakreductie die in deze provincie per 1 januari 2024 gesteld worden?
Ja, ik heb het artikel in het ED van 17 februari jl. gezien.
Bent u er tevens mee bekend dat Noord-Brabant hiermee vooroploopt in Nederland en dat de provincie deze beweging volop ondersteunt en stimuleert, waarmee Brabant een meer dan substantiële bijdrage levert aan de landelijk te behalen stikstofdoelstellingen?
Er zijn landelijke normen voor de emissie van ammoniak uit stallen in het kader van de Wet milieubeheer. Deze zijn opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Het is mij bekend dat Noord-Brabant in het kader van de Wet natuurbescherming striktere normen dan de nationale normen stelt. Limburg en Utrecht doen dat ook.
Noord-Brabant heeft reeds in 2017 het besluit genomen de normen voor ammoniak uit stallen per 2022 aan te scherpen ten behoeve van het reduceren van de stikstofdepositie op de Brabantse Natura 2000-gebieden. In 2019 is door de provincie besloten om deze datum uit te stellen naar 1 januari 2024. De provincie biedt ondersteuning aan initiatieven door kennis, netwerken en subsidies beschikbaar te stellen aan veehouders die willen innoveren, waaronder recent nog subsidie voor veehouders die een innovatief stalsysteem met bronaanpak in hun stal willen toepassen. De Brabantse Taskforce Toekomstbestendige Stallen speelt bij deze ondersteuning een belangrijke rol.
De aanscherping van de provincie Noord-Brabant staat los van de landelijke aanscherping van de emissienormen voor ammoniak uit stallen per uiterlijk 2025, zoals aangekondigd in de brief van 24 april 2020 aan uw Kamer over de structurele aanpak stikstof (Kamerstuk 35 335, nr. 82). Voor bestaande stallen gaat dan een nader te bepalen overgangsperiode gelden, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheden van boeren. Deze maatregel wordt momenteel nader uitgewerkt.
Bent u zich ervan bewust dat met deze ontwikkeling een ongelijk speelveld binnen Nederland voor de Brabantse boeren dreigt te ontstaan, doordat de middelen uit het regeerakkoord voor de landbouwtransitie (waaronder voor innovatie) pas op zijn vroegst in 2023–2024 beschikbaar komen?
Het kabinet heeft gekozen voor een gedifferentieerde aanpak om de natuur in Nederland in goede staat te brengen. Deze aanpak krijgt de komende periode verder vorm. Over de hoofdlijnen van deze aanpak heb ik uw Kamer op 1 april 2022 geïnformeerd (Kamerstuk 33 576, nr. 265, hierna: «Hoofdlijnenbrief). Gezien de versnelling en intensivering die hierbij noodzakelijk is, wil ik de mogelijkheden die zich voordoen om de benodigde transitie in te zetten ook daadwerkelijk benutten. Vanuit die invalshoek kijk ik ook naar de opgave die er ligt voor de Brabantse boeren en de mogelijkheden om die te ondersteunen. Zoals in de Hoofdlijnenbrief aangegeven, heb ik de provincies ook gevraagd met voorstellen te komen. Daarnaast wil ik waar mogelijk duidelijkheid scheppen over de landelijke normen voor de emissie van ammoniak uit stallen waaraan veehouders in de toekomst moeten gaan voldoen. Daartoe verken ik een versnelling van de in 2020 aangekondigde aanscherping van emissienormen voor ammoniak uit nieuwe en bestaande stallen (Kamerstuk 35 335, nr. 82).
Daarnaast zijn er reeds nationale middelen beschikbaar voor innovatie via bijvoorbeeld de Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv). De innovatiemodule van de Sbv is inmiddels drie keer opengesteld. Op dit moment is een nieuwe openstelling van de investeringsmodule van de Sbv in voorbereiding. Ik ben voornemens hierbij gebruik te maken van de financiële middelen die beschikbaar zijn binnen de structurele aanpak stikstof voor stalmaatregelen (280 miljoen euro voor de periode 2023–2030). Deze openstelling is in het derde kwartaal van 2022 voorzien. Daarmee krijgen ook veehouders in Noord-Brabant zo snel mogelijk toegang tot subsidie voor het toepassen van emissiearme stalsystemen.
Bij de uitwerking van de subsidievoorwaarden in de Sbv verken ik hoe rekening kan worden gehouden met het feit dat veehouders in onder andere Noord-Brabant op kortere termijn en aan strengere provinciale emissienormen moeten voldoen.
Realiseert u zich tevens dat ondernemers ruim voor die tijd het besluit over hun toekomst en de investeringsbeslissing met betrekking tot bijvoorbeeld stalaanpassing genomen moeten hebben en hun vergunningaanvraag moeten hebben ingediend?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u gezien het bovenstaande bereid om, vooruitlopend op de uitwerking van het transitiefonds, ondernemers in Noord-Brabant versneld en tijdig toegang te geven tot de noodzakelijke faciliteiten om onder andere investeringen mogelijk te maken, zodat een ongelijk speelveld binnen Nederland kan worden voorkomen en het behalen van de nationale stikstofdoelen wordt gefaciliteerd?
Zie antwoord vraag 3.
De proportionaliteitstoets inzake de coronatoegangsbewijzen. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw antwoord op vraag 127 uit de lijst van vragen en antwoorden over de effectiviteit van verschillende toepassingen van het Coronatoegangsbewijs?1
Ja.
Kunt u de genoemde proportionaliteitstoets naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
De proportionaliteitstoets is in de toelichting bij de aanpassingen van de Tijdelijke regeling maatregelen opgenomen2 en dus reeds naar de Kamer gestuurd. Dit is conform artikel 58b lid 2 van de Wet publieke gezondheid, waarin nadere eisen worden gesteld aan de inzet van de tijdelijke bevoegdheden voor de bestrijding van de covid-19 epidemie.
Het gebruik van de RAV-lijst voor vergunningverlening. |
|
Derk Boswijk (CDA), Thom van Campen (VVD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van provincie Utrecht om lopende het hoger beroep de Regeling ammoniak en veehouderij (RAV)-lijst niet te gebruiken voor vergunningverlening? Zo ja, kan een provincie dit zelfstandig besluiten?
Ja, dat is bij mij bekend.
AERIUS-Calculator vormt een hulpmiddel voor bevoegde gezagen (provincies) bij vergunningverlening op grond van de Wet Natuurbescherming (Wnb). Met Calculator kunnen initiatiefnemers en bevoegde gezagen aan de hand van emissiegegevens de depositie van een plan of project in kaart brengen. De Rav-factoren vormen input voor AERIUS-Calculator om stalemissies te kunnen berekenen. In artikel 2.1 van de Regeling natuurbescherming is de wettelijke verplichting voor het gebruik voor AERIUS-Calculator vastgelegd.
Provincies zijn bevoegde gezagen voor het verlenen van vergunningen in het kader van de Wnb. Provincies mogen gemotiveerd afwijken van de standaard emissiefactoren die AERIUS-Calculator biedt. In dit kader kunnen provincies ook beslissen dat zij tijdelijk geen besluiten nemen op basis van één of meerdere Rav-factoren.
Onderschrijft u de analyse van de provincie Utrecht dat «De stikstofbesluiten van de provincie zijn gebaseerd op landelijke standaarden. Deze staan door de uitspraken ter discussie. Ook andere provincies hebben daarmee te maken en andere rechtbanken hebben inmiddels vergelijkbare uitspraken gedaan». Zo ja, heeft u signalen dat ook andere provincies overwegen om de RAV-lijst lopende het hoger beroep niet langer te gebruiken voor vergunningverlening?
Ik onderschrijf deze analyse niet. Zoals eerder aangegeven1 zijn de emissiefactoren voor ammoniak uit stallen in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) tot stand gekomen op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke meetmethode en beoordeling volgens een procedure die ook internationaal wordt toegepast. Ze zijn in internationale vergelijking goed, zoals is aangegeven in het advies van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof.
In de betreffende procedures ging het niet zozeer om de onderbouwing van de Rav-factoren in zijn algemeenheid. De rechtbanken stellen ter discussie of de Rav-factoren in alle gevallen naar hun aard, zonder nadere onderbouwing, kunnen worden gebruikt voor het verlenen van Wnb-vergunningen. De rechtbanken oordelen dat de Rav-factoren in bepaalde gevallen onvoldoende zekerheid bieden over de emissie/depositie. De rechters wijzen in dit verband op de hoge eisen die in de jurisprudentie worden gesteld aan de vereiste zekerheid dat een project niet leidt tot significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied.
De provincie Utrecht heeft mij geïnformeerd dat zij ervoor hebben gekozen om, in afwachting van het hoger beroep, vergelijkbare gevallen als waar de rechtbank Midden-Nederland onlangs over heeft geoordeeld tijdelijk geen vergunningen meer te verlenen.
Provincies hebben gezamenlijk besloten om in algemene zin door te gaan met het verlenen van Wet natuurbescherming-vergunningen op basis van de Rav-factoren. Ook de provincie Utrecht blijft vergunningen verlenen op basis van de Rav-factoren, uitzondering daarop zijn vergelijkbare gevallen als waar de rechtbank Midden-Nederland over heeft geoordeeld.
Kunt u bevestigen dat de discussie zich toespitst op alleen emissiearme vloeren, die vanaf 2015 bij uitbreiding of nieuwbouw van gangbare melkveebedrijven verplicht zijn gesteld op basis van het Besluit emissiearme huisvesting?
Ik kan dit niet bevestigen. Dat is echter ook niet van belang. Rechtbanken stellen het gebruik van de Rav-factoren voor Wnb-vergunningverlening ter discussie op basis van onzekerheid van de factoren. Rechtbanken stellen de methode van vaststelling van de emissiefactoren niet ter discussie.
Kunt u bevestigen dat in AERIUS(-monitor) de emissie uit de landbouw is bijgesteld op basis van de veronderstelling dat emissiearme vloeren niet werken?
De Rav-factoren spelen, voor zover het de Wnb betreft, enkel vooral een rol als emissiefactor in AERIUS-Calculator. AERIUS-Monitor toont de totale achtergronddepositie op basis van emissies uit de Emissieregistratie en maakt gebruik van het Model NEMA. Bij het bepalen van deze totale achtergronddepositie wordt, onder andere door de WUR (in de praktijk CBS) gebruik gemaakt van de nieuwe wetenschappelijke inzichten over de effectiviteit van een staltype. De achtergronddepositie wordt jaarlijks geactualiseerd voor zowel AERIUS-Calculator als AERIUS-Monitor.
Kunt u bevestigen dat de protocollen voor het toekennen van RAV-factoren sinds 2015 zijn aangescherpt? Zo ja, kunt u aangeven in hoeverre de (opeenvolgende) aanscherpingen van de protocollen de betrouwbaarheid van de toegekende RAV-factoren heeft verbeterd?
In de Rav-wijziging van april 2017 is het meetprotocol «Protocol voor meting van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij 2013» vervangen voor een nieuwe versie (protocol 2013a). In deze wijziging is een addendum toegevoegd dat verduidelijking en nadere uitleg over het onderdeel metingen bij open stallen geeft. En er is een standaardisering van meetresultaten doorgevoerd, waardoor metingen beter vergelijkbaar zijn.2 De verduidelijking en standaardisering was nodig om te voorkomen dat er interpretatieverschillen tussen meetpartijen en beoordelaars ontstaan van onderdelen van het meetprotocol. Metingen met het protocol 2013 zijn daarmee niet onbetrouwbaarder dan metingen met protocol 2013a. Het protocol is niet aangescherpt.
Wel is het zo dat er vanwege die interpretatieverschillen met het meetprotocol 2013 in een aantal meetrapporten voor emissiearme melkveevloeren weliswaar volgens het protocol is gemeten, maar dit voor een kleine overschatting van de werking van de techniek heeft gezorgd. Deze overschatting is gecorrigeerd bij het vaststellen van de uiteindelijke emissiefactor. Deze correctie is bij stallen die zijn gemeten met het huidige meetprotocol (2013a) niet meer nodig.
Kunt u bevestigen dat de RAV-factoren die vandaag de dag toegekend worden, toegekend worden op basis van de best beschikbare wetenschappelijke methode?
Ja, emissiefactoren zijn tot stand gekomen op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke meetmethode en beoordeling volgens een procedure die ook internationaal wordt toegepast. Daarbij vindt ook een zogenaamde expert judgement plaats. Ze zijn in internationale vergelijking goed, zoals is aangegeven in het advies van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof.3
Deelt u de mening dat in de gebiedsgerichte aanpak innovatie een volwaardige rol moet spelen?
Ja, ik deel die mening. Zoals aangegeven in het coalitieakkoord kunnen in de gebiedsgerichte aanpak extensivering van productie, omschakeling naar andere vormen van productie, inzet van innovatieve techniek, legalisering en verplaatsing van bedrijven helpen bij versnelling van verduurzaming in de landbouw. Binnenkort ontvangt uw Kamer een hoofdlijnenbrief over de integrale gebiedsgerichte aanpak, waarin ik zoals aangegeven in mijn planningsbrief van 10 februari jl. (Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 97), onder andere nader zal in gaan op de instrumenten in de gebiedsgerichte aanpak.
Deelt u de mening dat het onwenselijk zou zijn dat als de RAV-lijst als onderbouwing van de vergunning wegvalt, daarmee de mogelijkheid vervalt om via innovatie stikstofruimte vrij te spelen binnen de gebiedsgerichte aanpak?
De Rav-lijst vormt een belangrijke input voor het berekenen van stalemissies en-deposities met AERIUS-Calculator. AERIUS-Calculator vormt vervolgens een belangrijk instrument om een inschatting te maken van emissies en deposities van een plan of project.
Met de Rav-factoren kan een inschatting worden gemaakt van emissies. Innovatie kan een belangrijke pijler zijn van de gebiedsgerichte aanpak.
Begrijpt u de zorg dat een aantal emissiearme vloeren, die vanaf 2015 werden toegepast en waarvan de werking al in een rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek uit 2019 werd betwist, er nu ten onrechte voor lijken te zorgen dat de gehele RAV-systematiek ter discussie staat?
Ik onderschrijf die zorg niet. Met betrekking tot de verlening van de omgevingsvergunning milieu, waar de emissiefactoren primair voor bedoeld zijn, zijn er geen rechterlijke uitspraken die de systematiek van de Rav in twijfel brengen.
De Rav kan bij vergunningverlening en toezicht en handhaving gebruikt worden om stalsystemen te toetsen aan de normen (de zogenaamde maximale emissiewaarde) in het Besluit emissiearme huisvesting. Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vraag 2 en 3 stellen de rechtbanken de meetmethode voor het vaststellen van de emissiefactoren niet ter discussie.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de uitvoering van de motie van de leden Van Campen en Boswijk (Kamerstuk 35 925-XIV, nr. 37) waarin de regering wordt verzocht de provincies maximaal te ondersteunen in het hoger beroep?
Ik ondersteun de provincie Utrecht in de hoger beroepszaken door juridische ondersteuning te bieden waar nodig.
Is het mogelijk om op korte termijn, vóórdat het hoger beroep dient, een schifting te maken tussen enerzijds emissiearme stalsystemen die een RAV-factor hebben op basis van verouderde protocollen en/of waarvan de werking in onderzoeken ter discussie is gesteld en anderzijds emissiearme stalsystemen die een RAV-factor toegekend hebben gekregen volgens de best beschikbare wetenschappelijke methode en waarvoor op dit moment geen wetenschappelijk gefundeerde reden is om aan de werking te twijfelen?
Nee. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 5, is er geen sprake van een minder grote betrouwbaarheid van Rav-factoren die zijn vastgesteld volgens het meetprotocol 2013 dan protocol 2013a. Emissiefactoren van emissiearme melkveevloeren die zijn vastgesteld met protocol 2013 zijn, daar waar nodig, gecorrigeerd.
De twijfel die is ontstaan bij de recente uitspraken over de toepassing van de Rav-factor bij de Wnb-vergunning gaan niet over de onderbouwing van de Rav-factoren in zijn algemeenheid of het toegepaste meetprotocol, maar over de vraag of bij toepassing van de Rav-factor bij een project als bedoeld in artikel 6, derde lid van de Habitatrichtlijn ook voldoende zekerheid bestaat dat er geen significante gevolgen zijn voor het betrokken Natura 2000-gebied (zie ook beantwoording op vraag 2). Op dat punt vond de rechtbank een nadere onderbouwing noodzakelijk.
Is het mogelijk om daarmee de emissiefactoren op de RAV-lijst op te schonen, zodat de RAV-systematiek als geheel niet langer ter discussie staat en innovatie een volwaardige rol kan blijven spelen in de gebiedsgerichte aanpak? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vragen 3 en 9 staat niet de Rav-systematiek ter discussie, maar de toepassing van de Rav-factor bij de onderbouwing dat er geen significante gevolgen zijn voor het betrokken Natura 2000-gebied.
Zoals ook in beantwoording van vraag 7 aangegeven, vind ik het van belang dat innovatie een volwaardige rol kan blijven spelen, ook in de stikstofaanpak. Ik verken daarom oplossingen voor de problematiek die voortvloeit uit de verschillende uitspraken van rechtbanken. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11, is het opschonen van emissiefactoren op de RAV-lijst niet zinvol.
In hoeverre ziet u mogelijkheden om een negatief oordeel van de Raad van State over de (on)zekerheid van de RAV-factor van de betreffende emissiearme vloeren te voorkomen door tijdig managementmaatregelen (sproeien loopvloer, water bij de mest, werking en frequentie mestschuif en mestrobot) aan te scherpen, te borgen dat de emissiearme vloer goed schoon worden gehouden en aanvullende technische maatregelen voor te schrijven, zoals het gescheiden opslaan van mest en urine en/of het afvangen van de mestgassen uit de mestkelder?
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft uw Kamer in zijn brief van 30 november 20214 bericht over de onderzoeken naar combiluchtwassers, waarin hij vervolgstappen heeft aangekondigd. Het Ministerie van IenW is thans in overleg met de varkenssector en andere betrokken partijen over concrete verbeteracties.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft uw Kamer in de brief van 13 oktober 20205 geïnformeerd over de hogere uitstoot van ammoniak uit emissiearme stallen. In deze brief is de volgende toezegging opgenomen: «De Staatssecretaris van IenW geeft opdracht aan WUR om onderzoek uit te voeren naar stalmanagement van emissiearme stallen. Dit omdat het CDM6 aangeeft dat emissiebeperking door tal van factoren wordt beïnvloed, waaronder het management van de veehouder». De Staatssecretaris van IenW verwacht het eindrapport van dit onderzoek medio dit jaar aan uw Kamer te zenden, voorzien van een beleidsreactie. Een gesprek met de sector over een pakket aan maatregelen om de werking van emissiearme stalsystemen te verbeteren, is pas zinvol als het eerdergenoemde eindrapport beschikbaar is.
Bent u bereid om met de sector in gesprek te gaan over een pakket aan maatregelen om de werking van emissiearme stalsystemen te verbeteren?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bekend met de besluiten van de provincies Overijssel en Noord-Brabant om een commissie van deskundigen in te stellen ten behoeve van de vergunningverlening, die het college in deze provincies kan adviseren over de toepassing van emissiebeperkende technieken en managementmaatregelen (binnen het geheel van de agrarische bedrijfsvoering) gericht op de beperking van stikstofemissies die landelijk nog niet zijn goedgekeurd en/of vastgelegd binnen de RAV?
Ik ben daarmee bekend.
Deelt u de mening dat als een provincie met behulp van een commissie van deskundigen emissiebeperkende technieken en managementmaartregelen kan borgen voor vergunningverlening, diezelfde werkwijze ook toegepast kan worden om emissiebeperkende technieken en maatregelen landelijk te borgen? Zo ja, wat is er nog voor nodig om deze werkwijze landelijk in te voeren en hoeveel tijd heeft u daarvoor nodig? Zo nee, waarom niet?
Emissiebeperkende technieken worden in het huidige Rav-systeem reeds beoordeeld door de Technische Advies Pool (TAP), bestaande uit deskundigen op het gebied van stalsystemen, emissies en metingen. Zie voor de samenstelling van de TAP: https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/mest/innovatieve-veehouderij/regeling-ammoniak-veehouderij/erkenning-innovatief-stalsysteem-ammoniakuitstoot.
Bij elke aanvraag voor een proefstalfactor of een beoordeling van een meetrapport zijn er altijd minimaal twee beoordelaars. RVO zorgt ervoor dat alle deskundigen beoordelen volgens een gezamenlijk afgestemd beoordelingskader. Het beoordelingskader volgt de meest recente wetenschappelijke inzichten.
Onder het PAS was het ook mogelijk voor een veehouderij om vrijwillige voer- en managementmaatregelen te treffen, deze waren opgenomen in bijlage 2 van de Rav. Deze managementmaatregelen zijn door de TAP beoordeeld en meegenomen in de berekening van de ammoniakdepositie.
Indien voer- en managementmaatregelen een waarborg kunnen vormen voor Wnb-vergunningverlening, zal ik dit in overweging nemen.
Hoe reflecteert u op de suggestie van de Rechtbank Oost-Brabant dat de verweerder extra emissiereducerende maatregelen zou kunnen nemen en dat de meerkosten daarvan kunnen worden verhaald op de overheid?1
Een bedrijf kan in beginsel zelf extra reducerende maatregelen nemen en het is op zichzelf niet noodzakelijk dat een bedrijf het legalisatieprogramma afwacht zoals de rechtbank Oost-Brabant overweegt. Wat betreft een eventueel verhaal van kosten geeft de rechtbank aan dat daarvoor het vertrouwensbeginsel zou moeten zijn geschonden. Over de vraag of dat het geval is en ook daadwerkelijk tot schadeplichtigheid zou leiden laat de rechtbank zich niet uit. Die schadeplichtigheid hangt ook af van andere factoren, zoals de vraag of het gaat om kosten die uitstijgen boven het normaal maatschappelijk ondernemersrisico, waar normaliter de kosten voor mitigerende maatregelen door de ondernemer zelf dienen te worden betaald. Het is weinig zinvol om daar algemene uitspraken over te doen. In de aanpak van het legalisatieprogramma is niet in een dergelijke mogelijkheid voorzien.
Het meedoen van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Nationale Week Zonder Vlees & Zuivel en het invoeren van het principe ‘Carnivoor? Geef het door!’ |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat een veel plantaardig(er) dieet een enorme positieve bijdrage kan leveren aan onder andere het dempen van de klimaatverandering, het herstel van de natuur en het voorkomen van nieuwe pandemieën?1 Ziet u hier ook een mooie rol voor uzelf om met een relatieve kleine aanpassing in het aanbod van voedsel (op uw departement) een voortrekkersrol te nemen?
Ik ben bekend met de positieve bijdrage die een gebalanceerd voedingspatroon kan leveren aan mens en milieu. Bedrijfsrestaurants van de overheid voldoen daarom aan het MVI-inkoopcriterium Overheidsniveau Gezonde Catering. Het Overheidsniveau Gezonde Catering gaat uit van de Richtlijn Eetomgevingen van het Voedingscentrum. Hierdoor wordt stap voor stap gewerkt aan het verschuiven van het aanbod richting de Schijf van Vijf met gezondere en duurzamere keuzes. Hoe meer producten uit de Schijf van Vijf er worden aangeboden, hoe beter het is voor mens en milieu. Hiermee worden werknemers bij de rijksoverheid geholpen om ook op het werk gezonder en duurzamer te eten en te drinken in het bedrijfsrestaurant, de koffiecorner en tijdens bijeenkomsten.
Onderschrijft u de wetenschappelijke inzichten dat een plantaardig(er) dieet zelfs dubbele klimaatwinst oplevert, omdat een afname van het aantal dieren dat wordt gefokt en gedood voor voedsel zorgt een voor een forse afname van de uitstoot van broeikasgassen en omdat daarnaast een plantaardig dieet ervoor zorgt dat er landbouwgrond vrijkomt (die immers niet meer nodig is voor het verbouwen van veevoer) die kan worden teruggeven aan de natuur om zo blijvend veel meer CO2 vast te leggen?2
Het kabinet zet in op een gezond en duurzaam voedingspatroon, gebaseerd op de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum biedt informatie op basis van wetenschappelijke en onafhankelijke inzichten. Onderdeel hiervan is dat een toename van het aandeel plantaardige eiwitten in het voedingspatroon een belangrijke bijdrage kan leveren aan zowel het klimaat, als aan de gezondheid. Daarmee onderschrijft dit kabinet deze wetenschappelijke inzichten. Om toe te werken naar een duurzamer voedingspatroon van de consument, is het belangrijk om naar de kansen èn obstakels te kijken binnen het hele voedselsysteem, van boer tot consument, en alles wat daar tussen zit in de keten.
Bent u bekend met het besluit van de burgemeester van New York om op alle scholen in de stad op vrijdag voortaan plantaardige maaltijden in de kantines aan te bieden (Vegan Fridays)? Deelt u de mening dat ook hier het mes aan meerdere kanten snijdt, namelijk én klimaatwinst én een gevarieerd en gezond menu en een goed voorbeeld voor de scholieren?3
Ik ben bekend met dit besluit. In Nederland is eten volgens de Schijf van Vijf het uitgangspunt voor een gezond voedingspatroon. Als je eet volgens de Schijf van Vijf dan eet je producten die gezondheidswinst opleveren. Ook is het goed voor het milieu. Plantaardige maaltijden dragen bij aan klimaatwinst en een gevarieerd en gezond menu. In Nederland zetten we in op voedseleducatie via de programma’s Gezonde School, Jong Leren Eten en de Gezonde Schoolkantine. Daarbij is het belangrijk om te vermelden dat het in Nederland geen wettelijke taak van het onderwijs is om een lunch aan te bieden, daarnaast is bij lang niet elke school een kantine aanwezig.
Heeft u gelezen dat de voorzitter van de Duitse land- en tuinbouworganisatie inmiddels van mening is dat de opmars van een plantaardig eetpatroon goede kansen biedt voor boeren en voor de landbouw uiteindelijk meer voordelen dan nadelen kent?4 5 Deelt u deze inzichten?
Zie het antwoord op vraag 2. Ik deel het inzicht dat een plantaardig eetpatroon ook goede kansen biedt voor de landbouw.
Bent u bereid mee te doen met de Nationale week zonder vlees en zuivel (van 7 tot en met 13 maart aanstaande)? Doet u uw departement ook mee?
De bedrijfscatering op mijn ministerie is deelnemer van de Nationale week zonder vlees en zuivel.
Bent u bereid om op uw departement het principe «Carnivoor? Geef het door!» in te voeren, wat inhoudt dat plantaardig voedsel (geen vlees en andere dierlijke producten) de norm wordt, waarbij ambtenaren en gasten van het ministerie op bestelling dierlijke producten kunnen eten zodat niemand in keuzevrijheid wordt beperkt?
Het Ministerie van LNV heeft zich, net als veel andere ministeries, aangesloten bij de Rijksbrede visie circulaire catering waarin plantaardige voeding een belangrijk onderdeel is. Concreet betekent dit dat bij alle nieuwe aanbestedingen voor de catering de eiwittransitie een belangrijk aspect is.
Kunt u deze vragen (alleen namens uw eigen departement) beantwoorden voor 7 maart 2022?
Ik heb getracht de antwoorden voor mijn departement voor 7 maart toe te sturen aan uw Kamer. Dit is helaas niet gelukt.
Stormschade aan en onderhoudsinventarisatie van kerkgebouwen |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichten omtrent stormschade aan kerkgebouwen na de reeks stormen die Nederland de afgelopen dagen teisterde?
Ja.
Kunt u aangeven wat de meest actuele onderhoudsstaat van kerkgebouwen in Nederland is?
De onderhoudsstaat van monumentale kerken in Nederland is over het algemeen goed tot redelijk, zo blijkt uit recente monitoring door de provincies en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Bent u bekend met de zorgen bij kerkbesturen/kerken over hun voortbestaan, mede vanwege de stijgende kosten van onderhoud, de stijging van de gasprijs en niet toereikende subsidiëring middels status van kerkgebouwen als monument?
Ja, ik ben bekend met deze zorgen. Mede vanwege deze zorgen is onder mijn voorganger het programma Toekomst Religieus Erfgoedgestart. Het programma wordt uitgevoerd door de RCE in samenwerking met verschillende partners, waaronder vertegenwoordigers van de kerken. Het samenwerkingsverband ondersteunt kerken en gemeenten om gezamenlijk strategische toekomstplannen voor alle kerkgebouwen in een gemeente te ontwikkelen: de zogenaamde kerkenvisies. Momenteel beraden de partners van het programma Toekomst Religieus Erfgoed zich op het vervolg van het programma, waaronder ook het vervolg op de kerkenvisies.
Kerkeigenaren kunnen daarnaast een beroep doen op de Subsidieregeling instandhouding monumenten (SIM). Over de afgelopen drie jaar is op basis van deze regeling gemiddeld jaarlijks zo’n € 22,3 miljoen subsidie aan kerken verstrekt. Wel is het zo dat er sprake is van een toenemende druk op de bestaande subsidiemiddelen. In juli vorig jaar en tijdens het schriftelijk overleg Monumentenzorg in oktober jl., heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de stappen die zijn ondernomen om de druk op het bestaande budget te verlichten.1 Tegelijkertijd heeft mijn voorganger een bedrag van € 4 miljoen structureel aan de SIM toegevoegd. In lijn hiermee zal ik de komende tijd bezien conform de Kamerbrief van 6 juli 2021 hoe we met de problematiek rondom de SIM omgaan – ook in relatie tot de woonhuisregeling.
Deelt u de mening dat, om het vertrouwde stads- of dorpsgezicht te beschermen (dat mede gekenmerkt wordt door kerktorens), het van belang is om zo spoedig mogelijk in samenwerking met kerken en gemeenten een aanpak te formuleren?
Ik deel uw mening dat beschermde stads-en dorpsgezichten van belang zijn en dat kerkgebouwen en kerktorens hierin een belangrijke rol spelen. Om ons religieuze erfgoed toekomstbestendig te maken, is samenwerking tussen alle betrokken partijen essentieel. Juist daarom heeft mijn voorganger fors geïnvesteerd in de samenwerking met kerken, overheden, erfgoed- en burgerorganisaties middels het subsidiëren van kerkenvisies. Inmiddels werken 240 gemeenten, dus bijna 70% van alle gemeenten in Nederland, in samenwerking met kerkelijke gemeenschappen en burgers aan een kerkenvisie of hebben zij deze inmiddels afgerond. Per saldo betekent dit dat over de toekomst van 75% van de kerkgebouwen in Nederland strategisch wordt nagedacht of al is nagedacht. De kerkenvisies vervullen dus de rol van een gezamenlijk plan van aanpak.
Deelt u de mening dat, om achterstallig onderhoud in te halen, stormschade te repareren er een plan moet worden opgesteld, zodat niet alleen de vertrouwde dorps- en stadsgezichten behouden kunnen worden, maar ook dat omwonenden geen gevaar lopen door instortende kerktorens?
Kerkeigenaren zijn in de regel consciëntieuze eigenaren die hun verantwoordelijkheid ten aanzien van hun gebouwen zeer serieus nemen. De meeste kerkgebouwen worden regelmatig technisch geïnspecteerd en zijn goed verzekerd. Ook stormschade is goed te verzekeren. Deze verantwoordelijkheid ligt ook primair bij de eigenaren. Bij de reeks stormen waarmee Nederland recent te kampen heeft gehad, is de schade aan kerktorens en -gebouwen ondanks de hevigheid van die stormen beperkt gebleven. Bij het incidententeam van de RCE, een team dat in actie komt bij schade aan rijksmonumenten, zijn slechts twee schademeldingen aan monumentale kerkgebouwen binnengekomen, waaronder een van de Elandkerk in Den Haag. Ik zie op dit moment dan ook geen aanleiding om in aanvulling op de reeds bestaande samenwerking (zie ook antwoord op vraag 3 en 4) hiervoor een specifiek plan op te stellen. Uiteraard kan het incidententeam van de RCE in voorkomende gevallen in contact treden met eigenaren en gemeenten om te bezien hoe vervolgschade voorkomen kan worden of over hoe schade het best kan worden hersteld.
Bent u ermee bekend dat een (veel) plantaardig(er) dieet een enorme positieve bijdrage kan leveren aan onder andere het dempen van de klimaatverandering, het herstel van de natuur en het voorkomen van nieuwe pandemieën?1 Ziet u hier – als lid van een kabinet met klimaat- en natuurambities – ook een mooie rol voor zichzelf om met een relatief kleine aanpassing in het aanbod van voedsel (op uw departement) een voortrekkersrol te nemen?
Wij zijn bekend met de positieve bijdrage die een gebalanceerd voedingspatroon kan leveren aan mens en milieu. Bedrijfsrestaurants van de overheid voldoen daarom aan het MVI-inkoopcriterium Overheidsniveau Gezonde Catering. Het Overheidsniveau Gezonde Catering gaat uit van de Richtlijn Eetomgevingen van het Voedingscentrum. Hierdoor wordt stap voor stap gewerkt aan het verschuiven van het aanbod richting de Schijf van Vijf met gezondere en duurzamere keuzes. Hoe meer producten uit de Schijf van Vijf er worden aangeboden, hoe beter het is voor mens en milieu. Hiermee worden werknemers bij de rijksoverheid geholpen om ook op het werk gezonder en duurzamer te eten en te drinken in het bedrijfsrestaurant, de koffiecorner en tijdens bijeenkomsten.
Onderschrijft u de wetenschappelijke inzichten dat een plantaardig(er) dieet zelfs dubbele klimaatwinst oplevert?2 Niet alleen zorgt een afname van het aantal dieren dat wordt gefokt en gedood voor voedsel voor een forse afname van de uitstoot van broeikasgassen, het zorgt er ook voor dat er landbouwgrond vrijkomt (die immers niet meer nodig is voor het verbouwen van veevoer) die kan worden teruggeven aan de natuur om zo blijvend veel meer CO2 vast te leggen.
Het kabinet zet in op een gezond en duurzaam voedingspatroon, gebaseerd op de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum biedt informatie op basis van wetenschappelijke en onafhankelijke inzichten. Onderdeel hiervan is dat een toename van het aandeel plantaardige eiwitten in het voedingspatroon een belangrijke bijdrage kan leveren aan zowel het klimaat, als aan de gezondheid. Daarmee onderschrijft dit kabinet deze wetenschappelijke inzichten. Om toe te werken naar een duurzamer voedingspatroon van de consument, is het belangrijk om naar de kansen èn obstakels te kijken binnen het hele voedselsysteem, van boer tot consument, en alles wat daar tussen zit in de keten.
Bent u bekend met het besluit van de burgemeester van New York om op alle scholen in de stad op vrijdag voortaan plantaardige maaltijden in de kantines aan te bieden (Vegan Fridays)?3 Deelt u de mening dat ook hier het mes aan meerdere kanten snijdt, namelijk én klimaatwinst, én een gevarieerd en gezond menu, én een goed voorbeeld voor de scholieren?
Wij zijn bekend met dit besluit. In Nederland is eten volgens de Schijf van Vijf het uitgangspunt voor een gezond voedingspatroon. Als je eet volgens de Schijf van Vijf dan eet je producten die gezondheidswinst opleveren. In Nederland zetten we in op voedseleducatie via de programma’s Gezonde School, Jong Leren Eten en de Gezonde Schoolkantine. Daarbij is het belangrijk om te vermelden dat het in Nederland geen wettelijke taak van het onderwijs is om een lunch aan te bieden, daarnaast is bij lang niet elke school een kantine aanwezig.
Bent u bereid mee te doen met de Nationale Week Zonder Vlees & Zuivel (van 7 tot en met 13 maart aanstaande)? Doet uw departement ook mee?
De bedrijfscatering op ons ministerie is deelnemer van de Nationale week zonder vlees en zuivel.
Past u het principe «Carnivoor? Geef het door!», wat inhoudt dat plantaardig voedsel (geen vlees en andere dierlijke producten) de norm wordt, waarbij ambtenaren en gasten van het ministerie op bestelling dierlijke producten kunnen eten zodat niemand in keuzevrijheid wordt beperkt, nog steeds toe op uw ministerie?
Het Ministerie van OCW heeft zich net als veel andere ministeries aangesloten bij de Rijksbrede visie circulaire catering waarin plantaardige voeding een belangrijk onderdeel is. Concreet betekent dit dat bij alle nieuwe aanbestedingen voor de catering de eiwittransitie een belangrijk aspect is.
Kunt u deze vragen (alleen namens uw eigen departement) beantwoorden voor 7 maart 2022?
Wij hebben getracht de antwoorden voor ons departement voor 7 maart toe te sturen aan uw Kamer. Dit is helaas niet gelukt vanwege interdepartementale afstemming over de beantwoording van uw vragen.
Het bericht ‘Levend koken van varkens in slachthuizen gaat nog altijd door’. |
|
Joris Thijssen (PvdA) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Levend koken van varkens in slachthuizen gaat nog altijd door»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat varkens in Nederlandse slachthuizen soms nog in leven zijn wanneer ze in de broeibak terechtkomen?
Ja, dit is onacceptabel. Het gaat mij aan het hart dat dergelijke situaties nog steeds voorkomen, na alle maatschappelijke aandacht van de afgelopen jaren. Bedrijven zullen naar mijn mening echt extra stappen moeten zetten op dit vlak. Elk incident waarbij dierwelzijn in het geding is, is er één te veel.
Hoe reflecteert u op de bevindingen als gevolg van fouten tijdens en rondom het bedwelmen en verbloeden? Deelt u de mening dat het volledig te voorkomen is dat varkens in Nederlandse slachthuizen nog in leven zijn wanneer ze in de broeibak terechtkomen? Zo ja, hoe gaat u deze toestanden aanpakken en voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Deze fouten zouden niet mogen voorkomen. Slachthuizen moeten dit proces uiterst zorgvuldig uitvoeren en zij dragen de hiervoor te allen tijde de verantwoordelijkheid.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt hier risicogericht toezicht op. Concreet betekent dit dat de NVWA bij slachthuizen met permanent toezicht meerdere keren per dag controles uitvoert op diverse punten in het aanvoer- en slachtproces. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer regelmatig geïnformeerd over de versterking van het toezicht in de vleesketen, het meest recent met een brief aan uw Kamer van 12 november 2021 (Kamerstuk 33 835, nr. 135). Het is niet reëel te verwachten dat met toezicht alle overtredingen van de dierenwelzijnsregels kunnen worden voorkomen.De toezichthouder handhaaft volgens het interventiebeleid, controleert, spreekt aan, geeft waar nodig aanwijzingen voor de bedrijfsvoering en maakt een rapport van bevindingen op wanneer een aanwijzing of waarschuwing van een NVWA-inspecteur niet wordt opgevolgd. Naast boetes kunnen andere corrigerende maatregelen worden genomen, zoals het tijdelijk stilleggen van de werkzaamheden.
Kunt u uitleggen waarom de adviezen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) niet altijd worden opgevolgd door de slachthuizen, zelfs na herhaaldelijk registreren van dezelfde misstanden? Wat zijn de belemmeringen dat die adviezen niet opgevolgd worden? Gaat u dat aanpakken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
De betreffende slachthuizen zijn onvoldoende serieus omgegaan met de door de NVWA geconstateerde overtredingen, en nemen niet die maatregelen die nodig zijn om herhaling van de overtreding te voorkomen. Net zoals mijn ambtsvoorganger vind ik het niet acceptabel dat bedrijven niet onmiddellijk na het constateren van misstanden zelf hun verantwoordelijkheid nemen en bedrijfsprocessen aanpassen, maar pas acteren nadat de toezichthouder aanpassingen afdwingt. Er moet bij slachthuizen juist een cultuur zijn waarbij het borgen van dierenwelzijn voorop staat. Mijn ambtsvoorganger heeft om die reden maatregelen in gang gezet ter verbetering van het slachtsysteem, waarbij ook met de slachtsector gesproken wordt over deze benodigde cultuuromslag. Dit traject zet ik voort. Daarnaast neem ik ook maatregelen, zoals het wetsvoorstel voor verplicht cameratoezicht en de doorontwikkeling van slim cameratoezicht.
Hoe verhouden de bevindingen uit het nieuwsartikel zich tot het coalitieakkoord, waarin onder andere staat dat in navolging van het advies van de Raad voor Dierenaangelegenheid uit 2020 in overleg met diverse organisaties, groepen en stakeholders het initiatief wordt genomen tot een convenant over de ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij? Klopt het dat het coalitieakkoord dierwaardigheid in veehouderijen beoogt? Zijn de aangetoonde misstanden volgens u dierwaardig?
In het coalitieakkoord is de ambitie uitgesproken om in deze kabinetsperiode te komen tot een convenant en wetgeving voor een dierwaardige veehouderij in balans met de volksgezondheid. Op dit moment wordt uitgewerkt hoe dit zal worden vormgegeven. Zaken die al wettelijk verboden zijn, zullen geen onderdeel zijn van afspraken in het convenant, maar moeten worden opgepakt in de handhaving. Het spreekt voor zich dat de overtredingen en beschreven dierenwelzijnsaantastingen uit de openbaargemaakte rapporten niet passen in een dierwaardige veehouderij.
Wordt volgens u alles in het werk gesteld om in verschillende slachthuizen optimaal in te zetten op de bescherming van dierenwelzijn?
Mijn voorganger heeft onder de noemer van het «programma verbeteren slachtsysteem» diverse acties in gang gezet ter verbetering van het dierenwelzijn tijdens het slachtproces. Ook ik ondersteun dit van harte en zal hier blijvend aandacht voor hebben. Ik verwijs uw Kamer voor de stand van zaken naar de brief die op 22 april jl. aan uw Kamer is gestuurd (Kamerstuk 28 286, nr. 1237).
Deelt u de mening dat het dierenwelzijn alleen effectief wordt beschermd wanneer dieren overal waar zij nog leven in beeld worden gebracht? Zo ja, gaat u ervoor zorgen dat deze voorwaarde aan cameratoezicht in slachthuizen verplicht wordt gesteld? Zo nee, waarom niet en wat gaat u dan doen om het dierenwelzijn te beschermen?
Bij het reguliere cameratoezicht zijn de handelingen met levende dieren in beeld op de met de brancheverenigingen afgesproken controlepunten. Dit zijn de meest cruciale processtappen met levende dieren in een slachthuis. Inderdaad is cameratoezicht pas geheel sluitend wanneer dieren overal waar zij nog leven in beeld worden gebracht. Dat neem ik mee in de uitwerking van het wetsvoorstel.
Overigens zijn er vanuit wetenschappelijke studies ook inzichten dat cameratoezicht ook in het zogenaamde post-mortem deel kan bijdragen aan het borgen van dierenwelzijn (denk hierbij onder andere aan het vaststellen van voetzoollaesies).
Deelt u de mening van de NVWA die in haar evaluatie heeft aangegeven dat cameratoezicht het meest effectief en efficiënt is wanneer dit toezicht onafhankelijk is en buiten het slachthuis wordt beoordeeld en kan de Minister dat nader toelichten?2
De NVWA kijkt de camerabeelden als onafhankelijk toezichthouder uit. Zoals de NVWA in haar evaluatie cameratoezicht slachthuizen dierenwelzijn heeft aangegeven (Kamerstuk 28 286, nr. 1217), zou cameratoezicht veel efficiënter vorm kunnen krijgen als de beelden van afstand uitgekeken zouden kunnen worden. Dit aspect wordt meegenomen in de voorbereiding van het wetsvoorstel rond cameratoezicht. De inzet van cameratoezicht kan de rol van de officiële dierenarts overigens niet vervangen, maar de technologie kan de dierenarts wel ondersteunen in het efficiënt houden van toezicht.
Hoe reflecteert u op de laatste technische innovaties met betrekking tot cameratoezicht en de inzet daarvan in de slachthuizen en bent u bereid dit toe te passen in de slachthuizen? Zo ja, wanneer en hoe draagt de overheid bij aan deze technische innovaties? Zo nee, waarom niet?
«Slim» cameratoezicht, ook wel bekend als Artificial Intelligence (AI)-ondersteund cameratoezicht, is een relatief nieuwe vorm van cameratoezicht die potentie lijkt te hebben om een bijdrage te leveren aan een betere borging van het dierenwelzijn tijdens het slachtproces. Tegelijkertijd betreft «slim» cameratoezicht een domein dat nog volop in ontwikkeling is. Ik verwijs uw Kamer voor mijn standpunt over «slim» cameratoezicht ook naar mijn brief van 3 september jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 1217) waarin ik de wettelijke verplichting cameratoezicht afkondigde. Voor nu laat ik eerst ruimte voor experimenten met dergelijk cameratoezicht, voordat een besluit wordt genomen om exploitanten hiertoe verplichten. Het is de bedoeling dat de NVWA en de slachthuizen VanDrie en Vion en eventueel andere partijen dit jaar een pilot starten op het gebied van cameratoezicht en het gebruik van AI. Ik verwijs u voor meer informatie over dit onderwerp naar de slachthuizenbrief die ik op 22 april jl. aan uw Kamer heb gestuurd (Kamerstuk 28 286, nr. 1237).
De eerste afspraken zijn hiervoor reeds gemaakt en het gesprek hoe dit wordt uitgevoerd is opgestart. Uit de pilot wil ik lering trekken hoe deze systemen het borgen van het dierenwelzijn en het toezicht daarop door de NVWA kan versterken, waarbij de verantwoordelijkheid voor de borging van dierenwelzijn en het naleven van regels bij de sector blijft.
Bent u bereid deze toestanden extern te laten onderzoeken om te voorkomen dat er onnodig dierenleed plaatsvindt in de slachthuizen?
Ik vind het onacceptabel dat varkens in Nederlandse slachthuizen soms nog in leven zijn wanneer ze in de broeibak terechtkomen. De verantwoordelijkheid en de borging van dierenwelzijn en het naleven van de regels ligt nadrukkelijk bij de sector. Slachthuizen zullen naar mijn mening echt nog extra stappen moeten zetten om dergelijke situaties te voorkomen.
Het verbeteren van de situatie in slachthuizen staat hoog op de politieke agenda. Mijn ambtsvoorganger heeft in de vorige kabinetsperiode verschillende onderzoeken laten uitvoeren naar slachthuizen en naar de manier waarop de NVWA hier toezicht op houdt. Hiermee is een goede basis gelegd om de situatie in slachthuizen en het toezicht en de handhaving door de NVWA te verbeteren.
Sindsdien zijn er stappen voorwaarts gezet om de publieke belangen voedselveiligheid en dierenwelzijn in de vleesketen beter te kunnen borgen. Uw Kamer is regelmatig over deze verbeterstappen geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nrs. 1216 en 1237). Afgelopen zomer heeft de NVWA bijvoorbeeld de erkenning van een slachthuis geschorst vanwege ernstige overtredingen ten aanzien van het dierenwelzijn. Daarmee is het slachtproces voor een aanzienlijke periode stil gelegd totdat het slachthuis het dierenwelzijn in haar bedrijfsvoering naar het oordeel van de NVWA afdoende had ingericht.
De analyse ligt er met deze onderzoeken al en ik zie geen meerwaarde om naar aanleiding van de inspectieresultaten een nieuw extern onderzoek te laten uitvoeren. Het is nu tijd om de verbeteringen verder door te zetten. Daar werkt de NVWA met mijn ministerie nu verder aan. Ik ondersteun dit van harte en zal hier blijvend aandacht voor hebben.
Hoe staat het met de voortgang van het wetsvoorstel voor verplicht cameratoezicht? Acht u het nodig om haast te maken met dit wetsvoorstel? Zo ja, kunt u toezeggen dat het wetsvoorstel voor het eind van dit jaar nog naar de Kamer wordt gestuurd? Zo nee, waarom niet?
De uitwerking van dit wetsvoorstel is in volle gang. Een zorgvuldige voorbereiding van dit wetsvoorstel kost echter tijd. Het eerder genoemde streven voor indiening van een wetsvoorstel bij uw Kamer in het najaar van 2022, is te ambitieus gebleken. Ik streef nu naar indiening van het wetsvoorstel in het voorjaar van 2023. Ook hier verwijs ik u naar de slachthuizenbrief die ik op 22 april jl. aan uw Kamer heb gestuurd (Kamerstuk 28 286, nr. 1237).
Het artikel ‘Een old boys-network: over de ‘zwijg- en angstcultuur’ bij Buitenlandse Zaken’ |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Daar waar u de eerste vrouw ooit op een van de hoogste ambtelijke functies op het departement, de directeur-generaal politieke zaken, had kunnen benoemen, hoe reflecteert u op uw beslissing in de afgelopen maand om uiteindelijk, na het allerlaatste «klikgesprek» met uzelf, toch te kiezen voor een man? Kunt u ingaan op de exacte reden om de mannelijke kandidaat te verkiezen? Heeft u actief uw best gedaan of de opdracht gegeven om, in het geval deze vrouw niet voldoende gekwalificeerd was volgens u, een andere vrouw te vinden voor deze positie? Bent u bereid om deze beslissing te herroepen, gezien de onrust die deze benoeming binnen het ministerie en in de samenleving teweeg heeft gebracht?
Over de afwegingen en conclusies binnen een selectieproces ten aanzien van medewerkers doe ik vanwege het personeelsvertrouwelijke karakter geen mededelingen. Zie in dit verband ook mijn antwoorden op de vragen van het lid Sjoerdsma (D66) over het bericht dat topfuncties op het Ministerie van Buitenlandse Zaken te vaak naar mannen gaan (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2238).
Wat is uw strategie om een cultuurverandering teweeg te brengen, met het oog op het gebrek aan diversiteit aan de top bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, dat al jaren voor discussie zorgt?
Ik heb mij altijd ingezet voor diversiteit en zal dat ook bij Buitenlandse Zaken blijven doen. Diversiteit is overigens al jaren een van de doelstellingen van het personeelsbeleid van het Ministerie. De Bestuursraad werkt hard aan diversiteit in alle lagen van de organisatie. Naar aanleiding van de recente petitie, waarin wordt gesteld dat er onvoldoende voortgang op het terrein van diversiteit wordt bereikt, heeft de secretaris-generaal aan de medewerkers laten weten dat dit signaal door de departementsleiding goed is begrepen en de komende tijd zal worden vertaald in diverse concrete acties.1 Ik zal hier zelf ook een rol in vervullen. De petitie van medewerkers over diversiteit heb ik zeer verwelkomd. In een brief aan alle medewerkers heb ik aangegeven dat het diversiteitsbeleid hoog op mijn agenda staat. Die boodschap heb ik tevens afgegeven in gesprekken met vertegenwoordigers uit alle geledingen van de organisatie.
Hoe reflecteert u op het feit dat wetenschappelijk onderzoek meermaals heeft aangetoond dat werkgevers werknemers uitkiezen die op hen lijken, zelfs als de andere kandidaat betere kwalificaties heeft? Deelt u de wens om de top bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken meer divers te maken? Zo ja, hoe ziet u de rol van een «klikgesprek» in het kader van voorgenoemd wetenschappelijk onderzoek?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe bent u van plan om ervoor te zorgen dat het streefdoel van 50% vrouwelijke leidinggevenden op het ministerie in 2025 wel wordt gehaald en dat daarbij ook de diversiteit in de hoogste twee salarisschalen toeneemt?
Bij de 450–500 overplaatsingen die Buitenlandse Zaken jaarlijks telt, streeft het Ministerie naar een gender balans binnen alle geledingen en op alle niveaus in de organisatie, alsmede naar het percentage van 50% vrouwen in leidinggevende functies per 2025. Dit streven onderschrijf ik. Die boodschap heb ik ook afgegeven aan de medewerkers van het Ministerie. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Wat is uw appreciatie van de uitspraak in het artikel dat er een zwijg- en angstcultuur heerst op het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Deelt u deze analyse? Zo ja, wat is uw strategie om deze zwijg- en angstcultuur te doorbreken?1
Mijn indrukken komen niet overeen met die uit het artikel. Ik heb Buitenlandse Zaken leren kennen als een zeer professionele, toegewijde en open organisatie. Dat neemt niet weg dat wij ons moeten blijven inspannen om er voor te zorgen dat alle medewerkers zich vrij voelen om een kritische houding aan te nemen. De eerder genoemde petitie is daarom ook positief ontvangen.
Hoe ziet u uw positie als een voorbeeldfunctie voor de rest van het ministerie, ook in relatie tot andere leden van het kabinet en tot ministeries?
Op 11 januari 2021 is het rapport uitgekomen van de Adviesgroep Vinkenburg over genderdiversiteit in de top van de (semi-)publieke sector. Met de leden van het kabinet geef ik daaraan opvolging, zoals is afgesproken in de ministerraad van 25 februari 2022: ministeries en hun uitvoeringsorganisaties gaan ernaar streven om binnen vijf jaar te komen tot genderpariteit in de (sub)top (man-vrouw verdeling tussen 45% en 55%). Binnen Buitenlandse Zaken heb ik hierin een voorbeeldfunctie, waar ik werk van wil maken. Zie voorts het antwoord op de vragen 2 en 4.
De top 100 stikstof bronnen |
|
Laura Bromet (GL) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kunt u de Kamer een lijst doen toekomen van de top 100 stikstofbronnen (bedrijven/vergunningen)?
Bij de beantwoording van deze vragen is uitgegaan van een aparte top 100 voor stikstofoxiden (NOx, als NO2; bijlage 1)1 en een aparte top 100 voor ammoniak (NH3; bijlage 2)2. Gezien het verschil in o.a. de verspreiding van deze twee stikstofverbindingen is ervoor gekozen om de lijsten gesplitst weer te geven. Het betreft gegevens afkomstig uit de Emissieregistratie (www.emissieregistratie.nl) over het meest recente jaar (2019). In de Emissieregistratie zijn – in verband met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) – geen namen opgenomen van agrarische bedrijven. Omdat de bedrijfscode die in plaats van de bedrijfsnaam gebruikt wordt bij meerdere organisaties bekend is, is die ook niet ontsloten. In die kolom is aangegeven dat het een veehouderij betreft. Voor de veehouderijen betreft het alleen de stalemissies.
Kunt u deze lijst sorteren/specificeren naar sector en naar regio/gemeente, waarbij privéadressen niet nodig zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bij deze bedrijven/vergunningen aangeven wat de vergunde en de werkelijke uitstoot is (latente ruimte)?
Er is geen zicht op de latente ruimte in de vergunningen. De uitstoot is weliswaar geregistreerd in de emissieregistratie, maar de vergunde uitstoot wordt niet centraal geregistreerd. Dit geldt voor zowel de vergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als die op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb). Daar komt bij dat Wnb-vergunningen worden verleend voor activiteiten en niet voor uitstoot.
Kunt u bij deze bedrijven/vergunningen aangeven welke natuurgebieden het meest direct geraakt worden door de depositie?
Er wordt op dit moment gewerkt aan het op orde krijgen van informatie met betrekking tot depositie op specifieke Natura 2000-gebieden. Daarvoor wordt een methode gehanteerd die leidt tot het inzicht in de totale depositie en de ontwikkeling daarvan per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Per gebied kan vervolgens worden nagegaan wat de opgave is ten aanzien van depositiereductie en kan een koppeling gemaakt worden met de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Provincies werken daarom met stikstofanalyses die inzicht geven in de totale depositie op habitattypen en leefgebieden in de Natura 2000-gebieden en de ontwikkeling daarvan. Die informatie wordt gebruikt in de natuurdoelanalyses die inzichtelijk maken in hoeverre per Natura 2000-gebied voldaan wordt aan de vereisten uit de Habitatrichtlijn en wat de resterende opgave is voor het bereiken van instandhoudingsdoelstellingen. Dit vormt de basis voor samenhang tussen bron- en natuurmaatregelen en is input voor de gebiedsplannen die in 1 juli 2023 gereed zijn. Bij het vormgeven van een gebiedsgerichte aanpak wordt bekeken welke bronmaatregelen het meest passend zijn.
Kunt u bij elk van deze vergunningen aangeven wanneer de vergunning voor het laatst is herzien volgens de richtlijnen voor de beste beschikbare technieken (BBT/BREF) en tot hoeveel minder uitstoot dat heeft geleid?
De richtlijnen voor beste beschikbare technieken (BBT en BREF) leiden niet tot een aanpassing van de Wnb-vergunning, maar wel tot een aanpassing van milieuvergunningen. Veel van de bedrijven uit bijlage I en II – in het bijzonder de industriële bedrijven, maar ook grote varkens- en pluimveehouderijen – vallen onder de werkingssfeer van de Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU). Op grond van artikel 5.10 lid 1 van het Besluit omgevingsrecht geldt voor deze bedrijven een actualisatieplicht van de milieuvergunning (waarbij vergunning en bedrijf binnen 4 jaar na publicatie van het relevante BBT-referentiedocument aangepast moeten zijn). Deze actualisatie gebeurt door het bevoegd gezag en ik heb daarom geen inzicht in de vraag tot hoeveel minder uitstoot dit leidt.
Kunt u bij deze bedrijven aangeven hoeveel directe werkgelegenheid hiermee is gemoeid?
Een vergunning in het kader van de Wnb wordt afgegeven op activiteitsniveau. Soms betreft een activiteit een heel bedrijf, vaker een onderdeel van wijziging van een bedrijf. Er zijn ook bedrijven die – omdat zij al activiteiten ontplooiden voordat Natura2000-gebieden werden aangewezen – geen Wnb-vergunning voor (een deel van hun bedrijf) hoeven te hebben. De depositie van een bedrijf is dus niet rechtstreeks gecorreleerd aan de vergunningsstatus. Het is daarnaast voor een bedrijf ook mogelijk om één activiteit niet meer uit te voeren. Daarmee is geen uitspraak te doen over de directe werkgelegenheid die hiermee is gemoeid.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Stikstofproblematiek van 31 maart?
U heeft de beantwoording ontvangen voor het hoofdlijnendebat van 6 april jl. en binnen de geldende termijn voor de beantwoording van schriftelijke vragen (met inbegrip van het gevraagde uitstel).
Het bericht ‘CBS past indeling rond migratie aan’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «CBS past indeling rond migratie aan na consultatie externe partijen»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de nieuwe indeling rond migratie die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voornemens is te gaan toepassen?
De WRR adviseerde in de publicatie «Migratie en Classificatie: naar een meervoudig migratie-idioom» in 2016 om de term «allochtoon» niet langer te gebruiken, omdat deze uitsluitende effecten sorteerde én in plaats daarvan de term (migratie)achtergrond te hanteren. Ook adviseerde de WRR de classificatie «westers» en «niet-westers» te verlaten. Mijn ambtsvoorganger heeft destijds in een brief aan uw Kamer2 aangegeven het voorstel ten aanzien van de terminologie goed bruikbaar te vinden en dat over te nemen.
Naar aanleiding van ditzelfde WRR-advies is CBS een traject gestart om na te gaan welke categorisering de oude indeling «westers» en »niet-westers» zou kunnen vervangen. De indeling die CBS nu presenteert is gebaseerd op geografische herkomstgebieden, kent verschillende niveaus van nauwkeurigheid en komt daarmee tegemoet aan de eisen zoals die in 2016 door de WRR3 zijn gesteld bij de beoordeling van de geschiktheid van clusters en termen. Ik verwacht dat de nieuwe indeling dan ook goed bruikbaar is als basis voor beleidsinformatie.
Kunt u aangeven op welke manier de overheidscorrespondentie en beleidsterminologie naar aanleiding van deze nieuwe indeling van het CBS zal worden aangepast?
Het CBS kiest voor de term «migranten» om personen aan te duiden die buiten Nederland geboren zijn en voor «kinderen van migranten» voor personen die in Nederland geboren zijn, en tenminste één in het buitenland geboren ouder hebben. De rijksoverheid gaat echter – net zoals het CBS – over zijn eigen woorden en op dit moment is de keuze nog niet gemaakt of het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de terminologie van het CBS zal volgen, of dat de in 2016 door het CBS ingevoerde termen in gebruik zullen blijven, dan wel een variant hierop zal worden gehanteerd. Momenteel wordt er verkend wat de voor- en nadelen van het gebruik van de verschillende termen zijn. Ik wil de uitkomsten van die verkenning afwachten. Ik zal de verkenning samen met mijn visie hierop met de Kamer delen.
Kunt u aangeven hoe de nieuwe indeling van het CBS precies tot stand is gekomen, wat hierbij de afwegingen waren en wat de precieze input was van de gesprekspartners waarmee het CBS heeft gesproken? Wat was de precieze input van de politie?
Het CBS heeft onder andere in een aantal consultaties informatie ingewonnen over de bruikbaarheid van alternatieve indelingen die de verouderde classificatie in «westers», «niet-westers» en «autochtoon» zouden kunnen vervangen. Het CBS is als kennisinstituut onafhankelijk in zijn wetenschappelijke en methodische afwegingen en ik heb geen inzicht in de afwegingen van het CBS, noch in de precieze input van deelnemers.
Met welke gesprekspartners heeft het CBS over de nieuwe indeling gesproken?
Het CBS geeft in het web-artikel aan dat tijdens twee rondetafelgesprekken is gesproken met onder meer vertegenwoordigers van belangengroepen van migranten, de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid, ministeries, universiteiten, het NIDI, Pharos, consultancybureaus en de politie.
Deelt u de mening dat iedere indeling langs lijnen van afkomst altijd ook de gemeenschappelijke identiteit zou moeten benadrukken, en dat het daarom dan ook van belang is om te spreken van «Nederlanders» (het zogenoemde koppeltekenmodel)? Zo neen, waarom niet?
De kern van de kritiek die de WRR in 2016 uitte over de termen «allochtoon», «autochtoon», «westers» en «niet-westers» was dat zij negatieve connotaties hadden en daarmee een uitsluitende werking. De performatieve eisen die de WRR formuleerde4 bij het ontwikkelen van nieuwe clusteringen en termen, sluiten hierop aan: termen zouden zo min mogelijk een uitsluitende werking moeten hebben, geen negatieve associaties moeten oproepen en zoveel mogelijk nevenschikkend en niet onderschikkend moeten zijn. Die eisen onderschrijf ik. De WRR kwam vervolgens na een gedegen onderzoek met het advies om de term «achtergrond» te hanteren. Dit advies is destijds5 door het kabinet gevolgd. In de onder antwoord 3 genoemde verkenning van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal worden afgewogen of het de voorkeur geniet om die termen nu (opnieuw) te vervangen.
In hoeverre is een indeling waarin mensen worden geclassificeerd als «migrant» of «kind van een migrant» volgens u inclusief te noemen?
Dit aspect maakt onderdeel uit van de onder antwoord 3 genoemde verkenning. Ik wil de uitkomsten van die verkenning afwachten.
Deelt u de mening dat met iedere indeling rond herkomst terughoudend dient te worden opgetreden, en dat deze indeling bijvoorbeeld alleen gebruikt kan worden voor het vergroten van de kansengelijkheid, het vergaren van wetenschappelijke kennis en het wegwerken van achterstanden? Zo neen, waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat terughoudendheid gepast is bij het verzamelen van informatie naar herkomst. Zorgvuldige afweging van dataverzameling naar herkomst en duidelijke communicatie over de context van publicatie van deze cijfers is van belang. Tegelijkertijd zijn dit soort inzichten naar herkomst onontbeerlijk voor een evidence-based beleidsontwikkeling en -evaluatie.
De situatie van Nederlanders in Rusland en het reisadvies van de Rijksoverheid voor Rusland. |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat de dreiging van Russische militaire agressie tegen Oekraïne ook risico’s voor Nederlanders in Rusland met zich meebrengt? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft zeer grote zorgen over de effecten van de Russische aanvalsoorlog in Oekraïne. Uw Kamer heeft op 26 februari jl. een Kamerbrief ontvangen over de huidige situatie en de Nederlandse inzet.
Als gevolg van de Russische aanvalsoorlog in Oekraïne ontraadt het Ministerie van Buitenlandse Zaken in het reisadvies voor Rusland alle reizen naar de aan Oekraïne grenzende oblasten (provincies) Branskaya, Kurskaya, Belgorodkaya, Voronezhkaya en Rostovskaya. Het reisadvies voor heel Rusland, naast de rode gebieden, is oranje met het advies alleen noodzakelijke reizen te maken. Ook wordt er een dringende oproep gedaan aan Nederlanders in Rusland om te overwegen of hun verblijf echt noodzakelijk is. Er wordt daarnaast melding gemaakt van onzekerheden over internationaal vliegverkeer en betalingsverkeer. Zo is er een waarschuwing opgenomen dat het niet langer mogelijk is om met alle buitenlandse bankpassen en creditcards te pinnen en geld op te nemen.
De ontwikkelingen met betrekking tot de Russische aanvalsoorlog in Oekraïne volgen elkaar in hoog tempo op. Hoewel het kabinet hecht aan zowel zorgvuldige als actuele informatievoorziening aan de Kamer kunnen nieuwe aanpassingen in het reisadvies na verzending van deze antwoorden niet worden uitgesloten.
Er zijn bij het kabinet geen signalen bekend van een potentiele dreiging gericht tegen Nederlandse burgers die in Rusland verblijven. Uiteraard blijft het kabinet de situatie nauwgezet volgen, waarbij ook nauw contact wordt gehouden met internationale partners.
Hoe groot acht u de kans dat Rusland, in het geval van militair conflict met Oekraïne, besluit tot vergeldingsmaatregelen tegen in Rusland verblijvende Westerse staatsburgers in het algemeen en Nederlandse staatsburgers in het bijzonder?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe groot acht u de kans, in het geval van militair conflict tussen Rusland en Oekraïne, dat het vliegverkeer tussen grote Russische steden en Europa stil komt te liggen?
Het antwoord op deze vraag zal worden meegenomen in de beantwoording door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van de vragen van de leden Boucke en Sjoerdsma (beiden D66) over het bericht «Groot-Brittannië doet Aeroflot in de ban als gevolg van Russische agressie»
(https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/kamervragen/detail?id=2022Z03845&did=2022D07902).
Bent u bekend met het Amerikaanse reisadvies voor Rusland (level 4 op een schaal van 1–4) en het feit dat de Verenigde Staten haar burgers afraadt om naar Rusland te reizen in verband met het Russische conflict met Oekraïne, de mogelijkheid van intimidatie van Amerikaanse burgers door Russische (veiligheids)diensten, de beperkte assistentiemogelijkheden in Rusland en de mogelijkheid van het arbitraire gebruik van lokale wetgeving jegens buitenlanders?1
Ja.
Hoe oordeelt u, indachtig het Amerikaanse reisadvies, over het huidige reisadvies van de rijksoverheid voor Nederlanders in Rusland of Nederlanders met de intentie om naar Rusland te reizen?
Tijdens het debat over Oekraïne deed ik de toezegging om te kijken naar de tekst van het reisadvies voor Rusland. De tekst is inmiddels aangescherpt met een dringende oproep aan Nederlanders om te overwegen of verblijf echt noodzakelijk is, waarbij specifiek benadrukt wordt dat dit zeker geldt voor mensen die tijdelijk in Rusland zijn, zoals studenten of zakenreizigers. Voor Nederlanders die permanent gehuisvest zijn in Rusland luidt het advies om na te denken over tijdig vertrek en te zorgen voor een noodpakket.
Het kabinet heeft alle beschikbare informatie over (mogelijke) risico’s voor Nederlanders in Rusland afgewogen om tot het huidige reisadvies te komen. Dat advies is in lijn met het advies van andere EU-landen. Uit het VS reisadvies blijkt dat de VS specifieke risico’s voor de eigen burgers ziet. Het kabinet schat de risico’s voor Nederlandse burgers anders in.
Uiteraard blijft het kabinet de situatie nauwgezet volgen en in nauw contact met internationale partners.
Klopt het dat de kleurcode in het reisadvies voor het overgrote deel van Rusland geel is? Zo ja, is dat niet achterhaald en zouden de risico’s, zoals ook omschreven in het Amerikaanse reisadvies, niet nadrukkelijker moeten worden benoemd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vragen 1 en 2 zijn er meerdere wijzigingen doorgevoerd in het reisadvies voor Rusland naar aanleiding van de Russische aanvalsoorlog in Oekraïne. Bij het kabinet zijn geen signalen bekend van een potentiële dreiging tegen Nederlandse burgers die in Rusland verblijven. Wel worden alle Nederlanders in Rusland opgeroepen overal waakzaam te zijn. Daarnaast wordt in het reisadvies verwezen naar een crisispagina op www.nederlandwereldwijd.nl met informatie over stappen die mensen kunnen nemen bij een dreigende crisis waarbij ook wordt ingegaan op het belang van een tijdig besluit over vertrek. Ook organiseerden de Nederlandse Ambassade in Moskou en het Consulaat-Generaal in Sint-Petersburg op 1 maart jl. een online bijeenkomst voor alle Nederlanders die zich bij de BZ informatieservice hadden geregistreerd. Tijdens de bijeenkomst gaf de Nederlandse Ambassadeur een toelichting op de huidige ontwikkelingen, werd de boodschap van het reisadvies benadrukt en was er een mogelijkheid tot het stellen van vragen.
Uiteraard blijft het kabinet de situatie nauwgezet volgen en zal het reisadvies aangepast worden indien nodig. Ook blijft het Kabinet in nauw contact met internationale partners.
Zouden Nederlanders niet moeten worden gewaarschuwd en worden geadviseerd alleen bij zeer dringende redenen nog naar Rusland af te reizen zolang de mogelijkheid tot militair conflict tussen Rusland en Oekraïne zo urgent is als nu?
Zie antwoord vraag 6.
Heeft u ook in Rusland de oproep gedaan aan Nederlandse staatsburgers om zich te laten registreren, zodat u beter zicht heeft op de Nederlanders in dat land?
In het reisadvies voor Rusland worden Nederlanders in Rusland opgeroepen om zich te registreren bij de ambassade via de informatieservice van Buitenlandse Zaken.
Kunt u deze vragen gezien de urgentie van de situatie zo snel mogelijk beantwoorden?
Deze vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Op bezoek bij omstreden fietskoeriers: ‘We zullen nooit pushen om harder te rijden’' |
|
Lisa van Ginneken (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat de snelle opkomst van flitsbezorgers kan leiden tot onveilige situaties in het verkeer, overlast en achteruitgang van het straatbeeld?1
De vraag naar een snelle levering van producten, zoals maaltijden en boodschappen, is in de afgelopen jaren enorm toegenomen. Ter illustratie, uit een recente enquête van de gemeente Amsterdam blijkt dat 28% van haar inwoners zeer vaak (wekelijks) gebruik maakt van een bezorgdienst.2 Tegelijkertijd geven inwoners van verschillende steden aan dat zij te maken hebben met overlast door flitsbezorgers, zoals geluidsoverlast en vuilnis op straat. Er zijn geen cijfers bekend dat flitsbezorgers leiden tot onveilige situaties in het verkeer. Wel blijkt uit de genoemde enquête dat veel inwoners van Amsterdam (68%) zich storen aan het rijgedrag van flitsbezorgers, zoals het geen voorrang verlenen bij een zebrapad en rijden waar het niet mag, bijvoorbeeld op de stoep. Dit kan tot onveilige situaties in het verkeer leiden.
Welke instrumenten heeft u om gemeenten te helpen regels in te stellen ter beperking van deze negatieve effecten, met name op het gebied van verkeersveiligheid?
Verschillende gemeenten, zoals Amsterdam en Rotterdam, hebben recent besloten de vestiging van nieuwe distributiecentra van flitsbezorgdiensten tijdelijk te verbieden om ondertussen te werken aan nieuwe bestemmingsplannen, inclusief randvoorwaarden voor bezorgdiensten. Het is voorstelbaar dat een van die randvoorwaarden verkeersveiligheid betreft. Gemeenten beschikken hiervoor over een eigen instrumentarium. In het gesprek met gemeenten zal worden bekeken op welke wijze het Ministerie van IenW hierbij kan ondersteunen. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Bent u van mening dat het instellen van een gebiedsontsluitingweg met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur kan helpen in de verkeersproblematiek door in die gevallen flitsbezorgers naar dit deel van de weg te verplaatsen?
De gebiedsontsluitingsweg 30 km/h (GOW30) is een nieuwe wegcategorie, waarvan de inrichtingskenmerken op dit moment door CROW in opdracht van mijn ministerie worden uitgewerkt. Bij deze uitwerking worden ook stakeholders zoals gemeenten betrokken. Het streven is om de inrichtingskenmerken voor de GOW30 eind van dit jaar gereed te hebben. Dan is ook duidelijk waar flitsbezorgers op een GOW30 mogen rijden. Pas wanneer ervaring is opgedaan met deze inrichtingskenmerken kan worden onderzocht wat voor effect dit heeft op flitsbezorgers binnen het verkeer.
Hoe staat het met het onderzoek dat uw voorganger heeft aangekondigd naar de snelle opmars van flitsbezorgers?
Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) doet onderzoek naar de kansen en uitdagingen van lichte elektrische vrachtvoertuigen in de stedelijke distributie. Het KiM kijkt in dit onderzoek breed naar verschillende type elektrische voertuigen die hiervoor worden ingezet. Denk aan bezorging van goederen met de elektrische (bak)fiets, maar ook aan compacte elektrische distributiewagens. In het onderzoek is aandacht voor maatschappelijke effecten, zoals verkeersveiligheid. De resultaten van het onderzoek zijn in de zomer van 2022 gereed. Daarnaast start de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) dit jaar met een onderzoek naar fietsbezorgers. De eerste resultaten zijn naar verwachting aan het eind van dit jaar gereed en worden dan met uw Kamer gedeeld.
Kunt u de Kamer hierover nader informeren vóór het commissiedebat Verkeersveiligheid
Nee, de resultaten zijn nog niet beschikbaar voor het commissiedebat op 20 april 2022. Ik zal uw Kamer hierover zo spoedig mogelijk informeren.
Kunt u toelichten wat de opbrengsten zijn van uw gesprekken met de G4 over deze problematiek?
Met de G4 lopen reeds gesprekken over de verkeersveiligheid van maaltijdbezorgers. De komende periode vindt overleg met de G4 plaats waarbij ook de problematiek van flitskoeriers wordt betrokken. De uitkomsten hiervan worden na de zomer met uw Kamer gedeeld.
Kunt u uiteenzetten wat de resultaten zijn van de inspanningen van TeamAlert om jongeren die als flitsbezorger werken meer inzicht te geven in hun gedrag in het verkeer?
Jonge flitsbezorgers zijn ook bij TeamAlert een zorgpunt. Om meer inzicht te krijgen in het verkeersgedrag van jonge flitsbezorgers is TeamAlert eind vorig jaar een enquête gestart onder deze groep. Hiermee willen zij inzicht krijgen in welke verkeersveiligheidsrisico’s er spelen onder flitsbezorgers, hoe deze mogelijk te voorkomen zijn en hoe de werkgever daarin een rol kan spelen. De resultaten en aanbevelingen van dit onderzoek worden dit voorjaar gepubliceerd door TeamAlert. Daarnaast is TeamAlert vorig jaar begonnen met de oprichting van een online platform voor maaltijdbezorgers en hun werkgevers, dat informatie en interventietools biedt, zoals een online gevaarherkenningstraining. De website wordt voor de zomer van 2022 gelanceerd en zal qua inhoud ook relevant zijn voor flitsbezorgers en hun werkgevers.
Bent u in overleg met uw collega’s van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de effecten van flitsbezorgers op woningtekorten, leefbaarheid en arbeidsomstandigheden?
Er is op dit moment geen overleg met deze collega’s hierover, maar het is bekend dat de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) bijzondere aandacht besteedt aan de arbeidsrisico’s die samenhangen met maaltijdbezorging – en flitsbezorging – zoals arbeid door minderjarigen, arbeidsveiligheid, illegale tewerkstelling en onderbetaling. Voor wat betreft de effecten van flitsbezorgersdiensten op de leefbaarheid en bestemming van bedrijfsruimten in woon-en winkelgebieden, zijn gemeenten zelf aan zet. We zien inmiddels dat verschillende gemeenten maatregelen nemen tegen (nieuwe) vestigingen van flitsbezorgdiensten. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Het mogelijk verdwijnen van de Bredabus |
|
Inge van Dijk (CDA), Harry van der Molen (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Van Zeeland tot Breda: politici willen Bredabus koste wat kost behouden»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht.
Deelt u de zorgen van de inwoners van Hulst en omstreken en de lokale politici over het mogelijk verdwijnen van buslijn 19, de zogeheten Bredabus, tussen Hulst en Breda?
Vanzelfsprekend deel ik de mening dat goed OV van grote maatschappelijke waarde is. Ik zie er dan ook op toe dat vervoerders en OV-autoriteiten zich inspannen om reizigers zo goed mogelijk te helpen. Voor een optimaal aanbod zijn de primair verantwoordelijke OV-autoriteiten continue bezig met het bijstellen van dienstregelingen.
De verantwoordelijke OV-autoriteit, de provincie Zeeland, heeft me laten weten ook het belang van de verbinding Hulst-Breda te zien en wil deze daarom ook graag behouden. Mede door sterk toenemende exploitatiekosten van deze lijn, ziet de provincie wel de noodzaak om te kijken naar mogelijke alternatieven voor deze verbinding.
Deelt u de mening dat de Bredabus van grote maatschappelijke waarde is voor Zeeuws-Vlaanderen en dat deze verbinding cruciaal is voor veel jongeren uit Zeeuws-Vlaanderen die studeren, werken en/of sporten in Brabant?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van het voorstel van de provincie Zeeland om de bus niet verder dan Antwerpen te laten rijden, waarvandaan studenten de trein naar Nederland kunnen nemen, maar geen gebruik kunnen maken van hun studentenreisproduct?
De provincie Zeeland heeft me laten weten dat vanwege filevorming en een parallel lopende trein de dienstregeling anders wordt ingericht, waardoor de reiziger op Antwerpen overstapt op de trein en een snellere verbinding met Breda heeft. De Provincie Zeeland is in gesprek met NS over de mogelijkheid om studenten (met studentenreisproduct) gratis via Antwerpen te laten reizen.
Daarnaast heeft de provincie in de regionale mobiliteitsstrategie het volgende vastgesteld: «Voor de verbinding vanuit Hulst wordt uitgegaan dat reizigers in Antwerpen een goede aansluiting op de trein naar Breda krijgen. Daarbij wordt zorg gedragen dat studenten niet te maken krijgen met oplopende reiskosten».2 Het stemt mij daarom positief dat de provincie Zeeland op zoek is naar mogelijkheden om ervoor te zorgen dat studenten geen hogere reiskosten krijgen door deze aanpassing in de dienstregeling.
Deelt u de mening dat het onredelijk is om Nederlandse studenten te laten opdraaien voor hun reiskosten, terwijl eigenlijk voor hen een studentenreisproduct beschikbaar moet zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om, conform de unaniem aangenomen motie-Geurts2, het maatschappelijk belang van de Bredabus te benadrukken bij het provinciebestuur van zowel Zeeland als Brabant, zodat deze buslijn voor de toekomst behouden kan blijven?
De provincie Zeeland heeft laten weten het maatschappelijke belang van de verbinding Hulst-Breda te delen. De provincie Noord-Brabant is geen concessieverlener voor de Bredabus.
Welke mogelijkheden ziet u om de verschraling van het openbaar vervoer in Zeeland in samenwerking met de provincie Zeeland en de Zeeuwse gemeenten tegen te gaan, om de bereikbaarheid en daarmee de leefbaarheid van Zeeuwse dorpen en steden te waarborgen?
Decentrale overheden en vervoerders moeten en mogen hun eigen afwegingen maken voor een goede dienstregeling en op weg naar een toekomstvast OV-systeem. De afwegingen die daarbij worden gemaakt behoren tot de verantwoordelijkheid van de concessieverlener (in dit geval de provincie Zeeland) in afstemming met de vervoerder. Aanpassingen in het aanbod stemmen zij vervolgens af met de gemeenten in het concessiegebied, waarbij de (regionale) reizigersorganisaties adviesrecht hebben. Deze manier van werken past bij de decentralisatie van het stads- en streekvervoer.
De provincie Zeeland heeft laten weten geen verschraling van het OV te zien, maar juist een verbetering van de reismogelijkheden. Op meer plaatsten en meer tijden zal er mobiliteit beschikbaar zijn. Dit aanbod zal echter niet alleen bestaan uit grote bussen, maar een combinatie van snel openbaar vervoer en fijnmazige mobiliteit.
WEF vs vaccin alliantie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze e-mail die naar het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is verstuurd op 6 november 2020 om 9:51 met als titel «WEF vs vaccin alliantie»?1
Ja. Volledigheidshalve merk ik op dat het een interne VWS mail betreft en geen mail aan het Ministerie van VWS.
Wordt met «WEF» in deze e-mail gericht aan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het «World Economic Forum» bedoeld?
Ja.
Wordt met «MOU» verwezen naar «Memorandum of Understanding»? Kan de Kamer deze MOU ontvangen?
Ja, MOU is Memorandum of Understanding. De Kamer heeft deze MoU twee jaar geleden ontvangen, als bijlage bij de Kamerbrief van 4 juni 2020, over de actuele stand van zaken met betrekking tot de uitbraak van COVID-19.2
Naar welk «document van de WEF» wordt in deze e-mail verwezen? Wat staat er in dit document? Kan de Kamer dit document ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Zie bijlage 1 bij de antwoorden op uw vragen over WEF Alliantie (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2671).
Wordt met «het WEF voorstel» in deze e-mail hetzelfde bedoeld als het «document van de WEF»? Zo nee, waarover gaat dit «WEF voorstel»? Kan de Kamer dit «WEF voorstel» ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Is de «diepgaandere analyse van het WEF voorstel en hun overige activiteiten op gebied van corona» waarover wordt gesproken in deze e-mail verricht? Zo ja, kan de Kamer deze analyse ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Zie bijlage 2 bij de antwoorden op uw vragen over WEF Alliantie (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2671).
Verwijst «hun overige activiteiten» in deze e-mail naar activiteiten van het WEF? Zo ja, welke activiteiten worden hiermee bedoeld?
De SARS-CoV-2-pandemie was voor het WEF aanleiding om hier op veel vlakken aandacht aan te besteden. Voor een beeld van deze activiteiten verwijs ik graag naar de website van het WEF: https://www.weforum.org/platforms/covid-action-platform
Waarom acht de schrijver van deze e-mail het noodzakelijk «een wat diepgaandere analyse van het WEF voorstel en hun overige activiteiten op het gebied van corona» op papier te zetten? Waarom is dit van belang?
In die tijd speelde de oprichting van de Inclusive Vaccine Alliance en het was van belang daarbij een goed beeld te hebben van relevante ontwikkelingen en/of mogelijk vergelijkbare initiatieven.
Wat is de status van het betreffende «WEF voorstel» en/of «het document van de WEF» waarnaar wordt verwezen in de e-mail? Staan hierin kaders of eisen waaraan de «inclusieve vaccin alliantie» moet voldoen?
De status was een voorstel zoals in die tijd gedaan door het WEF. In het WEF voorstel wordt ingegaan op de oprichting van een zogenaamde «manufacturers alliance for a global equitable access to coronavirus vaccins». De door Nederland, samen met Frankrijk, Duitsland en Italië opgerichte Inclusive Vaccine Alliance stond hier los van. In het voorstel worden dan ook geen kaders beschreven voor de Inclusive Vaccine Alliance. Als aangegeven in de beantwoording op vraag 4, is een kopie van dit WEF voorstel als bijlage 1 bij de antwoorden op uw vragen over WEF Alliantie (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2671) meegestuurd.
Indien dit niet het geval is, waarom vraagt de briefschrijver zich dan af of het wellicht «wenselijk» is «het document van de WEF tegen de MOU» af te zetten?
Zie tevens de beantwoording van vraag 8. Beoogd werd een beeld te krijgen van de ontwikkelingen binnen het WEF. Doel van de Inclusive Vaccine Alliance was om de krachten te bundelen in de onderhandelingen met ontwikkelaars/fabrikanten van een aantal veelbelovende vaccinkandidaten, om daarmee te zorgen voor tijdige beschikbaarheid van zoveel mogelijk COVID-19-vaccins voor de EU-bevolking. Ook was daarbij aandacht voor de mogelijkheid om vaccins te kunnen doneren aan kwetsbare landen. In het voorstel van het WEF beoogde men iets anders, namelijk het creëren van grote «multi-country contract manufacturing netwerken», om uiteindelijke voldoende productiecapaciteit mondiaal beschikbaar te krijgen voor geregistreerde vaccins.
Indien dit niet het geval is, waarom is de titel van deze e-mail dan «WEF vs vaccin alliantie»?
Het onderwerp gaat enkel in op de onderliggende vraag in de mail, of het nuttig is om een vergelijking te maken tussen de beide ontwikkelingen.
Kunnen de bovenstaande vragen ieder afzonderlijk beantwoord worden?
Ja.