Wanneer heeft u kennisgenomen van de in de berichtgeving genoemde feiten en omstandigheden, en bent u hier van geschrokken of was dit verwacht?1
Zoals aangegeven in de op 8 juli jl. verstuurde Kamerbrief2 heeft de CEO van Tata Steel Nederland B.V. (TSN) het kabinet op 2 juli jl. geïnformeerd dat het bedrijf van het OM had vernomen dat vervolging op korte termijn ingesteld zou worden. Eerder dit jaar maakte het OM al bekend onderzoek te doen en hierop heeft het kabinet op 2 april 2026 al een reactie3 gegeven. Van de exacte feiten en omstandigheden heeft ook het kabinet pas kennis kunnen nemen toen het OM daarmee naar buiten kwam.
In hoeverre zijn de in de berichtgeving beschreven feiten betrokken bij de onderhandelingen over de maatwerkafspraken met Tata Steel?
Zoals aangegeven in de op 8 juli jl. verstuurde Kamerbrief4 wordt de Kamer in september geïnformeerd over de bredere ontwikkelingen rondom de maatwerkafspraak met Tata Steel. Daarbij zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak. Tot die tijd zal het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in het maatwerktraject.
Welke consequenties heeft de vervolging van het Openbaar Ministerie (OM) voor de onderhandelingen en het tijdspad van de maatwerkafspraken? Is in de onderhandelingen rekening gehouden met dit scenario, inclusief mogelijke veroordeling en sancties?
Zie antwoord vraag 2.
Welke financiële risico's loopt de Staat indien tijdens of na het sluiten van maatwerkafspraken blijkt dat Tata Steel strafrechtelijk aansprakelijk wordt gehouden, bijvoorbeeld doordat de uitvoering van de afspraken vertraging oploopt, niet kan plaatsvinden of significante impact heeft op de financiële gezondheid van het bedrijf?
In september zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak.
In de JLoI staan artikelen over de risicobeheersing voor de staat van de subsidieverlening en deze artikelen geven ruimte tot nadere weging in dit soort omstandigheden ten aanzien van het uitvoeren van de afspraken en de financiële risico’s van de staat. In deze artikelen staat dat voor de risicobeheersing van subsidieverlening gedacht kan worden aan het uitbetalen van de subsidie in tranches gekoppeld aan mijlpalen, een controlesysteem met een effectief sanctiesysteem en terugvorderingsmogelijkheden. Het gaat onder meer om artikel 7 en artikel 11 (lid 5, 7,8, 9 en 12) van de JLoI. De maatwerkafspraak wordt uitgewerkt langs deze lijnen van de JLoI. Voor de volledigheid, de subsidie moet goedgekeurd worden door de Europese Commissie en aan het relevante staatssteunkader voldoen, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy 2022 («CEEAG»).
Bevatten de voorgenomen maatwerkafspraken bepalingen die de Staat beschermen tegen financiële schade of terugvordering van publieke middelen indien Tata Steel wordt veroordeeld voor strafbare feiten? Zo nee, wordt hier nu in de onderhandelingen op in gezet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de opvatting dat naleving van wet- en regelgeving een randvoorwaarde moet zijn voor het verstrekken van substantiële publieke steun?
Zoals het kabinet eerder al heeft aangegeven dient het bedrijf compliant te zijn met de bestaande wet- en regelgeving. Bedrijven in Nederland moeten zich aan de wet houden, ook TSN. Ondanks dat handhaving en toezicht hierop bij het bevoegd gezag ligt – in het geval voor wet- en regelgeving op milieugebied de provincie Noord-Holland en de OD –, hecht het kabinet eraan dat er een cultuurverandering binnen TSN wordt doorgevoerd. Om die reden zijn hier afspraken over gemaakt in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4.
Welke gevolgen heeft de strafrechtelijke vervolging van Tata Steel voor het toezicht- en handhavingsbeleid van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied? Acht u aanvullende maatregelen noodzakelijk?
Deelt u de opvatting dat een strafrechtelijke vervolging wegens opzettelijke milieuvervuiling aanleiding moet zijn om kritisch te bezien of de huidige vergunningen, vergunningvoorschriften en handhavingsinstrumenten toereikend zijn? Zo ja, welke stappen worden gezet?
Bent u bereid te onderzoeken of de strafrechtelijke vervolging aanleiding geeft om aanvullende emissiebeperkende maatregelen of aangescherpte vergunningvoorschriften op te leggen aan Tata Steel?
Hoe wordt geborgd dat de gezondheid van omwonenden gedurende de periode van de strafrechtelijke procedure niet verder onder druk komt te staan? Welke extra maatregelen zijn de komende periode mogelijk?
De wettelijke normen en het VTH-stelsel blijven van kracht. En de OD NZKG blijft scherp toezicht houden op het bedrijf in de breedte van de activiteiten.
Bent u van oordeel dat de strafrechtelijke vervolging aanleiding geeft om de uitvoering van de aanbevelingen van de Expertgroep Gezondheid IJmond te versnellen en versterken, in het bijzonder ten aanzien van continue emissiemonitoring, transparantie van meetgegevens en gezondheidsbescherming? Zo nee, waarom niet?
Ook zonder strafrechtelijke vervolging wil het kabinet, binnen de beschikbare tijd en middelen, de adviezen van de Expertgroep zo goed mogelijk verwerken in de maatwerkafspraak. Dit is ook in lijn met de motie-Thijssen5. Het kabinet zal na de zomer nader ingaan op het meest recente advies van de Expertgroep.
Welke gevolgen heeft de strafrechtelijke vervolging voor het vertrouwen dat de overheid kan stellen in de naleving van vergunningvoorschriften door Tata Steelm, en hoe wordt hieraan gewerkt?
Toezicht op en handhaving van de naleving van vergunningsvoorschriften is aan het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde OD NZKG. Zoals aangegeven zal het kabinet in september ingaan op de mogelijke implicaties van de strafrechtelijke vervolging voor het proces richting een maatwerkafspraak. Tot die tijd zal het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in het maatwerktraject.
Kunt u reflecteren op het effect van deze ontwikkelingen op het vertrouwen van burgers in de overheid en de maatwerkafspraken?
Het kabinet begrijpt de zorgen die bij burgers kunnen leven over deze strafrechtelijke vervolging, mede in de context van het traject om tot een maatwerkafspraak te komen. Zoals aangegeven komt het kabinet snel met een brief en tot die tijd zet het kabinet geen onomkeerbare stappen.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de gevolgen van deze berichtgeving voor het verdere onderhandelingsproces? Wacht u de uitkomsten van het onderzoek van het OM af voor de maatwerkafspraken worden ondertekend?
Zoals aangegeven in de op 8 juli jl. verstuurde Kamerbrief6 wordt de Kamer in september geïnformeerd over de bredere ontwikkelingen rondom de maatwerkafspraken met Tata Steel. Daarbij zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak. Tot die tijd zal het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in het maatwerktraject.
Het bericht OM vervolgt Tata Steel strafrechtelijk voor opzettelijk vervuilen |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Was u voorafgaand aan de publicatie van het bericht «OM vervolgt Tata Steel strafrechtelijk voor opzettelijk vervuilen» op de hoogte van het besluit van het Openbaar Ministerie (OM) om Tata Steel strafrechtelijk te vervolgen voor het opzettelijk uitstoten van stoffen die gevaarlijk zijn voor de volksgezondheid?1 Zo ja, sinds wanneer, en heeft Tata Steel Nederland u hierover geïnformeerd, vergelijkbaar met de wijze waarop het bedrijf u informeerde over het CCI-onderzoek in India, zoals beschreven in uw antwoord van 2 februari 2026 op vraag 6?
Zoals aangegeven in de op 8 juli jl. verstuurde Kamerbrief2 heeft de CEO van Tata Steel Nederland (TSN)3 het kabinet op 2 juli 2026 geïnformeerd dat het bedrijf van het OM had vernomen dat vervolging op korte termijn ingesteld zou worden. Van de exacte feiten en omstandigheden heeft ook het kabinet pas kennis kunnen nemen toen het OM daarmee naar buiten kwam.
Deze situatie is anders dan de situatie rond het CCI-onderzoek naar mogelijke illegale prijsafspraken in India. Het kabinet heeft op 2 februari 2026 schriftelijk aangegeven dat TSN het Ministerie van EZK feitelijk heeft geïnformeerd inzake het CCI-onderzoek in India, na publicatie van het artikel, en dat TSN de verdere ontwikkelingen afwacht. In het CCI-onderzoek is TSN echter (vooralsnog) geen partij.
Wat is uw reactie op de constatering van het OM dat Tata Steel de fabrieken slecht onderhoudt, soms zonder de juiste vergunning werkt en incidenten onder de pet houdt? Verandert dit uw eerdere oordeel, zoals verwoord in uw antwoord van 2 februari 2026 op vraag 9, dat het niet aan het kabinet is om een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van Tata Steel als partner?
Wat betreft het CCI-onderzoek geldt dat het onderzoek nog niet afgerond is, er op dit moment is geen aanwijzing is voor mogelijke betrokkenheid van TSN en dat de Indiase autoriteiten (nog) geen strafrechtelijke procedure gestart zijn. Over het CCI-onderzoek blijft het oordeel van het kabinet dus ongewijzigd.
Wat betreft het bericht van het OM geldt dat het OM, op basis van eigen onderzoek, nu tot strafrechtelijke vervolging van TSN overgaat. Voor de inhoud van de verdenkingen verwijst het kabinet naar het bericht van het OM. Zoals ook aangegeven in de Kamerbrief van 8 juli 2026 wordt de Kamer in september geïnformeerd over de bredere ontwikkelingen rondom de maatwerkafspraken met Tata Steel. Daarbij zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak. Tot die tijd zal het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in het maatwerktraject.
Zijn er voor het besluit van het OM al eerder signalen ontvangen bij ministeries waaruit een vermoeden bleek dat Tata opzettelijk stoffen in de bodem, de lucht of het oppervlaktewater heeft gebracht of laten brengen met een mogelijk gevaar voor de gezondheid van mensen?
De aangifte van omwonenden (in 2021) is in 2022 aanleiding geweest voor de ILT-IOD4 (onder leiding van het Functioneel Parket van het OM) om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Verder is het kabinet zich bewust5 van diverse handhavingszaken die bij het bedrijf lopen. Dit valt onder het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG). Zoals het kabinet eerder al heeft aangegeven dient het bedrijf compliant te zijn met de bestaande wet- en regelgeving. Bedrijven in Nederland moeten zich aan de wet houden, ook TSN. Ondanks dat handhaving en toezicht hierop bij het bevoegd gezag ligt – in het geval voor wet- en regelgeving op milieugebied de provincie Noord-Holland en de OD –, hecht het kabinet eraan dat er in ieder geval een cultuurverandering binnen TSN wordt doorgevoerd. Om die reden zijn hier afspraken over gemaakt in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4.
Is dit besluit van het OM reden voor het kabinet om meetgegevens inzake Tata Steel toegankelijk te maken voor onafhankelijke analyses waar dat nog niet gebeurt om zo het vertrouwen in de gegevens en conclusies te versterken?
De strafrechtelijke vervolging staat los van de bestuursrechtelijke verplichting voor het bedrijf om rapportages met meetgegevens in te dienen bij het bevoegd gezag. Deze rapportages moeten onder andere aan nationale normen (NEN) voldoen. Vervolgens is het aan het bevoegd gezag, in dit geval OD NZKG gemandateerd door de provincie Noord-Holland, om deze rapportages te beoordelen. Er is daarmee sprake van een onafhankelijke analyse.
In hoeverre is deze strafrechtelijke vervolging voor u aanleiding om de onderhandelingen over de definitieve maatwerkafspraak, die volgens planning uiterlijk eind september 2026 moeten zijn afgerond, op te schorten totdat er meer duidelijkheid is over de uitkomst van de strafzaak?
Zoals ook aangegeven in de Kamerbrief van 8 juli 2026 wordt de Kamer in september geïnformeerd over de bredere ontwikkelingen rondom de maatwerkafspraken met Tata Steel. Daarbij zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak. Tot die tijd zal het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in het maatwerktraject.
Bent u van mening dat er maatwerkafspraken gemaakt kunnen worden als er zulke zware beschuldigingen na meerjarig onderzoek door het OM boven Tata Steel hangen? Zo ja, kunt u dat uitleggen?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat een strafrechtelijke vervolging wegens opzettelijke vervuiling een zwaardere aanwijzing is voor structureel niet-naleven van wet- en regelgeving dan de bestuursrechtelijke boetes die Tata Steel dit jaar al kreeg opgelegd, waarbij voor één kooksfabriek de maximale dwangsom van ruim 17 miljoen euro al is bereikt? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 gaat het kabinet niet inhoudelijk in op het besluit van het OM6 om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Hoe het kabinet aankijkt tegen de handhavingszaken is recent met de Kamer gedeeld7.
Welke consequenties heeft deze strafzaak, en de inhoud daarvan, voor de beoordeling of Tata Steel Nederland in aanmerking komt voor circa 2 miljard euro aan overheidssteun, gelet op de eis die u noemde in uw antwoord van 26 maart 2026 op vraag 6, dat er voldoende waarborgen moeten zijn dat subsidie daadwerkelijk bijdraagt aan het behalen van de gezondheids- en klimaatdoelen?
Ongeacht het besluit van het OM geldt dat er geen staatssteun mag worden verleend voor activiteiten die niet aan de Europese regelgeving voldoen. Een eventuele maatwerksubsidie moet (blijven) voldoen aan de Europese voorwaarden voor staatssteun onder het geldende staatssteunkader, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy 2022 («CEEAG»).
Over de verdere voorwaarden waaronder eventueel subsidie gegeven zal worden, wordt nog gesproken met het bedrijf. De waarborgen voor het behalen van de doelen van de beoogde maatwerkafspraak en de consequenties bij het niet behalen van deze doelen, worden de komende tijd verder uitgewerkt in de (juridische documentatie bij de) maatwerkafspraak.
Kunt u garanderen dat er geen maatwerkafspraak met Tata Steel wordt afgesloten voordat er een vonnis is? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vragen 5 en 6.
Kunt u garanderen dat er geen maatwerkafspraak met Tata Steel wordt gemaakt indien de (voormalige) bestuurders van Tata Steel ook in persoon zullen worden gedagvaard door het OM?
Het OM onderzoekt of mensen met een leidinggevende rol mogelijk persoonlijk strafbaar zijn. Dat onderzoek is nog niet afgerond en het kabinet vindt het niet passend om hierop vooruit te lopen.
Bent u, gezien deze ontwikkeling van vervolging van Tata Steel door het OM, alsnog bereid de Joint Letter of Intent (JLoI) op te schorten of te heroverwegen, in aanvulling op uw antwoord van 2 februari 2026 op vraag 10, waarin u aangaf op dat moment geen aanleiding te zien de JLoI te beëindigen?
Zie het antwoord op vragen 5 en 6.
Bent u bekend met het feit dat het OM tevens onderzoekt of leidinggevenden van Tata Steel persoonlijk vervolgd zullen worden? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren zodra hier meer duidelijkheid over is? Welke betekenis heeft een eventuele persoonlijke vervolging van leidinggevenden volgens u voor de bestuurlijke relatie en de lopende onderhandelingen met het bedrijf?
Het kabinet is bekend met de berichtgeving van het OM. Het is aan het OM om hierover een vervolgingsbeslissing te nemen en hierover te communiceren. Wij zullen de Kamer informeren over relevante ontwikkelingen. Op een eventuele persoonlijke vervolging kan het kabinet niet vooruitlopen. Het OM heeft het onderzoek nog niet afgerond.
Waarom schrijft u in de brief van 8 juli 2026 dat het kabinet na het publiek bekend worden van het dagvaarden van Tata Steel door het OM «geen onomkeerbare stappen zal zetten in het maatwerktraject», terwijl u op basis van de intentieovereenkomst van september 2025 met Tata Steel zich nu ook direct had kunnen terugtrekken bij een strafrechtelijk onderzoek «dat ernstige zorgen doet ontstaan bij de Staat over het aangaan van de maatwerkafspraak»?
De Kamer wordt, zoals aangegeven in de brief van 8 juli, in september geïnformeerd over de bredere ontwikkelingen rondom de maatwerkafspraken met Tata Steel. Daarbij zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak.
Wat is de stand van zaken in de onderhandelingen tussen de overheid en Tata Steel met betrekking tot het eerder sluiten van kooksfabriek 1 en 2?
De OD NZKG bereidt als handhavingsmaatregel de intrekking van de vergunningen voor, naar aanleiding van structurele overschrijdingen van de milieunormen. De stand van zaken8 is dat op dit moment wordt onderzocht of het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 implicaties voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft, en zo ja welke.
Wat is uw visie op het sluiten van kooksfabrieken 1 en 2 om gezondheidsredenen, en stuurt u aan op sluiting van beide kooksfabrieken in 2027?
Zoals ook aangegeven in het plenaire debat over Tata Steel op 7 april 2026 ziet het kabinet het als een positieve ontwikkeling dat het bedrijf zelf de noodzaak ziet van vervroegde sluiting van beide kooksgasfabrieken (ten opzichte van eerdere plannen). Dat zou de gezondheidswinst voor omwonenden op de kortere termijn vergroten. De datum van de sluiting is een afweging van het bevoegd gezag. De provincie Noord-Holland en de OD NZKG volgen voor de intrekking van de vergunningen een zorgvuldige procedure:
De provincie Noord-Holland heeft recent een brief gestuurd waarin uitgebreide toelichting staat over dit proces9. Wanneer er meer duidelijkheid is over de termijn waarop sluiting plaats moet vinden, kan ook inzichtelijk gemaakt worden of en in hoeverre dit impact heeft op de beoogde maatwerkafspraak. Zodra hierover meer bekend is zullen wij de Kamer informeren.
Bent u van oordeel dat er geen definitieve en onvoorwaardelijke maatwerkafspraken gemaakt kunnen worden zolang de Milieueffectrapportage (MER) en de Gezondheidseffectrapportage (GER) niet beschikbaar zijn?
Met betrekking tot de relatie tussen het MER en de maatwerkafspraak is in antwoord op eerdere vragen10 al aangegeven dat het MER wordt opgesteld ten behoeve van vergunningaanvragen, niet ten behoeve van de maatwerkafspraak. Uiteraard kunnen projecten alleen met een vergunning worden gerealiseerd en moeten projecten gerealiseerd worden als onderdeel van de subsidiebeschikking. Bij de vormgeving van de maatwerkafspraken wordt geborgd dat de afspraken voldoende milieumaatregelen bevatten die ook daadwerkelijk leiden tot positieve gezondheidseffecten. In de beoogde maatwerkafspraak zal dit nader worden uitgewerkt, in lijn met de motie-Kostić c.s.11.
In de JLoI zijn een reductie van schadelijke stoffen en aanvullende milieumaatregelen opgenomen. Dat deze maatregelen de gezondheidsrisico's voor omwonenden terugdringen, is dankzij alle eerder verrichte verzoeken evident en hoeft op zichzelf niet nader onderbouwd te worden met een GER. De voorzitter van de Expertgroep Gezondheid IJmond heeft in een gesprek met de Kamer op 19 maart jl. ook aangegeven dat nu afspraken maken over emissiereducties urgenter is dan een voltooide GER. Dat laat onverlet dat de GER een instrument is dat van waarde kan zijn om (nader) inzicht te krijgen in gezondheidseffecten. De suggestie van de Expertgroep om de GER als structureel sturingsinstrument te gebruiken, neemt het kabinet zoals gemeld12 in de voortgangsbrief van 2 april jl. mee bij de uitwerking van de beoogde maatwerkafspraak.
Bent u bereid om, in afwachting van de resultaten van de GER, tenminste aanvullende afspraken op te nemen in de maatwerkafspraken om te zorgen dat gezondheidswinst daadwerkelijk geborgd wordt? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het zoals bekend erg belangrijk dat gezondheid een prominente plek in de maatwerkafspraak krijgt. Er wordt gewerkt aan een concrete uitwerking hiervan.
Neemt u het advies van de Expertgroep inzake betere monitoring van de gezondheidseffecten en een betere koppeling daarvan aan de GER over in de maatwerkafspraken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zal na de zomer nader ingaan op het meest recente advies van de Expertgroep.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn van drie weken beantwoorden?
‘Team Diverse Instroom en selectiebeleid bij de politie’ |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beleidsdocumenten van het programma «Politie voor Iedereen» waarin staat: «Wij vergroten de culturele diversiteit bij de instroom van nieuwe collega’s. En groeien wij uiteindelijk toe naar een gerichte wervings- en selectieaanpak gebaseerd op competenties in plaats van persoonskenmerken»?
Ja.
Klopt het dat hiermee wordt bedoeld dat gedurende een overgangsperiode culturele achtergrond, migratieachtergrond of etniciteit een expliciete rol speelt of heeft gespeeld bij de instroom van nieuwe medewerkers?
De politie werkt aan een diverse en inclusieve organisatie die herkenbaar is voor alle burgers in onze samenleving. Dit vergroot de legitimiteit en het vertrouwen in de politieorganisatie en draagt tevens bij aan een gelijke behandeling en het inlevingsvermogen van medewerkers in maatschappelijke verschillen. De politie wil dat eenheden en teams herkenbaar zijn voor de omgeving, passend bij de lokale bevolkingssamenstelling en de lokale veiligheidsvraagstukken. Dit betekent dat de organisatie een extra inspanning doet om diverse doelgroepen aan te spreken en voor hen toegankelijk te zijn. Om dit proces te bespoedigen en ook om de opgelopen achterstand van de voorgaande jaren in te halen, is er in 2020 gekozen om in de periode tussen 2020 en 2025 streefcijfers te hanteren voor schaarse doelgroepen. De eenheden Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Midden-Nederland hadden zich ten doel gesteld dat de instroom van aspiranten met een migratieachtergrond minimaal 35 procent bedraagt. Voor de overige eenheden lag dit streefpercentage tussen de 15 en 20 procent. Om deze ontwikkeling te kunnen volgen nam de politie tevens deel aan de Barometer Culturele Diversiteit van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Op basis van hun specifieke meetmethode werd de etnisch-culturele samenstelling van het personeelsbestand van de politie gemonitord en gepubliceerd.
Gaandeweg is de werkwijze van werving met behulp van streefcijfers verschoven naar een gerichte selectie- en wervingsaanpak gebaseerd op de gewenste competenties en de individuele kwaliteiten die iemand meebrengt. Ik steun deze ontwikkeling. In beginsel behoort de overheid als ook de politie namelijk te selecteren op objectieve geschiktheid, competenties, integriteit en het vermogen om het politiewerk professioneel uit te voeren. Afkomst, huidskleur of geloof vormen hierbij geen bewijs van geschiktheid en evenmin van ongeschiktheid. Toch kunnen taalvaardigheid, kennis van gemeenschappen en het vermogen om uiteenlopende burgers te begrijpen wel relevante competenties zijn, maar dan moeten deze competenties concreet worden aangetoond en voor de functie van doorslaggevende betekenis zijn. Ik heb uw Kamer regelmatig in diverse kamerbrieven als ook de jaarverantwoording politie geïnformeerd over de werkwijze van de politie en de daarbij geformuleerde doelstellingen.
Kunt u uitsluiten dat sollicitanten bij vacatures binnen de politie vanwege hun ras, huidskleur, afkomst, migratieachtergrond, culturele achtergrond of geloof een voorkeurs- of achterstandspositie hebben gekregen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt een dergelijke werkwijze zich tot Artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling, die onderscheid op grond van onder meer ras, afkomst en godsdienst in beginsel verbieden?
De politie werkt aan een diverse en inclusieve organisatie die herkenbaar is voor alle burgers in onze samenleving. Om de culturele diversiteit te bevorderen binnen de politie zijn diverse instroommaatregelen uitgewerkt. Zo zijn er in de arbeidsmarktstrategie van de politie niet alleen maatregelen genoemd om aantrekkelijk te zijn en blijven voor nieuw en zittend personeel, maar zijn er ook maatregelen opgenomen om specifieke (diverse) doelgroepen aan te spreken. Deze werkwijze is informeel getoetst bij het College voor de Rechten van de Mens (CvRM).
Het gaat hierbij onder meer om lokale voorlichting, de aanwezigheid op scholen en in wijken, het inzetten van politiemedewerkers als rolmodel, het toegankelijker en inclusiever formuleren van vacatures, begeleiding bij de oriëntatie op het politiewerk en de training van recruiters en selectiecommissies in een gestructureerde en objectieve beoordeling. Ook is er door de organisatie ingezet op samenwerking met onder meer gemeenten en Regionale Opleidingscentrums (ROC’s). Voor alle kandidaten gelden dezelfde geschiktheidseisen.
Is het juist dat in dezelfde beleidsstukken wordt gestreefd naar een structureel instroompercentage van 35 procent of meer voor cultureel diverse instroom binnen de vier eenheden in de Randstad en dat hiervoor het wervings- en selectieproces wordt aangepast?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete maatregelen zijn of waren onderdeel van deze aangepaste wervings- en selectieprocedure?
Zie antwoord vraag 4.
Welke rol speelt of speelde het Team Diverse Instroom precies binnen deze aangepaste wervings- en selectieprocedure?
Is het Team Diverse Instroom enkel adviserend, of beschikt of beschikte dit team over enige vorm van doorzettingsmacht, beslissingsbevoegdheid, instemmingsrecht of escalatiemogelijkheid richting vacaturehouders, recruiters, selectiecommissies of leidinggevenden?
Op welke momenten in de sollicitatieprocedure is of was het Team Diverse Instroom betrokken bij vacatureteksten, werving, voorselectie, gesprekken, beoordeling, voordracht, aanstelling of evaluatie?
Neemt of nam het Team Diverse Instroom actief deel aan selectiegesprekken, selectiecommissies of besluitvorming over kandidaten, of beperkt de rol zich tot zijdelings advies?
Welke instructies, richtlijnen, handreikingen of werkafspraken hebben recruiters, vacaturehouders en selectiecommissies ontvangen over het meewegen van culturele diversiteit, migratieachtergrond of etniciteit bij selectie?
Klopt het dat in eerdere documenten streefcijfers van 25 procent voor kandidaten met een migratieachtergrond werden gehanteerd voor de politie-instroom? Op welke wijze zijn deze streefcijfers gebruikt tijdens de selectie?
Zie hiervoor het antwoord op de vragen 2, 3 en 5.
Zijn deze streefcijfers ooit vertaald naar concrete targets per eenheid, team, recruiter, vacaturehouder, opleiding, functiecategorie of selectieprocedure?
De eenheden Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Midden-Nederland hadden zich in de periode tussen 2020 en 2025 ten doel gesteld dat de instroom van aspiranten met een migratieachtergrond minimaal 35 procent bedraagt. Voor de overige eenheden lag dit streefpercentage tussen de 15 en 20 procent. Deze streefcijfers zijn niet concreet vertaald naar specifieke targets.
Hoeveel fte is of was werkzaam voor het Team Diverse Instroom, uitgesplitst per jaar sinds de oprichting?
De vorm, fte en middelen die worden besteed aan het Team Diverse Instroom verschillen per eenheid en worden niet als zodanig geregistreerd dat dit per jaar uitgesplitst kan worden.
Ter indicatie, er is landelijk ongeveer 17 fte werkzaam voor het Team Diverse Instroom. Dit team ondersteunt bij het werven en selecteren van divers talent en het binden van dit talent aan de politieorganisatie. Hiervoor is door de politieorganisatie budget vrijgemaakt in het kader van Politie voor Iedereen. De wijze van besteding van deze gelden is aan de eenheden zelf. De politie legt verantwoording af over haar gevoerde beleid in het jaarverslag politie.
Wat is of was het jaarlijkse budget van het Team Diverse Instroom, uitgesplitst naar personeelskosten, externe inhuur, campagnes, trainingen, onderzoeken, communicatie en overige kosten?
Zie antwoord vraag 14.
Welke externe bureaus, consultants, trainers of onderzoekers zijn ingehuurd voor het Team Diverse Instroom of aanverwante programma’s, voor welke bedragen en met welke opdrachten?
Dit wordt niet als zodanig geregistreerd. Door de politieorganisatie is budget vrijgemaakt in het kader van Politie voor Iedereen. De wijze van besteding van deze gelden is aan de eenheden zelf. Voor zover er externe partijen zijn ingezet, betreft dit onder meer de ondersteuning bij arbeidsmarktcommunicatie, trainingen, onderzoek en het bereiken van specifieke doelgroepen. Hiervoor is geen apart budget vrijgemaakt door de politie.
Hoeveel vacatures, functies of opleidingsplaatsen zijn sinds de start van dit beleid ingevuld binnen programma’s gericht op diverse instroom?
Het Team Diverse Instroom richt zich op maatregelen om aantrekkelijk te zijn en blijven voor nieuw en zittend personeel, of maatregelen om specifieke (diverse) doelgroepen aan te spreken. Het team doet geen besluiten over de werving en selectie van individuele kandidaten. Er heeft dus ook geen vacature-invulling plaatsgevonden binnen de genoemde programma’s welke specifiek gericht zijn op diverse instroom.
Over de resultaten van de gehanteerde streefcijfers bij de initiële instroom in de basispolitieopleiding heb ik uw Kamer regelmatig geïnformeerd in de jaarverantwoording politie. Dit betreffen zowel absolute aantallen als een afgeleid percentage, uitgesplitst per eenheid. Voor het overige verwijs ik u naar de arbeidsmarktstrategie van de politie en het antwoord op vraag 6.
Hoeveel kandidaten zijn via het Team Diverse Instroom of daaraan verbonden activiteiten geworven, begeleid, voorgedragen, geselecteerd of aangenomen?
Zie antwoord vraag 17.
Wordt of werd geregistreerd welke sollicitanten een migratieachtergrond, culturele achtergrond of andere diversiteitskenmerken hebben? Zo ja, op welke grondslag, door wie, met welk doel en hoe lang worden deze gegevens bewaard?
Gegevens met betrekking tot de achtergrond van kandidaten worden verkregen via een vrijwillige uitvraag in het sollicitatieformulier naar het geboorteland van de kandidaat zelf en zijn of haar ouders. Naast deze uitvraag wordt in het intakegesprek gevraagd in hoeverre kandidaten kunnen omgaan met mensen met verschillende achtergronden en andere normen en waarden. De gegevens over de achtergrond van de kandidaten worden gebruikt voor statistische doeleinden, namelijk het monitoren van de werving- en selectiemaatregelen en de instroom van aspiranten. Deze monitoring vindt plaats tot het moment van aanstelling als aspirant. Ook wordt de informatie gebruikt voor specifieke interventies, zoals de werving met ambassadeurs in de wijk en interventies gericht op het behoud van kandidaten. De informatie wordt niet als zodanig opgenomen in het personeelsbestand van de politie. Deze werkwijze is informeel getoetst bij het College voor de Rechten van de Mens.
Heeft u of de politie vooraf juridisch laten toetsen of deze vorm van sturing verenigbaar is met het discriminatieverbod? Zo ja, wilt u deze adviezen openbaar maken?
Zie antwoord vraag 19.
Zijn er klachten, bezwaarprocedures, meldingen of interne signalen geweest van sollicitanten of medewerkers die menen dat zij door dit beleid zijn benadeeld? Zo ja, hoeveel en wat is daarmee gedaan?
De korpsleiding heeft mij laten weten dat er geen officiële klachten of meldingen van deze strekking zijn ontvangen met betrekking tot het diverse instroombeleid van haar organisatie.
Deelt u de opvatting dat de overheid altijd primair op objectieve competenties behoort te selecteren en dat afkomst, etniciteit, ras, huidskleur of geloof geen rol mag spelen bij de uiteindelijke aanstelling?
De overheid als ook de politie behoort primair te selecteren op objectieve geschiktheid, competenties, integriteit en het vermogen om het politiewerk professioneel uit te voeren. Afkomst, huidskleur of geloof vormen geen bewijs van geschiktheid en evenmin van ongeschiktheid. Taalvaardigheid, kennis van gemeenschappen en het vermogen om uiteenlopende burgers te begrijpen kunnen wel relevante competenties zijn, maar dan moeten deze competenties concreet worden aangetoond en voor de functie van doorslaggevende betekenis zijn.
Bent u bereid alle beleidsstukken, instructies, interne werkinstructies, juridische adviezen, evaluaties, budgetoverzichten en rapportages van het Team Diverse Instroom en vergelijkbare programma’s aan de Kamer te sturen?
Het past mij niet om deze (interne) stukken met uw Kamer te delen. Over deze onderwerpen wordt regelmatig verantwoording afgelegd in de Kamerbrieven, de jaarverantwoording politie en in de antwoorden op Kamervragen.
Zijn er momenteel binnen de rijksoverheid, politie of andere uitvoeringsorganisaties vergelijkbare programma’s waarbij actief wordt gestuurd op afkomst, etniciteit, migratieachtergrond of culturele achtergrond van sollicitanten? Zo ja, welke, en kunt u ook daarvan de beleidsstukken, instructies, interne werkinstructies, juridische adviezen, budgetten en evaluaties delen?
Binnen de Rijksoverheid bestaan programma's die zijn gericht op gelijke kansen, inclusieve werving en het bereiken van groepen die in bepaalde functies minder vertegenwoordigd zijn. Net als bij de Rijksoverheid hanteren de uitvoerings- en sui generis organisaties één diversiteitsquotum, zoals wettelijk is vastgelegd voor alle overheidsinstanties, te weten het quotum vanuit de Wet Banenafspraak. Daarnaast sluiten de genoemde organisaties zich aan bij de doelstellingen van de Rijksoverheid, waarover via de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk wordt gerapporteerd. Monitoring vindt plaats via de jaarplancyclus.
Het beleid en de ambities op het terrein van diversiteit, inclusiviteit en gelijkwaardigheid van de Rijksoverheid geldt voor alle uitvoerings- en sui generis organisaties. Hiernaast wordt gebruik gemaakt van specifieke instrumenten om het effect van de beleidsmaatregelen in kaart te brengen, zoals een Medewerkers Onderzoek (MO). In deze onderzoeken worden onder meer vragen gesteld met betrekking tot de beleving van inclusie, sociale veiligheid en omgangsvormen.
Bent u bereid dit beleid onmiddellijk op te schorten?
Ik zie geen aanleiding om het beleid voor bredere werving en gelijke kansen onmiddellijk op te schorten. Een diverse en inclusieve politie vergroot de legitimiteit en het vertrouwen van burgers in de samenleving.
Leerlingenvervoer als randvoorwaarde voor toegang tot onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat leerlingenvervoer niet primair een logistiek vraagstuk is, maar in essentie een randvoorwaarde is voor toegang tot onderwijs? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om de regie over het leerlingenvervoer naar u toe te trekken?
Leerlingenvervoer zorgt ervoor dat kinderen die niet zelfstandig naar school kunnen reizen, toch naar school kunnen. Iedere gemeente beslist welke leerlingen recht hebben op een vervoersvoorziening en hoe dat kan worden georganiseerd. Dat kan zijn (begeleid) reizen via het openbaar vervoer, per fiets, een voorziening in de kosten die ouders zelf maken of aangepast vervoer. We zijn van mening dat het passend is dat deze beslissingen op lokaal niveau genomen worden. Gemeenten zijn immers vertrouwd met de lokale situatie en hebben al contacten met plaatselijke samenwerkingsverbanden en scholen.
Het Ministerie van OCW ontvangt verschillende signalen over knelpunten in de uitvoering van het leerlingenvervoer – vanuit het werkveld – en heeft daarom regie genomen om, samen met onder andere Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Ouders en Onderwijs, LBVSO en sectorraad Gespecialiseerd Onderwijs (GO), tot een werkagenda leerlingenvervoer te komen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. OCW werkt daarnaast samen met VWS aan het verbeteren van het doelgroepenvervoer, waar leerlingenvervoer onder valt. Zo nam OCW deel aan de verbeteragenda doelgroepenvervoer en wordt er met VWS en I&W samengewerkt op het gebied van publieke mobiliteit.
Kunt u schetsen wat er de afgelopen jaren is gedaan om de aanhoudende problemen in het leerlingenvervoer aan te pakken? Is het aanpassen van de normbedragen voldoende om de problemen te lijf te gaan, zeker in relatie tot de stijgende kosten voor brandstof?
Op 19 november 2025 is overleg gevoerd met Ouders & Onderwijs, LBVSO, VGN en Sectorraad GO over het leerlingenvervoer. Het doel van dit gesprek was om samen te bezien wat er in het onderwijsdomein gedaan kan worden om de uitvoering van het leerlingenvervoer te verbeteren, in aanvulling op de verbeteraanpakken doelgroepenvervoer (onder regie van het Ministerie van VWS) en Publieke Mobiliteit (onder regie van I&W). In de komende maanden wordt de werkagenda verder uitgewerkt. Elk van de betrokken partijen zal een deel van de acties op zich nemen. Conform toezegging zal ik de Kamer voor het herfstreces informeren over de voortgang van de werkagenda en de thema’s waar deze zich op richt.1
Is uw verwachting dat bij de start van schooljaar 2026–2027 grote problemen zullen uitblijven? Zo nee, bent u hierover met gemeenten en scholen in gesprek?
Aan het begin van een nieuw schooljaar verandert er vaak veel voor leerlingen, de scholen en de vervoerders. Voor leerlingen en ouders kunnen de school, het vervoer en ook de route nieuw zijn. Ook vervoerders kunnen te maken krijgen met nieuwe contracten en/of nieuwe routes. Dat geeft soms opstartproblemen en dat willen we allemaal zo veel mogelijk voorkomen. Het is aan gemeenten, vervoerders en het onderwijs om daar samen goede afspraken over te maken.
Het Ministerie van OCW heeft korte lijnen met gemeenten – ook via de VNG – en vervoerders. Op dit moment zijn de gesprekken die we met hen voeren voornamelijk in het kader van de werkagenda. Met de werkagenda hopen we samen stappen te zetten in het duurzaam verbeteren van het leerlingenvervoer. Over de concrete invulling van de werkagenda wordt u voor het herfstreces geïnformeerd in de hierboven genoemde Kamerbrief.
Wat is er gedaan met de opmerkingen van uw ambtsvoorganger die in 2022 het «onacceptabel» noemde dat veel gemeenten de reistijd niet bijhouden? Gebeurt dat inmiddels wel? Zo ja, is de reistijd inmiddels gehalveerd zoals uw ambtsvoorganger wilde bewerkstelligen?
Het is zorgelijk dat er momenteel geen goed inzicht is in de staat van het leerlingenvervoer. Daarom willen we met de werkagenda ook de monitoring van het leerlingenvervoer verbeteren. Een van de doelstellingen van de werkagenda leerlingenvervoer is om meer inzicht te krijgen in de gemiddelde reistijd van leerlingen. We bereiken dit onder andere door een inventarisatie van de beschikbare cijfers rondom het leerlingenvervoer. Daarnaast heeft OCW Oberon verzocht om in Q3 2026 bij gemeenten een landelijke monitor leerlingenvervoer uit te vragen – deze meting is in 2022 en 2024 ook uitgevoerd. Uit de monitor van 2024 kwam naar voren dat 49% van de 210 gemeenten weet hoelang leerlingen gemiddeld onderweg zijn. Dit is gemiddeld 50 minuten.2
Klopt het dat voor leerlingenvervoer niet dezelfde regels gelden als voor bijvoorbeeld lijnbussen en taxi’s, waardoor leerlingen die naar school moeten in de file terecht kunnen komen terwijl een taxi wél door kan rijden?
Reizigers die gebruik maken van gemotoriseerd vervoer kunnen door files langer onderweg zijn naar werk, afspraken of dagbesteding. Leerlingen die met het aangepaste vervoer naar school reizen kunnen, net als andere reizigers, ook in deze files terecht komen.
Rijkswaterstaat geeft aan dat zowel taxi’s als vervoerders binnen het doelgroepenvervoer geen aparte wettelijke status voor de te gebruiken plek op de weg en te gebruiken wegdelen hebben. Wel hebben wegbeheerders mogelijkheden om breder gebruik van busbanen en busstroken toe te staan indien zij dat nodig en verantwoord achten in de specifieke situatie ter plekke, zie ook het antwoord op vraag 6.
Is het technisch en juridisch mogelijk om een vrijstelling te krijgen voor leerlingenvervoer, waardoor deze wel gebruik mogen maken van een lijnbusbaan, zodat zij zo kort mogelijk in het vervoersmiddel zitten? Zo ja, ligt de verantwoordelijkheid hiervoor dan bij de rijksoverheid, provincie of gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Het is juridisch en technisch mogelijk om een vrijstelling te krijgen voor leerlingenvervoer, maar het is onwenselijk om een situatie te creëren waarin te veel doelgroepen een voorrangspositie krijgen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. Wel geeft Rijkswaterstaat aan dat wegbeheerders bepaalde ge- of verbodsborden specifiek wel of niet kunnen laten gelden voor bepaalde soorten weggebruikers (door middel van een onderbord). Ook kunnen wegbeheerders op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) ontheffing verlenen aan bepaalde soorten weggebruikers voor bepaalde verkeerstekens en verkeersregels, waaronder die met betrekking tot gebruik van busbanen en busstroken (RVV 1990, artikel 81). Hierdoor kunnen wegbeheerders maatwerk leveren, rekening houdend met de situatie ter plekke. De wegbeheerders kunnen hierbij verschillende belangen afwegen, zoals de verkeersveiligheid en doorstroming van zowel het leerlingenvoer als het overige verkeer.
Wat heeft de campagne «Sleur? Word chauffeur!» destijds opgeleverd? Zijn er momenteel campagnes of acties ingezet om meer chauffeurs te werven voor doelgroepenvervoer?
De campagne «Sleur? Word chauffeur!» is een initiatief dat in september 2022 gestart is door het Sociaal Fonds Mobiliteit. Vanwege het succes van de campagne in het bereiken van potentiële sollicitanten loopt deze nog door tot in ieder geval september 2027, onder de naam: «Stuur met je hart». Vanaf het begin van de campagne tot en met mei 2026 waren er ruim 11.000 contactmomenten.3
Het doel voor afgelopen schooljaar was 3000 sollicitanten. Dit werd ruim behaald. Voor dit nieuwe schooljaar (september 2026-september 2027) is het doel 3300 sollicitanten. Zover bij ons bekend lopen er daarnaast geen andere campagnes om meer chauffeurs te werven.
Het besluit van het IOC om Russische sporters weer toe te laten tot internationale sportevenementen |
|
Hanneke van der Werf (D66), Renilde Huizenga (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de schorsing van het Russisch Olympisch Comité onder voorwaarden op te heffen en daarmee de weg vrij te maken voor terugkeer van Russische sporters naar internationale competities?
Ja.
Deelt u de verontwaardiging van de vraagstellers over het besluit van het IOC om Rusland weer toe te laten, terwijl het land nog altijd een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, met dagelijkse raketaanvallen op steden en burgers?
Het kabinet is, vanwege de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne, en de faciliterende rol die Belarus daarbij speelt, tegen deelname van Russische en Belarusische sporters onder nationale vlag of met nationale symbolen aan internationale sportwedstrijden. Het kabinet heeft uw Kamer op 24 juni jl. geïnformeerd over een precisering van het kabinetsstandpunt rond de deelname van Russische en Belarusische atleten en sportteams aan sportevenementen in Nederland.1
Deelt u de zorg dat dit besluit door Oekraïense sporters en hun families gevoeld zal worden als een klap in het gezicht, en als een signaal dat de internationale solidariteit met Oekraïne verzwakt? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit bij het IOC en internationale sportorganisaties aan te kaarten?
Het kabinet deelt de zorgen dat deelname door Russische en Belarusische sporters aan internationale sportwedstrijden zorgt voor een vermindering van de internationale isolatie van Rusland en de solidariteit met Oekraïne kan verzwakken. Tegelijkertijd is het IOC een internationale autonome sportorganisatie. Het kabinet handelt daarom binnen de beschikbare mogelijkheden.
Vorige maand heeft het kabinet op initiatief van Estland een brief gericht aan de verantwoordelijk EU-Commissaris. Deze brief is ondertekend door acht andere EU-sportministers. Aanleiding voor de brief was dat meerdere internationale sportfederaties atleten uit Rusland en Belarus weer volledig toelaten tot sportevenementen, dus onder eigen vlag en nationale symbolen. In de brief wordt benadrukt dat Rusland en Belarus internationale sport nog steeds gebruiken voor politieke doeleinden, dat Oekraïense sporters door de oorlog niet onder gelijke omstandigheden kunnen trainen en deelnemen, en dat sport niet los kan worden gezien van politiek wanneer het door Russische en Belarusische regimes wordt ingezet. De brief benadrukt verder dat de Russische agressieoorlog een ernstige schending is van het internationaal recht en van fundamentele waarden van de internationale sport.
De EU-commissaris wordt in de brief verzocht om aanvullende stappen te nemen door EU-financiering en toegang tot EU-platforms op te schorten voor sportorganisaties, zoals het IOC, die niet handelen in lijn met principes als respect voor mensenrechten, de rechtsstaat en vreedzame betrekkingen tussen landen.
Deelt u de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie van Rusland in andere sportieve en niet-sportieve fora? Zo ja, hoe verzet Nederland zich hiertegen, en welke stappen zet het kabinet om deze normalisering actief tegen te gaan?
Het kabinet deelt de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie in sportieve en niet-sportieve fora. Het kabinet ziet dat Rusland sport inzet voor politieke doeleinden. Zolang Rusland deze agressieoorlog, mede gefaciliteerd door Belarus, doorzet, zal het kabinet alles binnen de beschikbare mogelijkheden doen om normalisatie van Rusland en Belarus in internationale sportevenementen tegen te gaan.
Zoals hiervoor al is opgemerkt, heeft het kabinet uw Kamer op 24 juni jl. geïnformeerd over een precisering van het kabinetsstandpunt rond de deelname van Russische en Belarusische atleten en sportteams aan sportevenementen in Nederland.2 Deze precisering kwam voort uit de recente ontwikkelingen waarin meerdere internationale sportfederaties en sportorganisaties de schorsing opheffen van Rusland en/of Belarus. Door het opheffen van deze schorsing bieden zij atleten en sportteams uit beide landen weer de mogelijkheid volledig – onder eigen vlag en nationale symbolen – deel te nemen aan internationale sportevenementen, ook in Nederland.
Het kabinet acht deelname aan sportevenementen in Nederland van Russische en Belarusische atleten en sportteams onder eigen vlag en nationale symbolen onwenselijk en zal binnen de beschikbare mogelijkheden al het mogelijke doen om deelname te voorkomen; dat geldt voor nationale sporters, landenteams en clubteams uit beide landen.
Welke voorwaarden gelden volgens het IOC voor de toelating van Russische sporters en hoe beoordeelt u de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het besluit3 van het IOC van 7 juli jl. waardoor zowel individuele atleten als teams uit Rusland weer onder voorwaarden kunnen deelnemen aan de Olympische en Paralympische Spelen. Het IOC maakt op een later tijdstip bekend of dit besluit betekent dat atleten en sportteams uit Rusland onder eigen nationale symbolen – zoals een vlag en volkslied – mogen deelnemen. Het is daarbij belangrijk om te vermelden dat er op de Olympische Zomerspelen van 2024 in Parijs en de Olympische Winterspelen van 2026 in Milaan-Cortina al Russische individuele atleten deelnamen, zij het onder strikte voorwaarden. Met dit recente besluit van het IOC lijken de meeste restricties opgeheven. De weg is hiermee vrij voor deelname van (landen)-teams.
Het IOC geeft verder aan dat Rusland pas volledig kan terugkeren wanneer er voldaan wordt aan strikte anti-dopingvoorwaarden, in het bijzonder de voorschriften die zijn vastgelegd in de antidopingregels van het IOC en de internationale sportfederaties (IF's), evenals de door het World Anti-Doping Agency (WADA) vastgestelde richtlijnen.
Daarnaast moeten Russische atleten deel uitmaken van een nationaal antidopingprogramma van de Russische anti-dopingorganisatie RUSADA en het Russisch Olympisch Comité (ROC), waarvan de uitvoering is gedelegeerd aan de International Testing Agency (ITA). Verder moeten atleten die terugkeren naar de internationale sport vooraf meerdere keren zijn getest op basis van een risicoanalyse. De internationale sportfederaties (IF's) zijn verantwoordelijk voor het vaststellen van de periode waarbinnen deze controles moeten hebben plaatsgevonden en stellen, in samenwerking met de ITA, een passend testprogramma op, inclusief het vereiste aantal controles en de termijn waarbinnen deze moeten worden uitgevoerd.
Indien het World Anti-Doping Agency (WADA) voorafgaand aan de Olympische Spelen van Los Angeles 2028 het functioneren van RUSADA nog steeds als niet-conform de daartoe gestelde regels en richtlijnen beschouwt, zal het IOC de ITA opdragen erop toe te zien dat alle gekwalificeerde Russische atleten onafhankelijk zijn getest volgens dezelfde werkwijze.
Het IOC is een internationale autonome sportorganisatie. Het kabinet heeft geen direct zicht op de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden.
Welke aanvullende waarborgen bestaan er om, gelet op de eerdere grootschalige staatsgestuurde dopingschandalen in Rusland, eerlijke en onafhankelijke dopingcontroles te garanderen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u hierover in gesprek met NOC*NSF, Nederlandse sportbonden en Nederlandse topsporters? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van die gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Het kabinetsstandpunt, zoals omschreven onder het antwoord op vraag 4, is gedeeld met de Nederlandse sportbonden tijdens een bijeenkomst op 1 juli jl. met bondsdirecteuren. Tijdens deze bijeenkomst is stilgestaan bij wat het kabinetsstandpunt inhoudt enerzijds, en anderzijds hoe nationale sportbonden verplicht zijn om de regels te volgen van internationale sportfederaties, ook als zij Rusland weer volledig toelaten onder eigen nationale symbolen, en wat dit voor hen betekent.
Het kabinet is zich bewust van de praktische implicaties dat het kabinetsstandpunt met zich meebrengt. Immers, wanneer een nationale sportbond een EK of WK wil organiseren in Nederland is het verplicht de regels te volgen van de internationale sportfederatie waar zij aangesloten zijn. Ook als dat betekent dat Russische en/of Belarusische sporters worden toegelaten. Tegelijkertijd staat het nationale sportbonden vrij om hierover in overleg te treden met de betreffende internationale sportfederatie en te zoeken naar een passende oplossing.
Het kabinet erkent dat internationale sportfederaties autonoom zijn in de keuze om Russische en Belarusische sporters uit te nodigen voor internationale sportevenementen, ook voor evenementen in Nederland. Tegelijkertijd vindt het kabinet het onwenselijk dat atleten en sportteams uit deze landen onder eigen vlag en nationale symbolen meedoen aan sportevenementen in Nederland vanwege de voortdurende Russische agressie-oorlog tegen Oekraïne en facilitering door Belarus. Het kabinet doet daarom alles binnen de beschikbare mogelijkheden om deelname te voorkomen en blijft hierover in gesprek met NOC*NSF en de sportbonden.
Bent u voornemens binnen de Europese Unie of in overleg met gelijkgezinde landen op te trekken om een gezamenlijke positie in te nemen over de terugkeer van Russische sporters naar internationale sportevenementen?
Het kabinet acht deelname aan sportevenementen in Nederland van Russische en Belarusische atleten en sportteams onder eigen vlag, het volkslied en andere nationale symbolen onwenselijk.
Het kabinet acht het van belang dit standpunt actief uit te dragen en is hier actief over in gesprek met gelijkgezinde Europese landen en heeft dit onderwerp al geagendeerd in passende EU-gremia. Zo heeft het kabinet vorige maand op initiatief van Estland een brief gericht aan de verantwoordelijk EU-commissaris, zie ook de beantwoording van vraag 3. Deze brief is ondertekend door acht andere EU-sportministers. Het doel is te komen tot een gezamenlijke Europese lijn ten aanzien van het voorkomen van deelname van Russische en Belarusische atleten aan internationale sportcompetities onder eigen nationale symbolen. Het kabinet zal relevante ontwikkelingen delen met de Kamer middels de geannoteerde agenda en het verslag van Europese bijeenkomsten.
Wat is de Nederlandse inzet ten aanzien van een eventuele toekomstige terugkeer van de Russische vlag, het volkslied en officiële Russische vertegenwoordiging bij internationale sportevenementen en de Olympische Spelen, nu het IOC daarover nog geen definitief besluit heeft genomen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan eerstvolgende internationale overleggen over dit onderwerp te informeren over de Nederlandse inzet en de gesprekken die hierover worden gevoerd?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bekend met het artikel van Omrop Fryslân: Honderden meldingen over gezondheidsproblemen bij Friese paarden: «Mensen beseffen niet hoe ernstig het is»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering dat een volledig beeld van de omvang van erfelijke gezondheidsproblemen bij het Friese paard ontbreekt, doordat melding van sterfgevallen bij het Koninklijk Friesch Paarden-Stamboek (KFPS) niet verplicht is?
Ik vind het belangrijk dat gezonde dieren worden gefokt. Hierbij is samenwerking in de keten essentieel en dient elke partij haar verantwoordelijkheid te nemen. Waar de overheid zich inzet voor de borging van de juiste randvoorwaarden voor behoud van dierlijke genetische bronnen, ligt het behoud en beheer van rassen en fokpopulaties, door actief gebruik, bij fokkers en sectorvertegenwoordiging, zoals KFPS.
Het KFPS stelt de foktechnische richtlijnen op voor het Friese paard in een fokprogramma volgens de Fokkerijverordening.2 Hierbij merk ik op dat een meldpunt voor sterfgevallen geen verplichting is uit de Fokkerijverordening.
Het KFPS moet aan de Fokkerijverordening voldoen en geeft daaraan uitvoering in zijn reglementen. Het is aan het stamboek om een fokprogramma op te stellen dat voldoet aan eisen van de Fokkerijverordening. Dit wordt beoordeeld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Het KFPS biedt momenteel de mogelijkheid aan paardenhouders om te melden als er een probleem met het veulen of paard is. Dit is echter niet verplicht waardoor niet met zekerheid vast te stellen is of het KFPS op de hoogte is van alle afwijkingen binnen de totale populatie. Een volledig beeld van de omvang van erfelijke gezondheidsproblemen bij het Friese paard kan bovendien niet worden verkregen op basis van meldingen van sterfgevallen alleen, want niet alle erfelijke gezondheidsproblemen zullen leiden tot sterfte.
Het KFPS is in samenwerking met Wageningen University en Research (WUR) bezig met het uitbreiden van een database met DNA-informatie en status van erfelijke gebreken voor het maken van een genetisch management plan. Dit plan heeft als doel selectie van fokdieren ter voorkoming van erfelijke gebreken, nieuwe gebreken voorkomen en tegelijkertijd de genetische diversiteit behouden. Ten slotte constateer ik dat er ook private initiatieven op dit vlak zijn ingericht. Een voorbeeld hiervan is het Meldpunt Gebreken Friese paard.3
Is er op dit moment enige wettelijke verplichting voor stamboekorganisaties zoals het KFPS om sterfgevallen, doodsoorzaken en erfelijke aandoeningen bij fokdieren te registreren en te melden bij een toezichthoudende instantie? Zo nee, ziet u aanleiding om een dergelijke meldplicht in te voeren, gelet op het belang van diergezondheid en dierenwelzijn?
Er geldt op dit moment geen wettelijke verplichting voor stamboekorganisaties zoals het KFPS om sterfgevallen, doodsoorzaken en erfelijke aandoeningen bij fokprogramma’s te registreren of te melden bij de toezichthouders. De Europese regelgeving schrijft dit ook niet voor. Ik zie op dit moment geen aanleiding om een dergelijke meldplicht in te voeren. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2, ligt de verantwoordelijkheid voor het behoud en beheer van rassen en fokpopulaties, door actief gebruik, bij fokkers en sectorvertegenwoordiging zoals KFPS en zie ik verscheidene private initiatieven om de situatie te verbeteren.
In hoeverre vindt er op dit moment toezicht plaats op stamboekorganisaties als het KFPS als het gaat om de gevolgen van fokkerijbeleid voor de gezondheid van het ras? Welke instantie is hiervoor verantwoordelijk?
Het toezicht op stamboekorganisaties is belegd bij RVO. RVO beoordeelt of stamboeken voldoen aan de regels voor de erkenning van stamboekverenigingen, zoals beschreven in artikel 4 van de Fokkerijverordening. Daarnaast beoordeelt RVO een of meer fokprogramma's die door het stamboek zijn ingediend, zoals beschreven in artikel 8 van de Fokkerijverordening. RVO voert de administratieve controles op deze voorschriften uit, RVO kan hiertoe aanvullend een controle ter plaatse uitzetten door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
In de Fokkerijverordening zijn geen concrete normen vastgesteld welke fokkerij wel en niet is toegestaan. Er staat geen verbod op fokken met dieren met een genetisch defect. De verordening geeft juist aan dat genetische defecten in het fokprogramma worden vermeld in relatie tot het ras en de raszuivere fokdieren en het fokbeleid. Dit met het oog op fok- en selectiedoelen en voorkómen van verlies aan genetische diversiteit. Uitsluiten van fokdieren met een genetisch defect kan ook zorgen voor ongewenst verlies aan genetische diversiteit in de populatie. Met fok- en selectiedoelen moet worden voorkomen dat de populatie genetische diversiteit verliest.
Erkent u het risico dat een gesloten stamboek, waarbij uitsluitend gefokt mag worden met dieren van hetzelfde ras, op termijn kan leiden tot een te smalle genetische basis en een verhoogde kans op erfelijke aandoeningen? Welke rol ziet u hierbij voor uzelf of voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en/of de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA)?
Hier is geen eenduidig antwoord op te geven omdat dit afhankelijk is van de grootte van de populatie, met hoeveel dieren hiervan actief wordt gefokt, en het fokbeleid dat wordt toegepast. Denk hierbij aan DNA testen, genomische selectie, dekbeperkingen etc. Veel stamboeken fokken uitsluitend met dieren van hetzelfde ras. Dit hoeft geen problemen met zich mee te brengen, maar dit is uiteraard afhankelijk van het gevoerde fokbeleid, de aandacht daarin voor inteeltbeperking en het voorkomen van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke raskenmerken.
In het algemeen onderstreep ik dat genetische diversiteit essentieel is voor een veerkrachtige en duurzame dierhouderij en voor duurzaam beheer en behoud van dierpopulaties. Nederland is immers gecommitteerd aan mondiale en EU-verplichtingen met betrekking tot behoud en duurzaam gebruik van dierlijke genetische bronnen, in het bijzonder de Convention on Biological Diversity, het FAO-actieplan voor dierlijke genetische bronnen, de Fokkerijverordening en de Diergezondheidswetgeving.4
Daarom is er een complementair systeem voor het behoud van dierlijke genetische bronnen, dat bestaat uit «in situ» en «ex situ» behoud. In situ behoud betreft de instandhouding en het beheer van fokpopulaties, rassen of selectielijnen van landbouwhuisdieren. Nederlandse fokkerijbedrijven en stamboeken zijn wereldwijd leidend en exporteren hoogwaardige genetica. Hier is de verantwoordelijkheid van partijen zoals KFPS leidend. Het ex situ behoud is voor een belangrijk deel belegd bij de nationale genenbankcollectie van het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN). Het CGN beheert de nationale ex situ genenbankcollectie voor landbouwhuisdieren.
Voor de rol van RVO en NVWA in het toezicht verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de zorg van de geïnterviewde dierenarts dat het ontbreken van goede, centrale data onderzoekers en fokkers belemmert om patronen in erfelijke aandoeningen te herkennen en daarmee gerichte fokmaatregelen te nemen? Welke mogelijkheden ziet u om deze dataverzameling te verbeteren of te verplichten?
Ik deel de zorg niet aangezien er verscheidene private initiatieven door KFPS zijn en worden ontplooid om de nodige data te verzamelen en gezonde fok te bevorderen. Hieronder licht ik de voornaamste initiatieven op dit vlak toe.
Ik zie dat het KFPS diverse initiatieven heeft ontplooid om beter zicht te krijgen op het voorkomen van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke raskenmerken binnen het ras en fokkers te ondersteunen bij de keuze van een hengst en een merrie om inteelttoename te voorkomen en de kans op erfelijke aandoeningen terug te brengen.
Het KFPS biedt bij haar aangesloten fokkers de mogelijkheid om inteeltberekeningen/proefparingen te doen voordat tot dekking wordt overgegaan.
Daarnaast loopt bij het KFPS het project Behoud van Friese Paard 2023–2027, waarbij ook een enquête is gehouden. Onderdelen van het project zijn een Genetisch Management Plan Selectie tegen erfelijke gebreken, het voorkomen van het ontstaan van nieuwe gebreken en het behoud van genetische diversiteit.
Binnen dit project wordt onderzocht hoe de genetische diversiteit binnen het Friese ras is verdeeld. Onderdeel hiervan is dat sinds 2023 bij alle veulens haarmonsters worden afgenomen en het DNA in kaart wordt gebracht met als doel een rasspecifiek referentiegenoom te ontwikkelen en verborgen letale mutaties te detecteren.
Bovenstaande zal leiden tot een genetisch management plan waarvan selectie tegen erfelijke gebreken en het voorkomen van het ontstaan van nieuwe gebreken het doel is met behoud van genetische diversiteit.
Verder loopt er op dit moment een publiek-private samenwerking waarbij WUR, Koepel Fokkerij, KFPS en het Koninklijk Warmbloed Paardenstamboek Nederland (KWPN) betrokken zijn getiteld «Behouden paard». De focus hiervan ligt op het verbreden van toepassing van sleuteltechnologie genomics in het fokprogramma van grote en kleine paarden- en ponystamboeken waaronder het KFPS, ter bevordering van welzijn en gezondheid (onder andere door het voorkomen van inteelt en erfelijke gebreken) bij paardachtigen.
Daarnaast is het relevant om te vermelden dat het KFPS in 2003 is overgegaan tot het instellen van dekbeperkingen en de publicatie van verwantschapspercentages.
Verder heeft het KFPS in 2021 het fokdoel aangepast en expliciet verwoord dat de gezondheid van het Friese Paard voorop staat. Onderdeel hiervan is de ambitie het verder laten dalen van de inteelt coëfficiënt naar maximaal 0,5%, waar de FAO een maximum van 1% adviseert.
Bestaan er voor het Friese paard, net als voor sommige andere paardenrassen of gezelschapsdieren, al verplichte genetische tests voorafgaand aan de goedkeuring van fokhengsten? Zo ja, welke aandoeningen worden hierbij getest en acht u dit pakket toereikend in het licht van de signalen uit dit onderzoek?
Onderdeel van het goedkeuringsproces van dekhengsten bij KFPS is onder meer het verrichten van genetische tests op verscheidene aandoeningen, te weten: dwerggroei, waterhoofd en cornage. Daarnaast is een uitgebreid medisch en verrichtingsonderzoek onderdeel van het keuringsproces van een potentiële dekhengst.5
Ik verwacht dan ook van KFPS dat het op basis van deze processen dekhengsten indien nodig uitsluit voor de fokkerij.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het KFPS over het instellen van een verplicht, centraal en openbaar meldpunt voor sterfgevallen en erfelijke aandoeningen bij Friese paarden, zoals door zowel de oud-fokker als de dierenarts wordt bepleit?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 2, een meldpunt voor sterfgevallen en erfelijke aandoeningen is op grond van de Fokkerijverordening niet verplicht. In dit kader ben ik ook niet bereid verder te gaan dan wat de Europese regelgeving vereist. Ik ben van mening dat elke partij in de keten haar verantwoordelijkheid dient te nemen om de gezondheid van Friese paarden te waarborgen.
Bent u bereid om, eventueel in samenwerking met de Faculteit Diergeneeskunde of andere onafhankelijke experts, onderzoek te laten doen naar de omvang van erfelijke gezondheidsproblemen binnen het Friese paardenras en de rol die de fokkerijstructuur daarbij speelt?
Aangezien de verantwoordelijkheid van het fokken van gezonde paarden primair bij de fokker belegd is, wil ik u verwijzen naar de initiatieven die het KFPS heeft opgestart (zie mijn antwoord op vraag 6).
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van bovenstaande vragen en eventuele vervolgstappen?
Ik verwijs u naar de beantwoording op deze vragen.
Het sluiten van bezoekcentra door Staatsbosbeheer |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: «Prioriteit bij natuurbeheer»?»1
Ja, wij zijn bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: Prioriteit bij natuurbeheer».
Klopt het dat Staatsbosbeheer voornemens is alle zeven buitencentra (De Pelen, Almeerderhout, Oostvaardersplassen, Schoorlse Duinen, Sallandse Heuvelrug, Drents-Friese Wold en het Boomkroonpad op de Hondsrug) te sluiten? Zo ja, op welke termijn en in welke fasering?
Staatsbosbeheer (hierna: SBB) is voornemens te stoppen met het huidige concept en de eigen exploitatie van de zeven buitencentra. Het definitieve besluit hierover volgt na advies van de ondernemingsraad van SBB, uiterlijk op 1 oktober 2026. De beoogde sluitingsdatum voor de winkels en exploitatie is vastgesteld op 1 januari 2027. Dit betekent echter niet dat alle gebouwen zonder meer worden gesloten. Per locatie wordt in overleg met betrokken partners en de omgeving onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is. Daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke situatie, lopende contracten en bestaande samenwerkingsafspraken. De toekomstige invulling en het moment waarop de huidige exploitatie eindigt, verschillen daardoor per locatie. Voor de zeven gebouwen geldt daarom geen uniforme fasering. Er is wel sprake van één eerdere fasering: buitencentrum Almeerderhout is vanwege het vertrek van de horeca en teruglopende bezoekersaantallen vroegtijdig gesloten op 26 juli 2026.
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (met name jonge) bezoekers en de lokale en regionale economie rond natuurgebieden? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het voornemen om deze centra te sluiten?
Ja, wij delen de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (jonge) bezoekers en lokale en regionale economie rond natuurgebieden. Echter, vanwege de structurele en financiële tekorten en noodzaak om prioriteit te geven aan wettelijke kerntaken, wil SBB zijn betrokkenheid bij de bezoekerscentra in zijn huidige vorm beëindigen. Om de educatieve waarde te behouden, blijft SBB publieksvoorlichting en educatie bieden via informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met onder meer IVN Natuureducatie, scholen, gemeenten en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden. Per locatie wordt in overleg met betrokken partners en de omgeving onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is.
Onderkent u de bredere maatschappelijke waarde van natuur, zoals voor gezondheid, welzijn, educatie, recreatie en regionale economie? Zo ja, hoe weegt u deze maatschappelijke waarde mee in de besluitvorming rond de financiering van Staatsbosbeheer?
Wij erkennen de maatschappelijke waarde van natuur, maar wijzen erop dat domein-overschrijdende baten, zoals gezondheid en recreatie, een gedeelde financiële verantwoordelijkheid is met decentrale overheden en private partijen. Vanwege wettelijke prioriteiten van SBB voor natuurbeheer, biodiversiteit en Natura2000, moeten maatschappelijke voorzieningen zoals bezoekerscentra zelfvoorzienend worden of via regionale partners worden gefinancierd.
Bent u van mening dat de sluiting van alle bezoekerscentra deze maatschappelijke waarde van natuur ondermijnt, doordat de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en voorlichting voor een breed publiek (1,3 miljoen bezoekers per jaar) verdwijnt? Kunt u dit toelichten?
We ervaren wat ongemak dat met de sluiting van alle bezoekerscentra de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en -voorlichting kan verdwijnen voor een breed publiek. Maar aangezien de gratis toegankelijkheid van natuurgebieden behouden blijft en natuureducatie via digitale middelen en samenwerkingen wordt voortgezet door SBB, zijn wij niet van mening dat de maatschappelijke waarde van natuurgebieden wordt ondermijnd door dit voorgenomen besluit van SBB. Daarnaast gaat het om zeven locaties, terwijl SBB op vele andere plekken zonder bezoekerscentrum de maatschappelijke waarde op dit moment ook al in stand houdt. Per locatie onderzoekt SBB in overleg met betrokken partners en de omgeving welke toekomstbestendige invulling mogelijk is.
Waarom is er sinds 2014 geen structurele rijksbijdrage meer beschikbaar gesteld voor het in stand houden van deze bezoekerscentra, terwijl deze een belangrijke functie vervullen in natuureducatie en publieksbereik?
Het stopzetten in 2014 van de structurele bijdrage vanuit het Rijk voor het in stand houden van de bezoekerscentra van SBB was het gevolg van het Natuurpact uit 2013, waarmee het Rijk het natuurbeleid en de bijbehorende budgetten decentraliseerde naar de provincies. Door deze stelselherziening en gelijktijdige Rijksbezuinigingen werd de Rijksbijdrage voor SBB beperkt tot zijn wettelijke kerntaak van natuurbeheer. Recreatieve en educatieve publieksvoorzieningen, zoals de bezoekerscentra, moesten vanaf dat moment een regionale verantwoordelijkheid worden of commercieel zelfvoorzienend worden geëxploiteerd via winkels, horeca en lokale partners.
Bent u bereid te onderzoeken of (een deel van) de rijksbijdrage voor de buitencentra van Staatsbosbeheer kan worden hersteld, bijvoorbeeld via de begroting van het Ministerie van LVVN of via het Programma Natuur? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover een voorstel verwachten?
Omdat de budgetten uit de LVVN-begroting en het Programma Natuur wettelijk geoormerkt zijn voor natuurherstel en -beheer en niet voor publieksvoorzieningen, zijn wij niet bereid de Rijksbijdrage aan SBB op te hogen voor de buitencentra van SBB. Onze focus ligt in plaats daarvan op het ondersteunen van SBB bij de overdracht van de locaties aan lokale overheden en marktpartijen, aangezien de verantwoordelijkheid voor natuurrecreatie en -educatie sinds 2014 bestuurlijk bij de provincies ligt.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomst van het traject bij de ondernemingsraad en een eigen appreciatie te geven van het definitieve besluit, voordat tot onomkeerbare stappen (zoals sluiting per 1 januari 2027) wordt overgegaan?
Ja, wij zijn hiertoe bereid en zullen de Tweede Kamer in het najaar van 2026 informeren over de uitkomst van de ondernemingsraadprocedure en het definitieve besluit van SBB. Wij zullen hierbij een (beleidsmatige) appreciatie geven, maar benadrukken dat SBB als zelfstandig bestuursorgaan een eigen operationele verantwoordelijkheid heeft. Deze informatievoorziening zal plaatsvinden ruim vóór de geplande sluitingsdatum van 1 januari 2027, zodat de Kamer de mogelijkheid behoudt om tijdig te debatteren voordat er onomkeerbare stappen worden gezet.
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk draagvlak voor de Natura 2000-doelen, waarvan de doelen conform coalitieakkoord worden geëvalueerd, mede afhankelijk is van de mate waarin burgers direct met natuur en natuurbeheer in aanraking komen, bijvoorbeeld via bezoekerscentra? Weegt u dit effect mee bij de evaluatie en is de Minister bereid dit punt daarin expliciet te betrekken?
Ja, wij delen de opvatting dat direct contact met de natuur essentieel is voor het maatschappelijk draagvlak. De toegankelijkheid van natuurgebieden is voor het Kabinet van groot belang en we zullen daarom de factor «publieksbereik» breed betrekken bij de evaluatie van Natura2000-doelen conform coalitieakkoord. Wij benadrukken echter dat het verdwijnen van fysieke bezoekerscentra het draagvlak niet hoeft te ondermijnen, omdat SBB burgers blijft bereiken via digitale platforms, scholen en gebiedsinformatie en dit draagvlak creëert in veel andere gebieden zonder bezoekerscentrum. De expliciete opname van dit punt in de evaluatie zal dan ook niet leiden tot herfinanciering door het Rijk, aangezien de exploitatie van de gebouwen een regionale of commerciële verantwoordelijkheid blijft.
Hoe kijkt u naar het feit dat er relatief grote bedragen beschikbaar zijn voor reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden, terwijl er voor de relatief beperkte kosten van publieksvoorlichting en natuureducatie via bezoekerscentra geen structurele middelen worden vrijgemaakt? Bent u bereid om, bij de nadere uitwerking van de zoneringsaanpak en de bijbehorende middelen, te bezien of een deel hiervan kan worden ingezet voor het behoud van publieksfuncties zoals bezoekerscentra, gezien hun bijdrage aan het draagvlak voor natuurbeleid?
Het financiële verschil tussen reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden (de zoneringsaanpak) en publieksvoorlichting en natuureducatie (o.a. via de bezoekerscentra) vloeit voort uit een strikt wettelijk onderscheid, waarbij de grote budgetten juridisch geoormerkt zijn voor dwingende Europese verplichtingen rond stikstofreductie en natuurherstel om economische blokkades te voorkomen. Het Rijk houdt vast aan het standpunt dat de exploitatie van bezoekerscentra sinds de decentralisatie van 2014 een provinciale en commerciële verantwoordelijkheid is, die niet gefinancierd kan worden uit budgetten voor natuurherstel en natuurbeheer. Wij zijn daarom van mening dat zoneringsmiddelen niet kunnen worden ingezet voor publieksfuncties zoals bezoekerscentra.
Het bericht dat thuismonitoring 350.000 ziekenhuisopnames kan schelen, maar tegengehouden wordt door de bekostiging |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Thuismonitoring kan 350.000 ziekenhuisopnames schelen, maar de bekostiging houdt het tegen» – naar aanleiding van de podcast BNR Beter?1
Deelt u de hoge verwachtingen die in het artikel geschetst worden van thuismonitoring? Waarom wel, of waarom niet?
Deelt u de mening dat thuismonitoring goed past binnen de visie «digitaal als het kan, fysiek als het moet» en in het toewerken naar passende zorg?
Kunt u aangeven hoeveel inzet van personeel thuismonitoring potentieel kan schelen?
Welke knelpunten gelden er op dit moment in de bekostiging en financiering van zorg, waardoor initiatieven als thuismonitoring niet voldoende kunnen worden opgeschaald? Welke hiervan gelden specifiek voor hybride zorg?
Op welke manier bent u van plan om initiatieven als thuismonitoring meer ruimte te geven om op te schalen, in lijn met de motie-Wendel/Vervuurt?2
Hoe kijkt u ernaar dat in het artikel wordt gesteld dat ongeveer de helft van de ziekenhuiszorg thuis zou kunnen plaatsvinden, van de voorbereiding op een operatie tot de begeleiding van chronisch zieken?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling?
Het bericht dat gokbedrijven Meta voor de rechter slepen vanwege advertenties voor illegale goksites |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel «Gokbedrijven slepen Meta voor rechter vanwege advertenties illegale goksites»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse consumenten via socialemediaplatforms nog steeds worden geconfronteerd met advertenties voor illegale onlinegoksites, ondanks bestaande wet- en regelgeving en het toezicht van de Kansspelautoriteit?
Ik vind het zorgelijk dat Nederlanders advertenties van illegale online gokaanbieders te zien krijgen. Het is verboden om reclame voor niet vergunde kansspelaanbieders te maken. Illegale aanbieders houden zich niet aan de regels voor reclame voor online kansspelen en zij richten zich juist ook op kwetsbare groepen. Dit is in het bijzonder verontrustend omdat bij illegaal gokken geen sprake is van bescherming, bewustwording en doorgeleiding naar hulp en zorg. Gokschade bij illegaal aanbod is naar verwachting groter dan bij legaal aanbod.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Straatman van 28 januari 2026, ontvangt de Kansspelautoriteit (Ksa) voortdurend meldingen over illegale reclames op socialemediaplatforms en spoort zij ook zelf illegale reclames op.2 Bij geconstateerde overtredingen meldt de Ksa dit bij de betreffende socialemediabedrijven. Zo heeft de Ksa in april van dit jaar ruim 4.600 illegale advertenties gemeld bij Meta en gaven zij recentelijk aan in mei ruim 26.000 meldingen te hebben gedaan.3 Het grote aantal en de korte omlooptijd van deze advertenties leiden ertoe dat een aanpak die voornamelijk berust op het achteraf melden en verwijderen van afzonderlijke advertenties onvoldoende schaalbaar en bestendig is. Dit benadrukt de noodzaak om niet alleen de advertenties, maar ook de achterliggende aanbieders en de infrastructuur die zij gebruiken aan te pakken. Ik verwijs u in dit kader ook naar de voortgangsrapportage van de Kansspelautoriteit over de Alliantie ter bestrijding van illegale kansspelen, die als bijlage bij mijn brief van 12 juni 2026 aan uw Kamer is aangeboden.4 Daarin wordt de voortgang beschreven op de onderdelen marketing, betalingsverkeer, internet en spelaanbieders.
Hoe verhoudt het bestaan van grootschalige advertenties voor illegale goksites zich tot de effectiviteit van het verbod op ongerichte reclame en de mate waarin consumenten – waaronder jongvolwassenen – worden geconfronteerd met gokreclame?
Het bestaan van illegale gokreclame doet niet af aan het effect van het verbod op ongerichte reclame voor vergunde aanbieders van online kansspelen. Zoals eerder vermeld in mijn brief van 12 juni, is het effect van het verbod op ongerichte reclame (Besluit orka) dat ongerichte reclame voor online gokken is verdwenen van televisie, radio en uit het straatbeeld. Ook het aantal reclames op internet is sterk gedaald.5 Desondanks zien nog steeds veel mensen, waaronder jongvolwassenen, reclame voor online gokken, ook als zij hier niet naar op zoek zijn. Uit de evaluatie van de Wet kansspelen op afstand uit 2024 blijkt dat de huidige wettelijke beperkingen onvoldoende zijn om bestaande spelers, met name jongvolwassenen en andere kwetsbare spelers, tegen de aanzuigende werking van kansspelreclame te beschermen.6 Daarom kies ik ervoor om reclame voor online kansspelen te verbieden. Dit is in lijn met het coalitieakkoord en de door uw Kamer aangenomen motie van Van Nispen c.s.7
Kunt u aangeven in hoeverre de huidige handhavingsinstrumenten van de Kansspelautoriteit toereikend zijn om advertenties voor illegale onlinekansspelen effectief te bestrijden op grote onlineplatforms en wat ervoor nodig is om dit te verbeteren?
Zoals ik in antwoord op vraag 2 heb aangegeven, treedt de Ksa actief op tegen illegale advertenties voor onlinekansspelen. Tegelijkertijd is duidelijk dat de huidige aanpak niet voldoende is om het illegale aanbod effectief terug te dringen. Om deze aanpak verder te versterken werk ik, zoals aangekondigd in mijn brief van 12 juni 2026, in afstemming met de Ksa aan aanvullende instrumenten en de verbetering van bestaande instrumenten om illegale aanbieders effectiever aan te pakken. Daarbij heb ik expliciet aandacht voor het verstoren van de infrastructuur die deze aanbieders gebruiken. Het is van belang om optimaal gebruik te maken van de bestaande instrumenten en dit in samenwerking te doen met partijen die hierin kunnen helpen. Zo is het nu al verboden voor derden zoals online platforms illegaal aanbod te bevorderen. De Ksa treedt hiertegen op.
Kunt u schetsen welk beeld er bestaat van de omvang en ontwikkeling van de illegale onlinegokmarkt in Nederland en welke implicaties dit heeft voor de effectiviteit van het huidige en voorgenomen reclamebeleid?
De omvang en ontwikkeling van de illegale online kansspelmarkt en illegale reclame zijn niet exact vast te stellen. De Monitoringsrapportage online kansspelen voorjaar 2026 van de Ksa laat zien dat de kanalisatie in termen van spelers nog steeds hoog is. Naar schatting speelt ongeveer 91% van de Nederlandse spelers alleen bij vergunde aanbieders. Wanneer wordt gekeken naar het geld dat spelers verliezen, ligt de kanalisatie echter aanzienlijk lager, op ongeveer 53%.8 Dit wijst erop dat een relatief kleine groep veel geld vergokt op illegale goksites.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van de eerdergenoemde Kamervragen van het lid Straatman, is de inzet van de Ksa niet gericht op het uitputtend monitoren van het bereik en de verspreiding van illegale reclame.9 In algemene zin kan gesteld worden dat een zorgvuldig gereguleerd vergund aanbod hand in hand moet gaan met een effectieve aanpak van het illegale aanbod en deelname daaraan. Beide vragen blijvend veel aandacht. Voor de maatregelen die de Ksa en ik op dat gebied nemen, verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2 en 4.
In uw voortgangsbrief kansspelen met contouren voor maatregelen van 12 juni 20262 geeft u aan voornemens te zijn om reclame voor vergunde onlinekansspelaanbieders (vrijwel) volledig te verbieden. Hoe wordt bij de verdere uitwerking van dit beleid voorkomen dat hierdoor de positie van illegale goksites versterkt?
Met een verbod op reclame voor vergunde online gokaanbieders is naar verwachting niet alle reclame voor online gokken verdwenen. Het is tot nu toe slechts beperkt mogelijk om reclames van illegale goksites tegen te gaan en er moet rekening mee gehouden worden dat dit ook met een versterkt wettelijk instrumentarium beperkt effectief blijft.
Bij de uitwerking van het reclameverbod houd ik daarom rekening met de vindbaarheid van het vergunde aanbod. In mijn brief van 12 juni 2026 heb ik aangegeven zeer beperkte en strikt begrensde uitzonderingen op het reclameverbod te onderzoeken. Hiermee wil ik voorkomen dat mensen die al actief op zoek zijn naar online kansspelen bij illegale aanbieders terechtkomen. Op basis van de huidige inzichten denk ik daarbij aan informatie op de eigen website van een vergunde aanbieder en reclame bij resultaten van expliciete zoekopdrachten naar online goksites. De precieze uitwerking van het verbod en de uitzonderingen daarop wordt nader onderzocht in het Beleidskompas. Zoals beschreven in mijn antwoord op vraag 2, is mijn inzet in aanvulling hierop gericht op het tegengaan van illegaal aanbod en de deelname daaraan.
Bent u bereid om bij de uitwerking van het voorgenomen reclameverbod ruimte te laten voor reclame door vergunde aanbieders wanneer zij aantoonbaar kunnen waarborgen dat zij controle hebben over de inhoud, de doelgroep en het bereik van hun boodschap, juist om te voorkomen dat consumenten die interesse hebben in onlinekansspelen, vooral terechtkomen bij illegale aanbieders?
Nee. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 en vraag 6, zien mensen nog steeds veel reclame voor online gokken, ook mensen die hier niet naar op zoek zijn. In lijn met het coalitieakkoord wil ik reclame voor online gokken daarom verbieden. Daarbij blijft het van belang dat spelers die willen deelnemen aan online kansspelen hun weg vinden naar het vergunde aanbod.
Bent u bereid voorafgaand aan definitieve besluitvorming een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren naar de gevolgen van een vrijwel volledig reclameverbod voor de bescherming van spelers, de omvang van de illegale markt en de blootstelling aan illegale gokreclame en de uitkomsten daarvan met de Kamer te delen?
Nee, ik zie op dit moment geen aanleiding om een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren. Er is al onderzoek gedaan naar de effecten van kansspelreclame en de werking van het huidige stelsel.11 12 Deze informatie wordt betrokken bij de verdere uitwerking van het reclameverbod. Zoals ik in mijn brief van 12 juni heb aangegeven, werk ik het reclameverbod nader uit aan de hand van het Beleidskompas. Daarbij worden onder meer de verwachte effecten op de bescherming tegen gokschade, kansspelgerelateerde criminaliteit en (deelname aan) illegale kansspelen betrokken. Bij de verdere uitwerking maak ik gebruik van beschikbare onderzoeken, de monitoringsrapportages van de Ksa en de kennis en expertise van betrokken partijen. Daarnaast zal de voorgenomen wet- en regelgeving de gebruikelijke uitvoeringstoetsen en consultatieprocedures doorlopen. Ook in dat kader worden de uitvoerbaarheid en de mogelijke gevolgen van de maatregelen beoordeeld en kunnen betrokken partijen daarop reageren.
De internationale inzet voor het VN-verdrag Handicap |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel 32 van de United Nations Convention on the Rights of People with Disabilities (UNCRPD),dat deze maand 10 jaar door Nederland geratificeerd is?
Ja.
Op welke manier geeft u momenteel uitvoering aan dit artikel, waarin Nederland zich committeert aan de internationale bevordering van de rechten van mensen met een handicap?
Inclusiviteit ligt ten grondslag aan de ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s die het ministerie financiert. Deze programma’s zijn daarom zoveel mogelijk toegankelijk voor diverse groepen in een samenleving, waaronder mensen met een beperking. Een voorbeeld hiervan is het door Nederland medegefinancierde «Global Water Security and Sanitation Partnership» met de Wereldbank. Dit programma stimuleert toegang voor mensen met een beperking tot werk en diensten op het gebied van water en sanitaire voorzieningen en bevordert dat zij een rol spelen in besluitvorming. Conform de motie Ceder en Bamenga (Kamerstuk 36 180, nr. 149) blijft het ministerie op reguliere basis in gesprek over inclusief programmeren met relevante organisaties, zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD).
Op welke manier vindt de samenwerking met VWS als coördinerend ministerie van de UNCRPD plaats met betrekking tot de uitvoering van dit verdrag?
De samenwerking met het Ministerie van Volkshuisvesting, Welzijn en Sport op de uitvoering van dit verdrag is incidenteel van aard, zoals bijvoorbeeld rondom aanbevelingen van het VN-Comité over de uitvoering van het VN-verdrag Handicap en de campagne «Heb je iets nodig?»1
Bent u bekend met de observaties die het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap in 2024 heeft gepubliceerd ten aanzien van de uitvoering van het verdrag?1
Ja.
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland een «systematische en gecoördineerde strategie» mist om artikel 32 van het verdrag uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beschikt niet over een afzonderlijke, systematische en gecoördineerde strategie specifiek voor de uitvoering van artikel 32 van het verdrag. De uitgangspunten van artikel 32 zijn geïntegreerd in het bredere beleid voor ontwikkelingssamenwerking. Bij de ontwikkeling en uitvoering van programma’s geldt inclusiviteit als leidend principe, zodat niemand wordt uitgesloten. Dit omvat vanzelfsprekend ook de toegankelijkheid van programma’s voor mensen met een beperking.
Het ministerie voert ook geen doelgroepenbeleid in ontwikkelingssamenwerking. Wel is er aandacht voor kwetsbare groepen, waaronder mensen met een beperkingin de beleidsvoorbereiding, programmering, monitoring en evaluatie.
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland mensen met een handicap onvoldoende «systematisch en actief» betrokken worden in de internationale samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Mensen met een beperking en de organisaties die hen vertegenwoordigen worden niet in alle fasen van de beleidscyclus systematisch betrokken bij ontwikkelings-samenwerking. Wel vindt regulier overleg plaats met organisaties zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD), waarin onder meer wordt gesproken over de inclusie van mensen met een beperking in ontwikkelingsbeleid en -programma’s. Daarnaast kunnen organisaties van en voor mensen met een beperking deelnemen aan subsidietenders en zo een rol spelen in de uitvoering van programma’s.
Op welke manier geeft Nederland gevolg aan de aanbevelingen die in dit rapport geformuleerd zijn om een systematische en gecoördineerde strategie te ontwikkelen en om personen met een handicap systematisch en actief te betrekken?
Zie het antwoord op vraag 2, 5 en 6.
Klopt het dat Nederland in 2030 opnieuw moet rapporteren over de uitvoering van dit verdrag? Zo ja, welke stappen worden verder ondernomen om artikel 32 van het VN-verdrag handicap beter uit te voeren?
Ja, dat klopt. De eerstvolgende deadline voor een vervolg op de rapportages op grond van het VN-verdrag Handicap is vastgesteld op 14 juli 2030. Daarnaast zie ik erop toe dat vertegenwoordigende organisaties van mensen met een beperking actief worden betrokken bij de opvolging van het overleg dat ik had op 8 april jl. met 60 organisaties uit het maatschappelijk middenveld.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van de leden Ceder en Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen (Kamerstuk 36 180, nr. 149)?
Zie antwoord op vraag 2.
De levensbedreigende gezondheidstoestand van de Palestijnse arts dr. Hussam Abu Safiya in Israëlische detentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat dr. Hussam Abu Safiya, directeur van het Kamal Adwan-ziekenhuis te Gaza, na achttien maanden Israëlische detentie in kritieke, levensbedreigende toestand verkeert, en volgens zijn advocaat vrijwel onherkenbaar, ernstig verzwakt en zichtbaar gewond is?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat dr. Abu Safiya sinds zijn arrestatie op 27 december 2024 zonder aanklacht of proces wordt vastgehouden, op grond van de Israëlische wet op Unlawful Combatants, de detentie voor onbepaalde tijd zonder juridische toetsing mogelijk maakt?
De situatie van dr. Abu Safiya past binnen het beeld en de zorgen die het kabinet heeft ten aanzien van de toepassing van arbitraire detentie. Het kabinet acht het gebruik van administratieve detentie door Israël, alsook de duur en schaal hiervan, zorgwekkend en onderstreept in gesprekken met de Israëlische autoriteiten het belang van een eerlijke rechtsgang. Op basis van het humanitair oorlogsrecht is detentie om dwingende veiligheidsredenen, zonder dat dit samenhangt met een strafrechtelijk proces, geoorloofd als een uitzonderlijke maatregel. Een dergelijke detentie dient conform internationaalrechtelijke waarborgen en zonder willekeur te worden uitgevoerd. Ook gelden er internationale waarborgen die stellen dat de reden voor arrestatie gecommuniceerd moet worden. Dit draagt Nederland actief uit richting Israël.
Bent u op de hoogte van de bevindingen van de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie dat de gevangenhouding van dr. Abu Safiya in strijd is met internationale mensenrechtenverdragen zoals het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, alsmede hun oproep hem onmiddellijk vrij te laten? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?2
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het langdurig vasthouden van een persoon zonder aanklacht, zonder regulier strafproces en op grond van geheim bewijs dat niet door de verdediging kan worden betwist, fundamenteel in strijd is met het recht op vrijheid en een eerlijk proces? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de oproep van VN-experts en Amnesty International dat dr. Abu Safiya onmiddellijk moet worden vrijgelaten? Zo nee, welke concrete feiten rechtvaardigen volgens u zijn voortdurende detentie zonder aanklacht of proces?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de verklaring van zijn advocaat Nasser Odeh dat dr. Abu Safiya nauwelijks herkenbaar is als gevolg van ernstige verwondingen en ernstig gewichtsverlies, dat hij zich nu sinds een maand in eenzame opsluiting bevindt en dat hij tegen zijn advocaat heeft verklaard dat hij naar de Rakefet ondergrondse gevangenis is overgebracht om te worden vermoord?
Dit zijn zorgelijke berichten en beelden. Het kabinet onderstreept dat het menslievend behandelen van gevangenen een van de basisregels van het humanitair oorlogsrecht is, en dat daarnaast ook op basis van de mensenrechten, onder andere op basis van artikel 7 IVBPR, niemand mag worden onderworpen aan folteringen, of aan wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
Hoe verhoudt de behandeling van dr. Abu Safiya zich tot de verplichtingen van Israël onder de Vierde Conventie van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd en het absolute verbod op foltering?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de arrestatie van medisch personeel tijdens de uitoefening van hun taken een ernstige schending vormt van het internationaal humanitair recht? Zo nee, waarom niet?
Volgens het humanitair oorlogsrecht moet geneeskundig personeel onder alle omstandigheden worden ontzien en beschermd, tenzij deze buiten hun humanitaire taak voor de vijand schadelijke handelingen verricht.
Heeft de Nederlandse regering sinds de arrestatie van dr. Abu Safiya op 27 december 2024 bij de Israëlische autoriteiten geïnformeerd naar zijn verblijfplaats, gezondheidstoestand, detentieomstandigheden en juridische status? Zo ja, wanneer, op welk niveau en met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet brengt zorgen op het gebied arbitraire detentie, de detentieomstandigheden zelf, en het gebrek aan toegang tot gevangenen, met regelmaat op bij de Israëlische autoriteiten. De Nederlandse Mensenrechtenambassadeur heeft o.a. deze zorgen bij Israël opgebracht tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november. Daarnaast heeft de Europese Unie Israël recentelijk aangesproken op de zaak van dr. Abu Safiya. Middels een lokale verklaring met gelijkgestemde landen heeft Nederland eveneens aandacht voor zijn casus gevraagd en Israël opgeroepen alle gedetineerden te behandelen in lijn met diens verplichtingen onder het internationaal recht.
Bent u bereid de Israëlische ambassadeur met spoed te ontbieden en te eisen dat dr. Abu Safiya onmiddellijk toegang krijgt tot onafhankelijke artsen, zijn advocaten, zijn familie en het Internationale Comité van het Rode Kruis?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid van Israël te verlangen dat een onafhankelijk medisch onderzoek plaatsvindt, waarvan de bevindingen aan zijn familie en juridische vertegenwoordigers worden verstrekt, en dat hij onmiddellijk wordt overgebracht naar een geschikte medische instelling wanneer zijn gezondheidstoestand dat vereist?
Het kabinet verlangt dat eenieder de juiste medische hulp ontvangt, zie ook het antwoord op vragen 6 en 7. In de lokale verklaring met gelijkgestemden roept Nederland Israël ook op alle gedetineerden te behandelen in lijn met diens verplichtingen onder het internationaal recht.
Bent u bereid om bij de Israëlische regering, bilateraal dan wel in EU-verband, aan te dringen op de onmiddellijke vrijlating van dr. Abu Safiya, op toegang tot adequate medische zorg en juridische bijstand voor alle Palestijnse gedetineerden, en op onafhankelijk onderzoek naar de omstandigheden van zijn detentie?
Zie het antwoord op vraag 9.
Deelt u de zorg dat de arrestatie en behandeling van dr. Abu Safiya onderdeel vormen van een breder patroon van aanvallen op de Palestijnse gezondheidszorg en de detentie van Palestijnse artsen en andere zorgverleners? Hoe beoordeelt u in dit verband de berichtgeving dat minstens veertien artsen uit Gaza al langer dan een jaar zonder aanklacht door Israël worden vastgehouden?
Het kabinet ziet inderdaad dat er herhaaldelijk sprake is van beperking van handelen van medisch en humanitair personeel, in Gaza en wereldwijd. Het kabinet maakt zich hier ernstig zorgen over. Zie ook de antwoorden op vragen 2 t/m 8.
Bent u bereid bij Israël een volledige lijst op te vragen van alle uit Gaza gevangengenomen Palestijnse zorgverleners, met vermelding van hun verblijfplaats, juridische status, gezondheidstoestand, toegang tot advocaten en medische zorg en eventuele tegen hen ingediende aanklachten?
Het monitoren en documenteren van behandeling en detentieomstandigheden van gedetineerden valt binnen het mandaat van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). Nederland zet zich daarom consequent in voor de toegang van het ICRC tot Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten.
Welke consequenties verbindt u eraan wanneer Israël geloofwaardige beschuldigingen van foltering en mishandeling niet onafhankelijk laat onderzoeken en de verantwoordelijken niet vervolgt? Bent u bereid in dat geval te pleiten voor gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische functionarissen en leidinggevenden binnen het gevangeniswezen?
Zoals u stelt is het aan het land zelf onderzoek te doen naar vermeende schendingen van het internationaal recht. Het kabinet constateert eveneens dat Israël tekort schiet in het doen van onderzoek hiernaar. Dit onderstreept het belang van de lopende onderzoeken en processen via bestaande internationale organisaties en onderzoeksmechanismen naar de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden, waaronder het onderzoek van het Internationaal Strafhof en het werk van de Commission of Inquiry. Zie ook het antwoord op vraag 19.
Deelt u de opvatting dat Nederland geen militaire, veiligheids- of andere samenwerking mag onderhouden met Israëlische diensten of instellingen die betrokken zijn bij willekeurige detentie, foltering of andere ernstige mensenrechtenschendingen? Bent u bereid de bestaande samenwerking hierop met spoed door te lichten?
Bilaterale samenwerking die Nederland aangaat met Israëlische partijen vindt plaats binnen het kader van het (inter)nationaal recht. Het kabinet beoordeelt de samenwerking op verschillende terreinen ook binnen dit kader.
Bent u bekend met het antwoord van uw voorganger Van Weel dat het kabinet zich al geruime tijd zorgen over de situatie rondom de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten en dat het kabinet de zorgen deelt die door het VN-Comité tegen foltering zijn gepresenteerd in hun concluding observations on the sixth periodic report of Israel van 22 december 20253. Welke stappen heeft het kabinet nadien richting Israël ondernomen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Nederland heeft samen met Canada Syrië voor het Internationaal Gerechtshof gedaagd wegens schending van het VN-Verdrag tegen Foltering. Welke juridische of feitelijke reden bestaat er om ernstige en structurele meldingen van foltering van Palestijnse gevangenen door Israël niet met een vergelijkbare mate van urgentie, consequentie en bereidheid tot internationale aansprakelijkstelling te behandelen? Welke uitvoering hebben jullie aan de aangenomen motie Teunissen over «ondeonderzoeken welke juridische stappen Nederland kan zetten opdat Israël het Verdrag tegen foltering van de Verenigde Naties naleeft»?4
Zoals uw Kamer onder meer is medegedeeld in het verslag van de Europese Raad van 18 december 2025, kan geen van de verdragspartijen stappen zetten die leiden tot een bindende uitspraak van een internationaal hof of tribunaal over de naleving door Israël van het Antifolteringverdrag. Het verschil tussen Syrië en Israël is in dit geval dat Israël een voorbehoud heeft gemaakt bij de geschillenbeslechtingsclausule van artikel 30 van het Antifolterverdrag. Als gevolg daarvan bestaat geen mogelijkheid tot bindende geschillenbeslechting met Israël over de naleving van dit verdrag.
Dit neemt niet weg dat het kabinet bij Israël consequent wijst op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag.
Welke mogelijkheden ziet u om onafhankelijk internationaal onderzoek naar de arrestatie, detentie en behandeling van dr. Abu Safiya te ondersteunen, onder meer door VN-mechanismen, het Internationaal Strafhof en Palestijnse en Israëlische mensenrechtenorganisaties?
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen en schendingen van internationaal recht vast te kunnen stellen. Onder andere middels Nederlandse financiering aan het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), in het bijzonder de Human rights Inquires Branch, ontvangen onafhankelijke onderzoeksmechanismen van de VN zoals de Commission of Inquiry ondersteuning bij de uitvoering van hun onderzoek. Nederland steunt daarnaast in 2026 het landenkantoor van het OHCHR in de Palestijnse Gebieden met iets meer dan EUR 2 miljoen. De afgelopen paar jaren heeft Nederland een extra vrijwillige bijdrage aan het Internationaal Strafhof gedaan van in totaal EUR 6 miljoen, voor de versterking van de algehele onderzoekscapaciteit van het Hof. In verband met de onafhankelijkheid van het Strafhof is het niet mogelijk vrijwillige bijdragen te oormerken voor specifieke onderzoeken. Ten slotte steunt Nederland verschillende Israëlische en Palestijnse organisaties die bijdragen aan het verzamelen van feiten ten aanzien van vermeende schendingen van het internationaal recht.
Bent u bereid Israël te verzoeken al het bewijsmateriaal veilig te stellen dat betrekking heeft op de detentie en behandeling van dr. Abu Safiya, waaronder medische dossiers, camerabeelden, registraties van overplaatsingen en namen van betrokken functionarissen en bewakers?
Het kabinet roept Israël consequent op onderzoek te doen naar vermeende schendingen van het internationaal recht. Het veiligstellen van bewijsmateriaal is relevant voor het doen van onderzoek. Zie ook het antwoord op vraag 19.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Vragen en antwoorden met eenzelfde strekking zijn gecombineerd.
Het bericht: ‘Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters»1 en deelt u de conclusie dat financiële belemmeringen voor senioren om te verhuizen moeten worden weggenomen?
Ja. Ik ben bekend met het artikel. Ik deel de opvatting dat onnodige financiële belemmeringen voor ouderen die naar een passende woning willen verhuizen, zoveel mogelijk moeten worden weggenomen. Een beslissing om te verhuizen hangt echter niet alleen samen met de financiering. Ook de beschikbaarheid van een geschikte woning, de toekomstige woonlasten, de wens om in de eigen omgeving te blijven en de praktische gevolgen van een verhuizing spelen een rol. Het kabinet zet daarom zowel in op het vergroten van het aanbod van passende woningen voor ouderen en het verbeteren van hun financieringsmogelijkheden, als op goede informatievoorziening over de mogelijkheden om passend te wonen en te verhuizen. Uitgangspunt blijft dat een hypotheek voor de consument verantwoord en betaalbaar moet zijn.
Welke potentie ziet u, in absolute aantallen woningen en verhuisbewegingen, in het bevorderen van de doorstroming van senioren? Hoeveel woningen kunnen hierdoor beschikbaar komen voor jonge gezinnen en starters?
Het is niet mogelijk om in absolute aantallen aan te geven hoeveel woningen of verhuisbewegingen kunnen worden gerealiseerd door het bevorderen van de doorstroming van senioren. De beschikbare CBS-gegevens over de gemiddelde lengte van verhuisketens zijn niet uitgesplitst naar leeftijdsgroep.
Wel is bekend dat oudere huishoudens bij een verhuizing relatief vaak een ruime koopwoning achterlaten. Een dergelijke verhuizing kan een verhuisketen op gang brengen, doordat de vrijgekomen woning bijvoorbeeld wordt betrokken door een gezin dat vervolgens zelf een andere woning achterlaat. Langs deze weg kunnen uiteindelijk ook woningen beschikbaar komen voor starters. De precieze omvang van dit effect kan op basis van de beschikbare gegevens echter niet worden gekwantificeerd.
Het kabinet zet daarom in op het vergroten van het aanbod van passende woningen voor senioren en op het wegnemen van belemmeringen voor verhuizing, zodat de doorstroming op de woningmarkt verder wordt bevorderd.
Deelt u de opvatting dat bij huishoudens met substantiële overwaarde en een relatief lage hypotheekschuld meer rekening moet worden gehouden met vermogen en onderpand, in plaats van primair met inkomen?
Ik deel deze opvatting voor zover het gaat om tijdelijke doorstroomfinanciering, zoals een overbruggingshypotheek. Bij een reguliere, langlopende hypotheek is het inkomen leidend. Om de hypotheeklasten langdurig te kunnen dragen, moeten er voldoende bestendige inkomsten zijn. Vermogen of overwaarde kan die maandelijkse lasten immers niet vervangen.
Bij een kortlopende financiering die uit de verkoopopbrengst van de huidige woning wordt afgelost, kan aan het vermogen en het onderpand wél meer gewicht worden toegekend. De omvang van het vermogen, de overwaarde, de waarde van de woning en de hoogte van de bestaande hypotheekschuld bepalen dan in belangrijke mate of de lening kan worden terugbetaald. De huidige regels bieden hiervoor al ruimte. Kredietaanbieders kunnen daarnaast in individuele gevallen gemotiveerd maatwerk toepassen wanneer zij kunnen onderbouwen dat de financiering verantwoord is. Ik ga met de sector na of senioren die een woning hebben met substantiële overwaarde in de praktijk knelpunten aan de financieringskant ervaren als zij willen verhuizen en of er verbeteringen mogelijk zijn.
Kunt u een indicatie geven van de gemiddelde en totale overwaarde van woningeigenaren, uitgesplitst naar verschillende leeftijdsgroepen?
Gegevens uit de CBS Woonbase laten zien dat de gemiddelde en de totale overwaarde van woningeigenaren verschillen per leeftijdsgroep. Zo bedroeg op peilmoment 1 januari 2024 voor de leeftijdsgroep van 65 jaar of ouder de gemiddelde overwaarde ongeveer € 374.000 en de totale som aan overwaarde ongeveer € 540 miljard. Onderstaande tabel geeft dit beeld voor de onderscheiden leeftijdsgroepen.
Tot 35 jaar
127
65
511
35 tot 65 jaar
260
690
2.650
65 jaar of ouder
374
540
1.440
Bron: CBS Woonbase, bewerking Ministerie van BZK.
Welke concrete stappen zet u de komende drie maanden om overbruggingshypotheken en doorstroomhypotheken voor senioren beter beschikbaar en toegankelijk te maken?
De komende drie maanden richt ik mij, samen met de Minister van Financiën, vooral op het beter beschikbaar en toegankelijk maken van overbruggingsfinanciering binnen het bestaande kader. Via de uitvoering van de motie-Steen c.s. wordt daarnaast de doorstroomhypotheek uitgewerkt.
Allereerst rond ik de evaluatie van het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen af. Uit de gesprekken met kredietaanbieders, adviseurs en belangenorganisaties blijkt dat voor een groot deel van de doelgroep al een oplossing mogelijk is met een combinatie van een beperkte reguliere hypotheek en een overbruggingshypotheek. Tevens biedt een beperkt aantal kredietaanbieders onder voorwaarden een losse overbruggingshypotheek aan. Deze mogelijkheden zijn echter niet altijd bij consumenten bekend en de voorwaarden verschillen per kredietaanbieder.
Ik zet daarom in op betere informatievoorziening aan senioren en adviseurs en op meer eenduidigheid in de aanvraag- en adviespraktijk. Daarnaast bespreek ik met de sector of de eenmalige kosten omlaag kunnen: bij een lening met een korte looptijd drukken de kosten voor onder meer advies, taxatie en notaris relatief zwaar. Bezien wordt welke onderdelen van het proces eenvoudiger en goedkoper kunnen, zonder afbreuk te doen aan een zorgvuldig advies en een verantwoorde kredietverlening. Op het Platform Hypotheken in het najaar van 2026 zal dit onderwerp met de sector worden besproken. De Kamer zal zoals gebruikelijk over de uitkomsten van het Platform worden geïnformeerd, naar verwachting in het voorjaar van 2027.
Bent u bereid de hypotheektoetsing zo aan te passen dat bij senioren met substantiële overwaarde meer rekening kan worden gehouden met vermogen en onderpand?
Binnen het huidige kader bestaan al mogelijkheden om bij de kredietwaardigheidstoets rekening te houden met de individuele situatie van senioren. Kredietaanbieders kunnen via maatwerk gemotiveerd afwijken van de leennormen wanneer een huishouden op basis van de leennormen niet de gewenste financiering kan krijgen. Daarnaast mogen kredietaanbieders de lopende verplichtingen onder de hypotheek voor de financiering van de nog niet verkochte woning, inclusief de kosten van een overbruggingslening, buiten beschouwing laten bij het bepalen van de maximale hypotheek voor de nieuwe woning.
Ter uitvoering van de motie-Steen c.s.2 bezie ik samen met de Minister van Financiën, toezichthouders, financiële instellingen of de huidige regelgeving en de toepassing daarvan voldoende ruimte bieden om bij tijdelijke doorstroomfinanciering rekening te houden met vermogen en eventuele overwaarde. Blijkt daaruit dat een concrete belemmering bestaat in de leennormen of de toepassing daarvan, dan zal worden bezien of een aanpassing nodig en verantwoord is. Uitgangspunt blijft dat de financiering voor de consument verantwoord moet zijn.
Bent u bereid binnen verantwoorde prudentiële kaders rentebijschrijving mogelijk te maken bij tijdelijke doorstroomfinanciering, zodat de maandlasten tijdens de overgangsperiode beperkt blijven?
Ik ben bereid de mogelijkheid van rentebijschrijving nader te verkennen in de verdere uitwerking van de doorstroomhypotheek (zie ook antwoord op vraag 8). Rentebijschrijving kan voorkomen dat de rente gedurende de overgangsperiode direct uit het lopende inkomen moet worden betaald en kan daarmee de tijdelijke maandlasten beperken. Daar staat tegenover dat de totale lening daardoor toeneemt. De daarbij behorende financiële verplichtingen moeten wel door de consument kunnen worden nagekomen. Een dergelijke constructie kan de financiering bovendien complexer maken en zal waarschijnlijk voor de consument uiteindelijk duurder zijn. Bij de nadere verkenning als onderdeel van de verdere uitwerking moet daarom worden bezien of de voordelen voor de consument opwegen tegen de extra kosten, risico’s en uitvoeringscomplexiteit.
Ik bezie dit samen met de Minister van Financiën, financiële instellingen en toezichthouders. De uitkomsten hiervan betrek ik bij de verdere uitwerking van de doorstroomhypotheek. Uw Kamer wordt hierover, conform de motie-Steen c.s., uiterlijk in het voorjaar van 2027 geïnformeerd.
Welke concrete stappen heeft u gezet en gaat u nog zetten ter uitvoering van de op 2 juni 2026 aangenomen motie-Steen c.s.2 om een doorstroomhypotheek mogelijk te maken? Welke belemmeringen staan introductie nog in de weg en binnen welke termijn verwacht u een daadwerkelijk beschikbaar product voor senioren?
De motie-Steen c.s. verzoekt de regering om, in overleg met financiële instellingen en toezichthouders, de introductie van een doorstroomhypotheek mogelijk te maken, de benodigde aanpassingen in regelgeving en toezicht uit te werken en uw Kamer hierover binnen een jaar te informeren, inclusief een implementatieplan.
De uitvoering van de motie bouwt voort op de gesprekken die in het kader van het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen al met kredietaanbieders, adviseurs en ouderen- en consumentenorganisaties zijn gevoerd. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, wordt in de praktijk voor bestaande klanten gebruikgemaakt van een combinatie van een beperkte reguliere hypotheek met een overbruggingsfinanciering. Tevens biedt een beperkt aantal kredietaanbieders bestaande klanten een losse overbruggingshypotheek aan. Deze mogelijkheden bieden voor een groot deel van de senioren een oplossing, maar niet voor de gehele doelgroep.
De komende periode breng ik nader in kaart in welke situaties het bestaande hypotheekaanbod onvoldoende aansluit bij de financieringsbehoefte van senioren en welke toegevoegde waarde een doorstroomhypotheek daarin kan hebben. Aandachtspunten daarbij zijn dat een losse overbruggingshypotheek vanwege de korte looptijd relatief kostbaar is en zich niet altijd goed laat inpassen in de bestaande systemen en keteninfrastructuur. Daarnaast moet duidelijk worden of de groep waarvoor een afzonderlijk product meerwaarde heeft, voldoende groot is. Tevens speelt daarbij de vraag of kredietaanbieders bereid zijn dit product aan te bieden. Daarnaast worden de kenmerken en randvoorwaarden nader uitgewerkt, waaronder de looptijd, de wijze waarop de overwaarde en het onderpand kunnen worden betrokken bij de beoordeling, de betaalbaarheid en de aflossing.
Ik ga hierover samen met de Minister van Financiën verder in gesprek met de toezichthouders, financiële instellingen, adviseurs, de Nationale Hypotheek Garantie en betrek de uitwerking bij het Platform Hypotheken in het najaar van 2026.
Zoals verzocht ontvangt uw Kamer uiterlijk in het voorjaar van 2027 een implementatieplan. Daarin ga ik nader in op de uitkomsten van de gesprekken, het vervolg en het bijbehorende tijdpad.
U heeft eerder erkend dat verdere beperkingen van aflossingsvrije hypotheken gevolgen kunnen hebben voor maandlasten en doorstroming en aangegeven hierover met DNB in gesprek te zijn3. Wat hebben deze gesprekken concreet opgeleverd en welke maatregelen neemt u om onnodige belemmeringen voor senioren met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value te voorkomen?
Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. De Europese Centrale Bank (ECB) en De Nederlandsche Bank (DNB) houden hier onafhankelijk toezicht op. Op 16 januari jl. heeft DNB gecommuniceerd over nadere aandacht in het prudentiële toezicht voor aflossingsvrije hypotheken. DNB geeft aan dat, ten opzichte van volledig aflossende hypotheken, (gedeeltelijk) aflossingsvrije hypotheken extra risico’s voor financiële instellingen hebben en het daarom essentieel is dat financiële instellingen deze risico’s adequaat beheersen. DNB noemt daarbij een aantal elementen, die tezamen naar verwachting leiden tot een afname van het volume aflossingsvrije hypotheekschuld in Nederland. De AFM heeft op 16 januari jl. aangegeven dat zij van aanbieders verwacht dat hun klanten, voor wie de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is (bijvoorbeeld op moment van herfinanciering), zorgeloos kunnen blijven wonen. De AFM heeft aan hypotheekverstrekkers duidelijk gemaakt dat het belangrijk is dat zij hun bestaande hypotheekklanten met aflossingsvrije hypotheken zorgvuldig blijven behandelen en dat bestaande klanten door eventuele maatregelen om prudentiële risico’s te beheersen niet onevenredig worden getroffen.
Wij onderschrijven het belang van adequate risicobeheersing en het is goed dat er vanuit aandacht is voor de risico’s voor banken die uitgaan van (aflossingsvrije) hypotheekverstrekking. Dit is ook in het belang van consumenten. Tegelijkertijd verwachten wij van de prudentiële toezichthouders dat zij rekening houden met de bredere effecten van toezichtsmaatregelen. Verschillende banken hebben na de DNB-publicatie aanscherpingen in hun beleid ten aanzien van aflossingsvrije hypotheken aangekondigd. Deze aanscherpingen kunnen gevolgen hebben, onder meer wanneer consumenten hun hypotheeksituatie willen wijzigen, bijvoorbeeld bij funderingsherstel, isolatiemaatregelen of bij verhuizing. Ook verwachten de ECB en DNB dat banken bij het verstrekken van hypotheken vanuit prudentieel oogpunt mede rekening houden met pensioeninkomen op het moment dat de looptijd van de hypotheek de pensioenleeftijd overschrijdt, en met de levensverwachting van de consument. Deze verwachtingen kunnen van invloed zijn op de hypotheekverstrekking. De Minister van Financiën heeft in gesprekken met de toezichthouders aandacht gevraagd voor deze bredere effecten van hun toezichtmaatregelen.
Op 13 mei jl. heeft DNB een aanvullend bericht gepubliceerd waarin wordt verduidelijkt hoe banken vanuit prudentieel perspectief rekening dienen te houden met het pensioeninkomen en de levensverwachting van kredietnemers. Dit bericht specificeert onder andere dat banken bij het beoordelen van het (toekomstig) inkomen in de pensioenperiode, indien de contractuele looptijd van de hypothecaire financiering de wettelijke pensioenleeftijd van de kredietnemer(s) overschrijdt, relevante factoren zoals inflatie mogen meewegen. Onze indruk is dat dit de banken meer duidelijkheid biedt bij de toepassing van het prudentiële kader en eraan kan bijdragen dat een deel van de mogelijke negatieve gevolgen voor doorstroming worden weggenomen.
Voor wat betreft belemmeringen in de doorstroming in brede zin verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.
U heeft eerder aangegeven dat aflossingsvrije hypotheken vaak gepaard gaan met aanzienlijke overwaarde en dat slechts circa 7% een loan-to-value boven 75% heeft. Deelt u daarom de opvatting dat generieke beperkingen onvoldoende recht kunnen doen aan individuele risico’s? Welke ruimte ziet u voor meer maatwerk bij huishoudens met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value om zo doorstroming te stimuleren?
Het prudentiële toezicht van de ECB en DNB is gericht op de naleving door banken van de verplichting om de risico’s die verbonden zijn aan de bancaire dienstverlening adequaat te beheersen. Het gaat hierbij om (het beheersen van) de risico’s die individuele financiële instellingen lopen door hun hypotheekverstrekking. Er is geen sprake van generieke beperkingen die aan alle onder toezicht staande instellingen zijn opgelegd. Het is aan de instellingen zelf om te beoordelen op welke wijze zij de aan hypotheekverstrekking verbonden risico’s beheersen. De ECB en DNB beoordelen in de uitoefening van hun toezicht of dit op adequate wijze gebeurt. Het is dus ook aan banken om te bezien wanneer zij maatwerk toepassen. Het wettelijk kader voor hypotheekverstrekking, specifiek de leennormen, biedt hier ook ruimte voor.
U heeft eerder aangegeven met banken en de AFM in gesprek te zijn over de gevolgen van de aangescherpte regels rond aflossingsvrije hypotheken. Welke concrete stappen zijn sindsdien gezet en bent u bereid met banken en de AFM tot aanvullende afspraken te komen over actieve informatievoorziening en tijdig handelingsperspectief voor huishoudens die hierdoor geraakt kunnen worden?
Het is belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten met een aflossingsvrije hypotheek actief blijven benaderen en, waar nodig, stimuleren om tijdig inzicht te krijgen in hun financiële situatie en passende maatregelen te treffen. Aanbieders en adviseurs zien dit belang zelf ook. De AFM ziet erop toe dat kredietaanbieders daarbij het klantbelang centraal stellen en blijven hierover met aanbieders in gesprek. Zoals ook hierboven genoemd, heeft de AFM aan banken duidelijk gemaakt dat het belangrijk is dat zij hun bestaande hypotheekklanten met aflossingsvrije hypotheken zorgvuldig blijven behandelen en dat klanten door eventuele maatregelen om risico’s te beheersen niet onevenredig worden getroffen. Hier heeft de AFM ook publiekelijk aandacht voor gevraagd. In het licht van al het voornoemde zien wij nu geen aanleiding om tot aanvullende afspraken te komen.
Het publiceren van tien gemeenten op trede 3 van de interventieladder met betrekking tot de Spreidingswet |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Op grond waarvan zijn specifiek deze tien gemeenten nu op trede 3 van de interventieladder binnen het interbestuurlijk toezicht geplaatst?
Naar aanleiding van de tot nu toe gevoerde ambtelijke gesprekken is een aantal gemeenten inmiddels op trede 3 van de interventieladder geplaatst. Deze gemeenten voldoen niet aan de wettelijke taak die voortkomt uit de verdeelbesluiten. Dit zijn de eerste gemeenten waarmee ambtelijke gesprekken zijn gevoerd en afgerond.
Waarin wijken deze gemeenten af van andere gemeenten die eveneens op 9 april jl. een brief (en op 26 mei jl. een vervolgbrief) van u hebben gehad over interbestuurlijk toezicht naar aanleiding van het verdeelbesluit inzake de eerste cyclus van de Spreidingswet?
Er wordt gestart met de gemeenten die nog geen opvangplekken hebben. Het gaat in totaal om veel gemeenten waarmee gesprekken gevoerd moeten worden. Er vinden de komende maanden nog meer ambtelijke gesprekken plaats.
Hoeveel gemeenten verwacht u nog meer op trede 3 te gaan plaatsen en op welke termijn? Kunt u het proces schetsen dat hieraan ten grondslag ligt?
Op 28 mei voldeden 107 gemeenten niet en 116 gemeenten gedeeltelijk. Met al deze gemeenten zullen de komende maanden ambtelijke gesprekken gevoerd worden waarbij gestart wordt met de gemeenten die niet voldoen. Parallel zullen ook de bestuurlijke gesprekken gevoerd worden.
Aan de gemeenten wordt bij de stappen van het interbestuurlijk toezicht maximaal de gelegenheid geboden zelf alsnog de benodigde opvangplekken te realiseren. Ik hoop vanzelfsprekend er met gemeenten uit te komen.
Op grond waarvan wordt bepaald of bij gemeenten sprake is van «voldoende voortgang» om plaatsing op trede 3 te voorkomen, zoals o.a. in de vervolgbrief interbestuurlijk toezicht van 26 mei jl. wordt vermeld? Kunt u dit zo concreet mogelijk toelichten?
Naar aanleiding van de tot nu toe gevoerde ambtelijke gesprekken is een aantal gemeenten inmiddels op trede 3 van de interventieladder geplaatst. Deze gemeenten voldoen niet aan de wettelijke taak en er is geen concreet zicht op de realisatie van opvangplekken dit jaar. Deze gemeenten zijn geselecteerd op basis van de volgorde waarin de gesprekken zijn gevoerd en afgerond.
Doel van het gesprek in trede 3 is het maken van afspraken over de realisatie van voldoende opvangplekken en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren.
Klopt het dat u heeft aangegeven van de nu aangewezen gemeenten «nul op rekest» heeft gekregen naar aanleiding van uw brief van 9 april jl.? Zo ja, wat is uw reactie op het feit dat in ieder geval de gemeente Beverwijk aangeeft wel degelijk een bestuurlijke reactie op deze brief te hebben gegeven en daarop ook een reactie van het ministerie teruggekregen te hebben?1
Op 9 april jl. hebben gemeenten een brief ontvangen in het kader van het interbestuurlijk toezicht. In deze brief is, mede vanwege de actuele opvangsituatie, urgentie kenbaar gemaakt van het voldoen aan de wettelijke taak. Ook in de brief van 26 mei jl. is de urgentie van de opgave nogmaals onderstreept. De gemeente Beverwijk, alsook de andere gemeenten die geplaatst zijn op trede 3 van het interbestuurlijk toezicht, voldoen niet aan de wettelijke opgave die voortkomt vanuit het verdeelbesluit.
Klopt het tevens dat één of meerdere van deze gemeenten de plaatsing op trede 3 uit de media moest(en) vernemen? Zo ja, vindt u dit een gepaste manier om met gemeenten om te gaan?
Wanneer opschaling naar trede 3 plaatsvindt worden gemeenten hierover vooraf door mijn ministerie per brief geïnformeerd. Aan de betreffende gemeenten is een bericht verstuurd over de opschaling naar trede 3. Dit vond plaats voordat externe berichtgeving hierover plaatsvond. In het vervolg zal zo vroeg mogelijk duidelijkheid aan de gemeenten worden geboden alvorens externe communicatie zal plaatsvinden.
Bent u bereid deze verdere escalatie binnen een operatie waar toch al geen maatschappelijk draagvlak voor bestaat te staken? Zo nee, waarom niet?
De wet wordt uitgevoerd zo lang deze nodig is. Daarbij blijft de opgave op dit moment groot, zoals de actuele situatie in Ter Apel laat zien. Deze hoge opvangdruk toont de noodzaak van deze wet aan. Daarom benadrukt dit kabinet de volledige uitvoering en toepassing van de Spreidingswet om hiermee voldoende duurzame opvangplekken te realiseren. Het interbestuurlijk toezicht is onderdeel van de uitvoering van de wet.
Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Bertram , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
De NVWA is geïnformeerd dat in Nederland speelgoed te koop zou zijn dat in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten is teruggeroepen omdat het asbest bevatte. Op dat moment was nog niet bekend of de in Nederland verkochte productbatches asbest bevatten, en zo ja, in welke concentratie.
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Op dit moment is er onvoldoende aanleiding om dit speelgoed door NVWA van de markt te laten halen. Meer informatie hierover staat bij het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Ja, dat klopt. NVWA kan alleen afdwingen dat producten uit de handel worden gehaald als aan bepaalde voorwaarden van bemonstering en onderzoek is voldaan. Dit betekent dat de NVWA altijd van eigen onderzoek uitgaat bij handhavende acties.
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Het kabinet deelt dat producten die mogelijk niet aan de wettelijke veiligheidseisen voldoen snel moeten worden beoordeeld waarna, indien nodig, maatregelen worden getroffen. Tegelijkertijd moet een toezichthouder kunnen vaststellen dat daadwerkelijk sprake is van een overtreding voordat handhavend kan worden opgetreden.
De NVWA beschikt op dit moment niet over onderzoeksrapporten van zichzelf of van andere toezichthouders op grond waarvan zij kan optreden. De in het krantenartikel beschreven onderzoeksresultaten zijn afkomstig van onderzoek door derden en vormen een indicatieve aanwijzing, maar zijn op zichzelf onvoldoende om te kunnen vaststellen of een product niet aan de wettelijke eisen voldoet.
Voor het bepalen van de hoeveelheid asbest in speelzand, volgt de NVWA de aanbevelingen van TNO. Uit het onderzoek van TNO blijkt dat, om handhavend op te kunnen treden naast een indicatieve bepaling volgens NEN 5896 ook vervolgonderzoek volgens VDI 3866 (Blatt2 nodig is om de exacte hoeveelheid asbest vast te stellen. Die exacte hoeveelheid is van belang om te beoordelen of deze producten wel of niet voldoen aan de wettelijke eisen. Zonder deze kennis is handhaven niet mogelijk.
Bovendien blijkt uit de gezondheidskundige risicobeoordeling van het RIVM en het advies van Buro dat het gezondheidsrisico van speelzand dat voldoet aan de wettelijke eisen verwaarloosbaar is. Alleen bij jarenlang intensief spelen met speelzand dat niet aan de wettelijke limiet voor asbest voldoet, is er mogelijk een gezondheidsrisico. Daarbij is uitgegaan van het meest ongunstige scenario van jarenlange, dagelijkse blootstelling.
In het in het AD beschreven artikel betreft het speelgoed waarbij het speelzand is ingesloten. Alleen wanneer het product beschadigd raakt en het zand (gedeeltelijk) vrijkomt, is er eenmalig contact met het zand. De blootstelling is daarmee zo beperkt dat er geen reden is tot zorg. Op basis van de huidige inzichten bestaat daarom geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van een direct gezondheidsrisico.
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Ja. De NVWA houdt steekproefsgewijs en risicogericht toezicht en treedt op als bedrijven zich niet aan de regels houden en er een vermoeden is van risico.
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Ja. 100% veiligheid is niet te garanderen. De verantwoordelijkheden binnen het stelsel zijn duidelijk belegd. Producenten, importeurs en distributeurs zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Toezichthouders, waaronder de NVWA, houden toezicht op de naleving van deze verplichtingen (zie antwoord op vraag3. Deze combinatie van productverantwoordelijkheid en toezicht vormen de basis van het Europese productveiligheidsstelsel. Bovendien worden in de nieuwe Europese speelgoedverordening, die deels al van kracht is, de verantwoordelijkheden en taken voor de marktdeelnemers nog duidelijker beschreven. Ook binnen Europa wordt deze verantwoordelijkheidsverdeling ondersteund.
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
NVWA verricht steekproefsgewijs en risicogericht productonderzoek, ook naar asbest in speelzand. Waar nodig wordt er handhavend opgetreden.
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Nederland heeft actief deelgenomen aan de discussies op Europees niveau binnen de Working Group on chemicals in toys4 van de Expert Group on Toy Safety5. Tijdens vergaderingen in februari en mei 2026 zijn de onderzoeken, resultaten en gezondheidskundige risicobeoordelingen, die zijn uitgevoerd door verschillende Europese lidstaten, bediscussieerd. Hierbij werd onder andere en met grote belangstelling uitgebreid stilgestaan bij het onderzoek van TNO6 naar geschikte analysemethodes voor het bepalen van asbest in speelzand en de gezondheidskundige risicobeoordeling uitgevoerd door RIVM7. Het nauwkeurig bepalen van (kleine hoeveelheden) asbest is van groot belang voor het uitvoeren van een goede risicobeoordeling. Dit alles heeft geleid tot de publicatie van de «Market surveillance notes on asbestos in toy sands»8 op de website van de Europese Commissie. Hierin is onder andere vastgelegd welke analysemethoden bij voorkeur worden gebruikt voor het bepalen van asbest in speelzand, zodat de resultaten tussen lidstaten beter vergelijkbaar zijn.
Daarnaast lopen op dit moment in verschillende landen nog onderzoeken naar de mate waarin tijdens het spelen met speelzand asbestvezels kunnen vrijkomen (zie bijvoorbeeld Asbest in Spielsand: Weitere Daten für Risikobewertung erforderlich – BfR9 en RAG_Risk Assessment_Asbestos_play sand_update June 202610). Deze gegevens worden gebruikt om met name de gezondheidskundige risicobeoordeling verder te verfijnen.
Het kabinet heeft het RIVM gevraagd te adviseren over een passende aanscherping van de grenswaarde. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek, zal worden bezien welke vervolgstappen Nederland in Europees verband zal voorstellen.
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Het kabinet onderschrijft dat het voorkomen dat verontreinigde producten op de markt komen de voorkeur heeft boven het achteraf moeten ingrijpen. In feite wordt het probleem nu al bij de bron aangepakt: de fabrikant (als deze binnen de EU is gevestigd) of importeur (wanneer de fabrikant buiten de EU is gevestigd) mag alleen veilige producten op de EU-makt brengen. Dit geldt van grondstof tot eindproduct en alles wat daar tussen zit. De fabrikant of importeur zijn er verantwoordelijk voor dat producten voldoen aan de geldende wettelijke eisen voordat deze op de markt worden gebracht en moeten dit desgevraagd kunnen aantonen, met bijvoorbeeld certificaten. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen en kan, wanneer marktdeelnemers niet aan de wettelijke eisen voldoen, handhavend optreden. Tegelijkertijd kunnen door internationale handelsstromen niet alle producten vooraf worden gecontroleerd. Daarom bestaat het productveiligheidsstelsel uit een combinatie van bronverantwoordelijkheid, Europese regelgeving, risicogericht markttoezicht en – indien nodig – maatregelen zoals waarschuwingen en terugroepacties. Deze instrumenten vullen elkaar aan om risico's voor consumenten zoveel mogelijk te beperken.
Ook het toezicht aan de buitengrenzen van de Europese Unie draagt hieraan bij. De Douane voert hiervoor risicogerichte controles uit op goederen uit derde landen en werkt hierbij nauw samen met de andere marktoezichthouders.
Daarnaast wordt met de nieuwe speelgoedverordening, die al deels van kracht is, vanaf 2030 een digitaal productpaspoort voor speelgoed geïntroduceerd. Hierin moet bijvoorbeeld ook een conformiteitsverklaring worden toegevoegd. Dit maakt het voor toezichthouders in de toekomst mogelijk om op grote schaal (automatisch) te controleren of producten voldoen aan de Europese regelgeving en ondersteund daarmee effectiever toezicht.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
De verantwoordelijkheid hiervoor is via wetgeving neergelegd bij producenten, importeurs en distributeurs. Zij moeten ervoor zorgen dat producten die zij op de markt brengen voldoen aan de veiligheidseisen. De NVWA houdt risicogericht toezicht op de veiligheid van speelgoed en bepaalt als onafhankelijke toezichthouder waar de grootste risico's liggen en hoe de beschikbare toezichtcapaciteit wordt ingezet. Naar aanleiding van de bevindingen over asbest in speelzand is asbest opgenomen in het reguliere toezicht. Dit betekent dat binnen het monsternameprogramma periodiek steekproeven worden uitgevoerd om speelzand op de aanwezigheid van asbest te controleren. Wanneer daar aanleiding toe bestaat, kan de NVWA handhavend optreden.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op grond van de REACH-verordening op het verbod op handelingen met asbest en asbesthoudende producten. Wanneer signalen of incidenten daartoe aanleiding geven, werken de betrokken toezichthouders samen en worden passende maatregelen genomen. Daarnaast wordt voortdurend bezien of de beschikbare toezichtinstrumenten en de informatiepositie voldoende aansluiten bij nieuwe risico’s, waaronder risico’s die ontstaan door internationale handelsstromen. De Douane ondersteunt het toezicht door risicogerichte controles uit te voeren op goederen die vanuit derde landen worden ingevoerd.
Daarnaast wordt, zoals in vraag 10 aangegeven, de nieuwe Europese Speelgoedverordening gefaseerd ingevoerd. Deze introduceert onder meer een digitaal productpaspoort voor speelgoed, waardoor het voor toezichthouders eenvoudiger wordt om de conformiteit van producten te controleren en niet-conforme producten sneller te signaleren.
Bevoegdheden van boa's |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat vanuit de landelijke leiding van de Nationale Politie is gecommuniceerd naar de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Natuurtoezicht dat vanaf 1 mei 2026 er geen nieuwe handhavingsarrangementen meer worden aangegaan, in afwachting van verdere besluitvorming over de uitvoering van de herziening van het boa-stelsel?
De politie heeft mij laten weten dat er geen stop is op het vastleggen van samenwerkingsafspraken in handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten. De politie benadrukt voor een gelijkwaardige en complementaire samenwerking met boa’s te staan. Wel zijn er gevallen geweest waarbij het afsluiten van dergelijke overeenkomsten tijdelijk is opgeschort omdat er over de invulling van de te maken afspraken onduidelijkheid bestond. Deze onduidelijkheden zijn inmiddels weggenomen, waarmee de processen voor het afsluiten van dergelijke overeenkomsten weer opgepakt kunnen worden. De politie streeft ernaar deze afspraken landelijk op een eenduidige wijze vorm te geven.
Zo ja, op welke grondslagen is dit gebaseerd? En is dit geschied in overleg met u?
In een aantal gevallen is het vastleggen van dergelijke afspraken opgeschort omdat onduidelijkheid bestond over de invulling daarvan. Deze onduidelijkheden zijn inmiddels weggenomen. Een algehele stop op het afsluiten van handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten zou ook een zeer ongelukkige ontwikkeling zijn met het oog op de samenwerking tussen politie en boa’s en de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s. Voor de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s is immers een handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst vereist.
In dit kader wil ik erop wijzen dat het een taak van de politie – Korpschef, als direct toezichthouder – is om toe te zien op een goede samenwerking tussen boa en politie, zowel op basis van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (artikel 39 BBO) als de Politiewet 2012 (artikel 10 PW). Het vastleggen van samenwerkingsafspraken in een handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst is dan ook een verdere verankering van een reeds bestaande verplichting. Binnen het boa-bestel zijn reeds veel handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten afgesloten en ik hoop dat de partijen die dit nog niet hebben gedaan alsnog snel hun afspraken op papier zullen vastleggen. Het initiatief hiertoe ligt bij boa-werkgevers dan wel de politie. Landelijke formats voor handhavingsarrangementen voor domeinen I en II zijn beschikbaar gesteld als bijlage bij de boa-brief aan de Tweede Kamer van oktober 2025.1
Bent u het eens met de stelling dat hierdoor een situatie is ontstaan waarin werkgevers wel aan een wettelijke verplichting moeten voldoen, maar dit feitelijk niet meer kunnen, dit omdat sinds 1 mei 2026 een vastgesteld handhavingsarrangement tussen de boa-werkgever, het Openbaar Ministerie en de Nationale Politie een verplichte voorwaarde is voor het aanvragen of verlengen van geweldsmiddelen?
Er is geen stop op het aangaan van handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten, zoals gemeld bij vraag 1 en 2. Zoals ook staat aangegeven bij de beantwoording van vraag 2, is samenwerking tussen de boa’s en de politie reeds een wettelijk vereiste. Het doel of belang van een handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst is dat de betrokken partijen hebben nagedacht over samenwerking en ondersteuning. Het is voor het vaststellen van een samenwerkingsovereenkomst dan ook voldoende om bestaande afspraken op papier te zetten. Er zijn al veel handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten afgesloten.
Overigens, dat ook het Openbaar Ministerie, als het gezag op de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, betrokken dient te worden bij deze afspraken heeft een praktische reden en betekent niet dat deze ook tekenende partij is bij de te maken afspraken.
Hoe is het mogelijk dat een wettelijke verplichting op dezelfde dag in werking treedt als waarop de mogelijkheid om aan die verplichting te voldoen, feitelijk wordt beëindigd?
Zie hiervoor de beantwoording bij vragen 1 en 2.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat boa's hun geweldsbevoegdheden verliezen door een bestuurlijke impasse?
Zoals bij de beantwoording van vraag 1 staat benoemd, zijn de onduidelijkheden over de invulling van de te maken afspraken weggenomen. De processen voor het aangaan van samenwerkingsafspraken in handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten kunnen daarmee verder worden opgepakt. Daarmee is geen sprake van een bestuurlijke impasse.
Met de aanpassingen van de Beleidsregels boa op 1 mei van dit jaar zijn de criteria voor de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s aangepast. Een van de nieuwe criteria is de aanwezigheid van een handhavingsarrangement óf samenwerkingsovereenkomst met de politie. Het vereiste handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst ziet enkel op de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s, niet op de toekenning van geweldsbevoegdheden (politiebevoegdheden, artikel 7, eerste, derde en vierde lid, Politiewet 2012), opsporingsbevoegdheden of vrijheidsbeperkende middelen.
Ik wil benadrukken dat enkel voor de boa’s voor domein I, indien deze aanspraak willen maken op geweldmiddelen, een handhavingsarrangement vereist is. Dit was ook al vereist vóór de aanpassingen van de toekenningscriteria in de Beleidsregels boa. Voor de overige domeinen volstaat tevens een samenwerkingsovereenkomst. Deze samenwerkingsovereenkomsten zijn vormvrij, terwijl het in de rede ligt om voor het afsluiten van een handhavingsarrangement aansluiting te zoeken bij de eerder genoemde formats. Zoals ook bij het antwoord op vraag 2 staat aangegeven is dan ook voldoende om bestaande afspraken op papier te zetten; er gelden geen minimale vereisten voor het afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst, ook niet op welk niveau deze afspraken gemaakt zouden moeten worden. Het is belangrijk om te beseffen dat er slechts een gesprek hoeft plaats te vinden tussen de boa-werkgever en de politie waarna de gemaakte afspraken worden vastgelegd. Specifieke gremia zijn dus niet nodig voor het afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst. Een samenwerkingsovereenkomst zou daarmee eenvoudiger af te sluiten moeten zijn dan een handhavingsarrangement.
Op welke termijn kunnen organisaties weer handhavingsarrangementen sluiten?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2; er worden nog altijd handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten afgesloten. In een aantal gevallen is het vastleggen van dergelijke afspraken opgeschort omdat onduidelijkheid bestond over de randvoorwaarden en de inhoud daarvan. Deze onduidelijkheden zijn inmiddels weggenomen en gesprekken tussen partijen over het afsluiten van handhavingsarrangementen en samenwerkingsovereenkomsten kunnen weer worden voortgezet.
Welke tijdelijke oplossing wordt er geboden om de veiligheid van boa's en de continuïteit van de handhaving te waarborgen?
Er is geen stop op het vastleggen van samenwerkingsafspraken in handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten. Daarmee is er geen probleem waar een tijdelijke oplossing voor moet worden geboden. Het eventueel opschorten van deze overeenkomsten als voorwaarde voor het toekennen van geweldmiddelen heeft niet de voorkeur, omdat deze overeenkomsten bijdragen aan een betere samenwerking tussen de politie en de boa. Het doel van de overeenkomsten is namelijk dat de betrokken partijen beter weten beter wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit zal resulteren in een zo veilig mogelijke en daarmee adequate taakuitvoering van de boa.
Het bericht ‘’ME-commandant Amsterdam over vrij spel Marokko-fans en niet ingrijpen van politie: ‘Als je gaat handhaven op kleine vergrijpen, wordt het oorlog’’ |
|
Mona Keijzer |
|
David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «ME-commandant Amsterdam over vrij spel Marokko-fans en niet ingrijpen van politie: «Als je gaat handhaven op kleine vergrijpen, wordt het oorlog»»?1
Ja.
Klopt het dat de Amsterdamse politie tijdens en na de wedstrijd Marokko-Canada bewust heeft afgezien van direct optreden tegen personen die met zwaar vuurwerk gooiden, gevaarlijk rijgedrag vertoonden, verkeersregels overtraden, agenten provoceerden en de openbare orde verstoorden?
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de ME-commandant, dat handhaving bij dergelijke overtredingen kan leiden tot «oorlog»?
Vindt u het acceptabel dat overtredingen feitelijk worden gedoogd, omdat de politie verwacht dat handhaving tot rellen, vernielingen of brandstichting kan leiden? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties verbindt u hieraan?
Deelt u de mening dat in een rechtsstaat de bereidheid van relschoppers om geweld te gebruiken nooit een reden mag zijn om af te zien van handhaving van de wet?
Hoe verhoudt de geschetste handelwijze zich tot het uitgangspunt dat de overheid het geweldsmonopolie bezit en de openbare orde dient te handhaven?
Op basis van welke criteria wordt besloten om overtredingen wel of niet te handhaven tijdens dergelijke bijeenkomsten?
Bestaan er (landelijke) richtlijnen of instructies die het bewust niet-optreden tegen strafbare feiten toestaan om escalatie te voorkomen? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Zoals reeds aangegeven, is het politieoptreden bij deze inzet lokaal vastgesteld door de driehoek. Het gaat hierbij om de standaard beleids- en tolerantiegrenzen welke lokaal zijn vastgesteld door de driehoek (burgemeester, OM en politie). In het algemeen geldt dat politieagenten in de opleiding leren om de-escalerend op te treden.
Klopt het dat politiemensen hebben aangegeven zich onveilig te voelen en soms niet durven op te treden, omdat zij onvoldoende mogelijkheden krijgen om hun taak uit te voeren? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
De burgemeester heeft het gezag over de politie-inzet bij de handhaving van de openbare orde. Veiligheid van politiemensen staat hierbij voorop.
De politie beschikt in zijn algemeenheid over voldoende bevoegdheden en middelen om haar taken adequaat te kunnen uitvoeren. Verder zijn we vanuit mijn ministerie constant bezig om de bevoegdheden van politie waar nodig en mogelijk uit te breiden zodat zij hun taak zo goed mogelijk kunnen uitvoeren.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de commandant dat agenten «moe worden van hoe het op straat eraan toegaat» en dat sommige agenten inmiddels gewend zijn geraakt aan dit soort gedrag?
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat toekomstige ordeverstoringen niet worden beantwoord met gedogen, maar met zichtbaar en effectief optreden?
Welke boodschap denkt u dat uitgaat naar goedwillende burgers wanneer zij zien dat overtreders ongestoord vuurwerk kunnen afsteken, gevaarlijk kunnen rijden, politie kunnen intimideren en verkeersregels kunnen negeren, terwijl handhaving achterwege blijft omdat anders «oorlog» zou ontstaan?
Deelt u de mening dat dit het gezag van de overheid ernstig ondermijnt?
De gevolgen van de dagvaarding van Tata Steel voor de maatwerkafspraken |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de dagvaarding van Tata Steel door het Openbaar Ministerie in het licht van de door u in het plenaire debat genoemde mogelijkheid dat een uitkomst van een onderzoek van een bevoegde autoriteit een grond kan vormen voor opzegging van de «Joint Letter of Intent» (JLoI), indien die naar redelijk oordeel van de Staat ernstige zorgen doet ontstaan over de maatwerkafspraak?
Betekent deze dagvaarding voor u aanleiding om opnieuw te beoordelen of voortzetting van de JLoI nog verenigbaar is met de belangen van de Staat, de omwonenden en de kwaliteit van de uiteindelijke maatwerkafspraken? Waarom wel of waarom niet?
Welke concrete gevolgen verbindt u aan deze ontwikkeling voor de onderhandelingen over de definitieve, bindende maatwerkafspraken met Tata Steel?
Kunt u uiteenzetten welke «borging van de risico’s» inmiddels is uitgewerkt, en op welke wijze daarin rekening wordt gehouden met een strafzaak, mogelijke aansprakelijkheid en de gezondheidsschade voor omwonenden?
Het verminderen van gezondheidsrisico's is en blijft één van de hoofddoelstellingen van de beoogde maatwerkafspraak. In artikel 2.11 van de Joint Letter of Intent is overeengekomen dat partijen zullen bespreken welke omstandigheden en risico's kunnen worden opgenomen in de maatwerkafspraak voor de uitvoering van de projecten. De uitwerking hiervan loopt. Hier kan niet op vooruit worden gelopen. Voor wat betreft de impact van de strafrechtelijke vervolging op de maatwerkafspraak, zie het antwoord op vraag 1 t/m 3.
Welke criteria hanteert u om te bepalen wanneer een uitkomst van een onderzoek of strafzaak zó ernstig is dat opzegging van de JLoI of heronderhandeling van de maatwerkafspraken aan de orde is?
Bent u bereid de Kamer vóór verdere stappen in het maatwerktraject te informeren over de juridische en inhoudelijke consequenties van deze dagvaarding voor de onderhandelingspositie van de Staat?
Bent u bereid om niet tot afronding van de maatwerkafspraak over te gaan zolang de strafzaak tegen Tata Steel nog loopt?
Het bericht staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra, en kunt u bevestigen wat de aanleiding en omvang van dit voornemen is?1
Ja, wij hebben kennisgenomen van het bericht en kunnen bevestigen dat de aanleiding ligt in de structurele financiële verliezen van de bezoekerscentra. Om in tijden van schaarse middelen te kunnen focussen op natuurbeheer en biodiversiteitsbehoud, heeft Staatsbosbeheer (hierna: SBB) het voornemen om zijn betrokkenheid bij de bezoekerscentra anders in te gaan vullen. Per locatie zal gekeken worden naar de mogelijkheden, waarbij sluiting van een bezoekerscentrum ook een resultaat zou kunnen zijn.
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra niet alleen een kostenpost zijn, maar ook een instrument voor publieksvoorlichting, draagvlak en natuurbegrip?
Ja, wij delen de opvatting dat bezoekerscentra een maatschappelijke waarde hebben voor publieksvoorlichting en natuurbegrip. Gelijktijdig heeft SBB als zelfstandig bestuursorgaan een eigen verantwoordelijkheid om financieel gezond te blijven. De wettelijke taak op het gebied van natuureducatie en het creëren van draagvlak blijft onverminderd van kracht. SBB blijft publieksvoorlichting en educatie bieden via informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met onder meer IVN Natuureducatie, scholen, gemeenten en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden.
Hoe beoordeelt u de keuze van Staatsbosbeheer om juist op bezoekerscentra te bezuinigen, terwijl publieksvoorlichting een belangrijke schakel is tussen burgers en natuurbeheer?
Wij beoordelen de keuze van SBB als een pijnlijke maar begrijpelijke afweging, waarbij de organisatie vanwege structurele tekorten de prioriteit legt bij zijn kerntaak van natuurbeheer en biodiversiteitsherstel in het veld boven het openhouden van verlieslatende bezoekerscentra. Het gaat om zeven buitencentra, maar publieksvoorlichting wordt voorzien in alle SBB-gebieden. Hoewel wij de autonomie van SBB als zelfstandig bestuursorgaan respecteren en de verschuiving naar een andere invulling van publieksvoorlichting steunen, benadrukken wij dat deze bezuiniging niet mag leiden tot het verdwijnen van de educatieve functie en dat er daarom actief moet worden gezocht naar lokale partners en alternatieven om de vitale schakel tussen burger en natuur te behouden.
Kunt u uiteenzetten hoe de opdracht en publieke taak ten aanzien van educatie en bewustwording voor Staatsbosbeheer wordt gewogen en vormgegeven ten opzichte van de opdracht voor natuurbeheer?
SBB weegt natuurbeheer als zijn prioritaire basistaak, waarbij publiekseducatie dient als noodzakelijk maatschappelijke verankering. Dit mag echter bij financiële krapte niet ten koste gaan van het ecologische beheer in het veld. Sinds de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies ontvangt SBB geen specifieke bekostiging meer voor de bezoekerscentra. SBB maakt daarom keuzes over de wijze waarop educatie en publieksvoorlichting worden georganiseerd. Het voorgenomen besluit om te stoppen met het huidige concept van bezoekerscentra betekent niet dat SBB stopt met educatie en publieksvoorlichting, SBB blijft deze activiteiten uitvoeren.
Deelt u de opvatting dat publieksvoorlichting, educatie en bewustwording een wezenlijk onderdeel moeten zijn van het werk van Staatsbosbeheer?
Ja, wij delen de opvatting dat publieksvoorlichting, educatie en bewustwording een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel moeten zijn van het werk van SBB, aangezien deze maatschappelijke opdracht wettelijk is verankerd en cruciaal is voor het maatschappelijk draagvlak van het natuurbeleid. Wij benadrukken echter dat de uitvoering van deze taak niet verplicht gekoppeld is aan het behoud van bezoekerscentra, waardoor SBB de ruimte krijgt om deze publieksfunctie in tijden van financiële krapte op een andere en flexibelere manier vorm te geven zonder dat de essentie van de voorlichting verloren gaat.
Welke gevolgen voorziet u voor het natuurbeleid wanneer de zichtbaarheid en uitleg van beheermaatregelen voor het publiek afneemt?
Wij voorzien dat het afnemen van fysieke zichtbaarheid en uitleg kan leiden tot een risico op verminderd maatschappelijk draagvlak en onbegrip bij burgers voor ingrijpende beheermaatregelen, maar stellen dat dit negatieve gevolg ondervangen moet worden door de voorlichting effectiever in te richten op de locaties waar de maatregelen daadwerkelijk plaatsvinden. In plaats van communicatie via statische bezoekerscentra moet de uitleg over het natuurbeleid verschuiven naar de werkvloer zelf, door de inzet van gerichte digitale informatie, tijdelijke borden in het veld en boswachters als direct aanspreekpunt, waardoor de cruciale binding en acceptatie bij het publiek behouden kunnen blijven.
Kunt u toelichten hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot de ambitie van de overheid om burgers juist meer te betrekken bij natuur, landschap en biodiversiteit?
Wij erkennen dat deze ontwikkeling op het eerste gezicht haaks lijkt te staan op de kabinetsambitie om burgers meer bij natuur en biodiversiteit te betrekken, maar wij stellen tegelijkertijd wel vast dat wordt ingezet op een kwalitatieve modernisering van de betrokkenheid in plaats van het in stand houden van verlieslatende fysieke locaties. De Rijksambitie richt zich op het stimuleren van actieve participatie en natuurbeleving in de directe leefomgeving van burgers, wat betekent dat voorlichting en educatie effectiever naar de mensen toe gebracht moet worden via scholen, digitale kanalen en lokale initiatieven.
Hoe voorkomt u dat bezuinigingen op bezoekerscentra leiden tot minder maatschappelijk draagvlak voor ingrijpend of noodzakelijk natuurbeheer?
Wij willen een daling van het maatschappelijk draagvlak voorkomen door van SBB te vragen dat de voorlichting over noodzakelijk natuurbeheer proactief en direct op de projectlocaties in het veld wordt vormgegeven, in plaats van te leunen op statische bezoekerscentra. Daarnaast stimuleren wij overleg met lokale overheden en partners om de publieksfunctie van vitale locaties waar mogelijk via alternatieve exploitatievormen te behouden.
Is onderzocht of publieksvoorlichting via bezoekerscentra juist kosten kan besparen in het natuurbeheer, doordat beter geïnformeerde bezoekers zich zorgvuldiger gedragen en minder schade veroorzaken?
Ja, (internationaal) wetenschappelijk onderzoek toont aan dat natuureducatie en gerichte publieksvoorlichting de schade aan natuurgebieden aantoonbaar verminderen, doordat geïnformeerde bezoekers zich zorgvuldiger gedragen en minder afval achterlaten wat leidt tot lagere schoonmaak- en herstelkosten binnen het natuurbeheer. Hoewel deze preventieve kostenbesparingen in de praktijk zijn bewezen, landen deze indirecte maatschappelijke baten niet als inkomsten op de exploitatiebalans van de bezoekerscentra zelf, die door de hoge vastgoed- en personeelslasten verlieslatend blijven. Wij benadrukken daarom dat deze effectieve preventieve voorlichting niet moet stoppen, maar in tijden van financiële krapte efficiënter en goedkoper rechtstreeks op de werkvloer in het veld moet worden vormgegeven om de natuur te beschermen.
Deelt u de opvatting dat het sluiten van bezoekerscentra een verschuiving kan betekenen van natuur als publiek goed naar natuur als puur beheersvraagstuk en hoe weegt u dat risico?
Wij delen de opvatting dat het sluiten van fysieke bezoekerscentra het risico in zich draagt dat natuur door het publiek meer als een puur technisch beheersvraagstuk in plaats van een gezamenlijk publiek goed wordt ervaren, maar wij stellen dat dit risico kan worden ondervangen door maatschappelijke verbinding op andere manieren vorm te geven. Wij wegen dit risico zorgvuldig en benadrukken dat natuurbeleid alleen succesvol kan zijn als er een sterke educatieve en emotionele binding met burgers blijft bestaan. Om te voorkomen dat de natuurbeleving versmelt tot louter ecologisch beheer, sturen wij erop aan dat natuur toegankelijk blijft voor bezoekers en dat SBB niet bezuinigt op de inhoud van de publiekstaak zelf, maar de transitie maakt naar een directere, laagdrempelige aanwezigheid in het veld, waardoor de status van natuur als publiek goed juist op de feitelijke plek van de natuurervaring wordt versterkt.
Welke alternatieven zijn er om de functie van bezoekerscentra te behouden zonder dat dit ten koste gaat van het kernbeheer van natuurgebieden?
SBB heeft onderzocht op welke wijze de functies van de bezoekerscentra ook op een andere manier kunnen worden ingevuld, zonder afbreuk te doen aan de kerntaak van natuurbeheer. Daarbij is het uitgangspunt dat publieksvoorlichting, educatie en natuurbeleving behouden blijven, maar niet noodzakelijkerwijs vanuit een door SBB geëxploiteerd bezoekerscentrum. SBB blijft publieksactiviteiten uitvoeren via onder meer informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met o.a. scholen, gemeenten, IVN Natuureducatie en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden. Voor de huidige gebouwen wordt per locatie, in overleg met betrokken partners en rekening houdend met bestaande afspraken en contracten, onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is. Daarbij kan worden gedacht aan exploitatie door lokale ondernemers of andere maatschappelijke partijen. Ook kunnen, waar passend, tijdelijke of mobiele voorzieningen worden ingezet, bijvoorbeeld bij (natuurherstel)projecten of evenementen.
Bent u bereid om met Staatsbosbeheer in gesprek te treden over het voortzetten van de bezoekerscentra en hierin ondersteunend op te treden?
Ja, wij zijn bereid om met SBB in gesprek te treden en ondersteunend op te treden, mits dit gebeurt binnen de kaders van de operationele autonomie van de organisatie en zonder dat dit leidt tot een structurele financiële bijdrage vanuit het Rijk. Wij willen ons in deze gesprekken met name richten op het faciliteren en samenbrengen van SBB met provincies, gemeenten en lokale ondernemers om alternatieve, kostenneutrale exploitatievormen voor de centra te onderzoeken. Tegelijkertijd zullen wij er tijdens deze overleggen scherp op toezien dat de wettelijke opdracht voor natuureducatie en publieksvoorlichting kwalitatief gewaarborgd blijft binnen de nieuwe bedrijfsvoering.
Bent u bereid te borgen dat publieksvoorlichting niet als eerste onder druk komt te staan wanneer binnen Staatsbosbeheer moet worden bezuinigd?
De operationele en de financiële prioriteitstelling vallen onder de zelfstandige verantwoordelijkheid van de directie van SBB en natuurbeheer heeft bij financiële krapte de wettelijke prioriteit boven vastgoed. Hoewel wij de autonomie van de organisatie als zelfstandig bestuursorgaan respecteren, willen wij wel borgen dat de wettelijke taak op het gebied van educatie en bewustwording overeind blijft. Wij vragen SBB dan ook dat deze maatschappelijke functie bij het wegvallen van de bezoekerscentra kwalitatief gewaarborgd blijft via een modernere, directere en kostenefficiëntere invulling in de klas en in de natuurgebieden zelf.
Taxifraude met handremmethode |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Amsterdamse taxibranche luidt noodklok om fraude: chauffeurs hanteren »handremmethode» om exorbitante prijs te kunnen rekenen»?
Ja.
Klopt het dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor toezicht en handhaving op de opstapmarkt van het consumententaxivervoer, terwijl de bestelmarkt grotendeels onder het landelijke toezicht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) valt? Zo ja, acht u deze verdeling van verantwoordelijkheden nog passend, mede in het licht van effectiviteit van toezicht en handhaving?
Alle taxichauffeurs en -ondernemers in Nederland moeten voldoen aan de wet- en regelgeving in de Wet Personenvervoer 2000 (Wp2000), hier ziet de ILT op toe. Deze verplichtingen gelden ongeacht de markt die wordt bediend. Omdat de kwaliteit van het taxivervoer op de opstapmarkt achterbleef, hebben gemeenten in 2011 de bevoegdheid gekregen om, in aanvulling op de landelijke wet- en regelgeving die voor álle taxichauffeurs en -ondernemers geldt, extra kwaliteitseisen te stellen aan chauffeurs op de opstapmarkt in hun gemeente. In 2023 is de taxiwet- en regelgeving in de Wp2000 geëvalueerd, hierover is uw Kamer eerder geïnformeerd.1 Uit het evaluatieonderzoek blijkt niet dat de bevoegdheden van de ILT en van de gemeenten niet meer passend zouden zijn.
Hoeveel meldingen van taxigerelateerde fraude zijn de afgelopen vijf jaar ontvangen door de ILT? Kunt u daarbij een uitsplitsing geven naar jaar en, voor zover mogelijk, naar het opstapmarkt- en bestelmarktsegment?
De ILT maakt geen onderscheid tussen de opstap- en de bestelmarkt in de wijze van toezicht. Ook in de meldingen wordt hierin geen onderscheid gemaakt. De ILT heeft in de afgelopen vijf jaar 140 meldingen ontvangen over fraude met taxi-gerelateerde zaken. Deze zien onder andere op hoge ritprijzen, de taxameter, fraude met ondernemers- of chauffeurskaarten, en op snorders.
Hoe wordt momenteel toezicht gehouden op de bestelmarkt? Welke instrumenten en bevoegdheden heeft de ILT daarbij tot haar beschikking en gaat daar voldoende afschrikkende werking vanuit?
De ILT houdt toezicht op de opstap- én de bestelmarkt en heeft hiervoor bestuurs- en strafrechtelijke bevoegdheden. Deze bevoegdheden zijn erop gericht een goede controle uit te kunnen voeren, overtredingen te stoppen, en te bestraffen. De ILT houdt toezicht via digitale-, bedrijfs- en objectinspecties. In welke deelmarkt vervoer wordt aangeboden heeft invloed op de te controleren punten uit de wet- en regelgeving: de opstapmarkt heeft enkele aanvullende eisen zoals het kunnen aanbieden van een ritbewijs, aanwezigheid en gebruik van de taxameter, en het kenbaar maken van de tarieven in de taxameter. De afschrikwekkende werking wordt behalve door de bevoegdheid ook bepaald door de (gepercipieerde) pakkans.
Zijn er aanwijzingen dat de huidige verdeling van toezicht tussen gemeenten en de ILT in de resp. marktsegmenten leidt tot lacunes in toezicht, handhaving of informatie-uitwisseling? Deelt u de opvatting dat fraudeurs geen misbruik mogen kunnen maken van verschillen in toezicht tussen beide marktsegmenten?
Uit het evaluatieonderzoek dat in 2024 aan de Kamer is aangeboden blijkt niet dat de bevoegdheden van de ILT en van de gemeenten leiden tot gebreken in het toezicht.2 De ILT en de gemeenten houden toezicht op verschillende onderdelen van de taxisector. Waar mogelijk, afhankelijk van capaciteit en beschikbaarheid, werken de partijen samen, ook met andere handhavende partijen zoals politie en de Koninklijke Marechaussee.
Deelt u de opvatting dat consumenten erop moeten kunnen vertrouwen dat de ritprijs eerlijk tot stand komt en dat taxiondernemers die zich aan de regels houden niet mogen worden weggeconcurreerd door collega's die dat niet doen?
Ja, die opvatting deel ik. Wanneer reizigers een taxi bestellen weten zij voorafgaand aan de rit wat deze gaat kosten. Op de opstapmarkt weet een reiziger dit niet van tevoren en zijn chauffeurs verplicht een taxameter te gebruiken en gelden er maximumtarieven. Het is chauffeurs ook toegestaan vooraf een vaste ritprijs overeen te komen met een reiziger.
Herkent u dat de aanbevelingen uit het evaluatierapport dat in januari 2024 met de Tweede Kamer is gedeeld, nog niet zijn opgepakt?
Uw Kamer is op 24 maart jongstleden geïnformeerd over de aanpassingen van het taxibeleid die mede naar aanleiding van het evaluatierapport samen met de betrokken partijen worden verkend.3 Ik ben voornemens dit najaar een onderzoek te starten naar het rekenen van zogenoemde woekerprijzen op de opstapmarkt en ik verken een aantal aanpassingen van de wet- en regelgeving waardoor er effectiever toezicht kan worden gehouden op de sector.
Het evaluatierapport wijst ook op de veranderende structuur van de taximarkt door het toenemende gebruik van taxiplatforms. Ook in andere sectoren groeit het gebruik van platforms en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werkt daarom aan de implementatie van de Europese richtlijn platformwerk. Ik wil aankomend jaar verkennen of het nuttig is om in aanvulling daarop taxiplatforms via de Wp2000 een rol te geven in het zorgen voor kwalitatief goed taxivervoer.
Klopt het dat op 30 september 2025 een groot aantal gemeenten een brief hebben gestuurd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, waarin zij hun zorgen uiten over de huidige Wet Personenvervoer 2000 en hebben verzocht om een wetswijziging?
Ja, dat klopt. Mijn voorganger heeft op 9 januari jl. gereageerd op de brief van de gemeenten en in zijn reactie toegelicht welke aanpassingen van het taxibeleid worden verkend. Zie de beantwoording van vraag 7.
Klopt het dat zij aangeven dat er de facto nog maar één straattaximarkt is? En dat de meeste chauffeurs zowel rijden via een standplaats (als onderdeel van de opstapmarkt) als via een app of centrale (de «match» voor de bestelmarkt), bijvoorbeeld door de lichtbak achter in de kofferbak te leggen?
Ja, dat klopt.
Is het wettelijke onderscheid tussen opstap- en bestelvervoer nog van deze tijd?
Uit het evaluatieonderzoek blijkt niet dat de bevoegdheid die gemeenten hebben om extra kwaliteitseisen te stellen aan chauffeurs op specifiek de opstapmarkt in hun gemeente niet meer relevant is. Wel constateert het rapport dat de structuur van de taximarkt is veranderd door het toenemende gebruik van taxiplatforms. Ik wil daarom verkennen op het nuttig is om, in aanvulling op de implementatie van de richtlijn platformwerk, taxiplatforms via de Wp2000 een rol te geven in het zorgen voor kwalitatief goed taxivervoer. Zie verder de beantwoording van de vragen 2 en 7.
In hoeverre is dat verschil zichtbaar en voor toezichthouders van ILT, gemeenten en politie mede door deze wisseltruc werkbaar?
Wanneer taxichauffeurs opereren op de opstapmarkt en taxivervoer aanbieden op straat, bijvoorbeeld vanaf een standplaats, moeten zij voldoen aan aanvullende landelijke en eventueel gemeentelijke eisen. Zie de beantwoording van vraag 4. Op het moment dat chauffeurs de bestelmarkt bedienen en een vooraf bestelde rit uitvoeren, gelden deze aanvullende eisen niet. Voor toezichthouders is het dus noodzakelijk eerst vast te stellen op welke markt een chauffeur opereert voordat kan worden bepaald of de regels juist worden nageleefd. Dit gebeurt op basis van de ritregistratie en de informatie die toezichthouders krijgen van chauffeurs en reizigers. Het evaluatierapport constateert dat het voor gemeentelijke toezichthouders niet altijd makkelijk is om te verifiëren op welke markt een chauffeur opereert.
Herkent u dat het onderscheid tot een grijs gebied leidt waarin chauffeurs zich kunnen onttrekken aan toezicht en kwaliteitseisen? Met misstanden als ritweigering, opstoppingen, omrijden, prijsmanipulatie via apps, afwezigheid van bonnen of klachtenprocedures, niet op de meter rijden tot gevolg?
Uit de evaluatie blijkt niet dat dit op grote schaal voorkomt. Alle taxichauffeurs en -ondernemers moeten zoals gezegd voldoen aan de wet- en regelgeving in de Wp2000; aan het toezicht daarop door de ILT kunnen zij zich niet onttrekken. Op eventuele extra kwaliteitseisen die gemeenten stellen aan chauffeurs op de opstapmarkt zien gemeentelijke boa’s toe.
Niet alle genoemde «misstanden» zijn overigens strafbaar volgens de landelijke wet- en regelgeving. De Wp2000 kent geen vervoerplicht. Het staat chauffeurs vrij een aangeboden rit al dan niet te accepteren. Ritweigering op discriminatiegronden is natuurlijk wel verboden. Er is daarnaast geen verplichting om «op de meter te rijden» wanneer chauffeur en reiziger voorafgaand aan de rit een ritprijs zijn overeengekomen. Ook het bijdragen aan verkeersopstoppingen of omrijden zijn niet strafbaar. Gemeenten kunnen deze dingen wel verbieden middels een plaatselijke verordening voor chauffeurs op de opstapmarkt.
Herkent u dit als bevestiging dat de bestaande regelgeving niet langer goed aansluit bij de praktijk van de hedendaagse taximarkt?
Het evaluatieonderzoek concludeert dat de taxiwet- en regelgeving over het algemeen naar behoren werkt. Zie verder de beantwoording van vraag 7 voor de aanpassingen van het taxibeleid die worden verkend mede naar aanleiding van het evaluatierapport.
Wat is uw inhoudelijke reactie op de aanbevelingen van deze gemeenten?
Zie de beantwoording van de vragen 7 en 8.
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende maatregelen nodig zijn, zodat de pakkans wordt vergroot, fraudeurs sneller worden opgespoord en een gelijk speelveld voor taxiondernemers op zowel de opstapmarkt als de bestelmarkt wordt gewaarborgd? Bijvoorbeeld een wetswijziging?
De taxiwet- en regelgeving in de Wp2000 is zoals gezegd recent geëvalueerd. Over de resultaten van die evaluatie en welke aanpassingen van het taxibeleid nu worden verkend, is uw Kamer geïnformeerd.4, 5
Bent u daarnaast bereid te bezien of de huidige verdeling van toezichtstaken tussen gemeenten en de ILT nog aansluit bij de huidige taximarkt en, indien dat niet het geval is, met voorstellen te komen om toezicht en handhaving effectiever te organiseren?
Zie de beantwoording van de vragen 5, 12, en 15.
Zou het laten vervallen van het onderscheid tussen opstap- en besteld vervoer, zodat voor dezelfde dienst dezelfde wettelijke uitgangspunten gelden een goede maatregel zijn?
Zoals gezegd geldt voor alle taxichauffeurs en -ondernemers al dezelfde landelijke wet- en regelgeving. Dat gemeenten in aanvulling daarop extra kwaliteitseisen kunnen stellen aan chauffeurs op de opstapmarkt acht ik nog altijd relevant.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Openbaar vervoer en taxi van dinsdag 13 oktober 2026?
Ja.
Het VN-rapport inzake mogelijke genocide en doelbewust geweld tegen Palestijnse kinderen in Gaza |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente rapport van de onafhankelijke VN-onderzoekscommissie, waarin wordt geconcludeerd dat Israël zich schuldig maakt aan genocidale handelingen in Gaza en dat Palestijnse kinderen doelbewust zijn gedood en verwond door militair geweld?1
Ja.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van de VN-commissie dat sprake is van een patroon waarbij Palestijnse kinderen worden gedood, verwond en beroofd van hun toekomst door aanvallen op kinderen, scholen, weeshuizen en medische voorzieningen?
Het rapport geeft een hartverscheurend beeld van de situatie van kinderen in de bezette Palestijnse Gebieden. Het kabinet vindt de bevindingen van de VN-onderzoekscommissie zorgwekkend en neemt de daarin genoemde incidenten en patronen – waaronder meldingen van gerichte verwondingen en dodelijke schoten bij kinderen – zeer serieus. Het kabinet beschikt zelf niet over informatie die nodig zou zijn om met zekerheid vast te stellen dat sprake is van stelselmatig, doelbewust beleid van Israël om Palestijnse kinderen in de bezette Palestijnse Gebieden aan te vallen. Wel voedt onafhankelijk onderzoek, zoals dit onderzoek door de Commission of Inquiry (CoI), de afwegingen van het kabinet voor het bepalen van de Nederlandse inzet.
Herkent het kabinet zich in de conclusie van de VN-onderzoekscommissie dat Israëlische strijdkrachten Palestijnse kinderen in Gaza doelbewust doden en verwonden, wat onder meer blijkt uit terugkerende gevallen van enkelvoudige schotwonden aan hoofd of borst? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke juridische gevolgen verbindt het kabinet aan deze bevindingen, in het bijzonder in het licht van de Nederlandse verplichting om genocide te voorkomen en het internationaal humanitair recht te doen eerbiedigen?
Het kabinet is zich bewust van de inspanningsverplichtingen van Nederland als derde staat op basis van het Genocideverdrag en het humanitair oorlogsrecht, en neemt deze verplichtingen serieus. De reikwijdte van deze verplichtingen hangt af van de mogelijkheden om invloed uit te oefenen. Het kabinet weegt continu af op welke wijze het beste invloed kan worden uitgeoefend.
Welke consequenties verbindt het kabinet aan de ernstige bevindingen van de VN-commissie voor de Nederlandse relatie met de Israëlische regering?
Zie beantwoording vraag 4. Het kabinet hanteert een combinatie van druk en dialoog om Israël van gedrag te laten veranderen en om naleving van internationaal recht te bevorderen.
Welke stappen zet Nederland om te voorkomen dat Nederlandse goederen, technologie, dual-usegoederen, militaire onderdelen of doorvoer via Nederland bijdragen aan mogelijke oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid of genocidale handelingen?
Het kabinet toetst alle individuele vergunningaanvragen voor de uit- en doorvoer van militaire en dual-use goederen per geval zorgvuldig aan de relevante Europese exportcontrolekaders. Daar waar duidelijke risico’s bestaan dat militaire goederen of dual-use goederen worden gebruikt voor ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht wordt een vergunningaanvraag afgewezen.
In de praktijk betekent dit dat het kabinet alleen vergunningen toewijst voor de uitvoer van militaire goederen die enkel defensief kunnen worden ingezet, zoals onderdelen voor het Iron Dome-luchtafweerysteem, en voor uitvoer van goederen ten behoeve van productie of onderhoud waarbij het eindgebruik niet in Israël ligt. Dat geldt eveneens voor de genoemde vergunningen.
Is het kabinet bereid in EU-verband te pleiten voor aanvullende maatregelen, waaronder gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische bewindspersonen en militairen en herziening van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich, in lijn met relevante moties en toezeggingen aan de Kamer, inzetten voor het realiseren van draagvlak voor de door de Europese Commissie voorgestelde EU-maatregelen, waaronder voor het voorstel om het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord gedeeltelijk op te schorten. Momenteel ontbreekt het draagvlak onder EU-lidstaten hiervoor. Daarnaast blijft Nederland een voortrekkersrol spelen in het sanctioneren van gewelddadige kolonisten en hun organisaties, alsook tegen Hamas en Palestinian Islamic Jihad (PIJ), en steunt het kabinet sancties tegen de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich.
Welke inzet pleegt Nederland binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties om onafhankelijke onderzoeken naar oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en mogelijke genocide in Gaza te ondersteunen?
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen en schendingen van internationaal recht vast te kunnen stellen. Onder andere middels Nederlandse financiering aan het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), in het bijzonder de Human Rights Inquiries Branch (HRIB), ontvangen onafhankelijke onderzoeksmechanismen van de VN zoals de Commission of Inquiry ondersteuning bij de uitvoering van hun onderzoek. Nederland steunt daarnaast ook in 2026 het landenkantoor van de OHCHR in de Palestijnse Gebieden, middels iets meer dan EUR 2,1 miljoen. In VN-verband roept Nederland op tot onafhankelijk onderzoek naar eventuele schendingen van internationaal recht, zoals meerdere malen gedaan tijdens open debatten over het Midden-Oosten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Dit gebeurt tevens in Europees verband, zoals tijdens de Raad Buitenlandse Zaken. Nederland blijft zich inzetten voor de bevordering van accountability en het tegengaan van straffeloosheid.
Op welke wijze garandeert Nederland het onafhankelijk en onbelemmerd functioneren van het Internationaal Strafhof, het Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen om verantwoordelijken voor ernstige internationale misdrijven ter verantwoording te roepen?
Nederland is tegen iedere vorm van bedreiging en intimidatie van het Internationaal Strafhof, Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen, hun ambtsdragers en hun personeel en als zodanig door hen aangewezen getuigen. Het is van belang dat de organen hun mandaat onafhankelijk en onbelemmerd kunnen uitvoeren. Er moet wereldwijd gedegen en onafhankelijk onderzoek worden gedaan als er sprake is van mogelijke ernstige schendingen van internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht. Nederland zet zich daar voor in en roept de partijen consequent op tot naleving van het internationaal recht. Nederland onderhoudt als gastland doorlopend contact met het Internationaal Strafhof en het Internationaal Gerechtshof, waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen.
Wat gaat het kabinet doen met de aanbevelingen van deze VN-commissie?
Het rapport van de VN-commissie bevat enkele duidelijke aanbevelingen, waartoe Nederland ook al langere tijd oproept en die het uitvoert. Dit heeft onder andere betrekking op de herhaalde oproep van het kabinet tot het verlenen van vrije toegang aan humanitaire actoren, accountability, en de Nederlandse inzet voor sancties in EU-verband ten aanzien van extremistische kolonisten en de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich. Tegelijkertijd mag de terreurorganisatie Hamas op geen enkele manier een rol spelen in het bestuur van de Palestijnse Gebieden. Het kabinet zet zich in voor een tweestatenoplossing: een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig Israël. Nederland zal deze inzet blijven voortzetten en hiertoe blijven oproepen in bilateraal en multilateraal verband.