Het bericht ‘Grondwater duwt weg omhoog, A7 tussen Joure en Sneek mogelijk maanden dicht’ |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grondwater duwt weg omhoog, A7 tussen Joure en Sneek mogelijk maanden dicht»?1
Ja.
Rijkswaterstaat constateerde dat de grondankers, die het tunneldeel op zijn plaats moeten houden, zijn gebroken. Hoe heeft dit kunnen gebeuren?
De exacte oorzaak van het probleem bij de Prinses Margriettunnel is op dit moment nog niet duidelijk. Daar doet Rijkswaterstaat momenteel onderzoek naar.
Klopt dat voor het herstel van de weg mogelijk maanden nodig is?
Omdat de exacte oorzaak nog onbekend is, zijn ook mogelijke oplossingen en de hersteltijd op dit moment nog niet bekend.
Realiseert u zich dat de A7 een cruciale weg is voor woon-werkverkeer in Fryslan?
Ja, de A7 is een belangrijke doorgaande route voor zowel woon-werkverkeer in de regio als voor het transport van goederen.
Vindt u het acceptabel als deze weg maanden lang niet toegankelijk is?
De onverwachte schade en afsluiting van deze weg is een ramp voor Friesland, het zo snel mogelijk weer in bedrijf krijgen van de weg is voor mij de grootste prioriteit. Vanwege het belang van de A7 in het verkeernetwerk van Noord-Nederland werkt Rijkswaterstaat al met de hoogste prioriteit aan het oplossen van dit acute probleem. Het kost tijd om zorgvuldig de exacte oorzaak te achterhalen en de oplossing te bepalen. De inspanning is er op gericht om die tijd zo beperkt mogelijk te houden en de Prinses Margriettunnel zo snel mogelijk weer open te stellen voor verkeer.
Deelt u de mening dat er zo snel mogelijk een oplossing moet worden gevonden om deze cruciale weg weer toegankelijk te maken?
Ja.
Hoe wordt in de tussentijd met de gemeente Sudwest-Fryslan en de provincie Fryslan tot een tijdelijke oplossing gekomen?
Tijdens mijn bezoek op 11 januari jl. bevestigden de lokale bestuurders de goede contacten tussen de provincie, de gemeenten en Rijkswaterstaat. Zij werken nauw samen om de overlast tot een minimum te beperken en de omleidingsroutes voortdurend zo veel mogelijk te optimaliseren. Zo zijn er bijvoorbeeld snelheidsbeperkingen ingesteld om verkeer veilig door dorpen en over bruggen te laten rijden en zijn op enkele locaties verkeerslichten geplaatst om langzaam verkeer veilig over te laten steken.
Ook onderzoekt Rijkswaterstaat op dit moment de mogelijkheden om de tunnel zo snel mogelijk weer (deels) open te stellen, en zo de wegen in de directe omgeving te ontlasten. De urgentie hiervan is duidelijk maar toezeggingen of en wanneer dit gaat lukken kunnen nog niet gedaan worden, omdat eerst de oorzaak duidelijk moet zijn.
De privatisering van politietaken |
|
Michiel van Nispen (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven welke «maatschappelijke partners» deelnemen aan de dialoogtafels om tot een visie op de functie van de politie te komen?1, 2
De visie op de politiefunctie vereist een maatschappelijk en politiek debat als fundament. Hiertoe organiseer ik onder andere drie strategische dialoogtafels in de eerste helft van 2023 met als onderwerp de invloed van (1) maatschappelijke ontwikkelingen, (2) veranderende hulpbronnen en innovaties en (3) ordeningsvraagstukken3 op de politiefunctie in de toekomst. Over de precieze vorm en invulling van de strategische dialoogtafels wordt nog nagedacht, maar mijn uitgangspunt is dat het karakter hiervan onderzoekend moet zijn. Het doel is om verschillende invalshoeken op de politiefunctie in de toekomst op te halen ten behoeve van een white paper.
Gelet op de strekking van motie Den Boer4, de aanbeveling uit de Working Paper van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) om de visie vorm te geven door middel van een breed maatschappelijk gesprek5, het brede karakter van de politiefunctie en de noodzaak van een gedragen visie, zal de totstandkoming hiervan in nauwe samenwerking met verschillende publieke, non-profit en private organisaties worden opgesteld. Een vertegenwoordiging vanuit publieke, non-profit en private organisatie aan de strategische dialoogtafel is daarom gewenst. Naast het gericht uitnodigen van partijen zal het mogelijk zijn voor geïnteresseerden om eventuele interesse in deelname kenbaar te maken bij mijn departement. De definitieve deelnemerslijsten zal ik door middel van het volgende Halfjaarbericht Politie met uw Kamer delen.
Dit breed maatschappelijk overleg over de impact van (maatschappelijke) ontwikkelingen op de politiefunctie moet periodiek gevoerd worden. De visie politiefunctie zal een voorstel hiertoe bevatten. Op deze manier borg ik de relevantie, effectiviteit en een stevig draagvlak vanuit de samenleving voor de politiefunctie in de toekomst.
Welke dialoogtafels vinden wanneer plaats, met welke deelnemers en welke agendapunten? Kunt u de Kamer het volledige overzicht sturen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u een overzicht geven van welke organisaties en personen («stakeholders») naast de dialoogtafels betrokken worden bij het proces om tot een nieuwe visie op de functie van de politie te komen?
Naast de strategische dialoogtafels vraag ik essays uit bij wetenschappers uit verschillende disciplines. Op deze manier wil ik borgen dat de visie op de politiefunctie multidisciplinair en niet uitsluitend binnen de bestaande paradigma’s wordt vormgegeven. Ook laat ik een literatuuroverzicht maken van relevante, internationale (wetenschappelijke) publicaties op dit onderwerp. De schrijvers van de essays en de opstellers van het literatuuroverzicht zal ik met uw Kamer delen door middel van het volgende Halfjaarbericht Politie. Ten slotte onderzoek ik hoe burgers betrokken kunnen worden bij het proces, bijvoorbeeld door het gebruik van burgerpanels en een internetconsultatie.
Het proces van visievorming wordt begeleid door de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB).
Welke wetenschappelijke disciplines zijn er betrokken bij het «komen tot een normatieve beschouwing van taken die onverdeeld tot de verantwoordelijkheid van de (rijks-)overheid behoren en taken waar synergie mogelijk is door andere en/of nieuwe samenwerking»?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of er nu al taken zijn die u «onverdeeld tot de verantwoordelijkheid van de (rijks-)overheid vindt behoren»? Zo ja, welke zijn dit? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in mijn brief van 5 juli 2022 wil ik komen tot een grondige verdieping en ik hecht eraan alle onderdelen van het hiervoor noodzakelijke proces zorgvuldig te doorlopen, alvorens een inhoudelijk antwoord te formuleren op bovenstaande vragen.
Kunt u aangeven of er nu al taken zijn waarbij u «synergie» mogelijk acht? Zo ja, welke zijn dit?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom is uw voorstel om de Tweede Kamer via een rondetafelgesprek te betrekken bij de politieke afweging over wat publieke politietaken zijn en wat geprivatiseerd kan worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb de vraag van uw Kamer om nauw betrokken te worden bij dit proces goed gehoord. Mijn voorstel is om de opbrengst van het rondetafelgesprek met uw Kamer te gebruiken als input voor het white paper dat geagendeerd zal worden op een afsluitende conferentie. Uiteraard staat het uw Kamer vrij om het white paper te agenderen voor een commissiedebat. Wanneer de conferentie (en/of het commissiedebat) aanleiding geeft tot wijzigingen zal ik deze verwerken, waarna ik uw Kamer de visie op de politiefunctie kan toesturen. Indien gewenst ga ik dan opnieuw met uw Kamer in gesprek.
Erkent u dat het een politieke discussie en afweging vraagt wat in essentie een publieke politietaak is en wat een gedeelde of geprivatiseerde taak kan zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Vandaar dat ik ook in mijn brief van 5 juli 2022 schrijf dat de visie van de politiefunctie een maatschappelijk en politiek debat als fundament vereist.
Zijn er bij het regeerakkoord side-letters of niet opgenomen afspraken gemaakt over het gedeeltelijk privatiseren van politietaken?
Nee.
Hoe geeft u uitvoering aan de aangenomen Kamermotie, waarbij gevraagd is om een onderzoek te doen naar het huidige aandeel van de private beveiligingsbranche binnen het publieke domein?3
De gevraagde analyse wordt zo goed als mogelijk gemaakt en conform de strekking van de motie aan de Tweede Kamer aangeboden alvorens de visie op de politiefunctie zal worden aangeboden.
Een gesprek met de Eilandsraad van Sint Eustatius |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Wieke Paulusma (D66), Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat er binnen de pilot met direct doorverwijzen, die is gestart vanaf de derde week van november 2022, alleen wordt doorverwezen naar het ziekenhuis op Sint Maarten, dat slechts beperkte faciliteiten heeft en vaak niet de behandeling kan geven die nodig is? Zo nee, waar wordt dan naartoe doorverwezen? Zo ja, waarom alleen naar Sint Maarten?
De pilot directe verwijzingen is gestart op 21 november 2022 en houdt in dat de verwijzingen op een zelfde manier worden georganiseerd als op Bonaire. Huisartsen op Bonaire verwijzen direct naar het lokale ziekenhuis Fundashon Mariadal (FM) zonder tussenkomst van de medisch adviseur van Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN). Sint Maarten Medical Center (SMMC) is het aangewezen ziekenhuis voor Saba en St. Eustatius. Huisartsen op Saba en St. Eustatius kunnen in het kader van de pilot nu direct doorverwijzen naar SMMC. De nieuwe werkwijze wordt geëvalueerd na zes maanden met een tussentijdse evaluatie na drie maanden. Voor de verwijzingen naar andere zorgbestemming op Curaçao, Sint Maarten, Aruba, Colombia en Nederland (derdelijnszorg) is afgesproken dat het zal blijven gaan zoals gewoonlijk op initiatief van de behandelend specialist. Dit is gelijk op zowel Bonaire als Saba en St. Eustatius.
Klopt het dat er geen goedkeuring komt als een arts bijvoorbeeld doorverwijzing naar Columbia adviseert? En zo ja, waarom wordt het advies van de arts niet gevolgd?
Alle verwijzingen worden getoetst aan de Regeling Aanspraken Zorgverzekering BES (RAZ-BES) waarin aangegeven staat aan welke voorwaarden een verwijzing moet voldoen. Afkeuring geschiedt alleen indien de verwijzing daaraan niet voldoet. Belangrijk uitgangspunt bij dat bij de doorverwijzingen wordt gehanteerd is «zo dichtbij mogelijk als kan en verder weg als het moet».
Klopt het dat er mensen zijn overleden door «lack of handling»?
Nee.
Wat is de reactie van u op de vele klachten dat medische informatie verloren gaat en dat deze dus niet meer vindbaar is in dossiers c.q. niet aanwezig is bij overdracht?
Het verloren gaan van medische informatie moet zoveel mogelijk voorkomen worden. Specialisten en huisartsen zijn onderling verantwoordelijk voor het delen van medische informatie over patiënten. Ter verbetering van de digitale gegevensuitwisseling onderzoek ik de mogelijkheden van een (regionaal) elektronisch patiënten dossier en op welke vlakken aansluiting gevonden kan worden op lopende ontwikkelingen in Europees Nederland.
Kunt u aangeven welke afspraken op 10 oktober 2010 onder leiding van de heer Bernard ter Haar van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn gemaakt, aangezien de indieners berichten ontvangen dat het toen goed was geregeld en er adequate doorverwijzingen waren?
Wij kunnen niet nagaan op welke afspraken u doelt. De heer Bernard Ter Haar kan geen afspraken gemaakt hebben namens het Ministerie van VWS, omdat hij niet werkzaam geweest is binnen het Ministerie van VWS.
Hoeveel meldingen heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ontvangen van zorginstellingen/zorgprofessionals c.q. van burgers over inadequate gezondheidszorg? Kunt u een overzicht over de laatste 5 jaar geven?
In de wetgeving voor Caribisch Nederland is geen meldingsplicht voor calamiteiten beschreven zoals in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). De IGJ stimuleert zorgaanbieders wel om incidenten en calamiteiten te melden om hiervan te kunnen leren en/of te verbeteren. Ook kunnen bijvoorbeeld burgers en medewerkers van zorginstellingen via het Landelijk Meldpunt Zorg of het Meldpunt IGJ een melding doen of een signaal doorgeven. In totaal heeft de IGJ in die periode 13 meldingen en signalen ontvangen. Deze meldingen en signalen kunnen betrekking hebben op de kwaliteit of de organisatie en bekostiging van de zorg of op specifieke gebeurtenissen in of rond de zorg.
Hoe is de vertegenwoordiging van de IGJ georganiseerd in Caraïbisch Nederland?
Het toezicht op de gezondheidszorg en jeugdhulp op Caribisch Nederland is onderdeel van het reguliere toezicht van de IGJ, met aandacht voor de bijzondere situatie op de eilanden. Het toezicht krijgt op vergelijkbare manier invulling, dus met regelmatige gesprekken en inspectiebezoeken.
Klopt het dat op Bonaire patiënten wel dialyse krijgen onder toezicht van een verpleegkundige, maar dat wordt gesteld dat dat niet mogelijk is voor Sint Eustatius? Zo ja, wat is uw toelichting hierop?
Op Bonaire is er een dialysecentrum, dat onderdeel is van FM, waar dialyse wordt uitgevoerd door een gespecialiseerd dialyse verpleegkundige, onder verantwoordelijkheid van een nefroloog.
Hemodialyse is op St. Eustatius niet mogelijk. De mogelijkheden voor peritoneale dialyse voor St. Eustatius is onderzocht op initiatief van het ziekenhuis (SEHCF) op St. Eustatius in samenwerking met SMMC en Curaçao Medical Center (CMC). Tevens heeft het Amsterdam UMC een onafhankelijke toets gedaan naar deze vorm van dialyse op St. Eustatius. De conclusie is dat er onder strikte voorwaarden peritoneale dialyse op St. Eustatius mogelijk zou kunnen plaats vinden. Op dit moment vinden er gesprekken plaats tussen ZJCN, SEHCF en SMMC over de wijze waarop deze vorm van dialyse op een veilige wijze plaats zou kunnen vinden op St. Eustatius.
Het feit dat de basisbeurs niet voor alle studenten gaat gelden |
|
Olaf Ephraim (FVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u cijfers over hoeveel studenten langer dan vier jaar studeren en dus in september 2023 niet voor studiefinanciering in aanmerking komen?
Zoals aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel herinvoering basisbeurs hoger onderwijs, gaat het op basis van verschillende aannames naar schatting om ongeveer 270.000 ho-studenten. Die ho-studenten hebben bij de herinvoering van de basisbeurs geen recht meer op een basisbeurs óf hebben geen rechten meer voor de volledige (nominale) duur van hun studie. Maar deze ho-studenten studeren naar verwachting wel langer dan nominaal. Een ho-student die geen recht meer heeft op een basisbeurs, kan overigens wel nog recht hebben op studiefinanciering in de vorm van een studentenreisproduct (nominaal + 1 jaar) en/of een lening (nominaal + 3 jaar).
Snapt u de grote frustraties van deze groep, die toch al tot de groep «pechvogels» behoorde vanwege: a. de «renteloze» leningen die zij moesten aangaan en b. tijdens de coronamaatregelen moesten studeren wat hun mentale weerbaarheid enorm op de proef stelde c. de huurprijzen van studentenkamers enorm heeft zien oplopen?
Ik begrijp dat studenten de afgelopen jaren niet in een makkelijke situatie hebben gezeten door de pandemie. Daarnaast zie ik ook dat studenten veel zorgen hebben over de toekomst, bijvoorbeeld over het klimaat en de woningmarkt. Dit kabinet zet zich daarom voor deze thema’s in om daar stappen op te zetten. Om het tekort aan studentenhuisvesting te verkleinen heeft het kabinet samen met gemeenten, onderwijsinstellingen, particuliere beleggers en studenten het Landelijk Actieplan studentenhuisvesting 2022-2030 opgesteld. Met de koepels en studentenorganisaties werk ik ook aan een kader voor een integrale aanpak studentenwelzijn. Daarmee zijn de problemen niet van vandaag op morgen verdwenen, maar zetten we wel een stap in de goede richting. Studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd en een diploma hebben behaald, ontvangen over die periode een tegemoetkoming.
Overigens maak ik graag nogmaals van de gelegenheid gebruik om te benoemen dat er nooit sprake is geweest van een renteloze lening en dat de overheid dit ook nooit heeft gezegd. Er is altijd rente berekend op de studielening, ook de afgelopen jaren. Voor studieleningen is de renteberekening bepaald in de Wet studiefinanciering 2000. Op basis daarvan is de afgelopen jaren deze op nul procent vastgesteld.
Herinnert u zich de tv-spotjes die jongeren terecht waarschuwde om geen leningen aan te gaan voor onder andere mobiele telefoons, beleggingen, gokken etc? Waarom is er kennelijk geen waarschuwing nodig, integendeel, het wordt juist positief neergezet, om een lening bij de overheid aan te gaan die qua bedrag een veelvoud is van de bedragen waartegen in de spotjes werd gewaarschuwd?
Er wordt inderdaad breed ingezet op het wijzen van jongeren – en overigens ook andere doelgroepen – op de (mogelijke) gevolgen van lenen. Ook DUO wijst studenten bij het aangaan van en tijdens de leenperiode op de gevolgen van de lening. Dat gebeurt zowel in persoonlijke communicatie met de student, als via de website en sociale media.
Er is daarbij een belangrijk verschil tussen DUO en commerciële kredietverstrekkers, namelijk de sociale terugbetaalvoorwaarden. Zo betaalt de oud-student bij DUO terug naar rato van zijn/haar inkomen en als de oud-student niet genoeg verdient, hoeft er helemaal niet terugbetaald te worden. Ook wordt een eventuele resterende studieschuld aan het einde van de looptijd kwijtgescholden.
In de Gelderlander van 14 december 20221 geeft uw woordvoerder aan dat(ik citeer) «....het ministerie geen aanleiding ziet om het studiefinancieringssysteem op dit punt aan te passen. Goed om hierbij te benadrukken dat deze studenten vier of vijf jaar gebruik hebben kunnen maken van de geldende mogelijkheden van de studiefinanciering: studentenreisproduct, aanvullende beurs en leenmogelijkheden.» Waarom doet uw woordvoerder het voorkomen alsof deze pechgeneratie van studenten blij mogen zijn met het feit dat ze überhaupt een lening mochten aangaan?
In de afgelopen jaren hebben studenten nog steeds gebruik kunnen maken van studiefinanciering, waarbij het studentenreisproduct en de aanvullende beurs nog steeds een prestatiebeurs waren. Die wordt omgezet in een gift op het moment dat de student een diploma haalt binnen de diplomatermijn.
Ook de lening is onderdeel van studiefinanciering, waarbij ik graag nogmaals benadruk dat dit een lening is tegen gunstige voorwaarden. Op het moment dat de leenmogelijkheid weg zou vallen, zou het voor studenten in de huidige markt waarschijnlijk niet mogelijk zijn om tegen gelijke voorwaarden te kunnen lenen. Daarmee is ook de leenvoorziening – hoewel ik begrijp dat dit niet door iedereen zo ervaren wordt- een gunstige regeling.
Deelt u de mening dat studeren meer inhoudt dan enkel studeren? Dat extra vakken, een tweede studie, een uitwisseling, stage, een bestuursjaar of een tussentijdse schilderopleiding aan de Rietveldacademie, zeer veel kan bijdragen aan de persoonlijke ontwikkeling van studerenden?
Studeren is zeker meer dan alleen het volgen van een studie. Het is een levensfase waarin jongeren volwassen worden en waarin ruimte is om nieuwe dingen te ontdekken. Dat kan op veel verschillende manieren, die passen bij de individuele student.
Ziet u ook dat ambitieuze studenten die graag twee of meer studies volgen of hbo-studenten die nog een wetenschappelijke studie willen doen, geremd worden in hun ambitie, iets wat normaal gesproken toegejuicht dient te worden en nu alleen voor kinderen met rijke ouders is weggelegd?
Het financieren van een tweede studie ná het afronden van de eerste studie is reeds in 2010 afgeschaft. Sindsdien krijgen studenten geen studiefinanciering meer voor een tweede studie en betalen studenten het instellingscollegegeld – op enkele uitzonderingen na – als zij al een diploma hebben behaald. De reden hiervoor is tweeledig – ten eerste is het voor de maatschappij van belang dat studenten op een bepaald moment beginnen aan het werkzame leven en met een afgeronde studie is dat mogelijk. Daarnaast kost het financieren voor de tweede studie veel geld, waarbij destijds is gekozen om dit anders te besteden.
Wilt en kunt u iets doen voor deze driedubbele pechgeneratie die hiervoor geen enkele blaam treft maar enkel in een verkeerd jaar geboren zijn?
In het wetsvoorstel herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is een tegemoetkoming opgenomen voor studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd. Het is hoogst uitzonderlijk dat een dergelijke tegemoetkoming wordt verstrekt. Het kabinet ziet echter dat het wrang is voor studenten die zo snel na de afschaffing, de basisbeurs weer zien terugkeren. Daarom heeft het kabinet er toch voor gekozen om een tegemoetkoming ter beschikking te stellen.
De doofpotoperatie rondom Srebrenica en de rol van Dutchbat III hierin |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving door het programma Argos Medialogica over de doofpotoperatie rondom Srebrenica en de rol van Dutchbat III hierin?1
Ja
Klopt het dat de militairen van Dutchbat III veel meer hebben gezien van de (gevolgen van) de executies van 8.000 moslimmannen dan zij destijds aangegeven hebben tegenover de media en in de debriefing?
Op verzoek van het toenmalige kabinet heeft het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) een meerjarig onderzoek uitgevoerd naar de gebeurtenissen rond de val van Srebrenica op 11 juli 1995. Dit onderzoek startte eind 1996 en resulteerde in april 2002 in een uitvoerig rapport getiteld «Srebrenica, een «veilig» gebied». Dit rapport is met uw Kamer gedeeld op 10 april 2002 (Kamerstuk 26 122, nr. 28). Naar aanleiding van de conclusies van dit rapport heeft het toenmalige kabinet zijn ontslag aangeboden. Daarop besloot uw Kamer een parlementaire enquête te houden hetgeen resulteerde in het rapport «Missie zonder vrede» (Kamerstuk 28 506 Nr. 4 dd. 27 januari 2003).
Het NIOD-rapport gaat uitvoerig in op de vraag wat de Dutchbat-militairen hebben waargenomen van de executies rondom Srebrenica en die in Potočari in het bijzonder. Om geen afbreuk te doen aan de veelomvattendheid van het rapport, acht ik het niet zorgvuldig om hieruit delen samen te vatten. Ik verwijs u daarom graag naar de pagina’s 2738 e.v. van het NIOD-rapport.
Klopt het dat militairen van Dutchbat III hebben gezien dat mannen werden afgevoerd naar een wit huis en vervolgens niet meer terugkeerden? Zo nee, wat zagen of hoorden zij dan wel?
Hiervoor verwijs ik u naar het NIOD-rapport. In het bijzonder naar de pagina’s 2646, 2648, 2664–2667, 2676, 2689 en 2700–2703.
Klopt het dat militairen van Dutchbat III een berg achtergelaten paspoorten hebben gezien?
Hiervoor verwijs ik u naar het NIOD-rapport. In het bijzonder naar de pagina’s 2667, 2718–2719, 2742, 2874 en 2880.
Klopt het dat militairen van Dutchbat III de gevolgen van de executies hebben gezien, dat wil zeggen vermoorde moslimmannen?
Hiervoor verwijs ik u naar het NIOD-rapport. In het bijzonder naar de pagina’s 2719, 2720, 2721 en 2879.
Hebben deze militairen het genoemde onder vraag 3 t/m 5 gezien voor, tijdens of na het besluit om 350 mannen die zich op de compound van Dutchbat bevonden, over te dragen aan de Serviërs?
Het NIOD-rapport gaat niet expliciet in op de volgtijdelijkheid van de gebeurtenissen. In de punten 53 en 54 van het arrest van de Hoge Raad van 19 juli 2019 (zaak 17/04567, Mothers of Srebrenica tegen de Staat der Nederlanden) staat hierover:
Klopt het dat in de periode 1992–1995 al langer bekend was waar de Servische troepen onder leiding van generaal Ratko Mladić toe in staat waren, waaronder moord, verkrachting, plundering en brandstichting?
Ja, in juli 1995 was bekend dat Bosnisch-Servische troepen onder Mladić in de periode 1992–1995 betrokken waren bij dit soort misdaden.
Was het niet alleen al daarom volstrekt onverantwoord om 350 moslimmannen over te dragen aan de Serviërs? Hoe kijkt u hier nu tegenaan, met de kennis van nu?
In het arrest van de Hoge Raad (zaak 17/04567, arrest van 19 juli 2019) oordeelde de Hoge Raad dat de Nederlandse staat tekortgeschoten is in het bieden van bescherming tegen door Bosnisch-Servische troepen toegebracht leed, aan een groep mannelijke vluchtelingen, die op 13 juli 1995 op de compound van Dutchbat in Potočari verbleven. Om uitvoering te geven aan dit arrest, heeft de staat een speciale schaderegeling ingesteld. Over de schaderegeling bent u laatstelijk geïnformeerd met de Kamerbrief Stand van Zaken Civielrechtelijke regeling Srebrenica (Kamerstuk 26 122 nr. 60 dd. 1 november 2021).
Het kabinet betreurt de tragische gebeurtenissen van 13 juli 1995 ten zeerste. De internationale gemeenschap faalde in de bescherming van de mensen van Srebrenica. Als onderdeel van deze gemeenschap deelt de Nederlandse regering in de politieke verantwoordelijkheid voor de situatie waarin dit falen kon gebeuren. Daarvoor heb ik namens het kabinet op 11 juli jl. tijdens de herdenking in Srebrenica mijn diepste excuses aangeboden.
Klopt het dat Ratko Mladić hiervoor ook veroordeeld is door het Joegoslaviëtribunaal? Wanneer is de eerste verdenking door opsporingsautoriteiten hierover geformuleerd?
Het Joegoslaviëtribunaal heeft Ratko Mladić in hoger beroep veroordeeld wegens genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid (8 juni 2021). De genocide in Srebrenica maakt daar onderdeel van uit.
Het formuleren van verdenkingen gebeurt normaliter in een aanklacht. De verdenkingen tegen Mladić gaan terug tot april1992 en hielden verband met de belegering van Sarajevo. Dit kwam tot een aanklacht in juli 19952. In november 1995 klaagde de internationale hoofdaanklager hem aan inzake de genocide in Srebrenica3. De aanklacht tegen Mladić was gebaseerd op een grote hoeveelheid belastende informatie die door de hoofdaanklager was verzameld. Mladić werd in 2011 voor het Joegoslaviëtribunaal gebracht.
Klopt het dat Dutchbat III betrokken was bij zwarte handel, prostitutie, het afpakken van geld van moslims en het met een militair voertuig overrijden van moslims? Zo nee, wat klopt hiervan wel? Zo ja, waarom wordt dit dan in de tv-uitzending ontkend door overste Karremans?
Ik verwijs u naar pagina 1618 e.v., pagina 2610–2616 en 3048–3056 van het NIOD-rapport.
Klopt het dat generaal Couzy journalist Twan Huys heeft verzocht om belastende mediaberichtgeving niet uit te zenden, vanwege de veiligheid van nog in Potočari aanwezige Dutchbatters?
Ik verwijs u naar pagina 2801 van het NIOD-rapport.
Klopt het dat generaal Couzy aan Twan Huys heeft beloofd na terugkomst in Nederland van deze Dutchbatters wel de volledige informatie met Twan Huys te delen, maar deze belofte vervolgens heeft verbroken?
Zie antwoord vraag 11.
Klopt het dat generaal Couzy en generaal Van Baal vervolgens de feiten rondom Srebrenica in de doofpot hebben willen stoppen, onder andere door alle Dutchbatters indringend op te roepen niet hierover met de media te praten?
Ik verwijs u naar de pagina’s 3075–3076 en 3170 van het NIOD-rapport.
In het NIOD-rapport is geen bevestiging gevonden van een expliciete oproep aan alle Dutchbatters om niet met de media te praten. Tijdens uw Parlementaire Enquête over Srebrenica stelde generaal Couzy (Verhoren nr. 492) dat hij de Dutchbatters op het hart had gedrukt om vooral vanuit de eigen ervaring te praten: «(...) alleen vertellen wat je weet, vertellen wat je zelf hebt gezien en niet ingaan op suggestieve vragen (...)». De heer Couzy is in 2019 overleden.
Klopt het dat generaal Couzy ook de toenmalige Minister van Defensie niet informeerde over de feiten rondom Srebrenica?
Zie antwoord vraag 13.
Klopt het dat daarna serieus door de toenmalige Minister is overwogen om generaal Couzy te ontslaan? Klopt het dat dit uiteindelijk niet gedaan is, omdat men de publicitaire effecten vreesde?
Op 27 november 2002 heeft oud-minister Voorhoeve voor uw Parlementaire Enquêtecommissie Srebrenica verklaard dat hij op een aantal momenten heeft overwogen generaal Couzy heen te zenden. Ik citeer daarvoor uit uw Verhoren «Mijn conclusie – ook in overleg met de Staatssecretaris, de chef Defensiestaf en de SG – was steeds: het levert veel schade voor de Defensieorganisatie als de relatie met de generaal Couzy wordt beëindigd». Het had naar zijn mening ook tot een juridische procedure kunnen leiden waarvan de afloop onzeker was (Verhoren nr. 578).
Wat is, met de kennis van nu, uw mening over deze hele gang van zaken?
Daarvoor verwijs ik u naar de verklaring van Minister-President Kok zoals gedaan in de Tweede Kamer op 16 april 2002 waarin hij het aftreden bekend maakte van het kabinet (kenmerk: TK 68–4539). In zijn verklaring zegt hij dat voor [het aftreden van] de Minister van Defensie een aanvullende overweging geldt, dat betreft de conclusie van het NIOD inzake de tekortschietende informatievoorziening.
Is op dit moment sprake van een goede informatievoorziening van de Defensietop richting u, en vanuit u weer naar de Tweede Kamer?
Een goede informatievoorziening is essentieel voor het functioneren van Defensie, dit geldt ook voor de informatievoorziening richting de bewindspersonen. Het kabinet is verplicht beide Kamers tijdig en volledig te informeren.
Kunt u garanderen dat een dergelijke situatie zich in de tegenwoordige tijd niet meer voor zal kunnen doen?
Lessen zijn getrokken, juist ook om te voorkomen dat een dergelijke situatie zich nogmaals zal voordoen. Na Srebrenica zijn er duidelijkere regels gesteld voor de besluitvorming over uitzendingen van Nederlandse militairen naar missies. Sinds 2000 staat in de Grondwet hoe de besluitvorming daarover moet plaatsvinden. Dit betreft artikel 100. Sindsdien ontvangt uw Kamer een zogenaamde artikel 100-brief.
Welke lessen trekt u uit de chaotische evacuaties, of het gebrek daaraan, in Srebrenica in 1995 en Afghanistan in 2021?
Uit de situatie van Srebrenica zijn belangrijke lessen getrokken. Die vallen niet alleen af te leiden uit het veelgenoemde NIOD-rapport uit 2002 maar ook uit de parlementaire enquête van uw Kamer (Commissie Bakker, januari 2003) tot en met het rapport van de Commissie Borstlap (Kamerstuk 26 122 nr. 48 dd. 14 december 2020). Daarbij gaat het over het organiseren van zaken ter voorbereiding, tijdens en na de inzet. Zo is het van belang dat er een helder mandaat ligt; dat er een duidelijke definitie dient te zijn van de aanduiding «safe area», dat er informatie wordt ingewonnen bij de landen die het voorgaande commando voerden (de voorgangers), dienen militairen adequaat te zijn opgeleid voor de specifieke taken en de specifieke omstandigheden, dient het militair-politiek inlichtingenwerk over de intenties van de strijdende partijen op orde te zijn. Ook dient er een adequate vertrekstrategie te zijn, een strategie waarin bovendien ook wordt omgekeken naar de lokale werknemers, en een gedegen traject voor nazorg.
Voor wat betreft de evacuatie uit Afghanistan heeft Crisisplan BV een rapport uitgebracht met de eerste lessen die getrokken kunnen worden uit het verloop van de evacuatie. Het kabinet heeft de Kamer hierover op 16 december 2021 geïnformeerd met de kabinetsreactie op het rapport (Kamerstuk 27 925, nr. 882) en in de Kamerbrief van 7 juli 2022, waarin werd ingegaan op de voortgang van de implementatie van de verbeterpunten uit het rapport (Kamerstuk 27 925, nr. 914). Daarnaast doet een externe en onafhankelijke onderzoekscommissie onder leiding van de heer Ruys momenteel onderzoek naar de evacuatieoperatie vanuit Kaboel. Deze commissie zal uiterlijk 31 mei 2023 het rapport uitbrengen.
Deelt u de mening dat burgers die onder Nederlandse bescherming staan ook daadwerkelijk beschermd moeten worden – indien nodig met behulp van wapens – en niet blootgesteld mogen worden aan vijandige gewapende groeperingen, en daarmee dus aan levensgevaar? Zo nee, wat is dan uw mening hierover?
In het algemeen deel ik die mening. Wel teken ik hierbij aan dat het mandaat van de missie (en de daaraan gekoppelde middelen) de mogelijkheden van de ingezette militairen bepaalt.
De totstandkoming van de Kamerbrief ‘Vrij en veilig onderwijs’ |
|
Senna Maatoug (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Herkent de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs zich in het beeld dat geschetst wordt in het artikel «Minister Wiersma negeerde adviezen ambtenaren over weekendscholen»?1 Herkent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zich in het beeld dat naar voren komt?
Bij beslissingen met betrekking tot toekomstig beleid nemen wij de adviezen van onze ambtenaren altijd in overweging. Dat de adviezen niet per definitie op elk punt worden overgenomen, is uiteraard altijd onderdeel van zorgvuldige afweging.
In het coalitieakkoord zijn afspraken opgenomen: «wij grijpen sneller in bij (informele) onderwijsinstellingen en hun vertegenwoordigers die anti-integratief, antidemocratisch of anti-rechtsstatelijk opereren. We breiden de mogelijkheden om dat te doen uit en onderzoeken op welke manieren dat mogelijk is.»2 De afgelopen jaren kwamen verschillende verhalen aan het licht over serieuze misstanden in het informele onderwijs. Op dit moment is er geen vorm van toezicht op het informele onderwijs. Daar waar sprake is van ernstige signalen wil het kabinet dat in het vervolg wel kan worden ingegrepen.
Anders dan in sommige artikelen lijkt te worden beweerd, is het niet zo dat het voorgenomen toezicht in het informele onderwijs gericht is op een specifieke stroming. Juist niet. Het gaat om praktijken gericht op het bewust opzetten van kinderen tegen onze samenleving, ongeacht waar of door wie dat gebeurt. Het toezicht moet gelden voor die informele onderwijsinstellingen en hun vertegenwoordigers die zich daar schuldig aan maken.
De bewindslieden van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Binnenlandse Zaken, van Justitie en Veiligheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport waren intensief betrokken bij de totstandkoming van de brief. Hun adviezen hebben geleid tot diverse aanpassingen, zoals dat gebruikelijk is in interdepartementale afstemming. Vervolgens is de brief akkoord bevonden in de ministerraad en heeft het kabinet de brief verzonden.
Waarom is ervoor gekozen om de aanpak van vrije en veilige informele scholing aan te vliegen vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en niet vanuit het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)? Waarom is er ook in het coalitieakkoord hiervoor gekozen, door de ambities op dit vlak op te schrijven in de onderwijsparagraaf?
Kennis en expertise hierop bevindt zich voor een groot deel binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en binnen het professioneel netwerk waar OCW al jaren mee bekend is.
Waarom heeft de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs ervoor gekozen om het advies van zowel de Landsadvocaat als ambtenaren op verschillende ministeries om eerst onderzoek te doen naar de haalbaarheid van de gewenste maatregelen in de wind te slaan en het als besluit te presenteren? Is niet juist vanwege het punt van haalbaarheid het advies van de Landsadvocaat ingewonnen? In hoeverre was de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid akkoord met deze strategie?
Als kabinet laten wij uiteraard altijd de haalbaarheid van de gewenste maatregelen onderzoeken. Dit is een noodzakelijk onderdeel van ieder wetgevingstraject, en dus ook van dit traject. Er is juist advies bij de Landsadvocaat ingewonnen, na een expliciet verzoek van uw Kamer om te komen tot juridisering van het begrip problematisch gedrag.3
Wat de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, in lijn met het kabinet, wilde voorkomen, is dat het proces voorafgaand aan het wetgevingstraject vertraging op zou lopen. Het kabinet voelt namelijk grote urgentie om kinderen, hun ouders en leerkrachten in het (in)formele onderwijs handvatten te bieden om aan de bel te trekken als zij misstanden signaleren dan wel zelf meemaken, en wil hier snel op kunnen doorpakken en ingrijpen wanneer nodig. Uit het advies van de Landsadvocaat volgt dat dit, onder de juiste voorwaarden, mogelijk is. Het kabinet heeft dit in de brief duidelijk willen maken.
De brief is in de ministerraad akkoord bevonden en vanuit het kabinet verstuurd.
In de beslisnota van 20 september 2022 wordt beschreven dat de ministeries van Binnenlandse Zaken (BZK) als SZW principiële bezwaren hebben over het inzetten op wetgeving wanneer het gaat om de meldplicht evenals het aanwijzen van de Inspectie van het Onderwijs, kan uitgelegd worden wat er met deze bezwaren is gebeurd, aangezien nog steeds op beide plannen wordt ingezet in de Kamerbrief?
De discussiepunten die in de beslisnota van 20 september 2022 werden beschreven, betroffen de toon van de brief, het invoeren van een meldplicht, het aanwijzen van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) als toezichthouder en de mate waarin de kanttekeningen uit het advies van de Landsadvocaat in de brief zouden zijn weergegeven. Onder andere het Ministerie van BZK en het Ministerie van SZW geven aan dat de wetgeving binnen de grenzen van de Grondwet moet passen en geen wantrouwen moet uitstralen richting het veld. En dat deelt OCW uiteraard ook. Daarom is de meldplicht in het voorstel veranderd in een meldmogelijkheid en wordt er nauwkeurig gewerkt aan het realiseren van een vorm van signaalgericht toezicht. Hoe dan ook zal de wet alleen van toepassing zijn op organisaties waarover serieuze signalen binnenkomen. Het gros van het informeel onderwijs krijgt er dus nooit mee te maken, omdat zij goede en veilige scholing verzorgen die onze maatschappij beter en sterker maakt. Op 24 mei jl. heeft uw Kamer een brief ontvangen waarin de contouren van het wetsvoorstel uiteen zijn gezet.4 De voornaamste overweging omtrent de inspectie die hier van belang is, betreft de vraag of onderwijstoezicht en de uitgangspunten waarop dat is gebaseerd, past bij de kenmerken van informeel onderwijs als dat gericht is op – eventueel ook heimelijke – bewuste aantasting van centrale democratische waarden, om doeltreffend te kunnen zijn.
Kan de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs uitleggen waarom hij in de Kamerbrief stelt dat hij conform het advies van de Landsadvocaat in gaat zetten op het aanwijzen van de Inspectie van het Onderwijs om signalen verder te kunnen verdiepen in geval van melding van antidemocratisch, antirechtstatelijk of anti-integratief onderwijs, terwijl dit in het advies van de Landsadvocaat enkel als mogelijkheid wordt genoemd waar nog forse vraagtekens worden gesteld wat betreft effectiviteit en een te zware last voor de inspectie?
In het advies draagt de Landsadvocaat de inspectie aan als mogelijke toezichthouder voor informeel onderwijs. Dit lijkt het kabinet een goede keuze: de inspectie beschikt over de benodigde expertise waar het aankomt op goed onderwijs en is een voor veel burgers vertrouwde en betrouwbare instantie. Natuurlijk brengt deze nieuwe taak voor de inspectie extra lasten met zich mee. Over de contouren van het wettelijke toezicht is de Kamer zoals gezegd op 24 mei jl. geïnformeerd. Wanneer wordt gesproken over informele onderwijsorganisaties die centraal toezicht behoeven, spreken we over een zeer beperkte groep die een uitzondering vormt op een vele malen grotere groep informele onderwijsorganisaties die doorgaans goed en veilig onderwijs geven.
Toezicht door de inspectie zal tevens signaalgericht plaatsvinden. Dit is ook een van de punten die is ingebracht door andere ministeries en is overgenomen.
In hoeverre neemt de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs de grote bezwaren mee die de Inspectie van het Onderwijs heeft kenbaar gemaakt op het gebied van uitvoerbaarheid en haalbaarheid van deze voornemens? Klopt het dat een aantal jaar geleden al onderzoek is gedaan naar het betrekken van de Inspectie van het Onderwijs bij dit toezicht en dat zowel de ministeries OCW als SZW toen concludeerden dat toezicht door de inspectie niet effectief en niet uitvoerbaar was? Wat is er sindsdien veranderd dat beide ministeries dit nu wel voornemens zijn?
In januari 2020 heeft RadarAdvies in opdracht van het Ministerie van SZW een verkenning uitgevoerd naar informele scholing en mogelijke anti-integratieve, antidemocratische en/of antirechtsstatelijke effecten van deze scholing. In het eindrapport werd ook de rol van de inspectie als mogelijke toezichthouder op informeel onderwijs besproken. Die rol werd in het rapport nergens onuitvoerbaar genoemd. Wel uitte de inspectie haar twijfels bij de effectiviteit van het toezicht en dus bij de proportionaliteit van een rol voor haar als toezichthouder. Daarbij werden twee opties voor toezicht besproken: risicogericht toezicht en toezicht op basis van zelfrapportage.
Op basis van de twijfels van de inspectie en inschattingen ten aanzien van de juridische haalbaarheid en proportionaliteit maakten de toenmalige Ministers van SZW en Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media de keuze om de mogelijkheid niet te gaan realiseren. De Kamer is daar vervolgens middels een aantal oproepen kritisch over geweest en vroeg om nadere actie.5 Dit kabinet maakt de keuze dan ook dat nu wel te doen. Dit gebeurt in lijn met een toezegging aan de Kamer in 2021, naar aanleiding van een «oproep om uitvoering te geven aan een motie aangenomen om de inspectie een rol te geven in toezicht op informeel onderwijs». Omwille van de uitvoerbaarheid werd voorgesteld om de inspectie een risicogerichte taak te geven, waardoor zij op basis van signalen risicogericht onderzoek kan doen.6 Dit punt is verder uitgewerkt in een brief aan uw Kamer van 24 mei jl. Naar verwachting is het slechts een zeer beperkt aantal informele onderwijsinstellingen die de inspectie hierop zal moeten toetsen, verreweg de meeste informele onderwijsinstellingen verrichten immers goed en veilig werk.
Hoewel de inspectie nog steeds zorgen heeft over de juridische haalbaarheid en proportionaliteit van het wetsvoorstel, is het kabinet ervan overtuigd en ook gemotiveerd om dat onder de juiste voorwaarden en nodige toerusting van de inspectie vorm te geven. De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs neemt de aanhoudende zorgen van de inspectie in de verdere uitwerking van het wetsvoorstel mee.
In de beslisnota van 20 oktober 2022 wordt beschreven dat het Ministerie van SZW bezwaren heeft over het inrichten van een meldpunt zonder wettelijk kader, zonder duidelijke definities en zonder een bevoegde instantie die follow-up kan geven aan de meldingen, kan uitgelegd worden waarom dit meldpunt inmiddels al wel is opgericht ook al ontbreken zowel de duidelijke definities, als het wettelijk kader, als een bevoegde instantie die follow-up kan geven aan de meldingen? Wat is er gebeurd met de bezwaren van het ministerie SZW op deze punten?
Het meldpunt Veilig leren buiten school bestaat sinds begin vorig jaar en is in de Kamerbrief Veilig en vrij onderwijs van 4 maart 2022 al aangekondigd, toen nog onder de naam «Postbus veilige les».7 In die Kamerbrief werd het meldpunt geïntroduceerd als tijdelijke faciliteit met als functie «om signalen te verzamelen over informeel onderwijs waar antirechtsstatelijke zaken voorkomen». Een meldpunt met deze informatieve functie kon ook zonder nieuw wettelijk kader en een eigen instantie voor follow-up worden gerealiseerd.
Het belang dat het Ministerie van SZW hecht aan de privacy van melders en derden onderschrijft de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs. De zorgen hieromtrent zijn door de ambtenaren meegenomen bij de uitwerking van de postbus. Het webformulier vermeldt duidelijk het doel van het meldpunt en is zo ingericht dat de privacy van de melder en degene over wie een signaal wordt afgegeven gewaarborgd blijft. Zo wordt er alleen gevraagd naar het probleem en de instelling, en er staat expliciet op vermeld dat het ministerie geen persoonsgegevens wil ontvangen. Ook staat er dat de gegevens van de melder en eventuele derden na verwerking van het signaal worden verwijderd. Wat betreft de follow-up in deze fase van het meldpunt: voor zover signalen binnenkomen die opvolging behoeven, wordt dat conform de doorzendplicht van de Algemene wet bestuursrecht doorgezet naar het bevoegde bestuursorgaan. Dit betekent dat in het geval van een ernstige situatie de melding wordt doorgezet naar een bestuursorgaan die de juiste stappen kan ondernemen.
Hoeveel meldingen zijn er tot nu toe binnen gekomen bij het meldpunt en van welke aard waren deze meldingen? Wat wordt er vervolgens met deze meldingen gedaan?
Bij de postbus zijn momenteel 27 meldingen binnengekomen met informatie over misstanden in het onderwijs. De meerderheid daarvan gaat over misstanden binnen het reguliere onderwijs, drie meldingen gaan over misstanden binnen het informele onderwijs. De komende tijd zal de mogelijkheid om misstanden te melden breder en beter onder de aandacht worden gebracht. Daarbij zal duidelijker worden gemaakt voor welke signalen het meldpunt precies bedoeld is zodat er minder berichten binnenkomen waarvoor het meldpunt niet is bedoeld.
Momenteel dient het meldpunt alleen voor het Ministerie van OCW om zicht te krijgen op zorgelijke signalen binnen het informeel onderwijs. Het is de ambitie dat op den duur vanuit een bevoegde instantie ook kan worden gereageerd op zorgelijke signalen.
Op welke manier gaat de komende tijd gezocht worden naar een afgebakende definitie van informele scholing? Welke partijen worden daarbij betrokken? Hoe wordt de conclusie van de Minister van Sociale Zaken over de Turkse taalscholen, en het ontbreken van signalen van ongewenste beïnvloeding daarin meegenomen2?
Als onderdeel van de ontwikkeling van een wettelijk kader voor toezicht op informeel onderwijs was een nadere afbakening van de definitie noodzakelijk. Daarom hebben we de afgelopen maanden in samenwerking met verschillende experts en belanghebbenden goed nagedacht over wat we verstaan onder informeel onderwijs. Partijen die we hierin hebben meegenomen zijn bijvoorbeeld andere ministeries, uitvoerende partijen als de Inspectie van het Onderwijs, wetenschappelijke experts, ervaringsdeskundigen en veldpartijen zelf. Bij het komen tot een definitie hebben we gewaakt voor ongeoorloofd onderscheid.
Voor wat betreft de Turkse taalscholen: zoals het Ministerie van SZW uw Kamer al eerder heeft gemeld zijn er op basis van onderzoek, gesprekken met de Turkse overheid en diverse organisaties in Nederland geen signalen van ongewenste beïnvloeding ten aanzien van door de Turkse overheid gesubsidieerde taallessen. Uitgangspunt van het wetsvoorstel is ook dat daar waar geen signalen zijn van misstanden, geen onderzoek gedaan wordt door de inspectie.
Hoe we de definitie van informeel onderwijs verder hebben afgebakend hebben we uiteengezet in de Kamerbrief over de voortgang van de beleidsagenda informeel onderwijs, die op 24 mei jl. aan de Tweede Kamer is aangeboden.9
Hoe kijken beide ministers naar de aangifte3 die is gedaan door islamitische organisaties tegen de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs naar aanleiding van de Kamerbrief?
De zorgen die er leven worden altijd serieus genomen en het is belangrijk dat we met elkaar in gesprek blijven. De afgelopen maanden hebben de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en zijn ambtenaren daarom veel gesprekken gevoerd met informele lesorganisaties en hun vertegenwoordigers, waaronder ook vertegenwoordigers van de islamitische organisaties die de aangifte hebben gedaan.
Op 24 maart jl. informeerde de Procureur-Generaal van de Hoge Raad de Minister van Justitie en Veiligheid dat hij geen aanknopingspunten zag voor een strafrechtelijk opsporingsonderzoek naar aanleiding van de aangifte. Het kabinet hoopt dat de discussie verder in onderlinge dialoog kan plaatsvinden.
De uitvoering van de motie Mutluer om meer hoogopgeleide mensen bij de politie te krijgen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de motie van het lid Mutluer (Kamerstuk 29 628, nr. 1137) om te zorgen voor alternatieve mogelijkheden en versnelde trajecten om meer hoogopgeleide mensen bij de politie te krijgen en uw reactie daarop? (Kamerstuk 29 628, nr. 1139)
Ja.
Hoeveel rechercheurs zijn de komende jaren nodig? Zijn naast de basisrecherche nog meer rechercheurs nodig? Zo ja, om welke specialismes en onderwijsniveaus gaat het?
In de opsporing zijn momenteel 10.750 fte’s werkzaam.1 Ongeveer een kwart daarvan is hbo- of universitair opgeleid.
Tot 2026 zijn er jaarlijks in de opsporing zo’n 1.400 fte’s nodig ter vervanging van de (leeftijdsgebonden en niet-leeftijdsgebonden) uitstroom of in verband met formatie-uitbreidingen. Het overgrote deel van deze fte’s komen in de basisrecherche via interne doorstroom. Ongeveer een derde van de behoefte aan vervangende en aanvullende fte’s betreft specialisten met een hbo- of universitaire opleiding. Concreet gaat het om ongeveer 500 specialisten per jaar met o.a. de expertises financieel, digitaal, forensisch, zeden en milieu. Van deze 500 specialisten komt ongeveer een derde binnen via zij-instroom.
Wat zijn de streefcijfers van hoger opgeleiden binnen de politie? Zijn die al behaald? Zo nee, waarom niet? Hoeveel is er wel behaald?
De politie werkt niet zozeer met een streefcijfer, maar met een personeelsplan waaruit een wervingsopgave en een doorstroomopgave met bijbehorende opleidingsbehoefte volgt. Het personeelsplan is gekoppeld aan de formatie van de politie, bestaande uit functies met functie-eisen (waaronder opleidingseis). De eenheden geven aan in de toekomst meer hbo- en WO-geschoolden te willen werven dan momenteel in de formatie is opgenomen. Deze keuze kan gemaakt worden, mits dit past binnen de formatieve en financiële kaders welke ik vaststel. Binnen deze kaders gaat het lokaal gezag over het inrichten van de exacte functies. De afgelopen jaren is het aantal hbo- en universitair opgeleiden iets toegenomen. Over het algemeen zijn de functies met een hbo- en universitaire eis voldoende bezet.
Zijn de 720 opleidingsplekken voor specifieke zij-instromers die jaarlijks beschikbaar zijn bij de Politieacademie afdoende om, zowel in aantal als in gevraagd opleidingsniveau, in de behoefte aan gespecialiseerde hoogopgeleide politiemensen waaronder rechercheurs te voorzien? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat de opleidingscapaciteit tot het gewenste niveau verhoogd wordt?
De politie stelt op basis van zijn Strategische Personeelsplanning (SPP) een opleidingsbehoefte vast. Het gaat daarbij zowel om de kwantitatieve behoefte aan politieopleidingen als om de kwalitatieve behoefte aan nieuwe opleidingen. Deze opleidingsbehoefte omvat ook de zij-instromers, bestaande uit opleiding voor functies waarvoor een aanstelling voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie (ook wel genoemd ATH-aanstelling) in combinatie met een boa-aanwijzing benodigd is, en de opleiding Politiemedewerker Specifieke Inzet, die opleidt voor een aanstelling voor de uitvoering van de politietaak (ook wel genoemd executieve aanstelling) met specifieke inzetbaarheid (veelal hoogopgeleide specialisten). Voor dit jaar en volgend jaar zijn er jaarlijks 720 opleidingsplekken voor deze laatste categorie zij-instromers beschikbaar. Deze opleidingsplekken worden gebruikt voor nieuwe instroom, maar ook voor interne doorstroom en politievrijwilligers.
Het instroom- en opleidingsproces is inmiddels flexibel ingericht zodat lopende het jaar tijdig keuzes gemaakt kunnen worden en de beschikbare capaciteit kan worden ingezet op een zo groot mogelijke instroom. De huidige capaciteit van 720 opleidingsplekken voor specifieke zij-instroom is vooralsnog voldoende voor de vraag vanuit de eenheden en kan indien nodig opgeschaald worden.
Dit betekent niet dat alle benodigde specialisten geworven kunnen worden, daarin speelt de arbeidsmarktkrapte een belangrijke rol. In de arbeidsmarktstrategie van de politie, die binnenkort met uw Kamer wordt gedeeld, worden hiervoor maatregelen opgenomen.
Deelt u de mening dat ten minste voor rechercheurs en politiemensen die gespecialiseerde opleidingen op een hoog niveau nodig hebben, er op universiteiten onderwijscapaciteit beschikbaar is die bij de Politieacademie zelf niet in voldoende mate aanwezig is? Zo ja, aan welke opleidingen bij universiteiten denkt u? Heeft u hierover reeds contact met universiteiten opgenomen? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Zoals beschreven in het Tweede Halfjaarbericht Politie 2022 biedt de Politieacademie sinds 2018 opleidingen aan gericht op hoog opgeleide zij-instromende specialisten, die in het regulier hoger onderwijs een relevante opleiding hebben afgerond met een diploma. Zij worden door het Korps aangesteld als executief politieambtenaar met specifieke inzetbaarheid in bijvoorbeeld de digitale en forensische opsporing en in de Intelligence. Deze specifieke zij-instromers kunnen zonder de basispolitieopleiding direct op hun functie aan de slag nadat zij de korte opleiding Politiemedewerker Specifieke Inzet hebben gevolgd. Deze kortdurende opleiding is gericht op het verwerven van algemene kennis over de politietaak en de politieorganisatie waarbinnen ze hun vak en specialisme gaan uitoefenen. Het onderwijzen in de politietaak in algemene zin en het overdragen van kennis over de politieorganisatie is voorbehouden aan de Politieacademie. Daarom krijgen zij-instromende specialisten deze korte aanvullende opleiding.
Om de instroom van hoog opgeleide specialisten te vergroten en doorlopende leerroutes tot stand te brengen heeft de Politieacademie diverse soorten samenwerkingsverbanden met zowel hogescholen als universiteiten. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de Hogeschool Saxion, Avans Hogeschool, Universiteit Leiden en de Radboud Universiteit Nijmegen. Door samen te werken met deze onderwijsinstellingen ontstaat er een groter opleidingsaanbod. Daarnaast versterkt de samenwerking kennisuitwisseling en stimuleert het onderwijsinnovatie. Ook andere hogescholen zoals de Hogeschool Leiden en de Haagse Hogeschool bieden specialistische opleidingen aan. Het gaat bijvoorbeeld om de Masteropleiding Digital Forensics en de Bacheloropleiding Cyber Security Management.
Deelt u de mening dat er ook buiten de Politieacademie bij hoger onderwijsinstellingen onderwijs kan worden verzorgd voor met name recherche en specialistisch onderwijs om te zorgen voor het benodigd aantal hoogopgeleide politiemensen? Zo ja, hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Dividendstripping door de staatsbank Fortis |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving in Follow the Money over dividendstripping (CumEx-transacties) door de staatsbank Fortis in 2009 en in de jaren daarna?1
Ja.
Klopt het dat in het interne document uit januari 2009 bewust wordt gekozen voor het dividendstrippen als economische activiteit?
Onze voorgangers hebben eerder de Tweede Kamer geïnformeerd dat het ministerie met de bank heeft gesproken over de strategische richting in de periode nadat de staat aandeelhouder was geworden van het «oude» ABN AMRO en de Nederlandse delen van Fortis. In deze gesprekken wees het toenmalige Fortis voornamelijk op de winstgevendheid van dividendarbitrage-activiteiten. De staat en het huidige ABN AMRO hebben uiteindelijk gezamenlijk besloten om deze activiteiten af te bouwen. In eerdere Kamerbrieven is daarnaast toegelicht dat ABN AMRO de afgelopen jaren in toenemende mate beleid heeft geformuleerd en aangescherpt, waaruit blijkt dat de bank hoe dan ook niet (meer) betrokken wil zijn bij dergelijke activiteiten.
Zoals bekend onderzoeken de Duitse autoriteiten of banken in de periode tot 2012 al dan niet terecht Duitse dividendbelasting hebben teruggevorderd. In dit kader is ook bij ABN AMRO informatie opgevraagd. Deze onderzoeken en rechtszaken zijn nog niet zijn afgerond. Via verschillende Kamerbrieven en de beantwoording van Kamervragen hebben mijn voorgangers de Kamer hierover geïnformeerd.2
In zijn algemeenheid hebben mijn voorgangers daarbij aangegeven dat financiële instellingen, waaronder banken, integer behoren te handelen. Hieronder valt in ieder geval dat geen fraude wordt gepleegd of dat daaraan wordt meegewerkt. Gezien hun maatschappelijke verantwoordelijkheid zouden banken transacties die zijn gericht op dividendstripping niet moeten willen verrichten, niet voor zichzelf en niet voor hun klanten. Dit onderschrijf ik en ik zal de sector blijven aanspreken op haar maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Het gaat hierbij overigens om de Duitse dividendbelasting. Op deze belasting hebben de Nederlandse anti-dividendstripping-maatregelen die sinds 2001 zijn genomen geen betrekking. Deze maatregelen zien namelijk op de vrijstelling, verrekening en teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting. De CumEx-transacties in Duitsland kunnen dus niet met Nederlandse anti-dividendstripping-regels worden aangepakt.
Overigens beschik ik niet over het interne document waarnaar Follow the Money verwijst en kan daarom de authenticiteit daarvan niet beoordelen. In het door Follow the Money gepubliceerde deel van het interne document worden risico’s beschreven die samenhangen met dividendarbitrage-activiteiten. Op basis van dit gepubliceerde deel van het document kan ik daarom niet de conclusie trekken dat bewust is gekozen voor dividendstrippen als economische activiteit.
Waarom besloot een bank, die samen met ABN Amro in 2008 met 16,8 miljard euro aan belastinggeld was genationaliseerd, om in Duitsland over te gaan tot belastingontwijking?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u dat in het licht van de maatregelen die de Nederlandse overheid sinds 2001 tegen dividendstrippen heeft genomen?
Zie antwoord vraag 2.
Was bij ANB Amro en Fortis, met de kennis van nu, sprake van belastingontwijking of belastingontduiking?
De transacties waarover door Follow the Money wordt bericht, zien met name op de Duitse dividendbelasting. De beoordeling of er in deze situatie sprake is van belastingontwijking of belastingontduiking berust dan ook bij de Duitse autoriteiten.
Klopt het dat allerlei afdelingen binnen Fortis allerlei afdelingen hiervan op de hoogte waren, zoals de Global Securities Financing Group, Risk, Legal, Tax en Compliance, het Complex Transaction Committee en het Merchant Bank Committee?
In de periode na nationalisatie is gesproken over de nieuwe strategische richting van de verworven onderdelen. De staat en ABN AMRO hebben toen gezamenlijk besloten om dividendarbitrage-activiteiten af te bouwen. Uit deze gesprekken bleek dat verschillende afdelingen van de bank bekend waren met de deze activiteiten, maar ik beschik niet over informatie om te concluderen welke afdelingen dan wel «committee’s» dit waren.
Klopt het dat ook het Ministerie van Financiën hiervan ook op de hoogte was? Gold dit ook voor de politieke top?
Hiervoor dient onderscheid gemaakt te worden tussen de verschillende rollen van het Ministerie van Financiën. Enerzijds is het ministerie de aandeelhouder van ABN AMRO (sinds 2011 via NLFI). Daarnaast is de Belastingdienst onderdeel van het ministerie.
Het ministerie is in 2008 aandeelhouder geworden van het «oude» ABN AMRO en de Nederlandse delen van Fortis. Zoals ook aangegeven in eerdere Kamerbrieven, is in de eerste jaren na de verwerving van de Nederlandse delen van het «oude» ABN AMRO en Fortis, de staat door ABN AMRO geïnformeerd over onderzoeken van buitenlandse belastingautoriteiten naar dividendarbitrage-activiteiten en de afhandeling daarvan. Daarnaast is gesproken over de nieuwe strategische richting van de verworven onderdelen. De staat en ABN AMRO hebben toen gezamenlijk besloten om activiteiten die verband houden met dividendarbitrage-activiteiten af te bouwen. In 2010 is de toenmalige Minister van Financiën geïnformeerd over de gesprekken die ABN AMRO/Fortis op dat moment had met de Italiaanse belastingautoriteiten.
De Belastingdienst kent een fiscale geheimhoudingsplicht. Over de kennis die de Belastingdienst heeft over fiscale positie van individuele belastingplichtigen kunnen daarom geen uitspraken worden gedaan.
Klopt het dat via de vestiging van GSFG in Frankfurt in Duitsland Fortis ook aan een andere vorm van dividendstrippen deed, namelijk CumCum?
Ik heb er geen zicht op of de vestiging van GSFG in Frankfurt in Duitsland zich bezighield met cum/cum transacties.
Klopt het dat dit inhoudt dat dividendbelasting terug werd gevraagd die nooit is betaald? Oftewel klopt het dat dit een ergere vorm van belastingontwijking/ontduiking is dan CumEx?
In de brief van de Minister en Staatssecretaris van Financiën van 3 december 20183 is over het onderscheid tussen cum/ex- en cum/cum-transacties het volgende opgemerkt.
Een cum/ex-transactie betreft een transactie in aandelen van beursgenoteerde bedrijven in Nederland of daarbuiten. «Cum dividend» betekent dat de koers van een aandeel het aangekondigde dividend bevat. «Ex dividend» betekent dat een aandeel een lagere koers heeft als gevolg van het feit dat op dat moment is vastgesteld wie recht heeft op dividend en er dus vanaf dat moment geen recht bestaat op dividend over de voorgaande periode. Bij het aangaan van een cum/ex-transactie zijn de aandelen met dividend (cum dividend) aan de beurs genoteerd, terwijl bij de afwikkeling van de transactie de aandelen een lagere koers hebben (ex dividend). Er kan dus enige tijd zitten tussen het aangaan van de transactie en de afwikkeling daarvan.
Voorbeeld van koers cum- en ex-dividend
Een cum/ex-transactie betreft een reguliere transactie in beursgenoteerde aandelen. Voor de fiscale gevolgen van dergelijke transacties sluit de Belastingdienst aan bij de zogenoemde «record datum» (het peilmoment).4 Dit betekent dat de partij die op het peilmoment gerechtigd is tot het dividend de belastingplichtige voor de dividendbelasting is. Aan die partij moet ook de dividendnota worden uitgereikt en uitsluitend die partij heeft mogelijk recht op vermindering, teruggaaf of verrekening van de ingehouden dividendbelasting.5
In Duitsland is echter geconstateerd dat op basis van de nationale wetgeving tot 2012 middels cum/ex-transacties de ene partij dividendbelasting kon inhouden zonder deze af te dragen, terwijl de andere partij met de aan haar uitgereikte dividendnota de niet afgedragen dividendbelasting kon verrekenen. Inmiddels is de Duitse nationale wet op dit punt aangepast. In Nederland bestond en bestaat een dergelijke mogelijkheid niet. Wel kunnen zich in Nederland andere situaties voordoen rondom teruggaaf en verrekening van dividendbelasting. Deze worden hieronder besproken.
Net als een cum/ex-transactie vindt een cum/cum-transactie ook plaats rondom het moment dat het dividend wordt vastgesteld. Hoewel dit begrip in de praktijk soms verschillend wordt gehanteerd, wordt de term cum/cum in dit verband gebruikt om aan te geven dat de verkoper van het aandeel het economische belang bij het dividend (cum) behoudt en een indirect belang bij de te verrekenen dividendbelasting verkrijgt (cum). Die twee tezamen maken het voor de verkopende partij, de oorspronkelijk aandeelhouder, een cum/cum transactie. Indien wordt uitgegaan van deze uitleg, zal over het algemeen sprake zijn van dividendstripping.
Van dividendstripping is sprake indien een buitenlandse aandeelhouder met behoud van het economisch belang bij de aandelen de dividendbelasting ontloopt door slechts het juridisch eigendom van de aandelen over te dragen aan een ander persoon. Deze andere persoon heeft een gunstiger recht op verrekening, teruggaaf of vermindering van dividendbelasting dan de oorspronkelijke aandeelhouder. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen als deze andere persoon wel in Nederland is gevestigd en dus de ingehouden dividendbelasting kan verrekenen met de door deze rechtspersoon verschuldigde vennootschapsbelasting. De transactie is er daarmee op gericht om de ingehouden dividendbelasting gunstiger te verrekenen of terug te ontvangen waardoor een belastingvoordeel wordt behaald. Het belastingvoordeel wordt vervolgens tussen de bij de dividendstripping betrokken partijen verdeeld.
Dividendstripping komt voor in verschillende verschijningsvormen en onderscheidt zich van normale effectentransacties doordat in de periode waarin afstand wordt gedaan van de aandelen, het economisch belang bij die aandelen blijft rusten bij de oorspronkelijke aandeelhouder waardoor de oorspronkelijke aandeelhouder het belang bij de inkomsten en waardestijgingen van de aandelen blijft houden.
Was het Nederlandse deel van Fortis/ABN Amro hier ook van op de hoogte?
In de periode na nationalisatie is gesproken over de nieuwe strategische richting van de verworven onderdelen. De staat en ABN AMRO hebben toen gezamenlijk besloten om dividendarbitrage-activiteiten af te bouwen. Deze gesprekken werden gevoerd met medewerkers van de Nederlandse onderdelen van ABN AMRO en Fortis.
Klopt het dat ook in andere landen aan dividendstripping gedaan werd, namelijk in Zwitserland, Frankrijk, Spanje en Portugal?
Ik beschik niet over de informatie om dit te kunnen beoordelen.
Klopt het dat Fortis/ABN Amro doorging met deze activiteiten ondanks het onderkende reputatierisico?
Tot de wetswijziging in Duitsland in 2012 met betrekking tot cum/ex-transacties heeft ABN AMRO dergelijke transacties uitgevoerd.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het onderzoek van het Openbaar Ministerie naar ABN Amro, dat in augustus 2021 in de kwartaalcijfers van deze bank bekend werd?
Hierover is geen nieuwe informatie bekend geworden. Het is aan het Openbaar Ministerie om daar verder over te communiceren. Ik wil en mag mij niet mengen in dit soort onderzoeken.
Deelt u de mening van hoogleraar belastingrecht Jan van de Streek dat dit interne document keihard bewijs is van een niet-integere bedrijfsvoering en duistere transacties?
Ik beschik niet over het interne document. Het is aan de bevoegde buitenlandse autoriteiten om hierover te oordelen. Zoals in de voorgaande beantwoording reeds toegelicht heeft ABN AMRO de afgelopen jaren in toenemende mate beleid geformuleerd en aangescherpt, waaruit blijkt dat de bank hoe dan ook niet (meer) betrokken wil zijn bij deze activiteiten.
Klop het dat ook de overheidstoezichthouder DNB op de hoogte was van het CumEx dividendstrippen? Klopt het dat in 2006–2007 afspraken zijn gemaakt over een zeker «marktvolume»?
Over individuele instellingen mag DNB geen uitspraken aan derden doen, dit is toezichtvertrouwelijke informatie. Wel heeft DNB mij in algemene zin laten weten dat DNB in die periode bij meerdere financiële instellingen heeft geconstateerd dat er sprake was van dividendarbitrage-activiteiten. DNB heeft via een moreel appèl (moral suasion) hier herhaaldelijk actie tegen ondernomen. De open norm van maatschappelijke betamelijkheid is opgenomen in de Wet op financieel toezicht (Wft); dit biedt de toezichthouder een basis om instellingen aan te spreken op geldende maatschappelijke normen, waaronder ook normen van fiscale aard (zie verder het antwoord op de volgende vraag).
Hoe verklaart u het handelen van de toezichthouder in het licht van artikel 3:10 van de Wet op het Financieel toezicht?
Artikel 3:10 Wft bepaalt dat financiële instellingen, waaronder banken, een adequaat beleid voeren dat een integere uitoefening van hun bedrijf waarborgt. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij dienen tegen te gaan dat handelingen worden verricht die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in de onderneming of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad. Kort gezegd, het is eerst en vooral de verantwoordelijkheid van financiële instellingen zelf om integer te handelen, en dat betekent in elk geval dat geen fraude wordt gepleegd of aan fraude wordt meegewerkt. DNB houdt doorlopend toezicht op de naleving van deze norm. Hoe dit toezicht wordt ingevuld, is aan de onafhankelijke toezichthouder zelf. Zorgen daarover kunnen voor de toezichthouder aanleiding zijn om handhavend op te treden maar ook om de geschiktheid van beleidsbepalers te hertoetsen. In algemene zin geldt verder dat de naleving van belastingwetgeving zelf geen onderwerp van toezicht van de toezichthouder vormt.
Het is niet aan de Minister van Financiën om het toezicht in concrete gevallen te verklaren of beoordelen, vanwege de toezichtvertrouwelijkheid kan dat ook niet.
Hoe kan het volgens u mogelijk zijn dat de Nederlandse bankentoezichthouder akkoord gaat met overduidelijke frauduleuze CumEx-transacties die de schatkist van een zeer goed bevriend EU-land (Duitsland) schade berokkenen?
Zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 15 en 16, mag DNB gezien de toezichtvertrouwelijkheid geen uitspraken aan derden doen over individuele instellingen en haar contacten met die instellingen. Wel heeft DNB mij laten weten dat zij in algemene zin en voor zover zij binnen haar mandaat bevoegd is, optreedt tegen onrechtmatig handelen door de instellingen die onder haar toezicht staan en samenwerkt met de relevante bevoegde autoriteiten. Ik heb geen reden om daaraan te twijfelen.
Uit eerder onderzoek van Follow the Money blijkt dat ambtenaren van het Ministerie van Financiën door de FIOD waren geïnformeerd over de CumEx-activiteiten van Fortis Bank Nederland. Hoe verklaart u dat er zelfs niet na de nationalisatie bij de bank werd ingegrepen?
De FIOD heeft een fiscale geheimhoudingsplicht en kan geen informatie over individuele belastingplichtigen delen met het ministerie als dat niet noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of de inning van rijksbelastingen. Zelfs niet wanneer het ministerie aandeelhouder is van de belastingplichtige.
Wel heeft de staat als aandeelhouder, zoals hierboven reeds toegelicht, gesproken over de nieuwe strategische richting van de in 2008 verworven onderdelen. De staat en ABN AMRO hebben toen gezamenlijk besloten om dividendarbitrage-activiteiten af te bouwen.
Klopt het dat Fortis van de Nederlandse Belastingdienst een ruling heeft gekregen met duidelijke richtlijnen over de vraag wanneer de bank «met een gerust hart» dividendbelasting kan terugkrijgen? Klopt het dat dit in strijd is met de maatregelen, die in 2001/2002 door de Nederlandse overheid tegen dividendstrippen zijn genomen? Hoe verklaart u dat?
Rulings geven zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van een voorgenomen rechtshandeling binnen de kaders van wet, beleid en jurisprudentie. De Belastingdienst kent een fiscale geheimhoudingsplicht. Derhalve kan ik geen mededelingen doen over de handelingen die de Belastingdienst al dan niet uitvoert ten aanzien van individuele belastingplichtigen.
Klopt het dat Follow the Money het volgende citeert uit het interne document: «De Belastingdienst heeft in 2007 onderzoek gedaan naar de GSFG-activiteiten. Er zijn geen vragen binnengekomen over de C-E-activiteiten.»? Klopt het dat volgens Follow the Money hier de CumEx-deals van Fortis worden bedoeld? Hoe verklaart u dat?
Ik beschik niet over de informatie om dit te verifiëren.
Klopt het dat de Belastingdienst volgens het interne stuk afspraken maakte over het dividendstrippen? Werden daar ambtenaren op het Ministerie van Financiën in gekend? Zo ja, wat deden deze ambtenaren met deze kennis? Zo nee, waarom niet?
Ik beschik niet over het interne document waarover Follow the Money schrijft en kan daarom niet beoordelen wat er in dat stuk wordt beweerd. Voor het overige geldt dat de Belastingdienst vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht geen mededelingen kan doen over de handelingen die de Belastingdienst al dan niet uitvoert ten aanzien van individuele belastingplichtigen.
Werden de Staatssecretaris en de Minister hiervan op de hoogte gesteld?
Zie antwoord vraag 21.
Klopt het dat de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) al in 2004 hun leden heeft opgeroepen om hun deskundigheid in te zetten om dividendstrippen te voorkomen?
Ja.
Klopt het dat dit eveneens bleek uit eerder eerder onderzoek van Follow the Money? Klopt het dat uit het interne stuk uit 2009 blijkt, dat die oproep aan dovemansoren was gericht en dat zelfs de bankentoezichthouder én de Belastingdienst het door de vingers wilden zien?
Zoals ik eerder heb opgemerkt, beschik ik niet over het interne document uit 2009. Ik kan u hierover dan ook niet nader informeren.
De Belastingdienst pakt dividendstripping aan. Uit een inventarisatie binnen de Belastingdienst komt naar voren dat over de jaren 2000–2020 de Belastingdienst voor ongeveer 250 miljoen euro aan correcties heeft opgelegd vanwege dividendstripping. Dit betreft 59 casussen.6 Voor zover u vraagt naar het handelen van de Belastingdienst in het individuele geval kan ik daar vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht geen mededelingen over doen.
Dit geldt eveneens voor het handelen van DNB in het individuele geval, waar ik vanwege de toezichtvertrouwelijkheid geen mededelingen over kan doen. Zoals eerder aangegeven als antwoord op de vragen 15 en 17 heeft DNB in algemene zin op basis van moreel appèl (moral suasion) herhaaldelijk actie ondernomen tegen dividendarbitrage-activiteiten.
Klopt het dat dividendstrippen uiteindelijk niet alleen met fiscale wetgeving kan worden aangepakt, maar dat ook toezichthouders DNB en AFM een cruciale rol op dit dossier zouden moeten vervullen?
De naleving van fiscale wet- en regelgeving is geen onderwerp van toezicht van DNB. Dit is namelijk aan de belastingdiensten. Signalen over fraude kan DNB wel betrekken bij haar integriteitstoezicht. Die signalen kunnen van belang zijn bij de beoordeling van de verplichting tot het beschikken over een beheerste en integere bedrijfsvoering. Daarnaast dienen banken maatschappelijk betamelijk te handelen, waarbij fiscale risico’s een bijzonder aandachtspunt zijn. Verder kan het handelen van individuen een rol spelen bij het toetsen van de geschiktheid of betrouwbaarheid van bestuurders van een bank.
De AFM heeft vanaf 2018 door nieuwe transactierapportageverplichtingen als gevolg van geïmplementeerde Europese regelgeving een beter beeld van activiteiten van in Nederlandse financiële instrumenten. Door het verstrekken van deze gegevens aan de Belastingdienst levert de AFM een bijdrage aan de detectie van mogelijke dividendstripping.
Autoriteiten in de financiële sector werken samen in het Financieel Expertise Centrum (FEC). Het FEC heeft een diepgaand onderzoek gedaan naar dividendstripping. De resultaten hiervan zijn weergegeven in een kennisdocument uit 2021.7 In het kennisdocument over dividendstripping is de kennis van vijf partners binnen het FEC gebundeld: de Belastingdienst, de FIOD, de AFM, de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) en het Openbaar Ministerie. Het doel van het document is de kans te vergroten dat de FEC-partners in hun reguliere dagelijks werk signalen van dividendstripping eerder herkennen, wat de aanpak van dividendstripping kan verbeteren. In het kennisdocument is een beschrijving gegeven van de diverse vormen van dividendstripping. Het kennisdocument maakt ook duidelijk welke gereedschappen de FEC-partners binnen de bestaande regelgeving tot hun beschikking hebben om dividendstripping te detecteren en terug te dringen.
Verder merk ik op dat op 15 juli 2022 een brief naar de Tweede Kamer is verzonden inzake de «Versterking van de aanpak van dividendstripping».8 In deze brief zijn de uitkomsten van de internetconsultatie (die op 26 januari 2022 is gesloten), de fiscale mogelijkheden om de aanpak van dividendstripping verder te versterken en de voor- en nadelen van elke geconsulteerde oplossingsrichting besproken. In de brief is opgemerkt dat de komende tijd verder onderzoek wordt gedaan en wordt beoordeeld hoe de maatregelen ter versterking van de aanpak van dividendstripping uitgewerkt kunnen worden in een wetsvoorstel. Tijdens het Commissiedebat Internationale Fiscaliteit van 25 januari 2022 is deze Kamerbrief besproken. Tijdens dit debat is ook opgemerkt dat per 1 januari 2024 fiscale maatregelen zullen worden genomen.
Hoe verklaart u dat uw eigen ambtenaren een oogje hebben toegeknepen?
Ik herken dit beeld niet. In de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 15 juli 20229 is opgemerkt dat reeds in 2001 in de wet antimisbruikbepalingen zijn opgenomen om dividendstripping tegen te gaan. Op grond van deze bepalingen wordt vermindering, verrekening of teruggaaf van dividendbelasting uitgesloten voor diegene die het dividend heeft ontvangen (of om vermindering, verrekening of teruggaaf heeft verzocht), maar niet de uiteindelijk gerechtigde is tot dat dividend. De wetgever heeft destijds gekozen voor een generieke maatregel die verschillende vormen van dividendstripping aanpakt. Het doel was om een maatregel te introduceren die uitvoerbaar zou zijn in de praktijk en geen overkill zou bevatten. Dit was een belangrijke afweging aangezien destijds werd verondersteld dat strengere maatregelen ingrijpend zouden uitwerken op de reguliere beurshandel. Bij de inwerkingtreding van de antimisbruikwetgeving is onderkend dat de aanpak van dividendstripping niet makkelijk zou zijn en dat hiermee waarschijnlijk enkel evidente vormen van dividendstripping zouden kunnen worden aangepakt.
De Belastingdienst pakt – op basis van de huidige wettelijke instrumenten – dividendstripping aan. Deze instrumenten blijken echter niet altijd adequaat te zijn voor de bestrijding van dividendstripping. In de eerste plaats komt dat vooral door de zware bewijslast die op grond van de hiervoor beschreven nationale antimisbruikwetgeving op de inspecteur rust om te bewijzen dat sprake is van dividendstripping. Daarnaast wordt de bestrijding van dividendstripping verder bemoeilijkt doordat in de praktijk de verschijningsvormen van dividendstripping complex en divers zijn. Dit is geen typisch Nederlands fenomeen. Dividendstripping gebeurt ook in de landen om ons heen. Professionele partijen hebben zich erin gespecialiseerd om door middel van dividendstripping voordelen te behalen. Deze partijen gebruiken vaak ingewikkelde structuren, gericht op het verhullen van de rechtsbetrekkingen tussen de verschillende actoren, waarbij vaak ook buitenlandse partijen betrokken zijn. Dit maakt het verzamelen van informatie door de Belastingdienst complex en zeer tijdrovend.
In de Kamerbief van 15 juli 2022 zijn ook de uitkomsten van de internetconsultatie (die op 26 januari 2022 is gesloten), de fiscale mogelijkheden om de aanpak van dividendstripping verder te versterken en de voor- en nadelen van elke geconsulteerde oplossingsrichting besproken. In de brief is opgemerkt dat de komende tijd verder onderzoek wordt gedaan en wordt beoordeeld hoe de maatregelen ter versterking van de aanpak van dividendstripping uitgewerkt kunnen worden in een wetsvoorstel. Tijdens het Commissiedebat Internationale Fiscaliteit van 25 januari 2022 is deze Kamerbrief besproken. Tijdens dit debat is ook opgemerkt dat per 1 januari 2024 fiscale maatregelen zullen worden genomen.
Hoe ziet u dat in het licht van de misstanden bij de Belastingdienst met betrekking tot het toeslagenschandaal?
Zie antwoord vraag 26.
Uit het interne stuk van Fortis blijkt dat controlerend accountant KPMG geen problemen zag in de dividendstripping-activiteiten van Fortis. De opmerkingen van KPMG zagen slechts op een betere procesbeheersing en administratieve vastleggingen. Hoe kijkt de Autoriteit Financiële Markten (AFM) aan tegen de rol van controlerende accountants als het gaat om dividendstripping?
De AFM houdt primair toezicht op accountantsorganisaties. De uitvoering van wettelijke controles door externe accountants speelt daarin een belangrijke rol, maar is niet de hoofddoelstelling van het toezicht. De AFM heeft geen onderzoek verricht specifiek naar de rol of betrokkenheid van externe accountants bij dividend stripping. De AFM heeft daarom geen concreet standpunt ingenomen ten aanzien van de rol of verantwoordelijkheid van externe accountants bij dividendstripping. De AFM is daarnaast gehouden aan geheimhouding, waardoor zij niet kan aangeven of zij bekend is met deze specifieke casus en de inhoud daarvan. In de periode van 2009–2022 heeft de AFM diverse rapportages uitgebracht over de accountancysector, en in algemene zin aandacht gevraagd voor de kwaliteit van uitgevoerde accountantscontroles.
Klopt het dat uit het interne stuk van Fortis blijkt dat controlerend accountant KPMG geen problemen zag in de dividendstripping-activiteiten van Fortis?
Ik beschik niet over het interne document. Op basis van de mij beschikbare informatie kan ik deze conclusie niet trekken.
Klopt het dat de opmerkingen van KPMG slechts zagen op een betere procesbeheersing en administratieve vastleggingen?
Zie antwoord vraag 29.
Hoe kijkt de AFM aan tegen de rol van controlerende accountants als het gaat om dividendstripping?
Zie antwoord vraag 28.
Tot wanneer ging het dividendstrippen door bij ABN Amro? Kunt u uitsluiten dat op dit moment binnen ABN Amro, en daaraan gelieerde bedrijven, nog activiteiten plaatsvinden op het gebied van dividendstrippen en/of vergelijkbare activiteiten?
Zie antwoord op vragen 2,3, 4 en 9. ABN AMRO heeft eerder aangegeven gestopt te zijn met cum/ex-transacties na de wetswijziging in Duitsland in 2012. In eerdere Kamerbrieven is ook opgenomen dat ABN AMRO de afgelopen jaren in toenemende mate beleid heeft geformuleerd en aangescherpt, waaruit blijkt dat de bank hoe dan ook niet (meer) betrokken wil zijn bij dividendarbitrage-activiteiten.
Het bericht ‘VS verbieden producten Huawei en andere Chinese bedrijven: ‘Onacceptabel risico voor nationale veiligheid’ |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Hind Dekker-Abdulaziz (D66) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht VS verbieden producten Huawei en andere Chinese bedrijven: «Onacceptabel risico voor nationale veiligheid»?1
Ja.
Bent u ook ook bekend met de op 13 december 2022 ingediende wetgeving in de Verenigde Staten om de toegang van Huawei tot banken te beperken?2
Ja.
Wat vindt de u van de ontwikkelingen in de Verenigde Staten om Huawei en andere Chinese bedrijven te beperken in het risico dat zij vormen ten aanzien van de nationale veiligheid? Acht u het ook wenselijk om in Nederland bedrijfsgebonden beleid te voeren gezien de geconstateerde veiligheidsrisico’s van het land van herkomst?
Het kabinet deelt de zorgen van de Verenigde Staten over veiligheidsrisico’s ten aanzien van China. Nederland is voortdurend over deze risico’s in contact met bondgenoten, waaronder de VS. De maatregelen die het kabinet treft om onze veiligheid te beschermen worden nationaal dan wel in Europees verband ingevoerd, via de daarvoor bestaande wettelijke kaders. Dit gebeurt altijd op een case-by-case benadering, voor zowel exportcontrole, investeringstoetsing als kennisveiligheidsmaatregelen. Dit is andere een aanvliegroute dan het bedrijfsgebonden beleid dat de VS voert, maar kent wel een eenzelfde doel: de bescherming van de nationale veiligheid tegen risico’s van (bedrijven uit) derde landen.
Huawei is geweerd uit het vitale kernnetwerk en tevens zijn bij ministeriële regeling nadere eisen opgelegd ten aanzien van te treffen technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen om de weerbaarheid van hun netwerk te verhogen. In de ministeriële regeling is opgenomen dat deze maatregelen op 1 oktober 2022 geïmplementeerd moeten zijn. Kunt u aangeven of deze maatregelen inmiddels geïmplementeerd zijn?
De ministeriële regeling veiligheid en integriteit telecommunicatie verplicht de mobiele netwerkaanbieders om op 1 oktober 2022 aan de in de regeling genoemde beheersmaatregelen te voldoen. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur is als aangewezen toezichthouder bezig met controle op het voldoen aan deze verplichting.
Kunt u inzichtelijk maken welke rol Huawei nu inneemt in de rest van het vaste en mobiele telecommunicatienetwerk? Is er bekend of daarbij nog gebruik gemaakt wordt van technologie van Huawei?
Telecomoperators hebben een diversiteit aan leveranciers in hun netwerken. Zij zijn daarbij gehouden de geldende maatregelen, zoals genomen onder de algemene maatregel van bestuur (AMvB) Veiligheid en Integriteit Telecommunicatie3, uit te voeren. De Rijksdienst voor de Digitale Infrastructuur houdt hier toezicht op.
Veiligheidsbeleid is maatwerk. Maatregelen moeten proportioneel zijn, passend bij de te beschermen belangen en de dreiging, en rekening houdend met de continuïteit van de dienstverlening. Op basis van een analyse van de Taskforce Economische Veiligheid naar de risico’s op telecommunicatienetwerken zijn eerder de benodigde maatregelen genomen om geïdentificeerde risico’s aan te pakken (Kamerstuk 26 643, nr.143).
De mobiele netwerk operators (MNO’s) zijn bij beschikking verplicht om in de kritieke onderdelen van hun netwerken uitsluitend gebruik te maken van producten en diensten van andere partijen dan de daarin genoemde leveranciers. Voor zover de MNO’s momenteel gebruik maken van producten of diensten van laatstbedoelde leveranciers in de kritieke onderdelen, is in deze beschikkingen met het oog op de continuïteit van dienstverlening een termijn opgenomen waarbinnen deze reeds in gebruik zijnde producten of diensten dienen te worden vervangen respectievelijk beëindigd. Gedetailleerde informatie over wie waar welke leverancier gebruikt, en welke uitfaseringstermijnen gelden wordt gezien als bedrijfsvertrouwelijke informatie. Deze informatie kan niet openbaar gemaakt worden in verband met toezeggingen die door de overheid zijn gedaan aan de telecomaanbieders omtrent de vertrouwelijkheid van de individuele beschikkingen en van de ten behoeve van die beschikkingen door hen aan de overheid verstrekte informatie.
Bent u bereid er bij telecomoperators op aan te dringen Huawei te weren uit het volledige telecommunicatienetwerk? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om ook de toegang van Huawei tot Nederlandse banken te beperken? Zo nee, waarom niet?
Nederland maakt een zelfstandige afweging ten aanzien van veiligheid. Als we informatie verkrijgen die erop zou kunnen wijzen dat aanvullende actie nodig is, zullen we daar naar handelen. Het kabinet houdt het beleid van andere landen daarin nauwlettend in de gaten.
Het bericht ‘ETZ verhoogt zorgdrempel, ziekenhuis is geen supermarkt’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «ETZ verhoogt zorgdrempel, ziekenhuis is geen supermarkt»?1
Ja.
Wat vindt u van het voornemen van het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis (ETZ) om de zorgdrempel te verhogen? Steunt u deze nieuwe beleidslijn? Zo ja, kunt u hiervoor uw overwegingen geven?
Mijn inschatting is dat het ETZ een drempel wil opwerpen voor het verlenen van niet medisch noodzakelijke zorg. Dat vind ik vanuit het perspectief van toegankelijkheid en betaalbaarheid een verstandig initiatief. Daarbij wil ik de indruk wegnemen dat met dit interview een nieuwe weg wordt ingeslagen. De verschillende veldpartijen waarmee ik in het kader van het Integraal Zorgakkoord (IZA) in gesprek ben zijn allen doordrongen van de noodzaak ervan.
Kunt u reflecteren op het «probleem» van «zelfredzame en veeleisende» zorgvragers, waaraan door het ETZ gerefereerd wordt? Wat is, naar uw mening, de reden dat steeds meer mensen het heft in eigen handen nemen en zorg «eisen»?
Er is niet één oorzaak aan te wijzen voor deze ontwikkeling. Recent is een signalement uitgebracht over «wensgeneeskunde».2 Een nieuw fenomeen is het zeker niet. In 1964 werd er in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde reeds melding gemaakt van veeleisende patiënten.3
Denkt u niet dat de stelselmatige bezuinigingen op de Nederlandse zorg en de uitholling van het zorgstelsel die daarmee gepaard is gegaan mede heeft geleid tot een populatie die in toenemende mate gefrustreerd is over dat zorgstelsel en over het feit dat zij vaak lang moeten wachten op zorg, moeten vechten voor een verwijzing, en/of niet de zorg krijgen die zij nodig hebben?
Nee dat denk ik niet. Er is immers geen sprake van stelselmatige bezuinigingen.
Is het niet onrealistisch om van burgers te verwachten dat zij zelf een inschatting kunnen maken op basis van de symptomen die zij ervaren, aan de hand waarvan zij medische zorg verzoeken? Hoe moet een leek weten of diegene slechts «gewoon rugpijn» heeft die vanzelf over gaat, of een MRI-scan nodig heeft voor nader onderzoek?
Huisartsen of medisch specialisten kunnen patiënten, wanneer daar een indicatie voor bestaat, (door)verwijzen naar een ziekenhuis. Burgers hoeven dus geen eigen afweging te maken.
Hoe verantwoord is het om patiënten zorg te ontzeggen, zonder dat duidelijk is of hun klachten ernstig zijn en/of nader onderzoek behoeven? Hoe groot is het risico dat hierdoor (ernstige) diagnoses worden misgelopen?
Het is aan de verwijzende huisarts of medisch specialist om die risico’s te vermijden door de medische noodzaak tot verwijzing zo scherp mogelijk te bepalen.
Hoe reflecteert u op de grote druk op de huisartsen, die daardoor vaak maar weinig tijd hebben om patiënten te zien en aan goede diagnostiek te kunnen doen, ten opzichte van de voorgenomen verhoging van de drempel voor onderzoek/behandeling in het ziekenhuis? Ontstaat hierdoor niet een nog grotere, noodgedwongen, prikkel bij huisartsen om patiënten dus maar niet door te verwijzen en daarmee mogelijk (te lang) te laten rondlopen met potentieel zorgwekkende symptomen?
Ik herken het vraagstuk van de grote werkdruk van huisartsen en ben daarover met hen in gesprek. Huisartsen hebben geen eigen belang bij niet, later of juist versneld doorverwijzen van hun patiënt.4
Heeft u cijfers met betrekking tot de hoeveelheid medisch niet-noodzakelijke handelingen die nu in ziekenhuizen worden verricht? Hoe wordt bepaald of een handeling «niet-noodzakelijk» is/was?
Ik beschik niet over kwantitatieve gegevens. Zie mijn antwoord op vraag 11 voor mijn reactie op het onderscheid tussen noodzakelijk versus niet noodzakelijk.
Aangezien preventie een belangrijke pijler is voor goede, efficiënte en zuinige gezondheidszorg, is het dan niet juist van belang om triage aan de voorkant van het zorgtraject zo gedegen mogelijk te maken, teneinde meer invasieve en kostbaarder medische handelingen in een later stadium te voorkomen, ook als dat betekent dat wellicht een percentage handelingen uiteindelijk onnodig zal blijken te zijn geweest?
Ik vind de term preventie hier ongelukkig gekozen. Maar als ik in plaats daarvan «het terugdringen van medisch niet noodzakelijke verwijzingen» mag lezen, onderschrijf ik het belang daarvan.
Weet u in hoeverre zorgverzekeraars een rol spelen in het opwerpen van een hogere zorgdrempel, aangezien het resultaat daarvan ook zal zijn dat zij minder hoeven te vergoeden?
Zorgverzekeraars hebben zorgplicht jegens hun verzekerden. Om daaraan te voldoen zullen zij vanuit hun rol als zorginkopers in gesprek gaan met zorgaanbieders om de daarvoor noodzakelijke zorg te contracteren. Met het oog op de (toekomstige) toegankelijkheid van noodzakelijke zorg voor hun verzekerden hebben zij hier een rol in te spelen.
Is er een afwegingskader waarbinnen zorgvragen in de toekomst worden geclassificeerd als «medisch niet-noodzakelijk» en wat zijn hiervoor de criteria? Wordt hiervoor bij alle zorgverleners een uniforme aanpak uitgerold en zo ja, op welke manier gaat dat gebeuren?
Ja, zo’n kader is er namelijk de richtlijnen van huisartsen5 en medisch specialisten6. Juist met het oog op de niet-noodzakelijke zorg zijn er daarnaast ook «beter-niet-doen» lijsten voor huisartsen7 en medisch specialisten8 gekomen.
Spelen financiële overwegingen mee bij het honoreren van bepaalde zorgvragen en/of diagnostiek, in zowel negatieve, als positieve zin? Worden zorgvragen voor mogelijke aandoeningen waar zorgorganisaties/verleners/verzekeraars potentieel aan kunnen verdienen sneller gehonoreerd dan zorgenvragen die geen geld opleveren? Zo ja, hoe verantwoordt u dat en op basis van welke criteria zal dit worden gedaan? Zo nee, kunt aantonen dat financiële belangen geen rol spelen?
Bij het bepalen van het behandelbeleid bij zorgvragen is de medische noodzaak en wat er medisch kan en (door de patiënt) gewenst is bepalend. Uiteraard spelen financiële overwegingen een rol als het gaat om de keuze uit medisch gelijkwaardige behandelmodaliteiten. Dan is in principe het goedkoopste alternatief preferent. Ik lees in het interview echter vooral het streven om door juiste keuzes de toegankelijkheid van noodzakelijke zorg te borgen.
Het bericht 'Boekenprogramma 'Brommer op zee' mocht toch doorgaan, maar dat hoorden de makers te laat' |
|
Lucille Werner (CDA) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Keek u ook wel eens naar het tv-programma «Brommer op zee»?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Boekenprogramma «Brommer op zee» mocht toch doorgaan, maar dat hoorden de makers te laat»?1
Ja.
Kunt u zich vinden in de suggestie die in het artikel wordt gedaan, namelijk dat de Nederlandse Publieke Omroep invloed uitoefent op de inhoud van programma’s? Kunt u specifiek ingaan op de genoemde voorbeelden «de NPO wilde én lange, inhoudelijke interviews met schrijvers, én gesprekken met lezers van de boekenclub» en «...zegt toenmalig netcoördinator van NPO2 Gijs van Beuzekom dat er meer interactie met de lezers moet komen»? Mag dit volgens de Mediawet?
Volgens de wettelijke taakopdracht van de publieke omroep moet de programmering gericht zijn op en een relevant bereik hebben onder zowel een breed en algemeen publiek, als bevolkings- en leeftijdsgroepen van verschillende omvang en samenstelling (artikel 2.1 Mediawet 2008). Het is aan de NPO en de omroepen om daar samen invulling aan te geven en de juiste afwegingen te maken. Dat vereist een goed samenspel tussen de NPO vanuit zijn wettelijke taak als coördinerend en sturend orgaan en de omroepen die de concrete vorm en inhoud van de programma’s bepalen. De NPO en de omroepen maken vooraf afspraken over inhoudelijke, financiële en bereiksdoelstellingen van programma’s (artikel 2.55 Mediawet 2008). De NPO toetst of programma’s voldoen aan die afspraken en aan de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik, vervat in het concessiebeleidsplan, de prestatieovereenkomst, de profielen van de aanbodkanalen, het coördinatiereglement en de begroting (artikelen 2.52 en 2.54 Mediawet 2008). Programma’s worden dus tegen die achtergrond voortdurend beoordeeld, geëvalueerd en aangepast of geschrapt. Zo ook in dit geval. Die dynamiek en vernieuwing is in het belang van de kijkers en luisteraars omdat zo de programmering actueel en aansprekend gehouden kan worden. Het is onvermijdelijk dat in het genoemde samenspel de inhoud van programma’s wordt betrokken voor zover dat strikt nodig is om tot goede programmering te komen. Bij de verzorging van eenmaal gecoördineerde programma’s gaan omroepen over vorm en inhoud. De NPO en de omroepen opereren onafhankelijk van de overheid. Het is niet aan mij om een oordeel te geven over de afwegingen die in het genoemde samenspel ten aanzien van programma’s, in dit geval «Brommer op zee», gemaakt worden.
Wat is in deze casus uw reflectie op de verhoudingen tussen de NPO en de omroepverenigingen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat voor soort contracten hadden medewerkers van het programma «Brommer op zee»?
De VPRO deelde mij hierover het volgende mee. Drie medewerkers zijn in vaste dienst bij de VPRO. Van zes medewerkers liep het contract af per 31 december 2022. Voor twee van hen is ander passend werk gevonden binnen de VPRO. Voor vier van hen geldt dat hun contract niet verlengd kon worden. De presentatoren zijn freelancers.
Wat vindt u ervan dat op 13 december 2022 de NPO meldde dat er vanaf 5 februari 2023 tóch ruimte is voor negen nieuwe afleveringen van «Brommer op zee», maar omdat meerdere redacteuren al nieuw werk hebben en ook de agenda’s van presentatoren Wilfried de Jong en Ruth Joos inmiddels vol zitten, die afleveringen er niet komen?
Goede samenwerking vereist goede communicatie. Ik kan niet reconstrueren hoe in dit geval de communicatie tussen de NPO en de VPRO is gelopen. Ik heb begrepen van de NPO en de VPRO dat er verder overleg is over een vervolg van een boekenprogramma.
Hoe zouden volgens u omroepverenigingen moeten werken aan meer vaste contracten voor medewerkers?
Ik heb in het debat over de mediabegroting op 28 november 2022 gezegd dat ik hierover stevige gesprekken ga voeren met de NPO en de omroepen om te kijken hoe en waar afspraken hierover vastgelegd kunnen worden.
Bent u bereid om, zoals besproken tijdens het wetgevingsoverleg Media van 28 november jl., dit voorbeeld mee te nemen in het gesprek met de NPO om te onderzoeken of papier en praktijk inderdaad niet hetzelfde zijn, en bij de uitwerking van de gewijzigde motie van de leden Werner en Sjoerdsma over het succes van NPO-programma’s niet afmeten aan kijkcijfers en marktaandelen2?
Ja.
Het bericht 'Bruggen, viaducten en nu een aquaduct dicht: dat kan geen toeval zijn, denken transporteurs' |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in het Friesch Dagblad «Bruggen, viaducten en nu een aquaduct dicht: dat kan geen toeval zijn, denken transporteurs»1? Zo ja, zou u op de belangrijkste bevindingen in dit nieuwsbericht willen reageren?
Ja.
In het artikel wordt aangegeven dat de situatie bij de Prinses Margriettunnel in de A7 achterstallig onderhoud als oorzaak zou hebben. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het betreft hier een onverwachte calamiteit. Onderhoud en inspecties aan de tunnel hebben altijd plaatsgevonden en niets wees op een situatie zoals die nu ontstaan is. Dat de tunnel nu is afgesloten betreur ik zeer en deze situatie is erg vervelend voor de regio en weggebruikers zoals transporteurs. Rijkswaterstaat doet er dan ook alles aan om deze situatie zo snel mogelijk op te lossen.
Het verkeer wordt omgeleid over de A31 en de A32. Rijkswaterstaat heeft nauw contact met de provincie Fryslân, de gemeenten Súdwest Fryslân en De Fryske Marren en de hulpdiensten om overlast in de regio door omrijdend verkeer zoveel mogelijk te beperken. Het is echter helaas niet uit te sluiten dat het in dorpen tijdelijk drukker is door sluipverkeer.
Zou u zich willen inspannen om tegelijk met de nodige reparaties ook het reguliere onderhoud aan de A7 naar voren te halen?
Rijkswaterstaat zal zich uiteraard inspannen om herstelwerkzaamheden en het in 2023 geplande reguliere onderhoud zo veel mogelijk gelijktijdig uit te laten voeren, om zo de overlast voor het verkeer en de omgeving zo beperkt mogelijk te laten zijn. Op dit moment is het echter nog niet bekend of dat ook daadwerkelijk mogelijk is, omdat het onderzoek naar de oorzaak en oplossingsrichtingen van het probleem bij de Prinses Margriettunnel nog loopt.
Wat gaat u, in samenwerking met de betrokken gemeenten en provincie, eraan doen om overlast in de gemeenschappen, waaronder economische schade, sluipverkeer, harder rijden door weggebruikers en onveilige verkeerssituaties door drukte zoveel mogelijk te voorkomen?
Rijkswaterstaat werkt met de hoogste prioriteit aan het oplossen van dit acute probleem. Het kost tijd om zorgvuldig de exacte oorzaak te achterhalen en de oplossing te bepalen. De inspanning is er op gericht om die tijd zo beperkt mogelijk te houden en de Prinses Margriettunnel zo snel mogelijk weer open te stellen voor verkeer.
Tijdens mijn bezoek op 11 januari jl. bevestigden de lokale bestuurders de goede contacten tussen de provincie, gemeenten en Rijkswaterstaat.
Zij werken nauw samen om de overlast tot een minimum te beperken en de omleidingsroutesm voortdurend zo veel mogelijk te optimaliseren. Zo zijn er bijvoorbeeld snelheidsbeperkingen ingesteld om verkeer veilig door dorpen en over bruggen te laten rijden en zijn op enkele locaties verkeerslichten geplaatst om langzaam verkeer veilig over te laten steken.
Zou u in kaart willen brengen of het probleem met ankers waarmee tunneldelen zijn vastgemaakt een breder probleem kan worden in de toekomst, ook bij andere infrastructuur?
Op dit moment is de exacte oorzaak van het probleem nog niet duidelijk. Daar doet Rijkswaterstaat momenteel onderzoek naar. Zodra de oorzaak bekend is, wordt in kaart gebracht of het een probleem is wat zich elders in Nederland voor kan doen.
Wat zegt in uw ogen het feit dat dit aquaduct in principe negentig jaar zou moeten meegaan, maar er halverwege de levensduur al ernstige problemen zijn, over de urgentie en de staat van het onderhoud aan dit soort infrastructuur in Nederland?
Omdat de oorzaak van dit onverwachte probleem bij de Prinses Margriettunnel nog niet bekend is, kan nu nog niets gezegd worden over wat het mogelijk voor andere infrastructuur in Nederland kan betekenen.
Zou u de Kamer willen informeren over de oorzaken van de problemen aan het aquaduct, zodra deze bekend zijn?
Ja, ik zal de Kamer zo spoedig mogelijk informeren zodra de oorzaak bekend is.
Wat zegt in uw ogen het feit dat niet de inspecteur, maar een ingeschakelde aannemer het bredere probleem bij dit aquaduct constateerde, over de vraag of de inspectie van infrastructuur in Nederland voldoende en goed genoeg geregeld is?
Alle reguliere inspecties en onderhoud aan de Prinses Margriettunnel zijn tijdig uitgevoerd. Niets wees daarbij op de situatie zoals die nu is ontstaan.
Een weginspecteur van Rijkswaterstaat heeft als eerste ontdekt dat er scheuren in het asfalt van de Prinses Margriettunnel zaten. Juist door het adequate optreden van deze weginspecteur kon tijdig de weg worden afgesloten om onveilige situaties te voorkomen. Daarna kon een uitgebreidere inspectie van de Prinses Margriettunnel plaatsvinden. Op basis van de uitkomsten daarvan, zijn circa 10.000 bigbags met zand geplaatst, waardoor de situatie op dit moment stabiel is. Experts richten zich nu op het onderzoek naar de exacte oorzaak en mogelijke oplossingen.
Hoe beziet u de analyse van Transport en Logistiek Nederland (TLN) over de urgente noodzaak van een overzicht van alle infrastructurele kunstwerken in Nederland en een bijbehorend programma voor planmatig beheer en onderhoud, en dat daar meer geld voor vrijgemaakt zou moeten worden?
Rijkswaterstaat rapporteert in de rapportage Staat van de Infrastructuur3 over de actuele toestand van het areaal. Op 30 november jl. heeft uw Kamer de laatste versie van deze rapportage ontvangen. Deze rapportage onderbouwt ook de eerdere boodschappen die met uw Kamer in de diverse instandhoudingsbrieven zijn gedeeld: het areaal nadert op delen het einde van de levensduur en voor een deel van de objecten is deze al overschreden. Daarnaast staat de levensduur onder druk omdat de kunstwerken in het verleden niet zijn ontworpen op de huidige omstandigheden en veranderd gebruik, zoals meer en zwaarder verkeer en grotere schepen. Dit speelt niet alleen op de RWS-netwerken maar ook op infrastructuur van andere beheerders.
Het is dan ook goed dat in het Coalitieakkoord deze problematiek is erkend en middelen beschikbaar zijn gesteld. De genoemde € 1,25 miljard is daarbij bestemd voor het inlopen van achterstanden bij beheer en onderhoud van onze wegen, bruggen, viaducten, vaarwegen én spoor en voor het onderhoud en renoveren en vervangen ervan in de toekomst.
Tegelijk met de rapportage Staat van de Infrastructuur is het door Rijkswaterstaat opgestelde prognoserapport Vervanging en Renovatie aan uw Kamer toegezonden.4 Het prognoserapport geeft een eerste globaal beeld van de objecten die komende periode aan vernieuwing toe zijn. Daarbij is ook een inschatting gegeven van de bijbehorende budgetbehoefte voor de looptijd van de investeringsfondsen (Mobiliteitsfonds en Deltafonds) en doorkijk naar 2050.
In het beleidsprogramma IenW 20225 is aangegeven dat er, ondanks de extra middelen uit het Coalitieakkoord, keuzes moeten worden gemaakt over prestatieniveaus voor instandhouding en nieuwe eisen aan de infrastructuur op het gebied van klimaatadaptatie, circulariteit en cyberveiligheid. De extra middelen uit het coalitieakkoord zijn niet toereikend om al onze wensen en ambities (tegelijk) te realiseren. In maart ontvangt u, voorafgaand aan het Commissiedebat strategische keuzes bereikbaarheid van 30 maart 2023, nadere informatie over het basiskwaliteitsniveau dat voor het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en het hoofdwatersysteem wordt nagestreefd, zoals aangekondigd in de brief van 11 november «Basiskwaliteitsniveau Rijkswaterstaat netwerken».6
De Nelson Mandelabrug betreft een gemeentelijke brug, de Merwedebrug wordt vervangen in het kader van het MIRT-project A27 Houten-Hooipolder.
Zou u de voorgaande vraag ook willen beantwoorden in het licht dat er in het coalitieakkoord weliswaar 1,25 miljard euro is vrijgemaakt voor onderhoud, maar dat dit bedrag bij lange na niet genoeg is om het achterstallige onderhoud aan wegen, bruggen en tunnels volledig aan te pakken?
Zie antwoord vraag 8.
Zou u de voorgaande twee vragen ook willen beantwoorden in het licht van recente voorvallen zoals het instortingsgevaar bij de Nelson Mandelabrug in Zoetermeer, maar ook de eerdere acute sluiting van de Merwedebrug bij de A27, en het aanhoudende pleidooi van de Tweede Kamer voor meer urgentie en een structurele aanpak van onderhoud, zoals ook verwoord in het opinieartikel van Kamerlid Jaco Geurts: «Het onderhoud aan bruggen is veel te lang verwaarloosd: ook in Nederland staan ze op instorten.»?2
Zie antwoord vraag 8.
Wat gaat u eraan doen om het proces waaraan Rijkswaterstaat nu bezig is: het grondig analyseren en permanent in beeld brengen van de staat van de infrastructuur en de kunstwerken die in beheer zijn bij Rijkswaterstaat, te bespoedigen?
Zoals bij het antwoord op vraag 10 al is aangegeven, heeft uw Kamer onlangs de rapportage Staat van de Infrastructuur ontvangen. Deze rapportage beschrijft een zo compleet mogelijk en feitelijk beeld van de actuele technische toestand van het areaal van de drie door Rijkswaterstaat beheerde netwerken. Het beeld is echter nog niet volledig. Aandachtpunten zijn het op orde krijgen van de areaaldata en de herijking van de prestatieafspraken. Deze worden opgepakt binnen het kader van het ontwikkelplan Assetmanagement.
Deelt u in het licht van de voorgaande vragen de opvatting dat het instellen van een nationale aanjager, als gezicht van onze «infraveiligheid» en al het onderhoud aan de Nederlandse infrastructuur om die veiligheid te bereiken, een raadzame stap is? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals ook aangegeven in antwoord 1, is er in de situatie bij de Prinses Margriettunnel in de A7 geen sprake van achterstallig onderhoud. Het betreft hier een onverwachte calamiteit. Onderhoud en inspecties aan de tunnel hebben altijd plaatsgevonden en niets wees op een situatie zoals die nu ontstaan is. De toegevoegde waarde van een nationale aanjager naar aanleiding van deze casus wordt daarom momenteel niet gezien.
De druk van de zorgverzekeraar op de huisarts voor het gebruik van een nieuw, onbekend en goedkoper spiraaltje |
|
Corinne Ellemeet (GL), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuws dat zorgverzekeraar VGZ huisartsen heeft proberen op te leggen om een nieuw, onbekend en goedkoper spiraaltje te gaan gebruiken?1
Ja.
Vindt u het wenselijk dat de soort spiraal en bijbehorende methode van inbrengen waar een huisarts mee moet werken, afhankelijk is van de voorkeur van individuele verzekeraars? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe zou hier eenduidig landelijk beleid op gevoerd kunnen worden?
Allereerst vind ik het belangrijk dat de patiënt kwalitatief goede zorg ontvangt.
De voorkeur van de zorgverzekeraar voor de Levosert spiraal betreft een toepassing van het preferentiebeleid. Het preferentiebeleid geldt voor een aantal onderdelen binnen de Zorgverzekeringswet. Het houdt in dat een individuele zorgverzekeraar kan bepalen welke vorm van zorg aangewezen wordt. Deze keuze mag echter niet ten koste gaan van de te leveren kwaliteit of beschikbaarheid van zorg. De gevolgen voor kwaliteit en beschikbaarheid van zorg moeten de verzekeraars ook meenemen in hun beleid. Het preferentiebeleid levert een bijdrage aan de betaalbaarheid en beschikbaarheid van geneesmiddelen. Ik sta dan ook achter het preferentiebeleid en vind niet dat hier een eenduidig landelijk beleid gevoerd moet worden. Wel ben ik van mening dat de uitvoering van het preferentiebeleid zorgvuldig dient te gebeuren en de kwaliteit en beschikbaarheid van zorg voor de patiënt daarbij goed geborgd wordt.
In het geval van hormoonspiraaltjes is goede afstemming met de beroepsgroep die de spiraaltjes moet plaatsen van belang. Dat is in deze specifieke casus in eerste instantie niet goed gegaan; inmiddels heeft VGZ het voorkeursbeleid voor de hormoonspiraal herzien.
Wat vindt u ervan dat een zorgverzekeraar uit kostenoverweging in dit geval een spiraal en in algemeenheid iets oplegt aan huisartsen/zorgverleners terwijl het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) uit zorgvuldigheid dit juist niet opneemt in praktijkrichtlijnen?
Zoals eerder aangeven in mijn antwoord op vraag 2, mag de keuze voor een preferent middel niet ten koste gaan van de kwaliteit van zorg.
Het NHG heeft aangegeven dat het niet helemaal juist is dat zij de Levosert niet heeft opgenomen in de NHG-Standaard Anticonceptie. Het NHG heeft voor deze spiraal nog geen plaats bepaald in de standaard, omdat deze nog niet beschikbaar was bij de vorige herziening van de standaard. Het NHG heeft in nieuwsberichten al wel aangegeven dat ze deze spiraal niet zonder meer aanbevelen, omdat bij de plaatsbepaling van spiralen niet alleen werkzame stof en dosering, maar ook het inbrengmechanisme meeweegt. De NHG-Standaard Anticonceptie beveelt aan dat de huisarts die de spiraal inbrengt, bepaalt welke spiraal hij/zij inbrengt, vanwege de verschillen die er zijn in inbrengmechanismen. De huisarts kiest voor de spiraal waar hij of zij ervaring mee heeft. Het NHG pleitte daarom in deze specifieke casus, vanwege de onbekendheid van veel huisartsen met het inbrengmechanisme van de Levosert, voor zorgvuldige introductie op kleine schaal, op basis van vrijwillige keuze door de huisarts2.
VGZ heeft aangegeven dat zij in eerste instantie op 4 november 2022 de nieuwe hormoonspiraal als preferent middel hadden aangewezen, omdat het dezelfde werking en hetzelfde kwaliteitsniveau heeft als het bestaande middel. Om de huisartsen zo goed mogelijk te informeren en te ondersteunen heeft VGZ afspraken gemaakt met de leverancier ter ondersteuning van de implementatie bij huisartsen. VGZ heeft een uitleg opgesteld en beschikbaar gemaakt via een instructievideo, er is gelegenheid geboden tot het stellen van vragen bij de leverancier en indien gewenst is het mogelijk om een demo pakket of hands-on training te krijgen. Dit past binnen het preferentiebeleid dat zorgverzekeraars mogen voeren.
Naar aanleiding van het bericht van 4 november ontving VGZ echter veel klachten en vragen van huisartsen over de bekendheid van de spiraal en plaatsing ervan bij patiënten. VGZ heeft deze signalen serieus genomen en vindt het belangrijk dat huisartsen vertrouwd zijn met de hormoonspiraal. Op basis van deze signalen en na overleg met huisartsen, de LHV en het NHG, heeft VGZ vervolgens besloten het voorkeursbeleid per 1 januari 2023 regionaal en gefaseerd te implementeren op basis van gezamenlijke ervaringen en afspraken3. Dit houdt in dat VGZ een project is gestart waarin een groep huisartsen kan ervaren en leren wat er nodig is om vertrouwd te raken met de nieuwe hormoonspiraal. Tijdens dit project wordt onder andere onderzocht welke scholing huisartsen nodig hebben en worden de ervaringen van huisartsen in de praktijk onderzocht. Totdat het project is afgerond vergoedt VGZ tijdelijk hormoonspiraaltjes van andere merken. En VGZ heeft toegezegd de huisartsen tijdig over deze vergoeding te informeren.
Hoe worden zorgverleners, zoals huisartsen, in positie gesteld om met zorgverzekeraars een gelijkwaardig gesprek te voeren over niet alleen de kosten, maar ook de kwaliteit van de te leveren zorg?
Zorgverzekeraars kunnen eigenstandig een afweging maken hoe zij de vergoedingsvoorwaarden van verzekerden invullen. Om doelmatigheidsredenen begrijp ik heel goed dat zorgverzekeraars keuzes maken ten aanzien van het preferentiebeleid. Maar ik vind het ook belangrijk dat zorgverzekeraars daarbij aandacht hebben voor de werkwijze van huisartsen (voorschrijvers) en apothekers. Indien het beleid van een zorgverzekeraar invloed heeft op de werkwijze van de behandelaar zou ik graag zien dat dit vooraf met de zorgverleners wordt besproken. Ik heb van VGZ begrepen dat zij de gang van zaken betreuren en hier in de toekomst rekening mee zullen houden.
Deelt u de mening dat deze casus laat zien dat te vaak een lage prijs leidend is boven kwaliteit? Zo nee, waarom niet? Hoe duidt u dit voorbeeld?
Zorgverzekeraars hebben de wettelijke taak om betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van zorg voor hun verzekerden te borgen. Voorkeurskeuzes die zorgverzekeraars binnen het preferentiebeleid maken, moeten altijd aan de gestelde kwaliteitskaders voldoen. Ik verwacht ook van zorgverzekeraars dat zij hun preferentiebeleid vormgeven met de hele zorgketen in gedachten; de rol van de behandelaar en de voorschrijver is immers ook relevant om betaalbaarheid, kwaliteit en toegankelijkheid te garanderen. In deze casus ging VGZ er in eerste instantie vanuit dat de nieuwe hormoonspiraal gelijkwaardig was aan de bestaande hormonspiraal voor wat betreft werkzame stof, dosering en afgiftepatroon. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Vindt u dat er voldoende waarborgen in het huidige systeem zijn om veiligheid en kwaliteit in plaats van prijs leidend te laten zijn? Zo ja, welke waarborgen zijn dat en werken deze voldoende? Zo nee, welke stappen gaat u zetten zodat er beter op kwaliteit gestuurd wordt?
Ja, ik ben van mening dat deze waarborgen voor veiligheid en kwaliteit er in het stelsel zijn. Zorgaanbieders zijn op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg verplicht om zorg van goede kwaliteit en van goed niveau aan te bieden. Zorg die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van cliënt.
Voor zorgverzekeraars geldt dat zij bij de inkoop van zorg op de kosten letten, zodat de premie betaalbaar blijft. Maar zij zijn in het kader van zorgplicht ook verplicht om er op te letten dat de ingekochte zorg van voldoende kwaliteit is en voldoende beschikbaar is. Dit geldt ook voor de inzet van het preferentiebeleid.
Om de kwaliteit en betaalbaarheid op langere termijn te garanderen, heb ik ook het Integraal Zorgakkoord afgesloten4. Hierin zijn afspraken gemaakt om ook in de toekomst er voor te zorgen dat er beter op kwaliteit wordt gestuurd.
De toenemende georganiseerde criminaliteit in Limburg |
|
Raymond Knops (CDA), Anne Kuik (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «De Limburgse politie worstelt met zware misdaad»1 en «In Limburg staat de poort voor misdaad wagenwijd open»2?
Ja.
Bent u het eens met de burgemeester van Maastricht dat er een urgentiebesef moet komen om de georganiseerde misdaad in Limburg een halt toe te roepen?
Ja. Ons land is helaas een cruciale spil in de internationale drugshandel. Om de georganiseerde misdaad in Limburg, maar ook in de rest van Nederland, een halt toe te roepen moeten álle onderdelen ervan worden aangepakt. Dat kan alleen met een brede aanpak, een lange adem en door een betere samenwerking tussen betrokken partijen, publiek én privaat, ook over onze landsgrenzen heen. De strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit is voor dit kabinet een topprioriteit. Er is daarom structureel geld vrijgemaakt om de aanpak op alle fronten uit te breiden.
Deelt u de zorgen dat Limburg een ideale schuilplaats lijkt te zijn voor de internationale Taghi’s? Hoe kunt u ervoor zorgen dat dit soort criminelen ons land niet meer kunnen gebruiken als een toevluchtsoord?
Het feit dat leden van (internationale) criminele groeperingen in Nederland verblijven, baart mij uiteraard zorgen. De brede aanpak van georganiseerde criminaliteit is er daarom (ook) op gericht om Nederland zo onaantrekkelijk mogelijk te maken als verblijf- of schuilplaats. Zo is fors geïnvesteerd in de opsporing en vervolging zodat criminelen nog sneller en effectiever worden aangepakt. Ook de inzet van de bestuurlijke aanpak tegen criminaliteit draagt ertoe bij dat criminelen zich minder makkelijk in Nederland kunnen vestigen door een bedrijf op te richten.
Hoe kunt u de effectieve samenwerking tussen politie, Openbaar Ministerie (OM), gemeenten, woningcorporaties, Belastingdienst en Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) verder uitbouwen/versterken, zodat we Limburg beter kunnen beschermen tegen (opkomende) georganiseerde misdaad?
Het kabinet zet fors in op de aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. De regionale aanpak is ook een belangrijk onderdeel van deze brede maatschappelijke opgave. Met Prinsjesdag 2021 is in totaal € 40 miljoen beschikbaar gesteld voor de versteviging van de regionale aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Ook wordt jaarlijks € 10 miljoen geïnvesteerd in de regionale Platforms Veilig Ondernemen om in heel Nederland de weerbaarheid van bedrijven tegen georganiseerde en ondermijnende criminaliteit te vergroten.
Deze aanpak wordt in Limburg door het RIEC Limburg en alle lokale partners vormgegeven. De aanpak kent drie versterkingspijlers: 1) «Criminele aanwas jeugd», met als doel het voorkomen dat jeugd op het criminele pad terecht komt, 2) «Weerbare samenleving», met als doel het voorkomen dat ondermijnende criminaliteit voet aan de grond krijgt en 3) «Intergemeentelijke bestuurlijke handhaving», met als doel het verstevigen van de bestuurlijke handhaving in de hele regio.
Binnen deze aanpak zijn meerdere initiatieven opgestart die bijdragen aan het terugdringen van ondermijnende invloeden in Limburg. Zo wordt bijvoorbeeld met het initiatief «Follow the Money» ingezet op het afpakken van crimineel vermogen. Ook wordt er nauw samengewerkt met private partners zoals het Platform Veilig Ondernemen, wordt ingezet op het verstevigen van de bestuurlijke handhaving, en het duurzaam versterken van de opsporingsdiensten zoals de politie en de Belastingdienst.
Op basis van het versterkingsplan van het RIEC Limburg heeft het Ministerie van JenV aan de regio structureel een bedrag van € 2.836.960 per jaar beschikbaar gesteld. Ook is de structurele algemene rijksbijdrage aan het Regionaal Informatie en Expertise Centrum Limburg (RIEC Limburg) met € 700.000 verhoogd. De resultaten van de regionale versterking verwacht het kabinet de komende jaren te gaan zien.
Bent u zich ervan bewust dat er sprake is van een disbalans, omdat 44% van alle verzoeken voor internationale rechtshulp die er landelijk binnenkomen in Limburg terechtkomt terwijl Limburg maar 8% van de nationale capaciteit heeft om deze af te handelen? Hoe kunt u zorgen voor een meer evenredige verdeling van de aanvragen voor internationale rechtshulp?
Ja, ik ben mij ervan bewust dat er sprake kan zijn van een disbalans. De verzoeken over en weer komen voort uit de geografische ligging van Limburg en de transitie van goederen, personen en voertuigen. Hierdoor heeft nagenoeg elk opsporingsonderzoek in Limburg een buitenlandcomponent. Het IRC is verplicht om hieraan te voldoen. Dit maakt dat evenredigheid alleen gerealiseerd kan worden door de capaciteit bij het IRC aan te passen aan het werkaanbod, dat naar de toekomst toe eerder meer en complexer wordt.
Daarom is onderzocht hoe er slimmer gewerkt kan worden met de bestaande capaciteit. De mogelijkheden daartoe blijken echter beperkt. Er wordt aan gewerkt om te komen tot een uniforme registratie, werkwijze, functionaliteiten en capaciteit. Dit proces bevindt zich in de beginfase, waardoor de effecten hiervan nog niet zichtbaar en meetbaar zijn. Ik hou de voortgang in de gaten en verwacht in de loop van het jaar beter zicht op de maatregelen.
In hoeverre deelt u de mening dat, gezien de geografische en demografische situatie in Limburg, het uiterst zorgwekkend is dat deze provincie met afstand de kleinste politie-eenheid heeft?
Politiecapaciteit is schaars, die schaarste wordt in alle eenheden gevoeld. De verdeling van de totale sterkte over de regionale eenheden is gebaseerd op de grootte van de eenheid voor de vorming van de nationale politie.
In de jaren daarna is nieuwe sterkte verdeeld over de eenheden op basis van de sterkteverdelingsystematiek die ten grondslag ligt aan de percentages voor politiesterkte per eenheid uit het Besluit verdeling sterkte en middelen, en op basis van politieke en/of bestuurlijke afspraken voortvloeiend uit maatschappelijke problematiek. De komende jaren wordt gewerkt aan een nieuwe sterkteverdelingsystematiek, waarbij ook de huidige demografische situatie in alle regionale eenheden tegen het licht zal worden gehouden.
Hoe kunt u de coördinatoren georganiseerde misdaad in de Limburgse regio versterken met kennis, training en kunde, zodat georganiseerde misdaad vroegtijdig kan worden herkend en opgerold en er maatwerk in de regio kan worden geleverd?
Binnen RIEC-verband wordt in Limburg goed samengewerkt. Dat wordt ondersteund door adequate organisatiestructuren op zowel bestuurlijk, strategisch als operationeel niveau. Zo kennen alle gemeenten coördinatoren bestuurlijke aanpak die als centraal punt fungeren binnen gemeenten. Zij kunnen voor kennis, training en kunde terecht bij het RIEC Limburg, maar ook voor ook daadwerkelijke ondersteuning met capaciteit door bijvoorbeeld specialisten op het terrein van de Wet Bibob, projectleiders en accountmanagers.
In hoeverre werkt het ministerie samen met de omringende landen en in Europees verband via bijvoorbeeld Europol om deze criminaliteit aan te pakken?
De Minister van Buitenlandse Zaken en ik hebben een internationaal offensief ingezet, waar de samenwerking met ons omringende landen integraal deel van uit maakt3. Dit doen onze ministeries samen met de Nederlandse diensten die al volop werken met internationale partners, zoals het Openbaar Ministerie, de politie, de Douane, de Koninklijke Marechaussee en de Fiscale inlichtingen en opsporingsdienst (FIOD). Samen met België, Frankrijk, Spanje, Duitsland en Italië hebben we een coalitie gesloten om samen op te trekken in de strijd tegen georganiseerde drugscriminaliteit. We hebben een actieplan vastgesteld en zijn nu gestart met de uitvoering.
In EU verband werken bovengenoemde diensten en andere partijen intensief samen in de zogenoemde EMPACT samenwerking (European multi-disciplinary platform against criminal threats) waarbij op basis van dreigingsanalyses en informatie gestuurd acties worden ondernomen tegen door de EU geprioriteerde criminele fenomenen en hoge risico criminele netwerken en hun machtsstructuren. Op basis van jaarlijkse actieplannen op deze fenomenen worden grootschalige opsporingsonderzoeken, controleacties en preventieve acties uitgevoerd en worden Joint Investigation Teams (JIT’s) ingesteld. De nationale instanties van lidstaten worden daarbij sterk ondersteund door Europol, Eurojust en andere EU agentschappen en werken ook met niet-EU landen en derde partijen samen. Europol ondersteunt de lidstaten met behulp van strategische, tactische en operationele analyses, faciliteert het leggen van contacten en samenwerking voor en relaties tussen opsporingsonderzoeken via onder meer de landendesks van de lidstaten bij Europol en verschaft veel hoogwaardige technische expertise via bijvoorbeeld haar Europol Cybercrime Center (EC3). In bijgesloten link vindt u de resultaten van de EMPACT samenwerking in 2021: EMPACT results in 2021 (europa.eu) 4
Hoe kunt u de tijdrovende bureaucratie die grensoverschrijdende opsporingsacties met zich meebrengen indammen? Bent u bereid om met uw Europese collega’s in gesprek te gaan om op korte termijn nauwere en effectievere samenwerking tussen (Europese) grenspolitie en lokale politie te bewerkstelligen?
Een overleg met mijn collega’s in België en Duitsland bestaat reeds. Wat betreft de samenwerking met België, zal het nog in werking te treden Benelux-politieverdrag (dit jaar) de grensoverschrijdende samenwerking makkelijker maken hetgeen de efficiëntie ten goede zal komen. In dit verband vinden reeds gesprekken plaats met de Benelux-landen. Om de samenwerking met Duitsland te verstevigen wordt overleg gepland met Duitsland over reguliere politiesamenwerking.
In hoeverre vindt u dat grensoverschrijdende informatie-uitwisseling tot op heden ontoereikend is gebleken? Hoe kunt u op korte termijn zorgen voor een intensievere samenwerking met internationale opsporingsdiensten om dit soort criminelen op te pakken, voordat ze onze grenzen over komen?
De grensoverschrijdende operationele samenwerking verloopt naar behoren en partijen weten elkaar te vinden. Om grensoverschrijdende informatie-uitwisseling meer te faciliteren loopt een aantal trajecten om de politie operationeel zonder hindernissen te kunnen laten samenwerken, informatie uit te wisselen en met elkaar te communiceren als ware er geen grenzen. Zo zal het aanstaande Benelux-politieverdrag de samenwerking nog meer faciliteren met meer mogelijkheden in de bestrijding van grensoverschrijdende drugscriminaliteit. De mogelijkheden worden in vergelijking met het huidige Senningen-verdrag uitgebreid met het oog op een nog nauwere samenwerking inzake de handhaving van de openbare orde en veiligheid en de voorkoming, verstoring en opsporing van strafbare feiten.
De uitbreiding van de grensoverschrijdende samenwerking ligt op het gebied van informatie-uitwisseling, te weten de rechtstreekse toegang tot elkaars politiedatabanken tijdens gezamenlijke acties en in gemeenschappelijke politieposten en uitwisseling van ANPR-gegevens volgens het eigen geldende recht. Het herziene Verdrag verruimt bovendien de mogelijkheden tot grensoverschrijdende achtervolging. Zo zal een rechtmatig ingezette achtervolging in het eigen land kunnen worden voortgezet over de grens, zonder de drempels voor strafbare feiten die de huidige regeling kenmerken.
Gelet op de bijzondere geografische ligging van Limburg is sprake van een samenwerkingsstructuur in het politieel samenwerkingscentrum genaamd EPICC tussen België, Duitsland en Nederland. Hun politiediensten werken sinds 2005 samen om politiële informatie uit te wisselen en rechtshulpverzoeken uit het grensgebied af te handelen. Nederlandse bijdragen aan EPICC-werkzaamheden vinden plaats via het Internationale Rechtshulpcentrum Limburg, waar het centrum bovendien is gevestigd. Vanuit de Nederlandse Politie wordt ook bijgedragen aan de potentiële doorontwikkelingsmogelijkheden van het EPICC. Samen met de operationele partners wordt gekeken naar hoe bestaande samenwerking verder kan worden versterkt.
Bij de aanpak van grensoverschrijdende ondermijnende criminaliteit speelt verder het Euregionaal Informatie- en Expertisecentrum (EURIEC) al enkele jaren een belangrijke rol om de bestuurlijke samenwerking tussen België, Duitsland en Nederland te verstevigen. Dat doet het EURIEC door het vergroten van bewustwording bij lokale bestuurlijke overheden in de drie landen en door de kansen en uitdagingen bij grensoverschrijdende informatie-uitwisseling te onderzoeken. Daarnaast ondersteunt het EURIEC ook bij concrete casuïstiek met een internationale component. Inzet daarbij is om te voorkomen dat criminelen die aan de ene kant van de grens effectief worden geweerd, aan de andere kant van de grens ongestoord hun criminele activiteiten kunnen voortzetten.
Ondanks de grote inspanningen van alle betrokken partijen zijn we er nog niet. Ik zal mijn beleid nog meer richten op het zichtbaar maken van obstakels die een effectieve grensoverschrijdende informatie-uitwisseling in de weg staan en daar oplossingen voor aandragen.
Op 14 december jongstleden is met MKB-Nederland en VNO-NCW het nieuwe Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 vastgesteld: hoezeer is daarin ook rekening gehouden met de gegevensuitwisseling tussen private en publieke partijen in de aanpak van criminaliteit?
Bij de uitwerking van de inhoudelijke thema’s van het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 is aandacht besteed aan een aantal strategische invalshoeken – die als rode draad door het actieprogramma lopen – waaronder informatie- en gegevensdeling. Gedurende het actieprogramma onderzoeken we hoe we meer gestructureerde informatiedeling kunnen aanmoedigen, waar de ruimte in de wetgeving zit voor gegevensdeling met private partners en zoeken we goede praktijkvoorbeelden op het gebied van informatie- en gegevensdeling om breder onder de aandacht te brengen. Daarbij is ook aandacht voor de vraag hoe informatie uit de opsporing, bijvoorbeeld trends en modus operandi, ondernemers kan helpen.
Het bericht ‘Kennis in kinderopvang over wat te doen na misbruik en mishandeling schiet tekort’ |
|
Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kennis in kinderopvang over wat te doen na misbruik en mishandeling schiet tekort»?1
Ja.
Bent u in overleg met de sector over hoe dit probleem zo effectief mogelijk aangepakt kan worden? Zo nee, bent u bereid om dit te doen?
Ja, ik ben in overleg met de brancheorganisaties om de kennis over de
meld-, overleg- en aangifteplicht (hierna: MOA) te vergroten. Een eerste stap is door de Inspectie van het Onderwijs (hierna: IvhO) gezet door het verspreiden van een flyer «Vertrouwensinspecteurs voor onderwijs en kinderopvang: een luisterend oor en een goed advies».2 Verder voeren de brancheorganisaties overleg met elkaar en met hun leden over hoe de twijfels en aarzeling in het handelen rondom de MOA kunnen worden aangepakt.
Is de Inspectie van Onderwijs (de inspectie) in overleg getreden met de relevante veldpartijen om te bezien hoe dit probleem opgepakt kan worden? Zo nee, bent u bereid om de inspectie aan te sporen dit op korte termijn te doen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, heeft de inspectie een flyer uitgegeven. Deze bevat uitleg van de MOA en de rol van de vertrouwensinspecteur. De flyer is verstuurd naar alle houders en locatiemanagers van kindercentra, houders van gastouderbureaus en besturen van scholen. Via de website van de IvhO blijft de mogelijkheid bestaan om de flyer door een ieder te downloaden. Ook zal de IvhO met mij meewerken aan het opstellen van informatiemiddelen gericht op specifieke doelgroepen om de bekendheid rondom de MOA te vergroten zoals hierna is genoemd in het antwoord op vraag 4.
In de themaverdieping in het Landelijk rapport gemeentelijk toezicht kinderopvang 2021 is naar voren gekomen dat in de sector en in het toezicht de alertheid op de bekendheid van de MOA in de sector scherper kan.3 Uit de themaverdieping blijkt dat een deel van de verbeterslag die kan worden gemaakt bij GGD GHOR Nederland ligt, namelijk vertaling van de wettelijke voorwaarden naar de items in de inspectierapporten. GGD GHOR Nederland gaat, in samenspraak met de VNG, dit jaar wetteksten en de vertaling daarvan in de itemlijsten naast elkaar leggen om te onderzoeken welke verbetering kan bijdragen aan beter toezicht op de MOA.
Een ander deel ligt bij de IvhO en GGD GHOR Nederland samen, namelijk het door de IvhO bevorderen van de deskundigheid bij GGD’en over de kennis van de MOA en de vertrouwensinspecteur. De IvhO en GGD GHOR Nederland organiseren hiervoor reeds een jaarlijkse themadag. Sinds 2022 is dit aangevuld met digitale opfriscursussen en een vragenuur die meerdere keer per jaar georganiseerd worden. In 2022 heeft de IvhO bij alle GGD’en geïnventariseerd of zij behoefte hebben aan deskundigheidsbevordering over de vertrouwensinspecteur en de MOA. Bij de GGD’en die daar behoefte aan hebben, zal de vertrouwensinspecteur in 2023 een bezoek brengen. Het toezicht op de MOA draagt bij aan bewustwording van de MOA bij de houders.
De IvhO onderhoudt daarnaast contacten met de branchepartijen. De IvhO heeft bijvoorbeeld een presentatie over de vertrouwensinspecteur verzorgd en input geleverd aan aanbieders van trainingen over grensoverschrijdend gedrag. De IvhO besteedt in deze contacten aandacht aan de noodzaak tot kennisbevordering en zal dit blijven doen.
Hoe zet u zich, samen met de sector, in om de bekendheid van de meld-, overleg- en aangifteplicht (moa) te vergroten? Welke stappen bent u specifiek voornemens te zetten om de bekendheid over het belang van de moa te vergroten onder stagiaires en vrijwilligers?
Ik heb bij de branchepartijen navraag gedaan waar specifieke behoefte ligt omtrent het vergroten van de bekendheid van de MOA. Hieruit is gebleken dat met name informatiefolders gericht op specifieke doelgroepen geschikt zouden zijn. Ik ga deze dan ook dit jaar laten maken en verspreiden. Vervolgens zal bekeken worden in hoeverre er behoefte is aan aanvullende middelen, zoals informatiefilmpjes of infographics.
In de informatievoorziening zal gericht aandacht worden besteed aan wat er specifiek verwacht wordt van (en wat de verschillen zijn voor) houders en medewerkers in de kinderopvang, gastouders, stagiaires en vrijwilligers. Ook in de nieuwsbrief van SZW zal ik aandacht besteden aan de MOA.
Naast het vergroten van de bekendheid voeren, zoals hierboven aangegeven, de brancheorganisaties overleg met elkaar en met hun leden over hoe de handelingsverlegenheid kan worden aangepakt.
Wordt er momenteel voldoende aandacht in de opleidingen besteed met betrekking tot de omgang met situaties waarin er misbruik of mishandeling plaatsvindt? Zo nee, hoe kan dit beter geïntegreerd worden in de relevante opleidingen?
In de twee meest gangbare opleidingen gericht op de kinderopvang, namelijk Pedagogisch medewerker kinderopvang en Gespecialiseerd pedagogisch medewerker, is kennis van relevante wetgeving standaard onderdeel van de opleiding. Dit omvat de Wet kinderopvang, AVG en Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De MOA is onderdeel van de Wet kinderopvang.
Overigens hebben de grootste examenleveranciers in zorg- en welzijnsopleidingen in het mbo geven aan dat de MOA niet standaard expliciet aan bod komt in de examinering. In voorkomende gevallen is het wel onderdeel bij toetsing van het «pedagogisch klimaat», «professionele ontwikkeling en kwaliteit» en «leven en ontwikkelen in een veilige sfeer».
Heeft u een specifieke aanpak om de bekendheid over het belang van de moa te vergroten in de gastouderopvang en kleine aanbieders van kinderopvang? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat deze groep aanbieders niet achterblijft in het naleven van de moa?
De informatie over de MOA zal de gastouderopvang en de kleine aanbieders ook bereiken. De in antwoord 2 genoemde flyer is naar alle houders en locatiemanagers van kinderopvangorganisaties verstuurd, waaronder de gastouderbureaus. Uit de wet volgt dat het gastouderbureau alle aangesloten gastouders op de hoogte moet brengen van de MOA en de kennis ervan in stand houdt en bevordert. Zoals aangegeven in antwoord 4, zal in de informatievoorziening om de bekendheid verder te vergroten, gericht aandacht besteed worden aan wat er van een houder, gastouder, vrijwilliger, stagiaire en medewerker verwacht wordt. Ik blijf mij hiervoor inzetten.
Het artikel ‘Thijs Zonneveld: "Alleen een topsporter voor de klas is niet genoeg"’ |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Thijs Zonneveld: «Alleen een topsporter voor de klas is niet genoeg»»?1
Ja.
Bent u bekend met de business case «Sporthelden op School» en afgeronde pilot van Thijs Zonneveld in samenwerking met het Sportbedrijf Rotterdam, waarbij de samenwerking tussen topsporters, sportverenigingen, gemeenten en het onderwijs wordt gestimuleerd?
Ja, ik ben bekend met deze business case en afgeronde pilot. Op 12 januari jl. heeft een gesprek op ambtelijk niveau plaatsgevonden waar de heren Zonneveld, Luyendijk en Demuyt de details hiervan nader hebben toegelicht.
Bent u het eens dat een verbinding tussen onderwijs, sportverenigingen en gemeenten een positief effect kan hebben op het aantal kinderen dat in aanraking komt met sport en dat met name kinderen in kwetsbare posities juist via het onderwijs bereikt kunnen worden?
Ik ben het eens dat een verbinding tussen onderwijs en sportsector bij kan dragen aan de kans voor (kwetsbare) kinderen om in aanraking te komen met sport en bewegen. Vanuit het onderwijs komt ieder kind vanaf de basisschoolleeftijd in contact met bewegingsonderwijs en in toenemende mate ook met sport- en beweegaanbod gedurende de lesdag zoals pauzespelen, bewegen tijdens de les en naschools aanbod2. Voor juist de groep kinderen in een meer kwetsbare positie investeert dit kabinet sinds de zomer middels het programma School en Omgeving in het realiseren van een extra naschools of tussenschools aanbod om kinderen meer te kunnen bieden naast de reguliere lestijd.
Vanuit het Ministerie van VWS omarmen we het programma School en Omgeving, en de mogelijkheid die het programma biedt voor extra sport- en beweegmomenten. We werken dan ook mee aan dit landelijke programma dat is opgezet door het Ministerie van OCW. Daarbij faciliteren we de sportaanbieders (zowel de verenigingen als de commerciële aanbieders) om aan dit programma deel te nemen en de samenwerking lokaal met schoolbesturen aan te gaan.
Bent u het eens dat een buurtsportcoach vanuit de sportvereniging het contact met het onderwijs een belangrijke rol kan spelen in het betrekken van niet alleen kwetsbare kinderen bij de sportvereniging, maar een rol heeft om alle kinderen in contact te brengen met verschillende takken van sport?
Ja, in die zin dat de buurtsportcoach zowel vanuit de gemeente, het onderwijs als de sportsector een belangrijke rol vervult. Sinds de ingang van de regeling in 2008 is de buurtsportcoach een verbinder en aanjager voor sport en bewegen voor alle kinderen binnen het netwerk van lokale partijen. Ook met de herziening van de brede regeling combinatiefunctionaris blijft die rol van kracht en zie ik de buurtsportcoach ook in nabije toekomst als kennispartner, uitvoerder en coördinator en daarmee als spin in het lokale web.
Op welke wijze kunt u de businesscase «Sporthelden op School» betrekken bij het opzetten van de pilots van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zoals toegezegd door de Minister voor Langdurige Zorg en Sport en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tijdens respectievelijk het wetgevingsoverleg Sport en Bewegen (28 november jl.) en het commissiedebat Leefstijlpreventie (14 december jl.), om de infrastructuur van het onderwijs dichter bij de infrastructuur van de sportsector te brengen?
Daar kan ik nog geen uitspraken over doen omdat we met de verkenning over de nadere invulling van deze pilots in het begin van 2023 starten. Daarbij zal ook de sportsector worden betrokken. Wel kan ik de businesscase in deze verkenning meenemen.
Kunt u het voorbeeld van de businesscase «Sporthelden op School», die een maatschappelijke inzet van topsporters aan de sportsector vraagt om deze sterker en krachtiger te maken, betrekken bij de herijking van de stipendiumregeling om te zorgen dat onze Nederlandse topsporters voor deze maatschappelijke inzet gewaardeerd worden?
Ik werk in het eerste halfjaar van 2023 samen met NOC*NSF en VSG de afspraken uit het Sportakkoord II uit. Voor de topsport ontwikkelen we een strategisch kader om de maatschappelijke waarde van topsport te vergroten. De inzet van topsporters op scholen kan hierbij een concrete actie zijn. Ik wil dit voorbeeld dan ook vanuit dit topsportkader nader bekijken en vandaar uit een eventuele maatschappelijke inzet van (top)sporters in de stipendiumregeling bezien. Zoals ik tijdens het WGO op 28 november jl. al aan gaf is het nadeel van een extra verplichting op de stipendiumregeling dat het ten koste gaat van trainingsprogramma’s. En nog belangrijker, het moet uit mensen zelf komen en bij iemand passen en doordat topsporters met hun topsport waardevolle prestaties leveren dragen ze ook al bij aan maatschappelijke waarde van topsport.
Het door u ingediende amendement3 beschrijft de inzet van € 200.000 uit de niet-juridisch verplichte middelen op artikel 6 Sport en bewegen voor de herijking van de stipendiumregeling. Een herijking van het totale voorzieningenpakket voor topsporters waar de stipendiumregeling deel van uitmaakt, wordt momenteel uitgevoerd door NOC*NSF die hierin de regie neemt. Deze herijking zal na Parijs 2024 tot veranderingen leiden. Om de € 200.000 als beschreven in het amendement op de korte termijn efficiënt te benutten, stel ik voor om deze te koppelen aan de inzet van topsporters op scholen als concrete actie voor 2023 in Sportakkoord II. Om zo bij te dragen aan het inzetten van topsporter voor het stimuleren van bewegen onder scholieren.
Het bericht ‘Regering Curaçao is het oneens met hof en wil niet dat huwelijk wordt opengesteld’ |
|
Roelien Kamminga (VVD) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de regering van Curaçao in cassatie wil gaan tegen een gerechtelijke uitspraak van Het Gemeenschappelijke Hof van Justitie met betrekking tot het openstellen van het huwelijk van personen van hetzelfde geslacht?1, 2
Ja.
Bent u het ermee eens dat het van het grootste belang is dat alle inwoners van het Koninkrijk der Nederlanden en dus ook Curaçao, de mogelijkheid hebben om met een partner van hetzelfde geslacht te kunnen trouwen? Indien dit niet het geval is, waarom niet?
Ik ben het daar zeker mee eens. Ik vind het ook van groot belang dat overal binnen het Koninkrijk zorg wordt gedragen voor de verwezenlijking van de fundamentele mensenrechten. De keerzijde is echter dat die verwezenlijking in beginsel aan de autonome landen zelf is. Wat wel uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt, is dat er een positieve verplichting op staten rust die het huwelijk niet openstellen voor partners van gelijk geslacht. Deze positieve verplichting houdt in dat er een alternatief, zoals bijvoorbeeld een vorm van een geregistreerd partnerschap, wettelijk moet worden verankerd. Een contractuele lappendeken, zoals het EHRM het noemt, is niet gelijkwaardig aan een wettelijk stelsel. Veel rechtsgevolgen van het huwelijk zijn immers niet contractueel te bereiken. Deze verplichting geldt ook voor de landen binnen het Koninkrijk.
Kunt u aangeven wat de Nederlandse regering de afgelopen jaren heeft gedaan op het gebied van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht in haar relaties met de autonome landen?
In 2010 is het Pink Orange Akkoord gesloten tussen de lhbtiq+ organisaties binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Het Ministerie van OCW ondersteunde deze Pink Orange Alliantie van 2012 tot 2017 door middel van subsidies voor emancipatie. Hiermee zijn jaarlijks verschillende activiteiten op de eilanden georganiseerd voor emancipatie van de lhbtiq+ gemeenschap. Ook met het huidige emancipatiebeleid wordt ingezet op de voortzetting van het Pink Orange Akkoord. Deze heeft tot doel om de lhbtiq+ organisaties te versterken om zo gelijke rechten en acceptatie van lhbtiq+ personen in het Caribische gebied te verwezenlijken. De Minister van OCW heeft als coördinerend Minister voor emancipatie tijdens zijn bezoek aan Aruba, Bonaire en Curaçao in januari 2023 tevens aandacht gevraagd voor de gelijke rechten van de lhbtiq+ gemeenschap.
Vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) zijn er onder andere verschillende gesprekken gevoerd met diverse op de landen gevestigde belangenpartijen. Daarnaast heeft BZK in 2022 een subsidie gegeven aan de organisatie van het Pride festival op Curaçao waar ook een medewerker van de Nederlandse Vertegenwoordiging, namens BZK, heeft gespeecht. Ook heb ik het onderwerp in het kader van de toezegging3 aan het lid Dittrich in verschillende overleggen met de landen ter sprake gebracht.
Verder wordt er bij de dienstreizen van bewindslieden steeds meer aandacht gevraagd voor de (geschiedenis van de) lhbtiq+ gemeenschap op de eilanden. Zo is de Minister van Justitie en Veiligheid recentelijk meegenomen op een tour door Otrabanda op Curaçao waarbij stilgestaan werd bij de uitdagingen voor de gemeenschap.
Heeft u contact gehad met de Curaçaose regering over het voornemen om in cassatie te gaan tegen de gerechtelijke uitspraak? Zo ja, op welke wijze?
Ja, er is contact geweest met de Curaçaose regering over de beweegredenen om cassatie in te stellen. Het al dan niet instellen van cassatie blijft wel een aangelegenheid van het land zelf. Aruba heeft overigens nog geen beslissing genomen over het wel of niet instellen van cassatie.
Kunt u een indicatie geven van het geschatte aantal huwelijken van personen van hetzelfde geslacht dat doorgang zou kunnen vinden als de gerechtelijke uitspraak van het Gemeenschappelijke Hof van Justitie gehandhaafd blijft? Zo ja, hoe groot is dit aantal?
Een grove schatting zou zijn dat het om tientallen huwelijken zou gaan.
Wat vind u van het feit dat een geregistreerd partnerschap op Aruba wel mogelijk is voor personen van hetzelfde geslacht, maar dit op Curaçao niet het geval is?3
Zoals ik bij de beantwoording van vraag 2 heb aangegeven: het is in beginsel aan het autonome land zelf om zorg te dragen voor de verwezenlijking van de fundamentele mensenrechten. Ook heb ik de positieve verplichting die uit de jurisprudentie van het EHRM volgt benoemd. Aruba heeft een eerste stap gezet met het wettelijk verankeren van een geregistreerd partnerschap. Al is hierbij wel de kanttekening te plaatsen dat het op dit moment nog niet helemaal een volwaardige vervanging is van het huwelijk daar de rechtsgevolgen nog niet hetzelfde zijn. Overigens is door het Hof geoordeeld dat ook Aruba het discriminatieverbod heeft geschonden door partners van gelijk geslacht uit te sluiten van het huwelijk.
Naast de schending van het discriminatieverbod, heeft het Hof geoordeeld dat Curaçao ook de door het EHRM bepaalde positieve verplichting heeft geschonden. Dit baart mij zorgen. Van belang is dat zij de mensenrechten in dit kader in ieder geval borgen. Feit is immers dat er iets zal moeten gebeuren. Ik zal de uitkomst hiervan nauwgezet volgen.
Wat is volgens u de impact van de uitspraak van het Gemeenschappelijke Hof van Justitie op de andere landen binnen het Koninkrijk? Hoe ziet u de dialoog met de autonome landen binnen het Koninkrijk op dit onderwerp in de toekomst?
Het Hof heeft op dezelfde datum ook vonnis gewezen in een Arubaanse zaak, met dezelfde conclusie. Uw vraag lijkt dan met name te zien op de impact van deze uitspraken op Sint Maarten. Mocht dit vonnis overeind gehouden worden door de Hoge Raad dan heeft dit zeker impact op Sint Maarten, daar de wettelijke kaders gelijkluidend zijn als op Aruba en Curaçao. De dialoog wordt op dit moment gevoerd in het kader van de toezegging aan het lid Dittrich. Dit heeft door de gevolgen en beperkingen van COVID vertraging opgelopen.
De aanpak van criminele families |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Brabantse families meest gelinkt aan drugscriminaliteit»?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat de misdaadcijfers over de criminele families die zijn gepubliceerd in de Onderwereldkaart van RTL Nieuws, waaruit blijkt dat 36% van de drugsverdachten tussen 2012 en 2020 ook een familielid had dat verdacht werd van een drugsdelict, zorgwekkend zijn en hierop actie nodig is?
Ja, dat ben ik met u eens.
Welke verklaring(en) hebt u voor deze hoge aantallen, in algemene zin en specifiek in bepaalde provincies?
De onderzoekers Hans Moors en Toine Spapens geven in hun rapport «Criminele families in Noord-Brabant» de verklaring dat in bepaalde provincies families zich al vele generaties bezig houden met georganiseerde criminaliteit2. Dat er in bepaalde provincies meer criminele families zijn kan, volgens bovenstaande onderzoekers, toegeschreven worden aan regionale historische gebeurtenissen en ontwikkelingen. Te denken valt aan het ontstaan van armoede in bepaalde regio’s door het dalen van de werkgelegenheid, maar ook aan de historische context van de regio, en de ligging van de regio zoals langs de landsgrens. Zo vloeit de verbondenheid met Noord-Brabant, volgens het rapport, voort uit de diepe wortels die zijn ontstaan door weinig verhuismobiliteit naar buiten de regio en langdurig ervaren steun door deel uit te maken van de gesloten gemeenschappen in dorpen.
Hoe definieert u de term «criminele families»? Welke criteria zijn hieraan verbonden?
Ik benut de definitie die ook gehanteerd wordt in het rapport «Criminele families in Noord-Brabant»: «families die zich bezig houden met de georganiseerde criminaliteit.» Onder «familie» wordt verstaan «de brede kern van (groot)-ouders, kinderen, ooms en tantes, neven en nichten (extended family) en hun partners.»
Hebt u duidelijk in beeld welke knelpunten naar voren komen in de aanpak van criminele familienetwerken en welke acties u daartoe kunt nemen?
In voornoemd rapport van Hans Moors en Toine Spapens wordt erop gewezen dat een quick fix bij criminaliteit door familienetwerken niet te vinden is. Leden van criminele families blijven graag buiten beeld bij uiteenlopende overheidsinstanties. In de richting van de opsporingsinstanties worden allerlei, veelal relatief simpele afschermingsmethoden toegepast, zoals blijven zwijgen of alles ontkennen. Daarnaast vergt de aanpak van criminele families een integrale aanpak vanuit de diverse overheidsinstanties. Dat maakt een effectieve aanpak gecompliceerd. Er wordt geconcludeerd dat criminele families van elkaar verschillen en dat maatwerk en strategische planning geboden zijn.
Dit maatwerk kan onderdeel uitmaken van lokale en/of regionale aanpakken van gemeenten, zoals in het kader van de aanpak Preventie met gezag. Bij deze aanpak wordt ingezet op het voorkomen van (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit, met name in die wijken en gebieden waar de risico’s voor afglijden groot zijn. Professionals in de wijk, die de jongeren en hun gezinnen kennen, weten nu eenmaal wat er speelt. Met deze aanpak zijn we er vroeg bij; al vanaf de basisschool, met gebruik van effectief bewezen interventies. Er wordt ondersteuning ingezet voor de gezinnen en op de omgeving, zoals vrienden, school en werk. Ook zorg- en veiligheidshuizen kunnen met een persoonsgerichte aanpak een rol spelen in het doorbreken van crimineel gedrag. We investeren fors in criminaliteitspreventie met de gemeenten en justitiële partners in de sleutelrol.
Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid heeft een integrale werkwijze ontwikkeld om criminaliteit binnen familienetwerken aan te pakken. In vijf stappen beweeg je van het opvangen van eerste signalen naar onderzoeken en weten wat er aan de hand is, naar beleidsontwikkeling, uitvoering en voortzetten van de aanpak.
Naast de preventieve aanpak, bestaan er diverse interventies die erop gericht zijn om de risicofactoren te verminderen. Voorbeelden hiervan zijn het terugdringen van drugsgebruik, het verstoren van netwerken en verdienmodellen, de aanpak van logistieke knooppunten en de aanpak van criminele geldstromen3. In de aanpak van de georganiseerde misdaad zetten opsporingsdiensten ook meer in op een strategische aanpak van criminele machtsstructuren om niet alleen kopstukken op te pakken, maar het hele netwerk bloot te leggen en te ontmantelen.
Welke maatregelen neemt u op dit moment om te voorkomen dat criminele carrières binnen de georganiseerde misdaad worden overgedragen van generatie op generatie? Hoe worden specifiek jongeren geholpen om op het rechte pad te blijven?
Hiervoor wil ik u verwijzen naar de brief over de brede preventieaanpak (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit van 1 juli 20224. We investeren samen met de betrokken partners in een brede domein overstijgende preventieve aanpak die moet voorkomen dat kinderen, jongeren en jongvolwassenen in de leeftijd van 8 tot en met 27 jaar in aanraking komen met criminaliteit of daarin verder doorgroeien. We werken aan een lokale, wijkgerichte aanpak. De middelen worden ingezet in gebieden waar de problematiek het hevigst is. De aanpak bestaat uit drie pijlers: voorkomen dat kinderen en jongvolwassenen in aanraking komen met of verleid worden door het criminele circuit; voorkomen dat zij illegale activiteiten uitvoeren of een misdaad plegen; en voorkomen dat zij doorgroeien in de criminaliteit of opnieuw een misdaad plegen. De aanpakken zijn verschillend omdat ze zijn aangepast op de lokale situaties. Deze aanpak wordt aangevuld met versterking van de jeugdstrafketen, door de samenwerking in de jeugdstrafrechtketen te versterken en met de (door)ontwikkeling van straffen en maatregelen voor risicogroepen, zoals doorgroeiers en verharde jonge criminelen.
Bent u op de hoogte van de aanpak van criminele families in Tilburg, in de vorm van een coach die een vertrouwensrelatie opbouwt binnen dergelijke families?2 Bestaan er meer van dit soort initiatieven in andere gemeentes? Indien ja, kunt u er een aantal beschrijven?
Ik ben op de hoogte van de aanpak van criminele families in Tilburg. Zoals ook genoemd, in de voortgangsrapportage high impact crimes 2021–20226 kenmerken gesloten culturele gemeenschappen zich door interne, vaak van de samenleving afwijkende, waarden en normen. Binnen deze systemen is vaak sprake van intergenerationele overdracht van criminaliteit. Dit terwijl hulpverlening geen toegang heeft tot deze gezinnen. Daarom ben ik in 2022 een samenwerking gestart met het Leger des Heils, waarbij eerst bestaand onderzoek over gesloten culturele gemeenschappen wordt samengebracht. Vervolgens wordt een onderbouwde aanpak ontwikkeld die in pilotvorm wordt getest en die met name tot doel heeft de toegang voor professionals, mogelijke coaches, tot deze gemeenschappen te verbeteren.
Bent u het eens met de stelling dat juist een integrale aanpak, dus vanuit meerdere invalshoeken (justitie, zorg, onderwijs etc.), effectief kan zijn in het tegengaan van ernstige criminaliteit en intergenerationele overdacht? Hoe zou een integrale aanpak van criminele families er volgens u uit moeten zien?
Dat ben ik met u eens. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag vijf, is maatwerk en strategische planning geboden bij het bepalen van de aanpak. Het is dan ook belangrijk dat de aanpak wordt afgestemd op de personen in (de omgeving van) de familie en de lokale context Het is daarom niet aan mij om dit te bepalen. Het is wel relevant dat de integrale aanpak diverse aspecten van de criminele families meeneemt. Te denken valt hierbij aan de onderlinge verhoudingen, maar ook middelengebruik, (dreiging met) geweld, en de (sociale) omgeving.
Het kabinet heeft voortdurend aandacht voor een integrale aanpak, en dus ook bij de aanpak van criminele families. Het is belangrijk dat alle relevante partners (jeugdwerk, politie, justitie, onderwijs etc.) met elkaar samenwerken om deze problematiek op een juiste wijze aan te pakken.
Ziet u het grote belang dat de informatiedeling tussen verschillende organisaties, zoals Regionale Informatie- en Expertise Centra (RIEC’s) en Zorg- en Veiligheidshuizen, voldoende op orde is, zodat de aanpak van criminele families zo efficiënt mogelijk wordt vormgegeven? Op welke punten kan deze informatiedeling nog worden verbeterd?
Ja, het goed kunnen delen van informatie tussen verschillende organisaties waaronder de Regionale Informatie- en Expertise Centra en de Zorg- en Veiligheidshuizen is van belang voor de aanpak van criminele families. Tegelijkertijd dienen er voldoende waarborgen te zijn om te voorkomen dat de privacy van individuen niet onevenredig wordt geschaad. Ik heb als Kamerlid een amendement7 ingediend om informatie-uitwisseling tussen de Regionale Informatie- en Expertise Centra en Zorg- en Veiligheidshuizen in het wetsvoorstel Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden te verankeren. Dit amendement is aangenomen. Eerder bepleitte de VNG om informatiedeling tussen samenwerkingsverbanden te faciliteren.8
In de meerjarenagenda Zorg- en Veiligheidshuizen 2021–2024 is het versterken van de samenwerking tussen de Regionale Informatie- en Expertise Centra (ondersteund door het Landelijk Informatie- en Expertise Centrum) en Zorg- en Veiligheidshuizen als prioriteit van de (keten)partners opgenomen; dit zodat onder andere de persoonsgerichte aanpak en bestuursrechtelijke interventies op elkaar kunnen worden afgestemd. Binnenkort gaat het concept-Besluit gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (WGS) in consultatie. Hierin is informatie-uitwisseling tussen de samenwerkingsverbanden Regionale Informatie- en Expertise Centra en Zorg en Veiligheidshuizen geconcretiseerd. In uitvoering van de meerjarenagenda Zorg- en Veiligheidshuizen 2021–2024 en vooruitlopend op de inwerkingtreding van de WGS worden best practices in de informatie-uitwisseling gedeeld. Zo wordt bijvoorbeeld inmiddels al ingezet op het verbeteren van de kennis over en weer van de rol die Zorg-en Veiligheidshuizen en Regionale Informatie- en Expertise Centra vervullen.
De brief aan de vertegenwoordigers van de Republik Maluku Selatan |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Mark Rutte beledigt Molukse gemeenschap in Nederland», op 19 december geplaatst door de Republik Maluku Selatan (RMS) als reactie op uw schrijven aan diens vertegenwoordiger middels een brief van de directeur van de Rijksvoorlichtingsdienst op 14 oktober 2022?1
Ja.
Bent u naar eigen inzicht voldoende bekend met de vestigingsgeschiedenis van de Molukse gemeenschap in Nederland en bent u zich ervan bewust dat het Molukse volk beschikt over een eigen cultuur, taal, identiteit en dat proclamatie van de RMS op 25 april 1950 in Ambon mede ten grondslag ligt aan de komst van de eerste generatie KNIL-militairen en hun gezinsleden naar Nederland?
Ik ben mij ervan bewust ben dat de Molukse gemeenschap een gemeenschap is met een eigen geschiedenis, cultuur en identiteit.
Zo ja, realiseert u zich dat de brief van 14 oktober 2022 waarin de Molukse gemeenschap meermaals als een «Indische gemeenschap» geclassificeerd wordt, door de Molukse gemeenschap als een diepe belediging wordt ervaren? Heeft u deze classificatie doelbewust gedaan en kunt u uw antwoord toelichten?
In de brief van 14 oktober 2022 wordt gerefereerd aan het beleid waarmee verschillende kabinetten getracht hebben het leed te verzachten dat samenhangt met de oorlogsgebeurtenissen in voormalig Nederlands-Indië. Het huidige beleid van collectieve erkenning van de Indische en Molukse gemeenschap in Nederland is gericht op iedereen die na het einde van de Tweede Wereldoorlog, dus vanaf 15 augustus 1945, tot aan 1967 naar Nederland is gekomen – en hun nazaten – in verband met ontwikkelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog, de Bersiap of de dekolonisatieoorlog. Het gaat daarbij om veel verschillende groepen waaronder Molukkers, Indische Nederlanders, Papoea’s, Nederlanders en Peranakan Chinezen. Kortheidshalve wordt daarom soms gesproken over de Indische gemeenschap, in het besef dat het hier gaat om een groot aantal verschillende unieke gemeenschappen. Ik heb helaas moeten constateren dat dit besef in de brief waaraan wordt gerefereerd, onbedoeld, niet is overgekomen.
Kunt u zich indenken dat, gezien de geschiedenis die de Nederlandse staat en de Molukse gemeenschap delen, het benoemen van het Molukse gemeenschap als Indische gemeenschap overkomt alsof dit onderdeel uitmaakt van een doelgericht beleid van de Nederlandse regering om de identiteit en cultuur van het Molukse volk en in het bijzonder de politieke strijd van de RMS, te vernietigen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is dit toch zo benoemd?
Gelet op de geschiedenis snap ik dat het gebruik van de term Indische gemeenschap in deze context gevoelig ligt en emoties oproept. Daarbij wil ik graag opmerken dat het beleid van collectieve erkenning van de Indische en de Molukse gemeenschap er juist op is gericht om ook de Molukse identiteit en cultuur te versterken en verankeren in de Nederlandse samenleving. Om het belang hiervan te onderstrepen is in 2020 € 20 miljoen extra beschikbaar gesteld voor collectieve erkenning. Met deze extra impuls wordt onder andere ingezet op het vergroten van kennis over de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië en het zichtbaarder maken van onder meer de Molukse cultuur, bijvoorbeeld via digitalisering van archieven en het borgen van immaterieel erfgoed.
Maakt de wijze waarop de Nederlandse regering de Molukse gemeenschap tot op heden heeft behandeld onderdeel uit van het beleid, zoals dat is neergelegd in het «geheim akkoord van Wassenaar», welke tussen de Nederlandse regering en Indonesië is gesloten in 1975?
Het is bekend dat in het akkoord van Wassenaar is neergelegd dat een regeling wordt getroffen voor de repatriëring van individuele Molukkers naar de Molukken. En daarnaast is geregeld dat het voor Molukkers in Nederland eenvoudiger wordt een bezoek te brengen aan de Molukken. Dat laatste kreeg indertijd onder andere vorm in de oriëntatie- en werkervaringingsreizen. De repatriëringsregeling kwam in 2002 ten einde.
Bent u zich bewust van het feit, dat de onvrijwillige komst in 1951 van de Molukse KNIL-militairen en hun gezinsleden naar Nederland en de wijze waarop zij na aankomst zijn ontvangen en in de loop der jaren zijn behandeld door opeenvolgende Nederlandse regeringen tot op heden onmeetbaar veel leed en verdriet teweeg heeft gebracht bij de eerste generatie Molukkers en hun nazaten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik realiseer mij dat het gebrek aan begrip voor de ondergane oorlogsverschrikkingen in Azië, de kille ontvangst en behandeling in Nederland en het daaropvolgende formalisme in het rechtsherstel bij de Molukse gemeenschap veel verdriet teweeg heeft gebracht. Voor deze slechte behandeling is erkenning uitgesproken en nu richten we ons vooral op het versterken en verankeren van de Molukse geschiedenis en cultuur in de maatschappij. Hierbij besef ik dat het verdriet nooit helemaal weggenomen kan worden. Het is belangrijk dat we dit verdriet zien en erkennen. Tegelijkertijd is er behoefte om vooruit te kijken en gezamenlijk te werken aan een toekomst waarin de Molukse gemeenschap zich gehoord voelt.
Kunt u toelichten of, op welke wijze en op basis van welke overwegingen de Molukse gemeenschap erkenning, excuses en herstel verdient van de Nederlandse staat voor de wijze waarop zij zijn behandeld?
In Nederland is lange tijd te weinig oog geweest voor het leed dat groepen vervolgingsslachtoffers en gemeenschappen, waaronder de Molukse gemeenschap, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog is aangedaan. Wel heeft de Nederlandse overheid in verschillende stappen geprobeerd het oorlogsleed en het gebrekkige rechtsherstel (instrument om het materiële onrecht te compenseren) waar mogelijk te herstellen. Bijvoorbeeld met het Gebaar in 2000, met de individuele Backpay in 2015 en sinds 2017 via de collectieve erkenning van de Indische en Molukse gemeenschap. In de brief aan de Tweede Kamer van 14 december 2022 betreffende de tweede kabinetsreactie op de uitkomsten van het onderzoeksprogramma «Onafhankelijkheid, Dekolonisatie, Geweld en Oorlog in Indonesië, 1945-1950» heeft de Minister-President benadrukt dat de excuses voor eenieder die geraakt is door het Nederlandse optreden in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog uitdrukkelijk ook bestemd zijn voor de Molukse gemeenschap. Deze excuses gelden ook voor de kille ontvangst in Nederland en zijn ook van belang voor de volgende generaties die zijn opgegroeid met de pijn en het verdriet van hun ouders en grootouders. Daarom wil het kabinet de komende periode in gesprek blijven met de Molukse gemeenschap over de gevoelens, beelden en ideeën die er leven binnen de Molukse gemeenschap rondom de aankomst van de eerste en tweede generatie in Nederland in 1951, maar ook over andere vraagstukken die de gemeenschap bezighoudt.
Bent u bereid onderzoek te laten verrichten naar de wijze waarop het Molukse volk en in het bijzonder de Molukse gemeenschap in Nederland is behandeld door de Nederlandse Staat na de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949? Kunt u uw antwoord toelichten?
Eerder is onderzoek verricht naar de overkomst, ontvangst en verblijf van Molukkers in Nederland, het meest recent door Steijlen en Smeets (In Nederland Gebleven, 2006). Voor nu zie ik geen reden nog een onderzoek te laten uitvoeren. Dit onderwerp wil ik wel meenemen in de gesprekken met de gemeenschap.
Kunt u uw antwoorden kenbaar maken vóór 26 januari 2023 zodat uw overwegingen meegenomen kunnen worden in het commissiedebat Discriminatie, racisme en mensenrechten?
Ik zal mijn reactie op de Kamervragen voor 26 januari 2023 naar de Tweede Kamer te sturen.
Het bericht ‘Besparing is beter dan financiële compensatie’. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u aanwezig bij het topberaad woensdag in het Catshuis met Mark Rutte, «enkele ministers», Klaas Knot, Pieter Hasekamp, Marieke Blom, Arnoud Boot en Bas Jacobs?1
Ja, ik was daarbij aanwezig.
Waarom zijn deze personen geselecteerd voor het gesprek in het Catshuis?
Deze personen zijn geselecteerd vanwege hun expertise op het gebied van economie en begrotingsbeleid vanuit verschillende invalshoeken.
Over welke onderwerpen wordt in het beraad gesproken?
Er is gesproken over de recent uitgekomen ramingen van CPB en DNB. Daarna hebben de genodigde economen hun visie gegeven op de economische vooruitzichten en de gevolgen hiervan voor het te voeren begrotingsbeleid.
Bent u voornemens om de Kamer een verslag te sturen van het gesprek in het Catshuis?
Er wordt geen officieel verslag van deze Catshuissessie opgesteld. Deze Catshuissessie was een informele bijeenkomst en niet besluitvormend. Tijdens de sessie hebben de heren Knot en Hasekamp namens DNB en CPB hun onlangs verschenen ramingen toegelicht. Daarna hebben Marieke Blom (van ING), Arnoud Boot (hoogleraar UvA) en Bas Jacobs (hoogleraar VU) hun visie gegeven op de stand van de economie, de vooruitzichten en de gevolgen voor het te voeren begrotingsbeleid. In meer algemene zin zijn de volgende punten naar voren gebracht:
Hoe wordt de Kamer geïnformeerd over vervolgstappen naar aanleiding van het beraad?
Het gesprek is onderdeel van gesprekken die worden gevoerd met experts over verschillende onderwerpen in voorbereiding op de voorjaarsbesluitvorming. Tijdens de voorjaarsbesluitvorming zal het kabinet integraal besluiten over zowel de uitgaven als de lasten. De inzichten uit dit beraad worden daarbij ook meegenomen en de uitkomst van de besluitvorming zelf landt in de Voorjaarsnota. Ter uitvoering van de motie Van der Lee en Kathmann2 zullen we de Kamer zo spoedig als mogelijk informeren over de beleidsopties en de koopkrachtmaatregelen die worden onderzocht en uitgewerkt.
Worden ook aanvullende topberaden gepland de komende maanden richting de Voorjaarsnota?
In voorbereiding op de Voorjaarsnota worden altijd verschillende gesprekken met verscheidene externe experts gevoerd. Op deze manier wordt op verschillende onderwerpen breed informatie opgehaald en wordt kennis met elkaar gedeeld om zo goed mogelijk voorbereid te zijn richting het voorjaar.
Wilt u de Kamer eerder dan pas bij de Voorjaarsnota meenemen in wat er wordt besproken en op welke manier?