Het bericht 'Tienduizenden mbo'ers nog zonder boeken: 'bang voor een leerachterstand'' |
|
Zohair El Yassini (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van NOS «Tienduizend mbo’ers nog zonder boeken: «bang voor een leerachterstand»»?1
Ja.
Wanneer is bij de boekenleverancier Struders.nl duidelijk geworden dat door technische problemen hun systemen «niet lekker» samen bleken te werken met systemen van hun logistieke uitvoerder, waardoor er een enorme achterstand is ontstaan bij de levering van schoolboeken?
Studers heeft laten weten dat de distributie van boeken met ingang van dit studiejaar op een andere manier is georganiseerd. Bij het overzetten van de systemen is daarbij een fout ontstaan met de orderadministraties. Inmiddels heeft Studers dit probleem grotendeels opgelost en is het overgrote deel van de leveringsachterstanden ingehaald. Ook is ervoor gezorgd dat de meeste studenten die nog geen boek hebben ontvangen, wel beschikken over een digitale licentie. Op korte termijn zouden alle studenten hierover moeten beschikken.2
Deelt u de mening dat, terwijl het schooljaar al twee weken geleden is gestart, meer dan een maand wachten op schoolboeken door een technische storing bij boekenleverancier Struders.nl niet acceptabel is?
Het is heel vervelend dat een deel van de studenten langer heeft moeten wachten op schoolboeken. Zoals in vraag 2 is aangegeven, kwam dit grotendeels door problemen die bij Studers zijn ontstaan bij het overgaan tot een nieuwe werkwijze. Nu die problemen grotendeels zijn verholpen, zouden de meeste nieuwe bestellingen volgens Studers voortaan binnen zes werkdagen geleverd moeten worden.3
Kunt u aangeven wat de gevolgen van dit leverprobleem zijn voor de leerontwikkeling en studiesucces van deze mbo-studenten?
De leverproblemen hebben ervoor gezorgd dat een deel van de studenten op een later moment (een deel van) hun bestellingen van boeken hebben ontvangen. De MBO Raad heeft mij laten weten dat instellingen en docenten hun best hebben gedaan om ervoor te zorgen dat de studenten die nog niet over al het materiaal beschikten, zo optimaal mogelijk hun studiejaar konden starten. Dit hebben zij gedaan door lessen aan te passen en door hun studenten te voorzien van alternatieve leermiddelen, het aandragen van alternatieve openbare bronnen en door het kopiëren van boeken. Hierdoor zijn de gevolgen voor de leerontwikkeling en studiesucces zoveel mogelijk beperkt. Dit betekent echter niet dat studenten helemaal geen last ondervinden van de leveringsproblemen. Van instellingen verwacht ik daarom dat zij waar mogelijk samen met studenten tot passende oplossingen komen, om eventuele ontstane leerachterstanden te voorkomen en te beperken.
Ben u van mening dat door de leveringsachterstanden van schoolboeken er leerachterstanden zullen ontstaan bij een deel van de mbo’ers?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn voor de toetsweken op mbo-scholen nu tien tot vijftien procent van de mbo-studenten niet vanaf het begin van het schooljaar beschikking hadden tot alle studiebenodigdheden?
Toetsweken hebben een ontwikkelingsgericht doel en zijn geen (deel)examens waar studenten op kunnen zakken. Mbo-instellingen bepalen zelf de opbouw van het curriculum en de momenten waarop toetsweken plaatsvinden. Afhankelijk van de impact van de vertraagde levering van studiebenodigdheden aan studenten, kunnen mbo-instellingen dus zelf bepalen hoe zij de toetsweken deze periode op een goede en passende manier inrichten. Daarnaast worden de generieke examenonderdelen Nederlands en Engels centraal getoetst. Het College voor Toetsen en Examens neemt deze examens af en hiervoor zijn speciale afnamemomenten vastgesteld. Deze afnamemomenten zijn echter zo ruim, dat mbo-instellingen voldoende flexibiliteit hebben om de toetsing aan te passen op eventuele gevolgen van de latere levering van studiebenodigdheden.
Is er hierdoor sprake van een valse start voor deze mbo-studenten?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u het ook onbegrijpelijk dat mbo-studenten nog steeds moeten wachten op licentiecodes voor digitale schoolboeken en -middelen, terwijl deze codes op verschillende manieren al verstuurd hadden kunnen worden naar mbo-studenten?
De digitale licenties voor digitale leermiddelen worden vaak aangeboden in combinatie met fysieke producten. Normaal gesproken worden de digitale licenties vrijgegeven op het moment dat de fysieke producten verstuurd worden. Omdat de levering van fysieke producenten vertraging heeft opgelopen, werden de digitale licenties in eerste instantie ook later geleverd. Inmiddels is het leveren van de digitale licenties losgekoppeld van de levering van de fysieke producten. Hierdoor zouden de meeste getroffen studenten inmiddels over hun digitale licenties moeten beschikken, of die op zeer korte termijn moeten ontvangen.
Deelt u de mening dat, om een leerachterstand en studievertraging te voorkomen, er zo snel mogelijk een alternatief voor de te laat geleverde studieboeken gevonden moet worden?
Zie antwoord vraag 4.
Zo ja, welke rol ziet u hierbij weggelegd voor het toekennen van tijdelijke digitale licenties voor de studieboeken als middel om de vertraging te overbruggen?
Volgens Studers zouden de meeste studenten inmiddels hun digitale licenties moeten hebben, of op korte termijn moeten krijgen. Indien studenten hun digitale licentie nog niet hebben ontvangen, dan kunnen uitgevers in overleg en op verzoek van mbo-instellingen tijdelijke digitale licenties verstrekken. Dit kan tijdelijk verlichting bieden, echter dienen de tijdelijke licenties op een later moment handmatig gekoppeld te worden aan de aangeschafte licenties, wat tijdsintensief is. Daarom kan het voor instellingen op dit moment in gevallen beter zijn om te wachten op de aangeschafte licenties.
Zijn er gesprekken gevoerd met leveranciers en scholen over het uitgeven van tijdelijke digitale licentiecodes?
Zie antwoord vraag 10.
Is er een constructie mogelijk waarin studenten die nu en in de toekomst last hebben van te late levering van bestelde boeken tijdelijk toegang krijgen tot digitale licentiecodes van de boeken, hetzij via school, hetzij rechtstreeks van de leveranciers?
Voor oplossingen op de korte termijn verwijs ik naar mijn antwoorden op de vragen 4 en 10. Voor de langere termijn zijn betere afspraken nodig tussen marktpartijen en het onderwijs om dergelijke problemen in de toekomst te voorkomen. Ik roep partijen op en zal hen waar nodig aansporen om hun verantwoordelijkheid voor de continuïteit van het onderwijs te nemen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het tweeminutendebat Digitalisering in het onderwijs2?
Ja.
Naheffingen bij schijnzelfstandigheid |
|
Senna Maatoug (GL) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe vaak zijn bij zelfstandigen geen werknemersafdrachten gedaan, terwijl dit wel moest?
Het is naar de aard van de zaak niet mogelijk om aan te geven wat het aantal zzp’ers is dat volgens het arbeidsrecht eigenlijk als werknemer zou moeten worden aangemerkt.1 Hoe hoog de non-compliance op dit terrein precies is, is niet duidelijk; daarom is geen informatie voorhanden hoe vaak het voorkomt dat een opdrachtgever ten onrechte geen loonheffingen heeft afgedragen.
Klopt het dat voormalig (schijn)zelfstandigen worden geconfronteerd met naheffingen in het geval zij hun recht halen? Hoe vaak is dit het geval? Als u dit niet inzichtelijk heeft, kunt u dit in kaart brengen?
In de situatie dat een opdrachtgever ten onrechte een arbeidsrelatie niet heeft aangemerkt als een dienstbetrekking (en geen sprake is van kwaadwillendheid) wordt een aanwijzing gegeven aan de opdrachtgever/werkgever. Als deze aanwijzing niet wordt opgevolgd, wordt een correctieverplichting opgelegd om alsnog voor die arbeidsrelatie de loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen in te houden en af te dragen en de premie voor de werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet af te dragen. De correctieverplichting en naheffingsaanslag kan worden opgelegd met terugwerkende kracht tot het moment van de aanwijzing. Bij het niet (geheel) voldoen aan de correctieverplichting kan de Belastingdienst een naheffingsaanslag opleggen aan de opdrachtgever/werkgever voor het bedrag dat er naar schatting niet of te weinig is gecorrigeerd.
Vaststelling van een dienstbetrekking kan ook gevolgen hebben voor de inkomstenbelasting van de opdrachtnemer, die voor de betreffende arbeidsrelatie dan gekwalificeerd wordt als werknemer. Zo kan er, afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval, bijvoorbeeld geen recht op ondernemersfaciliteiten bestaan en geen kostenaftrek mogelijk zijn als blijkt dat sprake is van een dienstbetrekking. De inkomstenbelasting is verschuldigd door de opdrachtnemer en kan niet worden verhaald op de opdrachtgever. Een wijziging in het inkomen van de belastingplichtige, bijvoorbeeld doordat de ondernemersfaciliteiten niet meer van toepassing zijn door het vervallen van het ondernemerschap, kan ook van invloed zijn op inkomensafhankelijke regelingen zoals toeslagen. De vaststelling dat sprake is van een dienstbetrekking kan gezien de toepassingsvoorwaarden ook gevolgen hebben voor de Tozo.
Deze regeling wordt niet door de Belastingdienst uitgevoerd, maar de Belastingdienst dient wel inlichtingen te verstrekken aan de bevoegde instanties op basis van art. 64 van de Participatiewet.
Voor alle belastingdienstkantoren geldt dat er gewerkt wordt op basis van eenheid van beleid en uitvoering. Er is dus geen verschil in behandeling tussen verschillende belastingkantoren.
Omdat het handhavingsmoratorium geldt voor de loonheffingen en niet voor de inkomstenbelasting kan er wel een navorderingsaanslag voor de inkomstenbelasting worden opgelegd aan de werkende. Tot nu toe zijn er binnen de directie MKB van de Belastingdienst, die de aangiften inkomstenbelasting van ZZP’ers behandelt, geen signalen bekend dat er in de in vraag 2 beschreven situatie een navorderingsaanslag is opgelegd.
De Algemene Rekenkamer heeft recent een data-analyse uitgevoerd naar de repressieve handhaving bij zelfstandigen in haar rapport «Focus op handhaving Belastingdienst bij schijnzelfstandigheid» en concludeerde dat de Belastingdienst terughoudend omgaat met de handhaving op schijnzelfstandigheid bij individuele opdrachtnemers.2
Worden naheffingen gebruikt als dreigement om te voorkomen dat mensen die eigenlijk werknemer zijn hun recht halen? Heeft u instrumenten om hier tegenop te treden? Wat gaat u hier aan doen?
Wanneer naheffingen gebruikt worden als dreigement om te voorkomen dat werkenden hun recht halen, is dit een onwenselijke situatie. Op de situatie of dit in de praktijk door opdrachtgevers gebruikt wordt richting werkenden heb ik geen zicht. Naheffingen in de loonheffingen worden opgelegd aan de opdrachtgever. De naheffingsaanslag loonheffingen is een aangelegenheid tussen de Belastingdienst en de opdrachtgever. De werknemer is hierbij in beginsel geen partij.
In ons juridische systeem heeft iedere burger of instantie in beginsel de mogelijkheid om zijn recht te halen. Dit is ook van toepassing in de in deze vraag omschreven situatie.
Hoe gaan de verschillende belastingkantoren om met schijnzelfstandigheid en naheffingen van werkgeverspremies, premies voor werknemersverzekeringen en naheffingen in verband met de loonheffing, met de inkomstenbelasting en fiscale faciliteiten, zoals aftrekposten, toeslagen en de Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandige Ondernemers (TOZO)? Bij wie worden deze verhaald? Bestaat er een verschil in behandeling tussen verschillende belastingkantoren en zo ja, welke verschillen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat de rekening van schijnzelfstandigheid niet bij (kwetsbare) werkenden mag worden gelegd, zeker niet als grote bedrijven niets hoeven te betalen en de wet niet wordt gehandhaafd?
Het uitgangspunt is dat iedereen zijn of haar arbeidsrelatie moet inrichten binnen de wettelijke kaders en iedere partij die een bepaalde arbeidsrelatie aangaat daarvoor verantwoordelijk is alsmede voor de rechten en plichten die passen bij die arbeidsrelatie. Dit is onafhankelijk van het feit dat men een groot bedrijf, een klein bedrijf of een individuele werkende is. Ik deel dan ook de opvatting dat voorkomen moet worden dat een (van beide) partij(en) de rekening van schijnzelfstandigheid betaalt. Ik ben me ervan bewust dat er in de praktijk een machtsverhouding tussen werkende en degene die het werk verschaft kan bestaan of worden ervaren. In de kabinetsreactie op de rapporten van ARK en ADR3 is toegezegd de handhaving op de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen te herijken en versterken. Nog dit jaar zal de voortgangsbrief zzp naar de Kamer worden verzonden, waarin wordt aangeven hoe dit de komende tijd vorm gaat krijgen.
Herinnert u zich de uitspraak van de Staatsecretaris, uit het debat zelfstandige zonder personeel van 30 juni jongstleden, dat als er onterecht geen loonheffing is afgedragen door de opdrachtgever, dat de loonheffing niet wordt verhaald op de opdrachtnemer, die eigenlijk een werknemer was? Geldt dat ook voor de inkomstenbelasting voor zover de inkomsten in de inkomstenbelasting als winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden zijn opgegeven?
Het handhavingsmoratorium en daarbij behorende beperking met betrekking tot handhaven met terugwerkende kracht geldt alleen voor de opdrachtgevers en voor de loonheffingen. Voor de inkomensheffing bij de opdrachtnemer kan de Belastingdienst zoals gebruikelijk toetsen of sprake is van ondernemerschap en als dat niet het geval is kan de Belastingdienst – als de feiten daartoe aanleiding geven – stellen dat sprake is van loon uit dienstbetrekking. Omdat het handhavingsmoratorium niet geldt voor de inkomstenbelasting kan er een navorderingsaanslag voor de inkomstenbelasting worden opgelegd. Tot nu toe zijn er binnen directie MKB van de Belastingdienst, die de aangiften inkomstenbelasting van ZZP’ers behandelt, geen signalen bekend dat er in de in vraag 6 beschreven situatie een navorderingsaanslag is opgelegd. Voor de omzetbelasting geldt een aparte toets of sprake is van ondernemerschap. Informatie hierover is beschikbaar op de website van de Belastingdienst.
Wanneer een opdrachtnemer jarenlang heeft aangegeven als zelfstandige te hebben gewerkt voor de inkomensheffing en over dezelfde jaren – bijvoorbeeld op grond van een rechterlijke uitspraak – een loonvordering gaat indienen, kan dit leiden tot vragen van de Belastingdienst. Het is namelijk niet mogelijk tegelijkertijd twee verschillende standpunten voor de inkomensheffing in te nemen, namelijk voor dezelfde uren tegelijk zelfstandige én werknemer te zijn.
De daadwerkelijke effecten voor de omzetbelasting en inkomensheffingen zijn mede afhankelijk van overige feiten en omstandigheden bij een opdrachtnemer. Het is niet mogelijk hierover in algemene zin conclusies te trekken of toezeggingen te doen over de gevolgen die individuen kunnen gaan ervaren. Situaties kunnen dermate verschillen dat vrijwel in ieder geval een nader onderzoek nodig is.
Gaat u zich ervoor inspannen dat de Belastingdienst de rekening niet gaat verhalen bij werkenden, onder andere bestaande uit; werkgeverspremies, premies voor werknemersverzekeringen, naheffingen in verband met de loonheffing, inkomstenbelasting en fiscale faciliteiten, zoals aftrekposten, toeslagen en de TOZO. Kunt u toezeggen dat individuen geen negatieve gevolgen gaan ervaren door de Belastingdienst? Zo nee, waarom niet? Hoe wordt hierover gecommuniceerd?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bekend met artikel 20 en artikel 125 van de Wet financiering sociale verzekeringen die het respectievelijk verbieden en strafbaar stellen dat de werkgever de door hem verschuldigde premie verhaalt op de werknemer? Is dit aan de orde in Nederland? Heeft u instrumenten om hier tegenop te treden? Wat gaat u hier aan doen?
Ik ben bekend met artikel 20 en artikel 125 van de Wet financiering sociale verzekeringen. Er zijn bij mij geen signalen bekend dat werkgevers, tegen deze wet in, in het geval van bewezen schijnzelfstandigheid in strijd met de Wet financiering sociale verzekeringen premies die zij verschuldigd zijn verhalen op de werknemer. Deze wet is van toepassing op de premies voor sociale verzekeringen en niet op de loonbelasting. De Wet financiering sociale verzekeringen biedt het instrument om strafrechtelijk op te treden tegen een werkgever indien die situatie zich (in de toekomst wel) zou voordoen.
Herinnert u zich dat de Staatssecretaris in datzelfde debat zelfstandige zonder personeel heeft aangegeven dat het vervolgens de vraag is of een opdrachtgever de loonheffing gaat verhalen op de opdrachtnemer? Deelt u de opvatting dat opdrachtgevers de rekening (waaronder de loonheffing, maar niet uitsluitend de loonheffing) niet bij opdrachtnemers mogen leggen, bijvoorbeeld door uit te betalen loon in te houden? Heeft u instrumentarium om dit aan te pakken? Gaat u zich hiervoor inspannen? Kunt u toezeggen dat individuen hierdoor geen negatieve gevolgen gaan ervaren? Zo nee, waarom niet?
De loonheffing bestaat uit loonbelasting en premie volksverzekeringen. De werknemer is de belastingplichtige voor de loonbelasting. De loonheffing wordt ingehouden op het loon van de werknemer en afgedragen door de werkgever. De werkgever mag de ten onrechte niet ingehouden loonheffing die van hem is nageheven, in beginsel verhalen op zijn werknemer. Of de werkgever daadwerkelijk een verhaalsrecht heeft wordt bepaald door de uitleg van de overeenkomst tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Voor premies werknemersverzekeringen wordt verwezen naar het antwoord op vraag 8.
Deelt u de opvatting dat de vrijwaringsbepalingen omtrent belastingen en verzekeringen, waaronder loonbelastingen, premies en bijdragen aan sociale zekerheid, die sommige bedrijven in hun overeenkomsten met opdrachtnemers hebben staan, nietig zijn in het geval van schijnzelfstandigheid? Kunt en gaat u hier tegen optreden? Zo nee, waarom niet?
Vrijwaringsclausules worden opgenomen in contracten tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Zolang dit binnen de kaders van de wet is, staat het beide partijen vrij om dit contract in te vullen zoals gewenst. Het is dan ook niet aan een bewindspersoon om hier een uitspraak over te doen, die beoordeling is aan de rechter.
Uit jurisprudentie komt naar voren dat een vrijwaringsclausule in beginsel geldig is, tenzij een beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Deze (beperkte) uitzondering biedt een mogelijke ontsnapping voor degene die wordt geconfronteerd met een beroep op een vrijwaringsclausule. Het is aan de rechter om te oordelen of schijnzelfstandigheid hier voldoende grond voor vormt.
Eendenslachterij Tomassen Duck-To die al zes jaar miljoenen dieren per jaar slacht zonder geldige vergunning en zonder dat hiertegen wordt opgetreden |
|
Eva van Esch (PvdD), Leonie Vestering (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de situatie rondom eendenslachterij Tomassen Duck-To in Ermelo, waar nu al zes jaar sprake is van illegale praktijken, zoals het feit dat er meer eenden worden geslacht dan toegestaan, dat er meer verkeersbewegingen zijn dan toegestaan, dat er langere werkuren worden gemaakt dan is toegestaan en dat er illegaal is aangebouwd, waar al die tijd niet tegen is opgetreden?
Ja. Betrokken partijen laten overigens weten dat de situatie genuanceerder ligt dan in de vraag wordt geschetst. Bij de beantwoording van uw vragen wordt hierop ingegaan.
Kunt u bevestigen dat de eendenslachterij sinds de uitbreiding van de slachtcapaciteit in 2016, niet beschikt over een geldige natuurvergunning (op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming) voor de huidige slachtpraktijken, werktijden en verkeersbewegingen?
De provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Zij heeft op 13 mei jl. een vergunning op basis van de Wnb aan eendenslachterij Tomassen Duck-To verleend voor de nieuwe situatie.
Wat vindt u ervan dat omwonenden al zes jaar bij alle instanties aan de bel trekken en vragen om op te treden tegen de overlast die zij ervaren door onder andere stank en de vele vrachtwagens die af en aan rijden door de woonwijk, maar dat er nog altijd niets gebeurt?1
Ik vind alle gevallen waarin omwonenden overlast ervaren van bedrijfsactiviteiten natuurlijk buitengewoon vervelend voor deze omwonenden. In het geval dat een bedrijf overlast veroorzaakt, het bedrijf zich niet houdt aan de algemene regels en de voorschriften uit de vergunning(en) kan handhavend worden opgetreden. Het is aan het bevoegd gezag – in dit geval de gemeente Ermelo – om toezicht te houden en indien nodig te handhaven. Voor zover het basistaken betreft worden de toezichts- en handhavingstaken verplicht uitgevoerd door een omgevingsdienst, waarbij voor het nemen van een handhavingsbesluit mandaat nodig is van het bevoegd gezag.
De Omgevingsdienst Veluwe Noord heeft in opdracht van de gemeente Ermelo onderzoek gedaan naar alle milieuaspecten, waaronder geur en geluid, om te bepalen of de ervaren overlast in strijd is met milieukwaliteitseisen. Uit dit onderzoek blijkt dat er binnen de hiervoor geldende normen wordt gebleven. Verder ligt er op dit moment een aanvraag voor een omgevingsvergunning (revisie van de vergunning van 4 april 2018). Deze aanvraag bevat de onderdelen milieu, bouwen en afwijken bestemmingsplan. De besluitvorming hierop is eind van dit jaar voorzien.
Deelt u de mening dat omwonenden beschermd moeten worden tegen overlast van bedrijven in hun directe leefomgeving, zoals hun eigen tuin?
Ja, die mening deel ik. Daarvoor is er milieuwetgeving waarmee grenzen worden gesteld aan activiteiten die invloed hebben op de leefbaarheid van mens en het milieu. De wetgeving heeft tot doel een balans te vinden tussen het gebruik van de fysieke leefomgeving en het behoud van diezelfde leefomgeving.
Hoe is het volgens u mogelijk dat de betrokken omgevingsdiensten, omgevingsdienst Noord-Veluwe, omgevingsdienst regio Nijmegen en omgevingsdienst regio Arnhem, hier niet optreden?
De betrokken omgevingsdiensten geven aan dat zij wel degelijk optreden. In opdracht van de gemeente Ermelo voeren zij hun taken uit op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Zie ook het antwoord op vraag 3.
Hoe kan het dat hier drie omgevingsdiensten bij betrokken zijn? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De gemeente Ermelo is het bevoegd gezag voor eendenslachterij Tomassen Duck-To. Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft de gemeente de uitvoering van de VTH-taken belegd bij de omgevingsdienst Noord-Veluwe. Zo nodig kan de omgevingsdienst Noord-Veluwe expertise inhuren bij een andere omgevingsdienst. Hiervoor zijn in Gelderland bestuurlijk geborgde samenwerkingsafspraken gemaakt. Deze expertise is ook ingehuurd voor eendenslachterij Tomassen Duck-To. Het interbestuurlijk programma versterking VTH-stelsel (IBP VTH) onderzoekt verder welke ondergrens voor een goede taakuitvoering door omgevingsdiensten wenselijk is.
Heeft u in de uitzending van de Hofbar gezien dat omwonenden van een mestverwerker in Nistelrode waar eveneens sprake is van een illegale situatie, vertelden dat een handhaver langskwam om de situatie bekijken, maar besloot om niet in te grijpen uit angst voor zijn of haar baan? Wat vindt u hiervan?
Ja, ik heb de uitzending gezien. Ik vind het vanzelfsprekend dat een handhaver zijn of haar werkzaamheden zonder angst en met voldoende mate van onafhankelijkheid moet kunnen uitvoeren. Het is aan de werkgever om te zorgen voor een veilig werkklimaat en de hiervoor benodigde arbeidsomstandigheden.
Overigens herkennen zowel de provincie Noord-Brabant als de betrokken omgevingsdienst Brabant Noord zich niet in de situatie die in de uitzending van de Hofbar wordt geschetst.
Verder ben ik met de commissie Van Aartsen van mening dat het belangrijk is dat de uitoefening van toezicht en handhaving onafhankelijk is. Het versterken van de onafhankelijke uitoefening van het toezicht en de handhaving is cruciaal voor een effectief, slagvaardigheid en toekomstbestendig VTH-stelsel. In het IBP VTH wordt uitgewerkt hoe dit kan worden geborgd2. Ik ben hier ook op ingegaan tijdens de uitzending van de Hofbar op 14 september jl.
Hoort u vaker dit soort verhalen over illegale situaties die jarenlang worden gedoogd door omgevingsdiensten en lokale overheden? Zo ja, om wat voor gevallen gaat dit en wat doet u hiertegen?
Bij mij is niet eerder een signaal binnengekomen dat een omgevingsdienst een illegale situatie gedoogt. Normaliter is gedogen ook niet een taak die het bevoegd gezag mandateert aan een omgevingsdienst. Het nemen van een besluit tot gedogen kan alleen onder hele strikte voorwaarden. Het uitgangspunt blijft naleving en een beginselplicht tot handhaving.
Deelt u de mening dat, om het gedogen van illegale situaties door omgevingsdiensten te stoppen, de aanbevelingen van de commissie-Van Aartsen over de versterking van het vergunningverlening-, toezicht- en handhavingstelsel (VTH-stelsel) zo spoedig mogelijk moeten worden uitgevoerd?2 Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat de uitvoering van de aanbevelingen sneller wordt opgepakt dan nu in de planning van het «Interbestuurlijk Programma versterking VTH-stelsel» is opgenomen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind dat het VTH-stelsel zo spoedig mogelijk moet worden versterkt. Deze versterking hebben we in gang gezet. Hierbij zijn de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen leidend. Het VTH-stelsel bestaat uit meerdere partijen. Met deze partijen heb ik het IBP VTH opzet waar in zes pijlers invulling wordt gegeven aan de opvolging van de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen. Het IBP VTH is inmiddels voortvarend aan de slag. De eerste voortgangsrapportage ontvangt u voor het kerstreces.
Aangezien u over de uitvoering van de aanbevelingen van de commissie-Van Aartsen nog tot eind 2023 wil doen, hoe wordt het probleem dat illegale situaties worden gedoogd door omgevingsdiensten dan in de tussentijd voorkomen en opgelost?
Los van de versterking van het VTH-stelsel en de opvolging van de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen in het IBP VTH vind ik dat het bevoegd gezag altijd alles in het werk moet stellen om illegale situaties aan te pakken en waar mogelijk te voorkomen. Met het IBP VTH krijgen partijen binnen het VTH-stelsel meer en betere handvatten om de VTH-taken beter uit te voeren en wordt bijgedragen aan het voorkomen van milieuschade.
Deelt u de mening dat het volledig uitvoeren van álle tien de aanbevelingen van Van Aartsen en dus óók aanbeveling 9 over het instellen van rijkstoezicht op de omgevingsdiensten essentieel is om het gedogen van illegale situaties door omgevingsdiensten in de toekomst te voorkomen? Zo nee, op basis waarvan kunt u garanderen dat het gedogen van illegale situaties door omgevingsdiensten in de toekomst kan worden voorkomen, als u weigert aanbeveling 9 van Van Aartsen over het instellen van rijkstoezicht op de omgevingsdiensten volledig uit te voeren?
Zowel in mijn brief van 10 juni jl.4, mijn antwoorden op de vragen van het lid Hagen (D66)5 als tijdens debatten met uw Kamer heb ik aangegeven dat ik een andere invulling geef aan de opvolging van de aanbeveling van de commissie Van Aartsen over het rijkstoezicht op omgevingsdiensten.
Het invoeren van rijkstoezicht op omgevingsdiensten betekent een stelselwijziging waarvoor de VTH-bevoegdheden via een wetswijziging bij provincies en gemeenten moeten worden weggehaald en bij omgevingsdiensten moeten worden belegd. Daarvoor is een forse wetswijziging nodig, die grote gevolgen heeft voor de interbestuurlijke verhoudingen. Hiervoor is geen enkele steun bij provincies, gemeenten en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Ook de commissie Van Aartsen beoogde met haar advies geen forse stelselwijziging met de gedane aanbevelingen.
Heeft u gezien dat de Raad van State omwonenden van de eendenslachterij deze zomer in het gelijk stelde en oordeelde dat er uiterlijk op 15 augustus jongstleden een einde moest worden gemaakt maken aan de illegale activiteiten?3
Ja, ik heb kennisgenomen van deze uitspraak. De last onder dwangsom die de omgevingsdienst namens de gemeente Ermelo heeft opgelegd is in stand gebleven. Met dien verstande dat de Raad van State het bedrijf extra tijd heeft gegeven om een aantal overtredingen te beëindigen.
Heeft u gezien dat ook sindsdien niet is opgetreden tegen de illegale situatie in Ermelo?
De stelling dat er niet wordt opgetreden, is volgens de gemeente Ermelo niet juist. In de afgelopen periode is er op verschillende momenten op verschillende onderdelen gecontroleerd, is onderzoek gedaan en is gehandhaafd.
Er vindt controle plaats over of de opgelegde last wordt nageleefd. Afhankelijk van onder andere de uitkomsten van de geluidmetingen vindt nadere besluitvorming plaats. Dit gebeurt zorgvuldig en kost tijd.
Wat denkt u dat dit doet met het vertrouwen van burgers in de overheid?
Ik realiseer me dat het vertrouwen in de overheid niet toeneemt als situaties van overlast voortduren en er geen passende oplossing lijkt te worden gevonden. Uiteraard is het van belang dat omwonenden en burgers signalen blijven afgeven om knelpunten in de uitvoering van VTH zichtbaar te maken. Dit geeft mij handvatten om als stelselverantwoordelijke het VTH-stelsel te kunnen versterken.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Ja, dat heb ik hierbij gedaan.
Het artikel 'Rijk trekt zich verder terug uit Friesland, diensten krimpen met tientallen ambtenaren' |
|
Harry Bevers (VVD), Mark Strolenberg (VVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rijk trekt zich verder terug uit Friesland, diensten krimpen met tientallen ambtenaren»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de krimp van de rijkswerkgelegenheid met 2,3% in de provincie Fryslân in relatie tot het streven om rijkswerkgelegenheid te spreiden door het land en in relatie tot de waargenomen groei in werkgelegenheid bij de gehele rijksoverheid?
De ontwikkeling van de rijkswerkgelegenheid laat over het hele land stabiliteit zien, waarbij de daadwerkelijke ontwikkeling per provincie kan variëren van (lichte) groei tot (lichte) krimp. Voor wat de prognoses tot 2026 betreft, vallen deze in sommige jaren gunstiger uit voor bepaalde provincies dan andere. Ik vind het belangrijk om deze ontwikkeling scherp te volgen. De recent aangenomen motie Bisschop/Inge van Dijk2 geeft het Kabinet de opdracht voor de provincies Fryslân, Drenthe, Flevoland, Zeeland en Limburg toe te werken naar een meer evenredig deel van de rijkswerkgelegenheid en per saldo de landelijke ontwikkeling te volgen. Op dit moment ben ik aan het uitwerken hoe het Kabinet gestalte kan geven aan die motie. Voor wat betreft de geconstateerde krimp in Fryslân tussen 1 januari 2021 en 1 januari 2022 stel ik vast dat dit voornamelijk het gevolg is van een administratieve verandering van de standplaatsen van de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO). Er is sprake van een andere indeling van de standplaatsen van de medewerkers. De medewerkers van de RSO zijn verdeeld in drie teams: team Noord 1 voor de provincie Friesland, team Noord 2 voor de provincie Groningen en team Noord 3 voor de provincie Overijssel. Voorheen hadden deze drie teams gezamenlijk de standplaats Leeuwarden, nu niet meer.
Hoe wordt dit streven naar evenredige spreiding berekend?
De huidige verschillen in de verdeling van de rijkswerkgelegenheid over de provincies vloeien voort uit in het verleden gemaakte keuzes. Als coördinerend bewindspersoon hecht ik aan spreiding van de rijkswerkgelegenheid voor de zichtbaarheid en bereikbaarheid van de rijksoverheid over heel Nederland. Bij de uitbreiding van bestaande rijksdiensten of eventuele nieuwe rijksdiensten die huisvesting zoeken, kijk ik als coördinerend bewindspersoon voor de spreiding van de rijkswerkgelegenheid naar het benutten van de mogelijkheden in de provincies buiten de Randstad en spreek ik mijn collega-bewindspersonen hier op aan.
Bij huisvestingsbesluiten wordt eerst en vooral rekening gehouden met het primaire proces van de betreffende organisatie. Daarnaast spelen andere overwegingen met betrekking tot huisvestingskeuzes mee zoals vastgoedstrategische belangen, efficiencydoelen en nabijheid van de rijksoverheid voor de burger. De motie Bisschop/Inge van Dijk2 biedt het Kabinet de mogelijkheid om een richtlijn te ontwikkelen waarmee de evenredigheid wordt geborgd. Ik informeer u daar later over.
Wat gaat u eraan doen om de krimp in Friesland te voorkomen, nu de prognose is dat het aantal banen in 2026 ten opzichte van 2022 daalt?
De provincie Fryslân kent een verscheidenheid aan rijksdiensten en rijkswerkgelegenheid. De verandering in de rijkswerkgelegenheid in Fryslân beperkt zich niet louter tot krimp. De rijkswerkgelegenheid groeit in bepaalde sectoren zoals bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Als coördinerend bewindspersoon voor de gehele Rijksdienst heb ik bij de verplaatsing van diensten met 100 fte of meer over provinciegrenzen heen een adviserende bevoegdheid. Ik houd nauwlettend in de gaten hoe de rijkswerkgelegenheid in Fryslân zich ontwikkelt en kijk in voorkomende gevallen naar mogelijkheden om de rijkswerkgelegenheid te versterken. In lijn met de bedoeling van de recent aangenomen motie Bisschop/Inge van Dijk.
Is er als gevolg van deze krimp in Fryslân nog wel sprake van een evenredige spreiding van rijkswerkgelegenheid tussen de provincies? Kunt u dit toelichten?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 3. Als ik de cijfers voor alle provincies tezamen beschouw, is er door de jaren heen sprake van een redelijk constante verdeling over het land. Uw Kamer heeft het Kabinet tegelijkertijd middels de motie Bisschop/Inge van Dijk gevraagd naar een meer evenredige spreiding nodig is voor de provincies Fryslân, Drenthe, Flevoland, Zeeland en Limburg. Het Kabinet informeert u nader over de uitvoering van die motie.
In hoeverre betekent het dat er banen in de provincie Fryslân verloren zijn gegaan nu blijkt dat de daling voornamelijk wordt veroorzaakt door een administratieve verandering in de toedeling van de Rijksschoonmaakorganisatie over het cluster noord waar een verdeling over de provincies Groningen, Fryslân en Overijssel is aangebracht?2
De gerapporteerde afname in de provincie Fryslân tussen 1 januari 2021 en 1 januari 2022 bedraagt in totaal 152 fte. Het grootste deel hiervan betreft een afname bij Rijkswaterstaat en de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO). De afname van het aantal fte voor de RSO is slechts administratief en heeft te maken met een andere wijze van toedelen van de RSO over het cluster Noord. Deze administratieve wijziging betekent dat 95 fte op papier zijn gedaald voor Fryslân. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 2. Op het moment van inventariseren in het voorjaar van 2022 waren 32 fte werkzaam in Fryslân voor de RSO. Andere organisaties in Fryslân waar er tussen 1 januari 2021 en 1 januari 2022 sprake was van een toename of een afname zijn: Defensie, Nationale Politie, COA, Belastingdienst en enkele zbo’s.
Het bericht ‘Onderwijs ontsnapt aan chaos met overname schoolboekenleverancier TLN’ en het bericht ‘Schoolboeken te laat geleverd: ‘Rommelig begin van nieuw schooljaar’’ |
|
René Peters (CDA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat door problemen bij één marktpartij de levering van schoolboeken aan meer dan een miljoen leerlingen in het voortgezet- en beroepsonderwijs in gevaar dreigde te komen?1, 2
Het is uitermate vervelend dat een deel van de scholieren en studenten langer heeft moeten wachten op hun schoolboeken. In het voortgezet onderwijs is dit voor een belangrijk deel te wijten aan internationale verstoringen in de logistiek. Hoewel de getroffen uitgever in het voortgezet onderwijs zich met overmacht geconfronteerd zag, had de communicatie aan scholen eerder op gang kunnen komen, zodat praktische oplossingen die de problemen voor scholen konden verzachten beter bekend waren.
In het mbo bestaat eveneens een leveringsprobleem. Hier is het probleem veroorzaakt doordat een van de grootste distributeurs (Studers) een belangrijk deel van haar logistieke dienstverlening heeft uitbesteed aan een gespecialiseerd bedrijf. Deze uitbesteding is niet vlekkeloos verlopen waardoor een gedeelte van de mbo-studenten een deel van hun leermiddelen te laat heeft ontvangen.
Instellingen en docenten in beide sectoren hebben hun best gedaan om ervoor te zorgen dat de leerlingen en studenten die nog niet over al het materiaal beschikten, zo goed mogelijk hun studiejaar konden starten. Dit hebben zij gedaan door lessen aan te passen en door hun studenten te voorzien van alternatieve leermiddelen, het aandragen van alternatieve openbare bronnen en door het kopiëren van boeken. Ook is ervoor gezorgd dat de meeste studenten en leerlingen die nog geen boek hebben ontvangen, wel beschikken over een digitale licentie. Op korte termijn zouden alle studenten hierover moeten beschikken.
Ik waardeer het dat scholen en docenten de afgelopen weken samen met uitgevers en distributeurs de schouders eronder hebben gezet om tot noodoplossingen te komen. Maar voorkomen is beter dan genezen. Ik wil onderstrepen dat deze partijen een verantwoordelijkheid hebben voor de continuïteit van het onderwijs. Coöperatie SIVON en stichting SEM evalueren op dit moment met alle betrokkenen de leveringsproblemen van de afgelopen periode. Ik zal op basis van de uitkomsten van deze evaluatie een gesprek beleggen met schoolbesturen en marktpartijen en SEM. Het doel is om bindende afspraken te maken over rolverdeling en verantwoordelijkheid zodat deze problemen zich in de toekomst niet meer voordoen.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel de prijzen van methodes op het gebied van Nederlands en wiskunde in de afgelopen drie jaar zijn gestegen?
In de afgelopen drie jaar zijn de prijzen van de methodes op het gebied van Nederlands en wiskunde per jaar gemiddeld 3 tot 4 procent gestegen.3 Deze prijsstijging geldt voor producten die over de jaren heen vergelijkbaar zijn. In de afgelopen jaren is gelijktijdig het gebruik van het nieuwe licentiefolioproduct (LiFo) in het voortgezet onderwijs sterk toegenomen. Met dit product bieden uitgevers een digitale licentie aan voor alle leerjaren en niveaus en hebben scholen de optie om een papieren leerwerkboek aan te schaffen. LiFo biedt scholen meer mogelijkheden om te variëren binnen de methode, maar pakt in de praktijk ook duurder uit. Deze verandering van productvorm kan niet verdisconteerd worden in een geaggregeerde prijsontwikkeling en is daarmee geen onderdeel van de 3 tot 4 procent.
In hoeverre moeten partijen die schoolboeken verkopen transparant zijn over de prijsopbouw, al helemaal aangezien er maar weinig concurrentie is op de markt en er een door de overheid gereguleerd boekenbudget voor scholen is?
De aanschaf van lesmateriaal is een aangelegenheid tussen scholen en markpartijen. Zij regelen in onderlinge contracten de voorwaarden waaronder producten en diensten geleverd worden. Ik onderschrijf het belang van transparantie op de leermiddelenmarkt, zodat scholen en docenten over alle informatie beschikken om doordachte keuzes te kunnen maken voor leermiddelen. In de beleidsreactie op de evaluatie van de Wet Gratis Schoolboeken kom ik met maatregelen die scholen beter zicht geven op de prijs en kwaliteit van leermiddelen.
Indien deze transparantie niet bestaat, bent u van mening dat dit wel noodzakelijk is?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe zou deze transparantie moeten worden geregeld?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven op welke plekken in de keten er problemen zijn rondom de levering van schoolboeken?
In het voortgezet onderwijs is er sprake van een te late levering van lesboeken bij een van de grote uitgeverijen (Noordhoff) door een logistiek probleem. Door een staking in de containerhaven van Hamburg deze zomer is een aantal containers met een vertraging in Rotterdam gelost. Wat daarnaast voor vertraging zorgde is dat een deel van de scholen pas vlak voor de zomer hun bestellingen hebben geplaatst. Dit maakte het voor distributeurs en uitgevers lastig om tijdig de juiste voorraden te bestellen.
In het mbo bestaat eveneens een leveringsprobleem. Hier is het probleem veroorzaakt doordat een van de grootste distributeurs (Studers) een belangrijk deel van haar logistieke dienstverlening heeft uitbesteed aan een gespecialiseerd bedrijf. Deze uitbesteding is niet vlekkeloos verlopen waardoor een deel van de mbo-studenten later (een deel van) hun leermiddelen hebben ontvangen.
De ontstane problemen zijn door een combinatie van incidentele en structurele factoren tot stand gekomen, mede als gevolg van toenemende afhankelijkheden in de leermiddelenketen. Er is structurele coördinatie nodig en betere afspraken tussen marktpartijen en het onderwijs om dergelijke problemen in de toekomst te voorkomen. Ik roep partijen op en zal hen waar nodig aansporen om hun verantwoordelijkheid voor de continuïteit van het onderwijs te nemen.
De impact van geldstress en schulden op de (mentale) gezondheid van mensen |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kuipers , Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat geldstress kan leiden tot meer mentale en ook fysieke klachten?1
Ja, uit diverse onderzoeken blijkt dat er een sterke wisselwerking is tussen armoede en gezondheid. Het recente advies «Van schuld naar schone lei» van de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS) bevestigt dat schulden ook een volksgezondheidsprobleem zijn2. Mensen met problematische schulden hebben vaker te maken met psychische klachten en/of stoornissen, ze ervaren meer en vaker lichamelijke klachten en beperkingen. Tegelijkertijd spelen gezondheidsproblemen vaak een cruciale rol bij problematische schulden.
Verwacht u dat de druk op de zorg zal toenemen, specifiek op de huisartsen en ggz, nu steeds meer mensen niet rond kunnen komen? Zo ja, gaat u extra maatregelen nemen om ondersteuning te bieden? Zo nee, waarom niet?
We weten dat er een verband is tussen stress vanwege geldzorgen en de fysieke- en mentale gezondheid. Huisartsen en GGZ-hulpverleners zien dit ook terug in hun praktijk. In welke mate de economische situatie doorwerkt in de zorg is op voorhand niet te zeggen. Dit kabinet neemt maatregelen gericht op het borgen van bestaanszekerheid, schulden te voorkomen en op te lossen. Ik verwijs hiervoor naar de Kamerbrief «Aanpak geldzorgen, armoede en schulden» 3 van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, van 12 juli. Deze aanpak is breed en richt zich onder andere op vroeg signalering, en daarbij snellere en beter toegankelijke hulp en meer mogelijkheden om uit geldzorgen te blijven en schulden te voorkomen en sneller uit schulden te komen.4 Daarbij werken het Ministerie van VWS en SZW samen aan verschillende acties om de samenwerking tussen het zorg- en het sociaaldomein te versterken. Bijvoorbeeld het ondersteunen en stimuleren van samenwerking tussen sociaal domein, huisartsenzorg en ggz voor van huisartsenpraktijken met het signaleren en bespreekbaar maken van geldzorgen, en het warm overdragen van patiënten naar schuldhulpverlening.5 Hierdoor zijn patiënten beter geholpen, verminderd de druk op de zorg en hebben gemeenten problemen eerder en beter in beeld. Ook hebben SZW en VWS de SER om advies gevraagd over maatregelen binnen het stelsel van de arbeidsmarkt, de sociale zekerheid en het sociaal domein om gezondheidsachterstanden aan te pakken. Het advies van de SER kan mogelijk bijdragen aan het terugdringen van gezondheidsachterstanden.
Naast bovenstaande maatregelen ben ik samen met de Minister voor Langdurige Zorg en Sport en de bewindspersonen van SZW en OCW de landelijke aanpak «Mentale Gezondheid: van ons allemaal» gestart.6 Wij zetten daarmee in op een beweging voor een mentaal gezond Nederland. De mentale gezondheid van de Nederlandse bevolking staat namelijk al langer onder druk. Dit als gevolg van verschillende sociaal maatschappelijke ontwikkelingen waaronder geldzorgen door de stijgende (energie)kosten. Eén van de activiteiten die we vanuit de aanpak ondernemen op het gebied van ondersteuning is dat we samen met Mind Us kijken hoe we de inzet van laagdrempelige inloopmogelijkheden voor mensen kunnen verbeteren, onder andere door deze beter in kaart te hebben en daarmee beter vindbaar te maken. Ook werken we samen met MIND Us aan het beter verbinden van deze initiatieven in de buurt met belangrijke vindplekken online, zoals chats en websites, maar ook luisterlijnen. Met deze activiteiten zetten we in op het versterken van de mentale gezondheid van alle Nederlanders en bieden we laagdrempelige ondersteuning waar gewenst.
Hoe neemt u deze kennis mee in discussies binnen het kabinet over maatregelen tegen de stijgende energierekening?
Deze kennis neem ik en mijn collega’s in het kabinet mee in de gesprekken over maatregelen en oplossingen tegen de stijgende energierekening. Het kabinet heeft onlangs aanvullende maatregelen genomen om de hoge energieprijzen te compenseren. 7 Nog voordat het prijsplafond vanaf 1 januari in werking treedt, krijgen huishoudens al een tegemoetkoming van 190 euro in de maanden november en december.8
Deelt u onze mening dat de impact van maatregelen op de (mentale) gezondheid van mensen zou moeten worden meegenomen in beleidskeuzes over de stijgende energierekening? Zo ja, hoe gebeurt dat nu? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is zich ervan bewust dat gezondheidsvraagstukken sociale vraagstukken zijn en visa versa. Dit versterkt onze ambities om financiële problemen te voorkomen en op te lossen. De investeringen in sociale vraagstukken kennen domein overstijgende baten. Het kabinet werkt mede daarom hard aan maatregelen gericht op het ondersteunen van de mensen die het hardst worden geraakt door de stijgende energierekening.9
Hoe zijn de gevolgen van geldstress op de (mentale) gezondheid meegenomen in de overwegingen om tot een fonds energieschulden te komen, waarmee mensen alleen worden geholpen als ze al zwaar in de financiële problemen zitten en dus al de schadelijke gevolgen van geldstress hebben ervaren?
Het kabinet heeft verschillende maatregelen getroffen om geldzorgen, -stress, schulden en armoede zoveel mogelijk te voorkomen en terug te dringen. We staan aan de lat voor een grote opgave. Dat wil niet zeggen dat het kabinet de doelstellingen laat varen. Het kabinet versterkt met een uitzonderlijk groot pakket aan koopkrachtmaatregelen in de Miljoenennota 2023 de inkomenspositie van mensen om de negatieve effecten van de hoge prijzen te dempen. In aanvulling hierop heeft het kabinet op 20 september 2022 aangekondigd met aanvullende maatregelen ten aanzien van de energierekening te komen, waaronder de instelling van een tijdelijk prijsplafond voor kleinverbruikers, zoals huishoudens, zzp’ers en kleine bedrijven10. Door dit plafond worden schommelingen in de energieprijzen deels opgevangen door de overheid en ontstaat er voor kleinverbruikers meer zekerheid over de energiekosten.
Ondanks alle maatregelen, en de energiebesparende maatregelen die men zelf kan nemen, kan de situatie zich voordoen dat er toch huishoudens zijn die in de financiële problemen komen. Zonder hulp zullen deze huishoudens problematische schulden gaan opbouwen. Om dit te voorkomen wordt momenteel de mogelijkheid van een tijdelijk noodfonds verkend.
Deelt u onze mening dat het voor het mentale welzijn beter zou zijn om mensen te helpen voordat ze in de geldproblemen komen (bijvoorbeeld door een prijsplafond voor energie) dan als ze al grote geldproblemen hebben (bijvoorbeeld via het fonds energieschulden)? Zo ja, hoe kunnen mensen dit terug gaan zien in kabinetsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het altijd beter is om geldproblemen te voorkomen. Daarom heeft het kabinet verschillende maatregelen genomen om financiële problemen te voorkomen, zoals een tijdelijk prijsplafond voor gas en elektriciteit, het verhogen van sociaal minimum en de intensivering van vroegsignalering en een korting op de energie rekening in november en december 2022.
Hoe verhoudt de keuze voor een fonds energieschulden zich tot de inzet van dit kabinet op preventie bij mentale gezondheid? Staan deze twee zaken niet haaks op elkaar?
Nee. Het kabinet neemt maatregelen om financiële problemen te voorkomen én op te lossen, zoals in het antwoord op vraag 6 is geschetst. De situatie kan zich voordoen dat er toch huishoudens zijn die in de financiële problemen komen. Voor die groep wordt nu de mogelijkheid van een tijdelijk noodfonds verkend.
Met de kabinetsbrede aanpak «Mentale Gezondheid: van ons allemaal» zet ik mij samen met mijn collega’s uit het kabinet, mensen uit de doelgroep en verschillende betrokken veldpartijen in op het bevorderen van de mentale gezondheid. Want de urgentie om gezamenlijk aan de slag te gaan op mentale gezondheid is hoog. Er bestaan namelijk al langer zorgen over de mentale gezondheid van de Nederlandse bevolking. Zo noemt de Volksgezondheidstoekomstverkenning 2020 dit een van de grootste gezondheidsrisico’s voor de toekomst.11 We hebben bij het uitwerken van de aanpak aandacht voor achterliggende problematiek en sociaal maatschappelijke vraagstukken (zoals armoede, bestaanszekerheid, sociale basis etc.) en zetten in op een mental health in all-policies benadering.
De nieuwe Amerikaanse wet die de export van geavanceerde chips en machines naar China verder aan banden wil leggen |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Exclusive: Biden to hit China with broader curbs on U.S. chip and tool exports» van Reuters van 12 september 2022?1
Ja.
Hebben Amerikaanse functionarissen contact gezocht met de Nederlandse regering met de vraag om een soortgelijk beleid uit te vaardigen dat Nederlandse bedrijven verbiedt technologie aan China te verkopen die Amerikaanse bedrijven ook niet meer zouden mogen exporteren, zoals in het artikel vermeld staat?
Op zowel politiek- als werkniveau is er regelmatig overleg met o.a. de Verenigde Staten over de export van geavanceerde technologieën, waaronder halfgeleidertechnologie. In deze gesprekken wordt ook gesproken over Amerikaanse beleidsinitiatieven, in het bijzonder de gevolgen daarvan voor Nederlandse bedrijven. Wanneer relevante Nederlandse beleidswijzigingen zich voordoen, zal ik u uiteraard informeren.
Bent u bekend met het artikel «US wants Dutch supplier to stop selling chipmaking gear to China» van Bloomberg van 5 juli 2022?2
Ja.
Klopt het dat de Amerikaanse plaatsvervangend Minister van Handel, Don Graves, Minister Schreinemacher op 1 juni jongstleden heeft verzocht om een exportverbod in te stellen voor de oudere deep ultraviolet lithography (DUV) machines voor het vervaardigen van chips, bovenop het al bestaande exportverbod op de geavanceerdere EUV machines?
Vanwege de vertrouwelijkheid van dit gesprek kan ik geen uitspraken doen over de precieze besproken inhoud.
Houdt u er rekening mee dat er ook andere, met name economische, redenen aan het voorgestelde exportverbod op DUV-machines (dat gesteund wordt door Japan) ten grondslag kunnen liggen? Hoe uit zich dit?
Ja. Halfgeleidertechnologie speelt een sleutelrol in technologisch leiderschap, en daarmee ook in het geopolitieke en economische domein. Beslissingen om export te controleren, raken dus aan meerdere belangen, inclusief economische. Het kabinet houdt hier rekening mee, zeker in deze veranderende internationale context. Dat er verschillende belangen spelen en de exportcontrolebeslissingen ook economische impact kunnen hebben, uit zich onder meer in de gevoeligheid van de gesprekken hierover, waardoor ik hier geen verdere uitspraken kan doen.
Deelt u de mening dat het al dan niet instellen van een dergelijk verbod invloed heeft op zowel de Nederlandse als de Europese digitale autonomie en daarom om een geopolitieke afweging vraagt?
Ja. Toegang tot halfgeleiders en aanverwante technieken is in hoge mate bepalend voor het concurrentie- en innovatievermogen van veel industriële sectoren (waaronder defensie, mobiliteit en energie) en van groot belang om de klimaat- en digitaliseringsdoelen te behalen in Europa (ook wel de «twin transitions»). Halfgeleidertechnologie heeft, vanwege het strategische belang en de geglobaliseerde inrichting van de waardeketen, een sleutelrol in de geopolitieke verhoudingen en daarmee de open strategische autonomie van de EU. Het kabinet zet zich er dan ook voor in om ook in de toekomst op dit vlak internationaal koploper te blijven. Dit vraagt om een geopolitieke afweging, waarbij goede samenwerking met gelijkgezinde partners van groot belang is.
Bent u het ermee eens dat de onderhandelingspositie van Nederland op dit gebied sterker is wanneer er in Europees verband wordt onderhandeld? Zo ja, zult u bij besluiten over dit onderwerp de samenwerking zoeken met de Europese Commissie?
Exportcontrole is een nationale competentie en er is dus geen handelingsbevoegdheid bij de Europese Commissie. Wel streeft Nederland naar eensgezind Europees optreden. Hiervoor is er regelmatig overleg met onze Europese partners over dit onderwerp, inclusief de Europese Commissie.
De golf aan explosies en toename van (zelfgemaakte) explosieven |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dit is hoe makkelijk je grondstoffen voor explosieven kunt kopen»?1
Ja.
Deelt u onze mening dat het onderzoek van Omroep Brabant pijnlijk blootlegt met hoeveel gemak iemand grondstoffen voor zelfgemaakte explosieven kan aanschaffen?
In Nederland geldt de Wet Precursoren voor Explosieven (Wpe), gebaseerd op EU verordening 2019–1148, die gaat over zowel het verbieden als het reguleren van de verkoop van bepaalde grondstoffen waar je zelfgemaakte explosieven mee kunt maken. Onder deze wet is het niet toegestaan voor particulieren om zogenaamde vergunningsplichtige stoffen aan te schaffen, te bezitten of verhandelen. Deze stoffen mogen wel verkocht worden onder bepaalde percentages, die ook genoemd staan in de wet. Het gaat bijvoorbeeld om waterstofperoxide of ammoniumnitraat.2 Daarnaast zijn er stoffen waarvoor alleen een meldplicht geldt3, maar die mogen wel worden gekocht door particulieren, zoals bijvoorbeeld aceton, hexamine en aluminiumpoeders. De meldplicht houdt in dat verdachte transacties, verdwijningen en vermissingen gemeld moeten worden bij het Meldpunt Verdachte Transacties Chemicaliën. Deze meldplicht geldt overigens ook voor vergunningsplichtige stoffen.
Dit jaar zijn 68 verdachte Transacties gemeld bij het meldpunt, waarvan 12 keer vergunningsplichtige stoffen, 36 keer meldingsplichtige stoffen en 20 keer overige stoffen. De stof waarover het meeste gemeld wordt is aceton.
Het blijkt niet uit het artikel dat het de onderzoekers van Omroep Brabant gelukt is om vergunningsplichtige stoffen boven de toegestane limiet te kopen. Logischerwijs, aangezien het is toegestaan, is het wel gelukt om goederen met alleen een meldplicht te kopen. Een verdachte transactie moet gemeld worden bij het meldpunt. In de Wpe staat dat marktdeelnemers en onlinemarktplaatsen moeten beschikken over passende, redelijke en evenredige procedures voor het opsporen van verdachte transacties.4 Hoe dat er precies uitziet, kan verschillen per marktdeelnemer. Brancheverenigingen kunnen zelf vaststellen, eventueel in overleg met de NCTV, welke maximumhoeveelheden toegestaan zijn om in een keer te kopen. Het beoordelen van een verdachte transactie is afhankelijk van verschillende factoren waaronder de hoeveelheid, percentages, combinaties van stoffen en eventueel verdacht gedrag. Het personeel moet, dat staat ook opgenomen in de Wpe5, daarover goed worden geïnformeerd en getraind zodat men weet hoe hiermee om te gaan. Vanuit de NCTV is hierover veel contact met brancheverenigingen, die de afgelopen jaren veel geïnvesteerd hebben in trainingen en lesmateriaal. Uit het onderzoek van Omroep Brabant blijkt dat hiervoor blijvend aandacht nodig is. De NCTV en de brancheverenigingen zijn blijvend in gesprek om te kijken of, hoe en waar eventueel verbeteringen gemaakt kunnen worden.
Herinnert u zich de reactie van uw voorganger op de vragen van het lid Kathmann over het bericht dat de politie zich zorgen maakt over de toename van zelfgemaakte bommen?2 Welke ontwikkelingen ziet u sindsdien?
Ja. De politie ziet dat zelfgemaakte explosieven niet alleen meer gebruikt worden voor plofkraken, maar in toenemende mate ook voor het plegen van gerichte aanslagen op woningen en voertuigen veelal binnen het criminele milieu. Hiervoor wordt in toenemende mate illegaal verhandeld professioneel vuurwerk gebruikt. Het onderstreept het belang van de opsporing van de illegale handel in dit soort vuurwerk. Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd middels de antwoordbrief op de motie Van der Plas over het tegengaan van illegaal vuurwerk.7
Welke aanvullende maatregelen kunt u nemen om grondstoffen als hexamine, aceton en aluminiumpoeders, die gebruikt kunnen worden om zelf explosieven te maken, moeilijker verkrijgbaar te maken?
De stoffen zoals genoemd in deze vraag vallen alle drie onder de meldplicht en zijn verkrijgbaar voor particulieren. De meldplicht houdt in dat gestolen, vermiste of verdwenen goederen binnen 24 uur gemeld moeten worden. Het houdt ook in dat winkels of bedrijven aankopen van verdachte hoeveelheden dienen te melden. De brancheverenigingen hebben, veelal in overleg met de NCTV (zie het antwoord op vraag 2), vastgesteld bij welke stof en welke hoeveelheid een verdachte transactie plaatsvindt, omdat dit per sector en per precursor kan verschillen. Zo staan drogisterijen verkopen van aceton boven de drie flesjes per keer niet toe, en melden zij pogingen tot aankopen boven deze hoeveelheid. Zij trainen daarvoor hun personeel en passen hun kassasystemen daarop aan. Daardoor zijn stoffen moeilijker verkrijgbaar.
Om winkels en bedrijven blijvend te informeren over de nieuwe en aangescherpte regelgeving die sinds vorig jaar van kracht is, zal het Ministerie van Justitie en Veiligheid (de NCTV) begin 2023 een nieuwe campagne lanceren waarin meer aandacht komt voor wat een verdachte transactie is, ook voor ondernemers die niet in winkels, maar bijvoorbeeld online verkopen. Daarnaast zal de NCTV met brancheverenigingen, winkels, online marktplaatsen en het bedrijfsleven in gesprek blijven over het melden van verdachte transacties. Tot slot ziet ik als Minister van Justitie en Veiligheid toe op juiste uitvoering van de wetgeving en zullen ernstige overtredingen gemeld worden bij de opsporingsautoriteiten.
Klopt het dat in de afgelopen 2,5 jaar bij 21 procent van de delicten waarbij explosies werden gebruikt een verdachte is opgepakt? En is het juist dat 8 van de 95 zaken in Brabant in die periode tot een veroordeling hebben geleid?3
In de systemen van de politie en het Openbaar Ministerie wordt dit soort informatie niet apart geregistreerd. Het is daarom niet mogelijk om de juistheid van de cijfers te bevestigen. Omroep Brabant heeft bij de inventarisatie gebruik gemaakt van informatie uit de media, politiepersberichten en van het Openbaar Ministerie.
Vindt u net als wij dat dit aantal aanhoudingen en veroordelingen opvallend laag is? Welke acties kunt u ondernemen om ervoor te zorgen dat verdachten sneller opgepakt en effectiever vervolgd kunnen worden?
Ik kan niet beoordelen of het aantal aanhoudingen en veroordelingen opvallend laag is. Zoals onderzoeker Krüsselmann in het artikel zegt is het voor politie en justitie moeilijk een vinger te krijgen achter wie dit doen en zijn deze onderzoeken ingewikkeld en kosten ze veel inzet en tijd. Zij meldt ook dat het grootste struikelpunt in onderzoeken volgens politie en justitie het gebrek aan medewerking van slachtoffers is.
Het niet publiceren van kennisgroepstandpunten |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belastingdienst, wees transparant over fiscale regels»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de huidige praktijk is rondom het opstellen van een bindend advies door een kennisgroep en het communiceren van dit standpunt naar de buitenwereld?
Bij de uitvoering van wet- en regelgeving staat de Belastingdienst dagelijks voor keuzes bij de toepassing hiervan op individuele belastingplichtigen. Als daarbij vragen opkomen over hoe een bepaalde wettelijke regel moet worden uitgelegd en toegepast, zal een kennisgroep van de Belastingdienst zich hierover buigen.
In deze kennisgroep zitten experts op het terrein waarover de vraag wordt gesteld. De kennisgroep neemt na een uitgebreide analyse een standpunt in. De inspecteur is gehouden dit kennisgroepstandpunt toe te passen in het voorliggende geval en in gelijke gevallen2. Daarmee hebben kennisgroepstandpunten dezelfde betekenis als formeel vastgesteld, dat wil zeggen bij beleidsbesluit vastgesteld, beleid.
Kennisgroepstandpunten hebben veelal betrekking op concrete gevallen en lenen zich daardoor niet zonder meer voor een generieke toepassing. Kennisgroepstandpunten die zich daar wel voor lenen worden zo veel mogelijk simultaan bewerkt tot een generieke norm die wordt opgenomen in een beleidsbesluit dat wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Afhankelijk van de detaillering en zwaarte van het standpunt en gelet op de beoogde doelgroep, kan worden gekozen voor een passendere publicatie, zoals een leidraad, een antwoord op de website van de Belastingdienst of een handboek.
Welke juridische status hebben de bindende adviezen die opgesteld zijn door een kennisgroep? Klopt het dat deze dezelfde waarde hebben als formeel vastgesteld beleid? Zo nee, op welke basis worden de uitkomsten van kennisgroepsessies dan uitgedragen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat belet u om de adviezen uit kennisgroepen te bundelen en makkelijk toegankelijk te maken voor de buitenwereld? Bent u bereid dit stelselmatig en op korte termijn na de besluiten te doen in het vervolg?
Voor publicatie van kennisgroepstandpunten die zich lenen voor een generieke toepassing, geldt dat deze worden verwerkt in een beleidsbesluit. Uit het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) volgt dat dergelijke kennisgroepstandpunten in een concept beleidsbesluit worden vervat en zo spoedig mogelijk gepubliceerd in de Staatscourant. Daarmee zijn deze standpunten in principe breed beschikbaar en bestaat er in principe geen ongelijkheid in informatiepositie tussen groepen belastingplichtigen
Deze huidige werkwijze heeft als doel om te zorgen voor eenheid van beleid en uitvoering binnen de Belastingdienst en de vertaalslag te maken van het vraag-antwoordmodel van het standpunt van de kennisgroep naar een voor belastingplichtigen raadpleegbaar beleid. Dit heeft echter tot gevolg dat er enige tijd zit tussen het intern vaststellen van het standpunt en het openbaar maken daarvan in het beleidsbesluit.
Voor het vergroten van transparantie is binnen de Belastingdienst enige tijd geleden een begin gemaakt met het inventariseren van mogelijkheden om standpunten van kennisgroepen op een laagdrempelige en toegankelijke wijze openbaar te maken, nog voordat deze, voor zover nodig, in een beleidsbesluit zijn verwerkt.
Dat heeft geleid tot de inrichting van een voor burgers en bedrijven toegankelijke website die de komende maanden getest zal worden. Zodra blijkt dat deze website voldoet aan alle randvoorwaarden, zullen alle kennisgroepstandpunten via deze website worden gepubliceerd en daarmee op een toegankelijke wijze raadpleegbaar zijn. De kennisgroepstandpunten zullen zo snel mogelijk, maar uiterlijk op 1 april 2023, op deze extern raadpleegbare website gepubliceerd worden. Ik zal deze ontwikkelingen in de tussentijd laten verwerken in het BFB.
Hoe beziet u de ongelijkheid die ontstaat in de informatiepositie van grote belastingkantoren en reguliere burgers? Bent u, net als de PvdA, van mening dat dit soort bedrijven geen voordeel mogen hebben boven anderen? Waarom hebben zij überhaupt die voordelen gekregen?
Zie antwoord vraag 4.
Is het uw voornemen om de praktijk van het bekendmaken van kennisgroepadviezen aan te passen zodat deze breder beschikbaar zijn? Zo ja, kunt u toelichten hoe u dit wilt invullen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het DNB-rapport ‘Van herstel naar balans’ en signalen dat PEP’s door Wwft-instellingen worden geweerd als klant |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het rapport van De Nederlandsche Bank (DNB) «Van herstel naar balans»?1
Ja.
In dit rapport pleit toezichthouder De Nederlandsche Bank voor een meer risicogebaseerde aanpak van financieel-economische criminaliteit, «waarbij niet angst om het fout te doen de boventoon voert». Onderschrijft u deze conclusie van DNB?
Ja, ik onderschrijf de conclusie van het belang van een risicogebaseerde aanpak. Dat is immers ook het uitgangspunt in de wet- en regelgeving. Voor een verdere toelichting hierop verwijs ik naar de brief met mijn reactie op het onderzoek van DNB. Deze brief is parallel met de beantwoording van deze vragen aan uw Kamer verzonden.
Is deze benadering van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) door DNB een totaalaanpak, in die zin dat deze wordt gedeeld door de andere toezichthouders en handhavers van de Wwft, zoals de Autoriteit Financiële Markten, het Bureau Financieel Toezicht, de deken van de orde van advocaten en de Belastingdienst?
Het onderzoek van DNB richt zich primair op de toepassing van de Wwft door banken en het toezicht dat DNB daarop uitvoert. DNB geeft aan dat in de afgelopen jaren een deel van de bancaire sector in onvoldoende mate de Wwft heeft nageleefd, maar dat de banken inmiddels hun inspanningen en investeringen op dit vlak aanzienlijk hebben vergroot. DNB loopt tevens langs de gevolgen van deze inspanningen, bijvoorbeeld voor de toegang tot het betalingsverkeer. De aandachtspunten die DNB noemt zijn dan ook louter gebaseerd op de toepassing van de Wwft in de bancaire sector. Het rapport geeft geen inzicht in de naleving van de Wwft door andere instellingen en het Wwft-toezicht op deze andere instellingen. Daarbij geldt dat Wwft-instellingen en hun cliënten onderling veel verschillen. De conclusies uit het onderzoek van DNB kunnen derhalve niet als een totaalaanpak worden gezien.
Wel geldt in algemene zin dat een risicogebaseerde aanpak één van de uitgangspunten is in de Wwft. Van Wwft-instellingen wordt verwacht dat zij hun poortwachtersrol risicogebaseerd invullen, dit blijft onveranderd. Een dialoog over een gebalanceerde toepassing ervan wordt ook breder gedeeld door andere toezichthouders en handhavers.
Ruimte voor instellingen om in te spelen op de hoogte van de risico’s op witwassen is een belangrijk element voor een effectieve en efficiënte aanpak van witwassen. DNB constateert in haar onderzoek dat banken de bestaande ruimte onvoldoende hebben benut. DNB noemt dan ook dat ze meer aandacht wil hebben voor de vraag of banken voldoende ruimte bieden voor minder zware maatregelen bij lage risico’s. Een dialoog tussen instellingen en toezichthouders, zoals DNB voorstelt in haar onderzoek, draagt bij aan het verbeteren van de informatiepositie over en weer. Daarnaast zal DNB op basis van deze dialoog guidance opstellen om de instellingen beter te ondersteunen bij de uitvoering van hun verplichtingen. Aangezien DNB signaleert dat een mogelijke oorzaak van het onterecht afwijzen van klanten door banken gelegen is in een niet-goed uitgevoerde risicobeoordeling, verwacht ik dat de dialoog tussen DNB en de banken bijdraagt aan een oplossing.
Ik onderschrijf de gekozen benadering van DNB. In de beleidsagenda witwassen, die ik op 23 september samen met de Minister van Justitie en Veiligheid naar uw Kamer heb gestuurd, is «ruimte waar mogelijk» één van de drie speerpunten. Als één van de prioriteiten ga ik inzetten op het borgen van toegang tot het betalingsverkeer. Hierbij wil ik de klantengroepen die moeite hebben met toegang tot het betalingsverkeer in contact brengen met banken om op die manier gezamenlijk de knelpunten te bespreken en op te lossen en om te zorgen voor een goede invulling van de risicogebaseerde benadering in de regelgeving. De vervolgacties die DNB neemt, helpen hier ook bij.
Ik heb verder kennisgenomen van de op 18 oktober gedane uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in de zaak bunq. Omdat deze uitspraak over een specifieke zaak gaat, is het niet aan mij om hierover een oordeel te geven. De inschatting welke gevolgen deze uitspraak heeft voor de wijze waarop DNB haar toezicht inricht, ligt primair bij DNB.
Kunnen Wwft-instellingen er vanuit gaan dat deze lijn van «geen angst om het fout te doen» ook wordt onderschreven door het Openbaar Ministerie, nu elke overtreding van de Wwft op dit moment in beginsel gekwalificeerd wordt als een misdrijf?
Ook het Openbaar Ministerie deelt het uitgangspunt dat de risicogebaseerde aanpak één van de uitgangspunten is van de Wwft. Dat overtreding van Wwft-verplichtingen door instellingen is gekwalificeerd als misdrijf in de Wet economische delicten, doet hier geen afbreuk aan. Uit de memorie van toelichting bij de Wwft2 volgt dat de aard en ernst van overtredingen van de Wwft een strafrechtelijke sanctie kan vergen. Ook de samenhang met andere strafbare feiten of de behoefte aan een opsporingsonderzoek met bijbehorende bevoegdheden kan reden vormen voor strafrechtelijke handhaving. Overtreding van een aantal voorschriften uit de Wwft is daarom strafbaar gesteld en wordt gekwalificeerd als misdrijf in de Wet economische delicten. Over de vraag of Wwft-overtredingen bestuursrechtelijk, tuchtrechtelijk of strafrechtelijk moeten worden afgedaan, vindt in de praktijk overleg plaats tussen het Openbaar Ministerie en de toezichthouders. Het Openbaar Ministerie overweegt altijd of strafrechtelijke vervolging opportuun en proportioneel is, op het moment dat overtreding van de Wwft wordt geconstateerd.
Gaat u bewerkstelligen dat er op basis van de DNB-lijn uniform beleid komt waaraan alle toezichthouders zich committeren, zodat Wwft-instellingen duidelijke kaders hebben waaruit blijkt wat hun wettelijke plicht is, zonder dat sprake is van open normen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke plannen heeft u om de door DNB genoemde hiaten in de uitvoering van de Wwft te verhelpen?
In de bij de beantwoording van vraag 3 en 5 genoemde beleidsagenda aanpak witwassen, staan de prioriteiten en vervolgacties van het kabinet om de aanpak van witwassen verder te verbeteren. Veel van de aanbevelingen van DNB komen terug in de vervolgacties. Voor een reactie op de specifieke punten in het onderzoek van DNB, verwijs ik naar mijn bij de beantwoording van vraag 2 genoemde brief met de beleidsreactie op het DNB-onderzoek.
Bent u bekend met signalen dat sommige Wwft-instellingen Politically Exposed Persons (PEP’s) en daaraan gerelateerde personen zoals gezinsleden niet willen accepteren als klant of zelfs uit het klantenbestand willen verwijderen, terwijl er in feite sprake is van een laag risico?
Op 30 mei jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de bevindingen die zijn gedaan in een onderzoek van EY naar de uitvoerbaarheid van een aantal aspecten van de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn.3 In dat onderzoek is onder meer gekeken naar de persoonlijke ervaringen van een aantal (binnenlandse) PEPs. Daaruit volgde onder meer dat het verscherpt cliëntenonderzoek door deze PEPs als disproportioneel wordt ervaren. Zij gaven aan meermaals te zijn verzocht een veelheid aan (persoonlijke) informatie aan te leveren bij Wwft-instellingen, terwijl zij menen dat hun PEP-status niet tot meer risico’s op witwassen leidt. Ook gaven zij aan dat de intensiteit van het verscherpt cliëntenonderzoek uiteenloopt en dat in sommige gevallen de relatie is beëindigd.
Het kabinet vindt het belangrijk dat er een evenwichtige verhouding is tussen enerzijds het verscherpt cliëntenonderzoek en anderzijds de relevante risico’s die zich voordoen bij PEPs. Daarom heb ik in de beleidsreactie aanpak witwassen een aantal acties genoemd op dit terrein, zoals het voornemen om met betrokken partijen mogelijkheden te bezien om de informatieverzoeken door Wwft-instellingen efficiënter en minder bezwarend te maken en te spreken over het creëren van duidelijkheid richting PEPs over wat van hen wordt verwacht.
Het feit dat Wwft-instellingen verscherpt cliëntenonderzoek verrichten naar PEPs, familieleden van PEPs en naaste geassocieerden, houdt verband met de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Europese en internationale regelgeving waarop de Wwft is gebaseerd. De achterliggende gedachte hierbij is dat relaties met personen die een prominente politieke functie bekleden, voor de financiële sector een groot reputatierisico en juridisch risico met zich mee kunnen brengen, zeker wanneer die personen afkomstig zijn uit landen die een relatief hoge corruptiegraad hebben. Dergelijke personen verdienen dan ook in het licht van de strijd tegen corruptie bijzondere aandacht. De verscherpte maatregelen gelden zowel ten aanzien van PEPs als voor hun familieleden en naaste geassocieerden.
Is het, om een voorbeeld van het bovenstaande te geven, gerechtvaardigd dat een levensverzekeraar – zoals blijkens signalen lijkt te gebeuren – een PEP-gerelateerd persoon dwingt te vertrekken als klant, enkel omdat de klant PEP is, zonder dat er sprake is van concrete risico’s?
Nee, de maatregelen ten aanzien van PEPs, hun familieleden en naaste geassocieerden zijn uitdrukkelijk preventief van aard. Een zakelijke relatie afwijzen enkel en alleen omdat een cliënt een politiek prominente persoon is, druist dan ook in tegen de gedachte achter de Wwft en de Europese anti-witwasrichtlijn waarop de Wwft is gebaseerd. Zoals hiervoor al werd opgemerkt, zijn Wwft-instellingen bij PEPs wel verplicht verscherpt cliëntenonderzoek te verrichten en dat kan ertoe leiden dat zij meer informatie opvragen bij de PEP. De intensiteit van dat verscherpt cliëntenonderzoek kan per geval verschillen omdat dit mede afhankelijk is van de risico’s die zich in een bepaald geval voordoen.
Kunt u bevestigen dat een dergelijke opstelling niet acceptabel is en kunt u, in samenwerking met de toezichthouders, hier richting de Wwft-instellingen aandacht aan besteden?
Het enkel en alleen weigeren van een cliënt omdat deze een PEP is, is inderdaad onbehoorlijk en druist in tegen de gedachte achter de Wwft en de regelgeving waarop de Wwft is gebaseerd. Ik vind dan ook dat de toepassing van de regelgeving op PEPs beter kan. Dit is één van de prioriteiten in de beleidsagenda aanpak witwassen. Ik vind het belangrijk dat er een evenwichtige verhouding is tussen enerzijds het verscherpt cliëntenonderzoek en anderzijds de relevante risico’s die zich voordoen bij PEPs. In de beleidsagenda kondig ik als één van de vervolgacties aan om gesprekken met de sector te voeren over de juiste toepassing van de regels voor PEPs. Voor een verdere toelichting hierop verwijs ik naar de beleidsagenda aanpak witwassen.
Hoe gaat u instellingen aanspreken die in hun voorwaarden dienstverlening aan PEP’s uitsluiten? Gaat u hierover in gesprek met de relevante toezichthouders om dit maatschappelijk onacceptabele gedrag aan de orde te stellen?
Ik ben niet bekend met voorwaarden waarin PEPs bij voorbaat categorisch worden uitgesloten vanwege het feit dat zij een PEP zijn. Zoals gezegd druist het enkel en alleen weigeren van een cliënt omdat deze een PEP is, in tegen de gedachte achter de Wwft. Als opvolging van de beleidsagenda aanpak witwassen, zal ik gesprekken voeren met relevante partijen over de juiste toepassing van de regels met betrekking tot PEPs en over het creëren van duidelijkheid richting PEPs over wat van hen wordt verwacht. Graag verwijs ik voor verdere details naar de bij de beantwoording van vraag 3 en 5 genoemde beleidsagenda aanpak witwassen.
Bij wie kunnen deze personen terecht? Bent u bereid om in geval van de onheuse behandeling van PEP’s, waardoor zij uitgesloten worden van verzekeringen en/of bancaire faciliteiten, een meldpunt in het leven te roepen bij een van de toezichthouders zodat deze waar nodig kunnen acteren?
Indien een cliënt (al dan niet een politiek prominente persoon) van mening is dat een Wwft-instelling hem of haar onheus behandelt, dan kan deze cliënt dit aangeven bij (het klachtenloket van) de betreffende Wwft-instelling. Daarnaast kan een cliënt een klacht indienen bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid). Het voorgaande laat uiteraard onverlet dat het een cliënt vrijstaat een juridische procedure aan te spannen. Het is verder mogelijk om signalen bij de toezichthouders in te dienen. Die kunnen een individueel geschil niet oplossen, maar het signaal wel verder gebruiken bij bijvoorbeeld guidance.
Welke andere maatregelen bent u bereid te nemen om de toegang van PEP’s tot de dienstverlening van Wwft-instellingen te garanderen, ervan uitgaande dat er geen sprake is van materiële Wwft-risico’s anders dan het feit dat deze persoon een PEP-status heeft?
Voor de maatregelen die ik neem, verwijs ik naar de beleidsagenda aanpak witwassen. Daarin noem ik verschillende vervolgacties om te zorgen voor een evenwichtige verhouding tussen enerzijds het verscherpt cliëntenonderzoek en anderzijds de relevante risico’s die zich voordoen bij PEPs, hun familieleden en naaste geassocieerden. De komende periode ga ik de vervolgacties samen met publieke en private belanghebbenden verder uitwerken.
Kunt u ingaan op de door mij gestelde vragen tijdens het commissiedebat Financiële Markten (d.d. 30 juni 2022) over het feit dat Marokko sinds kort op de lijst van de Europese Commissie van derde landen met een hoog risico staat? Kunt u hierbij aangeven wat de exacte gevolgen zijn van een plaatsing op deze lijst voor zowel Wwft-instellingen als voor klanten?
In februari 2021 heeft de FATF Marokko op haar grijze lijst geplaatst van landen met strategische tekortkomingen in hun nationale regimes met betrekking tot het voorkomen en bestrijden van witwassen en financieren van terrorisme. Het doel van de lijst is om de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering te beheersen en het financiële stelsel te beschermen tegen deze risico’s. De Europese Commissie heeft deze plaatsing in maart 2022 overgenomen op de EU-lijst van hoog-risico derde landen. Voor transacties met ingezetenen van landen die op de lijst staan, dient verscherpt cliëntenonderzoek plaats te vinden door Wwft-instellingen. Verscherpt cliëntenonderzoek brengt met zich dat Wwft-instellingen cliënten moeten onderwerpen aan een verscherpte controle en onder andere aanvullende informatie over de cliënt, de beoogde zakelijke relatie en transacties moeten verzamelen (zie artikel 9, eerste lid, Wwft). Voor cliënten heeft dit tot gevolg dat zij meer informatie moeten verstrekken aan Wwft-instellingen. Zoals toegezegd tijdens het tweeminutendebat Financiële Markten van 28 september jl., stuur ik uw Kamer binnenkort een brief met een uitgebreidere toelichting op dit vraagstuk.
Het artikel '40-urige werkweek botst met onze cultuur |
|
Bart Smals (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «40-urige werkweek botst met onze cultuur»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de deeltijdcultuur in Nederland en de daarmee samenhangende arbeidsparticipatie van vrouwen een reliek uit de jaren ’80 is en deels gebaseerd is op een achterhaalde opvatting over de taakverdeling tussen man en vrouw?
De Nederlandse deeltijdcultuur kent een langere geschiedenis. In de jaren vijftig en zestig werd al in deeltijd gewerkt. Toen was er sprake van een krappe arbeidsmarkt en werd deeltijdwerk gezien als een manier om de arbeidsparticipatie te vergroten. In de jaren tachtig werd met het akkoord van Wassenaar deeltijdwerken ingezet om de werkloosheid te bestrijden: collectieve arbeidstijdverkorting werd ingeruild voor loonmatiging. In de jaren daarna vond deeltijdwerken zijn weg naar de cao’s. Zo werd onze samenleving geleidelijk aan steeds verder ingericht op deeltijdwerk, waardoor ook meer vrouwen de arbeidsmarkt betraden.
Deeltijdwerk kent voordelen. Het stelt mensen in staat de door hen gewenste werk-privébalans te realiseren, kosten te besparen door mantelzorg- en gezinstaken meer in eigen hand te nemen, en bevordert de betrokkenheid bij de arbeidsmarkt van groepen die zich anders wellicht zouden terugtrekken. Deze voordelen zorgen er deels voor dat de arbeidsparticipatie van vrouwen in Nederland relatief hoog is. In 2019 had 75,8% van de niet-onderwijsvolgende vrouwen van 15 tot 65 jaar betaald werk2.
Tegelijkertijd belemmert het deeltijdwerken de economische zelfstandigheid van vrouwen en beperkt het carrièrekansen. Dit komt doordat het nog steeds vooral vrouwen zijn die in deeltijd werken3, en doordat velen van hen in kleinere deeltijdbanen werken4. Hierdoor zijn vrouwen niet altijd in staat hun talenten en vaardigheden te ontwikkelen. Het werken in deeltijd valt ook samen met een traditionele opvatting over de taakverdeling tussen mannen en vrouwen. Het huidige beleid richt zich dan ook op het doorbreken van patronen en daarmee het verbeteren van de gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt. Het kabinet doet dit door de combinatie van arbeid en zorg te verbeteren en met de bredere aanpak ten aanzien van gendergelijkheid.
Hoe beoordeelt u de analyse uit het artikel dat onze deeltijdcultuur niet samengaat met de voltijdse verwachtingen van de samenleving? Bent u het daar mee eens? Deelt u de opvatting dat het zaak is om in plaats van onze voltijdse verwachtingen naar beneden bij te stellen de Nederlandse deeltijdcultuur aan te pakken? Zo ja, hoe bent u dit van plan, zo nee, waarom niet?
Het kabinet is het eens met de analyse dat we staan voor grote maatschappelijke uitdagingen nu en in de toekomst, zoals de klimaattransitie of de toenemende zorgvraag.
We hebben iedere werkende hard nodig om collectieve voorzieningen te kunnen waarborgen. Daarom heeft dit kabinet ook werkenden opgeroepen5:werk net die paar uur extra, waar dat kan.
In de praktijk zien we een verandering op gang komen, maar het gaat langzaam. Tot 2020 blijkt dat de arbeidsparticipatie van vrouwen toeneemt en ook dat de gemiddelde arbeidsduur is gestegen6. Het kabinet blijft zich met beleidsmaatregelen inzetten op de bevordering van de gendergelijkheid op de arbeidsmarkt en de vergroting van de arbeidsparticipatie (in uren) en de carrière perspectieven (meer vrouwen naar de top) van vrouwen. Het kabinet heeft al verschillende stappen gezet. Zo is recent het betaald ouderschapsverlof ingevoerd en wordt de vergoeding voor de kinderopvang inkomensonafhankelijk gemaakt voor werkende ouders. Het kabinet heeft bovendien het voornemen om een maatschappelijke dialoog te starten. De dialoog kan inzicht bieden in de onderliggende motivaties van mensen over gendergelijkheid in relatie tot de arbeidsmarkt en hiervoor concreet handelingsperspectief aanreiken. Uw Kamer is hier op 14 november jl. over geïnformeerd.
Deelt u in dat verband de opvatting dat het enkel aanbieden van deeltijdcontracten aan werknemers die fulltime willen werken onacceptabel is, en dan in het bijzonder in de kraptesectoren met een maatschappelijke functie (bijvoorbeeld zorg en onderwijs)? Zo ja, welke stappen gaat u op korte termijn nemen om hier een einde aan te maken? Bent u bereid om bijvoorbeeld met de zorg- en onderwijssector in gesprek te gaan om het aanbieden van een voltijdscontract de standaard te maken?
Ik deel de opvatting dat het belangrijk is als werknemers meer uren willen werken, ze dat ook kunnen doen. Ik roep werkgevers dan ook om het gesprek aan te gaan en creatief te kijken wat mogelijk is. Het kabinet kan echter werkgevers niet verplichten om werknemers altijd voltijdcontracten aan te bieden als zij erom vragen en dit standaard te maken. Daarom deel ik in dit verband uw opvatting niet. Het standaard maken van voltijdscontracten is niet altijd praktisch uitvoerbaar, zou de contractuele vrijheid van werkgevers en werknemers beperken en in deeltijd werken kan ook een weloverwogen beslissing zijn van werknemers.
Hoe gaat de rijksoverheid als werkgever zelf om met het aanbieden van deeltijdcontracten? Heeft de rijksoverheid zelf beleid om deeltijd werkende rijksambtenaren aan te sporen fulltime te werken?
Het aandeel voltijdswerkenden is bij de rijksoverheid relatief groot: 72% van de rijksambtenaren werkt voltijds7. Van alle werkenden in Nederland werkt 52% voltijds8. Daar waar functies binnen de rijksoverheid lastig vervulbaar zijn, voelen leidinggevenden een prikkel om deeltijders actief te vragen om meer uren te werken. Rijksambtenaren hebben op grond van de wet (Wet flexibel werken) het recht om een verzoek in te dienen om meer of minder uren te gaan werken. Er is (op dit moment) geen aanvullend beleid nodig om het aandeel voltijdswerkende rijksambtenaren verder te verhogen. Als werkgever wil de rijksoverheid ook faciliteren dat rijksambtenaren hun werk en andere taken en verantwoordelijkheden (bijvoorbeeld zorg voor kinderen of mantelzorg) goed kunnen combineren. In deeltijd werken kan dan een bewuste keuze zijn.
Hoe beoordeelt u het feit dat de ouderwetse deeltijdcultuur kennelijk doorwerkt in jongere generaties? Bent u bereid onderzoek te doen naar de achtergronden van de deeltijdwensen onder jongeren en de uitkomsten hiervan te delen?
Zoals eerder aangegeven, kan de keuze om in deeltijd te werken een bewuste keuze zijn, ook voor jongeren. Wel zijn er verschillen tussen mannen en vrouwen. Uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) en het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Deeltijdwerk blijkt dat al aan de start van hun carrière, voordat er sprake is van een partner of kinderen, vrouwen vaker in deeltijd werken dan mannen9, 10. Van de vrouwen die net de arbeidsmarkt zijn opgegaan – in de meeste gevallen dus nog voor er kinderen in het spel zijn – werkt bijna twee derde in deeltijd. Bij mannen doet zich min of meer het omgekeerde voor. Van de mannen werkt 70% in een voltijdbaan11. Ik vind dit voor vrouwen een gemiste kans omdat het ten koste gaat van talenten, ontwikkeling van vaardigheden en de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Het zorgt er tegelijk voor dat vrouwen minder vaak economisch zelfstandig zijn en dat vind ik zorgelijk. Het SCP noemt een aantal factoren die mogelijk een rol spelen, al dan niet in samenhang met elkaar: verschillen in preferenties en ambities (mogelijk gedreven door sociale normen), opleidingskeuzes (onderwijs, zorg en kinderopvang wordt vaak in deeltijd gewerkt) en de cultuur binnen organisaties of sectoren. Op basis van deze studies bezie ik of er aanvullend onderzoek of maatregelen nodig zijn.
Deelt u de analyse dat het met de huidige krappe arbeidsmarkt meer dan ooit noodzakelijk en kansrijk is om mensen aan de zijlijn van de arbeidsmarkt mee te laten doen? Zo ja, welke hindernissen of obstakels ervaren bijvoorbeeld 50-plussers, mensen die na 67e willen doorwerken of mensen met een arbeidsbeperking nu om mee te doen? Welke stappen gaat u op korte termijn zetten om die obstakels weg te nemen?
Iedereen die wil en kan werken of meer uren wil werken moet de mogelijkheid hebben dit te doen, zeker gezien de huidige krappe arbeidsmarkt. Ook als mensen na hun pensioen – betaald of onbetaald – aan het werk gaan, juich ik dat toe. Het is mijn sterke overtuiging dat senioren en mensen met een arbeidsbeperking meer kunnen bijdragen aan onze samenleving, als we hen daartoe meer kansen bieden.
Als het gaat over 50-plussers hebben vorige kabinetten zich ingezet op het verbeteren van de arbeidsmarktpositie van deze groep. Dit heeft mede door de hoogconjunctuur en de huidige krapte geleid tot een flink verbeterde arbeidsmarktpositie voor 50-plussers. Begin 2013 lag de netto-arbeidsparticipatie van de groep 55–65 op 58%, bijna 10 procentpunt onder het gemiddelde van de gehele bevolking (66,8%). In het tweede kwartaal van 2022 is de netto-arbeidsparticipatie van de groep 55–65 met 73,2% hoger dan het gemiddelde van de gehele bevolking (72,2%)12. Vanaf 60 is er daarentegen een sterke daling zichtbaar. De groep wordt niet sneller werkloos dan andere groepen, maar eenmaal werkloos is het opnieuw vinden van werk wel moeizamer.
Senioren hebben een grotere kans op langdurige werkloosheid vanwege meerdere oorzaken. Aan de kant van werknemer zien we als oorzaken een eenzijdig en langdurig arbeidsverleden, het ontbreken van een (actueel) diploma, «onwennig» solliciteren en vaardigheden die niet aansluiten op de huidige behoeften op de arbeidsmarkt. Aan de andere kant is er bij sommige werkgevers helaas nog steeds sprake van negatieve beeldvorming13.
Deze beeldvorming zal daarom aandacht krijgen in de uitvoering van mijn Seniorenkansenvisie, die ik voor de begrotingsbehandeling van SZW naar de Kamer zal sturen. De maatregelen genoemd in de Seniorenkansenvisie richten zich ook op de groep die langer willen doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd.
Als het gaat over mensen die na de AOW-leeftijd willen doorwerken blijkt uit een evaluerend onderzoek na de invoering van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd dat voor werkgevers het (gepercipieerde) risico op ziekte één van de redenen is om niet met AOW-gerechtigden te werken14. Ook blijkt hieruit dat een groot deel van de werkgevers niet bekend is met het verlichte arbeidsrechtelijke regime dat sinds de invoering van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd geldt in geval de werknemer de AOW-leeftijd heeft bereikt15. Zo heeft de werkgever bijvoorbeeld in geval van ziekte een loondoorbetalingsverplichting van maar 13 weken.
Om werkgevers en werknemers bekend te maken met de mogelijkheden die de wet biedt om met AOW-gerechtigden te werken, zal de komende tijd vormgegeven worden aan een voorlichtingscampagne. Ook heeft de campagne tot doel om bij te dragen aan het veranderen van de manier waarop we op de arbeidsmarkt naar senioren kijken. In de brief over de Seniorenkansenvisie zal ik de Kamer verder informeren over de wijze waarop aan deze voorlichtingscampagne vorm wordt gegeven.
Als het gaat over mensen met een arbeidsbeperking dan is het van belang dat deze groep nog beter de weg naar de arbeidsmarkt weet te vinden en dat obstakels die werk in de weg staan worden weggenomen. Juist in deze tijden van krapte op de arbeidsmarkt zijn er kansen voor mensen die nog aan de kant staan. Ik werk daarom toe naar een verbetering van de banenafspraak over de stappen op dit punt heb ik de Kamer geïnformeerd in mijn brief van 7 juli jl. Ik blijf in gesprek met betrokkenen over hoe we gezamenlijk meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk kunnen helpen en houden.
Naast de banenafspraak is ook het wetsvoorstel Breed Offensief belangrijk voor de baankansen van mensen met een arbeidsbeperking. Het wetsvoorstel bevat maatregelen om de kans op werk voor deze mensen te vergroten. Op 5 juli jl. is door uw Kamer met grote meerderheid ingestemd met het wetsvoorstel. De behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer is op dit moment gaande16.
Deelt u de opvatting dat het feit dat meer werken voor mensen soms nauwelijks extra loont een perverse en absoluut ongewenste prikkel is? Zo ja, bent u bereid om vaart te maken met de uitwerking van een voltijdsbonus, hierin als Minister van werkgelegenheid een leidende rol te nemen zodat sectoren zoals de zorg en het onderwijs, maar ook andere kraptesectoren daar gebruik van kunnen maken? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze opvatting niet. De situatie ligt genuanceerder dan deze vraag doet vermoeden. Het kabinet vindt het van belang dat het loont om te werken. Huidig beleid is erop gericht dat huishoudens met een laag of middeninkomen een tegemoetkoming kunnen krijgen in bijvoorbeeld de huurkosten of de kosten voor kinderen. Hun gemiddelde belastingdruk is hierdoor ook lager. De keerzijde is dat waar de inkomensondersteuning afbouwt, er gevolgen zijn voor de marginale druk. Door samenloop van afbouwtrajecten van inkomensafhankelijke regelingen kan sprake zijn van een piek in de marginale druk. Dit komt echter weinig voor: 4% van de werkenden heeft een marginale druk van 70% of meer. Omdat dit deels mensen betreft die reeds voltijds werken, ligt het percentage werkenden met een zeer hoge marginale druk en de mogelijkheid tot meer uren werk lager.
Deze groep is dus niet representatief voor de hele groep werkenden: bij 96% van de werkenden is de marginale druk minder dan 70%. En voor 1 op de 5 werkenden is de marginale druk zelfs hoogstens 40%. Dit neemt niet weg dat een zeer hoge marginale druk onwenselijk is en dat mensen die meer uren willen werken hier baat bij moeten hebben. Het kabinet kijkt daarom, mede naar aanleiding van de motie Palland c.s., naar hoe extremen in de marginale druk binnen deze kabinetsperiode kunnen worden aangepakt17.
Daarnaast kijkt het kabinet naar een voltijds- en meerurenbonus als mogelijke maatregel om meer uren werken te stimuleren. Het kabinet heeft besloten zich eerst te richten op opties in de zorg en het onderwijs, omdat in deze sectoren vaak in deeltijd wordt gewerkt. Daarbij geldt dat een eventuele voltijdsbonus wel juridische, uitvoeringstechnische en budgettaire knelpunten kent. In het onderwijs zal gestart worden met een kopgroep van scholen om in de praktijk te bekijken welke vorm van een bonus het beste werkt. In december wordt de Kamer verder geïnformeerd over de voltijdsbonus en de meerurenbonus in de zorg en het onderwijs. Andere sectoren kunnen desgewenst de uitkomsten van deze aanpak in de zorg en het onderwijs benutten.
Durft u de ambitie uit te spreken om een einde te maken aan de deeltijdcultuur, waardoor keuzes over fulltime of parttime werken niet langer worden ingegeven door het onvoldoende lonen van extra werken of achterhaalde sociale oordelen over de rolverdeling tussen man en vrouw of de opvoeding van kinderen, maar door de eigen individuele afweging van werknemers?
De ambitie van het kabinet is dat (meer) werken (meer) loont, dat mensen net die paar uur extra werken waar dat kan, en dat deeltijdwerk niet langer voor veel vrouwen een automatisme is. Mannen en vrouwen moeten een vrije keuze hebben over hoeveel uur zij willen werken. Het betaald ouderschapsverlof en de voornemens op het gebied van de financiering van kinderopvang kunnen hieraan bijdragen.
Met de eerdergenoemde maatschappelijke dialoog gaan we samenlevingsbreed in gesprek over gendergelijkheid op de arbeidsmarkt en de plaats die de deeltijdcultuur daarbinnen heeft. Daarbij zullen ook de kansen en belemmeringen van deeltijdwerk aan de orde komen. De uitkomsten van de dialoog zullen als input gebruikt worden voor de samenleving, werkgevers en overheid om het huidige deeltijdwerken en de daarmee samenhangende deeltijdcultuur bespreekbaar te maken. Daarbij is het van belang dat, zoals de vragensteller ook benoemt, er ruimte blijft voor individuele afwegingen van werkgevers en werknemers. Deeltijd als optie moet dan ook blijven bestaan, maar minder dan nu als automatisme. Dit moeten we niet alleen bezien vanuit persoonlijke vrijheid, maar ook vanuit een breder maatschappelijk belang. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin iemand werk wil combineren met mantelzorg. In dergelijke gevallen levert een deeltijdbaan een positieve bijdrage aan de welvaart in Nederland. Tegelijkertijd blijft het kabinet zich inzetten om meer uren werken te stimuleren, waar dat kan, vanwege het maatschappelijke belang om Nederland draaiende te houden en om economische zelfstandigheid te bevorderen.
Kent u de berichten «Miljoenen voor de schijn van daadkracht» en «Honderden miljoenen verdwenen in strijd tegen georganiseerde misdaad»?1, 2
Ja.
Klopt het dat tussen 2017 en 2022 ruim € 900 miljoen is vrijgemaakt voor de bestrijding van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit? Zo nee, wat is dan het juiste bedrag?
Ja, dat klopt. Van 2017 tot 2022 is in totaal 926 miljoen euro vrijgemaakt voor de bestrijding van ondermijnende criminaliteit, waarvan het overgrote deel in 2022 (zie tabel3. In onderstaande tabel worden deze beschikbare middelen weergegeven, ingedeeld in incidentele middelen, bijvoorbeeld incidentele bijdrage Ondermijning, en structurele middelen, bijvoorbeeld Versterking ondermijning.
Een specificatie van de besteding naar opgaven is opgenomen in de financiële bijlage van de Najaarsbrief georganiseerde, ondermijnende criminaliteit.4
Klopt het dat dit bedrag (grotendeels) is besteed aan vele projecten, werkoverleggen en/of taskforces? Zo nee, waar is het dan aan besteed?
Het geld is besteed aan de brede aanpak van ondermijnende criminaliteit. We hebben over de hele linie geïnvesteerd: van het voorkomen van georganiseerde criminaliteit, tot het doorbreken, stoppen en bestraffen als die criminaliteit toch plaatsvindt. Zo zijn er nu structureel meer mensen om de organisaties die zich bezig houden met de aanpak van ondermijning te versterken, zoals de politie en het Openbaar Ministerie. Daar komen ook in de komende jaren nog meer mensen bij. Er is geld voor werkwijzen zoals digitale opsporing en kunstmatige intelligentie, en verbetering van bijv. forensische opsporing. Met het Ondermijningsfonds zijn we begonnen met vooral veel projecten in de regio’s financieren, om te zorgen dat de aanpak zo goed mogelijk aansloot op de lokale context en flexibel genoeg om aan te passen als dat nodig bleek. De projecten waren bedoeld om in een afgebakende periode een probleem op te lossen of het fundament voor de toekomstige oplossing te bouwen. Bijvoorbeeld door de lokale vastgoedsector goed in beeld te krijgen zodat criminelen daar minder kansen krijgen, of vissers weerbaarder te maken tegen verzoeken om drugs op te pikken op zee.5
Over al deze middelen is de Tweede Kamer in de volgende brieven geïnformeerd:
Kamerstuk 29 911, nr. 212: Versterking aanpak ondermijning: actuele stand van zaken. Bevat uitwerking van het Ondermijningsfonds (€ 100 mln.) en de toelichting over hoe de gelden zijn verdeeld over de regio’s t.b.v. de regionale versterking.
Kamerstuk 29 911, nr. 254: Contouren breed offensief tegen georganiseerde ondermijnende criminaliteit. In deze brief wordt geschetst hoe het incidentele geld van de Najaarsnota 2019 zal worden besteed.
Kamerstuk 29 911, nr. 281: Uitwerking breed offensief tegen georganiseerde ondermijnende criminaliteit. In deze brief is uitgewerkt hoe het geld wat bij Voorjaarsnota 2020 beschikbaar kwam werd verdeeld.
Kamerstuk 29 911, nr. 329: Extra investeringen in het breed offensief tegen ondermijnende criminaliteit. Deze brief bevat de verdeling van de middelen die met de ontwerpbegroting 2022 beschikbaar zijn gesteld.
Ten koste van welke onderdelen van de bestrijding van criminaliteit is het betreffende bedrag gebracht? Is er geld weggehaald (op welke begrotingstechnische manier dan ook) bij de politie?
Het bedrag is niet ten koste gegaan van andere onderdelen van de bestrijding van criminaliteit: er zijn extra middelen beschikbaar gesteld. Met deze middelen is de aanpak langs de gehele linie versterkt. Ook in de politie is fors geïnvesteerd. Naast de structurele middelen (€ 434 miljoen) die met de ontwerpbegroting 2022 beschikbaar zijn gekomen voor de aanpak van ondermijning, is er vanuit de motie-Hermans (€ 200 miljoen) geïnvesteerd in de politie. Ook maakt het kabinet met het coalitieakkoord Rutte IV € 200 miljoen euro vrij voor de politie. Vanuit al deze gelden wordt in totaal voor ruim € 500 miljoen geïnvesteerd in de politie.
Hoeveel agenten (blauw op straat) vertegenwoordigt een bedrag van € 900 miljoen?
Het uitgangspunt van de aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit is dat alleen een aanpak over de gehele linie (van preventie tot repressie) en op alle niveaus (van lokaal tot nationaal tot internationaal) succesvol kan zijn in het duurzaam terugdringen van deze zware criminaliteit. Blauw op straat maakt daar een belangrijk onderdeel van uit, maar alleen extra agenten gaat niet zorgen voor minder (georganiseerde) criminaliteit, of in het algemeen meer veiligheid voor Nederland. Ondermijnende criminaliteit speelt zich immers niet alleen af op straat. Daarom besteden we ook geld aan bijv. preventie, het afpakken van crimineel geld en het voorkomen dat drugs ons land binnenkomen.
Gelet op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, is het daarnaast niet reëel dat voor € 900 miljoen aan agenten geworven zou kunnen worden. Verder zijn agenten het meest waardevol als zij hun werk kunnen doen in de brede aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Daarom hebben we naast extra geld voor de politie ook middelen vrijgemaakt voor andere essentiële partners binnen de brede aanpak, zoals het Openbaar Ministerie, de rechtspraak, de Dienst Justitiële Inrichtingen en de reclassering. Qua agenten gaat het niet alleen om blauw op straat, maar ook om rechercheurs met specialistische kennis, zoals cyber of financieel. Het oprollen van criminele netwerken vergt nauwe samenwerking, ook met organisaties zoals de FIOD en de Douane.
Hoe gaat u het vertrouwen van de deskundigen en betrokken organisaties terugwinnen zodat de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit hier niet onder lijdt, nu blijkt dat de vorige Minister alle adviezen en waarschuwingen van alle deskundigen en betrokken organisaties naast zich neer heeft gelegd?
Bij het vormen van de aanpak van ondermijnende criminaliteit, gaan we altijd in gesprek met betrokken organisaties en deskundigen. De huidige aanpak is bijvoorbeeld voor een groot deel gebaseerd op het Pact van de Rechtsstaat, een document wat is opgesteld in overleg met het Strategisch Beraad Ondermijning6, waar alle betrokken partijen in vertegenwoordigd zijn.
Ik neem aan dat u bij deze vraag specifiek doelt op de uitspraken die de verschillende deskundigen hebben gedaan in de publicaties over het Multidisciplinair Interventie Team (MIT). Het MIT is destijds opgericht na de moord op advocaat Derk Wiersum. De zes deelnemende organisaties zijn vanaf de start betrokken bij de planvorming en de uitwerking van de besluitvorming, waarbij zes kwartiermakers -afkomstig uit de zes deelnemende organisaties- de plannen hebben opgesteld. Het MIT was een samenwerkingsverband van de bestaande handhaving-, toezicht- en opsporingsorganisaties.
Ik ben direct na aantreden als Minister in gesprek gegaan met zowel mensen van de werkvloer als uit de leiding van de samenwerkende diensten in het MIT, wetenschappers en andere professionals die bij het samenwerkingsverband betrokken zijn (geweest) en/of ontwikkelingen van het MIT hebben gevolgd. Hieruit zijn twee dingen gebleken:
Er is veel consensus over de noodzaak van samenwerking om informatie te kunnen delen voor een effectievere aanpak van de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. De diensten hebben samen veel beter zicht op criminele fenomenen en onderliggende structuren dan zij alleen op basis van hun eigen informatie kunnen krijgen.
Maar tegelijk ook kritiek, omdat er in de opbouw van het MIT discussie en onduidelijkheid was over aansturing bij interventies en operationele slagkracht van betrokken moederorganisaties.
Daarom heb ik gekozen voor een nieuw samenwerkingsverband, de Nationale Samenwerking tegen Ondermijnende Criminaliteit, met een aangescherpte focus. Ik ga hier verder op in, in de Najaarsbrief georganiseerde, ondermijnende criminaliteit.
Kunt u garanderen dat de vervanger van het Multidisciplinaire Interventie Team (MIT), de Nationale Samenwerking Ondermijnende Criminaliteit (NSOC), wel een succes gaat worden en niet het zoveelste politieke prestigeproject?
NSOC heeft een aangescherpte operationele focus ten opzicht van het MIT, met als kerntaak het ontvlechten van de (financiële) verwevenheid van onder- en bovenwereld door met gerichte interventies te belemmeren dat de maatschappelijke infrastructuur wordt misbruikt voor criminele doeleinden. Daarbinnen richt het actieplan NSOC zich op het bestrijden van misbruik van Nederland als handelsland voor criminele waarde verplaatsingen en het verstoren van criminele bedrijfsprocessen. Hierbij wordt gefocust op vier onderwerpen: Trade Based Money Laundering (TBML), financiële dienstverleners, logistieke dienstverleners rondom de Nederlandse knooppunten en de aanpak van corruptie en geweld.
Succes is daarbij nooit gegarandeerd, zeker niet in een werkveld waar voor criminelen zoveel op het spel staat. Ik kan u wel garanderen dat het hier niet gaat om het «zoveelste politieke prestigeproject». Zoals ook wordt onderkend door de experts die geïnterviewd zijn voor de publicaties van Investico, Argos en de Groene Amsterdammer, is het van groot belang om inzicht te krijgen in de criminele structuren en hun verdienmodellen aan te pakken. We monitoren uiteraard de toegevoegde waarde van het samenwerkingsverband in deze vorm. Komend jaar zullen we samen met het veld beoordelen hoe het verder gaat.
Het rapport ‘Meedoen zonder beperkingen’ van de Nationale ombudsman |
|
Don Ceder (CU) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het rapport «Meedoen zonder beperkingen» van de Nationale ombudsman?1
Ja.
Bent u het eens dat wet- en regelgeving erop gericht zou moeten zijn dat financiële zekerheid haalbaar is voor jongeren met een beperking, en werken zou moeten lonen?
Ik acht het van het grootste belang dat financiële zekerheid voor jongeren met een beperking haalbaar is en dat werken moet lonen.
Is bij de totstandkoming van de Wajong en de Participatiewet in uw ogen voldoende onderzocht of het uitgangspunt van zelfredzaamheid en hulp uit de sociale omgeving een realistische verwachting is? Erkent u met de Nationale ombudsman dat de overheid te hoge verwachtingen heeft van de zelfredzaamheid van jongeren met een beperking? Zo ja, welke stappen onderneemt het kabinet om dit recht te zetten?
Het uitgangspunt voor de Wajong en Participatiewet is dat mensen die dat nodig hebben ondersteuning kunnen krijgen. Gemeenten en UWV begeleiden jongeren met een arbeidsbeperking naar werk, zij kunnen hiervoor maatwerk en ondersteuning leveren met de hen ter beschikking staande instrumenten. Dit vergt veel inspanningen van alle betrokkenen.
De Nationale ombudsman heeft met zijn rapport Meedoen zonder beperkingen een beeld gegeven van de knelpunten die jongeren met een beperking in de Participatiewet en de Wajong ervaren en daarnaast ook aanbevelingen gedaan tot verbetering. Ik ben hem daarvoor zeer erkentelijk. Het rapport van de Nationale ombudsman kan bijdragen aan een goed debat over wenselijke verbeteringen voor deze kwetsbare groep jongeren. De Nationale ombudsman heeft gevraagd om binnen drie maanden met een reactie te komen op het rapport. Uiteraard reageer ik op het rapport. Ik zal de Kamer een afschrift van mijn reactie doen toekomen.
De vraag of de overheid te hoge verwachtingen heeft van de zelfredzaamheid van jongeren met een beperking is lastig in algemene zin te beantwoorden, omdat de groep jongeren met beperkingen heel divers is. Zo zijn er jongeren met een beperking die volledig kunnen werken en jongeren die alleen gedeeltelijk kunnen werken. Verder zijn er jongeren met een beperking die veel ondersteuningsbehoefte hebben en jongeren die met minder ondersteuning toe kunnen.
Cruciaal is dat jongeren met een beperking de ondersteuning krijgen die zij gezien hun mogelijkheden en omstandigheden nodig hebben om te voorzien in inkomen en te kunnen werken naar vermogen. Dat is de opdracht waar wij voor staan. Dit is een opgave voor alle partijen: Rijk, gemeenten en UWV, werkgevers en de jongeren zelf met hun sociale omgeving.
Het kabinet zet zich daarvoor in met diverse maatregelen. Zo is het wetsvoorstel Breed Offensief dat nu bij de Eerste Kamer ter behandeling ligt erop gericht om de kansen op duurzaam werk voor mensen met een beperking in de Participatiewet te verbeteren. Voorts heb ik bij brief van 21 juni jl. de Kamer geïnformeerd over het brede traject Participatiewet in balans en de in dit verband voorgestelde maatregelen die ik naar aanleiding van signalen over «hardheid» in de Participatiewet zal uitwerken. Deze uitwerking vindt plaats in nauwe samenwerking met betrokken partijen: gemeenten, maar ook vertegenwoordigers van cliëntenorganisaties. Ik werk daarbij toe naar een Participatiewet die eenvoudiger is en een toereikend bestaansminimum biedt, die mensen passende ondersteuning biedt om mee te doen in de samenleving en met rechten en verplichtingen die zinvol en begrijpelijk zijn en nageleefd kunnen worden. Onderdeel daarvan is het voornemen tot verruiming van de bijverdiengrenzen in de Participatiewet, zodat werken lonender wordt. Ik streef ernaar om de Kamer hierover binnenkort te informeren. Ook de banenafspraak is een belangrijk instrument om meer banen te realiseren voor mensen met een arbeidsbeperking. Ik werk toe naar een verbetering van de banenafspraak, over de stappen op dit punt heb ik de Kamer geïnformeerd in mijn brief van 7 juli jl.2.
Samen met UWV werk ik verder aan een effectevaluatie van de Wajong-dienstverlening. In 2023 informeer ik uw Kamer over de resultaten van verschillende onderzoeken naar de ondersteuning van UWV in een syntheserapport. Onderdeel hiervan is een onderzoek naar het willen, kunnen en doen van klanten in de dienstverlening bij UWV en de mogelijkheid op basis hiervan tot concrete handelingsperspectieven te komen voor de uitvoering om betere dienstverlening te bieden. Op basis van het syntheserapport ontwikkelen we de dienstverlening indien nodig verder door.
Van groot belang is tot slot dat het kabinet heeft aangekondigd om het wettelijk minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen met ingang van 1 januari 2023 met 10% te verhogen. Dit komt tegemoet aan de roep om versterking van de koopkracht van mensen, ook van jongeren met een beperking.
Bent u het eens dat de huidige wet- en regelgeving knelt voor jongeren met een beperking die willen gaan werken? Hoe beziet u de conclusies uit dit rapport met het oog op de huidige krapte op de arbeidsmarkt? Wordt in de plannen aangaande de arbeidsmarktkrapte ook gezocht naar mogelijkheden om jongeren met een beperking een kans te geven op een passende baan?
Zoals ik in antwoord 3 heb aangegeven wordt thans naar aanleiding van signalen over «hardheid» in de Participatiewet gewerkt aan de uitwerking van de maatregelen die zijn benoemd in het traject Participatiewet in balans.
De huidige krapte op de arbeidsmarkt biedt kansen voor werkzoekenden die nu nog langs de kant staan, en dus ook voor jongeren met een arbeidsbeperking, om aan het werk te komen. Dat maakt het des te belangrijker om de drempels om aan het werk te komen voor deze jongeren weg te nemen.
Voor de zomer ontving u de Kamerbrief Aanpak krapte op de arbeidsmarkt3 over de kabinetsbrede aanpak van de arbeidsmarktkrapte. Het kabinet zet zich actief in voor mensen die aan de kant staan en dus ook voor het begeleiden van jongeren met een beperking naar een passende baan.
Zo zetten we het Europees Sociaal Fonds (ESF+) tijdens de looptijd van het programma (tot eind 2027) in voor mensen die een kwetsbare positie hebben op de arbeidsmarkt. Binnen ESF+ loopt een specifiek project voor jongeren uit het VSO/PRO-onderwijs voor aansluiting op de arbeidsmarkt en gemeenten kunnen activiteiten aanbieden voor de begeleiding van jongeren naar werk. Daarnaast, en aanvullend op de reguliere dienstverlening van gemeenten en UWV, lanceerden de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en ik het korte termijn actieplan Dichterbij dan je denkt. Met dit plan intensiveren wij de matching tussen werkgevers en werkzoekenden uit het zogenaamde onbenut arbeidspotentieel (waaronder ook werkzoekende jongeren met een arbeidsbeperking). Via landelijke en regionale communicatie willen we werkgevers ertoe aanzetten om mensen uit het onbenut arbeidspotentieel een kans te geven en daarvoor gebruik te maken van wervingsmethoden die deze doelgroep aan het werk kunnen helpen op passende banen. Bijvoorbeeld via scholing en leerwerktrajecten kunnen gemeenten en UWV werkzoekende jongeren met een beperking helpen aan een baan.
Tot slot verhogen we zoals gezegd structureel het minimumloon en hebben de Ministeries van OCW, SZW, gemeenten, onderwijs, UWV, (jongeren)vakbonden, werkgevers en SBB een gezamenlijke werkagenda vastgesteld voor een aanpak van de jeugdwerkloosheid, ook voor jongeren met een beperking. Momenteel worden de tijdelijke maatregelen van de Aanpak Jeugdwerkloosheid, onderdeel van het aanvullend sociaal pakket en het Nationaal Programma Onderwijs, verankerd in wet- en regelgeving om zo een soepele overgang voor jongeren met een structurele achterstand op de arbeidsmarkt te waarborgen van school naar werk en bij uitval weer terug. Het kabinet heeft hiervoor structureel middelen uitgetrokken.
Wat is uw reactie op de aanbevelingen van de Nationale ombudsman om jongeren proactief en in begrijpelijke taal te informeren over hun rechten en plichten, te zorgen voor persoonlijke begeleiding, te zorgen dat werken van toegevoegde waarde is en te zorgen voor financiële zekerheid? Worden deze aanbevelingen meegenomen in de plannen voor de aanpassing van de Participatiewet en in ander kabinetsbeleid?
In algemene zin vind ik dit zinvolle aanbevelingen. Zoals hierboven aangegeven is er al veel beleid op dit terrein ingezet. Ook heb ik aangegeven dat ik met een reactie kom op het rapport. Daarin zal ik meer in detail ingaan op de aanbevelingen uit het rapport. Ik wil daarbij kijken hoe de aanbevelingen praktisch zouden kunnen worden vertaald en wat daarvoor nodig is. Ik zal de Kamer een afschrift van mijn reactie doen toekomen.
Constaterende dat er geregeld wordt gesteld – ook door de Nationale ombudsman – dat jongeren met een beperking eigenlijk niet thuishoren in de Participatiewet, wat is het kabinetsstandpunt hierover na bestudering van dit rapport? Is het kabinet het eens met de stellingname dat er – volgens de Nationale ombudsman – een stelselverandering zou moeten komen om recht de doen aan de kwetsbaarheden en behoeften van jongeren met een beperking?
Sinds de invoering van de Participatiewet in 2015 hebben jongeren met een beperking die kunnen werken aanspraak op ondersteuning in het kader van de Participatiewet en zo nodig recht op een uitkering. Jongeren die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn kunnen een beroep doen op de Wajong 2015.
Het kabinet realiseert zich de kwetsbaarheden en behoeften van jongeren met een beperking. Naar aanleiding van de evaluatie van de Participatiewet door het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft het vorige kabinet een aantal aandachtspunten benoemd voor toekomstig beleid4. Deels zijn deze aandachtspunten vertaald in het wetsvoorstel Breed Offensief.
In het Coalitieakkoord van dit kabinet is niet voorzien in een stelselverandering zoals bedoeld in vraag 6. Wel benoemt het Coalitieakkoord de ambitie dat iedereen in Nederland een goed bestaan verdient en moet mee kunnen doen. Ook zijn in het Coalitieakkoord verschillende maatregelen benoemd die relevant zijn voor jongeren met een beperking. Het betreft onder meer de wijziging van de kostendelersnorm, het traject Participatiewet in balans, verruiming van de vrijlatingsgrenzen in de Participatiewet, de ambitie om meer mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt naar werk begeleiden en de verruiming van beschut werk. Ik houd u op de hoogte van de voortgang van deze maatregelen.
Het artikel ‘Scholen die gedwongen hun energiecontract opzegden zijn tot twaalf keer duurder uit’ |
|
Henri Bontenbal (CDA), Habtamu de Hoop (PvdA), Joris Thijssen (PvdA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Scholen die gedwongen hun energiecontract opzegden zijn tot twaalf keer duurder uit»?1
Ja.
Heeft u een duidelijk overzicht alle scholen die door het gedwongen opzeggen van contracten met Gazprom in directe financiële moeilijkheden komen? Heeft u met hen allen contact opgenomen met als doel een oplossing te vinden voor deze extreme prijsstijging?
Er is geen nationaal overzicht welke schoolbesturen welke energieleveranciers hebben. Ik heb dus ook geen volledig beeld welke schoolbesturen hun contract hebben opgezegd bij Gazprom. Wel vraag ik op dit moment de schoolbesturen in een steekproef naar informatie om een beter beeld te krijgen. In deze inventarisatie vraag ik onder meer naar de aard van hun energiecontract, de prijsontwikkeling en de invloed van de hogere energiekosten op het primair proces. Alle ontvangen meldingen rechtstreeks bij mij of via de onderwijskoepels hebben we doorgegeven aan het Ministerie van EZK. Net als bij bijvoorbeeld gemeenten is de Minister voor Klimaat en Energie in gesprek met schoolbesturen die hun best hebben gedaan en nu al wel zijn overgestapt.
Kunt u schetsen welke scenario’s u voorziet voor zowel deze scholen die gedwongen hun contract opzegden alsook alle andere scholen die te maken krijgen met prijsstijgingen? Met welke financiële bandbreedtes houdt u rekening en welke impact hebben die respectievelijk op de financiële situatie van schoolbesturen?
Zoals bij vraag 2 vermeld is het Ministerie van EZK in gesprek met de onderwijsinstellingen die hun energiecontract al hebben opgezegd bij Gazprom.
In hoeverre andere schoolbesturen, zonder contract bij Gazprom, te maken krijgen met de prijsstijgingen verschilt flink. Een groot deel van de schoolbesturen koopt gezamenlijk de energie in. Deze grote inkoper had al veel energie voor 2023 ingekocht en kon daarmee de kosten dempen. Nieuwe deelnemers krijgen wel te maken met hoge prijsstijgingen. Datzelfde zal gelden voor schoolbesturen die zelf energie inkopen en geen vast contract of een aflopend contract hebben. Daarnaast is de financiële positie van schoolbesturen divers, de een heeft meer reserves dan de andere. De bekostiging van onderwijsinstellingen wordt ieder jaar aangepast voor stijgende lonen en prijzen. Het zal per instelling verschillen in hoeverre dit toereikend is voor de op dit moment extreme stijging van de energieprijzen.
Bij de Algemene Politieke Beschouwingen is de motie Paternotte3 aangenomen die het kabinet verzoekt te kijken naar gerichte ondersteuning van scholen en culturele instellingen. Het kabinet spant zich de komende tijd in om uitvoering te geven aan deze motie en de Kamer wordt hierover uiterlijk 1 december bij Najaarsnota geïnformeerd. Het Ministerie van OCW beschikt over een instrumentarium om onderwijsinstellingen in acute liquiditeitsproblemen te helpen. Mochten instellingen al op korte termijn in problemen dreigen te komen, dan kunnen ze zich melden bij het Ministerie van OCW.
Deelt u de mening dat de onderwijskwaliteit absoluut niet mag lijden onder de oplopende energieprijzen? Zo ja, hoe gaat u dit voorkomen?
Scholen en andere onderwijsinstellingen krijgen van de rijksoverheid elk jaar één budget voor de kosten van materiaal en personeel, de lumpsumbekostiging. Om de onderwijskwaliteit te behouden en te verhogen, kunnen instellingen zelf bepalen hoe ze de lumpsum besteden. Daarnaast stelt het huidige kabinet extra middelen, ook buiten de lumpsum, ter beschikking voor de kwaliteit van onderwijs en het bevorderen van de kansengelijkheid. De bekostiging van onderwijsinstellingen wordt ieder jaar aangepast voor stijgende lonen en prijzen. Het zal per instelling verschillen in hoeverre dit toereikend is voor de op dit moment extreme stijging van de energieprijzen.
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven spant het kabinet zich de komende tijd in om uitvoering te geven aan de motie Paternotte4 en wordt de Kamer hierover uiterlijk 1 december bij Najaarsnota geïnformeerd. Het Ministerie van OCW beschikt over een instrumentarium om onderwijsinstellingen in acute liquiditeitsproblemen te helpen. Mochten instellingen al op korte termijn in problemen dreigen te komen, dan kunnen ze zich melden bij het Ministerie van OCW.
Welke plannen en mogelijke maatregelen liggen er klaar om noodlijdende scholen te ondersteunen? Zijn deze plannen toereikend om te voorkomen dat scholen moeten bezuinigen op onderwijsbudget?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze worden scholen ondersteund om de huisvesting beter te isoleren? Heeft verduurzaming genoeg urgentie, mede gelet op de ventilatie-eisen die betere isolatie nog noodzakelijker maken?
Verduurzaming heeft zeker genoeg urgentie, zowel bij de schoolbesturen als bij gemeenten. Het kabinet heeft in de Miljoenennota 2022 en in het Coalitieakkoord middelen beschikbaar gesteld voor de verduurzaming van het maatschappelijk vastgoed. Op 3 oktober opent de Subsidieregeling Duurzaam maatschappelijk Vastgoed5 (DUMAVA). Hiermee worden eigenaren van maatschappelijk vastgoed, waaronder ook schoolbesturen en gemeenten, financieel ondersteund bij het verduurzamen van hun schoolgebouwen of integrale kindcentra. Isolatie is één van de maatregelen waarvoor subsidie aangevraagd kan worden.
Schoolbesturen met vragen kunnen terecht bij Ruimte OK, de partner voor het funderend onderwijs binnen het Kennis- en Innovatieplatform Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed. Daarnaast kunnen kleine onderwijsinstellingen ook ontzorgd worden via het Ontzorgingsprogramma Maatschappelijk vastgoed in samenwerking met provincies. Gemeenten die aan de slag gaan met het verduurzamen van schoolgebouwen kunnen bij RVO en ook bij Ruimte OK terecht, en ook kleine gemeenten kunnen deelnemen aan het Ontzorgingsprogramma.
Uiteraard geven al deze partijen goede voorlichting over het belang van het goed combineren van isoleren en ventileren.
Ruimte OK en Platform31 hebben vanaf 2018 het Innovatieprogramma Aardgasvrije en Frisse basisscholen uitgevoerd, wat 11 scholen heeft begeleid, een rekentool en veel praktische kennis heeft opgeleverd.
In het Programma «Scholen besparen energie» dat in 2019 startte, begeleidde Ruimte OK via Energiebespaarders scholen en gemeenten bij verduurzamingsvraagstukken.
Hoe de middelen uit het Coalitieakkoord voor het maatschappelijk vastgoed precies ingezet worden is het kabinet nog aan het uitwerken.
Zijn er, zoals voor kantoorgebouwen, concrete prestatiedoelen of -afspraken over verduurzaming van schoolgebouwen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke, en worden scholen hier voldoende in ondersteund?
Redelijk wat bestaande schoolgebouwen moeten, afhankelijk van het energiegebruik6, in de eerste plaats voldoen aan de Energiebesparingsplicht en Informatieplicht.
De Minister voor Klimaat en Energie en de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werken aan de aanscherping van deze verplichtingen7. Met de geactualiseerde verplichting worden ook hernieuwbare energie producerende maatregelen verplicht als deze zich binnen 5 jaar terugverdienen. Ook wordt de terugverdientijdmethodiek aangepast en wordt de Erkende Maatregelenlijst geactualiseerd. De consultatie van deze lijst is net afgerond.8
Daarnaast werkt de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, zoals afgesproken in het Klimaatakkoord (2019), aan een wettelijke eindnorm voor de energieprestatie van bestaande utiliteitsgebouwen in 2050 en zal hierover in oktober de Tweede Kamer informeren. Bovendien heeft de Europese Commissie verschillende voorstellen gedaan voor de verduurzaming van bestaande gebouwen. Een aantal voorstellen zijn specifiek gericht op maatschappelijk vastgoed waar ook scholen onder vallen. De Energy Performance of Buildings Directive (EPBD)9 en de Energy Efficiency Directive (EED) worden bijvoorbeeld herzien. Naar verwachting zullen de EPBD en de EED in 2023 worden vastgesteld, en vervolgens in nationale wetgeving vertaald.
Erkent u dat er grote verschillen zijn tussen scholen, zowel qua staat van de huisvesting als de hoogte van de reserves, en dat deze energiecrisis onevenredige uitwerking kan hebben op kinderen uit minder welvarendere buurten? Hoe bestrijdt u deze kansenongelijkheid?
Het klopt dat er grote verschillen zijn tussen scholen en daardoor ook grote verschillen in energieverbruik. Het is niet zo dat de verouderde schoolgebouwen altijd in de minder welvarende buurten staan en ook in minder welvarende buurten worden nieuw scholen gebouwd, of bestaande scholen gerenoveerd. Voor de bestrijding van achterstanden krijgen scholen in minder welvarende buurten bekostiging en zijn aanvullend daarop NPO-middelen beschikbaar gesteld.
Zou u deze vragen willen beantwoorden voor het commissiedebat onderwijshuisvesting funderend onderwijs d.d. 6 oktober 2022?
Ja.
De berekeningen van het toetsingsinkomen voor de kinderopvangtoeslag |
|
Senna Maatoug (GL) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De berekening van het toetsingsinkomen voor de kinderopvangtoeslag: het verschil tussen huur en koop»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Is het bij het opstellen van de verschillende wetten en definities die in het artikel genoemd zijn een bewuste keuze geweest dat mensen in een huurwoning recht hebben op een lager bedrag aan kinderopvang?
Het verzamelinkomen, neergelegd in de Wet inkomstenbelasting 2001, is een algemeen aanvaard begrip om de draagkracht te bepalen. Bij de introductie van de toeslagen is bewust gekozen om het toetsingsinkomen aan te laten sluiten bij het verzamelinkomen, zoals gedefinieerd in de inkomensbelasting. Het toetsingsinkomen bepaalt zowel het recht op een toeslag als de hoogte van een toeslag. Voor de uitvoerder, Belastingdienst/Toeslagen, is het daarmee een goed hanteerbaar begrip: bij de toekenning van een toeslag kan de uitvoerder uitgaan van een reeds vastgesteld (fiscaal) inkomen.
Kunt u een inschatting maken van het aantal gezinnen dat hierdoor een lagere kinderopvangtoeslag ontvangt? Hoe vaak is het verschil in kinderopvangtoeslag tussen het hebben van een huurhuis en het hebben van een koophuis kleiner dan de huurtoeslag behorend bij het hebben van een huurhuis?
De woonsituatie is geen criterium op basis waarvan Toeslagen de kinderopvangtoeslag uitkeert. Daarom registreert Toeslagen bij het uitkeren van de kinderopvangtoeslag niet wat de woonsituatie is. Het is daardoor niet bekend hoeveel ontvangers van kinderopvangtoeslag in een huurhuis of in een koophuis wonen.
Deelt u de opvatting dat een gezin in een huurhuis en een gezin in een koophuis dezelfde kinderopvangtoeslag moet krijgen als beide gezinnen hetzelfde inkomen hebben? Deelt u de opvatting dat er geen rechtvaardiging is van de manier waarop de eigenwoningregeling doorwerkt naar de hoogte van de toeslagen?
Bij de vormgeving van de toeslag is gekozen om het toetsingsinkomen te laten aansluiten bij het verzamelinkomen. Het verzamelinkomen is een algemeen aanvaard begrip van draagkracht. Het is een verzameling van voordelen uit werk en woning, aanmerkelijk belang, sparen en beleggen, alsook de keerzijde: de kosten voor de totstandkoming van deze voordelen en de kosten van schulden. Denk bijvoorbeeld aan de (forfaitaire) kosten van schulden in box 1, box 2 en box 3. De eigen woning is een bron van inkomen in box 1. Voordelen die verband houden met het eigenwoningbezit – onder andere forfaitair bepaald door het eigenwoningforfait – leiden tot een hoger verzamelinkomen. Dit houdt tevens in dat de kosten die verband houden met de verwerving van die voordelen in beginsel aftrekbaar zijn bij het bepalen van het verzamelinkomen. Dat betekent dat het toetsingsinkomen van een gezin in een koopwoning kan afwijken van een vergelijkbaar gezin met hetzelfde inkomen in een huurwoning, waardoor het recht op kinderopvangtoeslag ook kan afwijken. Daarnaast bevat het verzamelinkomen nog elementen van andere aard die de draagkracht voor de inkomstenbelasting mede bepalen, zoals bijvoorbeeld de persoonsgebonden aftrek. Het resultaat van voorgaande is de basis waar de rechten (toeslagen) en plichten (belasting) van de burger op worden gebaseerd.
Deelt u de opvatting dat de manier waarop het toetsingsinkomen en de hoogte van de kinderopvangtoeslag bepaald worden ongelijkheid tussen mensen met een huurwoning (doorgaans lager inkomen en vermogen) en mensen met een koopwoning (doorgaans hoger inkomen en vermogen) vergroot?
Het kabinet stelt belang in de toegankelijkheid van de kinderopvang, zodat alle werkende ouders zorg en arbeid kunnen combineren. Het coalitieakkoord bevat daarom de ambitie voor een herziening van het huidige kinderopvangstelsel in 2025. Het kabinet werkt momenteel hard aan de uitwerking van het nieuwe stelsel, waarover ik uw Kamer onlangs heb geïnformeerd.2 In de stelselherziening wordt de hoogte van de kinderopvangtoeslag onafhankelijk van het verdiende inkomen. Het toeslagpercentage wordt 96 procent voor alle werkende ouders. Het toetsingsinkomen speelt daarom geen rol meer in het herziene stelsel. Daarmee verdwijnt het eventuele verschil in toeslag dat uit de woonsituatie kan voortkomen.
Bent u bereid te onderzoeken of de wetten en definities herzien kunnen worden zodat mensen met een huurwoning een hogere toeslag ontvangen (zodat zij in de kinderopvangtoeslag niet benadeeld worden ten opzichte van mensen met een koopwoning), te denken valt aan de twee richtingen die de auteurs schetsen, namelijk het buiten beschouwing laten van woonlasten in beide situaties of het voor huurders mogelijk maken hun woonlasten in aftrek te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
Welke andere vormen van fiscale stimulering dragen bij aan een verlaging van het toetsingsinkomen en het verzamelinkomen?
Zoals hierboven aangegeven is het verzamelinkomen een verzameling van verschillende vormen van inkomen – een resultante van voordelen en bijbehorende kosten, zoals bij de eigen woning – en persoonsgebonden aftrekposten. Dit betekent dat ook persoonsgebonden aftrekposten die onder bepaalde voorwaarden in mindering komen op het verzamelinkomen, zoals onderhoudsverplichtingen, specifieke zorgkosten en giften, van invloed kunnen zijn op zowel de te betalen belasting als op het recht op toeslagen. Een doel van aftrekposten kan dus – anders dan kostenverrekening – ook een tegemoetkoming zijn bij uitgaven die de draagkracht verlagen omdat bijvoorbeeld sprake is van noodzakelijke kosten, zoals meerkosten bij chronische ziekte en handicap.
Bent u bereid te onderzoeken of het complexe stelsel van de wetten en definities die in het artikel genoemd worden versimpeld kan worden?
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord de ambitie uitgesproken om de toeslagen op termijn af te schaffen en in deze kabinetsperiode – naast de hervormingen op het gebied van kinderopvangtoeslag en huurtoeslag – ook in te zetten op verbeteringen in het gehele toeslagenstelsel. In dat kader zet dit kabinet de komende periode diverse stappen om te komen tot een verbetering van het stelsel. Over het verbetertraject kinderopvangtoeslag en over verbeteringen in het stelsel in het algemeen is uw Kamer geïnformeerd.3 Zoals aangegeven wordt breed gekeken welke knelpunten en verbeteringen binnen het huidige stelsel en de beschikbare middelen mogelijk zijn in het beleid, in de uitvoering daarvan en in de dienstverlening naar de burger toe. Dit kabinet is daarnaast voornemens om de kinderopvangtoeslag af te schaffen en over te gaan naar een inkomensonafhankelijk stelsel. Dat impliceert dat voor de vergoeding van de kinderopvang de draagkracht niet langer relevant is.
Deelt u de opvatting dat aanpakken van dit punt onderdeel kan zijn van de verbetering van het huidige toeslagenstelsel in aanloop naar het afschaffen van het toeslagenstelsel?
Zie antwoord vraag 8.
Het feit dat Taiwan graag waarnemend lid wil worden van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) |
|
Kati Piri (PvdA), Agnes Mulder (CDA), Raymond de Roon (PVV), Ruben Brekelmans (VVD), Tom van der Lee (GL), Tunahan Kuzu (DENK), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Taiwan graag waarnemend lid wil worden van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO)?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat het in de Raad van de ICAO staande praktijk is om relevante internationale organisaties, waarnemers en andere partijen uit te nodigen die van toegevoegde waarde zijn voor het verder ontwikkelen van veilige internationale luchtvaart?2
Ja.
Bent u bekend met het feit dat Taipei Taoyuan luchthaven in 2020 op de vierde plek stond qua drukste luchthavens voor cargo luchtvaart wereldwijd en in 2019, voor de pandemie, 72 miljoen reizigers bediende?3
Ja. Deze luchthaven bediende 48 miljoen passagiers in 2019 en staat de afgelopen jaren consequent op plek 7 of 8 van de drukste luchthavens wereldwijd voor vrachtluchtvaart.
Bent u het eens dat het bevorderlijk zou zijn voor de veiligheid van de burgerluchtvaart wanneer Taiwan een-op-een aangesloten zou zijn op de regelgeving, richtlijnen en systemen van de ICAO?
Ja. De International Civil Aviation Organization (ICAO) speelt een belangrijke rol bij het bevorderen van de veiligheid van de internationale burgerluchtvaart. In dat licht, is het van belang dat Taiwan de noodzakelijke informatie over ICAO-regelgeving rechtstreeks kan verkrijgen.
Bent u het eens dat de steeds vaker voorkomende Chinese militaire oefeningen binnen het Taiwanese luchtruim een veiligheidsrisico met zich meedragen aangezien deze geregeld zeer kort voor aanvang worden aangekondigd door de Chinese regering? Zo ja, bent u het eens dat dit veiligheidsrisico geldt voor alle reizigers die naar of via Taipei vliegen? Bent u bereid de Chinese Minister verantwoordelijk voor luchtvaart hierop aan te spreken?
Het kabinet is bezorgd dat met de Chinese militaire oefeningen rondom Taiwan het risico op mogelijke ongelukken en misverstanden toeneemt. De Minister-President heeft op 23 augustus jl. in een gesprek met zijn Chinese ambtsgenoot Li Keqiang zijn zorgen overgebracht, opgeroepen geen unilaterale acties te ondernemen die de status quo mogelijk kunnen aantasten en af te zien van escalerende acties.
Ten aanzien van de situatie rondom China en Taiwan, deze wordt door de leden van de expertgroep «deling dreigingsinformatie» gemonitord en relevante informatie wordt gedeeld. Deze expertgroep is ingesteld onder het convenant voor het delen van dreigingsinformatie dat in 2016 is afgesloten met de overheidsdiensten en de luchtvaartmaatschappijen, mede naar aanleiding van de crash van vlucht MH17. Bij brief van 26 november 2021 is uw Kamer geïnformeerd over de inspanningen van het Kabinet betreffende het beheersen van risico's die gepaard gaan met het vliegen over en nabij (potentiële) conflictgebieden.4
Bent u het eens dat Taiwanese deelname aan het ICAO de risico’s voor reizigers kan verminderen doordat het de communicatie en controle tussen het Taiwanese Civil Aeronautics Administration en de ICAO beter op elkaar afstemt?
In de praktijk verkrijgt Taiwan informatie over ICAO regelgeving via indirecte kanalen. Gezien de rol die ICAO speelt bij het bevorderen van de veiligheid van de burgerluchtvaart zou het wenselijk zijn dat Taiwan de noodzakelijke informatie over ICAO-regelgeving ook rechtstreeks kan verkrijgen.
Herinnert u zich dat de Taiwanese luchtvaartautoriteit, Civil Aeuronautics Administration (CAA), in 2013 officieel is uitgenodigd door Mr. Roberto Kobeh González, toenmalig president van de Raad van de ICAO en destijds geparticipeerd heeft in de 38e assemblee van de Raad van de ICAO?
Ja. De President van de Raad van ICAO heeft in 2013 op verzoek van China de Taiwanese CAA uitgenodigd om als speciale gast deel te nemen aan de 38e zitting van de ICAO Algemene Vergadering. Nederland heeft destijds bij Taiwan per brief deze uitnodiging verwelkomd en zijn steun kenbaar gemaakt voor praktische deelname van Taiwan aan deze vergadering.5
Bent u bekend met het feit dat vele landen, waaronder de Verenigde Staten, steun hebben uitgesproken voor Taiwanese deelname aan de Raad van de ICAO?4
Ja.
Bent u het eens dat Taiwan kwalificeert onder de door het ICAO opgestelde definitie van waarnemer?5
Regel 32(a) van de Rules of Procedure for the Council of the ICAOvoorziet in de mogelijkheid om staten, internationale organisaties en andere partijen (other body) als waarnemer toe te laten tot vergaderingen van de Raad. Ook Taiwan zou op grond van die regel in principe kunnen worden uitgenodigd als other body waarnemer, mits ook China daarmee instemt.
Regel 5 van de Standing Rules of Procedure of the Assembly of the ICAObepaalt dat alleen staten en internationale organisaties als waarnemer kunnen deelnemen aan de Algemene Vergadering van de ICAO. Taiwan wordt door Nederland en de meeste andere staten in de wereld niet als staat beschouwd en kan daarom in principe niet als waarnemer aan deze vergaderingen deelnemen.
Klopt het dat in de Rules of Procedure for the Council of the ICAO waarnemers kunnen worden uitgenodigd door de Raad onder regel 32A?6
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om samen met gelijkgestemde landen te pleiten voor het toelaten van Taiwan als waarnemer bij de ICAO en Taiwan uit te nodigen voor de 41e zitting van de ICAO die plaatsvindt van 27 september tot 7 oktober a.s.? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is voorstander van betekenisvolle deelname van Taiwan aan internationale bijeenkomsten waar dit in het belang is van de internationale gemeenschap, bijvoorbeeld op het gebied van volksgezondheid, internationale criminaliteitsbestrijding en veiligheid van de burgerluchtvaart. Nederland coördineert deze inzet met gelijkgestemde landen, met inachtneming van het Nederlandse één-Chinabeleid.
Conform de antwoorden op vragen 7, 9 en 10, kan Taiwan in principe niet als waarnemer worden uitgenodigd bij de ICAO Algemene Vergadering. De President van de ICAO Raad kan Taiwan wel als speciale gast uitnodigen. Voor de 41ste zitting van de Algemene Vergadering in Montréal heeft de President hiervan afgezien.
Kunt u deze vragen gezien het tijdspad met enige spoed en afzonderlijk beantwoorden?
Ja, waarbij echter vragen 9 en 10 enkel in samenhang volledig konden worden beantwoord.
Het artikel 'Crematorium is van het gas af' |
|
Mark Strolenberg (VVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Crematorium is van het gas af» van Omroep Flevoland van 23 augustus 20221.
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u het eens dat resomeren, ook wel alkalische hydroyse of watercrematie genoemd, een goedkoper en duurzamer alternatief is en ingezet kan worden als nieuwe en extra vorm van lijkbezorging? Zo ja, welke stappen worden er gezet om deze innovatie in Nederland mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het advies van de Gezondheidsraad (Kamerstuk 30 696, nr. 49), waarbij de Gezondheidsraad de duurzaamheid van alkalische hydrolyse positief heeft beoordeeld, heeft het kabinet een positief beeld van de duurzaamheid van alkalische hydrolyse.
Het kabinet kan niet beoordelen of deze techniek een goedkoper alternatief zal zijn. De praktijk zal moeten uitwijzen of alkalische hydrolyse goedkoper is dan andere technieken.
Om alkalische hydrolyse in Nederland mogelijk te maken, is wetgeving vereist. In reactie op het positieve advies van de Gezondheidsraad over de toelaatbaarheid van alkalische hydrolyse, heeft het kabinet wettelijke regeling van alkalische hydrolyse aangekondigd (Kamerstuk 30 696, nr. 51). Wanneer deze wetgeving van kracht is, kan deze nieuwe techniek worden toegepast. Overigens moet dan ook vaststaan welke uitvoeringsregelgeving van toepassing is, met name op de afvoer van effluent.
Wat is de reden dat het wetvoorstel met betrekking tot de modernisering van de Wet op de lijkbezorging pas in de eerste helft van 2024 bij de Kamer wordt ingediend? Wordt bij deze wetswijziging ook de mogelijkheid tot resomeren betrokken? Zo nee, waarom niet? Is het mogelijk om voor het opnemen van de mogelijkheid tot resomeren in de Wet op de lijkbezorging eerder een wetsvoorstel in te dienen dan het aangekondigde wetsvoorstel tot modernisering van de Wet op de lijkbezorging? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 8 juli 2022 heb ik aangekondigd het wetsvoorstel ter modernisering van de Wlb in de eerste helft van 2024 bij uw Kamer in te kunnen dienen, omdat besluitvorming over financiering nog moet plaatsvinden (Kamerstuk 35 925 VII, nr. 171). Het wetsvoorstel kan niet worden ingediend voordat financiële besluitvorming heeft plaatsgevonden. De wettelijke regeling van alkalische hydrolyse wordt betrokken bij de modernisering van de Wet op de lijkbezorging. Het Ministerie van IenW werkt nog aan een beoordeling van de verschillende afvoerroutes van het effluent na de alkalische hydrolyse en zij moet nog beoordelen welke regelgeving voor de afvoer van het effluent passend is. Ik wil de uitkomsten hiervan afwachten om te borgen dat de regelgeving over alkalische hydrolyse en de afvoer van het effluent goed op elkaar aansluiten.
Ik betreur de vertraging bij de voorbereiding van het wetsvoorstel, maar ik ben voorshands geen voorstander van het opknippen van het wetsvoorstel, waarbij een of meerdere onderdelen vroeger of later aan uw Kamer worden aangeboden. Daartoe zie ik nu geen dringende aanleiding. Ik hecht juist waarde aan het presenteren van één wetsvoorstel zodat de voorgenomen wijzigingen in hun onderlinge samenhang kunnen worden bezien.
Deelt u de mening dat een modernisering van de Wet op de lijkbezorging in de eerste helft van 2024 aan de late kant is aangezien TNO, de Gezondheidsraad en de TU-Delft positief zijn over resomeren? Zo ja, is het mogelijk om op een snellere manier resomeren al mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke redenen ziet u om resomeren nu nog niet wettelijk te erkennen als vorm van lijkbezorging, terwijl de uitvaartbranche geen nadelen ziet, het een duurzame manier van lijkbezorging is en de waardigheid van het proces kan worden gegarandeerd?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens dat alternatieven voor crematies maximaal door de overheid moeten worden gefaciliteerd, mede ook vanwege de stijgende gasprijs en hogere kosten voor crematies voor onze inwoners? Zo ja, hoe bent u van plan om de uitvaartbranche te faciliteren? Zo nee, waarom niet?
De Wet op de lijkbezorging regelt begraven, cremeren en het lichaam ter beschikking stellen aan de wetenschap als bestemmingen voor het lichaam van de overledene. Bij de keuze tussen deze vormen van lijkbezorging staat de wens of de vermoedelijke wens van de overledene voorop. De kosten van de verschillende vormen van lijkbezorging kunnen door de tijd heen fluctueren, ook ten opzichte van elkaar. Ik vind voor de overheid geen rol weggelegd in het actief bevorderen van de ene vorm van lijkbezorging boven de andere.
De bedreiging van het wokisme |
|
Joost Eerdmans (JA21), Nicki Pouw-Verweij (JA21) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het totaal ontkennen door uw voorganger van alarmerende signalen over politieke intimidatie door een woke-cultuur en cancel-praktijk in het hoger onderwijs?1
Ik ben op de hoogte van de vragen die de leden van de JA21-fractie eerder stelden.
Hoe beoordeelt u deze ontkenning, nu opnieuw blijkt dat wokisme wel degelijk een grote bedreiging vormt, zoals blijkt aan Erasmus Universiteit Rotterdam waar studenten met een conservatiever wereldbeeld zich stilhouden omdat ze bang zijn voor boze, negatieve reacties?2
De publicatie in De Telegraaf waarnaar verwezen wordt, betreft het relaas van twee studenten bestuurskunde en sociologie die ook actief zijn in de centrale studentenraad. Zo sprak een van hen zich uit tegen een regenboogzebrapad op de campus en kreeg hierop vervolgens kritiek via een appgroep. Een ander voorbeeld dat zij aandroegen is dat de Europese Unie als instituut in een studieboek kritiekloos zou worden aangeprezen. De student had het gevoel dat het geen zin heeft om hier tijdens college vragen over te stellen.
Ik zie in deze voorbeelden geen bedreiging van de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting of de kwaliteit van het onderwijs. De studenten zijn het niet eens met bepaalde uitingen, en de universiteit weerhoudt hen er niet van om zich daarover uit te spreken binnen de universiteit. De berichtgeving hierover geeft daar ook geen concrete signalen over. Deze studenten kunnen het gesprek aangaan met betrokken docenten en bestuurders, zo nodig een klacht indienen bij de instelling of bezwaar maken tegen beslissingen. Ook kunnen zij kwesties agenderen in de studentenraad. Ik hecht daarbij te verwijzen naar de reactie van het College van Bestuur die ook in het bericht van De Telegraaf is opgenomen: «Als instituut bieden wij ruimte en faciliteiten voor discussie over een veelheid van gevoelige onderwerpen en politieke meningen. Iedereen in onze gemeenschap mag zich uitspreken en zijn/haar mening hebben over deze onderwerpen op een respectvolle manier. Ook als het schuurt».
Deelt u de constatering van de Minister van Justitie en Veiligheid, Dilan Yeşilgöz-Zegerius, die in haar Schoo-lezing waarschuwt voor de verstikkende invloed van het wokisme op onze universiteiten?3
De Minister van Justitie en Veiligheid onderstreepte in haar lezing het belang van de democratische rechtsstaat als open samenleving. Zij stelt terecht dat ons vermogen om te groeien, om te leren, om te ontwikkelen, gevoed wordt door wederzijdse kritiek en open discussies. Ook waarschuwt zij voor ongefundeerde verdachtmakingen en wantrouwen tegen wetenschap, media en de overheid en stelt ze dat we moeten opstaan tegen intolerantie en intimidatie in het maatschappelijke verkeer. Dit is een oproep die ik natuurlijk van harte onderschrijf. Iedereen, de universiteitsbesturen voorop, is het eens over het belang van academische vrijheid binnen universiteiten.
Deelt u de constatering van uw collega Yeşilgöz dat mensen die vinden dat zij mogen bepalen welke informatie of mening juist is en welke niet, wat kwetsend en wat niet, wie wel deugt en wie niet, en dat allemaal onder de vlag van inclusie in werkelijkheid alleen bezig zijn met uitsluiten?
Over feiten en meningen, over wat kwetsend is en over welk gedrag wenselijk is, moet debat en dialoog mogelijk zijn op een respectvolle manier Debat gaat soms gepaard met een zekere felheid en geestdrift. Dit is iets anders dan iemand de mond snoeren of uitsluiten. Het zou de kwaliteit van het debat over maatschappelijke kwesties ten goede komen als men elkaar over en weer niet te snel afrekent op toon, maar zich richt op de inhoud.
Wanneer informeert u de Kamer over de uitkomsten van het gesprek dat u voert met de universiteiten over het risico op zelfcensuur wegens een klimaat van woke en cancelen en over de acties die worden ingezet om de academische vrijheid te verdedigen?
In antwoord op een schriftelijke vraag van het lid Van der Woude (VVD)4 heb ik aangekondigd in gesprek te gaan met de Universiteiten van Nederland en de Vereniging Hogescholen, mede naar aanleiding van bevindingen van de Inspectie van het Onderwijs over het studie- en werkklimaat. Ik zal uw Kamer voor het einde van dit kalenderjaar op de hoogte stellen van de uitkomsten.
De onderwijsbevoegdheid voor de lerarenopleidingen ITEPS en ITESS. |
|
Harry van der Molen (CDA), René Peters (CDA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de opleidingen ITEPS (International Teacher Education for Primary Schools) en ITESS (International Teacher Education for Secondary Schools) bijna volledig overlappen met de pabo en lerarenopleiding maar niet opleiden tot een onderwijsbevoegdheid?
De opleidingen ITEPS en ITESS zijn lerarenopleidingen die opleiden tot leraar in het internationaal onderwijs. De opleidingen zijn zelfstandige opleidingen en er wordt niet opgeleid tot de Nederlandse bekwaamheidseisen voor het beroep van leraar in het primair- en voortgezet onderwijs. Ook zijn de bijzondere nadere vooropleidingseisen voor de pabo niet van toepassing op de ITEPS. Uit de aanvragen bij de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (CDHO) blijkt ook dat de opleidingen verschillen van de reguliere pabo en van de tweedegraads lerarenopleidingen. Er zijn veel internationale componenten, waardoor de opleiding niet direct leidt tot een Nederlandse bevoegdheid. In het gesprek, dat wij in antwoord op vraag 5 aankondigen, zullen wij ook aandacht hebben voor verschillen tussen de verschillende opleidingen, en wat er voor deze studenten aanvullend nodig is om een Nederlandse bevoegdheid te behalen.
Op welke grond hebben het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (CDHO) de arbeidsmarktrelevantie van deze opleidingen beoordeeld waardoor ze toch in het bekostigd onderwijsstelsel zijn gekomen?
De CDHO heeft voor zowel ITEPS als ITESS geconcludeerd dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en dat er een zekere arbeidsmarktbehoefte bestaat in Nederland aan leraren voor internationale scholen. De CDHO noemt hierbij in haar besluit niet alleen de directe arbeidsmarktbehoefte, maar ook dat deze leraren door kunnen stromen naar het reguliere primair of voorgezet onderwijs. Een student moet hiervoor wel een aanvullend opleidingstraject van ongeveer een jaar volgen.
Welke leraren mogen nu bevoegd lesgeven aan internationale scholen?
Welke leraren op internationale scholen les mogen geven, is afhankelijk van de schoolsoort. We kennen in Nederland verschillende vormen van internationaal onderwijs. De niet-bekostigde internationale scholen (de zogenaamde b4-scholen) volgen de regels van het land of de accreditatieorganisatie waar zij onder vallen. Het betreffende land of accreditatieorganisatie bepaalt de bevoegdheidseisen voor leraren die werken op hun scholen. Daarnaast zijn er afdelingen voor internationaal georiënteerd basisonderwijs (igbo), en afdelingen voor internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (igvo). Deze afdelingen vallen onder de WPO en WVO 2020 en zijn onderdeel van reguliere scholen, die vallen onder een po-of vo-bestuur. Deze afdelingen worden bekostigd. Leraren op deze afdelingen moeten voldoen aan de Nederlandse eisen ten aanzien van de bevoegdheden. Dat betekent dat leraren ofwel een Nederlandse lesbevoegdheid hebben, ofwel een erkende beroepskwalificatie uit het buitenland. Op deze afdelingen kan het onderwijs grotendeels in het Engels worden gegeven, maar moet in het kader van integratie voor tenminste 10% in het Nederlands worden aangeboden.
Deelt u de mening dat mede in het licht van het nijpende lerarentekort het van belang is om de afgestudeerde studenten van deze opleidingen in te zetten voor de klas en zeker voor internationale scholen?
In het voortgezet onderwijs is het onder voorwaarden mogelijk voor deze leraren om in te stromen en parallel de benodigde bijscholing te volgen. Hiervoor kan het schoolbestuur desgewenst ook opleidingsbudget beschikbaar stellen. In het primair onderwijs kunnen deze leraren, zolang zij de bijscholing nog niet succesvol hebben doorlopen en de Nederlandse taal nog niet (voldoende) beheersen, instromen als onderwijsondersteunend personeel. Zo kunnen zij een baan als bijvoorbeeld leraar-ondersteuner combineren met het verwerven van de Nederlandse taal en het voldoen aan de bekwaamheidseisen. Bij succesvolle afronding van de bijscholing kunnen zij dan doorstromen in de functie van leraar.
De onderwijsarbeidsmarkt staat onder druk. Op 13 december hebben wij uw Kamer daarover per brief nader geïnformeerd. Alle creatieve oplossingen om instroom te bevorderen liggen op tafel. Wij gaan hierover in gesprek met de betrokken hogeschool.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze afgestudeerden op zo korte mogelijke termijn een bevoegdheid krijgen?
Zie antwoord vraag 4.
Schulden bij publieke dienstverleners, waaronder politieagenten en andere ambtenaren |
|
Attje Kuiken (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Weet u dat voor de screening naar de integriteit en betrouwbaarheid van politieagenten ook gekeken wordt naar het hebben van problematische schulden?1
Ja.
Zijn er andere beroepsgroepen bij de overheid waarbij integriteit en betrouwbaarheid tot de kernwaarden behoren en waar gescreend wordt op het hebben van schulden? Zo ja, welke beroepsgroepen zijn dat? Heeft u een indicatie van het aantal ambtenaren in deze beroepsgroepen dat problematische schulden heeft? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Overheidssectoren voeren zelfstandig beleid op de risico’s van (problematische) schulden. Hier is geen centraal overzicht van. In de beantwoording van deze Kamervragen kan dus niet een beeld worden gegeven van de overheid als geheel. Er zal – naast de sector politie – in worden gegaan op het beleid bij de sectoren Rijk, Defensie en gemeenten.
Integriteit en betrouwbaarheid zijn uiteraard voor alle ambtenaren een belangrijke kernwaarde. Deze kernwaarden staan ook beschreven in de diverse gedragscodes voor ambtenaren. Denk bijvoorbeeld aan de «Gedragsregels Veiligheid & Integriteit» van Defensie, de door gemeenten gehanteerde gedragscodes voor ambtenaren en de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR). In deze gedragscodes staan ook voorbeelden van specifieke functies met extra integriteitsrisico. Bij deze functies kan financiële kwetsbaarheid worden meegenomen in een screening. Dit kan bijvoorbeeld voor medewerkers in een vertrouwensfunctie het geval zijn, die een veiligheidsonderzoek krijgen door de AIVD (of bij Defensiemedewerkers door de MIVD) op grond van de Wet op de veiligheidsonderzoeken.
In een veiligheidsonderzoek wordt onder meer aandacht geschonken aan de persoonlijke gedragingen en omstandigheden van een betrokkene. Problematische schulden van een betrokkene kunnen daarbij een rol spelen. De criteria waaraan een (potentiële) vertrouwensfunctionaris in algemene zin moet voldoen zijn eerlijkheid, onafhankelijkheid, loyaliteit, integriteit en veiligheidsbewustzijn. Deze criteria worden ingevuld aan de hand van indicatoren, waarbij onder andere wordt bekeken of er mogelijk sprake is van financiële kwetsbaarheid. Bij de beoordeling of sprake is van financiële kwetsbaarheid wordt rekening gehouden met onder meer de volgende factoren: de hoogte van de schuld, de hoogte van reguliere inkomsten en het vermogen, het patroon van inkomsten en uitgaven, het perspectief dat de financiële problemen binnen afzienbare tijd zijn opgelost, de houding van betrokkene ten opzichte van het oplossen van de financiële problemen en het bieden van directe en volledige transparantie.
De financiële situatie kan ertoe leiden dat een betrokkene kwetsbaar wordt geacht voor bijvoorbeeld omkoping of chantage. Ook kan er een risico zijn dat iemand door zware financiële problemen geen weerstand kan bieden aan verleidingen als heling of het te gelde maken van vertrouwelijke informatie. Indien wordt geconstateerd dat sprake is van onvoldoende waarborgen dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten. getrouwelijk zal volbrengen, kan een Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) worden geweigerd, dan wel ingetrokken.
Er is geen centrale registratie van problematische schulden onder overheidspersoneel als geheel. Als schulden leiden tot een loonbeslag wordt dit bekend bij de personeelsadministratie van de betreffende organisatie. Er zijn nu geen signalen van een stijging van het aantal loonbeslagen bij politie, Rijk, Defensie en gemeenten.
Daarbij is wel belangrijk om twee zaken te benoemen:
(Problematische) schulden leiden niet direct tot loonbeslagen. Eerst volgen betalingsherinneringen en het inzetten van een incassobureau. Pas daarna kan sprake zijn van een loonbeslag. Dat betekent dat er sprake is van een na-ijleffect: het kan zijn dat er nu medewerkers zijn met problematische schulden, die later in de tijd te maken krijgen met een loonbeslag. Gezien de bijzonderheid van de huidige situatie met oplopende energieprijzen en inflatie zal ik als Minister van BZK de komende tijd het aantal loonbeslagen nauwgezet blijven volgen. Zo is het mogelijk om te zien of meer medewerkers te maken krijgen met een loonbeslag.
Het is ook goed om op te merken dat bij loonbeslag schulden in de informele sfeer niet worden meegenomen, denk bijvoorbeeld aan een schuld aan een vriend/familielid. Bij deze informele schulden is het afhankelijk van het initiatief van de medewerker of het bij de werkgever bekend wordt, bijvoorbeeld omdat de medewerker hulp inroept van het financieel loket, een Sociaal Fonds of het bespreekt met de leidinggevende of de vertrouwenspersoon of bedrijfsmaatschappelijk werk. Bij Rijk, politie, Defensie en gemeenten is in de afgelopen maanden geen toename van meldingen of hulpvragen waarneembaar. Wel zijn er vanuit de organisaties meer vragen van leidinggevenden over hoe de medewerkers te informeren als ze in de problemen dreigen te komen door de energieprijzen en de inflatie.
Het na-ijleffect van loonbeslagen (problematische schulden leiden pas later in de tijd tot loonbeslagen) gecombineerd met het feit dat informele schulden dikwijls niet zichtbaar zijn maakt dat extra alertheid geboden is als er signalen zijn uit andere bronnen. Denk bijvoorbeeld aan de signalen die maatschappelijk werkers binnen de organisaties krijgen of de toename van het aantal verzoeken bij een sociaal fonds. Ook is het belangrijk om medewerkers te stimuleren te spreken over hun (financiële) problemen. Op deze (en andere) belangrijke onderdelen van de aanpak wordt verder ingegaan bij de antwoorden op vraag 3 en 5.
Deelt u de mening dat door de huidige gestegen energieprijzen ook politieagenten of andere ambtenaren in beroepen waar integriteit en betrouwbaarheid in het geding kan zijn, in de schulden dreigen te komen? Zo ja, welke risico’s ziet u hierbij? Hoe wilt u deze risico’s beheersen? Zo nee, waarom niet?
Problematische schulden kunnen een integriteitsrisico opleveren. Medewerkers met (problematische) schulden kunnen vatbaar zijn voor fraude of diefstal, maar ook voor beïnvloeding of ondermijning van buitenaf. Dat levert een serieus risico op voor de betrouwbaarheid en integriteit van overheidsorganisaties. Het is daarom van groot belang om te voorkomen dat (problematische) schulden leiden tot dergelijke effecten. Ook vanuit het oogpunt van personeelszorg is het belangrijk om te werken aan financieel bewustzijn van de medewerkers en om actief ondersteuning te bieden aan medewerkers die in de financiële problemen zijn geraakt (of dreigen te raken). Mede om financiële stress en zorgen bij medewerkers met geldproblemen te voorkomen en te zorgen voor financiële fitheid. De oorzaken van financiële problemen blijken in de praktijk divers en vaak een samenloop van omstandigheden. Mensen schamen zich soms voor deze problemen en hebben het er niet over, ook niet met hun werkgever. Hierdoor kan het van kwaad tot erger gaan. Het is daarom belangrijk dat we problematische schulden uit de taboesfeer halen.
De aanpak van het risico van (problematische) schulden is als volgt:
Bij de politie geldt met de inwerkingtreding van het besluit screening ambtenaren van politie en politie-externen (beoogd 1 januari 2023) een meldplicht. Relevante wijzigingen in de persoonlijke omstandigheden moeten worden gemeld. Bij relevante wijzigingen kan een nieuw betrouwbaarheidsonderzoek, eventueel aangevuld met een omgevingsonderzoek, volgen, indien daartoe aanleiding bestaat. De controle van de financiële omstandigheden is een onmisbaar deel van de screening.
Voor andere overheidsmedewerkers in vertrouwensfuncties geldt dat de werkgever op bepaalde momenten een hernieuwd onderzoek moet aanvragen. Voor een A-veiligheidsonderzoek wordt standaard na 5 jaar een hernieuwd onderzoek ingesteld. Voor een B- en C- veiligheidsonderzoek geldt een termijn van 10 jaar. Als er binnen deze periode nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn, kan er ook eerder een hernieuwd veiligheidsonderzoek worden aangevraagd. Signalen van schulden kunnen een dergelijk nieuwe omstandigheid zijn dat een hernieuwd veiligheidsonderzoek wordt aangevraagd.
Bij politie, Rijk, Defensie en gemeenten worden loonbeslagen bijgehouden in de eigen financiële administraties. Als uit rapportages blijkt dat sprake is van een loonbeslag wordt actie ondernomen. Wat er precies gebeurt verschilt per sector en per organisatie. Dat is afhankelijk van de hoogte, frequentie en aard van de schulden en de functie van de medewerker. Doorgaans neemt de verantwoordelijke HR-adviseur of direct leidinggevende contact op met betrokkene. In eerste instantie om hulp aan te bieden (via de diverse hulplijnen – zie antwoord op vraag 5). De HR-adviseur attendeert de medewerker daarbij op de kwetsbaarheid die schulden met zich mee kunnen brengen, zeker bij vertrouwensfuncties, consulaire of financiële functies. De betrokken medewerker wordt daarbij aangemoedigd om aan zijn/haar leidinggevende openheid van zaken te geven. Waar nodig vindt afstemming plaats met de afdeling die verantwoordelijk is voor integriteit. Wanneer geconstateerd wordt dat er sprake is van een integriteitsrisico kan, afhankelijk van de situatie, de werkgever doorverwijzen naar schuldhulpverlening, het takenpakket aanpassen, nadrukkelijker toezichthouden op het werk, hernieuwd onderzoek VGB of screening starten en in geval van ongeschiktheid overgaan tot het verlenen van ontslag.
Er bestaan bij Rijk, politie, Defensie en gemeenten al verschillende hulplijnen voor medewerkers, zoals een financieel loket, bedrijfsmaatschappelijk werk, Sociaal Fondsen en er zijn bijvoorbeeld cursussen voor leidinggevenden om schuldenproblematiek te herkennen. Deze hulplijnen staan uitgebreider bij het antwoord op vraag 5.
Als bewindspersonen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie en Veiligheid en Defensie zullen wij vanuit onze verantwoordelijkheid als werkgever in samenspraak met de departementen en uitvoeringsorganisaties de situatie blijven monitoren en op basis hiervan beoordelen of er aanvullende maatregelen nodig zijn.
Kent u het bestaan van een sociaal fonds waarin politieagenten maandelijks een klein bedrag van hun salaris storten? Zo ja, kan dit fonds eventueel ook gebruikt worden om politieagenten met problematische schulden te helpen? Is het fonds daarvoor afdoende gevuld? Kunt u indien dit niet het geval is het fonds aanvullen?
Als Minister van Justitie en Veiligheid ben ik bekend met het landelijk dekkende netwerk van sociaal fondsen van de politie. Deze sociaal fondsen zijn er voor politiemedewerkers en door politiemedewerkers. Politiemedewerkers die in de financiële problemen zijn geraakt (of dreigen te raken) kunnen bij deze fondsen terecht voor advies en financiële hulp. Door middel van een intakegesprek met de betreffende politiemedewerker wordt bekeken waaruit de hulp kan bestaan en hiervoor wordt maatwerk geboden, zoals het bieden van een luisterend oor, ondersteuning bij financiën (budgetcoaching), een renteloze lening, die binnen een redelijke tijd afgelost moet kunnen worden, een gift, en/of een verwijzing naar andere instanties. Momenteel werkt de politie samen met de fondsen en externe partners aan een nog passende en sluitende hulpverlening aan politiecollega’s. Dit betreft een geheel aan maatregelen waar de politie, de fondsen en externe hulpverleners ieder vanuit hun rol in samenwerken.
De beschikbare budgetten verschillen per fonds. Op dit moment beschikken de fondsen gezamenlijk over voldoende middelen om aan de vraag te voldoen. De fondsen geven aan dat op dit moment (nog) geen sprake is van een duidelijke stijging in het aantal hulpverzoeken. Mede door schaamte en angst voor baanverlies wachten medewerkers vaak (te) lang met het zoeken van hulp. De fondsen kunnen elkaar helpen als dat nodig is. Het landelijke dekkend netwerk van sociaal fondsen vormt een samenwerkingsverband en is in beheer van stichtingen
Deelt u de mening dat het hebben van schulden voor deze beroepsgroepen voorkomen moet worden? Zo ja, wat kunt u concreet voor deze beroepsgroepen doen om dit te voorkomen? Bestaat er vanuit de overheid een fonds of zijn er andere financiële tegemoetkomingen om mensen te helpen van deze schulden af te komen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft recent aan aantal generieke maatregelen genomen die de oplopende financiële druk op huishoudens door exponentieel stijgende energieprijzen en inflatie moeten afremmen en het ontstaan van problematische schulden moeten voorkomen. Hiervan profiteren alle beroepsgroepen waaronder ook ambtenaren en politieagenten. Ook in de nieuwe CAO politie en Rijk zijn afgelopen jaar afspraken gemaakt over gedifferentieerde loonstijging, waarbij lage inkomens er relatief meer op vooruit zijn gegaan.
Hieronder wordt ingegaan op de specifieke voorzieningen voor medewerkers, werkzaam bij de politie, rijksoverheid, Defensie en gemeenten.
De politie biedt actieve ondersteuning bij dreigende en acute geldzorgen van politiemedewerkers en zet in om de drempel om (tijdig) hulp te zoeken te verkleinen. Daarnaast wordt actief ingezet op versterking van financieel bewustzijn en weerbaarheid om stress voor te zijn. Voor politiemedewerkers zijn de volgende voorzieningen beschikbaar:
Politiemedewerkers, die in de financiële problemen zijn geraakt (of dreigen te raken), kunnen terecht bij het landelijk dekkende netwerk van sociaal fondsen van de politie voor advies en financiële hulp, zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 4.
Politie verstrekt actief informatie over de mogelijkheden voor hulp aan het politiepersoneel en advies die zij in- en extern kunnen krijgen. In deze communicatie wordt rekening gehouden met de schaamte en de angst voor baanverlies bij financiële problemen. Er bestaat een netwerk van vertrouwenspersonen waar medewerkers terecht kunnen om over die angstdrempel te praten. Daarnaast kunnen politiemedewerkers terecht bij de HR-desk voor informatie. Ook verwijst de HR-desk politiemedewerkers door naar onder andere bedrijfsmaatschappelijk werk.
Bedrijfsmaatschappelijk werk kijkt met politiemedewerkers, die in de financiële problemen zijn geraakt (of dreigen te raken), naar de financiële situatie en naar de oorzaken en gevolgen van geldzorgen. Bedrijfsmaatschappelijk werk biedt hulp voor de psychosociale problemen als gevolg van onder andere schulden. De inhoud van alles wat gedeeld wordt met een bedrijfsmaatschappelijk werker is volledig vertrouwelijk.
De politie werkt samen met schuldhulpverlener GRIP. Dit is een externe schuldhulpverlener die deskundig is om samen met betreffende politiemedewerker (grote problematische) schulden aan te pakken.
Om de drempel om hulp te zoeken zoveel mogelijk te verlagen richt de politie momenteel een onafhankelijk adviespunt op waar politiemedewerkers- als ze dat willen – anoniem advies kunnen vragen of problemen kunnen melden. Dit meldpunt zal ook gaan fungeren als portaal voor informatie en doorverwijzing.
In overleg met de werkgever bestaat er voor politiemedewerkers, die in de financiële problemen zijn geraakt, de mogelijkheid om voorschotten uit te laten keren, van bijvoorbeeld vakantiegeld, om overwerk in geld uit te laten betalen en om meer uren te mogen werken.
Er zijn Rijksbreed en op departementaal niveau een aantal specifieke voorzieningen zoals Sociaal Fondsen, Financieel Hulploket en Bedrijfsmaatschappelijk Werk.
Alle ministeries kennen een Sociaal Fonds dat een tijdelijk vangnet biedt voor medewerkers en hun gezinnen die in financiële moeilijkheden zijn geraakt of dreigen te raken. Deze fondsen zijn veelal stichtingen die gefinancierd worden door de bijdragen van medewerkers zelf en die hun eigen regels en werkwijze kennen. Er kan een renteloze lening of een gift worden verstrekt aan medewerkers. Vaak is hulpverlening gekoppeld aan lidmaatschap, die een maandelijkse storting doen.
Het Financieel loket is ingericht door UBR/Bedrijfszorg en ondersteunt en begeleidt collega’s van de rijksoverheid bij financiële vragen en schuldenproblematiek; daarnaast biedt het loket advies en training aan leidinggevende bij het herkennen en omgaan met schuldenproblematiek.
Omdat problematische schulden vaak leiden tot stress en daarmee tot verminderde productiviteit en een hoger ziekteverzuim werkt het Financieel Loket samen met het bedrijfsmaatschappelijk werk (ook geleverd door UBR/ Bedrijfszorg) om de medewerker ook bij psychosociale problematiek de juiste hulp te bieden. Een Bedrijfsmaatschappelijk werker heeft geheimhoudingsplicht en kan coachen en ondersteunen bij het oplossen van en omgaan met problemen op het werk of het dagelijks leven. Ook kan de bedrijfsmaatschappelijk werker verwijzen naar een instantie of externe deskundige.
De Minister BZK heeft de betrokken uitvoeringsorganisaties in mei jl. verzocht inspanningen te verrichten om Rijksbreed de bekendheid van het Financieel Loket te vergroten. Daarom wordt op dit moment eraan gewerkt om via Rijksbrede informatievoorziening extra aandacht te vragen voor de problematiek en het belang dit bespreekbaar te maken. Daarnaast wordt actief ingezet op informatievoorziening om medewerkers en leidinggeven voor te lichten over de hulplijnen zoals Sociaal Fonds, Financieel Loket en Bedrijfsmaatschappelijk Werk.
Incidenteel worden ook instrumenten ingezet, zoals een budgetcoach, het overnemen van schulden, uitbetalen verlof of renteloze lening. Naast de bestaande brede hulpinfrastructuur en procedures voor het omgaan met loonbeslag en het voorkomen van problematische schulden zijn er ook extra departementale activiteiten in gang gezet of in voorbereiding:
Medewerkers bij de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) worden actief benaderd door budgetcoaches, ook wordt het thema in werkoverleggen en op locatie onder de aandacht gebracht. Ook start RSO start samen met de UV Amsterdam een onderzoek genaamd Vital at work waarin wordt ingezet op het voorkomen en herkennen van stress en verzuim (hier zit ook financiële stress in). Dit project duurt vier jaar.
Momenteel is er door het Sociaal Fonds BZK een (kerst) actie in voorbereiding (bij BZK onder de 12.000 ambtenaren) om nog meer bekendheid te genereren voor het fonds en om steun te bieden bijvoorbeeld in de vorm van het kerstgeschenk te schenken aan het fonds om daarmee collega’s te helpen.
Defensie ondersteunt medewerkers bij het voorkomen en eventueel beheersen van schuldenproblematiek. Daarbij zijn er voor medewerkers meerdere hulplijnen.
Op initiatief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is de Nederlandse Schuldhulproute (NSR) opgericht. Defensie is hierbij aangesloten als partner. Geldfit helpt om geldzaken fit te houden of om ze fit te krijgen. Geldfit heeft bij een eerste signaal over stijgende energieprijzen al initiatieven ondernomen om te bezien hoe zij hierbij hulp zouden kunnen gaan verlenen. Een actueel onderwerp op de startpagina is: «Aan de slag met je energierekening». Als blijkt dat er sprake is van schulden door achterstallige betalingen bij de energieleverancier of bij andere instanties, dan wordt via een zgn. landingspagina verwezen naar mogelijkheden voor hulpverlening bij het oplossen van schulden binnen Defensie en verwezen naar de sociale fondsen, waarover hieronder meer.
Defensie biedt budgetbegeleiding aan, aan medewerkers die om ondersteuning vragen bij het opzetten van een goede financiële administratie en die vragen om adviezen te geven over de besteding van beschikbare financiële middelen. Het gaat hier om een preventief traject waarbij mogelijke financiële problemen kunnen worden voorkomen.
De doelstelling van de sociale fondsen bij Defensie is «het verlenen van hulp in gevallen van financiële nood met een sociale en/of medische achtergrond». De fondsen verstrekken geen bijdrage om maandelijks ook de energierekening te kunnen blijven betalen. Als er uiteindelijk schulden / achterstallige betalingen ontstaan doordat onder andere de energierekening niet meer betaald kan worden (maar ook het betalen van de huur, de premie voor de ziektekostenverzekering en er zijn sociale en/of medische redenen die leidden tot financiële nood), dan kan een aanvraag voor hulpverlening bij een sociaal fonds worden ingediend. De fondsen verstrekken soms ook giften. Een aantal fondsen verstrekt dikwijls een gift als de schuldposities een paar duizend euro bedragen. Bij grotere schulden wordt mogelijk een renteloze lening verstrekt en een deel als gift, of wordt het totaal als renteloze lening verstrekt.
In juni 2021 heeft Defensie alle medewerkers een brief gestuurd op huisadres om hen te informeren over hulp bij schuldenproblematiek. In de afgelopen maanden is er binnen Defensie een campagne uitgezet bedoeld om medewerkers te informeren over bovenstaande hulpinstanties binnen Defensie. Daarbij worden er voorlichtingen gegeven aan leidinggevenden en overige functionarissen om de informatie over te brengen en medewerkers met (oplopende) schulden te herkennen. Op dit moment is het Ministerie van Defensie bezig om een vast loket op te richten om schuldhulpverlening te borgen binnen de organisatie. Deze maand hebben medewerkers een flyer ontvangen over hulp bij financiële zorgen.
Gemeenten nemen verschillende maatregelen om problematische schulden te voorkomen of op te lossen. Zij kunnen zelf:
Informatie geven aan hun leidinggevenden over zowel veiligheid als hulp bij schulden;
Informatie op intranet met verwijzingen naar hulp, o.a. personeelsfondsen (voor evt. renteloze lening of gift), vertrouwenspersonen, vertrouwenscoaches, budgetcoach, bedrijfsmaatschappelijk werk, informatiebijeenkomsten over financiële planning resp. fitheid;
Verwijzingen naar eventuele arbeidsvoorwaardelijke mogelijkheden zoals uitbetalen van het individueel keuzebudget (IKB), verkopen bovenwettelijke vakantie-uren, uitbreiding contracturen.
Belangrijk is het onderwerp schulden uit de taboesfeer te halen en met waarborgen voor de privacy van betrokkenen het onderwerp bespreekbaar te maken.