Het bericht ‘Door uitblijven coronastrategie komt lockdown weer in beeld’ |
|
Judith Tielen (VVD), Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Door uitblijven coronastrategie komt lockdown weer in beeld»?1
Ja, dit artikel waarin onder meer wordt verwezen naar de beleidsagenda pandemische paraatheid van 14 april2, is mij bekend.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de Nationale Zorgreserve? Kan (een deel van) deze reserve ingezet worden bij een eventuele besmettingsgolf dit najaar?
In de bij mijn antwoord op vraag 1 genoemde Beleidsagenda heb ik uw Kamer laten weten dat er toegewerkt wordt naar een strategische reserve van zorgprofessionals (de Nationale Zorgreserve), die tijdens crises een rol kan spelen in het snel opschalen van de capaciteit van zorgprofessionals. Op dit moment worden de juridische, de uitvoeringstechnische en de financiële vraagstukken van de Nationale Zorgreserve (als een publieke taak) nader uitgewerkt. In de zomer wordt uw Kamer geïnformeerd over de voortgang. Tot het moment dat de Nationale Zorgreserve als publieke taak operationeel is, beheert Extra Zorg Samen (EZS) het zorgreservistenbestand, werft zij actief reservisten en investeert zij in hun behoud. VWS subsidieert deze activiteiten. Zorgorganisaties kunnen, totdat de Nationale Zorgreserve (als een publieke taak) operationeel is, tijdens crises een beroep doen op het reservistenbestand van EZS via nationalezorgreserve.nl.
Let wel de Nationale Zorgreserve is een «last resort» instrument en functioneert als aanvullend op de interne en externe flexibele schil van organisaties en aanvullend op de regionale samenwerking.
Hoe geven werkgevers op dit moment invulling aan het zoveel mogelijk voorkomen en herstel van ziekteverzuim in de zorg?
De precieze invulling van het arbo en verzuimbeleid door werkgevers vergt maatwerk dat afgestemd is op de situatie van (groepen van) werknemers in de organisatie. Er is daardoor geen eenduidig antwoord te geven op de vraag hoe werkgevers in de zorg op dit moment invulling geven aan het zoveel mogelijk voorkomen en herstel van ziekteverzuim. Wel hebben zij -net zoals werkgevers in andere sectoren- wettelijke verplichtingen met als doel om ziekteverzuim te voorkomen en herstel naar werk te bevorderen. Zij moeten zich houden aan de Arbowet, het Arbobesluit, de Arboregeling en de Wet Verbetering Poortwachter.
Om deze wetten na te leven dient elke organisatie arbobeleid te voeren, dat onder andere bestaat uit een aantal vaste onderdelen en instrumenten zoals de risico- inventarisatie en -evaluatie, inzet van een arbodienst of bedrijfsarts, voorlichting voor werknemers, en het aanbieden van een periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek. Daarnaast hebben vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in zorg en welzijn afspraken over veilig en gezond werken vastgelegd in de arbocatalogi. Een arbocatalogus geeft overzichtelijk en begrijpelijk de mogelijke oplossingen voor veilig en gezond werken, specifiek toegesneden op de situaties in de branche waar de catalogus zich op richt. Verder verzamelt en verspreidt het Actie Leer Netwerk in opdracht van het Ministerie van VWS voorbeelden van innovatieve initiatieven die in de praktijk tot concrete resultaten hebben geleid, bijvoorbeeld als het gaat om gezond werken en het terugdringen van verzuim en bevorderen van herstel.
De huidige situatie en veranderingen in de zorg maken het noodzakelijk dat veerkracht en herstel van zorgmedewerkers boven aan de agenda van werkgevers in de zorg staat. Om hier goed invulling aan te geven is het belangrijk dat werknemers zelf meepraten, meebepalen en invloed uitoefenen op beleid dat hen raakt. Om hier concreet invulling aan te geven stelt het Ministerie van VWS financiering beschikbaar voor het Landelijk Actieplan Zeggenschap en Veerkracht dat zich richt op het versterken van de veerkracht van werknemers en zeggenschap bij herstelbeleid. Dit actieplan bestaat onder meer uit een lokale aanpak waarbij subsidie beschikbaar wordt gesteld voor werkgevers om aan de slag te gaan met een lokaal initiatief dat een impuls geeft aan zeggenschap en veerkracht.
Welke maatregelen uit deHoofdlijnenbrief Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg kunnen op korte termijn – binnen een halfjaar – genomen worden om druk op het personeel in de zorg te verlichten?
We werken aan de uitwerking van de Hoofdlijnenbrief Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg tot een concreet programmaplan met maatregelen. De aanpak van de uitdagingen op de arbeidsmarkt vraagt iets van alle partijen. Daarover ga ik in de komende maand het gesprek aan met werkgevers, werknemers en andere partijen die hieraan een bijdrage kunnen leveren, met als doel te komen tot een gedeelde ambitie en acties. Uw Kamer ontvangt het uitgewerkte programmaplan deze zomer. Overigens betekent dit niet dat er niet ook nu al het nodige gebeurt om de werkdruk te verlagen. Er zijn al veel werkgevers die die actief mee bezig zijn. Het Actie Leer Netwerk verzamelt en verspreidt goede voorbeelden op haar site.
Welke lessen zijn er getrokken uit de afgelopen crisisjaren om personeel efficiënter in te zetten? Welke voorbeelden dragen zorgprofessionals zelf aan voor het efficiënter inzetten van personeel?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vragen 3 en 4 verzamelt en verspreidt het Actie Leer Netwerk goede voorbeelden. Het legt de verbinding tussen overheid, werkveld en onderwijs. Het netwerk faciliteert en ondersteunt partijen die met vernieuwende initiatieven de personeelstekorten aanpakken. Daarnaast inspireert en stimuleert het Actie Leer Netwerk alle andere betrokken partijen om ook initiatieven te starten. Of succesvolle initiatieven van anderen over te nemen.
Kunt u aangeven wanneer de Kamer de uitwerking van de motie-De Vries over een inventarisatie van arbeidsbesparende innovaties in de zorg kan verwachten?2
Op 25 oktober 2021 is de kamer geïnformeerd over invulling van de motie-De Vries via de Kamerbrief «Motie de Vries digitale en hybride zorg» (27 529, nr. 270). Daarin is in kaart gebracht welke initiatieven de transformatie naar digitale en hybride zorg kunnen versnellen.
Er zijn verschillende initiatieven die inzicht bieden in de effectiviteit en voorwaarden voor slimme inzet van bestaande en nieuwe technologieën, zoals via het zorgtransformatiemodel van kenniscentrum digitale zorg van ZN, de onlangs geopende kennisbank digitale zorg van Vilans, het recent door de FME geïnitieerde onderzoek van Gupta naar de potentie van slimme inzet van (medische) technologie in het aanpakken van het personeelstekort in de zorg en onderzoek van o.a. Significant, Vilans.
VWS werkt al sinds de uitbraak van de Coronacrisis samen met ZN aan het zorgtransformatiemodel en een ondersteuningsstructuur voor zorgtransformatie met inzet van digitale/hybride zorg(technologie). Ook zijn we in gesprek met de andere genoemde partijen over de manier waarop de overheid zorgaanbieders en andere betrokken partijen kan ondersteunen. Tevens gebruiken we het door de verschillende partijen verrichte onderzoek voor het maken van beleid, onder meer in het nieuwe arbeidsmarktprogramma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg, het programma Wonen, Ondersteunen en zorg voor ouderen en afspraken in het Integrale Zorgakkoord en het Gezond en Actief Leven akkoord. Actiz en NVZ hebben een actieprogramma gericht op digitale zorg. En de Patiëntenfederatie wijst cliënten en patiënten ook op de potentie ervan.
Bent u het eens dat er door werkgevers en zorgpersoneel samen nadrukkelijker werk gemaakt moet worden van de inzet van arbeidsbesparende innovaties op de werkvloer en dat het koplopersklimaat gestimuleerd moet worden? Wat hebben zorgprofessionals naar eigen zeggen nodig om goed gebruik te kunnen maken van arbeidsbesparende innovaties?3
Ja, om persoonlijke warme zorg te blijven bieden is de inzet van arbeidsbesparende innovaties, mits goed geïmplementeerd, vereist.
We zien al veel goede voorbeelden van hoe sociale en technologische innovatie zorgaanbieders helpt om de zorg beter te organiseren. Mooie voorbeelden zijn onder andere het gebruik van medicijndispensers in de wijkverpleging zodat de reistijd afneemt. Of de inzet van zorgbuddy’s in ziekenhuizen waardoor taken efficiënter verdeeld kunnen worden onder zorgmedewerkers.
Met het Actie Leer Netwerk stimuleert VWS dat koplopers hun goede voorbeelden uit de praktijk delen zodat organisaties van elkaar kunnen leren. Ook tijdens de Slimme Zorg Estafette stond het leren van elkaar centraal, zodat niet iedereen zelf het wiel hoeft uit te vinden. Daarbij is het wel belangrijk om scherp te hebben dat niet elke innovatie zondermeer toegepast kan worden. Het vraagt om een goede aanpassing en transformatie van het werkproces binnen een organisatie.
Zorgmedewerkers spelen hierin een belangrijke rol: zij weten als geen ander wat werkt en wat niet. Zeggenschap is dus cruciaal. Uit de E-healthmonitor 2021 – ervaringen uit het zorgveld – blijkt dat er al veel positieve ontwikkelingen zijn als het gaat om de inzet van digitale zorg. Tegelijkertijd is verbetering nodig op onder meer de inbedding van digitale zorg als onderdeel van het zorgproces, te werken vanuit de meerwaarde voor de zorg en het verbeteren van digitale vaardigheden.
Het traineren van het onderzoek naar de mondkapjesdeal |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport pas na de noodkreet van Deloitte van 12 april jl. eindelijk aan de slag gegaan met een aantal van de door het onderzoeksbureau gevraagde acties die noodzakelijk zijn om het onderzoek te kunnen verrichten?
Vanaf de start van het onderzoek in 2021 zijn zowel vanuit Deloitte Forensic and Dispute Services B.V. (hierna: het onderzoeksbureau) als het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) diverse acties in gang gezet om het onderzoek zo goed en zo snel als mogelijk uit te kunnen voeren. Zoals ik u reeds eerder via Kamerbrieven heb bericht en ook is toegelicht door het onderzoeksbureau tijdens de technische briefing op 5 april jongstleden aan de Kamer, is het onderzoek complex vanwege de grote hoeveelheid data en het aantal hierbij betrokken partijen. De verschillende fasen binnen het onderzoek vragen structureel om nieuwe acties vanuit zowel het Ministerie van VWS als het onderzoeksbureau zelf. De overdracht van data door het Ministerie van VWS in het kader van het onderzoek naar de overeenkomst met Relief Goods Alliance B.V. (RGA) is afgerond. Indien het onderzoeksbureau nog aanvullende specifieke vragen heeft, dan beantwoordt VWS deze vragen direct.
Kunt u een verklaring geven voor het beeld dat uit de brief van Deloitte oprijst, namelijk van een Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dat allerlei vertragingstactieken lijkt toe te passen en de onderzoekers zowel passief als actief lijkt tegen te werken met zowel formaliteiten rond het aanleveren van gegevens als de gefragmenteerde wijze waarop data zijn aangeleverd, namelijk gefilterd, zwartgelakt en niet in de originele bestandstypen?1
In mijn Kamerbrief van 26 april jongstleden2 heb ik u de reactie van mijn ministerie op de brief van het onderzoeksbureau van 12 april jongstleden toegestuurd. Hierin vindt u mede de reflectie van het ministerie terug op de door het onderzoeksbureau gestelde punten bijvoorbeeld betreffende de overdracht van data. Daarnaast heb ik de Kamer in voorgenoemde brief geïnformeerd dat het Ministerie van VWS onverwijld aan de slag is gegaan met een aantal van de door het onderzoeksbureau gevraagde acties.
Net als mijn voorgangers (toenmalig Minister van Ark en Staatssecretaris Blokhuis) doe ik er alles aan om het eerste deelrapport – dat ziet op de overeenkomst met RGA – zo snel mogelijk met uw Kamer te kunnen delen.
Evenals uw Kamer kijk ik uit naar de resultaten van het onderzoek en vind het belangrijk om hier lessen uit te trekken voor de toekomst. De wens van uw Kamer tot snelheid en volledig inzicht in de feiten is ook de mijne.
Kunt u instemmen met de omschrijving van de verhouding tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Deloitte als een hoogopgelopen conflict?2
Nee, ik verwijs hierbij graag naar mijn brief aan uw Kamer van 26 april jongstleden waarin ik een verklaring geef voor het formele karakter van de briefwisseling. In mijn brief van 13 mei jongstleden4 heb ik ook toegelicht dat het onderzoeksbureau en ik overleg hebben gevoerd. Het ministerie en het onderzoeksbureau blijven gedurende het onderzoek – op meerdere niveaus binnen beide organisaties – continu met elkaar in gesprek.
Hoe kan Deloitte, zonder mogelijk te beschikken over alle relevante data, beoordelen dat alle relevante data over de mondkapjesdeal zijn ontvangen zolang het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport weigert een verklaring (Letter of Representation) te ondertekenen dat alle relevante data daadwerkelijk aan het onderzoeksbureau zijn overgedragen?3
Ik vind het van groot belang dat er een compleet feitenrelaas wordt opgeleverd. Alleen op basis van een volledige reconstructie kunnen we namelijk lessen trekken voor de toekomst. Juist de onafhankelijkheid van het onderzoeksbureau in het selecteren van relevante data is hiervoor van groot belang. Hiermee worden namelijk alle relevante en verschillende bronnen betrokken en dit moet zorgen voor een zo volledig mogelijk beeld.
Graag verwijs ik u hierbij naar de reactie van het Ministerie van VWS – op 26 april jongstleden – op de brief van het onderzoeksbureau van 12 april jongstleden. In deze reactie geeft mijn ministerie aan waarom zij geen toegevoegde waarde ziet om een dergelijke verklaring af te geven. Mocht de indruk bestaan dat er data ontbreken, dan wil het ministerie graag van het onderzoeksbureau weten om welke specifieke situatie of betrokken persoon of personen het gaat. Het ministerie kan zich dan namelijk maximaal inspannen om de betreffende data alsnog aan te leveren.
Waarom heeft uw ministerie de privémails van voormalig Minister De Jonge niet actief overgedragen aan Deloitte, in de wetenschap dat deze van cruciaal belang zijn voor het onderzoek, maar houdt uw ministerie het onderzoeksbureau op 26 april jl. zelfs voor dat het daartoe dan maar een concreet verzoek moet indienen?
De privémails van toenmalig Minister De Jonge zijn primair digitale middelen die onder de verantwoordelijkheid van de heer De Jonge zelf vallen. Het is aan het onderzoeksbureau om relevante bronnen aan te wijzen en te betrekken in het onderzoek. Daarom is het ook aan het onderzoeksbureau om te beoordelen of de privémailbox van de toenmalig Minister relevant is voor het onderzoek.
In de voorbereiding op het debat van 7 april jongstleden is er door het Ministerie van VWS onderzoek gedaan naar het berichtenverkeer van/naar het ministerie betreffende de voorgenoemde privémailbox. Het onderzoeksbureau heeft bij het Ministerie van VWS een formeel verzoek ingediend waarin het bureau dit rapport met onderzoeksresultaten van de CISO (Chief Information Security Officer) van VWS opvraagt. Het ministerie heeft dit rapport met het onderzoeksbureau gedeeld.
Wanneer heeft u Deloitte erop gewezen dat het onderzoeksbureau geen sluitend procesvoorstel heeft overhandigd en wanneer heeft u het onderzoeksbureau verzocht alsnog een dergelijk voorstel in te dienen?4
In de Kamerbrief van 18 juni 20217 is toegelicht dat – na een versneld offertetraject – de keuze voor een onderzoeksbureau was gevallen op Deloitte Forensic and Dispute Services B.V. Na ondertekening van het contract – op 20 juli 2021 – heeft het onderzoeksbureau op 6 augustus 2021 een eerste dataverzoek ingediend. Bij de indiening van dit verzoek werd de breedte en impact van deze uitvraag duidelijk en hebben de interne toezichthouders8 binnen VWS de situatie getoetst aan de voorgestelde werkprocessen vanuit het onderzoeksbureau. Aangezien het onderzoeksbureau in alle gevallen overdracht van de relevante onderzoeksdata wenste – het gaat hier namelijk om een forensisch feitenonderzoek waarbij op forensische wijze data moet worden veiliggesteld – is in augustus 2021 aangegeven dat een aanvullende gegevensdelingsovereenkomst moest worden opgesteld om mede het subsidiariteitsbeginsel en proportionaliteitsbeginsel te kunnen waarborgen. Deze gegevensdelingsovereenkomst is op 30 september 2021 door beide partijen ondertekend. Hierna kon worden gestart met nadere data-inventarisatie en – overdracht.
Is er zoveel mis met de overdracht van gegevens dat de deadline voor de oplevering van de eerste resultaten van het onderzoek gevaar loopt?
Het ophalen van de data bij verschillende partijen heeft meer tijd in beslag genomen dan op voorhand was ingeschat. De laatste aanvullende informatieverzoeken die het onderzoeksbureau aan het Ministerie van VWS heeft gedaan zijn voor de – door het onderzoeksbureau gestelde – deadline van 6 mei jl. overgedragen. Er zijn geen signalen dat de reeds aangeleverde data voor het onderzoeksbureau tot een vertraging hebben geleid.
Zoals ik in mijn Kamerbrief van 13 mei jongstleden heb genoemd, is een mogelijke verlenging van de termijn van wederhoor bij een betrokken partij van invloed op de geplande oplevertermijn van het eerste deelrapport. In mijn brief aan uw Kamer op 5 juli jongstleden heb ik u bericht dat volgens het onderzoeksbureau inmiddels is gebleken dat meerdere betrokkenen gebruik zullen maken van een verlengde termijn voor wederhoor. Ik verwijs u daarbij ook naar de bijlage bij deze brief waarin het onderzoeksbureau de verschillende achterliggende factoren beschrijft. Het onderzoeksbureau licht toe dat het hierdoor het rapport pas medio september aanstaande aan mij kan opleveren.
Kunt u zich vinden in de constatering van hoogleraar accountancy aan Nyenrode Business Universiteit en Universiteit Leiden, Marcel Pheijffer, dat het zwartepieten is begonnen en dat beide partijen zich aan het indekken zijn voor de vertraging?5
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 3 waar ik inga op de achtergrond van het karakter van de briefwisseling tussen het onderzoeksbureau en mijn ministerie. Beide partijen zijn met elkaar in gesprek over de beoogde oplevering van het eerste deelrapport. Gedurende het onderzoek blijven deze gesprekken op meerdere niveaus binnen beide organisaties op frequente basis plaatsvinden. Ik ben daarom een andere mening toebedeeld dan de door u genoemde omschrijving van de heer Pheijffer.
Kunt u aangeven wat de meerkosten zijn van de verdere uitbreiding van het onderzoeksteam van Deloitte met meer capaciteit om de verslagen af te ronden?
Het onderzoeksbureau heeft aangegeven binnen de eigen organisatie verdere maatregelen te nemen om nog meer prioriteit te kunnen geven aan de oplevering van het eerste deelrapport. Dit betekent dat de beschikbare capaciteit deels op andere wijze zal worden ingezet en werkzaamheden zijn verplaatst tussen verschillende teams. In hoeverre en in welke mate dit meerkosten met zich meebrengt, is op dit moment niet vast te stellen.
Het bericht dat de Primark personeel wil ontslaan |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat Primark door het hele land personeel wil ontslaan om daarna veel personeel opnieuw in te willen inhuren tegen slechtere arbeidsvoorwaarden, zoals lager loon, bevroren loon en roosters die niet te combineren zijn met het privéleven?1
Het is voor de betrokken werknemers altijd vervelend wanneer ontslag als gevolg van een reorganisatie binnen een onderneming tot gevolg heeft dat werknemers noodgedwongen op zoek moeten naar een andere baan. Uit verschillende openbare berichtgeving heb ik inmiddels echter begrepen dat Primark bekend heeft gemaakt het voorgenomen besluit tot ontslag van werknemers terug te draaien.
Wat vindt u ervan dat Primark op deze manier af wil komen van vaste krachten om ze in te ruilen voor flexibele arbeidskrachten?
Deelt u de mening dat dit soort praktijken op de Nederlandse arbeidsmarkt niet voor zouden mogen komen? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
Het is de inzet van het kabinet dat structureel werk in principe wordt georganiseerd op basis van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Daarom bereid ik nu ook voorstellen voor ter hervorming van de arbeidsmarkt. Deze voorstellen heb ik toegelicht in de Hoofdlijnenbrief Arbeidsmarkt die u op 5 juli jl. heeft ontvangen. Het blijft de verantwoordelijkheid en bevoegdheid van een bedrijf om binnen de grenzen van wet- en regelgeving zelf een afweging te maken over de te voeren strategie en beleid ten aanzien van hun personeelsmanagement. Daarbij is in het algemeen geen ruimte om vast personeel te ontslaan met enkel het doel hen te vervangen door flexibel personeel tegen lagere arbeidsvoorwaarden.
Wat vindt u ervan dat Primark de grootste vakbond in de winkelstraat, de FNV, weert bij de overleggen over het sociaal plan?
Zoals ook bij het antwoord op vraag 1 is aangegeven, heb ik uit openbare berichtgeving begrepen dat Primark inmiddels is teruggekomen op haar voorgenomen besluit om werknemers te ontslaan. Bij een reorganisatie kan een werkgever afspraken maken over de gevolgen daarvan voor de werknemers en deze afspraken vastleggen in een sociaal plan. Een sociaal plan kan tot stand komen na onderhandeling met een of meerdere vakbonden, met betrokkenheid van enkel de ondernemingsraad, of eenzijdig door de werkgever worden vastgesteld. Het staat de werkgever in beginsel vrij om te bepalen of en met wie er een sociaal plan wordt afgesloten.
Is het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) van plan dit massaontslag te faciliteren?
Van faciliteren van ontslag is geen sprake. Een ingediende ontslagaanvraag wordt door UWV onafhankelijk getoetst. In geval van een reorganisatie die gepaard gaat met ontslag, dient UWV vooraf toestemming te verlenen aan de werkgever om de arbeidsovereenkomst op te mogen zeggen wegens bedrijfseconomische redenen. UWV toetst in dat geval of de onderneming daar, op grond van de bestaande wet- en regelgeving, toe over mag gaan. Voor een rechtsgeldig bedrijfseconomisch ontslag moet sprake zijn van een structureel verval van arbeidsplaatsen. Bovendien moeten mogelijkheden tot herplaatsing van de werknemer op een andere passende functie binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, ontbreken. UWV toetst ook of de werkgever de juist ontslagvolgorde aanhoudt.
Wat vindt u ervan dat een bedrijf dat miljoenen aan NOW-subsidie kreeg nu honderden mensen op straat wil zetten waardoor de medewerkers en de maatschappij weer een hoge rekening krijgen?
De NOW-subsidie staat los van eventuele wijzigingen in het bedrijf na afloop van de subsidieperiode. Als een onderneming NOW heeft aangevraagd, wordt na afloop vastgesteld op hoeveel subsidie de werkgever daadwerkelijk recht heeft. Daarbij wordt gekeken naar de loonsom in de referentiemaand en gedurende de subsidieperiode. Wijzigingen in de loonsom na afloop van de subsidieperiode hebben geen effect op de hoogte van de NOW-subsidie. Dat is mijns inziens terecht, het staat ondernemers vrij om te ondernemen. Het zou niet wenselijk zijn als we met een beroep op de eens verkregen NOW-subsidie bedrijven verbieden om hun bedrijfsvoering aan te passen na afloop van de subsidieperiode(s).
Wat gaat u eraan doen om te voorkomen dat Primark werknemers gaat inwisselen? Gaat u het gesprek aan met Primark om deze ontslagen te voorkomen? Zo ja, informeert u de Kamer over de uitkomst van dit gesprek? Zo nee, waarom laat u deze medewerkers vallen?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen 1 en 4 heb ik uit openbare berichtgeving begrepen dat Primark inmiddels is teruggekomen op het voorgenomen besluit om werknemers te ontslaan. In dat kader is de vraagstelling niet langer aan de orde.
Het bericht ‘Inspectie: Stop met aantrekken arbeidsmigranten’ |
|
Joost Eerdmans (EénNL), Chris Stoffer (SGP) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Inspectie: Stop met aantrekken arbeidsmigranten» op AD.nl van 7 mei jl?1
Ja.
Wat is uw reactie op het alarmsignaal van de inspecteur-generaal van de Arbeidsinspectie over arbeidsmigratie en de gevolgen daarvan?
Terecht signaleert de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: Arbeidsinspectie) dat er schaduwkanten kleven aan arbeidsmigratie. Het kabinet zet in op het aanpakken van misstanden en daarmee op het creëren van een gelijk speelveld. Ik ben daarom volop aan de slag met de uitvoering van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten.
Voor arbeidsmobiliteit binnen de EU geldt het vrij verkeer van werknemers. Dat is een groot goed. Daar kan en wil ik niet aan tornen. Daarnaast ziet het kabinet arbeidsmigratie van buiten de EU als sluitstuk van de aanpak van krapte op de arbeidsmarkt. Werkgevers in Nederland kunnen alleen arbeidsmigranten van buiten de EU werven, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden van de Wet arbeid vreemdelingen, kunnen aantonen eerst te hebben gezocht naar personeel binnen Nederland en de EER en er geen prioriteitgenietend aanbod in Nederland en de EER aanwezig is. Alleen voor internationaal talent dat een bijdrage levert aan de Nederlandse kenniseconomie, de concurrentiekracht en het innovatief vermogen, heeft Nederland een uitnodigend beleid.
Door terughoudend te zijn bij de toelating van arbeidsmigranten van buiten de EU, wordt door het kabinet rekening gehouden met de effecten die arbeidsmigratie heeft op de samenleving. Het kabinet vindt het belangrijk dat er aandacht is voor korte- en lange termijneffecten van (meer) arbeidsmigratie op tal van beleidsterreinen, zoals op huisvesting, zorg, onderwijs, openbare orde en veiligheid, maar ook op sociale cohesie in wijken en buurten.
Bent u het eens met de constatering van de Arbeidsinspectie dat het groeiende aantal arbeidsmigranten een negatieve invloed heeft op een groot aantal problemen in Nederland, zoals de woningnood en toenemende ongelijkheid?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat het kabinet daarom nu daadwerkelijk kiezen voor een koers waarin de bevolking niet verder groeit, zoals de Arbeidsinspectie aanbeveelt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre deelt u de analyse van de Arbeidsinspectie dat de baten van arbeidsmigratie op dit moment vooral terecht komen bij werkgevers en uitzendbureaus, terwijl de kosten bij de samenleving liggen? Indien u deze analyse niet (of slechts gedeeltelijk) deelt, waarom niet?
De analyse van de Arbeidsinspectie is een economische en maatschappelijke analyse en geeft aan dat de economische keuzes die door bedrijven gemaakt worden zorgen voor druk op de samenleving.
Wel moet gezegd worden dat onze economie op dit moment niet zonder arbeidsmigranten kan. Zij zorgen ervoor dat onze supermarkten vol liggen en onze pakketjes op tijd bezorgd. Daar waar dit niet goed gaat, moeten we dit aanpakken. Daarom zet ik in op het uitvoeren van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten om misstanden tegen te gaan zodat de maatschappelijke kosten afnemen. Bijvoorbeeld door het opvolgen van de aanbeveling uit het rapport van Roemer om een bedrijfseffectrapportage in te voeren, zodat de mogelijke negatieve gevolgen van nieuwe bedrijvigheid aan de voorkant al goed meegewogen worden. Zoals ik in mijn brief van 6 juli jl. over de Verkenning bevolking 2050 en de voortgang van de motie Dijkhoff c.s. en Den Haan c.s. heb toegelicht (Kamerstuk 35 925, nr. 171), ligt de vraag voor hoe het migratiebeleid in brede zin in de toekomst vorm en inhoud dient te krijgen. Het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wijzen er in hun rapport «Bevolking 2050 in beeld: opleiding, arbeid, zorg en wonen» (Kamerstuk 35 570, nr. 59) op dat in 2050 het aantal ouderen in de Nederlandse bevolking is toegenomen door een dubbele vergrijzing2, het aandeel van de bevolking in de werkzame leeftijden is afgenomen en het aandeel van de bevolking met een migratieachtergrond is gestegen. Hoewel het migratiesaldo de meest bepalende factor is in de demografische ontwikkeling, zijn de sturingsmogelijkheden mede afhankelijk van bredere maatschappelijke en economische vraagstukken. Het kabinet heeft de Staatscommissie Demografische ontwikkelingen 2050 ingesteld om zicht te krijgen op de scenario's, mogelijke beleidsopties en handelingsperspectieven van de regering in relatie tot de maatschappelijke gevolgen van de demografische ontwikkelingen, in het bijzonder van vergrijzing en migratie, tot tenminste 2050, tegen de achtergrond van de brede welvaartsbenadering. Het advies van de commissie wordt in het vierde kwartaal van 2023 verwacht. De appreciatie van het kabinet wordt begin 2024 aan de Kamer aangeboden.
Zo ja, deelt u de mening dat een dergelijke verdeling onevenwichtig en dus onwenselijk is?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe reageert u op de conclusie dat het «ruime aanbod van goedkoop buitenlands personeel» ervoor zorgt dat bedrijven weinig prikkels voelen om te innoveren of arbeidsvoorwaarden te verbeteren?
Dit klopt en is ook al eerder in diverse rapporten aan de orde gekomen.3 Arbeidsmigratie van buiten de EU zie ik daarom ook als sluitstuk bij de aanpak van de krapte op de arbeidsmarkt. Bedrijven zullen dus moeten blijven innoveren, ook voor hun concurrentiepositie. Het kabinet blijft zich inzetten voor het toepassen en stimuleren van arbeidsbesparende technologie en andere vormen van procesinnovatie. Wat deze inzet precies behelst, komt terug in de Kamerbrief Aanpak Arbeidsmarktkrapte die naar de Kamer is verzonden.
Deelt u de mening dat in plaats van dat wordt gekeken naar de optie arbeidsmigratie, moet worden ingezet op het activeren en aan het werk helpen van onbenut arbeidspotentieel, waaronder 327.000 werklozen maart jl., in Nederland, zodat arbeidsmigranten op de arbeidsmarkt niet de plaats innemen van werklozen?
Ja, we willen allereerst kijken naar het onbenut arbeidspotentieel waaronder 327.000 werklozen. In verschillende sectoren zoals de zorg, het onderwijs maar ook in de horeca, energie en vervoer is men naarstig op zoek naar arbeidskrachten. De werkloosheid is laag en er zijn meer vacatures dan werklozen. Daarmee is de arbeidsmarkt nu al uitzonderlijk krap, terwijl de verwachting is dat tekorten verder zullen oplopen. De aanhoudende personeelstekorten leiden mede tot verlies van kwaliteit en beschikbaarheid van (publieke) diensten. Daardoor komt het aanpakken van maatschappelijke opgaven onder druk te staan en kan de brede welvaart worden geschaad.
Door de toegenomen krapte kijken werkgevers steeds vaker naar arbeidsmigratie van buiten de EU om het arbeidsaanbod te vergroten. Het kabinet ziet arbeidsmigratie van buiten de EU, met uitzondering van kennismigratie, als sluitstuk van de aanpak van krapte op de arbeidsmarkt. Eerst dient dus gekeken te worden naar onder andere de verbetering van arbeidsvoorwaarden, onbenut arbeidspotentieel, verhogen van de arbeidsparticipatie, innovatie en de mogelijkheid om mensen om of bij te scholen.
Hoe gaat u de inzet op dit punt intensiveren?
Een aanpak van krapte moet perspectief bieden op voldoende werkenden die productief aan de slag zijn op passende plekken. Met die werkenden kunnen we de maatschappelijke uitdagingen en transities van de toekomst met vertrouwen tegemoet zien. Deze krappe arbeidsmarkt biedt voor sommige werkzoekers, deeltijdwerkers en mensen die noodgedwongen meerdere banen combineren, extra kansen, die het kabinet wil benutten. Het kabinet zet zich daarom ook actief in voor mensen die aan de kant staan.4 Uw Kamer is onlangs in meer detail geïnformeerd over de inzet van het kabinet in een Kamerbrief over de aanpak van arbeidsmarktkrapte. Deze aanpak moet in samenhang worden bezien met arbeidsmarktbrieven die het kabinet heeft gestuurd en nog zal sturen.5
In de Kamerbrief staat beschreven dat het kabinet inzet op drie pijlers:
Het verminderen van de vraag naar arbeid.
Het vergroten van het arbeidsaanbod.
Het verbeteren van de match tussen vraag naar en aanbod van arbeid.
Vanuit dit denkkader werkt het kabinet aan zes acties die krapte kunnen verminderen:
Stimuleren van technologie- en procesinnovatie
Inzet op arbeidsaanbod
Verbeteren van de match
Stimuleren van meer uren werken
Inzet op leven lang ontwikkelen
Verbeteren aansluiting initieel onderwijs en arbeidsmarkt
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de uitvoering van de aanbevelingen van het «Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten»?
Het vorige en huidige kabinet hebben de aanbevelingen, net als uw Kamer, omarmd. Ook in demissionaire status is doorgewerkt aan de uitvoering van de aanbevelingen. Hierover bent u op 1 april 2021 voor de eerste maal geïnformeerd, vervolgens in de eerste jaarrapportage arbeidsmigranten eind 2021 en voorafgaand aan het recente Commissiedebat Arbeidsmigratie heeft u een Kamerbrief ontvangen over de inzet van het huidige kabinet waarin het kabinet ook enkele mijlpalen voor de aankomende periode heeft benoemd.6 Tevens is uw Kamer over verschillende afzonderlijke trajecten ook apart geïnformeerd, soms via andere Vaste Kamercommissies.7
Hoe beoordeelt u in het licht van deze boodschap van de Arbeidsinspectie het voornemen van het kabinet, zoals omschreven in het coalitieakkoord, om de mogelijkheden voor arbeidsmigratie juist te verruimen, door met landen buiten de Europese Unie afspraken te maken?
Het kabinet ziet arbeidsmigratie van buiten de EU als sluitstuk van de aanpak van krapte op de arbeidsmarkt. Werkgevers in Nederland kunnen alleen arbeidsmigranten van buiten de EU werven, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden van de Wav en kunnen aantonen eerst te hebben gezocht naar personeel binnen Nederland en de EER en er geen prioriteitgenietend aanbod binnen Nederland en de EER aanwezig is. Alleen voor internationaal talent dat een bijdrage levert aan de Nederlandse kenniseconomie, de concurrentiekracht en het innovatief vermogen, heeft Nederland een uitnodigend beleid en geldt een uitzondering.
Zoals in lijn met het Coalitieakkoord en de wens om meer grip te krijgen op migratie, onderschrijft het kabinet dat partnerschappen met prioritaire migratielanden, mits goed vormgegeven, kunnen bijdragen aan een integrale benadering op migratiesamenwerking met derde landen, waaronder het tegengaan van irreguliere migratie en het verbeteren van effectieve terugkeersamenwerking voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Afspraken over legale migratie zijn daarbij een belangrijk onderdeel om samenwerking op migratie met belangrijke transit- en herkomstlanden te verbeteren. Het kabinet is voornemens, zoals aangekondigd in het Coalitieakkoord, om als onderdeel van afspraken met derde landen over het terugnemen van uitgeprocedeerde asielzoekers en migranten zonder rechtmatig verblijf, beleid te maken om in dit kader gerichte visumverlening en tijdelijke, kleinschalige legale en circulaire arbeidsmigratie via pilots/stapsgewijs mogelijk te maken binnen strikte wederzijdse afspraken en voorwaarden. Hierbij dient ook aandacht te zijn voor het absorptievermogen van Nederland en de aanbevelingen uit het rapport van Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (Commissie Roemer). De komende tijd zal het kabinet zich buigen over op welke wijze het voornemen uit het Coalitieakkoord vorm kan worden gegeven.
In hoeverre wordt bij uitwerking en besluitvorming over plannen omtrent arbeidsmigratie ook betrokken wat de negatieve gevolgen daarvan zijn op de samenleving en verzorgingsstaat in termen van publieke lasten, ook op de langere termijn?
Arbeidsmigranten leveren een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse economie, en een groot deel werkt in voor Nederland belangrijke sectoren. De laatste jaren zijn echter ook de schaduwkanten van arbeidsmigratie duidelijk naar voren gekomen. In bredere context bezien raakt arbeidsmigratie aan een verscheidenheid van beleidsterreinen zoals huisvesting, zorg, onderwijs, openbare orde en veiligheid, (irreguliere) migratie, terugkeer en overname, maar ook aan grote maatschappelijke en sociaaleconomische vraagstukken, waaronder integratie. Zoals wat voor economie we als Nederland willen zijn, wat de impact is op de brede welvaart, en welke rol afspraken over tijdelijke en circulaire arbeidsmigratie kunnen vervullen bij migratiesamenwerking met derde landen. Zoals ook aangegeven in het Commissiedebat van 19 mei jongstleden (mede als reactie op vragen van dhr. Eerdmans) worden deze aspecten worden meegenomen bij de uitwerking en besluitvorming over plannen omtrent arbeidsmigratie. Om uitbuiting van arbeidsmigranten tegen te gaan, slechte huisvesting aan te pakken, en oneerlijke concurrentie en verdringing op de arbeidsmarkt te voorkomen, voert het kabinet de aanbevelingen uit het rapport van Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (Commissie Roemer) uit.
Bent u bereid zich in Europees verband in te spannen voor het creëren van de bevoegdheid voor lidstaten tewerkstellingsvergunningen voor arbeiders die via een andere lidstaat de Europese Unie zijn binnengekomen in te voeren, zodat landen zelf het aantal arbeidsmigranten kunnen beperken? Zo nee, waarom niet?
Uw Kamer is op 22 november 2021 geïnformeerd dat dit niet mogelijk is.8 Tussen de EU/EER-landen en Zwitserland geldt het vrije verkeer van personen en diensten, die gezamenlijk zorgen voor het vrije verkeer van vestiging en werknemers. Deze fundamentele vrijheden vormen – naast het vrije verkeer van goederen en kapitaal – de kernelementen van de interne markt en zijn het fundament onder de Europese samenwerking. Het uitgangspunt bij het vrij verkeer van werknemers is het verbod op discriminatie op grond van nationaliteit tussen werknemers uit de EU/EER-lidstaten en Zwitserland. In lijn hiermee mag voor burgers uit deze lidstaten geen tewerkstellingsvergunning worden vereist.
Dit is op verschillende momenten bevestigd. Zo heeft het Hof van Justitie geconcludeerd dat het vrije dienstenverkeer zich ertegen verzet dat een lidstaat een in een andere lidstaat gevestigde ondernemer verbiedt zich tijdelijk op zijn grondgebied met zijn personeel vrij te verplaatsen, of de verplaatsing van het betrokken personeel aan beperkende voorwaarden te onderwerpen. Uw Kamer heeft de Raad van State verzocht om in kaart te brengen of het mogelijk is – en zo ja, welke mogelijkheden het huidige Europese Unierecht biedt – om op nationaal niveau additionele regels te stellen op het terrein van arbeidsmigratie binnen de EU. De Raad van State concludeert in lijn met het Hof dat het Unierecht geen maatregelen toestaat die de aantallen arbeidsmigranten afkomstig uit andere lidstaten en de duur van deze arbeid beperken, omdat deze in strijd zijn met het verbod op discriminatie naar nationaliteit. Dergelijke maatregelen zouden het vrij verkeer van werknemers en diensten aanzienlijk aantasten. De mogelijkheden om op nationaal niveau regels te stellen over arbeidsmigratie, door het inperken van het vrij verkeer van personen en werknemers, zijn volgens de Raad per definitie en bewust, beperkt. Het kabinet onderschrijft de zienswijze van de Raad. De Raad van State stelt dat vanuit het Unierecht bezien maatregelen het meest kansrijk zijn wanneer die niet aanknopen bij de vorm waarin arbeidsmigratie plaatsvindt, maar bij de concrete misstanden die zich voordoen, met name met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden, (volks-)gezondheid of huisvesting, en het (gemeentelijk en nationaal) toezicht daarop, respectievelijk de handhaving daarvan. Maatregelen op deze terreinen zijn ook uit oogpunt van effectiviteit te overwegen. De Raad van State verwijst hiervoor naar het advies van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de uitvoering van de motie-Stoffer/Eerdmans over het onderzoek naar een migratiequotum?2
Op 4 november 2021 heeft de Staatssecretaris van J&V aan de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) gevraagd om advies uit te brengen over beleidsmatige richtgetallen.10 Hierbij is de ACVZ ook specifiek verzocht om de motie-Stoffer/Eerdmans over het migratiequotum in acht te nemen. Naar verwachting komt de ACVZ na de zomer met een advies.
De steeds verder uit de hand lopende klimaatcrisis en de noodzaak van een persconferentie voor het klimaat. |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u gelezen dat wetenschappers waarschuwen dat de kans dat we al over vijf jaar de 1,5-graden-grens hebben bereikt bijna vijftig procent is – veel groter dan eerder werd gedacht – en dat hittegolven, periodes van droogte en extreme regenval steeds vaker en heviger zullen voorkomen?1
Ja.
Heeft u gezien dat in onder andere India en Pakistan op dit moment enorme, hevige hittegolven plaatsvinden – met alle gevolgen van dien voor de mensen die daar wonen?2
Ja.
Erkent u de enorme urgentie van het leefbaar houden van de planeet en erkent u dat u als Minister-President van Nederland daar een belangrijke rol in heeft? Erkent u ook dat de steeds verder uit de hand lopende klimaatcrisis, maar bijvoorbeeld ook de steeds groter wordende biodiversiteitscrisis, een concrete bedreiging vormen voor onze gezondheid, onze voedselzekerheid en onze veiligheid?
Ja, het kabinet erkent de noodzaak voor het leefbaar houden van de planeet en dat de opwarming van de aarde en het verlies aan biodiversiteit een concrete bedreiging vormen voor onze gezondheid, onze voedselzekerheid en onze veiligheid. Mede om die reden heeft dit kabinet een specifieke Minister aangewezen voor klimaat en energie.
Wat heeft uzelf ondernomen om het draagvlak onder de Nederlandse bevolking voor klimaatmaatregelen te vergroten? Bent u tevreden met uw inzet en de resultaten hiervan tot nu toe?
Ik coördineer de kabinetsaanpak om het draagvlak onder de Nederlandse bevolking te vergroten. Het betreft bijvoorbeeld de organisatie van de Nationale Klimaatweek en het met subsidies en voorlichting gemakkelijker en aantrekkelijker te maken voor mensen om groene keuzes te maken en ervoor te zorgen dat de grootste vervuilers de grootste opgave hebben en er (via fiscale vergroening) een eerlijkere prijs komt voor vervuilende/energie-intensieve activiteiten.
Daarnaast heeft het kabinet de publiekscampagne «Zet ook de knop om» gelanceerd waar het kabinet heeft aangekondigd zelf de temperatuur te verlagen in circa 200 Rijkskantoren, en bedrijven en huishoudens uitnodigt om mee te doen.
Het draagvlak voor beleid wordt ook vergroot door in gesprek te gaan met tegenstanders van het beleid, hun zorgen aan te horen en die te betrekken bij de beleidsvorming. Maar het gaat ook om goede voorbeelden zichtbaar te maken. Onder andere via de serie NL gaat voor Groen. En tot slot gaat het om het boeken van resultaten en te laten zien dat hoewel het soms een uitdaging is, we het samen voor elkaar kunnen boksen.
Ik opereer hierbij niet alleen. Alle ministers ondernemen op hun eigen beleidsterrein diverse activiteiten om het draagvlak voor het beleid te versterken. En de verschillende leden van het kabinet, waaronder de Minister-President, onderschrijven in diverse publieke optredens het belang van het aanpakken van het klimaatvraagstuk waarmee ze bijdragen aan het draagvlak voor het beleid.
Bent u nu wel bereid om in een in een terugkerende persconferentie voor het klimaat met de Nederlandse bevolking te delen dat de urgentie om ons klimaat en de natuur te beschermen enorm groot is en duidelijk te maken dat maatregelen noodzakelijk zijn – bijvoorbeeld door uit te leggen waarom het van fundamenteel belang is het gebruik van fossiele brandstoffen zo snel mogelijk te stoppen, maximaal in te zetten op energiebesparing maar ook om mensen mee te nemen in de noodzaak van een veel plantaardiger eetpatroon? Zo nee, hoe gaat u dan zorgen dat de urgentie over het bestrijden van de klimaatcrisis voldoende duidelijk wordt en het door u gewenste draagvlak voor de noodzakelijke maatregelen wordt bereikt?
Het is cruciaal om de urgentie van het aanpakken van klimaatverandering over het voetlicht te (blijven) brengen en nut en noodzaak van beleid/maatregelen actief uit te leggen. Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 4 onderneemt het kabinet diversie acties om het draagvlak voor noodzakelijke maatregelen te vergroten.
Zoals ik heb gewisseld met de vaste commissie EZK tijdens het debat op 22 juni overweeg ik om in het kader van de ontwikkelingen op de gasmarkt regelmatig contactmomenten met de pers of persgesprekken te beleggen. Mocht dit dan actueel zijn, dan zal ik op zo’n moment ook stilstaan bij het klimaatvraagstuk.
Het bericht 'Hoe ‘pro-anacoaches’ kwetsbare meisjes misbruiken' en de uitvoering van de motie Van der Graaf c.s. (31015-197) |
|
Mirjam Bikker (CU), Lisa Westerveld (GL) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe «pro-ana coaches» kwetsbare meisjes misbruiken»?1
Ja.
Deelt u onze grote woede over het feit dat tot op de dag van vandaag heel kwetsbare minderjarige meisjes worden uitgebuit door daders die de eetstoornis van deze meisjes misbruiken voor eigen seksueel gewin?
Ik deel de woede en zorgen over de uitbuiting van kwetsbare minderjarigen. Seksueel misbruik is in alle gevallen onacceptabel, zeker wanneer sprake is van minderjarige slachtoffers met een psychische aandoening. De verbetering van de veiligheid en bescherming van potentiële slachtoffers, waaronder die van kwetsbare minderjarige slachtoffers, is en blijft een van mijn prioriteiten.
Bent u met ons van mening dat gezien de specifieke combinatie van eetstoornis en seksuele uitbuiting bij deze groep die niet of lastig zelf slachtofferschap zal melden, specifieke interventies nodig zijn omdat generieke interventies deze doelgroep lastig zullen bereiken?
Ik stel voorop dat seksueel misbruik in alle gevallen onacceptabel is en effectief dient te worden aangepakt. Elk slachtoffer van seksueel misbruik is er één te veel. Effectieve (generieke) interventies, zowel in het preventie- en opsporingskader als op het gebied van hulpverlening, zijn daarom van essentieel belang. Het is mij echter bekend dat minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting in veel gevallen geen aangifte doen of er wellicht langer over doen deze stap te nemen. Dit bleek onder andere uit een onderzoek van het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (hierna: CKM) en meer recent uit een rondvraag van Pointer bij verschillende politie-eenheden. Ik onderken dan ook de noodzaak van een doeltreffende meersporige aanpak van seksueel misbruik van minderjarige of kwetsbare slachtoffers. Zie voor een beschrijving van alle generieke én specifieke acties op het gebied van bewustwording, hulpverlening, preventie en opsporing verder de beantwoording van vraag 4.
Kunt u uiteenzetten welke acties zijn ingezet sinds de eerste publicatie van het Centrum Kinderhandel Mensenhandel (CKM) in 2019 over het seksueel misbruik van meisjes met een eetstoornis door pro-anacoaches? Kunt u hierbij ingaan op acties die zijn ingezet op het gebied van hulpverlening, opsporing, bewustwording en preventie en aangeven waar het generieke acties betroffen en waar het acties betroffen die specifiek op deze groep zijn gericht?2
Sinds de eerste publicatie van het CKM zijn verschillende acties ondernomen, zowel specifiek gericht op slachtoffers met een eetstoornis als generiek gericht op (minderjarige of jongvolwassen) slachtoffers van seksueel misbruik. Ik zal eerst ingaan op de specifieke ofwel op slachtoffers met een eetstoornis gerichte acties.
Het Ministerie van VWS heeft, in samenwerking met verschillende relevante stakeholders, een gezamenlijke pro-ana actieagenda opgesteld gericht op preventie, bewustwording en hulpverlening3. Patiëntenvereniging WEET heeft als één van de acties uit die agenda een website opgezet voor jongeren die op zoek gaan naar pro ana (-coaches). Op deze website worden ervaringsverhalen gedeeld over pro ana (-coaches) en het gebruik van sociale media. Daarnaast is er een zelftest voor jongeren om te toetsen of zij een eetstoornis hebben en wordt doorverwezen naar helpende websites en fora. Ook is een mediaprotocol ontwikkeld met tips om op een goede manier te berichten over eetstoornissen om te voorkomen dat mediaberichten «triggerend» werken. Als derde actie uit de actieagenda heeft het Kenniscentrum voor Jeugd en Psychiatrie een handreiking opgesteld voor jeugdhulpverleners die werken met jongeren met eetproblemen. In de handreiking vinden hulpverleners aanwijzingen over hoe zij zorgelijke signalen kunnen herkennen, tips om het gesprek met jongeren aan te gaan en een beschrijving van mogelijke vervolgstappen.
Vanuit de ketenaanpak Eetstoornissen (hierna: K-EET) worden acties ondernomen om te zorgen dat er een meer realistisch beeld ontstaat rondom eetstoornissen. Doel daarvan is het doorbreken van het taboe rondom eetstoornissen, zodat het makkelijker wordt voor jongeren om openlijk over hun eetstoornis te praten. Zo is onder andere de website First EET Kit ontstaan4, voor mensen met een eetstoornis of die iemand kennen met een eetstoornis. Ook professionals kunnen op deze website informatie vinden. Ook heeft KEET een telefoonlijn opgezet (KEETi), waar eerstelijns professionals, zoals huisartsen, in contact kunnen komen met een expert op het gebied van eetstoornissen.
Op het gebied van hulpverlening en preventie wordt verder ingezet op de proactieve benadering van slachtoffers door middel van een «online outreach traject». Het Ministerie van Justitie en Veiligheid financiert een deel van dit traject, waarbij het CKM een proef uitvoert om online in contact te komen met mogelijke slachtoffers van seksuele uitbuiting. Stichting Achmea Slachtoffer en Samenleving financiert de pilot, die specifiek is gericht op pro-ana problematiek. In deze pilot wordt een getraind team van zorgprofessionals uitgerust met de technische tools om proactief in contact te komen met mogelijke slachtoffers. Het door het CKM opgezette Online Outreach Team, bestaande uit professionals uit de hulpverlening, (software)techniek en OSINT-onderzoek, zal hulp en bescherming bieden aan (potentiële) online slachtoffers van seksuele uitbuiting. Dit team is uitgerust met de tools om snel, effectief en proactief in contact te komen met kwetsbare groepen en (mogelijke) slachtoffers die zich bevinden op internet en sociale media met het doel hen te signaleren en te beschermen. In de pilot zijn inmiddels de eerste slachtoffers benaderd. Momenteel vindt er ook een evaluatie van de pilot plaats.
Daarnaast zijn verschillende (generieke) acties ondernomen in de strafrechtelijke aanpak tegen seksuele uitbuiting (in algemene zin) en de seksuele uitbuiting van minderjarigen of jongvolwassenen in het bijzonder. Deze acties, die ik hieronder toelicht, sorteren ook effect op de slachtoffers van seksuele uitbuiting met een eetstoornis.
Zo is in 2021 een proeftuin gestart bij politie, samen met het CKM, om de aangiftebereidheid van slachtoffers van seksuele uitbuiting met een leeftijd tot 25 jaar te vergroten. Om de drempels die het slachtoffer ervaart te adresseren, wordt binnen de proeftuin aangiftebereidheid geëxperimenteerd met een werkwijze om de angst te verkleinen en veiligheid te vergroten. Binnen de proeftuin wordt onder andere verkend of een veiligheidscoördinator van betekenis kan zijn in het strafrechtelijk proces van slachtoffers van seksuele uitbuiting. Een rapportage over de opbrengsten van de proeftuin wordt eind 2022 verwacht. Ik zal uw Kamer over deze opbrengsten en de mogelijke vervolgacties informeren in de jaarlijkse voortgangsbrief van het Programma Samen tegen Mensenhandel.
Er wordt verder daadkrachtig ingezet op de aanpak van online seksueel misbruik van kinderen in het opsporingskader. Zo is de aanpak van online seksueel kindermisbruik wederom onderdeel van de nieuwe Veiligheidsagenda. In de Veiligheidsagenda wordt beschreven waar de focus in de aanpak en opsporing van online seksueel kindermisbruik ligt en zijn jaarlijkse resultaatafspraken neergelegd, waarbij de nadruk ligt op het ontzetten van slachtoffers van acuut misbruik. De focus ligt onverminderd op het identificeren van slachtoffers, misbruikers, vervaardigers en keyplayers binnen (online) netwerken. Daarnaast heb ik toegezegd met de politie in gesprek te gaan over het ontwikkelen van een online opsporingsstrategie.5
Daarnaast is in de afgelopen jaren de nodige wetgeving aangescherpt. Sinds 1 maart 2019 maakt de wet Computercriminaliteit III de inzet van de lokpuber mogelijk. Per 1 januari 2020 is het wetsvoorstel herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen, met daarin de zelfstandige strafbaarstelling van misbruik van seksueel beeldmateriaal (waaronder wraakporno), in werking getreden. Verder wordt op mijn departement gewerkt aan het wetsvoorstel seksuele misdrijven. Na het verwerken van het advies van de afdeling advisering van de Raad van State dat op 8 juni jl. is uitgebracht, zal het wetsvoorstel, naar verwachting in de loop van de zomer, bij uw Kamer worden ingediend. In het wetsvoorstel worden de diverse strafbaarstellingen geactualiseerd, wordt de strafbaarstelling gericht op seksueel kindermisbruik «online proof» gemaakt, wordt onder andere sexchatten met kinderen expliciet strafbaar gesteld en worden de strafmaxima voor sommige delicten die zien op seksueel misbruik van kinderen, zoals aanranding en verkrachting, verhoogd.
Kunt u aangeven hoeveel zaken sinds de eerste berichten in 2019 in onderzoek zijn genomen? Wat vindt u van dit aantal?
Het aantal sinds 2019 onderzochte zaken van seksueel misbruik van minderjarige slachtoffers met een eetstoornis in het bijzonder is niet te specificeren. De politie registreert de zaken in onderzoek op basis van (mogelijk) gepleegde strafbare feiten ofwel wettelijke delictsomschrijvingen, en niet op basis van de specifieke fenomenen waarop de opsporingsinzet wordt gepleegd.
Waarom is 2 jaar na dato nog steeds geen uitvoering gegeven aan de motie Van der Graaf c.s. die opriep een online opsporingsstrategie te ontwikkelen waarin specifieke kwetsbare groepen worden aangemerkt als prioriteit, slachtoffers van pro-anacoaches als zodanig aan te merken en tevens aan te geven in hoeverre capaciteitsgebrek hierbij een knelpunt is?3
Ik stel voorop dat de politie en het Openbaar Ministerie, ook sinds de inwerkingtreding van de Wet Computercriminaliteit III, reeds verschillende vormen van online opsporingsmiddelen toepassen, waaronder de inzet van een lokprofiel of lokpuber. Deze inzet vindt telkens plaats na toetsing en weging door de Officier van Justitie. Per zaak wordt gekeken naar welke inzet het meest succesvol kan zijn, mede gegeven de beschikbare capaciteit en de hoeveelheid zaken die voorradig zijn. Daarnaast heb ik, om gevolg te geven aan mijn toezegging daaromtrent, het openbaar ministerie en de politie gevraagd een online opsporingsstrategie te ontwikkelen. Over de uitvoering daarvan zal ik uw Kamer nog voor de zomer nader informeren in de voortgangsbrief aanpak online seksueel kindermisbruik en zeden.
Kunt u aangeven wat de voortgang is in het overleg van u, CKM en politie over deze opsporingsstrategie? Wanneer kan de Kamer deze verwachten?
Zie voor de beantwoording het antwoord op vraag 6.
In hoeverre is in deze strategie ook oog voor andere kanalen dan pro-anasites zoals verschillende sociale media? Welke lessen vallen hierbij te leren uit onderzoeken in landen zoals Groot-Bittannië?4 Bent u bereid nader onderzoek te laten uitvoeren hoe ook in Nederland misbruik van pro-anacoaches via deze kanalen plaatsvindt en kan worden bestreden? Deelt u de overtuiging dat de strafrechtelijke aanpak van deze «coaches» geen dag kan wachten? Waaruit blijkt dat?
De online opsporingsstrategie die wordt ontwikkeld ziet op een effectieve aanpak in het gehele digitale opsporingsdomein, dus zowel op websites als op social mediaplatforms. Zie verder voor een uitgebreide beschrijving van de strafrechtelijke aanpak de beantwoording van vraag 4.
Bent u het eens dat ook wanneer meisjes en jongens niet ten prooi vallen aan seksueel misbruik, het bezoek van online kanalen waar eetstoornissen en buitensporig afvallen worden verheerlijkt en aangemoedigd nog steeds zeer schadelijk voor hen is?
Ik verwerp de verheerlijking van eetstoornissen op sociale media, websites of anderszins. Ik ben het eens dat het voor jongeren, die al kampen met psychische problemen en gevoelig zijn voor een eetstoornis, schadelijk kan zijn om websites te bezoeken waarop zij worden aangemoedigd om (verder) af te vallen. Daarom is mijn beleid nadrukkelijk gericht op preventie, bewustwording en hulpverlening, en is er vanuit het Ministerie van VWS in samenwerking met andere betrokken partijen onder andere de pro-ana actieagenda opgezet, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 4.
Welke mogelijkheden ziet u tot een verbod te komen voor pro-anasites, «thinfluencers» en «thinspo»-platformen? Op welke wijze geeft u uitvoering aan de motie Westerveld-Kuiken te voorzien in aanpassing(en) van het Wetboek van Strafrecht om gedragingen strafbaar te stellen die zich welbewust richten op het beschadigen van de lichamelijke en geestelijke gezondheid van kwetsbare jongeren en jongvolwassenen?5 Overweegt u nadere stappen? Zo ja, welke en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Een algeheel (strafrechtelijk) verbod op pro-ana websites, platformen en thinfluencers acht ik niet opportuun. Een dergelijk verbod zal zich immers ook (in hoofdzaak) richten tegen personen die zelf een eetstoornis hebben en die dergelijke websites of platforms bezoeken en hosten. Dat vind ik onwenselijk. Mensen die aan anorexia lijden, ervaren schaamte en hebben de indruk in een sociaal isolement te verkeren. Een dergelijk verbod zou het stigma rondom anorexia en ondergewicht juist bevestigen en de zoektocht van jongeren met een eetstoornis naar hulp kunnen belemmeren. Ook experts, onderzoeken en ervaringsdeskundigen geven aan dat een strafbaarstelling juist averechts kan werken en dat de focus zou moeten liggen op de psychische klachten die mensen met een eetstoornis hebben. Mijn beleid is daarom, naast hulpverlening aan bezoekers en hosters van dergelijke websites en platforms (waarvan de verschillende actielijnen reeds in de beantwoording van vraag 4 zijn beschreven), gericht op het snel offline halen van illegale content op dergelijke pro-ana websites en social media platforms. Het in de beantwoording van vraag 4 aangehaalde wetsvoorstel bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal biedt aan de daarin aangewezen bestuursrechtelijke autoriteit de mogelijkheid bestuursrechtelijk in te grijpen indien sprake is van kinderpornografisch materiaal dat na een verzoek daartoe niet snel van de server wordt verwijderd.
Over de uitvoering van de motie Westerveld-Kuiken zal ik uw Kamer nog voor de zomer informeren in de voortgangsbrief aanpak online seksueel kindermisbruik en zeden.
Zolang een verbod niet van kracht is, welke andere mogelijkheden ziet u om meisjes en jongens die gebruik maken van en zoeken naar deze sites en platforms te wijzen op mogelijkheden voor hulpverlening?
Zie voor de meersporige inzet die wordt gepleegd op het gebied van hulpverlening het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid in gesprek te gaan met social mediaplatforms over pro-anakanalen en groepen op hun platform, het weren hiervan, en in ieder geval het doorverwijzen naar hulpverlening voor mensen die gebruik maken van dan wel zoeken naar deze kanalen?
Er wordt reeds een continue dialoog gevoerd met de branche. Deze dialoog wordt onverminderd voortgezet.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
Ik heb (daargelaten enkele aanvullende verwijzingen) alle vragen behalve vragen 7 en 11 afzonderlijk beantwoord.
Bereikbaarheid Den Helder / Noordkop |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat het droevig is gesteld met de bereikbaarheid van Den Helder en de Kop van Noord-Holland, onder andere de N9, het spoor tussen Alkmaar en Den Helder, de aansluiting van de N9 op de A7 en het busvervoer?
De opgaven voor personenvervoer in de Kop van Noord-Holland zijn bekend. Uit de Integrale Mobilteitsanalyse 2021 (IMA)1 blijkt er in zowel het scenario WLO-Laag als in het scenario WLO-Hoog een bereikbaarheidsopgave te zijn in Den Helder en de Kop van Noord-Holland. Dit komt omdat in minder verstedelijkte gebieden, zoals het noorden van Noord-Holland, de bereikbaarheid van banen verslechtert. Gemiddeld zijn er al minder banen binnen bereik, en met name in het scenario WLO-Laag neemt het aantal banen en voorzieningen nog verder af. Ook het aantal inwoners daalt in dit scenario. Ook in het scenario WLO-Hoog daalt de bereikbaarheid van banen en voorzieningen.
Er is in mindere mate sprake van verzadiging van het wegennet en de daaruit voorvloeiende congestie (ten opzichte van de meer verstedelijkte gebieden), maar omdat het aantal banen niet of minder sterk groeit, daalt de bereikbaarheid van banen en voorzieningen. Overigens betekent de afname van de bereikbaarheid niet dat er capaciteitsknelpunten voorkomen op de weg of op het spoor (zie de beantwoording op vraag 2, 3 en 4).
Wat is de status van het verbreden van de N9 tussen Alkmaar en Den Helder in een vierbaansweg langs het Noordhollandsch Kanaal? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven, ook op de vraag wat u heeft gedaan met de studie van de provincie Noord-Holland waaruit blijkt dat het verbreden van de N9 een optie is voor het verbeteren van de bereikbaarheid?
Momenteel zijn er geen plannen om de N9 tussen Alkmaar en Den Helder te verbreden tot een vierbaansweg (2x2) langs het Noordhollandsch Kanaal en om de aansluiting van de N9 op de A7 te realiseren.
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft kennis genomen van de quickscan (de studie) van de provincie Noord-Holland, waarin zowel de verdubbeling van de N9 tussen Alkmaar en Den Helder als de verbinding van de A7 met de N99 (ook wel de N77) zijn onderzocht. Zoals eerder aangegeven in het Algemeen Overleg MIRT van 12 juni 2019, vormde dit onderzoek geen aanleiding om deze projecten op te nemen in het MIRT. Uit de quickscan is gebleken dat de IC-verhoudingen (de verhouding tussen intensiteit en capaciteit) nagenoeg overal kleiner zijn dan 0.7. Dit is een gemiddelde en betekent dat hier doorgaans nauwelijks congestie en reistijdverlies optreedt; vanaf een I/C waarde van 0.9 of hoger wordt gesproken over structurele filevorming. Op de N9 bevinden zich dus geen prioritaire knelpunten op het gebied van doorstroming op grond waarvan vanuit het Rijk een investering te rechtvaardigen is.
Ook zijn in het coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst» geen specifieke middelen toegevoegd voor het MIRT-programma. Wel is € 7,5 miljard toegekend voor de ontsluiting van (grootschalige) woningbouwgebieden. Voor de toekenning van deze middelen wordt samen met het Ministerie van BZK en de regionale partners een integrale afweging gemaakt. Momenteel ligt het niet in de lijn der verwachtingen dat de N77 – of de verbreding van de N9 tussen Alkmaar en Den Helder – gefinancierd zal worden uit de € 7,5 miljard voor de ontsluiting van de woningbouwgebieden.
Wat is de status van de verdubbeling van het spoor tussen Alkmaar en Den Helder? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Er zijn geen plannen voor de verdubbeling van het spoor tussen Alkmaar en Den Helder. In de bestaande situatie kunnen tot vier treinen per uur per richting gereden worden. Dit is ruim voldoende voor de huidige en de in de toekomst voorziene reizigersvraag. Wel heeft de provincie Noord-Holland aan IenW laten weten dat zij samen met NS en ProRail een ontwikkelagenda (met tienpuntenplan) voor de lijn van Schagen tot Den Helder maakt, waarin vooruit wordt gekeken naar hoe deze lijn zich in de toekomst ontwikkelt.
Wanneer wordt de aansluiting van de N9 op de A7 gerealiseerd? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is er gedaan ter verbetering van het busvervoer in de regio Noordkop? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Het busvervoer in de regio Noordkop is onderdeel van de concessie Noord-Holland Noord. Deze concessie is de verantwoordelijkheid van de provincie Noord-Holland.
Onteigening |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Zou u mij alle documenten vanaf 2012 (waaronder maar niet gelimiteerd tot gespreksverslagen) van de ministerraad en de Ministeriele commissie crisisbeheersing (Mccb) willen toezenden waarin het onderwerp onteigening of in andere woorden het schenden van het eigendomsrecht wordt behandeld?
In de periode 2012 tot heden is er in de Ministeriele commissie crisisbeheersing (MCCb) in het kader van de aanpak van crises waarbij de nationale veiligheid in het geding is, niet gesproken over het onderwerp onteigening.
In de MCCb over de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne van 22 april 2022 zijn verkenningen van verschillende scenario’s rond de toename van het aantal ontheemden ten opzichte van beschikbare opvangcapaciteit ter informatie ingebracht. Er is ambtelijk geïnventariseerd welke escalatiemogelijkheden er kunnen zijn. Een onderdeel hiervan was de mogelijkheid van het activeren van de mogelijkheid tot vorderen op grond van artikel 7, Wet verplaatsing bevolking (Wvb), als uiterste redmiddel. Over de inzet van dit uiterste redmiddel is inhoudelijk niet gesproken in de MCCb en derhalve ook niet doorgeleid naar de ministerraad.
Verslagen van de MCCb en de ministerraad kunnen niet openbaar worden gemaakt. In verslagen van de MCCb en ministerraad staat informatie die het functioneren van de Staat of andere overheden in gevaar zou kunnen brengen. Ik vind dat dit belang zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarheid, omdat het vertrouwelijk beraadslagen in de ministerraad is voor de bestuurbaarheid van Nederland op de lange termijn van cruciaal belang, vanwege de functie van de ministerraad binnen het gehele staatsbestel. De beraadslagingen van de ministerraad vormen binnen dit bestel het schakelpunt tussen de individuele ministeriële verantwoordelijkheid en de collectieve verantwoordelijkheid van het kabinet als geheel. Voor het ordentelijk verloop van besluitvormingsprocessen en voor de kwaliteit van besluiten is het van groot belang dat alle relevante invalshoeken in de beslotenheid van de ministerraad aan de orde kunnen komen. Ten aanzien van de notulen van de ministerraad geldt dat openbaarmaking daarvan tot gevolg zou hebben dat meningen van individuele bewindspersonen naar buiten komen, waardoor de eenheid van het regeringsbeleid in gevaar zou komen. Om deze redenen worden de notulen standaard voorzien van de rubricering staatsgeheim, zeer geheim.
Parallel aan uw Kamervraag wordt door mijn ministerie een vergelijkbaar verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) behandeld. De door u verzochte documenten vallen binnen de reikwijdte van dit verzoek. De documenten waar u om verzoekt en welke ik openbaar kan maken zijn tevens beoordeeld in het kader van genoemd Woo-verzoek en zijn als bijlage bij het desbetreffende Woo-deelbesluit aan de verzoeker toegezonden en geplaatst op rijksoverheid.nl. Daarbij merk ik op dat de uitzonderingsgronden uit de Woo er eveneens aan in de weg staan dat verslagen van de MCCb en de ministerraad openbaar worden gemaakt.
Het opstappen van een raadslid vanwege ‘doodsbedreigingen’. |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Raadslid Peter van der Velden stapt op na «doodsbedreigingen»: «Ik wil niet als Fortuyn eindigen»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat elke volksvertegenwoordiger, ongeacht zijn of haar partijkleur, veilig moet kunnen werken? Zo ja bent u de bereid om de situatie in Nissewaard te laten onderzoeken? Graag een gedetailleerd antwoord over hoe u de onderste steen boven water krijgt en welke vervolgstappen gezet gaan worden.
Ja, iedere volksvertegenwoordiger moet veilig zijn of haar ambt kunnen uitoefenen. Op 8 maart jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de inspanningen die ik pleeg voor een weerbaar bestuur.
Deelt u de mening dat burgemeester Foort van Oosten met de opmerking «kennis te hebben genomen van het bericht van de heer Van der Velden», wel erg koeltjes heeft gereageerd? Gaat u hem aanspreken en betrekken bij het onderzoek naar de door het raadslid gestelde «doodsbedreigingen»? Graag een gedetailleerd antwoord.
De gemeente is hier zelf aan zet en zou desgevraagd een beroep op de commissaris van de Koning (als rijksorgaan) kunnen doen.
Het bericht ‘Israëlische ordetroepen gebruiken geweld bij begrafenis Al Jazeera-journalist’ |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het gegeven dat Israëlische veiligheidstroepen de rouwstoet van de gedode Al Jazeera-journalist Shireen Abu Akleh met geweld hebben verstoord? Deelt u de opvatting dat hier sprake is van een grievende provocatie vanuit de Israëlische veiligheidstroepen?1
Het kabinet is allereerst geschokt door de dood van de journalist Shireen Abu Akleh en veroordeelt de verstoring van de rouwstoet op de dag van haar begrafenis. Het optreden van de Israëlische veiligheidstroepen was die dag buitensporig. Familieleden en rouwenden hebben het recht om waardig afscheid te kunnen nemen. Ik verwelkom de aankondiging – en acht het noodzakelijk – dat de Israëlische politie onderzoek doet naar het eigen optreden. Nederland zal dit blijven volgen.
Kunt u zich voorstellen dat de dood van Shireen Abu Akleh en vervolgens het inzetten van geweld tijdens de respectievelijke rouwstoet, het Israël-Palestina conflict nog verder op scherp zet?
In mijn brief (ref. 2021Z07817) over actuele ontwikkelingen en mijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden ga ik in op de recente spanningen waarbij meerdere dodelijke slachtoffers vielen aan zowel Palestijnse en Israëlische zijde, waaronder ook de journalist Shireen Abu Akleh. Tijdens mijn bezoek heb ik richting beide partijen mijn grote zorg hierover uitgesproken.
Bent u bereid om het optreden van de Israëlische veiligheidstroepen streng te veroordelen en in gesprek te treden met de Israëlische autoriteiten over deze grievende provocatie?
Zie het antwoord op vraag 1. Ik heb hiervoor ook persoonlijk aandacht gevraagd bij mijn Israëlische en Palestijnse collega’s tijdens mijn recente bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden.
Welke manieren ziet u – naast het Palestijnse voornemen om de zaak van deze door geweld omgekomen journaliste aan te kaarten bij het Internationaal Strafhof – om ervoor te zorgen dat er een onafhankelijk onderzoek totstandkomt en verantwoordelijken worden vervolgd?
Nederland is voorstander van een gezamenlijk onderzoek en heeft beide partijen met klem opgeroepen deze verantwoordelijkheid op zich te nemen. Indien dit behulpzaam is en beide partijen hiervoor openstaan dan zou een internationale derde partij het onderzoek kunnen ondersteunen. Het kabinet verwelkomt het aanbod van de Israëlische Minister van Defensie Gantz om een onderzoek met internationale actoren uit te voeren.
Bent u bereid alle mogelijkheden te verkennen en ervoor te ijveren dat de meest kansrijke onderzoeksopzet ook wordt ingezet?
Zie het antwoord op vraag 4.
De 75th World Health Assembly van 22 tot 28 mei 2022 |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Welke kabinetsleden zijn aanwezig bij de 75ste World Health Assembly (WHA)? Bij welke agendapunten levert Nederland een actieve inbreng? Kunt u deze inbrengen vooraf met de Kamer delen?
Minister Kuipers is hoofd van de Nederlandse delegatie bij de WHA75.
Nederland praat in principe mee over alle agendapunten, al dan niet via een gemeenschappelijk EU-statement. Vanuit een volksgezondheidsperspectief zijn voor mij o.a. de discussies over de WHO Global Strategy for food safety en die over het werk van WHO in noodsituaties, van belang. De definitieve EU-statements zullen live te volgen zijn en worden beschikbaar gemaakt op de WHO website.
Is het juist dat tijdens de 75ste WHA gesproken wordt over het verhogen van de bijdragen van de aangesloten landen? Hoeveel gaat de bijdrage van Nederland omhoog als dit voorstel wordt aangenomen? Wat is het kabinetsstandpunt over het verhogen van onze bijdrage? Heeft Nederland vetorecht over het verhogen van onze bijdrage? Hoe wordt een eventuele verhoging gefinancierd?1
Na intensieve discussies in de WHO Working Group on Sustainable Financing (WGSF) staat op de aankomende WHA een voorstel op de agenda om de verplichte contributie van de lidstaten met 20% te verhogen. Als het voorstel wordt aangenomen betekent dat voor Nederland een jaarlijkse verhoging met
€ 1,1 mln. In de kabinetsreactie op het rapport van de Inspectie Ontwikkelings-samenwerking en Beleidsevaluatie (IOB), met als titel «Voorkomen is beter dan genezen»2 uit 2016, spreekt het kabinet zich uit voor de verhoging van de verplichte contributie, verwijzend naar de kwetsbare afhankelijkheid van de WHO van vrijwillige bijdragen van een beperkt aantal donoren. Het huidige kabinet steunt deze nog lijn nog steeds. Over de verhoging van de contributie wordt door alle lidstaten gestemd, zonder vetorecht. De verhoging zal gefinancierd worden door de verhoging van het budget dat speciaal voor de verplichte contributie aan WHO op de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken gereserveerd is.
Kunt u alle amendementen op deInternational Health Regulations(IHR, 2005) met spoed naar de Kamer sturen?2
Tijdens de 75ste World Health Assembly (WHA) zal één specifiek wijzigingsvoorstel op de Internationale Gezondheidsregeling (IGR 2005) ter besluitvorming voorliggen.
Het gaat hierbij om een voorstel tot wijziging van artikel 59 lid 1 van de IGR, waarbij de termijnen voor het maken van een voorbehoud of afwijzing van amendementen op de IGR kenbaar moeten worden gemaakt, verkort worden van 18 naar 9 maanden. Daarnaast wordt voorgesteld in artikel 59 lid 2, de termijn van inwerkingtreding van een amendement op de IGR te verkorten van 24 naar 12 maanden. Wanneer de WHA dit amendement aanneemt zullen artikelen 55, 61, 62 en 63 op dezelfde wijze bijgewerkt worden.
Naast dit concreet voorliggende amendement, zijn er door de Verenigde Staten en door de Russische Federatie aanvullende wijzigingsvoorstellen ingediend. Deze worden tijdens de WHA75 niet in stemming gebracht en zullen naar verwachting op een later tijdstip door de lidstaten worden besproken, samen met eventueel nog in te dienen amendementen vanuit andere WHO-lidstaten. De nadere beschouwing van deze en eventuele andere wijzigingsvoorstellen moet echter nog plaatsvinden en worden meegenomen in een nog nader te bepalen proces. Indien gewenst informeer ik uw Kamer graag nader over dit proces.
Is het juist dat de IHR 2005 juridisch bindend is voor de landen aangesloten bij de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)? Klopt het dat eventuele wijzigingen die worden aangenomen tijdens de 75ste WHA voor Nederland juridisch bindend zijn?
De Internationale Gezondheidsregeling (IGR 2005) is momenteel het belangrijkste mondiale instrument voor de samenwerking tussen WHO-lidstaten op het vlak van ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen. De Regeling omvat aanbevelingen, afspraken en regels rondom het detecteren, anticiperen op en bestrijden van internationale ernstige gezondheidsbedreigingen. De IGR is gebaseerd op artikel 21 onder a van de WHO-statuten. Op basis van artikel 22 van de statuten, zijn regelingen die aangenomen worden ingevolge artikel 21 juridisch bindend. Op grond van artikel 59 lid 2 (IGR 2005) zijn eventuele amendementen, 24 maanden na het WHA-besluit van kracht, tenzij een lidstaat een voorbehoud maakt of een amendement afwijst, hetgeen binnen 18 maanden na aanvaarding van een amendement door de WHA aan de WHO gecommuniceerd moet worden. Het enige amendement op de IGR 2005 dat waarschijnlijk in stemming gebracht gaat worden tijdens de 75ste WHA betreft een voorstel van de Verenigde Staten om deze termijnen te verkorten.
Kunt u aangeven hoe het parlement betrokken is geweest bij de voorbereidingen van het kabinet op de 75ste WHA? Bent u van mening dat het parlement goed geïnformeerd is over wat er allemaal besloten gaat worden en de kabinetsstandpunten daarover, gegeven het feit dat de WHA het besluitvormend orgaan is van de WHO en de IHR 2005 juridisch bindend is?
In de regel wordt uw Kamer achteraf geïnformeerd over de uitkomsten van de WHA en in sommige gevallen op specifiek verzoek, soms ook vooraf. Tot op heden heeft uw Kamer niet aangegeven dat deze werkwijze niet volstond. Ik kan me voorstellen dat in het licht van de Covid-crisis, uw Kamer meer interesse heeft gekregen in het werk van de WHO en dat een proces zoals we dat kennen van de EU raden-van ministersbijeenkomsten, waarbij er vooraf een geannoteerde agenda aan uw kamer wordt gezonden, nu wellicht passend is. Indien gewenst kunnen we een dergelijke werkwijze invoeren.
Kunt u een toelichting geven op het voorstel van de Verenigde Staten tot het oprichten van een «Nalevingscommitee» (Compliance Committee)? Is het juist dat zo’n Nalevingscommitee toezichthouder wordt of Nederland (en andere landen) de IHR 2005 naleeft? Wat houdt dat precies in de praktijk in? Wat is het kabinetsstandpunt op dit voorstel?3
De Verenigde Staten (VS) hebben in januari 2022 een aantal amendementen voorgesteld op de Internationale Gezondheidsregeling (IGR 2005). Een van voorstellen betreft een toevoeging onder artikel 53 van de IGR 2005, met als doel een Compliance Committee in te stellen. Op hoofdlijnen lijkt het hierbij te gaan om een adviserend comité dat Lidstaten zou kunnen ondersteunen bij het implementeren van de IGR 2005.
De bespreking van dit concrete voorstel moet nog plaatsvinden en zal niet in stemming worden gebracht tijdens de WHA75, maar worden meegenomen in een nog nader te bepalen proces, samen met een aantal andere voorstellen. Het Kabinet zal zijn standpunt bepalen over bovengenoemd en eventuele andere standpunten, wanneer deze concreet ter bespreking voor zullen liggen in de nog nader te bepalen WHO-gremia.
Kunt u een toelichting geven op het voorstel van de Verenigde Staten om het tweede lid van artikel 12 van de IHR 2005 te wijzigen?4Klopt het dat met deze wijziging de WHO eenzijdig kan besluiten of er sprake is van een noodsituatie? Kan de WHO straks de noodsituatie uitroepen over Nederland? Wat is uw standpunt daarover?
Een ander amendement dat door de VS is voorgesteld, betreft een wijziging in artikel 12 lid 2 van de IGR 2005, waarbij de wijze waarop wordt vastgesteld of er sprake is van een internationale gezondheidscrisis, wordt aangepast. De nadere beschouwing van dit concrete voorstel moet nog plaatsvinden. Het voorstel zal niet in stemming worden gebracht tijdens de WHA75, maar mogelijk worden meegenomen in een nog nader te bepalen proces waarbij er verschillende amendementen zullen worden uitgewerkt.
Het Kabinet zal zijn standpunt bepalen over bovengenoemd en eventuele andere standpunten, wanneer deze concreet ter bespreking voor zullen liggen in de nog nader te bepalen WHO-gremia.
Kunt u een toelichting geven op het voorstel van de Verenigde Staten om een zesde lid toe te voegen aan artikel 12 van de IHR 2005? Klopt het dat met deze toevoeging een lokale uitbraak door de WHO (eenzijdig) kan worden uitgeroepen tot een «noodsituatie van internationaal belang»? Kan het betreffende land vervolgens alleen maar een verzoek indienen om die noodsituatie te beëindigen?
De VS hebben ook voorgesteld artikel 12 lid 6 van IGR 2005 te wijzigen, waarbij er wordt voorzien in een mogelijkheid tot het uitroepen van een staat van verhoogde waakzaamheid en mogelijke internationale maatregelen wanneer er nog geen internationale gezondheidscrisis is uitgeroepen. De nadere beschouwing van ook dit concrete voorstel moet nog plaatsvinden. Het voorstel zal niet in stemming worden gebracht tijdens de WHA75, maar mogelijk worden meegenomen in een nog nader te bepalen proces waarbij er verschillende amendementen zullen worden uitgewerkt. Het Kabinet zal zijn standpunt bepalen over bovengenoemd en eventuele andere standpunten, wanneer deze concreet ter bespreking voor zullen liggen in de nog nader te bepalen WHO-gremia.
Hoe verhouden deze twee voorgestelde wijzigingen van artikel 12 zich tot onze parlementaire democratie? Worden parlement en kabinet op een zijspoor gezet indien de WHO besluit dat een uitbraak in Nederland internationale proporties heeft?
De door de VS voorgestelde wijzigingen van artikel 12 lid 2 resp. lid 6, lijken tot doel te hebben de WHO in staat te stellen sneller en in een vroegtijdiger stadium te bepalen of er sprake is van een ernstige internationale gezondheidscrisis of een situatie waarbij een verhoogde staat van paraatheid is gewenst. Naar verwachting zullen deze voorstellen niet ingrijpen in de nationale bevoegdheid van lidstaten waar zo’n situatie zich voordoet, om zelf maatregelen te nemen via hun nationale besluitvorming- en parlementaire processen. Conform de IGR 2005 kan de WHO lidstaten in zo’n situatie adviseren welke maatregelen daarbij effectief zouden kunnen zijn. Zoals gesteld, moet de nadere beschouwing van de door de VS onder artikel 12 voorgestelde wijzigingen nog plaatsvinden. Het voorstel zal niet in stemming worden gebracht tijdens de WHA75, maar mogelijk worden meegenomen in een nog nader te bepalen proces waarbij er verschillende amendementen zullen worden uitgewerkt. Het Kabinet zal zijn standpunt bepalen over bovengenoemd en eventuele andere standpunten, wanneer deze concreet ter bespreking voor zullen liggen in de nog nader te bepalen WHO-gremia.
Wilt u de garantie geven niet akkoord te gaan met het amendement van de Verenigde Staten? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zal naar verwachting alleen de door de VS voorgestelde wijziging van artikel 59 in stemming worden gebracht tijdens de WHA75. Het gaat daarbij om een aanpassing van de termijn waarbinnen door de WHA aangenomen wijzigingsvoorstellen op de IGR 2005 in werking treden, alsmede de termijnen waarbinnen het maken van een voorbehoud en/ of afwijzing van een amendement dienen te worden ingediend door lidstaten. Bij wijziging van artikel 59, zullen de artikelen 55, 61, 62 en 63 in dezelfde zin aangepast worden.
Eventuele andere door de VS voorgestelde amendementen zullen worden meegenomen in een nog nader te bepalen proces waarbij er verschillende amendementen zullen worden uitgewerkt. Het Kabinet zal zijn standpunt bepalen over bovengenoemd en eventuele andere standpunten, wanneer deze concreet ter bespreking voor zullen liggen in de nog nader te bepalen WHO-gremia.
Het is daarom nog te vroeg om te bepalen wat de positie van het Kabinet op de VS-voorstellen in artikel 12 genoemde voorstellen zal zijn. Het Kabinet heeft eerder aangegeven voorstander te zijn van verbetering en versterking van het internationale systeem van pandemische paraatheid. Eventuele wijzigings-voorstellen rondom de IGR 2005 zullen zoveel mogelijk in samenhang worden bekeken en beoordeeld (IOB, 2016). Ik zal uw Kamer daar te zijner tijd nader over informeren.
Bent u bereid deze vragen per omgaande te beantwoorden, in verband met het feit dat de 75ste WHA op 22 mei 2022 van start gaat?
Ja.
Een mogelijk gastekort deze winter en het uitwerken van verschillende scenario’s hiervoor. |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten welke onderzoeken u momenteel uitvoert om paraat te zijn bij een eventueel gasboycot vanuit Rusland? Welke verschillende scenario’s onderzoekt u daarbij? Kunt u deze scenario’s en bijbehorende aannames gedetailleerd toelichten?
Met de betrokken marktpartijen worden de ontwikkelingen voortdurend in de gaten gehouden. De studies die vooral van belang zijn, betreffen scenario-analyses van Entso-G. Die worden hierna in het antwoord op vraag 4 toegelicht.
Het meest verstrekkende scenario dat tot op heden is uitgewerkt is een volledig onderbreking van de gastoevoer uit Rusland naar Europa gedurende de periode vanaf april 2022 tot april 2023.
Kan u specifiek voor het Bescherm- en Herstelplan Gas (BHG) gedetailleerd aangeven welke scenario’s worden onderzocht? Om welke volumes aan gastekort gaat het bijvoorbeeld in de verschillende scenario’s?
Het Bescherm- en Herstelplan Gas (hierna: BH-G) treedt in werking als Nederland een niveau van gascrisis als bedoeld in de verordening gasleveringszekerheid afkondigt. De verordening onderscheidt hiertoe drie niveaus van gascrisis: vroegtijdige waarschuwing, alarm en noodsituatie. Een crisisniveau wordt door Nederland afgekondigd indien voldaan wordt aan de criteria voor het betreffende niveau van gascrisis die zijn opgenomen in de verordening gasleveringszekerheid (artikel 11, eerste lid van de verordening). Deze verordening dicteert bijgevolg de situaties waarin het Bescherm- en Herstelplan van toepassing is.
Los daarvan wordt gekeken naar de gevolgen van een gastekort in verschillende scenario’s. Zie het antwoord op vraag 1 en vraag 4. In het scenario aangegeven bij vraag 1 (het meest verstrekkende scenario) zal er in de zomerperiode onvoldoende gas zijn om de gasopslagen in Europa te kunnen vullen. Dit geldt ook voor Nederland. Hoe groot het tekort in Nederland in dat scenario zal zijn is afhankelijk van veel factoren. Daarbij moet ook worden aangetekend dat inmiddels twee maanden zijn verstreken waarin er wel toevoer uit Rusland naar Europa is geweest en gasopslagen verder zijn gevuld.
Hoeveel gas gebruiken alle beschermde afnemers in Nederland bij elkaar en kunt u dit per soort afnemer uitsplitsen? Welk aandeel is dat van het totale Nederlandse gasverbruik?
Het is niet te zeggen hoeveel gas specifiek de beschermde afnemers in totaal afnemen. Op grond van de verordening gasleveringszekerheid kunnen lidstaten naast huishoudelijke afnemers, onder voorwaarden, kleine en middelgrote ondernemingen, essentiële sociale diensten, en stadsverwarmingsinstallaties aanwijzen als beschermde afnemers.
Deze beschermde afnemers kunnen zijn aangesloten op verschillende punten in het gastransportnet. Deze factoren maken het complex om het verbruik van beschermde afnemers vast te stellen.
Kunt u aangeven wat voor studies/onderzoeken momenteel worden gedaan door netbeheerders, toezichthouders en andere relevante instanties om klaar te zijn om de leveringszekerheid te kunnen borgen in het geval van een Russisch gasboycot?
Entso-G heeft een aantal weken terug de Summer Outlook gepresenteerd1. Deze analyse geeft een beeld van hoe het deze zomer er mogelijk uit gaat zien en geeft inzicht in de gevolgen van onderbreking van gasstromen uit Rusland. Entso-G is nu bezig met de ontwikkeling van een year outlook. Dit geeft een beeld voor wanneer er over een periode van 12 maanden geen Russisch gas beschikbaar zou zijn. Alle Europese landelijke netbeheerders hebben daarvoor informatie aangeleverd. De Nederlandse netbeheerder GTS gebruikt deze data in combinatie met haar eigen gegevens om inzichtelijk te maken hoe het systeem reageert bij een onderbreking van Russisch gas. Dit kan gezien worden als het uitvoeren van stresstests en het is belangrijk dat in Europees verband te doen gegeven alle interconnecties.
Entso-G maakt nu een year outlook. Daarin wordt in kaart gebracht wat het beeld is als er voor de rest van het jaar geen Russisch gas beschikbaar is. Netbeheerders (TSO’s) uit alle landen hebben daarvoor informatie aangeleverd.
GTS gebruikt deze data om zelf inzichtelijk te maken hoe de systeem reageert met nationale data. Dit kan worden gezien als het uitvoeren van stresstests.
Bent u van plan een crisissimulatie met verschillende scenario’s uit te voeren samen met de netbeheerders en toezichthouders? Zo nee, waarom niet?
Met de betrokken partijen worden continu de situatie, de verschillende scenario’s en de consequenties gemonitord en besproken. De komende tijd zullen we ook simulaties doen om onze aanpak te verbeteren.
Kunt u aangeven met welke reden het BHG ooit is ingesteld? En sluit dat goed aan bij mogelijk maandenlange tekorten in het geval dat er een gasboycot komt?
Wanneer een deel van het aanbod op de gasmarkt structureel wegvalt zijn er structurele maatregelen nodig die ertoe leiden dat het wegvallende deel van het aanbod definitief wordt opgevangen. Hierbij moet worden gedacht aan het definitief overstappen op andere brand- en grondstoffen en structurele energiebesparing. Dit zijn naar hun aard andere maatregelen dan de niet-marktgebaseerde maatregelen die ter bestrijding van een noodsituatie zijn opgenomen in de maatregelenladder in het Bescherm- en Herstelplan Gas (hierna: BH-G). De maatregelen uit de maatregelenladder hebben het karakter van tijdelijke maatregelen (m.n. besparingstender, gedwongen afschakelen) waarmee op de korte termijn de effecten van een verstoring van de gaslevering kunnen worden beperkt of weggenomen. De in het BH-G opgenomen maatregelen zijn echter niet geschikt om een definitieve of structurele oplossing te bieden voor een structureel tekort aan gas. Wanneer een besparingstender of gedwongen afschakeling stopt zal immers de vraag naar gas weer toenemen, als niet tevens gewerkt is aan meer structurele maatregelen.
Welke acties neemt u bij een fysiek tekort aan gas? Kunt u aangeven wat de volgordelijkheid van stappen daarbij is?
Voor een eventuele crisis als gevolg van een verstoring van de gaslevering (fysiek tekort aan gas) is, ter uitvoering van de verordening gasleveringszekerheid, het BH-G opgesteld en in oktober 2019 aan de Tweede Kamer gestuurd2. Met behulp van het BH-G kunnen maatregelen worden getroffen waarmee een tekort aan gas kan worden opgevangen tot de verstoring van de gaslevering is beëindigd of er structurele maatregelen getroffen zijn. Voor wat betreft structurele maatregelen verwijs ik naar de brief van 22 april 20223. Het BH-G kent, in lijn met de verordening, drie (in ernst oplopende) niveaus van gascrisis en voorziet voor ieder niveau in maatregelen ter bestrijding daarvan. Een niveau van gascrisis wordt ingevolge het BH-G, naar aanleiding van signalen van de landelijk gastransportnetbeheerder GTS, afgekondigd door de Directeur-Generaal Klimaat & Energie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, die op grond van de verordening gasleveringszekerheid is aangewezen als Crisismanager Gas en Elektriciteit (CGE).
In de eerste twee fases van gascrisis («vroegtijdige waarschuwing» en «alarmsituatie») wordt het bestrijden van de crisis overgelaten aan de markt, wel wordt door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat additioneel informatie ingezameld bij marktpartijen. GTS beschikt over bevoegdheden (o.a. op grond van de Gaswet) om in het geval van een alarmsituatie de in het BH-G beschreven maatregelen te treffen4. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat monitort in deze fase de ontwikkelingen, onderhoudt contacten met de Europese Commissie en andere betrokken lidstaten en bereidt zich voor op het treffen van maatregelen voor de fase van een noodsituatie. Als er sprake is van een noodsituatie kan er door de overheid worden ingegrepen met behulp van niet-marktgebaseerde maatregelen. De maatregelen voor een noodsituatie zijn in het BH-G opgenomen in een maatregelenladder, die ook de volgorde dicteert waarin de maatregelen moeten worden overwogen. Voor het treffen van een aantal van deze maatregelen door de Minister van Klimaat en Energie is geen wettelijke bevoegdheidsgrondslag vereist5. Een aantal maatregelen kan door de Minister voor Klimaat en Energie getroffen worden op grond van reguliere wet- en regelgeving6. Voor andere maatregelen kan gebruik worden gemaakt van de bevoegdheden die het staatsnoodrecht biedt7. Om op grond van het staatsnoodrecht maatregelen te kunnen treffen moeten drie stappen gezet worden. Ten eerste moeten de bevoegdheden uit het staatsnoodrecht tijdelijk «geactiveerd worden» (in werking stellen of in werking laten treden) met behulp van een klein koninklijk besluit op voordracht van de Minister-President. Vervolgens moeten ter toepassing van de betreffende maatregelen uit het BH-G om een noodsituatie te bestrijden concrete regelingen en besluiten worden uitgewerkt, die door de Minister van Economische Zaken en Klimaat met behulp van de geactiveerde staatsnoodrechtbevoegdheden moeten worden vastgesteld en toegepast. Tot slot moet door de Minister-President een wetsvoorstel worden ingediend strekkend tot het verlengen van de werking van de tijdelijk geactiveerde bevoegdheden uit het staatsnoodrecht.
Binnen hoeveel tijd zou u de 35%-maatregel op kolencentrales kunnen opschorten indien het noodzakelijk wordt om gas te besparen door gascentrales uit te zetten en die elektriciteitsproductie (deels) te vervangen door elektriciteitsproductie uit kolencentrales? Treft u de noodzakelijke voorbereidingen daarvoor en wat voor voorbereidingen zijn dat dan? Welke andere maatregelen kunt u nog nemen om te voorkomen dat het BHG moet worden ingesteld bij een gasboycot?
Ik zal binnenkort een Kamerbrief versturen over de impact van de productiebeperking op de gasmarkt, waarin ik onder andere uitgebreider stil zal staan bij de gevolgen wanneer kolencentrales hun elektriciteitsproductie tot 100% van hun capaciteit opschroeven. Verder geldt dat alle maatregelen op gebied van besparing, verduurzaming en het creëren van alternatieven voor Russisch gas helpen bij het voorkomen van een noodsituatie waarbij het inroepen van het BH-G noodzakelijk is.
Hoeveel miljard kubieke meter gas denkt u te kunnen besparen door middel van alle energiebesparingsmaatregelen die genomen kunnen worden tot het begin van de komende winter?
Dit hangt van veel factoren af en is niet exact te zeggen. Momenteel is de besparing in Q1 en Q2 ongeveer 25 tot 33 procent. Deze besparing is mede het gevolg van het warme weer en de hoge prijzen.
Indien u het vanwege het Bescherm- en Herstelplan Gas (delen van) de industrie moet afschakelen, hoe snel kan dit dan? Worden afnemers ingelicht over het feit dat zij naar alle waarschijnlijkheid als eerste worden afgeschakeld in het geval van een tekort? Zo nee, hoe zorgt u dan dat deze afnemers niet worden verrast en de noodzakelijke voorbereidingen kunnen treffen?
De snelheid waarmee kan worden afgeschakeld is van vele factoren afhankelijk en verschilt per aansluiting. Dit kan verschillen tussen vier uur en een week.
Er is afgelopen winter actief contact geweest met de partijen en vertegenwoordigingsorganisaties over het mogelijk afschalen van aansluitingen.
Als de toepassing van het Bescherm- en Herstelplan Gas er toe leidt dat er niet-beschermde afnemers moeten worden afgeschakeld, dan is dit een maatregel die, indien noodzakelijk, binnen enkele dagen getroffen kan worden. Afhankelijk van de omvang van de vraagreductie die moet worden gerealiseerd en de periode gedurende welke deze maatregel moet worden toegepast kan deze maatregel op verschillende manieren worden vormgeven. Indien toepassing moet worden gegeven aan deze maatregel zal hier actief en breed over worden gecommuniceerd, zodat de betreffende afnemers weten dat zij verplicht worden om hun gasverbruik terug te brengen of stoppen en niet worden verrast.
Is voor afnemers duidelijk hoe zij nadien worden geholpen in het geval dat zij afgeschakeld worden? Zo ja, hoe worden zij geholpen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Wat kunnen de secundaire effecten zijn van het afschakelen van afnemers en hoe houdt u daar rekening mee in het afschakelplan?
In de Kamerbrief van 14 maart jl. (Kamerstuk 29 023, nr. 283) zijn de secundaire effecten van het afschakelen toegelicht. In vervolg daarop wordt nu nader onderzoek gedaan de keteneffecten van mogelijke afschakeling.
Wie is er verantwoordelijk voor de uitvoering van het BHG? Is dat alleen de Minister voor Klimaat en Energie? Hoe zit dit voor het bredere crisismanagement bij een fysiek tekort aan gas? Wie is dan de verantwoordelijke Minister?
Verantwoordelijke voor de uitvoering van het BH-G is ingevolge artikel 52ab, eerste lid, van de Gaswet en de afspraken omtrent de portefeuilleverdeling tussen bewindspersonen belegd bij de Minister voor Klimaat en Energie. Dit is ook beschreven in het Nationaal Crisisplan Gas (Bijlage bij Kamerstuk 29 023, nr. 283).
In het Nationaal Crisisplan Gas zijn ook afspraken vastgelegd over het breder crisismanagement in het kader van een gascrisis. Onder meer is vastgelegd dat de Minister van Justitie en Veiligheid de coördinerend Minister is op het gebied van de nationale crisisbeheersing.
Ten slotte geldt dat bij een fysiek gastekort waarbij gasleveringszekerheid in geding komt de nationale crisisstructuur opgeschaald wordt. De Minister van Justitie en Veiligheid is in dat geval de voorzitter van de ministeriële commissie voor crisisbeheersing (waarbij geldt dat dit voorzitterschap ook kan worden overgenomen door de Minister President).
Deelt u de mening dat in het geval dat er Nederlandse afnemers afgeschakeld dienen te worden om zo beschermde afnemers in andere landen te helpen, u maximale politieke druk dient uit te oefenen op andere landen dat zij ook al het maximale doen wat zij kunnen? Bijvoorbeeld dat Duitsland en België koste wat kost ervoor zorgen dat hun kerncentrales aan blijven staan?
Op grond van het [PM]solidariteitsmechanisme uit de verordening gasleveringszekerheid is Nederland verplicht om gehoor te geven aan een verzoek om solidariteit van rechtsreeks met Nederland verbonden lidstaten als zij gas nodig hebben om in de vraag van hun door solidariteit beschermde afnemers te voldoen. Lidstaten mogen op grond van de verordening gasleveringszekerheid slechts een beroep doen op dit mechanisme als zij alle maatregelen uit hun noodplan (in Nederland het BH-G) hebben toegepast. De Europese Commissie onderzoekt of de toepassing van maatregelen die lidstaten treffen ter bestrijding van een noodsituatie, waaronder een beroep op het solidariteitsmechanisme gerechtvaardigd zijn. Indien dit niet (langer) het geval is dient de betreffende lidstaten zijn maatregelen te wijzigen of beëindigen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden ruim voorafgaand het debat over de gasmarkt en leveringszekerheid begin juni?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het toezicht op werken op hoogte |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u de capaciteitsinzet (fte) voor het domein Gezond en Veilig, zoals weergegeven in het jaarverslag van de Nederlandse Arbeidsinspectie1, in de jaren 2018–2021 uitsplitsen naar sectoren en/of werkvelden, in het bijzonder voor de werkvelden asbestsanering, bouw en de installatie van zonnepanelen?
Ten aanzien van capaciteit is een tweetal ontwikkelingen van belang: de forse uitbreiding van de hele Nederlandse Arbeidsinspectie sinds 2018 en de doelstelling om ten aanzien van de arbeidsomstandigheden 50% van de capaciteit in te zetten op meldingen & verzoeken en 50% op actieve (preventieve) programma’s.
Het meerjarenplan 2019–20222 bevat een visueel inzichtelijke verdeling van de capaciteit over de programma’s, waaronder die voor Asbest en Bouw en Infrastructuur, waarin ook de groei tot uitdrukking komt. Het meerjarenplan bevat ook een visueel inzichtelijke verdeling van de capaciteit over de verschillende disciplines die nodig zijn voor het toezicht en de opsporing.3
Voor het gemak zijn de figuren4 met de capaciteitsgroei en -verdeling in de bijlage herhaald.
De Arbeidsinspectie heeft, zoals grafiek 1 in de bijlage laat zien, een programma Asbest en ook een programma voor Bouw en Infrastructuur. Voor de installatie van zonnepanelen is geen afzonderlijk programma of project. Dit onderwerp komt aan bod als er meldingen over gevaar of ongevallen zijn of als tijdens inspectiebezoeken door de inspecteur een gevaarzetting wordt geconstateerd.
Kunt u voor de meldingen van bedrijfsongevallen in 2017–20212 aangeven hoeveel van deze meldingen betrekking hadden op werken op hoogte en kunt u voor de laatste aangeven hoeveel van deze meldingen onderscheidenlijk de werkvelden asbestsanering, bouw en de installatie van zonnepanelen betrof?
In de periode van 2017 t/m 2021 hebben ongeveer 1.000 meldingen geleid tot een onderzoek betrekking hebbend op bedrijfsongevallen met werken op hoogte. Dit betreft 9% van het totaal aantal bedrijfsongevallen in de genoemde periode.
Daarnaast verwijs ik naar de monitor arbeidsongevallen 2015–2019 en de monitor arbeidsongevallen 2020 van de Arbeidsinspectie.6 Daaruit volgt een stabiel beeld dat het vallen van hoogte een van de belangrijkste oorzaken is van gemelde ongevallen. Dit vindt met name plaats in de bouw. Daarbij moet worden opgemerkt dat het bij deze monitoren uitsluitend gaat om ongevallen waarvoor een aanvullende vragenlijst is ingevuld in het kader van monitoring.
Dit aantal is iets lager dan het daadwerkelijk aantal bij de Arbeidsinspectie gemelde ongevallen, maar geeft voldoende inzicht in de cijfers en ontwikkelingen in het aantal gemelde en onderzochte ongevallen.
Bij welk deel van de in 2021 geconstateerde overtredingen bij asbestsaneringswerkzaamheden betrof het de regels voor het werken op hoogte (Arbeidsomstandighedenbesluit: artikel 3.16 en paragraaf 2/2a/2b van afdeling 4, hoofdstuk 7)?
Bij ongeveer 20% van de in 2021 geconstateerde overtredingen bij asbestsaneringswerkzaamheden betrof het de regels voor het werken op hoogte.
Kunt u voor de jaren 2017–2021 inzicht geven in het aantal boetebeschikkingen voor onveilig werken op hoogte in de werkvelden asbestsanering, bouw en de installatie van zonnepanelen?
Voor die periode betreft het aantal boetebeschikkingen voor onveilig werken op hoogte ongeveer 1.000. Daarvan had 9% betrekking op het werkveld asbestsanering. Voor het overige zagen de boetebeschikkingen rond dit gevaar met name op het werkveld bouw.
Kunt u aangeven hoeveel projecten en bedrijven geïnspecteerd zijn ten opzichte van het totaal aan projecten en bedrijven in de afgelopen vijf jaar in de werkvelden asbestsanering, bouw respectievelijk de installatie van zonnepanelen?
In de afgelopen vijf jaar zijn in totaal ongeveer 50.000 bedrijven geïnspecteerd. Daarvan had 13% betrekking op de werkvelden asbestsanering en bouw.
Kunt u aangeven wat de extra inzet op het controleren van veilig werken op hoogte bij de installatie van zonnepanelen concreet heeft betekend voor het aantal controles/de handhavingscapaciteit in dit werkveld ten opzichte van de jaren ervoor?3
Overeenkomstig het adagium «van streepjes naar effect», ligt de focus van de Arbeidsinspectie niet op capaciteit of het aantal controles, maar op het te bereiken effect: gezond en veilig werk. Het inzichtelijk maken van effect is uiteraard ingewikkelder dan te rapporteren over het aantal controles. Een concreet voorbeeld kan dit inzichtelijk maken.
Een energiebedrijf verzorgt voor een bedrijf met veel dakoppervlakte de installatie van zonnepanelen. Daarbij worden ook onderaannemers in de arm genomen. Tijdens een inspectie constateren twee inspecteurs een onveilige werkwijze bij de werkzaamheden op hoogte. Uit een gesprek met het energiebedrijf, dat de inspecteurs samen met een specialist van het Inspectiebrede Kenniscentrum voeren, blijkt dat niet goed is nagedacht over het veilig plaatsen van de zonnepanelen. De gekozen werkwijze blijkt niet acceptabel voor de Arbeidsinspectie; de arbeidshygiënische strategie wordt niet goed gevolgd. Zo is er bijvoorbeeld sprake van onvoldoende randbeveiliging en afscherming in de nabijheid van lichtkoepels en lichtstraten. Deze situatie wordt aangetroffen op een locatie in Noord Nederland. In dezelfde periode legt een inspecteur in Zuid Nederland installatiewerkzaamheden van zonnepanelen stil vanwege valgevaar, welke in opdracht van dezelfde opdrachtgever blijkt plaats te vinden. Daarnaast komt in het oosten van het land een melding binnen over een gevaarlijke situatie bij installatiewerkzaamheden. Wanneer de inspecteur ter plaatse langs gaat, worden ook daar de installatiewerkzaamheden stilgelegd.
Het bij elkaar brengen van informatie en de stapeling van gevaarlijke situaties leidt tot een gesprek met de opdrachtgever en ondernemers.
Dit heeft als resultaat opgeleverd dat bij de werkzaamheden extra en overall toezicht komt door de opdrachtgever. Ook het bedrijf op wiens panden zonnepanelen worden aangelegd, gaat toezicht op de werkzaamheden uitvoeren. Naar aanleiding van het stilgelegde werk is er een procedure opgesteld waarbij personen die op het dak willen komen extra worden geïnstrueerd. De panden staan volledig in de dakrandbeveiliging, zowel aan de binnenzijde als ook aan de buitenzijde (zoals het hoort). Voor het werken in de nabijheid van de daklichtkoepels, wordt gebruikt gemaakt van een harnasgordel met gebiedsbeperking, aangezien het systeem van de legrichting van de zonnepanelen daar niet meer veranderd kan worden. Nadat de inspecteurs ter plaatse zijn geweest, worden de stilleggingen opgeheven. Naast een verbetering van de werkomstandigheden op drie locaties waar de Arbeidsinspectie aanwezig was, levert de aangepaste werkwijze van de opdrachtgever verbetering op voor in ieder geval tientallen daken van het bedrijf op wiens panden zonnepanelen worden aangelegd.
Zowel in het programma Bouw en Infrastructuur als in het programma Asbest is de afgelopen jaren brede ervaring opgedaan met een ketenbenadering, waarvan bovenstaande situatie een voorbeeld is. In de programmarapportages zal op de resultaten worden ingegaan bij afronding van de programma’s in 2022 respectievelijk 2023. Vooruitlopend daarop kan de Arbeidsinspectie een technische briefing over beide programma’s verzorgen indien uw Kamer dat wenst.
Kunt u voor dit jaar voor de onderscheiden werkvelden/sectoren meer inzicht geven in hoeveel fte actief is met toezicht in deze werkvelden/sectoren, in het bijzonder voor de werkvelden asbestsanering, bouw en de installatie van zonnepanelen?
Eind 2022 zal de capaciteit van de Arbeidsinspectie circa 1570 fte zijn. De verdeling over de verschillende disciplines is dan grosso modo, zoals in grafiek 2 in de bijlage weergegeven.
Uitgaande van de toedeling van alle disciplines aan de programma’s, geldt dat van de totale capaciteit voor het domein gezond & veilig werk circa 50% voor inspectiewerk naar aanleiding van meldingen en verzoeken («reactief/responsief») is en circa 50% voor risicogestuurd («actief») inspectiewerk. Van de actieve capaciteit gaat circa 6% naar het programma Bouw en circa 9% naar het programma Asbest.
De verdeling van capaciteit over de programma’s vloeit voort uit de inspectiebrede risicoanalyse (IRA 4.0) en de omgevingsanalyse (OMA). Daarin wordt gewogen hoe de risico’s waar programma’s zich op richten, zich qua zwaarte tot elkaar verhouden.8
In het najaar wordt het nieuwe meerjarenplan opgesteld en naar de Tweede Kamer gezonden.
De brandbrief van de NVvR over de werkdruk rechtspraak en OM |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de brandbrief van de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak (NVvR) aan de Raad voor de Rechtspraak (RvdR) over de hoge werkdruk bij de rechtspraak en het Openbaar Ministerie (OM)?1
Dat de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie te kampen hebben met een hoge werkdruk is bekend en is al geruime tijd onderwerp van gesprek tussen het ministerie en de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal. De Raad voor de rechtspraak heeft de brief van de NVvR zo snel mogelijk schriftelijk beantwoord en heeft hierover op 30 mei jl. met de NVvR gesproken. Daar is met de NVvR gedeeld dat ook de Raad van mening is dat het huidige overwerkniveau te hoog is; er heeft een daling plaatsgevonden, maar die is nog te gering. De Raad heeft onder de aandacht gebracht welke acties in gang zijn gezet. Het College heeft ook een reactie gestuurd aan de NVvR en het onderwerp geagendeerd voor het eerstkomende bestuurlijk overleg.
Wat vindt u van de volgende constatering van de NVvR: «Het tekort aan rechters of het tekort aan financiering voor de rechtspraak om voldoende rechters aan te stellen wordt nog steeds opgelost door meer van rechters te vragen dan waarvoor zijn worden betaald en dit ten koste van de duurzame inzetbaarheid. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor de uitstroom van rechters en op de aantrekkelijkheid van werken bij de rechtspraak.»2 Deelt u de mening dat dit zo niet langer kan?
Ik onderschrijf de constatering dat er hoge eisen worden gesteld aan rechters en officieren van justitie. Zij doen zeer verantwoordelijk werk met soms grote gevolgen voor partijen in een omgeving die steeds complexer wordt en steeds meer specialisatie en maatwerk vraagt. Het OM en de Rechtspraak zijn zich zeer bewust van de risico’s die het hoge niveau van overwerk en werkdruk met zich meebrengt en nemen daartoe de benodigde maatregelen. Zie hiervoor het antwoord op vragen 5, 6 en 7.
Welke risico’s brengt dit volgens u met zich mee voor de kwaliteit van het cruciale werk van de zittende en de staande magistratuur?
De Rechtspraak en het Openbaar Ministerie zorgen ervoor dat de kwaliteit van het werk op het benodigde hoge peil blijft. Wel heeft de personeelskrapte gevolgen voor het aantal uren dat wordt gewerkt en voor de doorlooptijden waarmee rechtszaken kunnen worden afgehandeld. Ik waardeer zeer dat het verantwoordelijkheidsgevoel, de loyaliteit en bevlogenheid van de medewerkers van de Rechtspraak en het OM groot is, maar erken ook dat dit soms op gespannen voet kan staan met de duurzame inzetbaarheid en vitaliteit van individuele medewerkers. Het langdurig voortbestaan van een hoog niveau van overwerk en werkdruk is niet wenselijk. Voor elke werkgever geldt daarom dat ze waakzaam moet zijn voor overbelasting van medewerkers. Zoals gesteld in het antwoord op vraag 1 hebben het OM en de Rechtspraak de problematiek van het overwerk en de werkdruk al geruime tijd op de agenda en worden daartoe maatregelen getroffen. Zie hiervoor het antwoord op vragen 5, 6 en 7.
Deelt u de mening dat er sprake is van structureel overwerk en dat dit onaanvaardbaar is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Welke rol kent u uzelf toe om de capaciteit van de opleidingen te vergroten en te zorgen voor voldoende opleiders?
Zoals aangegeven is het gesprek over werkdruk gaande. De Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal hebben de werkdrukproblematiek binnen de Rechtspraak en het OM al geruime tijd geleden op de agenda gezet en zij hebben de ambitie om maatregelen te treffen om de werkdruk te verlagen. Daarnaast spreken de Rechtspraak en het OM de verwachting uit om binnen de bestaande en de nieuwe middelen innovatiever en efficiënter te gaan werken om zaken praktischer maar kwalitatief net zo verantwoord af te doen. De rol van de Minister van Justitie en Veiligheid en voor Rechtsbescherming ten aanzien van het OM en Rechtspraak bestaat eruit de randvoorwaarden te scheppen om Raad en College in staat te stellen de noodzakelijke maatregelen en voorzieningen te treffen. Zoals aangegeven in de zogenoemde hoofdlijnenbrief (9 februari 2022, Kamerstukken II, 35 925 VI, nr. 132 wordt aan de Rechtspraak en het OM structureel extra budget toegekend om de organisaties toekomstbestendig te maken, onder meer in termen van capaciteit, wendbaarheid, kwaliteit van de informatievoorziening, digitalisering en innovatie en voor verbetering van de ketensamenwerking.
Om de werkdruk te verlagen is het OM bovenop de reguliere instroom van officieren van justitie reeds vorig jaar gestart met het laten instromen en opleiden van 100 extra officieren. Daarbij zijn nieuwe methoden ingezet om – gegeven de krappe arbeidsmarkt – kandidaten te werven en te selecteren. Ook is de wijze van opleiden gemoderniseerd en zijn loopbaanpaden geconcretiseerd om het werken bij het OM aantrekkelijker te maken. Met officieren van justitie die werken in management- en beleidsfuncties is afgesproken dat zij een vastgesteld aantal uren per maand op strafzaken worden ingezet.
Uit recent tijdsbestedingsonderzoek van het OM is gebleken dat officieren van justitie relatief veel tijd moeten besteden aan werkzaamheden die niet in direct verband staan met het behandelen van strafzaken. Het gaat hier onder meer om beleidsoverleggen met ketenpartners. Het College heeft de ambitie het volume van deze indirecte werktijd terug te dringen. Zo zullen vaker medewerkers met een ander type functie, zoals beleidsmedewerkers en interventiespecialisten, voor dit type werk worden ingezet. Eén van de oorzaken van de hoge werkdruk bij het OM is haperende ICT. Het OM is een programma gestart om de continuïteit van de ICT te waarborgen en het aantal verstoringen is de laatste maanden afgenomen.
Aan de Raad voor de rechtspraak worden extra middelen toegekend om onder meer de personele capaciteit op orde te krijgen. Over de precieze uitwerking daarvan wordt u de komende maanden nader geïnformeerd. De prijsbesprekingen met de Raad voor de rechtspraak voor de periode 2023–2025 zijn momenteel gaande. De Raad investeert onder andere in een uitbreiding van de opleidingscapaciteit. Waar eerst 80 nieuwe rechters per jaar werden aangetrokken en opgeleid, zijn dat er momenteel 130. Daarnaast worden meer juridisch medewerkers aangetrokken, wordt de ICT ondersteuning verbeterd en worden niet-rechters ingezet als projectleiders en/of teamvoorzitters. Het verminderen van de werkdruk is een expliciet aandachtspunt in de leiderschapscursussen en in het Medewerkerswaarderingsonderzoek. Ook is er de mogelijkheid om een Mental Heath Check aan te vragen en vinden jaarlijkse evaluatiegesprekken plaats waarin aandacht wordt besteed aan de werkdruk. Onder Tijdige rechtspraak wordt gewerkt aan de verbetering van het roosteren en plannen. Dit brengt, naast het doel van het terugdringen van de doorlooptijden, meer rust en regelmaat – en daarmee werkplezier – in de agenda. Tot slot zal de werkdruk en het overwerk aan de orde komen in de visitatie gerechten die dit jaar wordt uitgevoerd. De visitatie ziet hoofdzakelijk op de invoering van de professionele standaarden, die voor een deel zijn ingezet om de werkdruk te verminderen.
Wat gaat u doen om het bredere probleem van de werkdruk te bespreken en bij te dragen aan oplossingen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u in ieder geval bereid om met de RvdR, het OM en de NVvR hierover in gesprek te gaan en de Kamer te informeren over de maatregelen die u kunt nemen om de werkdruk te verminderen en de kwaliteit te waarborgen?
Zie antwoord vraag 5.
Het besluit van het Israëlisch Hooggerechtshof dat de weg vrijmaakt voor gedwongen uitzetting van een grote groep Palestijnen uit Masafer Yatta. |
|
Kati Piri (PvdA), Jasper van Dijk (SP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kritiek op besluit Israëlisch Hooggerechtshof om duizend Palestijnen te verdrijven»?1
Ja.
Deelt u de verontwaardiging en onvrede over de uitspraak van het Hooggerechtshof over de legaliteit van gedwongen uitzetting van een grote groep Palestijnen uit Masafer Yatta?
Met de uitspraak van het Israëlische Hooggerechtshof is herbevestigd dat de Israëlische regering het Masafer Yatta-gebied als militair oefenterrein mag gebruiken en dat de Palestijnse bewoners geen eigendomsrechten in het gebied kunnen doen gelden. Met deze uitspraak staat het Israël vrij om meer dan 1000 Palestijnen uit huis te plaatsen, hun dorpen te doen verlaten en gebouwen te slopen.
Nederland respecteert de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Israël, maar is zeer bezorgd over de mogelijke gevolgen van deze uitspraak. Nederland heeft Israël bilateraal, en in een verklaring met veertien EU-lidstaten, opgeroepen hier geen actieve opvolging aan te geven. De eerste zorgelijke berichten van vernielingen zijn echter reeds bekend. Hierop volgend heeft een demarche plaatsgevonden in EU-verband bij het Israëlische Ministerie van Buitenlandse Zaken en is nogmaals bepleit dat geen verdere actieve opvolging wordt gegeven aan de uitspraak van het Hooggerechtshof.
Deelt u de analyse van mensenrechtenorganisaties dat het verdrijven van Palestijnen uit het gebied waar zij al decennia wonen, volstrekt ontoelaatbaar en een schending van het internationaal recht is?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u, in navolging van een woordvoerder van de EU, de uitspraak van het Hooggerechtshof over de verdrijving veroordelen?
Nederland respecteert de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Israël, maar is zeer bezorgd over de mogelijke gevolgen van deze uitspraak van het Hooggerechtshof. Nederland heeft Israël bilateraal, en in een verklaring met veertien EU-lidstaten, opgeroepen geen actieve opvolging te geven aan de uitspraak van het Hooggerechtshof. Daarnaast is in EU-verband een demarche uitgevoerd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Israël. Nederland wijst de Israëlische overheid consistent op haar internationaalrechtelijke verplichtingen, zowel bilateraal als in EU-verband.
Gaat u contact opnemen met de Israëlische autoriteiten om de onrechtmatigheid van de uitspraak te benadrukken en erop aan te dringen dat de Palestijnse dorpelingen niet uit hun huizen in Masafer Yatta worden gezet? Zo nee, op welke andere manier gaat u druk uitoefenen om de uitspraak terug te draaien? Zo ja, op welke termijn?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om in Europees verband ervoor te pleiten om druk uit te oefenen op Israël om niet tot gedwongen uitzetting over te gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat de gemeenschap in Masafer Yatta humanitaire hulp van EU-landen heeft ontvangen? Heeft Nederland hier ook aan bijgedragen?
Op de Westelijke Jordaanoever zijn verschillende VN-organisaties actief die humanitaire hulp bieden. Nederland draagt financieel bij aan deze organisaties, maar heeft geen eigen humanitaire hulp verleend aan de gemeenschap in Masafer Yatta.
Op welke manier gaat Nederland (al dan niet in EU-verband) bijdragen aan de bescherming van de gemeenschap in Masafer Yatta?
Zie antwoord op vragen 4, 5 en 6.
Wat is de positie van Nederland als Israël daadwerkelijk overgaat tot gedwongen uitzetting?
Ontwikkelingen in deze specifieke casus worden nauwgezet gevolgd, en Nederland blijft de Israëlische overheid consistent op haar internationaalrechtelijke verplichtingen wijzen. Nederland blijft zich uitspreken tegen unilaterale stappen die een toekomstige twee-statenoplossing bemoeilijken en verder op afstand plaatsen. Zie daarnaast ook het antwoord op vraag 2 en 3.
Welke stappen gaat u zetten om de groep Palestijnen uit Masafer Yatta te beschermen als Israël daadwerkelijk overgaat tot huisuitzettingen?
Zie antwoord vraag 9.
Een lijst van 6000 mensen die het regime van de Russische president Poetin steunen, gepubliceerd door de gevangen oppositiepoliticus Navalny |
|
Stieneke van der Graaf (CU) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er door medestanders van Navalny een lijst is opgesteld van mensen die direct te linken zijn aan Poetin, maar toch niet onder het bereik van de sancties vallen?1
Ja.
Hoe waardeert u de stelling dat een groep van 6.000 mensen die in relatie staan tot de president Poetin, buiten de scope van de sancties vallen? Kunt u deze stelling bevestigen?
Voor het plaatsen van personen op de Europese sanctielijsten dient te worden voldaan aan de listingcriteria van het desbetreffende sanctieregime. Voor het sanctieregime betreffende ondermijningen of bedreigingen van de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne gaat het onder andere om het materieel of financieel bijdragen aan dergelijke acties en het materieel of financieel steun verlenen aan, of profijt trekken van, de regering van de Russische Federatie. Nederland is binnen de EU op doorlopende basis in gesprek over het toevoegen van personen en entiteiten aan deze sanctielijst, is voorstander van listings indien deze aansluiten bij de listingcriteria en bijdragen aan de doelstellingen van het bredere beleid waar sancties onderdeel van uitmaken: de prijs voor de invasie zo hoog mogelijk te maken en de capaciteiten van Rusland tot oorlogvoering in te perken. Verschillende groepen personen op deze lijst, zoals alle leden van de Russische Veiligheidsraad, de Doema en de Federatieraad, zijn om deze redenen reeds geplaatst op de EU-sanctielijst. Nederland is in gesprek met partners zowel binnen als buiten de EU over het toevoegen van namen aan de sanctielijst, waarbij ook gekeken wordt naar suggesties aangedragen door derde partijen, inclusief deze lijst.
Bent u bereid het sanctiepakket zo uit te breiden dat deze groep wel onder het bereik van de sancties valt? Waarom wel of niet? En, zo ja, hoe wilt u dit doen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om samen met andere landen op te trekken en andere landen zo nodig aan te sporen actie te ondernemen om deze mensen onder het bereik van de sancties te krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Het artikel ‘Fonds van 250 miljard moet eurozone versterken’ |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekent met het artikel «Fonds van 250 miljard moet eurozone versterken»?1
Ja.
Kunt u een eerste appreciatie geven over de permanente aard van een Euronoodfonds ESM, zoals wordt voorgesteld?
De ESM-staf heeft op 5 mei jl. een discussiepaper gepubliceerd waarin wordt gepleit voor een stabiliteitsfonds voor de eurozone, waarin het ESM zou kunnen voorzien. Er is geen sprake van een formeel voorstel. Het stabilisatiefonds zou een omvang krijgen van 250 miljard euro en goedkope, langlopende leningen aan lidstaten verstrekken indien zij getroffen worden door een externe economische schok. Een dergelijk fonds zou binnen de bestaande ESM-structuur vormgegeven worden, waarbij gebruik wordt gemaakt van de huidige leencapaciteit.
Het kabinet is terughoudend waar het gaat om voorstellen voor een centrale stabilisatiefunctie voor de eurozone, vanwege twijfels over de noodzaak, en zorgen om de risico’s. Lidstaten die voldoende buffers hebben, kunnen middels de eigen begroting hun economie stabiliseren tijdens economische schokken, en hebben het ESM niet nodig. Private risicodeling via kapitaalmarkten en kredietmarkten is daarnaast een aantrekkelijk alternatief voor publieke stabilisatie. Landen die in financiële problemen dreigen te raken kunnen reeds terecht bij het ESM. De toegevoegde waarde ten opzichte van het bestaande ESM-instrumentarium is niet duidelijk. Toegang tot goedkope leningen uit een stabilisatiefonds neemt bovendien de druk weg bij lidstaten om hun schulden geleidelijk maar gestaag te laten dalen. Sommige eurolanden hebben vanwege hun hoge overheidsschuld op dit moment weinig begrotingsruimte om te stabiliseren. Dit noopt echter eerder tot beleid dat schulden op een houdbaar pad brengt dan tot de introductie van een nieuw stabiliteitsfonds. Verder is het kabinet kritisch over de inzet van de bestaande leencapaciteit van het ESM voor een dergelijk fonds. De maximale leencapaciteit van het ESM is 500 miljard euro. Indien hiervan 250 miljard wordt gereserveerd voor een stabilisatiefonds is het resterende bedrag om lidstaten in financiële nood bij te staan aanzienlijk kleiner. Bij een volgende grote crisis is de kans groter dat de beschikbare leencapaciteit onvoldoende is en er aanvullende garanties door de deelnemende landen moeten worden afgegeven.
Deelt u de mening dat een Euronoodfonds van permanente aard dat leningen verstrekt, een goede aanvulling is op de reeds bestaande financiële instrumenten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Ziet u de meerwaarde in het koppelen van hervormingen aan het aanspraak kunnen maken op dit Euronoodfonds met als inzet dat de Europese economieën meer naar elkaar toegroeien?
Het kabinet hecht ten algemene veel waarde aan structurele hervormingen die het groeivermogen en de weerbaarheid van lidstaten versterken, en zo een belangrijke bijdrage leveren aan de economische convergentie binnen de EU. Nederland steunt daarom de voorwaarde die is verbonden aan het gebruik van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (Recovery and Resilience facility, RRF), namelijk dat lidstaten plannen indienen met daarin zowel investeringen als hervormingen. Voor gebruik van bestaande ESM-instrumenten geldt op grond van het ESM-verdrag dat hieraan stringente voorwaarden worden gesteld die passend zijn voor het gekozen financiële-bijstandinstrument. Daarbij kan het ook gaan om hervormingen. Overigens wordt in het discussiepaper van de ESM-staf geen melding gemaakt van hervormingen als voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op het voorgestelde stabilisatiefonds.
Het nieuws dat patiënten door heel Nederland geen huisarts kunnen vinden in hun eigen woonplaats |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuws dat patiënten door heel Nederland geen huisarts kunnen vinden in hun eigen woonplaats?1
Ja, het is mij bekend dat er regio’s zijn waar mensen moeite hebben om zich in te schrijven bij een huisartsenpraktijk.
Vindt u ook dat iedereen in Nederland recht heeft op een huisarts in zijn/haar buurt? Zo ja, wat kunt u doen om te zorgen dat mensen zich weer kunnen inschrijven bij de huisarts in hun eigen woonplaats?
Ja, mensen hebben op basis van de zorgverzekeringswet recht op huisartsenzorg. Zorgverzekeraars hebben een zorgplicht en moeten er dus voor zorgen dat deze zorg beschikbaar is. Dit betekent onder meer dat een verzekeraar zich moet inspannen om voor voldoende aanbod van huisartsenzorg te zorgen. Zo is in de handvatten voor zorgverzekeraars2 opgenomen dat in geval van mogelijke discontinuïteit van zorg de verzekeraar moet «signaleren en anticiperen». Zoals de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in de recente monitor contractering huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg constateerde3, is het een gezamenlijke opgave van huisartsen, regionale samenwerkingsverbanden en zorgverzekeraars om de toegankelijkheid van de huisartsenzorg te garanderen. Hiervoor is goede regionale samenwerking nodig.
Om te zorgen dat de huisartsenzorg nu en in de toekomst toegankelijk blijft, zet ik in op verschillende sporen. Zo zijn in het coalitieakkoord middelen gereserveerd om extra huisartsen op te leiden en om de organisatiegraad van de basiszorg te versterken. Beide maatregelen moeten bijdragen aan het verminderen van de druk op de huisartsenzorg en het creëren van meer tijd voor de patiënt in de huisartsenpraktijk. Desondanks is het een grote opgave om de druk op de (huisartsen)zorg behapbaar te houden, met een krappe arbeidsmarkt en vergrijzende bevolking. Over die opgave wil ik afspraken maken met partijen in het integraal zorgakkoord.
Wat kunnen de gevolgen zijn voor de gezondheid van mensen die niet bij een huisarts staan ingeschreven?
Het is wenselijk dat mensen bij een huisarts staan ingeschreven. In sommige regio’s is het lastig om een huisarts te vinden die nog ruimte heeft om nieuwe mensen in te schrijven. In sommige gevallen kan de zorgverzekeraar – via zorgbemiddeling – helpen bij het vinden van een (tijdelijke) oplossing. Als er geen andere mogelijkheden zijn en acute of incidentele huisartsenzorg wel noodzakelijk is, kan iemand geholpen worden als «passant» bij een huisarts waar iemand niet staat ingeschreven. Op deze wijze kan medisch noodzakelijke zorg dus toch verleend worden. Uiteraard is het voor de continuïteit van zorg niet behulpzaam als mensen niet bij een huisarts staan ingeschreven.
Ziet u uitgestelde zorg als een reëel risico voor deze mensen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is mij niet bekend dat de druk op de huisartsenzorg op dit moment tot uitgestelde zorg leidt. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, zie ik het wel als belangrijke opgave om samen met partijen te zorgen dat de huisartsenzorg ook in de toekomst beschikbaar en toegankelijk blijft. Inschrijving bij een praktijk draagt uiteraard ook bij aan de continuïteit van zorg, een van de kernwaarden van de huisartsenzorg.
Wat is het gevolg van overbelasting van de huisarts voor de inzet op preventie, waar juist de huisarts een belangrijke rol kan spelen?
Huisartsen dienen voldoende tijd te hebben voor het uitvoeren van hun kerntaken. Een van die kerntaken is preventieve zorg. Huisartsen hebben een belangrijke taak bij het signaleren en bespreekbaar maken van problemen op het gebied van gezondheid en leefstijl en bij het voorkomen van (complicaties van) chronische ziekten. In sommige gevallen vragen de gesprekken hierover meer tijd. Ik ben voornemens om met partijen in het integraal zorgakkoord afspraken te maken over het verder opschalen van initiatieven rondom «meer tijd voor de patiënt» en de inzet op preventieve zorg in het curatieve domein.
Wat is het gevolg van de overbelasting van de huisarts op zijn capaciteit om als poortwachter te functioneren voor de tweedelijnszorg? Leidt dit tot een hogere werkdruk in de tweedelijnszorg?
Het is niet bekend of de huidige druk op de huisartsenzorg leidt tot meer druk op de tweedelijnszorg. Wel zien we in het land al goede voorbeelden hoe «meer tijd voor de patiënt» bij de huisarts kan leiden tot minder (onnodige) doorverwijzingen naar de tweede lijn.
Is het realistisch om een beroep te doen op de huisartsenzorg om de druk op de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) te verlichten als ook de druk op de huisartsen nu al zo hoog is? Zo ja, waarom?
U constateert terecht dat zowel de ggz als huisartsenzorg onder druk staan. Hierover spreek ik ook met partijen in het kader van het af te sluiten integraal zorgakkoord. Ik ben voornemens afspraken te maken over een betere samenwerking tussen de huisartsenzorg, de ggz en het sociaal domein. Een deel van de druk ontstaat doordat deze domeinen onvoldoende van elkaars kennis gebruik (kunnen) maken en doordat er nog niet altijd sprake is van de juiste zorg of ondersteuning op de juiste plek. Door betere samenwerkingsafspraken te maken en vanuit de overheid samenwerking beter te faciliteren, verwacht ik dat de druk in het gehele zorgpad voor mensen met psychische klachten vermindert. Daar plukken zowel de huisartsenzorg als ggz de vruchten van.
Hoe beoordeelt u het nieuws dat 50% van de huisartsen twijfelt over zijn toekomst in de gezondheidszorg2 en dat steeds minder huisartsen ervoor kiezen om praktijkhouder te worden?3
Ik vind het een ernstig signaal dat een groot deel van de huisartsen twijfelt of zij in de gezondheidszorg werkzaam willen blijven. Het is belangrijk dat huisartsen hun werk met plezier kunnen uitvoeren. De vraag hoe huisartsen plezier hebben en houden in hun werk raakt aan de basis van hoe de huisartsenzorg georganiseerd is. Hierover spreek ik met partijen in het kader van het integraal zorgakkoord.
Ook vanuit het programma «Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en welzijn; Samen anders leren en werken» zal ik met partijen in gesprek gaan over het belang van goed werkgeverschap en de noodzaak om de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en continuïteit van de huisartsenzorg door meer schouders te laten dragen. Ook onderzoek ik hierbij graag hoe we kunnen komen tot een verlichting van de werkdruk, bijvoorbeeld via herijking van taken of functies. Samenwerking in de regio, tussen huisartsen en waar relevant met andere zorgaanbieders, zal daarbij mogelijk kunnen bijdragen.
We zien al jaren een verschuiving in de verhouding tussen het aandeel praktijkhouders en waarnemers. Dit legt een onevenredig grote druk bij de praktijkhouders, voor wie het ook steeds moelijker wordt om een opvolger te vinden. Dit vraagt om een gesprek over de toekomst van de huisartsenzorg en de (verantwoordelijkheids)verdeling tussen praktijkhouders en huisartsen met andere dienstverbanden. Primair vind ik dat aan de beroepsgroep van de huisartsen zelf, maar ik ga hierover graag met hen in gesprek.
Hoe ziet u de toekomst van de huisartsgeneeskunde voor u? Wilt u blijven sturen op een systeem met praktijkhouders? Of zou de huisartsengeneeskunde in de toekomst anders moeten worden vormgegeven?
Met een blijvend krappe arbeidsmarkt, een vergrijzende bevolking, de toename van (leefstijlgerelateerde) chronische ziekten en de ambitie om kwetsbare mensen steeds langer thuis te laten wonen, zal de druk op de huisartsenzorg – en basiszorg in den brede – de komende jaren niet afnemen. Dit vraagt om een stevige transformatie binnen de basiszorg om tot een passende organisatie van zorg te komen die toekomstbestendig is. Hierover wil ik met betrokken partijen afspraken maken in het integraal zorgakkoord. De vraag hoe de huisartsenzorg als onderdeel van de basiszorg vormgegeven moet worden, is hierbij expliciet onderwerp van gesprek. Op de uitkomsten van deze gesprekken wil ik niet vooruitlopen. Wel kan ik aangeven dat de principes van passende zorg en een versterking van de organisatiegraad van de basiszorg wat mij betreft belangrijke elementen zijn om de huisartsenzorg toekomstbestendig te organiseren.
De drempels die de NVWA opwerpt voor de opvang van honden uit het Oekraïense oorlogsgebied |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «De ongelijke behandeling van dieren uit Oekraïne» en «Inbeslagname Oekraïense honden drijft baasjes tot wanhoop: «Ze dragen je kind weg»»?1 2
Ja.
Klopt het dat Oekraïense honden niet de gebruikelijke maand in (thuis)quarantaine gaan (gevolgd door een titertest), maar vier maanden in quarantaine moeten op een externe locatie? Zo ja, waarom wordt er voor een afwijkende quarantainenorm gekozen? Zo nee, hoe zit het dan?
Allereerst wil ik benadrukken, zoals ik ook heb aangegeven in mijn brief van 31 maart 2022 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1408), dat er een verschil is tussen gezelschapsdieren met en zonder eigenaar.
Er is hier geen afwijkende quarantainenorm gekozen. Het gaat hier om dieren die vanuit een derde land op het grondgebied van de Europese Unie zijn gebracht, zonder eigenaar. Daarop is verordening 2020/692 (artikelen 73 tot en met 78) van toepassing. Die verordening voorziet in voorschriften ter bescherming van de volks- en diergezondheid, onder meer ter voorkoming van besmettingen van mensen en dieren met rabiës. Dat betekent dat de dieren moeten zijn gechipt en vergezeld moeten gaan van een diergezondheidscertificaat dat is afgegeven door de bevoegde autoriteit van het derde land. Daaruit moet duidelijk worden dat de dieren, zoals vereist in voornoemde verordening, tegen rabiës zijn gevaccineerd, minstens dertig dagen na de vaccinatie een bloedtest voor een antistoffenbepaling hebben ondergaan en dat na een geldige antistoffenbepaling drie maanden is gewacht om een eventueel aanwezige besmetting met rabiës uit te sluiten.
Ik begrijp goed dat het buitengewoon ingrijpend is als eigenaren of verzorgers van dieren worden gescheiden. Dit gebeurt dan niet zonder reden: Oekraïne is een hoogrisicoland voor rabiës. Honden uit Oekraïne die niet aan de Europese regels voldoen, vormen een risico voor de Nederlandse bevolking en dieren. Rabiës is een zeer gevaarlijke en besmettelijke zoönose, die hondsdolheid bij dieren en mensen kan veroorzaken en zonder snelle behandeling bij de mens dodelijk is. Deze ziekte kost wereldwijd jaarlijks 50.000 mensen het leven. Op dit moment is Nederland vrij van die ziekte, en de handhaving van deze regelgeving heeft tot doel om de insleep van deze dierziekte in Nederland te voorkomen.
Wanneer honden uit Oekraïne niet voldoen aan de Europese voorschriften, worden deze op een opvanglocatie in officiële afzondering geplaatst. Op de opvanglocatie wordt met aandacht voor de dieren gezorgd door ervaren dierverzorgers. Zij houden in de verzorging rekening met het gedrag en welzijn van de dieren. Tijdens deze afzondering wordt er op toegezien dat de honden alsnog voldoen aan de regels: chippen, vaccineren, bloedtest en daarna nog drie maanden wachten ter uitsluiting van een eventueel aanwezige besmetting. Dat duurt grosso modo vier maanden. Vanuit haar wettelijke taak moet de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hierop toezien en handhaven, onder toepassing van de officiële controleverordening van de Europese Unie (verordening 2017/625). Artikel 66, eerste lid, tweede alinea, van die verordening schrijft voor dat dieren in afzondering of quarantaine worden geplaatst, onder passende omstandigheden; het derde lid, onderdeel c, van voornoemd artikel bepaalt verder dat, voor zover hier van belang, de dieren aan een passende behandeling of aan andere maatregelen worden onderworpen die noodzakelijk zijn om aan de desbetreffende Europese voorschriften te voldoen.
Dit alles volgt uit de toepassing van de reguliere Europese voorschriften voor het binnenbrengen van dieren, dus ook gezelschapsdieren, op het grondgebied van de Europese Unie.
Voor gezelschapsdieren die met hun eigenaar meereizen vanuit een derde land naar de Europese Unie, geldt andere Europese regelgeving (verordening 2013/576). Die regelgeving voorziet eveneens in regels ter bescherming van mensen en dieren tegen rabiës. De Europese Commissie heeft lidstaten opgeroepen tijdelijk flexibel om te gaan met de toepassing van die verordening ten aanzien van dieren die zijn meegekomen met vluchtelingen uit Oekraïne en Rusland. Op 31 maart 2022 heb ik uw Kamer mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over deze tijdelijke versoepelingen geïnformeerd (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1408).
In antwoord 5 ga ik in op een relevante uitspraak door de voorzieningenrechter van 16 juni jl. (College van Beroep voor het Bedrijfsleven, zaaknummer: 22/838).
Is er een verschil in rabiësrisico tussen enerzijds een hond die bij de Poolse grens een rabiësvaccinatie krijgt, daar een maand in (thuis)quarantaine gaat, een Pools hondenpaspoort krijgt en die naar Nederland wordt gehaald en anderzijds een hond die direct vanuit Oekraïne naar Nederland wordt gehaald, hier een maand in (thuis)quarantaine gaat, gevaccineerd wordt en na een maand een titertest krijgt? Zo nee, waarom wordt er dan niet in het belang van het dier voor een kortere gecontroleerde quarantaine gekozen?
Het passeren van een landgrens verandert het risico op de aanwezigheid van rabiës bij een individueel dier niet. Het is ten algemene voor de gezondheid van het dier en van de mensen en de dieren in de omgeving belangrijk dat dieren zo snel mogelijk worden gevaccineerd tegen rabiës om risico’s bij contacten tussen dier en mens zo laag mogelijk te houden. Zo wordt ook eerder aan de voorschriften van verordening 2020/692 voldaan. In sommige gevallen is het helaas niet zeker of de rabiësvaccinatie daadwerkelijk gegeven is aan de grens, bijvoorbeeld omdat het dier geen chip had op het moment van vaccineren. Daarom moet er, gezien de risico’s, uit voorzorg van uit worden gegaan dat ten aanzien van de dieren niet is voldaan aan de regels, en dat dit alsnog zeker moet worden gesteld. Dit is ook in het belang van het dier en de (nieuwe) eigenaar. Mocht de eigenaar in de toekomst willen reizen, dan ondervindt deze geen problemen als het dier voldoet aan de Europese regels.
Kunt u uitleggen op welke manier de Poolse omgang met Oekraïense honden verschilt van de Nederlandse, ook vanwege het gegeven dat Oekraïense honden in Polen al na een maand een titertest krijgen en dan naar een nieuwe eigenaar mogen?
Polen past dezelfde regels toe als Nederland: verordening 2020/692 over het binnenbrengen van dieren in de Europese Unie vanuit derde landen. En, wanneer bij het binnenbrengen in de Europese Unie niet aan de regels is voldaan, passen lidstaten artikel 66, eerste en derde lid, van verordening 2017/625 toe: de dieren moeten alsnog voldoen aan de Europese voorschriften en ondertussen in afzondering of quarantaine worden gehouden. Het kan zo zijn dat sommige lidstaten de toepassing van de regels over afzondering of quarantaine, zoals voorgeschreven in voornoemd artikel, anders invullen. Nederland heeft dit onlangs in EU-verband aangekaart om tot meer afstemming van het quarantaine- c.q. afzonderingsbeleid te komen tussen lidstaten.
Is de werkwijze van Polen conform de Europese regels en de recente aanwijzingen van de Europese Commissie? Zo ja, bent u bereid om – in ieder geval tijdens de oorlog in Oekraïne – de Nederlandse regels met betrekking tot honden uit Oekraïne gelijk te trekken met de Poolse regels?
Het is niet aan mij om vast te stellen of de Europese wet- en regelgeving wordt toegepast in een andere lidstaat van de Europese Unie. De Europese Commissie controleert of dit juist wordt toegepast in de lidstaten.
In het antwoord op vraag 2 is aangegeven dat honden die niet met de eigenaar mee komen, moeten voldoen aan de officiële importeisen die binnen de EU gelden voor dieren uit een hoogrisicoland voor rabiës. De eisen zijn erop gericht om het risico op de insleep van rabiës te minimaliseren en daarmee de dier- en volksgezondheid te waarborgen. Deze regels gelden onverkort: een lidstaat heeft geen bevoegdheid om hiervan af te wijken. Bovendien heeft de oproep van de Europese Commissie om de bepalingen van verordening 2013/576 tijdelijk versoepeld toe te passen geen betrekking op honden uit Oekraïne die door anderen dan de oorspronkelijke eigenaar worden binnengebracht.
In dit verband wil ik nog wel wijzen op de uitspraak van de voorzieningenrechter (College van Beroep voor het Bedrijfsleven, zaaknummer: 22/838) die op 16 juni jl. in een voorlopige voorziening heeft bepaald dat de uit Oekraïne afkomstige honden uit de genoemde berichtgeving van een fokker in Nederland die de quarantaine had aangevochten, weer terug moeten naar de fokker. De rechter oordeelde dat de belangen in dat geval niet goed genoeg tegen elkaar waren afgewogen. Vanzelfsprekend heeft de NVWA uitvoering gegeven aan deze uitspraak, en deze dieren zijn terug bij de eigenaar om daar in thuisquarantaine te verblijven. De NVWA verzamelt momenteel per geval informatie over het rabiësrisico van dieren uit Oekraïne en over de mogelijkheid tot thuisquarantaine na een titerbepaling.
Houdt de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij dieren afkomstig uit Oekraïne rekening met het feit dat deze vaak extra gestrest zijn door de oorlogssituatie en door de lange reis en dat een lange quarantaine van vier maanden daardoor extra belastend is? Zo ja, hoe wordt hier rekening mee gehouden?
Er is voor vluchtelingen uit Oekraïne die met hun huisdier in Nederland komen de uitzondering gemaakt dat – indien de omstandigheden ter plekke geschikt zijn – de quarantaine thuis kan plaatsvinden en het achteraf alsnog voldoen aan de eisen via de lokale dierenarts plaatsvindt.
Voor de huisdieren die niet vallen onder EU-verordening 576/2013 – dan gaat het dus om huisdieren die niet met hun eigenaar meereizen – en in quarantaine zijn geplaatst, wordt op de opvanglocatie, zoals altijd, met aandacht gezorgd door ervaren dierverzorgers. Zij houden in de verzorging rekening met het gedrag en welzijn van de dieren.
Hoe kan het dat burgers achteraf zeer hoge rekeningen gepresenteerd krijgen na inbewaringneming van de Oekraïense honden door de NVWA?3
Voor dieren die niet binnen de kaders van de Europese regelgeving zijn geïmporteerd en in quarantaine zijn geplaatst, worden kosten gemaakt voor o.a. opvang, verzorging, transport en dierenarts. De kosten voor opvang en verzorging van een dier zijn circa 16 euro per dag. De Europese regelgeving, zowel Verordening 576/2013, als Verordening 2017/625, evenals artikel 5.14 van de Wet dieren, schrijft voor dat de kosten die voortvloeien uit opgelegde maatregelen voor rekening van de houder/eigenaar/exploitant zijn. In enkele specifieke gevallen is besloten om daarvan af te wijken en een lager maximumbedrag van € 500,– per dier te vragen. Bij deze specifieke gevallen waren de risico’s die gepaard gaan met, en de regelgeving en coulanceregeling die van toepassing zijn bij het invoeren van niet-conforme gezelschapsdieren uit Oekraïne bij de personen in kwestie mogelijk nog onvoldoende bekend, omdat de import van de dieren tijdens de beginperiode van de oorlog plaatsvond. Ik benadruk dat de relevante informatie omtrent de regels, en de uitzonderingen hierop, vanaf het begin op de website van de NVWA heeft gestaan. Echter, tijdens de opstartfase van communicatie kan het lastiger zijn om bij de juiste informatie te komen, bijvoorbeeld omdat de website in het begin minder prominent in de zoekresultaten van zoekmachines op het internet naar voren kwam. Hierdoor is besloten tot deze coulance voor wat betreft de kosten in de betreffende specifieke zaken. Binnen enkele weken na aanvang van de oorlog zijn er concrete afspraken gemaakt met onze samenwerkingspartners over het delen van de informatie, waardoor de regels rondom de versoepelingen beter verspreid werden binnen de verschillende doelgroepen. Inmiddels mag daarom al enige tijd verwacht worden dat de regels bekend zijn en worden de gemaakte kosten in zijn geheel in rekening gebracht.
Bent u op de hoogte van de foutieve informatie die de NVWA verspreid heeft? Hoe oordeelt u hierover en wat gaat u doen om deze fouten te herstellen en te voorkomen?4
De brief waar naar wordt gerefereerd, is een brief die is gestuurd naar zwerfdierorganisaties. De informatie in deze brief is correct. Tevens stond de relevante informatie in de brief al op de website van de NVWA. De punten die worden genoemd als foutief, zijn punten die vragen om extra toelichting/informatie, terwijl in het document wordt aangegeven dat enkel de belangrijkste regels worden benoemd voor Oekraïne en verder wordt verwezen naar de website.
Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en de NVWA werken nauw samen met verschillende partijen, zoals de veiligheidsregio’s, dierenartsverenigingen (de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde en het Collectief Praktiserende Dierenartsen), het Meldpunt Hulpvoordierenuitoekraine.nl, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de faculteit Diergeneeskunde Universiteit Utrecht. Wekelijks zijn er overleggen waarin zij elkaar op de hoogte brengen van de laatste stand van zaken en de uitdagingen waar zij voor staan. Ook komt hier de informatievoorziening aan bod en wordt gekeken waar updates en aanvullingen nodig zijn in de informatievoorziening. Dit proces wordt voortgezet. Zo vond op 3 juni jl. voor de doelgroep dierenartsen een webinar over huisdieren uit een oorlogsgebied plaats.
Kunt u toelichten waarom zaken van een structurele aard, zoals onderzoek naar een puppyhandelaar in Diessen, worden stopgezet terwijl kennelijk er wel volop capaciteit wordt ingezet om te zoeken naar mogelijke honden uit Oekraïne?5 6
Met betrekking tot de honden uit Oekraïne is er een reëel gevaar op rabiës. Hierbij is de dier- en volksgezondheid in het geding. Dit heeft op dit moment prioriteit boven onderzoeken naar andere feiten.
Hoe verklaart u dat de NVWA al jarenlang de grootschalige, en vaak illegale handel in (wilde) dieren via het internet en social mediakanalen weinig voortvarend aanpakt, maar wel veel tijd en menskracht inzet om in te grijpen bij de opvang van dieren uit het oorlogsgebied in Oekraïne? Worden hier volgens u de juiste prioriteiten gesteld?
De NVWA houdt toezicht op de illegale handel in (wilde) dieren, ook via internet, met het oog op bescherming van dierenwelzijn, natuur en de legale handel. Zij werkt daarin samen met andere handhavingspartners. Met enige regelmaat brengt de NVWA met haar partners nieuwsberichtgeving uit van de resultaten van dit toezicht. Specifiek over de social media-kanalen heeft de NVWA onder andere afspraken met Marktplaats gemaakt ten behoeve van het toezicht op het verbod op het fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid wordt benadeeld.
Daarnaast houdt de NVWA toezicht op de invoer van dieren vanuit hoogrisico rabiës-landen, met het oog op bescherming van dier- en volksgezondheid. Oekraïne is een hoogrisico rabiës-land. Van alle Europese landen komen in Oekraïne de meeste gevallen van rabiës voor. Vanwege de oorlog in Oekraïne komen momenteel veel dieren vanuit dit land naar Nederland. De NVWA houdt hierop in het belang van de diergezondheid en de volksgezondheid toezicht om het risico op insleep van rabiës naar Nederland te voorkomen. Vanwege de actuele toename van dit risico zet de NVWA hier de benodigde capaciteit op in.
Het nieuwe onderzoek naar de gezondheidsrisico’s van landbouwgif |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat er in het coalitieakkoord is afgesproken dat er opnieuw onderzoek gedaan zal worden naar de gezondheidsrisico’s van landbouwgif voor boeren en omwonenden?
De veiligheid van mens, dier en milieu staan voor het kabinet altijd voorop. Daarom is in het coalitieakkoord ook afgesproken dat we onderzoek doen naar gezondheidseffecten bij boeren en omwonenden van gewasbeschermingsmiddelen.
Kunt u meer informatie geven over de onderzoeksvragen, de opzet en de duur van dit nieuwe onderzoek?
Ik heb uw Kamer in mijn planningsbrief laten weten dat ik een agenda zal opstellen, hierbij rekening houdend met te verwachten advies van het RIVM over aanvullend blootstellingsonderzoek (Kamerstuk 35 925-XIV, nr. 97). Dit advies is helaas vertraagd, waardoor ik uw Kamer deze agenda na het zomerreces zal doen toekomen.
Kunt u bevestigen dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in diens gezondheidsverkenning van 2018 reeds concludeerde dat luchtwegaandoeningen, de ziekte van Parkinson, oogirritaties en leukemie vaker voorkomen bij omwonenden van landbouwpercelen?1
Uw Kamer is geïnformeerd over de uitkomsten van de gezondheidsverkenning van het RIVM getiteld «Gezondheid van omwonenden in de nabijheid van landbouwpercelen» (Kamerstuk 34 775-XVI, nr. 149). Uit de verkenning is naar voren gekomen dat er geen duidelijke verbanden zijn gevonden tussen gezondheid en de nabijheid van landbouwpercelen. Er is wel een verband aangetoond tussen sterfte aan luchtwegaandoeningen en wonen in de buurt van maïsteelt. Het is echter niet duidelijk welke factoren hieraan te grondslag liggen.
Kunt u bevestigen dat het RIVM in een aanvullend blootstellingsonderzoek in 2019 concludeerde dat landbouwgif aangetroffen wordt in de huizen en in de urine van omwonenden, tot aan de luiers van hun baby’s?2
Uw Kamer is geïnformeerd over de uitkomsten van het blootstellingsonderzoek bestrijdingsmiddelen en omwonenden (Kamerstuk 27 858, nr. 450). Hierin staat dat de onderzoeksresultaten bevestigen dat er sprake is van meetbare concentraties van meerdere stoffen in de lucht, in huisstof en in urine, maar dat de gemeten concentraties geen gezondheidsrisico betekenen. Dit onderzoek heeft onder meer geleid tot het vervolgadvies van de Gezondheidsraad, het actualiseren van de gezondheidsverkenning en het verlenen van een opdracht aan het RIVM voor het opstellen van een advies over aanvullende blootstellingsonderzoek. Ik zal uw Kamer informeren over het advies van het RIVM na het zomerreces.
Kunt u bevestigen dat de Gezondheidsraad in 2020 op basis van deze reeds uitgevoerde onderzoeken heeft geadviseerd dat de overheid het voorzorgsprincipe moet toepassen en maatregelen voor de reductie van het gebruik van landbouwgif moet intensiveren, alsmede moet zorgen voor strengere toelatingsprocedures voor landbouwgif?3 Welk gevolg gaat u geven aan dit advies?
Uw Kamer is geïnformeerd over de appreciatie van het kabinet over het vervolgadvies van de Gezondheidsraad (Kamerstuk 27 858, nr. 512). Daarin staat dat het voorzorgsprincipe al wordt toegepast, dat de opgave verwoord staat in de Toekomstvisie gewasbescherming 2030 en dat het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030 zal leiden tot het realiseren hiervan.
Deelt u de conclusie van onder andere de Gezondheidsraad dat blootstelling aan landbouwgif een risico voor de gezondheid vormt?
Uw Kamer is geïnformeerd over de appreciatie van het kabinet over het vervolgadvies van de Gezondheidsraad (Kamerstuk 27 858, nr. 512). Daarin staat dat er een monitoringssystematiek zal worden opgezet in het kader van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030. Hiermee wordt invulling gegeven aan het advies om het gebruik en de blootstelling beter te monitoren.
Deelt u het inzicht dat nieuw epidemiologisch onderzoek, waartoe ook de Gezondheidsraad adviseert, zeer waardevol kan zijn, maar dat dit geen voorwendsel mag zijn om maatregelen voor de reductie van landbouwgif uit te stellen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit niet gebeurt?
Ik vind het belangrijk dat de eventuele langetermijngevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in kaart worden gebracht. Om dit te kunnen, is het RIVM bezig met het opstellen van een advies (zie het antwoord op vraag 2).
Ik werk samen met de andere betrokken partijen aan het realiseren van de strategische doelen van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030. Het gevolg hiervan is dat de behoefte aan gewasbeschermingsmiddelen drastisch zal afnemen.
Bent u ermee bekend dat er nieuw grootschalig onderzoek gedaan wordt naar het effect van blootstelling aan landbouwgif op de meest voorkomende hartritmestoornis boezemfibrilleren, waar in Nederland 363.000 mensen mee gediagnosticeerd zijn?4 5
Ja.
Bent u voornemens om voor het nieuwe gezondheidsonderzoek ook opdracht te geven om naar de epidemiologie van boezemfibrilleren in relatie tot landbouwpercelen te kijken?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 aangaf, zal ik uw Kamer na het zomerreces informeren over de onderzoeksvragen, de opzet en de duur van het geplande nieuwe gezondheidsonderzoek.
Bent u voornemens om voor het nieuwe gezondheidsonderzoek ook opdracht te geven om naar de epidemiologie van de ziekte van Parkinson in relatie tot landbouwpercelen te kijken?
Zie antwoord vraag 9.
Wanneer en op welke manier gaat u uitvoering geven aan de motie Vestering6 die vraagt om het stellen van kwantitatieve tussendoelen voor de uitfasering van het gebruik van pesticiden, aangevuld met een plan om boeren te helpen bij de benodigde omschakeling?
Ik wil uitvoering geven aan deze motie via de uitwerking van een passage in het coalitieakkoord over tussendoelen voor geïntegreerde gewasbescherming, de indicatoren voor weerbare planten en teelsystemen en het verbinden van land- en tuinbouw met natuur in het kader van het Uitvoeringsprogramma en rekening houdend met het verwachte voorstel van de Europese Commissie tot herziening van Richtlijn 2009/128/EG.
Het volledig uitfaseren van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen voorzie ik echter niet. Er zullen altijd ziekten, plagen en onkruiden blijven optreden die niet met andere middelen en maatregelen bestreden kunnen worden.