De dreigende sluiting van 200 zwembaden. |
|
Vicky Maeijer (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energierekening van 250.000 euro per jaar: sluiting dreigt voor 200 zwembaden»?1
Ja.
Klopt het dat sluiting dreigt voor 200 zwembaden vanwege de onbetaalbare energierekeningen?
NOC*NSF en POS hebben op basis van een eigen inventarisatie gemeld dat sluiting dreigt voor 200 van de in totaal 637 openbare zwembaden. Deze cijfers zijn niet concreet te onderbouwen, maar ik deel wel de zorgen omtrent de impact van de stijgende energiekosten voor openbare zwembaden.
Wat doet u om dit te voorkomen?
Openbare zwembaden zijn maatschappelijk van groot belang, bijvoorbeeld vanwege het aanbieden van zwemlessen die een belangrijke bijdrage leveren aan de zwemveiligheid. Daarnaast verzorgen zwembaden belangrijke sportmomenten voor kwetsbare groepen, zoals ouderen en mensen met een beperking.
In de kamerbrief «Budgettaire impact APB» heeft het kabinet u geïnformeerd dat er uitvoering wordt gegeven aan de motie Heerma c.s. Daarnaast bent u door de Minister van Economische Zaken en Klimaat bent u geïnformeerd over de Tegemoetkoming Energie Kosten voor het energie-intensief mkb. Naar verwachting zal een groot deel van de energie-intensieve sportaanbieders, waaronder de zwembaden, daarop aanspraak kunnen maken om de gestegen energielasten voor een deel te compenseren. In het kader van de uitwerking van de motie Mohandis c.s. onderzoek ik momenteel in hoeverre ook de sportsector en daarmee ook de zwembaden voldoende geholpen zijn middels de bovengenoemde maatregelen en waar eventueel aanvullende maatregelen nodig zijn. Ik informeer uw Kamer in november verder over de stappen die ik zet om de sport te ondersteunen.
Hoeveel kinderen die zwemles volgen zullen hier de dupe van worden?
Daar zijn geen concrete cijfers over beschikbaar, omdat ook niet te zeggen is voor hoeveel en voor welke zwembaden precies sluiting zou dreigen. Wel is duidelijk dat jaarlijks ongeveer 280.000 kinderen een zwemdiploma halen.
Hoeveel sportaanbieders in Nederland komen dit jaar nog in de knel door de stijgende energielasten?
Ik heb zicht op de omvang van de problematiek op macroniveau. Echter door de enorme verschillen in accommodaties betreffende bouwjaar, grootte, exploitatievorm (privaat of gemeentelijk) en de diversiteit in energiecontracten zijn er geen harde cijfers beschikbaar over de concrete gevolgen per accommodatie. Wel volgt uit een inventarisatie van het Mulier Instituut dat de impact van stijgende energieprijzen al merkbaar is voor veel sportclubs en -aanbieders. Veertig procent van de sportaanbieders geeft aan momenteel of binnen een jaar een variabel energiecontract te hebben en daardoor te maken te krijgen met hogere energielasten. De helft van de sportaanbieders geeft aan te overwegen om contributies te verhogen om deze energiekosten op te vangen.
Hoe zorgt u ervoor dat sport betaalbaar en toegankelijk blijft voor iedereen nu steeds meer sportaanbieders zich genoodzaakt zien om de kostenstijgingen door te berekenen in de tarieven die ze bij sporters en verenigingen in rekening brengen?
Het opvangen van de energiecrisis is een gedeelde verantwoordelijkheid, en ik wil samen met de sport, gemeenten en exploitanten kijken hoe de sportsector hier aan kan bijdragen. Ik vraag de sportsector om te kijken hoe de stijgende kosten kunnen worden opgevangen door energie te besparen en om, in overleg met leden, sponsoren en gemeenten, op zoek te gaan naar manieren om extra inkomsten te genereren. De maatregelen vanuit het kabinet om de koopkracht te versterken dragen verder bij om ook de sport zo toegankelijk mogelijk te houden. Bovendien kunnen minder energie-intensieve sportaanbieders profiteren van het ingestelde tariefplafond om zo de kostenstijging deels op te vangen. Aanvullend zal naar verwachting een groot deel van de energie-intensieve sportaanbieders binnen de Tegemoetkoming Energie Kosten regeling vallen waardoor de gestegen energielasten deels worden gecompenseerd.
De maximale temperatuur bij diertransporten |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat afgelopen zomer op verschillende plekken in Nederland wéér dieren zijn aangetroffen die leden aan extreme hittestress tijdens transport naar het slachthuis op hete dagen?1
Ik vind dat dieren hittestress bespaard moet blijven. Op de door Zembla getoonde beelden waren varkens te zien waarbij tekenen van hittestress zichtbaar waren en dat is heel naar om te zien. Ieders inzet moet erop gericht zijn om dit te voorkomen. De NVWA heeft extra gecontroleerd tijdens de warme periodes. Daar waar onnodig lijden kon worden vastgesteld, zijn rapporten van bevindingen opgemaakt. De NVWA verwerkt op dit moment de uitkomsten van de inspecties tijdens de zomer, die worden in november in het kader van de evaluatie van het nationaal plan voor veetransport bij extreme temperaturen geëvalueerd. Uw Kamer zal over de uitkomsten van deze evaluatie worden geïnformeerd.
Herinnert u zich dat de Kamer u in juli 2021 opriep om geen diertransporten meer toe te staan bij een temperatuur boven de 30 graden, maar dat er volgens u niet voldoende wetenschappelijke onderbouwing was om de temperatuur generiek te verlagen?2
Ja deze motie is mij bekend. In de «Verzamelbrief dierenwelzijn», die op 14 april 2022 naar uw Kamer is gestuurd (Kamerstuk 28 286, nr. 1255), licht Minister Staghouwer toe dat met de wetenschappelijke kennis van dat moment, geen generieke verlaging in de beleidsregel mogelijk was.
Heeft u gezien dat de EFSA (European Food Safety Authority) inmiddels haar verwachte adviezen heeft uitgebracht over dierenwelzijn tijdens transport?3, 4, 5, 6, 7
Ja. De Europese Commissie heeft in het kader van de herziening van de transportverordening8 om advies van de EFSA gevraagd. Op woensdag 7 september publiceerde de EFSA een vijftal wetenschappelijke adviezen over het welzijn van dieren tijdens transport op haar website. De rapporten beschrijven uitgebreid de gangbare praktijken van alle stadia van diertransporten en de consequenties voor het welzijn van dieren. Ze sluiten af met aanbevelingen.
Heeft u gezien dat de EFSA niet alleen stelt dat dieren meer ruimte moeten krijgen tijdens transport, maar ook duidelijke grenzen stelt aan de maximale temperatuur waarboven dieren niet meer moeten worden vervoerd?
Ja. Het verheugt mij dat EFSA hierin mijn inzet voor de aankomende herziening van de EU transportverordening steunt. Ik verwijs de Kamer graag naar de position paper die samen met Denemarken, Duitsland, Zweden en België is opgesteld (bijlage bij de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 18 juli 2022, Kamerstuk 21501-32, nr. 1452). Daar vragen we onder andere om meer ruimte voor de dieren en duidelijkere temperatuurgrenzen. De Europese Commissie verwacht eind volgend jaar met voorstellen tot wijziging van de transportverordening te komen.
Heeft u gezien dat EFSA op basis van wetenschappelijke studies concludeert dat biggen, varkens en zeugen niet meer moeten worden vervoerd boven een temperatuur van respectievelijk 30, 25 en 22 graden, gezien de grote kans op ernstige hittestress?
Het EFSA-rapport «Welfare of pigs during transport» bevat een brede analyse van de microklimatische omstandigheden tijdens varkenstransporten. In de conclusies wordt onder andere aangegeven dat de temperatuur, luchtvochtigheid, thermische radiatie, temperatuur van omliggende oppervlakten en windsnelheid de warmtebelasting van dieren tijdens transport beïnvloeden. Deze factoren zouden in theorie allemaal meegenomen moeten worden bij de beoordeling van de microklimatische omstandigheden van varkens. De temperatuur en luchtvochtigheid worden als belangrijkste factoren gezien. In de aanbevelingen staat dat de temperatuur in de transportmiddelen de «upper critical temperatures» (UCT) niet zou moeten overschrijden, om de risico’s op welzijnsconsequenties, veroorzaakt door blootstelling aan hoge effectieve temperaturen, te verkleinen. Deze is geschat op respectievelijk 30, 25 en 22 graden voor biggen van ongeveer 30 kg, varkens en zeugen.
Heeft u gezien dat EFSA op basis van wetenschappelijke studies concludeert dat koeien niet meer moeten worden vervoerd boven een temperatuur van 25 graden, gezien de grote kans op ernstige hittestress?
Het EFSA-rapport «Welfare of cattle during transport» noemt in de conclusies dezelfde factoren als die in het rapport over varkens, die in theorie allemaal in ogenschouw genomen moeten worden om de microklimatische omstandigheden van runderen tijdens transport te beoordelen. De temperatuur en luchtvochtigheid worden weer als belangrijkste factoren aangemerkt. In de aanbevelingen staat dat de temperatuur in de transportmiddelen niet de UCT van zou moet overschrijden, om de risico’s op welzijnsconsequenties, veroorzaakt door blootstelling aan hoge effectieve temperaturen, te verkleinen. De conclusies uit het EFSA-advies geven 25 graden als schatting van de UCT voor runderen.
Heeft u gezien dat EFSA op basis van wetenschappelijke studies concludeert dat ongeschoren schapen niet meer moeten worden vervoerd boven een temperatuur van 28 graden en geschoren schapen bij 32 graden, gezien de grote kans op ernstige hittestress?
Ook het EFSA-rapport «Welfare of small ruminants during transport» bevat een brede analyse van de microklimatische omstandigheden tijdens transporten van kleine herkauwers. De factoren relatieve luchtvochtigheid, thermische radiatie, temperatuur van omliggende oppervlakten en windsnelheid worden wederom genoemd, om in theorie allemaal in ogenschouw te nemen om de microklimatische omstandigheden van schapen tijdens transport te beoordelen. Ook hier zijn temperatuur en luchtvochtigheid als belangrijkste factoren aangemerkt. In de aanbevelingen staat dat de temperatuur in transportmiddelen met schapen niet de UCT zou moeten overschrijden, om de risico’s op welzijnsconsequenties, veroorzaakt door blootstelling aan hoge effectieve temperaturen, te verkleinen. De UCT wordt geschat op 27 graden voor ongeschoren schapen en 32 graden voor geschoren schapen.
Wanneer en op welke manier gaat u aan de slag met het wettelijk vastleggen van deze maximum temperaturen?
De borging van het dierenwelzijn tijdens transporten is Europees geregeld via de transportverordening. Deze verordening is rechtstreeks van toepassing in Nederland en bevat niet de hierboven beschreven temperatuurgrenzen, maar meer algemene normen. Voor de aanpassing van de transportverordening zet Nederland zich samen met andere Europese landen in, zoals ik bij het antwoord op vraag vier heb beschreven.
Niettemin, de transportverordening kent in artikel 3 de algemene bepaling dat het verboden is «dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent». Wat waarschijnlijk letsel of onnodig lijden vanwege hitte betreft, wordt nu beschreven in de EFSA-rapporten. Daarom bezie ik momenteel de mogelijkheden om de EFSA-uitkomsten toe te passen in een beleidsregel, vergelijkbaar met hoe ik in 2020 de Beleidsregel voor diertransport bij hoge temperaturen heb opgesteld. Ik betrek de NVWA en de relevante sectorpartijen hierbij, vooral ook voor de noodzakelijke aandacht voor uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Uiteraard zal ik de Tweede Kamer hierover informeren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb mij ingespannen uw vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Het bericht 'Topambtenaar Economische Zaken nieuwe directeur VNO-NCW' |
|
Nilüfer Gündoğan (Gündogan) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Topambtenaar Economische Zaken nieuwe directeur VNO-NCW»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat deze topambtenaar per direct vertrekt bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en dat hij na een «afkoelingsperiode» van vier maanden op 1 januari 2023 start als directeur van werkgeversorganisatie VNO-NCW?
Ja, dat kan ik bevestigen.
Kunt u melden wanneer de voormalig directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie zijn overstap heeft gemeld?
De overstap is gemeld onmiddellijk na het benoemingsbesluit van VNO-NCW op 29 augustus 2022.
Klopt het dat de voormalig directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie per 1 januari de rol van lobbyist vervult bij de grootste werkgeversorganisatie van Nederland? Klopt het dat bewindspersonen een afkoelingsperiode van twee jaar in acht zouden moeten nemen als zij dezelfde baan bij VNO-NCW zouden willen aannemen?
De voormalig directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie start per 1 januari als algemeen directeur van VNO-NCW.
Ten aanzien van bewindspersonen geldt het volgende.
Eind november 2021 is uw Kamer door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geïnformeerd2 over de nadere maatregelen ter versterking van het integriteitsbeleid voor bewindspersonen. Onderdeel van deze maatregelen was een uitbreiding van het tot dan toe bestaande lobbyverbod. Het uitgebreide lobbyverbod is destijds per direct, november 2021, ingegaan en houdt in dat gewezen bewindspersonen twee jaar lang niet vanuit een bedrijf, semipublieke organisatie of een lobbyorganisatie optreden als bemiddelaar, lobbyist of tussenpersoon in zakelijke contacten met het eigen ministerie of met aanpalende beleidsterreinen waarmee hij tijdens het ambt actieve bemoeienis heeft gehad.
Naast het uitgebreide lobbyverbod zijn in de Kamerbrief van november 2021 een draaideurverbod en een afkoelperiode van twee jaar aangekondigd. In die periode moeten voormalige bewindspersonen advies vragen over de toelaatbaarheid van een eventuele vervolgfunctie aan een onafhankelijke adviescommissie. Zoals in de brief is opgenomen, gaan het draaideurverbod en de adviesverplichting gelden wanneer deze bij wet zijn geregeld. Het voornemen van de Minister van BZK is om het wetsvoorstel dat hierop ziet voor het einde van dit jaar in consultatie te geven.
Deelt u het standpunt dat het mogelijk is dat een directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie op het Ministerie van EZK over dezelfde hoeveelheid gevoelige informatie beschikt als een bewindspersoon?
Het is mogelijk dat een directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie op het Ministerie van EZK over dezelfde informatie beschikt als een bewindspersoon. Hetzelfde geldt voor de kennis en netwerken van een directeur-generaal. Dit is gelet op de functie van een topambtenaar ook gewenst. Topambtenaren geven de bewindspersonen advies en bieden waar nodig tegenspraak. Het is denkbaar dat vanwege het netwerk of de kennis een integriteitsdilemma ontstaat. De Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) voorziet in dergelijke gevallen in kaders en richtlijnen voor het handelen van de ambtenaar.
Deelt u het standpunt dat de kennis, de competenties en de netwerken van een directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie niet onderdoen voor de kennis, de competenties en de netwerken van een bewindspersoon?
Zie het antwoord op vraag 5.
Waarom wordt er inzake integriteit en anticorruptie niet aangesloten bij de aanbevelingen van de Group of States against Corruption (GRECO), waardoor er voor topambtenaren dezelfde regels zouden gelden als voor bewindspersonen?
De aanbevelingen van de Group of States against Corruption (GRECO) uit de vijfde evaluatieronde zijn van toepassing op het integriteitsbeleid voor bewindspersonen, en niet op het integriteitsbeleid voor topambtenaren. Topambtenaren kennen namelijk een andere arbeidsrechtelijke positie dan bewindspersonen. Daarbij zijn zij geen publieke functionarissen en leggen topambtenaren geen publieke verantwoording af. Topambtenaren zijn gebonden aan de integriteitsregels die voor alle ambtenaren gelden. Deze regels en richtlijnen zijn uitvoerig geregeld in de Ambtenarenwet en weergegeven in de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR). Onderdeel van de GIR zijn o.a. regels omtrent financiële belangen, nevenactiviteiten, omgang met derden en vervolgstappen in de carrière.
Kunt u bevestigen dat het waarschijnlijk is dat de voormalig directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie in zijn nieuwe functie regelmatig in contact zal komen met zijn opvolger, met de bewindspersonen en met zijn voormalige directe collega’s op het Ministerie van EZK?
Het Ministerie van EZK heeft contact met diverse belangenorganisaties en stakeholders, waaronder VNO-NCW. De bewindspersonen hebben waar nodig overleg met de vertegenwoordigers van dergelijke belangenorganisaties. Deze worden vaak, maar niet altijd, vergezeld van een medewerker, directeur of directeur-generaal. Het is mede daardoor waarschijnlijk dat de voormalig directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie in zijn nieuwe functie regelmatig in contact zal komen met zijn opvolger, bewindspersonen en medewerkers van EZK. De Gedragscode Integriteit Rijk beschrijft de regels voor ambtenaren omtrent de omgang met lobbyisten. Ambtenaren dienen zich bewust te zijn van de belangen van lobbyisten en van de verschillende mogelijkheden van beïnvloeding. Transparantie en onafhankelijkheid zijn hierbij van belang.
Kunt u bevestigen dat de voormalig directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie inmiddels geen toegang meer heeft tot gevoelige informatie en tot de computersystemen van het Ministerie van EZK? Indien nee, waarom niet?
Ja, dat kan ik bevestigen.
Klopt het dat de «Gedragscode Integriteit Rijk» voor topambtenaren geen minimale afkoelingsperiode voorschrijft? Wat vindt u in dit geval van de gekozen afkoelingsperiode van vier maanden?
Voor ambtenaren geldt de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) waarin een paragraaf is gewijd aan een gevoelige overstap naar ander werk, waarbij sprake kan zijn van botsende belangen. Hierbij wordt een moreel beroep gedaan op de ambtenaar om tijdig te melden, risico’s te bespreken en maatwerk-afspraken te maken. De basis daarvan is het goede gesprek hierover met de leidinggevende. Daarbij kan onderling een afkoelperiode worden afgesproken. De lengte van een afkoelperiode is iets dat tussen werknemer en werkgever wordt afgesproken en betreft altijd maatwerk; daar zijn geen vaste regels voor. In dit geval is tussen werkgever en werknemer een afkoelperiode van 4 maanden afgesproken. Ik acht dit een passende periode.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Vertrek Lidewijde Ongering bij EZK»?2
Ja.
Wat wordt precies bedoeld met de constatering dat de voormalig secretaris-generaal en de politieke leiding van EZK «anders denken over de aansturing van de organisatie»?
De politieke en ambtelijke top van een ministerie bepalen samen de koers die je met elkaar volgt om uitwerking te geven aan de gezamenlijke ambities. Daarin komen beelden over wat er nodig is niet altijd overeen. De voormalig secretaris-generaal heeft geconstateerd dat de politieke leiding en zij anders dachten over de aansturing van de organisatie. Ik betreur die beslissing maar respecteer ook de persoonlijke keuze die zij heeft gemaakt.
Kunt u toelichten waarom een gerespecteerde en zeer ervaren hoogste ambtenaar meent dat ze geen verantwoordelijkheid meer voor de organisatie van EZK kan dragen?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bekend met het nieuwjaarsartikel van de voormalig secretaris-generaal onder de titel «Vaart maken richting een duurzaam verdienvermogen»?3
Ja, dit is mij bekend.
Bent u zich ervan bewust dat in het nieuwjaarartikel wezenlijke kritiek wordt geuit op de huidige inrichting van het Nederlandse Klimaatbeleid? In hoeverre heeft een afwijkende visie van de voormalig secretaris-generaal op het kabinetsbeleid een rol gespeeld bij haar vertrek?
In het publieke debat is het vanzelfsprekend dat er ruimte is voor tegenspraak en inhoudelijke onderbouwing van maatschappelijke opgaven. Het ESB is een platform voor economie, dat interactie en discussie tussen wetenschappers, beleidsmakers en in beleid geïnteresseerde economen stimuleert.
Het nieuwjaarsartikel wordt traditioneel op persoonlijke titel geschreven door de secretaris-generaal van het Ministerie van EZK. Het nieuwjaarsartikel betreft een bijdrage van de voormalig secretaris-generaal over het toekomstig verdienvermogen van Nederland.
Het Coalitieakkoord is leidend voor de uitvoering van beleid. Ambtenaren leveren daar iedere dag een belangrijke bijdrage aan. De voormalig secretaris-generaal heeft aangegeven wat haar beweegredenen waren voor haar vertrek5, deze stonden geheel los van de inhoud van het beleid waar het ministerie over gaat.
Klopt het dat de voormalig secretaris-generaal een voorstander is van kernenenergie als instrument om de energietransitie op een sociaaleconomisch aanvaardbare wijze ten uitvoer te kunnen brengen? Hebben standpunten van mevrouw Ongering ten aanzien van de inzet van kernenergie op enigerlei wijze bijgedragen aan haar vertrek bij het Ministerie van EZK?
Zie het antwoord op vraag 15.
Klopt het dat de voormalig secretaris-generaal actief pleit voor veel bredere CO2-beprijzing dan de huidige methode, hoofdzakelijk via de energierekening en de heffingen in het kader van de Opslag duurzame energie (ODE)? Hebben standpunten van de voormalig secretaris-generaal ten aanzien van brede CO2-beprijzing op enigerlei wijze bijgedragen aan haar vertrek bij het Ministerie van EZK?
In het nieuwjaarsartikel doet de voormalig secretaris-generaal suggesties op o.a. diverse bekostigingswijzen om de klimaatambities te realiseren. Zie ook het antwoord op vraag 15.
Deelt u het standpunt dat de doelmatigheid van het beleid negatief wordt beïnvloed als fundamentele inhoudelijke meningsverschillen geen onderdeel zijn van het publieke debat?
Ik deel uw mening.
Het bieden van tegenspraak, kritische reflectie, inhoudelijke onderbouwing en intern debat draagt bij aan de kwaliteit, doelmatigheid en legitimiteit van beleid. Op het Ministerie van EZK vormen deze aspecten de basis voor het politiek-ambtelijke dialoog over de totstandkoming van beleid.
Kunt u pertinent uitsluiten dat inhoudelijke meningsverschillen een rol hebben gespeeld bij het vertrek van de voormalig secretaris-generaal? Is er voldoende ruimte voor tegengeluid op het ministerie?
Ja. Zie het antwoord op vraag 13, 15 en 18.
Het bericht 'Grote giftige spin rukt op: in hele land gesignaleerd' |
|
Erik Haverkort (VVD), Thom van Campen (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid, minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote giftige spin rukt op: in hele land gesignaleerd»?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten in welke mate de valse wolfspin een gevaar voor mensen vormt?
Deze spin vormt voor mensen geen gevaar. De spinnendeskundige die in het krantenartikel kort wordt aangehaald, nuanceert in een later artikel in Nature Today2 en in het Jeugdjournaal3 zelf de berichtgeving rond de valse wolfspin. Incidenteel, wanneer de spin zich bedreigd voelt, kan de spin bijten. De beet van de valse wolfspin is vergelijkbaar met een wespensteek en kan bij uitzondering – net zoals in het geval van een wespensteek – een allergische reactie veroorzaken. Het geringe gevaar wordt ook bevestigd door de spinnendeskundige van het Nederlands Instituut voor Vectoren, Invasieve planten en Plantgezondheid (NIVIP) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Hoe verklaart u de stelling uit het artikel dat de valse wolfspin vergeleken met een jaar geleden twee keer zo vaak in Nederland gezien is?
De eerste waarneming van de valse wolfspin dateert uit 2007. Sindsdien wordt de soort geregeld waargenomen; hij heeft zich gevestigd, en neemt in aantal toe. Experts voorspellen de komende decennia verdere en snellere toename van het aantal introducties van exoten als gevolg van menselijke activiteiten. Vooral internationale handel, transport en toerisme dragen bij aan introductie van exoten in ons land. Intensief gebruik van land, water en zee en klimaatverandering vergroten vervolgens de kans op vestiging en verdere verspreiding van exoten. Dit lijkt ook het geval voor de valse wolfspin.
Wat is uw reactie op de constatering uit het artikel dat de valse wolfspin zich definitief in Nederland gevestigd heeft? In hoeverre is er meer onderzoek nodig om dit aan te tonen?
Op basis van het aantal waarnemingen kan worden geconcludeerd dat de valse wolfspin zich in Nederland gevestigd heeft. Aanvullend onderzoek is daarvoor niet nodig.
Klopt de constatering dat als de valse wolfspin zich in Nederland definitief gevestigd heeft, deze diersoort opgemerkt kan worden als een invasieve exoot?
De valse wolfspin is een uitheemse soort. Hij komt van nature onder meer in Zuid-Europa voor. Het is waarschijnlijk dat de valse wolfspin niet op eigen kracht in Nederland terecht is gekomen, maar hierbij «geholpen» is door de mens. Dat kan door bewuste introductie in ons milieu (zoals import en loslaten van dieren), maar ook onbedoeld. Bijvoorbeeld door het meeliften van de spin met (goederen-) transport, bagage of via kampeerspullen na een vakantie in Zuid-Europa. In geval van de valse wolfspin wordt aangenomen dat menselijk handelen op zijn minst heeft bijgedragen aan de introductie, en dan spreken we van een exoot. Indien een exoot schadelijk is voor natuur of anderszins, bijvoorbeeld doordat deze inheemse Nederlandse spinnen- of diersoorten (organismen) verdringt, dan spreken we van een invasieve exoot. Er zijn geen signalen dat de valse wolfspin schadelijk is voor de Nederlandse biodiversiteit.
Klopt het dat invasieve exoten teruggedrongen dienen te worden, vanwege hun negatieve effect op de biodiversiteit en daarmee de kwaliteit van onze leefomgeving?
Invasieve uitheemse soorten vormen een van de voornaamste bedreigingen voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten. Introductie van invasieve exoten in ons milieu dient daarom zoveel mogelijk te worden voorkomen. Als introductie in het milieu toch plaatsvindt, dan is de meest effectieve aanpak om de populatie in een zo vroeg mogelijk stadium van invasie proberen uit te roeien. In de praktijk blijkt uitroeiing echter niet altijd haalbaar.
In de Europese Unie komen duizenden soorten exoten (planten en dieren) voor. De meesten zijn nuttig en onschadelijk (zoals aardappel en tomaat). Echter, zo’n 10 tot 15% van de soorten blijkt in meer of mindere mate invasief. Binnen de Europese Unie is daarom afgesproken de aanpak te richten op zorgwekkende invasieve uitheemse soorten van de Europese Unielijst (verder: Unielijst). De Unielijst komt tot stand via een zorgvuldig proces van risicobeoordeling en Europese besluitvorming. De Europese Exotenverordening (Nr. 1143/2014) is van toepassing op de soorten van de Unielijst. De valse wolfspin staat niet op de Unielijst.
Wat is uw reactie op de causale relatie tussen klimaatverandering en de toename in invasieve exoten, zoals de valse wolfspin en de jachtkrabspin?
Het leefgebied van soorten verandert door klimaatverandering. In Nederland hebben zich laatste decennia nieuwe soorten gevestigd, soms door natuurlijke verspreiding en soms geholpen door de mens. Klimaatverandering kan maken dat invasieve exoten zich dankzij veranderde klimaatomstandigheden beter kunnen vestigen en verspreiden in Nederland.
Welke stappen neemt u op dit moment om ervoor te zorgen dat het aantal invasieve exoten in Nederland afneemt of in elk geval niet verder toeneemt?
Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit werkt in de aanpak van invasieve exoten samen met andere overheden en organisaties. Met name de provincies vervullen hierbij een belangrijke rol vanwege de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies. De Europese Exotenverordening is leidend voor de inzet die zich richt op drie hoofdsporen; preventie, beheersing en herstel. De opgave zal, zie ook antwoord 3, de komende decennia groter worden. Dit betekent dat er steeds slimmere strategieën gevolgd moeten gaan worden, zoals meer preventie vóóraf in plaats van bestrijding en herstel achteraf. Ook zal in de toekomst scherp geprioriteerd moeten worden welke invasieve exoten wel of niet (kunnen) worden aangepakt en op welke locaties. Handelingsperspectief ontbreekt vaak bij gebrek aan effectieve en uitvoerbare bestrijdingsmethoden. En ook kan niet ongelimiteerd beroep worden gedaan op (schaarse) mensen en middelen.
Misstanden binnen de United Nations Office for Project Services (UNOPS) |
|
Alexander Hammelburg (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe de VN Nederlands geld voor schone toiletten verkwistten»?1
Ja.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel Nederlandse middelen, afkomstig van de begrotingen van uw departementen of van andere departementen, er naar de United Nations Office for Project Services (UNOPS) zijn gegaan ten behoeve van de uitvoer van projecten voor het Water Supply and Sanitation Collaborative Council (WSSCC) of voor andere projecten of fondsen?
In de afgelopen 10 jaar zijn vanuit het Ministerie van Buitenlandse Zaken 31 contracten afgesloten met UNOPS, voor een totaalbedrag van EUR 123,5 miljoen. Aanvullende gegevens over de Nederlandse projecten bij UNOPS kunt u vinden in het open data OS Portaal2.
Naar aanleiding van welke conclusies in de samenvatting van het frauderapport hebt u besloten om betalingen aan het WSSCC tijdelijk stop te zetten?
Er zijn geen betalingen aan WSSCC stopgezet. De laatste betaling aan UNOPS ten behoeve van WSSCC was in december 2019 voor de uitvoering van activiteiten in de periode januari t/m december 2020. WSSCC is per eind december 2020 opgehouden te bestaan.
Wel is in december 2020 de ondertekening van een arrangement met UNOPS ten behoeve van het nieuwe Sanitation and Hygiene Fund (SHF) en de betaling van de eerste bijdrage daaraan aangehouden. Dit omdat Nederland volledige openheid van UNOPS wilde aangaande onregelmatigheden die bij WSSCC waren geconstateerd en aanvullende waarborgen eiste om de kans op dergelijke herhalingen binnen SHF te minimaliseren. Nederland is pas overgegaan tot committering nadat UNOPS voldoende vertrouwen had gegeven dat aan de gevraagde voorwaarden en waarborgen zou worden voldaan.
Op basis van welke informatie of conclusies heeft u na ontvangst van het gehele rapport besloten om de stopgezette betalingen alsnog doorgang te laten vinden?
In juni 2021 had het ministerie op basis van de conclusies van de onafhankelijke interne audit- en onderzoeksdienst van UNOPS en gesprekken die werden gevoerd met medewerkers van deze dienst, voldoende vertrouwen in het beheer van het voorgestelde programma en werd een nieuw arrangement met UNOPS voor SHF aangegaan. Aan dat arrangement werden wel voorwaarden gesteld, zoals de toezending van het volledige onderzoeksrapport, welke vertrouwelijk is, om volledig inzicht in de bevindingen te hebben. Hieraan heeft UNOPS na het afsluiten van een Memorandum of Understanding met het ministerie vóór de gestelde deadline voldaan.
Hoe reflecteert u op het besluit om de VN-medewerker en zijn collega’s die werkzaam waren bij het WSSCC en zich hebben gemeld als klokkenluider bij de ambtenaren van uw ministerie niet te horen?
Klokkenluiders die zich melden bij Buitenlandse Zaken worden altijd gehoord. Iedere melding wordt serieus genomen en opgevolgd. Het ministerie doet geen uitspraken over specifieke gevallen, omdat deze gesprekken op vertrouwelijke basis plaatsvinden.
Hoe reflecteert u op de conclusie van klokkenluider Mukesh Kapila dat binnen de organisatie UNOPS sprake is van een gebrek aan toezicht op investeringen, due dilligence, compliance, risicomanagement, scheiding der machten en leiderschap?
Sinds maart 2022 kwamen steeds meer serieuze, systemische problemen bij UNOPS aan het licht. De Uitvoerende Raad, waarin Nederland dit jaar procesmatig een actieve rol heeft als voorzitter, en de Executive Director a.i. van UNOPS hebben hier op gehandeld om enerzijds meer duidelijkheid te krijgen over de situatie en anderzijds bestaande risico’s zo veel mogelijk te mitigeren.
Nederland heeft, samen met andere lidstaten, een toezichthoudende rol ten aanzien van het werk van VN organisaties als UNOPS en diens audit- en onderzoeksdienst (Internal Audit and Investigation Group – IAIG). Voor nu is het van belang dat alle feiten op tafel komen. De Uitvoerende Raad van UNDP/UNFPA/UNOPS heeft hiertoe opdracht gegeven tot twee externe onderzoeken. Deze twee externe onderzoeken naar UNOPS, over mogelijke misstanden bij het S3i-initiatief en naar de interne controlesystemen en het management van UNOPS, moeten meer inzicht gaan geven. Op basis hiervan, en los van deze onderzoeken, maakt Nederland, samen met andere donoren, afspraken met UNOPS ter verbetering van de interne controle- en toezichtmechanismen.
Hoe reflecteert u op de conclusie van de New York Times dat er 22 miljoen dollar is verdwenen bij UNOPS?2
In het United Nations Board of Auditors (UNBoA) Rapport over UNOPS4 uit 2021 zijn de betalingsproblemen rondom S3i gesignaleerd. UNBoA keurde het UNOPS financieel jaarverslag wel goed. Tijdens de Uitvoerende Raad van september 2021 en in de Vijfde Commissie van de 76e Algemene Vergadering is hier ook aandacht aan besteed. Op dat moment waren er nog geen indicaties van systemische problemen binnen UNOPS en gaf UNOPS aan dat betreffende zaken onder controle waren en dat aanbevelingen van UNBoA opgevolgd zouden worden.
Vanaf maart 2022 werd steeds meer duidelijk dat er sprake was van serieuze problemen bij UNOPS en is door Nederland als voorzitter van de Uitvoerende Raad om extra informatie en helderheid gevraagd bij UNOPS en andere relevante VN onderdelen in voorbereiding op de jaarlijkse vergadering in juni. Mede op aandringen van Nederland – in zowel haar procesmatige voorzittersrol van de Uitvoerende Raad alsook als lidstaat, werd daarom door de Uitvoerende Raad in juni stevig ingegrepen bij UNOPS. Er werd besloten tot bevriezing van alle investeringsfondsen en -reserves, anders dan de operationele reserve die noodzakelijk is voor het functioneren van UNOPS. Daarnaast werd onmiddellijke actie van UNOPS geëist om eventueel verkeerd besteedde fondsen direct terug te vorderen en een tweetal externe onderzoeken gelast naar enerzijds S3i en anderzijds UNOPS controlesystemen. Sinds juni wordt door de VN juridische dienst (OLA) onderzocht hoe en hoeveel van deze fondsen inderdaad teruggevorderd kunnen worden en lopen er meerdere onderzoeken naar de achtergronden en oorzaken. Nederland hecht grote waarde aan accountability en rechtvaardigheid en zal zich er dus voor blijven inzetten dat onrechtmatig besteedde financiering teruggevorderd wordt en dat er passende sancties volgen voor de verantwoordelijken.
Op basis van welke informatie heeft u besloten alle resterende betalingen aan UNOPS te bevriezen en geen nieuwe contracten meer met UNOPS af te sluiten? Wanneer heeft u dit besluit genomen?
De informatie die in de periode vanaf maart 2022 werd ontvangen vanuit UNOPS en van andere betrokken VN-partijen, alsmede verdere ontwikkelingen zoals het aftreden van de Executive Director van UNOPS op 8 mei, hebben tot grote zorgen over het functioneren van UNOPS geleid bij Nederland en andere betrokkenen/partners.
Dit resulteerde in zeer vergaande ingrepen en gevraagde acties door de Uitvoerende Raad van UNDP/UNFPA/UNOPS tijdens de jaarlijkse vergadering (6 t/m 10 juni j.l.). Zo zijn investeringsreserves bij UNOPS bevroren, externe onderzoeken om misstanden te onderzoeken afgedwongen en wordt op aandringen van Nederland de onafhankelijkheid van de interne onderzoeksdienst en Ethics Office versterkt.
Op 30 juni 2022 werd, in het licht van datgene wat op dat moment bekend was en gegeven de onzekerheden over de reikwijdte van de problemen, besloten om in de Nederlandse samenwerking met UNOPS een tijdelijke betaalpauze in te gelasten en tevens een verzwaarde procedure in te stellen voor het aangaan van nieuwe committeringen.
Heeft u signalen om aan te nemen dat UNOPS Nederlandse middelen op een oneigenlijke manier heeft uitgegeven?
Op dit moment hebben we geen indicaties dat Nederlandse middelen aan UNOPS op een oneigenlijke manier zijn uitgegeven anders dan de middelen die betrokken zijn bij de geconstateerde problemen rondom het S3i initiatief. Dat S3i initiatief is namelijk gefinancierd uit de reserves van UNOPS, die zijn opgebouwd uit de onbestede management tarieven welke door UNOPS voor haar werkzaamheden worden geïnd. De exacte herkomst en opbouw van die reserves is niet eenvoudig herleidbaar tot individuele bijdrages van lidstaten.
Welke stappen neemt u om te voorkomen dat Nederlandse middelen in de toekomst door UNOPS of andere VN-fondsen op een oneigenlijke manier worden uitgegeven?
Nederland en andere donoren en partners van UNOPS volgen de ontwikkelingen bij UNOPS kritisch en nauwgezet en zetten de organisatie voortdurend aan om de zaken snel en degelijk op orde te krijgen. Vanuit de procesrol als voorzitter van de Uitvoerende Raad vraagt Nederland, sinds de ernst van de zaak duidelijk is geworden, regelmatig updates van UNOPS voor de leden van de Uitvoerende Raad. Er heeft onder andere, voor het eerst ooit, een gesloten bijeenkomst plaatsgevonden tussen de UNOPS controlediensten en de Uitvoerende Raad, om zonder aanwezigheid van management open en eerlijk te spreken over onafhankelijkheid, hervormingen en noodzakelijke verbeteringen. Zo zorgen we ervoor dat alle partijen continue geïnformeerd blijven over de laatste ontwikkelingen, inzichten en genomen acties. Het Nederlandse leiderschap in deze zaak als voorzitter wordt breed gewaardeerd door de leden van de Uitvoerende Raad. Er zal onder Nederlands voorzitterschap eind november bij uitzondering een speciale sessie van de Uitvoerende Raad worden georganiseerd om de uitkomsten van de gevraagde externe onderzoeken te bespreken.
Mogelijke vervolgstappen zet het ministerie op basis van feiten en onderzoek, daar lopen we nu niet op vooruit. In afwachting van de onderzoeken en maatregelen die worden genomen, heeft Nederland een tijdelijke betaalpauze ingelast en is er een verzwaarde procedure voor het aangaan van nieuwe committeringen bij UNOPS.
Aanvullend is, mede op initiatief van Nederland, in september tijdens de Uitvoerende Raad extra aandacht besteed aan en zijn relevante besluiten genomen op het terrein van de toezicht- en controlestructuren van UNDP/UNFPA/UNOPS5, UN Women6 en UNICEF7 in hun respectievelijke Uitvoerende Raden. Met de besluiten die zijn aangenomen wordt de informatievoorziening aan de Uitvoerende Raad in de toekomst beter, waardoor mogelijke risico’s sneller kunnen worden aangepakt.
Het bericht ‘Vrijheid voor leider Bende van Venlo lonkt na zeven moorden’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrijheid voor leider Bende van Venlo lonkt na zeven moorden»?1
Ja.
Klopt het dat de Frank P. in totaal ongeveer 250 geweldsdelicten heeft gepleegd, waaronder ten minste zeven moorden?
De heer P. is op 26 april 1996 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf voor meervoudige moord en meervoudige gekwalificeerde doodslag op in totaal zeven personen. Over mogelijk gepleegde delicten die niet hebben geleid tot deze veroordeling kan ik geen uitspraken doen.
Sinds wanneer staat de tot levenslang veroordeelde Frank P. op de wachtlijst van de Rooyse Wissel?
P. staat sinds 8 september 2022 op de wachtlijst van het forensisch psychiatrisch centrum (FPC) De Rooyse Wissel.
Zijn alle slachtoffers en nabestaanden betrokken bij het besluit om Frank P. op de wachtlijst van de Rooyse Wissel te plaatsen? Zo ja, hoe zij zijn betrokken en zo nee, waarom niet?
Om te beginnen wil ik benadrukken dat P. mogelijk wordt overgeplaatst naar FPC De Rooyse Wissel zodat hij daar een behandeltraject kan volgen, er is geen sprake van re-integratieactiviteiten zoals verlof of andere vrijheden (zie ook de beantwoording op vraag 6 en 7). Slachtoffers en nabestaanden worden geïnformeerd over een overplaatsing als er sprake is van vrijheden. In dit geval is dat daarom niet gebeurd.
Klopt het dat er in 2019 meerdere adviezen zijn geweest, waaronder die van het Adviescollege Levenslanggestraften, op grond waarvan destijds is geoordeeld dat zelfs van een eerste stap richting terugkeer in de samenleving niet aan de orde kon zijn?
Voordat ik in ga op de zaak P., schets ik eerst het beleidskader voor de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf.2 Het beleidskader voorziet in een procedure voor herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf en biedt mogelijkheden voor de levenslanggestrafte om zich daarop voor te bereiden. Op grond van dit kader adviseert het Adviescollege Levenslanggestraften (hierna: Adviescollege) 25 jaar na aanvang van de detentie of een levenslanggestrafte kan worden toegelaten tot de re-integratiefase. Dit doet het Adviescollege bij iedere levenslanggestrafte. Het Adviescollege hanteert hierbij de volgende vier criteria:
Voorafgaand aan de advisering door het Adviescollege vindt een uitgebreid onderzoek plaats, waarbij de betrokkene onder meer ter observatie in het Pieter Baan Centrum (PBC) wordt geplaatst voor ten minste zes weken. Het Adviescollege baseert zijn advies mede op het rapport van het PBC. Naast het onderzoek door het PBC wordt advies ingewonnen bij de reclassering en wordt een nabestaanden- en slachtofferonderzoek uitgevoerd. Ook hoort het Adviescollege de slachtoffers en nabestaanden, indien zij dat wensen, en tot slot de levenslanggestrafte zelf.3
Het Adviescollege brengt vervolgens advies uit aan mij zodat ik een beslissing kan nemen over het al dan niet toelaten van een levenslanggestrafte tot de re-integratiefase.
In de zaak P. heeft het Adviescollege op 11 maart 2019 negatief geadviseerd omtrent de toelating tot de re-integratiefase. Zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften ben ik gehouden bij een negatief advies van het Adviescollege dienovereenkomstig te beslissen. Bij besluit van 8 juli 2019 heb ik aan P. medegedeeld dat hij niet wordt toegelaten tot de re-integratiefase. Het Adviescollege heeft in zijn advies van 2019 opgenomen dat het na twee jaren een vervolgadvies zou uitbrengen (zie antwoord op vraag 6 en 7).
Waarom kan een eerste stap richting terugkeer in de samenleving nu wel aan de orde zijn?
In november 2021 heeft het Adviescollege vervolgadvies uitgebracht in de zaak P. Het Adviescollege adviseerde op basis van zijn deskundig oordeel en alle uitgevoerde onderzoeken opnieuw om P. niet toe te laten tot de re-integratiefase. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 5 ben ik gehouden bij een negatief advies van het Adviescollege dienovereenkomstig te beslissen. Bij besluit van 21 december 2021 heb ik wederom aan P. medegedeeld dat hij niet wordt toegelaten tot de re-integratiefase.
De plaatsing van P. op de wachtlijst van FPC De Rooyse Wissel is dan ook niet in het kader van de re-integratiefase, maar in het kader van behandeling. Het PBC heeft door middel van observatieonderzoek een stoornis bij P. geconcludeerd en hierover in juni 2021 gerapporteerd. P. heeft in september 2021 een verzoek ingediend tot overplaatsing naar een FPC voor behandeling van die stoornis. In dit verband is het Murray-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van belang. Op grond van het Murray-arrest is elke lidstaat verplicht zijn volledige medewerking te geven aan een behandeling van een stoornis bij een gedetineerde wanneer er een reële kans is dat door de behandeling zijn recidiverisico wordt verminderd. Het OM heeft negatief geadviseerd over het opstarten van een behandeltraject van P. Het Adviescollege heeft in november 2021 overwogen dat betrokkene een behandelingstraject zal moeten ingaan gericht op vermindering van het recidiverisico, teneinde in de toekomst eventueel in aanmerking te kunnen komen voor toelating tot de re-integratiefase.
Alles overwegende heb ik bij besluit van 21 december 2021 aan P. gecommuniceerd dat ik de besluitvorming omtrent zijn overplaatsingsverzoek naar een FPC aanhoud in afwachting van de uitkomst van de indicatiestellingsprocedure (een indicatie is een verwijzing die nodig is voor behandeling van een justitiabele in een instelling). Inmiddels is voor P. een indicatie afgegeven voor plaatsing in een FPC voor behandeling. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 staat P. sinds 8 september 2022 op de wachtlijst van FPC De Rooyse Wissel. Wanneer een opnamedatum bekend is, neemt de directeur van de penitentiaire inrichting namens de Minister een besluit over het overplaatsingsverzoek. Tijdens het behandeltraject zal geen sprake zijn van re-integratieactiviteiten zoals verlof of andere vrijheden. Na afloop van de behandeling gaat P. weer terug naar de penitentiaire inrichting. Het Adviescollege brengt in 2023 weer een vervolgadvies uit in de zaak P. omtrent de re-integratiefase.
Heeft het Openbaar Ministerie positief geadviseerd tot deze stap? Zo nee, waarom heeft u daar dan toch toe besloten?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe is bij het besluit in 2019 en het besluit in 2022 de impact op de vele slachtoffers en nabestaanden in Venlo en omstreken gewogen?
Het wegen van de belangen van slachtoffers en nabestaanden gebeurt door het Adviescollege in het kader van zijn advisering aan de Minister voor Rechtsbescherming over de toelating tot de re-integratiefase. Aan slachtoffers en nabestaanden wordt gevraagd of zij bereid zijn mee te werken aan een slachtoffer- en nabestaandenonderzoek. Een dergelijk onderzoek vindt plaats door tussenkomst van Slachtofferhulp Nederland.
Indien de slachtoffers en nabestaanden dat wensen, worden zij door het Adviescollege gehoord in het kader van het eerste advies. Bovenstaande is ook van toepassing op de zaak P.
De moord op een Palestijnse journaliste |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de verklaring d.d. 5 september van de Israëlische strijdkrachten over de dood van de Palestijnse journaliste Shireen Abu Akleh?1
Nederland heeft kennisgenomen van de verklaring van de Israëlische strijdkrachten. De conclusie die hierin wordt getrokken is dat Shireen Abu Akleh zeer waarschijnlijk om het leven is gekomen door een kogel van de Israeli Defence Forces (IDF). Om te begrijpen wat er precies is gebeurd, is een uitgebreide beschrijving nodig van de omstandigheden en de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid. Het IDF-rapport draagt hieraan bij. Samen met gelijkgezinde partners blijft Nederland bij Israël aandringen op verantwoording en op berechting van degenen die verantwoordelijk zijn voor de dood van Shireen Abu Akleh. Vrijheid van meningsuiting, persvrijheid en de veiligheid van journalisten zijn essentieel voor een democratische rechtsstaat.
Bent u het eens dat de conclusie van deze verklaring – dat de schuldige niet kan worden aangewezen en het onderzoek daarmee ten einde is – uitermate onbevredigend is?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat de motie Jasper van Dijk/Agnes Mulder om zich voor deze zaak te blijven inspannen zodat de daders kunnen worden berecht, nog altijd niet is uitgevoerd?2 Wat gaat u doen om dit alsnog te realiseren?
Nederland heeft zich er met gelijkgezinde landen hard voor gemaakt dat de oproep tot berechting van degenen die verantwoordelijk zijn voor de dood van Shireen Abu Akleh zou worden opgenomen in het EU-statement voor de EU-Israël Associatieraad. Ook heeft Nederland zich als co-voorzitter van de Media Freedom Coalition ingespannen voor een gezamenlijke verklaring waarin het overlijden van de Palestijnse journaliste Shireen Abu Akleh scherp wordt veroordeeld. In deze verklaring wordt opgeroepen tot verantwoording en bepleit dat aanvallen op journalisten en mediapersoneel grondig onderzocht moeten worden. Mede dankzij de inzet van Nederland is deze oproep door 26 landen ondertekend. Ten slotte benadrukt Nederland ook in bilaterale contacten met Israël het belang van verantwoording en gerechtigheid. Op basis hiervan is het kabinet van oordeel dat uitvoering is gegeven aan de motie van Jasper van Dijk en Agnes Mulder (Kamerstuk 35 925-V, nr. 109).
Erkent u dat onafhankelijk onderzoek naar de toedracht nog altijd hard nodig is? Gaat u daarop aandringen?
Israël heeft, na oproepen van de internationale gemeenschap inclusief Nederland, een forensisch onderzoek ingesteld. De United States Security Coordinator of the Israel-Palestinian Authority (USSC) heeft hier als onafhankelijke partij toezicht op gehouden.
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van uw diplomatie richting Israël? Erkent u dat u veel meer kunt doen dan gesprekken voeren en verbale veroordelingen?
Het voeren van gesprekken en het veroordelen van gebeurtenissen zijn beproefde instrumenten in het diplomatieke verkeer. In de kwestie van de dood van Shireen Abu Akleh hebben oproepen van de internationale gemeenschap inclusief Nederland ertoe bijgedragen dat Israël een forensisch onderzoek heeft ingesteld.
Dankzij de goede bilaterale relatie is Nederland in staat gesprekken met Israël aan te gaan ook over gevoelige onderwerpen.
De berichten 'Uitpuilende collegezalen en ellenlange wachtlijsten: universiteiten willen niet meer groeien' en 'UvA: minder buitenlandse studenten toelaten' |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Uitpuilende collegezalen en ellenlange wachtlijsten: universiteiten willen niet meer groeien»1 en «UvA: minder buitenlandse studenten toelaten»?2
Ja, daar ben ik mee bekend.
Welke onderbouwing hanteren instellingen zoals de UvA om voor de opleidingen psychologie, politicologie, mediastudies en communicatie, met het oog op de eindtermen (en uiteindelijk ook het functioneren in de Nederlandse samenleving), meerwaarde te onderbouwen voor het hanteren van het Engels in plaats van het Nederlands als voertaal van de opleiding?
Instellingen bepalen zelf de taalkeuze van de opleiding. De NVAO beoordeelt de motivering van de taalkeuze van zowel nieuwe als bestaande opleidingen. Ik heb de NVAO reeds verzocht om een rapportage op te stellen over de wijze waarop de opleidingstaal in de afgelopen periode door de NVAO is beoordeeld en tot welke conclusies dit geleid heeft. Hierin wordt de motivatie voor de keuze van een opleidingstaal meegenomen. Over de uitkomsten hiervan informeer ik u begin 2023 in mijn brief over internationalisering.
Herkent u het punt in het artikel, dat al vaker gemaakt is, dat Nederlandse vwo-scholieren níet terecht kunnen bij populaire studies omdat ze worden weggeconcurreerd door studenten uit het buitenland? Kunt u bij benadering aangeven wat de omvang hiervan is?
Toegankelijkheid voor Nederlandse studenten van het Nederlandse hoger onderwijs is een van de uitgangspunten voor het hoger onderwijs. Het hoger onderwijs in Nederland is dan ook zeer toegankelijk voor Nederlandse studenten. Met het juiste diploma (en vakkenpakket) uit het voortgezet onderwijs zijn Nederlandse studenten bij alle opleidingen direct toelaatbaar; slechts een beperkt aantal opleidingen hanteert een capaciteitsfixus. In dat geval zijn aspirant-studenten wel toelaatbaar, maar kan niet iedere kandidaat wegens capaciteitsgebrek ook worden toegelaten. De numerus fixus geldt voor alle studenten, zowel Nederlandse als internationale studenten. De plaatsen worden op basis van selectie verdeeld, waarbij de kandidaten worden gerangschikt op basis van minimaal twee kwalitatieve criteria.
Wat wel voorkomt is dat Nederlandse studenten niet altijd terechtkunnen bij de studie van hun eerste keuze. In studiejaar 2021–2022 kon vijf procent van de Nederlandse studenten die een selectieprocedure heeft doorlopen niet de opleiding van de eerste keuze volgen (Kamerstuk 31 288, nr. 972). Al deze Nederlandse studenten konden wel elders in het hoger onderwijs worden toegelaten. Het is niet bekend of de vijf procent niet kon starten bij de opleiding van de eerste keuze vanwege concurrentie van andere Nederlandse studenten of van internationale studenten.
Wat is uw definitie van internationalisering? Hoe verhoudt dit zich tot toegankelijkheid, kansengelijkheid én de regionale verankering van instellingen?
In 2018 stuurde mijn ambtsvoorganger de brief «Internationalisering in evenwicht» naar uw Kamer. In deze brief staat een aantal noties omtrent internationalisering dat nog steeds geldt (Kamerstuk 22 452, nr.3. Van oudsher kenmerkt Nederland zich door een open samenleving, een blik naar buiten en een diverse populatie. Die openheid heeft ons veel gebracht en zal ons – gezien de ontwikkelingen in de wereld en in de Nederlandse samenleving – ook in de toekomst heel goed van pas blijven komen. Het onderwijs speelt een essentiële rol bij het toerusten van onze beroepsbevolking voor deelname in die open, naar buiten gerichte, diverse samenleving. De Onderwijsraad formuleert internationalisering dan ook als volgt: «de versterking van internationale dimensies in het onderwijs ten behoeve van het internationaal competent worden van leerlingen en studenten»4.
Zoals in de Internationale Kennis- en Talentstrategie weergegeven, is een internationale oriëntatie voor wetenschappelijke organisaties en hogeronderwijsinstellingen vanzelfsprekend. Kennis is grenzeloos. Wetenschappelijke doorbraken komen tot stand in internationaal werkende teams op kennisinstellingen wereldwijd (Kamerstuk 31 288, nr. 893). Mee blijven doen in de wereldtop vereist samenwerking op internationaal niveau en sterk, kwalitatief hoogwaardig onderwijs en onderzoek. Dat betekent namelijk meer toegang tot de beste mensen, de beste ideeën en de beste onderzoeksfaciliteiten. Samen bereik je meer dan als Nederland alleen. Onderzoeksprogramma’s met internationale – ook private – partners vergroten de kans op excellente wetenschap en doeltreffende innovatie. Ze maken Nederland tot een van de belangrijkste kennis- en innovatiehubs van de wereld. Voor sommige onderzoeksonderwerpen zoals gezondheidszorg, biodiversiteit en sociale cohesie, is transnationale samenwerking zelfs een noodzaak om te komen tot goede conclusies en zinvolle aanbevelingen.
Tegelijkertijd is elke onderwijsinstelling ook geworteld in de lokale en regionale samenleving. De gevolgen van internationalisering worden in die omgeving gevoeld. Enerzijds in positieve zin, bijvoorbeeld omdat de economische groei wordt versterkt, anderzijds in negatieve zin, omdat er bijvoorbeeld extra druk kan ontstaan op huisvesting, faciliteiten en vervoer.
Nederlandse onderwijsinstellingen dienen in de eerste plaats toegankelijk te zijn voor Nederlandse studenten, ook indien er bij een instelling sprake is van een vergaande mate van internationalisering. Zoals bij vraag 3 reeds aangegeven is het Nederlandse hoger onderwijs nog altijd zeer toegankelijk voor de Nederlandse student. Daarnaast dient internationalisering kansengelijkheid niet in de weg te staan. Uit het rapport van de Inspectie van het Onderwijs «Onbedoelde zelfselectie: drempels die gekwalificeerde jongeren ervan weerhouden om een specifieke opleiding in het hoger onderwijs te kiezen» komt het signaal dat «Engels als instructietaal» voor bepaalde groepen mbo-studenten en havisten een reden is om de opleidingskeuze nog eens goed te overwegen5. Dit is een zorgelijk signaal en zoals in het bestuursakkoord reeds aangegeven is het behoud van het Nederlands als academische taal een thema dat aan de orde zal komen tijdens de toekomstverkenning. Daarnaast is in bestuursakkoord overeengekomen dat instellingen zich blijven inzetten voor kansengelijkheid in het hoger onderwijs en in het bijzonder besteden instellingen bij selectieprocedures aandacht aan het borgen van gelijke kansen.
De vraag is hoe we de lokale, regionale, nationale en internationale dimensie op een evenwichtige manier met elkaar kunnen verbinden (Kamerstuk 22 452, nr.6. In de toekomstverkenning wordt gekeken hoe we onze vooraanstaande internationale positie kunnen behouden en we tegelijkertijd kunnen zorgen voor een stevige worteling van het hoger onderwijs en onderzoek in de regio met maximale benutting van de onderwijsinfrastructuur, ook in het licht van (regionale) krimpscenario’s. De ontwikkeling en het welzijn van de student moeten hier onder andere bij centraal staan.
Wat is de stand van zaken rondom de uitvoering van motie van de leden Wiersma/van der Molen3 waarin de Minister verzocht is beleid te formuleren waarbij op grond van macrodoelmatigheid en ons toekomstig verdienvermogen regie wordt gevoerd op een gewenste instroom van buitenlandse studenten en onderzoekers, waaronder sturingsinstrumenten voor instroom? Deelt u de mening dat deze motie uit 2019 overlapt met het pleidooi van de heer Duisenberg «kijk wat de komende jaren nodig is op de arbeidsmarkt voor je gaat zeggen dat er minder academici moeten komen»?
In de Internationale Kennis- en Talentstrategie die eind 2020 naar uw Kamer verzonden is, is invulling gegeven aan deze motie (Kamerstuk 31 288, nr. 893). Daaropvolgend wil ik in de toekomstverkenning de (internationale) studenteninstroom in samenhang bezien met onder andere de regionale en internationale arbeidsmarkt en de krapte die in sommige sectoren heerst. Macrodoelmatigheid en toekomstig verdienvermogen maken hier onderdeel van uit. Op basis van de uitkomsten van de toekomstverkenning worden vervolgstappen bepaald over de instroom van buitenlandse studenten en onderzoekers. Begin 2023 informeer ik uw Kamer op basis van de eerste uitkomsten van de toekomstverkenning.
Wat is de stand van zaken rondom de verkenning naar nieuwe wettelijke sturingsinstrumenten en wanneer kan de Kamer de eerste uitkomsten hiervan verwachten?
In mijn brief aan uw Kamer over internationalisering afgelopen juni heb ik uw Kamer laten weten dat ik nog niet verder ga met het wetsvoorstel Taal en Toegankelijkheid en dat ik het wetsvoorstel voorlopig aanhoud (Kamerstuk 31 288, nr. 963). Het vraagstuk van de groeiende internationale instroom kan namelijk niet los worden gezien van vraagstukken zoals de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs, Nederlands als academische taal en studentenhuisvesting, waar in de toekomstverkenning op wordt ingegaan. Ook wil ik de (internationale) studenteninstroom in samenhang bezien met de regionale en internationale arbeidsmarkt en de krapte die in sommige sectoren heerst. Zoals eerder aangegeven in antwoord 5, informeer ik op basis van de eerste uitkomsten van de toekomstverkenning begin 2023 de Tweede Kamer over de vervolgstappen op dit onderwerp.
Welk signaal geeft de passage in het bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap4 aan alle instellingen in het hoger onderwijs «de universiteiten zijn zeer terughoudend met internationale wervingsactiviteiten gericht op uitbreiding tenzij zij zich bevinden in krimpregio’s en/of werven voor opleidingen die cruciaal zijn voor de tekortsectoren»?
Het bestuursakkoord is afgelopen juli gesloten tussen de Vereniging Hogescholen (VH), de Universiteiten van Nederland (UNL) en het Ministerie van OCW, en aangeboden aan uw Kamer (Kamerstuk 31 288, nr. 969). Dit bestuursakkoord maakt samen met de toekomstverkenning deel uit van de zoektocht naar oplossingen om een balans te bewerkstelligen en te komen tot een toekomstig bestel van het hoger onderwijs en wetenschap (Kamerstuk 31 288, nr. 963). Aangezien een aantal opleidingen (en een aantal steden) nu al tegen de grenzen van hun capaciteit aanloopt, is in het bestuursakkoord met de universiteiten een aantal concrete afspraken gemaakt voor op de korte termijn. Een van deze afspraken gaat over de terughoudendheid omtrent internationale wervingsactiviteiten, tenzij de universiteiten zich in krimpregio’s bevindt en/of werven voor opleidingen die cruciaal zijn voor tekortsectoren. Het signaal dat hiermee wordt gegeven is dat het vraagstuk van de groeiende internationale studenteninstroom een vraagstuk is dat vraagt om een integrale benadering en niet los kan worden gezien van onder andere vraagstukken zoals (regionale) arbeidsmarkt(krapte) en krimp. Tevens wordt het signaal afgegeven dat er ruimte blijft in Nederland voor internationaal talent, echter niet per definitie overal en niet zondermeer voor alle sectoren. Een ander signaal dat hiermee wordt afgegeven, is dat universiteiten hier zelf ook een rol en verantwoordelijkheid in hebben die zij ook (in)nemen.
Klopt het dat 75 procent van de afgestudeerde buitenlanders volgens Nuffic binnen vijf jaar Nederland weer verlaat? Wat zijn redenen voor deze studenten om Nederland weer te verlaten? Wat vindt u hiervan? Zouden we meer moeten doen, bijvoorbeeld het aanleren van de Nederlandse taal, om de blijfkans te vergroten?
Afgelopen mei heeft het Nuffic het onderzoek naar de blijfkans en de arbeidsmarktpositie van internationale afgestudeerden in Nederland gepubliceerd.9 Een van de uitkomsten van het onderzoek is dat over de periode van het collegejaar van 2006–2007 tot en met het collegejaar van 2015–2016 gemiddeld 24,6% van de afgestudeerden woonachtig is in Nederland na vijf jaar. Dit betekent dat het klopt dat gemiddeld ongeveer 75% van de afgestudeerde buitenlanders Nederland binnen 5 jaar na het afstuderen heeft verlaten. Zodra onderscheid gemaakt wordt tussen EER- en niet-EER-afgestudeerden wordt het duidelijk dat de blijfkans na vijf jaar van niet-EER-afgestudeerden gemiddeld 19% hoger ligt dan die van EER-afgestudeerden. Belangrijk om hierbij op te merken, is dat internationale afgestudeerden die uit Nederland zijn vertrokken en weer zijn teruggekeerd naar Nederland niet worden meegenomen in de berekening van de blijfkans. De werkelijke blijfkans ligt om deze reden hoger en kan met name van invloed zijn op de blijfkans van EER-studenten.
In het onderzoek worden verschillende mogelijke factoren benoemd die de blijfkans van internationale afgestudeerden kunnen beïnvloeden. Deze zijn: de kracht van sociale netwerken, het al dan niet hebben van een Nederlandse partner, de kansen op de arbeidsmarkt in Nederland en het thuisland, en de beheersing van de Nederlandse taal3. Tevens is huisvesting mogelijk van invloed op de blijfkans.
Er valt zeker nog winst te behalen in het verhogen van de blijfkans voor met name EER-studenten. In de toekomstverkenning wordt de blijfkans van internationale studenten meegenomen waarbij de mogelijkheden hier tijdens de studie reeds invulling aan te geven in kaart gebracht worden. Andere ministeries zijn betrokken bij aanverwante vraagstukken zoals huisvesting. Tevens kunnen werkgevers een rol spelen in het verhogen van de blijfkans, bijvoorbeeld door het aanbieden van taalcursussen Nederlands.
Bent u bekend met artikel 7.56 in de WHW waarmee u een beperking op de inschrijvingen van studenten aan universiteiten en hogescholen op kan leggen op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt? Hoe vaak is deze beperking opgelegd geweest? Wat zijn de afwegingen om dit artikel tot op heden niet in werking te stellen, gezien de enorme internationale instroom die grotendeels na hun studie weer weg gaan en Nederlandse studenten die weg geconcurreerd worden en de enorme tekorten op de arbeidsmarkt?
Ja, ik ben bekend met artikel 7.56 in de WHW. Een dergelijke beperking op het aantal inschrijvingen wegens arbeidsmarktoverwegingen, ook wel een arbeidsmarktfixus genoemd, is nog niet eerder ingesteld.
Het kabinet investeert op verschillende manieren in verdere versterking van de aansluiting van het hoger onderwijs op de arbeidsmarkt en draagt daarmee bij aan de gezamenlijke aanpak van de arbeidsmarktkrapte. Denk aan verbetering van de studiekeuzeinformatie, € 30 miljoen voor hbo-opleidingen in tekortsectoren en € 200 miljoen in sectorplannen voor meer rust en ruimte in onderwijs en onderzoek, waarlangs ook wordt ingezet op macrodoelmatigheid.
Meer sturende maatregelen zoals een arbeidsmarktfixus beschouwt het kabinet echter als een ultimum remedium. Ten eerste is een zo toegankelijk mogelijk hoger onderwijs essentieel. Het instellen van een arbeidsmarktfixus vermindert de studiekeuzevrijheid van alle studenten, zowel Nederlandse als internationale studenten, en heeft daarmee een negatief effect op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Bovendien mag, zoals bij een capaciteitsfixus, bij het instellen van een arbeidsmarktfixus op grond van de wet geen onderscheid worden gemaakt tussen Nederlandse en internationale studenten. Het instellen van een maximum aantal studenten kan er dan juist voor zorgen dat bij een groeiende internationale instroom de toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor de Nederlandse studenten in het gedrang komt.
Daarnaast is het twijfelachtig of de inzet van een arbeidsmarktfixus het gewenste effect zal hebben ter vermindering van grote tekorten. De kans is namelijk groot dat aspirant-studenten kiezen voor verwante opleidingen zonder fixus. Het instellen van een arbeidsmarkfixus vraagt bovendien om uiterste voorzichtigheid, gezien de complexiteit door regionale verschillen en de lastig te voorspellen arbeidsmarkt.
De betaling Stichting Open Nederland aan Jaap van Dissel |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving omtrent een betaling van € 750.000 euro die Stichting Open Nederland (SON) vanaf een rekeningnummer in België gedaan zou hebben aan Outbreak Management Team (OMT)-baas de heer van Dissel?1, 2
Ja.
Kunt u bevestigen of ontkennen dat deze betaling daadwerkelijk is gedaan door SON aan de heer van Dissel? Zo ja, kunt u hiervoor bewijs aanleveren? Zo nee, kunt u dat aantonen?
Nee dit kan ik niet bevestigen. Het verontrust mij dat ongefundeerde berichtgeving en beschuldigingen op deze wijze worden verspreid. Het is zeer zorgwekkend dat Kamerleden deze (smadelijke) uitlatingen zonder enige kritische kanttekening voor waar aannemen. Ik zie geen enkel geloofwaardig bewijs voor hetgeen beweerd wordt. Daarnaast zijn na verzoek van het RIVM om publieke rectificatie de ongefundeerde berichtgeving ondertussen teruggenomen en is excuses aangeboden aan de heer van Dissel. Daarom is er ook geen aanleiding dit te onderzoeken. Daarbij is het zeer verontrustend dat er geen rekenschap lijkt te worden gegeven van het effect hiervan op de betrokkenen, die zich de afgelopen jaren vol overgave hebben ingezet om de pandemie te bestrijden.
Aangezien SON gelieerd is aan - en werkt in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunt u alle financiële documentatie en interactie van het ministerie met SON openbaar maken? Zo nee, waarom niet?
Verantwoording is en wordt afgelegd via de normale procedures. Via die weg is ook de financiële verantwoording inzichtelijk voor de Kamer.
Kunt u verklaren waarom SON een bankrekening heeft in België? Was u hiervan op de hoogte en zo ja, waarvoor werd deze rekening gebruikt en waarom is niet gekozen voor een Nederlandse bankrekening?
Zie antwoord op vraag 2.
Heeft u inzicht in de gelden die op deze bankrekening van SON werden bij- en afgeschreven, door wie en waarvoor? Zo ja, kunt u deze gegevens inzichtelijk maken? Zo nee, waarom heeft u hier geen informatie over?
SON werkt in opdracht van het Ministerie van VWS. Het Ministerie van VWS heeft inzicht in de financiële administratie van SON, voor zover dat past binnen de controles en verantwoording die plaatsvinden in het kader van de opdrachtverlening.
Heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op enig moment een betaling gedaan aan SON op deze bankrekening? Zo ja, kunt u deze transactie openbaar maken?
Nee, er is geen betaling gedaan aan SON op deze bankrekening.
Worden op dit moment nog betalingen gedaan aan SON door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op deze rekening? Zo ja, wat voor betalingen, waarvoor, hoe vaak en hoe veel? . Hoeveel geld heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport overgemaakt naar SON en waaraan is dit geld precies besteed? Kunt u de uitgaven van SON gedetailleerd inzichtelijk maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6.
Wat is de betrokkenheid van de heer van Dissel bij de werkzaamheden van SON? Heeft hij tijdens de coronaperiode opdrachten en/of werkzaamheden verricht voor deze stichting? Zo ja, onder welke voorwaarden/afspraken?
De financiële afwikkeling van de opdracht die het Ministerie van VWS heeft gegeven aan SON voor het organiseren van Testen voor Toegang vindt op het moment nog plaats. Daarom is het eindbedrag wat VWS aan SON heeft betaald nog niet bekend. Het ministerie legt vervolgens op haar beurt verantwoording af aan de Tweede Kamer middels de normale verantwoordingsprocessen.
Bent u bereid/voornemens een onderzoek in te stellen naar deze vermeende betaling en de toedracht daarvan aan de heer van Dissel? Zo nee, waarom niet?
Er is geen betrokkenheid van de heer Van Dissel bij de werkzaamheden van SON.
Bent u op de hoogte van het bericht dat de heer van Dissel en de Minister van Buitenlandse Zaken, de heer Hoekstra in 2020 hebben geprobeerd samen een bankrekening in Anguilla te openen? Kunt bevestigen of ontkennen dat dit is gebeurd?
Zie antwoord op vraag 1 en 2.
Indien u niet op de hoogte bent van het wel of niet bestaan van deze rekening in Anguilla, bent u dan bereid Minister Hoekstra en de heer van Dissel hierover te bevragen en hun verklaringen openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u uitleggen welke relatie tussen de heer van Dissel en Minister Hoekstra, destijds Minister van Financiën, zou kunnen rechtvaardigen dat deze twee personen samen een offshore bankrekening proberen te openen? Welke betrokkenheid had Minister Hoekstra destijds bij uw departement, het OMT en SON?
Zie antwoord vraag 10.
Nieuwe onderzoeksresultaten m.b.t. schade door mRNA coronavaccins Pfizer en Moderna |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over het hogere aantal bijwerkingen veroorzaakt door de mRNA-vaccins van Pfizer en Moderna en de bijbehorende onderzoeksresultaten?1, 2
Ja, ik heb kennis genomen van deze studie en het bericht van Stichting Artsen Covid Collectief.
Wat vindt u van de bevindingen uit dit onderzoek dat een veel groter aantal deelnemers dan aanvankelijk gedacht na het ontvangen van een mRNA-coronavaccinatie te maken krijgt met ernstige bijwerkingen?
De resultaten van dit onderzoek zijn niet gebaseerd op directe klinische data. De onderzoekers hebben gekeken naar het totaal aantal ernstige bijwerkingen en deze niet gekoppeld aan de individuele deelnemers. Het kan dus zijn dat één persoon meerdere bijwerkingen heeft ervaren, terwijl de bijwerkingen wel afzonderlijk zijn geteld. Het kan hierdoor lijken alsof er meer personen met bijwerkingen zijn, terwijl dit in realiteit niet zo is. Tevens is door deze onderzoekers niet bekeken of de klachten ook daadwerkelijk gerelateerd zijn aan de vaccinatie. De benoemde klachten kunnen ook andere oorzaken hebben dan de vaccinatie. Verschillen tussen de resultaten van dit onderzoek en de resultaten van andere onderzoeken zijn ontstaan door verschillen in de opzet van het onderzoek of de data waarmee het onderzoek verricht is, zoals ook de auteurs van het door u gerefereerde onderzoek vermelden.
Kunt u uitleggen hoe het kan dat de gebruikte data voor dit recente onderzoek, die voordat de coronavaccins op de markt kwamen een veel lager aantal ernstige bijwerkingen zou hebben laten zien, nu opeens tot heel andere resultaten leidt? Kunt u een uitgebreide analyse geven?
Zie antwoord vraag 2.
Aangezien recent al bleek dat de coronavaccins bij (vooral) jonge mannen tot relatief veel hartschade leidt, hoe reflecteert u daarop in combinatie met de resultaten uit dit onderzoek?
Ik ben mij bewust van het zeer kleine risico op myocarditis en pericarditis. Myocarditis en pericarditis zijn dan ook opgenomen als mogelijke zeer zeldzame bijwerkingen in de bijsluiters van de COVID-19-vaccins. Echter is het nog steeds zo dat de kans op deze aandoeningen aanzienlijk hoger is bij een infectie met SARS-CoV-2. Bijwerkingencentrum Lareb stelt dat het risico op myocarditis na een SARS-CoV-2-infectie 19 keer groter is na een infectie met SARS-CoV-2 dan na een vaccinatie. Voor pericarditis is het risico 5 keer groter na een infectie dan na een vaccinatie. Het risico op myocarditis voor mannen tussen de 12 en 17 jaar is 6 keer groter na een infectie dan na een vaccinatie. Het gezondheidsvoordeel van een vaccinatie weegt dan ook zwaarder dan het risico op eventuele bijwerkingen na een vaccinatie. Er is brede wetenschappelijke consensus over de veiligheid en effectiviteit van de COVID-19-vaccins, ook bij jonge mensen. Ik zie op dit moment geen aanleiding om hieraan te twijfelen.
Welke stappen gaat u zetten naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek en de eerdere bevindingen omtrent hartschade bij jonge mannen?
Ik vind het niet nodig extra stappen te zetten naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek en andere bevindingen rondom hartschade bij jonge mannen. Resultaten van verschillende onderzoeken kunnen van elkaar afwijken door de manier waarop het onderzoek is opgezet. De huidige vaccinatiestrategie is tot stand gekomen op basis van de wetenschappelijke adviezen van o.a. de Gezondheidsraad en het OMT-V. Bij deze adviezen wordt steeds gebruik gemaakt van de meest recente (internationale) wetenschappelijke inzichten. Daarnaast wegen experts van onder andere het RIVM, Lareb en CBG regelmatig relevante onderzoeken en informeren mij op het moment dat daar voldoende aanleiding toe is. Ook worden bijwerkingen zorgvuldig gemonitord en onderzocht door het Lareb en het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Er bestaat een brede wetenschappelijke consensus over de veiligheid en effectiviteit van de COVID-19-vaccins.
Deelt u de mening dat er nieuwe risico-analyses gemaakt zouden moeten worden, per gespecificeerde leeftijdsgroep, met betrekking tot de bijwerkingen van mRNA-coronavaccinaties? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. Met betrekking tot dit onderwerp wordt al uitvoerig onderzoek gedaan. Daarnaast zijn er bij de tot nu toe gevaccineerde mensen geen nieuwe bevindingen aan het licht gekomen die nieuwe of andere risicoanalyses dan de huidige naar bijwerkingen nodig maken. Bij iedere nieuwe vaccinatieronde is door de Gezondheidsraad of het OMT-V zorgvuldig bekeken of een extra vaccinatie voldoende gezondheidswinst oplevert per doelgroep. Bij deze adviezen wordt gebruik gemaakt van verschillende bronnen.
Is het niet verstandig om het op grote schaal vaccineren met mRNA-vaccins voorlopig stop te zetten, totdat opnieuw uitgebreid onderzoek is gedaan naar de (ernstige) bijwerkingen per gespecificeerde leeftijdsgroep? Zo nee, waarom niet? Kunt u een uitgebreide analyse geven?
Vaccins worden alleen goedgekeurd door het EMA en het CBG als de werkzaamheid, kwaliteit én veiligheid voldoende zijn aangetoond, volgens de in Europa vastgestelde regels. Dat is voor alle COVID-19-vaccins die in Nederland worden gebruikt het geval. De veiligheid van de vaccins wordt ook na goedkeuring door het EMA voortdurend in de gaten gehouden3. Tot op heden zijn er geen zorgwekkende bevindingen gedaan en daarmee zie ik geen noodzaak om extra onderzoeken op te zetten naast de onderzoeken die al worden gedaan. Ik vind het nog steeds verantwoord om de eerder vastgelegde vaccinatiestrategie uit te voeren. De voordelen van vaccinatie wegen nog steeds op tegen het zeer kleine risico op ernstige bijwerkingen, omdat de kans op complicaties na een infectie groter is dan de kans op complicaties na een vaccinatie.
Als inderdaad blijkt dat de risico-analyse waarop de voorlopige goedkeuring van de mRNA-vaccinaties destijds is gebaseerd niet correct en/of ontoereikend was, wat betekent dat dan voor de vele mensen die de afgelopen twee jaar met deze vaccins zijn ingeënt? Kunt u inzichtelijk maken hoe groot het gezondheidsrisico is voor deze mensen?
Vaccins worden alleen door het EMA goedgekeurd als ze voldoen aan de in Europa vastgestelde eisen voor effectiviteit, kwaliteit én veiligheid. Daarbij wordt ook gekeken naar de onderzoeksmethoden en het productieproces. Daarnaast worden na toelating de vaccins nauwkeurig in de gaten gehouden. De vaccinproducenten moeten hier na toelating data over blijven aanleveren, wat gecontroleerd wordt door het EMA. Ook de bijwerkingen worden nauwkeurig gemonitord en internationaal gedeeld4.
Het gezondheidsrisico van vaccinatie is nog altijd kleiner dan het risico van een SARS-CoV-19 infectie. De meeste mensen hebben na een vaccinatie kort last van milde klachten zoals spierpijn, koorts en hoofdpijn. Deze bijwerkingen verdwijnen doorgaans binnen een aantal dagen vanzelf. Het is zeer onwaarschijnlijk dat er op lange termijn bijwerkingen optreden. Dit komt door de manier waarop vaccins werken. Het vaccin zorgt er alleen voor dat het lichaam antistoffen aanmaakt. Het vaccin zelf wordt binnen 4 tot 6 weken volledig door het lichaam opgeruimd. Alleen de antistoffen blijven in het lichaam achter.
Afgaand op de conclusies van deze recente studie, hoeveel gevaccineerde mensen lopen op dit moment het risico om last te krijgen van (ernstige) bijwerkingen als gevolg van een mRNA-coronavaccinatie?
Zie antwoord vraag 8.
Wat gaat u ondernemen om deze potentiële schade te ondervangen? Gaat u een plan maken hoe de zorgketen de te verwachten toegenomen zorgvraag als gevolg van deze bijwerkingen gaat opvangen? Gaat u de schade die mensen oplopen als gevolg van een mRNA-coronavaccinatie compenseren? Zo ja, op welke manier?
Zoals ik in het antwoord op vraag 8 en 9 heb toegelicht, is het zeer onwaarschijnlijk dat de vaccins op langere termijn bijwerkingen veroorzaken. Ik verwacht dan ook geen significante toename in de zorgvraag als gevolg van de vaccinaties. Door middel van vaccinatie kunnen we bescherming tegen COVID-19 op peil houden en voorkomen dat mensen ernstig ziek worden. Vaccineren draagt dus positief bij aan het verminderen van de zorgvraag als gevolg van COVID-19.
Mocht onverhoopt duidelijk worden dat, na grondige beoordeling, een duidelijk (causaal) verband bestaat tussen enig gebrek van het vaccin en de betreffende bijwerking dan zal moeten worden onderzocht of de producent van het vaccin in dit kader een toerekenbaar verwijt kan worden gemaakt. Als dat zo is, dan kan de producent onder omstandigheden worden aangesproken voor de gevolgen van daaruit voortvloeiende bijwerkingen. In die situatie kan de overheid onder specifieke en strikte voorwaarden de aansprakelijkheid overnemen van de producent. Deze voorwaarden zijn geregeld in de aankoopcontracten van de vaccins tussen de overheid en de producenten. Mocht iemand ervoor kiezen de overheid hiervoor aansprakelijk te stellen dan zal aan de hand van de geldende wettelijke criteria per individueel geval beoordeeld worden of de overheid aansprakelijk kan worden geacht.
Gaat u de personen die op dit moment een mRNA-vaccinatie van Pfizer of Moderna hebben ontvangen informeren over de nieuwe onderzoeksresultaten? Gaat u de burger bij de op handen zijnde nieuwe vaccinatieronde actief informeren over het risico op deze bijwerkingen? Zo ja hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Via verschillende (online) kanalen kunnen mensen informatie vinden over de COVID-19 vaccins en de mogelijke bijwerkingen die kunnen optreden als zij dit willen. Daarnaast staan mogelijke bijwerkingen beschreven in de bijsluiters van de vaccins, welke te vinden zijn op de website van het CBG. Deze bijsluiters worden geüpdatet op het moment dat er nieuwe bijwerkingen aan het licht komen. Overige informatie over bijwerkingen en de voordelen en risico’s van de vaccinaties zijn te vinden op de websites van de rijksoverheid, Lareb, het RIVM en het CBG. Ook de zeer kleine kans op meer ernstige bijwerkingen zoals myocarditis en pericarditis wordt daarin benoemd.
Bent u van mening dat de vaccinatieplicht, waarover in het recent uitgekomen rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) over toekomstscenario’s met betrekking tot de coronapandemie wordt gesproken, nog altijd potentieel geoorloofd is, ook als de bijwerkingen van de mRNA-vaccinaties veel hoger liggen dan aanvankelijk gedacht? Zo ja, waarom?
De WRR en de andere betrokken organisaties zijn onafhankelijk en gaan zelf over de inhoud van hun eigen publicaties. Voor vragen over de onderbouwing van de analyses in het rapport verwijs ik u daarom naar het rapport zelf. Vaccineren is in Nederland een persoonlijke keuze. Het kabinet heeft geen voornemens of plannen om een vaccinatieplicht in te voeren. Ik hecht er wel aan om aan te geven dat het onjuist is dat de WRR zou hebben geadviseerd om een vaccinatieplicht te overwegen. Hier ben ik in de antwoorden op uw schriftelijke vragen van 7 september jl.5 al uitgebreid op ingegaan.
De gelekte maatregelen naar aanleiding van het bereikte begrotingsakkoord in aanloop naar prinsjesdag |
|
Pieter Omtzigt |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht waarin aangegeven wordt dat passagiers vanaf januari 2023 in plaats van € 7,95 straks € 28,58 vliegbelasting per ticket moeten gaan betalen? Zo ja, kunt u bevestigen dat deze maatregel inderdaad wordt genomen door het kabinet en passagiers van januari een fors hogere vliegbelasting moeten betalen?1
Ja.
Indien deze maatregel genomen wordt, is er dan gelekt uit vertrouwelijke stukken van het kabinet?
Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen. In zijn algemeenheid kan ik wel wijzen op de afspraken die zijn gemaakt in het coalitieakkoord, namelijk dat de vliegbelasting per 2023 wordt verhoogd, zodat de budgettaire opbrengst met 400 miljoen euro per jaar toeneemt.
Indien er gelekt is uit vertrouwelijke stukken, wie heeft dat dan gedaan?
Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen. De geldende afspraak is dat tot Prinsjesdag niet wordt gecommuniceerd over de voorstellen. Ik betreur het als deze afspraak niet is nageleefd en heb hiervoor expliciet aandacht gevraagd binnen het kabinet. Het debat over de Prinsjesdagstukken dient namelijk in de Tweede Kamer te worden gevoerd.
Kunt u aangeven wat de conclusie is van de bespreking in het kabinet op 9 september 2022 over het rondvraagpunt «uitlekken van Prinsjesdagmaatregelen»?
Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen.
Kunt u bevestigen dat het minimumloon per 1 januari 2023 met 10 procent zal stijgen?
Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik heb dan ook in de ministerraad expliciet aandacht gevraagd voor de geldende afspraak dat tot Prinsjesdag niet wordt gecommuniceerd over de voorstellen en laten weten het te betreuren als deze afspraak niet is nageleefd. Het debat over de Prinsjesdagstukken dient namelijk in de Tweede Kamer te worden gevoerd.
Klopt het dat de mijnbouwheffing voor het winnen van olie en gas voor energiebedrijven, zoals Shell en Exxon, omhoog gaat?
Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen.
Bent u op de hoogte van het bericht over maatrelen die in het akkoord zijn opgenomen en waar betrokkenen bij het akkoord nog niks over bekend wilden maken?2
Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen.
Klopt het dat de vennootschapsbelasting in de lage schijf omhoog gaat van 15 naar 19 procent terwijl dit tarief eerder juist omlaag was gegaan?
Ik ben op de hoogte van het artikel van RTL Nieuws van 31 augustus 2022. Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen.
Klopt het dat voor de verhoging van het kindgebondenbudget 750 miljoen euro wordt uitgetrokken?
Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen.
Klopt het dat de uitwonendenbeurs zal gaan stijgen voor één jaar en hoeveel zal de uitwonendenbeurs per student gemiddeld omhoog gaan?
Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen.
Klopt het dat de vermogensbelasting (Box 3) zal stijgen en dat mensen die geen bezwaar gemaakt hebben tegen de box-3 heffing niet gecompenseerd zullen worden?
Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen.
Klopt het ook dat het heffingsvrije vermogen zal worden gesteld op een bedrag van 57.000 euro in plaats van rond de 50.000 euro?
Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen.
Kunt u aangeven hoe het kan dat deze bovengenoemde maatregelen al zijn gelekt ver voor Prinsjesdag, terwijl direct betrokkenen die op de hoogte waren van de inhoud van het akkoord, hier niks over wilden delen?
Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen.
Hoeveel concrete maatregelen, in aantallen, die geheim zijn tot Prinsjesdag, zijn nu uitgelekt?
Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen. Ik heb dan ook in de ministerraad expliciet aandacht gevraagd voor de geldende afspraak dat tot Prinsjesdag niet wordt gecommuniceerd over de voorstellen en laten weten het te betreuren als deze afspraak niet is nageleefd. Het debat over de Prinsjesdagstukken dient namelijk in de Tweede Kamer te worden gevoerd.
Weet u wie de vertrouwelijke plannen gelekt heeft? Zo nee, gaat u dat laten uitzoeken?
Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen. Ik heb dan ook in de ministerraad expliciet aandacht gevraagd voor de geldende afspraak dat tot Prinsjesdag niet wordt gecommuniceerd over de voorstellen en laten weten het te betreuren als deze afspraak niet is nageleefd. Het debat over de Prinsjesdagstukken dient namelijk in de Tweede Kamer te worden gevoerd.
Met de brief van de Minister van Financiën van 8 september 2022 is de Kamer wel reeds geïnformeerd over het voorstel-raadsuitvoeringsbesluit ten aanzien van het Herstel- en Veerkracht Plan (HVP). In deze brief licht de Minister van Financiën toe waarom enkele voornemens uit de augustusbesluitvorming onderdeel zijn van het voorstel-raadsuitvoeringsbesluit.
Herinnert u zich dat toen een Kamerlid maatregelen uit de Prinsjesdagstukken lekte, een groot onderzoek volgde en hij fors gestraft werd?
Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen. Ik heb dan ook in de ministerraad expliciet aandacht gevraagd voor de geldende afspraak dat tot Prinsjesdag niet wordt gecommuniceerd over de voorstellen en laten weten het te betreuren als deze afspraak niet is nageleefd. Het debat over de Prinsjesdagstukken dient namelijk in de Tweede Kamer te worden gevoerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat het kabinet of de coalitie nu geheime informatie lekken, terwijl wanneer een Kamerlid van de oppositie, die de stukken een paar dagen voor Prinsjesdag krijgt, ze laat lekken, strafbaar is en gestraft wordt?
Ja. Op 14 oktober 2009 heeft het presidium van de Tweede Kamer de commissie Prinsjesdagstukken ingesteld om onderzoek te doen naar het uitlekken van de Prinsjesdagstukken in 2009. Overigens heeft dit onderzoek niet geleid tot sancties. Het was het toenmalige fractiebestuur van de desbetreffende fractie dat de handelwijze van het betreffende Kamerlid afkeurde en besloot gedurende een maand het financieel woordvoerderschap te ontnemen.
Herinnert u zich nog dat dat Kamerlid zelfs zijn ontslag aanbood aan zijn partijleider, die Minister was?3
Het besluitvormingsproces over de Prinsjesdagstukken is op dit moment nog niet afgerond. De voorstellen zijn momenteel voor advies aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad van State en worden doorgerekend door het CPB. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen. Ik heb dan ook in de ministerraad expliciet aandacht gevraagd voor de geldende afspraak dat tot Prinsjesdag niet wordt gecommuniceerd over de voorstellen en laten weten het te betreuren als deze afspraak niet is nageleefd. Het debat over de Prinsjesdagstukken dient namelijk in de Tweede Kamer te worden gevoerd.
Kunt u deze vragen een voor een en voor dinsdag 13 september 10.00 uur beantwoorden? In aanvulling op eerdere vragen over hetzelfde onderwerp van het lid Leijten.
Ja.
Het bericht 'Stille ramp in bakkerswereld: ’We kunnen straks geen brood meer bakken’' |
|
Hawre Rahimi (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stille ramp in bakkerswereld: «We kunnen straks geen brood meer bakken»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat we alles op alles moeten zetten om te voorkomen dat mkb’ers (midden- en kleinbedrijf), zoals de bakkers, slagers en andere bedrijven, omvallen doordat ze door verschillende crises getroffen worden, aangezien deze mkb-ondernemers cruciaal zijn voor leefbaarheid en sociale cohesie in onze steden en dorpen?
Mkb’ers zijn belangrijk voor de leefbaarheid, sociale cohesie en (lokale) economie in dorpen en steden. Om deze reden heb ik ook de Tegemoetkoming Energiekosten voor het energie-intensieve mkb (TEK-regeling) aangekondigd. Hiermee neemt de overheid een deel van de gestegen energiekosten over van in de kern gezonde mkb’ers die het in deze tijd moeilijk hebben.
Bedrijven met liquiditeitsproblemen zullen daarnaast een aanvraag voor belastinguitstel kunnen indienen bij de Belastingdienst voor maatwerk. Het beleid rondom uitstel van betaling van belasting van ondernemers is versoepeld per 1 oktober. Banken hebben daarnaast aangegeven graag welwillend te zijn om hun klanten van voorschotten te voorzien in de overbruggingsperiode, wanneer het aannemelijk is dat zij subsidie uit de TEK gaan ontvangen. Banken willen en kunnen snel met deze overbruggingsfinanciering starten.
Zoals ik eerder heb aangegeven, is het wel zo dat we niet iedereen kunnen helpen. Het kabinet heeft vele miljarden beschikbaar gesteld om de impact van de hoge energieprijzen op burgers en bedrijven te dempen. De rekening voor deze steun betalen wij als Nederland samen. Er zitten dan ook grenzen aan deze steunmogelijkheden. Het is daarom ook niet uitgesloten dat bedrijven door de hoge energiekosten gedwongen zullen moeten sluiten, hoe ingrijpend in individuele gevallen ook. In de Kamerbrief van 9 november licht ik tevens toe dat de energie-intensiteitsdrempel verlaagd is naar 7%.
Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om deze ondernemers te helpen en te zorgen dat ze niet omvallen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het de verantwoordelijkheid is van de overheid om inzichtelijk te maken welke andere branches op dit moment in de problemen zitten, zodat we de gehele groep die getroffen wordt door deze crises in een keer kunnen bereiken en helpen?
Ik sta in goed contact met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, en houdt signalen uit de verschillende branches bij. Daarnaast beschikt EZK over cijfers en analyses van banken, DNB, het CBS en andere partijen die inzicht geven in de productiecijfers van diverse bedrijfstakken. Op basis hiervan houdt het kabinet oog voor de situatie in de verschillende sectoren, en mogelijke (acute) problemen waar bedrijven tegenaan lopen.
Zo ja, hoe bent u van plan dit uit te voeren?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat dit over meerdere domeinen en ministeries gaat, omdat er verschillende problemen zijn, zoals de naweeën van corona, personeelstekorten, explosieve prijsstijgingen voor de energie en hoge grondstofprijzen, en dat het daarom integraal moet worden aangepakt?
De verschillende departementen werken op vele terreinen samen om deze problemen aan te pakken. Onder andere in het kader van de strategische agenda voor het ondernemingsklimaat, waarover ik uw Kamer op 14 oktober jl. heb geïnformeerd2. Zo werken OCW, EZK en SZW samen bij het opstellen van het Actieplan Groene en Digitale Banen, het uitvoeren van onderzoeken en de verschillende initiatieven binnen het Techniekpact om het tekort aan technisch personeel terug te dringen.3 Eenzelfde geldt voor de samenwerking tussen EZK, FIN en BZ om vragen van ondernemers over de sancties tegen Rusland te beantwoorden, en de samenwerking tussen EZK en BZ om het gebruik van het Europese Tijdelijk crisiskader binnen de EU in kaart te brengen.
Zo ja, bent u bereid om de samenwerking met de andere ministeries op te zoeken en, als u daartoe bereid bent, hoe wilt u dit gaan doen?
Zie antwoord vraag 6.
Het lekken van geheime kabinetsplannen |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of het klopt dat uw kabinet voornemens is met een koopkrachtpakket te komen van bijna 16 miljard euro en dat dit bedrag een combinatie is van incidentele (eenmalige) uitgaven en structurele (langjarige) uitgaven? Zo nee, waarom brengt volgens u de pers dit nieuws?1
De Prinsjesdagstukken zijn momenteel onder embargo aan de Tweede Kamer verstrekt. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen.
Kunt u aangeven of uw kabinet voornemens is het minimumloon met 10% te laten stijgen? Zo nee, waarom brengt volgens u de pers dit nieuws?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven of uw kabinet voornemens is om mensen met lage inkomens dit jaar een energietoeslag van 1.300 euro te geven? Zo nee, waarom brengt volgens u de pers dit nieuws?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven of uw kabinet voornemens is zowel de huur- als de zorgtoeslag als het kindgebonden budget te laten stijgen? Klopt het dat de zorgtoeslag 412 euro stijgt? Zo nee, waarom brengt volgens u de pers dit nieuws?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de korting op accijns van brandstof tot 1 juli 2023 blijft gelden? Zo nee, waarom brengt volgens u de pers dit nieuws?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat uw kabinet de inkomstenbelasting in de eerste schijf gaat verlagen en er 500 miljoen euro extra beschikbaar is in 2023 voor de arbeidskorting? Zo nee, waarom brengt volgens u de pers dit nieuws?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat uw kabinet voornemens is 250 miljoen euro uit te trekken om de beurs voor uitwonende studenten te verhogen? Zo nee, waarom brengt volgens u de pers dit nieuws?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat uw kabinet voornemens is de mijnbouwheffing te verhogen en dat deze maatregel 2 miljard euro zou moeten opleveren? Zo nee, waarom brengt volgens u de pers dit nieuws?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat uw kabinet voornemens is de zelfstandigenaftrek voor zzp’ers versneld af te bouwen en dat deze maatregel 170 miljoen euro oplevert? Zo nee, waarom brengt volgens u de pers dit nieuws?
De geldende afspraak is dat tot Prinsjesdag niet wordt gecommuniceerd over de voorstellen. Met de brief van de Minister van Financiën van 8 september 20222 is de Kamer wel reeds geïnformeerd over het voorstel-raadsuitvoeringsbesluit ten aanzien van het Herstel- en Veerkracht Plan (HVP). In deze brief licht de Minister van Financiën toe waarom enkele voornemens uit de augustusbesluitvorming onderdeel zijn van het voorstel-raadsuitvoeringsbesluit.
Klopt het dat uw kabinet voornemens is de vennootschapsbelasting te verhogen van 15% naar 19% en dat deze maatregel 1,5 miljard euro oplevert? Zo nee, waarom brengt volgens u de pers dit nieuws?
De Prinsjesdagstukken zijn momenteel onder embargo aan de Tweede Kamer verstrekt. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen.
Klopt het dat uw kabinet voornemens is de belasting op vermogen licht te verhogen en dit van 100 miljoen in 2023 naar 300 miljoen in de jaren erna zal gaan? Zo nee, waarom brengt volgens u de pers dit nieuws?
Zie antwoord vraag 10.
Klopt het dat uw kabinet van plan is de overdrachtsbelasting op bijvoorbeeld bedrijfspanden te verhogen en dat deze maatregel 130 miljoen euro oplevert? Zo nee, waarom brengt volgens u de pers dit nieuws?
Zie antwoord vraag 10.
Klopt het dat uw kabinet voornemens is de doelmatigheidsmarge af te schaffen en dat deze maatregel 540 miljoen euro op moet leveren? Zo nee, waarom brengt volgens u de pers dit nieuws?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u aangeven of uw kabinet voornemens is nog meer investeringen en besparingen door te voeren voor 2023 dan de hierboven genoemde en zo ja, waarom zijn deze maatregelen volgens u niet benoemd door de pers?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u aangeven hoe de pers volgens u aan zulke gedetailleerde informatie komt over de vermeende plannen van uw kabinet?
De Prinsjesdagstukken zijn momenteel onder embargo aan de Tweede Kamer verstrekt. Ik kan daarom op dit moment nog niet ingaan op specifieke maatregelen die in de media worden genoemd, aangezien ik daarmee maatregelen zou bevestigen of ontkennen. Ik heb in de ministerraad expliciet aandacht gevraagd voor de geldende afspraak dat tot Prinsjesdag niet wordt gecommuniceerd over de voorstellen en laten weten het te betreuren als deze afspraak niet is nageleefd. Het debat over de Prinsjesdagstukken dient namelijk in de Tweede Kamer te worden gevoerd en niet voortijdig in de media op basis van eerder verstrekte of uitgelekte informatie.
Kunt u aangeven welke strategie er bij het lekken van deze plannen is gehanteerd?
Zie antwoord vraag 15.
Klopt het dat de fractievoorzitters van de coalitiepartijen deelnamen aan «de marathonsessies», de onderhandelingen over dit pakket, en hebben zij de plannen in hun bezit?2
In het Nederlandse staatsrecht is een belangrijk uitgangspunt dat een kabinet moet kunnen rusten op het vertrouwen van een meerderheid in de Tweede Kamer. Om te toetsen of draagvlak bestaat voor het te voeren beleid vindt op velerlei manieren overleg plaats, in het kabinet, maar ook met fracties in de Tweede Kamer. Bij de coalitieoverleggen over de augustusbesluitvorming waren de fractievoorzitters van de coalitiefracties, de vicepremiers, de Staatssecretaris van Financiën en ikzelf aanwezig. Daarnaast was ook ambtelijke ondersteuning van het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Algemene Zaken aanwezig.
Kunt u aangeven wat u in de afgelopen jaren hebt ondernomen om te voorkomen dat de voorgenomen kabinetsplannen naar de pers worden gelekt, zodat onder andere journalisten en Kamerleden daadwerkelijk het voorgenomen beleid kunnen controleren en bediscussiëren?3, 4, 5, 6, 7
De afgelopen jaren heb ik herhaaldelijk aandacht gevraagd voor dit onderwerp in de ministerraad Het debat over de Prinsjesdagstukken dient namelijk in de Tweede Kamer te worden gevoerd en niet voortijdig in de media op basis van eerder verstrekte of uitgelekte informatie.
Zijn er mensen ontslagen vanwege het lekken van geheime kabinetsstukken in de afgelopen 15 jaar? Zo nee, waarom niet?
Hierover zijn mij geen gegevens bekend.
Hoeveel concrete onderzoeken zijn er ingesteld naar het lekken van geheime kabinetsplannen in de afgelopen 15 jaar?
Het kabinet zelf doet geen strafrechtelijk onderzoek naar schending van ambtsgeheimen of het openbaar maken van staatsgeheime informatie, maar er kan wel een strafrechtelijk onderzoek worden ingesteld. Het is mij niet bekend hoeveel onderzoeken in dit kader zijn ingesteld.
Hoe kunt u garanderen dat staatsgeheimen veilig zijn als kabinetten er al meer dan 15 jaar niet in slagen de begrotingsstukken niet uit te laten lekken?
Het kabinet acht het van groot belang dat zorgvuldig wordt omgegaan met staatsgeheime stukken. Juridische voorschriften voor de beveiliging van staatsgeheime stukken zijn vastgelegd in het Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie (VIRBI). Ook praktische omgang met gerubriceerde informatie is van groot belang. Daarnaast is het schenden van een ambtsgeheim een misdrijf op grond van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht en kan schending van een ambtsgeheim aanleiding zijn voor maatregelen in de arbeidsrechtelijke sfeer. Een garantie op veiligheid is evenwel nooit te geven.
Kunt u aangeven wie er allemaal toegang hadden tot de stukken over de aankomende begrotingsmaatregelen van uw kabinet?
Dat overzicht heb ik niet. Het was in ieder geval bekend bij de fractievoorzitters van de coalitiefracties, de vicepremiers, de Staatssecretaris van Financiën, mijzelf en op de Ministeries van Algemene Zaken, SZW en Financiën.
Kunt u aangeven of Kamerleden, bijvoorbeeld van coalitiepartijen op de hoogte zijn gebracht van maatregelen die gepresenteerd zullen worden of gepresenteerd zouden worden? Zo ja, van welke partijen?
In het Nederlandse staatsrecht is een belangrijk uitgangspunt dat een kabinet moet kunnen rusten op het vertrouwen van een meerderheid in de Tweede Kamer. Om te toetsen of draagvlak bestaat voor het te voeren beleid vindt op velerlei manieren overleg plaats, in het kabinet, maar ook met fracties in de Tweede Kamer. Bij de coalitieoverleggen over de augustusbesluitvorming waren de fractievoorzitters van de coalitiefracties, de vicepremiers, de Staatssecretaris van Financiën en ikzelf aanwezig. Daarnaast was ook ambtelijke ondersteuning van het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Algemene Zaken aanwezig. Los daarvan heb ik geen overzicht met wie bewindspersonen of fractievoorzitters (onderdelen van) de augustusbesluitvorming hebben besproken.
Kunt u aangeven of het klopt dat Kamerleden van coalitiepartijen betrokken zijn bij het stikstofbeleid van uw kabinet, voordat Kamerbrieven verzonden werden?8
In het Nederlandse staatsrecht is een belangrijk uitgangspunt dat een kabinet moet kunnen rusten op het vertrouwen van een meerderheid in de Tweede Kamer. Om te toetsen of draagvlak bestaat voor het te voeren beleid vindt op velerlei manieren overleg plaats, in het kabinet, maar ook met fracties in de Tweede Kamer.
Kunt u aangeven op welke beleidsterreinen Kamerleden van de coalitie vooraf bekend zijn met de inhoud van brieven en daar ook aan mee kunnen schrijven?
Zie antwoord vraag 24.
Kunt u aangeven op welke wijze Kamerleden van de coalitie hebben meegeschreven aan de Prinsjesdagplannen?
Zie antwoord vraag 24.
Wilt u deze vragen voor 19 september 2022 beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat het Chinese TikTok bij het gebruik van de in-app browser alle toetsaanslagen vastlegt en daarmee wachtwoorden en creditcardgegevens kan verzamelen |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het blog «iOS Privacy: Announcing InAppBrowser.com – see what JavaScript commands get injected through an in-app browser» van Felix Krause?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Klopt het dat TikTok bij het gebruik van de in-app browser alle toetsaanslagen vastlegt? Klopt het dat daarmee bijvoorbeeld ook wachtwoorden en creditcardgegevens kunnen worden verzameld?
Volgens het aangehaalde onderzoek van Felix Krause laat de app van TikTok het toe dat toetsaanslagen, waaronder ook wachtwoorden en creditcardgegevens, in de in-app-browser worden vastgelegd. TikTok zegt volgens het betreffende blog van deze mogelijkheid geen gebruik te maken, en de gegevens slechts te verwerken voor probleemoplossing en prestatiebewaking van de ervaring – zoals het controleren hoe snel een pagina wordt geladen of controleren of deze crasht.
Het onderzoek van Krause geeft geen uitsluitsel of toetsaanslagen ook daadwerkelijk worden vastgelegd en worden gebruikt voor andere doeleinden dan voor probleemoplossing en prestatiebewaking. Of het klopt dat bijvoorbeeld ook wachtwoorden en creditcardgegevens kunnen worden verzameld, is mij niet bekend. Als dat wel gebeurt, is dat natuurlijk uiterst zorgelijk. Binnenkort spreekt de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het kader van een serie gesprekken die zij voert met verschillende grote techbedrijven met TikTok. Het blijft aan de onafhankelijke toezichthouder om de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen te onderzoeken en daar op te handhaven. Bij de verwerking van persoonsgegevens dient het uitgangspunt van data-minimalisatie (zo min mogelijk gebruik maken van persoonsgegevens) te worden toegepast.
Klopt het dat de enige garantie dat dit nu niet gebeurd is dat TikTok zelf beweert dat ze deze functie niet gebruiken? Is er een manier om die uitspraak van TikTok te verifiëren?
Het uitgangspunt van de Algemene verordening gegevensverwerking (AVG) is dat de verwerkingsverantwoordelijke zelf, in dit geval TikTok, dient te waarborgen dat verplichtingen uit de AVG worden nageleefd. Daartoe behoort dat gebruikers controle over hun persoonsgegevens dienen te hebben en dat de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig, behoorlijk en transparant is. Concreet betekent dit dat betrokkenen op de hoogte dienen te worden gesteld op het moment dat hun persoonsgegevens worden verzameld, en onder meer welke gegevens worden verzameld, voor welk doel en met wie deze worden gedeeld. Tevens dienen ze te worden gewezen op hun rechten, zoals het recht op inzage.
Wanneer betrokkenen inzicht willen in welke gegevens van hen door TikTok worden verwerkt, dan is TikTok op hun verzoek verplicht inzage te geven in hun persoonsgegevens. Mocht een verzoek om inzage niet het gewenste resultaat hebben, dan kunnen betrokkenen daarover een klacht indienen. In eerste instantie is het raadzaam om deze klacht bij de Functionaris Gegevensbescherming (FG) van TikTok neer te leggen. Als dat niet het gewenste effect sorteert, dan kan een klacht worden ingediend bij de toezichthouder die toeziet op de naleving van de AVG, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Zoals hierboven beschreven, kan de vraag welke gegevens daadwerkelijk door TikTok worden gebruikt, beantwoord worden wanneer gebruikers zelf een verzoek doen tot de inzage van de verwerking van hun persoonsgegevens of wanneer de AP onderzoek doet (bijv. n.a.v. een klacht over beperkte inzage). Dit neemt niet weg dat het kabinet van alle bedrijven in Nederland, dus ook TikTok, verwacht dat zij zich aan de geldende wet- en regelgeving houden en daarmee dus ook aan de AVG.
Bent u bereid om, op de kortst mogelijke termijn, TikTok om opheldering te vragen?
Het houden van toezicht op en het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de private sector is geen taak van het kabinet, maar van de toezichthouder. Deze is onafhankelijk en heeft een ruim mandaat en uitgebreide bevoegdheden om te onderzoeken of partijen voldoen aan hun verplichtingen uit de AVG. De onafhankelijkheid brengt mee dat het aan de toezichthouder dient wordt gelaten om te bepalen in welke gevallen een onderzoek noodzakelijk en wenselijk is.
Dat neemt niet weg dat de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zoals hierboven aangegeven, binnenkort een gesprek heeft met TikTok. De hierboven genoemde uitgangspunten zullen bij TikTok onder de aandacht worden gebracht, mede naar aanleiding van de berichtgeving hierover.
Deelt u de mening dat deze functie – ook wanneer TikTok hem niet zou gebruiken – absoluut onacceptabel is en TikTok op de kortst mogelijke termijn geblokkeerd moet worden, in ieder geval tot deze functionaliteit geschrapt is?
Ik deel de mening dat het gezien de veiligheidsrisico’s absoluut onacceptabel zou zijn wanneer TikTok gegevens ten aanzien van toetsenbordinvoer op onrechtmatige wijze zou verwerken. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als voor een volgens de AVG voor gegevensverwerking vereisteverwerkingsgrondslag, bijvoorbeeld toestemming van de betrokkene, ontbreekt. Ook moet worden voldaan aan de beginselen van behoorlijke gegevensverwerking, waaronder het beginsel van dataminimalisatie. Dit beginsel houdt in dat slechts de gegevens mogen worden verwerkt die noodzakelijk zijn voor het doeleinde waarvoor de verwerking van persoonsgegevens plaatsvindt. Het is aan de onafhankelijke toezichthouder om toe te zien op de rechtmatigheid van gegevensverwerking en deze te handhaven.
Op welke manier maakt de overheid (in de breedste zin van het woord) gebruik van TikTok? Welke (gevoelige) overheidsinformatie kan door TikTok op deze manier verzameld zijn?
De Baseline Informatiebeveiliging Overheden (BIO) en van toepassing zijnde privacywetgeving regelt dat iedere organisatie zelf verantwoordelijk is voor het beoordelen van privacy- en veiligheidsrisico’s voor het in gebruik nemen van ICT-producten en diensten, zoals TikTok. Er is geen centraal overzicht beschikbaar van het gebruik van TikTok door de overheid. De BIO schrijft ook voor hoe met (gevoelige) overheidsinformatie moet worden omgegaan. In generieke zin moet worden geborgd dat dergelijke informatie niet door niet-geautoriseerde partijen en personen kan worden ingezien.
Daarnaast adviseert de Dienst Publiek en Communicatie (DPC) van het Ministerie van Algemene Zaken (AZ) de inzet van TikTok voor de rijksoverheid op te schorten tot TikTok haar gegevensbeschermingsbeleid heeft aangepast.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat alle gegevens die op deze (onrechtmatige) manier verzameld zijn door TikTok worden verwijderd? Ziet u ook in dat u daar nauwelijks de mogelijkheid toe heeft?
Het is juist dat het niet aan het kabinet is om persoonsgegevens die op een onrechtmatige manier zijn verzameld, te laten verwijderen. De onafhankelijke toezichthouder ziet toe op het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerking onder de AVG.
Betrokkenen hebben het recht om te verzoeken om bepaalde persoonsgegevens te laten verwijderen, op grond van artikel 17 van de AVG. Als de verwerkingsverantwoordelijke daartoe in voorkomende gevallen niet overgaat, is het raadzaam om, zoals in antwoord 3 staat, een klacht eerst bij de FG van TikTok neer te leggen en als dit niet het gewenste effect heeft, bij de AP.
Deelt u daarom de mening dat het toezicht op (grote) techbedrijven en hun digitale producten veel beter moet en veel meer aan de voorkant zou moeten plaatsvinden omdat de geleden schade achteraf vaak niet ongedaan te maken is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dat realiseren?
Zoals gezegd is de verwerkingsverantwoordelijke (in casu TikTok) ervoor verantwoordelijk dat de bescherming van persoonsgegevens aan de standaarden voldoet. De AVG voorziet – naast extern toezicht – daartoe ook in intern toezicht en het kunnen afleggen van verantwoording daarover. Daarmee is de AVG er mede op gericht om, door een adequate risicobeheersing (aan de voorkant), zo veel mogelijk te voorkomen dat gegevens op een onrechtmatige manier worden verwerkt. Een verwerkingsverantwoordelijke heeft op grond van de AVG bijvoorbeeld de plicht om voorafgaand aan verwerkingen van persoonsgegevens die waarschijnlijk hoog risico zijn, een Data Protection Impact Assessment (DPIA), ofwel een gegevensbeschermingseffectenbeoordeling, uit te voeren, zodat een organisatie passende maatregelen kan nemen. Wanneer een DPIA uitwijst dat verwerking gepaard gaat met een hoog risico dat de verwerkingsverantwoordelijke niet kan beperken door maatregelen die met het oog op de beschikbare technologie en de uitvoeringskosten redelijk zijn, dient vóór de verwerking een raadpleging van de toezichthoudende autoriteit plaats te vinden. Ook hebben organisaties, zoals (grote) technologie bedrijven – die belast zijn met de verwerkingen die vanwege hun aard, hun omvang en/of hun doeleinden regelmatige en stelselmatige en regelmatige observatie op grote schaal van betrokkenen vereisen – de verplichting om een FG aan te stellen die onder meer als taak heeft om toe te zien op de naleving van de verordening en te werken aan een cultuur van gegevensbescherming.
In het coalitieakkoord is al aangegeven dat we toezicht willen versterken. Om deze reden heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in haar werkagenda een heel aantal acties opgenomen. Een voorbeeld hiervan is de oprichting van de toezichthouder op algoritmes. Hierbij kijken we in samenwerking met betrokken departementen en toezichthouders of we toezicht meer vooraf kunnen laten plaatsvinden, bijvoorbeeld met behulp van certificering. Ook zullen zeer grote platforms zoals TikTok met inwerkingtreding van de DSA verplicht worden om risico’s van hun systemen voor kinderrechten in kaart te brengen en worden bedrijven via de AI-act verplicht om risico’s van AI systemen voor mensenrechten in kaart te brengen. Deze risicoanalyses bieden concrete handvatten om proactief toezicht te houden op mogelijk risico’s.
Het korten van de uitkering van mensen in het buitenland |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw beantwoording van mijn Kamervragen over transactiekosten die ten koste gaan van de uitkering van uitkeringsontvangers in het buitenland?1
Ja, die herinner ik mij.
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan mijn aangenomen motie, de motie over het aankaarten van situaties waarin uitkeringsgerechtigden er vanwege Target-2 financieel op achteruit zijn gegaan?2 Heeft u dit onderwerp internationaal aangekaart? Heeft u de voorlichting aan mensen verbeterd?
UWV heeft in augustus op drie plekken de communicatie aangepast. In het belscript voor de medewerkers van het Klant Contact Centrum, via een toevoeging in de welkomstbrief voor AW-uitkeringen zoals de WAO en via algemene informatie op de website van UWV. Hier komt nu het volgende terug: «Het kan zijn dat uw bank kosten in rekening brengt voor het overmaken van uw uitkering. Dit hangt af van het land waar uw bank is gevestigd».
Er is gekozen voor een algemene tekst omdat het ook om andere buitenlandse banken (dan de Turkse banken die hieronder genoemd worden) kan gaan en dat de burger hier van tevoren rekening mee kan houden. Signalen over andere banken, dan deze Turkse banken, heeft UWV nu niet. Maar omdat banken zelf kunnen besluiten om extra kosten voor een transactie in rekening te brengen, zou het kunnen voorvallen. Daarom deze brede boodschap om mensen hier bewust van te maken.
In het antwoord van 28 februari jl. meldde ik dat de G20 het verbeteren van grensoverschrijdende internationale betalingen tot prioriteit heeft gemaakt en een routekaart heeft opgesteld met 19 bouwstenen voor het verbeteren van grensoverschrijdende betalingen. Eén van de doelstellingen is het omlaag brengen van de kosten van grensoverschrijdende betalingen. De Nederlandsche Bank is namens Nederland betrokken samen met verschillende private partijen, zoals banken.
Op 24 oktober zal de G20 een oproep doen aan financiële instellingen over de hele wereld om hen te vragen zich te committeren aan G20 doelstellingen voor 2027 met betrekking tot het sneller, goedkoper, transparanter en toegankelijker maken van internationale betalingen. Klaas Knot zal deze oproep doen in het kader van zijn voorzitterschap van de Financial Stability Board (FSB) tijdens de high-level Payment Summit.
In de routekaart zijn concrete verbeterdoelstellingen opgenomen voor grensoverschrijdende betalingen. Eind 2027 moeten bijvoorbeeld al deze betalingen binnen 1 uur verwerkt zijn. Ook is opgenomen dat remittance betalingen van 200 dollar gemiddeld genomen wereldwijd niet meer mogen kosten dan 3%, en nergens meer dan 5%.
De routekaart zal de komende jaren op internationaal niveau verder worden uitgevoerd om de verbeterdoelstellingen te realiseren. Aan het eind van elk jaar vindt een update plaats en wordt aan de G20 gerapporteerd over de stappen die zijn gezet.
Waarom heeft u, omdat het bij de transitie naar Target-2 bekend was dat er mogelijk gevolgen konden zijn voor de uitkeringsgerechtigden, niet meer inspanningen geleverd om helder te krijgen welke precieze gevolgen dit zou hebben voor mensen? Waarom is er zo gemakkelijk omgegaan met inkomensverlies van mensen? Betreurt u dit?
Het is vervelend dat uitkeringsgerechtigden met een Turkse bankrekening extra kosten krijgen. Bij de transitie naar Target-2 was bekend dat er mogelijk gevolgen konden zijn voor de uitkeringsgerechtigden, maar voor UWV was de impact per bank of per rekeninghouder niet te duiden. De kosten die Turkse banken doorberekenen zijn niet bekend bij of inzichtelijk voor UWV. De oorzaak van het doorberekenen van kosten is gelegen in de bankvoorwaarden. Het is aan banken zelf om te bepalen welke kosten zij rekenen voor een buitenlandse overboeking. UWV heeft geen invloed op de (hoogte van de) kosten die de begunstigde banken in rekening brengen, niet in de oude en niet in de nieuwe situatie. Het Klant Contact Centrum van UWV verwijst de klant met vragen hierover naar hun eigen bank.
Kunt u mij aantonen dat het bedrag dat in mindering wordt gebracht op de uitkering van mensen in het buitenland in deze gevallen daadwerkelijk het gevolg is van het inhouden van kosten door banken, en niet het gevolg is van bijvoorbeeld Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV-)beleid?
Met de overgang naar Target-2 zijn er Turkse banken die andere kosten voor de betalingen van het UWV naar Turkije berekenen. De bedragen die UWV overmaakt naar uitkeringsgerechtigden zijn niet gewijzigd door de overgang naar Target-2.
Bent u bereid, omdat het UWV het concrete signaal heeft gekregen dat twee grote Turkse banken sinds de overstap naar Target-2 (meer) kosten in rekening brengen voor ontvangen betalingen, om in overleg te treden met deze banken over de inkomensdaling van een groep mensen die deze inkomensdaling niet kunnen dragen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is uit dit overleg gekomen?
Er is geen rol weggelegd voor het Ministerie van SZW om met specifieke banken in overleg te treden. De oorzaak van het doorberekenen van kosten is gelegen in de bankvoorwaarden en het is aan banken zelf om te bepalen welke kosten zij rekenen voor een buitenlandse overboeking. Het is aan een uitkeringsgerechtigde om zelf een bank te kiezen.
Bent u bereid, omdat de kosten die Turkse banken doorberekenen niet bekend zijn bij of inzichtelijk zijn voor het UWV, om dit te onderzoeken, zodat u mensen beter kunt voorlichten? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. Er is gekozen voor een algemene voorlichting aan uitkeringsgerechtigden. Het is niet de taak van UWV om te adviseren over welke bank iemand gebruikt. Daar is ook een breder beeld over de financiële situatie voor nodig. Andere bankvoorwaarden kunnen namelijk weer voordelig zijn voor een klant. UWV kan daarom in de communicatie niet naar specifieke banken verwijzen. Het is dan ook niet aan UWV om onderzoek te doen naar de kosten, maar wel om mensen hier bewust van te maken.
Het bericht 'Arbonormen bagagepersoneel Schiphol jarenlang overschreden, deel heeft gezondheidsklachten' |
|
Hilde Palland (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS «Arbonormen bagagepersoneel Schiphol jarenlang overschreden, deel heeft gezondheidsklachten»1 en zou u willen reflecteren op de conclusies en bevindingen uit dit onderzoek van NOS en Nieuwsuur?
Ja. Ik ben verbaasd en geschrokken van de berichtgeving. Het is belangrijk dat de Arboregels worden nageleefd. Die regels gelden niet voor niets, die zijn er voor iedere werkgever: mensen moeten gezond en veilig kunnen werken.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat bagage- en vrachtbedrijven op Schiphol hun personeel te zwaar werk (hebben) laten uitvoeren, juist ook na de eis van de Nederlandse Arbeidsinspectie (de Inspectie) in 2009 dat dit niet meer zou gebeuren, en welke acties bent u hieraan van plan te verbinden?
Het is belangrijk dat de Arboregels worden nageleefd. Die regels gelden niet voor niets, die zijn er voor iedere werkgever: mensen moeten gezond en veilig kunnen werken. De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van de inspecties in 2004 en 2009 met de afhandelingsbedrijven op Schiphol afspraken gemaakt over maatregelen voor het voorkomen van te zware fysieke belasting bij de bagageafhandeling. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de werkgever om deze maatregelen daadwerkelijk uit te voeren en erop toe te zien dat dit in de praktijk gebeurt. Werknemers, leden van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging en ook vakbonden of derden zoals bedrijfsartsen kunnen ook meldingen doen bij de Arbeidsinspectie als een bedrijf de wettelijke voorschriften op het gebied van arbeidsbescherming niet naleeft, en het niet mogelijk blijkt de problemen binnen het bedrijf in redelijk overleg op te lossen. Indien de melding wordt gedaan door een vakbond of vanuit de personeelsvertegenwoordiging is het beleid van de inspectie om de melding direct in behandeling te nemen. De Arbeidsinspectie is inmiddels, naar aanleiding van een uitzending van Nieuwsuur, onderzoek gestart naar de situatie bij het bagagepersoneel op Schiphol. De Arbeidsinspectie geeft aan dat ze graag eerder was gegaan, zie bijlage. Ik onderschrijf dat.
Ik heb de Arbeidsinspectie gevraagd te bezien of er verbeteringen mogelijk zijn. Hierover wordt uw Kamer nader geïnformeerd.
Ik heb samen met de Minister van IenW in juli een gesprek gehad met Schiphol en KLM over de arbeidsomstandigheden op Schiphol. In dat gesprek hebben we hen gewezen op hun verantwoordelijkheden hierin. Een vervolg op dit gesprek zal plaatsvinden tijdens een werkbezoek aan Schiphol in november. Als aandeelhouder heeft de Minister van Financiën meermaals met de directie van Schiphol gesproken over de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden op de luchthaven. De betrokken Ministers, waaronder ikzelf, zullen deze gesprekken blijven voeren, waarbij we Schiphol kritisch zullen blijven bevragen en de voortgang bij het verbeteren van de situatie in de arbeidsomstandigheden nauwgezet zullen blijven volgen.
Hoe beziet u de waarschuwing van bedrijfsartsen dat als het werk op dezelfde manier gedaan blijft worden, de helft van het grondpersoneel een beroepsziekte krijgt, welke conclusies trekt u hieruit en welke acties bent u van plan hieraan te verbinden?
Dit signaal van de bedrijfsartsen vind ik zorgelijk. De werkgever is primair verantwoordelijk om te zorgen voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden. Dit om beroepsziekten, bijvoorbeeld als gevolg van te zwaar tillen, te voorkomen. De Arbeidsinspectie is inmiddels een onderzoek gestart naar de situatie bij de grondafhandelaren op Schiphol. In het algemeen roep ik iedereen op om misstanden te melden bij de Arbeidsinspectie. Dat is eenvoudig en laagdrempelig. Op de startpagina van de Arbeidsinspectie staat een directie link waar digitaal een melding kan worden gedaan bij het Meldingen Informatiecentrum, maar een telefonische melding, al dan niet anoniem, is ook mogelijk, 24/7.
Klopt het dat de Inspectie de afgelopen twaalf jaar geen controles heeft uitgevoerd bij deze bedrijven? Zo ja, kunt u nagaan en uitleggen waarom de Inspectie de afgelopen twaalf jaar geen controles heeft uitgevoerd op deze problematiek? Hoeveel meldingen zijn er door de Inspectie ontvangen vanuit bagageafhandelingpersoneel, bedrijfsartsen en/of vakbonden? Is er opvolging van de meldingen geweest?
Op grond van de Arbowet is het de primaire verantwoordelijkheid van de werkgever om zich aan de wet- en regelgeving te houden. De Arbeidsinspectie geeft in dit geval aan dat ze graag eerder was gegaan, zie bijlage. Ik onderschrijf dat. De Arbeidsinspectie maakt keuzes als het gaat om de inzet van haar capaciteit. In dit geval geeft de Arbeidsinspectie aan dat er uit haar actieve programmering geen aanleiding is geweest om eerder te controleren. Bij de Arbeidsinspectie zijn geen relevante meldingen op het gebied van fysieke belasting ontvangen van bijvoorbeeld personeel, bedrijfsartsen, ondernemingsraden of vakbonden. Op andere terreinen – zoals blootstelling aan gevaarlijke stoffen – hebben de afgelopen jaren wel diverse inspecties plaatsgevonden op Schiphol.
Ik heb de Arbeidsinspectie gevraagd te bezien of er verbeteringen mogelijk zijn. Tevens heb ik de Arbeidsinspectie gevraagd om bij de door haar aangekondigde rapportage over de nog lopende onderzoeken in de bagage-afhandeling, tevens breder inzicht te geven in welke inspecties en welke arbeidsrisico’s hebben plaatsgevonden de afgelopen jaren op Schiphol. Hierover wordt uw Kamer nader geïnformeerd.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de bagage- en vrachtbedrijven op Schiphol al jarenlang van deze problematiek afweten zonder hier afdoende naar te handelen?
Ik ben verbaasd en geschrokken. Het is belangrijk dat de Arboregels worden nageleefd. Die regels gelden niet voor niets, die zijn er voor iedere werkgever: mensen moeten gezond en veilig kunnen werken. Ik verwijs u verder naar mijn antwoord op vraag 2.
Reeds in juli 2021 is er een rapport opgeleverd door het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR), Ecorys en de Universiteit Leiden, naar aanleiding van een motie vanuit de Tweede Kamer, waarin de conclusie wordt getrokken dat «de intensievere handhaving van de arbeidsomstandigheden, een aantal gerichte veiligheidsmaatregelen en een welwillender houding tegenover vakbondswerk in de sector goede arbeidsverhoudingen en arbeidsomstandigheden kunnen bevorderen», is hier invulling aan gegeven? Hebben de vakbonden voldoende toegang tot de werkvloer? Zijn hier signalen over?
Het rapport van NLR, Ecorys en de Universiteit Leiden is op 2 november 2021 aan uw Kamer gestuurd2. Zoals in de aanbiedingsbrief bij dat onderzoek aangegeven is op initiatief van IenW een overleg opgezet met alle betrokken partijen, te weten Schiphol, FNV, grondafhandelaren en luchtvaartmaatschappijen. Bij het eerste overleg is met betrokken partijen besloten te focussen op een drietal acties: het sluiten van een sector-CAO; het aanpassen van de regels die gelden voor bedrijven in de grondafhandeling; en het indien nodig beperken van het aantal afhandelaren op Schiphol. Deze acties volgden op een brief van de FNV van 6 oktober 2021 aan het ministerie. De betrokken partijen hebben aangegeven dat deze acties bij kunnen dragen aan het oplossen van de problematiek. Op die acties zijn sindsdien vorderingen gemaakt. Afspraken over de toegang van vakbonden tot de werkvloer kunnen door sociale partners via cao’s worden overeengekomen. Uw Kamer heeft ook een motie3 aangenomen waarin in den brede wordt opgeroepen om in kaart te brengen in hoeverre in cao’s daadwerkelijk afspraken worden gemaakt over toegang tot de werkvloer. Over de uitkomsten wordt uw Kamer later geïnformeerd.
Welke concrete acties wat betreft verbetering van de arbeidsomstandigheden zijn er gerealiseeerd sinds de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in de brief van 2 november 2021 inzake het voornoemde rapport aangaf een overleg te organiseren met de betrokken organisaties (onder andere Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV)) welke maatregelen kunnen worden getroffen en wie welke maatregelen moet oppakken?
Sinds het uitkomen van de brief van november 2021 is er op 7 maart 2022 een sector-cao afgesloten tussen werkgevers en de grondafhandeling en de FNV. Er zijn regels opgesteld waar afhandelingsbedrijven zich vanaf 2023 aan moeten houden. Met betrokken partijen is afgesproken het traject voor beperking van het aantal afhandelingsbedrijven in gang te zetten. Daarnaast is afgelopen zomer nog een Sociaal akkoord afgesloten waarin afspraken zijn gemaakt over onder andere een toeslag voor werknemers, volledige vergoeding van woon-werkverkeer en over de kwaliteit van grondafhandelaren. Ook zal een «Sociaal Dialoog Tafel» worden opgezet waarbij vanaf 1 januari 2023 structureel sociale thema’s worden besproken. Werkgevers en vakbonden zijn primair verantwoordelijk voor de uitvoering van het Sociaal akkoord. Bij een recent overleg met het Ministerie van IenW, Schiphol, FNV, grondafhandelaren en luchtvaartmaatschappijen is vastgesteld dat alle relevante partijen betrokken zijn voor het in gang zetten van het beperken van het aantal afhandelaren. Bij datzelfde overleg is door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat toegezegd samen met Schiphol te bekijken welke opties er in de nationale regelgeving zijn om voor de kortere termijn regels of toelatingseisen voor grondafhandelingsbedrijven vast te stellen. Dat sluit de markt niet af, maar kan bijdragen aan het voorkomen van onwenselijke extra concurrentiedruk. De conclusies en aanpak wat betreft de grondafhandeling zijn in een brief aan de Kamer vermeld.4
Deelt u de mening dat de onderlinge concurrentie van de vele bagageafhandelingsbedrijven wat arbeidsomstandigheden betreft een race naar de bodem heeft ingezet waarvan de werknemers de dupe zijn?
Het staat luchtvaartmaatschappijen in principe vrij om contracten af te sluiten met afhandelaren. Schiphol heeft zelf geen instrumenten om de toelating van afhandelingsbedrijven in te perken. Hier zal zoals eerder aangegeven verandering in komen onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van IenW. Geen enkel bedrijf mag de kwaliteit van het werk en de gezondheid en veiligheid van werknemers in gevaar brengen ten behoeve van goedkope concurrentie met name op arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden. De betrokken Ministers, waaronder ikzelf, zullen hierover het gesprek met Schiphol blijven voeren, waarbij we de directie kritisch zullen blijven bevragen en de voortgang bij het verbeteren van de arbeidsomstandigheden nauwgezet zullen blijven volgen.
Zie ook mijn antwoord op vraag 7.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie van de leden Alkaya (SP) en Van der Molen (CDA)2 die toeziet regels te maken om te voorkomen dat nieuwe afhandelaren kunnen concurreren op arbeidsvoorwaarden, werkomstandigheden en veiligheid, en het aantal afhandelaren te beperken als betrokken partijen daarom verzoeken? Is het inperken van het aantal grondafhandelingsbedrijven op Schiphol een overweging nu deze problematiek aanhoudt?
De Minister van IenW is in gesprek met de FNV, Schiphol, afhandelingsbedrijven en luchtvaartmaatschappijen om de situatie in de grondafhandeling op Schiphol te verbeteren. Zoals benoemd in antwoord op vraag 7 is er inmiddels een sector-CAO afgesloten en zijn regels opgesteld waar afhandelingsbedrijven zich van 2023 aan moeten houden. En er is een traject afgesproken om beperking van het aantal afhandelingsbedrijven in gang te zetten. Het proces tot beperken van het aantal afhandelaren zal naar verwachting de nodige tijd vergen. Het moet – mede op basis van Europese regelgeving – goed onderzocht en onderbouwd worden. Vervolgens moet een aanbestedingsprocedure opgezet en afgerond worden om de grondafhandelingsbedrijven te selecteren.
Hoe kijkt u vanuit uw rol als aandeelhouder – Schiphol is een staatsdeelneming in beheer van het Ministerie van Financiën – naar het inzetten van een race naar de bodem wat betreft arbeidsomstandigheden bij (bedrijven die werken voor) deze staatsdeelneming?
Van Schiphol als staatsdeelneming wordt verwacht dat het een voorbeeldrol heeft op het gebied van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en zich ruimhartig aan wet- en regelgeving houdt.
Als exploitant van onze nationale luchthaven heeft Schiphol een brede verantwoordelijkheid om arbeidsomstandigheden op de luchthaven te bevorderen. Zonder af te willen doen aan deze verantwoordelijkheid, moet worden opgemerkt dat het de grondafhandelingsbedrijven zijn die als werkgevers, op grond van de wet primair verantwoordelijk om te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. Zij dienen maatregelen te nemen om gezondheidsrisico’s voor hun personeel te voorkomen. Ook dienen zij toe te zien op het gebruik van arbomiddelen als tilhulpen door hun werknemers. De grondafhandelingsbedrijven werken in opdracht van de luchtvaartmaatschappijen. De luchtvaartmaatschappijen hebben daarmee als opdrachtgever ook een duidelijke rol als het gaat om de omstandigheden waaronder het werk in de keten door opdrachtnemers (in dit geval de bagage- en vrachtbedrijven) wordt uitgevoerd.
Schiphol heeft op 6 september jl. naar aanleiding van de berichtgeving in de media aangegeven dat zij achteraf bezien een grotere rol hadden moeten innemen in het verbeteren van de arbeidsomstandigheden bij de grondafhandeling. Dat onderschrijft de Minister van Financiën. In dat kader heeft Schiphol de totstandkoming van een sector-CAO in de grondafhandeling gestimuleerd. Ook heeft Schiphol het afgelopen jaar manieren onderzocht om het grondafhandelingsproces op de luchthaven te verbeteren. Recent heeft Schiphol in dat kader een aantal maatregelen aangekondigd, zoals het verplicht delen van materiaal, de introductie van eisen voor toetreding en het beperken van het aantal afhandelaren. Zie hiervoor ook mijn antwoord op de vragen 6, 7 en 9.
Als aandeelhouder heeft de Minister van Financiën meermaals met de directie van Schiphol gesproken over de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden op de luchthaven. De Ministers van IenW, SZW en Financiën zijn nauw betrokken bij de verbetering van de werkomstandigheden en arbeidsvoorwaarden op Schiphol. Er zijn regelmatig gesprekken met de betrokken bedrijven. Zoals toegezegd in het commissiedebat van 12 mei jl. over gezond en veilig werken heb ik samen met de Minister van IenW op 8 juli jl. bijvoorbeeld gesproken met KLM en Schiphol. Beide bedrijven hebben daarin aangegeven stappen te zetten ter structurele verbetering van de fysieke belasting, blootstelling aan gevaarlijke stoffen, werkdruk, in- en uitbesteding en beloning. Door de bewindspersonen is aangegeven dat Schiphol vanuit de bredere verantwoordelijkheid als exploitant van de nationale luchthaven een voorbeeldrol heeft als het gaat om de naleving van wet- en regelgeving en goed werkgeverschap. Daarnaast is er verschillende keren met de FNV gesproken over de arbeidsomstandigheden op Schiphol en wordt in november een werkbezoek afgelegd om medewerkers op de luchthaven te spreken. De betrokken Ministers, waaronder ikzelf, zullen hierover het gesprek met Schiphol blijven voeren, waarbij we de directie kritisch zullen blijven bevragen en de voortgang bij het verbeteren van de arbeidsomstandigheden nauwgezet zullen blijven volgen.
Hoe beziet u de mate van zelfregulering bij Schiphol, waarbij twaalf jaar niet op locatie door de Inspectie zelf is gecontroleerd? Zou u willen reflecteren in hoeverre en op welke manier het wenselijk is om uit te gaan van deze mate van zelfregulering wanneer er sprake is van een race naar de bodem wat betreft arbeidsomstandigheden?
Uitgangspunt van het arbostelsel is dat werkgevers de primaire verantwoordelijkheid dragen om te zorgen voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden. Hierbij dienen werkgevers bij de invulling van hun processen ervoor te zorgen dat zij aan de relevante wet- en regelgeving voldoen.
De Arbeidsinspectie maakt geen zelfreguleringsafspraken met bedrijven.
Het instrument zelfregulering is op wetgevend niveau vastgelegd in de Arbeidsomstandighedenwet en krijgt bijvoorbeeld concreet vorm in de mogelijkheid voor sectoren om Arbocatalogi vast te stellen. In een arbocatalogus beschrijven werkgevers- en werknemersorganisaties gezamenlijke afspraken over de wijze waarop zij (gaan) voldoen aan de doelvoorschriften in de Arbowet binnen de eigen branche. Arbocatalogi die met positief resultaat door de Arbeidsinspectie zijn getoetst, vormen het uitgangspunt voor het toezicht en de handhaving door de Arbeidsinspectie. Op individueel niveau van bedrijven wordt de (sectorale) arbocatalogus vervolgens uitgewerkt in de risico-inventarisatie en evaluatie en het plan van aanpak.
Zoals in het antwoord op vraag 2 staat geeft de Arbeidsinspectie aan dat zij graag eerder was gegaan, zie bijlage. Ik onderschrijf dit.
Ik heb de Arbeidsinspectie gevraagd te bezien of er verbeteringen mogelijk zijn. Ik verwijs uw Kamer verder naar de antwoorden op vraag 2 en 4, alsmede naar de toelichting van de Arbeidsinspectie op haar werkwijze in bijlage bij de antwoorden op deze Kamervragen.
Hoe beziet u de verantwoordelijkheden van Schiphol en de bagage- en vrachtbedrijven met betrekking tot de aanschaf en het gebruik van tilhulpen in de kelder?
De bagagebedrijven hebben primair de verantwoordelijkheid om te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. Zij dienen maatregelen te nemen om gezondheidsrisico’s voor hun personeel te voorkomen. Ook dienen zij toe te zien op het gebruik van Arbomiddelen als tilhulpen door hun werknemers.
De grondafhandelingsbedrijven werken in opdracht van de luchtvaartmaatschappijen. De luchtvaartmaatschappijen hebben als opdrachtgever een rol als het gaat om de omstandigheden waaronder het werk in de keten door opdrachtnemers (in dit geval de bagage- en vrachtbedrijven) wordt uitgevoerd.
Van Schiphol als staatsdeelneming wordt verwacht dat het een voorbeeldrol heeft op het gebied van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en zich ruimhartig aan wet- en regelgeving houdt. Als exploitant van onze nationale luchthaven heeft Schiphol een brede verantwoordelijkheid om arbeidsomstandigheden op de luchthaven te bevorderen.
Schiphol heeft op 6 september jl. in reactie op de berichtgeving in de media aangegeven6 dat zij achteraf bezien een grotere rol hadden moeten innemen in het verbeteren van de arbeidsomstandigheden bij de grondafhandeling. Dat onderschrijf ik. De verschillende betrokken Ministers waaronder ikzelf zullen het gesprek met Schiphol blijven voeren, waarbij we de directie kritisch zullen blijven bevragen en de voortgang bij het verbeteren van de arbeidsomstandigheden nauwgezet zullen blijven volgen.
Hoe beziet u de oplossingen die de bagage- en vrachtbedrijven op Schiphol en Schiphol zelf aandragen? Zijn deze oplossingen afdoende en waarom hebben de betrokken partijen hier niet eerder op gehandeld?
De bagage- en vrachtbedrijven hebben primair de verantwoordelijkheid om te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. Zij dienen maatregelen te nemen om gezondheidsrisico’s voor hun personeel te voorkomen. Ook dienen zij toe te zien op het gebruik van Arbomiddelen als tilhulpen door hun werknemers.
Er zijn, zoals uit de beantwoording van de vorige vragen blijkt, verschillende acties opgezet sinds dit jaar. Er is een sector-CAO afgesloten, er zijn regels opgesteld waar afhandelingsbedrijven zich vanaf 2023 aan moeten houden en er is afgesproken om het traject voor beperking van het aantal afhandelingsbedrijven in gang te zetten. Recent heeft de Arbeidsinspectie controles uitgevoerd bij bagage-afhandelaars op Schiphol, naar aanleiding van het onderzoek van NOS/Nieuwsuur. Het onderzoek loopt nog. Voor de vrachtafhandeling (cargo) had de inspectie al eerder een controle gepland later dit jaar.
Schiphol heeft samen met alle afhandelaren een overlegstructuur opgericht. Het resultaat is onder andere dat alle Periodieke Arbeidsgezondheidskundige onderzoeken (PAGO’s) gelijk worden getrokken en ook de voorlichting en instructie voor iedereen hetzelfde wordt.
Daarnaast zijn diverse bedrijven naar aanleiding van de inspecties bezig met een update van de RI&E. In het kader van deze inspecties is ook bij alle betrokken bedrijven de RI&E opgevraagd. De Minister van IenW, de Minister van Financiën en ikzelf blijven in gesprek met de directies van Schiphol en KLM over de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden op de luchthaven. Hierbij zullen we de directies kritisch blijven bevragen en de voortgang bij het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden nauwgezet blijven volgen.
Zou u alle mogelijke oplossingen en actielijnen voor het aanpakken van de geschetste problematiek op een rij willen zetten? Welke acties gaat u uitvoeren om zowel Schiphol als de bagage- en vrachtbedrijven op Schiphol op hun verantwoordelijkheid te wijzen en te helpen bij het aanpakken van deze problematiek?
Zie antwoord vraag 13.
Het falen van het Nederlandse aalbeheerplan |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Henk Staghouwer (CU) |
|
|
|
|
Kent u het opinieonderzoek dat aantoont dat 79% van de Nederlanders vindt dat de overheid in actie moet komen om de paling van uitsterven te redden en dat 85% voor een stop is op alle palingvisserij? Zo ja, wat is uw reactie op dit opinieonderzoek?1
Ja.
Vindt u dat het uw taak is om te voorkomen dat de paling uitsterft? Zo nee, waarom niet?
Het is een taak van de overheid om diersoorten voor uitsterven te behoeden, waar dat binnen haar mogelijkheden ligt. De Europese aalstand staat ernstig onder druk. Daarom is het goed dat al sinds 2008 er in Europees verband op basis van de Aalverordening (de EU-verordening 1100/2007) afspraken zijn waarbij alle lidstaten maatregelen moeten treffen ter bescherming van de aalstand. Dat gaat over visserijbeperkende maatregelen, maar ook nadrukkelijk om bijvoorbeeld het aanpakken van migratiebelemmeringen. Dit is van belang omdat meerdere oorzaken een rol spelen in de achteruitgang van deze soort. Over mijn inzet hieromtrent heb ik u eerder geïnformeerd (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1361 en 1365).
Als onderdeel van deze aanpak heeft Nederland sindsdien substantiële visserijmaatregelen ingesteld, te weten een 3-maands sluiting van de aalvisserij in de belangrijkste uittrekperiode, sluiting van de volledige aalvisserij in de rivieren en van de recreatieve visserij op aal. Daarbij is de inzet er in de afgelopen periode steeds op gericht geweest om in Europees verband tot een verdere versterking van de afspraken te komen: effectieve maatregelen in alle lidstaten, heldere doelstellingen en een stevige aanpak van illegale vangst en handel.
Erkent u dat Nederland jaarlijks verantwoordelijk is voor de vangst van honderdduizenden volwassen palingen en van miljoenen glasalen (jonge palingen) die naar zogenaamde «kwekerijen» gaan (waar de uit het wild gevangen glasaaltjes worden vetgemest) en dat Nederland hiermee de grootste palingvisser en -opmester is in de wereld?2
In de gezamenlijke Europese aanpak is afgesproken dat binnen de ingestelde beperkingen er nog vangst van aal kan plaatsvinden. In Nederland wordt binnen deze afspraken gevist op volwassen aal. Over de laatste evaluatieperiode van het aalbeheerplan (2018–2020) is ingeschat dat in totaal 479 ton aal is gevangen. Of dit de hoogste palingvangsten ter wereld zijn is niet bekend. Binnen de kaders van de Aalverordening mag daarnaast in Zuid-Europa gevangen glasaal worden ingezet voor uitzet in Noordwest-Europese wateren en daarnaast voor een deel ten behoeve van de aalkweek. Voor de toegestane visserij op glasaal stellen wetenschappers jaarlijks het glasaalbestand vast, op basis waarvan een quotum wordt bepaald van glasaal die mag worden gevangen. U bent hierover ook geïnformeerd in de beantwoording van Kamervragen op 13 april van dit jaar (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2404). De binnen het quotum gevangen glasaal komt, naast uitzet, daarbij dus voor een deel ter beschikking aan de aquacultuurbedrijven in Nederland. Daarnaast zijn er ook in andere lidstaten zoals bijvoorbeeld Duitsland, Denemarken en Zweden palingkweekbedrijven. Binnen Europa zijn Nederland en Duitsland hierbij de grootste spelers met een ongeveer vergelijkbare productie van kweekpaling.
Erkent u dat Nederland in de afgelopen jaren méér volwassen palingen is gaan vangen? Namelijk van 352 ton in 2012 naar 475 ton in 2020? Wat is hierop uw reactie?3
De visserij op volwassen aal in Nederland en in Europees verband is sterk teruggebracht met de implementatie van de Aalverordening en de op basis hiervan ingestelde gesloten periode en gebieden. De totale visserijinspanning (aantal vissers, aantal toegestane netten) is daarbij, sinds de beperkingen van kracht werden, niet meer toegenomen. De hiermee gerealiseerde vangsten verschillen echter van jaar tot jaar, ook afhankelijk van het natuurlijk aanbod van aal en de seizoensomstandigheden. In de looptijd van de Aalverordening zijn er daarbij periodes met lagere vangsten en periodes waarin de vangsten hoger liggen. Over de laatste evaluatieperiode van het aalbeheerplan (2018–2020) ligt de totale ingeschatte vangsthoeveelheid (479 ton) daarbij hoger dan in de hieraan voorafgaande periode. Behalve door natuurlijke variatie hangt dit mogelijk ook samen met de ingeschatte hoeveelheid aal in een deel van de beviste wateren. Zo is bijvoorbeeld in het IJsselmeergebied in de recente periode sprake van een hoger ingeschat aalbestand, en worden daar ook hogere vangsten gerapporteerd.
Klopt het dat een recente evaluatie van Wageningen Universiteit aantoont dat het Nederlandse aalbeheerplan te weinig resultaten boekt? Zo ja, wat is uw reactie hierop?4, 5
De evaluatie van Wageningen Universiteit is een evaluatie van de «Aalverordening». Het doel in deze verordening is het bereiken van 40% schieraaluittrek op de lange termijn ten opzichte van vroeger. Gelet op de lange levenscyclus van de aal, waarbij de dieren pas na meer dan tien jaar gaan bijdragen aan de voortplanting, is aan het bereiken van deze doelstelling geen specifieke termijn verbonden. De aalsterfte is behoorlijk afgenomen ten opzichte van voor de implementatie van de Aalverordening. De schieraalbiomassa is sinds de implementatie ook toegenomen.
Herstel van de hoeveelheid glasaal die aankomt bij de Europese kusten vindt echter nog onvoldoende plaats. In die zin wordt in Europees verband nog onvoldoende progressie geboekt in de verbetering van de aalstand. Dit is een Europees probleem dat om actie in alle lidstaten vraagt. Immers, slechts een beperkt deel van de Europese aalpopulatie bevindt zich in Nederland. Om die reden is mijn inzet erop gericht om in Europees verband tot een verdere versterking van de aanpak te komen middels wijziging van de Europese Aalverordening.
Klopt het dat wetenschappers hebben aangetoond dat het huidige vangstverbod van drie maanden per jaar onvoldoende is om de migratie van volwassen palingen naar zee te ondersteunen en dat ICES (International Council for the Exploration of the Seas) daarom adviseert voor een algeheel verbod op alle palingvangst? Zo ja, bent u bereid om in lijn met de wetenschap het vangstverbod van drie maanden tijdelijk uit te breiden naar een jaarrond vangstverbod? Zo nee, waarom niet?6
De Europese aal komt voor van IJsland tot Noord-Afrika. Door het grote verspreidingsgebied is herstel in Nederland niet alleen afhankelijk van de situatie in Nederland en hebben maatregelen van een enkele lidstaat slechts beperkt effect op het hele bestand. Aan herstel van de aal moet daarom internationaal, door de landen in het gehele verspreidingsgebied, worden gewerkt zoals de EU Aalverordening ook beoogt. Zoals ik in de beantwoording van de vragen 2 en 5 heb toegelicht zal aanscherping van de Aalverordening daardoor het meeste effect hebben. Ik onderschrijf de conclusie dat een verdere versterking van de Europese aalaanpak noodzakelijk is. Daarbij is mijn insteek dat er in alle lidstaten een duidelijke aanpak komt die getoetst wordt aan meetbare reductiedoelstellingen van door menselijk handelen veroorzaakte (antropogene) sterfte van aal (visserij, migratie). De huidige doelstellingen verbonden aan een uittrekpercentage schieraal in de ongestoorde situatie (zonder enige menselijke invloed) is complex en modelmatig, en maakt het in de praktijk erg lastig om tot een uniforme beoordeling van de aanpak in de verschillende lidstaten te komen. Daarom zet ik in op eenduidigere doelstellingen en op een versterking van de aanpak, inclusief effectieve visserijmaatregelen. Een totaalverbod op alle visserij is daarbij voor dit moment niet mijn inzet. Indien de Europese Commissie desondanks wilt inzetten op een verlenging van het huidige vangstverbod in de kustwateren in de TAC- en Quota-verordening, zal ik zo goed mogelijk de sociaaleconomische gevolgen mee nemen in de discussies hierover in Brussel.
Klopt het dat het succes van terugplaatsen van glasalen in Nederlandse wateren nog nooit is aangetoond en dat ICES adviseert om hiermee te stoppen, aangezien schade bij vangst wel is aangetoond? Zo ja, waarom houdt u vast aan dit beleid? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u het Nederlandse beleid?7, 8
Voor het antwoord hierop verwijs ik uw Kamer naar de brief
(Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2404) waarin ik heb aangegeven dat het in wetenschappelijke zin nog onduidelijk is of uitzet nu juist wel of niet bijdraagt aan een succesvolle migratie naar de paaigrond van schieraal en hiermee een bijdrage zou kunnen leveren aan het herstel van de aalpopulatie. Hiervoor is nog onderzoek nodig en dat geldt ook voor de vraag of opvissen in Zuid-Europese landen en vervolgens uitzetten in Noordwest-Europese landen schadelijk zou zijn voor het herstel van de aalstand.
Wanneer bent u van plan gehoor te geven aan het wetenschappelijke advies van ICES, die pleit voor een algehele stop op de palingvangst (inclusief glasalen) en palingkweek om de soort te redden, gezien de impact Nederland heeft op de paling? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?9
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 6.
Wat bent u verder voornemens om te doen om de paling voor uitsterven te behoeden?
In de beantwoording van de vragen 2, 5 en 6 heb ik mijn inzet ten aanzien van de bescherming van de aal toegelicht.
De zorgen van Netbeheerder Nederland over het rampscenario van 1 miljoen huishoudens de worden afgesloten omdat ze hun energierekening niet meer kunnen betalen |
|
Lilian Marijnissen (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de hartekreet van de directeur Beleid en Energietransitie van Netbeheerder Nederland die hij deed tijdens de technische briefing over rapport van het uitvoeringsoverleg elektriciteit op woensdag 7 september?
Ja.
Bent u het met hem eens dat het grootste rampscenario is dat aan het einde van de winter 1 miljoen huishoudens moeten worden afgesloten omdat ze hun energierekening niet kunnen betalen? Zo ja, wat doet u om te voorkomen dat dit scenario werkelijkheid wordt?
Ik ben van mening dat we moeten voorkomen dat huishoudens te maken krijgen met betalingsproblemen als gevolg van een gestegen energierekening met als eventueel uiterst gevolg het afsluiten van hun aansluiting voor het afnemen van elektriciteit of gas.
Het kabinet heeft daarom ingezet op een breed pakket aan maatregelen, waaronder een uitgebreid pakket aan koopkrachtmaatregelen waarover Uw Kamer via de Miljoenennota (Kamerstuk 36 200, nr. 1) met Prinsjesdag en op 4 oktober (Kamerstuk 36 200, nr. 77) is geïnformeerd, waaronder een verruiming van de bestaande regels voor bescherming tegen afsluiten. Deze verruiming houdt in dat de leverancier zich tot het uiterste moet inspannen om met de klant in contact te komen en de klant een passende betalingsregeling moet bieden.
Bent u bereid te regelen dat niemand zijn aansluiting of zelfs huis kan verliezen door torenhoge energierekeningen en schulden die daaruit voortvloeien? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om te verbieden dat mensen worden afgesloten of hun huis uit worden gezet vanwege energieschulden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om het klimaatfonds, waarin 22 miljard gereserveerd is voor het bedrijfsleven, te gebruiken om de nood van de bizar hoge energierekening te verlichten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft uw Kamer met Prinsjesdag en op 4 oktober, zie ook antwoord op vragen 2 en 3, geïnformeerd over de beoogde maatregelen en de dekking voor het uitvoeren van de koopkrachtmaatregelen en het prijsplafond. Deze staan los van het Klimaatfonds.
Vindt u het goed overkomen dat de Minister van Financiën bij een denktank in Brussel betoogt dat de compensatie van mensen hun rekeningen niet de klimaatdoelstellingen in gevaar mogen brengen? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Ik deel de opvatting dat het besparen van energie en het tegengaan van de effecten van stijgende energieprijzen hand in hand kunnen en moeten gaan. Bij energiebesparing snijdt het mes dus aan twee kanten. Ook deel ik dat ook in tijden van hoge energieprijzen een ambitieus en effectief klimaatbeleid nodig is. Zowel de consument als het klimaat hebben daar baat bij. Ik zie hier dus geen sprake van tegenstrijdigheid, maar complementariteit.
Ziet u ook dat het minder gebruiken van energie om de kosten te vermijden totaal iets anders is dan besparen van energie voor een groene toekomst en dat vele mensen zich deze luxe totaal niet kunnen veroorloven? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
De uitspraak van de advocaat-generaal aan de Hoge Raad ten aanzien van verplichte anticonceptie in de gesloten jeugdzorg |
|
Wieke Paulusma (D66), Rens Raemakers (D66) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het advies van de advocaat-generaal aan de Hoge Raad dat verplichte anticonceptie op basis van de Wet verplichte ggz (Wvggz) in strijd is met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM)?1
Ja. Ik wacht de uitspraak van de Hoge Raad met belangstelling af. Het advies van de advocaat-generaal is overigens iets genuanceerder dan de hier weergegeven samenvatting. De voorliggende vraag is of de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voldoende basis biedt om in uitzonderlijke gevallen anticonceptie te verplichten. Rechters gaan nu verschillend om met het opnemen van tijdelijke verplichte anticonceptie als vorm van verplichte zorg in een zorgmachtiging op grond van de Wvggz. In enkele gevallen is met toepassing van de criteria voor verplichte zorg – tijdelijk – (voor de duur van de zorgmachtiging) het verplichte gebruik van anticonceptie opgelegd. Verplichte zorg mag uitsluitend in een zorgmachtiging worden opgenomen indien er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn, er voor de betrokken persoon geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn, het verlenen van verplichte zorg, gelet op het beoogde doel van verplichte zorg, evenredig is en redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is. Tijdelijke verplichte anticonceptie als vorm van verplichte zorg ter voorkoming van ernstig nadeel voor de vrouw zelf (vrouwen wier behandeling geschaad zou worden door een zwangerschap of door het (herhaaldelijk) moeten afstaan van een kind) sluit de advocaat-generaal (AG) niet uit. Waar het echter gaat om de bescherming van een nog niet verwekt kind (waar sommige rechters ook naar verwezen) zegt de AG dat deze interpretatie van «ernstig nadeel voor een ander» geen onderbouwing heeft in de Wvggz2. Op dat punt is er volgens de AG geen formeel wettelijke grondslag voor de inperking van grondrechten, dus zou het opleggen van verplichte zorg ter bescherming van een toekomstig kind in strijd kunnen zijn met het EVRM.
Hoe gaat u gevolg geven aan een eventuele uitspraak van de Hoge Raad, indien deze in lijn is met het advies van de advocaat-generaal?
De Hoge Raad moet nog uitspraak doen en ik wil hierop niet vooruitlopen.
Bent u ook van mening dat verplichte anticonceptie (in de gesloten jeugdzorg) een onwenselijke praktijk is?
Wat betreft de uitspraak van de Hoge Raad over de Wvggz heb ik hierboven aangegeven hierop niet vooruit te willen lopen. Ten aanzien van jeugdigen die in de gesloten jeugdhulp verblijven, merk ik ten eerste op dat in dat geval op grond van hoofdstuk 6 van de Jeugdwet een rechterlijke machtiging voor gesloten jeugdhulp is verleend. Gesloten jeugdhulp valt niet binnen de reikwijdte van de Wvggz, maar is onderdeel van de Jeugdwet. In artikel 6.3.2 van de Jeugdwet is bepaald dat tegen de wil van de jeugdige voor wie zo’n machtiging is verleend geneeskundige behandelingsmethoden toegepast kunnen worden voor zover dat noodzakelijk is ter afwending van gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van de jeugdige of anderen en de met de jeugdhulp beoogde doelen te bereiken. Het gaat bijvoorbeeld om het toedienen van insuline bij een jeugdige die diabetes heeft. Het niet toedienen van dat medicijn zou ernstige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de jeugdige. Omdat een gedwongen geneeskundige behandeling zeer ingrijpend is, moet altijd worden overwogen of het beoogde doel niet met andere middelen kan worden bereikt. Alleen als aan alle bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan, zou gedwongen anticonceptie mogelijk zijn. Dat zal echter slechts bij (hoge) uitzondering het geval zijn. Ik ben van mening dat het uitgangspunt moet blijven dat anticonceptie op vrijwillige basis wordt gebruikt en terughoudend moet worden omgegaan met gedwongen anticonceptie indien in een zeer uitzonderlijke situatie toch aan de wettelijk gestelde voorwaarden wordt voldaan.
Welke acties onderneemt u om ervoor te zorgen dat zorginstellingen in lijn met het EVRM handelen en geen verplichte anticonceptie opleggen, indien de Hoge Raad het advies van de advocaat-generaal overneemt?
Zoals in antwoord 2 is aangegeven, wil ik niet op de zaken vooruitlopen en de uitspraak van de Hoge Raad eerst afwachten. Daarbij is van belang dat gesloten jeugdhulp niet valt onder de reikwijdte van de Wvggz, maar onderdeel is van de Jeugdwet. De Wvggz en de Jeugdwet zijn twee gescheiden rechtsstelsels.
Is er eerder een bepaalde vorm van toetsing geweest of verplichte anticonceptie wel of niet in strijd is met het EVRM en mogelijk zou zijn onder de Wvggz? Zo ja, waarom is daar toen geen gevolg aan gegeven? Zo nee, waarom is dat niet onderzocht toen bleek dat op grond van de Wvggz verplichte anticonceptie werd opgelegd in de gesloten jeugdzorg?
Er kan geen verplichte zorg op grond van de Wvggz worden opgelegd in de gesloten jeugdhulp. Er is sprake van twee gescheiden rechtsstelsels. Bij de parlementaire behandeling van de Wvggz is anticonceptie als verplichte zorg geen onderwerp geweest. Wel is in de oorspronkelijke memorie van toelichting van 2010 aandacht besteed aan de bescherming van «anderen» tegen ernstig nadeel, waaronder ook de foetus van een zwangere wordt begrepen. Indien het gedrag van de zwangere ernstig nadeel kan veroorzaken voor de foetus (bijvoorbeeld drugsverslaving), kan dat gronden opleveren voor verplichte zorg (bijvoorbeeld afkicken). Daarbij is bewust geen leeftijdsgrens van de foetus is bepaald, omdat ook juist in de eerste weken van een zwangerschap schade kan ontstaan door middelenmisbruik. Het wetsvoorstel is indertijd getoetst aan de Grondwet en het Europees recht. In de signalen over anticonceptie in de jeugdzorg is geen aanleiding gezien om opnieuw naar de Wvggz te kijken, te meer omdat de Wvggz niet van toepassing is in de jeugdzorg (zie antwoord3.
Waarom is er bij het opstellen van de Wvggz geen aandacht geweest voor de impact van de wet op eventuele verplichte anticonceptie?
De beschermwaardigheid van het toekomstige – nog niet verwekte – kind is geen onderwerp van de parlementaire behandeling geweest. Daarnaar verwijst de AG ook in haar advies, waarin ze betoogt dat voor de inperking van grondrechten ter bescherming van een toekomstig kind geen grond te vinden is in de wet(sgeschiedenis).
Was verplichte anticonceptie ook mogelijk op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz)?
De Wet Bopz was een opnamewet. De rechter toetste enkel de legitimiteit van gedwongen opname, en als daarmee het gevaar niet was weggenomen, kon de geneesheer-directeur (GD) vervolgens besluiten tot gedwongen behandeling, bijvoorbeeld dwangmedicatie. Het is zeer onwaarschijnlijk dat onder de Wet Bopz werd overgegaan tot verplichte anticonceptie in de ggz. De noodzaak voor verplichte anticonceptie als iemand al gedwongen was opgenomen lijkt niet voor de hand te liggen.
In hoeveel gevallen is sinds invoering van de Wvggz op grond van deze wet verplichte anticonceptie opgelegd en welk deel daarvan betrof mensen onder de 18 jaar?
Er zijn tot nu toe negen4 uitspraken openbaar gemaakt waarin de rechter zich heeft uitgesproken over het opnemen in een zorgmachtiging van anticonceptie als vorm van verplichte zorg. In de eerste jaren na inwerkingtreding zijn respectievelijk 14.000 en 16.000 zorgmachtigingen afgegeven op grond van de Wvggz5.
In de uitspraken staan geen persoonsgegevens zoals leeftijd vermeld, maar in al deze gevallen werd verwezen naar de zorghistorie van de betrokkene en ernstig nadeel door eerdere zwangerschap(pen). Het is daarom aannemelijk dat het niet om minderjarigen gaat.
In welke mate is er sprake van gedwongen of aangedrongen anticonceptie bij jongeren zonder dat er een rechterlijke toetsing heeft plaatsgevonden in de (gesloten) jeugdzorg?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3 is gedwongen anticonceptie bij jeugdigen in beginsel niet toegestaan. Gedwongen medische behandelingen zijn alleen toegestaan in het kader van gesloten jeugdhulp voor zover noodzakelijk ter afwending van gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van de jeugdige of anderen en de met de jeugdhulp beoogde doelen te bereiken.
Naar aanleiding van de uitzending van Pointer van 3 februari 2022 over anticonceptie onder drang heeft Jeugdzorg Nederland daarover een uitvraag gedaan onder alle instellingen voor gesloten jeugdhulp. De instellingen gaven aan dat in hun organisaties geen sprake is van gedwongen anticonceptie of anticonceptie onder drang. Ook meldden zij dat geen consequenties verbonden zijn voor de jeugdigen aan het wel of niet gebruiken van anticonceptie. De instellingen herkennen zich dus niet in het beeld dat door de uitzending van Pointer is ontstaan. Wel bespreken zij met jeugdigen in het kader van seksuele voorlichting over het gebruik van anticonceptie. Soms geven zij jeugdigen het advies om anticonceptie te gebruiken. Het is mogelijk dat sommige jeugdigen deze gesprekken of adviezen als drang hebben ervaren.
Bent u bereid om nader onderzoek te doen naar dwang en drang ten aanzien van verplichte anticonceptie zonder rechterlijke toetsing en eventueel maatregelen te nemen naar aanleiding daarvan?
Op grond van de Wvggz kan verplichte zorg uitsluitend worden opgelegd door middel van een zorgmachtiging die wordt afgegeven door de rechter, dus ook wanneer het zou gaan om verplichte anticonceptie. Desondanks verwacht ik, gelet op het standpunt van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP)6 op dit punt, dat zorgverleners in de ggz daar zeer terughoudend in zijn. Indien daar aanleiding toe bestaan zal eerder worden geprobeerd het gesprek aan te gaan over vrijwillig gebruik van anticonceptie. Bijvoorbeeld met het GGD programma «Nu niet zwanger». Tegen deze achtergrond zie ik geen aanleiding nader onderzoek te doen.
In hoeverre vindt u dat dit advies en een eventuele uitspraak van de Hoge Raad ook aanleiding geeft op herbezinning op gedwongen zwangerschapstesten, zoals genoemd in het onderzoek van Pointer van 3 februari 2022?2
Gedwongen zwangerschapstesten zijn in de jeugdzorg niet toegestaan.
Ziet u in dit advies van de advocaat-generaal aanleiding om seksuele voorlichting, preventie en informatie in jeugdzorg te verbeteren en welke actie gaat u daartoe ondernemen?
Uiteraard is het ontzettend belangrijk dat jeugdigen goede seksuele voorlichting en goede informatie over anticonceptie krijgen. Daarom staat ook in het kwaliteitskader JeugdzorgPlus dat hier structureel aandacht voor moet zijn en jeugdzorgaanbieders passend aanbod moeten hebben voor de voorlichting en ondersteuning van jongeren bij hun seksuele ontwikkeling.8 Daarnaast is voor jeugdprofessionals de richtlijn Seksuele ontwikkeling voor jeugdhulp en jeugdbescherming (2020) ontwikkeld.9 Ik zie in het advies van de advocaat-generaal geen aanleiding om actie te ondernemen op dit gebied nu voor de jeugdzorg al een kwaliteitskader en richtlijn bestaan die hier aandacht aan besteden.
Hoeveel jeugdzorginstellingen hebben iemand in dienst die gespecialiseerd is in seksualiteit?
Alle jeugdzorginstellingen behoren seksuele voorlichting en ondersteuning te bieden op het gebied van de seksuele ontwikkeling van jeugdigen, afgestemd op de leeftijd van de jeugdigen en bruikbaar voor de betreffende doelgroep. Ondersteuning bij de seksuele ontwikkeling is een integraal onderdeel van de brede opvoed- en jeugdhulp die binnen de jeugdzorg wordt geboden. Om die reden wordt hiervoor niet (altijd) een op dat terrein gespecialiseerde medewerker aangetrokken. Er wordt dan ook niet bijgehouden hoeveel medewerkers binnen een jeugdzorginstelling zich bezighouden met seksualiteit. Jeugdprofessionals kunnen bij opvoed- en hulpvraagstukken rondom seksualiteit gebruik maken van de richtlijn Seksuele ontwikkeling voor jeugdhulp en jeugdbescherming (2020). De Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk, het Nederlands Instituut van Psychologen, het Nederlands Jeugdinstituut en de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijsdeskundigen hebben deze richtlijn ontwikkeld.
Bent u het eens met mevrouw Van der Sanden, de voormalig aandachtsfunctionaris seksualiteit bij de inmiddels gesloten Hoenderloo Groep, dat iedere instelling iemand zou moeten aanstellen die meer gespecialiseerd is in seksualiteit?
Zie antwoord vraag 13.
Maken alle jeugdzorginstellingen al gebruik van programma’s zoals «Nu niet zwanger» van GGD?
Op grond van het Kwaliteitskader Voorkomen seksueel misbruik jeugdzorg dient elke jeugdzorginstelling vast te stellen welk aanbod, afgestemd op leeftijd en doelgroep inzetbaar is in het kader van voorlichting en ondersteuning van jeugdigen bij de seksuele ontwikkeling.10 De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) controleert met haar toezicht of jeugdzorginstellingen zich aan deze verplichting houden.
Gelet op de bepaling dat het aanbod afgestemd moet zijn op leeftijd en doelgroep, kan het per jeugdzorginstelling en zelfs per groep verschillen welke methodiek het meest passend is. Het programma «Nu niet zwanger» richt zich bijvoorbeeld op cliënten in de vruchtbare leeftijd met (een combinatie van) complexe problemen.
Het artikel ‘Inspectie controleerde twaalf jaar niet op zwaar werk Schiphol’ |
|
Daniel Koerhuis (VVD), Chris Simons (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaande artikel?1
Ja. Ik ben verbaasd en geschrokken van de berichtgeving. Het is belangrijk dat de Arboregels worden nageleefd. Die regels gelden niet voor niets, die zijn voor iedere werkgever: mensen moeten gezond en veilig kunnen werken.
Klopt het dat de Nederlandse Arbeidsinspectie (de Inspectie) na 2010 geen enkele controle meer heeft uitgevoerd op de naleving van de Arbowet in de bagageafhandeling op Schiphol? Zo ja, hoe beoordeelt u dit feit?
Ja dat klopt. Ik ben verbaasd en geschrokken van de berichtgeving over de bagageafhandeling op Schiphol. Ik vind dat een onwenselijke situatie. Het is belangrijk dat de Arboregels worden nageleefd. Die regels gelden niet voor niets, die zijn er voor iedere werkgever: mensen moeten gezond en veilig kunnen werken. Het is en blijft de primaire verantwoordelijkheid van de werkgever om zich aan de wet- en regelgeving te houden.
De Arbeidsinspectie is inmiddels een onderzoek gestart naar de situatie bij het bagagepersoneel op Schiphol. De Arbeidsinspectie geeft aan dat ze graag eerder was gegaan, zie bijlage. Ik onderschrijf dat. Hierbij is het zo dat de Arbeidsinspectie altijd keuzes maakt als het gaat om de inzet van haar capaciteit. In dit geval geeft de Arbeidsinspectie aan dat er noch uit haar actieve programmering noch uit meldingen van buitenaf (via bijv. bedrijfsartsen, ondernemingsraden of vakbonden) aanleiding is geweest om eerder te controleren op fysieke belasting bij bagageafhandeling. Op andere terreinen – zoals blootstelling aan gevaarlijke stoffen – hebben de afgelopen jaren wel diverse inspecties plaatsgevonden op Schiphol.
Ik heb de Arbeidsinspectie gevraagd te bezien of er verbeteringen mogelijk zijn. Tevens heb ik de Arbeidsinspectie gevraagd om bij de door haar aangekondigde rapportage over de nog lopende onderzoeken in de bagage-afhandeling, tevens breder inzicht te geven in welke inspecties hebben plaatsgevonden de afgelopen jaren op Schiphol. Hierover wordt uw Kamer nader geïnformeerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Inspectie in haar reactie aangeeft geen inspecties meer uitgevoerd te hebben omdat zij erop «vertrouwden» dat werkgevers in de bagageafhandeling op Schiphol zich zouden houden aan de gemaakte afspraken na een langdurig verbetertraject?
Mijn beoordeling is als volgt. Op grond van de wet- en regelgeving is het uitgangspunt dat de primaire verantwoordelijkheid ligt bij werkgevers en werknemers. In 2010 constateerde de Arbeidsinspectie dat de werkgevers in de bagageafhandeling concrete maatregelen hadden getroffen. In lijn met de uitgangspunten van het arbostelsel is het vervolgens de verantwoordelijkheid van de werkgevers en werknemers om de voortgang daarin te behouden.
Dit laat onverlet dat ik graag had willen zien dat de Arbeidsinspectie eerder was langsgegaan om te controleren of de voortgang daadwerkelijk werd voortgezet. Ik heb de Arbeidsinspectie gevraagd te bezien of er verbeteringen mogelijk zijn.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Inspectie aangeeft sinds 2010 geen controles meer uitgevoerd te hebben op Schiphol, mede omdat er geen meldingen van overtredingen zijn ontvangen? Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de in het onderzoek aangehaalde bedrijfsartsen die aangeven herhaaldelijk meldingen gemaakt te hebben van beroepsziekten en tot het risicogestuurde toezicht van de Inspectie?
Ik constateer dat dit voortvloeit uit de werkwijze van de Arbeidsinspectie. Tevens wordt met «meldingen van bedrijfsartsen» waarschijnlijk gedoeld op meldingen aan het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, niet aan de Arbeidsinspectie.
Meldingen zijn een belangrijk onderdeel van het risico gestuurde toezicht door de Arbeidsinspectie. Graag verwijs ik u naar bijgaand document, waarin de Arbeidsinspectie haar werkwijze toelicht. Zij geeft daarin aan dat bij de Arbeidsinspectie geen meldingen zijn gedaan door bedrijfsartsen of anderen over de arbeidsomstandigheden van bagage-afhandelaars op Schiphol.
Hoe kijkt u aan tegen de bedrijfscultuur binnen Schiphol waarbij de medewerkers en bedrijfsartsen geen (anonieme) meldingen doen ondanks dat zij wisten van de overtredingen van de Arbowet en de hoge aantal beroepsgerelateerde fysieke klachten? Hoe gaat u om met het dit signaal waarbij er niet gemeld wordt in relatie tot de bedrijfscultuur, kijkend naar andere grote bedrijven?
Ik vind het een zeer kwalijke zaak als er sprake is van een bedrijfscultuur bij de afhandelingsbedrijven waarin medewerkers en bedrijfsartsen geen (anonieme) meldingen doen van overtredingen van de Arbowet of beroepsgerelateerde fysieke klachten. Ik vind het belangrijk dat de Arboregels worden nageleefd. Die regels gelden niet voor niets, die zijn er voor iedere werkgever: mensen moeten gezond en veilig kunnen werken. In dit geval zijn de afhandelingsbedrijven daarvoor verantwoordelijk.
Werknemers kunnen -in het geval hun klachten door de leidinggevende niet serieus genomen worden- via de ondernemingsraad (OR), personeelsvertegenwoordiging of vakbond kenbaar maken dat wettelijke voorschriften op het gebied van arbobeleid volgens hen niet worden nageleefd. Ook voor bedrijfsartsen is het mogelijk om al dan niet anoniem meldingen te doen bij de Arbeidsinspectie. Bij meldingen van de OR, personeelsvertegenwoordiging of vakbond stelt de Arbeidsinspectie conform artikel 24, lid 7 van de Arbowet altijd een onderzoek in.
Hoeveel vergelijkbare langdurige verbetertrajecten heeft de Inspectie met werkgevers in risicosectoren afgerond? Is het gebruikelijk dat de Inspectie na een dergelijk verbetertraject bij een werkgever geen controles meer uitvoert? Zo ja, hoe beoordeelt u dit? Zo nee, hoe vaak worden na afloop van een langdurig verbetertraject herhaalinspecties uitgevoerd?
De Arbeidsinspectie onderscheidt initiële inspecties en herinspecties. In de tabel met kerncijfers in de SZW begroting en de jaarstukken van de inspectie wordt het handhavingscijfer bij initiële inspecties en het cijfer bij herinspecties getoond. Het verschil tussen de cijfers is een maatstaf voor effect.
Uit het jaarverslag van de Arbeidsinspectie over 2021 blijkt dat her-inspecties een handhavingspercentage van 23% opleveren tegen een handhavingspercentage van 37% bij eerste inspecties. Het is aan de Arbeidsinspectie om op basis van Inspectiebrede Risicoanalyse te bepalen of en wanneer het instrument her-inspecties moet worden ingezet. De Arbeidsinspectie zet het instrument her-inspecties deels ad random in en deels risicogericht, dat wil zeggen daar waar wordt getwijfeld of de werkgever na inspectie afdoende maatregelen neemt om werknemers veilig en gezond te laten werken.
Een verbetertraject zoals met de bagage-afhandeling over zoveel jaren komt niet veel voor. In algemene zin geldt dat hoe langer het traject, des te groter de aandacht bij de Arbeidsinspectie of de tekortkomingen worden opgelost.
Zie ook het antwoord op vraag 2.
Hoe kijkt u aan tegen de noodzaak van herhaalinspecties van de Inspectie na afloop van verbetertrajecten zoals het traject dat op Schiphol tot 2010 liep?
Zie het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met Schiphol en de bedrijven in de bagageafhandeling om het opzetten van «equipment pooling», waarmee afhandelaars toegang krijgen tot de benodigde hulpmiddelen, zo snel mogelijk te realiseren?
In het Sociaal akkoord dat op 1 juni jl. is afgesloten tussen Schiphol en de FNV en CNV is afgesproken dat er wordt overgegaan tot equipment pooling. Equipment pooling moet ervoor zorgen dat er een standaard set aan afhandelmateriaal (GSE) beschikbaar is voor algemeen gebruik op vliegtuigopstelplaatsen. De invoering van equipment pooling gaat vanaf 1 oktober 2022 van start.2 Schiphol zal contact houden met het Ministerie van IenW over het verloop van de start met equipment pooling.
Klopt het dat luchtvaartmaatschappijen het gebruik van specifieke hulpmiddelen niet toestaan uit angst voor beschadiging aan vliegtuigen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Dit is mij niet bekend voor alle afhandelaren. In november breng ik samen met de Minister van IenW een werkbezoek op Schiphol en zullen we hierover navraag doen bij de afhandelingsbedrijven.
Kunt u schetsen op welke wijze de Inspectie toezicht houdt op de naleving van de Arbowet in de bagageafhandeling op andere Nederlandse luchthavens?
Het toezicht op bagage-afhandeling is, net als het toezicht op alle andere werkzaamheden, risicogericht en zowel actief als reactief/responsief. Vanwege het lopende onderzoek op Schiphol, gaat de Arbeidsinspectie na wat de situatie op andere luchthavens is.
Op welke wijze worden risico-inventarisaties en evaluaties (RI&E’s) van bedrijven en organisaties extra beoordeeld wanneer zij als gevolg van een bevinding van de Inspectie een verbetertraject hebben moeten doormaken?
Indien bij een controle is geconstateerd dat een werkgever overtredingen begaat (het niet hebben van een RI&E is ook een overtreding), dan wordt handhavend opgetreden. Afhankelijk van de zwaarte van de overtreding en de feiten en omstandigheden van het geval, worden de werkzaamheden ter plekke stilgelegd, wordt een boeterapport opgemaakt en veelal wordt een eis gesteld aan de werkgever om verbeteringen door te voeren. Bij voortgangscontrole of her-inspectie verifieert de Arbeidsinspectie of de werkgever opvolging heeft gegeven aan de eis. Afhankelijk van waar het over gaat, kan dat ook aanpassing van de RI&E vergen. Indien dat het geval is, zal de Arbeidsinspectie de RI&E van die bedrijven extra beoordelen.
Deelt u de mening dat het uitblijven van structurele verbeteringen zoals geconstateerd in de door de bedrijven opgestelde RI&E’s opgemerkt had moeten worden door de Inspectie en dat dit had moeten leiden tot verdere handhavingsacties? Zo ja, hoe gaat u er op toezien dat dit in de toekomst de standaard wordt?
Werkgevers zijn wettelijk verplicht om een RI&E en plan van aanpak op te stellen. Dat is om risico’s in het bedrijf helder te hebben. En om maatregelen te nemen om risico’s te voorkomen of te verkleinen. De RI&E is voor het bedrijf zelf, voor de werknemers en voor de Ondernemingsraad, die een rol heeft bij de vaststelling. RI&E en plan van aanpak worden niet opgesteld voor de overheid. Dit laat onverlet dat de Arbeidsinspectie bij controles om inzage kan vragen. Naast het inzien tijdens of na een controle bij een werkgever, vraagt de inspectie de afgelopen jaren in een aantal specifieke projecten de RI&E op bij groepen werkgevers zoals bijvoorbeeld de garagebranche. Dat stimuleert bedrijven om de Arbowet na te leven en een RI&E te maken of up-to-date te brengen. De Arbeidsinspectie heeft na 2010 geen controles uitgevoerd op fysieke belasting bij bagageafhandelingsbedrijven op Schiphol, wel op andere terreinen. De Arbeidsinspectie geeft aan dat ze graag eerder was gegaan. Ik onderschrijf dat.