Het bericht ‘Medewerkers van GGD moeten weg na drie tijdelijke contracten’ |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Medewerkers van GGD moeten weg na drie tijdelijke contracten»?1
Ja.
Klopt het dat u herhaaldelijk contact hebt gehad met GGD GHOR over de tijdelijke contracten van medewerkers op test- en vaccinatielocaties?
Er zijn inderdaad gesprekken geweest tussen SZW, VWS, GGD GHOR en verschillende GGD-organisaties over hun personeelsbeleid tijdens de coronacrisis.
Bij hoeveel GGD-medewerkers is het einde van hun derde tijdelijke contract in zicht?
In de gesprekken bleek dat GGD-organisaties hun personeelsbeleid op uiteenlopende wijzen organiseren. Afhankelijk van het beleid dat zij hanteren, lopen GGD-organisaties tegen het maximale aantal tijdelijke contracten aan. De inschatting is dat hier om ongeveer 3.000 tot 5.000 medewerkers gaat.
Bent u het ermee eens dat het afscheid nemen van tijdelijke GGD-medewerkers zeer ongewenst is, aangezien de test- en vaccinatievraag de komende weken en maanden alleen maar zal stijgen en dit eerder zal vragen om een uitbreiding van het aantal GGD-medewerkers dan een afname?
Het is belangrijk dat er binnen de GGD-organisaties een combinatie is tussen flexibiliteit en continuïteit in de test-, BCO- en vaccinatiecapaciteit. De GGD’en hebben aangegeven dat het wenselijk is om ingewerkte collega’s niet te moeten vervangen door nieuwe krachten.
Wat kunt u doen om tijdelijke, en inmiddels ervaren GGD-medewerkers te behouden, met een extra tijdelijk of vast contract? Welke ad hoc, onconventionele of creatieve oplossingen zijn te bedenken?
Allereerst zijn de GGD-organisaties als werkgever zelf verantwoordelijk om hun personeelsbeleid te voeren en daarmee voor de wijze waarop zij (tijdelijke) werknemers inzetten en behouden als deze belangrijk zijn voor de organisatie. De verschillende GGD-organisaties hebben hun personeelsbeleid op uiteenlopende wijze georganiseerd. Wanneer de GGD deze personeelsleden wil behouden en derhalve de contracten wil verlengen dan is de GGD wettelijk verplicht om deze personeelsleden op een gegeven moment een vast contract aan te bieden.
Tegelijkertijd kan de GGD het zich niet veroorloven om met de groeiende opgave op het gebied van testen en vaccineren deze ingewerkte mensen te vervangen door nieuwe mensen. Temeer omdat ze naast deze ingewerkte mensen sowieso meer personeel nodig hebben om de benodigde opschaling te kunnen realiseren. Dat is de afweging die gemaakt moet worden.
Herkent u het bericht van de GGD dat zij structurele covid-financiering nodig hebben om deze medewerkers een vast contract te geven? Welke mogelijkheden hebben de GGD’en om in deze crisistijd mensen vast in dienst te nemen en na de crisistijd deze contracten via het UWV te ontbinden? Wat kunt u hier verder in betekenen?
Het is mogelijk om werknemers een contract voor onbepaalde tijd aan te bieden indien het noodzakelijk is voor de uitvoering van het bevel om ingewerkt personeel te behouden. Dat staat op zich los van structurele financiering. Als een GGD een werknemer in vaste dienst neemt en er is op een gegeven moment geen werk meer voor deze mensen en ook geen mogelijkheid tot herplaatsing bij dezelfde werkgever dan kan een bedrijfseconomisch ontslag worden aangevraagd bij de UWV. UWV is bevoegd over deze aanvraag te beslissen, tenzij op grond van de toepasselijke cao een op grond van die cao ingestelde ontslagcommissie hiertoe bevoegd is.
Daarbij is wel relevant dat voor de medewerkers van de GGD de CAO SGO of de CAR UWO van toepassing blijkt. In deze cao’s is geregeld dat voor medewerkers die boventallig worden als ze langer dan 24 maanden in dienst zijn een werk-naar werk regeling geldt van maximaal twee jaar. In die twee jaar is dan wel de opzegtermijn opgenomen. Ook kunnen deze medewerkers recht krijgen op een boven- en nawettelijke WW-uitkering op grond van de cao. Daardoor zijn er, naast de wettelijke kosten, aanvullende kosten op grond van de cao om werknemers langer dan 24 maanden in dienst te houden.
Door deze regeling kan het zijn dat personeelskosten nog enige tijd doorlopen, mocht het besluit komen om testen/traceren/vaccineren structureel te verkleinen of te stoppen. Deze kosten evenals de transitievergoeding zullen door VWS worden gefinancierd op grond van de meerkostenregeling. Het gaat hier over mensen die in dienst zijn genomen voor de uitvoering van het bevel betreffende de covid-19 pandemie. Hierbij gaat het Ministerie van VWS ervan uit dat de GGD’en hun verantwoordelijkheid voor een goed personeelsbeleid (blijven) nemen. Hiermee is er voor de GGD-en voldoende financiële zekerheid.
Wat verwacht u van de GGD GHOR en regionale GGD-organisaties om bij te dragen aan een oplossing? Wat is daarin redelijk, gegeven de ontbrekende structurele covid-financiering die de GGD ontvangt?
GGD GHOR en regionale GGD’en kunnen mensen waarvan voor de derde keer een tijdelijk contract afloopt indien noodzakelijk een contract voor onbepaalde tijd aanbieden, zie vraag 6 voor verdere uitwerking. Ik heb aan de GGD’en gevraagd of zij op korte termijn de omvang van de groep(en) werknemers in kaart kunnen brengen, evenals de financiële implicaties die hieruit voortvloeien. Op basis daarvan zullen VWS en de GGD’en gezamenlijk tot een afbakening komen in welke situaties het niet mogelijk is deze kosten in te brengen bij de meerkostenafspraak. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat een medewerker langer behouden wordt voor de reguliere organisatie van de GGD.
Wat is te leren van de uitzondering die voor invalkrachten in het onderwijs wordt geboden om tijdelijke contracten te verlengen?
Inderdaad is met de Wet arbeidsmarkt in balans een wettelijke uitzondering op de ketenbepaling gemaakt voor invalkrachten die invallen wegens ziekte in het primair onderwijs. Dit is een specifieke wettelijke uitzondering. Zoals ik in antwoord 6 heb aangegeven is het mogelijk in deze gevallen werknemers op een contract voor onbepaalde tijd aan te nemen, en indien de coronapandemie en dit werk voor de GGD-organisaties afloopt een verzoek in te dienen voor bedrijfseconomisch ontslag. Dat lijkt voor de korte termijn de meest logische oplossing voor GGD-organisaties. Een wetswijziging om ook voor deze groep een uitzondering te bewerkstelligen is daarom momenteel niet aan de orde. Daarbij zou een wetswijziging op zeer korte termijn deze werknemers, die nu juist zulk belangrijk werk doen, rechten ontnemen.
Deelt u de mening dat het in principe beter is als werknemers een vast contract krijgen in plaats van drie tijdelijke contracten achter elkaar?
Het is natuurlijk de wens van dit kabinet om meer mensen in vaste dienst te krijgen. Tegelijkertijd kunnen er voor werkgevers goede gronden zijn om mensen op tijdelijke basis in te zetten. Een crisis is zo’n voorbeeld.
Welke knelpunten zijn in de toekomst te verwachten rond het dienstverband van GGD-medewerkers? Wat gaat u doen om deze knelpunten te voorkomen dan wel op te lossen?
Natuurlijk blijven SZW, VWS met de GGD GHOR Nederland en regionale GGD-organisaties in gesprek om knelpunten die op dit punt in de toekomst opkomen te voorkomen dan wel op te lossen.
Dreigende grootschalige stroomuitval |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrees voor blackouts stroomnet bij barre winter»?1
Ja.
Hoe reageert u op de waarschuwing van energie-experts voor een grootschalige stroomuitval in Europa deze winter vanwege de schaarste aan gas, de sluiting van de kolencentrales en te weinig beschikbare «groene» stroom?
Op 2 juli 2021 informeerde ik uw Kamer over de leveringszekerheid van elektriciteit (Kamerstuk 29 023, nr. 269). De leveringszekerheid van elektriciteit is van groot belang voor de Nederlandse samenleving en economie. TenneT brengt elk jaar een monitor leveringszekerheid uit. De leveringszekerheid van elektriciteit is momenteel op orde. De monitorrapportages die TenneT de afgelopen jaren heeft gepubliceerd, lieten hetzelfde beeld zien2.
Op Europees niveau is op 23 november 2021 door het «European Network of Transmission System Operators for Electricity» (ENTSO-E) de «European Resource Adequacy Assessment, 2021 Edition» (ERAA 2021) uitgebracht. De ERAA 2021 laat zien dat het Europese elektriciteitssysteem veilige elektriciteit kan leveren, zelfs in het licht van een ongekende energietransitie. ENTSO-E brengt ook jaarlijks een «Winter Outlook» uit waarin de situatie voor de komende winter aan de hand van onder andere weerspatronen en uitval van centrales wordt doorgerekend. In de «Winter Outlook 2021–2022» van 1 december 2021 worden door ENTSO-E in het algemeen geen risico’s voor de leveringszekerheid gezien voor deze winter. Ook niet met de hoge gasprijzen van eind 2021 en ook niet voor Nederland specifiek. Op het continent worden alleen in Frankrijk risico’s waargenomen bij extreem koud weer dat in Frankrijk tot een stijgende elektriciteitsvraag leidt.
Voor wat betreft de actuele situatie in de gasmarkt en voorbereidingen ten aanzien van het uitvoeren van het Bescherm- en Herstelplan Gas verwijs ik u naar de gelijktijdig met deze antwoorden verzonden brief hierover.
Hoe groot acht u de kans dat een grootschalige stroomuitval zich ook in Nederland de komende winter zal voordoen? Wat doet u om dit te voorkomen?
Om voorbereid te zijn voor het geval de leveringszekerheid in het geding is en de overheid maatregelen moet nemen, volgt in de Energiewet een bepaling waarmee TenneT opgedragen kan worden een strategische reserve in te richten. Ook laat de ACM momenteel een onderzoek uitvoeren naar de Value of lost load (VoLL) voor Nederland. De VoLL is de waarde van de vraag waaraan in tijden van schaarste niet kan worden voldaan. Anders geformuleerd: het is de prijs die afnemers zouden hebben willen betalen om in tijden van schaarste noodzakelijke afschakeling te voorkomen. De VoLL is een centraal begrip bij het analyseren van de leveringszekerheid. Het geeft aan wat de waarde is van een ononderbroken levering van elektriciteit en geeft daarmee ook weer boven welke prijs het maatschappelijk niet meer efficiënt is om voor leveringszekerheid te zorgen. Behoud van leveringszekerheid komt met stijgende meerkosten. Op een bepaald moment, vanaf de VoLL, is het verstandiger om tijdelijk vraag af te schakelen dan het systeem zo in te richten dat er een groot vermogen aan (grotendeels stilstaande) productie-installaties staat om ook in schaars voorkomende situaties leveringszekerheid voor alle gebruikers te blijven garanderen.
Een studie naar de VoLL en de jaarlijkse monitoring geven marktpartijen inzichten in de waarde van elektriciteit en voorziene leveringszekerheid. Dit stimuleert het ontwikkelen van businesscases in bijvoorbeeld opslag en CO2-vrij regelbaar vermogen. Het in de brief van 2 juli 2021 (Kamerstuk 29 023, nr. 269) aangekondigde onderzoek naar de ontwikkeling van CO2-vrije flexibiliteit is inmiddels ook openbaar gemaakt3, onder andere voor verdere bespreking met partijen uit het klimaatakkoord en extra inzichten voor marktpartijen.
Vanwege de Europese elektriciteitsmarkt zal Nederland bij eventuele krapte in andere landen maximaal elektriciteit exporteren. De zogenaamde «dag vooruitmarkt» in Europa4 is echter zo ingericht dat de export zodanig wordt begrensd, dat er geen fysiek tekort kan optreden in betreffende exporterende landen. Hierdoor wordt voorkomen dat er stroomuitval in Nederland ontstaat als gevolg van export.
De verwachting op basis van de Monitoring Leveringszekerheid 2021 van TenneT in het Europese scenario voor het jaar 2022, is dat het aanbod in de vraag zou kunnen voorzien5. De resultaten van die monitoring leveringszekerheid op de korte tot middellange termijn gaven TenneT geen directe aanleiding om de overheid te adviseren om maatregelen te treffen om de leveringszekerheid van elektriciteit op deze termijn in Nederland te waarborgen. TenneT brengt deze monitoring jaarlijks uit en voert elk jaar aanpassingen door om de leveringszekerheid in de veranderende elektriciteitsmarkt goed te blijven monitoren.
Hoe reageert u op de conclusie van GasUnie dat in Nederland «alles onder controle is omdat er hier nog geen enorme kou is voorzien die het gastransportnet in problemen zou kunnen brengen»? Bij welke enorme kou (temperatuur) ontstaan er wel problemen?
Ik verwijs ook naar de antwoorden van de Staatssecretaris Klimaat en Energie op vragen van het lid Bontenbal (CDA) over de fors hogere elektriciteits- en gasprijzen zoals op 24 december 2021 verstuurd (Tweede Kamer, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1213). In die beantwoording ga ik ook verder in op de vulgraad van de Nederlandse gasopslagen. Voor wat betreft de actuele situatie in de gasmarkt en voorbereidingen ten aanzien van het uitvoeren van het Bescherm- en Herstelplan Gas verwijs ik u naar de gelijktijdig met deze antwoorden verzonden brief hierover.
Sinds de zomer is er sprake van een uitzonderlijke situatie op de gasmarkt. De energieprijzen, en in het bijzonder die van gas, zijn in de afgelopen maanden fors gestegen. Het kabinet ziet dat deze situatie onzekerheid oplevert omdat huishoudens en ondernemers zich zorgen maken of de prijzen blijven stijgen en of ze hun energierekening nog kunnen betalen. Het kabinet erkent deze zorgen. Energie is een basisbehoefte en moet zodoende beschikbaar en betaalbaar zijn en blijven. Het kabinet heeft daarom maatregelen genomen als compensatie voor de stijgende energieprijzen.
Fysiek is het Nederlandse gastransportnet uitgelegd op het aankunnen van de verwachte gasvraag die zich bij daggemiddelde effectieve temperaturen tot en met – 17 graden Celsius voordoet. Dat is de koude temperatuur die zich in Nederland (meetpunt De Bilt) met een statistische waarschijnlijkheid van eenmaal in de 50 jaar voordoet. Met de norm van eenmaal in de 50 jaar gaat Nederland verder dan de EU vereist. Verordening (EU) 2017/1938 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid hanteert namelijk een norm van een koude temperatuur die zich eenmaal in de 20 jaar voordoet. In aansluiting daarop heeft Gasunie Transport Services (GTS) ingevolge het Besluit Leveringszekerheid Gaswet de wettelijke taak voorzieningen te treffen voor het afdekken van de verwachte gasvraag van kleinverbruikers in het geval van bijzonder koude omstandigheden, de zogenaamde pieklevering. Hiervoor koopt GTS zowel volume als capaciteit in, om daarmee de extra kleinverbruikersvraag vanaf -9 tot -17 graden Celsius af te dekken.
Deelt u de mening dat energie continu beschikbaar moet zijn, en dus niet afhankelijk van het weer? Deelt u dan ook de conclusie dat u met het sluiten van onze hypermoderne, betrouwbare kolencentrales en de uitrol van weersafhankelijke wind- en zonne-energie de beschikbaarheid van energie zelf in gevaar brengt?
Ja, ik ben van mening dat huishoudens en ondernemers continu moeten kunnen rekenen op de levering van energie. De prijs zal variëren, onder andere als gevolg van het weer. De leveringszekerheid van elektriciteit is van groot belang voor de Nederlandse samenleving en economie. Het belang van elektriciteit als energiedrager neemt als gevolg van elektrificering toe. Daarmee wordt de leveringszekerheid van elektriciteit nog belangrijker dan deze nu al is.
In een systeem gebaseerd op wind en zon kan en moet de beschikbaarheid van elektriciteit worden geborgd door een combinatie van import en export, regelbaar vermogen, opslag en vraagrespons. Net als in het huidige systeem moet de overheid zo nodig ook borgingsmaatregelen treffen. Weersonafhankelijk regelbaar vermogen kan in de toekomst bijvoorbeeld bestaan uit centrales op basis van aardgas met CCS, waterstof, e-methaan, ijzerpoeder of kernenergie. Weersafhankelijkheid is altijd al onderdeel geweest van het energiesysteem. In de winter is bijvoorbeeld de gasvraag vanwege verwarming van gebouwen en woningen veel hoger dan in de zomer. De productie van waterkracht is altijd al afhankelijk van de hoeveelheid neerslag. De laatste jaren komt daar een steeds groter aandeel elektriciteitsproductie met windmolens en zonnepanelen bij.
Het sluiten van de kolencentrales en de uitrol van wind- en zonne-energie brengt de beschikbaarheid van energie niet in gevaar. Voor elektriciteit houdt de jaarlijkse monitoring van TenneT rekening met de ontwikkelingen in het elektriciteitsproductiepark, zoals onder meer de toename van het vermogen aan wind en zon en het verbod op het gebruik van kolen vanaf 2030. In de meest recente monitor leveringszekerheid staat aangegeven dat de leveringszekerheid is geborgd in het zichtjaar 2030. Vanaf 2025 wordt Nederland voor leveringszekerheid wel een toenemend aantal uren per jaar afhankelijker van import, door afname van zowel gas- als biomassa- en kolenvermogen. Ik blijf daarom de uitfasering van koleneenheden en sluiting van kerncentrales in de landen om ons heen nauwlettend volgen. Wat betreft de kolencentrales is gekozen voor een verbod op kolen en geen sluiting, wat ombouwen naar andere brandstoffen onverlet laat. Daarnaast is sprake van een gefaseerde aanpak van het verbod op kolen richting 2030, met een lange overgangstermijn. Tot slot is de productiebeperking op 35% gezet en niet lager. Dit plafond op jaarbasis biedt kolencentrales voldoende ruimte om gedurende periodes met schaarste (hoge prijzen/winterperiodes) maximaal beschikbaar te zijn en daarmee bij te dragen aan de leveringszekerheid. Dit is op basis van de huidige inzichten en geldende marktomstandigheden. Ik houd de toekomstige ontwikkelingen op de elektriciteitsmarkt nauwlettend in de gaten, evenals het effect van de productiebeperking hierop. Als ik tot de conclusie kom dat deze maatregel tot onaanvaardbare risico’s leidt voor de leveringszekerheid van elektriciteit of de voorzieningszekerheid van gas, zal ik maatregelen nemen om dit te voorkomen.
Deelt u de mening dat het tegenstrijdig is dat u ons land volplempt met windturbines en zonneparken, die echter vanwege het weer te weinig elektriciteit opwekken, waardoor we in de praktijk juist meer afhankelijk worden van gas en, vanwege het tekort aan gas, ook van kolen?
Nee, die mening deel ik niet. Elektriciteit die wordt opgewekt met windmolens of zonnepanelen hoeft op dat moment niet opgewekt te worden met kolen- of gascentrales. Bij een toenemend aandeel elektriciteitsopwekking uit wind en zon de komende jaren, zal daarmee ook de hoeveelheid kolen en gas die nodig is voor elektriciteitsopwekking afnemen. Uiteindelijk zal er, zoals ook in het antwoord op de vorige vraag aangegeven, naast import en export, opslag en vraagrespons ook een deel regelbaar vermogen nodig zijn dat elektriciteit opwekt uit moleculen op die momenten dat windmolens en zonnepanelen minder elektriciteit produceren als gevolg van het weer. Nu zijn die moleculen kolen en aardgas straks bijvoorbeeld deels waterstof, uranium en groen gas.
Kunt u uw antwoord op eerdere Kamervragen over de stijgende gasprijs dat «door de toename van wind en zon de rol van kolen- en gascentrales steeds kleiner wordt» cijfermatig onderbouwen2? Hoe rijmt u de volgens u «kleiner wordende rol van kolen en gas» met de conclusie van het Internationaal Energieagentschap dat wereldwijd de vraag naar gas de komende jaren niet af, maar juist fors toe zal nemen3, en met de conclusie van het CBS dat onze kolencentrales in de eerste helft van 2021 niet minder, maar bijna de helft méér elektriciteit produceerden dan een jaar eerder4?
Ja, zie bijvoorbeeld de figuren 4.6 en 5.2 uit de Klimaat- en Energieverkenning 2021 van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) voor de verwachte inzet van kolen en gas voor elektriciteitsopwekking (Kamerstuk 32 813, nr. 901). Wereldwijd kan het beeld anders zijn dan in Nederland, bijvoorbeeld doordat gas wereldwijd meer vervuilende brandstoffen als kolen en olie vervangt in sectoren als de elektriciteitsopwekking, industrie en transport. In 2020 was de gasprijs erg laag, waardoor elektriciteitsopwekking met gascentrales goedkoper was dan met kolencentrales. Hierdoor werden vooral de gascentrales ingezet en de kolencentrales minder, tot een historisch laag niveau in 2020. Momenteel is die situatie andersom en werden de kolencentrales in 2021 volop ingezet en de gascentrales minder. De langjarige trend voor Nederland is duidelijk en zal leiden tot een steeds kleinere rol voor kolen- en traditionele gascentrales. Wereldwijd en op de korte termijn kan de ontwikkeling (tijdelijk) anders zijn.
Het bericht ‘Buitenlandse Zaken weigert Afghaanse bewakers ambassade Kabul te evacueren’ |
|
Laurens Dassen (Volt), Christine Teunissen (PvdD), Laura Bromet (GL), Jasper van Dijk , Tunahan Kuzu (DENK), Sylvana Simons (BIJ1), Pieter Omtzigt , Kati Piri (PvdA), Caroline van der Plas (BBB) |
|
Henk Kamp (minister defensie) (VVD), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Buitenlandse Zaken weigert Afghaanse bewakers ambassade Kabul te evacueren»?1
Ja.
Vanaf wanneer was het verzoek van lokale beveiligers die via een «subcontractor» voor de Nederlandse ambassade in Kabul werkten, om geëvacueerd te worden bekend bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Waarom zijn deze beveiligers toentertijd niet opgeroepen voor evacuatie, terwijl Hongaarse beveiligers die via een «subcontractor» uit Dubai werkten wel zijn geëvacueerd?
De eigenaar van het private bedrijf dat diensten verleent aan de Nederlandse ambassade in Kaboel, inclusief beveiliging, heeft op verschillende momenten tijdens de evacuatiemissie en erna via verschillende lijnen verzocht dat zijn werknemers naar Nederland worden overgebracht. Het aantal personen op de lijsten aangebracht door de eigenaar van het bedrijf varieerde. Een door het ministerie geaggregeerde lijst bevat 195 namen, onder wie 122 bewakers, 66 «service personnel», 4 technici, 2 Human Resources en 1 Finance. Inclusief kerngezinnen zou dit om ongeveer 1.000 personen gaan.
Sinds begin dit jaar heeft de ambassade bij verschillende gelegenheden duidelijk gecommuniceerd aan het bedrijf dat diegenen die voor een externe dienstverlener werken in een andere positie verkeren dan mensen met een dienstverband met de ambassade – de lokale medewerkers –, voor wie Nederland als werkgever een speciale verantwoordelijkheid heeft en die ook zijn geëvacueerd.
De Hongaarse beveiligers zijn door speciale eenheden van een partnerland naar het vliegveld gebracht en uiteindelijk door een partnerland gerepatrieerd naar hun eigen land. Hierover waren voorafgaand aan de evacuatieperiode al afspraken gemaakt.
Kunt u bevestigen dat er in de evacuatie-operatie geen onderscheid is gemaakt tussen individuen die rechtstreeks voor de Nederlandse missie in Afghanistan werkten en individuen die via «subcontractors» in dienst waren? Zo nee, om welke reden en op basis waarvan is dit onderscheid gemaakt?
Tijdens de evacuatie zijn de criteria gehanteerd conform de motie Belhaj (kamerstuk 27 925, nr. 788). Dat wil zeggen dat beveiligers die voor Nederland werkzaam waren in het kader van een internationale militaire of politiemissie tijdens de evacuatie in aanmerking konden komen om te worden overgebracht naar Nederland.
Voor de volledigheid wil het kabinet vermelden dat het bij de bewakers van de ambassade om een andere groep personen gaat die onder andere omstandigheden andersoortige werkzaamheden hebben verricht dan de Afghaanse beveiligers die militaire objecten bewaakten van buitenlandse strijdkrachten die door tenminste van een deel van de bevolking – en in ieder geval door de Taliban – als vijand werden beschouwd.
Ambassadebewakers houden zich op bij civiele objecten, officiële vertegenwoordigingen van andere staten, waarmee de Taliban officiële contacten nastreeft. Hoewel dit bewakingsbedrijf door Nederland was ingehuurd, vallen de werkzaamheden van dit type bewakers, anders dan die van de hierboven genoemde militaire beveiligers, onder de verantwoordelijkheden van een gastland. Dat moet namelijk de veiligheid van ambassades waarborgen. Ook dat maakt dat dit een bijzondere groep is met werkzaamheden van een andere aard.
Op welk moment en specifiek op welke wijze heeft u de Kamer meegedeeld dat er een nieuw criterium geldt, te weten dat individuen een rechtstreeks dienstverband moeten hebben om in aanmerking te komen voor evacuatie?
Er is geen sprake van een nieuw criterium. Zoals in het antwoord op vraag 2 gesteld is er een onderscheid tussen mensen die voor en bij de ambassade werken met een direct dienstverband en hen die dat niet hebben.
Voor personen met een directe arbeidsrelatie voelt de ambassade als werkgever een speciale verantwoordelijkheid.
Dat is ook de reden dat uiteindelijk is besloten de lokale werknemers, die een arbeidscontract hadden met de ambassade, te evacueren.
Voor mensen die dat niet hadden, zoals de bewakers, geldt dat niet. De werkgever is voor hen verantwoordelijk. Dat is ook duidelijk met hen en de werkgever gecommuniceerd.
Bent u op de hoogte van het feit dat andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk en Australië, ambassadebewakers die via «subcontractors» voor hen werkten wel hebben geëvacueerd of van plan zijn te gaan evacueren? Zo ja, waarom vormt Nederland hierin een uitzondering?
Procedures voor evacuatie verschillen van land tot land; verschillende landen hebben verschillende groepen personen geëvacueerd. Bij een aantal Westerse ambassades waren overigens niet-Afghaanse bewakers werkzaam, ofwel in directe dienst, ofwel ingehuurd. Deze hebben uiteraard een andere positie dan Afghaanse bewakers.
Zijn er afspraken gemaakt met het bedrijf of de bedrijven die de bewakers in dienst hebben? Zo ja, welke afspraken zijn er gemaakt, wanneer zijn deze gemaakt en met wie?
Vanaf begin van 2021 is aan de eigenaar van het bedrijf waarbij de bewakers in dienst zijn, duidelijk kenbaar gemaakt dat zijn werknemers niet door Nederland geëvacueerd zouden worden. De algemene verantwoordelijkheid, inclusief voor hun veiligheid, ligt bij de werkgever; dat is ook door hem erkend.
Hoeveel oud-medewerkers van het Ministerie van Defensie (zowel die rechtstreeks of via een «subcontractor» in dienst waren) die zich hadden gemeld voor evacuatie, komen met de nieuwe criteria zoals vastgelegd door de regering in de Kamerbrief2 van 11 oktober niet meer in aanmerking voor evacuatie?
De criteria waarover de Tweede Kamer is geïnformeerd in de brief van 11 oktober zijn zoals gezegd alleen van toepassing op een afgebakende groep aanmeldingen zoals bekend bij het Ministerie van Defensie op 11 oktober jl.
Wordt er door het Ministerie van Defensie momenteel onderscheid gemaakt tussen tolken, beveiligers, en ander personeel die rechtstreeks in dienst waren, en zij die waren ingehuurd via «subcontractors» of via andere derde landen voor de Nederlandse missie werkten? Zo ja, op welke manier en met welke onderbouwing?
Het Ministerie van Defensie hanteert, net als de andere betrokken departementen, de criteria zoals die zijn genoemd in de Kamerbrieven van 11 oktober 2021 (Kamerstuk 27 925 nr. 860) en 16 november 2021 (Kamerstuk 27 925 nr. 872).
In deze brieven staat dat een Afghaan nog steeds in aanmerking komt voor overbrenging naar Nederland indien hij of zij voor Nederland heeft gewerkt in het kader van een internationale militaire of politiemissie als tolk. Het gaat bij tolken om de uitgevoerde werkzaamheden en niet om de contractvorm. Een persoon komt niet in aanmerking als hij of zij in dienst was van de Afghaanse overheid.
Voor een niet-tolk geldt dat een afgebakende groep aanmeldingen zoals bekend bij Defensie bij het verzenden van de Kamerbrief van 11 oktober jl. wordt bekeken op de in deze brief genoemde criteria, namelijk dat deze persoon, gedurende minimaal één jaar, voor Nederland moeten hebben gewerkt in het kader van een internationale militaire of politiemissie in een voor het publiek zichtbare functie. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de uitgevoerde werkzaamheden en de werkrelatie met Nederland. Tevens moet de Afghaanse nationaliteit worden vastgesteld.
Kunt u bevestigen dat oud-defensiemedewerkers die akkoord hebben gekregen van het Ministerie van Defensie om geëvacueerd te worden, maar nog niet waren opgeroepen, alsnog hiervoor in aanmerking komen?
Indien de aanmeldingen van Afghaanse medewerkers die voor Nederland hebben gewerkt in het kader van een internationale militaire of politiemissie voldoen aan de criteria, zoals gesteld in de Kamerbrieven van 11 oktober 2021 (Kamerstuk 27 925 nr. 860) en 16 november 2021 (Kamerstuk 27 925 nr. 872), komen zij in aanmerking om naar Nederland overgebracht te worden.
Hoeveel tolken (die voor Defensie en de politiemissie hebben gewerkt) bevinden zich momenteel nog steeds in Afghanistan?
Voor zover eind november bekend bevinden zich in Afghanistan nog 160 personen die een beroep kunnen doen op de tolkenregeling: 40 Defensietolken (inclusief kerngezinnen 122 personen) en 10 EUPOL tolken in Afghanistan (inclusief kerngezinnen 38 personen). Zoals bekend betreft het hier een open einde regeling: dit aantal is derhalve niet definitief.
Kunt u een overzicht van hoeveel Afghanen met eindbestemming Nederland nog vastzitten in een derde land en in welke landen zij verblijven? Wat zijn de omstandigheden waaronder zij vastzitten en waarom het zo lang duurt voor ze naar Nederland worden overgebracht?
Op dit moment zijn er voor zover bekend 89 Afghanen in Hongarije die voor het Provincial Reconstruction Team in Baghlan hebben gewerkt. Dit aantal is inclusief gezinsleden. Voor deze groep wordt gekeken naar een manier om hen zo snel mogelijk over te brengen naar Nederland. Hun omstandigheden zijn niet precies bekend, omdat zij op verschillende locaties in Hongarije verblijven. De ministeries van Defensie en BZ zijn met de IND en de ambassade bezig zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen over de status van deze personen en de mensen die daarvoor in aanmerking komen op zo kort mogelijke termijn over te brengen naar Nederland.
Daarnaast zijn er 25 lokale medewerkers van de NAVO die recentelijk een aanbod om naar Nederland te komen hebben geaccepteerd en die we voor het einde van het jaar proberen over te brengen. Verder zijn er enkele families in Pakistan en Iran die voor overbrenging naar Nederland in aanmerking komen; met hen wordt door de ambassades in Islamabad en Teheran contact onderhouden. De Nederlandse ambassades in deze landen faciliteren hun onderdak; in Pakistan geschiedt dat via IOM.
Zijn er op dit moment andere NAVO-landen die (wel) laissez-passers of andere nooddocumenten afgeven in Afghanistan? Zo ja, welke landen en op wat voor manier? En wat zijn de bezwaren van het kabinet om dit niet te doen?
Vooropgesteld zij dat de Taliban van Afghanen een paspoort eisen als zij het land willen verlaten; noodreisdocumenten worden door hen niet geaccepteerd. Voor zover bekend worden door andere (NAVO) landen formeel geen noodreisdocumenten in Afghanistan verstrekt aan Afghaanse burgers. De Nederlandse wetgeving verzet zich tegen de verstrekking van geldige Nederlandse reisdocumenten aan burgers in het land waarvan zij de nationaliteit bezitten. Het toch verstrekken van geldige noodreisdocumenten aan Afghaanse burgers in Afghanistan mist niet alleen een wettelijke grondslag maar wordt internationaal gezien als een inmenging in een binnenlandse aangelegenheid. Aan Nederlanders die zonder geldige reisdocumenten in Afghanistan verblijven, kunnen wel nooddocumenten worden afgegeven.
Op welke manier geeft het kabinet uitvoering aan de motie-Piri c.s. over de opvang van Afghaanse evacuees in Nederland?3
Het kabinet wil het liefst dat iedereen wordt opgevangen in reguliere COA-locaties. Alle reguliere opvanglocaties zitten op het moment echter vol, daarom zijn de tijdelijke noodlocaties nu hard nodig. Het is namelijk belangrijk dat iedereen met recht op opvang dat kan krijgen. Het COA stelt echter alles in het werk om zo veel mogelijk de mate van opvang en begeleiding te bieden op de noodopvanglocaties zoals deze ook geboden wordt op reguliere locaties. Het kabinet vindt het belangrijk dat de Afghaanse evacués snel duidelijk krijgen over hun toekomst. Daarom beslist de IND ook voortvarend in de procedures van de evacués, waardoor snel duidelijkheid komt over de verblijfsstatus van deze groep. Het COA voert inmiddels ook huisvestingsgesprekken op de locaties waar Afghaanse evacués verblijven zodat zij zo snel mogelijk kunnen doorstromen naar gemeenten en hun leven in Nederland kunnen opbouwen. Daarenboven wordt bij de Afghaanse evacués ingezet op contacten met de opleidings- en universitaire wereld, zoals UAF; en op andere initiatieven zoals oriëntatie op de arbeidsmarkt. Het kabinet zal via een separate brief de Kamer nog informeren over de uitwerking van de motie.
Met welke regelmaat wordt er contact gehouden met mensen die in aanmerking komen voor evacuatie?
Er wordt regelmatig contact gehouden met mensen die in aanmerking komen voor overbrenging naar Nederland. De frequentie waarmee dat gebeurt, verschilt van geval tot geval.
Kunt u aangeven op welke manier uit de motie-Belhaj c.s.4 blijkt of, en op welke manier er met de Kamer sinds het begin van de evacuatieoperatie is gecommuniceerd, dat ambassademedewerkers die via een externe dienstverlener voor de Nederlandse missie werkten, niet in aanmerking komen voor evacuatie?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 4 is er geen sprake van een nieuw criterium. De bewakers vallen niet binnen de criteria van de speciale voorziening die het kabinet heeft aangekondigd in de Kamerbrief van 11 oktober (Kamerstuk 27 925, nr. 860) om de overkomst naar Nederland van twee bijzondere groepen te faciliteren.
Kunt u aangeven voor hoeveel medewerkers die voorheen via een externe dienstverlener voor de Nederlandse missie werkten, er na 31 december geen plaats meer zal zijn?
Van de externe dienstverlener is vernomen dat 149 medewerkers per 31 december worden ontslagen n.a.v. het opzeggen van de Nederlandse ambassadecontracten. Er is met deze zelfde externe dienstverlener inmiddels een nieuw contract afgesloten voor bewaking van een terrein in de voormalige groene zone waarop op dit moment de achtergebleven Nederlandse eigendommen worden bewaard.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en uw antwoorden voor het aankomende plenaire debat over de huidige stand van zaken inzake de evacuatie-operatie aan de Kamer doen toekomen?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Bijstandsgerechtigden mogen halfjaar samenwonen zonder gevolgen voor uitkering»?1
Ja. Ik ben bekend met dit bericht.
Wat is uw reactie op dit plan van de gemeente Amsterdam?
De gemeente Amsterdam bedrijft naar ons oordeel met deze maatregel geen inkomenspolitiek. Het behoort tot de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van gemeenten om, afhankelijk van het individuele geval, daar waar nodig (aanvullende) inkomensondersteuning te bieden voor zover dit binnen de kaders van de Participatiewet plaatsvindt. De voorgenomen maatregel van de gemeente Amsterdam zoals hier vormgegeven valt naar mijn oordeel binnen die kaders.
De voorgenomen maatregel van de gemeente Amsterdam gaat nadrukkelijk niet om de kostendelersnorm, maar ziet, vergelijkbaar met de proef van de gemeente Tilburg, op de situatie van beginnend samenwonen waarbij beide betrokkenen nog hun eigen adres aanhouden. Het gaat dan vaak om een diffuse situatie, waarbij -ook voor betrokkenen zelf- nog niet duidelijk is waar zij hun hoofdverblijf houden. Veel spullen liggen nog in de «oude» woning en deze woning wordt ook nog met enige regelmaat door de betrokkene gebruikt. Het gaat om situaties waarbij niet met volle zekerheid uitspraken kunnen worden gedaan over een eventueel gezamenlijk hoofdverblijf en dat laatste is essentieel zowel om een gezamenlijke huishouding aan te nemen als een situatie van kostendeling.
Het in deze situatie toch direct aannemen van een gezamenlijk hoofdverblijf en het daarop aanpassen van de norm, zou tot gevolg hebben dat één van beiden gehouden is zijn woning per direct op te geven, nu de daarmee samenhangende woonlasten niet vanuit de dan geldende bijstandsnorm kunnen worden voldaan. Mocht de relatie een vroegtijdig einde kennen dan kan dit de bijstandsgerechtigde -gelet op de huidige gespannen woningmarkt- voor huisvestingsproblemen en daaraan verbonden extra kosten plaatsen. Door de bijstandsgerechtigde toe te staan om zijn woning kortstondig nog aan te houden, kan worden voorkomen dat een voortijdig einde van de samenwoning aanzienlijke extra kosten (ook voor de maatschappij in de vorm van een eventuele dak- en thuisloosheid) met zich meebrengt.
Zowel vanuit het oogpunt van een effectieve inzet van handhaving als het voorkomen van onnodige maatschappelijke kosten kan het daarom wenselijk zijn om het beleid in lijn met deze proef vorm te geven. De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen en ik laten ons graag informeren over de uiteindelijke resultaten van zowel de proef in Tilburg als de voorgenomen maatregel in Amsterdam.
Wat vindt u ervan dat de gemeente Amsterdam actief inkomenspolitiek aan het bedrijven is?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het niet toepassen van de kostendelersnorm terwijl dit wel landelijk beleid is?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat leegstand moet worden tegen gegaan?
Ja, de mening dat leegstand moet worden tegengegaan deel ik. De Leegstandwet biedt verschillende instrumenten voor gemeenten om op te treden tegen leegstand.
Eén van die instrumenten is dat de gemeente in de verordening kan bepalen leegstand na minimaal zes maanden te melden bij de gemeente zodat vervolgens met de eigenaar kan worden bezien hoe het pand weer bewoonbaar te maken. Ik constateer dat de duur van de onderhavige constructie binnen de termijn van zes maanden valt en daarmee past binnen acceptabele termijn voor leegstand. Ook omdat de leegstaande woning na die termijn gewoon weer wordt bewoond.
In hoeverre rijmt u dit met het beleid van de gemeente Amsterdam om bijstandsgerechtigden een half jaar samen te laten wonen zonder gevolgen en één van hun sociale huurwoningen leeg te laten staan?
Zie antwoord vraag 5.
Welk signaal geeft de gemeente Amsterdam aan woningzoekenden die op de wachtlijst voor een sociale huurwoning staan en die nu zien dat sociale huurwoningen door het beleid van de gemeente Amsterdam leeg komen te staan?
Zoals hierboven vermeld, past de constructie binnen de acceptabele termijn voor leegstand. Ook omdat de leegstaande na die termijn gewoon weer wordt bewoond. Met de voorgenomen maatregel hoopt het college bij te dragen aan een humaner bijstandsbeleid. Mits binnen de kaders van de Participatiewet, is de gemeente vrij om deze keuze te maken.
Deelt u de mening dat de wachtlijst voor een sociale huurwoning korter moet worden gemaakt?
Ik vind het zeer ongewenst dat woningzoekenden er vaak lang over doen voor ze een geschikte woning vinden. Daarom zijn verschillende maatregelen genomen om de bouw van nieuwe woningen te versnellen en de druk op de woningmarkt te verlagen. Naast de inzet van middelen voor de Woningbouwimpuls maakte mijn ambtsvoorganger samen met Aedes en de VNG afspraken over de bouw van sociale huurwoningen en het toevoegen van flexwoningen. Daarnaast is in 2021 wederom 50 miljoen euro beschikbaar gesteld als stimulans voor de bouw van (flexibele) huisvesting voor kwetsbare groepen. Ook de komende jaren is er geld beschikbaar voor de huisvesting van aandachtsgroepen en andere woningzoekenden. Ik zal mij de komende tijd blijven inzetten voor de bouw van nieuwe woningen.
In hoeverre rijmt u dit met het beleid van de gemeente Amsterdam?
Zie voor antwoord op deze vraag mijn antwoord op vraag 5 en 6.
Bent u bereid om met de gemeente Amsterdam in gesprek te gaan om leegstand tegen te gaan en de wachtlijst voor een sociale huurwoning korter te maken?
Ik ben over verschillende beleidsterreinen doorlopend in gesprek met de gemeente Amsterdam. Juist de gemeente Amsterdam voert een effectief leegstandbeleid en werkt bijvoorbeeld al een aantal jaar met een leegstandsverordening waardoor er in 2020 bijna 500 langdurig leegstaande woningen uiteindelijk weer konden worden bewoond.
Het bericht 'Is belasting betalen weer iets voor de dommen?' |
|
Tom van der Lee (GL), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Is belasting betalen weer iets voor de dommen?»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Welke signalen heeft u ontvangen dat de verruiming van de eerste schijf in de vennootschapsbelasting (vpb) voor nieuwe mogelijkheden zorgt om belasting te ontwijken? Bent u het met de Partij van de Arbeid en GroenLinks eens dat deze signalen zeer zorgelijk zijn?
In het Belastingplan 2021 is de schijfgrens tussen het lage tarief (15%) en het hoge tarief (25% in 2021 en 25,8% in 2022) in de vennootschapsbelasting verhoogd van € 245.000 in 2021 naar € 395.000 per 2022. Op dit moment valt dan ook nog niet goed aan te geven of en in hoeverre belastingplichtigen gebruik zullen maken van de mogelijkheid die zij hebben om activiteiten te spreiden over meerdere vennootschappen (en dus belastingplichtigen) vanwege deze verhoging. Bij de afweging om activiteiten op deze wijze te spreiden zijn verschillende overwegingen van belang (zie ook antwoord vraag 4). Conform de motie van de leden Hammelburg en Grinwis2 zal worden gemonitord of en op welke schaal en wijze bedrijven opsplitsen teneinde gebruik te maken van de verhoging van de schijfgrens in de vennootschapsbelasting en, als de monitoring hiertoe aanleiding geeft, kan worden bezien of er aanleiding is om wettelijke maatregelen te nemen die ongewenste fragmentatie bestrijden. Het verkrijgen van een goed inzicht kost tijd. De eerste conclusies zullen, zoals eerder aangegeven, naar verwachting in de loop van volgend jaar kunnen worden gedeeld.
Wat is het concrete fiscale voordeel om een BV die één miljoen euro winst maakt op de te splitsen in twee BV’s met ieder de helft van de winst? Is dit mogelijk door simpelweg een werk-BV tussen te schuiven als Directeur-Grootaandeelhouder (DGA), zoals het artikel beschrijft?
Ingeval de activiteiten van een besloten vennootschap (bv) die € 1 miljoen winst maakt worden verspreid over twee bv’s, waardoor beide bv’s ieder de helft van de winst toekomt, kan tot aan de schijfgrens tweemaal gebruik worden gemaakt van het lage tarief in de vennootschapsbelasting, alvorens het hoge tarief toepassing vindt. In dat geval is er jaarlijks sprake van een besparing in de vennootschapsbelasting van circa € 40.000, zijnde het verschil tussen het hoge tarief en het lage tarief vermenigvuldigd met de schijfgrens (op basis van de parameters die gelden in 2022). Om de winst die toekomt aan een bv te verspreiden over meerdere bv’s is het wel vereist dat de activiteiten en daarmee samenhangende winst ook daadwerkelijk toerekenbaar is aan deze verschillende bv’s.
In hoeverre zal deze vorm van belastingontwijking toenemen, in overweging nemende dat het tariefverschil tussen het lage en hoge tarief in de vpb groter is geworden en de eerste schijf in de vpb is verlengd?
De afweging om activiteiten op te splitsen is afhankelijk van verschillende overwegingen. De voorgenoemde verhoging van de schijfgrens naar € 395.000 per 2022 en de verhoging van het vennootschapsbelastingtarief van 25% naar 25,8% met ingang van 1 januari 2022 kunnen meespelen in die overwegingen. Hiermee wordt ook rekening gehouden bij de raming van het budgettaire effect.3 Er bestaan echter ook fiscale overwegingen om activiteiten juist niet op te splitsen. Als activiteiten in verschillende belastingplichtige lichamen worden ondergebracht, zullen bijvoorbeeld transacties tussen de verschillende lichamen tot winstneming leiden. Verder geldt dat wanneer de activiteiten die in het ene lichaam zijn ondergebracht tot verlies leiden, deze niet kunnen worden verrekend met de winst van de activiteiten van het andere lichaam. Ook zullen niet-fiscale overwegingen een rol spelen bij de afweging om de activiteiten van een bedrijf over verschillende vennootschappen te verspreiden, zoals bedrijfseconomische overwegingen ten aanzien van aansprakelijkheden of het aantrekken van financiering van een bank. Hoe deze verschillende fiscale en niet-fiscale overwegingen door een belastingplichtige worden gewogen zal afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval.
Welke categorie belastingplichtigen zal naar verwachting vooral gebruik maken van deze ontwijkingsmogelijkheid?
Naar verwachting zullen belastingplichtigen die (substantieel) meer winst behalen dan de hoogte van de schijfgrens en hun activiteiten (en daarmee hun winst) relatief eenvoudig over verschillende vennootschappen kunnen verdelen, gebruik maken van voorgenoemde schijfverlenging.
Hoeveel BV’s worden gehouden door advocaten, fiscalisten, notarissen en andere beroepsbeoefenaren die meer dan 400.000 euro winst per jaar maken?
Bij een aandeelhouderstructuur is niet meteen duidelijk of de uiteindelijke eigenaar een natuurlijk persoon is. Daarnaast is de beroepsgroep van personen ook niet exact af te bakenen op basis van gegevens in de aangifte. Het is daarom niet mogelijk deze vraag op korte termijn te beantwoorden. Op de onderverdeling tussen typen eigenaren zal nader worden ingegaan in het onderzoek naar fragmentatie in de vennootschapsbelasting, dat met de eerste resultaten van de monitoring in de eerste helft van volgend jaar naar de Kamer wordt verzonden.
Hoe beoordeelt u in het licht van de signalen over de nieuwe mogelijkheden die de verruiming van de eerste schijf van de vpb biedt om belasting te ontwijken, de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze verruiming, conform artikel 3.1 van de comptabiliteitswet?
De schijfverlenging heeft als doel om winsten, die lager zijn dan € 395.000, minder te belasten. Daarmee is deze maatregel doeltreffend. Ook acht het kabinet de maatregel doelmatig, waarbij het kabinet onder andere de lagere vennootschapsbelastingontvangsten en het mogelijke opknippen van bedrijven heeft meegewogen. Ik heb aan uw Kamer toegezegd het opsplitsen te zullen monitoren. In de eerste helft van volgend jaar zullen de eerste resultaten met betrekking tot de monitoring aan uw Kamer worden toegezonden.
In hoeverre is het fiscale evenwicht tussen de inkomstenbelasting en vpb/box 2 verstoord door het lage vpb-tarief? Kunt u een overzicht geven hoe dit fiscale evenwicht de afgelopen vijf jaren is veranderd, en kunt u daarbij de situatie in 2022 tevens betrekken?
Bij deze vraag ga ik ervan uit dat de vragensteller doelt op het globaal evenwicht in de belastingdruk van dga’s, IB-ondernemers en werknemers. Onderstaande figuur toont de ontwikkeling van de (gecombineerde) marginale toptarieven sinds de herziening van de inkomstenbelasting in de inkomstenbelasting (IB) in 2001 tot en met 20224 en geeft daarmee een beeld van de ontwikkeling in het globale evenwicht in de marginale belastingdruk van werknemers, IB-ondernemers en dga’s. Dit zowel over de gehele periode vanaf het moment van IB2001 waarin het boxenstelsel is ingevoerd (waarbij het globaal evenwicht als uitgangspunt gold) als over de afgelopen 5 jaar en het jaar 2022.
Tussen 2001 en 2022 is het verschil in de (gecumuleerde) marginale tarieven van een IB-ondernemer, dga en werknemer toegenomen. Dit is ten eerste het gevolg van de introductie en verruiming van de MKB-winstvrijstelling waar IB-ondernemers recht op hebben. Ten tweede is dit verschil veroorzaakt door verlagingen van het tarief in de vennootschapsbelasting. Tegenover deze lagere tarieven heeft geen gelijkwaardige verhoging van het box 2-tarief gestaan waardoor de (gecumuleerde) belastingdruk van de dga, de IB-ondernemer en de werknemer ten opzichte van 2001 meer uiteen is gaan lopen. In de derde plaats is sinds 2001 het verschil tussen het lage en het hoge tarief in de vennootschapsbelasting toegenomen. Tot slot is de schijfgrens waarop het lage Vpb-tarief van toepassing is per 2021 verlengd van € 200.000 naar € 245.000 en per 2022 naar € 395.000.
De ontwikkelingen in de Vpb-tarieven en de schijfgrens wordt geïllustreerd in onderstaande figuur.
Onderstaande tabel toont de ontwikkelingen van de tarieven in box 1, box 2, de tarieven in combinatie met de schrijfgrens in de vennootschapsbelasting en de gecumuleerde toptarieven.
Vpb algemeen tarief
25,0%
25,0%
25,0%
25,0%
25,8%
Vpb opstaptarief
20,0%
19,0%
16,5%
15,0%
15,0%
Vpb schijfgrens
€ 200.000
€ 200.000
€ 200.000
€ 245.000
€ 395.000
box 2 tarief
25,0%
25,0%
26,3%
26,9%
26,9%
gecumuleerd toptarief over winst boven Vpb-schijfgrens
43,8%
43,8%
44,7%
45,2%
45,8%
gecumuleerd toptarief over winst tot Vpb-schijfgrens
40,0%
39,3%
38,4%
37,9%
37,9%
toptarief werknemer box 1
52,0%
51,8%
49,5%
49,5%
49,5%
toptarief IB-ondernemer box 1
44,7%
44,5%
43,1%
43,5%
43,9%
Op welke wijze kan het opknippen van BV’s om zoveel mogelijk gebruik te maken van het lage tarief in de vpb worden voorkomen?
Het spreiden van activiteiten over meerdere vennootschappen om optimaal gebruik te maken van het lage tarief in de vennootschapsbelasting kan worden voorkomen door de prikkel die hiertoe aanleiding geeft te beperken. Dit kan door zowel de hoogte van de schijfgrens te beperken, alsmede door het lage en het hoge tarief in de vennootschapsbelasting minder uiteen te laten lopen. Daarnaast kan opknippen mogelijk worden voorkomen door (complexe) bepalingen. Indien in toekomst voor de introductie van een dergelijke bepaling zou worden gekozen, zal – naast de complexiteit – ook aandacht moeten worden besteed aan de vormgeving, uitvoerbaarheid, inpasbaarheid en budgettaire gevolgen.
Hoe kan het dat u zelf aangeeft dat het een «waarheid als een koe» is dat de vpb-verruiming zorgt voor belastingontwijkingsconstructies maar hier vervolgens wetgevingstechnisch niets tegen doet? Wat zegt dit over het commitment van de het kabinet om te voorkomen dat er ondoelmatige wetgeving wordt gemaakt en om belastingontwijkingsconstructies te voorkomen?
Het kabinet heeft er vorig jaar in het Belastingplan 2021 voor gekozen om de schijfgrens tussen het lage tarief en het hoge tarief in de vennootschapsbelasting te verhogen van € 245.000 in 2021 naar € 395.000 per 2022. Ik heb inderdaad tijdens de behandeling van het Belastingplan dit jaar benoemd dat een groter tariefverschil de prikkel tot arbitrage ook groter maakt. Daar noemde ik ook bij dat het opknippen van bedrijven van meerdere – ook niet fiscale – factoren afhankelijk is, zoals beschreven in het antwoord op vraag 4. Het kabinet zal monitoren of en op welke schaal en wijze bedrijven opsplitsen teneinde gebruik te maken van de verhoging van de schijfgrens in de vennootschapsbelasting. Vervolgens zal worden bezien of er aanleiding is om wettelijke maatregelen te nemen die ongewenste fragmentatie bestrijden. Voorgaande doet niet af aan het commitment van dit kabinet om belastingontwijking aan te pakken.
Overweegt u wijzigingen in het fiscale eenheidsregime om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan? Zo ja, welke wijzigingen overweegt u?
Het fiscale-eenheidsregime in de vennootschapsbelasting is een keuzeregime. Een bedrijf dat ervoor kiest om verschillende activiteiten onder te brengen in afzonderlijke bv’s kan zo toch voor de vennootschapsbelasting als één belastingplichtige worden behandeld. Die keuze heeft voor- en nadelen. Een voordeel van het vormen van een fiscale eenheid is dat vermogensbestanddelen kunnen worden overgedragen tussen de verschillende maatschappijen van een fiscale eenheid zonder dat dat (op dat moment) leidt tot heffing van vennootschapsbelasting. Daarnaast kan binnen een fiscale eenheid ook het verlies van de ene maatschappij worden verrekend met de winst van de andere maatschappij. Een groter verschil tussen het lage (15%) en het hoge tarief (25% in 2021 en 25,8% in 2022) in de vennootschapsbelasting in combinatie met de verhoogde schijfgrens (€ 245.000 in 2021 en € 395.000 per 2022) kan echter wel een prikkel vormen om de fiscale eenheid te verbreken. Het vormen van een fiscale eenheid betreft een fiscale afweging. In welke mate het tariefverschil en de schijfgrens in de vennootschapsbelasting hierop van invloed zijn is niet goed aan te geven en sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Binnen de huidige vormgeving van het fiscale-eenheidsregime laat een dwingende keuze zich niet denken. De keuze voor een nieuwe groepsregeling en de vormgeving daarvan is aan een volgend kabinet.5
Zou het onder omstandigheden verplichten van een fiscale eenheid een mogelijkheid zijn om deze vorm van ontwijking tegen te gaan? Of een dwingende keuze, hetgeen wil zeggen dat indien voor een fiscale eenheid is gekozen, het verbreken van die fiscale eenheid in beginsel niet meer mogelijk is?
Zie antwoord vraag 11.
Wat vindt u in het licht van het gegeven dat het kabinet de strijd tegen belastingontwijking de afgelopen jaren tot speerpunt benoemd heeft, van het feit dat het kabinet hiermee – terwijl het kabinet zich hiervan zelf nu gewoon bewust is – nieuwe mogelijkheden creëert om belasting te ontwijken?
Zoals eerder benoemd in de beantwoording van vraag 10 is de strijd tegen belastingontwijking een belangrijk speerpunt van dit kabinet. Gedurende deze kabinetsperiode heeft het kabinet met een groot aantal maatregelen tegen belastingontwijking laten zien dat de aanpak van belastingontwijking hoog op de agenda staat. Het is nog onduidelijk of en in welke mate gebruik van het tariefverschil en de schijfverlenging plaatsvindt door het verspreiden van activiteiten over meerdere vennootschappen. Ik heb aan uw Kamer toegezegd dit te zullen monitoren. Het is aan een volgend kabinet om de resultaten de evalueren en indien nodig actie te ondernemen.
Klopt het dat deze nieuwe vorm van belastingontwijking vooral geschikt is voor de rijken en tot veel gederfde belastingopbrengsten zal leiden?
Het verspreiden van activiteiten over meerdere vennootschappen of het verbreken van een fiscale eenheid om in te spelen op het lage tarief is geschikt voor bedrijven die meer dan € 395.000 winst maken, waarbij de te behalen voordelen opwegen tegen de nadelen die hiermee mogelijk gepaard gaan (zie onder andere het antwoord op vraag 4). Hier profiteren in eerste plaats de achterliggende aandeelhouders van. Zij kunnen hierdoor een lagere belastingdruk realiseren. Bij de berekening van het budgettaire effect van een verhoging van het hoge tarief wordt nu als verwachte gedragsreactie een «opsplitsingseffect» meegenomen. Bij een verhoging van het hoge tarief wordt een additioneel gedragseffect van 10% gehanteerd.6
Klopt het dat het verlaagde tarief reeds 3,4 miljard euro per jaar aan gederfde belastinginkomsten kost en dat dit de komende jaren alleen maar zal toenemen?
Met de verhogen van het algemene tarief naar 25,8% is het verschil in de tarieven van 10 procentpunt naar 10,8 procentpunt gestegen. De gederfde belastinginkomsten zijn daarmee van € 3,4 miljard naar 3,4*10,8/10 = € 3,7 miljard gestegen.
Bent u bereid de verlenging van de eerste schijf in de vennootschapsbelasting terug te draaien? Zo nee, bent u bereid dit dan in ieder geval bij het volgende Belastingplan te doen indien blijkt dat de vermoedens juist zijn en het opsplitsen van BV’s om gebruik te maken van het verlaagde tarief een grote vlucht neemt?
Het kabinet heeft er tijdens de augustusbesluitvorming 2020 voor gekozen om de schijfgrens tussen het lage tarief (15%) en het hoge tarief (25% in 2021 en 25,8% in 2022) in de vennootschapsbelasting te verhogen van € 245.000 in 2021 naar € 395.000 per 2022. Dit is opgenomen in het Belastingplan 2021.7 Conform de motie van de leden Hammelburg en Grinwis8 zal worden gemonitord of en op welke schaal bedrijven opsplitsen teneinde gebruik te maken van het lage tarief van de vennootschapsbelasting. Als de monitoring hiertoe aanleiding geeft, kan worden bezien of er aanleiding is om wettelijke maatregelen te nemen die ongewenste fragmentatie bestrijden. Bij dergelijke maatregelen kan zowel worden gedacht aan het mitigeren van de prikkel door het terugdraaien van de verhoging van de schijfgrens als aan het opnemen van een mogelijke specifieke bepaling. Indien in de toekomst voor de introductie van een dergelijke bepaling zou worden gekozen, zal – naast de complexiteit – ook aandacht moeten worden besteed aan de vormgeving, uitvoerbaarheid, inpasbaarheid en budgettaire gevolgen. Het kost echter tijd om een goed inzicht te verkrijgen in deze problematiek. De conclusies zullen naar verwachting in de loop van volgend jaar kunnen worden gedeeld. Het is aan een volgend kabinet om een besluit te nemen of en welke maatregelen noodzakelijk zijn.
Welke andere opties onderzoekt u nu om ontwijking tegen te gaan, omdat nu al duidelijk is en u zelf ook al heeft aangegeven dat de vpb-verruiming tot ontwijkingsgedrag gaat leiden? Op welke manier worden amendementen op het wetsvoorstel met kamerstuknummer 35 927 (Belastingplan 2022), nummers 37 en 38, hierin betrokken?
Zie antwoord vraag 16.
Bent u bereid de mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking te voorkomen in kaart te brengen en de Kamer hierover zo snel mogelijk te informeren?
Zie antwoord vraag 16.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en aan de Kamer doen toekomen voorafgaand het wetgevingsoverleg over het Belastingplan 2022 in de Eerste Kamer?
Ja. Ik heb de vragen zoveel mogelijk één voor één beantwoord, met dien verstande dat enkele in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.
Het Onderzoeksrapport inzake het faillissement van Flexenergie |
|
Sandra Beckerman (SP), Renske Leijten |
|
Stef Blok (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de vernietigende conclusie van het onderzoeksrapport inzake het faillissement van Flexenergie, namelijk dat de energieleverancier ten onrechte vergunningen verkreeg van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) voor de levering van gas en elektriciteit terwijl zij op geen moment in de periode van februari 2014 tot het faillissement in oktober 2018 beschikte over de benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten voor het uitvoeren van deze taak?1
De ACM is een onafhankelijke toezichthouder die er op toeziet dat (energie)bedrijven zich houden aan wet- en regelgeving en kan binnen de wettelijke kaders handhavend optreden bij schending hiervan. De ACM opereert volledig onafhankelijk en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) heeft geen enkele bemoeienis in de besluiten die de ACM hier in neemt. Ik vind het erg vervelend voor de klanten van deze energieleverancier dat ze negatieve gevolgen hebben ondervonden van het faillissement van deze energieleverancier.
De ACM is op grond van de wet bevoegd om, op aanvraag, leveringsvergunningen af te geven aan partijen die aan kleinverbruikers energie willen leveren.2 Aan deze aanvraag zijn wettelijke vereisten verbonden, waaronder het beschikken over de benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten. Aan deze vergunningseisen moet de aanvrager c.q. vergunninghouder blijvend voldoen. Indien aanleiding bestaat dat een vergunninghouder (vermoedelijk) niet voldoet aan de vergunningseisen kan de ACM hier een onderzoek naar starten. Dit is ook wat de ACM in deze casus heeft gedaan.
Uit navraag bij de ACM is het volgende gebleken. De ACM is in december 2016 een onderzoek gestart naar de administratieve organisatie en interne organisatie van Flexenergie naar aanleiding van signalen die zij van consumenten heeft ontvangen. De ACM kreeg uit verschillende bronnen signalen die wezen op mogelijke overtredingen doordat Flexenergie onterechte kosten («afsluitkosten») in rekening bracht. In mei 2017 was het onderzoek van de ACM nog gaande. Ingrijpen in mei 2017 op basis van een onvolledig onderzoek was dan ook niet mogelijk. Bij Flexenergie werden meerdere processen beoordeeld. De situatie bij Flexenergie was complex door de IT-inrichting en daarnaast leverden de gesprekken met medewerkers en leidinggevenden meerdere sporen op waar zich mogelijk een overtreding of probleem voordeed. Dit heeft de ACM zorgvuldig uitgezocht. De ACM heeft haar onderzoek eind 2017 afgerond en besloten om in te grijpen bij Flexenergie. Dit heeft ertoe geleid dat de ACM extra voorschriften aan de vergunning van Flexenergie heeft verbonden. Deze extra voorschriften hielden in dat Flexenergie binnen zes maanden achterstanden in haar administratie moest wegwerken en haar administratieve organisatie en interne controle moest verbeteren. Het is belangrijk dat de financiële administratie op orde is zodat een onderneming betrouwbare controles kan uitvoeren en (financiële) rapportages kan maken. In eerdere zaken van de ACM hebben voorschriften aan de vergunningen van andere leveranciers effect gehad en geleid tot verbeteringen in de administratieve organisatie en interne controle. Naast het aanbrengen van extra voorschriften aan de vergunning als maatregel voor reparatie zette de ACM haar onderzoek naar de gedragingen van de onderneming in het verleden voort. Dit heeft geleid tot een boete voor de bestuurders van Flexenergie. Voor nadere informatie verwijs ik uw Kamer naar het genomen besluit door de ACM.3
Deze onderzoeken en de daaropvolgende besluiten van de ACM waren erop gericht om consumenten te beschermen, waarbij de impact van mogelijke financiële schade voor consumenten uitdrukkelijk werd meegewogen. Dat er desondanks consumentenleed en schade is ontstaan als gevolg van het faillissement van Flexenergie betreur ik.
In de beantwoording van eerdere Kamervragen is de Staatssecretaris voor Klimaat en Energie uitgebreid ingegaan op de uitvoering van de motie-Beckerman c.s. over strenge eisen aan energieleveranciers (Kamerstuk 30 196, nr. 658). In de antwoorden wordt ook ingegaan op het wetsvoorstel van de Energiewet waarin onder meer de strengere eisen aan (het afgeven van) leveringsvergunningen zijn opgenomen (zie ook het antwoord op vraag 7).4 Ik doe een onderzoek waarbij de mogelijkheden naar extra financiële eisen aan energieleveranciers worden onderzocht, ook wordt gekeken naar de mogelijkheden om de positie van consumenten bij faillissementen van energieleveranciers te verbeteren. Ik laat dit door een externe partij. Indien dit leidt tot wijzigingen in wetgeving, zal ik uw Kamer informeren.
Wat vindt u van de conclusie dat Flexenergie het, ondanks de miljoenenverliezen die zij leed, nog zo lang heeft kunnen volhouden omdat zij de Belastingdienst en zijn klanten misbruikte als ongewilde financiers van haar verliezen?
In de Nederlandse energiesector is de betaling van de energierekening door kleinverbruikers via een voorschotsystematiek gebruikelijk. Het merendeel van de energieleveranciers int van klanten maandelijks een gelijkblijvend bedrag op basis van een geschat standaardjaarverbruik. Deze schatting is veelal gebaseerd op het verbruik van de voorafgaande jaren. Klanten kunnen echter de hoogte van het te betalen voorschotbedrag tot op zekere hoogte zelf bepalen en instellen en vaak op elk gewenst moment wijzigen. Eenmaal per jaar ontvangen klanten een jaarafrekening, waarin een verrekening plaatsvindt waarbij sprake kan zijn van bijbetaling of teruggave afhankelijk van het werkelijke verbruik van het voorgaande jaar. Het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht bepaalt dat een energieleverancier tenminste eenmaal per jaar een factuur verstrekt. Het verbruik van gas vindt voor het overgrote deel in de wintermaanden plaats. Door de voorschotsystematiek worden de kosten voor gas van deze verbruikspiek uitgesmeerd over het hele jaar. Het voordeel is dat klanten in de winter niet geconfronteerd worden met veel hogere rekeningen dan in de rest van het jaar die zij mogelijk niet kunnen betalen. De consequentie is echter wel dat klanten in de zomermaanden meer betalen dan ze werkelijk aan gas verbruiken in die maanden. Een energieleverancier staat het vrij om deze liquide middelen te gebruiken voor financiering van de inkoop van energie voor hun klanten.
Een energieleverancier factureert en int naast de leveringskosten ook de netwerkkosten en energiebelasting bij zijn klanten. Deze kosten worden afgedragen aan respectievelijk de netbeheerders en Belastingdienst. Dit proces is vergelijkbaar met de wijze waarop omzetbelasting wordt geïnd en afgedragen. Het is de verantwoordelijkheid van de leverancier zelf om tijdig en correct zijn energiebelasting af te dragen aan de Belastingdienst. Als een leverancier dat nalaat, kan de Belastingdienst invorderingsmaatregelen nemen om het uitstaande bedrag te vorderen.
Op grond van het vorenstaande kan niet geconcludeerd worden dat Flexenergie, louter door energiebelasting en voorschotbedragen te innen, de Belastingdienst en zijn klanten misbruikte.
Hoe is het mogelijk dat de ACM heeft nagelaten om in mei 2017 in te grijpen bij Flexenergie, terwijl hier alle aanleiding toe was en de schade voor de Belastingdienst en klanten dan minder hoog zouden zijn opgelopen?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat intrekking van de vergunning juist een vorm van bescherming van klanten kan zijn en het argument van de ACM dat dat «ingrijpende en onomkeerbare gevolgen» zou hebben geen steek houdt, omdat de gevolgen alleen maar meer ingrijpend en onomkeerbaar werden naarmate de situatie bleef voortbestaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wanneer een leveringsvergunning van een leverancier wordt ingetrokken door de ACM, wordt de procedure leveringszekerheid gestart om ervoor te zorgen dat consumenten (kleinverbruikers) niet in de kou en het donker komen te zitten. Het is wettelijk gegarandeerd dat de klanten van de wegvallende
leverancier voorzien zijn van energie.5 Het maakt hierbij niet uit of de ACM de vergunning intrekt naar aanleiding van een aangekondigd faillissement van de leverancier of als ultieme sanctie op het niet langer voldoen aan de vergunningsvereisten. In dit laatste geval geldt dat de ACM hiertoe niet lichtvaardig kan overgaan. Dat kan zij alleen doen in het geval zij oordeelt dat de energieleverancier niet langer op een betrouwbare wijze energie kan leveren. Dat is een zware toets.
Een intrekking van een vergunning betekent dat een leverancier niet langer mag leveren aan kleinverbruikers en deze activiteit moet staken. Doorgaans is de levering aan kleinverbruikers een dermate belangrijke activiteit van een leverancier dat deze door het gedwongen stoppen daarvan in grote financiële problemen komt en waarschijnlijk failliet zal gaan. Voor consumenten die klant waren en een vordering op de onderneming hebben omdat zij voorschotten hebben betaald (zie antwoord op vraag 2) betekent dat naar alle waarschijnlijkheid dat zij dat geld kwijt zijn. Hetzelfde geldt voor consumenten die gebruikmaken van de salderingsregeling. Deze afnemers kunnen bij faillissement van hun leverancier ook nadeel ondervinden doordat zij hun elektriciteitsafname van het net niet meer volledig kunnen salderen met de door henzelf opgewekte elektriciteit, bijvoorbeeld met zonnepanelen. De consument heeft vooral te maken met een nadeel als hij op het moment dat het faillissement plaatsvindt meer elektriciteit van het net heeft afgenomen dan hij heeft kunnen invoeden. Door het faillissement van de energieleverancier is het voor de consument niet meer mogelijk dit verbruik nog te salderen met latere invoeding op het net, wat zonder faillissement wel had gekund doordat het contractjaar in dat geval zou zijn doorgelopen.
Ook als er geen sprake is van een faillissement is het intrekken van een vergunning ingrijpend en onomkeerbaar. In dat geval zal de leverancier zelf zijn klantenbestand moeten verkopen of (als dit niet binnen de vensterperiode lukt) worden de klanten verdeeld over alle overige. Dit raakt zowel de leverancier, die deze klanten moet verkopen of ziet vertrekken, als de klanten die worden overgenomen door een nieuwe energieleverancier.
De wettelijke mogelijkheid van het stellen van nadere voorschriften aan een vergunning door de ACM, zoals bij Flexenergie is gedaan, is een manier om gericht maatregelen bij de vergunninghouder in gang te zetten in het belang van de consument. Als de onderneming er in slaagt binnen de termijn orde op zaken te stellen komt dit zowel de energieleverancier als de consument ten goede. Beide partijen kunnen hun gemaakte afspraken immers voortzetten. Indien de vergunninghouder hier niet aan kan voldoen, kan de ACM alsnog een zwaarder instrument inzetten en op eigen initiatief de vergunning intrekken.
Erkent u dat dit betekent dat het toezicht door de ACM gefaald heeft? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, ik kan mij daar niet in vinden. De ACM is een onafhankelijke toezichthouder en kan binnen de wettelijke kaders handhavend optreden. Dit is in dit geval ook gebeurd. De ACM heeft ervoor gezorgd dat de klanten van Flexenergie niet zonder elektriciteit en gas zijn komen te zitten.6 De gevolgen van het faillissement van Flexenergie zijn wel bijzonder vervelend voor de voormalige klanten. De ACM heeft aangekondigd dat zij laat onderzoeken of en zo ja, hoe zij in dergelijke gevallen de belangen van consumenten nog beter kan waarborgen. Voorts worden naar aanleiding van de motie Beckerman c.s. (Kamerstuk 30 196, nr. 658) in het wetsvoorstel van de Energiewet regels aangescherpt ten aanzien van de inhoud en toezicht op de vergunning.
Wat vindt u van de overweging die de curator meegeeft aan de Consumentenbond om het bedrag dat zij verdiende door veilingen te organiseren waar consumenten werden overgehaald over te stappen naar Flexenergie, met dramatische situaties tot gevolg omdat zij niet op de hoogte waren van de deplorabele staat van de onderneming, terug te betalen aan de boedel? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is niet aan mij om daar een oordeel over te vellen. Het kabinet heeft hier geen rol en geen inzicht in afspraken tussen de organisatoren van de energieveilingen (meestal belangenorganisaties) en de energieleverancier over de voorwaarden van de veiling.
Wat is er sinds het faillissement van Flexenergie veranderd aan de toetredingseisen om te voorkomen dat dit zich weer voordoet?
Uit navraag bij de ACM is het volgende gebleken. Sinds 2015 (dus na de vergunningverlening aan Flexenergie) zijn aanvragers verplicht om een rapport van een accountant te verstrekken om te bewijzen dat zij hun administratieve organisatie en interne controle niet alleen op papier maar ook daadwerkelijk geïmplementeerd hebben. Deze werkwijze van de ACM is aangescherpt naar aanleiding van voortschrijdend inzicht en binnen de (beperkte) ruimte die de wet hiervoor biedt.
Bij het opstellen van het wetsvoorstel van de Energiewet heeft EZK
naar aanleiding van de eerder genoemde motie van Beckerman c.s., gekeken naar de vraag of de voorwaarden waaronder energieleveranciers hun leveringsvergunning krijgen moeten worden aangescherpt en of er meer controle door de ACM moet worden uitgeoefend. Daarnaast is bij het opstellen van het wetsvoorstel tevens de toezegging meegenomen om samen met de ACM te bezien of de voorwaarden waaronder energieleveranciers hun leveringsvergunning krijgen moeten worden aangescherpt en te bekijken of er meer controle moet worden uitgeoefend.7 Het wetsvoorstel Energiewet ligt op dit moment bij de betrokken toezichthouders voor een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets. Ik verwacht dit wetsvoorstel na advisering van de Raad van State eind dit jaar aan uw Kamer te sturen.
Het wetsvoorstel stelt ten aanzien van de inhoud en toezicht op de vergunning een aantal aanpassingen voor. Conform bestaande regels moeten
energieleveranciers, om een vergunning te krijgen (en te houden), bij de ACM aan kunnen tonen dat zij beschikken over de benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten om daadwerkelijk energie te kunnen leveren aan eindafnemers met een kleine aansluiting. In aanvulling op deze bestaande eisen worden in het wetsvoorstel de volgende extra maatregelen voorgesteld.
Leveranciers (het bedrijf en de bestuurders) zullen bij de aanvraag (en periodiek na afgifte) van een vergunning een Verklaring Omtrent Gedrag (hierna: VOG) moeten overleggen. De eis voor het overleggen van een VOG zal in lagere regelgeving worden opgenomen en verder worden uitgewerkt. Hierbij moet gedacht worden aan de vaststelling van termijnen waarbinnen de VOG zal moeten worden overlegd, en consequenties van het niet kunnen overleggen van een VOG. Op deze wijze wordt een toets(moment) uitgevoerd dat zorgt voor een grotere betrouwbaarheid en integriteit van energieleveranciers (het bedrijf en de bestuurders). Ze moeten niet alleen hun taken goed (kunnen) uitvoeren, maar als leverancier van nutsvoorzieningen ook in algemene zin integer zijn. Bovendien leidt een VOG screening tot bescherming van de afnemers, omdat beter geborgd is dat zij beleverd worden door betrouwbare leveranciers.
Ten tweede biedt het wetsvoorstel de ACM de mogelijkheid gebruik te kunnen maken van de wet Bevordering Integriteits Beoordelingen door het Openbaar Bestuur (wet Bibob). De Wet Bibob maakt het mogelijk dat de integriteit van de aanvrager van een vergunning wordt getoetst. Het doel is daarmee ook de integriteit van het toetsende bestuursorgaan, in dit geval de ACM, te beschermen, door te voorkomen dat vergunningen worden verleend aan niet betrouwbare en/of niet- integere partijen. Ook kunnen al afgegeven vergunningen worden ingetrokken. Hiermee wordt voorkomen dat de ACM ongewild criminele activiteiten faciliteert.
Verder wordt voorgesteld te expliciteren dat de vergunninghouder aan de bij de vergunningaanvraag gestelde eisen moet blijven voldoen. In het wetsvoorstel is daartoe een bepaling opgenomen dat een leverancier om een vergunning te krijgen en behouden, moet beschikken over de benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten alsmede voldoende deskundigheid voor een goede uitvoering van zijn taak. Wat nu niet als zodanig expliciet in de wet is opgenomen, is de eis van voldoende deskundigheid. Deze moet borgen dat leveranciers met voldoende kennis van zaken actief zijn op de markt.
In lagere regelgeving zal hier nadere uitwerking aan worden gegeven.
In het wetsvoorstel is een grondslag opgenomen om bij lagere regelgeving nadere uitwerking te geven aan de genoemde kwaliteiten. Wijzigingen in één of meer van deze kwaliteiten kunnen er toe leiden dat niet meer voldaan wordt aan de vergunningseisen. Voor de verdere invulling hiervan zal lagere regelgeving een plicht gaan bevatten om wijzigingen in bepaalde aspecten van die kwaliteiten te melden. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om bij grote organisatorische of financiële veranderingen. Een dergelijke meldplicht was niet eerder expliciet bepaald, wel was dit door de wetgever beoogd en als zodanig door de ACM in de vergunningseisen opgenomen.8 Naast deze meldplicht zal in lagere regelgeving worden bepaald dat bij de vergunningsaanvraag een accountantsverklaring (controle verklaring) overlegd moet worden en dit na vergunningverlening dit jaarlijks te herhalen.
Wat is er sinds het faillissement van Flexenergie veranderd aan het toezicht en de bescherming van consumenten?
Laat ik vooropstellen dat ik consumentenbescherming hoog in het vaandel heb en ik het belangrijk vind om te blijven kijken naar mogelijkheden om consumenten (beter) te beschermen.
Naar aanleiding van de ontwikkelingen op de energiemarkt en gesprekken met de ACM en energieleveranciers9 wordt gekeken of het wettelijk kader voor het toezicht van de ACM robuust genoeg is. Deze gesprekken zal ik de komende maanden voortzetten. Het is een gezamenlijke opdracht om te zorgen dat de energieleveranciers voldoende kwaliteit, klantgerichtheid en risicomanagement hebben om de verwachtingen van consumenten te kunnen waarmaken. Klanten moeten er vanuit kunnen gaan dat hun leverancier voldoende financiële middelen heeft om de inkoop voor energie ook bij volatiele marktprijzen te kunnen garanderen.
Ik onderzoek de mogelijkheden om de positie van consumenten bij faillissementen van energieleveranciers verder te verbeteren.10 Verschillende leden hebben hierbij de oprichting van zogenoemde waarborgfonds voorgesteld. Tot nu toe is hier niet voor gekozen vanwege de eerder genoemde risico’s die hier aan kleven.11 Niettemin is het van groot belang dat het kabinet, zoals gezegd, blijft zoeken naar mogelijkheden om de positie van consumenten bij faillissementen van energieleveranciers verder te verbeteren. De vraag of een uitvoerbare en doelmatige uitwerking van een dergelijk fonds mogelijk is, zal ik daarom meenemen in het hierboven genoemde onderzoek.
De ACM is belast met uitvoerende en toezichthoudende taken. Uit navraag bij de ACM is gebleken dat de ACM na de verlening van een vergunning doorlopend toezicht houdt op energieleveranciers. Dit gebeurt structureel aan de hand van (reguliere) informatieverzoeken en incidenteel op basis van klachten en meldingen van consumenten en bedrijven. De ACM kijkt of het bedrijf voldoende stabiel is zodat levering van gas en elektriciteit aan consumenten niet in gevaar komt. De ACM doet een onderzoek als zij hiervoor noodzaak of aanleiding ziet. De ACM verbetert haar toezicht voortdurend op grond van ervaringen en nieuwe kennis. Ook hebben EZK en ACM de mogelijkheden besproken om aanvullende regels op te nemen in de nieuwe Energiewet, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 7. Het gaat dan onder andere om de mogelijkheid om de integriteit van bestuurders te beoordelen en een expliciete meldplicht bij wijzigingen in organisatorische, financiële en administratieve kwaliteiten bij de onderneming.
Deelt u de mening dat deze casus bevestigt dat het gebrek aan toezicht op de energiemarkt tot een race to the bottom leidt waar consumenten de dupe van worden? Zo ja, wat gaat u hier tegen doen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik kan mij daar niet in vinden. Het voordeel van een vrije en concurrerende energiemarkt is dat consumenten zelf energietarieven kunnen vergelijken, keuzevrijheid hebben uit verschillende energieleveranciers en dat energieleveranciers innoveren in producten, dienstverlening en soort energie die aangeboden wordt (bijvoorbeeld groene stroom, groene stroom uit Nederland etc.). Zo kan elk huishouden zelf vrij kiezen van welke leverancier en tegen welke voorwaarden hij/zij elektriciteit en gas wil afnemen, waaronder de keuze voor grijze of groene stroom, de keuze voor vaste of variabele prijzen, de keuze voor een kort of lang lopend contract en de keuze om te wisselen van energieleverancier. Inherent aan deze concurrerende omgeving is de toe- en uittreding van energieleveranciers, waarbij faillissementen, met als gevolg mogelijke nadelige financiële gevolgen voor consumenten, helaas kunnen voorkomen. In geval van faillissement is met de Besluiten Leveringszekerheid geborgd dat consumenten niet zonder stroom of gas komen te zitten.
Een vrije energiemarkt is echter niet onbegrensd. Op grond van de Elektriciteitswet 1998 (art. 95a e.v.) dient een energieleverancier betrouwbaar te zijn en tegen redelijke tarieven energie te leveren aan kleinverbruikers. Het is de taak van de ACM om als onafhankelijke toezichthouder te toetsen of energieleveranciers voldoen aan de eisen voor leveringszekerheid en monitort in dat kader de financiële positie van energieleveranciers. Dit moment vindt normaliter plaats in oktober en kijkt daarbij een jaar vooruit. Het gehele jaar door voert de ACM risico georiënteerd toezicht. Daarnaast monitort de ACM de organisatorische, technische en financiële vereisten voor energieleveranciers blijvend, hetgeen ook dient ter bescherming van consumenten. Als de ACM problemen signaleert, zal ze in nauwer contact met de onderneming treden en zich in het uiterste geval voorbereiden op de procedures rond eventuele faillissementen of intrekking van de leveringsvergunning voor het leveren aan huishoudens en klein-zakelijke afnemers. De ACM heeft binnen de wettelijke kaders haar taken uitgeoefend. Bij het opstellen van het wetsvoorstel van de Energiewet is wel gekeken op welke wijze strengere eisen gesteld kunnen worden aan leveranciers en op welke wijze het handhavingsinstrumentarium kan worden uitgebreid. Deze maatregelen zorgen ervoor dat het (financiële) toezicht op en eisen aan energieleveranciers worden verscherpt.
Zoals in het antwoord op vraag 8 aangegeven onderzoek ik de mogelijkheden om de positie van consumenten bij faillissementen van energieleveranciers te verbeteren. Tevens onderzoek ik of het wenselijk en mogelijk is nadere eisen te stellen aan de financiële positie van de energieleveranciers om zo de kans te verkleinen dat faillissementen zich voordoen.12 Naar aanleiding van de resultaten en de aanbevelingen van dit onderzoek zal ik besluiten of er (eventuele) maatregelen moeten volgen. Indien de uitkomst van dit onderzoek leidt tot wijzigingen in de wet, zal ik uw Kamer informeren.
Deelt u de mening dat deze casus bevestigt dat liberalisering van de energievoorziening te ver is doorgeschoten waardoor het veel te makkelijk is geworden om er als onbekwame energieleverancier tussen te komen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 9.
De beschikbaarheid van locaties testen voor toegang op de Waddeneilanden en dunbevolkte gebieden |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichten «Testlocatie De Koog gaat definitief dicht» in de Texelse Courant en «Testen voor Toegang op Texel gaat vanaf komend weekend definitief dicht»? Wat vind u van deze berichten?1, 2
Ja. Ik vind dat testen een alternatief moet zijn en dat het daarvoor belangrijk is dat Testen voor Toegang bereikbaar en beschikbaar is, ook op de Waddeneilanden.
Bent u bekend met eerdere signalen over een continu wisselend beeld van de beschikbaarheid van Testen voor Toegang op onder meer de Waddeneilanden? Welke signalen heeft u daarover gehad?
Ik ben bekend met deze signalen die het gevolg zijn van het feit dat de testbehoefte op de Waddeneilanden varieert van een enkele test per dag tot een tiental in de week. Er is veel contact geweest in de afgelopen weken tussen het Ministerie van VWS, Stichting Open Nederland, de gemeenten van de Waddeneilanden en de testaanbieders die actief zijn op die Waddeneilanden. Om testcapaciteit te borgen op de Waddeneilanden, die vanwege hun ligging in combinatie met de relatief hoge vaccinatiegraad van de bewoners uniek zijn in relatie tot andere gemeenten, heb ik de Stichting Open Nederland de opdracht gegeven testcapaciteit voor de Waddeneilanden in te kopen. De Stichting heeft een concessie uitgeschreven op basis waarvan de testcapaciteit wordt geborgd. In de tussentijd heeft de Stichting er samen met de huidige testaanbieders en gemeenten voor gezorgd dat op de Wadden testcapaciteit beschikbaar blijft voor burgers.
Welke andere knelpunten zijn er in de fijnmazige dekking van het Testen voor Toegang nog meer bij u bekend?
Op 14 december 2021 is het mogelijk voor 99,9% van Nederland om binnen 30 minuten reistijd (enkele reis per auto) en voor meer dan 96% van Nederland om binnen 20 minuten reistijd (enkele reis per auto) een van de meer dan 800 testlocaties van Testen voor Toegang te bereiken.
Wel weten we dat testaanbieders het bij een hele lage testvraag soms moeilijk hebben een testlocatie rendabel te exploiteren. Een lage testvraag kan komen door een terugval in het aantal mensen in een regio dat gebruik wil maken van Testen voor Toegang, maar ook doordat er in een bepaald gebied veel concurrentie is. Daardoor kan het voorkomen dat een testlocatie gesloten wordt. In heel veel gevallen heeft dat geen tot nauwelijks consequenties voor de bereikbaarheid. In enkele gevallen kan dat mogelijk leiden tot een al dan niet tijdelijke iets langere reistijd. Indien dit voorkomt, dan zal Stichting Open Nederland samen met gemeenten proberen een nieuwe testaanbieder te vinden voor dat gebied. In het unieke geval van de Waddeneilanden is dit probleem natuurlijk een stuk groter dan voor gemeenten op het vaste land. Daarom heeft Stichting Open Nederland specifiek voor de Waddeneilanden een structurele alternatieve oplossing gevonden.
Hoe is in de aanbesteding rekening gehouden met het feit dat het bij het vergoeden op basis van het aantal testen het niet meer rendabel is testlocaties zoals Texel, maar ook in andere dunbevolkte gebieden, open te houden?
De aanbesteding per 11 oktober 2021 had als doel om de volledige markt te benutten voor het realiseren van voldoende testcapaciteit voor testen voor toegang. Door de hele markt te benutten, middels een vaste prijs per test, is het mogelijk geweest om het aantal testlocaties te vergroten van ruim 120 testlocaties voor 11 oktober 2021 naar ruim 800 testlocaties op 2 december 2021. Daarnaast zijn de kosten gekoppeld aan het gebruik. Omdat uitgegaan moet worden van een gelijke behandeling van alle testaanbieders, is er een prijs vastgesteld die het mogelijk maakt om overal in Nederland te exploiteren terwijl de kosten tegelijkertijd zo laag mogelijk gehouden kunnen worden. In zeer extreme gevallen, waarbij de testvraag enkele testen per dag bedraagt, is het nagenoeg onmogelijk om middels deze systematiek een rendabele locatie te exploiteren. Daarom is specifiek voor de Waddeneilanden, vanwege het ontbreken van een alternatief dat misschien net buiten de «grens» van 30 minuten reisafstand ligt, een structurele oplossing gevonden.
Bent u het eens dat zeker nu er wettelijke voorstellen liggen om de inzet van coronatoegangsbewijzen uit te kunnen breiden en Testen voor Toegang breder noodzakelijk kan zijn, het dan op alle plekken in Nederland mogelijk moet zijn een locatie voor Testen voor Toegang dichtbij te hebben (maximaal een halfuur met de auto)? Zo ja, hoe gaat u dat regelen?
Ik vind dat testen een bereikbaar en beschikbaar alternatief moet zijn en dat het daarvoor belangrijk is dat Testen voor Toegang zo goed mogelijk aan de 30-minutennorm voldoet. Stichting Open Nederland organiseert Testen voor Toegang en ik heb met hen afgesproken dat de bereikbaarheid binnen 30 minuten reistijd een van hun belangrijkste taken is. Tot nu toe is het hen ook elke keer gelukt om een passende oplossing te vinden. Ik blijf met hen in gesprek om te doen wat daarvoor nodig is.
Deelt u de mening dat Testen voor Toegang voor iedereen binnen een redelijke afstand en reistijd beschikbaar moet zijn en blijven, ook voor iedereen die op de Waddeneilanden woont en werkt?
Zie antwoord op vraag 5. Dit geldt evengoed voor de Waddeneilanden. Ook voor de Waddeneilanden is een passende oplossing gevonden.
Herinnert u zich de eerdere vragen van de VVD over de problemen en knelpunten op de Waddeneilanden en andere dunbevolkte gebieden en antwoorden van uw kant? Hoe moeten de genoemde nieuwsberichten in het licht van uw antwoorden worden gezien?3
Ik sta nog steeds achter de antwoorden op uw Kamervragen van 15 oktober 2021 over de beschikbaarheid van testcapaciteit buiten de randstad. Daarin heb ik aangegeven dat 99,9% van Nederland binnen 30 minuten op een testlocatie kan zijn en dat dit beeld een momentopname was. Sinds die tijd heb ik met alle betrokken partijen samengewerkt om de bereikbaarheid en beschikbaarheid van Testen voor Toegang op peil te houden en dat is zo goed als mogelijk gelukt. Zeer korte tijd was het niet mogelijk om op alle Waddeneilanden te testen. Op dit moment kan opnieuw 99,9% van Nederland zich binnen 30 minuten bij Testen voor Toegang laten testen, waaronder alle mensen op de Waddeneilanden.
Hoe kijkt u naar de implicaties die de slechte beschikbaarheid van Testen voor Toegang heeft voor de lokale ondernemers en de bewoners op de Waddeneilanden en hoe wilt u dit tegengegaan?
Zie het antwoord op vraag 3, 4 en 6.
Welke maatregelen gaat u nemen om nu eindelijk eens stabiele locaties voor Testen voor Toegang beschikbaar te hebben en te houden op de Waddeneilanden en in andere dunbevolkte gebieden?
Op de Waddeneilanden is een structurele oplossing gevonden door Stichting Open Nederland in overleg met de gemeenten. Verder monitort Stichting Open Nederland de verdeling van testlocaties over Nederland en houdt zij in de gaten wat de reistijden zijn en is continu in gesprek met gemeenten op welke manier de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van Testen voor Toegang in bepaalde dunbevolkte regio’s kan worden geregeld. Nogmaals, er is voor 99,9% van Nederland een testlocatie op 30 minuten reistijd.
Kunt u aangeven wat de status is van het gesprek dat de gemeente Texel heeft met uw ministerie? In hoeverre is er ook overleg met andere gemeenten waar een vergelijkbare situatie speelt?
Het Ministerie van VWS en Stichting Open Nederland staan in contact met de gemeenten van de Waddeneilanden en er is de afgelopen tijd gezamenlijk gezocht naar een passende en structurele oplossing. Deze oplossing is inmiddels ook gevonden.
Ook is er de afgelopen maanden goed contact geweest met Veiligheidsregio’s en gemeenten op plaatsen waar men langer dan 30 minuten moest reizen naar een testlocatie en daar waar dat dreigde te gaan gebeuren. Dit heeft geleid tot een goede bereikbaarheid voor 99,9% van Nederland.
Het bericht ‘Defensie-industrie vangt vaker bot bij banken die reputatieschade vrezen’ |
|
Eelco Heinen (VVD), Jeroen van Wijngaarden (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Henk Kamp (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie-industrie vangt vaker bot bij banken die reputatieschade vrezen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het vreemd is dat het Defensie is die een cyberaanval op banktegoeden zou moeten kunnen afwenden of vergelden, maar de bedrijven die de systemen maken waar Defensie mee moet werken niet welkom zijn bij die banken?
In het algemeen voeren banken eigen beleid ten aanzien van het accepteren van klanten. Banken bepalen zelf hun ondernemingsstrategie, het gewenste risicoprofiel en met welke klanten zij een (zakelijke) relatie aangaan of voortzetten. Dit betekent dat zij in beginsel de vrijheid hebben om zich te richten op die klantengroepen die zij vanwege hun strategie het meest opportuun achten.
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen over «de mogelijke impact van Europese ESG-standaarden op de defensie- en veiligheidssector» van 25 januari jl., neemt het kabinet de signalen van de defensie-industrie omtrent problemen met de toegang tot de financiële dienstverlening serieus. Daarom gaan de Ministeries van Financiën en Defensie eerst samen in gesprek met de defensiesector om te spreken over de belemmeringen die zij ervaren en vervolgens met de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB).
Bent u reeds in gesprek met banken en Defensie-industrie hierover? Zo nee, bent u daartoe bereid?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel bedrijven te horen hebben gekregen dat hun bankrekening wordt opgeheven?
Navraag bij de NVB leert dat zij deze cijfers niet tot hun beschikking hebben. Volgens de NVB zijn deze gegevens niet sectoraal beschikbaar en is het ook niet haalbaar om dit geaggregeerd op te halen bij de banken. De NVB heeft aangegeven dat het al dan niet aanbieden van bankrekeningen een individuele afweging van individuele banken is. Dit punt zal onderdeel zijn van ons gesprek met de defensiesector.
Klopt het dat dit ook gevolgen heeft voor privérekeningen en -leningen van bedrijfsleiders?
Zie antwoord vraag 4.
Is het mogelijk om een uitzondering te maken op het «ecolabel» wanneer een organisatie kan aantonen een defensieopdracht uit te voeren, dan wel de zogenaamde Environmental, Social & Governance (ESG) normen uit te breiden met veiligheidsinvesteringen? Bent u bereid zich hiervoor in te zetten?
Het kabinet zet zich in voor een ambitieuze invulling van Europese standaarden voor duurzame (financiële) producten. Het kabinet blijft binnen de EU in bredere zin ook de mogelijke ongewenste gevolgen van het bij voorbaat uitsluiten van sectoren, waaronder de defensie-industrie, aanhangig maken. Zoals in het coalitieakkoord gesteld, houdt het kabinet ook bij Rijksbrede regels en beleid rekening met de bijzondere positie van Defensie in het belang van de nationale veiligheid.
Is er op Europees niveau reeds gesproken over het botsende belang van de duurzaamheidsambities en het versterken van de defensiecapaciteit?
Tijdens de informele Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) met de Ministers van Defensie van 12-13 januari jl. in Brest is door een aantal lidstaten gewezen op mogelijke komende voorstellen ten aanzien van de taxonomie die een negatieve invloed kunnen hebben op de toegang van de Europese defensie-industrie tot financiële dienstverlening. De Hoge Vertegenwoordiger Joseph Borrell en de Europese Commissie erkenden de zorgen hierover en gaven aan dit goed in de gaten te zullen houden. Op 15 februari jl. publiceerde de Commissie het Defensiepakket2. Hierin stelt de Commissie dat horizontale initiatieven, zoals initiatieven op gebied van duurzame financiering, consistent moeten blijven met de inspanningen van de Europese Unie om de Europese defensie-industrie voldoende toegang tot financiering en investeringen te bieden. Daarnaast verwacht de Commissie van de defensie-industrie dat het zelf ook bijdraagt aan het mitigeren van klimaatverandering in lijn met EU-beleid en in het bijzonder de Europese Green Deal. Het verbeteren van de energie-efficiëntie, het waar mogelijk vergroten van het gebruik van hernieuwbare energie en het verminderen van emissies in deze sector moeten volgens de Commissie integraal onderdeel worden van de collectieve inspanningen voor klimaatneutraliteit in 2050.
Het kabinet zal dit dossier nauwlettend volgen, zoals aan uw Kamer gemeld in de Kamerbrief «Verslag informele Raad Buitenlandse Zaken Defensie d.d. 12 en 13 januari 2022» van 19 januari jl. (Kamerstuk 21 501-28, nr. 234). Een robuuste Europese Defensie Technologische en Industriële basis is cruciaal voor het waarborgen van de nationale veiligheid, de bevordering van de internationale rechtsorde en een zelfredzamer Europa. Dit laat onverlet dat van individuele bedrijven wordt verwacht dat zij gepaste zorgvuldigheid in lijn met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen) toepassen. Dit houdt in dat bedrijven de risico’s voor mens en milieu in hun waardeketen in kaart moeten brengen en deze risico’s moeten aanpakken en voorkomen. Dit geldt ook voor bedrijven in de defensie-industrie, zij behoren deze processen op orde te hebben en dit aan te kunnen tonen aan hun financiële dienstverlener.
Het afnemen van het aantal restitutiepolissen |
|
Corinne Ellemeet (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Hoeveel verzekeraars bieden in 2022 een restitutiepolis aan? Hoeveel restitutiepolissen zijn er beschikbaar in 2022? Klopt het dat het aantal restitutiepolissen daalt?
In 2022 bieden 11 verzekeraars een restitutiepolis aan en zijn 11 restitutiepolissen beschikbaar.
Het klopt dat het aantal restitutiepolissen daalt. In 2020 waren er 17 restitutiepolissen, in 2021 waren dat er 14.
Wat is het aantal beschikbare natura- en combinatiepolissen in 2022?
In 2022 zijn er 37 naturapolissen beschikbaar en 12 combinatiepolissen.
Wat is de gemiddelde premie van de restitutie-, combinatie- en naturapolis?
De gemiddelde premie voor een restitutiepolis is in 2022 per jaar € 1.648,–, voor een combinatiepolis is dat € 1.533,– en voor een naturapolis € 1.503,–.
Deze gemiddelde premies zijn inschattingen op basis van het aantal verzekerden dat op dit moment een restitutie-, combinatie- of naturapolis heeft. In het voorjaar kan ik uw Kamer informeren over de definitieve cijfers voor 2022.
Hoeveel restitutiepolissen zijn er voor 2022 omgezet in een natura- of combinatiepolis? Om hoeveel verzekerden gaat het hier?
In 2022 zijn 3 restitutiepolissen omgezet in combinatiepolissen. In totaal hadden 785.000 verzekerden in 2021 een restitutiepolis die per 2022 wordt omgezet naar een combinatiepolis.
Bij twee van de drie omgezette polissen heeft de betreffende verzekeraar haar verzekerden medio september over deze wijziging geïnformeerd door middel van een (digitale) brief. Verzekerden die voor digitale communicatie hebben gekozen en waarbij de omzetting vermoedelijk daadwerkelijk een verandering betekent omdat zij gebruik maken van zorg bij een niet-gecontracteerde zorgverlener, hebben tevens een fysieke brief ontvangen. Bij de derde omgezette polis heeft de verzekeraar op 12 november alle verzekerden met een brief en een wijzigingsfolder geïnformeerd.
Hoeveel mensen sloten geen zorgverzekering af in de afgelopen jaren? Kunt u de ontwikkeling vanaf de invoering van de zorgverzekering schetsen, uitgesplist in verschillende type verzekeringen?
Ik ga ervan uit dat u met type zorgverzekering bedoelt de «basiszorgverzekering» en «aanvullende zorgverzekering». Voor wat betreft de basiszorgverzekering is er onderscheid te maken tussen de periode voor en na 2011. In het jaar 2011 is de wet onverzekerden zorgverzekering (Wet Ovoz) in werking getreden. De Wet Ovoz heeft tot doel om mensen die verzekeringsplichtig zijn, maar zich niet verzekerd hebben, op te sporen en met behulp van vervolgacties het aantal onverzekerden terug te dringen.
2006
2007
2008
2009
2010
172.800
150.710
152.810
152.240
136.450
Bron: StatLine – Onverzekerden tegen ziektekosten; provincie, 2006–2010 (cbs.nl)
In de Verzekerdenmonitor wordt jaarlijks in beeld gebracht hoeveel verzekeringsplichtigen zijn opgespoord die geen zorgverzekering hebben gesloten en ambtshalve in verzekering zijn gebracht. Dit betreft alleen mensen die ingeschreven zijn in administratieve systemen, zoals de Basisregistratie Personen en de polis administratie van het UWV. Onbekend is om hoeveel mensen het gaat die zijn uitgeschreven, zoals dak- en thuisloze mensen.
In de onderstaande tabel staan de aantallen per jaar van verzekeringsplichtigen die zijn opgespoord die geen zorgverzekering hadden gesloten en van de aantallen die niet meer onverzekerd zijn.
2011
2012
2013
2014
2015
164.388
69.744
69.382
71.726
47.458
106.423
96.028
72.323
71.012
54.480
2017
2018
2019
2020
58.914
67.444
84.992
62.553
64.450
60.663
84.327
67.163
Het aantal verzekerden dat een aanvullende verzekering afsluit is al jaren vrij stabiel.
2018
2019
2020
2021
83,7%
83,8%
83,3%
83,9%
Op welke gebieden wordt er zorg in natura geleverd door verzekeraars als wordt gekozen voor een combinatiepolis?
Vier combinatiepolissen leveren geen zorg in natura maar alleen restitutie, waarbij wel een beperking geldt bij de vergoeding voor bepaalde vormen van niet-gecontracteerde zorg. Drie combinatiepolissen leveren voor maar een paar zorgvormen de zorg in natura; bij een polis gaat het om fysiotherapie, geestelijke gezondheidszorg (ggz) en wijkverpleging en bij de andere twee om ggz en wijkverpleging. Vijf combinatiepolissen leveren bijna alle zorgvormen in natura, met uitzondering van een paar vormen van zorg: bij een polis niet voor ggz, wijkverpleging en mondzorg, bij een polis niet voor ggz en mondzorg, bij een polis niet voor huisartsenzorg, geneesmiddelen en mondzorg, bij een polis niet voor fysiotherapie, ergotherapie en logopedie en bij een polis niet voor mondzorg en paramedie.
Mag een verzekeraar binnen een restitutiepolis in de wijkverpleging of GGZ alsnog minder dan het NZa-tarief vergoeden?
Op basis van het Besluit Zvw dient de zorgverzekeraar aan de verzekerde de kosten te vergoeden die gemaakt zijn uit hoofde van een restitutieverzekering, maar niet de kosten die hoger zijn dan in de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend zijn te achten. Als er een maximumtarief is vastgesteld, geldt dat maximumtarief als invulling van het begrip marktconform en dient de restitutieverzekeraar het maximumtarief te vergoeden bij niet-gecontracteerde zorg.
Mag een verzekeraar een restitutiepolis eigenstandig omzetten in een natura- of combinatiepolis? Zo ja, hoe dient de verzekeraar de verzekerde daarover te informeren? Welke consequenties zijn er voor een verzekeraar als de verzekerden niet goed worden geïnformeerd?
Een verzekeraar bepaalt welke polissen hij aanbiedt. Als de inhoud van een polis verandert, dat moet de zorgverzekeraar de verzekerden daarover goed informeren, zoals ook bepaald is in de Nederlandse Zorgautoriteit Regeling informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten – TH/NR-017.
Welke stappen neemt u om te garanderen dat de restitutiepolis voor iedereen beschikbaar blijft, onafhankelijk van de financiële positie van de verzekerde?
Een restitutiepolis is gemiddeld duurder dan een naturapolis. Verzekerden kunnen zelf een keuze maken welke polis het beste bij hen past. De betaalbaarheid van de premie en het verplichte eigen risico is voor lagere inkomens geborgd via de zorgtoeslag.
Klopt het dat er verschil in voorwaarden zit tussen hulp bij fysieke klachten en hulp bij mentale klachten?Klopt het dat de verzekeraar met name de voorwaarden wijzigen voor hulpverleners die mentale hulp aanbieden? Zo ja, waarom is dit zo? Bent u bereid hier heldere afspraken over te maken?
Deze vraag is zo geïnterpreteerd dat gedoeld wordt op combinatiepolissen. Bij combinatiepolissen zit het verschil zowel bij voorwaarden voor de ggz als bij de somatische zorg (bijvoorbeeld wijkverpleging, paramedie en mondzorg). Het is aan de zorgverzekeraar om te bepalen welke polissen met welke voorwaarden hij aanbiedt.
Bent u het eens dat het pijnlijk is en schadelijk kan zijn als mensen hun vaste hulpverlener – die ze soms al jaren hebben en dus vertrouwen – kwijtraken doordat verzekeraars de voorwaarden veranderen? Zo ja, wat gaat u doen om te zorgen dat mensen hun vaste behandelaar kunnen behouden?
Zorgverzekeraars moeten transparant zijn over welke zorgverleners gecontracteerd zijn en welke (nog) niet. Zorgverzekeraars moeten ook transparant zijn over hoe zij omgaan met het vergoeden van zorg door (nog) niet gecontracteerde zorgaanbieders. Verzekerden kunnen ieder jaar overstappen van verzekering en verzekeraar als de huidige verzekering een gewenste zorgverlener niet contracteert en een andere wel. Ook kan een verzekerde kiezen voor een restitutiepolis.
Het is van belang dat verzekeraars selectief kunnen contracteren omdat zij zo in het belang van hun verzekerden kunnen sturen op passendere zorg; daardoor kunnen zij er ook voor te kiezen om bepaalde zorgaanbieders niet te contracteren als deze zorg leveren die van relatief mindere kwaliteit is en/of relatief duur is.
De verlenging van de geldigheid van het coronaherstelbewijs |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Op welke termijn zal de verlenging van de geldigheid van het coronaherstelbewijs van 180 dagen naar 365 dagen na een positieve test, zichtbaar worden in de CoronaCheck-app?
De verlenging van de geldigheidsduur van het herstelbewijs voor nationaal gebruik naar 365 dagen is opgenomen in de wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 (Trm). Deze wijziging is op 30 november jl. in werking getreden. Vanaf dat moment krijgen gebruikers die al een herstelbewijs in de CoronaCheck-app hebben ingeladen een melding dat deze kan worden verlengd.
Papieren herstelbewijzen behouden de geldigheid van 180 dagen, zoals ook op het bewijs is aangegeven. Ditzelfde geldt voor papieren bewijzen die door de vaccinatiezetter via het HKVI webportaal zijn verstrekt. Bij het inladen van deze bewijzen in de app wordt de geldigheidsduur niet automatisch aangepast.
Het bericht ‘Joodse studenten/docenten in academisch Nederland (vogel)vrij?!’ |
|
Harm Beertema (PVV) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Joodse studenten/docenten in academisch Nederland (vogel)vrij?!»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Joodse studenten en docenten in alle vrijheid moeten kunnen studeren en doceren aan de Maastricht University en dat zij in alle vrijheid evenementen moeten kunnen organiseren en studentenorganisaties moeten kunnen oprichten die passen bij hun ideologische en politieke voorkeuren? Zo ja, wat gaat u ondernemen om dat ook voor de Joodse gemeenschap te realiseren aan Maastricht University?
Ja, die mening deel ik. De Universiteit Maastricht heeft mij geïnformeerd dat zij hier, als instituut dat grote waarde hecht aan inclusiviteit, ook alle ruimte toe biedt. Inzake de Joodse studentenorganisatie hebben al gesprekken plaatsgevonden om een studentenorganisatie op te richten of opnieuw te activeren. Daarnaast zijn en worden Joodse studenten uitgenodigd om deel te nemen aan bijeenkomsten met andere studentenorganisaties en evenementen zoals de introductieweek voor nieuwe studenten.
Deelt u de opvatting dat de in het artikel gestelde werkelijkheid voor Joodse studenten en docenten haaks staat op de volgende passage die te vinden is op de website van Maastricht University: «De Universiteit Maastricht maakt zich sterk voor een inclusieve cultuur. Als een van de meest internationale universiteiten in Europa zijn we ons ervan bewust dat in onze diversiteit onze kracht schuilt. Het gaat ons om meer dan quota en afspraken: we staan voor een omgeving waarin iedereen zich welkom en gewaardeerd voelt.»?2 Zo ja, wat bent u bereid te doen aan het giftige antisemitische klimaat aan Maastricht University?
De Universiteit Maastricht heeft antisemitische en islamofobe opmerkingen die werden geuit door leden van de universitaire gemeenschap krachtig veroordeeld, en opgeroepen om discriminatie en intimidatie vanwege religieuze overtuiging altijd te melden en/of aangifte te doen.
Onderkent u dat het onacceptabel is dat universiteiten en studentenorganisaties eisen dat Joodse studenten van de Europees Joodse Associatie (EJA) afstand nemen van Israël en geen enkele link mogen leggen met Israël bij evenementen? Zo ja, bent u bereid iets te doen aan deze schandelijke praktijken?
Ik vind het onacceptabel als Joodse studenten zou worden gevraagd afstand te nemen van Israël, maar ik herken het beeld niet dat dit het geval is op universiteiten of op door universiteiten georganiseerde evenementen. Wel moeten op universiteiten, al dan niet in academische context, politiek gevoelige discussies gevoerd kunnen worden. Dit dient wel respectvol te gebeuren.
Antisemitische incidenten en bedreigingen van Joodse studenten. |
|
Roelof Bisschop (SGP), Gert-Jan Segers (CU), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Joodse studenten in academisch Nederland (vogel)vrij»?1?
Ja.
Hoe kwalificeert u uitspraken als «de davidster staat symbool voor genocidale intenties» en «ze had er om gevraagd» (nadat een Joodse studente melding maakte van bedreiging)?
Degelijke uitspraken zijn verwerpelijk en aanstootgevend.
Wat vindt u van het feit dat Joodse studenten en Joodse academici slachtoffer zijn van antisemitisme, bedreigingen en zich onveilig voelen?
Dat vind ik ernstig en trek ik mij zeer aan. Iedere student en medewerker moet zich veilig kunnen voelen op de universiteit.
Hoe gaat u het vertrouwen herstellen waardoor antisemitische incidenten en bedreigingen daadwerkelijk gemeld worden en dat daarvan aangifte wordt gedaan?
Uit het artikel maak ik niet op dat er sprake zou zijn van een gebrek aan vertrouwen, waardoor geen melding of aangifte wordt gedaan van antisemitische dan wel – waar in het artikel ook melding van wordt gemaakt – islamofobe incidenten.
Binnen universiteiten kunnen studenten en medewerkers melding maken van discriminatie bij vertrouwenspersonen en ombudsfunctionarissen en is er de klachtenprocedure ongewenst gedrag. Ik roep iedereen op om te allen tijde melding te maken en aangifte te doen van discriminatie, van welke vorm ook.
Wat gaat u doen om te realiseren dat bedreigingen met een antisemitisch karakter daadwerkelijk worden opgevolgd door politie en openbaar ministerie?
Bij de politie en het OM is veel aandacht voor het op een correcte wijze aandacht geven aan strafbare feiten met een mogelijk discriminatoir aspect. Over het algemeen wordt van het krassen of schilderen van hakenkruizen, waar in het artikel melding van wordt gemaakt, altijd aangifte gedaan door burgers of door organisaties zoals de gemeente (omdat bijvoorbeeld een kunstwerk of een gebouw van de gemeente op deze wijze gevandaliseerd is).
Met betrekking tot commune feiten met een discriminatoir aspect geldt, zoals opgenomen in de Aanwijzing Discriminatie, dat het mogelijk aanwezig zijn van een discriminatieaspect een zwaarwegende indicatie vormt dat een strafrechtelijke reactie moet volgen. Voor het OM geldt dat wanneer bij een delict een discriminatieaspect aanwezig wordt geacht, dit aspect conform de Aanwijzing Discriminatie in het requisitoir van de officier van justitie wordt benadrukt en als strafverzwarende omstandigheid in de eis wordt meegenomen.
Op welke wijze gaat u de samenleving, en dus ook onderwijsinstellingen, ervan doordringen dat antisemitisme ontoelaatbaar is?
Ik ben ervan overtuigd dat onderwijsinstellingen evenals de overgrote meerderheid van onze samenleving daar al volledig van doordrongen zijn en discriminatie, in welke vorm ook, afwijzen.
Zelf heb ik mij steeds zeer actief opgesteld tegen discriminatie, inclusief antisemitisme. Ik verwijs naar de aanstelling van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding eerder dit jaar, als ook naar de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme, en naar publieke optredens waarin ik op het belang van onderlinge tolerantie wijs en me tegen discriminatie en antisemitisme uitspreek.
Het bericht dat het OM het onderzoek naar fraude bij Pels Rijcken aan een commerciële partij heeft overgelaten. |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de top van het Openbaar Ministerie (OM) de officier van justitie (OvJ) die de miljoenenfraude van bestuursvoorzitter F. O. van Pels Rijcken onderzocht, heeft teruggefloten toen hij het strafrechtelijk onderzoek wilde opschalen?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht, inclusief de correctie die de krant op 25 november jl. in het artikel aanbracht:
«Correctie (25 november 2021): In dit artikel is verduidelijkt dat de besluitvorming over het onderzoek plaatsvond binnen het functioneel parket, onderdeel van het OM dat met fraudeonderzoeken is belast.»
Klopt het dat de OvJ het onderzoek naar Pels Rijcken verder wilde opschalen, maar dat de top van het OM dat heeft tegengehouden? Zo nee, hoe is dit dan wel gegaan?
Ik verwijs naar een persbericht van het OM d.d. 24 november 2021, waarin wordt toegelicht dat na intern beraad binnen het Functioneel Parket het strategische besluit is genomen om het strafrechtelijk onderzoek te temporiseren. Het OM weerspreekt in dit persbericht «de titel en het beeld dat volgt uit het artikel dat de top van het Openbaar Ministerie het onderzoek stil heeft gelegd.»2
Klopt het dat het OM bewust ervoor heeft gekozen een stap terug te doen in het onderzoek naar de fraude bij Pels Rijcken omdat zij het onderzoek van een commerciële partij (te weten: Deloitte), die door de te onderzoeken partij zelf was aangesteld, wilde afwachten alvorens zelf verder actie te ondernemen? Zo ja, kunt u nagaan waarom het OM voor deze benadering heeft gekozen? Is deze beslissing genomen op basis van capaciteitstekorten bij het OM, of wellicht gebrek aan geld of expertise bij het OM?
Naast het door Pels Rijcken zelf ingestelde onderzoek door Deloitte zijn onderzoeken gestart door het Openbaar Ministerie en de toezichthouders. Parallel aan het strafrechtelijk onderzoek onder leiding van het OM startte Bureau Financieel Toezicht vanuit haar toezichtstaak op de derdengeldrekeningen onderzoek naar het handelen van de inmiddels overleden notaris van Pels Rijcken. Daarnaast heeft de Deken van de Haagse Orde van Advocaten onderzoek gedaan naar eventuele betrokkenheid van advocaten van Pels Rijcken bij notariële fraude. Uw Kamer is per brief van 13 augustus 2021 door mijn ambtsvoorganger geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek.
Het is aan het OM, en niet aan mij, om de inzet op een strafrechtelijk onderzoek te bepalen. Het OM heeft mij laten weten dat, nu reeds onderzoeken in gang waren gezet, er is besloten eerst de uitkomsten van die onderzoeken af te wachten alvorens het eigen onderzoek voort te zetten. Omdat de onderzoeken zich richtten op het handelen van geheimhouders en voor het OM de bescherming van het verschoningsrecht een groot goed is, is door het OM besloten om de toezichthouders – die juist op dit punt bijzondere bevoegdheden en expertise hebben – eerst hun werk te laten doen. Daarmee werd het strafrechtelijk onderzoek naar het handelen van de notaris en de mogelijke betrokkenheid van anderen tijdelijk getemporiseerd (op een lager pitje gezet) in afwachting van de uitkomsten van de onderzoeken van de toezichthouders en het onderzoek van Deloitte. Het strafrechtelijk onderzoek lag in die periode niet stil: er is toen ingezet op andere aspecten, namelijk het traceren van (buitenlands) vermogen en de afwikkeling van de erfenis van de notaris. Een dergelijke werkwijze/afweging is niet uitzonderlijk. Het gebeurt wel vaker dat er parallelle onderzoeken lopen waarvan de uitkomst wordt afgewacht omdat die mogelijk relevant is voor (nog te zetten stappen in) het strafrechtelijk onderzoek.
De voortgang van de onderzoeken van de toezichthouders werd door het OM telkens in ogenschouw genomen. Zodra de resultaten van die onderzoeken beschikbaar komen, zal het OM de uitkomsten meewegen bij de in het strafrechtelijk onderzoek te nemen stappen. Dat geldt ook voor het onderzoek dat Deloitte uitvoerde in opdracht van Pels Rijcken.
Hoe komt het volgens u over op de samenleving nu blijkt, dat de Staat onderzoeken naar fraude niet opschaalt, maar juist afschaalt in de hoop dat de fraudeur zelf gedegen onderzoek naar de fraude zal doen? Wat voor signaal wordt hiermee afgegeven?
Zoals hierboven bij de antwoorden op de vragen 2 en 3 weergegeven is geen sprake van het afschalen van het onderzoek.
Bent u het eens dat het een overheidstaak is strafbare zaken te onderzoeken en dat het dan niet past als overheid te zeggen: we wachten een zelfonderzoek van de te onderzoeken partij af en kijken daarna wel of verder onderzoek nog nodig is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hierover het gesprek met het OM aan te gaan?
Ik wens te benadrukken dat het aan het OM is, en niet aan mij, om de inzet op een strafrechtelijk onderzoek te bepalen. Over die inzet laat ik mij dan ook niet uit. Mijn ambtsvoorganger heeft dit ook bij de begrotingsbehandeling op een vraag van lid Ellemeet (Groen Links) nogmaals expliciet aangegeven ten aanzien van het onderhavige onderzoek3.
Klopt het dat Deloitte in de zaak van F. O. het OM heeft gevraagd toegang tot «laptops, telefoons» en andere gegevensdragers van Oranje? Zo ja, heeft Deloitte die toegang ook gekregen?
Het OM heeft mij laten weten dat genoemd kantoor niet heeft gevraagd om afgifte van of inzage in gegevensdragers.
Als het antwoord op voorgaande vraag bevestigend is, wat vindt u er dan in zijn algemeenheid van dat commerciële partijen toestemming krijgen opsporingsmethoden te gebruiken die normaal gesproken zijn voorbehouden aan de (hulp)OvJ en rechter-commissaris (RC)?
Het antwoord op vraag 6 is niet bevestigend.
Hoe wordt verzekerd dat een commerciële partij die toestemming krijgt mogelijke bewijsstukken te doorzoeken niets wijzigt aan die bewijsstukken, denk bijvoorbeeld aan het wissen van berichten op telefoon of computers?
In het algemeen wordt uitgegaan van de professionele integriteit van de betrokken forensisch onderzoekers. Bovendien toetst de FIOD dergelijke onderzoeken en doet zelf aanvullend onderzoek.
Wilt u vaart zetten achter het toegezegde onderzoek naar de voor- en nadelen van zelfonderzoeken, waarom door de Kamer is verzocht, en bent u bereid de huidige werkwijze met de zelfonderzoeken op te schorten, in ieder geval tot de resultaten van dat onderzoek er zijn?
In opdracht van het WODC is na de zomer van dit jaar gestart met het onderzoek naar de voor- en nadelen van zelfonderzoek door advocaten en zelfmeldingen door bedrijven.4 Bij dit onderzoek wordt ook meegenomen de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de resultaten van dergelijk zelfonderzoek voor opsporingsinstanties en het OM en de vraag op welke wijze dit zelfonderzoek zou kunnen worden gereguleerd. In het voorjaar van 2022 is voorzien dat het WODC het onderzoek zal afronden. Afhankelijk van de resultaten van dit onderzoek wil ik bezien of en welke stappen dienen te worden genomen met betrekking tot de huidige werkwijze. Uw Kamer zal hierover worden geïnformeerd.
De maatschappelijke behoefte van verkoop van cannabisolie als medicijn |
|
Wieke Paulusma (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Geen straf voor verkoop illegale wietolie» en «Geen straf voor wietoliehandelaar Rinus Beintema, rechter legt bal bij de politiek», en de uitspraak van de rechtbank Overijssel met betrekking tot Stichting Suver Nuver?1, 2
Ja.
Kunt u een reactie geven op de uitspraak van de rechtbank Overijssel?
De rechtbank Overijssel heeft geoordeeld dat de stichting Suver Nuver en haar 54-jarige bestuurder de Opium- en Geneesmiddelenwet hebben overtreden, maar legt hen geen straf op omdat dit niets toevoegt volgens de rechter. De rechtbank volstaat in dit geval met de signalering richting de politiek dat de gedragingen strafbaar zijn.
Herkent u dat cannabisolie als pijnbestrijder, slaapmiddel, eetlustopwekker of middel tegen epilepsie wordt gebruikt door patiënten met verschillende ziekten waaronder kanker, reuma of de ziekte van Chron?
Medicinale cannabis, waaronder cannabisolie, kan werkzaam zijn bij verschillende gezondheidsklachten en aandoeningen3 , 4.
Herkent u, net als de rechtbank Overijssel, dat er een maatschappelijke behoefte is aan cannabisolie als medicijn voor (chronisch) zieke patiënten?
Uit de Berenschot evaluatie van het Bureau voor Medicinale Cannabis (BMC), waarvan de toenmalig Minister voor Medische Zorg en Sport het rapport met uw Kamer heeft gedeeld op 2 juli jl.5, is onder andere naar voren gekomen dat de behoefte van patiënten voor wat betreft het gebruik van medicinale cannabis onvoldoende in kaart is gebracht. De meest recente Nationale Drugs Monitor van het Trimbos Instituut, door mij gedeeld met uw Kamer op 9 maart jl.6, laat zien dat het merendeel van de cannabisgebruikers die dit gebruiken om medicinale redenen, dit doet zonder doktersrecept. Samen met het Bureau voor Medicinale Cannabis en het Trimbos Instituut wordt daarom momenteel gewerkt aan een onderzoek om hier meer inzicht in te krijgen. De verwachting is dat het onderzoek in het eerste kwartaal van 2022 van start kan gaan. Uw Kamer zal worden geïnformeerd over de voortgang hiervan.
Wat vindt u ervan dat ruim 15.000 (chronisch) zieke patiënten baat hebben bij het medicinaal gebruik van cannabisolie, maar daarvoor nu zijn aangewezen op de illegale koop van het product cannabisolie via stichting Suver Nuver?
Medicinale cannabis, waaronder cannabisolie, is legaal op doktersrecept verkrijgbaar via de apotheek. De door de apotheek verstrekte medicinale cannabis is van zeer hoge en constante kwaliteit. Het is onbekend wat de kwaliteit is van de medicinale cannabisolie die door Suver Nuver verstrekt wordt. Wat de reden is dat mensen die cannabis medicinaal gebruiken toch illegale cannabis(olie) kopen waarvan de kwaliteit niet gecontroleerd wordt in een laboratorium is niet bekend. Hopelijk geeft het onderzoek (zie mijn antwoord op vraag 4) meer inzicht in de beweegredenen van mensen om cannabis en cannabisolie via andere kanalen te kopen of waarom men ervoor kiest het zelf te telen.
Kun u aangeven waarom de bestuurder van Suver Nuver wordt belemmerd in het onderzoek laten doen naar de samenstelling van het product cannabisolie?
Voor onderzoek met een opiaat, en dus ook met cannabis, is een ontheffing op grond van de Opiumwet vereist. Een aanvraag voor een ontheffing op grond van de Opiumwet kan alleen worden toegewezen als deze aan alle vereisten van de Opiumwet voldoet. Aanvragen voor een ontheffing voor onderzoek met cannabis voor geneeskundige toepassing worden beoordeeld door BMC. BMC heeft in 2019 geconcludeerd dat de aanvraag van Suver Nuver niet voldeed aan de wettelijke vereisten.
Kunt u aangeven of, en zo ja welke stappen u voornemens bent te nemen om belemmeringen op te heffen in onderzoek naar de werkzaamheid en samenstelling van cannabisolie? Zo nee, waarom niet?
Onderzoek naar de geneeskundige werking van medicinale cannabis, waaronder cannabisolie, is zeer belangrijk om de beschikbaarheid van medicinale cannabis te kunnen blijven waarborgen. Daarom lopen via ZonMw inmiddels twee onderzoeksprogramma’s, waarvan het eerste in 2020 heeft geleid tot toewijzing van subsidie aan een onderzoek van het LUMC en het Centre for Human Drug Research (CHDR) naar het pijnstillende effect van medicinale cannabis bij patiënten met zenuwpijn7.
Het tweede onderzoeksprogramma heeft als doel om onderzoek te stimuleren naar de effectiviteit van medicinale cannabis in de behandeling van therapieresistente epilepsie bij kinderen8.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 6 heb aangegeven, is het doen van onderzoek naar de werking van medicinale cannabis mogelijk als wordt voldaan aan de wettelijke vereisten. Aan de hand van de uitkomsten van de evaluatie van BMC wordt bekeken in hoeverre beleidsmatige en, indien noodzakelijk, wettelijke wijzigingen nodig zijn om de beschikbaarheid van medicinale cannabis voor onder andere onderzoek te optimaliseren.
Kunt u aangeven of, en zo ja wat u gaat doen met het signaal dat wordt afgegeven door de rechtbank Overijssel aan de politiek met betrekking tot het beschikbaar stellen en uit de illegaliteit halen van cannabisolie? Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik naar mijn antwoorden op de eerdere vragen.
Het bericht ‘Vogelgriep grijpt heftiger dan ooit om zich heen: ‘Ze trillen en draaien alsof ze stomdronken zijn’’ |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vogelgriep grijpt heftiger dan ooit om zich heen: «Ze trillen en draaien alsof ze stomdronken zijn»»? 1
Ja.
Herkent u het beeld dat vogels steeds ergere symptomen ervaren van de vogelgriep? Zo ja, worden naar aanleiding hiervan extra maatregelen genomen? Zo nee, waarom niet?
Het is bekend dat wilde vogels besmet kunnen worden met het virus en vervolgens ook verschijnselen kunnen vertonen. De verschillende serotypen die in de wereld circuleren hebben verschillende karakteristieken. Per virustype kan de gevoeligheid van vogels en het ziektebeeld verschillen. Bovenstaande stelling is mogelijk gebaseerd op lokale observaties. Vergelijkend onderzoek is voor zo ver mij bekend niet uitgevoerd. De stelling kan ik daarom niet bevestigen.
Er zijn diverse berichten verschenen over de ernst van vogelgriep. Door het Friedrich Loeffler Instituut (FLI) in Duitsland is een analyse gedaan van alle besmettingen. Het FLI heeft vastgesteld dat veel landen zijn getroffen en dat veel locaties met pluimvee besmet zijn geraakt. Ook het aantal besmettingen bij wilde vogels is hoog. Dat zijn zorgelijke bevindingen.
In Nederland is het aantal uitbraken, na de uitbraken in Blija en Bentelo, opgelopen tot 13 waarvan twee kleinschalige locaties. Er zijn veel besmette wilde vogels gevonden. Naar de bron van de besmettingen op bedrijven wordt onderzoek gedaan. Het is nu te vroeg om de situatie ten opzichte van voorgaande jaren te kunnen duiden, omdat het virus nog alom aanwezig lijkt te zijn.
Er zijn inmiddels ook veel lidstaten die besmettingen hebben gemeld. In de afgelopen vier weken hebben de meeste uitbraken zich voor gedaan in Italië (99), Duitsland (16), Frankrijk (37), Hongarije (63) en Polen (26). Andere lidstaten met besmettingen in de laatste vier weken zijn Denemarken (4), Ierland (1), Portugal (2), België (1), Bulgarije (2), Tsjechië (7), Slowakije (2), Slovenië (2) en Zweden (3).
Iedereen in de betrokken sectoren is zich bewust van de ernst van de situatie en zet zich in om besmetting van zijn of haar bedrijf te voorkomen.
Worden deze ernstigere verschijnselen nader onderzocht, bijvoorbeeld of deze variant(en) besmettelijker is/zijn dan andere varianten van het vogelgriepvirus?
Voor LNV is het van belang te weten of vogels besmet zijn met vogelgriep. Ook onderzoek naar de karakteristieken van verschillende virusvarianten is van belang, vooral als dit te maken heeft met een mogelijk zoönotisch risico. Er wordt onderzoek gedaan naar de doodsoorzaak van wilde vogels en de pathogenese, door Erasmus Medisch Centrum en Dutch Wildlife Health Centre. Wageningen Bioveterinary Research onderzoekt de genetische karakteristieken van isolaten van vogelgriepvirussen, die worden gevonden. De genetische informatie van de isolaten wordt gedeeld met het RIVM, dat de zoönotische risico’s van de varianten beoordeelt. Op deze wijze wordt de vogelgriep situatie in Nederland zo goed mogelijk in de gaten gehouden en neem ik maatregelen indien daartoe aanleiding is.
Hoe staat het met het uitwerken van een officieel protocol voor het verplaatsen van levende wilde vogels met vogelgriepverschijnselen, waar meermaals aandacht voor is gevraagd?
Op de website van Stichting DierenLot2 zijn verschillende documenten gepubliceerd voor de omgang van wilde vogels die mogelijk besmet zijn met vogelgriep. Het betreft handvatten voor medewerkers van vogelasiels, dierenambulances en gemeenten. Deze handvatten zijn opgesteld door Stichting DierenLot, Stichting Vogelklas Karel Schot, Erasmus MC en Platform voor opvangcentra, in overleg met de NVWA en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Op de website van de NVWA staat ook een handleiding voor het opruimen van dood gevonden wilde (water)vogels. Deze handleiding is onder andere bedoeld voor medewerkers van de Dierenambulance en de Dierenbescherming. Er staan hygiënemaatregelen voor het ophalen, verpakken en vervoeren van de kadavers van wilde (water)vogels.
Hoe beoordeelt u de uitspraak: «dode vogels worden veel te vaak niet opgeruimd door gemeenten en de provincie. Ze wijzen vaak naar elkaar»?
Ik herken dit beeld niet. De verschillende instanties nemen, gegeven hun verantwoordelijkheid voor de locatie waar dode dieren zich bevinden, initiatief om deze dieren op te ruimen. Dat kan een particulier zijn (tuin bij woning, grote natuurterreinen), Rijkswaterstaat (Rijkswateren of (auto)snelwegen), een provincie (provinciale wegen), een waterschap (provinciale wateren), Prorail (treinspoor) of een gemeente (lokale wegen, lokale wateren, andere lokale openbare ruimten). In aanvulling daarop doet het Ministerie van LNV onderzoek, wanneer er ten aanzien van kadavers het vermoeden bestaat dat ze zijn besmet met een besmettelijke dierziekte.
Ik heb tevens in overleg met verschillende instanties, gemeenten, provincies en andere organisaties gezamenlijk een protocol opgesteld ten behoeve van het opruimen van grote aantallen wilde vogels. Mijn voornemen is dit protocol begin dit jaar te publiceren.
Kunt u duidelijkheid geven of de verantwoordelijkheid voor het ruimen van dieren een taak van de gemeente of de provincie is?
Er zijn verschillende instanties betrokken, al naar gelang de locatie waar een kadaver zich bevindt. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 5.
Erkent u dat alleen de lijken langs wandelpaden worden opgeruimd en dat hierdoor de kans wordt vergroot dat vogelgriep overslaat naar andere dieren, zoals is gebeurd bij vossen?
Het is mogelijk dat wandelaars en anderen die een terrein betreden vooral daar de kadavers vinden, omdat zij zich nu eenmaal op wandelpaden begeven. Agrariërs die hun land betreden kunnen ook melding maken van kadavers.
Overdracht naar aasetende zoogdieren is niet te vermijden. Organisaties zetten zich in kadavers op te ruimen, maar het is onmogelijk alle dode wilde vogels op te ruimen en dat is ook niet het streven. Daarbij is het ook niet bekend wat de bijdrage is van het opruimen van dode wilde vogels in de verspreiding van HPAI bij wilde vogels ten opzichte van de rol die levende wilde vogels hebben bij de verspreiding.
Kunt u toelichten wat de laatste stand van zaken is rond de motie van de leden Tjeerd de Groot en Van Campen (Kamerstuk 35 398, nr. 14)?
Hiervoor verwijs ik naar mijn brief aan uw Kamer van 29 november 2021 (Kenmerk Kamerstuk 29 683, nr. 257).
Is er overleg met buurlanden om te kijken hoe het komt dat bij hen de besmettingshoeveelheid fors lager ligt?
Er zijn in Nederland veel wilde watervogels, omdat Nederland een delta is en een goede overwinteringsplaats biedt voor wilde vogels uit Rusland en andere Aziatische landen. De omgeving en de populaties wilde vogels tussen landen verschillen. Het is mij niet bekend of het aantal met HPAI besmette wilde vogels naar verhouding groter of kleiner is dan in andere landen.
Het aantal uitbraken op bedrijven tussen lidstaten is lastig te vergelijken, gezien de locaties, de structuur van de pluimveehouderij, het management op bedrijven, de onderlinge contacten, etc. In veel landen is dus sprake van HPAI en Nederland steekt daar niet bovenuit.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De berichten ‘Dode en gewonde schapen in Vlijmen, waarschijnlijk door wolf’ en ‘Duitsland pleit voor intensievere jacht op wolf’ |
|
Thom van Campen (VVD), Peter Valstar (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Dode en gewonde schapen in Vlijmen, waarschijnlijk door wolf?»1
Ja.
Wat vindt u van de stelling dat provincies meer hulp moeten bieden aan veehouders die slachtoffer zijn geworden van een wolf?
Preventie is het beste middel om wolven te weren. De provincies bieden waar mogelijk hulp aan veehouders aan. Onder meer door de activiteiten vanuit de provinciale wolvencommissies: subsidieregelingen voor het inzetten van preventieve middelen, het geven van informatie en voorlichtingsactiviteiten, het ter beschikking stellen zgn. noodrasters (tijdelijke uitleen van wolfwerende rasters), de inzet van wolvenconsulenten en preventieteams.
Het kan helaas nooit worden uitgesloten dat een wolf onbeschermd vee aanvalt. BIJ12 verleent in dat geval, namens de provincies, tegemoetkoming in schade. Op verzoek van BIJ12 hebben de Gezondheidsdienst voor Dieren en de Wageningen University & Research (WUR) advies uitgebracht over waardebepaling en taxatie. Op basis hiervan heeft BIJ12 de «richtlijn taxatie en prijzen bij wolvenschade» vastgesteld. De richtlijn bestaat uit elf uitgangspunten voor de uitvoering van de taxatie, waardebepaling van schapen en het verlenen van tegemoetkomingen. BIJ12 zet de richtlijn in voor het verlenen van een tegemoetkoming in wolvenschade in de schapenhouderij. Deze procedure vind ik zorgvuldig en gedegen.
Ik ben van mening dat deze hulp bij de preventie en de financiële tegemoetkoming bij schade voldoende zijn.
Indien u het eens bent, hoe zou die hulp er wat u betreft dan uit moeten zien? Indien u het hier niet mee eens bent, waarom niet?
Zoals ik bij vraag 2 heb geantwoord, is de bestaande procedure afdoende.
Heeft u begrip voor de zorgen die leven bij boeren over het gevaar van de wolf voor hun vee? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke rol ziet u hierbij weggelegd voor de rijksoverheid en/of provincies om deze zorgen weg te nemen?
Ik begrijp de zorgen die bij boeren leven. We moeten vooral leren samenleven met de wolf en tegelijk manieren ontwikkelen om gehouden dieren te beschermen. Het komende jaar zal daarom worden ingezet op meer voorlichting en communicatie over de wolf in Nederland en over preventiemethoden.
Hoeveel meldingen van aanvallen door wolven zijn er de afgelopen jaren gedaan? Komen de beelden die circuleren van aangevallen vee overeen met de gemelde en aangetoonde toename in aanvallen van de wolf?
Het aantal meldingen van een vermoedelijke aanval en het aantal daadwerkelijk vastgestelde aanvallen door een wolf bedroegen in de afgelopen jaren:
2021 (tot 6 dec)
123
59 vastgesteld (41 nog niet bekend)
2020
139
95 vastgesteld
2019
44
25 vastgesteld
2018
60
44 vastgesteld
2017
11
9 vastgesteld
2016
3
0 vastgesteld
2015
4
4 vastgesteld
De toename in deze aantallen is in lijn met het toegenomen aantal wolven dat zich in Nederland heeft gevestigd.
Op welke wijze zijn veehouders de afgelopen wijze gecompenseerd voor schade en wat is hier de (financiële) omvang van?
De wijze waarop de veehouders worden gecompenseerd, is vastgelegd in het Interprovinciale Wolvenplan. Uitwerking hiervan is vastgelegd in de «richtlijn taxatie en prijzen bij wolvenschade».
De interprovinciale uitvoeringsorganisatie BIJ12 voert namens de provincies de afhandeling van de schade en de tegemoetkomingen uit. De omvang van de uitgekeerde tegemoetkoming per jaar (schadeveroorzakende diersoort wolf en goudjakhals) bedragen:
2021 (tot 6 dec)
€ 11.354,73
2020
€ 74.320,69
2019
€ 28.590,16
2018
€ 32.683,00
2017
€ 10.777,00
2015
€ 1.515,00
Wat is de reden geweest om de tegemoetkomingsregeling schade door wolf te verlengen tot 1 januari 2023 en waarom zijn veehouders nog niet verplicht om preventieve, wolfwerende maatregelen te nemen?2
Uit het Interprovinciale Wolvenplan volgt dat tot 1 januari 2022 een tegemoetkoming in de schade wordt verstrekt voor wolvenschade. Deze regeling is met één jaar verlengd omdat in 2022 een geactualiseerd nieuw wolvenplan zal verschijnen. Eventuele heroverweging van de tegemoetkomingsregeling is pas dan aan de orde als het (nieuwe) beleid hiertoe is vastgesteld.
Bescherming van vee tegen predatie door wolven is een verantwoordelijkheid van dierhouders zelf. Op grond van artikel 1.6 lid 3 van het Besluit houders van dieren moet een houder zijn dieren, indien nodig, beschermen tegen roofdieren.
Is hierover contact geweest met individuele veehouders en de agrarische sector? Zo nee, waarom niet? Zo ja, beamen zij dat die periode voor veehouders voldoende is voor het nemen van toereikende maatregelen? Hoe kijkt u hier zelf naar?
De ontwikkelingen in het wolvenbeleid zijn onderwerp van gesprek in het Landelijk Overleg Wolf en de respectievelijke provinciale wolvencommissies. Hierin neemt de agrarische sector, naast andere maatschappelijke organisaties, deel.
Wat bent u voornemens met de tegemoetkomingsregeling na 1 januari 2023? Op welke wijze wordt dan bepaald of een veehouder voldoende preventieve maatregelen heeft genomen?
De bevoegdheid om schade uit te keren is neergelegd bij de provincies. De uitkomst van een eventuele heroverweging van de tegemoetkomingsregeling is nog niet bekend. Dit is onderdeel van de vaststelling van het nieuwe wolvenbeleid waarover in 2022 een geactualiseerd interprovinciaal wolvenplan zal verschijnen.
In hoeverre laat de situatie in Nederland zich vergelijken met andere EU-lidstaten met een wolvenpopulatie? In welke lidstaten worden er ook beheersmaatregelen genomen? Waarom oordeelt de Europese Commissie in die gevallen dat beheersmaatregelen gerechtvaardigd zijn? Zijn preventieve maatregelen in die lidstaten niet voldoende gebleken?
Vanwege grote verschillen in aantallen wolven, beleid op landelijk of regionaal niveau, aard en omvang van de natuur, veedichtheid, historische ervaring met grote roofdieren en maatschappelijk draagvlak is de situatie in de verschillende lidstaten moeilijk met elkaar te vergelijken.
In een aantal Europese lidstaten zoals Duitsland, Frankrijk, Zweden, Finland, Slowakije en Griekenland worden beheersmaatregelen genomen.
Uitzonderingen op de bescherming van de wolf kunnen alleen worden toegestaan met inachtneming van de betreffende regels onder het Verdrag van Bern en de Habitatrichtlijn, waarbij in elk voorkomend geval op basis van maatwerk aan drie cumulatieve criteria voldaan moet worden: (1) er moet sprake zijn van een in het Verdrag van Bern c.q. Habitatrichtlijn genoemd doel (bijvoorbeeld onderzoek, openbare veiligheid of het voorkomen van ernstige schade aan vee); (2) bevredigende alternatieven voor het beoogde ingrijpen ontbreken; en (3) het ingrijpen staat niet in de weg aan het bereiken van een goede staat van instandhouding. Vooral deze laatste twee eisen maken afschot van een gezonde wolf al snel problematisch. Het is regelmatig voorgekomen dat lidstaten in dit verband op de vingers getikt zijn door de Europese Commissie voor afschot van wolven of andere grote roofdieren dat niet in overeenstemming was met de internationale regels.
Veebeschermingsmaatregelen werken in principe goed, maar de effectiviteit en inzetbaarheid ervan zijn zeer situatiegebonden. Factoren zoals het terreinprofiel, grootte van de te beschermen kudde, veesoort en type begrazing spelen een rol bij de effectiviteit van maatregelen. Er is echter veel te winnen bij betere preventie, vooral wanneer de veehouder deskundige ondersteuning krijgt bij de keuze en de uitvoering van de maatregelen.
Bent u bekend met het bericht: «Duitsland pleit voor intensievere jacht op wolf»?3
Ja.
Hoeveel wolven zijn er de afgelopen jaren in Duitsland afgeschoten? Hoe beluistert u dit pleidooi en is dit volgens u ook, zo niet in de toekomst, van toepassing op de Nederlandse situatie?
Vanaf 2008 zijn 8 wolven geschoten in Duitsland. Ontheffingen kunnen worden verstrekt voor het afschieten van wolven die ongewenst gedrag vertonen richting mensen, voor wolven die ondragelijk lijden of niet zelfstandig kunnen overleven in het wild of voor wolven die herhaaldelijk goed beschermd vee aanvallen.
Deels zal dit ook voor Nederland in de toekomst van toepassing kunnen zijn, bijvoorbeeld in het geval van gehabitueerde of anderszins voor mensen gevaarlijke wolven. Er is momenteel geen onderzoek dat een causaal verband aantoont tussen legaal afschot van wolven en vermindering van predatie op vee. De mogelijkheid die in het buitenland via derogaties geboden wordt voor legaal afschot zijn vaak ook bedoeld om het draagvlak voor wolven te vergroten in conflictsituaties. Aangezien wolven territoriaal zijn hangt het optreden van schade aan vee samen met de aanwezigheid van wolven en niet zozeer met de aantallen die aanwezig zijn in een territorium of gebied. Afschot van één of enkele dieren heeft daarom slechts een zeer beperkt of geen effect.
Welke overige maatregelen denkt u te kunnen nemen om aanvallen van de wolf op vee te verminderen en op welke rol ziet u daarbij weggelegd voor de verschillende overheden?
De beste manier om aanvallen van een wolf op vee te voorkomen is om preventieve maatregelen te nemen. Hierbij kan gedacht worden aan het ’s nachts op stal zetten van vee, het afzetten van een gebied met fladderlinten of met stroomrasters van voldoende hoogte. Meer informatie hierover is voor veehouders te vinden op de website van BIJ12. Een betere begeleiding en voorlichting van veehouders om de gewenste preventieve maatregelen ook deugdelijk te plaatsen is hierbij van belang. Dit is een primaire taak voor de provincies. De provincie kan veehouders ook helpen met het tijdelijk uitlenen van wolfwerende noodrasters op het moment dat een wolf daadwerkelijk aanwezig is.
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Drugsgebruik in het verkeer |
|
Kiki Hagen (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Barbara Visser (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de voorlichting «Mag ik deelnemen aan het verkeer als ik medicijnen heb gebruikt» op de site van de rijksoverheid?1
Ja.
Bent u bekend met verschillende (internationale) onderzoeken waaruit volgt dat de mate van tetrahydrocannabinol (THC) in het bloed geen betrouwbare reflectie is van de hoeveelheid cannabis die is gebruikt en de rijvaardigheid van de gebruiker? Kunt u hierop reflecteren?2
Ja, daar ben ik bekend mee. Zo heeft de Universiteit van Maastricht recent onderzocht hoe groot de impact kan zijn van wietgebruik in het verkeer. Gebruik van cannabis kan tot vier uur na inname impact hebben op de rijvaardigheid.
De literatuurstudie van onderzoekers van Yale University, waar u naar refereert, vermeldt dat de THC-concentratie die in het bloed of speeksel wordt aangetoond geen consistente voorspeller is voor verminderde rijvaardigheid. Dit wordt toegeschreven aan de verschillende farmacokinetische eigenschappen die de stoffen bezitten. Zoals bij gebruik van elk medicijn, kunnen verschillende factoren van invloed zijn op de werking van het medicijn. Hierbij kunt u denken aan gewenning die na enkele weken of maanden kan optreden, het tijdsinterval van het gebruik, de manier van inname of de impact van de onderliggende aandoening op de persoon. Het is onmogelijk om als wetgever met al deze individuele factoren rekening te houden. Om misbruik van (medicinale) drugs in het verkeer te voorkomen, zijn daarom uniforme limieten voor gebruik in de wet vastgelegd. Deze grenswaarden zijn neergelegd in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer en zijn vastgesteld op basis van advies van een commissie bestaande uit deskundigen op het onderzoeksgebied van rijden onder invloed uit Nederland, België en Duitsland.3 In dat advies is geconcludeerd dat er op basis van wetenschappelijk onderzoek internationaal consensus is over de grenswaarde van 3,0 microgram/L in bloed of 5,0 microgram/L in serum/plasma voor THC in relatie tot verkeersdeelname.
Kunt u uitleggen waarom bij alcoholgebruik in het verkeer de straf zwaarder is naarmate er meer alcohol is genuttigd, terwijl bij drugsgebruik in het verkeer een alles-of-niets-beleid geldt?3
Anders dan bij alcohol, is bij drugs niet vast te stellen in welke mate het gevaar voor de verkeersveiligheid precies toeneemt afhankelijk van de hoeveelheid van de stof in het lichaam. Daarom is de strafmaat bij drugsgebruik in het verkeer niet direct gekoppeld aan de hoeveelheid van de betreffende stof die is aangetroffen in het bloed van de bestuurder. Het NFI zal in 2022 de wetenschappelijke inzichten hieromtrent opnieuw evalueren. Wel zijn gedragsgerelateerde grenswaarden vastgesteld, waarbij overschrijding van de grenswaarden strafbaar is. Deze waarden houden in dat bij overschrijding de bestuurder recentelijk stof(fen) tot zich heeft genomen en dat deze stof(fen) een reële invloed op de bestuurder kunnen hebben met als gevolg vermindering van de rijvaardigheid.5 Indien het OM bij overschrijding van de grenswaarde besluit tot vervolging voor rijden onder invloed, is het vervolgens aan de rechter om de straf te bepalen of aan het OM zelf in geval van een strafbeschikking. In het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer is vastgelegd dat de grenswaarden voor verschillende soorten drugs lager liggen wanneer sprake is van combinatiegebruik. Bij combinaties van meerdere drugs of alcohol en drugs liggen de straffen ook hoger dan bij enkelvoudig gebruik van een drug. Daarnaast wordt in de eis van de officier van justitie rekening gehouden met het soort voertuig dat is bestuurd, alsmede met recidive.
Klopt het dat iemand die op doktersrecept cannabis krijgt voorgeschreven meer cannabis in het verkeer mag gebruiken dan de wettelijke voorgeschreven grenswaarden voor gebruik in het verkeer? Zo ja, klopt het dat deze gebruiker bij overschrijding van de grenswaarden van de speekseltest niet kan volstaan met het laten zien van zijn doktersverklaring, maar mee moet naar het bureau om daar een bloedtest te doen en zijn verklaring te overhandigen? Klopt het dat de medicinale gebruiker zijn rijbewijs niet kan gebruiken tot de uitslag van de bloedtest er is, ook al kan hij dus een doktersrecept overhandigen? Hoe lang duurt het voor deze uitslag bekend is?
De Kamer heeft bij de parlementaire behandeling van de Wet drugs in het verkeer aangegeven geen onderscheid te willen maken tussen medicinaal en recreatief gebruik, omdat de verkeersveiligheid leidend moet zijn. Op basis daarvan heeft het kabinet besloten om dit onderscheid niet te maken. Bij het bepalen van de grenswaarden voor enkelvoudig gebruik is om deze reden gekeken naar de gemiddelde ongewende gebruiker. Dit geldt voor alle grenswaarden uit het Besluit, dus ook voor THC. Om die reden kan het zo zijn dat de grenswaarde voor THC overschreden wordt, maar er vanwege het gewende medicinale gebruik geen sprake is van een reële invloed op de bestuurder met als gevolg vermindering van de rijvaardigheid. Zodoende kan het zijn dat iemand die op doktersrecept cannabis gebruikt wel de grenswaarde overschrijdt maar niet strafbaar is voor rijden onder invloed. Er kan echter niet zondermeer vanuit gegaan worden – enkel op basis van een doktersrecept – dat er geen sprake is van rijden onder invloed (van een hogere dosering dan medisch voorgeschreven), al dan niet in combinatie met andere middelen. Uw Kamer is hierover eerder uitgebreid geïnformeerd in de Kamerbrief over de resultaten van de interdepartementale werkgroep Medicijngebruikers.6
In diezelfde brief is gemeld dat de werkwijze van de politie en het OM enerzijds de verkeersveiligheid borgt en anderzijds voorkomt dat medicijngebruikers ten onrechte een sanctie krijgen opgelegd.7 Door deze werkwijze komen relatief weinig medicijngebruikers in het strafproces terecht.8 Centraal bij de werkwijze staat dat de politie in beginsel controleert op drugsgebruik in het verkeer op het moment dat er aanwijzingen zijn van opvallend afwijkend rijgedrag of gevaarlijk rijgedrag. Wanneer daar sprake van is, zal bij de bestuurder een speekseltest worden afgenomen door de politie. Bij een positieve uitslag van de speekseltest, d.w.z. dat er een indicatie is van overschrijding van de wettelijke gestelde grenswaarde, wordt op het politiebureau bloed afgenomen bij de bestuurder. De bestuurder kan dan bij de politie aangeven dat hij of zij THC op voorschrift gebruikt. De politie is bevoegd op grond van artikel 162 WVW1994 om na een positieve speekseltest en daaropvolgende bloedafname een rijverbod op te leggen aan de bestuurder voor de duur van maximaal 24 uur. Dit rijverbod is bedoeld om directe verdere gevaarzetting te voorkomen en is niet gekoppeld aan de duur van het onderzoek. Het bloed wordt vervolgens in een lab onderzocht. Het bloedonderzoek is nodig om vast te stellen of de hoeveelheid stof in het lichaam daadwerkelijk de wettelijke grenswaarde overschrijdt. Wanneer de uitslag van het bloedonderzoek positief is, zal de politieagent een proces-verbaal opmaken, waarin genoteerd wordt dat de bestuurder aangeeft THC op medisch voorschrift te gebruiken. Het OM zal de bestuurder in dat geval de gelegenheid bieden om een recept9 in te sturen. Vervolgens wordt aan het NFI gevraagd of de aangetroffen concentratie van de stof in het bloed past binnen de therapeutische range van de voorgeschreven dosering en wat de effecten daarvan zijn op de rijvaardigheid. Met inachtneming van deze en alle overige feiten en omstandigheden wordt door het OM beoordeeld of de medicijngebruiker zal worden vervolgd.
Hoe oordeelt u over de betrouwbaarheid van de speekseltesten die nu worden gebruikt om te achterhalen of iemand de toegestane limiet van drugs heeft overschreden? Wat vindt u ervan dat het Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) stelt dat de huidige speekseltesten voor verbetering vatbaar zijn?4
De speekseltester waar de politie mee is uitgerust sinds de inwerkingtreding van de wet drugs in het verkeer in 2017 is een preselectiemiddel. Dit middel kan worden ingezet naast een psychomotorische test of een oog- en spraakfunctietest. De speekseltest laat zien of er sporen van drugs in het speeksel aanwezig zijn en geeft een indicatie of de grenswaarde daarmee overschreden wordt. Na een positieve speekseltest is een bloedonderzoek nodig om na te gaan of de wettelijk gestelde grenswaarde daadwerkelijk overschreden is en hoe hoog die overschrijding exact is. Het bloedonderzoek dient als wettig bewijs voor rijden onder invloed, de speekseltest niet. In 2021 heeft de politie wegens reguliere contractafloop de speekseltester opnieuw aanbesteed en in het najaar van 2021 in gebruik genomen. In de aanbesteding is gezocht naar een zo betrouwbaar mogelijke test. Zowel de speekseltester die de politie in gebruik heeft op dit moment, als de eerdere speekseltester voldoen volgens onafhankelijke beoordeling van het RIVM aan de daaraan gestelde vereisten met betrekking tot nauwkeurigheid en betrouwbaarheid. Voor het gebruik van de speekseltest door de politie is het voorschrift van de leverancier van de testen leidend. De politie is getraind om de speekseltest op de juiste wijze af te nemen. Rondom de ingebruikname van de nieuwe speekseltester in het najaar van 2021 is aanvullend in voorlichting en instructie over het gebruik van de speekseltest geïnvesteerd. Er zijn bij mij geen gegevens bekend over hoe vaak tests niet op de juiste wijze zouden worden afgenomen.
Verder is er op dit moment geen sprake van vervanging van de speekseltest die in 2021 is aanbesteed. De politie volgt de ontwikkelingen op het gebied van testen en testmethoden nauwlettend. Het onderzoek dat loopt naar de inzet van ademtesten ziet specifiek op de detectie van lachgas, omdat de speekseltester lachgas niet kan detecteren. Lachgas is namelijk niet te detecteren in speeksel (ook niet in bloed of urine). In opdracht van de politie is een onderzoeksvoorstel ingediend naar de detectie van lachgas in uitgeademde lucht en het vaststellen van grenswaarden voor lachgas. Dit onderzoek is mei 2021 gehonoreerd en is medio 2021 gestart. De doorlooptijd van dit onderzoek is maximaal 18 maanden. Onder meer de universiteit van Maastricht is bij dit onderzoek betrokken.
Kunt u aangeven hoe vaak speekseltesten nu niet op de juiste wijze worden afgenomen (niet juiste temperatuur, geen gebruik van handschoenen, geen eten en drinken 10 minuten van tevoren)?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat er meer betrouwbare ademtesten voor het opsporen van cannabis en andere drugs in ontwikkeling zijn die het gemakkelijker maken om drugs in het verkeer te detecteren? Kunt u aangeven hoe het staat met de ontwikkeling van deze ademtesten en of, en zo ja wanneer deze testen de huidige speekseltesten gaan vervangen?5
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat er na een positieve speekseltest ook een onderzoek van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) naar rijgeschiktheid volgt, ook als later blijkt dat het bloedonderzoek negatief is?
Het klopt niet dat er na een positieve speekseltest een onderzoek naar de rijgeschiktheid plaatsvindt door het CBR. Pas als het bloedonderzoek uitwijst dat het drugsgebruik daadwerkelijk boven de grenswaarde ligt en er dus sprake is van een strafbaar feit, kan de politie een mededeling doen aan het CBR. Het CBR kan dan een vorderingenonderzoek drugs opleggen aan de bestuurder.
Hoe vaak komt het voor dat een speekseltest positief is, maar de bloedtest later negatief? Hoe lang duurt het voordat de uitslag van een bloedtest bekend is?
Zoals in het antwoord op vraag 5, 6 en 7 vermeld, is de speekseltester een preselectiemiddel. De uitslag van de speekseltest geeft een indicatie van overschrijding van de wettelijke grenswaarde. Het bloedonderzoek is nodig om aan te tonen of er daadwerkelijk sprake is van een overschrijding en hoe hoog deze is. Sinds de inwerkingtreding van de wet Drugs in het verkeer op 1 juli 2017 tot en met 31 december 2020 zijn in totaal ca. 30.700 bloedonderzoeken drugs in het verkeer afgenomen. Ca. 19.100 van die bloedonderzoeken gaven een positief resultaat, te weten boven de wettelijk gestelde grenswaarde voor de betreffende drugs. Voor het jaar 2021- het jaar waarin de nieuwe speekseltester in gebruik is genomen – zijn nog geen cijfers beschikbaar. De termijnen voor het bloedonderzoek zijn vastgelegd in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Daarin is vastgelegd dat het bloedonderzoek plaatsvindt binnen twee weken nadat het lab het bloed heeft ontvangen en dat de politie de bestuurder binnen een week na ontvangst van de uitslag informeert over de uitkomst.
Is er altijd sprake van een onthouding van het rijbewijs als het onderzoek bij het CBR loopt? Hoe lang duurt het onderzoek bij het CBR?
Indien een vorderingenonderzoek drugs is opgelegd aan een bestuurder door het CBR na een positief bloedonderzoek, wordt het rijbewijs geschorst totdat het vorderingenonderzoek drugs is afgerond en de bestuurder rijgeschikt is verklaard. Het vorderingenonderzoek drugs vindt plaats nadat de bestuurder de kosten van het vorderingenonderzoek heeft betaald.
Na betaling ontvangt de bestuurder binnen vier weken een verwijzing naar een psychiater. Na het onderzoek maakt de psychiater binnen acht weken een rapport en stuurt dit naar het CBR. Het CBR stuurt meestal binnen vier weken een brief met de uitslag van het onderzoek. De formele termijn na betaling door de bestuurder is dan 16 weken. Dit is exclusief de tijd tot de betaling door de bestuurder of de tijd tussen de verwijzing naar een psychiater en de daadwerkelijke afspraak.
Zoals gemeld in de Kamerbrief Verkeersveiligheid van 26 november jl. (Kamerstuk 29 398, nr. 97), wordt door het Ministerie van IenW momenteel een meer integrale aanpak van rijden onder invloed (zowel alcohol en drugs) ontwikkeld. Onderdeel van deze aanpak is om, in parallel met de educatie maatregel alcohol (EMA), ook een educatieve maatregel drugs (EMD) te ontwikkelen. Net als de EMA zou deze dan onder bepaalde voorwaarden, bijvoorbeeld bij first offenders, direct kunnen worden opgelegd. Het rijbewijs wordt dan niet geschorst.
Hoe vaak leidt deze onthouding van het rijbewijs tot negatieve gevolgen voor een bestuurder, bijvoorbeeld verlies van werk en/of inkomen? Bent u van mening dat een onthouding van het rijbewijs er in dergelijke gevallen toe kan leiden dat iemand in de periode waarin hij wacht op de uitslag van de bloedtest onschuldig wordt gestraft als later blijkt dat de bloedtest negatief is? Waarom wel of waarom niet? Is hier compensatie voor?
Schorsing van het rijbewijs door het CBR vindt pas plaats op het moment dat een vorderingenonderzoek drugs wordt opgelegd ná een positief bloedonderzoek. Er is dus geen sprake van onthouding van het rijbewijs in afwachting van de uitslag van het bloedonderzoek. Het is niet bekend hoe vaak een geschorst rijbewijs leidt tot negatieve gevolgen voor een bestuurder.
Bent u bekend met het bericht «Speekseltest haalt duizenden drugsgebruikers van de weg, en die moeten zwaar boeten»?6
Ja.
Kunt u aangeven of specifieke drugscontroles, vergelijkbaar met wat er nu gebeurt bij alcoholcontroles (fuiken), nu worden ingezet, en zo ja hoe deze eruitzien?
De laatste jaren is de effectiviteit van fuiken afgenomen, naar verwachting door sociale media. De politie maakt daarom meer gebruik van dynamische verkeerscontroles en gebruikt de speekseltester als preselectiemiddel voor drugsgebruik indien daartoe aanleiding is. De politie controleert bij deze dynamische controles in beginsel op drugs op het moment dat er aanwijzingen zijn van opvallend afwijkend rijgedrag of gevaarlijk rijgedrag. Dat laat onverlet dat ook fuikcontroles belangrijk zijn en dat de politie er voor kan kiezen om bijvoorbeeld op de uitvalswegen van festivals te controleren op rijden onder invloed van drugs. In de praktijk gaat het vaak om alcoholcontroles, waarbij, indien daar aanleiding toe is op basis van feiten en omstandigheden, ook gecontroleerd wordt op drugs.
Klopt het dat mensen worden onderworpen aan speekseltesten als zij bij controles opvallen door rijgedrag of opvallen door geur, grote pupillen of agressief gedrag? Kunt u aangeven hoe dit opsporingsbeleid te rijmen is met de aanhouding van een man die in coronatijd wiet kocht in coffeeshops, deze daar niet kon hebben genuttigd, daarna de auto instapte, goed rijgedrag vertoonde, maar daarna toch aangehouden werd door de politie?7 Kunt u aangeven hoe vaak aanhouding na het volgen van coffeeshopbezoekers plaatsvindt zonder dat sprake is van opvallend (rij)gedrag?
Staandehouding van een bestuurder kan vele redenen of oorzaken hebben, zowel in het kader van een reguliere controle als naar aanleiding van gevaarlijk, overtredend of afwijkend rijgedrag. Indien bij de staandehouding het vermoeden ontstaat dat er sprake is van het rijden onder invloed zal de politie overgaan tot nader onderzoek daarnaar. Ik doe geen uitspraken over individuele zaken, zoals de zaak waar u naar verwijst. De aantallen waar u naar vraagt, worden door de politie niet separaat geregistreerd, anders dan in een proces-verbaal indien dat uit een staandehouding (of aanhouding) volgt.
Hoe garandeert u bij het opsporen en handhaven van drugs in het verkeer een balans tussen effectieve handhaving van de verkeersveiligheid aan de ene kant en een opsporingsbeleid dat gebaseerd is op objectieve, non-discriminatoire en neutrale criteria aan de andere kant?
Zoals beschreven in de beantwoording van vraag 13, vinden dynamische controles in beginsel plaats naar aanleiding van gevaarlijk, overtredend of afwijkend rijgedrag. Dit gedrag is de aanleiding voor controle. Bij fuikcontroles worden bestuurders aselectief gecontroleerd en wordt alleen indien daar aanleiding toe is op basis van feiten en omstandigheden, ook gecontroleerd op drugs.
De beschikbare informatie met betrekking tot afpakken van misdaadgeld, witwassen en Bibob |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (CDA) |
|
|
|
|
In hoeverre vindt u dat de aanpak van georganiseerde criminaliteit, en de aanpak van misdaadgeld en witwassen in het bijzonder, succesvol is? Op de uitkomsten van welk empirisch onderzoek of bijgehouden statistische bronnen is dit oordeel gegrond?
Georganiseerde, ondermijnende criminaliteit is een fenomeen dat naar zijn aard lastig in cijfers is te vatten. Dit is het gevolg van dat de georganiseerde criminaliteit zich enerzijds internationaal en anderzijds in het verborgene afspeelt. Dat maakt het moeilijk om betrouwbare cijfers over de omvang van georganiseerde criminaliteit te geven en dus ook wat het effect van het beleid en het optreden hiertegen is. Vragen over hoe succesvol de aanpak van georganiseerde criminaliteit is, zijn dan ook niet eenduidig, en zeker niet eenvoudig, te beantwoorden.
Jaarlijkse cijfers over geregistreerde criminaliteit alsook periodieke dreigingsbeelden, monitoren en (omvangs)schattingen worden opgesteld om zicht te hebben en te houden op de impact van de aanpak van georganiseerde criminaliteit, bijvoorbeeld:
In de voortgangsbrief aanpak ondermijnende criminaliteit van 17 november jl. blijkt dat de integrale aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit effect lijkt te sorteren.1 Zo wordt binnen de aanpak van georganiseerde criminaliteit op verschillende niveaus intensiever samengewerkt tussen de landelijke overheid en onder meer gemeenten, private partners en partijen die actief zijn op het gebied van onder andere onderwijs, financiën en sociaal werk. Het aantal aangepakte criminele samenwerkingsverbanden is bijvoorbeeld in de afgelopen jaren verdubbeld en er zijn meer straffen opgelegd.2 Dit is ook het gevolg van dat het beschikbare instrumentarium tegen georganiseerde, ondermijnende criminaliteit is uitgebreid en de internationale samenwerking steeds meer vruchten afwerpt.
In de aanpak van misdaadgeld behalen we samen met de betrokken publieke en private partners mooie successen, maar er kan en moet meer crimineel vermogen uit de markt worden gehaald. De gezamenlijke ambitie is het verder terugdringen van criminele geldstromen en de ondermijnende invloed daarvan in de onder- en bovenwereld. Dat gebeurt door het voorkomen en bestrijden van witwassen en het afpakken van crimineel vermogen in brede zin, waaronder preventief en repressief ingrijpen met strafrechtelijke, fiscale, bestuursrechtelijke en tuchtrechtelijke interventies. Hiertoe is een meerjaren plan van aanpak opgesteld. De Algemene Rekenkamer verricht momenteel een onderzoek naar het strafrechtelijk afpakken. Dit rapport wordt in het voorjaar van 2022 verwacht. De resultaten van de aanpak van criminele geldstromen worden gemonitord aan de hand van bronnen van onder meer het Openbaar Ministerie (OM), de RvdR en het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) die zien op conservatoir beslag, de vermogenssancties, incassoresultaat, onttrekkingen uit het verkeer van illegale goederen (zoals de waarde van in beslag genomen illegale drugs, ontmantelde drugslabs) etc. Daarnaast zal de integrale afpakmonitor inzicht gaan geven in de resultaten van het integraal afpakken, waarbij gebruik wordt gemaakt van de beschikbare registraties bij de betrokken organisaties.
Ten aanzien van witwassen beziet het kabinet doorlopend of het anti-witwasbeleid succesvol is en hoe het effectiever kan worden ingericht. Met het plan van aanpak witwassen van juni 20193 is een groot aantal maatregelen in gang gezet om de aanpak te verbeteren op basis van drie pijlers: 1. verhogen van barrières voor criminelen om wit te wassen; 2. vergroten van de effectiviteit van de poortwachtersfunctie en het toezicht; en 3. versterken van de opsporing en vervolging. Bij het opstellen van dit plan van aanpak zijn onder meer de nationale risicobeoordeling (National Risk Assessment) witwassen4 en de beleidsmonitor witwassen5, die periodiek worden uitgevoerd in opdracht van het WODC, betrokken. Beide rapporten bevatten meerdere statistische bronnen, zoals meldingen van ongebruikelijke transacties, door de FIU-Nederland verdacht verklaarde transacties, toezichtactiviteiten, in- en uitstroom van witwaszaken bij het OM en vervolgens berechting door de rechtspraak. Daarnaast vinden op dit moment meerdere onderzoeken plaats naar de effectiviteit van het anti-witwasbeleid. Allereerst wordt Nederland op dit moment geëvalueerd door de Financial Action Task Force (FATF). De FATF beoordeelt of Nederland in technische zin en in effectiviteit voldoet aan de internationale standaarden om witwassen, de onderliggende delicten en financieren van terrorisme te voorkomen en bestrijden. Het rapport over Nederland zal medio 2022 worden vastgesteld. Daarnaast evalueert de Europese Commissie op dit moment de implementatie en effectiviteit van de vierde anti-witwasrichtlijn binnen de gehele EU. Het rapport daarover wordt naar verwachting medio 2022 uitgebracht. Tevens verricht de Algemene Rekenkamer een onderzoek naar de opbrengsten van de meldketen. Dit gaat specifiek over de opvolging van meldingen van ongebruikelijke transacties. Dit rapport wordt in het voorjaar van 2022 verwacht. Aan de hand van de uitkomsten van deze onderzoeken zal het kabinet waar nodig het anti-witwasbeleid verder versterken en zo de effectiviteit van de aanpak vergroten.
Deelt u de mening dat het voor de beoordeling van de effectiviteit van het beleid noodzakelijk is om de juiste gegevens beschikbaar te hebben en deze publiek te maken? Erkent u dat dit nu niet steeds het geval is en dat de beantwoording van de hiernavolgende vragen daarbij kunnen helpen? Bent u van mening dat dit dan moet leiden tot een duurzaam en toegankelijk statistisch gegevensbeheer op deze beleidsgebieden? Hoe gaat u daar voor zorgen?
Ik deel de mening dat het voor de beoordeling van de effectiviteit van het beleid tegen georganiseerde, ondermijnende criminaliteit van belang is om de juiste gegevens te hebben en dat deze voor iedereen beschikbaar zijn. De voornoemde dreigingsbeelden, monitoren en (omvangs)schattingen, die zicht bieden op de aard en omvang van georganiseerde criminaliteit, zijn in te zien door het publiek. Echter, zoals ik eerder heb aangegeven, is het lastig om volledig zicht te hebben op ondermijnende criminaliteit. Het fenomeen van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit laat zich immers moeilijk kwantificeren. Bovendien geven kale cijfers niet het gehele beeld van georganiseerde criminaliteit en de effectiviteit van het beleid hiertegen.
Met het oog op het beter in kaart brengen van zowel georganiseerde, ondermijnende criminaliteit als de effectiviteit van het overheidsoptreden hiertegen, voert het WODC in opdracht van mijn ministerie een haalbaarheidsstudie uit voor een monitor die expliciet ook gericht is op het duurzaam in beeld brengen van effecten van de aanpak van de georganiseerde drugscriminaliteit. Daarnaast zal ook de Strategische Evaluatie Agenda (SEA), waarmee mijn ministerie gaat werken, helpen bij het vinden van betere indicatoren, dan wel «meetpunten» om zo goed mogelijk te kunnen vaststellen in hoeverre de geformuleerde beleidsdoelstellingen zijn gerealiseerd. Een ander instrument om (operationele) beleidsdoelen op termijn beter te funderen is het Strategisch Kennis Centrum (SKC). In samenwerking met nationale en internationale partners gaat het SKC gezaghebbende integrale beelden in trends en ontwikkelingen van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit maken.
Klopt het dat de gegevensverzameling over Bibob-beschikkingen en de beoordeling en resultaten daarvan slechts van 2004 tot en met het jaar 2013 lopen? Bent u bereid deze tijdreeks aan te vullen?1
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoeveel Bibob-beschikkingen zijn er de afgelopen zeven jaren per jaar geweest en wat was daarbij de beoordeling (ernstig gevaar, minder gevaar, geen gevaar)? Om hoeveel te investeren geldbedragen ging het als er sprake was van «ernstig gevaar» en hoe vaak was er per jaar sprake van deelname aan een criminele organisatie (artikel 140 Wetboek van Strafrecht)?2
Op grond van artikel 24 van de Wet Bibob worden de openbare jaarverslagen van het Landelijk Bureau Bibob (verder: LBB) aan uw Kamer aangeboden. Deze jaarverslagen geven onder andere inzicht in welke bestuursorganen de meeste adviezen hebben aangevraagd, het aantal door het LBB gegeven adviezen, de mate van gevaar, en de verdeling over de sectoren.
Hieronder vindt uw Kamer in een tabel een overzicht van het aantal verstrekte Bibob-adviezen door het LBB per jaar, van 2014 tot en met 2020. Tevens is daarbij de mate van gevaar aangegeven. In de jaarverslagen van het LBB is verder niet aangegeven over hoeveel te investeren geldbedragen het ging als er sprake was van «ernstig gevaar» en hoe vaak er per jaar sprake was van deelname aan een criminele organisatie.
Jaartal
Aantal verstrekte adviezen
Percentage ernstig gevaar
Percentage mindere mate van gevaar
Percentage geen gevaar
Aantal verstrekte aanvullende adviezen
2020
268
50
12
38
68
2019
277
45
15
40
72
2018
283
63
6
31
39
2017
185
55
11
34
45
2016
239
50
11
39
30
2015
251
54
11
35
28
2014
221
53
17
30
49
Op welke wijze moet volgens u worden beoordeeld in hoeverre het Bibob-beleid effectief en doeltreffend is in het ondermijningsbeleid?
De Wet Bibob is een preventief bestuursrechtelijk instrument, dat is bedoeld om de integriteit van bestuursorganen te beschermen tegen het ongewild faciliteren van criminele activiteiten. Het instrument is nadrukkelijk niet bedoeld om criminele activiteiten op te sporen of te vervolgen. Dat is immers niet een taak van bestuursorganen.
Uit de Beleidsdoorlichting preventieve maatregelen, uitgevoerd door TwijnstraGudde, komt naar voren dat de mate van effectiviteit van het preventiebeleid, waaronder tevens de Wet Bibob valt, niet altijd in termen van causaliteit kan worden aangetoond. Het is achteraf immers lastiger te bewijzen dat iets voorkomen is, dan dat het zich daadwerkelijk heeft voorgedaan.8 Datzelfde geldt voor het daadwerkelijke effect van een negatief Bibob-advies op de vermindering van risico van het faciliteren van criminele activiteiten door openbare besturen. In de beleidsdoorlichting wordt geconcludeerd dat het voor de hand lijkt te liggen dat een (terechte) weigering, het intrekken of het niet aangaan van een rechtshandeling leidt tot een verkleining van de kans dat door middel van die rechtshandeling de overheid onbewust criminele activiteiten faciliteert. Het is tegelijk zeer lastig – zo niet onmogelijk – om in de praktijk aan te tonen dat zulk misbruik te voorkomen is door het weigeren of niet aangaan van een rechtshandeling. In het onderzoeksrapport «Procesevaluatie Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob 2013»9 hebben bestuursorganen aangegeven dat de wet Bibob een duidelijke meerwaarde heeft en dat het voorziet in de behoefte van een flexibel instrument waarmee kan worden aangesloten op lokale problematiek.
Klopt het dat de gegevensverzameling over ontnemingsmaatregelen slechts tot en met het jaar 2011/2012 lopen? Bent u bereid deze tijdreeks aan te vullen?3
Ja dat klopt. De beschikbare informatie is weergegeven in de tabellen bij de antwoorden op vragen 7 en 8.
Hoeveel ontnemingsvonnissen zijn de afgelopen tien jaar door rechters opgelegd? Om welke ontnemingsbedragen ging het per jaar en welk bedrag daarvan is openstaand (nog niet ontnomen)?
In onderstaande de tabel staat per jaar hoe vaak een ontnemingsvordering geheel of gedeeltelijk is toegewezen door de rechter in eerste aanleg. Er is hiervoor in het managementinformatiesysteem gekeken naar de periode 2011 t/m oktober 2021. Een ontnemingsvordering kan tegelijk met de strafzaak worden behandeld maar ook op een later moment als aparte ontnemingszaak. Deze varianten zijn beide meegeteld.
Beslissing rechter
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
t/m okt
Gedeeltelijke toewijzing vordering ontneming
368
555
407
485
470
642
638
697
611
392
403
Gehele toewijzing vordering ontneming
979
1.067
1.029
1.104
1.124
1.055
1.018
996
824
503
456
Totaal
1.347
1.622
1.436
1.589
1.594
1.697
1.656
1.693
1.435
895
859
De cijfers van het CJIB hebben betrekking op de instroom van onherroepelijke uitspraken. In onderstaande tabel is de instroom (aantal zaken = aantal vonnissen) per jaar opgenomen met het opgelegd totaalbedrag.
Jaar
Aantal zaken
Opgelegd bedrag
Openstaand bedrag
2010
1.176
36.335.343
13.369.626
2011
1.193
48.309.134
17.685.150
2012
1.295
72.146.647
45.430.171
2013
1.220
53.769.703
20.895.220
2014
1.205
66.247.740
43.784.954
2015
1.433
58.917.014
31.129.340
2016
1.308
78.417.034
56.658.612
2017
1.688
185.421.520
134.387.186
2018
1.507
58.199.240
35.690.616
2019
1.443
105.383.346
84.186.230
2020
1.038
57.890.471
43.126.525
Kan eveneens in een tabel worden opgenomen hoeveel zaken er zijn afgedaan (daadwerkelijk ontnomen) en wat hierbij het gemiddelde bedrag, de mediaan en het maximumbedrag was?
In onderstaande tabel is opgenomen het bedrag dat is geïnd. Daarnaast is het gemiddelde bedrag, het maximumbedrag en de mediaan weergegeven. Daarbij moet opgemerkt worden dat de uitstroom niet gerelateerd is aan de instroom. Dat betekent dat de uitgestroomde zaken in bijvoorbeeld het jaar 2020 kunnen zien op de ingestroomde zaken in bijvoorbeeld 2005 of 2019.
Jaar
Aantal
Opgelegd
bedrag
Daadwerkelijk
ontnomen
bedrag
Gemiddeld
ontnomen
bedrag
Mediaan
ontnomen
bedrag
Maximaal
ontnomen
bedrag
2010
1.116
15.166.984
10.822.974
9.698
3.287
819.248
2011
1.108
28.611.863
20.367.525
18.382
3.900
2.893.823
2012
955
17.410.951
13.572.983
14.213
3.560
3.500.000
2013
1.018
27.541.755
18.075.848
17.756
3.617
7.127.839
2014
950
15.380.020
9.193.487
9.677
3.851
279.650
2015
936
21.836.745
14.867.882
15.884
4.533
894.479
2016
988
16.572.036
12.973.149
13.131
4.500
1.206.972
2017
1.032
20.132.085
13.700.990
13.276
4.654
917.929
2018
1.170
23.639.254
17.951.339
15.343
4.676
2.425.000
2019
1.119
57.534.769
20.740.314
18.535
4.150
5.149.742
2020
1.202
36.338.645
19.457.924
16.188
5.000
1.042.906
Hoe lang duurt de tenuitvoerlegging van het ontnemingsvonnis gemiddeld, uitgesplitst per interval van ontnemingsbedrag? Wat is hierbij de maximumduur en wat is hierbij de mediaan (zonder de uitschieters naar boven en naar beneden)?
Door het CJIB is de tenuitvoerlegging vertaald naar doorlooptijden. Daarbij is gekeken naar het jaar waarin een ontnemingsmaatregel is uitgestroomd. Voor wat betreft de gevraagde intervallen zijn de standaard categorieën A (van € 0 tot € 10.000), B (van € 10.000 tot € 100.000), C (van € 100.000 tot € 1.000.000) en D (vanaf € 1.000.000) aangehouden. Het CJIB gaat net zo lang door met de inning totdat de tenuitvoerleggingstermijn is verstreken.
Jaar
Categorie
Aant. uitstroom
Gem. duur
Mediaan
Max. duur
2010
A
835
1.091
717
5.504
2010
B
255
1.386
1.046
5.434
2010
C
26
1.071
939
2.451
2011
A
797
1.081
769
5.860
2011
B
280
1.384
924
5.859
2011
C
26
1.659
1.428
5.889
2011
D
5
1.933
791
5.317
2012
A
655
1.200
686
6.023
2012
B
277
1.797
1.538
5.979
2012
C
21
1.978
2.123
5.789
2012
D
2
2.366
2.366
2.646
2013
A
699
1.151
618
5.861
2013
B
292
1.536
1.159
5.903
2013
C
24
1.694
1.485
4.780
2013
D
3
146
144
287
2014
A
628
1.224
730
6.328
2014
B
297
1.768
1.493
6.895
2014
C
25
1.298
855
4.383
2015
A
598
1.209
587
7.314
2015
B
304
1.613
1.263
6.000
2015
C
33
1.845
1.181
6.426
2015
D
1
1.861
1.861
1.861
2016
A
651
1.201
598
5.886
2016
B
310
1.585
1.173
6.206
2016
C
26
1.188
797
4.593
2016
D
1
40
40
40
2017
A
667
1.199
628
7.016
2017
B
334
1.785
1.261
7.144
2017
C
30
2.157
1.395
6.234
2017
D
1
3.435
3.435
3.435
2018
A
744
1.329
729
7.034
2018
B
395
1.760
1.389
7.189
2018
C
29
1.491
377
5.802
2018
D
2
1.920
1.920
3.311
2019
A
707
1.471
867
6.152
2019
B
372
1.964
1.596
6.302
2019
C
33
2.340
1.851
5.965
2019
D
7
4.322
5.770
6.137
2020
A
689
1.752
1.074
8.111
2020
B
458
2.060
1.639
9.109
2020
C
50
3.098
3.035
7.659
2020
D
5
3.027
3.338
6.217
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van het beleid ten aanzien van (eenvoudig) witwassen (420 bis.1 Wetboek van Strafrecht)? Op basis van welke gegevens?
Zie het antwoord op vraag 11.
Bent u bereid de Kamer een tabel te verstrekken met informatie waaruit de effectiviteit van het beleid van de afgelopen jaren en het gebruik van het witwas-artikel kan worden afgeleid?
In antwoord op vraag 1 heb ik aangegeven hoe de effectiviteit van het anti-witwasbeleid doorlopend op nationaal, Europees en internationaal niveau wordt beoordeeld en welke gegevens daarin onder meer al zijn betrokken. Aan de hand van de uitkomsten van verschillende (inter)nationale onderzoeken, die alle in 2022 worden uitgebracht, zal het kabinet waar nodig het anti-witwasbeleid verder versterken en de effectiviteit van de aanpak vergroten.
Het plaatsen van honingbijkasten in de nabijheid van natuurgebieden |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zet geen honderden bijenkasten in de Biesbosch, de wilde bij overleeft dat niet»?1
Ja.
Deelt u de conclusie van de onderzoekers van het European Invertebrate Survey (EIS) Kenniscentrum Insecten en Naturalis dat honingbijen om voedsel concurreren met wilde bestuivende insecten, en dat daarom zelfs een kleine hoeveelheid honingbijkasten beschermde wilde bestuivende insecten, zoals bijen, kan verdringen? Zo nee, waarom niet en op welk onderzoek baseert u zich?
Ja. Daarbij wil ik opmerken dat mogelijke risico’s voor negatieve effecten van honingbijen op wilde bijen afhangen van het seizoen, de lokale situatie en de interacties tussen het aantal honingbijen, soorten wilde bijen en het voedselaanbod (plantensoorten en hoeveelheid). Wilde bijen en andere wilde bestuivers kunnen mogelijk last hebben van verdringing door honingbijen, wanneer zij aangewezen zijn op dezelfde bloemen als de honingbijen. Natuurbeheerders gaan vaak uit van een voorzorgsprincipe ten aanzien van wilde bijen, wat leidt tot beperkingen van het aantal bijenkasten in natuurgebieden.
Het is wetenschappelijk vastgesteld dat een grootschalige plaatsing van bijenkasten op een gelimiteerde voedselbron een negatieve impact op wilde bijen kan hebben. Dat kan gebeuren in situaties, waarin bijenkasten worden geplaatst in een gebied met weinig voedsel en/of aanwezigheid van kwetsbare wilde bijensoorten. Er komt steeds meer kennis uit lopend (landelijk) onderzoek beschikbaar, zodat het inschatten van de situatie per locatie door de natuurbeheerders in de nabije toekomst beter mogelijk wordt.
Kunt u aangeven wat de staat van instandhouding is van beschermde bestuivende insecten, zoals de wilde bij, de hommel en de zweefvlieg? Zo nee, waarom niet?
De Wet natuurbescherming kent geen beschermingsregime voor bestuivende insecten van de soortgroepen Bijen (inclusief Hommels) en Zweefvliegen. De huidige staat van instandhouding is voor de Zweefvliegen niet vastgesteld. Voor de Bijen is in 2018 een Rode Lijst opgesteld (zie www.bestuivers.nl/rodelijst). Daaruit blijkt onder andere dat hommels vaker bedreigd zijn dan de overige bijensoorten en dat onder die overige bijensoorten de soorten die afhankelijk zijn van het stuifmeel van klaverachtigen (vlinderbloemen) het meest bedreigd zijn. Ik ga onderzoeken of er ook voor de soortgroep Zweefvliegen een Rode Lijst kan worden gemaakt. Afhankelijk van de uitkomsten kan deze tegelijk met de actualisatie van de Rode Lijst Bijen worden opgesteld.
Hoe verhoudt het ontbreken van beleid omtrent het plaatsen van honingbijkasten zich tot het doel van de Nationale Bijenstrategie om in 2030 weer populaties van bijen en andere bestuivers te hebben die stabiel zijn en/of zich positief ontwikkelen?
Zoals ik in de Nationale Bijenstrategie heb onderschreven, moeten we toe naar een integrale oplossing voor het voedselprobleem voor bestuivers. Meer voedsel voor insecten in het algemeen is de oplossing. De oplossing ligt niet alleen in de natuurgebieden, maar ook daarbuiten. In de Bijenstrategie zet ik samen met maatschappelijke partners in op het bevorderen van de biodiversiteit binnen en buiten natuurgebieden, daarnaast richt de Bijenstrategie zich op het verbinden van landbouw en natuur en op het helpen van imkers om de gezondheid van de honingbij te verbeteren. Vanuit de Bijenstrategie wordt door WUR onderzoek verricht naar het effect van het plaatsen van honingbijenkasten op de wilde bestuivers.
Voor het plaatsen van honingbijenkasten geldt regionaal beleid. Dat verschilt per gebied. Ik heb regelmatig overleg met decentrale overheden over het biodiversiteitsbeleid (zoals in het kader van het Natuurpact en de Nationale Bijenstrategie). De decentrale overheden werken met veel ambitie aan het verbeteren van onze leefomgeving. Juist omdat het probleem regionaal verschilt, is het van belang om dit regionaal op te pakken. Op dit moment zie ik geen aanleiding tot het formuleren van nieuw overheidsbeleid.
Deelt u het inzicht dat er beleid moet worden opgesteld voor het plaatsen van honingbijkasten nabij Natura 2000-gebieden, omdat de natuur niet verder mag verslechteren? Zo nee, waarom niet?
De verslechtering van de in Natura 2000-gebieden voorkomende beschermde soorten en habitats moet worden voorkómen. Of er van mogelijke verslechtering door het plaatsen van honingbijkasten sprake is, hangt af van het effect van die plaatsing op de beschermde waarden. Er zijn geen bijensoorten die door de Habitatrichtlijn worden beschermd en er zijn geen bijensoorten die behoren tot de zogenoemde typische soorten van beschermde habitattypen. Een eventueel effect op habitattypen zal dus alleen aangemerkt kunnen worden als een verslechtering in de zin van art. 6 van de Habitatrichtlijn, als de bestuiving van bepaalde plantensoorten dusdanig in gevaar komt, dat daarmee de kwaliteit van een habitattype afneemt. Er zijn enkele studies die aanleiding geven voor de veronderstelling dat daar sprake van zou kunnen zijn. De relatie tussen het plaatsen van honingbijenkasten en de mogelijke verslechtering van habitats is echter zodanig indirect en nog zo onzeker, dat ik op dit moment (nog) niet – om de specifieke reden van het uitvoeren van de Habitatrichtlijn – actie verlang van betrokkenen bij Natura 2000-gebieden.
Deelt u het inzicht dat er beleid moet worden opgesteld voor het plaatsen van honingbijkasten nabij overige natuurgebieden, waar zich beschermde bestuivende en nectarbehoevende insecten bevinden? Zo nee, waarom niet?
Ik realiseer me dat de plaatsing van honingbijenkasten in de buurt van natuur een risico kan opleveren voor wilde bijensoorten. Dat is mede afhankelijk van de hoeveelheid en plaats van de kasten en de tijd van het jaar. Regulering is in bepaalde gevallen wenselijk. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij provincies, gemeenten (in bijvoorbeeld Algemene Plaatselijke Verordeningen) en bij de terreinbeherende organisaties. Binnen de natuurgebieden van Staatsbosbeheer zijn er inmiddels richtlijnen om verdringing van wilde bijen door honingbijen te voorkomen. Buiten de grenzen van de natuurgebieden is er geen, of soms lokale regelgeving voor het plaatsen van honingbijkasten. Afhankelijk van de lokale regelgeving kunnen honingbijenkasten op eigen terreinen worden geplaatst of op terreinen waar een afspraak met de eigenaar is gemaakt. Daardoor is hier moeilijk op te sturen vanuit mijn ministerie. Ik ben wel bereid om hierover het gesprek aan te gaan met terreinbeherende organisaties en bijenhoudersverenigingen – zoals toegezegd in het begrotingsbehandelingdebat van 2 december jl. – en na te gaan hoe hier door de eigenaar van een natuurgebied zelf op kan worden gestuurd.
Zijn een passende beoordeling en eventueel een vergunning op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig voor het plaatsen van honingbijkasten nabij Natura 2000-gebieden, aangezien significante negatieve effecten op wilde beschermde bijen mogelijk niet zijn uit te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Gezien het antwoord op vraag 5, is een passende beoordeling (voor het al dan niet kunnen uitsluiten van significante effecten op beschermde habitats) op dit moment nog niet aan de orde.
Hebben er passende beoordelingen plaatsgevonden voor het plaatsen van de honingbijkasten, zoals voor het plaatsen nabij de Biesbosch? Zijn hier Wnb-vergunningen voor afgegeven? Zo nee, waarom niet?
Dat is niet het geval. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Bent u het ermee eens dat een bufferzone voor het plaatsen van honingbijkasten effectief kan zijn voor de bescherming van bestuivende en nectarbehoevende insecten, zoals de wilde bij tegen voedselconcurrentie van de honingbij? Zo nee, waarom niet?
De belangrijkste oorzaak van voedselconcurrentie tussen honingbijen en wilde bestuivers is de afwezigheid van voldoende voedselaanbod. Indien daar sprake van is, zijn regulerende maatregelen van belang. Het risico op concurrentie wordt sterk beïnvloedt door de ruimtelijke verdeling van enerzijds bijenkasten en anderzijds kwetsbare populaties van wilde bijen. Dat maakt het instellen van bufferzones tot een potentieel kansrijke maatregel. De grootte van deze zone en criteria voor plaatsing daarvan vereisen nader onderzoek en praktijkgerichte pilots, ik ben bezig om dat in te richten. Ook andere maatregelen zijn denkbaar en maatregelen kunnen elkaar aanvullen. Dit hangt af van de lokale situatie.
Kunt u aangeven hoeveel honingbijkasten nabij een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn geplaatst, graag uitgesplitst per Natura 2000-gebied en NNN? Kunt u hierbij ook aangeven of deze imkerijen in Nederland dan wel het buitenland zijn gevestigd?
Nee, mede door het ontbreken van een registratiesysteem heb ik op dit moment geen inzicht in de locatiegegevens en hoeveelheden bijenvolken per gebied in Nederland.
Klopt het dat er geen registratie bestaat voor honigbijkasten, noch regels zijn opgesteld voor het plaatsen van kasten, waardoor een wildgroei aan bijenkasten kan ontstaan nabij natuurgebieden? Zo ja, bent u bereid om een landelijk kastenregistratiesysteem in het leven te roepen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
Het klopt dat in Nederland nog geen registratiesysteem voor bijenvolken bestaat. Op dit moment is mijn ministerie, in overleg met de bijenhoudersverenigingen, gestart met het onderzoeken op welke wijze een landelijk registratiesysteem kan worden ingevoerd, mede vanuit het oogpunt van diergezondheid. Het is mijn voornemen dat vanaf 2023 in te voeren.
Kunt u deze vraag één voor één beantwoorden voorafgaand aan de behandeling van de begroting van het Ministerie van LNV, zonder daarbij te verwijzen naar eerdere antwoorden?
Ja, echter door raadpleging diverse betrokken partijen is dat niet gelukt vóór de behandeling van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
De schadevergoedingen na het werken met Chroom-6. |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Henk Kamp (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Aan hoeveel personen is tot dusver een schadevergoeding uitgekeerd in verband met blootstelling aan Chroom-6?
In totaal hebben 511 (oud-) medewerkers en nabestaanden een uitkering ontvangen op grond van de Tijdelijke Coulanceregeling1 en/of van de Uitkeringsregeling2.
Voor de volledigheid vermeld ik dat de antwoorden op de vragen zijn gebaseerd op de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de Uitkeringsregeling per 3 december 2021. Naar aanleiding van het onderzoek van RIVM naar de andere Defensielocaties is de Uitkeringsregeling gewijzigd in juni 2021. De behandeling van de nieuwe aanvragen voor een uitkering en het ambtshalve beoordelen van dossiers van (oud-) medewerkers die op grond van eerdere aanvragen bekend zijn, is in volle gang. Als gevolg hiervan zullen de getallen met het verloop van de tijd voortdurend wijzigen.
Aan hoeveel personen is een dergelijke vergoeding verstrekt als gevolg van het onderzoek van het RIVM, waaruit bleek dat op alle Defensielocaties risico op blootstelling aan de giftige stof bestond en dat dit ook voor meer beroepsgroepen gold dan aanvankelijk werd gedacht?
191 (oud-) medewerkers en nabestaanden hebben een uitkering toegekend gekregen op grond van de Uitkeringsregeling die in juni dit jaar is gewijzigd naar aanleiding van het onderzoek van RIVM naar de andere Defensielocaties. In 125 van deze 191 gevallen is aan de betrokken (oud-) medewerker eerder ook een uitkering toegekend op grond van de Tijdelijke Coulanceregeling.
Hoe hoog waren de verstrekte vergoedingen?
De hoogte van de tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke Coulanceregeling varieerde tussen de 3.000 euro en 15.000 euro.
De hoogte van het bedrag op grond van de Uitkeringsregeling varieert tussen 5.338,42 euro en 42.707,63 euro voor het immateriële deel van de uitkering (smartengeld) en een vast bedrag van 4.110,59 euro voor de materiele uitkering. Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd. Indien voor een aandoening eerder een tegemoetkoming vanuit de Tijdelijke Coulanceregeling is ontvangen, wordt dit bedrag verrekend met de uitkering vanuit de Uitkeringsregeling.
In totaal is netto 7.1 miljoen euro aan uitkeringen uitbetaald op grond van de Tijdelijke Coulanceregeling en de Uitkeringsregeling. Dit betreft de som van alle door de aanvragers ontvangen uitkeringen.
Hoeveel verzoeken om schadevergoedingen zijn er in totaal ingediend en hoeveel zijn er tot dusver behandeld?
Er zijn 929 aanvragen ingediend en afgehandeld voor een tegemoetkoming op grond van de Coulanceregeling.
In totaal zijn voor de Uitkeringsregeling 527 aanvragen ingediend. Dit gaat om (oud-) medewerkers en nabestaanden die nog niet eerder een aanvraag hadden ingediend voor een uitkering op grond van de Tijdelijke Coulanceregeling. Hiervan zijn 289 aanvragen inmiddels afgehandeld. Van het totaal van 527 aanvragen zijn 348 aanvragen ingediend nadat de gewijzigde Uitkeringsregeling in juni dit jaar ook in werking is getreden voor de (oud-) medewerkers van de andere Defensielocaties.
Voor de volledigheid vermeld ik dat daarnaast van iedere (oud-) medewerker, van een andere defensielocatie dan de Prepositioned Organizational Materiel Storage (POMS), die vanuit de Tijdelijke Coulanceregeling een bedrag heeft gekregen, het dossier nogmaals is beoordeeld om te bezien of zij mogelijk recht hebben op een (aanvullende) uitkering vanuit de gewijzigde Uitkeringsregeling. Hiervan zijn 134 dossiers afgedaan.
Hoe vaak komt het voor dat een verzoek om schadevergoeding is afgewezen, omdat het ziektebeeld van de betrokken persoon niet in verband wordt gebracht met blootstelling aan Chroom-6?
In totaal is in 412 gevallen een aanvraag afgewezen omdat de door de aanvrager genoemde aandoening niet voorkwam op de lijst met aandoeningen zoals opgenomen in de betreffende regeling. Dit beeld is echter niet volledig aangezien het ook voorkomt dat bij een aanvraag meerdere aandoeningen worden vermeld op het aanvraagformulier. Indien voor één of meer van de aandoening(en) een toekenning volgt, wordt deze zaak genoteerd als een toekenning. Hierbij worden de andere aandoeningen die de aanvrager heeft genoemd, maar die niet voor komen op de lijst met aandoeningen behorend bij de betreffende regeling, niet bijgehouden.
Hoeveel van de onder de vorige vraag bedoelde verzoeken vallen in de derde c.q. vierde categorie van de lijst met ziektes die het RIVM hanteert inzake de mate van waarschijnlijkheid van een oorzakelijk verband met blootstelling aan Chroom-6? Welke aandoeningen betreft dit per categorie?
Voor het bepalen van de waarschijnlijkheid dat een ziekte kan worden veroorzaakt door blootstelling aan chroom-6 is door het RIVM de standaard wetenschappelijke benadering gebruikt. De ziekten werden ingedeeld in vier verschillende categorieën op basis van de mate van waarschijnlijkheid van een oorzakelijk verband met blootstelling aan chroom-6:
De volgende aandoeningen behoren tot categorie 33: dunne darmkanker, mondholtekanker, pancreaskanker, prostaatkanker, blaaskanker, nadelige effecten op de voortplanting en de prenatale ontwikkeling en immunologische aandoeningen anders dan die zijn beschreven in categorie 1. Aandoeningen die niet behoren tot categorie 1, 2 of 3 vallen onder categorie 4.
Er is niet bijgehouden hoe vaak een verzoek om schadevergoeding is afgewezen omdat het ziektebeeld niet in verband wordt gebracht met blootstelling aan chroom-6 en welke aandoeningen dit betreft. Daarnaast is het zo dat ten tijde van de beoordeling van de aanvragen voor de Tijdelijke Coulanceregeling de lijst met ziekten en de categorie-indeling zoals die voortkwam uit het onderzoek door het RIVM, nog niet bekend was.
Volledigheidshalve wordt aangetekend dat een (oud-)medewerker wellicht wel een aandoening kan hebben die behoort tot categorie 3 of 4, maar dat niet altijd op het aanvraagformulier zal vermelden omdat de (oud-)medewerker weet dat die aandoening niet op de lijst staat en derhalve geen recht zal geven op een uitkering.
Is de bedoelde lijst dit jaar geactualiseerd, zoals werd aangekondigd in de beleidsreactie «RIVM-onderzoek naar blootstelling aan Chroom-6 en arbeidsomstandigheden op defensielocaties»? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht op korte termijn de rapportage van het RIVM en de conclusies en aanbevelingen van de Paritaire Commissie te ontvangen. Ik zal de Kamer hier vervolgens over informeren samen met mijn reactie hierop.