Het bericht 'Hallo, wij hebben 125 mille studieschuld, hoeveel hypotheek krijgen we?' |
|
Jaco Geurts (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van bovenstaand bericht?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Ziet u ook het probleem dat studenten door het leenstelsel een zodanig hoge studieschuld hebben opgebouwd, zo’n 15.000 euro meer dan medestudenten onder het oude stelsel, dat dit grote invloed heeft op het bedrag dat zij aan hypotheek kunnen krijgen voor een eerste woning?
Ik vind het belangrijk dat kredietverlening verantwoord plaatsvindt en consumenten niet in de problemen komen door een te hoge hypotheek. Het is daarom van belang dat de maandelijkse lasten van een consument, waaronder eventuele studieschulden, goed in beeld zijn als zijn of haar maximale leenruimte wordt bepaald. Studieschulden worden daarbij minder zwaar meegenomen dan andere schulden. Dit komt door de sociale terugbetaalvoorwaarden van een studieschuld. Daarnaast geldt voor studieschulden onder het leenstelstel dat deze, door de langere terugbetaaltermijn (aflosfase van 35 jaar), minder zwaar meewegen bij het berekenen van de maximale hypotheek dan studieschulden onder het oude stelsel (aflosfase van 15 jaar). De wegingsfactoren zijn recent (1 januari 2021) verlaagd als gevolg van de lage rente: de wegingsfactor voor studieschulden onder het leenstelsel is thans 0,35 procent en de wegingsfactor voor studieschulden onder het oude stelsel is 0,65 procent. Dit heeft tot gevolg dat de invloed van het leenstelsel op de maximale hypotheek relatief beperkt is. Om een beeld te geven: uit de monitor beleidsmaatregelen hoger onderwijs 2020–20212 blijkt dat het gemiddelde verschil in leenbedrag tussen de laatste groep studenten onder het oude stelsel (startjaar 2014–2015) en de eerste groep studenten onder het leenstelsel (startjaar 2015–2016) op peildatum 30 september 2020 gemiddeld tussen de € 5.000,– en € 6.000,– bedraagt. Uiteraard is dit gemiddelde niet voor iedereen representatief: wie een hogere schuld heeft, zal minder kunnen lenen.
Is het u bekend dat studenten bij aangaan van de schuld in de veronderstelling waren dat het bedrag niet zou meetellen bij het aangaan van een hypotheek of daarvan niet op de hoogte waren?
Bij de invoering van het leenstelsel is in de Kamer uitvoerig gesproken over de weging van studieschulden bij hypotheekaanvragen.3, 4, 5 Er is toen ook gesproken over het feit dat studieschulden worden meegewogen bij een hypotheekaanvraag. Ook is door het kabinet de afgelopen jaren verschillende malen gemeld dat studieschulden meetellen6, 7. Het is dan ook vervelend als een oud-student er niet van op de hoogte was dat een studieschuld meeweegt bij een hypotheek.
Vindt u het terecht dat dit bedrag aan studieschuld (volledig) wordt meegenomen bij het verstrekken van een hypotheek?
Zoals hierboven beschreven wordt de studieschuld minder zwaar meegewogen bij het bepalen van de maximale hypotheek dan andere schulden. Ik vind het belangrijk dat de studieschuld wel wordt meegenomen. Voorafgaand aan het verstrekken van een hypothecair krediet moet een kredietverstrekker zich er op grond van de Wet op het financieel toezicht en de Richtlijn hypothecair krediet van vergewissen dat het krediet verantwoord is. En dat de consument de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen kan nakomen. Belangrijke factoren die daar invloed op hebben, zijn de hoogte van het inkomen en welke andere financiële verplichtingen de consument heeft. Dit geldt ook voor studieschulden, omdat zij effect hebben op het maandelijks besteedbare inkomen. Hoewel ik begrijp dat dit door consumenten als beperkend wordt ervaren, vind ik het van belang dat consumenten adequaat beschermd worden wanneer zij een hypothecaire lening afsluiten.
Vindt u het terecht dat jongeren met zo’n enorme last hun toekomst in moeten gaan die direct gevolgen heeft voor hun kansen als starters op de woningmarkt?
De zoektocht van starters naar een betaalbare koopwoning is in de afgelopen jaren steeds ingewikkelder geworden, met name door het tekort aan beschikbare woningen en de sterk gestegen huizenprijzen. Een (hoge) studieschuld helpt daarbij niet, omdat de maximaal verantwoorde hypotheek hierdoor lager wordt. Het kabinet ziet de ernst in van de problemen waar de huidige generatie jongeren tegenaan loopt en heeft verschillende maatregelen aangekondigd om de positie van jongeren te verbeteren. Zo voeren we de basisbeurs in voor alle studenten. Verder zet het kabinet zich op verschillende manieren in om starters aan een betaalbare woning te helpen en is in het coalitieakkoord opgenomen dat voor koopstarters bij het aanvragen van een hypotheek de actuele stand van de studieschuld bepalend wordt. Het kabinet hecht er verder waarde aan om met jongeren in gesprek te gaan over hun zorgen en de mogelijke oplossingen.
Ontvangt u ook signalen van wethouders dat zij deze doelgroep graag willen helpen met toegang tot een hypotheek door als gemeente garant te staan voor studieschulden? (zie bijvoorbeeld het verkiezingsprogramma van het CDA in Den Haag: CDA Den Haag presenteert verkiezingsprogramma «Thuis in Den Haag»)
Van veel gemeenten hoor ik dat zij graag starters willen helpen op de woningmarkt en hiervoor zoeken naar mogelijkheden. De groep starters waar zij zich op willen richten is meestal breder dan oud-studenten met een studieschuld. In het verkiezingsprogramma van het CDA in Den Haag wordt gesproken over een garantstelling door de gemeente voor wat betreft studieschulden bij DUO bij de koop van nieuwbouwwoning. Ik heb nog niet van wethouders gehoord dat zij concrete plannen hebben voor een dergelijke garantstelling voor studieschulden.
Is het u bekend dat banken garantstellingen vaak (nog) niet accepteren bij het verstrekken van een hypotheek?
Ik heb begrepen dat banken weinig werken met dergelijke garantstellingen. De berekening van de maximale hypotheek wordt gebaseerd op de daadwerkelijke financiële ruimte van huishoudens om de woonlasten te dragen. Een garantstelling van welke partij dan ook, ouders of gemeente, zorgt niet voor lagere woonlasten en heeft daarom geen effect op het maximaal te lenen bedrag. Ook heeft de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) mij laten weten dat het op gemeentelijk niveau inrichten van garantstellingen vanwege de te verwachten diversiteit in voorwaarden, veel complexiteit voor kredietverstrekkers met zich mee zou brengen.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor gemeenten deze garantstellingen te bieden?
Veel gemeenten willen starters, waaronder oud-studenten met een studieschuld, graag helpen op de woningmarkt. Hiervoor hebben zij verschillende instrumenten. Zo kunnen gemeenten ervoor kiezen om de starterslening aan te bieden. Gemeenten kunnen op lokaal niveau voorwaarden verbinden aan deze starterslening en het product daarmee afstemmen op de lokale wensen en behoeften. Deze lening zorgt ervoor dat starters onder gunstige voorwaarden een aanvulling kunnen krijgen op hun reguliere hypotheek. Gemeenten kunnen lage inkomens ook helpen door middel van sociale koopwoningen. Gemeenten dienen daartoe de bestemmingscategorie «sociale koop» op te nemen in het bestemmingsplan. Hiermee kunnen gemeenten sturen op het toevoegen van meer betaalbare woningen aan de nieuwbouwvoorraad. Daarnaast geeft de Huisvestingswet gemeenten handvatten om huurwoningen toe te wijzen aan (bijvoorbeeld) starters. Momenteel is er een wijziging van de Huisvestingswet 2014 in voorbereiding, waardoor gemeenten straks ook de mogelijkheid krijgen om (onder meer) starters en middeninkomens – al dan niet met maatschappelijke, economische of lokale binding aan een gemeente – voorrang te geven op koopwoningen met prijs tot NHG-kostengrens (355.000 euro). Een garantstelling op studieleningen door gemeenten voegt weinig aan het huidige instrumentarium van gemeenten om starters te helpen.
Is het volgens u ook voorstelbaar dat de staat gemeenten helpt bij de garantstellingen door bijvoorbeeld te bemiddelen met de BNG om samen met gemeenten garant te staan?
Zoals in antwoord 7 en 8 weergegeven, draagt een dergelijke garantstelling weinig bij aan de kansen voor starters op de woningmarkt. Een rol voor de staat bij een dergelijke garantstelling ligt mijns inziens dan ook niet voor de hand.
Bent u bereid met De Nederlandsche Bank in gesprek te gaan over de mogelijkheden?
Zie antwoord vraag 9.
De veroordeelde moslimterrorist Soumaya Sahla |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wilt u deze vragen niet door uw collega-bewindslieden maar zelf beantwoorden en ook per vraag afzonderlijk?
Ja
Vanaf wanneer precies bent u persoonlijk op de hoogte van het feit dat Soumaya Sahla veroordeeld is voor het lidmaatschap van een terroristische organisatie – de Hofstadgroep – en verboden wapenbezit?
Zoals ik op 28 januari jl. na de ministerraad tegenover media heb gezegd, heb ik een kennismakingsgesprek gehad met Soumaya Sahla en Frits Bolkestein op het Ministerie van Algemene Zaken. Dit was op 26 september 2019. Van de genoemde veroordeling ben ik eerder, op een niet meer te achterhalen moment, op de hoogte geraakt.
Hoe vaak heeft u haar sinds haar veroordeling ontmoet in uw functie als Minister-President en partijleider van de VVD?
Buiten de genoemde afspraak heb ik, voor zover na te gaan, geen ontmoetingen met Soumay Sahla gehad.
Is Soumaya Sahla op het Ministerie van Algemene Zaken en het Torentje geweest sinds haar veroordeling? Zo ja, hoe vaak, wanneer precies en wat was het doel van het bezoek? Is het waar dat zij in ieder geval in 2019 te gast was bij u in het Torentje? Was dat om onder andere de mogelijkheid van een betaalde indiensttreding te bespreken? Zo nee, waarom dan wel?
Zie de antwoorden op vragen 2 en 3. Zoals ik op 28 januari jl. tegenover media heb gezegd, ga ik niet verder in op de inhoud van dergelijke gesprekken.
Heeft zij sinds haar veroordeling nog andere ministeries en bewindslieden bezocht en gesproken, zo ja welke en wie precies, wanneer en waarom?
Mij is hierover geen informatie bekend, behoudens hetgeen mij bekend is geworden bij de beantwoording door de Ministers van Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de op 26 januari j.l. gestelde schriftelijke vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1532)
Heeft Soumaya Sahla Nederlandse delegaties bij de NAVO, EU of andere internationale organisaties bezocht? Zo ja, hoe vaak, wanneer precies en waarom?
Mij is hierover geen informatie bekend, behoudens hetgeen mij bekend is geworden bij de beantwoording door de minsters van Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de op 26 januari j.l. gestelde schriftelijke vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1532).
Realiseert u zich dat Soumaya Sahla tijdens haar arrestatie samen met moslimterrorist Noureddin El Fahtni in het bezit was van een doorgeladen Kroatisch automatisch geweer – een Agram 2000 – en tussen hem en de politie in ging staan terwijl ze Allahu Akbar riep – om hem de kans te geven het automatisch geweer tegen de politie te gebruiken? Wat vindt u daarvan? Vindt u het gepast zo iemand als premier te in het Torentje te ontmoeten en jarenlang adviseur te laten zijn van de partij waar u partijleider van bent, de VVD?
De rechter heeft Soumaya Sahla in 2014 veroordeeld. Het past mij niet te reflecteren op een uitspraak van de rechter.
Bij mijn ontmoeting met haar op het Ministerie van Algemene Zaken was ik op de hoogte van haar veroordeling, maar ik heb daaraan niet de conclusie vebonden dat ik haar daarom niet zou kunnen ontvangen. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Herinnert u zich uw uitspraak gedaan tijdens de wekelijkse persconferentie op 28 januari jl: «omdat hij (Wilders) het zo stevig agendeerde tijdens het debat over de Regeringsverklaring, was dat voor ons aanleiding om dieper naar de hele materie te kijken, waarna we ontdekten dat ze geen spijt heeft betuigd. Dat was een nieuw punt, en daar hebben we deze week naar gehandeld»?
Ja
Hoe is het mogelijk dat u zich dat toen pas realiseerde? Waarom heeft u daar niet eerder aan gedacht? Ging en bij u geen belletje rinkelen toen ik u eerder schriftelijke vragen over haar stelde? Is het geen smoes om uw falen te verhullen? Bent u het met mij eens dat een persoon veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf voor het lidmaatschap van een terroristische organisatie en verboden wapenzit nooit en te nimmer adviseur nationale veiligheid van de partij van de premier mag worden ook niet als ze excuses maakt?
Zoals ik op 28 januari ook tegenover media heb gezegd, kan ik achteraf slechts vaststellen daar destijds niet aan te hebben gedacht. Ik kan hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Welke invloed heeft u zelf precies gehad in het aannemen van Soumaya Sahla als adviseur nationale veiligheid van de partij waar u partijleider van bent – de VVD – en welke invloed heeft u gehad bij het neerleggen van die functie door haar?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Bent u bekend met het islamitische begrip taqqiya? Weet u ook wat de soennitische Korangeleerde Ibn Kathir hierover heeft gezegd namelijk dat moslims zich aan de buitenkant vriendschappelijk jegens ongeloven mogen tonen maar dat zij die vriendschap nooit van binnen mogen voelen? Realiseert u zich dat ook veroordeelde moslimterroristen te allen tijde opnieuw, en voor de naïeve delen van de buitenwereld onverwacht, tot geweld en terreur kunnen overgaan? Welke conclusie verbindt u daaraan voor uw partijgenoten en (voormalig) adviseurs nationale veiligheid?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Herinnert u zich uw woorden tijdens de persconferentie van 28 januari, namelijk dat Soumaya Sahla «voorlopig» niet mag optreden als adviseur van de partij van de premier, de VVD. Wat is «voorlopig»? Betekent dit dat u niet uitsluit dat deze veroordeelde terrorist later opnieuw adviseur kan worden van de partij van de premier van Nederland? Zo ja, bent u helemaal gek geworden?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Kunt u uitleggen waarom de NCTV – een dienst die gericht zou moeten zijn op terrorismebestrijding – heeft gesproken met een veroordeelde terrorist die haar jarenlange veroordeling voor terrorisme een «showproces» noemde en op dat moment in het openbaar nog geen millimeter afstand had genomen van haar jihadistische gedachtegoed? Wanneer precies heeft Soumaya Sahla met de NCTV gesproken en hoe vaak?
Zoals aan uw Kamer geantwoord in reactie op Kamervragen van 26 januari 2022 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1532), doet de NCTV als nationaal coordinator terrorismebestrijding kennis op bij relevante organisaties en personen. Inzichten opgedaan door NCTV medewerkers over radicaliseringsprocessen en over de gang van zaken binnen extremistische groepen kunnen bijdragen bij aan het versterken van de aanpak van terrorismebestrijding.
Tegen deze achtergrond is, zoals aan uw Kamer gemeld, door experts van de NCTV enkele keren met Soumaya Sahla gesproken. Wanneer en hoe vaak is niet precies te herleiden, omdat het hier informele gesprekken betrof.
Wat is er besproken tussen terroriste Sahla en de AIVD? Is er ooit sprake geweest van advisering, een betaalde betrekking of samenwerking in welke vorm dan ook? Is het waar dat deze terroriste ook contacten onderhield met de secretaris-generaal van de AIVD? Zo ja, is dat nog steeds zo? Indien u deze vragen niet in de openbaarheid kan beantwoorden, wilt u dan zorgdragen voor beantwoording in de commissie Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Cie IVD) van de Tweede Kamer der Staten-Generaal? Zo neen, waarom niet?
Zoals reeds geantwoord op uw eerder gestelde schriftelijke vragen omtrent deze casus, gaat de AIVD in het openbaar niet in op vragen over zijn handelen.
Heeft Soumaya Sahla in het verleden op enigerlei wijze advies gegeven aan, een opdracht uitgevoerd namens, gesproken op een conferentie of bijeenkomst van, of op welke manier dan ook enige betrokkenheid gehad bij andere (semi-) overheidsinstellingen? Zo ja, graag een uitputtend overzicht per activiteit, inclusief datum, onderwerp en gage.
Mij is hierover geen informatie bekend, behoudens hetgeen mij bekend is geworden bij de beantwoording door de minsters van Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van eerdere schriftelijke vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1532).
Welke functies, bijdragen, activiteiten of werkzaamheden dan ook heeft Sahla naast het voorzitterschap van de «thematische tafel terrorisme en radicalisering» nog meer uitgevoerd of bijgewoond bij de VVD op bijeenkomsten waar leden van de Staten-Generaal en/of de regering bij aanwezig waren?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Is het u bekend waarom de oud-partijleider van de VVD en oud-minister van Defensie – de heer Bolkestein – idolaat is van veroordeelde moslimterrorist Soumaya Sahla en haar in invloedrijke gremia en bij invloedrijke personen van de VVD heeft geïntroduceerd? Is het waar dat zij bij hem thuis in ingetrokken? Heeft u hem hier ooit voor gewaarschuwd? Zo neen, waarom niet?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Wist u als premier in 2015 dat oud-Minister van Defensie Bolkestein de veroordeeld moslimterrorist Soumaya Sahla als gast meenam naar de Ridderzaal voor het bijwonen van de Troonrede? Wist u dat voorafgaand aan Prinsjesdag? Wist de NCTV dit voorafgaand aan Prinsjesdag? Wist de Kamervoorzitter dit voorafgaand aan Prinsjesdag? Wist de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) dit voorafgaand aan Prinsjesdag? Zo ja, wat is er met die informatie gedaan? Zo neen, waarom niet?
Over de wijze waarop de verantwoordelijken voor de veiligheid van Kamerleden, waaronder de heer Wilders, besluiten over beveiligingsmaatregelen en over welke informatie zij wel of niet beschikken, doet het kabinet geen uitspraken.
Waarom wordt iemand die is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens lidmaatschap van een terroristische organisatie en verboden wapenbezit niet geroyeerd als lid van de partij van de premier en de toegang tot alle overheidsgebouwen ontzegd?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Iedere overheidsorganisatie gaat zelf over de toegang tot de eigen gebouwen.
Waarom kan een tot jarenlange celstraf veroordeelde jihadiste – die tot voor kort op geen enkel moment publiekelijk afstand had genomen van dit verwerpelijke gedachtegoed – lid worden, en zoals u zelf aangaf «vanzelfsprekend» lid blijven van de politieke partij van de premier, de VVD?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Waarom maakt de partij waar de premier partijleider van is, de VVD, zich schuldig aan het witwassen van een veroordeelde terrorist?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Realiseert u zich dat waar U en uw partij spreken over «ongemak» en het «in de maag zitten» met het schandaal rondom de terroriste Soumaya Sahla, dat dit voor anderen zoals diegene die de Hofstadgroep waar zij deel van uitmaakte wilde vermoorden waaronder ikzelf, dit beledigend en arrogant naïef overkomt? Beseft u zich wel dat de Hofstadgroep ook parlementariërs zoals Ayaan Hirsi Ali en ondergetekende wilde vermoorden? Waarom doet u daar smakeloos luchthartig over?
Bedreigingen door terroristische organisaties behoren tot ernstigste misdrijven in onze samenleving, omdat zij naar hun aard een bedreiging voor de democratische rechtsorde vormen en omdat zij diep ingrijpen in het leven van de personen die zij raken, waaronder de heer Wilders.
Ik doe daarover allerminst luchthartig. De overheid treedt daartegen doortastend en streng op en spant zich tot het uiterste in om degenen die daarvan het slachtoffer zijn, te beschermen.
Wordt het niet hoog tijd voor openlijke excuses van u persoonlijk, van u als partijleider van de VVD en van u als Minister-President vanwege het als VVD jarenlang onderhouden van nauwe banden met een veroordeeld terrorist?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Zijn er op dit moment nog andere veroordeelde terroristen actief binnen uw partij, dan wel binnen een (semi-) overheidsinstelling?
Hier kan ik slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD. Mij is geen informatie bekend over het personeelsbestand van (semi-) overheidsinstellingen.
Bent u met mij van mening dat veroordeelde terroristen voor altijd de toegang moet worden geweigerd tot plaatsen met een verhoogde dreiging, zoals overheidsgebouwen als ministeries en de gebouwen van de Staten-Generaal? Zo neen, waarom niet?
Een doel van een straf is vergelding en genoegdoening voor slachtoffers en samenleving. Een ander doel is voorkomen dat de dader nog een keer in de fout gaat. Tijdens en na detentie wordt gewerkt aan een veilige re-integratie in de samenleving. Waar gedragsbeInvloeding van terrorismeveroordeelden niet mogelijk blijkt, richten partijen waaronder inlichtingendiensten, zich op het inschatten en mitigeren van de dreiging. Dit is altijd individueel maatwerk. Er zijn daarbij verschillende strafrechtelijke en bestuurlijke mogelijkheden om waar nodig op individuele basis na detentie zicht te houden en vrijheden te beperken. Iedere overheidsorganisatie gaat zelf over de toegang tot de eigen gebouwen.
De Tweede Kamer heeft krachtens artikel 72 van de Grondwet in artikel 152 van het Reglement van Orde regels vastgesteld rondom de toelating van bezoekers tot het gebouw en de vergaderingen. Het presidium kan nadere regels stellen. Het is daarom niet aan mij om te bepalen wie toegang heeft tot gebouwen van de Staten-Generaal.
Bent u met mij van mening dat veroordeelde terroristen voor altijd zowel het passief als het actief kiesrecht zou moeten worden ontnomen? Zo neen, waarom niet?
Het kiesrecht is een grondrecht dat is opgenomen in artikel 4 van de Grondwet. Dit recht mag alleen bij wet worden beperkt. Op grond van artikel 54, tweede lid van de Grondwet kan de strafrechter iemand in specifieke, bij wet aangewezen delicten, en bij een veroordeling voor een vrijheidsstraf van tenminste een jaar, uitsluiten van het actieve en passieve kiesrecht. Het is niet aan mij om een oordeel te hebben over hoe de strafrechter gebruik maakt van deze bevoegdheid.
Bent u het met mij dat een levenslange gevangenisstraf voor leden van terroristische organisaties die tevens veroordeeld zijn voor verboden wapenbezit meer op zijn plaats is dat het worden gefêteerd door VVD-ers en oud-partijleiders?
Het past mij niet te reflecteren op een uitspraak van de rechter. Voor vragen die de VVD betreffen verwijs ik naar de VVD.
Begrijpt u dat ik Soumaya Sahla nooit meer wil tegenkomen?
Van uw wens heb ik kennis genomen.
Kunt u mij beloven dat Soumaya Sahla nooit en te nimmer een voet in de Tweede Kamer zal zetten zodat ik diegene die mij met haar Hofstadgroep wilde vermoorden, nooit op mijn werkplek zal tegenkomen? Zo neen, waarom niet?
De Tweede Kamer heeft krachtens artikel 72 van de Grondwet in artikel 152 van het Reglement van Orde regels vastgesteld rondom de toelating van bezoekers tot het gebouw en de vergaderingen. Het presidium kan nadere regels stellen. Het is daarom niet aan mij om te bepalen wie toegang heeft tot gebouwen van de Staten-Generaal, en ik kan hierover geen beloftes doen.
Wilt u dit nooit meer doen?
Het is mij niet duidelijk waarop de vraag ziet.
Hulpmiddelen voor mensen met een beperking. |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Kassa van 15 januari jl. over het niet kunnen verzekeren van hulpmiddelen?1
Ja.
Hoe verwacht u dat mensen met een beperking, die vaak al te maken hebben met een stapeling van zorgkosten en daardoor financieel in de knel zitten,2 ook nog hoge rekeningen voor reparaties kunnen betalen?
Als gebruikers een hulpmiddel via de gemeente verstrekt hebben gekregen, hoeven zij reparaties aan dat hulpmiddel in de meeste gevallen niet zelf te betalen. Cliënten krijgen dit hulpmiddel vaak verstrekt in bruikleen, in dat geval worden reparaties die nodig zijn door gebruik en bijkomende slijtage, altijd betaald door de gemeente of de hulpmiddelenleverancier. Als het hulpmiddel is ingekocht met een persoonsgebonden budget (pgb) betaalt de gebruiker het onderhoud en de reparaties uit het pgb (tenzij anders overeengekomen met de gemeente). In het pgb is een bedrag hiervoor opgenomen.
De kosten van reparaties voor zowel preventief en periodiek onderhoud, als door gevolg van gebruik en slijtage, zijn opgenomen in het onderhoudscontract dat gemeenten afsluiten met de hulpmiddelenleverancier. Alleen als er reparaties nodig zijn na schade die op andere wijze is ontstaan, bijvoorbeeld na een ongeluk, is het afhankelijk van de verzekering die de gemeente heeft afgesloten, op wie de schade kan worden verhaald. Ik verwacht daarbij van gemeenten dat zij in hun afweging in het al dan niet vergoeden van de schade, altijd maatwerk toepassen. Ik heb van de VNG vernomen dat gemeenten zelden schade verhalen op de gebruiker.
Welke eisen zitten er aan de informatievoorziening voor mensen met een beperking over de verzekering van de hulpmiddelen?
De wetgeving stelt hier geen eisen aan. Ik heb navraag gedaan bij de branchevereniging van hulpmiddelenleveranciers (Firevaned) hoe deze informatievoorziening wordt vormgegeven. De informatievoorziening is, afhankelijk van de individuele invulling van de gemeente, opgenomen in de bruikleenovereenkomst die cliënten met een beperking ontvangen bij de aflevering van het hulpmiddel. Daarnaast ontvangen cliënten met een gemotoriseerd hulpmiddel jaarlijks een nieuw kentekenplaatje met daarbij een begeleidende brief als bewijs dat het hulpmiddel is verzekerd.
Deelt u onze mening dat ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) erop gericht moet zijn om mensen met een beperking meer te kunnen laten participeren? Hoe strookt dat met uitspraken dat mensen met hun hulpmiddel in de winter niet op het ijs mogen of andere dingen mogen doen die mogelijk risico op beschadiging met zich meebrengen?
Ja, ik deel deze mening. Ondersteuning uit de Wmo 2015 is gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en van de participatie van mensen. Hulpmiddelen dragen daaraan bij. Bij het verstrekken van een hulpmiddel vragen gemeenten en hulpmiddelenleveranciers cliënten om zorgvuldig met het hulpmiddel om te gaan. Omdat het hulpmiddel door de gemeente in bruikleen wordt versterkt, mag verwacht worden van de gebruiker dat die daar verantwoordelijk mee omgaat. Zo kan schade voorkomen worden.
Waarom kunnen mensen met een beperking hun eigen hulpmiddelen niet casco verzekeren?
Mensen met een hulpmiddel krijgen dit vaak verstrekt in bruikleen. Deze bruikleenconstructie heeft voordelen: onderhoudskosten komen niet voor rekening van de gebruiker en als het hulpmiddel niet meer wordt gebruikt, wordt deze hergebruikt waardoor sprake is van een duurzame verstrekking. De wetgeving is zó ingeregeld dat alleen eigenaren hun goederen kunnen verzekeren. Omdat hulpmiddelengebruikers geen eigenaar zijn, kunnen zij niet zelf een verzekering afsluiten. In het geval dat iemand een Wmo-hulpmiddel inkoopt met een pgb, wordt diegene doorgaans wel eigenaar en kan dan zelfstandig besluiten een (casco)verzekering af te sluiten.
Hoe is de verzekering van hulpmiddelen geregeld voor mensen die hun hulpmiddel vergoed krijgen vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz)?
Bij een gemotoriseerd mobiliteitshulpmiddel is het verplicht een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten. Het gaat om een Wettelijke Aansprakelijkheid Motorvoertuigen (WAM)-verzekering voor elektrisch aangedreven hulpmiddelen. In de Wmo is de gemeente hiervoor verantwoordelijk. In de Wlz is dit volgens het landelijk protocol van de zorgkantoren een verantwoordelijkheid van de zorginstelling van de cliënt aan wie het mobiliteitshulpmiddel is verstrekt. Naast voor deze wettelijk verplichte verzekering, is de zorginstelling volgens dit protocol verantwoordelijk voor het afsluiten van een adequate (casco)verzekering voor schade die niet onder de WA-verzekering valt. Vanuit de Zvw worden geen (mobiliteits)hulpmiddelen verstrekt die WA-verzekeringsplichtig zijn.
Welke stappen kunt u zetten om de regels omtrent verzekeringen voor hulpmiddelen meer uniform te maken?
Dit is wat mij betreft niet nodig. De eerdergenoemde wettelijke verzekeringen gelden voor alle wettelijke domeinen waaruit de hulpmiddelen worden verstrekt. Het maken van aanvullende afspraken, zoals het eventueel afsluiten van een cascoverzekering, is een verantwoordelijkheid van gemeenten en zorginstellingen die past binnen de ruimte die ze hebben om maatwerk te leveren.
Welke stappen kunt u zetten om ervoor te zorgen dat gemeenten de hulpmiddelen ook casco verzekeren? Indien dat niet mogelijk is, hoe kan dan worden geregeld dat personen met een beperking zelf de hulpmiddelen kunnen verzekeren?
Zoals ook uit het antwoord op vraag 2 blijkt, zijn gemeenten verplicht om een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten voor gemotoriseerde hulpmiddelen. Gemeenten sluiten daarnaast met hun leveranciers een onderhoudscontract af ter dekking van de kosten van onderhoud en reparatie als gevolg van gebruik en slijtage van de hulpmiddelen.
Als hulpmiddelengebruikers toch een cascoverzekering wensen, kunnen zij met hun gemeente de mogelijkheden bespreken. De bestaande wetgeving kan de gemeente echter niet verplichten om deze kosten op zich te nemen. De vraag is overigens welke toegevoegde waarde een cascoverzekering in de meeste gevallen heeft ten opzichte van een WA-verzekering in combinatie met een onderhoudscontract. Van de VNG heb ik vernomen dat het weinig voorkomt dat gebruikers schade maken aan het hulpmiddel die in het kader van onderhoud en service niet vergoed wordt, terwijl gemeenten heel veel hulpmiddelen verstrekken. Zodoende wegen de kosten voor gemeenten om alle hulpmiddelen casco te verzekeren, niet tegen de baten op en is het vanuit doelmatigheidsoogpunt beter dat gemeenten maatwerk toepassen in individuele gevallen. Belangrijk in dit verband is ook dat een cascoverzekering geen schade als gevolg van oneigenlijk gebruik, zoals dat door de verzekeraar bepaald is, dekt.
Herkent u signalen van mensen met een beperking waarbij de reparatie van een hulpmiddel heel lang duurt?
Uit de nulmeting van de monitor hulpmiddelen die in het kader van het actieplan hulpmiddelen is opgesteld en die in oktober 2021 naar uw Kamer is gestuurd, bleek dat «reparatie» door cliënten als onvoldoende werd beoordeeld.3 De definitie die in de monitor is gehanteerd, betrof een combinatie van snelheid en kwaliteit. Dit jaar wordt een effectmeting uitgevoerd en zal blijken of de kwaliteit en de snelheid van reparaties voor gebruikers merkbaar is verbeterd.
Ik heb bij Firevaned aanvullend navraag gedaan in hoeverre de reparaties lang op zich laten wachten. Volgens Firevaned kan het voorkomen dat reparaties momenteel langer duren. Dit komt o.a. door de huidige schaarse beschikbaarheid van onderdelen en een relatief hoog ziekteverzuim i.v.m. de coronapandemie.
Welke richtlijnen zijn er voor de reparatie van hulpmiddelen? Binnen welke termijn dient dat te gebeuren? Of is hier geen landelijke regelgeving voor?
De Wmo 2015, Zvw en de Wlz bevatten geen landelijke richtlijnen voor de reparatie van hulpmiddelen.
Ten aanzien Wmo-hulpmiddelen maken gemeenten en hulpmiddelenleveranciers contractuele afspraken over de termijnen die van toepassing zijn op reparatie en onderhoud. In de handreiking inkoop hulpmiddelen doet de VNG aanbevelingen aan gemeenten over de termijnen en de mogelijkheid een vervangend hulpmiddel in te zetten in het geval van een langdurige reparatie. Het landelijk normenkader schrijft voor dat spoedreparaties binnen 24 uur worden uitgevoerd.
Ten aanzien van Wlz-hulpmiddelen hebben de zorgkantoren geen landelijke richtlijnen over wanneer reparaties moeten zijn afgerond, omdat de aard van de reparaties sterk uiteen kan lopen. De zorgaanbieder en de leverancier maken samen afspraken over wat een redelijke termijn is. Volgens het landelijk protocol van de zorgkantoren dient een hulpmiddelenleverancier spoedmeldingen vanuit de zorginstelling op de dag van de melding op te pakken.
Ten aanzien van Zvw-hulpmiddelen maakt de zorgverzekeraar afspraken met de hulpmiddelenleverancier over reparatie en vervanging indien het hulpmiddel zelf stuk gaat.
Hoeveel formulieren moeten mensen met een lichamelijke beperking gemiddeld invullen voor het verkrijgen en behouden van hulpmiddelen en met welke frequentie?
De tijd die hulpmiddelengebruikers besteden aan administratie verschilt per individu en is mede afhankelijk van of de gebruiker dit zélf doet, met hulp van een onafhankelijke cliëntondersteuner of door de vertegenwoordiger laat doen. Daarnaast is het ook mogelijk, zoals in de Wlz, dat de zorginstelling de aanvraag in overleg met de cliënt uitvoert, waardoor cliënten geen formulieren hoeven in te vullen.
Mij is bekend – en dat blijkt tevens uit de monitor hulpmiddelen – dat reparaties en aanpassingen aan hulpmiddelen tijdsintensieve trajecten (kunnen) zijn. Ik heb geen zicht op hoeveel tijd hulpmiddelengebruikers kwijt zijn aan hun administratie of hoeveel formulieren zij moeten invullen, dit wordt nergens bijgehouden. Wel krijgt het Ministerie van VWS via het programma [Ont]Regel de Zorg met enige regelmaat meldingen over administratieve lasten bij de aanvraag van hulpmiddelen, zowel van gebruikers van hulpmiddelen als van voorschrijvers.
Ik span mij ervoor in om de tijdsbesteding aan administratie te verminderen. Daarvoor ben ik continu in gesprek met o.a. zorgverzekeraars en gemeenten.
Daarnaast dragen het landelijk normenkader en de resultaten van het actieplan bij aan het vereenvoudigen van het traject voor het verstrekken van hulpmiddelen. Ik verwacht dat ook dat traject zal resulteren in het verminderen van administratie.
Hoeveel tijd zijn mensen met een beperking gemiddeld aan kwijt aan administratie en aanvragen rondom hulpmiddelen?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe stroken de lange wachttijden voor reparaties, onmogelijkheid om casco te verzekeren en de grote hoeveelheid tijd die mensen met een beperking kwijt zijn aan administratie met de doelstellingen en normen van het Landelijk normenkader hulpmiddelen?3
Het landelijk normenkader draagt bij aan een tijdige toegang en levering van passende en adequate hulpmiddelen en bevat afspraken over reparaties. Het landelijk normenkader ziet niet expliciet op afspraken op het gebied van verzekeringen, hier wordt wel aandacht aan besteed in de handreiking inkoop hulpmiddelen. De afspraken moeten leiden tot verbetering van de kwaliteit en vereenvoudigen van het toegangs- en verstrekkingsproces van complexe hulpmiddelen.
Hoe wilt u gaan zorgen dat alle gemeenten, zorgkantoren en verzekeraars het landelijk kader en convenanten met betrekking tot hulpmiddelen beter gaan uitvoeren?
Zoals in oktober aan uw Kamer is geschreven, hebben alle bij het onderwerp betrokken partijen hun commitment uitgesproken om actief aan de slag te blijven met het verbeteren van de hulpmiddelenzorg.5 Dit wordt o.a. gedaan door initiatieven te ontplooien om gezamenlijk in de uitvoeringspraktijk de convenanten te implementeren en door extra acties richting gemeenten om hen te bewegen over te gaan tot ondertekening van de convenanten. De afstemming hierover vindt plaats via de bestuurlijke tafel hulpmiddelen.6 In het najaar van 2022 wordt de tweede monitor hulpmiddelen uitgevoerd. Dan zal blijken of de waardering van cliënten voor de verstrekking van hulpmiddelen is toegenomen. Op basis van de uitkomsten worden eventueel gerichte vervolgacties in gang gezet.
Een voor de belastingdienst beschamende uitspraak bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over o.a. zwarte lijsten |
|
Renske Leijten , Pieter Omtzigt |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 januari 2022 (ECLI:GHARL:2022:488)?
Ja.
Heeft u de uitspraak in zijn geheel gelezen? Wat dacht u toen u de uitspraak las?
Ja, ik heb de uitspraak gelezen.
Een uitspraak die ook bij mij vragen oproept. Vragen waarvan de beantwoording – in bredere context – cruciaal is voor een goede appreciatie van het handelen van de Belastingdienst en de positie van de belastingplichtige in zaken zoals hier aan de orde. Ook om te bezien waar verbetering nodig en mogelijk is.
Is het kantoor van de Landsadvocaat op enigerlei wijze bij deze kwestie betrokken geweest?
De Landsadvocaat is niet betrokken (geweest) bij deze kwestie.
Is er namens de Minister van Financiën beroep in cassatie tegen deze uitspraak ingesteld? Zo nee, kunt u aangeven dat dit niet zal gebeuren? Zo ja, op welke gronden?
Tegen de uitspraak van het Gerechtshof Hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2022:488) is en zal geen cassatie ingesteld worden. De inspecteur heeft ter zitting toegezegd de naheffingsaanslagen loonbelasting te vernietigen en deze toezegging wordt nagekomen.
Zijn de signalen op de FSV-lijst die betrekking hebben op deze onderneming en/of burgers die eigenaren zijn van deze onderneming onderzocht of is het bij een vermoeden gebleven?
Op grond van de fiscale geheimhoudingsplicht uit artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op de fiscale positie van een individuele belastingplichtige.
Ik heb de Belastingdienst gevraagd de werkwijze bij zaken waarin de FSV (mogelijk) een rol speelt in kaart te brengen, om te bezien of deze werkwijze kan worden verbeterd. Daarbij zal echter rekening gehouden moeten worden met de redenen waarom de FSV in de zogenoemde digitale kluis geplaatst is en hoe de daarmee beoogde waarborgen behouden kunnen blijven.
Begin januari 2021 heeft een van de eigenaren van de belanghebbende zijn belastingdossiers opgevraagd (CAF en project 1043) en ook zijn FSV-dossier. Waarom zijn deze nog niet overhandigd? Deelt u de zienswijze dat als deze stukken niet in deze procedure aan het Hof zijn overgelegd artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht niet is nageleefd?
De fiscale geheimhoudingsplicht (art 67 AWR) staat mij niet toe in te gaan op vragen over een individuele zaak. In zijn algemeenheid heeft een belanghebbende in bezwaar recht op inzage in de stukken die betrekking hebben op de zaak. Dit zijn de stukken die de inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan en die relevant kunnen zijn voor de beslechting van de geschilpunten die de belanghebbende in zijn bezwaar opwerpt. Anders dan in de vraag besloten lijkt te liggen, heeft een belanghebbende geen recht op inzage in zijn belastingdossier. Dat recht volgt evenmin uit de AVG; deze verordening geeft recht op inzage in de verwerking van persoonsgegevens. Dit AVG-inzagerecht houdt onder andere in een overzicht van verwerkingsdoeleinden en van de ontvangers aan wie de persoonsgegevens eventueel zijn verstrekt maar niet op inzage in stukken.
Op grond van art. 8:42 Awb verstrekt de inspecteur de rechter de op de zaak betrekking hebbende stukken. Zoals gezegd zijn dit de stukken die hem ter beschikking staan of hebben gestaan en die relevant kunnen zijn voor de beslechting van de in (hoger) beroep nog openstaande geschilpunten. Stukken uit de FSV kunnen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, bijvoorbeeld in het geval van een tip die aanleiding is geweest voor een onderzoek dat heeft geleid tot de in geschil zijnde correcties. In die gevallen moet de inspecteur de tip aan de rechter verstrekken, al dan niet met een beroep op art. 8:29 Awb. In veel andere gevallen, waarin geen verband is tussen de informatie die ook in de FSV stond en de nog openstaande geschilpunten, zal het voor de inspecteur niet kenbaar zijn dat de belanghebbende in de FSV geregistreerd stond. Sinds 27 februari 2020 is de FSV niet meer toegankelijk voor medewerkers van de Belastingdienst. De FSV bevindt zich in de zogenoemde digitale kluis en is voor dit soort situaties niet benaderbaar voor de inspecteur. Er bestaat wel een werkinstructie voor verweerders in fiscale procedures ingeval een rechter vragen stelt over de FSV. Daartoe heeft een zeer beperkt aantal medewerkers een autorisatie ontvangen waarmee ze een back-up van de FSV kunnen raadplegen.
Momenteel wordt in kaart gebracht of deze situatie wenselijk is en wat eventuele mogelijkheden zouden zijn om de inspecteur voor deze specifieke situaties toch (beperkte) toegang tot de FSV te geven in zaken waarin dat aan de orde kan zijn.
Is het Besluit Beroep in Belastingzaken in deze zaak nageleefd? Zo ja, hoe verklaart u het dan dat de zaak eerst tot de mondelinge behandeling voor het hof door de Belastingdienst is doorgezet en de inspecteur vervolgens pas ter zitting heeft toegezegd de naheffingsaanslagen te zullen vernietigen?
Het Besluit Beroep in Belastingzaken bevat een groot aantal beleidsregels, onder andere over de inhoud van het verweerschrift, de collegiale toetsing op de inhoud daarvan door of namens de betrokken vaktechnisch coördinatoren en de aanwezigheid en de bijstand ter zitting. De fiscale geheimhoudingsplicht staat mij niet toe in te gaan op vragen over een individuele zaak. Omdat de uitspraak in dit geval gepubliceerd is, kan ik wel zeggen dat daaruit blijkt dat aan de regel van aanwezigheid en bijstand voldaan is.
In het algemeen kan ik daaraan toevoegen dat de inspecteur bij de aanslagregeling de nodige zorgvuldigheid betracht. Een zaak in bezwaar wordt opnieuw beoordeeld door een andere medewerker dan degene die bij het opleggen van de belastingaanslag(en) betrokken was. Ook vindt bij de behandeling van bezwaar of beroep collegiale toetsing plaats van bijvoorbeeld het verweerschrift en wordt de zaak nog eens op zijn merites beoordeeld. In de loop van een procedure, ook pas in beroep of hoger beroep, kunnen altijd nieuwe feiten en omstandigheden opkomen of aangevoerd worden die de inspecteur alsnog tot een ander inzicht brengen. Ik onderschrijf dat de inspecteur met dit andere inzicht ook tijdens een zitting bij zijn verdere handelen rekening houdt. Naar mijn mening is de inspecteur daartoe zelfs gehouden. Ik onderschrijf dat het krijgen van dergelijke inzichten in een zo vroeg mogelijk stadium moet plaatsvinden.
Hoe kijkt u in dit licht aan tegen het recente beperken van de rol van de vaktechnisch coördinator formeel recht bij beroepsprocedures (zie het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 2 november 2021, Stcrt. 2021, nummer 46005, paragraaf 2.2.4)?
Bij het Besluit van 25 maart 2021, nr. 2021–1729, is de betrokkenheid van de vaktechnisch coördinatoren op diverse plekken in het Besluit Beroep in Belastingzaken verduidelijkt of versterkt, zoals een voorgeschreven betrokkenheid bij de afweging of hoger beroep moet worden ingesteld. Paragraaf 2.2.4 van dit besluit ziet op de toestemming voor het vragen om verlenging van de termijn voor het indienen van een verweerschrift. In het Besluit van 2 november 2021, nr. 2021–18832, is onder meer bepaald dat de inspecteur hiervoor toestemming moet vragen aan de betrokken vaktechnisch coördinator in plaats van (in alle gevallen) aan de vaktechnisch coördinator formeel recht. Hiermee is beoogd dat de meest gerede vaktechnisch coördinator oordeelt, zodat een zorgvuldige toetsing plaatsvindt.
Wat vindt u ervan dat deze onderneming in deze zaak tot tijdens de mondelinge behandeling heeft moeten volharden in zijn standpunt? Waarom is deze zaak niet eerder geschikt?
Ik kan u de gevraagde mening niet geven zonder in te gaan op de specifieke feiten en omstandigheden in deze zaak. Dat staat de fiscale geheimhoudingsplicht mij niet toe. Uit de publicatie van de uitspraak blijkt dat de rechtbank Noord-Nederland het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen loonbelasting ongegrond verklaard heeft. De belanghebbende is daartegen in hoger beroep gegaan.
In de uitspraak wordt beschreven dat deze ondernemer 400 poststukken van de Belastingdienst heeft ontvangen. Is deze hoeveelheid gangbaar?
Op grond van de fiscale geheimhoudingsplicht uit artikel 67 AWR kan ik niet ingaan op een individuele zaak.
In het algemeen verschilt het aantal stukken dat voor en na de aanslagregeling en in de bezwaarfase wordt gewisseld sterk per zaak. Het aantal stukken in een zaak met een langer voortraject, bijvoorbeeld omdat een controle plaatsvindt, zal groter zijn dan het aantal stukken in een zaak waarin geen controle plaatsgevonden heeft. Daarnaast wordt bijvoorbeeld loonheffing en in sommige gevallen ook omzetbelasting per maand aangegeven. Ook kan sprake zijn van meerdere entiteiten, bijvoorbeeld twee partners, een houdstermaatschappij en verschillende werkmaatschappijen. Bij een geschil over meerdere jaren en over verschillende middelen kan het aantal stukken dan fors oplopen.
De belanghebbende heeft verklaard 100 bezwaarschriften te hebben gestuurd. Zijn deze bezwaarschriften behandeld?
Op grond van de fiscale geheimhoudingsplicht uit artikel 67 van de AWR kan ik niet ingaan op een individuele zaak.
Staan er BV’s en NV’s direct of indirect op de FSV-lijst? Zo ja, hoeveel? Hoe komen ze van de lijst af?
Zoals mijn ambtsvoorganger op verschillende momenten heeft aangegeven stonden er ook rechtspersonen in de FSV. De FSV is op 27 februari 2020 uit gezet. Op 27 januari 20211 heeft hij hierover onderstaande tabel met uw Kamer gedeeld:
Registraties in FSV
Personen
Rechtspersonen
Onbekend1
Totaal
Vóór schoning
244.607
85.435
6
330.048
Na schoning
133.508
52.542
5
186.055
Verwijderd
111.099
32.893
1
143.993
Onbekend: het identificatienummer is een niet-uitgegeven nummer.
Welke rechtsgevolgen had het voor de aandeelhouders als een bedrijf op de lijst stond? Was er bijvoorbeeld beleid of gewoonte om nooit te schikken, hoge boetes op te leggen, tegen toegang te verlenen tot schuldsanering of andere zaken?
PwC doet onderzoek naar de effecten van de FSV op burgers en bedrijven. Uw Kamer heeft inmiddels drie onderzoeken ontvangen:
PwC doet momenteel nog onderzoek naar de gevolgen van FSV-registraties bij de directie MKB en naar de gebruikte «query’s aan de poort». Mijn verwachting is nu dat ik beide rapporten in maart met uw Kamer kan delen. Pas daarna bestaat er een completer beeld. Ik zal alle bevindingen in de bijgaande en komende rapporten gebruiken bij de verdere uitwerking van een tegemoetkomingsregeling voor onterechte nadelige gevolgen van de FSV, zoals door uw Kamer gevraagd in de motie van het lid Snels.
Zijn al deze bedrijven en al hun aandeelhouders bericht dat zij op lijsten terecht zijn gekomen?
Nee, zoals mijn ambtsvoorganger in zijn brief van 25 maart 20215 heeft aangegeven informeert de Belastingdienst, met uitzondering van een aantal uitzonderingssituaties, burgers (natuurlijke personen) én ondernemers in de zin van de Wet Inkomstenbelasting over het feit dat zij in de FSV waren geregistreerd. Andere rechtspersonen worden niet geïnformeerd omdat de AVG van toepassing is op persoonsgegevens en de motie Marijnissen II verzoekt mensen te informeren.
Hoeveel burgers met een eigen onderneming, IB-onderneming of bijvoorbeeld een BV of NV staan op de FSV-lijst? Hoeveel van deze bedrijven zijn geconfronteerd met onderzoeken?
Om deze vraag te beantwoorden moet er nader onderzoek worden gedaan en een nieuwe query worden gebouwd. Zodra dit onderzoek is afgerond, informeer ik u over het aantal burgers met een eigen onderneming, IB-onderneming of bijvoorbeeld een BV of NV op de FSV-lijst.
Wanneer komt er een generieke FSV-, CAF- en Project 1043-regeling? Wordt hiervoor een aparte herstelorganisatie opgericht?
Ten aanzien van de FSV is mijn voorganger in zijn brief van 6 december 20216 ingegaan op de contouren van een tegemoetkomingsregeling en op de dilemma’s die hierbij spelen. Belangrijke vraagstukken hierbij zijn onder andere de vraag of, en zo ja hoe, het schenden van de privacy op zichzelf een grond is voor een vorm van tegemoetkoming, wie een dergelijke regeling moet uitvoeren en wat de gewenste en uitvoerbare mate van maatwerk bij de uitvoering van een dergelijke regeling. Zoals ik heb toegezegd in mijn brief van 25 januari jl7. zal ik in het eerste kwartaal van 2022 terugkomen op de uitwerking en de wijze van uitvoering.
Ten aanzien van CAF heb ik in mijn brief van 25 januari jl. aangegeven dat ik het wenselijk acht dat er volledige duidelijkheid komt over de onderzoeken en werkwijze van CAF. Dit gaat daarom door een externe partij worden onderzocht. Wanneer een externe partij is geselecteerd zal ik uw Kamer via de kwartaalrapportage HVB informeren over de planning en opzet van het onderzoek. Nu over een «CAF-regeling» spreken is nog niet aan de orde. Dit geldt ook voor 1043/ analyse aan de poort. Zoals mijn ambtsvoorganger in zijn brief van 25 november 2021 heeft aangegeven doet PwC nog onderzoek naar welke query’s er zijn gebruikt in analyse aan de poort. Bovendien is de gegevensbeschermingseffectbeoordeling (GEB) voor het proces analyse aan de poort nog in beoordeling bij de Functionaris Gegevensbescherming (FG). Voor ik een oordeel over 1043/ analyse aan de poort vorm, wil ik het advies van de FG en het rapport van PwC afwachten. Ik zal uw Kamer informeren wanneer het advies van de FG en het rapport van PwC beschikbaar zijn.
Kunt u aangeven of in deze generieke regeling voor fiscale rechtszaken net zoals in deze zaak de door belanghebbenden gestelde werkelijke kosten van beroepsmatige rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking kunnen komen? Zo nee, staat een belanghebbende dan de weg naar de rechter open?
Voor de vergoeding van proceskosten geldt in fiscale zaken het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dit besluit gaat uit van forfaitaire vergoeding. In artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht is bepaald dat in bijzondere omstandigheden van deze forfaitaire vergoeding kan worden afgeweken. Dit kan dus ook betekenen dat de werkelijke kosten van beroepsmatige rechtsbijstand vergoed worden. Bij afwijzing van een verzoek om (werkelijke) proceskosten kan de belanghebbende dit voorleggen aan de fiscale rechter. Voor de uitwerking van een FSV-regeling verwijs ik naar het antwoord op vraag 16.
Heeft u in de uitspraak van het Hof gelezen dat door de inspecteur is gesteld dat: «De controle is uitgevoerd door [naam8] en het is bij de Belastingdienst bekend dat hij een strenge aanpak hanteerde. [naam8] werkt thans niet meer als controleur.»? Hoe voorkomt u dat andere burgers en bedrijven worden geconfronteerd met de gevolgen van het handelen van dergelijke medewerkers?
Ik heb het citaat in de uitspraak van het Hof gelezen. Ik kan de juistheid van deze kwalificatie en met name de context waarin de inspecteur deze gegeven heeft niet beoordelen. Dit neemt niet weg dat ik er vertrouwen in heb dat in het algemeen door de medewerkers van de Belastingdienst gehandeld wordt binnen de kaders van de wet, de regelgeving en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Het Hof heeft in de procedure de inspecteur tweemaal voorgehouden of de Belastingdienst kan worden vertrouwd. Bevreemdt deze vraag na het kennisnemen van deze uitspraak u?
Het vertrouwen van burgers en bedrijven in de Belastingdienst is geschaad. Dit komt onder andere door de omgang met gegevens in de FSV. Van een FSV-registratie was ook in deze zaak sprake, zo is op te maken uit de uitspraak van het Gerechtshof. In die zin bevreemdt de vraag mij niet. In recente rapporten hebben de Raad van State en de Raad voor de Rechtspraak ook een kritischere houding richting uitvoeringsorganen als de Belastingdienst aangekondigd. Voor de Belastingdienst is en blijft essentieel dat de Belastingdienst richting belastingplichtigen en in procedures voor de rechter eerlijk en transparant optreedt. Het herwinnen en behouden van het vertrouwen in de Belastingdienst heeft mijn prioriteit. In antwoord op vraag 20 ga ik hier nader op in.
Wat gaat u doen om te werken aan herstel van vertrouwen in de voor onze maatschappij cruciale overheidsdienst die de Belastingdienst is en aan het voorkomen van dit soort rechtszaken?
De inspecteur gaat in het algemeen zorgvuldig te werk bij het opleggen van aanslagen en het behandelen van bezwaarschriften. Ook voor de gang naar de rechter is voorzien in regels die voorkomen dat lichtvaardig geprocedeerd wordt (zie mijn antwoord op vraag 7). Ondanks de te betrachten zorgvuldigheid is niet uit te sluiten dat rechtszaken als in het onderhavige geval zich voordoen, bijvoorbeeld wanneer pas op een later moment tijdens de gerechtelijke procedure feiten en omstandigheden opkomen die tot de conclusie leiden dat een aanslag alsnog vernietigd moet worden. De rechter vormt een belangrijk onderdeel van de rechtsbescherming, bijvoorbeeld als er in een eerdere fase onverhoopt iets niet goed is gegaan of als er een geschil bestaat over de uitleg van een wetsbepaling. In die zin is de mogelijkheid om een rechter in te schakelen positief.
Het vertrouwen van burgers en bedrijven in de Belastingdienst is onder druk komen te staan. Dit is ook terug te zien in de cijfers van de Fiscale Monitor, waarbij het vertrouwen op het laagst is sinds de eerste meting in 2015. Het vertrouwen van burgers en bedrijven zal hersteld moeten worden, ik vind het belangrijk dat de Belastingdienst een overheidsorgaan is waar burgers en bedrijven vertrouwen in hebben en omdat dit ook als fundament geldt voor de naleving van fiscale regels. Om het vertrouwen te herstellen is het cruciaal de blik naar buiten te vergroten, externe signalen op te vangen en te benutten om de processen en dienstverlening van de Belastingdienst te verbeteren. De Belastingdienst gaat in 2022 verder met het vergroten van de kennis van fiscaal-juridische en andere relevante onderwerpen in de hele organisatie. Daarvoor zijn verschillende inhoudelijke programma’s ontwikkeld. Voor alle leerprogramma’s geldt dat het niet alleen gaat om meer vakkennis, maar ook om aspecten die opkomen bij vraagstukken over de menselijke maat. Dit wordt opgenomen in bestaand opleidingsmateriaal. Belangrijk is dat de opleidingen aansluiten bij wat medewerkers ervaren in hun dagelijkse contacten met burgers en bedrijven. Er moet bijvoorbeeld worden ingegaan op het meewegen van de belangen van burgers en bedrijven, het omgaan met weerstand, het voorkomen van conflicten, het kunnen reflecteren op het eigen optreden en dit ook bespreekbaar kunnen maken.
Deze en andere maatregelen zoals beschreven in het Jaarplan 20228 van de Belastingdienst worden genomen om verder te bouwen aan vertrouwen en dit te herstellen.
Hoe en op welke termijn wilt u volledige openheid geven aan de Kamer over de FSV-lijsten, over de uitwisseling van data en andere zaken die zijn voorgevallen?
Ik wil zoveel mogelijk volledige openheid geven. Zoals in het antwoord op vraag 13 is aangegeven lopen er nog onderzoeken naar de FSV. Door mijn ambtsvoorganger is eerder aangegeven dat onderzoek zal helpen om meer duidelijkheid te krijgen, maar dat dit niet alle onduidelijkheid kan wegnemen. Zoals hij in zijn brief van 6 december heeft aangegeven moeten we constateren dat er, juist vanwege de complexiteit en de gebrekkige datakwaliteit in de FSV, nog veel onduidelijk is over de reden en gevolgen van registratie op individueel niveau. Daarnaast is het zo dat om op individueel niveau een compleet beeld te krijgen minimaal 10 systemen binnen de Belastingdienst geraadpleegd moeten worden.
Ten aanzien van de verstrekking uit de FSV aan andere organisaties heb ik in mijn brief van 1 februari jl.9 gemeld dat PwC op 20 januari 2022 de data (van het onderzoek naar gegevensverstrekking) aan de Belastingdienst heeft overgedragen. De Belastingdienst onderzoekt deze data en doet dat met inachtneming van de privacy van de genoemde burgers. Daarna zal de Belastingdienst de mensen om wie dit gaat conform motie Marijnissen II10 informeren over wat er is gebeurd, met welke organisatie deze gegevens zijn gedeeld en of dit proactief of reactief was vanaf de zijde van de Belastingdienst.
PwC wijst er daarnaast op dat mogelijk meer informatie uit de FSV extern is verstrekt dan uit het bijgaande onderzoek naar voren is gekomen; het heeft aanvullende e-mailboxen geïdentificeerd van waaruit mogelijk ook gegevens uit de FSV zijn gedeeld. Ik vind het belangrijk dat burgers een zo volledig mogelijk beeld krijgen van met wie hun gegevens zijn gedeeld en ik wil ook de geïdentificeerde functionele postbussen laten onderzoeken. In dat kader zal ook nader worden bezien in hoeverre voor de geconstateerde gegevensdelingen een voldoende rechtsgrondslag bestond. De Belastingdienst treedt bovendien in overleg met de organisaties waarmee gegevens zijn uitgewisseld.
Hoeveel zaken, die betrekking hebben op de Fraudesignaleringsvoorziening (FSV) zijn geschikt? Kunt u een indicatie geven wat er gevonden is in die zaken?
Het is niet bekend in hoeveel zaken de FSV heeft gespeeld en die zijn geschikt.
Hoeveel rechtszaken spelen er rond FSV en/of de UHT? Wat voor zaken zijn dat (kort geding, beroep, hoger beroep)? Wat is de inhoud van deze zaken?
Het is niet bekend hoeveel (rechts)zaken op dit moment spelen waarbij FSV aan de orde is.
Voor wat betreft rechtszaken rondom UHT (de hersteloperatie) het volgende:
In onderstaande tabel treft u een overzicht van de gevraagde rechtszaken over UHT/de hersteloperatie. Onder de tabel treft u per soort rechter een toelichting.
Niet tijdig afgehandeld
20
Niet tijdig in behandeling
30
Voorlopige voorziening afgehandeld
16
Voorlopige voorziening in behandeling
4
Regulier beroepen
8
Kort geding ingetrokken
2
Kort geding met uitspraak
6
Totaal
86
Hoger beroep
10
Stand 24 februari 2022
De Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) heeft 20 beroepen tegen het niet-tijdig een beslissing nemen («niet tijdig») afgehandeld. Er zijn daarnaast 30 beroepen niet-tijdig in behandeling. Er zijn 16 verzoeken om een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter afgehandeld. Er zijn 4 verzoeken om een voorlopige voorziening in behandeling. Er zijn 8 reguliere beroepen ingesteld, die nog allen in behandeling zijn. De beroepen niet-tijdig zien op het uitblijven van beslissingen in het primaire proces (beslissing in het kader van Catshuisregeling, beslissing in het kader van de integrale beoordeling en beslissing in het kader van een verzoek om compensatie aanvullende werkelijke schade) en op het uitblijven van beslissingen in het bezwarenproces. De voorlopige voorzieningen zijn voor een groot deel (12) ingesteld door één gemachtigde, waarbij deze verzoeken telkens door de rechtbank worden afgewezen omdat het griffierecht niet is betaald. De overige voorlopige voorzieningen zien op het uitblijven van een beslissing door UHT en zijn in zoverre ook vergelijkbaar met de beroepen niet-tijdig. De 8 reguliere beroepen zijn alle nog in behandeling en bevinden zich grotendeels in het beginstadium. Deze beroepen zijn nog niet ter zitting bij een rechter geweest. Om die reden valt er nog weinig te duiden over deze reguliere beroepen. Het geschil voor de 8 reguliere beroepen ziet voor het overgrote deel op de hoogte van de forfaitaire compensatie.
Er zijn daarnaast zeven kort gedingen bij de civiele rechter aangespannen rondom de hersteloperatie. Twee kort gedingen over inzage van dossiers zijn inmiddels ingetrokken. Drie vorderingen van een juridisch adviesbureau van verschillende gedupeerde ouders over kosten van juridische bijstand zijn afgewezen. Eén kort geding, over de schuldenproblematiek, is afgewezen omdat eiser niet in aanmerking kwam voor toepassing van de verzochte regeling. De laatste, van een ex-partner eveneens over de schuldenproblematiek, is door de voorzieningenrechter afgewezen.
Er zijn momenteel 10 hoger beroepszaken met een UHT-component. Dit betreft al langer lopende zaken die niet primair zagen op (het uitblijven van) een beslissing van UHT. Belanghebbenden zijn inmiddels ook gecompenseerd door UHT, de zaken worden aangehouden totdat de dossiers aan de zijde van UHT naar tevredenheid van de ouder zijn afgehandeld.
Klopt het dat de Landsadvocaat zaken namens de Belastingdienst behandelt bij deze zaken? Zo ja hoeveel en hoeveel geld is daarmee gemoeid?
Er is voor de Belastingdienst geen sprake van inzet van de Landsadvocaat in lopende Rechtbank of Hof-zaken (of bezwaarprocedures) over de FSV.
Hoeveel ambtenaren van de Belastingdienst/Douane/Financiën (of hun echtgeno(o)t(e)/fiscaal partner) stonden op de FSV-lijsten? Hoe zijn deze mensen geïnformeerd?
Ambtenaren worden op dezelfde wijze geïnformeerd over een eventuele registratie in de FSV. Het personeelsbestand van het Ministerie van Financiën mag niet worden vergeleken met de FSV. Alleen wanneer een medewerker de opname op de FSV-lijst uit eigen beweging gemeld heeft bij de werkgever, is dat wel bekend.
Indien een ambtenaar (of partner) op de FSV-lijst stond, had dat dan intern gevolgen zoals minder/geen kans op promotie of op verlenging van een tijdelijk contract? Zo ja, kunt u dat precies aangeven?
Het personeelsbestand van het Ministerie van Financiën mag niet worden vergeleken met de FSV. Een medewerker kan uit eigen beweging bekend gemaakt hebben aan de werkgever dat deze opgenomen is op de FSV-lijsten.
Welke hulp en tegemoetkoming wordt geboden aan (voormalig) ambtenaren van de Belastingdienst die op de zwarte lijsten stonden?
Het personeelsbestand van het Ministerie Financiën mag niet worden vergeleken met de FSV. Een medewerker kan uit eigen beweging bekend gemaakt hebben aan de werkgever dat deze opgenomen is op de FSV-lijsten. Indien de medewerker hierop een beroep doet, wordt ondersteuning geboden uit bestaande voorzieningen zoals bijvoorbeeld vertrouwenspersonen en bedrijfsmaatschappelijk werk. Gezien de vertrouwelijkheid van deze dienstverlening is dat bij de werkgever niet bekend.
Kunt u deze vragen een voor een binnen drie weken beantwoorden?
Deze vragen zijn door mij één voor één beantwoord binnen drie weken.
Het bericht ‘Luchtvaartonderzoek houdt vliegherrie buiten beeld, waarschuwt GGD’ |
|
Raoul Boucke (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de dringende oproep van de Gemeentelijke Geneeskundige Diensten (GGD’en) over de te gebruiken grenswaarden voor geluid in de werkwijzer voor luchtvaartspecifieke maatschappelijke kostenbatenanalyses (MKBA’s)?1
Om meer duidelijkheid te scheppen over uitgangspunten en methodieken om MKBA’s en welvaartsanalyses op het gebied van luchtvaart zo consistent en goed mogelijk uit te voeren is in juli 2021 een eerste versie van de werkwijzer voor luchtvaartspecifieke MKBA’s uitgebracht. Zoals in de brief van 2 februari 2022 aan de Commissie voor IenW2 ook is aangegeven, kan en zal deze werkwijzer nog verbeterd worden, omdat op een aantal punten nog aanvullend onderzoek nodig is om welvaartskosten en -baten in de toekomst beter te kunnen inschatten. Die verbeterpunten staan genoemd in de werkwijzer en de daarbij gevoegde onderzoeksagenda. Waar verbeteringen mogelijk zijn heeft de opsteller van de werkwijzer voorlopige aanbevelingen opgenomen en gevoeligheidsanalyses voorgesteld.
Zoals PBL en CPB in de beoordelingsbrief3 bij de werkwijzer hebben aangegeven geldt het principe dat de MKBA-onderzoeker zelf verantwoordelijk is voor het op een zo goed mogelijke manier in beeld brengen van alle aspecten die relevant zijn bij een MKBA. De werkwijzer helpt hierbij door aan te geven wat geschikte methoden of afwegingen zijn. Als sprake is van een algemene consensus dan is de werkwijzer voorschrijvend. Als er meerdere geschikte methoden zijn of er onduidelijkheid bestaat over de geschiktheid van methoden, dan geeft de werkwijzer een aanbeveling en is er meer keuzevrijheid voor de MKBA-onderzoeker.
Zoals het artikel in Trouw aangeeft heeft de GGD GHOR Nederland mij op 14 januari 2022 een brief gestuurd waarin wordt opgeroepen specifieke waarderingskengetallen voor geluidhinder in de werkwijzer te laten toevoegen. Ik vind het van belang dat er over de relatie tussen geluidbelasting en ervaren hinder meer kennis wordt ontwikkeld. Dat wordt in gang gezet en daarbij zal ook aandacht besteed worden aan de monetarisering van geluidhinder conform de aanbeveling hierover in de onderzoeksagenda bij de werkwijzer. Alle nieuwe inzichten en zienswijzen, dus ook die van de GGD GHOR Nederland, worden daarbij betrokken.
Ziet u, naar aanleiding van deze oproep, aanleiding de werkwijzer aan te passen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn uw beweegredenen om wel of niet een (afweging van de) geluidsbelasting van 45 decibel voor de dag en 40 decibel voor de nacht (advies van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)) te hanteren?
Het kabinet heeft nog geen inhoudelijk standpunt bepaald inzake de doorwerking in het geluidbeleid van de publicatie «Environmental Noise Guidelines for the European Region» van de WHO. De opstellers van de werkwijzer hebben dit als uitgangspunt genomen en aansluiting gezocht bij de grenswaarden zoals die thans in beleid, wet- en regelgeving over luchtvaart worden gehanteerd. In zijn algemeenheid zijn dit 48 dB Lden voor het etmaal en 40 dB Lnight voor de nachtperiode.
Waarom is de in het artikel genoemde Engelse methodiek voor het monetaristen van geluid niet toegepast in de werkwijzer?
De werkwijzer is opgesteld door een consortium onder leiding van SEO. De andere partijen van het consortium waren Decisio, To70 en Twynstra Gudde. Het ministerie is in inhoudelijke zin niet verantwoordelijk geweest voor de keuzes van methodieken die zijn opgenomen in de werkwijzer. Het ministerie heeft vraag 4 en 5 voorgelegd aan de onderzoekers. Zij geven aan dat het Verenigd Koninkrijk (VK), in tegenstelling tot wat de GGD in haar brief beweert, een ondergrens hanteert die omgezet naar de Nederlandse situatie overeenkomt met 53 tot 55 dB Lden. Deze ondergrens wordt gebruikt in het VK in de Web-based Transport Analysis Guidance (WebTAG) die is voorgeschreven bij het monetariseren van geluid4.
Klopt het dat deze methodiek in het Verenigd Koninkrijk, waaronder dus ook bij luchthavens, reeds wordt toegepast?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van mening dat de huidige werkwijzer voor luchtvaartspecifieke MKBA’s is gebaseerd op wetenschappelijke consensus? Zo nee, bent u bereid de werkwijzer te herzien om dit te bereiken?
Ja, ik ben van mening dat de werkwijzer op een verantwoorde onafhankelijke en wetenschappelijke wijze tot stand is gekomen.
Zoals aangegeven in de brief5 van 2 februari 2022 aan de Tweede Kamer is de uitbesteding van de opstelling van de werkwijzer geheel volgens de regels van betrokkenheid als opdrachtgever bij onafhankelijk onderzoek in de Gedragscode Integriteit Rijk verlopen6. De werkwijzer is opgesteld door een consortium onder leiding van SEO. De andere partijen van het consortium waren Decisio, To70 en Twynstra Gudde. Deze partijen beschikken over uitgebreide kennis en ervaring met MKBA-onderzoek op het gebied van luchtvaart. De voortgang van het onderzoek en de opstelling van de werkwijzer is bewaakt door een begeleidingsgroep waarin de planbureaus CPB en PBL (onder meer vertegenwoordigd door de auteurs van de Algemene MKBA-leidraad uit 2013) alsmede experts op het gebied van MKBA’s van het KiM waren vertegenwoordigd. Naast literatuurstudie en analyse heeft het consortium veel uiteenlopende experts geïnterviewd, waaronder de relevante andere instituten en adviesbureaus met kennis op het gebied van luchtvaartspecifieke MKBA’s. Na oplevering is de werkwijzer volgens voorschrift door het PBL en het CPB getoetst aan hun Algemene MKBA-leidraad. De conclusie van deze toets was dat de werkwijzer een adequate leidraad is voor het opstellen van luchtvaartspecifieke MKBA’s. De kwaliteitstoets is samen met de werkwijzer aan de Tweede Kamer gezonden7.
Na publicatie van de werkwijzer heeft een aantal organisaties8 aangegeven dat er andere visies en inzichten zijn over de aanbevelingen en methodieken in de werkwijzer. Deze hebben vooral betrekking op de waardering van geluidhinder en op het onderwerp waar in vraag 7 naar verwezen wordt, namelijk waardering van reistijden. Uiteraard zijn deze verschillen de moeite waard om nader te onderzoeken. Mogelijk nuanceren reeds in de werkwijzer opgenomen kanttekeningen en voorstellen voor gevoeligheidsanalyses de aard van deze verschillen. Het zelfde geldt voor de onderzoeksagenda die bij de werkwijzer is gevoegd. Daarin wordt aangegeven welke kennis er volgens het consortium nog ontbreekt of moet worden aangevuld om de aanbevelingen te verbeteren. De onderzoeksagenda kan overigens ook aangevuld worden met nieuwe onderwerpen. De inzichten die uit het onderzoek voortkomen zullen uiteindelijk leiden tot een herziene werkwijzer, waarbij gestreefd wordt naar zo breed mogelijke consensus over de uitgangspunten bij deskundigen. Daarbij zullen vanzelfsprekend alle verschillende visies worden betrokken. Zoals PBL en CPB ook aangeven in hun toets blijft het tot die tijd de taak van elke MKBA-opsteller om de meest recente kennis over input en methodes voor MKBA’s in de uitwerking mee te nemen. Waar nodig kan met gevoeligheidsanalyses gewerkt worden.
Zo ja, hoe weegt de kritiek dat bijvoorbeeld de kosten van extra reistijd bij een krimp van luchtvaart te hoog zijn ingeschat?
Zie antwoord vraag 6.
Gezien de constatering in de onderzoeksagenda van de werkwijzer luchtvaartspecifieke MKBA’s van mei 2021 dat discussie kan ontstaan over de in Nederland hoger dan elders ingeschatte tijdwaardering voor luchtvervoer, acht u het gepast een andere (meer dan gemiddelde) tijdwaardering toe te passen in de werkwijzer?
Op dit moment voert het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) onderzoek uit naar reistijdwaarderingen voor het voor- en natransport bij vliegreizen. Dit vindt plaats naar aanleiding van de vraag hierover in de onderzoeksagenda, als aanvulling op het hoofdonderzoek reistijd- en betrouwbaarheidswaardering voor alle vervoersmodaliteiten. Daarbij wordt ook onderzocht of dit vergelijkbaar is met de reistijdwaardering van vliegen of van auto en ov-reizen. Met dit onderzoek wordt invulling gegeven aan de onderzoeksvragen in relatie tot reistijdwaardering in de onderzoeksagenda bij de werkwijzer. De resultaten van dit onderzoek worden begin 2023 verwacht. Daarmee zal meer kennis beschikbaar komen over kengetallen voor reistijdwaardering die in luchtvaartspecifieke MKBA’s toegepast kunnen worden.
Gezien de kritiek van verschillende partijen op de werkwijzer en daaruit volgende discussies, bent u van mening dat de werkwijzer een toereikend instrument is in het adequaat en zorgvuldig in kaart brengen van alle kosten en baten voor luchtvaartgerelateerde activiteiten?
De werkwijzer die in juli 2021 is gepubliceerd is een belangrijke stap geweest om meer duidelijkheid te scheppen over uitgangspunten en methodieken om luchtvaartspecifieke MKBA’s zo consistent en goed mogelijk uit te voeren. Het is van belang om te beseffen dat de werkwijzer een eerste versie is en dat deze op een aantal punten nog verbeterd kan worden, omdat op een aantal onderdelen nog aanvullend onderzoek nodig is. Die verbeterpunten staan ook genoemd in de werkwijzer en de daarbij gevoegde onderzoeksagenda. Waar verbeteringen mogelijk zijn heeft het consortium in de werkwijzer voorlopige aanbevelingen opgenomen en gevoeligheidsanalyses voorgesteld. Overigens is het goed om daarbij te benadrukken dat de werkwijzer naast aanbevelingen over reistijd- en geluidhinderwaarderingen ook aanbevelingen over berekening van andere welvaartskosten en -baten bevat en dat ook die in de onderzoeksagenda aan bod komen. Met de uitvoering van de onderzoeksagenda is inmiddels gestart (zie ook antwoord op vraag 12). Verder is het goed te benoemen dat in de werkwijzer is opgenomen dat een MKBA de besluitvorming dient maar deze niet vervangt. Een MKBA is niet meer en niet minder dan een belangrijke informatiebron die beschikbaar moet zijn als besluitvorming plaatsvindt.»9
Bent u bereid om bij die luchtvaartspecifieke MKBA’s waarbij de rijksoverheid betrokken is altijd een second opinion te laten uitvoeren, zoals het Centraal Planbureau (CPB) en Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in hun brief adviseren?
Ja, zoals ook in de werkwijzer staat aangegeven is het gewenst dat indien een MKBA wordt opgesteld ten behoeve van een luchthaven(verkeer)besluit voor Schiphol en de luchthavens van nationale betekenis (waarvoor het Rijk het bevoegd gezag is) het ministerie een second opinion laat uitvoeren.
Kunt u, uitgesplitst per aandachtspunt, ingaan op de stand van zaken van de aandachtspunten zoals genoemd in de brief van het CPB en PBL die als bijlage is meegestuurd met de brief van uw voorganger van 9 juli 2021 (Kamerstuk 31 936, nr. 869)?
De aandachtspunten in de brief van CPB en PBL waaraan in de vraag wordt gerefereerd betreffen aandachtspunten bij het gebruik van de werkwijzer. Deze zijn dus vooral bedoeld voor de uitvoerders van MKBA’s. Bij second opinions van MKBA’s ten behoeve van een luchthaven(verkeer)besluit voor Schiphol en de luchthavens van nationale betekenis (waarvoor het Rijk het bevoegd gezag is) zal worden bezien hoe met deze aandachtspunten is omgegaan.
Wat is de stand van zaken van de acties en actualisaties uit de onderzoeksagenda bij de werkwijzer luchtvaartspecifieke MKBA’s» van mei 2021? Wanneer verwacht u de update van scenario’s uit de studie «Nederland in 2030–2050: twee referentiescenario’s – Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving» (WLO) en reistijdwaardering (die volgens het CPB en PBL uitgevoerd zullen worden) te kunnen toepassen in de werkwijzer en de Kamer hierover te informeren?
Op dit moment werkt het ministerie een plan uit om tot uitvoering van de onderzoeksagenda bij de werkwijzer te komen. Een aantal onderzoeken is al gestart, bijvoorbeeld het onderzoek van het KiM naar reistijdwaarderingen (zie mijn antwoord op vraag 8), en ook is er inmiddels al een onderzoek beschikbaar met relevante informatie over niet-CO2-effecten10. De uitvoering van de onderzoeksagenda zal tot aanvullende inzichten leiden. Op basis daarvan zal er een volgende, verbeterde versie van de werkwijzer opgesteld worden. Daarbij wordt gestreefd naar zo breed mogelijke consensus bij deskundigen. Zoals PBL en CPB ook aangeven in hun kwaliteitstoets op de werkwijzer blijft het tot die tijd de taak van elke MKBA-opsteller om de meest recente kennis over input en methodes voor MKBA’s in de uitwerking mee te nemen. Waar nodig kan met gevoeligheidsanalyses gewerkt worden om aan te geven wat andere aannames betekenen voor de robuustheid van de analyse.
Nog bezien moet worden wanneer de werkwijzer herzien zal worden. Ik zal in samenwerking met het KiM goed de stand van nieuwe inzichten bijhouden en de Kamer, maar zeker ook de (potentiële) uitvoerders van MKBA’s, daarover informeren.
Kunt u de bovenstaande vragen ruim voor het commissiedebat Luchtvaart van 24 februari beantwoorden omwille van een goed geïnformeerd debat?
Ja.
Het bericht 'Mkb'er kiest voor lening om aan eisen banken te voldoen' |
|
Hawre Rahimi (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Mkb’er kiest voor lening om aan eisen banken te voldoen»?1
Ja.
Zo ja, bent u al in gesprek met banken en ondernemers over waarom dit zo is? Zo ja, wat is er tot nu toe uit deze gesprekken gekomen? Zo nee, waarom niet?
Mijn ministerie overlegt op reguliere basis met (vertegenwoordigers van) banken en vertegenwoordigers van ondernemers, ook over de financieringsbehoefte van ondernemers en de belemmeringen die ze daarbij ervaren. In de gesprekken is aandacht voor wat nodig is voor ondernemers en voor aspecten als liquiditeit, zekerheden en de eigenvermogenspositie. Ook is er altijd aandacht voor signalen die ons bereiken ten aanzien van ondernemers die niet terecht kunnen bij banken. Banken hebben aangegeven open te staan voor signalen van ondernemers die knelpunten ervaren bij hun bedrijfsfinanciering, om deze te bespreken en waar mogelijk ook tot oplossingen te komen.
Voor investeringen of financieringen met een hoger risico is een hoger rentepercentage begrijpelijk, immers de risico’s voor de financier zijn hiervoor hoger. De mogelijke opbrengsten voor de ondernemer zijn ook hoger dankzij een verbeterde omzet en winst door de investering.
Deelt u de mening dat deze constatering zeer zorgelijk is, met name gezien het feit dat 70 procent van de werkgelegenheid bij de mkb’ers ligt en deze daarmee in gevaar komt? Zo ja, hoe beoordeelt u deze zorgelijke situatie en waar ziet u concrete mogelijkheden, ook gelet op het coalitieakkoord, om financieringsmogelijkheden voor mkb’ers te verbreden? Zo nee, waarom niet?
Toegang tot financiering is een belangrijke randvoorwaarde voor het mkb om te kunnen blijven ondernemen. Het kan voor ondernemers lastig zijn om voor risicovollere investeringen externe financiering aan te trekken. Voor risicovolle investeringen is een sterk eigen vermogen of voldoende onderpand vaak een belangrijke voorwaarde om krediet te krijgen (en niet alleen bij bancaire financiers). Dit is niet altijd voorhanden bij mkb-ondernemers.
Het is hierbij aan banken zelf om te bepalen hoe zij het risico van een investeringspropositie inschatten, of zij een ondernemer kredietwaardig vinden en of zij tot financiering willen overgaan.
In dit licht zie ik dat, in het algemeen, financiering door middel van een achtergestelde lening ondernemers extra kansen kan bieden. Achtergestelde leningen kunnen onder bepaalde voorwaarden worden gerekend tot het eigen vermogen (garantievermogen). Ondernemers met een propositie die onvoldoende basis biedt voor een reguliere lening, door onvoldoende eigen vermogen of een te hoog risico, kunnen op deze manier mogelijk toch financiering ophalen. Zoals in het artikel wordt aangegeven maakt een achtergestelde lening geen gebruik van zekerheden of onderpand en kan het tot het eigen vermogen worden gerekend. Bovendien geeft het voor andere financiers meer zekerheid.
Dit neemt niet weg dat banken zich dergelijke signalen uit het krantenartikel zouden moeten aantrekken. Ik acht het namelijk van belang dat banken zich bereid tonen om ondernemers te financieren met een risicovoller profiel of investeringsbehoefte.
Het kabinet richt zich op het verbeteren van de toegang tot financiering van het mkb door het wegnemen van onnodige belemmeringen en daarmee het dichten van de financieringskloof. Daar blijven we aan werken en dat kent geen eindig tijdspad. Zo kunnen bedrijven via de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) makkelijker bij een bank terecht middels een garantie indien deze bedrijven onvoldoende onderpand kunnen bieden. Ook via Qredits hebben veel ondernemers de afgelopen jaren financiering kunnen verkrijgen. Zowel de BMKB en Qredits worden geëvalueerd, zo kunnen we zien of het beter kan. Daarnaast stimuleert het kabinet de alternatieve financieringsmarkt op verschillende manieren, zoals met (financiële) ondersteuning van de stichting MKB Financiering en met het DACI-fonds, een fonds om het aanbod van financiering voor alternatieve financiers te vergroten.
Het is van belang dat ondernemers betere toegang krijgen tot financiering geschikt voor investeringen en meer mogelijkheden krijgen op de alternatieve financieringsmarkt. Het Comité voor Ondernemerschap heeft hier afgelopen november al een advies over uitgebracht. Het Nederlands Comité voor Ondernemerschap pleit voor versterking van het eigen vermogen van het mkb via een fonds. Een nieuw fonds kan volgens het Comité in de kern gezonde ondernemers helpen om te investeren, onder meer in vernieuwing, verduurzaming en digitalisering. Ik zal in het voorjaar een reactie op dit advies aan uw Kamer sturen.
Deelt u de mening dat ondernemers hierdoor onnodig veel kosten maken door meer rente te betalen dan nodig is en daarmee minder geld over is voor innovatie en investering? Zo ja, bent u bereid om met ondernemers en banken in gesprek te gaan om deze financieringsproblematiek aan te pakken om de positie van mkb’ers te versterken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat mkb’ers wel gewoon terecht kunnen bij banken en kunt u hiervoor een tijdspad geven?
Zie antwoord vraag 3.
De situatie in Mali |
|
Agnes Mulder (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland zeer bezorgd over situatie in Mali, beraadt zich op militaire missie»?1
Ja.
Kunt u uw zorgen nader toelichten?
Het kabinet is zeer bezorgd over de politieke ontwikkelingen en de aanwezigheid van Russische paramilitairen in Mali, zoals ook toegelicht in de Kamerbrief «Politieke ontwikkelingen in de Sahelregio» d.d. 9 februari jl. (kenmerk 2022Z02373). Het kabinet is in gesprek met zijn partners binnen de VN en de EU over de mogelijke gevolgen van de opstelling van de transitieautoriteiten voor de inzet in de VN-missie MINUSMA en de EU-missies in Mali en de Nederlandse bijdrage daaraan. Over de gevolgen voor Taakgroep Takuba is uw Kamer separaat geïnformeerd via de Kamerbrief «Besluit terugtrekking Taakgroep Takuba» (d.d. 17 februari jl.).
Klopt het dat het kabinet de Nederlandse bijdrage aan de MINUSMA-missie heroverweegt?
De VN-missie MINUSMA is een geïntegreerde missie die zich met name richt op het bevorderen van de stabiliteit in Mali, de bescherming van de burgerbevolking en de uitvoering van het vredesakkoord uit 2015. Vooralsnog ziet MINUSMA voldoende mogelijkheden voor de uitvoering van haar mandaat. Het kabinet houdt – in nauwe samenspraak met de VN en gelijkgezinde partners – de actuele ontwikkelingen in Mali nauwlettend in de gaten en de gevolgen hiervan voor MINUSMA. Het stopzetten van de Nederlandse civiele en militaire bijdrage aan de VN-missie MINUSMA is momenteel niet aan de orde.
Klopt het dat Frankrijk deze week in overleg treedt met andere landen die actief zijn in de VN-missie MINUSMA? En zo ja, wordt Nederland ook geconsulteerd en wat wordt de Nederlandse inzet indien dit het geval is?
Frankrijk heeft de afgelopen periode met grote regelmaat overleggen georganiseerd met andere landen die actief zijn in Taakgroep Takuba. Nederland heeft hieraan ook op ministerieel niveau deelgenomen. Over de uitkomt hiervan bent u separaat geïnformeerd (Kamerbrief «Besluit terugtrekking Taakgroep Takuba» d.d. 17 februari jl.). Afstemming over MINUSMA gebeurt primair via de VN in New York.
Klopt het dat Nederland alleen verder wil met de MINUSMA-missie als een ander land de aanzienlijke rol van Frankrijk overneemt? En zo ja, aan welke landen wordt hierbij gedacht en hoe reëel acht u de kans dat een ander land deze rol overneemt?
Er bestaan afspraken tussen de Franse operatie Barkhane, waar Taakgroep Takuba onderdeel van uitmaakt, en de VN-missie MINUSMA. Frankrijk kan MINUSMA ondersteunen in geval van nood, bijvoorbeeld door het geven van luchtsteun en bij medische evacuaties. Het kabinet houdt nauwlettend in de gaten hoe de ontwikkelingen betreffende Barkhane en Takuba de VN-missie MINUSMA en tevens de Europese trainingsmissie (EUTM) in Mali beïnvloeden en staat hierover in nauw contact met betrokken partijen.
Wat betreft de Taakgroep Takuba is het niet aannemelijk dat een ander land de leidende rol van Frankrijk overneemt.
Kunt u aangeven wanneer en op welke wijze u contact hebt gehad met de Franse regering over de situatie in Mali?
Momenteel is er vrijwel dagelijks op velerlei wijze contact met vertegenwoordigers van de Franse regering over de situatie in Mali, inclusief via persoonlijke ontmoetingen en beveiligde videoconferenties op politiek niveau. Dit contact verloopt zowel via de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken als op hoogambtelijk niveau en via de Nederlandse ambassades in Parijs en Bamako. De Minister van Defensie overlegde telefonisch met haar Franse collega op 24 januari jl. en 11 februari jl., en de Minister van Buitenlandse Zaken sprak tijdens een werkbezoek aan zijn Franse collega in Parijs op 28 januari jl. eveneens over de ontwikkelingen in Mali en de mogelijke impact daarvan op de veiligheidsinzet in de regio. De meest recente beveiligde videoconferenties op ministerieel niveau voor de Ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken vonden plaats op respectievelijk 11 en 14 februari jl. In aanvulling daarop is informatie uitgewisseld via de twee Nederlandse militairen in Taakgroep Takuba.
Kunt u garanderen dat Frankrijk geen troepen uit Mali terugtrekt zonder dat bondgenoten daarover worden geconsulteerd?
Frankrijk heeft de coalitiegenoten van Taakgroep Takuba steeds zeer nauw betrokken bij de politieke besluitvorming en het operationele planningsproces van de missie.
Deelt u de observatie dat het Franse belang om aanwezig te zijn in Mali mede is ingegeven door de aanwezigheid van de uraniummijnen in Noord-Niger? En bent u in gesprek met Franse partners over het instandhouden van de productie van uranium voor de Europese markt in de regio rond Mali? Hoe schat u het belang van het in stand houden van deze productie in?
De internationale inzet in de Sahelregio is gericht op het bevorderen van duurzame vrede, stabiliteit en ontwikkeling. Het is het kabinet bekend dat Franse bedrijven concessies voor uraniumwinning in Niger hebben, maar dit staat los van deze inzet. Naast Franse bedrijven hebben ook (staats)bedrijven van andere landen concessies voor de uraniumwinning in Niger, waaronder bedrijven uit China, Japan, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zuid-Korea.
Kunt u aangeven welke andere landen dan degene die zijn aangesloten bij de MINUSMA-missie, aanwezig zijn in Mali of Niger?
De VN-missie MINUSMA is een geïntegreerde missie waaraan tientallen landen een diplomatiek, civiele of militaire bijdrage leveren. Het gaat hierbij ook om westerse landen en (buur)landen uit de regio (zie voor volledig overzicht https://peacekeeping.un.org/en/mission/minusma). Daarnaast leveren tevens meerdere Europese landen een bijdrage aan de Europese Trainingsmissie (EUTM) en de Europese capaciteitsopbouwmissie (EUCAP Sahel) in Mali. Ook zijn vele andere landen in Mali aanwezig, zowel op het gebied van veiligheid (o.a. Rusland) als op het gebied van handel (o.a. China) of ontwikkelingssamenwerking (o.a. Canada).
Deelt u onze zorg dat de toenemende afwezigheid van Europese landen in de sub-Sahara regio leidt tot toenemende extremistische groepen als aan Al-Qaida en Islamitische Staat gelieerde jihadisten?2
De Sahel is voor het kabinet een onverminderd prioritaire regio op het vlak van veiligheid, ontwikkelingssamenwerking en migratie. Het gebrek aan duurzame vrede, stabiliteit en ontwikkeling in de Sahel brengt risico’s met zich mee voor zowel de Sahel en West-Afrika, als voor Nederland en de EU, in de vorm van terroristische dreiging en irreguliere migratiestromen. Nederland zet zich – samen met gelijkgezinde partners – in om de grondoorzaken van armoede, instabiliteit, gewelddadig extremisme en terrorisme en klimaatverandering in de Sahel weg te nemen en de weerbaarheid van de bevolking in deze fragiele regio te vergroten. Nederland zal zich de komende jaren ook richten op de West-Afrikaanse kuststaten, waar Nederlandse en Europese (handels)belangen liggen en die kwetsbaar zijn voor de zogenaamde spill-overvan gewelddadig extremisme en terrorisme vanuit de Sahel.
De terugtrekking van Taakgroep Takuba en de Franse operatie Barkhane uit Mali zal gevolgen hebben voor de bestrijding van terroristische groeperingen in de Liptako-Gourma-regio (het grensgebied tussen Mali, Niger en Burkina Faso). Nederland en zijn Europese partners blijven echter gecommitteerd aan het tegengaan van de terroristische dreiging in de Sahel en aan de spill-over hiervan naar in het bijzonder de West-Afrikaanse kuststaten.
Klopt het dat Noorwegen en Zweden hun soldaten zullen terugtrekken? Wat is hun tijdpad van terugtrekking en wat betekent dat voor de veiligheid van de Nederlandse aanwezigheid?
De aan Taakgroep Takuba deelnemende landen, waaronder Nederland, hebben op 17 februari jl. besloten om Takuba uit Mali terug te trekken, omdat niet langer aan de politieke, juridische en operationele voorwaarden voor inzet kon worden voldaan.
Noorwegen besloot reeds op 1 februari jl. zijn geplande inzet in Takuba te annuleren. Het bleek voor de Noorse overheid onmogelijk om met de Malinese autoriteiten een juridisch kader vast te stellen dat de veiligheid van de Noorse militairen voldoende zou borgen. De voorziene troepen waren nog niet uitgezonden, waardoor van terugtrekking geen sprake is. Het Zweedse nationale mandaat voor Taakgroep Takuba eindigt zoals was voorzien in maart 2022. Zweden en Noorwegen blijven deelnemen aan MINUSMA.
Beide ontwikkelingen hebben geen consequenties voor de veiligheid van de Nederlandse militairen aanwezig in Mali.
In hoeverre zijn de ontwikkelingen in Mali van invloed op de positie van Luitenant-Generaal Mathijssen, de Force Commander van MINUSMA, en zijn Nederlandse staf?
Vooralsnog ziet de VN-missie MINUSMA voldoende mogelijkheden voor de uitvoering van haar mandaat. Het kabinet houdt de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en staat hierover in nauw contact met de VN en andere troepen-leverende landen.
Betekent een eventueel stopzetten van de Nederlandse militaire bijdrage aan de MINUSMA-missie in Mali ook dat de positie van Force Commander MINUSMA door Nederland wordt losgelaten?
De Force Commander MINUSMA is in dienst van de VN. Deze positie is niet gekoppeld aan de Nederlandse militaire bijdrage aan MINUSMA. Het stopzetten van de Nederlandse civiele en militaire bijdrage aan de VN-missie MINUSMA is momenteel niet aan de orde.
Verwacht u een geweldsescalatie in Mali, indien Frankrijk en andere Westerse landen zich terugtrekken uit Mali?
De veiligheidssituatie in Mali en de bredere regio is complex en onvoorspelbaar. Nederland heeft de afgelopen jaren – samen met gelijkgezinde partners – in multilateraal verband een bijdrage geleverd aan capaciteitsopbouw van de Malinese veiligheidssector. Het is op dit moment moeilijk te voorspellen wat het precieze effect zal zijn van het stopzetten van de bestaande missies op de stabiliteit van Mali en de bredere regio. Het kabinet houdt de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en onderhoudt hierover nauw contact met bondgenoten.
Heeft u een goed beeld van het aantal Nederlandse burgers in Mali en hoe zorgen u ervoor dat zij tijdig kunnen vertrekken indien de situatie in Mali escaleert?
Op dit moment zijn er 60 Nederlanders in Mali geregistreerd bij de informatieservice van Buitenlandse Zaken. Aangezien niet alle Nederlanders zich bij de informatieservice registeren kan het daadwerkelijke aantal Nederlanders in Mali hoger liggen. Het is verder bekend dat er 115 Nederlanders verbonden zijn aan de VN-missie en EU-missies.
Voor de landen waar de veiligheidssituatie en de capaciteiten van de lokale autoriteiten daar aanleiding toe geven, beschikken de betreffende ambassades over een uitgewerkt evacuatieplan voor de aanwezige Nederlanders en eigen stafleden. Nederland werkt daarbij nauw samen met bevriende landen ter plaatse. Dit geldt ook voor Mali, waar evacuatie op dit moment niet aan de orde is, ook omdat er nog commerciële vluchten zijn. Preventie en eigen verantwoordelijkheid staan bij de evacuatie van Nederlanders uit het buitenland centraal. Het evacueren van staatsburgers door Nederland vindt slechts in zeer uitzonderlijke situaties plaats, te weten wanneer er geen enkele andere mogelijkheid is om zelfstandig een bepaald gebied veilig te verlaten en Nederland daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om staatsburgers uit het gebied te evacueren. In aanloop naar een mogelijke evacuatie, hanteert de Nederlandse overheid de volgende stappen: 1) Alle niet-noodzakelijke reizen ontraden (code «oranje»); 2) Alle reizen ontraden (code «rood») en indien de veiligheidssituatie dit toelaat, Nederlanders oproepen zelfstandig het land te verlaten; 3) Overgaan tot evacuatie wanneer dit gezien de veiligheidssituatie noodzakelijk is en de operatie verantwoord kan worden uitgevoerd.
Wordt er in EU-verband gesproken over Mali en, zo ja, in hoeverre is er eensgezindheid over de Europese Mali-strategie?
De EU volgt de ontwikkelingen in Mali op de voet en onderzoekt de mogelijke gevolgen van de situatie, inclusief een gedegen risico-inschatting en scenario-planning ten aanzien van de Europese presentie en inzet van Europese instrumenten in de regio. De situatie in Mali staat regelmatig op de agenda van de Raad Buitenlandse Zaken, zo ook tijdens de Raad van 21 februari a.s. Onder de EU-lidstaten is er veel eensgezindheid ten aanzien van de zorgen over de huidige politieke spanningen en de aanwezigheid van Russische paramilitairen. Tegelijkertijd benadrukken EU-lidstaten het belang om de communicatiekanalen met de Malinese transitieautoriteiten open te houden.
Vindt er bilateraal en multilateraal overleg plaats met de Malinese autoriteiten om de situatie te de-escaleren?
In multilateraal en regionaal verband vindt veelvuldig overleg plaats met de Malinese transitieautoriteiten om de situatie te de-escaleren. Nederland blijft daarbij ECOWAS, de Afrikaanse Unie (AU) en de VN/MINUSMA ondersteunen in hun poging om in dialoog met de Malinese transitieautoriteiten een uitweg te vinden uit de huidige impasse. Deze inzet is afgestemd in EU-kader en conform de koers van gelijkgezinde partners in de West-Afrikaanse regio (ECOWAS). Inmiddels hebben de Malinese transitieautoriteiten een coördinatiemechanisme opgezet ten behoeve van een voortzetting van de dialoog met ECOWAS, de AU en de VN om tot overeenstemming te komen over een transitietijdpad.
Ook in Europees en bilateraal verband vindt overleg plaats met de Malinese transitieautoriteiten, mede gericht op de-escalatie en terugkeer naar een proces van democratische transitie. Hierop werd onder meer ingezet tijdens een ontmoeting op 2 februari jl. tussen de EU-ambassadeur en transitiepremier Maïga en tijdens een politieke dialoog van de EU met de Malinese Minister van Buitenlandse Zaken, Abdoulaye Diop, eind november jl., waaraan ook de Nederlandse ambassadeur deelnam. Een vergelijkbare boodschap werd eveneens in november afgegeven door de Nederlandse Speciaal Gezant voor de Sahel en de Nederlandse ambassadeur in een bilateraal onderhoud met Minister Diop.
Wat weet u over de aanwezigheid van de Wagner Group in Mali? Klopt het dat de Wagner Group inmiddels weer is vertrokken uit Mali?3
Het is het kabinet bekend dat Russische paramilitairen sinds begin van dit jaar tot op heden actief zijn in Mali. Het kabinet acht het waarschijnlijk dat een deel van deze paramilitairen behoort tot de private military company Wagner. Het is eveneens mogelijk dat het reguliere Russische militairen van de Russische overheid zijn of een mix van beide. Het kan op dit ogenblik niet worden bevestigd dat er een overeenkomst bestaat tussen de Malinese autoriteiten en de Wagner Group. Deze ontwikkelingen zijn desondanks zeer zorgelijk.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
De samenstellingsvoorschriften voor babyvoeding |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat smeerbaar broodbeleg pas een gebruiksklaar product in de zin van richtlijn 2006/125/EC is als het op brood gesmeerd is en in combinatie met brood genuttigd wordt, zoals geïnstrueerd door de fabrikant, en dat derhalve een aanvullende handeling nodig is alvorens het product geconsumeerd wordt?1
Voor smeerbaar broodbeleg geldt dat het een gebruiksklaar product betreft, wat als zodanig wordt verkocht en zonder verdere handelingen geschikt is voor consumptie. In artikel 9, eerste lid onder j, van Verordening (EU) nr. 1169/20112 is vastgelegd dat een vermelding van de gebruiksaanwijzing verplicht is als het levensmiddel moeilijk te gebruiken is zonder gebruiksaanwijzing. Smeerbaar broodbeleg, bijvoorbeeld chocopasta, is niet moeilijk te gebruiken zonder gebruiksaanwijzing.
Is de veronderstelling juist dat richtlijn 2006/125/EC spreekt over «reconstituted as instructed by the manufacturer» en dat een verwijzing naar de Europese regels over wanneer een gebruiksaanwijzing verplicht is derhalve niet relevant is?
In artikel 7, lid 4, van Richtlijn 2006/125/EC3 wordt inderdaad gerefereerd aan «reconstituted as instructed by the manufacturer».
In bijlage IV van de Warenwetregeling Babyvoeding is voor producten vastgelegd wat de samenstellingseisen van babyvoeding zijn die als zodanig wordt verkocht of volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is aangemaakt. Een gebruiksaanwijzing behoort tot de verplichte voedselinformatie als het levensmiddel zonder deze aanwijzing moeilijk te gebruiken is. Dit is conform artikel 9, eerste lid, onder j, van Verordening (EU) nr. 1169/2011. Voor smeerbaar broodbeleg – zoals bijvoorbeeld chocoladepasta – geldt dat het een gebruiksklaar product betreft, wat zonder verdere handelingen geschikt is voor consumptie.
Deelt u de mening dat het voor de gezondheid van baby’s gaat om de samenstelling van het totale samengestelde product («uit alle bronnen», zoals geformuleerd in bijlage IV, onderdeel 3.2) dat geconsumeerd wordt, in onderhavig geval brood met beleg, en dat samenstellingsvoorschriften vanuit gezondheidsoogpunt derhalve gericht zouden moeten zijn op het totale samengestelde product dat genuttigd wordt?
In artikel 3, tweede lid van de Warenwetregeling Babyvoeding is vastgelegd dat babyvoeding die als zodanig wordt verkocht of volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is aangemaakt, moet voldoen aan eisen wat betreft de samenstelling zoals geformuleerd in bijlage IV van de Warenwetregeling Babyvoeding. Bijlage IV geeft de essentiële samenstelling van babyvoeding voor zuigelingen en peuters. De eisen ten aanzien van voedingsstoffen hebben betrekking op het gebruiksklare product, dat als zodanig wordt verkocht of volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is aangemaakt. Onderdeel 3 van deze bijlage gaat over de essentiële samenstelling van babyvoeding voor zuigelingen en peuters met betrekking tot vetten. Hier is vastgelegd dat voor alle overige eet- en drinkwaren de totale hoeveelheid vet in de eetwaar uit alle bronnen niet groter dan 1,1 g/100kJ (4,5 g/100 kcal) mag zijn.
Deelt u de mening dat ten aanzien van smeerbaar broodbeleg tenminste sprake is van een categorie babyvoeding die niet goed in de huidige regelgeving past, omdat geen sprake is van het rechtstreeks consumeren van een heel potje broodbeleg en ook niet van aanmaken met melk of water?
Voor smeerbaar broodbeleg dat als babyvoeding wordt verkocht of volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is aangemaakt, gelden de samenstellingseisen voor babyvoeding op Europees niveau die zijn vastgelegd in de Richtlijn 2006/125/EG. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd via de Warenwetregeling Babyvoeding.
Bent u bereid de Warenwetregeling Babyvoeding zo aan te passen of toe te passen dat recht wordt gedaan aan de bijzondere positie van smeerbaar broodbeleg?
Voor de samenstellingseisen voor babyvoeding, dient Nederland zich te conformeren aan de eisen zoals deze Europees zijn vastgesteld in Richtlijn 2006/125/EG.
Het bericht 'Minister zet ventilatie op scholen op 1' |
|
Kiki Hagen (D66), Jeanet van der Laan (D66) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Minister zet ventilatie op scholen op 1»?1
Ja.
Heeft u een beeld van de ventilatie op kinder- en buitenschoolse opvanglocaties, instellingen voor vroeg- en voorschoolse educatie (vve’s) en op mbo’s, hogescholen en universiteiten? Komen daar ook CO2-meters?
Het kabinet heeft geen inzicht in de maatregelen met betrekking tot ventilatie op instellingsniveau in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en hoger onderwijs (ho). De verantwoordelijkheid voor een gezond onderwijs- en werkklimaat ligt primair bij de instellingen. Daarom heeft OCW regelmatig contact met de sectorraden over de ventilatie op onderwijslocaties in het mbo en ho. Zij geven aan dat onderwijsinstellingen veel aandacht hebben voor de ventilatie in de lokalen. Zij hebben OCW gemeld dat zowel in het mbo als ho de afgelopen periode inventarisaties hebben plaatsgevonden of de ventilatie in de gebouwen van de instellingen op orde is. Waar nodig zijn maatregelen getroffen om de situatie te verbeteren. Daarnaast organiseren de sectorraden bijeenkomsten over dit onderwerp en in het mbo zijn in de richtlijnen van de MBO-raad ook afspraken gemaakt over CO2-metingen2. Op het gebied van ventilatie dienen alle onderwijsruimten bovendien te voldoen aan de normen opgenomen in het Bouwbesluit 2012.3
Inzicht in de luchtkwaliteit is van belang om waar nodig extra maatregelen te kunnen nemen met betrekking tot ventilatie. Het is aan instellingen om op dit vlak zelf een passende manier te vinden om dit inzicht te verkrijgen en passende maatregelen te treffen. Om de luchtkwaliteit in de onderwijsgebouwen op peil te houden maakt een deel van de instellingen gebruik van een klimaatbeheersingssysteem. Via dit systeem krijgen de instellingen inzicht in de luchtkwaliteit in de diverse ruimtes. Daarnaast worden ook mobiele CO2-meters ingezet, om metingen te doen wanneer er zorgen zijn over de luchtkwaliteit in een specifieke ruimte.
Het kabinet heeft geen beeld van de ventilatie op kinder- en buitenschoolse opvanglocaties. De verantwoordelijkheid voor een gezonde (werk)omgeving ligt bij de houder. Locaties dienen aan bepaalde eisen te voldoen en hier wordt risico-gestuurd toezicht op gehouden. Zie verder bij het antwoord op vraag 3.
Onderschrijft u de ambitie van Minister Wiersma (Primair en Voortgezet Onderwijs) om ventilatie op scholen te verbeteren? Zo ja, welke stappen zet u om te garanderen dat elk kind, elke student en elke werknemer op kinder- en buitenschoolse opvanglocaties, vve’s, mbo’s, hogescholen en universiteiten in schone lucht werkt en studeert? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft dat ventilatie op alle plekken waar onderwijs gegeven wordt op orde moet zijn. Ook voor kinderen binnen kinderopvangvoorzieningen acht het kabinet een goede luchtkwaliteit van belang4. Vanuit de Wet Kinderopvang en het Bouwbesluit 2012 worden eisen gesteld aan respectievelijk het veiligheids- en gezondheidsbeleid en de luchtkwaliteit. Hierop wordt toegezien door gemeenten en de GGD.
In de Wet Kinderopvang zijn geen specifieke eisen omschreven met betrekking tot de luchtkwaliteit maar de wet schrijft wel voor dat alle kinderopvanglocaties de beschikking moeten hebben over een actueel gezondheid- en veiligheidsbeleid. In dit beleid worden de belangrijkste risico’s beschreven met betrekking tot de gezondheid en veiligheid van de kinderen. Luchtkwaliteit kan één van deze risico’s zijn. Mocht dit het geval zijn dan is de opvanglocatie verplicht om dit in zijn gezondheid- en veiligheidsbeleid te beschrijven en hier maatregelen op te nemen.
De verantwoordelijkheid voor het creëren van een gezonde (werk)omgeving in de kinderopvang ligt bij de houder, aangezien dit om een private sector gaat. Vanuit het RIVM is een handreiking5 opgesteld met richtlijnen voor onder andere het luchten, ventileren en het gebruik van een CO2-meter voor een gezond binnenmilieu ten behoeve van het beperken van de verspreiding van infectieziekten onder kinderen en medewerkers. De handreiking is geschreven voor alle medewerkers en beroepskrachten die werkzaam zijn in kinderopvangvoorzieningen.
Ook heeft de Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang (BOinK), in samenwerking met Kenniscentrum Ruimte-OK, een app6 ontwikkeld die kinderopvanglocaties en scholen kan helpen de luchtkwaliteit in groepsruimtes, slaapruimtes en klaslokalen te verbeteren. De app bevat o.a. informatie, oplossingen en een stappenplan. De app is bedoeld voor pedagogisch medewerkers, leerkrachten, locatiemanagers, houders, conciërges, directeuren en besturen van kinderopvang en onderwijs.
De inspectie van de kinderopvanglocaties wordt door de GGD uitgevoerd. Het toezicht in de kinderopvang vindt risico-gestuurd plaats. Dit houdt in dat de toezichthouder het veiligheid- en gezondheidsbeleid beoordeelt, afhankelijk van onder andere het risicoprofiel van de locatie. Mocht de risico-inschatting door de houder en de situatie die de toezichthouder aantreft daartoe aanleiding geven, dan wordt luchtkwaliteit in de beoordeling meegenomen. De toezichthouder toetst of de houder de risico’s voldoende heeft beschreven en maatregelen heeft genomen.
Verder moet de huisvesting van kinderopvangvoorzieningen voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Dit besluit omschrijft specifieke eisen voor de luchtkwaliteit in de kinderopvang. Mocht een bestaande kinderopvanglocatie niet voldoen aan de voorschriften, dan kan de desbetreffende gemeente waar de opvanglocatie is gevestigd verlangen van de houder dat het pand wordt aangepast. De zaken die niet voldoen aan de voorschriften moeten binnen een redelijke termijn worden aangepast door de eigenaar van de opvanglocatie.
In het mbo en ho ligt de verantwoordelijkheid voor een gezond werk- en onderwijsklimaat primair bij de instellingen. Zij hebben de verantwoordelijkheid om te voldoen aan de normen in het Bouwbesluit en het opvolgen van de adviezen die het RIVM op het gebied van ventilatie in onderwijsruimtes verstrekt7. Zoals aangegeven bij vraag 2 zijn er door de sectoren acties ondernomen om de ventilatie waar nodig te verbeteren. Vakbonden hebben aangegeven desalniettemin signalen te krijgen dat niet op elke plek de ventilatie op orde lijkt te zijn en zij graag zouden zien dat onderwijsbesturen meer op het vlak van ventilatie zouden ondernemen. Het ministerie heeft naar aanleiding hiervan een gesprek gefaciliteerd tussen vakbonden en de sectorraden voor mbo- en ho-instellingen hierover. De sectorraden hebben toegezegd met de werknemersorganisaties in gesprek te blijven over manieren waarop deze zorgen kunnen worden weggenomen en hun signalen serieus te nemen.
Komt de hulplijn voor primair onderwijs (PO) en voortgezet onderwijs (VO) ook beschikbaar voor kinder- en buitenschoolse opvanglocaties, vve’s, mbo’s, hogescholen en universiteiten? Zo nee, waar kunnen deze locaties terecht als zij nog geen schone lucht in klaslokalen hebben?
De hulplijn voor primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (VO) wordt niet beschikbaar gesteld voor kinder- en buitenschoolse opvanglocaties, mbo en ho. De verantwoordelijkheid voor goede luchtkwaliteit in de kinderopvang ligt bij de houder en niet bij de overheid. Voor informatie over luchtkwaliteit en ventilatie is de handreiking van het RIVM8 beschikbaar, evenals de app9 van BOinK (zie antwoord 2). De app is in samenwerking met Kenniscentrum Ruimte-OK ontwikkeld. Dit is de partij die ook de hulplijn voor PO en VO beschikbaar stelt.
Voor mbo en ho geldt dat doordat de meeste instellingen eigenaar zijn van de panden die zij gebruiken, er binnen de instellingen reeds veel expertise is op het gebied van huisvesting. Daarnaast wordt er binnen de sectoren ook informatie en kennis uitgewisseld over (het gebruik van) diverse systemen om luchtverversing te realiseren. Medewerkers en studenten kunnen dan ook bij hun eigen instelling terecht als zij vragen hebben over de ventilatie in onderwijsruimtes.
De tekortschietende steun aan dierenhulpverleners voor het weghalen van met vogelgriep besmette, in het wilde levende dieren |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Vogelgriepvirus slaat zijn vleugels uit» en «Vogelgriep jaagt dierenambulance op kosten: «We willen geld van de overheid»»?1 2
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat alleen al in Noordoost Friesland de afgelopen winter meer dan 10.000 in het wild levende dieren slachtoffer zijn geworden van de vogelgriep?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat bij een uitbraak in de regio Brandwijk (Alblasserwaard) de dierenambulance Vianen in vier dagen tijd maar liefst 850 dieren uit de natuur heeft opgehaald, waarvoor de ambulance 3.000 euro aan materiaal heeft aangeschaft?3
Het is mij bekend dat dierenambulances in meerdere gevallen en op verschillende locaties dode en zieke dieren uit de natuur hebben opgehaald. Het is mij bekend dat dierenambulances aanlopen tegen kosten voor materiaal.
Kunt u bevestigen dat kadavers van dieren, die zijn gestorven vanwege vogelgriep, uit de natuur weggehaald moeten worden volgens de EU-Diergezondheidsverordening?
In verordening (EU) nr. 2020/687 is opgenomen dat de bevoegde autoriteit er voor moet zorgen dat wilde dieren waarvan vermoed wordt dat zij besmet zijn met een categorie A ziekte, zoals vogelgriep, opgeruimd worden.
Wie is hoofd- en eindverantwoordelijk voor het uitvoeren van deze wettelijke taak en wie voert het in de praktijk uit?
Het opruimen van dode wilde vogels is een gedeelde verantwoordelijkheid. In eerste instantie is de rechthebbende of beheerder van de grond waarop een kadaver zich bevindt verantwoordelijk voor het weghalen van dode wilde vogels. Ook de overheid heeft verantwoordelijkheid in het opruimen van dode wilde vogels die vermoedelijk doodgegaan zijn aan vogelgriep. Om de uitvoering van deze gedeelde verantwoordelijkheid in de praktijk te ondersteunen heb ik samen met de veiligheidsregio Friesland een handreiking voor het opruimen van dode wilde vogels en de omgang met levende zieke vogels gemaakt4. De handreiking is een belangrijk hulpmiddel, maar de uitdaging is om de uitvoering in de praktijk waar nodig te verbeteren. Ik zal daarom met betrokken partijen in overleg gaan om te kijken hoe we samen de uitvoering van deze gedeelde verantwoordelijkheid in de praktijk verder kunnen verbeteren.
Deelt u de mening dat veiligheid voor mens én dier voorop moet staan bij het opruimen van de kadavers en dat de veiligheid beter kan worden gegarandeerd door het gebruik van de juiste beschermingsmiddelen, zoals een veilig mondmasker, wegwerpoverall en -handschoenen?
Het is belangrijk dat mensen die dode vogels met vogelgriep opruimen de juiste maatregelen nemen om dit veilig te doen. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft daarom een protocol opgesteld voor het veilig opruimen van dode vogels5. Gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen zijn onderdeel van dat protocol.
Wie is verantwoordelijk voor de financiering van het uit de natuur weghalen van kadavers van dieren die zijn gestorven vanwege vogelgriep?
Door de gedeelde verantwoordelijkheid en verschillende betrokken partijen is er niet één partij verantwoordelijk voor de financiering van het opruimen van kadavers. De financieringsvraag zal ik betrekken bij het overleg dat ik in het antwoord op vraag 5 noemde. Ook zal ik de kennis en ervaring van de samenwerking in Friesland hier bij benutten.
Is het waar dat dierenambulances en dierenhulpverleners in de praktijk meestal zelf opdraaien voor de hoge kosten van het aanschaffen van beschermingsmiddelen om veilig te kunnen werken met vogelgriepslachtoffers?4 Zo ja, kunt u aangeven welke eindverantwoordelijken mogelijk tekort schieten in het ondersteunen van de financiering?
Het is mij bekend dat dierenambulances voor een belangrijk deel worden gefinancierd uit donaties die zij ontvangen. Voor een deel zal dit geld ook besteed zijn aan persoonlijke beschermingsmiddelen. Soms geven gemeenten financiële steun voor hulp aan wilde dieren.
Erkent u dat het zeer onwenselijk is dat dierenhulporganisaties opdraaien voor de financiële lasten die horen bij het uitvoeren van een maatschappelijke taak? Zo nee, waarom niet?
Helaas zijn er ook dit jaar, net als vorig jaar, erg veel wilde vogels het slachtoffer van vogelgriep. Dierenhulporganisaties, waaronder dierenambulances, zetten zich in om gewonde of zieke vogels te helpen. Dat doen zij op basis van vrijwilligheid. Hun vrijwillige activiteiten waardeer ik, en deze kunnen ook in de maatschappij rekenen op waardering. Binnen wat in hun vermogen ligt, zetten zij zich voor dieren in. Tegen die achtergrond is het ook aan de organisaties zelf om ervoor te waken dat ze niet meer kosten maken dan in hun vermogen ligt.
Klopt het dat uw voorganger in maart 2021 eenmalig subsidie heeft toegezegd aan dierenhulporganisaties om een deel van de hogere kosten te dekken, gemaakt vanwege de uitzonderlijk hoeveelheid aantal zieke vogels als gevolg van de vogelgriep? Zo ja, hoeveel subsidie is er gegaan naar dierenhulporganisaties en hoeveel procent van de kosten zijn hiermee gedekt? (Kamerstuk 2021D11218)
Dat klopt. Het betreft een eenmalige subsidie van 50.000 euro. Daarmee zou 50% van de extra kosten die in dat seizoen gemaakt waren gedekt zijn.
Bent u er van op de hoogte dat het Ministerie van VWS in november 2021 schriftelijk een donatie heeft toegezegd aan Stichting Dierenlot van het landelijk consortium hulpmiddelen, in de vorm van een grote partij overtollige beschermende middelen, maar dat deze donatie nooit gedaan is en dat de hulpmiddelen in plaats daarvan zijn doorverkocht? Wie is verantwoordelijk voor de beslissing om deze afspraak niet na te komen en wat vindt u hiervan?
Stichting Dierenlot heeft in week 6 de eerste levering van de gevraagde FFP2 maskers, isolatiejassen en brillen ontvangen. Zij hebben vanwege het grote volume van de gewenste artikelen gevraagd of ze de goederen gespreid zouden kunnen ontvangen. Vanwege de controle op de rechtmatigheid van deze gift en de vele logistieke werkzaamheden bij het BureauLCH heeft het uitleveren iets langer geduurd maar is nu wel op gang gekomen.
Kunt u aangeven of het Rijk, provincies en gemeenten zich al hebben beraden over het ontwikkelen van aanvullend beleid voor de toekomst aangaande financiering van vogelgriep gerelateerde activiteiten door dierenhulporganisaties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is er afgesproken? (Kamerstuk 2021D11218)
In mijn antwoord op de vragen waar u naar verwijst heeft voormalig Minister Schouten aangegeven met de opvangcentra, provincies en gemeenten een aantal acties in gang te hebben gezet voor een betere en duidelijke basis voor de activiteiten van opvangcentra. De RDA-zienswijze wildopvang maakt hier deel van uit en zal ingaan op de vraag of en hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en door wie. Dit rapport is nog niet opgeleverd en ik verwacht het binnenkort. Op basis van de zienswijze zullen Rijk, provincies en gemeenten zich beraden over het ontwikkelen van aanvullend beleid voor de toekomst. Ten aanzien van vogelgriep zal ik op korte termijn met partijen in overleg gaan, zie mijn antwoord op vraag 5.
Kunt u aangeven wat er uit de door uw voorganger uitgevoerde inventarisatie van de wensen van opvangcentra en gemeenten omtrent de taken en bevoegdheden aangaande vogelgriep naar voren is gekomen? (Kamerstuk 2021D11218)
Uit signalen vanuit dierenhulporganisaties en lokale overheden komt naar voren dat de uitvoering complex is en niet in iedere gemeente hetzelfde. De uitvoeringsknelpunten verschillen ook per gemeente. Ik zal gemeenten die betrokken willen worden en dierenhulporganisaties ook betrekken bij het overleg dat ik in antwoord op vraag 5 heb genoemd.
Op welke manier en op welke termijn gaat u zorgen dat dierenhulpverleners beschikken over de benodigde beschermingsmiddelen om veilig hun werk te kunnen doen?
Zie mijn antwoord op vraag 11.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk vóór het commissiedebat Zoönosen en dierziekten op 24 februari 2022, beantwoorden?
U ontvangt de antwoorden bij deze.
Het bericht ‘Maxima als test voor de monarchie’ uit het Algemeen Dagblad van 31 januari 2022 en de documentaire ‘Een Porseleinen Huwelijk van BNNVARA |
|
Joost Sneller (D66), Renske Leijten |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Maxima als test voor de monarchie» uit het Algemeen Dagblad van 31 januari 2022 en de documentaire «Een Porseleinen Huwelijk» van BNNVARA?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de afwijzingsbrief met de beslissing van het openbaar ministerie om Jorge Zorreguieta niet te vervolgen was opgesteld door de topman van het Openbaar Ministerie (OM) Joan De Wijkerslooth en deze vervolgens werd verstuurd door en onder de naam van de hoofdofficier van het arrondissementsparket Amsterdam?
Bij brief van 21 maart 2001 heeft de hoofdofficier van justitie te Amsterdam beslist op de aangifte die op 12 januari 2001 was gedaan bij het College van procureurs-generaal tegen de heer Zorreguieta. Aan de beslissing lag een concepttekst ten grondslag die was opgesteld door de raadadviseur van het College van procureurs-generaal. De betrokkenheid (van adviseurs) van het College van procureurs-generaal is in zaken als de onderhavige niet ongewoon. Dit past ook in de taakstelling van het College van procureurs-generaal zoals omschreven in artikel 130 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO), waar in lid 6 is opgenomen dat het College algemene en bijzondere aanwijzingen kan geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie.
Kunt u het interne memo van 13 maart 2001 en de fax van 14 maart 2001 van de top van het OM aan Minister-President Kok openbaren waarin de brief van het Hof van Amsterdam wordt gedicteerd? Zo niet, kun u verzoeken deze documenten openbaar te maken als deze documenten bij andere instanties berusten?1
Bijgaand treft u de gevraagde documenten aan, behoudens de namen van ambtenaren. Hierbij is ervan uitgegaan dat waar in de vraag het «Hof van Amsterdam» is genoemd, hiermee het arrondissementsparket Amsterdam (van het OM) wordt bedoeld.
Zijn er aanwijzingen waarom het OM toentertijd koos voor deze gang van zaken? Welke regels en protocollen golden er rondom het opstellen en versturen van beslissingen tot niet-vervolging?
Er zijn geen regels voor het verzenden van beslissingen tot (niet)vervolging. Wel geldt dat het College van procureurs-generaal moet worden geïnformeerd over gevoelige zaken. Dit houdt verband met de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid voor het Openbaar Ministerie. Met het oog hierop is in artikel 129 van de Wet RO bepaald dat het College de Minister de inlichtingen geeft die deze nodig heeft. Gelet op artikel 129 van de Wet RO is zowel de Minister van Justitie als de Minister-President in 2001 geïnformeerd over de aangifte tegen de heer Zorreguieta en de voorgenomen afdoening. Van politieke beïnvloeding van de inhoud van deze beslissing is niet gebleken.
Deelt u de mening dat deze gang van zaken politieke beïnvloeding en geen volledige onafhankelijkheid van het OM kan suggereren? Zo ja, waarom wel? Zo, nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u bevestigen dat de top van het OM het Ministerie van Algemene Zaken eerder op de hoogte stelde van de afwijzingsbrief dan de Minister van Justitie?
Op 14 maart 2001 is de voorgenomen afdoeningsbeslissing door de secretaresse van de toenmalig Collegevoorzitter gefaxt aan de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken. Bij fax van 16 maart 2001 is deze conceptafdoening ook naar de Minister van Justitie gestuurd. Er is niet na te gaan of er anderszins contact is geweest met de Minister van Justitie en Minister-President in de tussenliggende periode.
Welke Minister heeft op dit moment het eerste informatierecht als het OM of de inlichtingendiensten een zaak behandelen waarin (leden van) het Koninklijk Huis zijn betrokken?
Waar het gaat om informatie van het Openbaar Ministerie, bepaalt artikel 129 van de Wet RO dat het College de Minister van Justitie en Veiligheid de inlichtingen geeft die deze nodigt heeft. De Wet RO gold destijds al gelijkelijk. In de onderhavige zaak heeft het Openbaar Ministerie het Ministerie van Justitie en het Ministerie van Algemene Zaken geïnformeerd over de aangifte (en de voorgenomen afdoening) tegen de heer Zorreguieta. Er is geen regelgeving inzake een prioritering ten aanzien van het informeren. De praktijk is dat de Minister van Justitie en Veiligheid als eerste wordt geïnformeerd door het OM over zaken waarin de Minister inlichtingen nodig heeft. Benadrukt moet worden dat het OM een eigenstandige, rechtsstatelijke positie heeft en dat de Minister van Justitie en Veiligheid niet treedt in het handelen van officieren van justitie in individuele zaken. In dit verband moet ook worden opgemerkt dat tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie van 21 maart 2001 om de aangifte tegen de heer Zorreguieta niet in behandeling te nemen, een rechtsmiddel heeft opengestaan. De advocaten van aangever hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. In de antwoorden op de vragen 15 en 16 hierna wordt de vraag over de inlichtingendiensten beantwoord.
Kunt u aangeven of er sinds de gebeurtenissen waarnaar de nieuwsbronnen verwijzen voldoende waarborgen zijn om te voorkomen dat beslissingen van het OM over het wel of niet vervolgen van personen in politiek gevoelige zaken onder politieke druk genomen worden? Kunt u aangeven hoe deze waarborgen eruitzien?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u bevestigen dat in augustus 1999 een rapportage is opgesteld over Jorge Zorreguieta zonder dat toenmalig Minister Peper van Binnenlandse Zaken en Minister-President Kok hiervan op de hoogte waren?
Nee, dit kunnen wij niet bevestigen. De BVD heeft bedoelde rapportage niet opgesteld. Evenmin heeft de BVD onderzoek gedaan naar de heer Zorreguieta of diens achtergronden. Wel heeft de heer Koerten – het toenmalige plaatsvervangend hoofd van de BVD – medio september 1999 tijdens een kennismakingsbezoek aan de Argentijnse collegadienst gevraagd naar mogelijke dreigingen tegen Máxima Zorreguieta. Deze vraag stelde hij op verzoek van de SG van het Ministerie van Justitie (d.d. 30 augustus 1999, een schriftelijke bevestiging van het mondelinge verzoek volgde op 2 september) en met toestemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (d.d. 6 september 1999). Achtergrond van het verzoek van de SG van Justitie was de persoonsbeveiliging van Máxima Zorreguieta en de Prins van Oranje. De Minister-President en de directeur van het Kabinet der Koningin zijn pas na het genoemde bezoek van de heer Koerten op de hoogte gesteld van het bezoek, het verzoek van de SG van Justitie en de uitkomst hiervan.
Kunt u bevestigen dat plaatsvervangend-directeur van de Binnenlandse Veiligheidsdienst Onno Koerten deze rapportage heeft opgesteld op basis van het onderzoek dat hij heeft gedaan in de maanden vóór het verschijnen van dit rapport in augustus 1999? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven waar het Nederlandstalige deel van de rapportage precies is aangetroffen toen de Rijksvoorlichtingsdienst hier onderzoek naar deed?
Ja, bij het Ministerie van Algemene Zaken, zonder informatie over de opdrachtgever of wie van de opdracht op de hoogte was.
Kunt u aangeven waarom de Rijksvoorlichtingsdienst niet vast kan stellen in wiens opdracht het Nederlandse deel van de rapportage is gemaakt en ook niet wie daarvan op de hoogte was?
Zie antwoord vraag 11.
Deelt u de mening dat er paralellen zijn met het onderzoek naar Edwin de Roy van Zuydewijn, nu dat laatste onderzoek ook werd uitgevoerd zonder dat de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister-President daarvan op de hoogte waren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 9 en 10 heeft de BVD geen onderzoek gedaan naar de heer Zorreguieta. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft toestemming gegeven aan het plaatsvervangend hoofd van de BVD om, op verzoek van de SG van Justitie, te informeren naar mogelijke dreigingen tegen Máxima Zorreguieta. De Minister-President en de directeur van het Kabinet der Koningin zijn nadien van dit verzoek en de uitkomst van het gesprek op de hoogte gesteld. Naar de antecedenten van de heer De Roy van Zuydewijn heeft de BVD in 2000 op verzoek van de directeur van het Kabinet der Koningin naslag en onderzoek gedaan. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister-President zijn hier toen niet vooraf over geïnformeerd. Zoals vermeld in de brief die de Minister-President over deze kwestie op 10 maart 2003 aan de Tweede Kamer heeft gestuurd (Kamerstuk 28 811, nr. 1), was dit wel wenselijk geweest. In 1999 is de Minister-President evenmin vooraf geïnformeerd.
Kunt u met zekerheid aangeven dat de toenmalige directeur van het Kabinet van de Koning – zoals ook het geval was bij het onderzoek naar de Roy van Zuydewijn – niet de opdrachtgever van het onderzoek naar Zorreguieta was? Zo ja, waarom en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u aangeven of er na het onderzoek naar de Roy van Zuydewijn waarborgen zijn getroffen om onderzoeken waarbij de bevoegde personen niet op de hoogte zijn te voorkomen? Zo ja, welke waarborgen?
Ja. Zoals vermeld in de Kamerbrief van 10 maart 2003 zijn sluitende afspraken gemaakt. Deze afspraken houden in dat de AIVD verzoeken tot het naslaan van gegevens omtrent potentiële leden van de koninklijke familie meldt aan de Minister van BZK. Voorts is afgesproken dat deze verzoeken van de directeur van het Kabinet van de Koningin, thans het Kabinet van de Koning, via de SG van Algemene Zaken aan de AIVD worden gedaan (Handelingen II 2002/03, nr. 48, p. 3173–3232). In reactie op van Toezichtsrapport 36 van de CTIVD (inzake het vervolgonderzoek naar door de AIVD uitgebrachte ambtsberichten betreffende (kandidaat) politieke ambtsdragers en potentiële leden van de koninklijke familie) heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij brief van 18 december 2013 (Kamerstuk 29 924, nr. 1) beide Kamers bericht dat het voor de partners van leden van de koninklijke familie niet op voorhand duidelijk is op welk moment hun relatie aanleiding zal geven tot een naslag. Het is aan het Kabinet van de Koning in overleg met de dienst koninklijk huis om te bepalen wanneer de relatie dusdanig bestendig is dat een naslag dient te worden verzocht. De CTIVD achtte het van belang dat de betrokkene door de dienst koninklijk huis, na overleg met het Kabinet van de Koning, tijdig op de hoogte wordt gebracht van het verzoek dat aan de AIVD zal worden gedaan. De huidige stand van zaken is dat in de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten2017 de zogenoemde F-taak is opgenomen (in artikel 8 lid 2). Dit houdt in dat de AIVD op verzoek een mededeling doet omtrent door de dienst verwerkte gegevens over personen of instanties. De Minister-President, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie bepalen gezamenlijk de gevallen waarbij dat dient te geschieden. Hiermee is de bestaande praktijk van het verrichten van naslagen ook bij wet vastgelegd.
Kunt u aangeven of deze waarborgen op dit moment nog steeds gelden en er anno 2022 voldoende waarborgen zijn om herhaling van dergelijke onderzoeken te voorkomen?
Zie antwoord vraag 15.
Deelt u de mening dat uit de gang van zaken rondom het onderzoek naar Zorreguieta blijkt dat de democratie moest wijken voor de monarchie via kanalen die opereren op het randje van de ministeriële verantwoordelijkheid? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de antwoorden 2 tot en met 16.
Het bericht 'Rijbewijs halen? Dan moet je bij deze rijschool minstens één keer in een elektrische auto lessen?' |
|
Lisa van Ginneken (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven welk aandeel van de rijscholen op dit moment autolessen aanbiedt in elektrische auto’s versus een traditionele verbrandingsmotor? Hoe vertaalt zich deze verdeling naar het totale wagenpark van rijscholen?1
Uit navraag bij de rijscholenbranche komt naar voren dat betrouwbare cijfers niet voorhanden zijn. Een voorzichtige conclusie is dat rijles in een elektrische auto op zeer beperkte schaal plaatsvindt.
De vraag naar rijlessen in een elektrische auto lijkt wel toe te nemen. Daarnaast komt uit de navraag naar voren dat de grotere rijscholen eerder een elektrische auto aanschaffen dan de kleine rijscholen.
Bent u het ermee eens dat het aanmoedigen van het gebruik van een elektrische auto voor autorijlessen een positieve bijdrage kan leveren aan beeld over en het gebruik van deze auto’s?
Uit navraag bij de rijschoolbranche komt naar voren dat er drie redenen zijn waarom rijscholen nu nog terughoudend zijn met de aanschaf van een elektrische lesauto. De eerste is de relatief hoge aanschafprijs. De tweede is de beperkte actieradius die het niet mogelijk maakt een hele dag achter elkaar les te geven. De derde reden is het feit dat leerlingen die les krijgen en examen doen in een automatisch geschakelde auto (dit betreft alle elektrische en hybride auto’s) een zogenaamde «automaatcode» op hun rijbewijs krijgen. Dit houdt in dat zij met dit rijbewijs niet in handgeschakelde auto’s mogen rijden.
Het aanmoedigen van het gebruik van een elektrische auto tijdens de rijles kan positief bijdragen aan het beeld over elektrische auto’s. Als iemand al rijles heeft gehad in een elektrische auto zal dat het maken van een weloverwogen keuze van het type auto dat mogelijk wordt aangeschaft vergemakkelijken. Uit enquêtes in het kader van een experiment van de provincie Gelderland («Les Elektrisch2») komt naar voren dat aspirant bestuurders tevreden tot zeer tevreden zijn nu zij ervaring hebben opgedaan in een elektrische auto.
Het experiment «Les Elektrisch» is gericht op het stimuleren van rijles in een elektrische auto. Daarnaast heeft het Ministerie van IenW het voornemen om te verkennen wat mogelijk is om binnen het bestaande kader het lessen met elektrische auto’s te stimuleren. Ook zal worden ingezet op het verder opzetten van een landelijke werkgroep met branchepartijen om in gezamenlijkheid landelijke acties op te pakken, zoals het begeleiden van rijschoolhouders, het organiseren van webinars over elektrisch rijden en de inzet van elektrische demo lesauto’s door heel Nederland. Landelijke verspreiding van kennis onder rijscholen over bijvoorbeeld de zogenaamde «total cost of ownership» voor een rijschool en de duurzaamheid van een elektrische lesauto zal eveneens door het Ministerie van IenW worden opgepakt.
In hoeverre zijn voor elektrisch rijden specifieke vaardigheden zoals bijvoorbeeld het (op tijd) laden, inschatten van de actieradius en het verbruik van de batterij onderdeel van het curriculum en/of examinering van rijscholen?
Voor elektrisch rijden gelden op onderdelen andere vaardigheden dan de «conventionele» auto’s. Denk daarbij aan bijvoorbeeld de «one pedal drive» (remmen en gas geven met één pedaal, met minimaal gebruik van het rempedaal), het goed plannen van de autorit en het hoge vermogen van een elektrische auto waardoor deze sneller accelereert dan een conventionele auto. Dit laatste heeft invloed op de voertuigbeheersing.
Een aantal aspecten van elektrisch rijden komt nu al aan de orde in het theorie-examen. De verwachting is dat wanneer elektrisch rijden meer de standaard is geworden, het praktijkexamen daarin uiteraard mee verandert. Dit betekent dat het CBR andere eisen zal gaan stellen voor het behalen van dit praktijkexamen.
Als een rijschool rijles in een elektrische auto aanbiedt dan hoort in de rijopleiding aandacht te zijn voor onderwerpen als tijdig laden en inschatting van de actieradius. Er is op dit moment in Nederland geen sprake van een voorgeschreven curriculum ten behoeve van de rijopleiding. Het is aan de rijscholen zelf om invulling aan de rijopleiding te geven.
Vindt u het noodzakelijk dit onderdeel te maken van het (voorgeschreven) curriculum en/of examinering van rijscholen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent het ermee eens dat milieubewust rijden onderdeel zou moeten zijn van het curriculum? Zo ja, hoe wordt dat nu concreet vormgegeven in het curriculum? Zo nee, waarom niet?
In de rijopleiding wordt al rekening gehouden met milieubewust rijden zoals eerder laten uitrollen van het voertuig en onder een bepaald aantal toeren rijden en dergelijke, maar van een voorgeschreven curriculum ten behoeve van de rijopleiding is in het huidige stelsel geen sprake. Daarnaast bevat het theorie-examen vragen over milieubewust rijden.
Milieubewust rijden wordt daarnaast gestimuleerd met behulp van de website Home | Iedereen doet wat.
In hoeverre beschikken locaties van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) over laadpalen?
Het CBR beschikt momenteel niet over laadpalen bij de praktijkexamenlocaties. Het CBR doet op dit moment onderzoek naar de mogelijkheden tot het plaatsen van laadpalen op deze locaties.
Op welke manieren moedigt de rijksoverheid het elektrisch rijden door rijscholen aan? En hoe doet zij dat bij de uitrol van laadinfrastructuur bij rijscholen en het CBR?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2 loopt momenteel in opdracht van de provincie Gelderland het experiment «Les Elektrisch» dat is gericht op het stimuleren van rijles in een elektrische auto. Ook landelijk zullen acties worden uitgevoerd die het gebruik van een elektrische auto tijdens autorijlessen stimuleren.
Daarnaast wordt het elektrisch rijden voor ondernemers (waaronder de rijinstructeur) financieel gestimuleerd door onder andere fiscale voordelen voor elektrische voertuigen en oplaadpunten via de milieu-investeringsaftrek (MIA). Ook is er een verlaagd belastingtarief voor publieke laadpalen. Deze financiële ondersteuning stimuleert het elektrisch rijden onder ondernemers en dus ook rijscholen3.
Het CBR heeft momenteel geen laadinfrastructuur op de praktijkexamenlocaties. Wel wordt op dit moment onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor het plaatsen van laadpalen.
Hiernaast zet ik mij in Brussel in om de regels over de automaatcode in de derde Europese rijbewijsrichtlijn te wijzigen, waardoor het voor leerlingen gemakkelijker wordt om voor een volledig elektrisch les- en examentraject te kiezen.
Daarbij moet dan wel als uitgangspunt gelden dat de verkeersveiligheid goed wordt geborgd. Een voorstel van de Europese Commissie wordt eind dit jaar verwacht, waarna er naar verwachting nog verschillende jaren nodig zijn voor het doorlopen van de EU-wetgevingsprocedure.
Gezien de ambitie uit het coalitieakkoord om elektrisch rijden verder te stimuleren, bent u bereid een concreet plan op te stellen voor het gebruik van elektrische auto’s voor rijscholen?
In het antwoord op vraag 2 is aangegeven op welke manier elektrisch rijden tijdens de rijlessen wordt aangemoedigd. Ik zal met het CBR en met de rijscholen verkennen hoe het gebruik van elektrische auto’s voor de rijles kan worden gestimuleerd. De keuze voor het al dan niet aanschaffen van een elektrische auto wordt uiteindelijk door rijscholen zelf gemaakt.
Het bericht ‘Woede en verbijstering, Rijkswaterstaat wil na 130 jaar pontje Nieuwer ter Aa opdoeken: ‘Onacceptabel’’ |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Woede en verbijstering, Rijkswaterstaat wil na 130 jaar pontje Nieuwer ter Aa opdoeken: «Onacceptabel»»?1
Ja.
Waarom wordt de veerpont bij Nieuwer ter Aar uit de vaart genomen, terwijl deze veel wordt gebruikt door onder meer scholieren?
Het voornemen komt voort uit de nautische onveiligheid van de veerpont. Rijkswaterstaat heeft als vaarwegbeheerder gevraagd aan MARIN om onderzoek te doen de nautische veiligheid van de veerpont. Het rapport van MARIN (bijgevoegd) beschrijft de nautische risico’s, namelijk:
Groot aanvaarrisico door steeds meer grote schepen op het Amsterdam-Rijnkanaal. In 2010 is het pontje bovendien al een keer aangevaren met een dodelijk slachtoffer als gevolg.
Deze grotere schepen veroorzaken daarnaast meer waterbeweging waardoor de veerpont dusdanig beweegt dat letsel kan ontstaan bij vallende passagiers tijdens de overtocht en bij het overstappen van de wal naar de pont (en v.v.).
Deze risico’s nemen alleen maar toe vanwege de schaalvergroting in de binnenvaart en het feit dat er sinds februari 2020 grotere schepen door het Amsterdam-Rijnkanaal varen naar aanleiding van de opening van de 3e sluiskolk Prinses Beatrixsluizen.
Daarom hebben we het voornemen om de veerpont De Aa uit de vaart te nemen, maar we zijn nog in overleg met de gemeente. Het is dus nog geen definitief besluit. Bij de definitieve besluitvorming zal ook rekening worden gehouden met het belang van het gemeentebestuur en de inwoners van Stichtse Vecht.
Vindt u het acceptabel dat kinderen vanaf augustus via een drukke en gevaarlijke weg zonder fietspad naar school moeten?
De maatschappelijke effecten van het uit de vaart nemen zijn, op verzoek van Rijkswaterstaat, onderzocht door SWECO. Per werkdag maken gemiddeld 276 personen gebruik van de veerpont (261 fietsers, 15 voetgangers). 1/3 hiervan betreft woon-schoolverkeer, 1/3 woon-werkverkeer en 1/3 overig. Wanneer de veerpont daadwerkelijk uit de vaart wordt genomen, zullen de gebruikers 3.4 kilometer moeten omfietsen. Een enkele reis duurt daarmee tussen de 6 en 10,5 minuten langer. Het is begrijpelijk dat men dat liever niet wil, maar gezien het groeiende aanvaarriscio door het toegenomen verkeer in het Amsterdam-Rijnkanaal acht ik het handhaven van het veer te gevaarlijk.
Uit het SWECO-onderzoek blijkt overigens dat de bestaande alternatieve routes veilig zijn en slechts beperkte hinder opleveren. Daarmee is er een structureel en verkeersveilig alternatief beschikbaar. Wel zijn er nog aandachtspunten voor de sociale veiligheid (onvoldoende verlichting, weinig bebouwing). Hierover is Rijkswaterstaat in gesprek met de gemeente.
Bent u het ermee eens dat het voorgenomen besluit van Rijkswaterstaat moet worden geblokkeerd?
Zie het antwoord op vraag 2.
Vindt u ook dat de veerpont pas uit de vaart genomen mag worden, als er een alternatief in de vorm van een fietsbrug ter plaatse is gerealiseerd?
Zoals aangegeven in antwoord 3 is er een structurele en verkeersveilige alternatieve fietsroute beschikbaar, maar zijn we wel in gesprek met de gemeente over de sociale veiligheid en de gevolgen van het mogelijk uit de vaart halen van de pont. Wat betreft de door de gemeente Stichtse Vecht en provincie Utrecht geuite wens tot een fietsbrug: de betreffende omfietsroute valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Het ligt daarmee in de rede dat het initiatief tot een eventuele fietsbrug ook door hen wordt genomen.
Het bericht 'Grote problemen op stroomnet, provincies willen kiezen wie aansluiting krijgt' |
|
Henri Bontenbal (CDA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote problemen op stroomnet, provincies willen kiezen wie aansluiting krijgt»?1
Ja.
Begrijpt u de wens van de provincies om te kunnen prioriteren bij het aansluiten van bedrijven op het elektriciteitsnet?
Ja, ik heb begrip voor de wens van de provincies om te kunnen prioriteren. Zoals aangegeven in de recente brief over schaarse transportcapaciteit (Kamerstuk 29 023, nr. 281), is prioriteren aan het einde van de rit, bij het aansluiten, lastig, omdat dit in strijd is met het non-discriminatiebeginsel in het Europese kader. Mijn inspanningen zijn er daarom vooral op gericht om eerder te prioriteren, voordat er sprake is van individuele aanvragen voor een aansluiting en transportcapaciteit.
Zo onderzoek ik of provincies en gemeenten in een eerder stadium kunnen prioriteiten en selecteren via het bestemminsplan en andere instrumenten uit de omgevingsrecht. Ook zie ik ruimte om bij investeringen van netbeheerders rekening te houden met de publieke belangen, mits dat op basis van objectieve en transparante criteria plaatsvindt. Ik werk dit samen met netbeheerders, ACM en medeoverheden verder uit en bericht uw Kamer hiervan deze zomer.
Hoe staat u tegenover het idee dat provincies een grotere regierol krijgen rondom energie-infrastructuur?
Zoals aangegeven in de recente brief over schaarse transportcapaciteit (Kamerstuk 29 023, nr. 281), kan ik mij een verdere regierol van de provincies bij het sturen van investeringen van (regionale) netbeheerders indenken, mits dit op basis van objectieve en transparante criteria plaatsvindt. In het artikel wordt terecht geconstateerd dat het afwegen van de volgordelijkheid van investeringen in de meeste gevallen een complexe opgave zal zijn en dat onderschrijf ik. Ook hebben uiteraard niet alle betrokken partijen exact hetzelfde beeld welke aansluiting waar en wanneer geprioriteerd zou moeten worden. Voorkomen moet worden dat onzekerheid ontstaat door een lappendeken van verschillende prioriteringen. Hierbij wil ik ook onderstrepen dat het krijgen van toegang tot het elektriciteitsnet ook een recht en een noodzakelijke behoefte is. Daar waar afwegingen meerdere overheden raken, is uiteraard wederzijdse afstemming noodzakelijk.
Hoe beoordeelt u de argumenten van de heer Lomme in zijn Trilemma-bijdrage op Energeia.nl waarin hij betoogt dat provincies geen grotere regierol moeten krijgen?2
Zie antwoord vraag 3.
Is het mogelijk een alternatief te ontwikkelen voor het «firstcome, first serve»-principe, zodat prioriteit gegeven kan worden aan netinvesteringen die de meeste maatschappelijke waarde toevoegen?
Het «first come first serve»-principe is van toepassing op individuele aanvragen voor een aansluiting en transportcapaciteit. Naar aanleiding van de motie Bontenbal/Thijsen (Kamerstuk 32 813, nr. 775), ben ik in mijn brief van 8 februari 2022 ingegaan op de ruimte om bij investeringen van netbeheerders rekening te houden met de publieke belangen. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Ook heb ik in het commissiedebat op 17 februari toegezegd om te bezien hoe andere Europese landen met deze Europese regelgeving omgaan en zal ik hier ook bij de Europese Commissie navraag naar doen zodat we kunnen bezien of ervaringen in ander EU-lidstaten tot nieuwe inzichten voor de Nederlandse context kunnen leiden.
Hoe ver staat u met de uitvoering van de motie-Bontenbal/Thijssen over onderzoeken of een prioriteringskader duidelijkheid kan bieden bij een gebrek aan netcapaciteit (32813-775)?3
Zie antwoord vraag 5.
Het artikel 'Zorgwekkende’ cijfers uit achterstandswijken: ‘Schrok van armoede onder de Syriërs’' |
|
Hülya Kat (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgwekkende» cijfers uit achterstandswijken: «Schrok van armoede onder de Syriërs»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u bekend met het gegeven dat bij Syrische statushouders de schuld als gevolg van een lening bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) voor de taallessen een belemmering vormt om deel te nemen aan de maatschappij? Is er op dit moment voldoende coulance in de terugbetaling van DUO-leningen om te voorkomen dat mensen die net of buiten eigen schuld de inburgeringstermijn overschrijden direct diep in de schulden zitten?
Voor asielstatushouders geldt dat de lening die kan worden afgesloten voor het volgen van inburgeringslessen wordt kwijtgescholden als binnen de wettelijke termijn aan de inburgeringsplicht wordt voldaan. Indien er sprake is van een verwijtbare termijn overschrijding van de inburgeringstermijn dan moet deze lening worden terugbetaald. Hier geldt wel bij dat voor de terugbetaling er een inkomenstoets plaats vindt om te bepalen hoe hoog het maandelijks aflosbedrag is. Daarnaast wordt de restschuld na 10 jaar kwijtgescholden. Wanneer binnen 6 maanden na overschrijding van de termijn alsnog wordt voldaan aan de inburgeringsplicht, kan de lening op verzoek gedeeltelijk worden kwijtgescholden. Dit gebeurt volgens een staffel die op 13-12-2021 is gepubliceerd (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2021-49155.html).
Hoe verklaart u het lage aantal Syriërs (1 op de 1000, zelfs onder het gemiddelde van Nederland (2 op de 1000)) dat gebruik maakt van schuldsanering terwijl het aantal Syriërs dat werk zoekt (55%) en een laag inkomen heeft (61%) schrikbarend hoog is?
Het is lastig een antwoord te geven op deze vraag, omdat wij hier geen specifieke informatie over hebben. In algemene zin zie ik een mogelijke verklaring. De groep Syriërs weet de weg naar de schuldhulpverlening niet te vinden. Op het moment dat mensen in beeld zijn bij de gemeente voor hulp bij hun inkomen of zorg, dan verwacht ik dat de gemeente het ook signaleert als er problemen zijn op andere leefgebieden. Zoals problemen met schulden. Ik bespreek graag met de VNG of we hier gezamenlijk meer in kunnen en moeten doen. Daarnaast zal het kabinet zich inzetten om vroeg ondersteuning te bieden bij het ontstaan van geldzorgen, zeker bij kwetsbare groepen. We willen schulden voorkomen of snel oplossen. Het streven is om een gezamenlijke uitwerking van de schuldenaanpak in het tweede kwartaal van 2022 gereed te hebben. Het kabinet zal hierbij mede prioriteit geven aan preventie en vroegsignalering. Zoals ik u schreef in de Planningsbrief2 van SZW, streef ik ernaar om voor de zomer een brief over de hoofdlijnen van de invulling van het programma schuldenaanpak aan de Tweede Kamer te versturen.
Kan er aan statushouders ook een saneringskrediet worden aangeboden als er sprake is van een hoge schuld als gevolg van de kosten van inburgering? Zo nee, waarom niet?
Ja aan statushouders kan ook een saneringskrediet worden aangeboden als er sprake is van een hoge schuld die onder meer ontstaan is als gevolg van de kosten van inburgering. Een saneringskrediet is een effectief instrument om schuldenrust te creëren voor mensen met meerdere schuldeisers.
Worden statushouders voldoende bereikt via reguliere vormen van schuldhulpverlening en financiële educatie? Zijn hier cijfers over? Zo nee, bent u bereid dit de komende tijd actief te monitoren?
Wij hebben geen specifieke cijfers over schuldhulpverlening en financiële educatie voor statushouders. Wel heeft SZW bijvoorbeeld de ontwikkeling door het Nibud van een geldplan voor statushouders mede gefinancierd.3 Divosa heeft daarnaast diverse benchmarks waarmee gemeenten over elkaar kunnen leren. Bijvoorbeeld op het gebied van armoede en schulden, en op het gebied van statushouders.4
Zijn er voorbeelden van gemeenten die specifieke ondersteuning bieden aan statushouders gericht op het voorkomen, beheersen en verminderen van schulden (bijvoorbeeld in de eigen taal, via sleutelpersonen, met communicatie gericht op de specifieke doelgroep, met uitleg over het Nederlandse financiële systeem)? Is er voldoende aanbod van dit soort ondersteuning om financieel vaardig te worden? Worden goede voorbeelden gedeeld?
Zeker zijn er goede voorbeelden. Deze wordt door gemeenten onderling gedeeld, bijvoorbeeld via de eerder genoemde benchmark van Divosa. Specifiek voor schuldhulpverlening subsidieert SZW het programma Schouders Eronder (Schouders Eronder is een samenwerkingsverband tussen Divosa, Landelijke Cliëntenraad, NVVK, Sociaal Werk Nederland en VNG). In dit programma is ook specifieke aandacht voor statushouders en door het programma is een kennisbank
ontwikkeld waar relevante inzichten worden gedeeld.5 SZW heeft daarnaast het programma Vakkundig aan het werk van ZonMw mede gefinancierd. Diverse projecten richten zich op onderzoek naar effectieve hulp aan statushouders.6
Het bericht ‘Aanpak woningnood op drijfzand: planning 1,2 miljoen huizen is wensdenken’ |
|
Peter de Groot (VVD) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Aanpak woningnood op drijfzand: planning 1,2 miljoen huizen is wensdenken»?1
Ja, daar ben ik bekend mee
Kunt u, onder verwijzing naar het artikel waaruit blijkt dat er veel haken en ogen zitten aan de opgegeven plancapaciteit, ingaan op de genoemde onzekerheden, zoals dat elke provincie de plannen anders optelt, perioden waarin wordt geteld niet overeenkomen of dat sloopplannen niet van het totaal aantal plannen wordt afgetrokken?
Sinds begin 2021 zijn we samen met de provincies en de gemeenten gestart met de monitoring van de voortgang op de plancapaciteit en de realisatie van de woningbouw. Doel daarvan is volledige en actuele gegevens te hebben rondom plancapaciteit, transformatielocaties, onttrekkingen/ sloop en gerealiseerde woningbouw zodat we goed zicht hebben op de voortgang.
Het artikel van Cobouw laat zien dat we bij de uitvoering van de monitoring tegen praktische knelpunten aanlopen. Zo klopt het inderdaad dat niet altijd dezelfde definitie voor «harde» en «zachte» plannen worden gebruikt en dat niet altijd van dezelfde periode wordt uitgegaan.
Om de relatie tussen de woningbouwplannen en de woningbouwopgave in beeld te krijgen is het uiteraard belangrijk dat we ook goed zicht hebben op het aantal te slopen woningen. Deze aantallen vragen we ook uit, maar niet alle sloopplannen zijn (vroegtijdig) bij gemeenten in beeld. Daarom gaan we ook deels uit van ramingen.
Bent u bereid om zelf beter inzichtelijk te krijgen hoeveel concrete bouwplannen er daadwerkelijk zijn door middel van data en duidelijke criteria en daarbij voortvarend aan de slag te gaan om de plancapaciteit betrouwbaar in beeld te krijgen?
Dat ben ik zeker. Met de medeoverheden werk ik verder aan uitbouw van de monitoring. Daarbij bespreken we ook het gewenste schaalniveau van de informatie en welke informatie openbaar zou moeten zijn. De eerstvolgende uitvraag dit jaar voor de monitoring gaat uit van eenduidige definities over o.a. harde en zachte plancapaciteit en plantype en een uniforme meetperiode.
Ook bespreek ik hoe ik de sloopcijfers nauwkeuriger in kaart kan brengen. De eerstvolgende rapportage in juni is dus gebaseerd op deze verbeterde informatie.
Acht u het wenselijk dat provincies standaard 30% extra nieuwe woningen plannen om uitval op te vangen en het overschot aan plannen op papier te halen?
Ik heb met de provincies afgesproken om 30% extra plancapaciteit te realiseren in die gebieden met de grootste opgave (overprogrammering). Met meer dan 100% plancapaciteit kan vertraging van plannen en planuitval opgevangen worden. 130% is daarbij niet een doel op zich, maar een middel om een grotere zekerheid te krijgen dat de benodigde woningbouwproductie gehaald kan worden. Gelet op de recent gerealiseerde verhoging van de plancapaciteit, is nu niet zozeer het verder ophogen van de plancapaciteit van, maar de realisatie van voldoende woningbouwplannen en de woningbouw te versnellen. In mijn woningbouwprogramma zet ik uiteen langs welke lijnen ik de realisatie van deze woningbouwplannen wil realiseren. Hierover informeer ik uw Kamer binnenkort.
Zijn er manieren om die uitval tegen te gaan en de eventuele 30% in te zetten voor flexibele aanpassingen?
Overprogrammering is geen doel op zich maar is nodig om flexibel te zijn en waar nodig te kunnen opschalen en afschalen, bijvoorbeeld vanwege veranderde omstandigheden, bijvoorbeeld een hogere woningbehoefteprognoses of een economische crisis. Mijn doel is om 900.000 woningen te realiseren en om te versnellen naar 100.000 woningen. Daar zijn mijn inspanningen op gericht.
Hoe kijkt u aan tegen het aanstellen van Kwartiermakers (of iets soortgelijks) om bouwlocaties vlot te trekken en gemeenten te helpen met expertise?
Ik juich alle initiatieven toe die leiden tot het oplossen van knelpunten bij de totstandkoming van woningen om versnellen van de realisaties mogelijk te maken en ik ondersteun gemeenten ook daarbij. In mijn woningbouwprogramma zet ik uiteen hoe ik sneller van plan naar realisatie wil komen. Hierover informeer ik uw Kamer binnenkort.
Hoe kijkt u aan tegen het inzetten van een team van verschillende disciplines bij deze Kwartiermakers die gemeenten gaat ondersteunen om de businesscase van het ontwikkelen van woningen rond te maken? Denk u hierbij ook aan experts op het gebied van grondexploitaties, vergunningverlening, bouwen en bouwconcessie-onderhandelingen?
Ik deel uw standpunt dat het belangrijk is om gemeenten te ondersteunen met een team van verschillende disciplines. Daarom ondersteun ik gemeenten o.a. door inzet van het Expertgroep Woningbouw vanuit RVO. Dit team biedt expertise aan gemeenten om de woningbouw te kunnen versnellen en ondersteunt gemeenten bij het oplossen van belemmeringen tijdens het realiseren van woningbouw. Hierbij worden gemeenten ondersteunt in een breed pakket aan expertise op het gebied van de WBI, gebiedsontwikkeling, woningbouw en stikstof, flexwonen, vastgoedtransformatie, zelfbouw, transformatie vakantieparken, klimaatadaptatie. Hierbij wordt door het expertteam ook geëxperimenteerd met verschillende innovaties zoals Vergunning in 1 dag. Door industrialisatie versnelt het bouwproces. In een pilot onderzoeken wij bij gemeenten de mogelijkheden om tegelijkertijd de snelheid en voorspelbaarheid van ontwikkel- en vergunningsprocessen te vergroten.
Gezien de opgave die er ligt om op te schalen naar 100.000 woningen, hoeveel kwartiermakers en teams zijn er nodig om de helpende hand te bieden aan voldoende gemeenten?
In mijn woningbouwprogramma dat ik binnenkort naar uw Kamer zal sturen zal ik nader ingaan op de ondersteuning die ik bied om gemeenten te ondersteunen bij hun opgave.
Welke instrumenten zijn er nog meer nodig om op een snelle manier scherp inzicht te krijgen in het aantal woningen dat gebouwd zou kunnen worden, omdat het op korte termijn nodig is om voor Nederland voldoende betaalbare woningen te hebben?
Kwalitatief goede, volledige en actuele data rondom plancapaciteit is van groot belang om zicht te krijgen op het aantal geplande betaalbare woningen. Om scherper zicht te krijgen op het aantal plannen dat op korte termijn gerealiseerd kan worden wil ik dat een groter deel van de plancapaciteit bestaat uit «harde plannen». Dat zijn plannen die juridisch zeker zijn, wat een belangrijke stap is om tot snelle realisatie te komen. Hier wil ik dus ook afspraken over maken met de medeoverheden en hen daarbij ondersteunen.
Onder verwijzing naar het artikel waarin is te lezen dat gemeentelijke beleidsmedewerkers stoeien met de definitiekwestie van harde en zachte plannen, wat kunt u doen om deze wisselwerking te verbeteren en om te voorkomen dat belangrijke details over de haalbaarheid van plannen verdwijnen?
Ik heb inmiddels met de medeoverheden afspraken gemaakt over het gebruik van eenduidige definities voor o.a. harde en zachte plancapaciteit en plantype (zie ook beantwoording vraag 2). Hierover is een brief aan provincies en gemeenten gestuurd om hen hierover te informeren vooruitlopend op de eerstvolgende uitvraag plancapaciteit. Ik werk met hen nu verder aan uitbouw van de monitoring.
Kunt u reflecteren op de uitspraak «De ruimtelijke ordening van Nederland vergt een verdere horizon dan vasthouden aan het magische jaartal 2030»?
Ik onderschrijf dat ik ook verder moet kijken dan tot 2030, zowel als het gaat om de woningbouw als om de brede ruimtelijke opgaves. Dat doen we ook via de verstedelijkingsstrategieën die een horizon hebben tot 2040 ook voor wat betreft de woningbouwopgave en de NOVI die een langetermijnvisie hanteert voor de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Ik richt mij dus op de opgave tot en met 2030 maar kijk ook vooruit na deze periode.
Gelet op het in het artikel gestelde dat tot en met 2035 51% van de plancapaciteit uit eengezinswoningen bestaat, terwijl van de huidige woningvoorraad 64% een eengezinswoning is, hoe gaat u de juiste keuzes maken over wat we gaan bouwen en waar, om te voorkomen dat we de komende jaren een woningtekort voor bepaalde doelgroepen creëren zoals starters, jongeren en ouderen?
Om een goed beeld te krijgen van aan welke woningen er behoefte is, voer ik eens in de drie jaar een grootschalig Woningbehoefte onderzoek uit, WoON2 waarvan ik de resultaten later dit jaar aan uw Kamer zal sturen.
Daarnaast is de vraag welke woningen er precies gebouwd gaan worden een lokale aangelegenheid, waarbij gemeenten samen met projectontwikkelaars en bouwers een inschatting maken van de lokale woningbehoefte. Hierbij maakt men ook gebruik van eigen prognoses en lokale woningbehoefteonderzoeken.
Uitgangspunt bij de afspraken die ik van plan ben te gaan maken met de provincies is dat 2/3 deel van de 900.000 woningen tot en met 2030 betaalbaar gerealiseerd gaat worden op de juiste plek. Hierbij komt uitvoerig aandacht voor de diverse doelgroepen op de woningmarkt opdat nationaal en provinciaal de juiste keuzes worden gemaakt wat we voor wie waar gaan bouwen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja
De dreigende teloorgang van de autonome positie van KLM binnen Air France-KLM. |
|
Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «KLM krijgt weer Nederlandse ceo»?1
Ja.
Hoe bent u van plan om de autonome positie van KLM te waarborgen in Air France-KLM?
KLM is tezamen met Air France onderdeel van de holding Air France-KLM (AFKL). Binnen deze holding opereert KLM op veel terreinen autonoom. Het is primair aan de raad van bestuur van KLM om deze positie en haar profiel binnen de holding te bespreken en, in samenspraak met de holding, vorm te geven. De ceo van AFKL, de heer Ben Smith, heeft in dit kader bij de presentatie van de jaarcijfers over 2021 aangegeven dat de gehele onderneming profiteert van de hubfunctie van Schiphol en dat ook in de toekomst wil blijven doen.
Voor de Nederlandse staat is het behoud van het intercontinentale bestemmingennetwerk op Schiphol, waar KLM een essentiële rol in speelt, van groot belang voor de Nederlandse economie en werkgelegenheid. Dit publieke belang wordt gewaarborgd door onder meer de uitoefening van de aandeelhoudersrechten in de holding en door de zogenoemde staatsgaranties. Het kabinet is van mening dat het publieke belang het beste geborgd blijft door KLM onderdeel te laten blijven van de holding AFKL.
De staatsgaranties zijn afspraken tussen de Nederlandse staat en AFKL over onder meer de mate van gebruik van Schiphol als internationale hub en blijvende vestiging van KLM in Nederland, opererend onder Nederlandse vergunningen en verkeersrechten. De opzegtermijn van deze staatsgaranties zijn bij het verschaffen van het steunpakket in 2020 aan KLM verlengd van negen maanden naar vijf jaar.
KLM is grootste vervoerder op Schiphol en heeft daarmee een belangrijke functie in de verduurzaming van de Nederlandse luchtvaart. Het kabinet verwacht daarom dat KLM koploper is en zal zijn voor wat betreft duurzaamheid. Dit schaadt de autonome positie van KLM binnen AFKL niet. Ook AFKL heeft ambities op het gebied van duurzaamheid en de Franse staat hecht hier ook veel waarde aan.
Bent u van mening dat KLM nooit mag opgaan in Air France en haar autonome positie nooit mag verliezen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het kabinet zich vooral richt op duurzaamheidseisen, in plaats van volop in te zetten op het behoud van de autonome positie van KLM binnen Air France-KLM?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een overzicht geven van de geplande geldstromen naar KLM de komende jaren?
KLM heeft tot op heden € 277 miljoen getrokken van de directe staatslening (€ 1 miljard beschikbaar) en € 665 miljoen van de bankleningen (€ 2,4 miljard beschikbaar). KLM heeft de mogelijkheid om de komende jaren het restant onder deze leningen te trekken.
Daarnaast is uw Kamer op 6 april 2021 geïnformeerd dat er gesprekken gaande zijn tussen de Europese Commissie (EC), AFKL, KLM en de Franse staat over een mogelijke herkapitalisatie van KLM. Aangezien AFKL een beursgenoteerde onderneming is en de betreffende informatie koersgevoelig is, informeert het kabinet de vaste commissie voor Financiën van uw Kamer vertrouwelijk over eventuele ontwikkelingen.
Wilt u nagaan of het bericht klopt dat Air France-KLM van KLM binnen 24 maanden een zogenoemde operating carrier wil maken, dat het hoofdkantoor in Amstelveen gaat sluiten, en dat (in de persoon van Oltion Carkaxhija, die als «reorganisatiedirecteur» in Amstelveen rondloopt) de voorbereidingen daartoe inmiddels in volle gang zijn?
Zoals hierboven aangegeven bij de beantwoording van vragen 2,3 en 4 opereert KLM binnen AFKL op veel terreinen autonoom en is het primair aan de raad van bestuur van KLM om deze positie en haar profiel binnen de holding te bespreken en, in samenwerking met de holding, vorm te geven. De ceo van AFKL, de heer Ben Smith, heeft in dit kader bij de presentatie van de jaarcijfers over 2021 aangegeven dat de gehele onderneming profiteert van de hubfunctie van Schiphol en dat ook in de toekomst wil blijven doen.
Voor de Nederlandse staat is het behoud van het intercontinentale bestemmingennetwerk op Schiphol, waar KLM een essentiële rol in speelt, van groot belang voor de Nederlandse economie en werkgelegenheid. Dit publieke belang wordt gewaarborgd door onder meer de uitoefening van de aandeelhoudersrechten in de holding en door de zogenoemde staatsgaranties. De opzegtermijn van deze staatsgaranties is in 2020 verlengd van negen maanden naar vijf jaar. Onderdeel van deze staatsgaranties is onder meer de blijvende vestiging van KLM in Nederland. Aangezien de opzegtermijn niet is ingeroepen, is een verplaatsing van deze vestiging, en daarmee sluiting van het hoofdkantoor in Amstelveen, dus niet aan de orde.
Wilt u de Kamer informeren over het voornemen om KLM binnen twee jaar de nek om te draaien, als dat bericht inderdaad op waarheid berust?
Zie antwoord vraag 6.
Wat gaat de Nederlandse staat ondernemen om te voorkomen dat Air France-KLM de positie van KLM als autonoom bedrijfsonderdeel beëindigt?
Zie antwoord vraag 6.
Servicekosten |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven welke regels er gelden rondom het in rekening brengen van servicekosten bovenop de kale huur? Kunt u daarbij ingaan op hoe vrij verhuurders zijn om kosten onder het mom van servicekosten in rekening te brengen bij huurders?
Verhuurders hebben in het algemeen de vrijheid om bij de woning een keuze te maken voor de met de woning aan te bieden leveringen en diensten. Dit is anders in het geval van woningcorporaties. Daarvoor gelden wettelijke eisen aan de taken die zij op zich mogen nemen. Zo geldt bij woningcorporaties dat zij bij de levering van diensten aan de eigen bewoners niet in oneigenlijke concurrentie treden met andere maatschappelijke organisaties of marktpartijen die deze diensten aanbieden.
Voor hetgeen kan worden aangeduid als servicekosten gelden wettelijke regels. Het gaat daarbij met name om de artikelen 7: 233 en 237 BW. Deze bepalingen komen erop neer, dat er geen servicekosten in rekening worden gebracht voor onroerende onderdelen van de woning. Een verhuurder kan dus bijvoorbeeld geen servicekosten vragen voor een verhuurd vertrek van de woning; hij kan dat vertrek wel in rekening brengen via de huurprijs.
Inzake de hoogte van de servicekosten is met name 7: 259 BW van belang. Deze bepaling geeft aan, dat het bedrag voor de servicekosten een redelijke vergoeding moet betreffen, en dat de verhuurder elk jaar een overzicht van de kosten verstrekt.
In het gereguleerd huursegment kan de huurder zich tot de huurcommissie wenden indien hij het niet eens is met de in rekening gebrachte servicekosten. Het beleid van de huurcommissie houdt in, dat in dat geval de kosten worden opgevraagd bij de verhuurder. Uitgangspunt is dus, dat de huurcommissie uitgaat van de reëel gemaakte kosten.
Hoe kijkt u aan tegen verhuurders die adverteren met de kale huurprijs terwijl door servicekosten en andere bijkomende kosten de werkelijke huur veel hoger ligt dan geadverteerd?
Ik vind het onwenselijk als huurders verrast worden doordat zij moeten vaststellen dat zijn in werkelijkheid totaal veel meer voor een huurwoning moeten betalen dan in eerste instantie is aangegeven. Met het wetsvoorstel Goed verhuurderschap streef ik ondermeer naar een helder en transparant selectieproces, het schriftelijk vastleggen van de afspraken in de huurovereenkomst, conform wettelijke vereisten en het verstrekken van duidelijke en begrijpelijke informatie aan de huurder over diens rechten en plichten.
Bent u op de hoogte van gevallen waarbij projecten zijn gestart die een lage (kale) huurprijs beloven en door hoge servicekosten toch veel te duur zijn voor starters of studenten?
Nee. Ik ben niet op de hoogte van gevallen zoals aangegeven in de vraag. Zoals ik aangaf in mijn antwoord op vraag 2 vind ik dergelijke gevallen echter onwenselijk. Ik verwacht dan ook dat het wetsvoorstel Goed verhuurderschap leidt tot de nodige mogelijkheden om hiertegen op te treden.
Waarom heeft het kabinet het voornemen om de bij de hoogte van de huurtoeslag de servicekosten niet meer mee te nemen? Waarom bezuinigt u via deze weg op huurders?
De huurprijs die wordt gebruikt voor de berekening van het huurtoeslagbedrag is de zogenaamde rekenhuur. Deze bestaat uit de kale huur en vier specifieke servicekostposten: 1) kosten voor schoonmaak van gemeenschappelijke ruimten, 2) kosten energie voor gemeenschappelijke ruimten (niet de eigen woning), 3) kosten voor de huismeester en 4) kosten voor dienst- en recreatieruimten. Voor elk van deze vier kostenposten kan maximaal € 12,– per maand bij de subsidiabele huurprijs worden opgeteld, dus in totaal maximaal € 48,– per maand.
Het niet meer meenemen van de servicekosten in de huurtoeslagberekening is op een aantal punten een vereenvoudiging. Zo moet de burger deze kostenposten apart opgeven bij de aanvraag, waarbij de burger soms eerst moet uitzoeken welk deel van hun servicekosten ze mogen opgeven, en jaarlijks aanpassen als deze bij een huurverhoging wijzigen. Dit is een extra belasting voor de burger en vergroot de kans op fouten bij het invullen van de huurtoeslagaanvraag. Daarnaast is het niet meer meenemen van servicekosten een vereenvoudiging voor Belastingdienst Toeslagen, omdat zij niet meer hoeven te controleren op de hoogte en aanwezigheid van de servicekosten. Dit is dan ook geen reden meer voor een mogelijke terugvordering. Tot slot is er een verschil bij het systeem van passend toewijzen door corporaties en de toekenning van huurtoeslag.
Het passend toewijzen gaat uit van de kale huur (exclusief servicekosten), terwijl de huurtoeslagberekening dus uitgaat van de rekenhuur zijnde kale huur met bepaalde subsidiabele servicekosten. Dit kan ertoe leiden dat de woning wel wordt toegewezen, maar dat de rekenhuur te hoog is om in aanmerking te komen voor huurtoeslag. Dit levert verwarring en ongewenste grensgevallen op. Met het weghalen van de servicekosten uit de huurtoeslag is de rekenhuur voortaan gelijk aan de kale huur en verdwijnen de onduidelijkheid en de grensgevallen.
Het niet meer subsidiëren van de servicekosten is onderdeel van een breder pakket van vereenvoudigingen in de huurtoeslag en de maatregel om het wettelijk minimumloon te verhogen. Er wordt nog gekeken naar de precieze uitwerking van de maatregelen en daar worden natuurlijk de gevolgen voor de huurders in meegenomen.
Deelt u de mening dat services die nu onder servicekosten vallen bij bepaalde verhuurders, bijvoorbeeld atelierskosten, geen noodzakelijke kosten zijn en dat een huurder het recht moet hebben om geen gebruik te maken van deze services? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat een verhuurder er voor kan kiezen om een woning te verhuren in combinatie met een atelier. Hij kan vervolgens via de servicekosten leveringen en diensten in rekening brengen die zijn verbonden aan dat atelier. Een verhuurder mag dan alleen servicekosten in rekening brengen die een redelijke vergoeding betreffen van de gemaakte kosten. Een huurder kan bezwaar maken tegen de servicekosten bij de verhuurder.
Wat is uw oordeel over een bij vragensteller bekend voorbeeld van een atelierwoning, waarmee werd geadverteerd voor € 633,25, maar er onverwacht hoge servicekosten bijkwamen van € 326,50? Wat is hierover uw oordeel? Is er een maximum aan door te berekenen servicekosten?
Zie mijn antwoord op vraag 2: ik vind het ongewenst dat verhuurders zodanig adverteren dat dit tot verrassingen leidt op het moment dat de huurovereenkomst wordt afgesloten.
Inzake het maximum van de servicekosten verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 1.
Bent u bereid om een minder ruime definitie van servicekosten vast te stellen zodat alleen zaken die een verhuurder noodzakelijkerwijs moet doorberekenen aan een huurder hierin passen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bereid om een minder ruime definitie van servicekosten vast te stellen. De maatregelen die zich richten op de hoogte van de servicekosten vind ik voldoende om de belangen van een huurder te borgen. Wel wil ik de positie van de huurder verbeteren om een goed inzicht te krijgen in het hetgeen de huurovereenkomst met zich meebrengt. Hierop richt ik mij met het wetsvoorstel Goed verhuurderschap.
Het tegengaan criminele activiteiten via de verzending van postpakketten |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Douane onderschepte dit jaar dubbel zoveel drugs»?1
Ja.
Kent u nog meer signalen of gegevens waaruit opgemaakt kan worden dat de handel van drugs of andere illegale goederen via de post gegroeid is? Zo ja, wat zijn die? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te laten verrichten?
Uit de constatering dat Douane dubbel zoveel drugs onderschept trek ik niet zonder meer de conclusie dat de handel van drugs of andere illegale goederen via de post gegroeid is. De Douane heeft in 2021 ten aanzien van het toezicht op post haar capaciteit vergroot en haar controles geïntensiveerd. Dit ligt in lijn met de opdracht die mijn ministerie hiertoe heeft gegeven. Deze intensivering heeft geleid tot de forse inbeslagname van bijna 20.000 briefpostzendingen met vooral synthetische drugs. Er zijn geen gegevens beschikbaar waaruit kan worden opgemaakt dat de handel in drugs of andere illegale goederen via de post is gegroeid. Zie verder de antwoorden op de vragen 4 en 6.
Welke resultaten heeft het Postinterventieteam van de Landelijke Eenheid van de politie het afgelopen jaar geboekt? Wat is de aard en omvang van de aangetroffen goederen? Is daar sprake van een toename?
Bij het Post Interventieteam zijn in 2021 34 opsporingsonderzoeken gestart op basis van 178 in beslag genomen pakketten/enveloppen. Deze onderzoeken zijn opgestart na inbeslagname van de pakketten met verdovende middelen door de Douane en pakketten die zijn overgedragen door private partners. Dit betreft enkel de pakketten waarvoor een directe opsporingsindicatie bestond. In het oog sprong een onderzoek waarbij 11 aanhoudingen zijn gedaan. Gedurende dat onderzoek zijn diverse pakketten in beslag genomen waarin grote hoeveelheden XTC, MDMA en ketamine zijn aangetroffen. Daarnaast zijn door het Post Interventieteam diverse andere opsporingsonderzoeken uitgevoerd waarbij in totaal nog eens 23 aanhoudingen zijn verricht en diverse verdovende middelen en veel cryptocurrency in beslag zijn genomen.
Wat zijn de resultaten van het project Sensing waarbij de politie en PostNL met andere partners inzetten op betere en efficiëntere controles van postpakketten?
In het fieldlab met politie, douane en PostNL worden belangrijke resultaten geboekt. Er zijn algoritmes ontwikkeld die worden geïmplementeerd in de controle apparatuur. Te zijner tijd wordt uw Kamer daarover natuurlijk geïnformeerd.
Welk deel van de postpakketten die vanuit Nederland naar het buitenland wordt gestuurd dan wel vanuit het buitenland naar Nederland komt, wordt daadwerkelijk gescreend op illegale inhoud?
Douane kan nu geen schatting geven van het deel postpakketten dat daadwerkelijk wordt gescreend op illegale inhoud. De douane controleert risicogericht, steekproefsgewijs in de stroom postpakketten en brieven. Dat gebeurt op diverse plekken in de logistieke stroom, bij de postale bedrijven cq. de koeriersdiensten als ook op Schiphol. Indien er een indicatie is, wordt overgegaan tot een fysieke controle. Het is niet mogelijk om aan te geven hoeveel pakketten of poststukken op deze wijzen gecontroleerd worden, dit wordt niet geregistreerd. Ik acht het samen met betrokken partners van belang dat dit globale zicht er komt. Bij toekomstige interventies in de poststroom (zie beantwoording bij vraag 7 over het Multidisciplinair Post Team) zal een schatting gemaakt worden van de ratio van in de controle begrepen poststukken.
Wat zijn de resultaten van het onderzoek binnen het publiek-private samenwerkingsverband Intell naar hoe ondermijnende criminaliteit bestreden kan worden en hoe in de breedte misbruik wordt gemaakt van de logistieke sector?2
Het onderzoek Intell heeft laten zien, dat er een noodzaak is om de kennis die er binnen de verschillende publieke en private partijen is te delen. Indien dat goed georganiseerd is, levert dat veel winst op. Pas nadat duidelijk is hoe een fenomeen in elkaar zit heeft interveniëren echt zin. Dan kan gekeken worden naar mogelijkheden voor een aanpak vanuit de verschillende partijen. Een aanpak kan in theorie variëren van beter inzicht in en awareness van de problematiek, het opwerpen van barrières om criminaliteit tegen te gaan, tot opsporing en vervolging.
Deelt u de mening van de in het bericht genoemde woordvoerder van het Openbaar Ministerie dat er meer capaciteit nodig is voor het onderzoek naar postpakketten via de post en de mening van de woordvoerder van de Douane dat er nu nog maar het topje van de ijsberg van de totale hoeveelheid drugs die via pakketten wordt verstuurd wordt onderschept? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat er meer capaciteit komt en er meer pakketten met illegale inhoud worden onderschept? Welke concrete doelen staan u daarbij voor ogen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind de geschetste cijfers van inbeslagnames van drugs per brievenbuspost en postpakketten naar het buitenland zorgelijk. De Douane, het Landelijk Parket en het Post Interventieteam (PIT) van de politie werken in deze aanpak al intensief samen. Mijn ministerie verkent momenteel met de politie, Douane en het Openbaar Ministerie de invulling van het oprichten van een Multidisciplinair Post Team (MPT), waarbij de FIOD heeft aangegeven waar nodig een bijdrage te willen leveren. Het betreft een projectmatig construct waarin het PIT onderzoek kan doen naar de aard, ernst en omvang van postzendingen met verdovende middelen binnen Europa. Tevens kan onderzoek gedaan worden naar hoe de aanpak van deze problematiek, indachtig de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de betrokken partners (partners MPT én private partners in de postsector) in de toekomst het beste vormgegeven kan worden. Op deze wijze kan vanuit de betrokken diensten gezamenlijk een zo effectief mogelijke aanpak op de verzending van verdovende middelen via de post worden ingezet. Door het multidisciplinaire karakter en de samenwerking in de controle en de opsporing van de politie en Douane kan de pakkans worden vergroot. De specifieke invulling wordt momenteel in overleg met betrokken partners vormgegeven. De Douane blijft daarnaast volop inzetten op het onderscheppen van postzendingen met verdovende middelen en zet tevens in op slimmer en gerichter controleren (bijvoorbeeld door innovatie op het gebied van scannen). Bovendien is het verrijken van de internationale informatiepositie van belang. Vanuit de douane wordt er momenteel ingezet op een intensivering op de samenwerking met risicolanden; de Douane wisselt informatie uit met onder andere de VS en Australië. Daarnaast zal de Douane dit jaar een liaison plaatsen bij het national targeting centre in de VS om de informatiepositie te versterken.
Bent u nog steeds van mening dat het onwenselijk is als verzenders van pakketjes verplicht worden zich te legitimeren? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe gaat u die verplichting dan invoeren?3
Ik acht de kans dat het verzenden van drugspakketten vanwege een legitimatieplicht wordt bemoeilijkt gering. Criminelen kunnen een legitimatieplicht op verschillende manieren omzeilen en daarom acht ik deze barrière niet doeltreffend. Criminelen kunnen gebruik maken van katvangers (Iemand die een pakket verstuurd namens een ander zodat diens identiteit onbekend blijft) en gestolen of valse identiteitsbewijzen, of misbruik maken van adresgegevens van particulieren of ondernemers. Of gebruik gaan maken van enveloppen die gewoon via de brievenbus worden verzonden. Bovendien acht ik een legitimatieplicht gelet op het totale volume aan pakketpost, de inbreuk op de privacy van de klanten en de verzwaring van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven niet proportioneel om deze drugscriminaliteit tegen te gaan.
Het belang van het opheffen van de anonimiteit van de malafide verzender onderken ik natuurlijk wel. Met de partners worden de mogelijkheden daartoe onderzocht.
Het voorstel in de Maastrichtse gemeenteraad om het openbaar voortgezet onderwijs af te schaffen |
|
Mariëlle Paul (VVD), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u onze appreciatie van het openbaar onderwijs als onderwijs dat recht doet aan een principiële gelijkwaardigheid van opvattingen over godsdienst, levensbeschouwing en maatschappelijke diversiteit en dat voorwaarden schept voor emancipatie en tolerantie?
Ja.
Hoe beoordeelt u het voorstel in de Maastrichtse gemeenteraad om het openbaar voortgezet onderwijs af te schaffen en al het onderwijs te centreren op één plek («de Campus») in het licht van de grondwettelijke garantiefunctie van het openbaar onderwijs?1
Het is mogelijk om een openbare school om te zetten naar een bijzondere school. Het verzoek hiertoe wordt ingediend bij DUO. Indien het bevoegd gezag een school voor openbaar onderwijs wenst om te zetten in een bijzondere school is toestemming van de gemeenteraad nodig. De medezeggenschapsraad van de school heeft instemmingsrecht.
De huisvesting, daar waar het onderwijs wordt gegeven, is een zaak tussen het bevoegd gezag en de gemeente. Bij het verplaatsen van het onderwijs dient het bevoegd gezag wel te voldoen aan de daaraan door de wet gestelde eisen. Zo is een verplaatsing tot drie kilometer vrij en voor een verplaatsing van meer dan drie kilometer is een afspraak nodig met omliggende scholen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen.
In het licht van de garantiefunctie openbaar onderwijs, moet het bevoegd gezag, in dit geval de Stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs (LVO) gedeputeerde staten om advies vragen over de omzetting van een openbare school naar een bijzondere school. Indien gedeputeerde staten advies geven, wordt dit advies met de aanvraag voor omzetting meegezonden aan het Ministerie van OCW (artikel 16, Regeling voorzieningenplanning vo 2020). Daarnaast blijft ook als de omzetting een feit is, de garantiefunctie van artikel 23, vierde lid Grondwet en artikel 66 WVO onverkort van toepassing. Indien ouders van een voldoende aantal leerlingen een school voor openbaar voortgezet onderwijs wensen, kunnen zij zich wenden tot het college van burgemeester en wethouders. Indien het college die wens niet honoreert kunnen de ouders zich wenden tot gedeputeerde staten. Indien gedeputeerde staten de wens niet honoreert kunnen de ouders zich wenden tot de Minister. De Minister kan de gemeente dan opdragen een aanvraag voor het in aanmerking brengen voor bekostiging van een openbare school in te dienen.
Deugt in dit verband het concept-convenant tussen de Stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs en de gemeente Maastricht juridisch, waar het de bevoegdheden van de gemeenteraad oprekt?2
In het concept convenant worden afspraken voorgesteld tussen de gemeente Maastricht en LVO over hoe deze partijen willen samenwerken. Hiervoor bestaat juridisch geen beletsel. Ik ben hierbij evenwel geen partij. In een convenant kunnen echter geen (grond)wettelijke taken overgedragen of opzijgezet worden. Het convenant kan de indruk wekken dat door te kiezen voor gratis en breed toegankelijk onderwijs met de denominatie algemeen bijzonder, wordt voldaan aan de garantiefunctie openbaar onderwijs in de gemeente Maastricht. Navraag bij LVO leert dat dit expliciet niet bedoeld wordt; de garantiefunctie openbaar onderwijs kan, ongeacht afspraken die hierover in een convenant staan, niet worden overgedragen. Dit blijft een verantwoordelijkheid voor de gemeente.
Deelt u onze afwijzing van pragmatisme als excuus om ons duale onderwijsstelsel opzij te schuiven? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan voor het onderwijsaanbod in Maastricht? Zo nee, waarom niet?
Het duale onderwijsstelsel wordt niet opzijgeschoven. Zoals ik in antwoord drie heb opgenomen blijft de garantiefunctie openbaar onderwijs onverminderd van kracht. Een omzetting van openbaar naar bijzonder onderwijs past bovendien binnen ons onderwijsstelsel. Het is aan het bevoegd gezag en de gemeenteraad om hierover te besluiten. Een verzoek van het bevoegd gezag voor omzetting van openbaar naar bijzonder wordt door DUO marginaal getoetst aan wet- en regelgeving. Indien aan de voorwaarden is voldaan, wordt het verzoek gehonoreerd.
Hoe beziet u het voorstel vanuit het risico dat daar een grote leerfabriek ontstaat, die de menselijke maat voor de scholieren ernstig schaadt? Is het streven naar de menselijke maat op scholen, niet langer een streven bij het onderwijsbeleid van de regering? Zo ja, hoe wilt u hieraan gestalte helpen geven in de Maastrichtse situatie?
De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs op school. Daarbij beziet de inspectie onderwijskwaliteit, onderwijsomstandigheden en het welbevinden van de leerling. Ten aanzien van de menselijke maat in het onderwijs heeft mijn voorganger in een brief aan uw Kamer3 aangegeven dat de inzichten uit onderzoek laten zien dat de effecten van verschillende schaalgrootten erg genuanceerd liggen. Een duidelijke relatie tussen menselijke maat en schaalgrootte ontbreekt. Menselijke maat gaat erover dat leerlingen en docenten zich gehoord en gezien voelen. Het is belangrijk dat scholen hieraan, onafhankelijk van schaalgrootte, gestalte geven.
In het concept convenant is overigens geen voorstel voor het onderwijsaanbodvan alle scholen in Maastricht uitgewerkt.
