Bent u bekend met het Convenant tussen de Belastingdienst en de Uitzendbranche van 14 december 2010, alsmede het onderzoek hiernaar door de FNV, en de uitzending hierover van RTL Nieuws op 3 februari 2015?
Herkent u de door de FNV genoemde constructies waarbij via het verrekenen van extraterritoriale kosten door de werkgever een premievoordeel voor werkgevers gecreëerd wordt? Zo ja, hoe vaak komt dit voor?
Bent u op de hoogte van het door FNV gestelde, dat op deze wijze de werkgeverskosten voor tijdelijk uit het buitenland gedetacheerde werknemers beduidend lager zijn dan in Nederland woonachtige werknemers die op een zelfde werkplek ingezet worden? Onderkent u dat op deze wijze verdringing gesubsidieerd wordt?
Vindt u dat deze constructies in overeenstemming zijn met uw beleidsinzet gericht op een gelijk speelveld met betrekking tot de kosten van arbeid? Zo ja, vindt u dat dit soort constructies mogelijk gemaakt moeten worden door middel van afspraken met de Belastingdienst? Zo nee, waarom is er in het convenant geen rekening gehouden met dit soort effecten, terwijl bekend is dat uitzendbureaus vaak de randen van de wet opzoeken, zoals ook blijkt uit de aanpak van schijnconstructies door de Minister van Sociale Zaken?
Het convenant stuurt aan op horizontaal toezicht; in hoeverre is er in het kader van horizontaal toezicht bij individuele belastingplichtigen aandacht voor het handelen conform het convenant? Wordt in het kader van horizontaal toezicht aandacht besteed aan oneerlijke concurrentie en verdringing door belastingconstructies? In hoeverre vindt u horizontaal toezicht geschikt voor deze branche, waarvan bekend is dat het risico op dit soort constructies groot is? Zijn er meer risicosectoren waar horizontaal toezicht breed wordt toegepast? Bent u bereid meer te sturen op verticaal toezicht in risicosectoren zoals de uitzendbranche?
Bent u op de hoogte van het door de FNV geschatte bedrag van circa EUR 250 miljoen dat de staat hierdoor zou mislopen? Kunt u de juistheid van dat bedrag bevestigen? Zo nee, wat is de omvang van het misgelopen bedrag voor de staatskas?
Deelt u de mening dat het kabinet moet staan voor het aanpakken van oneerlijke concurrentie en verdringing? Deelt u tevens de mening dat het convenant in kwestie het tegenovergestelde lijkt te bewerkstelligen?
Hoe kan het misbruik van dit convenant worden bestreden? Is er genoeg aandacht voor de «waterdichtheid» van dit soort convenanten? Hoe kan het misbruik van dit soort convenanten in de toekomst worden voorkomen?
Bent u bereid onderhavig convenant op zo kort mogelijke termijn op te zeggen?
Het artikel ‘Werkgevers klagen over 'straf' op sociaal plan’ |
|
Pieter Heerma (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Werkgevers klagen over «straf» op sociaal plan»? 1
Ja.
Klopt het dat als een bedrijf om economische redenen werknemers vrijwillig wil laten vertrekken het extra belasting, RVU-heffing (Regeling voor Vervroegde Uittreding), moeten betalen over de vertrekvergoeding? Zo nee, waarom niet?
Over een vertrekvergoeding is geen RVU-heffing verschuldigd als de vermindering van het personeelsbestand plaatsvindt op basis van objectieve criteria (zoals het afspiegelingsbeginsel), waarbij niet de intentie bestaat oudere werknemers met het oog op vervroegd uittreden te ontslaan. Daarbij maakt het geen verschil of sprake is van vrijwillige of gedwongen ontslagen, behalve dat bij een vrijwillige vertrekregeling een doelmatigsheidsmarge van 10 procent wordt gehanteerd (zie antwoord op vraag 4).
Indien een bedrijf extra belasting moet betalen, kunt u dan aangeven hoeveel belasting de werkgever en de werknemer elk moeten betalen over een vertrekvergoeding van bijvoorbeeld € 40.000, € 50,000 of € 60.000?
De RVU-heffing bedraagt 52% (tot en met 2010 was het tarief 26%). Bij de genoemde vertrekvergoedingen bedraagt de RVU-heffing voor de werkgever respectievelijk € 20.800, € 26.000 en € 31.200.
De werknemer betaalt over de vertrekvergoeding het normale loon/inkomstenbelastingtarief. Afhankelijk van het overige jaarinkomen varieert dat tarief in 2015 tussen de 36,5% en 52%. Uiteraard wordt hierbij nog rekening gehouden met de heffingskortingen die van toepassing zijn.
Deelt u de zorg, geuit vanuit werkgevers én werknemers, dat het risico van een dergelijke heffing kan leiden tot het eerder kiezen voor gedwongen ontslag? Zo nee, waarom niet?
In de wet (artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964) wordt geen onderscheid gemaakt tussen gedwongen en vrijwillige ontslagen. In beide situaties geldt als voorwaarde dat de RVU-heffing niet in beeld komt als de ontslagronde voldoet aan objectieve criteria zoals het afspiegelingsbeginsel. Deze voorwaarde vloeit voort uit het kabinetsbeleid dat gericht is op de bevordering van de arbeidsparticipatie van ouderen.
Ik merk hierbij nog op dat ik in mijn beleidsbesluit van 18 december 2013, Staatscourant 2013, nr. 35582, heb goedgekeurd dat bij een vrijwillige vertrekregeling achteraf mag worden getoetst of sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding en dat daarbij de resultaten van de gedwongen ontslagronde mogen worden meegeteld. Om de werkgever niet af te rekenen op een geringe overschrijding van het aantal oudere werknemers dat hij op grond van het afspiegelingsbeginsel zou mogen ontslaan, heb ik daarbij een doelmatigheidsmarge van 10% toegestaan. Als op basis van het afspiegelingsbeginsel is bepaald dat in de leeftijdscategorie boven de 55 jaar bijvoorbeeld 80 ontslagen zullen vallen, dan kan de werkgever door deze goedkeuring maximaal 8 oudere werknemers meer ontslaan dan de objectieve norm zonder in aanraking te komen met de RVU-heffing. Mijns inziens biedt dit binnen de doelstellingen van de wet voldoende ruimte om vrijwillige ontslagregelingen mogelijk te maken.
Acht u dit een wenselijk resultaat gezien het feit dat bedrijven dit soort regelingen in het algemeen met vakbonden zijn overeengekomen om zo gedwongen ontslagen te voorkomen? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe zou toename van gedwongen ontslag kunnen worden voorkomen?
Het kabinetsbeleid richt zich op het ontmoedigen van eerder stoppen met werken en het aanmoedigen om mensen van werk naar werk te begeleiden. Om de mogelijkheden om een andere baan te vinden te vergroten, heeft het kabinet in 2013 een sociaal akkoord gesloten, waarbij gekozen is voor een actievere aanpak om werkloosheid te voorkomen en mensen van werk naar werk te helpen. Dit heeft concreet geleid tot bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van middelen voor van-werk-naar-werk-trajecten en het omzetten van de ontslagvergoeding in een transitievergoeding. Het kabinet vindt het binnen het pallet van arbeidsmarktmaatregelen niet wenselijk de RVU-heffing te versoepelen. Hierbij is ook van belang dat de RVU-heffing waarneembaar succesvol is gebleken. Vanaf de invoering van de maatregel in 2006 is de gemiddelde uittreedleeftijd gestegen van 61 jaar naar bijna 64 jaar (cijfer 2013)2. De ontmoedigende werking van de RVU-heffing heeft hier zonder twijfel aan bijgedragen. Versoepeling van de maatregel zou deze trend naar verwachting weer ombuigen. Dit dient voorkomen te worden.
Bijkomende complicatie van het voorgestelde is dat dit de regeling praktisch onuitvoerbaar maakt, omdat het subjectieve criterium «die ten doel hebben gedwongen ontslagen tegen te gaan» niet te controleren is voor de Belastingdienst. De kracht van de huidige regeling is dat op basis van objectieve criteria wordt getoetst of de RVU-heffing achterwege kan blijven bij een reorganisatie. Hierdoor wordt willekeur tussen bedrijven voorkomen en is de handhaafbaarheid gewaarborgd.
Klopt het dat deze heffing sinds 2013 op grond van beleid van de Belastingdienst (VA 13–003 Centraal Aanspreekpunt Pensioenen) is aangescherpt en de Belastingdienst verzoeken van bedrijven om duidelijkheid te geven over de belastinggevolgen van een vertrekregeling niet meer in behandeling neemt?
Nee, dat klopt niet. Als een werkgever vooraf het oordeel van de Belastingdienst wenst over een voorgenomen reorganisatie dan beslist de Belastingdienst bij een voor bezwaar vatbare beschikking of sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding. Uiteraard kan de Belastingdienst pas een beslissing nemen als de werkgever kan aantonen hoeveel werknemers uit de onderscheidenlijke leeftijdscategorieën zullen vertrekken. Deze beleidslijn – die ook al voor die tijd gold – wordt in de genoemde publicatie slechts verduidelijkt.
Bent u bereid het beleid zo aan te passen dat vrijwillige vertrekregelingen die worden ingegeven door economische omstandigheden en die ten doel hebben gedwongen ontslagen tegen te gaan, vaker vrij te stellen van RVU-heffing?
Zie antwoord vraag 5.
De taak van gemeenten in relatie tot radicalisering en uitreizende jihadisten |
|
Pieter Heerma (CDA), Peter Oskam (CDA) |
|
Opstelten (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de radiouitzending van de Haagse Lobby waarin de voorzitter van het genootschap van Burgemeesters sprak over de taak van gemeenten in relatie tot radicalisering en uitreizende jihadisten?1
Ja.
Klopt het dat in het «Actieprogramma integrale aanpak jihadisme» voor gemeenten centrale taken zijn opgenomen voor de aanpak van radicalisering, deradicalisering en het voorkomen van het uitreizen van jihadisten? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke rol gemeenten hierbij hebben en op welke wijze het Rijk gemeenten hierin ondersteunt?
Eén van de hoofdlijnen uit het Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme is een intensivering van de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de rijksoverheid en lokale overheden. Het Rijk staat gemeenten bij in de preventie van radicalisering en de beheersing van maatschappelijke spanningen. De gemeenten hebben op lokaal niveau de regie in de aanpak van radicalisering, deradicalisering en het voorkomen van het uitreizen van jihadisten. Juist op lokaal niveau is er kennis van de sociale context, zijn veranderingen zichtbaar bij jongeren en volwassenen en kunnen samenwerkingspartners bijdragen aan interventies. De rijksoverheid ondersteunt de lokale overheden op verschillende manieren. Zo is er door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) een handreiking ter beschikking gesteld voor gemeenten en een toolbox (met daarin bijvoorbeeld trainingen). Ook is er een expertise-unit sociale stabiliteit van het Ministerie van SZW (maatregel 25 Actieprogramma) opgericht, een helpdesk «School en Veiligheid» ingericht (ter advisering en ondersteuning van scholen) en organiseert de NCTV regionale kennisbijeenkomsten. Verder is ook bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een loket waar gemeenten terecht kunnen met vragen. Voor een volledig overzicht van de manieren waarop gemeenten door het Rijk worden ondersteund, verwijs ik u naar de tweede voortgangsrapportage Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme.
Klopt het dat het oprichten van een expertcentrum onderdeel uitmaakt van het actieprogramma en dat één van de taken van zo’n expertcentrum moet bestaan uit het praktisch ondersteunen van gemeenten in gevallen van radicalisering en maatschappelijke spanningen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze zou die ondersteuning moeten plaatsvinden?
Ja, dat klopt. De expertise-unit sociale stabiliteit is sinds februari 2015 operationeel en wordt momenteel verder opgebouwd. De unit biedt praktijkgerichte expertise gericht op preventie van radicalisering en maatschappelijke spanningen tussen groepen, en bevorderen van sociale stabiliteit. De unit richt zich daarbij op het verbinden met netwerken binnen verschillende migranten gemeenschappen en op de ondersteuning van gemeenten en professionals. Dit doet zij onder andere door het geven van advies op maat, het ontwikkelen van handreikingen en het ondersteunen van leerkringen. De unit werkt nauw samen met de NCTV, de kennisfunctie Integratie & Samenleving en reguliere organisaties waar gemeenten en professionals aan zijn verbonden.
Klopt het dat expertcentrum nog steeds in wording is en er tot op heden dus geen sprake is van de praktische ondersteuning aan gemeenten waarvan in het actieprogramma melding wordt gemaakt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn zal het expertcentrum operationeel zijn?
De expertise-unit sociale stabiliteit is zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 sinds februari 2015 operationeel en wordt momenteel verder opgebouwd. Gemeenten die onder andere via de NCTV en de VNG om ondersteuning vragen worden indien van toepassing doorverwezen naar de unit. Een aantal gemeenten is reeds geadviseerd. Daarnaast voert de expertise-unit momenteel een quickscan uit onder minstens 48 gemeenten, waarbij in kaart wordt gebracht wat de aanwezige capaciteit, kennis, expertise en behoeften bij deze gemeenten en lokale professionals zijn. De eerste gemeenten waarmee gesproken is, hebben onder meer behoefte aan advisering bij het uitwerken van een brede preventieve aanpak. Verder hebben ze behoefte aan ondersteuning bij de opbouw van expertise bij lokale professionals en sleutelfiguren (door middel van trainingen), de toegang tot lokale netwerken en de vormgeving van lokale samenwerking in de integrale preventieve aanpak. Naar aanleiding van de eerste resultaten van de quickscan wordt aan een aantal gemeenten en scholen reeds ondersteuning geboden. Verder is er een handreiking voor moskeeën, gemeenten, politie en antidiscriminatievoorzieningen in ontwikkeling over hoe om te gaan met discriminatoire incidenten rondom moskeeën. Ook heeft de expertise-unit het toegezegde onderzoek naar triggerfactoren in radicaliseringsprocessen in uitvoering genomen (maatregel 25f uit het Actieprogramma). De eerste resultaten van dit onderzoek zijn naar verwachting voor de zomer van 2015 gereed.
Herkent u de observatie van de voorzitter van het genootschap van Burgemeesters dat het voor veel gemeenten nog onduidelijk is wat zij kunnen doen aan radicalisering en dat meer ondersteuning vanuit het Rijk nodig is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hier aan doen?2
Binnen gemeenten is er veel behoefte aan informatie. In antwoord op vraag 2 heb ik u laten weten wat de rijksoverheid doet om gemeenten bij te staan in de lokale regiefunctie ten aanzien van radicalisering, deradicalisering en het voorkomen van het uitreizen van jihadisten. Daarnaast is inmiddels voor alle gemeenten (dus niet alleen de meest risicovolle gemeenten) een 10-punten plan opgesteld door de VNG, SZW en de NCTV gezamenlijk voor gemeenten die een preventieve aanpak willen ontwikkelen op sociale spanningen en radicalisering. Tot slot kunnen gemeenten altijd terecht bij de NCTV en bij de expertise-unit sociale stabiliteit met vragen.
Het wetsvoorstel "Hervorming Kindregelingen” waarin het woord alimentatie in de memorie van toelichting slechts een keer voorkwam en wel in de artikelsgewijze toelichting |
|
Pieter Heerma (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Opstelten (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het wetsvoorstel «Hervorming Kindregelingen»1, waarin het woord alimentatie in de memorie van toelichting slechts een keer voorkwam en wel in de artikelsgewijze toelichting?
Ja.
Herinnert u zich de aangenomen motie-Pieter Heerma over een standaardrekenregel bij het vaststellen van kinderalimentatie?2 Op welke wijze is deze motie tot nu toe uitgevoerd en waar kunnen gescheiden ouders een standaard rekenregel vinden?
Ja. Ik heb de Raad voor de rechtspraak gevraagd advies uit te brengen over het verzoek van de Tweede Kamer om te komen tot een standaardrekenregel inzake de berekening van kinderalimentatie. Dit advies heb ik inmiddels ontvangen en is als bijlage bij deze beantwoording gevoegd.
Herinnert u zich dat u tijdens de plenaire behandeling op 6 maart 2014 tevens heeft opgemerkt: „Ik zou willen toezeggen dat wij bij de communicatie over deze wijziging, die voor groepen mensen fundamenteel is, wat extra's kunnen doen in het standaardiseren van de aanvraag van een wijziging, in het vergemakkelijken van de manier waarop ouders hierover samen afspraken kunnen maken.»?3 Op welke wijze heeft u deze toezegging uitgevoerd?
In de publieksvoorlichting over de Wet hervorming kindregelingen (WHK) (via de tool Veranderingen kindregelingen) worden ouders nadrukkelijk gewezen op de mogelijke consequenties van deze wet voor kinderalimentatie en worden ook andere informatiebronnen genoemd. De inschakeling van de hulp van het Juridisch loket, mediators of advocaten, waarnaar ook in de reguliere overheidsvoorlichting wordt verwezen, kan bewerkstelligen dat ouders in overleg kunnen nagaan of de in de WHK opgenomen maatregelen nopen tot aanpassing van de lopende alimentatieverplichting.
Begrijpt u dat deze leden van mening zijn dat noch de motie, noch de toezegging uitgevoerd is totdat er een standaard rekentool beschikbaar is voor gescheiden ouders?
De Raad voor de rechtspraak geeft in haar advies omtrent het komen tot een standaardrekenregel aan dat deze reeds bestaat (in de vorm van de alimentatienormen). Ouders kunnen wijziging verzoeken van de bij rechterlijke uitspraak of overeenkomst vastgelegde kinderalimentatie, als deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven. Bij een dergelijk verzoek dient men zich te realiseren dat de rechter, wanneer er grond is voor wijziging, alle bestaande relevante omstandigheden in aanmerking zal nemen. Dus ook omstandigheden die geen verband houden met de WHK. Ouders kunnen hierover advies inwinnen bij het Juridisch Loket of bij een mediator of advocaat.
Wanneer zal de Raad voor de Rechtspraak met het toegezegde advies over herziening kindregelingen komen?4 Zal dat advies ook de vorm van een tool krijgen?
Het advies van de Raad voor de rechtspraak is bijgevoegd.
Waarom heeft u pas in de Eerste Kamer gemeld dat „Indien door zowel de kinderbijslag als het kindgebonden budget in de behoefte van het kind wordt voorzien, is er geen aanspraak op kinderalimentatie. Dat zal niet voor alle kinderen opgaan. De behoefte van het kind kan immers groter zijn dan hetgeen via het stelsel van kindregelingen wordt ontvangen. Dan kan er ook in de toekomst sprake zijn van zo’n verplichting.», ofwel dat het kindgebonden budget grote gevolgen kan hebben voor de draagkrachtberekening?5 Waarom heeft u dat vervolgens niet met de Tweede Kamer gedeeld?
In de analyse wordt aangegeven dat het kindgebonden budget voor wat betreft de vaststelling van kinderalimentatie niet wordt verwerkt bij de draagkracht maar in de vaststelling van de behoefte van het kind conform het Rapport Alimentatienormen 2015.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat er steeds meer berichten opkomen van gescheiden ouders wiens inkomenspositie fors kan wijzigen als gevolg van de alimentatieverplichtingen die voorvloeien uit de wetswijziging?
Ik heb kennisgenomen van de berichten via diverse mediabronnen en uw Kamervragen die ingaan op de gevolgen van de WHK voor kinderalimentatie. Dit is voor mij aanleiding geweest voor de hiervoor opgenomen analyse.
Kunt u voor het volgende voorbeeld «man verdient € 28.000; vrouw verdient € 14.000; twee kinderen, die bij de vrouw wonen» voorrekenen wat de alimentatienormen voor kinderalimentatie zijn in 2014 en in 2015? Hoe groot is het effect op netto inkomen, in euro’s en procenten, indien de alimentatie wel en indien de alimentatie niet wordt aangepast?
Ik verwijs voor de gevolgen in deze specifieke voorbeelden naar de genoemde analyse.
Kunt u voor een tweede voorbeeld «man verdient € 45.000, vrouw verdient wettelijk minimumloon; twee kinderen, die bij de vrouw wonen» voorrekenen wat de alimentatienormen voor kinderalimentatie zijn in 2014 en in 2015? Hoe groot is het effect op netto inkomen, in euro’s en procenten, indien de alimentatie wel en indien de alimentatie niet wordt aangepast?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u voor een derde voorbeeld «man verdient € 35.000; vrouw heeft een bijstandsuitkering; twee kinderen, die bij de vrouw wonen» voorrekenen wat de alimentatienormen voor kinderalimentatie zijn in 2014 en in 2015, waarbij de moeder in een gemeente woont waar er geen verhaal plaatsvindt van de uitkering? Hoe groot is het effect op netto inkomen, in euro’s en procenten, indien de alimentatie wel en indien de alimentatie niet wordt aangepast?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de verwachting dat er veel conflicten zullen zijn als gevolg van de grote wijziging in de kindregelingen en dat het tot veel vragen en procedures kan leiden bij onder andere het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO), bij de rechtelijke macht, bij de (gesubsidieerde) rechtsbijstand en elders?
Zie antwoord op de vragen 16 en 17 van de leden Van Nispen/Siderius van 9 december 2014, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 2055.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgdragen dat het overgrote deel van de aanpassingen in de alimentatie kan plaatsvinden via een eenvoudige standaardrekenregel? Hoe gaat u ervoor zorgdragen dat deze rekenregel in januari 2015 beschikbaar is?
Zie antwoorden hiervoor op de vragen 4 en 5.
Deelt u de mening dat nu het rapport Alimentatienormen 2015 reeds verschenen is, het mogelijk moet zijn om op korte termijn een herzieningstool te maken?
Zie antwoorden hiervoor op de vragen 4 en 5.
Kunt u deze vragen binnen de reguliere termijn van drie weken beantwoorden?
In mijn brief van 12 januari 2015 heb ik uw Kamer te kennen gegeven dat bedoelde Kamervragen voor mij aanleiding waren om in samenspraak met de overige betrokken bewindspersonen de gevolgen van de WHK nader in kaart te brengen, rekening houdend met het rapport van de Expertgroep alimentatienormen en het in de motie Heerma gevraagde advies van de Raad voor de rechtspraak. Daarbij heb ik aangegeven hiervoor enige tijd nodig te hebben. De bedoelde analyse treft u hierbij aan alsmede de beantwoording van de vragen.
Conflicten over kinderalimentatie als gevolg van de Wet hervorming kindregelingen, waardoor een aftrekpost voor betaalde alimentatie per 1 januari 2015 vervalt |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Pieter Heerma (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over conflicten over kinderalimentatie als gevolg van de Wet hervorming kindregelingen, waardoor een aftrekpost, LOK1, voor betaalde alimentatie per 1 januari 2015 vervalt?
Ja.
Herinnert u zich dat u in het plenaire debat over de hervorming van de kindregelingen heeft aangegeven:
Ja.
Op welke wijze komt u de toezegging na over de standaardisering van de aanvraag van wijziging?
De Wet hervorming kindregelingen kan gevolgen hebben voor de hoogte van kinderalimentatie. De Kamervragen zijn gericht op de gevolgen van het afschaffen van de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen (LOK). Dit is één van de wijzigingen die voortvloeit uit de Wet hervorming kindregelingen. Naast het afschaffen van de LOK zijn er ook belangrijke wijzigingen in het kindgebonden budget (met name de invoering van een alleenstaande ouderkop) en de kinderbijslag. Daarnaast worden de alleenstaande-ouderkorting en de ouderschapsverlofkorting afgeschaft. Deze maatregelen kunnen stuk voor stuk effect hebben op de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Draagkracht en behoefte zijn de wettelijke maatstaven voor de bepaling van het voor levensonderhoud verschuldigde bedrag. In het Rapport Alimentatienormen (te vinden op www.rechtspraak.nl)3 zijn aanbevelingen opgenomen voor een uniforme, praktische invulling van deze maatstaven. Dit rapport wordt regelmatig aangepast aan nieuwe ontwikkelingen in regelgeving en jurisprudentie. Naar ik heb vernomen, heeft de expertgroep alimentatienormen bekeken hoe de Wet hervorming kindregelingen tot wijziging van het rapport Alimentatienormen leidt en is conform hieraan het rapport aan het wijzigen. Het rapport zal naar verwachting in de tweede helft van december 2014 worden gepubliceerd.
Over de gevolgen van de Wet hervorming kindregelingen is uitgebreid gecommuniceerd. Zo is er bijvoorbeeld een tool Veranderingen kindregelingen opgenomen op www.rijksoverheid.nl. De gevolgen van de hervorming van de kindregelingen voor de hoogte van kinderalimentatie zijn hierin niet meegenomen. De hoogte van de kinderalimentatiebedragen en de eventuele wijziging daarvan ten gevolge van de Wet hervorming kindregelingen zijn immers afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Ouders kunnen hierover advies inwinnen bij het Juridisch Loket of bij een mediator of advocaat.
Het is belangrijk dat ouders op de hoogte zijn van de mogelijke consequenties van de Wet hervorming kindregelingen. Ouders zullen er daarom via publieksvoorlichting op gewezen worden dat de Wet hervorming kindregelingen van invloed kan zijn op de kinderalimentatie en gewezen worden waar verdere informatie te vinden is.
Herinnert u zich de aangenomen motie van het lid Pieter Heerma van 6 maart 20143, waarin de regering wordt verzocht om de Raad voor de Rechtspraak te vragen te komen met een standaardrekenregel voor de herziening van de alimentatieverplichtingen, ten einde pijnlijke rechtszaken te voorkomen? Deelt u de mening dat de oude alimentatieverplichtingen nog uitgingen van het bestaan van de LOK en dus dikwijls te hoog zijn vastgesteld?
Ja. Bij lopende alimentatieverplichtingen is uitgegaan van de op het moment van vaststelling geldende regelgeving en de op dat moment bestaande feiten en omstandigheden van het betreffende geval, zoals het toenmalige inkomen. Dit in aanmerking nemend kan niet gesteld worden dat de alimentatieverplichtingen toentertijd te hoog zijn vastgesteld. Het bestaan van de LOK is toen ook meegewogen in de alimentatiebepaling. Echter zijn er ook andere factoren meegewogen in de bepaling die de andere kant op kunnen werken, zoals dat de arbeidskorting op dit moment hoger is dan enkele jaren geleden. Dit verhoogt juist de draagkracht van de alimentatieplichtige en zou doen vermoeden dat de alimentatieverplichting op dit moment te laag is vastgesteld.
Dit laat onverlet dat als gevolg van de Wet hervorming kindregelingen wijzigingen in de behoefte of draagkracht kunnen optreden, die vervolgens kunnen leiden tot aanpassing van het kinderalimentatiebedrag.
Welke stappen heeft de regering sinds die aangenomen motie ondernomen om die rekenregel te (laten) vaststellen? Kunt u een tijdlijn geven?
Het verzoek in de motie om te komen tot een standaardrekenregel voor wijziging van het kinderalimentatiebedrag als gevolg van de Wet hervorming kindregelingen is neergelegd bij de Raad voor de rechtspraak. De Raad komt begin volgend jaar met een advies.
Wanneer en waar zal de rekenregel gepubliceerd worden?
Zie antwoord vraag 5.
Wat raadt u een alimentatie betalende ouder aan, die fors koopkrachtverlies leidt door de wijziging in de belastingwetgeving en er niet in slaagt om via een minnelijke weg tot een herziening van de kinderalimentatie te komen met de alimentatie ontvangende ouder? Moet hij of zij een rechtszaak starten, of kan hij of zij wachten op de rekenregel van dit kabinet en van de Raad voor de Rechtspraak?
De Wet hervorming kindregelingen heeft, zoals aangegeven, mogelijk effect op reeds vastgestelde kinderalimentatie. Zoals opgemerkt in het antwoord op vraag 3, zal hierop worden gewezen in de publieksvoorlichting. Het maken van afspraken over kinderalimentatie en het eventueel wijzigen daarvan is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij kunnen daarvoor het Juridisch Loket, een mediator of advocaat inschakelen. Komen de ouders niet tot overeenstemming over wijziging van het alimentatiebedrag, dan kan de rechter verzocht worden de alimentatie aan te passen.
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden, aangezien grote groepen ouders acuut met dit probleem worden geconfronteerd?
Het is helaas niet gelukt om – zoals is verzocht – de vragen binnen twee weken te beantwoorden. Dit omdat interdepartementale afstemming meer tijd heeft gevergd.
Het bericht 'Asschers banenplannen: 200,000 euro per baan |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Asschers banenplannen: 200.000 euro per baan»?1
Ja.
Klopt het dat bij 84% van de 185.000 mensen die tot nu toe «geraakt» worden door de sectorplannen sprake is van coachingsplannen, leerwerkplekken, sollicitatietrainingen of gezondsheidschecks? Indien nee, om hoeveel mensen gaat het dan wel?
In mijn brief van 30 mei jl. (Kamerstuk 33 566, nr. 69) heb ik aangegeven dat met de goedgekeurde plannen in de eerste tranche van de Regeling cofinanciering sectorplannen 185 duizend mensen «geraakt» worden door de maatregelen uit de goedgekeurde plannen.
In dezelfde brief staat in grafiek 2 een overzicht van de maatregelen (zoals van-werk-naar-werk, behoud vakkrachten, scholing, bevorderen instroom en gezondheid op het werk) met de aantallen beoogde deelnemers per maatregel.
Recentelijk heb ik uw kamer geïnformeerd over de stand van zaken tot en met 7 november 2014 (Kamerstuk 33 566, nr. 71). In totaal worden meer dan 300 duizend mensen «geraakt» door de sectorplannen. Dit onder andere met 20.000 extra leerwerkplekken voor jongeren die anders geen plek zouden hebben. Ook worden meer dan 40 duizend mensen die met ontslag worden bedreigd of inmiddels werkloos zijn naar een andere baan begeleid. Er krijgen ongeveer 150.000 mensen bij- en omscholing, zodat werkloosheid kan worden voorkomen of mensen opgeleid kunnen worden voor een ander beroep.
Klopt het dat het aantal écht nieuwe banen binnen de sectorplannen slechts 2120 betreft? Zo ja, hoe beoordeelt u dit aantal? Zo nee, hoe groot is aantal dan wel?
De sectorplannen van sociale partners in de sector of in de regio dragen bij aan het voorkomen van werkloosheid en het verbeteren van het functioneren van de arbeidmarkt, zodat de kansen die er zijn optimaal benut kunnen worden.
Er zijn veel goede voorbeelden te noemen waarbij essentiële vakkrachten worden behouden voor de sector, waarbij mensen omgeschoold worden naar een andere plek met een beter arbeidsmarktperspectief of waarbij jongeren een kans krijgen op de arbeidmarkt doordat extra leerwerkplekken worden gecreëerd.
In bijvoorbeeld het sectorplan Transport en logistiek krijgen 2.000 werkloze ex-werknemers noodzakelijke opleidingen zodat de vakbekwaamheid op peil blijft en waarmee ze direct inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt zodra er vacatures ontstaan.
In de zorg zijn er ongeveer 70 duizend opleidingstrajecten waardoor mensen worden om- en opgeschoold voor ander werk in de sector. Dit kan bijdragen aan het voorkomen van onnodige ontslagen en tegelijkertijd zorgt het voor voldoende aanbod van gekwalificeerd personeel nu en in de toekomst.
In de mobiliteitsbranche worden de komende 2 jaar 2.900 extra BBL plekken gecreëerd om de noodzakelijke groei van de instroom te realiseren en daarmee jongeren een kans te geven op een baan in de sector.
Bent u van mening dat de sectorplannen tot op heden voldoende mensen écht aan het werk hebben gekregen? Zo ja, waarom? Zo nee, had dit doel niet beter bereikt kunnen worden door bijvoorbeeld lastenverlichting?
Sociale partners hebben in het Sociaal Akkoord van 11 april 2013 aangegeven zich in te zetten om op korte termijn een verdere oploop van de werkloosheid te voorkomen. Daarnaast moeten sectorplannen bijdragen aan duurzame inzetbaarheid van werknemers en een betere werking van de arbeidsmarkt binnen en/of tussen sectoren, ook op langere termijn. Dit door mensen geschoold en gezond te houden en waar nodig mobiel te kunnen laten zijn op de arbeidsmarkt.
De goedgekeurde maatregelen in de sectorplannen voldoen naar mijn mening aan deze voorwaarden. Ze helpen om onmisbare vakkrachten te behouden voor de sector, om mensen die hun baan verliezen naar een andere baan te begeleiden en door jongeren een kans te geven op de arbeidsmarkt via een leerwerkplek. Ook wordt door sociale partners stevig ingezet op het geschoold en gezond houden van werknemers.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Pieter Heerma c.s. (Kamerstuk 33 930 XV, nr. 6) met betrekking tot de informatievoorziening ten aanzien van doelen en behaalde resultaten van de sectorplannen?
Per goedgekeurd sectorplan zijn de maatregelen en aantallen toepassingen vastgesteld waarmee sociale partners de knelpunten op de arbeidsmarkt gaan aanpakken. De subsidie wordt verstrekt op basis van deze prestaties. De projecten lopen over het algemeen twee jaar en rapporteren één keer tussentijds en één keer aan het eind over de gerealiseerde aantallen en daarmee bereikte resultaten. Twee maal per jaar (voorjaar en najaar) zal een quick scan worden uitgevoerd om de voortgang van de uitvoering van de sectorplannen te monitoren. Deze quick scans geven een kernachtig en duidelijk beeld van de stand van zaken met betrekking tot de inhoud van de plannen en de voortgang van de realisatie van de vooraf bepaalde doelen.
In 2016 wordt er een (tussen)evaluatie uitgevoerd. In deze evaluatie wordt ingegaan op de vraag in hoeverre de maatregelen zijn gerealiseerd en de gestelde doelen zijn behaald. Ook zal gekeken worden op welke wijze de sectorplannen hebben bijgedragen aan het overbruggen van de crisis en op welke wijze de sectorplannen hebben bijgedragen aan het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt.
De grote zorgen bij bouwondernemers in Overijssel over de grotere inflexibiliteit in de relatie tussen werkgever en werknemer als gevolg van de aangescherpte ketenbepaling in de Wet Werk en Zekerheid |
|
Pieter Heerma (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de grote zorgen die leven bij bouwondernemers in Overijssel over de grotere inflexibiliteit in de relatie tussen werkgever en werknemer als gevolg van de aangescherpte ketenbepaling in de Wet Werk en Zekerheid?1
Ja.
Deelt u de mening van de ondernemers dat de aangescherpte ketenbepaling hen onnodig zal beperken in de mogelijkheid om een arbeidscontract tijdelijk te verlengen, zeker in de specifieke regionale context van een onzeker perspectief op bouwopdrachten en een hoge werkloosheid onder bouwvakkers?
Nee, ik deel die mening niet als het gaat om de kwalificatie «onnodig». De maatregelen in de Wet werk en zekerheid (Wwz) zijn erop gericht te komen tot een nieuw evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid op de arbeidsmarkt en om het gat in bescherming tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde en onbepaalde tijd te verkleinen. De gedachte achter de ketenbepaling is dat na een periode van tijdelijke contracten een vast contract dient te ontstaan. Met de Wwz wordt de maximale termijn van de ketenbepaling verkort van drie naar twee jaar. Wat betreft de lengte van de periode waarin tijdelijke contracten kunnen worden aangegaan, worden werkgevers door deze maatregel inderdaad beperkt in hun mogelijkheden. Datzelfde geldt door het verlengen (van drie naar zes maanden) van de zogenoemde tussenpoos waardoor er eerder sprake zal zijn van opeenvolgende contracten in de zin van de ketenbepaling. Deze wijzigingen beschouw ik echter niet als onnodig, maar als noodzakelijk om werknemers met tijdelijke contracten eerder de zekerheid te bieden van een vast contract en omzeiling van de ketenbepaling tegen te gaan. De afgelopen jaren is immers gebleken dat steeds meer mensen langdurig en onvrijwillig door één en dezelfde werkgever op flexibele contracten worden ingeschakeld, waar het in feite om structurele werkzaamheden gaat. Ook uit de berichtgeving op RTV Oost blijkt dat bouwbedrijven werknemers waar zij overigens een goede relatie mee hebben, desondanks langer op flexibele basis willen inhuren. Daarmee wordt het normale ondernemersrisico in feite afgewenteld op de betreffende werknemers en dat acht ik ongewenst.
Voor de volledigheid wil ik er op wijzen dat in de Wwz is geregeld dat bij het eindigen van tijdelijke contracten van zes maanden of langer een wettelijke aanzegtermijn van één maand gaat gelden. De aanzegtermijn geldt niet bij een tijdelijk contract van vier maanden, zoals in het item bij RTV Oost werd vermeld.
Bereiken u meer signalen over verwachte negatieve effecten van de aangescherpte ketenbepaling? Bent u bereid om de ingangsdatum voor deze maatregel met een jaar uit te stellen van 1 juli 2015 naar 1 juli 2016, zodat de flexibiliteit in elk geval het komende jaar nog is gewaarborgd?
Bij de behandeling van de Wwz heb ik uitgebreid met uw Kamer van gedachten gewisseld over de mogelijke consequenties van de wijziging van de ketenbepaling. Daarbij is ook stil gestaan bij het moment van invoering van deze maatregel. Bij amendement van de leden Van Nieuwenhuizen-Wybenga en Van Weyenberg2 is de wijziging van de ketenbepaling met één jaar uitgesteld tot 1 juli 2015. Uit de toelichting bij dit amendement blijkt dat de Tweede Kamer dit uitstel noodzakelijk vond, omdat per die datum het ontslagrecht wordt hervormd waarmee het vaste contract aantrekkelijker wordt, wat leidt tot een nieuwe dynamiek op de arbeidsmarkt. Dit zal de kans vergroten dat werknemers een vast contract krijgen na het derde contract dan wel na afloop van de periode van twee jaar. Door dit amendement vindt de wijziging van de ketenbepaling gelijktijdig plaats met de wijziging van het ontslagrecht per 1 juli 2015. Verder geldt op grond van het overgangsrecht dat bestaande cao’s die een ruimere dan de wettelijke regeling kennen, van toepassing blijven tot 1 juli 2016, zodat ook om die reden uitstel van de maatregel niet noodzakelijk is.
Bent u bereid om in gebieden en/of sectoren met een hoge werkloosheid de ketenbepaling op te rekken, zodat er voor een langere achtereengesloten periode tijdelijke contracten kunnen worden afgesloten?
Nee, daar ben ik niet toe bereid, zo dat al mogelijk zou zijn, wat niet het geval is, en verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen 2 en 3.
Bent u bereid om de mogelijkheid te creëren voor een meerjarig tweede contract, waarbij de maximale termijn van twee jaar flexwerk vervalt indien de werkgever een tweede contract aanbiedt voor een periode van twee tot vijf jaar? Kunt u aangeven wat de uitkomsten zijn van het onderzoek naar de voor- en nadelen van een meerjarig tweede contract alsmede het overleg hierover met sociale partners, zoals bepleit in de motie-Voortman/Pieter Heerma (Kamerstuk 33 818, nr. 41)?
Voor de behandeling van de begroting van SZW zal ik de uitkomsten van het onderzoek naar de voor- en nadelen van een meerjarig tweede contract alsmede de uitkomst van het overleg hierover met sociale partners aan uw Kamer zenden.
De onrust tijdens de IS-betoging in Den Haag |
|
Peter Oskam (CDA), Pieter Heerma (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat een demonstratie tegen de gruwelijkheden van terreurorganisatie IS d.d. 10 augustus jl. in Den Haag is verstoord door tegendemonstranten?
Ja.
Deelt u de mening dat de verstoring in Den Haag zorgelijker is, nu blijkt dat de tegendemonstranten openlijk sympathiseerden met de terreurbeweging IS, die zich momenteel schuldig maakt aan genocide tegen christenen en yezidi’s in Noord-Irak?
Het kabinet verwerpt het gedachtengoed en de werkwijze van IS. Grondrechten zoals vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en recht van demonstreren, vormen een groot goed in ons land en verdienen zowel een krachtige als zorgvuldige bescherming. Deze grondrechten zijn begrensd als ze uitmonden in geweld, haatzaaien of discriminatie. Ieder mens moet zich in Nederland veilig en gerespecteerd voelen. Extremisme van wie dan ook vormt een bedreiging van onze rechtsstaat die hard wordt aangepakt door het Kabinet. Het is goed invoelbaar dat mensen in Nederland uiting geven aan zorgen, verdriet en woede over wat elders in de wereld gebeurt. We zijn er echter met elkaar voor verantwoordelijk dat conflicten die zich elders in de wereld afspelen niet leiden tot oplopende spanningen en conflicten tussen bevolkingsgroepen in onze Nederlandse samenleving en dat wij elkaar met wederzijds respect tegemoet blijven treden.
Klopt het dat de tegendemonstranten islamitische jongeren waren en deelt u de mening dat hun gedrag tijdens de demonstratie absoluut ontoelaatbaar is en bestraft dient te worden?
Een groep van ongeveer tweehonderd mensen, waaronder islamitische jongeren wilden de zogeheten Mars van de Vrijheid, georganiseerd door Pro Patria, blokkeren.
Zie verder antwoord 2.
Hoeveel tegendemonstranten waren aanwezig bij de IS-demonstratie, hoeveel verdachten zijn er inmiddels opgepakt door de politie en wat wordt hen ten laste gelegd?
Zie het antwoord op vraag 3 van de leden Van Klaveren en Bontes over een demonstratie in de Schilderswijk (nr. 2014Z13954, ingezonden 11 augustus 2014)
Bent u van mening dat de gemeente Den Haag en de landelijke overheden voldoende grip hebben op de islamitische bewoners in de Haagse Schilderswijk die er klaarblijkelijk zeer kwalijke denkbeelden over de terreurorganisatie IS op nahouden?
Zie antwoord op vraag 2.
Wat is de rol van het kabinet voorts in het voorkomen van verdere demonstraties en gewelddadigheden van aanhangers van IS in Nederland?
Het recht om een bijeenkomst te organiseren is vastgelegd in de Grondwet en in internationale verdragen. Op basis van de Wet openbare manifestaties (WOM) kan de burgemeester vooraf voorschriften en beperkingen stellen aan een demonstratie, en de nodige veiligheidsmaatregelen treffen zodat de betoging ordelijk en vreedzaam verloopt. Deze bevoegdheden mag hij slechts aanwenden ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Het is de burgemeester op grond van de WOM niet toegestaan een demonstratie te verbieden of tegen te gaan omdat de betoging naar zijn inhoud of doelstelling, of vanwege de inhoud van de mee te voeren leuzen, ongewenst wordt geacht. De burgemeester heeft ook geen bevoegdheid tegen een demonstratie op te treden enkel ter voorkoming of beëindiging van strafbare feiten, aangezien het enkele feit dat iemand de strafwet overtreedt geen wanordelijkheid is in de zin van de WOM. De burgemeester, die het gezag heeft over de politie als het de handhaving van de openbare orde betreft, kan ingrijpen als sprake is van zodanige (strafbare) feiten dat (tevens) sprake is van (vrees voor) wanordelijkheden. In andere gevallen kunnen individuele demonstranten die de strafwet overtreden strafrechtelijk worden aangepakt en eventueel worden gearresteerd op grond van het strafrecht, maar dat moet dan de betoging onverlet laten.
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft het gezag over de politie als het de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betreft. Als tijdens een demonstratie bijvoorbeeld belediging van personen, opruiing tot geweld of haatzaaien tegen dan wel discriminatie van bevolkingsgroepen wordt geconstateerd, kan de politie optreden. Het is aan het Openbaar Ministerie om de strafbaarheid van deze handelingen te boordelen. Deze beoordeling kan plaatsvinden tijdens of na het voordoen van het incident.
Kunt u een overzicht geven van de incidenten die zich tot nu toe hebben voorgedaan tijdens demonstraties (pro-Gaza, anti-IS) die deze zomer zijn gehouden, alsmede van de stand van zaken van de strafrechtelijke stappen die daarna zijn genomen tegen hen die deze demonstraties wilden verstoren door zowel fysiek als verbaal hun sympathie met IS te tonen?
Het Openbaar Ministerie is niet op de hoogte gesteld van incidenten – anders dan die in Den Haag – tijdens demonstraties.
De doorstart van het kinderdagverblijf Estro |
|
Pieter Heerma (CDA), Peter Oskam (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat het investeringsbedrijf HIG, één van de eigenaren van het failliete kinderdagverblijf Estro, de doorstart van het bedrijf, in overleg met de directie, zelf heeft voorbereid en in feite met zichzelf een miljoendeal heeft afgesloten?1
Op 22 juli jl. heeft mr. W.J.P. Jongepier, de curator in het faillissement van de Estro Groep B.V., Estro Kinderopvang B.V. en Estro Services B.V. (hierna kort gezegd: créchebedrijf Estro) een faillissementsverslag uitgebracht.2 Daarin doet hij verslag van zijn bevindingen en van zijn handelen in zijn rol als «stille bewindvoerder» in de weken voorafgaand aan het faillissement. Uit het verslag blijkt dat het bestuur van crèchebedrijf Estro eind vorig jaar concludeerde dat de onderneming in ernstige financiële problemen dreigde te raken. Om de financiële problemen op te kunnen lossen werd aanvankelijk aan de hand van verschillende scenario’s gezocht naar additionele financiering. Toen geen enkele partij bereid bleek te zijn deze additionele financiering te verstrekken en een faillissement niet langer te vermijden was, heeft het bestuur van het crèchebedrijf zich ingezet voor een verkoop en daarop volgende doorstart van een belangrijk deel van het crèchebedrijf uit faillissement. In dit kader verzocht het bestuur de rechtbank om de aanwijzing van een «stille bewindvoerder», waarna de rechtbank besloot mr. Jongepier aan te wijzen. Deze kreeg tot opdracht het faillissement voor te bereiden en kennis te nemen van de onderhandelingen die werden gevoerd ten behoeve van een mogelijke doorstart.
Zoals mr. Jongepier in zijn verslag beschrijft was investeringsbedrijf HIG in het verkoopproces lange tijd als enige overnamekandidaat in beeld. Gelet op het feit dat HIG daarnaast ook de belangrijkste financier en voornaamste eigenaar (dat wil zeggen; de belangrijkste aandeelhouder) was van crèchebedrijf Estro, concludeert mr. Jongepier in zijn verslag dat HIG in zekere zin met zichzelf onderhandelde. Omdat een verkoopproces en in het bijzonder het realiseren van het meest gunstige verkoopresultaat er over het algemeen bij gebaat is wanneer er meerdere met elkaar concurrerende potentiële overnamekandidaten zijn, werden er op aandringen van mr. Jongepier nog twee andere potentiële overnamekandidaten benaderd. Deze haakten echter af nog voordat een bieding werd gedaan. Vervolgens werd ook nog een ander investeringsbedrijf en oud-financier van Estro (KKR & Co. L.P.) benaderd. Deze deed een bieding die volgens mr. Jongepier als verdedigbaar kon worden beschouwd. Investeringsbedrijf HIG overtrof deze bieding, zodat mr. Jongepier in zijn rol als curator in het faillissement op de dag van de faillietverklaring van crèchebedrijf Estro met deze partij een overeenkomst kon sluiten – waarbij een belangrijk deel van de onderneming werd verkocht en een doorstart kon worden gerealiseerd – die naar zijn overtuiging:
«(i) Een goede koopsom bevat voor het overgenomen deel van de activa en goodwill van Estro groep;
(ii) Voor alle crediteuren verre te verkiezen is boven een «gewoon» faillissement;
(iii)De minst slechte oplossing biedt aan ouders, werknemers en alle andere bij Estro groep betrokken partijen.»
Hoe beoordeelt u de wijze waarop de betreffende doorstart heeft plaatsgevonden?
Voorop gesteld moet worden dat het als Ministers van Veiligheid en Justitie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet aan ons is om deze specifieke praktijksituatie te beoordelen. Deze taak is voorbehouden aan de rechter mocht hij hierom worden gevraagd. In algemene zin kunnen wij wel het volgende zeggen over het proces dat heeft geleid tot de doorstart.
In de aanloop van het faillissement van crèchebedrijf Estro is gebruik gemaakt van een rechtens aanvaarde praktijk die inmiddels door acht van de elf rechtbanken wordt toegepast. Deze praktijk wordt in navolging van een Engelse regeling waarmee deze enige gelijkenissen vertoont ook wel aangeduid met de term «pre-pack». Zij houdt – kort gezegd – in dat de rechtbank, op verzoek van een onderneming die in ernstige financiële problemen verkeert, al voor een mogelijke faillietverklaring in stilte aanwijst wie als curator en rechter-commissaris zullen worden aangesteld mocht het daadwerkelijk tot een faillissement komen. Bedoeling daarbij is de onderneming de gelegenheid te geven het aanstaande faillissement in relatieve rust, onder het toeziend oog van de toekomstig curator (in de praktijk ook wel «stille bewindvoerder» genoemd), voor te bereiden zodat de schade bij crediteuren, werknemers en andere betrokkenen zoveel mogelijk beperkt kan worden en de kansen op een verkoop en daarop volgende doorstart van rendabele bedrijfsonderdelen tegen een maximale opbrengst worden vergroot. Inmiddels is een wetsvoorstel in voorbereiding waarin ten behoeve van de rechtszekerheid de «pre-pack» een uitdrukkelijke grondslag in de wet wordt geboden. Dit wetsvoorstel (voor de zgn. Wet continuïteit ondernemingen I) is onlangs voor advies naar de afdeling Advisering van de Raad van State gezonden.
Het verslag van mr. Jongepier geeft een goed beeld van het proces dat heeft plaatsgevonden in de fase voorafgaand aan de faillietverklaring en heeft geleid tot de doorstart. Ook blijkt hieruit goed welke afwegingen er door mr. Jongepier zijn gemaakt toen hij besloot als «stille bewindvoerder» betrokken te blijven bij het onderhandelingsproces en toen hij later in zijn rol van curator in het faillissement van crèchebedrijf Estro besloot het overnamebod van investeringsbedrijf HIG te accepteren. Zo beschrijft mr. Jongepier in het verslag dat hij aanvankelijk enige bedenkingen had bij het verkoopproces zoals dat door het bestuur van het crèchebedrijf in gang was gezet, maar dat na enige bijsturing toch een verkoop van een belangrijk deel van de onderneming tegen aanvaardbare voorwaarden gerealiseerd kon worden. De doorstart van crèchebedrijf Estro heeft ertoe geleid dat een groot aantal kinderopvang locaties en veel werkgelegenheid behouden kon blijven en dat de schuldenlast aanzienlijk kon worden beperkt. Zou het faillissement niet zijn voorbereid en zou er geen doorstart plaats hebben kunnen vinden, dan zou volgens de curator de werkgelegenheid van alle personeelsleden en de belangen van de ouders en de kinderen die gebruik maakten van de diensten van crèchebedrijf Estro onmiddellijk in het geding zijn geweest.
Geeft de gang van zaken rondom de doorstart van Estro aanleiding om de directie, alsmede het investeringsbedrijf HIG, aansprakelijk te stellen?
De beantwoording van deze vraag is aan de curator in het faillissement van crèchebedrijf Estro. Het is aan hem om te beoordelen of er aanwijzingen zijn dat de bestuurders zich in de aanloop naar het faillissement schuldig hebben gemaakt aan wanbeleid. Indien hiervan sprake is dan zou dit kunnen leiden tot aansprakelijkheid van de bestuurders voor de schade die als gevolg daarvan is ontstaan (vlg. artikelen 2:138 of 248 BW). In de toekomst – na inwerkingtreding van de aangekondigde nieuwe regeling betreffende het civielrechtelijk bestuursverbod – zou dit gedrag ook kunnen uitmonden in de oplegging van een civielrechtelijk bestuursverbod aan de bestuurders of feitelijk leidinggevenden van de onderneming.3
Is HIG de afgelopen twee jaar in meer Nederlandse faillissementszaken betrokken geweest? Indien dit het geval is, kunt u aangeven in welke?
Nee, dit is ons niet bekend.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de aangekondigde wetsvoorstellen die onderdeel uitmaken van het Wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht, waarin onder meer de stille bewindvoering een plaats krijgt?
Over de voortgang van alle wetsvoorstellen die in het kader van het programma herijking van het faillissementsrecht worden voorbereid – waaronder het wetsvoorstel inzake de Wet continuïteit ondernemingen I – bent u onlangs geïnformeerd in de voortgangsbrief van 15 juli jl.4
Welke nadelen kleven aan het voeren van een stille bewindvoering voor de positie van respectievelijk concurrerende bedrijven en schuldeisers?
Crediteuren hebben doorgaans juist baat bij de hiervoor beschreven «pre-pack»-praktijk. Het doel van de aanwijzing van de toekomstig curator is immers om de schade bij crediteuren en werknemers als gevolg van een eventueel faillissement zoveel mogelijk te beperken en om de kansen op een verkoop – tegen een zo een hoog mogelijke prijs – en een daarop volgende doorstart van rendabele bedrijfsonderdelen te vergroten. Het resultaat dat wordt beoogd is een hogere boedelopbrengst ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren in het faillissement en behoud van zoveel mogelijk werkgelegenheid. In zijn verslag geeft mr. Jongepier ook aan wat de meeropbrengst voor de boedel is geweest bij het Estro faillissement. Wordt een hogere boedelopbrengst gerealiseerd dan hebben de individuele crediteuren een grotere kans dat in ieder geval een deel van hun vordering in faillissement zal kunnen worden voldaan.
Een bezwaar dat wel naar voren is gebracht tegen doorstarts na faillissement is dat het concurrentievervalsend zou werken. Dit omdat de koper/»doorstarter» de afgeslankte onderneming relatief «goedkoop» in handen zou krijgen en bij de voortzetting van de onderneming vervolgens zou kunnen genieten van een kostenvoordeel. Bij een via de «pre-pack»-praktijk onder het toeziend oog van de beoogd curator en de beoogd rechter-commissaris voorbereide verkoop en daarop opvolgende doorstart is het risico hierop echter kleiner dan bij een «klassieke doorstart» uit faillissement. Dit komt omdat bij de verkoop van de bedrijfsonderdelen bij de koper een aanzienlijk betere prijs kan worden bedongen. De koper/«doorstarter» zal dus meer moeten investeren, wil hij de bedrijfsonderdelen overnemen. Wanneer de aankoopprijs hoger is, hebben de concurrerende ondernemingen minder «last» van de doorstart.
De eerder genoemde Wet continuïteit ondernemingen I zal de positie van crediteuren, werknemers en andere betrokkenen in «pre-pack»-trajecten nog verbeteren. In die wet zullen de rol en de taken en bevoegdheden van de toekomstig curator en rechter-commissaris in de stille fase voorafgaand aan het faillissement worden vastgelegd. Ten aanzien van de toekomstig curator zal worden bepaald dat hij in de «stille voorbereidingsfase» voorafgaand aan de faillietverklaring – net als in faillissement – tot taak heeft de belangen van de crediteuren (waaronder ook de werknemers) te behartigen. Ook zal in de wet worden bepaald hoe de toekomstig curator over de vervulling van die taak verantwoording aflegt aan de toekomstig rechter-commissaris, die toezicht op hem houdt, en na afloop van het voorbereidingstraject ook aan derden door middel van het uitbrengen van een eindverslag. Hierin zal hij in ieder geval moeten ingaan op:
De informatieverstrekking naar betrokkenen vindt weliswaar achteraf plaats, maar daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat het hierboven beschreven resultaat alleen bereikt kan worden wanneer het treffen van de daarvoor benodigde voorbereidingen in stilte kan plaatsvinden. Zodra bekend wordt dat een onderneming zich in financiële moeilijkheden bevindt en een faillissement aanstaande is, zal de onderneming zeer waarschijnlijk te maken krijgen met een onbeheersbare situatie die bij een «klassiek» onvoorbereid faillissement vrijwel altijd optreedt; financiers gaan over tot het uitwinnen van zekerheden, leveranciers weigeren nog langer te leveren, werknemers gaan op zoek naar een andere baan en klanten verliezen het vertrouwen. Dit kan ertoe leiden dat de onderneming vrijwel tot stilstand komt en dat de nog rendabele bedrijfsonderdelen in korte tijd veel van hun waarde en potentiële rendement verliezen. Deze situatie zou een verkoop van bedrijfsonderdelen tegen een zo hoog mogelijke verkoopprijs, en een daarop volgende doorstart met behoud van zoveel mogelijk werkgelegenheid, illusoir maken en daarmee leiden tot een uitkomst met vooral verliezers. In het geval van kinderopvang speelt daarnaast ook het maatschappelijk belang van de dienstverlening aan ouders en kinderen. Dit laatste is een zeer relevant element geweest in de afwegingen die mr. Jongepier heeft gemaakt toen hij (ondanks zijn aanvankelijke bedenkingen) besloot als «stille bewindvoerder» betrokken te blijven bij het onderhandelingsproces en toen hij later in zijn rol van curator in het faillissement van crèchebedrijf Estro besloot het overnamebod van investeringsbedrijf HIG te accepteren. Het via de «pre-pack» praktijk tot stand gekomen overnamebod van investeringsbedrijf HIG was naar het oordeel van mr. Jongepier een begaanbare en verdedigbare oplossing met een voor alle betrokken partijen minst negatieve uitkomst.
Het bericht van de Inspectie SZW dat in de sector zorg en welzijn 50% van het arbeidsgerelateerde ziekteverzuim wordt veroorzaakt door psychosociale arbeidsbelasting |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het nieuwsbericht van de Inspectie SZW dat in de sector zorg en welzijn 50% van het arbeidsgerelateerde ziekteverzuim wordt veroorzaakt door psychosociale arbeidsbelasting? 1
Ja.
Is het u bekend dat er zelfstandigen in de zorg zijn met een burn-out, veroorzaakt door psychosociale arbeidsbelasting, die geen aanspraak kunnen maken op hun arbeidsongeschiktheidsuitkering, omdat de verzekeraar een burn-out niet beschouwt als een medische oorzaak?2
Private verzekeraars bepalen zelf de polisvoorwaarden voor de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die zij aanbieden. Tot die polisvoorwaarden behoort ook de definitie van het verzekerd risico. De gangbare definitie van arbeidsongeschiktheid bij de reguliere private arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) is: «van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien in relatie tot ziekte of ongeval objectief medische stoornissen bestaan waardoor de verzekerde beperkt is in zijn functioneren». Onder deze definitie vallen zowel fysieke als psychische aandoeningen. Psychische aandoeningen, bijvoorbeeld vanwege een depressie of een burn-out, zijn dan ook niet uitgesloten van deze definitie.
Dit laat onverlet dat het mogelijk is dat verzekeraars in bepaalde situaties geen uitkering toekennen, omdat er in het individuele geval geen sprake is van een objectief medisch vast te stellen stoornis. Ik heb echter geen signalen dat een burn-out in zijn algemeenheid niet onder deze definitie zou vallen en niet als een medische aandoening wordt beschouwd. Evenmin heb ik signalen dat in AOV’en een burn-out een standaarduitsluiting is. Naast reguliere AOV’en worden door verzekeraars (budget)verzekeringen aangeboden met beperktere polisvoorwaarden, een beperktere dekking en een lagere prijs dan de reguliere AOV’en. Het is mij bekend dat in dergelijke budgetverzekeringen klachten die samenhangen met een burn-out soms worden uitgesloten.
Wat vindt u van deze ontwikkeling? Deelt u de mening dat het niet zo kan zijn dat het onverhoopt krijgen van een burn-out niet te verzekeren valt?
Uit het vorenstaande antwoord blijkt dat een burn-out niet is uitgesloten van een reguliere AOV. Ik heb dan ook geen reden om te veronderstellen dat een burn-out niet te verzekeren valt.
Bent u bereid onderzoek te doen naar het aantal zelfstandigen, zowel in als buiten de zorgsector, dat zich niet kan verzekeren tegen het krijgen van een burn-out?
In individuele gevallen zal het voorkomen dat er door de verzekeraar geen uitkering wordt verstrekt ingeval van een burn-out, bijvoorbeeld omdat er geen sprake is van een objectieve medische aandoening of omdat er een budgetverzekering is afgesloten. Blijkens mijn vorenstaande antwoorden heb ik echter geen reden om te veronderstellen dat een burn-out in zijn algemeenheid niet te verzekeren is. Ik zie dan ook geen aanleiding om onderzoek te doen naar het aantal zelfstandigen dat zich niet kan verzekeren tegen het krijgen van een burn-out. Evenmin zie ik hierin aanleiding tot het treffen van maatregelen.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat mensen zich niet meer kunnen verzekeren tegen een ziekte die veroorzaakt wordt door een psychosociale arbeidsbelasting, zoals een burn-out?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'Duitsland mag EU-burgers uitkering weigeren' |
|
Malik Azmani (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duitsland mag EU-burgers uitkering weigeren»?1
Ja
Welke gevolgen heeft deze uitspraak van het Europees Hof voor de opdracht van de Kamer aan u (motie Azmani/Hamer2) om ervoor te zorgen dat ook in Nederland werkzoekende burgers uit andere landen van de Europese Unie een bijstandsuitkering geweigerd kan worden?
Voor de goede orde wijs ik erop dat het hier geen uitspraak van het Europees Hof betreft, maar een conclusie van de advocaat-generaal bij dat Hof. Op dit moment is nog niet bekend wat de uitspraak van het Hof zal zijn. De onderhavige zaak heeft overigens geen betrekking op een werkzoekende, maar op een economisch niet actieve persoon.
Voor wat betreft werkzoekende burgers uit andere landen van de Europese Unie geldt in Nederland al dat zij geen recht hebben op bijstand. In dit verband verwijs ik naar mijn brieven d.d. 28 maart 2013 (Kamerstukken II 2012/13, 30 545, nr. 118) en 10 juli 2013 (Kamerstukken II 2012/13, 29 407, nr. 172) aan uw Kamer. Een wetsvoorstel is hiervoor dus niet nodig.
Wanneer bent u van plan met een wetsvoorstel te komen om dit mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid ervaringen uit te wisselen met uw Duitse, en wellicht ook Belgische, collega om te zien hoe uitkeringstoerisme effectief bestreden kan worden?
Met een aantal EU-lidstaten, waaronder Duitsland en België, vindt regelmatig overleg plaats. Het onderwerp uitkeringstoerisme staat ook op de agenda, indien daar aanleiding toe is.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat België op dit moment akkoord gaat met het feit dat kranten 0% btw in rekening brengen op hun digitale abonnementen?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat Luxemburg 3% btw in rekening brengt op digitale kranten en boeken sinds 1/1/2012 en daarmee een bedrijf als Amazon binnengetrokken heeft dat al haar digitale boeken in de EU nu via Luxemburg verkoopt?
Ja, ik heb kennis genomen van het feit dat Luxemburg 3% btw in rekening brengt op digitale kranten en boeken sinds 1 januari 2012. Ook is bekend dat bedrijven als Amazon zich in het verleden in Luxemburg hebben gevestigd. Of het verlaagde btw-tarief op digitale kranten en boeken de enige reden is voor die bedrijfsbeslissing kan ik niet beoordelen.
Heeft u er ook kennis van genomen dat de EU Luxemburg wel voor het Hof in Luxemburg gesleept heeft, maar dat Luxemburg ondertussen gewoon doorgaat met het in rekening brengen van 3% btw op e-boeken en e-kranten?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat Frankrijk de btw op e-boeken verlaagde naar 7% en vervolgens naar 5,5%, ondanks een infractieprocedure?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat Frankrijk de btw op alle online media recentelijk zelfs verlaagd heeft tot 2,1%?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat als een uitgever zijn krant of boeken nu vanuit bijvoorbeeld Luxemburg laat uitgeven, hij dan 3% btw in rekening kan brengen aan Nederlandse klanten in plaats van de 21% btw die hij nu in rekening moet brengen op e-kranten?
Ik ga er vanuit dat wordt gedoeld op het aanbieden van een digitale krant vanuit een server in Luxemburg. Het downloaden daarvan kwalificeert voor de btw als een elektronische dienst. Het gegeven voorbeeld klopt onder deze aanname nu nog wel, maar vanaf 1 januari 2015 niet meer.
Waar de elektronische dienst belast wordt, is namelijk afhankelijk van de regels op grond waarvan wordt bepaald waar de dienst voor de heffing van btw wordt geacht te zijn verricht. De plaats van dienst hangt volgens de huidige hoofdregel af van de hoedanigheid van de afnemer. Is de afnemer een ondernemer voor de btw, dan is de plaats van dienst – en dus van btw-heffing – de plaats (de lidstaat) waar de afnemende ondernemer de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft. In het gegeven voorbeeld is dit Nederland, zodat in dat geval het Nederlandse btw-tarief van toepassing is. Omdat de btw-richtlijn geen verlaagd btw-tarief op elektronische diensten toestaat, is het algemene Nederlandse btw-tarief van toepassing.
Neemt een ander dan een ondernemer (bijvoorbeeld een particuliere consument) de langs elektronische weg verrichte dienst af, dan is deze dienst belast op de plaats waar de dienstverrichter gevestigd is dan wel een vaste inrichting heeft van waaruit de dienst wordt verricht. In het gegeven voorbeeld is dit Luxemburg, waar vervolgens in strijd met de btw-richtlijn een verlaagd btw-tarief op die dienst wordt toegepast.
Met ingang van 1 januari 2015 kent de Europese btw-regelgeving nog maar één regel voor het bepalen van de plaats van dienst van een telecommunicatie-, omroep- of elektronische dienst. Genoemde diensten zijn dan altijd belast in het land waar de afnemer woont of is gevestigd. Daarbij maakt het niet uit of die afnemer een belastingplichtige btw-ondernemer of niet-belastingplichtige (veelal particuliere consument) is noch waar de dienstverrichter zelf is gevestigd. In het gegeven voorbeeld is dan altijd Nederlandse btw verschuldigd, ondanks dat de onderneming die de dienst verricht in Luxemburg is gevestigd.
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van de Duitse regering, waarin deze zich voorstander verklaart van het lage tarief op e-boeken?2
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat er al tijden een prejudiciële vraag bij het Europees Hof in Luxemburg ligt, die zou kunnen leiden tot een gelijkstelling van het btw-tarief op e-boeken met dat op boeken (zaak HvJ EU 22 april 2013, zaak C-219/13 (K Oy)), omdat in die zaak terecht gesteld wordt dat boeken en e-boeken in essentie gelijk zijn maar dat een verschillende informatiedrager gebruikt wordt en dat er dus geen verschil zou moeten zijn in het btw-tarief?
Ik ben bekend met de bij het Europese Hof van Justitie aanhangige procedure. Op 14 mei 2014 heeft de Advocaat-Generaal van het Europese Hof van Justitie geconcludeerd in deze zaak. Het geschilpunt is of een verschillende behandeling is toegestaan van de levering van goederen die deel uitmaken van dezelfde tariefpost in de btw-richtlijn (hier: «de levering van boeken, op alle fysieke dragers,[...]»). Meer specifiek gaat het over luisterboeken en andere boeken, die op andere fysieke dragers dan papier zijn opgeslagen en de geschreven tekst van een gedrukt boek weergeven. In Nederland geldt het verlaagde btw-tarief nu al voor alle boeken, ongeacht de fysieke drager waarop zij zijn opgeslagen. In dat opzicht is de beantwoording van de onderhavige prejudiciële vraag voor de Nederlandse tarieftoepassing dan ook niet van belang. Voor de volledigheid merk ik nog op dat het btw-tarief op het downloaden van e-boeken niet ter discussie staat in de zaak «K Oy».
Heeft u wegen om met andere EU-landen aan te dringen op een snelle beantwoording van die vraag, omdat dat zou kunnen leiden tot een eind in deze lang slepende impasse?
Zie antwoord vraag 8.
Herinnert u zich de aangenomen motie-Peters (Kamerstuk 32 827, nr. 36) die de regering in 2012 opriep om zich in Europa sterk te maken voor een EU-breed laag btw-tarief voor digitale nieuwsproducten en boeken?
Ja.
Welke acties heeft Nederland ondernomen in de EU sinds de motie-Peters, zoals het agenderen op een Ecofin Raad, het organiseren van een conferentie, bilateraal overleg of andere acties?
Zowel vóór als na de motie-Peters heeft Nederland zich ingespannen om de mogelijkheid van een gelijke behandeling van fysieke en digitale producten te bewerkstelligen. Bijvoorbeeld in de Nederlandse reactie op het Groenboek dat de Europese Commissie in 2010 uitbracht over modernisering van de btw.3 In deze reactie is onder andere aangegeven om de discussie over inconsistentie in de tariefindeling, zoals de toepassing van het verlaagde btw-tarief op drukwerk en van het algemene btw-tarief op e-boeken, niet uit de weg te gaan. Op 6 december 2011 volgde op het Groenboek een mededeling van de Europese Commissie waarin onder andere een herziening van de tariefstructuur wordt overwogen.4
Van Nederlandse zijde is richting de Franse overheid herhaaldelijk steun uitgesproken voor de Franse inzet om in de EU een verlaagd btw-tarief mogelijk te maken voor digitale boeken en kranten. Deze steunbetuiging is voorts neergelegd in een brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Europese Commissie. Daarbij is de wens benadrukt om de (tarief)inconsistentie en concurrentieverstoring tussen digitale boeken en kranten, en boeken en kranten op alle soorten fysieke dragers weg te nemen.
Daarnaast heeft Nederland ook in diverse gremia op (hoog) ambtelijk niveau steun gegeven aan het grondbeginsel dat vergelijkbare goederen en diensten onderworpen moeten zijn aan hetzelfde btw-tarief. Deze inspanningen, samen met gelijkgestemde lidstaten, mondden uit in één van de conclusies van de Europese Raad van 24 en 25 oktober 2013 waarin de Europese Commissie wordt aangespoord «in haar lopende btw-evaluatie [....] ook aangelegenheden aan de orde [te] stellen die specifiek zijn voor de digitale economie, zoals gedifferentieerde belastingtarieven voor digitale en fysieke producten.»5
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat e-boeken, digitaal nieuws en luisterboeken eindelijk onder het verlaagde tarief gaan vallen onder EU-recht en dat iedereen dan ook datzelfde lage btw-percentage hanteert?
Zoals aangegeven is reeds voorzien dat vanaf 1 januari 2015 het leveren van e-boeken en andere langs elektronische weg verrichtte diensten in alle gevallen belast wordt tegen het btw-tarief van de lidstaat van de afnemer. Van een ongelijke behandeling door deze diensten vanuit een andere lidstaat (met een lager btw-tarief) aan te kopen, zal dan niet langer sprake zijn. Dit neemt niet weg dat dan nog steeds geen gelijke behandeling (verlaagd btw-tarief) mogelijk is van fysieke en digitale producten onderling. Daarvoor is nieuwe Europese regelgeving vereist. De komende evaluatie van de Europese Commissie biedt hiervoor het aangrijpingspunt. Nederland zal zich in dat kader er voor inzetten dat, wanneer de Europese Commissie een voorstel voor eventuele aanpassing van de btw-richtlijn met betrekking tot digitale producten doet, een prioritaire behandeling wordt nagestreefd door de lidstaten.
Wat betreft de in deze vraag vervatte wens voor eenzelfde verlaagd btw-taref voor iedereen die e-boeken, digitaal nieuws en luisterboeken levert nog het volgende. Het verlaagde btw-tarief voor boeken, op alle fysieke dragers, kranten en tijdschriften is een zogenoemde kanbepaling in de btw-richtlijn. Dit betekent dat een lidstaat kan kiezen om al dan niet het verlaagde btw-tarief toe te passen. De hoogte van de btw-tarieven is, binnen bepaalde marges, eveneens aan de lidstaten om te bepalen. Het al dan niet dwingend voorschrijven van een verlaagd btw-tarief op een bepaalde categorie goederen of diensten, eventueel gekoppeld aan een minimum- of maximumtarief, is aan de lidstaten om met unanimiteit te beslissen. Alleen in dat geval kan de btw-richtlijn worden aangepast.
Waar het gaat om voorstellen van de Europese Commissie zal uw Kamer daar op gebruikelijke wijze over worden geïnformeerd door middel van een BNC-fiche. Vervolgens is het aan de lidstaten om met unanimiteit de btw-richtlijn al dan niet aan te passen.
Het onverminderd doorzetten van offshoring |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Nederlandse bedrijven in de industrie nog altijd in hoog tempo productie overhevelen naar het buitenland en dat dit ook steeds vaker gebeurt in de dienstensector en in het midden- en kleinbedrijf?1
Ja.
Klopt deze berichtgeving en kunt u in cijfers aangeven wat de gevolgen zijn van de offshoring voor het verlies van banen in respectievelijk de industriesector, de dienstensector en in het midden- en kleinbedrijf?
Offshoring, het verplaatsen van bedrijfsactiviteiten naar het buitenland, is een verschijnsel dat past in een dynamische, globaliserende wereld, waarbij bedrijven een afweging maken op welke locatie zij hun productie uitvoeren. Offshoring dient daarom in het bredere perspectief bezien te worden van de vestigingsplaatsbeslissing van bedrijven. Uit het meest recente onderzoek van het CBS blijkt dat tussen 2009–2011 9,8% van de bedrijven in de industrie en diensten met meer dan 100 werknemers betrokken was bij international sourcing,het internationaal uitbesteden van bedrijfsactiviteiten2. In de periode tussen 2001–2006 betrof dit 13,5% van de bedrijven. Bij deze vergelijking dient echter aangetekend te worden dat dit beeld vertekend kan zijn door een langere meetperiode tijdens eerder onderzoek. Een vergelijking over de tijd kan daarom niet gemaakt worden, zo stelt ook het CBS. Vooral de industriesector (15,8% betrokken) en dochterondernemingen van buitenlandse ondernemingen (36,8%) zijn actief op dit terrein. Nederland valt Europees gezien in de middengroep wat betreft international sourcing, zowel voor de industrie als voor de economie als geheel. In landen als Denemarken en Finland komt international sourcing beduidend meer voor.
De CBS-onderzoeken geven geen zicht op hoeveel banen er zijn verplaatst door international sourcing.Op de arbeidsmarkt is echter continu sprake van baandestructie en baancreatie. Dit is bovendien niet alleen afhankelijk van offshoring. Ook door technologische ontwikkeling en veranderende voorkeuren van consumenten is de samenstelling van de werkgelegenheid over verschillende sectoren voortdurend in beweging. Mede door technologische ontwikkeling is het aantal banen in de industrie en de landbouw de laatste decennia afgenomen, terwijl de werkgelegenheid in de dienstensector fors is toegenomen.
Het verplaatsen van bedrijfsactiviteiten of onderdelen van het productieproces naar het buitenland is een logisch gevolg van globalisering. Omgekeerd betekent globalisering dat Nederland zich toe gaat leggen op activiteiten en onderdelen van het productieproces waar wij efficiënt in zijn. In algemene zin kan gesteld worden dat globalisering – waarvan offshoring een onderdeel is – niet leidt tot minder werkgelegenheid in Nederland. Globalisering heeft ons land juist veel welvaart gebracht, zoals ook CPB-onderzoek onderstreept3. Er zijn bijvoorbeeld ook veel buitenlandse bedrijven die zich in Nederland vestigen. Het CBS heeft onlangs berekend dat er bijna een miljoen Nederlandse banen zijn bij bedrijven die in buitenlands eigendom zijn.
Welke maatregelen gaat u nemen om offshoring tegen te gaan en reshoring, het terughalen van arbeid naar Nederland, te bevorderen? Ziet u naar aanleiding van deze berichtgeving aanleiding om de inzet op reshoring te intensiveren en/of te versnellen? Zo nee, waarom niet?
Om de vruchten te plukken van globalisering is een goed vestigingsklimaat van essentieel belang. Ook bedrijven die overwegen een deel van de productie terug te verplaatsen naar Nederland, hebben daar belang bij. Nederland heeft een sterk vestigingsklimaat. Dat blijkt uit het gegeven dat bedrijven zich graag in Nederland vestigen of activiteiten terug naar Nederland halen. Volgens de ranglijst van het World Economic Forum behoort Nederland al jaren tot de meest competitieve economieën ter wereld; sinds 2007 is ons land onafgebroken terug te vinden in de top 10. Het kabinetsbeleid is er bij uitstek op gericht deze positie vast te houden en te verbeteren. Daarom wordt fors extra geïnvesteerd in de kwaliteit van het onderwijs, duurzaamheid en innovatie. Ook het bedrijvenbeleid, met specifieke aandacht voor de negen topsectoren, draagt bij aan ons vestigingsklimaat. Door in te zetten op ruimte voor ondernemerschap en ondersteuning voor innovatie en export wordt het vestigingsklimaat verder versterkt. Hiervoor worden fiscale regelingen, kredieten, garanties, regeldrukvermindering en publiek-private samenwerking ingezet.
Aanvullend op de maatregelen gericht op de versterking van het vestigingsklimaat, maken in het bijzonder de Participatiewet en de sectorplannen het aantrekkelijker voor bedrijven om activiteiten terug naar Nederland te halen. Deze maatregelen kunnen een impuls geven aan reshoring. Met de Participatiewet kunnen bedrijven een loonkostensubsidie ontvangen om het verschil tussen de loonwaarde van werknemers met een arbeidsbeperking en het wettelijk minimumloon compenseren. Dit maakt de doelgroep van de Participatiewet aantrekkelijker voor bedrijven die laaggeschoolde arbeid naar Nederland willen terughalen of bestaande activiteiten willen uitbreiden. Activiteiten die voorheen niet rendabel waren om in Nederland uit te voeren, worden mogelijk toch weer rendabel. Het kabinet zal de best practicesvan bedrijven die werken met de doelgroep van de Participatiewet actief uitdragen. Daarnaast kunnen sectoren gebruik maken van de sectorplannen om specifieke arbeidsmarktknelpunten in een sector op te lossen. Voor de sectorplannen is in totaal € 600 mln. voor gereserveerd. Ook bedrijven die via reshoring werk willen creëren voor kwetsbare groepen en mensen met een arbeidsbeperking kunnen rekenen op steun.
Hoe staat het met het ontwikkelen van het «total costs of ownership-model», dat bedrijven inzicht moet bieden in de brede kosten en baten van investeren in Nederland? Wordt dit model ook landelijk uitgerold?
Een belangrijke rol die de overheid kan vervullen is het voorzien in betrouwbare informatie, zodat bedrijven een goede afweging voor hun locatiebeslissing kunnen maken. Bestaande mogelijkheden zijn de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (www.antwoordvoorbedrijven.nl) en het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA; www.nfia.nl). Deze bronnen bieden praktische informatie over het investeren in Nederland en regelingen waar bedrijven gebruik van kunnen maken. Het «total cost of ownership»-model kan een goede aanvulling zijn in de informatievoorziening voor bedrijven. In Tilburg zijn wetenschappers samen met de gemeente Tilburg bezig om een «total cost of ownership»-model voor de regio te ontwikkelen. De Kamer van Koophandel heeft ook plannen voor de ontwikkeling van een dergelijk model, naast een meer kwalitatief informatieproduct. Omdat dit model de locatiebeslissing van bedrijven kan verbeteren en reshoring kan bevorderen, zal ik de ontwikkeling ervan nauwlettend volgen. Daarbij zal ik het landelijk uitrollen ervan zo veel mogelijk bevorderen. Voor de zomer zal ik de Kamer nader informeren over de voortgang rondom reshoring.
Het bericht dat een vrijwilliger met een WW-uitkering in Steenbergen geen toestemming van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) krijgt om met een buurtbus voor de lokale buurtbusvereniging te rijden |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een vrijwilliger met een WW-uitkering in Steenbergen geen toestemming van het UWV krijgt om met een buurtbus voor de lokale buurtbusvereniging te rijden?1
Ja.
Wat vindt u van de redenering van het UWV dat het hier zou gaan om verdringing van betaald werk?
Het is aan het UWV om de regels van de WW in concrete situaties toe te passen. Ik kan daarom geen uitspraken doen over dit geval. Betrokkene kan uiteraard bezwaar en ook beroep aantekenen tegen het besluit van UWV om toestemming voor deze activiteiten te onthouden.
Hoe verhoudt deze zienswijze zich tot de door de regering gewenste participatiesamenleving, waarin van mensen wordt verwacht dat zij meedoen?
We willen graag dat mensen actief participeren in de samenleving. Dat geldt voor mensen met en mensen zonder uitkering. Mensen met een uitkering moeten zich echter ook houden aan de voorwaarden en verplichtingen die bij de uitkering, in dit geval de WW, horen. Dat betekent dat zij moeten voldoen aan hun sollicitatieverplichtingen en beschikbaar moeten blijven voor de arbeidsmarkt. Ook is het belangrijk dat het verrichten van vrijwilligerswerk door uitkeringsgerechtigden niet leidt tot verdringing van regulier betaalde banen.
Hoe verhoudt zich dit tot de onlangs door de regering geïntroduceerde tegenprestatie in de Wet werk en bijstand? Zou naar uw oordeel hier dan sprake kunnen zijn van een juiste invulling van de tegenprestatie?
Er is sprake van een belangrijk verschil tussen vrijwilligerswerk in de WW en een tegenprestatie in de WWB. In de WWB kan de tegenprestatie als verplichting opgelegd worden. Het moet daarbij gaan om onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden die beperkt zijn in omvang en duur. In de WW kan vrijwilligerswerk niet verplicht worden, maar kan het een wens zijn van de uitkeringsgerechtigde.
Voor zowel de tegenprestatie als het verrichten van vrijwilligerswerk zijn twee aspecten van belang: het mag niet leiden tot verdringing en het mag het vinden van een reguliere baan niet in de weg zitten. Het is aan het UWV en de gemeenten om hierop toe te zien.
Het bericht 'Zorg dat migranten onder de CAO vallen' |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zorg dat migranten onder de CAO vallen»?1
Ja.
Deelt u de visie van de voorzitter van het CNV dat het op dit moment binnen de kaders van de detacheringsrichtlijn mogelijk is om Oost Europese arbeidsmigranten substantieel minder te betalen voor gelijk werk? Zo nee, waarom niet?
Op tijdelijk vanuit het buitenland gedetacheerde werknemers die in het kader van het vrij verkeer van diensten in Nederland komen werken zijn de regels uit de Europese Detacheringsrichtlijn van toepassing. Dit houdt in dat deze werknemers recht hebben op de zogenaamde «harde kern» van arbeidsvoorwaarden zoals deze in de Detacheringsrichtlijn zijn geformuleerd. Deze «harde kern» betreft de maximale werk- en minimale rustperiode, het minimumaantal betaalde vakantiedagen, minimumlonen (inclusief vergoedingen voor overwerk), voorwaarden die betrekking hebben op uitzendkrachten, gezondheid en veiligheid op het werk, bescherming van zwangere vrouwen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
Het gaat bij deze onderwerpen zowel om wettelijke (minimum)bepalingen als om algemeen verbindend verklaarde (avv-de) cao-bepalingen. In sectoren waarin de betreffende werknemers werkzaam zijn gelden veelal avv-de cao-bepalingen. De werknemers moeten worden beloond conform het minimum van de cao-schaal die op hen van toepassing is. Dit niveau kan in bepaalde gevallen dus lager liggen dan het betalingsniveau van een binnenlandse werknemer die al enkele jaren in dienst is en daardoor hoger is ingeschaald in dezelfde schaal.
Deelt u de mening van de voorzitter van het CNV dat hier bij niet alleen gaat om het niet naleven van de regels (schijnconstructies), maar dat de regels het wettelijk mogelijk maken om arbeidsmigranten deels buiten de CAO goedkoper te laten werken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hier aan doen?
De regels rondom het werken met vanuit het buitenland gedetacheerde werknemers volgt uit het Europese wettelijk kader. Naast het feit dat op deze werknemers alleen de «harde kern» van de arbeidsvoorwaarden van toepassing is, is er verschil in de hoogte van premies sociale verzekeringen tussen het thuisland en het werkland. Dit levert een kostenvoordeel op voor de buitenlandse werkgever. Naast de ruimte in het wettelijk kader komt het voor dat werkgevers constructies hanteren om de kosten voor arbeid zo laag mogelijk te maken. Werkgevers kunnen bijvoorbeeld misbruik maken van de bereidheid van Oost-Europese werknemers om tegen een lager loon te werken dan waar zij hier recht op hebben. We zien steeds vaker dat in bepaalde sectoren de binnenlandse arbeidsmarktverhoudingen worden verstoord doordat goedkopere (vanuit het buitenland gedetacheerde) werknemers het werk komen doen in Nederland. Het kabinet bestrijdt daarom met een brede aanpak van schijnconstructies de oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden. De inzet is om schijnzelfstandigheid te bestrijden, ontduiking van het minimumloon en cao’s aan te pakken en misbruik van A1-verklaringen, postbusondernemingen migratieconstructies en gefingeerde dienstverbanden tegen te gaan.
In het wetsvoorstel Wet aanpak schijnconstructies zal ik concrete maatregelen presenteren om oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden beter te kunnen bestrijden. Belangrijkste maatregel is de invoering van de civielrechtelijk ketenaansprakelijkheid voor loon. Het doel hiervan is dat opdrachtgevers zich inspannen voor een bonafide aanbestedingsketen waarin gelijk werk gelijk wordt beloond. Andere onderdelen van het wetsvoorstel zijn bijvoorbeeld het versterken van de publiekprivate samenwerking en gegevensuitwisseling bij de (cao-)handhaving en betere handhaafbaarheid van het wettelijk minimumloon. Mijn streven is om dit wetsvoorstel zo snel mogelijk na het zomerreces aan uw Kamer aan te bieden.
Bent u met de voorzitter van het CNV van mening dat de detacheringsrichtlijn om deze reden aangepast dient te worden, ook om het draagvlak voor de Europese Unie te bewaren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen?
De huidige Detacheringsrichtlijn is het resultaat van langdurige onderhandelingen waarbij enerzijds de belangen van de binnenlandse werknemers en anderzijds de bevordering van het vrij verkeer van diensten evenwichtig in het oog zijn gehouden. Er bestaat in Europa een breed draagvlak voor de wens dat het principe van gelijk loon voor gelijk werk meer tot uitdrukking wordt gebracht in de Europese regelgeving. Vanwege dit draagvlak is in de afgelopen twee jaar hard gewerkt aan de totstandkoming van de Handhavingsrichtlijn. Naar verwachting zal deze richtlijn op 16 april aanstaande door het Europees Parlement worden aangenomen. In de Handhavingsrichtlijn staan – in aanvulling op de Detacheringsrichtlijn – stevige maatregelen om oneerlijke concurrentie bij grensoverschrijdende detachering tegen te gaan: het kunnen opleggen van administratieve eisen aan buitenlandse dienstverrichters, het tegengaan van het gebruik van postbusondernemingen, het grensoverschrijdend kunnen innen van boetes en de ketenaansprakelijkheid voor loon.
Heeft Nederland binnen de kaders van de detacheringsrichtlijn zelf meer mogelijkheden om meer gelijk loon voor gelijk werk te bewerkstelligen? Welke mogelijkheden zijn dit?
Binnen de kaders van de richtlijn kan alleen aanvullend worden bepaald dat vanuit het buitenland gedetacheerde uitzendkrachten recht hebben op meer dan de «harde kern» van de arbeidsvoorwaarden. Bij de implementatie van de Handhavingsrichtlijn wordt bezien of een dergelijke uitbreiding opportuun is.
Welke lessen kunnen we als Nederland trekken uit de wijze waarop andere EU-landen omgaan met de detacheringsrichtlijn? Zijn er voorbeelden van EU-landen die binnen de detacheringsrichtlijn effectiever zijn in het handhaven en beschermen van hun arbeidsvoorwaarden dan Nederland? Zo ja, welke?
In de afgelopen jaren is de jurisprudentie op basis van de Detacheringsrichtlijn nauwgezet gevolgd. U bent hier bijvoorbeeld over geïnformeerd bij brief van 15 mei 2008 (Kamerstukken II, 2007/08, 29 407, nr. 80). De conclusie is dat Nederland de mogelijkheden van de Detacheringsrichtlijn ten volle heeft benut maar dat deze richtlijn geen voldoende garantie biedt op een gelijk Europees speelveld. Ook wordt breder in Europa de visie gedeeld dat de Detacheringsrichtlijn onvoldoende handvatten biedt om oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden bij grensoverschrijdende arbeid tegen te gaan. Daarom is ingezet op de totstandkoming van de Handhavingsrichtlijn. Het is mijn bedoeling om deze richtlijn spoedig te implementeren als deze op 16 april aanstaande door het Europees Parlement wordt aangenomen. Daarbij wordt, zoals gebruikelijk, ook gekeken naar de wijze waarop andere Europese lidstaten de richtlijn implementeren.
De eerste stappen voor een betere effectiviteit van de handhaving en bescherming van arbeidsvoorwaarden zet ik met het wetsvoorstel Wet aanpak schijnconstructies, zoals beschreven in het antwoord op vraag 3. Belangrijk onderdeel van dit wetsvoorstel is de civielrechtelijke ketenaansprakelijkheid voor loon, waarmee werknemers meer mogelijkheden krijgen om – bij onderbetaling – het loon waar zij recht op hebben te verhalen op de werkgever of hogere schakels in een keten. Dit is een eerste stap ter implementatie van de Europese Handhavingsrichtlijn.
Het bericht “België wil af van ‘arme’ Nederlanders” |
|
Pieter Heerma (CDA), Malik Azmani (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «België wil af van «arme» Nederlanders»?1
Ja.
Wat vindt u van de berichtgeving dat in 2013 305 Nederlanders te horen hebben gekregen dat zij België dienen te verlaten omdat zij een belasting vormen voor het sociale zekerheidssysteem? Bent u ook van mening dat in Nederland vaker bekeken zou moeten worden of EU-onderdanen een belasting vormen voor het sociale zekerheidssysteem?
Op grond van de EU-richtlijn vrij verkeer van personen (RL 2004/38) kan een EU-burger het recht op verblijf verliezen, zodra hij/zij een onredelijke belasting is gaan vormen voor het sociale bijstandssysteem in een gastlidstaat. Beëindiging van het verblijf behoort tot de mogelijkheden bij een onredelijke beroep op bijstand door een EU-burger. In feite volgt Nederland wat dit betreft reeds een vergelijkbare koers als België. Op dit moment wordt gewerkt aan de uitwerking van de motie Azmani/Hamer (d.d. 28 mei 2013). Voorts loopt in de gemeente Rotterdam een pilot, die mede is bedoeld om na te gaan hoe de gegevensuitwisseling tussen gemeenten en IND verbeterd kan worden.
Volgens de berichtgeving zijn de voorwaarden niet strenger geworden in België voor EU-onderdanen, toch is het aantal ingetrokken verblijfsvergunningen gestegen. Uit de cijfers blijkt veel meer dan in Nederland. Hoe komt het dat de afgelopen twee jaar het aantal ingetrokken verblijfsvergunningen is gestegen in België? En is er een verschil met Nederland? Zo ja, wat is dan het verschil en hoe kan dit verschil verklaard worden?
Gebleken is dat in België beëindigingen van het verblijfsrecht de laatste jaren zijn toegenomen doordat controles op het verblijfsrecht bij het aanvragen, c.q. ontvangen van sociale bijstand («leefloon») in het land doeltreffender zijn georganiseerd dan voorheen. De relatief hoge cijfers zijn mede te verklaren uit de omstandigheid dat België bezig is met een inhaalslag. Behalve nieuwe aanvragen wordt ook het zittend bestand van EU-burgers, die korter dan vijf jaar in België verblijven en langer dan drie maanden «leefloon» ontvangen, onderworpen aan de nieuwe regels. Verwachting is dat de cijfers de komende tijd zullen dalen.
Sinds 2011 is in België sprake van een «regelmatige uitwisseling van gegevens» tussen betrokken instanties, resp. de «Programmatorische Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie» (POD MI) en de «Dienst Vreemdelingenzaken» (DVZ). De koppeling van databestanden van vreemdelingen (DVZ) en uitkeringsgerechtigden (POD MI) leidt tot een automatische «wake up call» om een onderzoek uit te voeren, via een zogenaamde Kruispuntbank. In totaal genereerde het systeem in 2012 en 2013, respectievelijk 59.000 en 64.000 «wake up calls». In circa 7,5% van de gevallen heeft vervolgens nader onderzoek plaatsgevonden. Of er een nader onderzoek komt, is afhankelijk van beleid op gemeenteniveau. Gemeenten bepalen uiteindelijk welke dossiers voor onderzoek aan de DVZ worden voorgelegd.
Nederland kent een andere werkwijze. De IND ontvangt meldingen over het verstrekken van bijstandsuitkeringen aan EU-burgers van de gemeente. Die meldingen verlopen niet geautomatiseerd. De uitvoering van de WWB is gedecentraliseerd aan gemeenten. Gemeenten verstrekken enkel een beperkte set van statistische gegevens aan het CBS en zijn niet verplicht aanvullende informatie te verstrekken. Zodra de IND een melding over het verstrekken van een bijstandsuitkering van een gemeente ontvangt, onderzoekt de IND of sprake is van een onredelijk beroep op de bijstand. In 2013 is in Nederland van totaal 650 EU-burgers het verblijf beëindigd. Uit handmatige registratie van de IND blijkt dat van 60 EU-burgers in 2013 het verblijf is beëindigd wegens een onredelijk beroep op de bijstand.
Op dit moment wordt gewerkt aan de uitwerking van de motie Azmani/Hamer (d.d. 28 mei 2013) De resultaten van de pilot Rotterdam zijn in dit verband van belang. Ook de praktijkervaringen in België worden betrokken bij de verdere beleidsontwikkeling.
Uit de berichtgeving komt naar voren dat België sinds twee jaar werkt met een nieuw controlesysteem waarbij de samenwerking tussen de bijstand- en uitkeringsinstanties met de Dienst Vreemdelingenzaken sterk is verbeterd. Waarin verschilt dit systeem ten opzichte van de werkwijze in Nederland? Zijn de ervaringen in België ook meegenomen in de pilot van Rotterdam die 1 oktober 2013 is gestart?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn in Nederland de databanken van de bijstands- en uitkeringsinstanties automatisch gekoppeld aan de databanken van de Immigratie en Naturalisatiedienst? Zo nee, waarom niet? En als er geen koppeling van databanken (mogelijk) is op welke wijze zou de gegevensuitwisseling dan geïntensiveerd en verbeterd kunnen worden?
Zie antwoord vraag 3.
Op 9 december 2013 heeft u samen met de Belgische minister Bourgeois een intentieverklaring ondertekend om beter samen te werken op onder meer de schaduwkanten van intra-EU-arbeidsmobiliteit. Neemt u in deze samenwerking ook het nieuwe, verbeterde, controlesysteem van de Belgische overheid mee? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
De intentieverklaring om de samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen te verbeteren ziet primair op integratie en inburgering van migranten in de samenleving. Derhalve ligt het minder voor de hand het controlesysteem van de Belgische overheid op rechtmatig verblijf bij aanvraag van een sociale bijstandsuitkering in deze samenwerking mee te nemen. Dit laat onverlet dat contacten met vertegenwoordigers van de Vlaamse deelregering waar mogelijk benut kunnen worden.
Op welke samenwerking ziet de intentieverklaring nog meer? Welke onderwerpen komen hier in aan bod?
Voor het thema «integratie en inburgering» heeft de intentieverklaring betrekking op het delen van kennis en ervaring tussen Nederland en Vlaanderen over de volgende aspecten: kennis bij migranten van waarden en normen (incl. rechten en plichten) in de samenleving; aanpak en instrumenten voor het leren en kennen van de Nederlandse taal; vergelijking en analyse van uitkomsten van studies en indicatoren. Verder pleit de verklaring voor samenwerking in Benelux-verband wat betreft het beheersen van intra-Europese mobiliteit.
De inschakeling van bijstandsgerechtigden tijdens de kerstdrukte bij PostNL |
|
Pieter Heerma (CDA), John Kerstens (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Post sorteren, met gratis werkers»?1
Ja.
Kunt u aangeven of er in deze situatie sprake was van een opstapje naar werk of om een tegenprestatie voor de bijstandsuitkering?
Uit informatie die van de betrokken partijen is ontvangen, blijkt dat er in deze situatie geen sprake is van een tegenprestatie, maar van het verrichten van tijdelijk regulier werk bij PostNL door uitkeringsgerechtigden uit de regio.
PostNL had gedurende de kerstdrukte extra personeel nodig. Via verschillende kanalen is het benodigde extra personeel geworven, waaronder de inzet van bijstandsgerechtigden uit de regio via een uitzendbureau.
Kunt u aangeven of er in deze situatie sprake was van regulier werk, dat tegen cao-loon betaalt dient te worden? Indien dit het geval is, waarom zijn deze bijstandsgerechtigden dan niet tijdelijk tegen cao-loon aan het werk geweest, in plaats van werken met behoud van hun uitkering?
Er is hier sprake van regulier werk, waarvoor de bijstandsgerechtigden het reguliere loon, gelijk aan andere flexwerkers hebben ontvangen. Voor de uitgevoerde werkzaamheden heeft PostNL ook een marktconform tarief aan het uitzendbureau betaald. Doordat er sprake is van een uitkeringssituatie, wordt het ontvangen loon verrekend met de uitkering, waarbij een maximale vrijlating per maand van toepassing is.
Wat vindt u van de constructie waarbij gemeenten een uitzendbureau inschakelen om de bijstandsgerechtigden aan het werk te helpen, maar hierdoor het zicht op mogelijk verdringing van reguliere arbeid verliezen?
Er is geen sprake van verdringing maar van regulier tijdelijk betaald werk door bijstandsgerechtigden. Hierdoor kunnen zij werkervaring opdoen en meer perspectief krijgen op een nieuwe baan. Ook tijdelijk werk via een uitzendbureau kan een opstap naar een nieuwe baan betekenen. De gemeenten en UWV werken al jaren samen met uitzendbureau’s om mensen met een uitkering naar werk te bemiddelen.
Deelt u de mening dat gemeenten afspraken moeten maken met uitzendbureaus over het voorkomen van verdringing van reguliere arbeid bij het inzetten van bijstandsgerechtigden? Zo nee, waarom niet?
Nee. In het onderhavige geval hebben een aantal bijstandgerechtigden tijdelijk regulier werk gevonden. Er is geen sprake van werken met behoud van uitkering of van een tegenprestatie.
Wanneer komt u met de toegezegde heldere spelregels voor gemeenten en bijstandsgerechtigden, zodat duidelijk is wat zij van elkaar mogen verwachten als het gaat om werken met behoud van uitkering en de maatschappelijke tegenprestatie?
Bij de Begrotingsbehandeling SZW 2014 is door de Tweede Kamer gevraagd om spelregels op te stellen, zodat verdringing van werknemers als gevolg van activiteiten in het kader van de tegenprestatie door uitkeringsgerechtigden wordt voorkomen.
De VNG, Divosa en SZW bezien welke spelregels er voor gemeenten kunnen worden opgesteld, die behulpzaam zijn ter voorkoming van verdringing als er een tegenprestatie WWB wordt gevraagd. Het is de bedoeling om deze spelregels in het voorjaar gereed te hebben.
Het bericht 'Vrouw en Turks, dus lagere vergoeding' en 'Familie: Rechter uit de jaren '50' |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw en Turks, dus lagere vergoeding» en «Familie: Rechter uit de jaren ’50»?1
Ja.
Klopt het dat een rechter in de betreffende zaak heeft geoordeeld dat vanwege het vrouw en Turks zijn van het slachtoffer er slechts 70.000 euro inkomstenderving verondersteld moet worden?
De Rechtbank Den Haag heeft in haar uitspraak van 23 juli 2013 (ECLI: NL: RBDHA:2013:9276) geoordeeld dat de berekening van de schade wegens verlies van verdienvermogen dient te geschieden aan de hand van de uitgangspunten in de rechtsoverwegingen 4.7, 4.12 en 4.15. Dat betekent dat volgens de rechtbank (zie rechtsoverweging 4.10 en 4.12) als uitgangspunt onder meer heeft te gelden dat eiseres van haar 17e tot en met haar 26ste levensjaar fulltime zou hebben gewerkt, vervolgens van haar 27e tot en met haar 36e levensjaar niet zou hebben gewerkt en ten slotte vanaf haar 37e tot en met haar 67e levensjaar voor 50% zou hebben gewerkt.
Daarbij geeft de rechter aan dat het redelijk is om te veronderstellen dat de eiseres, als vrouw in Nederland en gegeven haar culturele achtergrond en persoonlijke omstandigheden, een partner zou hebben gevonden en rond haar 26e levensjaar (in het jaar 2019) kinderen zou hebben gekregen. Of en in hoeverre de Turkse achtergrond hier gerechtvaardigd is meegewogen is aan de rechter ter beoordeling. Ook hier geldt dat het College voor de Rechten van de Mens om een oordeel kan gevraagd worden.
De rechtbank heeft in deze uitspraak een oordeel gegeven over de berekening van de schade wegens verlies van verdienvermogen en niet over het concrete schadebedrag.
Vindt u het van deze tijd om van een jonge vrouw te veronderstellen dat zij op haar 26ste moeder wordt, en dat zij dan vervolgens 10 jaar uit het arbeidsproces zal stappen? Zo ja, waarom?
De berekening van de schade wegens verlies van verdienvermogen dient uiteraard zorgvuldig te gebeuren, met inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling. Iedere vorm van discriminatie is onaanvaardbaar en onacceptabel. Op grond van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) is een verschil in behandeling tussen mannen en vrouwen of ongelijke behandeling op grond van ras bij het aanbieden van goederen of diensten verboden.
De vraag hoe de concrete omstandigheden van het geval in de beschreven individuele casus dienen te worden gewogen bij het berekenen van het verlies aan verdienvermogen is aan de rechter. De omvang van toekomstige schade kan niet exact worden vastgesteld. Dat brengt met zich mee dat deze schade moet worden geschat. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat gunstige en ongunstige toekomstige onzekere gebeurtenissen die van invloed kunnen zijn op de omvang van de inkomensschade, dienen te worden verdisconteerd. Bij het verdisconteren daarvan komt het aan op de redelijke verwachtingen omtrent die toekomstige ontwikkelingen.
Steeds meer vrouwen blijven evenveel uren werken na de geboorte van het eerste kind, 10% stopt met werken en 35% vermindert het aantal arbeidsuren, tegen 5% van de mannen2. Deeltijdarbeid of stoppen met werken zijn individuele keuzes met maatschappelijke gevolgen, onder andere omdat deze ten koste kunnen gaan van de economische zelfstandigheid van vrouwen.
Daarnaast speelt arbeidsparticipatie, zowel in personen als in uren, een sleutelrol bij het waarborgen van het financiële draagvlak van de verzorgingsstaat. Om op termijn de voorzieningen betaalbaar te houden is het nodig dat het menselijk kapitaal zoveel mogelijk wordt benut.
De Commissie gelijke behandeling (CGB, het huidige College voor de rechten van de mens) heeft in 2012 onderzoek verricht naar onderscheid naar geslacht bij de vaststelling van letselschade. Beide partijen hebben in deze zaak ook gewezen op dit onderzoek. In haar oordelen heeft de CGB het gebruik van statistische gegevens bij de schadeberekening aangemerkt als een neutraal criterium. Als echter met name vrouwen of met name mannen nadeel ondervinden van het gebruik van die gegevens – zoals bij het gebruik van gegevens over arbeidsparticipatie na het krijgen van kinderen – levert dit volgens de CGB indirect onderscheid op grond van geslacht op. Indirect onderscheid is gerechtvaardigd als het verschil in behandeling door een legitiem doel wordt gerechtvaardigd en de middelen om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn (CGB, «Onderscheid naar geslacht bij vaststelling van letselschade», september 2012, p. 10).
Statistische gegevens kunnen volgens de CGB dus worden gebruikt om tegemoet te komen aan de noodzaak voor een concrete schadeberekening. Aan de hand hiervan kunnen voorspellingen worden gedaan over de vermoedelijke inkomensontwikkeling die zou hebben plaatsgevonden als het feit dat de schade heeft veroorzaakt er niet zou zijn geweest. De CGB plaatst hierbij de kanttekening dat het gebruik van statistische gegevens alleen als een geschikt middel kan worden aangewend, als deze gegevens voldoen aan de eisen van relevantie, kwaliteit en actualiteit. Voorts dienen deze gegevens te worden gerelateerd aan de individuele omstandigheden van het slachtoffer. Zonder een antwoord op de vraag of de situatie van het slachtoffer afwijkt van die welke aan het landelijke gemiddelde ten grondslag ligt, kan geen sprake zijn van een concrete schadeberekening (idem, p. 10).
Het is aan de rechter of het College voor de rechten van de mens om bij een individuele casus te beoordelen of er sprake is van een legitiem doel dat een onderscheid tussen mannen en vrouwen rechtvaardigt en of de middelen om het doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. Tevens is het aan de rechter of het College voor de rechten van de mens om te beoordelen of het meewegen van de culturele achtergrond toelaatbaar is.
Een Minister mag niet in het oordeel van een onafhankelijke rechter treden en moet de scheiding der machten respecteren. Ik zal mij dan ook niet uitlaten over specifieke rechterlijke uitspraken. Als in deze casus de ouders van het meisje van mening zijn dat hun dochter slachtoffer is van discriminatie, is het aan hen om eventuele rechtsmiddelen aan te wenden tegen een uitspraak van de rechter als zij het daarmee niet eens zijn. Het is mij niet bekend of er in deze casus hoger beroep is aangetekend en of dit nog mogelijk is. Het zou mijns inziens goed zijn als de hoogste rechter in Nederland of het College zich over een dergelijke zaak zou uitlaten.
Deelt u de mening dat een dergelijke rechterlijke uitspraak op gespannen voet staat met een gelijkwaardige positie van vrouwen en allochtonen op de arbeidsmarkt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening van het in het artikel geciteerde lid van het College van de Rechten van de Mens dat dit «seksediscriminatie» is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Komen dit soort rechterlijke uitspraken vaker voor? Zo ja, hoe vaak?
De voormalige Commissie Gelijke Behandeling heeft blijkens een onderzoek uit 2012 in een drietal gevallen geconcludeerd dat in letselschadezaken sprake was van onderscheid op grond van geslacht (CGB, Onderscheid naar geslacht bij de vaststelling van letselschade, september 2012). Overige kwantitatieve gegevens over het gebruik van argumenten gerelateerd aan het geslacht van het letselschadeslachtoffer zijn niet voorhanden, omdat de hoogte van een uitkering afhankelijk is van de onderhandelingen tussen slachtoffer en verzekeraar en deze argumenten in het eindbedrag niet tot uitdrukking komen. Van structurele problemen is ons niet gebleken.
Deelt u de mening dat het voor een gelijkwaardige positie van vrouwen op de arbeidsmarkt wenselijk is dat dit soort onderscheid wordt voorkomen? Zo ja, welke stappen gaat u daartoe zetten? Zo nee, waarom niet?
De rechter baseert zijn conclusie in deze uitspraak op statistische gegevens, waaronder de omstandigheid dat eiseres een vrouw is. Zoals ik aangaf bij het antwoord op de vragen 3, 4 en 5 zien we dat steeds meer vrouwen evenveel uren blijven werken na de geboorte van het eerste kind. Maar nog steeds stopt 10% van de vrouwen met werken en 35% vermindert het aantal arbeidsuren, tegen 5% van de mannen. Het beleid van het kabinet is er op gericht om deze situatie te veranderen. Voor de inzet van het kabinet ten aanzien van het bevorderen van de combinatie arbeid en zorg verwijs ik u naar mijn brief van 12 december 20133 over de resultaten van de arbeid-en-zorgbijeenkomst. Een verschuiving in de verdeling van de zorgtaken tussen mannen en vrouwen zal uiteindelijk leiden tot een aanpassing van deze statistische gegevens.
De overdracht van bevallingsverlof bij het overlijden van de moeder |
|
Pieter Heerma (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de problemen van een vader wiens vrouw tijdens de bevalling is overleden, omdat hij de zorg voor zijn kinderen, vanwege een gebrek aan verlof, niet met zijn werk kan combineren?1
Ja.
Deelt u de mening dat het in deze situatie in het belang van vader en kind is dat vader meer mogelijkheden krijgt om verlof op te nemen?
Het overlijden van de moeder bij de geboorte van een kind is een ingrijpende gebeurtenis die zowel in emotionele als praktische zin (plotselinge zorg voor het kind) grote gevolgen heeft. Uiteraard kan er niet van worden uitgegaan dat in deze situatie alles direct weer zijn normale loop heeft. Het proces van aanpassen aan de nieuwe situatie, waaronder het hervatten van het werk, zal voor iedereen anders verlopen. Ik vind het in dit kader in de eerste plaats van belang dat werknemer en werkgever goede maatwerkafspraken maken over de wederzijdse behoeften en mogelijkheden, al dan niet met gebruikmaking van de wettelijke verlofmogelijkheden. Uit het onderzoek Rouw en werk dat recentelijk in opdracht van het Ministerie van SZW is uitgevoerd blijkt dat werkgever en werknemer het lastig vinden het gesprek in deze situaties aan te gaan. Hier is nog veel winst te behalen. Ik wil hierover dan ook – zoals ik heb aangekondigd naar aanleiding van vragen die zijn gesteld tijdens de begrotingsbehandeling SZW 2014- in gesprek gaan met sociale partners in het kader van de aanpak psychosociale arbeidsbelasting, waarvan ik de hoofdlijnen uiteen heb gezet in mijn brief van 20 december jl.2 Daarbij kan tevens worden bezien of de wettelijke verlofmogelijkheden in deze situaties toereikend zijn.
Bent u van oordeel dat vaders die hun vrouw tijdens, of vlak na de bevalling verliezen, naar Belgisch voorbeeld het recht zouden moeten krijgen om het bevallingsverlof van de moeder over te nemen?
Ik zal over dit onderwerp eerst in gesprek gaan met sociale partners en wil dan ook niet vooruitlopen op eventuele oplossingsrichtingen.
Zo ja, bent u dan bereid dit recht in de nieuwe wet modernisering zorgverlof op te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer worden eventuele wijzigingsvoorstellen op het wetsvoorstel modernisering zorgverlof naar de Kamer gestuurd?
Ik streef ernaar de wijzigingsvoorstellen die zijn aangekondigd in de brief van 12 december jl.3, dit voorjaar aan de Kamer te zenden.
Het gebruik van overheidsvorderingen |
|
Pieter Heerma (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Belastingdienst bij een overheidsvordering belastingschulden zonder toestemming mag afschrijven van de bankrekeningen van de belastingplichtige tot op het maximum dat de belastingplichtige rood mag staan?
De Belastingdienst heeft sinds 1 november 20091 op grond van de wet2 de bevoegdheid om een belasting- of toeslagvordering van de betaalrekening van de belasting- of toeslagschuldenaar te incasseren (overheidsvordering). Deze wettelijke bevoegdheid komt voort uit de Wet versterking fiscale rechtshandhaving3. Er kan pas gebruik van de bevoegdheid worden gemaakt nadat er een aanmaning is verzonden en een dwangbevel is betekend aan de belastingschuldige, maar de belastingschuldige desondanks niet tot betaling van zijn belastingschuld is overgegaan. Voor de inzet van de overheidsvordering is geen toestemming van de belastingschuldige nodig.
De overheidsvordering moet voldoen aan de eisen die daaraan worden gesteld in de regelgeving4. Zo is onder meer vastgelegd hoe vaak de overheidsvordering mag worden gedaan, voor welk bedrag en welke eisen er gelden ten aanzien van de informatievoorziening.
De overheidsvordering volgt de systematiek van de automatische incasso. Bij een automatische incasso wordt geen onderscheid gemaakt tussen een positief saldo of kredietruimte.
Hoe wordt in geval van een overheidsvordering door de Belastingdienst omgegaan met de beslagvrije voet?
Met ingang van 1 november 2013 is de Leidraad Invordering 2008 gewijzigd5. Met deze aanpassing van de Leidraad is gevolg gegeven aan de kabinetsreactie op het rapport Paritas Passé. In de Leidraad is sinds 1 november 2013 vastgelegd dat de belastingschuldige na uitvoering van de overheidsvordering kan verzoeken om een (gedeeltelijke) correctie van de overheidsvordering in verband met de voor hem geldende beslagvrije voet.
Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de beslagvrije voet niet van toepassing bij een beslag op een betaalrekening. Om die reden is een aangepaste berekeningswijze in de Leidraad opgenomen. De regelgeving rondom de beslagvrije voet is geënt op het beslag op een periodieke betaling6 zoals loon of een uitkering en niet op een beslag op vermogen. Om die reden wordt bij de berekening rekening gehouden met aanwezig vermogen bij de belastingschuldige. Mocht de belastingschuldige beschikken over meer vermogen dan de voor hem geldende beslagvrije voet, dan wordt de overheidsvordering niet ongedaan gemaakt. Om deze beleidswijziging rechtstreeks kenbaar te maken bij de belastingschuldige is de brief die wordt verzonden na uitvoering van de overheidsvordering aangepast. De belastingschuldige wordt in deze brief uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid van toepassing van de beslagvrije voet bij een overheidsvordering.
In aanvulling hierop is op de website van de Belastingdienst een berekenmodule beslagvrije voet geplaatst. Deze berekenmodule kan door de belastingschuldige gebruikt worden om zijn beslagvrije voet te berekenen. Het kan daarbij zowel gaan om een loonvordering, verrekening of overheidsvordering. Bij de berekenmodule is eveneens een verzoekformulier geplaatst waarin de belastingschuldige de Belastingdienst kan vragen om een correctie. De koepelorganisaties van de decentrale overheden hebben hun leden over de wijziging van de Leidraad Invordering geïnformeerd en hen gevraagd het rijksbeleid over het achteraf toepassen van de beslagvrije voet conform toe te passen.
Herinnert u zich dat de regering schreef: « Tot slot wordt het mogelijk gemaakt om (een vorm van) de beslagvrije voet achteraf toe te passen.» (Kamerstuk 24 515 nr. 255, blz. 7)? Op welke wijze wordt hieraan uitvoering gegeven?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dit vergaande instrument slechts in uitzonderlijke situaties moet worden ingezet? Hoe vaak heeft de Belastingdienst per jaar gebruik gemaakt van het instrument «overheidsvordering» vanaf het jaar 2009 en welke soorten belasting betrof het?
De overheidsvordering is een bijzondere invorderingsbevoegdheid. Bij een bijzondere bevoegdheid hoort ook een bijzondere verantwoordelijkheid. Bij de toepassing van de overheidsvordering moet de zorgvuldigheid worden betracht die in overeenstemming is met aard en karakter van dit instrument. Deze zorgvuldigheid is bijvoorbeeld vertaald in de waarborgen die zijn ingebouwd bij de selectie van de posten en bij de laagdrempeligheid om om herstel te vragen.
De overheidsvordering blijkt in de praktijk een efficiënt middel bij de invordering van kleinere belastingschulden. De invordering van die bedragen is in de praktijk kostbaar en tijdrovend. In de praktijk biedt een beslag op de uitkering of het loon niet altijd soelaas. Ook zijn er niet altijd voor verhaal vatbare goederen beschikbaar: de inboedel is weinig waard – openbare verkoop kost meer dan de inboedel oplevert – of de aanwezige waardevolle goederen zijn niet in eigendom van de belastingschuldige. De auto – die wel verhaal biedt – is vluchtig en is verdwenen op het moment dat de deurwaarder aan de deur komt. Zonder de overheidsvordering zouden er meer belastingaanslagen onbetaald zijn gebleven. De aan dit instrument ten grondslag liggende bedoeling van de wetgever om op efficiënte wijze kleine belastingschulden te kunnen innen die anders onbetaald zouden blijven wordt hiermee op een evenwichtige wijze in de praktijk uitgevoerd.
Tot en met 2012 is met de overheidsvordering ongeveer € 27,5 miljoen ingevorderd. Het gaat daarbij om 160.000 aanslagen motorrijtuigenbelasting. Het slagingspercentage van de overheidsvordering in die periode was ongeveer 37%. In de tabel hieronder staat over de periode 2009 tot en met 2013 per jaar de aantallen overheidsvorderingen en de aantallen en percentages van de herstelposten. Het slagingspercentage voor de aanslagen motorrijtuigenbelasting blijkt ook in 2013 rond 37% te liggen. Een slagingspercentage van 37% betekent dat de betaalrekening voldoende soelaas bood om de belastingschuld door middel van de overheidsvordering te voldoen. In de overige 63% van de gevallen bleef voldoening van de belastingschuld achterwege.
In 2012 is de overheidsvordering als pilot toegepast voor openstaande aanslagen in de inkomstenbelasting. Voor deze aanslagen was het slagingspercentage ongeveer 50%.
Naast de toepassing van de overheidsvordering bij aanslagen motorrijtuigen en inkomstenbelasting, gaat de Belastingdienst de overheidsvordering in de vorm van een pilot ook toepassen bij andere belastingmiddelen en toeslagvorderingen. De pilot heeft mede tot doel om te onderzoeken hoe kan worden gedifferentieerd naar de hoogte van de overheidsvordering.
Op de brief die wordt verzonden na uitvoering van de overheidsvordering is een gratis telefoonnummer vermeld zodat belastingschuldigen eventuele klachten over de overheidsvordering op een snelle en eenvoudige manier kenbaar kunnen maken. Dit telefoonnummer is ook vermeld op het bankafschrift van de belastingschuldige. De aard van de ontvangen reacties verschilt. Veelal kan worden volstaan met een uitleg van wat de overheidsvordering inhoudt. In sommige gevallen is doorverwijzing nodig wegens een inhoudelijke vraag over de onderliggende aanslag of is herstel van de overheidsvordering aan de orde in verband met afschrijven van een verkeerd rekeningnummer. Herstel houdt in dat het afgeschreven bedrag direct wordt teruggestort op de desbetreffende betaalrekening. Gevallen waarin compensatie voor gevolgschade is gevraagd, zo leert navraag binnen de Belastingdienst, zijn niet bekend. Van belang daarbij is dat het 0800 nummer gratis is en de periode waarin het geld niet op de betaalrekening heeft gestaan relatief kort is. De inschatting van de Belastingdienst is dat over de periode 2009 – 2012 grofweg één officiële klacht per jaar is binnengekomen over de uitvoering van de overheidsvordering.
In onderstaande tabel zijn de cijfers schematisch weergegeven:
133
48.718
166.201
183.973
162.095
0
132
1.279
749
470
0
0,3
0,8
0,4
0,3
Proef in één regio met de overheidsvordering bij motorrijtuigenbelasting.
Proef in twee regio’s met de overheidsvordering bij motorrijtuigenbelasting.
Tot en met de maand oktober (ongeveer 95% MRB / 5% IH).
Hoeveel klachten zijn er binnengekomen over de overheidsvordering in elk van die jaren?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe vaak is in elk jaar een bedrag van de verkeerde rekening afgeschreven en op welke compensatie heeft iemand recht, bij wie ten onrechte ingevorderd is?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe vaak is iemand door de Belastingdienst gecompenseerd voor gemaakte kosten door een onterechte overheidsvordering?
Zie antwoord vraag 4.
Wanneer ontvangt de Kamer een evaluatie van de overheidsvordering bij de motorrijtuigenbelasting en de inkomstenbelasting?
Voor informatie over de pilot overheidsvordering verwijs ik u naar de brief die enkele jaren geleden aan uw Kamer is gezonden7. De toezegging om uw Kamer te informeren over de uitkomsten van deze pilot was gedaan bij de behandeling van de Wet versterking fiscale rechtshandhaving waarin de overheidsvordering werd geregeld. De Eerste Kamer heeft dit voorjaar, eveneens conform een toezegging gedaan tijdens de behandeling van genoemde wet, een evaluatie over de toepassing van de overheidsvordering ontvangen8.
Heeft u kennisgenomen van de «Evaluatie pilot Overheidsvordering Lokale Overheden»?
De door u bedoelde evaluatie is bij mij bekend. De Betaalvereniging Nederland, als vertegenwoordiger van de banken, heeft met mijn instemming een zeer actieve rol gespeeld bij de totstandkoming van de evaluatie. Deze bredere benadering biedt daardoor meer waarborgen om kritische factoren in beeld te brengen. De banken hebben immers een direct belang bij een verantwoorde uitvoering van de overheidsvordering en een deskundige afhandeling van vragen over de overheidsvordering door overheidsdiensten. Een belastingschuldige die geconfronteerd wordt met een overheidsvordering zal snel geneigd zijn om de telefoon te pakken en zich te wenden tot de klantendienst van zijn bank. Illustratief is dat ook bij de toepassing van de overheidsvordering door de lokale overheden bleek dat de klantendiensten van de banken niet zijn geconfronteerd met klachten of vragen over de overheidsvordering.
Afhankelijk van de lokale werkwijze, werden belastingschuldigen bij de pilot bij de decentrale overheden doorverbonden naar een aparte afdeling met medewerkers met specifieke deskundigheid over de overheidsvordering, of werden de vragen beantwoord door een «frontoffice». Uit de evaluatie bleek dat beide methodes tot bevredigende uitkomsten leiden. De aard van de vragen waarmee burgers zich tot de lokale overheden wendden, komt overeen met de vragen waarmee de Belastingdienst te maken heeft. Het gaat dus veelal om verzoeken om informatie of een nadere toelichting.
Wat vindt u van het feit dat de overheden zelf de evaluatie schrijven en dat alle deelnemende overheden op de vraag of hun eigen (informatie)telefoon de juiste informatie verschaft, braaf «ja» antwoorden en het antwoord van de evaluatie dus is dat de overheid de juiste informatie verschaft?
Zie antwoord vraag 9.
Op welke wijze vindt overleg plaats met belangengroepen van bijvoorbeeld schuldhulpverleners, die heel andere ervaringen hebben met de overheidsvorderingen, voordat er wordt overgegaan op verdere invoering van de overheidsvordering?
U vraagt naar overleg met betrokken partijen, mede naar aanleiding van de aanbevelingen uit Paritas passé. Zoals aangegeven in antwoord op de vragen 2 en 3, is aan de bezwaren van de opstellers van het rapport tegemoet gekomen door correctie van de overheidsvordering mogelijk te maken in verband met de beslagvrije voet. Dit is ook zo toegelicht in de kabinetsreactie op het rapport. Bij deze kabinetsreactie is eveneens het rapport van de Nationale Ombudsman betrokken. Het rapport van de Ombudsman stelde namelijk dezelfde problematiek aan de orde als het rapport Paritas Passé.
Periodiek wordt overleg gevoerd tussen ambtenaren van het Ministerie van Financiën en de NVVK9. Tijdens die overleggen komen knelpunten uit de praktijk op tafel. Het kan hierbij gaan om de samenwerking tussen de schuldhulpverlening en de Belastingdienst of uitleg en toepassing van het beleid van de Belastingdienst.
Daarnaast is in lijn met de reactie van het kabinet op het rapport «Paritas Passé, debiteuren en crediteuren in de knel door ongelijke incassobevoegdheden» de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) gestart met de ontwikkeling van een centraal beslagregister voor gerechtsdeurwaarders. Het is de intentie van het kabinet en de KBvG dat op de langere termijn ook door overheidsorganisaties gelegde beslagen en andere overheidsvorderingen in het register worden opgenomen. De KBvG, het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de Belastingdienst hebben hierover al verkennende gesprekken gevoerd. Bij de ontwikkeling van het beslagregister wordt erop toegezien dat er geen keuzes worden gemaakt die het voor andere schuldeisers uiterst lastig maken om aan te sluiten.
Tenslotte is in dit kader nog belangrijk om te melden dat het kabinet werkt aan de ontwikkeling van een Rijksincassovisie. In deze visie zullen algehele behoorlijkheidsnoties worden vastgelegd in de relatie met overheidsschuldenaren.
Op welke wijze vindt overleg plaats met gerechtsdeurwaarders, die aanbevelingen gedaan hebben voor het oplossen van knelpunten door ongelijke incassobevoegdheden in het onderzoeksrapport Paritas Passé?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid om de Nationale Ombudsman te vragen welke aanbevelingen hij heeft over de overheidsvordering (inclusief de geplande uitbreidingen) en zijn aanbevelingen aan de Kamer te doen toekomen (mede naar aanleiding van het rapport «In het Krijt bij de Overheid»)?
Zie antwoord vraag 11.