De onbevredigende antwoorden op de mondelinge vragen over de taalgids op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen hoe het bedrag van 40.000 euro voor het maken van de taalgids is opgebouwd?1
Het bedrag van € 40.000 voor de ontwikkeling van de taalgids bestaat uit de samenwerking met een expert inclusieve communicatie (€ 30.281) en een vormgever uit één van de raamcontracten van de Rijksoverheid (€ 8.161) en drukkosten (ongeveer € 1.000). Bij de vormgeving is rekening gehouden met de digitale toegankelijkheid van het document.
In aanvulling hierop is de gids meegelezen door externe adviseurs met expertise op deze thema’s (€ 3.388). Er werd rekening gehouden met een jaarlijkse herziening van de gids (€ 11.265; initieel voor de jaren 2025, 2026 en 2027). Deze factuur is reeds vooruit betaald. Het resterende bedrag voor de jaren 2026 en 2027 dat niet langer voor de herziening wordt ingezet, wordt aangewend voor andere projecten.
Wat zijn de totale kosten die gemaakt zijn voor de productie en verspreiding van de taalgids, inclusief personeelskosten?
Zie het antwoord op vraag 1. Personeelskosten kunnen niet gespecificeerd worden, omdat medewerkers geen uren per dossier of project bijhouden.
Hoeveel ambtenaren waren betrokken bij het produceren en verspreiden van de taalgids?
Eén medewerker van het ministerie heeft de ontwikkeling van de taalgids in de periode tussen de zomer van 2023 en de zomer van 2025 begeleid, naast andere werkzaamheden. Daarnaast waren zo’n 30 tot 35 medewerkers voor enkele uren in die periode betrokken, door mee te denken of mee te lezen.
Wie heeft de opdracht gegeven tot het vervaardigen van de taalgids?
Naar aanleiding van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de Black Lives Matter demonstraties en het Toeslagenschandaal, hebben zowel de toenmalig Minister-President als de toenmalige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap besloten tot een rijksbrede inzet tegen discriminatie en racisme. Binnen OCW heeft dit geleid tot een tijdelijke programmatische aanpak, met de OCW Agenda tegen Discriminatie en Racisme die door mijn voorgangers met uw Kamer is gedeeld in 2022.2 In deze Agenda is het belang van «inclusief taalgebruik» benoemd. De taalgids is daarna ambtelijk tot stand gekomen als beoogd hulpmiddel, slechts voor medewerkers van het ministerie.
Is het maken van de taalgids onderwerp geweest van besluitvorming binnen het ministerie?
Nee. Zie het antwoord op vraag 4.
Is de taalgids reeds verspreid op het Ministerie van OCW of op andere ministeries?
De taalgids was enkel voor medewerkers van het ministerie te vinden, als naslag, via het OCW-Rijksportaal, het interne netwerk van (OCW-)ambtenaren. In het licht van de ontwikkeling van het rijksbrede Taalkompas (een praktische schrijfhulp voor alle rijksambtenaren, met kennis over transparant, begrijpelijk en toegankelijk communiceren vanuit de Rijksoverheid) is de inhoud van de gids gedeeld met de collega’s van het Ministerie van Algemene Zaken. De gids is daarnaast op een enkel specifiek verzoek gedeeld met collega’s van andere ministeries.
Is de taalgids door een externe partij geschreven? Zo ja, welke?
Nee. De taalgids is geschreven door medewerkers van het ministerie, in samenwerking (via een opdracht) met een expert op het gebied van communicatie. Zie het antwoord bij vraag 1.
Welke mensen of organisaties zijn geraadpleegd bij het schrijven van de taalgids?
De taalgids is ambtelijk ontwikkeld op basis van wat het ministerie al had samengebracht binnen het OCW-domein aan maatschappelijke en sectorale bronnen op het gebied van inclusieve taal. Uit het bestaande netwerk van externe adviseurs is nadere expertise gebruikt, waaronder van ECHO Expertisecentrum Diversiteitsbeleid en IZI Solutions.
Bestaat er een relatie tussen de taalgids en de Amerikaanse WOKE-ideologie?
Nee.
Is de wens om zwart met een hoofdletter Z te schrijven ingegeven door het Amerikaanse WOKE-verlangen black met een hoofdletter B te schrijven?
Nee.
Wat is de huidige status van de taalgids? Is de taalgids inmiddels ingetrokken of wordt het nog steeds gebruikt op het ministerie?
Zoals ik heb aangegeven is de taalgids niet langer in gebruik op het ministerie. De digitale versie van de gids is niet meer te raadplegen via het OCW-Rijksportaal voor (OCW-)ambtenaren en fysieke exemplaren zijn voor zover mogelijk teruggenomen. De motie Van Houwelingen c.s.3 beschouw ik met deze acties als uitgevoerd. Uiteraard blijft het ministerie vanuit ambtelijk vakmanschap streven naar zorgvuldige, gelijkwaardige, duidelijke en begrijpelijke communicatie in woord en geschrift.
Welke initiatieven worden er op het gebied van discriminatie en racisme de komende periode nog meer uitgerold?
De programmatische aanpak ziet onder meer op: de OCW-brede coördinatie op de uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme, de samenwerking met de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme, de OCW-brede coördinatie op het «proces na de komma» met beleidsintensiveringen op het koloniaal- en slavernijverleden en de samenwerking met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding.
De overgang van de tijdelijk programmatische aanpak van discriminatie en racisme naar structurele inbedding is in uitvoering, omdat dit structureel onderdeel is van het werk van de overheid (conform artikel 1 van de Grondwet).
Zijn de portretten van de blanke Ministers op het ministerie nu inderdaad verwijderd?
Nee, zie de beantwoording van de Kamervragen over de verwijdering van portretten van oud-ministers uit het Ministerie van OCW, door de voormalig Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.4
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als een gokbedrijf dat in het verleden zonder vergunning actief was op de Nederlandse markt, via de vergunning van een ander gokbedrijf of andere listige constructies, opnieuw toegang krijgt tot de Nederlandse markt?
Ja. Ik vind het onacceptabel als via constructies wordt beoogd de wettelijke eisen voor toegang tot de Nederlandse kansspelmarkt te omzeilen. Dit klemt temeer nu bij de totstandkoming van de Wet kansspelen op afstand ruimte is gelaten voor aanbieders die vóór de regulering zonder vergunning kansspelen op afstand hebben aangeboden om alsnog een vergunning te verkrijgen. Mede naar aanleiding van de motie-Postema is daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van onvergund online kansspelaanbod dat actief op Nederland was gericht.1
Klopt het dat deze praktijken voorkomen in Nederland, bijvoorbeeld in het geval van 888 dat sinds juli 2025 actief is onder een vergunning van Godwits LTD?
Het is aan de Kansspelautoriteit (Ksa) als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan om vergunningsaanvragen te beoordelen, vergunningen te verlenen, toezicht te houden op de naleving en zo nodig handhavend op te treden. De Ksa heeft aangegeven over voldoende instrumentarium te beschikken om op te kunnen treden. In dat kader is het ook aan de Ksa om na te gaan en te beoordelen of een vergunninghouder als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Ik doe daarom geen uitspraken over individuele gevallen.
In hoeverre wegen overtredingen van de relevante wet- en regelgeving, zoals het aanbieden van gokproducten zonder vergunning (voorafgaand aan de legalisatie) mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag van een gokbedrijf? Kunt u hierbij ook ingaan op de betrouwbaarheidstoets zoals die wordt toegepast bij vergunningverlening onder de Wet kansspelen op afstand?
Overtredingen van relevante wet- en regelgeving wegen zwaar mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag. Op grond van artikel 31i van de Wet op de kansspelen moet de betrouwbaarheid van de aanvrager, de betrokken beleidsbepalers en de uiteindelijk belanghebbenden buiten twijfel staan. Daarbij betrekt de Ksa antecedenten, waaronder overtredingen van Nederlandse en buitenlandse kansspelregelgeving. Betrokkenheid bij illegaal online kansspelaanbod weegt daarbij zwaar. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 heeft mede naar aanleiding van de motie-Postema de Ksa beleidsregels vastgesteld op grond waarvan een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van op Nederland gericht onvergund aanbod.2 Het niet voldoen aan die criteria heeft er meerdere keren toe geleid dat een vergunning niet werd verleend.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat dergelijke bedrijven, al dan niet via listige constructies, niet langer toegang hebben tot de Nederlandse gokmarkt?
Op dit moment zie ik geen aanleiding voor specifieke aanvullende maatregelen op het gebied van de toetsing van de betrouwbaarheid van bedrijven die een vergunning hebben aangevraagd. Voor het aanbieden van kansspelen op afstand geldt al een streng stelsel van integriteits- en betrouwbaarheidseisen. De Ksa beoordeelt vergunningaanvragen, relevante wijzigingen en signalen die aanleiding geven tot nader onderzoek. Bij twijfel kan zij binnen het bestaande instrumentarium optreden en een vergunninghouder nadere verplichtingen opleggen, boetes opleggen of zelfs overgaan tot het intrekken van een vergunning. Het is aan de Ksa om die instrumenten in concrete gevallen toe te passen.
Kunt u hierbij ook ingaan op de rol van de Kansspelautoriteit?
Zie antwoord vraag 4.
De geplande uitbreiding van de handel in apen voor dierproeven |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Letschert , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat in Tilburg een grote apenhandelaar is gevestigd, genaamd Hartelust, die ongeveer 1.000 apen houdt in een loods op een industrieterrein?
Ja.
Bent u ermee bekend dat dit bedrijf functioneert als doorvoerhaven voor apen uit het buitenland en deze dieren vervolgens weer worden doorverkocht aan proefdiercentra binnen en buiten Europa?
Ja, dit bedrijf heeft een vergunning om deze dieren in te voeren, te verhandelen en te fokken onder de wet op de dierproeven en staat daarmee ook onder toezicht van de NVWA.
Kunt u bevestigen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen geen apen kopen van deze handelaar en dat dit bedrijf dus geen bijdrage levert aan het Nederlandse onderzoeks- en wetenschapsbeleid (Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 37)?
Ja, naar aanleiding van het KNAW advies «Gebruik van niet-humane primaten als proefdier. Nut en noodzaak?» uit 2014 (Kamerstuk 32 336, nr. 30) is met onderzoeksinstellingen overeengekomen dat onderzoek met niet-humane primaten (NHP) in Nederland bij voorkeur in het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) of met dieren afkomstig van het BPRC wordt uitgevoerd. In uitzonderlijke situaties waarbij het BPRC niet aan de vraag kan voldoen, zoals bij uitbraken van infectiezieken, kunnen onderzoekinstellingen dieren betrekken van andere gekwalificeerde leveranciers (Kamerstuk 32 336, nr. 44). Ik heb geen signalen ontvangen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen in de afgelopen jaren van deze afspraak zijn afgeweken.
Bent u ermee bekend dat de apen die door deze handelaar worden verhandeld in buitenlandse laboratoria worden gedwongen om experimentele medicijnen te nemen, worden ziekgemaakt met synthetische stoffen zoals heroïne, elektroden in de hersenen krijgen ingeplant en met opzet worden vetgemest zodat ze diabetes krijgen? Wat vindt u hiervan?1
Ik kan me goed voorstellen dat er maatschappelijke verontwaardiging is over het verhandelen en gebruik van proefdieren en het gebruik van apen in het bijzonder. Ik ben er mee bekend dat de apen van deze handelaar worden verhandeld naar buitenlandse (hoofdzakelijk Europese) onderzoeksinstellingen waar zij kunnen worden ingezet voor proefdieronderzoek. Binnen de EU is deze praktijk alleen toegestaan als is voldaan aan stevige randvoorwaarden aan onderzoek met proefdieren en met niet-humane primaten in het bijzonder. Ik benoem hier richtlijn (2010/63/EU) die binnen de EU van toepassing is op proefdieronderzoek. Deze richtlijn bevat bepalingen voor onderzoek, fok, handel en verzorging van de dieren. Voor NHP onderzoek gelden er ten opzichte van onderzoek met andere diersoorten binnen deze richtlijn nog aanvullende eisen. Onderzoek met proefdieren is alleen toegestaan na een zorgvuldige afweging. Bij een aanvraag voor onderzoek met NHP moet er met een wetenschappelijke motivering aangetoond worden dat het doel van het onderzoek niet kan worden bereikt door het gebruik van een andere diersoort. Voor NHP (en tevens ook voor honden en katten) moet vanaf de geboorte een individueel levensloopdossier worden bijgehouden, zodat deze dieren de verzorging, huisvesting en behandeling kan worden geboden die op hun individuele behoeften en kenmerken zijn afgestemd. Op Europees niveau wordt er gerapporteerd over dierproeven in ALURES (Animal Use Reporting – EU System). ALURES bestaat uit twee delen, een deel niet-technische samenvattingen (NTS) en een deel met statistische data. De NTS geeft o.a. inzicht in het geplande onderzoek over een periode van 5 jaar, het verwachte benodigde aantal dieren en een inschatting van de mate van ongerief. Daarbij wijs ik erop dat binnen het dierproevendomein «ongerief» de aantasting van het dierenwelzijn betekent, en niet alleen «pijn». Daarmee wordt meer bedoeld dan alleen pijn. Ook zaken als stress, alleen-zijn, Ook zaken als angst en ziekte worden daarin meegerekend. De richtlijn classificeert «ongerief» in drie categorieën: licht, matig of ernstig. Dieren die zonder voorafgaande handeling onder verdoving gedood worden, worden geregistreerd als «terminaal onder anesthesie». De database met statistische data rapporteert per kalender jaar en geeft o.a. inzicht in het daadwerkelijk gebruikte aantal dieren en de mate van ongerief. Binnen beide omgevingen is het mogelijk om informatie verder uit te splitsen bijvoorbeeld op basis van land, diersoort en algemeen onderzoeksdoel.
Het exporteren van deze dieren naar landen buiten de EU is wettelijk gezien toegestaan. Wel wil ik hierover met betrokken partijen in gesprek om te bezien hoe transporten van apen ten behoeve van proefdieronderzoek naar derde landen tot een minimum kunnen worden beperkt.
Kunt u bevestigen dat veel van deze apen tijdens de proef overlijden of na afloop alsnog worden gedood? Wat vindt u hiervan? Zo nee, op welke onafhankelijke bronnen baseert u zich?
Dat dieren overlijden -in veel gevallen doormiddel van euthanasie- is helaas inherent aan proefdieronderzoek. Het is een confronterende waarheid die nu onlosmakelijk verbonden is met onderzoek voor medische vooruitgang en veiligheid voor mens dier en milieu. Op basis van NTS gegevens uit ALURES van 2022 tot en met 2025 is te zien dat er binnen de EU 553 projecten zijn ingediend waarin onderzoek met NHP is opgenomen. Veruit het meeste NHP-onderzoek wordt ingeschat op matig (79,4%) of mild (16,3%) ongerief. Onder de categorie ernstig ongerief valt 3,1% van het onderzoek. De laatste 1,2% valt onder terminaal onderzoek dat onder narcose plaatsvindt, waaruit de dieren niet meer ontwaken. Uit deze gegevens blijkt dat in totaal 70% van de NHP tijdens of na het onderzoek wordt gedood, bijvoorbeeld voor vervolgonderzoek op weefsels. De overige 30% wordt herplaatst of hergebruikt. Of proefdieren tijdens of na een proef overlijden hangt af van het soort onderzoek dat wordt gedaan. Dit wordt meegenomen in de toetsing vooraf en is onlosmakelijk verbonden met het doen van dierproeven.
Daar waar proefdieronderzoek nog absoluut onmisbaar is vind ik het belangrijk dat dit zeer zorgvuldig gebeurt conform ethische en wettelijke kaders. Daarnaast wil ik met grote vaart inzetten op de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties om zo proefdieronderzoek zoveel als mogelijk overbodig te maken.
Bent u ermee bekend dat de betreffende apenhandelaar er in 2024 voor heeft gezorgd dat er via Nederland een tuberculose-uitbraak is verspreid?2
Ja, het betrof hier een specifieke tuberculose variant waarop vóór deze uitbraak niet standaard werd getest. Inmiddels is de procedure hierop aangepast. Door strikte eisen in omgang met proefapen is de uitbraak beperkt gebleven tot de dieren en zijn er geen mensen besmet geraakt.
Bent u ermee bekend dat zowel de gemeente Tilburg als de provincie Noord-Brabant willen optreden tegen deze apenhandelaar, maar hier geen juridische mogelijkheden voor hebben en daarom de toenmalige Minister hebben verzocht om de handel in apen als proefdieren te verbieden?3, 4
Daar ben ik mee bekend. Het bedrijf heeft een vergunning om deze dieren in te voeren, te verhandelen en te fokken. Een verbod op de handel in apen als proefdieren is binnen de EU niet mogelijk omdat artikel 2 van de richtlijn lidstaten daar geen ruimte voor biedt.
Klopt het dat hier nog altijd geen uitvoering aan is gegeven?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u ermee bekend dat Hartelust wil uitbreiden en een nieuwe loods heeft gekocht waar ze penseelapen willen gaan fokken?5
Ja, daar ben ik mee bekend.
Wat vindt u ervan dat een commerciële handelaar mogelijk wil uitbreiden met het fokken van extra apen, terwijl tegelijkertijd steeds meer wetenschappelijke instellingen juist inzetten op proefdiervrije innovatie?
Ik ben blij met de ontwikkeling dat wetenschappelijke instellingen inzetten op proefdiervrije innovatie. Proefdieronderzoek is nog steeds nodig voor bepaald type onderzoek. Bijvoorbeeld voor complex onderzoek naar hersenziektes zoals dementie of infectiebestrijding zoals Covid.
Fokken met en handel in apen is toegestaan binnen de vergunning van dit bedrijf op basis van de Wet op de dierproeven. Daarbij vind ik het van belang dat de omvang van de fok van en handel in deze dieren proportioneel blijft in relatie tot de behoefte en noodzakelijkheid van onderzoek binnen de EU. Daarom ga ik zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4 met betrokkenen in gesprek om handel naar derde landen tot een minimum te beperken.
Bent u bereid om deze uitbreiding tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben verantwoordelijk voor de Wet op de Dierproeven die gebaseerd is op de EU-richtlijn. Als het bedrijf voldoet aan de eisen uit die wet heb ik geen grondslag om in te grijpen. Een bedrijf of organisatie mag enkel proefdieren fokken of afleveren met een instellingsvergunning, daarmee staat de instelling ook onder toezicht van de NVWA. Een van de eisen is dat enkel bevoegd en bekwaam personeel met proefdieren mag werken.
Deelt u de mening dat het verslepen van apen over de hele wereld en het commercieel verhandelen van apen aan proefdiercentra in het buitenland zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat proefdieren zo weinig mogelijk ongemak ervaren in hun leven. Transport is daarvoor niet bevorderlijk, maar soms echter onvermijdelijk om de juiste proefdieren op de juiste locatie voor onderzoek te krijgen. Ik ben blij dat er strikte Europese en internationale regels zijn die gezondheid en welzijn van de dieren borgen en verspreiding van ziekten voorkomen.
Bent u bereid om een einde te maken aan het houden van apen ten behoeve van de commerciële handel voor dierproeven? Zo nee, waarom niet?
Daartoe heb ik niet de mogelijkheid, omdat dit in strijd zou zijn met de richtlijn (2010/63/EU), zie ook mijn antwoord op vraag 7. Wel blijf ik mij onverminderd inzetten voor het waarborgen van het welzijn van proefdieren en de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het is niet gelukt de vragen binnen de gestelde termijn van drie weken te beantwoorden, vanwege het nodigde uitzoekwerk en afstemming binnen het Ministerie van LVVN, het Ministerie van OCW en met de NVWA. Hierover heeft u op 11 mei een uitstelbrief ontvangen.
Het artikel 'ING krijgt Russisch dochterbedrijf maar niet verkocht' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op bericht dat het ING nog steeds niet lukt om van haar Russische bankactiviteiten af te komen?1
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de invoer van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich terug te trekken uit Rusland. Vertrekken uit Rusland is echter niet altijd eenvoudig. Het presidentieel decreet van september 2022, verbiedt buitenlandse bedrijven uit «onvriendelijke landen», waaronder de EU, hun activiteiten vrijelijk te verkopen. Bedrijven kunnen slechts op basis van een speciale vergunning van de Russische autoriteiten activiteiten verkopen. Voor verkoop van een bank is bovendien vereist dat de beoogde koper wordt goedgekeurd. In het onderhavige geval heeft ING bekendgemaakt dat de benodigde toestemmingen niet zijn verleend.
In hoeverre gaan de activiteiten en dienstverlening van ING momenteel door in Rusland, ondanks het voornemen de activiteiten in Rusland af te bouwen?
Wegens bedrijfsvertrouwelijkheid ga ik niet in op investeringen van private instellingen. In zijn algemeenheid kan ik zeggen dat ING eerder in persberichten heeft aangegeven dat zij sinds 2022 haar activiteiten in Rusland afbouwt en geen nieuwe zaken met Russische cliënten meer doet.
Waarom is de dienstverlening van ING in Rusland niet gestaakt, ondanks dat er geen overname kandidaat is gevonden?
Hoewel het kabinet bedrijven actief aanmoedigt om niet langer actief te zijn op de Russische markt, is het aan bedrijven zelf om te beoordelen wat de beste manier is om hiermee om te gaan. Daarbij geldt dat het staken van de dienstverlening niet altijd mogelijk is. Daarnaast is de vraag of het staken van de dienstverlening, bijvoorbeeld via liquidatie, wenselijk is. In dat geval zouden bezittingen namelijk ook in Russische handen kunnen komen, waarbij er mogelijk minder controle is op de bestemming van de bezittingen. Ik heb geen zicht op de specifieke afweging bij ING.
Waarom geeft u geen antwoord op de vraag of ING is doorgegaan met het financieren van de Russische staat na de illegale inval in Oekraïne in februari 2022? Bent u bereid deze vraag alsnog, in algemene zin, te beantwoorden zonder bedrijfsgevoelige informatie te delen?2
Zoals bij de beantwoording op vraag 2 aangegeven, kan ik geen uitspraken doen over de investeringen van private bedrijven. Wel heeft de Minister van Financiën verschillende keren contact gehad met ING over het voornemen van ING om haar dochterbedrijf in Rusland te verkopen. Over de contacten kunnen verder geen inhoudelijke mededelingen worden gedaan.
De Minister van Financiën en ik zijn verder niet betrokken bij het voornemen van ING om uit Rusland te vertrekken of de activiteiten van het dochterbedrijf in Rusland te verkopen. Zie ook de beantwoording van de Kamervragen die op 8 april 2026 zijn gesteld door het lid Van Eijk (VVD) over het bericht «ING ziet af van verkoop Russische dochter».
De sterk achterblijvende bouw van zorgwoningen voor ouderen |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bouw ouderenwoningen blijft fors achter»?1
Ja.
Begrijpt u de terughoudendheid van de zorgaanbieders vanwege risicovollere investeringen door de aangekondigde aanpassing van de volledig pakket thuis (vpt) vergoeding? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat veranderingen in de zorg onzekerheid met zich kunnen meebrengen, maar ik verwacht dat er ook in de toekomst een grote vraag zal zijn naar geclusterde woonvoorzieningen voor mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, waarbij geldt dat de vergoeding voor de zorg redelijkerwijs kostendekkend moet zijn en blijven. Overigens worden ouderenwoningen niet alleen gerealiseerd door zorgorganisaties, maar ook door woningbouwcorporaties en private partijen.
Wanneer verwacht u duidelijkheid te kunnen geven over de aanpassing van de vpt-vergoeding?
De introductie van een nieuwe leveringsvorm in de ouderenzorg – waarover in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) afspraken zijn gemaakt – vergt een wetswijziging. Op dit moment wordt in overleg met alle betrokken HLO-partijen nagedacht over de vormgeving van die nieuwe leveringsvorm voor Wlz-zorg thuis. Ik verwacht dat in het voorjaar 2027 een eerste voorstel voor internetconsultatie gereed is.
Bent u bereid gezamenlijk met de woningcorporaties en zorgaanbieders tot een oplossing te komen om een structureel tekort aan passende woonzorgplekken voor ouderen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het is van groot belang dat we de aankomende jaren doorgaan met het bouwen van voor ouderen geschikte woningen, en meer specifiek met geclusterde- en zorggeschikte woningen waar ouderen met een zorgvraag kunnen wonen. Dat kunnen ook kleinschaligere woonzorgvormen zijn. Ik onderken dat de bouw de afgelopen jaren is achtergebleven bij de opgave en daarom zet het kabinet op allerlei manieren in op het vergroten van de planvorming en realisatie van deze woonvormen. Hierover ben ik samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in nauw overleg met alle betrokken partijen, waaronder woningcorporaties en zorgpartijen. Wij blijven in gesprek met de sector om knelpunten bij de realisatie van nieuwe woonvormen voor ouderen weg te nemen.
Belangrijke elementen van de aanpak van het kabinet om de realisatie van woningtypes geschikt voor ouderen te vergroten zijn het maken van programmatische afspraken in de woondeals over de huisvestingsopgave voor ouderen, het voeren van gesprekken met bestuurders in de woondealregio’s over de planvorming en realisatie van deze opgave én het reserveren van extra middelen voor de realisatie van geclusterde en zorggeschikte woningen. Ook kan na invoering van de Wet Regie bijvoorbeeld sterker worden gestuurd op het bouwen voor ouderen. Gemeenten moeten in hun volkshuisvestingsprogramma’s aangeven hoe zij invulling gaan geven aan deze bouwopgave.
Voor de zomer zal nader op het voorgaande worden ingegaan in een voortgangsbrief ouderenhuisvesting aan uw Kamer, zoals ook toegezegd tijdens het commissiedebat over de Staat van de Volkshuisvesting van 11 maart jl.
Jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het luiden van de noodklok door het Openbaar Ministerie (OM) vanwege de toenemende jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland en dat vier op de tien jongeren in Groningen en Drenthe leeftijdsgenoten kennen die mogelijk betrokken zijn bij criminele activiteiten?
Ja.
In hoeverre wordt er voorlichting gegeven aan ouders en op scholen aan leerlingen over criminele uitbuiting van jongeren, juist ook in minder (rand)stedelijke gebieden zoals in Noord-Nederland? Hoe beoordeelt u het nut, de noodzaak en de effectiviteit van dergelijke voorlichting?
School is een belangrijke omgeving voor jongeren, waar zij van en met leeftijdsgenoten, en docenten en onderwijspersoneel leren. Gedrag en criminaliteit kunnen onderwerpen zijn tijdens lessen, maar ook daarbuiten. Er is geen landelijk beeld beschikbaar van de mate waarin gemeenten en scholen voorlichting over criminele uitbuiting inzetten. Gemeenten en scholen maken zelf de afweging óf en welke vorm van voorlichting er wordt ingezet. Scholen zijn verplicht zorg te dragen voor de veiligheid op school en daartoe veiligheidsbeleid te voeren. Voorlichting over criminele uitbuiting kan daar onderdeel van zijn, maar is niet verplicht. Nut en noodzaak van dergelijke voorlichting zijn afhankelijk van de context van de school en de leerlingpopulatie. Stichting School & Veiligheid biedt ondersteuning en handreikingen aan scholen om te werken aan een veilig schoolklimaat.
Het is belangrijk dat – afhankelijk van de lokale en/of regionale situatie – gemeente, school en politie gezamenlijk het gesprek voeren over het doel van een eventuele interventie. Het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit (afgekort KEI)1 concludeert dat er tot op heden geen wetenschappelijk bewijs is dat voorlichting voor jongeren crimineel gedrag kan voorkomen. Uit het KEI blijkt wel dat bewustwordingscampagnes en doorlopende trainingen die een duidelijk handelingsperspectief bieden, zouden kunnen bijdragen aan de weerbaarheid van jongeren. Dit kan als deze gericht zijn op een specifieke risicogroep en onderdeel uitmaken van een breder (les)programma. Daarnaast is het belangrijk om ouders, onderwijspersoneel en professionals te ondersteunen bij het herkennen van de signalen van criminele uitbuiting zodat zij tijdig gericht kunnen handelen.
Welke onderzoeken zijn er recentelijk geweest naar problematische jeugdgroepen? Ziet u noodzaak naar aanleiding van de toename aan jeugdcriminaliteit een onderzoek hiernaar zoals in 2014 opnieuw uit te voeren?
Een onderzoek, zoals in 2014 uitgevoerd, is de afgelopen jaren niet meer uitgevoerd. In de jaren daarop is de tot dan toe gangbare aanpak doorontwikkeld tot het 7-stappenmodel voor de aanpak van problematische jeugdgroepen en groepsgedrag, met daarin aandacht voor het vaak fluïde karakter van jeugdgroepen. Dit model is in 2023 mede op verzoek van uw Kamer en op basis van de ervaring van gemeenten verbeterd. Dit model wordt in het land aan de hand van de lokale problematiek benut en waar nodig verrijkt. Er is op dit moment geen reden om opnieuw een onderzoek naar problematische jeugdgroepen uit te voeren.
Kunt u uiteenzetten hoe de middelen voor preventie met gezag op dit moment over Nederland tussen grotere en kleinere gemeenten in 2026, 2027 en 2028 worden verdeeld?
Aan Preventie met Gezag nemen 47 gemeenten deel. Hiervan ontvangen 27 – veelal grotere – gemeenten structurele middelen en 20 – relatief kleinere – gemeenten incidentele middelen. De gemeenten zijn geselecteerd op basis van sociaaleconomische en/of (relatieve) politiedata om zo gericht in te zetten waar de problematiek het grootst is.
Voor de periode 2026, 2027 en 2028 ontvangen de 27 structurele Preventie met Gezag-gemeenten jaarlijks tussen de 1,8 en 9 miljoen euro aan middelen, afhankelijk van de grootte en problematiek. De middelen voor de 20 incidentele gemeenten lopen medio 2027 ten einde. In 2026 hebben zij elk circa een half miljoen ontvangen en in 2027 ontvangen zij een kwart miljoen euro.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag juist ook in de kleinere gemeenten behulpzaam kunnen zijn om jeugdcriminaliteit tegen te gaan?
Preventie met Gezag (PmG) is geen algemene aanpak van jeugdcriminaliteit maar een gerichte aanpak van de voedingsbodem van ondermijnende (jeugd)criminaliteit in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Deze specifieke wijken zijn geselecteerd op basis van een combinatie van hoge criminaliteitscijfers en een hoge score op risicofactoren die de kans op afglijden in de criminaliteit vergroten, zoals vroegtijdig schoolverlaten of armoede. Er is bewust voor gekozen om de middelen voor PmG in te zetten in een relatief klein aantal gemeenten, zodat de aanpak niet verwatert en er focus kan worden aangebracht op de inzet van justitiepartners zoals politie en OM, alsook die van gemeenten en zorgpartners. Daarnaast zijn er voor 20 kleinere gemeenten incidentele middelen beschikbaar gesteld, om gericht te kunnen inzetten op hotspots.
De geleerde lessen van PmG worden wel breed in het land gedeeld, zodat alle gemeenten in Nederland kunnen meeprofiteren van de nieuwste inzichten. Bijvoorbeeld via de digitale lunchlezingen over relevante onderwerpen zoals school en veiligheid en de jaarlijkse Preventie met Gezag Inspiratiedag.
Ten slotte hechten wij eraan om te benadrukken dat er ook in gemeenten die niet zijn geselecteerd voor de PmG-middelen vanuit staand beleid op verschillende manieren inzet wordt gepleegd om jeugdcriminaliteit tegen te gaan. Burgemeesters vervullen hierin een sleutelrol vanuit hun verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid, daarnaast vindt er zowel lokaal als regionaal op allerlei manieren inzet plaats door de organisaties uit de (jeugd)strafrechtketen, individueel maar ook gezamenlijk, bijvoorbeeld vanuit het Zorg- en Veiligheidshuis.
Kunt u uiteenzetten aan welke programma’s de middelen voor preventie met gezag worden besteed en hoeveel aan overhead en externe inhuur?
De middelen voor Preventie met Gezag worden door de gemeenten en justitiepartners uitgegeven aan verschillende programma’s, maatregelen en (gedrags)interventies. Gemeenten en justitiepartners zijn daarbij verantwoordelijk voor een effectieve en efficiënte inzet van de aan hen toegekende middelen. Preventie met Gezag is erop gericht dat de middelen zoveel mogelijk direct en anders indirect ten goede komen aan de doelgroep. In de financiële verantwoording aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn zij niet verplicht een splitsing te maken naar de kosten voor overhead en voor externe inhuur. Er is daardoor dan ook geen totaalbedrag bekend van deze specifieke kosten. Over de totale overheadkosten en externe inhuur wordt door deze organisaties wel verantwoord binnen de eigen verantwoordingsstructuur aan bijvoorbeeld de lokale gemeenteraad. Daarnaast vinden er gesprekken plaats met het Ministerie van Justitie en Veiligheid over de inzet van de middelen en de behaalde resultaten en worden de interventies die worden bekostigd met Preventie met Gezag-middelen bijgehouden op status en voortgang in de jaarlijkse monitor.
Hoeveel van de interventies, die via preventie met gezag middelen ontvangen, zijn bewezen effectief en hoeveel voldoen aan het landelijk kwaliteitskader?
Gemeenten hebben een integrale aanpak, waarbij een mix van maatregelen, zoals de inzet van de jeugdboa’s, en (gedrags)interventies worden ingezet. Interventies kunnen verschillende doelstellingen hebben, zoals bewustwording, weerbaarheid en het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Over deze laatste categorie spreekt het KEI.
Er bestaat momenteel een beperkt aantal interventies die door de wetenschap als bewezen effectief voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit worden beschouwd. Voorbeelden van bewezen effectieve interventie zijn Basta! en Alleen Jij Bepaalt wie je bent (afgekort AJB).2
Daarnaast wordt ingezet op kansrijke interventies op basis van wetenschappelijke inzichten, inclusief ruimte voor innovatie als de doelgroep en/of problematiek daarom vraagt. Hierbij wordt gekeken naar de werkzame bestanddelen van deze interventies in combinatie met de lessen vanuit het KEI. Deze werkzame elementen en lessen uit het KEI worden actief binnen Preventie met Gezag gedeeld, besproken en breed geïmplementeerd. Zo zetten de meeste gemeenten in op het versterken van de weerbaarheid van jongeren via een gecombineerde inzet op school, werk en andere vormen van positieve dagbesteding. Daarnaast wordt er in de meeste gemeenten gewerkt met intensieve mentoring van jongeren, waarbij de begeleiding gericht is op verschillende leefgebieden.
Wat is uw reactie op het promotieonderzoek waaruit blijkt dat slechts drie interventies die jongeren proberen uit de criminaliteit te houden aantoonbaar effectief zijn gebleken?
In dit promotieonderzoek is uitsluitend gekeken naar gedragsinterventies met direct effect op het terugdringen van crimineel gedrag. Dit onderzoek laat zien dat van de 26 door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) erkende gedragsinterventies er drie als effectief zijn beoordeeld. Maatregelen en andere erkende interventies, bijvoorbeeld gericht op het versterken van weerbaarheid, sociale vaardigheden of beschermende factoren, evenals interventies die niet in de NJi-databank zijn opgenomen, zijn in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Deze kunnen wel van belang zijn voor de bredere aanpak van (jeugd)criminaliteit.
Dit laat onverlet dat er een duidelijke opgave ligt om bij de inzet van interventies de wetenschap blijvend te betrekken. Het is van belang dat interventies zijn gebaseerd op een theoretische onderbouwing en inzichten vanuit de praktijk en dat de toepassing ervan wordt gekoppeld aan onderzoek naar effectiviteit. Op die manier wordt toegewerkt naar een overzichtelijke set van goed onderbouwde en bewezen effectieve interventies, die gericht en doelmatig kunnen worden ingezet.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag zo veel mogelijk ingezet dienen te worden voor bewezen effectieve interventies conform het landelijk kwaliteitskader en dat interventies die hier niet aan voldoen dus ook niet vanuit preventie met gezag dienen te worden gefinancierd?
Uitgangspunt is dat middelen, ook die van Preventie met Gezag, zoveel mogelijk ingezet moeten worden voor bewezen effectieve interventies. Daarom stimuleren wij de brede inzet van een bewezen effectieve of kansrijke interventies, zoals de re-integratieofficier. Tevens stimuleren wij gemeenten om in samenwerking met de wetenschap hun lokale interventies te evalueren, waar mogelijk samen met andere gemeenten. Voor de ontwikkeling van nieuwe interventies hanteren de Preventie met Gezag gemeenten de uitgangspunten van het KEI. Wanneer een (nieuwe) interventie niet effectief blijkt, wordt daarmee gestopt. Deze kennis wordt breed gedeeld in het netwerk van Preventie met Gezag.
Bent u bereid nader in kaart te brengen welke knelpunten in wet- en regelgeving gegevensdeling tussen verschillende partijen die jeugdcriminaliteit tegengaan belemmert?
Deze knelpunten zijn reeds eerder in kaart gebracht. In het verslag van een schriftelijk overleg over het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september jl. is vrij uitgebreid op het vraagstuk van gegevensuitwisseling met het oog op de aanpak van jeugdcriminaliteit ingegaan.3 De ervaring leert dat gegevensdelingsknelpunten vaak een andere oorzaak hebben dan knelpunten in wet- en regelgeving. Gegevensdeling vergt veelal nadere afspraken tussen betrokken organisaties.
Mede om hierbij te helpen is er een Taskforce Gegevensdeling JenV ingericht. Deze Taskforce houdt zich onder andere bezig met het formuleren van oplossingsrichtingen bij gegevensdelingproblematiek op geprioriteerde ondermijningsthema’s, waaronder Preventie met Gezag. Binnen deze thema’s lost de Taskforce samen met partners concrete knelpunten op. De inzet van de Taskforce is om partners zelfstandig sterker te maken door het ontwikkelen van werkwijzen, gereedschappen en een vakgemeenschap, die zorgt voor een gedeeld kader. Ook wordt gekeken naar het inrichten van een kennisplatform dat professionals en bestuurders onder meer ondersteuning biedt bij het oplossen van knelpunten. De Taskforce blijft de komende twee jaar concrete casuïstiek samen met de partners ontrafelen. Wanneer er wel tegen knelpunten in de wet- en regelgeving wordt aangelopen bekijken we samen met partners hoe die kunnen worden geadresseerd.
Bent u bekend met jumpen, de nieuwe trend onder jongeren waarbij willekeurige jongeren in een groepschat worden aangewezen, om vanuit het niets klappen te krijgen, wat vervolgens wordt gefilmd en gedeeld via Snapchat?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het delen van geweld via sociale media een groot probleem is dat we moeten aanpakken?
Het delen van geweldsbeelden, zoals beelden van jumpen of vernedervideo’s, via sociale media kan een grote impact hebben op (het) slachtoffer(s). Wij zijn het met uw Kamer eens dat dit een probleem is dat aangepakt moet worden. Op dit moment wordt er gewerkt aan een aanpak op online en hybride geweld, waar het delen van dit soort online geweldsbeelden een onderdeel van zal uitmaken.
Bent u bereid om met Snapchat in gesprek te gaan over wat Snapchat zelf kan doen nu dit platform een bron van criminaliteit blijkt waar het gemakkelijk is om jongeren te ronselen voor criminele klusjes en nu Snapchat een platform biedt aan schadelijke trends zoals «jumpen» waarbij jongeren uit het niets worden aangewezen, mishandeld en gefilmd?
Voor Snapchat gelden zorgvuldigheidsverplichtingen en verantwoordelijkheden die de Digital Services Act (DSA) oplegt. De DSA verplicht onder meer dat online platforms illegale content verwijderen of ontoegankelijk maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Daarnaast verplicht artikel 28 DSA tot passende en evenredige maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. Omdat Snapchat onder de DSA als zeer groot online platform (Very Large Online Platform – VLOP) is aangewezen, gelden aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen. Zo dienen op grond van artikel 34 systeemrisico’s in kaart te worden gebracht en op grond van artikel 35 risicobeperkende maatregelen te worden genomen.
Op basis van vermoedens over risico’s voor minderjarigen, waaronder ronselen, en ontoereikende mechanismen om illegale content te melden, heeft de Europese Commissie, als toezichthouder op de VLOPs, op 26 maart een formeel onderzoek ingesteld. Afhankelijk van de uitkomsten kunnen hieruit handhavende maatregelen volgen.
Wij zoeken op het gebied van content moderatie de dialoog met platforms zoals Snapchat. In dit kader is vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid in 2023 het initiatief genomen voor de inrichting van een overlegplatform om als overheid en internetsector in gesprek te blijven over trends in contentproblematiek, uitdagingen uit de moderatiepraktijk, best practices en wet- en regelgeving. Dit is destijds vormgegeven in een publiek-private samenwerking (PPS) onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP).
Hoe verklaart u de toenemende normalisering van geweld onder jongeren?
De verdachtencijfers van het CBS laten over de afgelopen vijf jaar een stabiel niveau zien van het aantal minderjarige verdachten van geweldscriminaliteit, en een forse afname bij de jongvolwassenen.4 Daarbij geldt de kanttekening dat er lokale verschillen zijn en dat er dus ook lokaal sprake kan zijn van een toename van geweldscriminaliteit onder jongeren.
Van oudsher worden er diverse factoren onderscheiden die van invloed zijn op de geweldpleging, ook door jongeren. Individuele factoren kunnen daarbij een rol spelen, maar ook fysieke, maatschappelijke en sociale factoren. Normalisering van geweld impliceert dat geweldpleging in toenemende mate in de eigen sociale kring als geaccepteerd gedrag wordt beschouwd. Als er onder jongeren sprake is van een dergelijke normalisering, dan zal vooral een sociale factor als groepsdynamiek hierop van invloed zijn. De negatieve invloed van vrienden en kennissen kan erg groot zijn, vooral als ze een homogene groep vormen waarin geweldpleging een geaccepteerd verschijnsel is en onder groepsdruk aangemoedigd wordt. Recent zijn enkele rapporten verschenen waarin normalisering van geweld ook in verband wordt gebracht met de ruimere mogelijkheden van geweldverheerlijking online. Dit kan ook weer leiden tot een lagere drempel om in de fysieke wereld geweld te plegen.5
Ziet u een verband tussen gewelddadige games waar geweld kan worden «geoefend» en aanslagen kunnen worden nagespeeld en de normalisatie van geweld onder jongeren?
Er is geen eenduidig wetenschappelijk beeld over de impact van gewelddadige games op de ontwikkeling van gewelddadig gedrag. Een aantal (buitenlandse) studies toont aan dat er een correlatie is, maar dit wordt door andere onderzoeken weer ontkracht. Een recent Nederlands promotieonderzoek heeft vooral korte-termijneffecten waargenomen, waarbij jongeren die gewelddadige games spelen onder meer minder empathische reacties vertoonden. Voor de effecten op langere termijn is meer onderzoek nodig. Daarnaast wordt geconstateerd dat er grotere effecten zijn van andere gewelddadige sociale media inhoud, gerelateerd aan een minder accurate emotieherkenning en lagere empathische reacties bij het zien van anderen met pijn. 6 Er kunnen op basis van wetenschappelijk onderzoek vooralsnog geen harde uitspraken worden gedaan over het verband tussen gewelddadige games en de eventuele normalisatie van geweld onder jongeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over jeugdcriminaliteit op 23 april 2026?
Hier streven wij naar.
Het bericht dat werkgevers in de zorg twijfelachtige certificaten blijven accepteren bij zoektocht naar nieuw personeel |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De zorg blijft twijfelachtige certificaten accepteren bij zoektocht naar nieuw personeel»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat in de zorg nog steeds actief gezocht wordt naar potentiële werknemers met EVC-certificaten?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat er nog steeds actief wordt gezocht naar werknemers op basis van EVC-certificaten. De dringende oproep die ik samen met mijn collega bewindspersonen heb gedaan is gebaseerd op verschillende signalen en onderzoeken waaruit blijkt dat het huidige EVC-stelsel onvoldoende kwaliteitsborging kent en ruimte laat voor misbruik. Een EVC-certificaat biedt daarom op dit moment geen betrouwbare garantie voor de vereiste kennis en vaardigheden.
Hoe rijmt u de dringende oproep vanuit vier collega bewindspersonen om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten met het feit dat werkgevers in de zorg nog steeds actief zoeken naar kandidaten met deze certificaten?
Het kabinet begrijpt het belang van het erkennen van leer- en werkervaring in brede zin. Echter, in het geval van het erkennen van leer- en werkervaring op basis van EVC-certificaten is gebleken dat dit in de praktijk vaak een «papieren exercitie» is, waardoor de deur open wordt gezet voor fraude met deze certificaten. Dat is ook de aanleiding geweest voor onze dringende oproep om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten. Tegelijkertijd is het EVC-stelsel privaat en kunnen werkgevers er daarom voor kiezen om hier toch gebruik van te maken. Maar het accepteren van een EVC-certificaat neemt de verantwoordelijkheid van partijen niet weg om zelf te beoordelen of iemand bekwaam en bevoegd is. Werkgevers en onderwijsinstellingen blijven verantwoordelijk voor de inzet van deskundige medewerkers (in de zorg) en voor het verlenen van vrijstellingen. Dit is ook nadrukkelijk onderdeel van onze oproep geweest.
Wat vindt u ervan dat er hierdoor nog steeds personen zonder de vereiste kennis en ervaring toegang krijgen tot functies, opleidingen en voorzieningen waarvoor zij onvoldoende gekwalificeerd of bevoegd zijn?
Dat is zorgelijk. De geconstateerde fraudegevoeligheid in het EVC-stelsel maken dat EVC-certificaten geen betrouwbare weergave zijn van iemands competenties. Het is daarom onacceptabel dat personen hierdoor toegang krijgen tot functies of opleidingen waarvoor zij niet voldoende zijn gekwalificeerd. Dit onderstreept de noodzaak om gehoor te geven aan de oproep om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten en te kijken naar andere mogelijkheden om leer- en werkervaring te erkennen. Ik benadruk nogmaals, als werkgevers ervoor kiezen om gebruik te blijven maken van EVC-certificaten, dan ontslaat dat hen niet van de verantwoordelijkheid om zelf te beoordelen dat hun personeel bekwaam en bevoegd is. De verantwoordelijkheid om te borgen dat (potentiële) werknemers over de kennis en vaardigheden beschikken om het werk uit te voeren blijft bij de werkgever.
Wat vindt u ervan dat volgens Trouw voor onder andere vacatures voor pedagogisch hulpverlener (voor uithuisgeplaatste jongeren) en jeugdzorgwerker EVC-certificaten nog steeds worden gebruikt terwijl deze medewerkers juist met kwetsbare jongeren werken?
De kwaliteit en veiligheid van kwetsbare jongeren die jeugdhulp ontvangen moeten zo goed als mogelijk worden gewaarborgd. Als er nog werkgevers en jeugdhulpaanbieders zijn die professionals werven op een EVC-certificaat, zonder te controleren of deze echt bekwaam en bevoegd zijn, dan is dat zorgwekkend. Onze brief van februari 2026 over fraude met EVC-certificaten, is gebaseerd op onderzoeken van het Openbaar Ministerie, de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie van Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De dringende oproep om niet langer te vertrouwen op EVC-certificaten is gericht aan alle branches binnen de zorg, ook jeugdhulpaanbieders. Om de veiligheid, kwaliteit en integriteit van zorg te waarborgen is de inzet van werkgevers nodig en dienen zij zorgvuldig te beoordelen of iemand bekwaam en bevoegd is om zorg te verlenen.
Hoe verhoudt het feit dat er jeugdzorgwerkers worden gezocht met EVC-certificaten zich tot het voornemen van Jeugdzorg Nederland om niet langer gebruik te maken van EVC-certificaten? Welke status heeft dit voornemen van de brancheorganisatie?
Uit afstemming met Jeugdzorg Nederland blijkt dat niet zonder meer is vast te stellen of het de leden van Jeugdzorg Nederland zijn die nog professionals met EVC-certificaten zoeken. Het standpunt van Jeugdzorg Nederland is dat zolang de kwaliteit van EVC-certificaten niet betrouwbaar getoetst kan worden, men zeer terughoudend moet zijn in het aannemen/inzetten van mensen met EVC-certificaten. Jeugdzorg Nederland heeft haar leden opgeroepen kandidaten en hun dossiers met werkervaring en opleiding grondig te controleren. Jeugdzorg Nederland blijft dit standpunt onderstrepen. Dat standpunt komt overeen met strekking van de brief die in februari dit jaar door mij en mijn collega bewindspersonen is verzonden aan veldpartijen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat kwaadwillenden middels deze certificaten dus nog steeds de mogelijkheid hebben om kwetsbare jongeren te ronselen voor criminele activiteiten?
Ik deel de zorgen over fraude en de signalen over het ronselen van kwetsbare jongeren binnen de jeugdhulp. Jongeren moeten kunnen vertrouwen op de kwaliteit van jeugdzorg en de professionals die deze bieden. Het is onaanvaardbaar dat jongeren de dupe zijn van fraude met certificaten en niet de zorg krijgen die zij nodig hebben. Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren voor de Jeugdwet zullen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aangenomen professionals na te gaan. De problematiek van fraude en zware georganiseerde criminaliteit gaat helaas veel verder dan het zorgdomein en vraagt een brede integrale aanpak. Zo werk ik structureel samen met andere departementen, toezichthouders, gemeenten en opsporingsdiensten. Onderdeel daarvan is de brief van mij en mijn collega bewindspersonen van februari dit jaar, waarin veldpartijen wordt opgeroepen terughoudend te zijn met de inzet van professionals op basis van EVC-certificaten.
Wat vindt u ervan dat verschillende zorgopleidingen nog steeds reclame maken voor deze vorm van diplomering?
Onderwijsinstellingen zijn door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in een brief op 19 juni 2025 geïnformeerd over het misbruik met EVC-certificaten in de «onderwijsroute». Examencommissies zijn er met de brief extra op gewezen om alleen een vrijstelling te verlenen als boven alle twijfel verheven is dat iemand geheel voldoet aan de gestelde kwalificatie-eisen. Dit laat onverlet dat laagdrempelig om- en bijscholen mogelijk moet blijven. Onderwijsinstellingen blijven de ruimte houden om zelf betrouwbare valideringstrajecten in te zetten gericht op het (h)erkennen van relevante eerder opgedane leer- en werkervaring en het bieden van maatwerktrajecten aan zij-instromers die aansluiten op wat zij al kennen en kunnen. Ik blijf in nauw overleg met de Minister van OCW over waar dit goed gaat en waar niet, waar we indien nodig passende maatregelen treffen.
Hoe wilt u uitvoering geven aan het amendement-Synhaeve/Wendel aangaande EVC fraude?
Middels het amendement Synhaeve/Wendel trek ik in 2026 elk geval 200.000 euro uit voor het vervolgonderzoek naar onvolkomenheden in de onderliggende dossiers behorend bij EVC-certificaten van professionals in de jeugdhulp. Momenteel ben ik in gesprek met onder andere de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd om tot afspraken te komen over de inzet van deze middelen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat werknemers zich gemakkelijk kunnen bij- of omscholen op een manier waarop dat wel vertrouwd is, nu u heeft opgeroepen om geen EVC-certificaten meer te accepteren en we tegelijkertijd zien dat verschillende werkgevers dit nog wel doen vanwege krapte op de arbeidsmarkt?
Ik vind het lovenswaardig om te zien hoe veldpartijen, zoals Jeugdzorg Nederland, Actiz, VGN en de Nederlandse GGZ zich hebben verbonden om de fraude aan te pakken en alternatieven te bedenken voor het erkennen van werkervaring, vaardigheden of competenties. Hierbij vind ik het van belang dat een eventueel alternatief geen ruimte laat voor fraude. Erkenning van werkervaring, competenties of vaardigheden is zowel voor onze zorgverleners als ook voor de werkgevers belangrijk. Hierbij gaat het dan om status, doorgroeimogelijkheden, salaris en ook behoud van mensen voor zorg en welzijn.
Ik zal veldpartijen faciliteren bij het vinden van betrouwbare alternatieven, bijvoorbeeld door goede voorbeelden aan te reiken. In het kader van het Transformatieplan Limburg wordt bijvoorbeeld ingezet op «bekwaam is inzetbaar». Hierbij wordt uitgegaan van skillsgerichte inzet en verschuift de focus van diploma-eis naar beheersing van de vaardigheden voor de taken waarvoor men wordt ingezet. De gemeente Nijmegen heeft in het aanbestedingsproces de diploma-eis losgelaten en zij hebben hiermee positieve resultaten voor wat betreft inzet en beschikbaarheid geboekt. In plaats van de diploma-eis is gekeken wat wettelijk vereist is en is de verantwoordelijkheid voor goede kwaliteit bij de opdrachtnemer gelegd. Die kan hierdoor taken toebedelen op basis van vakbekwaamheid in combinatie met de aard en zwaarte van de hulpvraag. De gemeente Nijmegen is nu een traject gestart om dit ook bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten onder de aandacht te brengen, met het doel dit verder uit te rollen. Ook heeft de overheid, met de landelijk beschikbare skillstaal Competent NL een mooi instrument ontwikkeld dat partijen op de arbeidsmarkt kan helpen om vak- en kennisvaardigheden eerder te herkennen. Onder leiding van VNO-NCW/MKB wordt daarnaast door sociale partners gewerkt aan afspraken over het valideren van skills. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt hiervan op de hoogte gehouden. Zoals ook door mijn voorgangers toegezegd zal ik in nauw contact blijven met het veld en meedenken met alternatieven.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Wereldeconomie op de rand van afgrond door blokkade Hormuz: bijna 9 miljoen vaten per dag te weinig' |
|
Bart Bikkers (VVD), Alisha Müller (VVD) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht en hoe beoordeelt u de geschetste situatie?1
Ja
Het kabinet deelt de zorgen met betrekking tot de economische gevolgen van de verstoringen in wereldwijde energiestromen. De internationale oliemarkt staat als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten onder grote druk. De verstoring van de doorvoer via de Straat van Hormuz heeft directe gevolgen voor de beschikbaarheid en prijsvorming van ruwe olie en olieproducten. Tegen deze achtergrond heeft het kabinet besloten op te schalen naar fase 1 («alertering») van het Landelijk Crisisplan Olie. Deze fase stelt het kabinet in staat om de situatie intensiever te volgen en tijdig voorbereid te zijn op een mogelijke verdere verslechtering. De situatie wordt constant en nauwlettend gemonitord en we blijven in contact met marktpartijen, het Internationaal Energie Agentschap, de Europese Commissie en andere lidstaten voor afstemming.
Met welke concrete scenario’s houdt het kabinet momenteel rekening, aangezien het kabinet werkt aan scenario’s en maatregelen in het kader van een mogelijke energiecrisis?
Het kabinet bereidt zich goed voor, getuige de scenario's zoals geschetst in de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok.2 Deze variëren van een situatie met beperkte impact tot een scenario met ernstige verstoringen en fysieke tekorten van olie en gas.
De scenario's geven inzicht in de mogelijke gevolgen voor het energieaanbod, de economie en voor huishoudens en bedrijven en zijn gebaseerd op analyses van het Internationaal Energie Agentschap (IEA), De Nederlandsche Bank (DNB), het Centraal Planbureau (CPB), de Europese Centrale Bank (ECB), de OESO en het IMF.
Het kabinet bereidt zich voor op alle scenario's, onder andere door breed maatregelen te inventariseren en uit te werken om bedrijven en huishoudens te ondersteunen en neemt hiervoor signalen uit de samenleving en uit het bedrijfsleven mee.
Deelt u de zorg van verschillende energie experts dat Nederland en Europa mogelijk op korte termijn (april/mei) met fysieke tekorten aan diesel en kerosine te maken kunnen krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet begrijpt de zorgen van energie-experts en houdt rekening met mogelijke verstoringen en de economische gevolgen daarvan. Op dit moment voorzien we, ondanks de verstoring, nog geen acuut probleem voor de leveringszekerheid van olie of olieproducten. Maar, hoe langer het conflict duurt en hoe meer energie-infrastructuur beschadigd raakt, hoe groter de impact op de prijzen en de leveringszekerheid.
Ter context, de EU is voor circa 23% van haar kerosinegebruik afhankelijk van import. Ongeveer 77% wordt gemaakt in raffinaderijen binnen de EU. Zolang voldoende ruwe olie beschikbaar blijft, kunnen raffinaderijen in de EU op gebruikelijk niveau blijven produceren. Daarnaast beschikken Nederland en andere EU-lidstaten over strategische olievoorraden. Dit dempt het onmiddellijke effect, maar is op de middellange termijn een zorg.
Bovendien is de oliemarkt mondiaal en kunnen de prijsverschillen de handel naar, maar ook uit de EU stimuleren.
Hoe bereidt u zich voor op mogelijke fysieke tekorten aan diesel en kerosine? Worden er mitigerende maatregelen bedacht voor verschillende sectoren?
Nederland en Europa beschikken over relatief grote strategische olievoorraden. Bij een gelijkblijvende verstoring van de aanvoer kunnen we met deze voorraden nog maanden vooruit. In het kader van de collectieve actie, aangekondigd door het Internationaal Energie Agentschap op 11 maart, bereidt Nederland zich voor op de inzet van een deel van deze voorraden.
Tegelijkertijd bereidt het kabinet zich voor op verschillende scenario's, inclusief situaties met dreigende schaarste of tekorten. Voor een specifieke crisis op het gebied van schaarste van olie en/of olieproducten ligt het Landelijk Crisisplan Olie (LCP-O)3 klaar. Dit plan is onderdeel van de nationale crisisbeheersingsstructuur en vastgesteld door de Tweede Kamer.4 In dit plan zijn maatregelen per escalatiefase uitgewerkt, waarbij alle relevante publieke en private actoren worden betrokken. Momenteel bevindt Nederland zich in fase 1 (alertering), waarmee de voorbereiding en coördinatie worden geïntensiveerd. Bij verdere verslechtering van de situatie kan worden opgeschaald naar fase 2 (vroegtijdige waarschuwing), fase 3 (alarmering) en uiteindelijk fase 4 (afkondiging van een oliecrisis of noodsituatie).
In de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok is een inventarisatie van mogelijke maatregelen voor een energieschok gedaan. In bijlage 2 van die brief is uiteengezet wat de sectorale doorwerking van de energieschok is.
Welke maatregelen kunt u treffen om de leveringszekerheid van diesel en kerosine te vergroten? Kan de aanvoer hiervan via alternatieve routes of bronnen worden vergroot?
Alternatieve routes of bronnen voor kerosine en diesel zijn op dit moment beperkt. Het aanbod van kerosine in de twee regio's waarvan Europa afhankelijk is, het Midden-Oosten en Azië, is op dit moment verstoord. Hetzelfde geldt, in mindere mate, voor diesel, waarvan het aanbod voor Europa gedeeltelijk verstoord is. De hogere prijzen in Europa trekken wel kerosinevolumes aan ten koste van Azië, maar dit is beperkt. Dieselvolumes worden in grotere mate uit de VS en Azië gehaald in plaats van het Midden-Oosten.
Met de opschaling naar fase 1 van het LCP-O onderstreept het kabinet dat het de ernst van de ontwikkelingen onderkent en zich voorbereidt op mogelijke verdere verstoringen. Op dit moment is er geen sprake van acute tekorten of directe ingrepen in de markt. Het kabinet monitort de ontwikkelingen continu en is voorbereid om, als de situatie daartoe aanleiding geeft, tijdig over te gaan tot verdere opschaling van het crisisniveau.
Wat zouden de economische gevolgen zijn van dergelijke tekorten, in het bijzonder voor de Nederlandse economie en voor de transport- en luchtvaartsector (zowel civiel als militair)?
In de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok is uiteengezet wat de economische gevolgen zijn van alle mogelijke scenario's van de energieschok voor de Nederlandse economie, maar ook voor specifiek de transport- en luchtvaartsector5.
Is er een mogelijkheid voor Nederlandse raffinaderijen om hun productie van kerosine te vergroten?
Momenteel draaien de raffinaderijen op gebruikelijk niveau. Er is aangegeven dat er tot eind juni geen tekort aan ruwe olie wordt verwacht om kerosine te maken. Raffinaderijen zullen altijd een mix maken van olieproducten en zullen niet overgaan op het produceren van slechts één product. Ongeveer 10% van de productie in Nederlandse raffinaderijen is kerosine. Als de prijsprikkels zodanig zijn dat het loont om meer kerosine te produceren dan zullen raffinaderijen daarvoor optimaliseren, maar dat is in de praktijk beperkt. Daarbij moet wel gezegd worden dat de flexibiliteit van raffinaderijen om van product te wijzigen naar schatting enkele procenten is, wat zou betekenen dat productie van kerosine in Nederlandse raffinaderijen zou kunnen stijgen met enkele procenten. Daarnaast is de ruimte voor optimaliseren zeer afhankelijk van de opzet van de raffinaderij en het type ruwe olie dat beschikbaar is; lichtere ruwe olie geeft bijvoorbeeld meer kerosine dan zwaardere ruwe olie.
Energieschaarste |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Nederland grootste exporteur van diesel en kerosine – Schaarste «niet aan de orde»»1 en «Olieschaarste gaat pijn doen – Analisten waarschuwen: grote tekorten»?2
Ja.
Hoe kan het dat ambtenaren in een technische briefing3 de Kamer hebben verteld dat energieschaarste nog lang niet aan de orde is, maar dat twee dagen later energie-experts waarschuwen voor grote tekorten? Wie hebben gelijk?
Tijdens de technische briefing is een feitelijke en objectieve toelichting gegeven op de oliemarkt en de olie-leveringszekerheid. Hierbij is aangegeven dat de aanvoer van kerosine naar Europa verstoord is en dat de aanvoer van diesel gedeeltelijk verstoord is.
Het kabinet houdt rekening met alle mogelijke scenario's, ook met scenario's van dreigende schaarste of tekorten. Deze zijn uiteengezet in de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok die aan de Kamer is gestuurd.4
Klopt het dat er volgens de ambtenaren in Nederland geen tekorten aan diesel en kerosine zullen ontstaan, omdat (1) Nederlandse raffinaderijen een overschot produceren, (2) Nederland de grootste netto-exporteur is en (3) de olie-import en -voorraden op orde zijn?
Tijdens de technische briefing is een feitelijke toelichting gegeven op de Nederlandse raffinagesector en de omvang van de strategische voorraden. Er is aangegeven dat er geen acute fysieke tekorten zijn, niet dat er nooit tekorten kunnen ontstaan.
De EU is voor circa 23% van haar kerosinegebruik afhankelijk van import. Ongeveer 77% wordt gemaakt in raffinaderijen binnen de EU. Zolang er voldoende ruwe olie beschikbaar blijft kunnen raffinaderijen in de EU op gebruikelijk niveau blijven produceren. Daarnaast beschikken Nederland en andere EU-lidstaten over strategische olievoorraden.
Deze combinatie van Europese productie en strategische voorraden maakt dat bij een gelijkblijvende verstoring van de aanvoer nog geruime tijd in de vraag kan worden voorzien. Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat de oliemarkt mondiaal is en dat prijsverschillen de handel naar, maar ook uit de EU kunnen stimuleren. De termijn van een Europese kerosinevoorraad van vijf maanden kan korter worden wanneer de Europese voorraden beperkt worden ingezet of wanneer marktpartijen de op de markt gezette strategische voorraden opkopen en verschepen naar andere delen van de wereld. Ook als Europese raffinaderijen minder ruwe aardolie beschikbaar hebben, of om andere redenen hun productie verlagen, neemt de aanbodverstoring toe.
Hoe valt dat te rijmen met de uitspraken van energie-expert Van den Beukel van «The Hague Centre for Strategic Studies»: «Wij maken heel veel olieproducten in onze raffinaderijen hier in Rotterdam. Dat maakt het probleem voor Nederland wellicht ietsjes minder. Maar de diesel of kerosine of het plasticproduct dat uit zo’n raffinaderij komt, gaat uiteindelijk naar de hoogste bieder. Dat kan Nederland zijn, maar niet noodzakelijk»?
De toelichting tijdens de technische briefing sluit aan bij de in de vraag geciteerde uitspraak van de heer Van den Beukel. Nederland beschikt over een sterke raffinagesector en produceert veel olieproducten, wat de positie van Nederland relatief gunstig maakt.
Tegelijkertijd opereren raffinaderijen op volle capaciteit binnen een open en transparante, internationale markt waarin een olieproduct vrijelijk kan worden verplaatst naar waar de vraag en prijs het hoogst zijn. Dit betekent dat productie in Nederland niet automatisch leidt tot beschikbaarheid voor de Nederlandse markt.
Hoe reageert u op de uitspraak van energie-expert Van Geuns van kennisinstituut «The Hague Centre for Strategic Studies» die de woorden van de ambtenaren als volgt kwalificeert: «Heel bijzonder. Het klinkt als: ga maar slapen, we hebben het goed. Maar Nederland is geen eiland»?
Het kabinet herkent zich niet in de geschetste kwalificatie en bereidt zich voor op alle scenario's, zoals ook blijkt uit de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok.5 Daarbij is een bandbreedte gehanteerd van beperktere impact tot zeer zware impact op de wereld- en de Nederlandse economie. Kort samengevat wordt de impact op het energieaanbod, de economie en op huishoudens en bedrijven uiteengezet. De scenario's geven de gemene deler van publicaties van onder andere het Internationaal Energie Agentschap (IEA), De Nederlandsche Bank (DNB), het Centraal Planbureau (CPB), de Europese Centrale Bank (ECB), de OESO en het IMF.
Het kabinet bereidt zich voor op alle scenario's, onder andere door breed maatregelen te inventariseren en uit te werken om bedrijven en huishoudens te ondersteunen en neemt hiervoor signalen uit de samenleving en het bedrijfsleven mee.
Kunt u deze vragen nog deze week beantwoorden?
Voor beantwoording van deze vragen is de gebruikelijke termijn van drie weken aangehouden.
Het vaststellen van de leeftijd van asielzoekers |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zo bepaalt Nederland de leeftijd van asielzoekers» in NRC?1
Kunt u bevestigen dat de zogeheten «schouw» waarbij ambtenaren op basis van uiterlijke kenmerken zoals baardgroei, adamsappel en zithouding de leeftijd van asielzoekers trachten vast te stellen, in de praktijk leidt tot tegenstrijdige conclusies over dezelfde persoon?
Hoeveel van de circa vierduizend alleenstaande minderjarige vreemdelingen die zich jaarlijks melden, beschikken over geen enkel identiteitsdocument en in hoeveel gevallen wordt de opgegeven leeftijd simpelweg overgenomen zonder enige objectieve verificatie?
Kunt u uiteenzetten waarom het röntgenonderzoek van het NFI (Nederlands Forensisch Instituut) – de enige beschikbare methode met enige medisch-wetenschappelijke grondslag – slechts in een fractie van de gevallen wordt ingezet (142 keer in 2023, 157 in 2024, 42 in 2025), terwijl er jaarlijks duizenden ongedocumenteerde asielzoekers binnenkomen die beweren minderjarig te zijn?
Deelt u de mening dat het argument van «stralingsbelasting» als reden om röntgenonderzoek te beperken niet in verhouding staat tot de enorme financiële en maatschappelijke consequenties van het ten onrechte toekennen van een minderjarigenstatus, waaronder het recht op gezinshereniging en bescherming tegen uitzetting?
Welke consequenties verbindt u aan het feit dat asielzoekers zich in Italië en Griekenland bewust als meerderjarig laten registreren om sneller te kunnen doorreizen naar Noord-Europa, om zich vervolgens in Nederland als minderjarig te presenteren?
Bent u bereid röntgenonderzoek of een andere objectieve, medische leeftijdsbepaling verplicht te stellen voor iedere asielzoeker die zich zonder identiteitsdocumenten als minderjarige meldt?
Indien het antwoord op vraag zeven ontkennend luidt, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel de Nederlandse staat de afgelopen drie jaar heeft uitgegeven aan opvang, voogdij, rechtsbijstand en procedures voor personen die zich als alleenstaande minderjarige vreemdeling hebben aangemeld maar achteraf meerderjarig bleken te zijn?
Indien de kosten volgens vraag negen niet worden bijgehouden, bent u bereid dit voortaan te registreren?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Deelt u de mening dat het huidige systeem van leeftijdsbepaling een perverse prikkel vormt voor asielzoekers om over hun leeftijd te liegen en dat Nederland hierdoor fungeert als trekpleister voor oneigenlijk gebruik van de minderjarigenregeling?
Indien het antwoord op vraag 12 ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid de gehele systematiek van leeftijdsbepaling fundamenteel te herzien en daarbij het uitgangspunt te hanteren dat wie zijn identiteit en leeftijd niet kan aantonen, als meerderjarige wordt behandeld?
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
Heeft u kennisgenomen van het bericht waaruit blijkt dat dieren structureel en ernstig lijden op erkende verzamelplaatsen waar (een deel van de) dieren uit de veehouderij naartoe worden gebracht voordat zij worden afgevoerd naar het slachthuis?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat jaarlijks meer dan 10.000 dieren op verzamelcentra dood worden aangetroffen, omdat zij aan hun verwondingen zijn overleden of worden gedood omdat ze te ziek, te zwak of gewond zijn om verder te mogen worden vervoerd?
Ja, dat kan ik bevestigen. Over de achtergrond van de cijfers zijn geen gegevens beschikbaar. Daarom doet de NVWA in 2026 onderzoek naar de achtergrond van deze cijfers, zoals de betrokken vervoerders en de herkomst van (een deel) van deze dieren.
Runderen
1.996
2.370
1.159
Varkens
13.572
13.625
9.754
Schapen
380
407
300
Geiten
331
311
272
Heeft u de beelden gezien van de staat waarin dieren die via verzamelplaatsen zijn getransporteerd in het slachthuis worden aangetroffen? Heeft u gezien dat deze dieren kampen met ernstige kreupelheid, ziektes, open wonden, graatmager zijn of zelfs lichaamsdelen missen?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat deze dieren dringend medische zorg nodig hadden, maar dat zij in plaats daarvan op transport zijn gezet naar het slachthuis, omdat ze dan nog geld opleveren?
Ik kan bevestigen dat de dieren op de beelden niet geschikt voor het voorgenomen transport waren en niet naar het slachthuis vervoerd hadden mogen worden. De NVWA heeft daar ook boetes voor opgelegd. Op het moment dat de beelden genomen zijn, hadden de meeste dieren dringend medische zorg nodig.
Wat vindt u van dit alles?
De beelden vind ik verschrikkelijk en gaan me aan het hart. Dieren die ongeschikt zijn om te vervoeren, mogen niet worden aangeboden voor transport en dus ook niet vervoerd worden. Slachthuizen, transporteurs, handelaren, houders van verzamelcentra en veehouders zijn verplicht om te allen tijde met zorg voor het welzijn om te gaan met levende dieren. Ik verwacht ook dat men binnen de sector elkaar hier op aanspreekt.
Hoe kan het volgens u dat dieren, nadat zij een aantal maanden of jaren in de huidige veehouderij hebben moeten doorbrengen, er zo erbarmelijk aan toe zijn?
Een veehouderijsysteem zorgt op zichzelf niet voor een slecht dierenwelzijn. Dieren kunnen op primaire bedrijven kreupelheid ontwikkelen of anderszins ziek worden en zij dienen daarvoor behandeld te worden. Daar waar specifieke aandoeningen (bedrijfsgebonden dierziekten) met regelmaat voorkomen is het van belang dat de sector hier aandacht voor heeft. Houders horen in overleg met bijvoorbeeld de dierenarts, klimaatadviseur, voerleverancier bezien welke aanpassingen op het bedrijf moeten worden doorgevoerd om dit te voorkomen. Voordat dieren op transport gaan, beoordeelt een houder of een dier dat behandeld is, in verband met kreupelheid of ziekte, voldoende hersteld is. Ook moet worden bekeken of de wachttijd van toegediende medicatie is verstreken en of transporteren verantwoord is voor het dier. De houder kan zich voor deze beoordeling ook laten bijstaan door de dierenarts.
Deelt u de conclusie dat dit soort verwondingen doorgaans niet op één dag ontstaan, maar het gevolg zijn van een (stal)systeem waarin dieren structureel worden gefokt en gehouden in dieronwaardige, ongezonde en onnatuurlijke omstandigheden?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Heeft u kennisgenomen van de eerdere beelden van vijf verschillende erkende verzamelplaatsen, waarop te zien was dat op alle locaties is waargenomen dat koeien en kalfjes worden geslagen en geschopt, ook wanneer zij ziek en kreupel waren (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1010)?
Ja
Onderschrijft u dat dit niet kan worden afgedaan als een incident?
De beelden tonen herhaaldelijke overtredingen op vijf verzamelplaatsen, binnen een korte tijd. Dat kan inderdaad niet worden afgedaan als een incident. Tegelijkertijd kan ik op basis van deze vijf verzamelplaatsen ook niet alle verzamelplaatsen over één kam scheren. Iedere verzamelplaats moet beoordeeld worden op hetgeen daar daadwerkelijk plaatsvindt. En zoals ik al eerder aangaf zijn de beelden van de verzamelcentra waarop dieren worden geslagen en geschopt schokkend. Op deze manier mag nooit met dieren worden omgegaanl.
Onderschrijft u de uitspraak van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) dat we te maken hebben met een sector (veeverzamelplaatsen) die «structureel de wet niet naleeft en steeds de ruimte opzoekt»? Zo nee, waarom niet?3
De gepubliceerde beelden gemaakt op de vijf verzamelcentra, geven inderdaad het beeld dat we te maken hebben met een sector (veeverzamelplaatsen) die structureel de wet niet naleeft. En als de toezichthouder dit dan ook nog concludeert, dan denk ik dat we te maken hebben met een deel van de sector dat steeds de ruimte opzoekt. Deze verzamelcentra beïnvloeden op negatieve wijze het beeld van de gehele sector. Het is wat mij betreft aan de gehele sector hierop te reflecteren en te laten zien dat dergelijke situaties onwenselijk zijn en dat dit verbeterd kan worden. Ik roep de sector dan ook op om stevige zelfreflectie toe te passen en te werken aan een zelfreinigend vermogen. Daarnaast ben ik voornemens om het beleid aan te scherpen, zoals het verhogen van boetes en het inzetten van cameratoezicht als tijdelijke maatregel. Hierover heb ik de Kamer op 16 april jl. geïnformeerd (Kamerstuk 2026Z08019).
Hoe verklaart u dat uit de inspectierapporten blijkt dat sommige handelaren tientallen keren worden betrapt op het overtreden van de regels, maar gewoon door kunnen gaan?
Via verschillende maatregelen wordt ingezet op duurzame gedragsverandering. Uit de openbaar gemaakte informatie blijkt dat de NVWA na het constateren van overtredingen waarschuwingen geeft, boetes oplegt en deze boetes ook verhoogt. Het overtreden van de regels blijft niet zonder gevolgen. De NVWA heeft de afgelopen jaren bij slachthuizen, verzamelcentra en vervoerders verscherpt toezicht (VeTo) toegepast. Bij de constatering van zware overtredingen en bij een niet-naleving door notoire overtreders worden passende maatregelen opgelegd, zoals bijvoorbeeld het schorsen van een erkenning). De «one strike out»- en de «three strikes out» aanpak is hier onderdeel van.
Mijn inzet is om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waar een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt, van het primaire bedrijf, tijdens transport tot in het slachthuis. Hoe ik dat wil doen, heb ik uiteengezet in mijn brief aan de Tweede Kamer over de weg «Naar een beter dierenwelzijn in de veehouderij» van 16 april (Kamerstuk 2026Z08019).
Hoe verklaart u dat een verzamelplaats die onder verscherpt toezicht staat opnieuw ernstige overtredingen kan begaan, zonder consequenties?
Verzamelcentra die onder verscherpt toezicht staan, worden extra gecontroleerd gedurende een passende periode. Wanneer tijdens die periode wederom overtredingen worden geconstateerd, kunnen vergaande maatregelen worden genomen, waaronder schorsing of intrekking van de erkenning. Wanneer tijdens die periode geen overtredingen worden waargenomen, wordt het VeTo opgeheven. Daarna kan VeTo opnieuw toegepast worden volgens de procedure. Zie ook mijn antwoord op vraag 11.
Kunt u bevestigen dat de NVWA sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing de bevoegdheid heeft om bedrijven (permanent) te sluiten wanneer het welzijn van dieren in gevaar is (artikel 5.12 van de Wet dieren)? Kunt u aangeven waarom dit in gevallen zoals die genoemd in het artikel niet gebeurt?
De NVWA heeft sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing de bevoegdheid om bedrijven in het kader van bestuursrecht tijdelijk te sluiten wanneer het welzijn van de dieren in gevaar is. Permanent sluiten kan niet. In zijn algemeenheid gebruikt de NVWA de bevoegdheid om bedrijven tijdelijk te sluiten voornamelijk bij primaire bedrijven, omdat daar geen vergunning of erkenning is om te schorsen of in te trekken. Bij verzamelcentra wordt veelal gebruikt gemaakt van de bevoegdheid om op grond van de Wet Dieren een erkenning te schorsen of in te trekken.Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect.
Hoe vaak is het houdverbod de afgelopen twee jaar opgelegd, hoe vaak sinds de intrinsieke waarde van het dier is vastgelegd in de Wet dieren in 2013 en hoe vaak werd dit gedaan per categorie bedrijf (in de veehouderij, het veetransport, slachterij of op een veeverzamelplaats) als gevolg van geconstateerde dierenmishandeling? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal veroordelingen voor ernstige dierenmishandeling?
Door de rechtbank is het zelfstandig houdverbod in 2024 in (afgerond) 35 zaken als maatregel opgelegd, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. En in 2025 in (afgerond) 75 zaken, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. In het eerste kwartaal van 2026 is een houdverbod in 25 zaken als maatregel opgelegd: er is geen levenslang houdverbod opgelegd. Een uitsplitsing naar sector is in de voor de Rechtspraak beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken.
Voor 2024 was een houdverbod vaak als «onzelfstandige» maatregel gekoppeld aan een voorwaardelijke straf. In de voor de Rechtspraak beschikbare informatie managementsystemen kan hierop niet gefilterd worden. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.
Wordt het houdverbod ook voorwaardelijk opgelegd? Zo ja, hoe vaak en hoe vaak specifiek in de veehouderij?
Het houdverbod is als maatregel vanaf 1 januari 2024 t/m 31 maart 2026 door de rechtbank in minder dan 10 zaken voorwaardelijk opgelegd. Een uitsplitsing specifiek naar veehouderij is in de beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.
Valt er iets te zeggen over de afwegingen bij het wel of niet opleggen van houdverboden in de veehouderij?
Bij het opleggen van houdverboden in de veehouderij zijn er een aantal afwegingen die een rechter meeneemt in zijn of haar oordeel. Zo wordt de ernst, duur en karakter van de geconstateerde dierenmishandeling of -verwaarlozing gewogen en kan ook de kans op recidive meewegen in de beslissing om een houdverbod op te leggen. Dit is echter altijd aan de rechter om te bepalen.
Hoe vaak is er de afgelopen twee jaar sprake geweest van een (tijdelijke) stillegging van bedrijven in de veehouderij, het veetransport, slachterij of op veeverzamelplaatsen als gevolg van geconstateerde dierenmishandeling? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal geconstateerde mishandelingen? Kunt u een uitsplitsing maken per categorie bedrijf?
Afgelopen jaren is 5 keer op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder a, van de Wet dieren de bestuursrechtelijke maatregel opgelegd tot gehele of gedeeltelijke sluiting van een bedrijf (primair bedrijf). De maatregel is in die gevallen opgelegd vanwege verschillende overtredingen op het gebied van zowel dierenwelzijn als diergezondheid. Het is goed om hierbij te benoemen dat op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder b, van de Wet dieren ook mogelijk is om een erkenning te schorsen of in te trekken. Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect bij bedrijven die een erkenning nodig hebben (zoals slachthuizen en erkende verzamelcentra). Deze maatregel, en dan met name de schorsing van de erkenning, is een modaliteit die met regelmaat wordt ingezet. Vanaf 2024 tot heden is 3 keer de erkenning van een slachthuis geschorst en is één keer de vergunning van een vervoerder geschorst.
Deze bestuursrechtelijke maatregelen worden overigens niet opgelegd voor overtreding van artikel 2.1 van de Wet dieren (dierenmishandeling). Indien sprake is van dierenmishandeling, dan wordt overgegaan op het strafrecht. Onlangs hebben medewerkers van een verzamelcentrum taakstraffen opgelegd gekregen voor het mishandelen van een koe.
Welke andere sancties zijn er opgelegd als gevolg van dierenmishandeling, die specifiek zijn gericht op het voorkomen van recidive? Welke sancties zijn daarbij specifiek gebruikt in het veetransport en op veeverzamelplaatsen, waar houdverboden vaak niet aan de orde zijn? Kunt u deze sancties kwantificeren?
Voor bijvoorbeeld het vervoeren van een rund dat niet geschikt is voor vervoer, wordt niet altijd artikel 2.1 van de Wet dieren ten laste gelegd. Ook het bestuursrecht biedt grondslagen om op te treden tegen overtredingen die worden geconstateerd rondom transport van dieren of verzamelplaatsen. Sancties hiervoor zoals het schorsen en intrekken van een erkenning of vergunning is ook gericht op het voorkomen van recidive. Vanaf 2023 heeft de NVWA vijfmaal de erkenning van een slachthuis geschorst en eenmaal ingetrokken. Ook is twee maal de erkenning van een verzamelcentrum geschorst en eenmaal ingetrokken.
Bij vervoerders is twee keer een last onder dwangsom opgelegd, twee keer een waarschuwing tot intrekken van het getuigschrift vakbekwaamheid verzonden en één keer een vervoersvergunning geschorst.
Op dit moment staan vijf verzamelcentra waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, onder verscherpt toezicht. Onderdeel van het verbeterplan dat deze verzamelcentra moesten opstellen, is de vrijwillige plaatsing van camera’s door de bedrijven.
Wordt er, na een veroordeling voor dierenmishandeling in de veehouderij, veetransport, slachterij of op veeverzamelplaatsen standaard verscherpt toezicht door de NVWA ingesteld? Zo nee, wanneer gebeurt dit wel/niet?
Een primair bedrijf komt onder verscherpt toezicht wanneer voor het bedrijf in de afgelopen twee jaar bij vier afzonderlijke controles een rapport van bevindingen of proces verbaal is opgemaakt voor geconstateerde overtredingen. Een bedrijf kan direct onder verscherpt toezicht worden gesteld wanneer er veel en/of structurele problemen of één zeer ernstige tekortkoming op dierenwelzijn geconstateerd wordt tijdens een inspectie.
Vervoerders komen onder verscherpt toezicht wanneer een vervoerder in de afgelopen twee jaar vier ernstige overtredingen met betrekking tot dierenwelzijn heeft begaan. Slachthuizen komen direct onder verscherpt toezicht bij een zeer ernstige overtreding van het dierenwelzijn. Bij minder ernstige overtredingen zijn andere criteria van toepassing. Verzamelcentra komen onder verscherpt toezicht wanneer voor een verzamelcentrum in de afgelopen 24 maanden meer dan drie rapporten van bevindingen of processen verbaal opgemaakt zijn voor geconstateerde overtredingen.
Maatregelen die genomen kunnen worden zijn: verscherpt toezicht, sancties vanuit bestuursrecht en/of strafrecht (boete, last onder dwangsom, taakstraf, (voorwaardelijke) gevangenisstraf) en het schorsen of intrekken van een vergunning of erkenning. Bij zeer ernstige overtredingen kan ook direct overgegaan worden tot schorsen van een vergunning of erkenning. Dit wordt per geval bekeken.
Is het gebruikelijk dat, in gevallen, zoals in het NRC wordt genoemd, waarin sprake is van dierenmishandeling «met een sadistisch karakter», de werkzaamheden van de veroordeelden gewoon door kunnen gaan?4
In mijn antwoord op vraag 19 gaf ik aan dat bij zeer ernstige overtredingen ook direct kan worden overgegaan tot het schorsen van een erkenning. De NVWA heeft dat ook bij dit bewuste bedrijf overwogen. Uiteindelijk is bewust gekozen voor een andere aanpak, waarbij zowel via het strafrecht als het bestuursrecht gerichte maatregelen zijn genomen. Alle vijf bedrijven waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, heeft de NVWA onder verscherpt toezicht geplaatst. Deze verzamelcentra hebben allemaal een verbeterplan moeten opstellen waarmee zij de NVWA overtuigen hoe zij dierenwelzijn zullen borgen. Een concreet onderdeel van deze plannen is de vrijwillige plaatsing van camera’s door deze bedrijven, zodat verzamelcentra zelf controleren of iedereen op het verzamelcentrum zich aan het verbeterplan houdt. Tweewekelijks worden de beelden door NVWA-inspecteurs bekeken en gecontroleerd op overtredingen. Als overtredingen worden vastgesteld wordt handhavend opgetreden. Na 3 maanden wordt het verscherpt toezicht op basis van de resultaten beëindigd of verlengd.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat we sancties zo inrichten dat mensen die zich eerder schuldig hebben gemaakt aan dierenmishandeling niet de kans krijgen dit te herhalen?
Ja, die mening deel ik. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete.
Vindt u dat de huidige mogelijkheden om recidive bij dierenmishandeling in veeteelt, veetransport, slachterij en veeverzamelplaatsen te voorkomen (het houdverbod en andere maatregelen zoals stillegging en verscherpt toezicht) voldoende zijn en voldoende (kunnen) worden ingezet? Zo nee, welke extra stappen kunnen er worden gezet?
Ja.
Welke andere maatregelen gaat u treffen om te voorkomen dat handelaren blijven wegkomen met grove dierenwelzijnsovertredingen en ernstig dierenleed?
Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag 11, is mijn inzet om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waarin een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt. Ik ben van plan het wetsvoorstel verplicht cameratoezicht verder in procedure te brengen. Voor verzamelcentra is mijn voornemen om, in lijn met het advies van de AP, cameratoezicht als tijdelijke maatregel in te zetten na geconstateerde overtredingen. Daarmee kan verscherpt toezicht effectiever worden vormgegeven. Daarnaast verwacht ik van bedrijven dat zij de camerabeelden zelf benutten om het dierenwelzijn op hun bedrijf beter te borgen. De wet overtreden mag niet lonen en waar het dierenwelzijn ernstig in het gedrang is, moeten sancties afschrikwekkend genoeg zijn. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete. Om grove dierenwelzijnsovertredingen en ernstig dierenleed te voorkomen is, aanvullend op betere naleving vanuit de sector, ook slim en effectief toezicht nodig. Ik weet dat de NVWA daarop inzet. Voor de zomer informeer ik de Kamer over mijn visie op toezicht en handhaving (Kamerstuk 2026Z08019).
Onderschrijft u dat verzamelcentra een structureel probleem vormen voor dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
Het bijeenbrengen van dieren op verzamelcentra brengt verschillende risico’s voor het dierenwelzijn met zich mee. Dit onderkent ook de EFSA in de rapporten over de effecten van diertransport van 2022, en voor melkrunderen bestemd voor de slacht heeft Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek van de NVWA (bureau) deze risicofactoren verder in kaart gebracht. Dat deze risicofactoren er zijn, zegt nog niet dat er een structureel probleem voor het dierenwelzijn bestaat. Een goede beoordeling van dieren voorafgaand aan het transport om te beoordelen of zij het geplande transport kunnen doorstaan, is essentieel. Sinds 2021 hanteert de NVWA de Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer. Er zijn richtsnoeren voor varkens, paarden en volwassen runderen (Kamerstuk 28 286, nr. 1216). Deze richtsnoeren zijn opgesteld door een aantal NGO’s en Europese brancheorganisaties en bevatten criteria, op basis waarvan vastgesteld kan worden of een dier met een specifieke aandoening wel of niet geschikt is voor het voorgenomen transport. Het uniform beoordelingsprotocol voor melkvee waar op dit moment door de NVWA aan gewerkt wordt, is hier een verdere uitwerking op. Ook is – vanuit de sector – een gids voor goede praktijken in wording. Deze gids wordt nog beoordeeld door mijn departement en de NVWA en zal naar verwachting ook ondersteunend zijn bij de beoordeling van vervoersgeschiktheid van melkkoeien.
Onderschrijft u dat het huidige veehouderijsysteem ernstig en structureel lijden van dieren veroorzaakt dat ook met betere handhaving niet kan worden opgelost en dat daarom ook (fundamentele) verandering van het systeem zelf nodig is? Zo nee, waarom niet?
Zie ook mijn antwoord op vraag 6. Via het toezicht wordt risicogericht gecontroleerd of ondernemers zich aan wet- en regelgeving houden. En als overtredingen worden geconstateerd moeten maatregelen er voor zorgen dat de naleving en daarmee het dierenwelzijn wordt bevorderd. Zoals al eerder aangegeven is het aan de houders van dieren om het dierenwelzijn te allen tijden te borgen.
Kunt u bevestigen dat de Europese Transportverordening ruimte biedt voor lidstaten om strengere maatregelen te nemen ter verbetering van het welzijn van dieren voor binnenlands transport en slacht (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1010)?
De Europese Transportverordening biedt ruimte voor lidstaten om strengere eisen aan diertransport te stellen voor transporten die geheel op het eigen grondgebied plaatsvinden. Dit geldt dus alleen voor eisen aan diertransport en niet voor eisen aan slacht.
Bent u bereid om die ruimte te benutten en verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden in nationale wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bereid om die ruimte te benutten en verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden. Het verbieden van het gebruik van verzamelcentra voor nationaal transport lost niet het probleem van het vervoer van niet-transportwaardige dieren op. Door nationaal gebruik te verbieden, bewerkstellig ik ten eerste mogelijk dat dieren die normaal gesproken in Nederland zouden blijven, dan juist naar het buitenland getransporteerd worden en zo mogelijk nog langer onderweg zijn.
Een tweede mogelijk negatief neveneffect kan zijn dat een veehouder dieren die hij af wil voeren – bijvoorbeeld omdat ze minder productief geworden zijn om welke reden dan ook – op zal sparen. Tot er genoeg zijn om een (kleine) veewagen te vullen. Dieren blijven dan langer op de veehouderij, terwijl voor deze einde-carrière-dieren eerder afvoeren juist beter is. Een derde mogelijk negatief neveneffect is dat handelaren dan dieren vaker gaan verzamelen op de wagen – wat beperkt mogelijk is volgens Europese wet- en regelgeving – waardoor dieren ook mogelijk langer op de veewagen door moeten brengen dan wanneer ze via een verzamelcentrum naar de eindbestemming gaan. Een laatste mogelijkheid is dat dieren dan vaker verzameld worden op plaatsen waar dat niet is toegestaan en op deze manier aan het toezicht worden onttrokken.
Het is echt aan de bedrijven in de vleesketen zelf om te voorkomen dat niet transportwaardige dieren nog op transport gaan. Vervoerders moeten alleen dieren inladen die geschikt zijn voor transport en veehouders moeten ervoor zorgen dat zij dieren die niet transportwaardig zijn ook niet aanbieden voor transport. Dit laatste kan gedaan worden door tijdig te besluiten dat een dier het bedrijf moet verlaten, en als dit niet tijdig is voorzien, het dier op het bedrijf te laten euthanaseren.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het commissiedebat Dieren in de Veehouderij en de NVWA van 23 april?
Jazeker.
Het bericht ‘Waakhond fileert Haagse ontkenning: ’Hamas had wel degelijk vinger in de pap bij hulporganisaties’ |
|
Annelotte Lammers (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van NGO Monitor, «Analysis: How the Dutch Government is Evading Accountability for its Humanitarian Assistance Funding»?1, 2
Ja.
Welke maatregelen heeft het kabinet genomen, gelet op het jaarverslag van 2016 van het Palestinian Centre for Human Rights (PCHR), dat datzelfde jaar Nederlandse overheidsfinanciering ontving en waarin werd gesteld dat in Gaza «internationale organisaties werden lastiggevallen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken (Hamas)», organisaties «vaak concessies deden om hun werk te kunnen voortzetten», een «verbod gold op onderzoeksactiviteiten zonder toestemming van het ministerie» en dossiers «zonder wettelijke grondslag werden gecontroleerd», om te voorkomen dat door Nederland gefinancierde organisaties concessies doen aan Hamas of afhankelijk worden van goedkeuring door Hamas-ministeries?
Het kabinet heeft reeds aan uw Kamer toegelicht (Kamerstukken 2026Z03619 en 2026Z03619) dat besluiten om bepaalde organisaties te financieren altijd zorgvuldig worden genomen, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Deze assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Vraagstukken over due dilligence worden ook meegenomen in beoordelingsmemoranda, bijvoorbeeld in de risicoanalyse en intergriteitsbeoordeling. Het beoordelingsmemorandum kan niet worden geaccordeerd zonder een geldige ORIA. Daarnaast worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluaties en audits van activiteiten met Nederlandse steun. Als uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andersoortige malversaties, dan treedt het ministerie daartegenop. Organisaties waar Nederland mee samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van o.a. de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties.
Het kabinet heeft daarnaast vertrouwen in de neutraliteit en onafhankelijkheid van het werk van partnerorganisaties waar Nederland mee werkt. Dit zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke omstandigheden, zoals die als Gaza, waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Direct na 7 oktober 2023 heeft een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingssamenwerking voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen op orde zijn; deze processen moeten ervoor moeten zorgen dat geld niet (in)direct ten goede komt aan terroristische organisaties. Dat geldt ook voor de genoemde organisaties in het NGO Monitor rapport. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Bij elke subsidieaanvraag wordt er opnieuw op toegezien dat deze due diligence-processen (nog steeds) op orde zijn.
Kunt u gedetailleerd beschrijven welke due diligence-procedures momenteel gelden om te waarborgen dat door de Nederlandse overheid gefinancierde projecten en NGO’s niet, direct of indirect, worden misbruikt door terroristische organisaties?
Zie antwoord vraag 2.
Is het kabinet, gelet op het rapport van NGO Monitor waarin wordt gewezen op infiltratie van Hamas in het Ministerie van Sociale Ontwikkeling (MoSD) in Gaza, bereid toekomstige financiering, inclusief via aangepaste contractvoorwaarden, afhankelijk te maken van het uitsluiten van het MoSD uit de uitvoering van projecten, waaronder het verstrekken van begunstigdenlijsten voor financiële steun? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 2 en 3
Was het kabinet ervan op de hoogte dat Oxfam Novib, lid van de door Nederland gefinancierde Dutch Relief Alliance (DRA), nog steeds samenwerkt met de Union of Agricultural Work Committees (UAWC), een organisatie waarvan Nederland de financiering eerder stopzette na een audit waaruit bleek dat 34 medewerkers banden hadden met de terroristische organisatie PFLP, waaronder 12 in leidinggevende posities, en dat Nederlands geld werd gebruikt voor salarissen van twee medewerkers die betrokken waren bij de moord op Rina Shnerb in 2019?
Ja, het kabinet is hiervan op de hoogte. Het staat Oxfam Novib vrij om samen te werken met andere organisaties.
Uw Kamer is in 2022 uitgebreid geïnformeerd over de uitkomsten en kabinetsreactie op extern onderzoek naar UAWC (Kamerstuk 23 432, nr. 486). Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn dat er financiële stromen bestaan tussen UAWC en de PFLP, en evenmin kon worden geconstateerd dat sprake is van een organisatorische eenheid tussen UAWC en PFLP, dan wel aansturing van UAWC door de PFLP. Daarnaast is er geen bewijs gevonden dat suggereert dat stafleden van UAWC of bestuursleden hun positie bij UAWC gebruikt hebben voor terroristische activiteiten of om terroristische activiteiten te steunen.
Acht het kabinet het acceptabel dat Oxfam Novib nog steeds samenwerkt met UAWC? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 5.
Indien het kabinet dit onacceptabel acht, welke gevolgen heeft dit voor de financiering van Oxfam Novib en voor organisaties binnen de Dutch Relief Alliance?
Zie antwoord op vraag 5 en 6.
Op 17 maart 2026 stelde u dat het kabinet vertrouwen heeft in de neutraliteit en onafhankelijkheid van partnerorganisaties, blijft u bij dit standpunt in het licht van de bovenstaande informatie? Zo ja, waarom?
Ja. Zie antwoord op vraag 2, 3, 5 en 6.
Bent u het, gelet op bovenstaande informatie, eens met de stelling dat het onjuist is dat «geen aanwijzingen bestaan dat Nederlandse of Europese middelen bij onbedoelde bestemmingen zijn terechtgekomen»? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Bent u bereid alle steun aan organisaties waar Hamas direct of indirect zeggenschap over heeft of op enige andere wijze invloed uitoefent, op te schorten?
Dit is hier niet aan de orde. Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Het bericht 'ING ziet af van verkoop Russische dochter' |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «ING ziet af van verkoop Russische dochter»1?
Ja.
Bent u in gesprek met ING om een vertrek uit Rusland en de beëindiging van activiteiten in Rusland te vereenvoudigen en/of de activiteiten versneld af te bouwen?
Ik heb verschillende keren contact gehad met ING over het voornemen van ING om haar dochterbedrijf in Rusland te verkopen. Ik doe geen inhoudelijke mededelingen over deze contacten aangezien dit grotendeels gaat om bedrijfsvertrouwelijke informatie. Wel kan ik aangeven dat ik ING op verzoek heb geïnformeerd over de toepasselijke EU-sanctiemaatregelen. Ik ben verder niet actief betrokken bij het voornemen van ING om uit Rusland te vertrekken, de besluitvorming daaromtrent en het proces van toestemming die ING nodig heeft van de Russische autoriteiten voor verkoop van haar Russische dochter.
Denkt u dat de Russische autoriteiten een verkoop van de Russische dochteronderneming bewust blokkeren?
Ik heb geen informatie over de motivatie van de Russische autoriteiten om geen toestemming te verlenen voor de beoogde verkoop van de Russische dochter van ING. Ik wil ook niet speculeren over de mogelijke redenen van de Russische autoriteiten om geen toestemming te geven voor de verkoop.
Hoe beoordeelt u de toegang van de Russische economie tot Swift door de aanwezigheid van westerse banken? Zijn er mogelijkheden om dit samen met de westerse banken te beperken?
De sancties tegen Rusland moeten de mogelijkheden van Rusland beperken om de oorlog in Oekraïne voort te zetten. Sancties maken het onder andere moeilijker voor Rusland om de oorlog te bekostigen, mede door verschillende maatregelen die het betalingsverkeer beperken. Door de sancties heeft een groot aantal Russische banken geen toegang meer tot Swift. Swift is het beveiligde communicatienetwerk dat financiële instellingen gebruiken om met elkaar te communiceren over betalingen. Swift verwerkt de betalingen niet zelf.
Het doel van de sancties is daarmee niet om het gehele handels- en betalingsverkeer met Rusland onmogelijk te maken. Zo zijn er in de sancties diverse uitzonderingen opgenomen, bijvoorbeeld voor voedsel, rechtsbijstand en betalingen van contracten afgesloten voordat sancties ingingen. Voor die toegestane handel blijft een vorm van betalingsverkeer nodig. Doordat in Rusland nog een klein aantal banken aangesloten is op Swift, kan de communicatie voor dergelijke betalingen toch plaatsvinden via dat systeem.
Ik vind het belangrijk dat westerse banken terughoudend zijn in het faciliteren van transacties van en naar Rusland. Tegelijkertijd heb ik er wel een voorkeur voor dat financiële transacties die wel toegestaan blijven van en naar Rusland verlopen via het reguliere bancaire betalingsverkeer. Het volledig beperken van het betalingsverkeer via banken zou tot gevolg kunnen hebben dat minder goed controleerbare betalingskanalen en/of -constructies worden gebruikt.
Zijn er nog meer Nederlandse bedrijven met activiteiten in Rusland die moeite hebben deze af te stoten? Welke rol speelt uw ministerie om dit te ondersteunen?
Op grond van het Russisch presidentieel decreet van september 2022 is het buitenlandse bedrijven uit «onvriendelijke landen», waaronder de EU-lidstaten en de VS, verboden hun Russische activiteiten zonder een speciale vergunning te verkopen. Over de vraag of er meer Nederlandse bedrijven zijn die hiermee te maken hebben, kan ik vanwege vertrouwelijkheid geen verdere uitspraken doen.
In algemene zin geldt dat de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Nederlandse bedrijven ondersteunt die zich uit Rusland willen terugtrekken, onder meer door ontheffingen te verlenen voor de overdracht van gesanctioneerde goederen die samenhangt met de verkoop van hun Russische activa. Op grond van EU-sanctieverordening 833/2014 is de overdracht van bepaalde goederen aan Russische entiteiten of voor gebruik in Rusland in beginsel namelijk verboden. Diezelfde verordening biedt echter de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen wanneer de overdracht van deze goederen noodzakelijk is voor de terugtrekking van een Europees bedrijf uit Rusland.
De uitzending van BOOS over Yes We Can Clinics |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van BOOS van 7 april 2026 gezien, over de misstanden bij Yes We Can Clinics?1
Ja.
Wat vindt u van de in de uitzending getoonde bevindingen waaruit blijkt dat een flink aantal jongeren trauma’s hebben opgelopen na hun behandeling bij Yes We Can Clinics?
Ik ben geschrokken van de ervaringen die jongeren met BOOS hebben gedeeld. Een behandeling dient gericht te zijn op het verminderen en opheffen van problemen. Een behandeling mag nooit (gezondheids-)schade aanbrengen.
In hoeverre zijn signalen die binnenkwamen bij de redactie van BOOS ook bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: Inspectie) of het Ministerie van VWS bekend? Zijn er signalen binnengekomen bij de Inspectie? Zo ja, kunt u inzichtelijk maken hoeveel, in welke jaren en wat de aard is van de meldingen?
Als jongeren of ouders bellen met het Landelijk Meldpunt Zorg (onderdeel van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, hierna LMZ) registreert de IGJ dit als signaal. De IGJ geeft aan dat er sinds 2022 29 signalen zijn binnengekomen. Hieronder uitgesplitst per jaar:
2022: 2
2023: 1
2024: 2
2025: 2
2026: 22, waarvan tot uitzending BOOS (1-1-26 t/m 7-4-26): 2 signalen en na uitzending BOOS (8-4-26 t/m 29-4-26): 20 signalen.
Vanwege het recent gestarte toezichtstraject deelt de IGJ geen verdere informatie over de aard van de meldingen.
Als er signalen bekend waren, was dit reden voor de Inspectie om een nieuw onderzoek te doen of voor gemeenten om in te grijpen? Zo nee, waarom niet? Als er geen signalen binnenkwamen, wat zegt dat over de bekendheid van de Inspectie bij de doelgroep?
Iedereen kan met klachten of signalen bij het LMZ van de IGJ terecht. De IGJ heeft geen zicht in de overwegingen van jongeren of ouders in deze casus om wel of niet contact op te nemen met het LMZ. De IGJ heeft de afgelopen twee jaar gewerkt aan haar toegankelijkheid voor jongeren door het uitvoeren van een jongerencampagne via sociale media. Hierbij werden jongeren uitgenodigd om hun ervaringen met jeugdhulp anoniem te delen2.
De IGJ besluit op basis van de bij haar bekende informatie om wel of niet een onderzoek in te stellen. Hierbij betrekt de IGJ de informatie uit onder andere meldingen, signalen en uitkomsten van eerdere inspectiebezoeken. Dit vormde sinds 2018 geen aanleiding om een toezichtstraject te starten. De IGJ geeft aan dat zij gezien de aard en de ernst van de signalen die onlangs bekend zijn gemaakt, recent een toezichtstraject is gestart bij Yes We Can Clinics.
Het is mij niet bekend of individuele gemeenten signalen hebben ontvangen.
Zijn er elders signalen binnengekomen, bijvoorbeeld bij de vertrouwenspersonen van Jeugdstem?
Ja, Jeugdstem geeft aan dat er drie klachten zijn geuit over Yes We Can Clinics bij vertrouwenspersonen. De laatste klacht dateert van november 2025.
Is ooit onderzocht of de bewering op de website van Yes We Can Clinics dat 74% van de jongeren geen specialistische behandeling meer nodig had, klopt? Had dat moeten gebeuren en zo ja, door wie? Zo nee, waarom niet?
Yes We Can Clinics geeft op haar website aan dat de bewering in kwestie is gebaseerd op herhaaldelijk onafhankelijk onderzoek, waarbij het meest recente onderzoek is uitgevoerd in 2023. De IGJ heeft tot op heden geen onderzoek gedaan naar de bewering op de website van Yes We Can Clinics. De IGJ kijkt in haar toezicht naar de kwaliteit, veiligheid en betrouwbaarheid van de zorg en jeugdhulp en is recent een toezichtstraject gestart bij Yes We Can Clinics.
Hoe kan het dat een methode die oorspronkelijk werd gebruikt in de verslavingszorg, door Yes We Can Clinics ook wordt toegepast op tieners en adolescenten die kampen met (de gevolgen van) allerlei andere soorten problematiek, van depressie tot ADHD tot borderline? Wie heeft beoordeeld dat de methode van Yes We Can Clinics toegepast mag worden op jongeren met deze uiteenlopende zorgvraag? Aan welke criteria is dit getoetst en wanneer?
Het is aan een behandelaar om een behandelmethode te kiezen die aansluit bij een jongere, zodat de jongere daar baat bij heeft, en deze op de juiste wijze toe te passen. Behandeling vindt plaats conform professionele standaarden, richtlijnen en kwaliteitskaders. Daarnaast is het belangrijk dat jongeren en hun ouders worden betrokken bij de keuze voor de behandelmethode en inspraak hebben tijdens de behandeling. Er kunnen verschillende behandelmethoden in de zorg worden gebruikt.
De IGJ ziet toe op de kwaliteit van de geleverde zorg. De bekwaamheid van de jeugdzorgprofessionals is hier onderdeel van. Tijdens een onderzoek beoordeelt de IGJ onder andere of een behandelmethode conform professionele richtlijnen wordt uitgevoerd. Daarnaast beoordeelt de IGJ of de zorgaanbieder samen met de jongeren en ouders de hulpvraag, de doelen en de vorm van de geboden hulp bepalen.
Klopt het dat het laatste Inspectiebezoek aan Yes we Can Clinics plaatsvond op 10 december 2018? Zijn er sindsdien nog aangekondigde of onaangekondigde bezoeken geweest? Hoe kan het dat de Inspectie onderzoekt of de «zorgverlening aan de voorwaarden voor goede en veilige zorg voldoen,» terwijl niet met jongeren zelf wordt gesproken, maar enkel vijf dossiers zijn bekeken? Welke rol hebben gemeenten die jongeren plaatsen bij Yes We Can Clinics?
Het klopt dat het laatste onderzoek naar de kwaliteit door de IGJ aan Yes We Can Clinics plaatsvond op 10 december 2018. Het bezoek in 2018 vond plaats in het kader van een specifieke toezichtronde op middelgrote ggz- en verslavingszorginstellingen. Deze toezichtronde was gericht op het beter in beeld krijgen van dit type organisaties. Door het specifieke doel van dit toezicht, toetste de inspectie een beperkt aantal normen. Daarnaast is er op hoofdlijnen getoetst. De IGJ heeft in deze toezichtronde gesproken met de bestuurders en zorgverleners, individuele dossiers beoordeeld en beleid beoordeeld. Er is niet met cliënten gesproken. Welke bronnen de IGJ bij een toezichtbezoek gebruikt, hangt af van de onderzoeksvragen.
De drie thema’s die tijdens het bezoek centraal stonden waren persoonsgerichte zorg, deskundige zorgverlener, en sturen op kwaliteit en veiligheid. Op het thema persoonsgerichte zorg toetste de inspectie normen over het behandelplan en dossiervoering. Om deze normen te toetsen voerde de IGJ gesprekken met leden van het management/directie, regiebehandelaren en uitvoerende medewerkers, deed dossieronderzoek en kreeg inzage in kwaliteitsdocumenten. In het onderzoek dat de IGJ nu is gestart naar Yes We Can Clinics zullen gesprekken met jongeren onderdeel zijn.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor organisatie en financiering van de jeugdhulp. Zij maken afspraken met aanbieders over de in te kopen zorg. Gemeenten kunnen daarbij, naast de kwaliteitseisen die gelden vanuit de Jeugdwet, specifieke kwaliteitseisen stellen aan de te leveren diensten. Dit betekent dat de gemeente niet altijd inhoudelijk betrokken is bij een casus.
Verwijzing naar specialistische zorg kan verlopen via de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, lokaal team of gecertificeerde instelling (GI). De jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor het verlenen van verantwoorde hulp.
Is het overnemen van een jeugdzorginstelling door een private equity organisatie, zoals bij Yes We Can Clinics gebeurde in 2021 door Holland Capital en in september 2025 door Bencis Capital Partners, reden voor extra toezicht of een Inspectiebezoek? Zo nee, waarom niet?
Een overname door een private equity organisatie is geen reden voor extra toezicht. Iedere zorgaanbieder dient zich aan de geldende wet- en regelgeving te houden, ook als er een private equity investeerder betrokken is. Vanuit de toezichthouders wordt er bij betrokkenheid van een private equity organisatie daarom ook niet anders gehandeld dan bij elke andere zorgaanbieder.
Vindt u het verantwoord dat jeugdzorginstellingen zoals Yes We Can Clinics worden gekocht door private equityorganisaties die primair gericht zijn op het maken van winst en doorverkoop? Worden gecontracteerde gemeenten en zorgverzekeraars actief op de hoogte gesteld wanneer een private equity organisatie een instelling opkoopt? Zo ja, op welke wijze gebeurt dit? Zo nee, waarom niet?
Er is geen verbod op overname van jeugdhulpaanbieders door private equity partijen. Private equity kan uitkomst bieden voor zorgaanbieders die moeite hebben met het vinden van financiering of opvolging. Dit kan een positief effect hebben op de beschikbaarheid, continuïteit en kwaliteit van zorg. Tegelijkertijd ziet het kabinet ook dat er risico’s verbonden zijn aan private equity investeringen, waarbij de betaalbaarheid en kwaliteit van zorg onder druk kan komen te staan. Daarom is dit kabinet voornemens te zorgen voor duidelijke en aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity.
Of gemeenten en zorgverzekeraars actief op de hoogte gesteld worden als een private equity organisatie investeert in een zorg- of jeugdhulpaanbieder, is afhankelijk van de contractafspraken die gemeenten/zorgverzekeraars en aanbieders met elkaar maken. Zorginkopers kunnen nu al in de contractvoorwaarden opnemen dat zij vroegtijdig meegenomen worden in voorgenomen fundamentele beslissingen in de bedrijfsvoering, zoals een fusie of overname.
Kan de overname van een jeugdzorginstelling door een private equity-partij reden vormen om een contract open te breken door bijvoorbeeld een gecontracteerde gemeente of zorgverzekeraar?
Gemeenten of zorgverzekeraars kunnen contractueel bedingen dat zij voorafgaand aan een overname of fusie geïnformeerd worden over een overname of fusie. Dit betekent echter niet automatisch dat een contract open gebroken kan worden. Of een contract open gebroken kan worden bij een overname door een private equity partij, hangt af van het geheel van contractuele afspraken die partijen onderling hebben gemaakt en de omstandigheden van het geval.
Wat vindt u ervan dat tussen 2021 en 2024 de omzet van 35 miljoen naar 56 miljoen euro is gestegen en er jaarlijks miljoenen winst wordt gemaakt? Zijn dergelijke overnames en winsten een reden voor nader onderzoek of toezicht? Zo nee, waarom niet? Wat vindt u ervan dat er miljoenen winst wordt gemaakt, terwijl de behandeling van publiek geld wordt betaald? Vinden er ook winstuitkeringen plaats en zo ja, aan wie?
Een stijgende omzet of winst zijn op zichzelf geen directe signalen voor misstanden en/of niet integer gedrag in de zorg. Winst maken, of een positief bedrijfsresultaat behalen, is noodzakelijk om als zorg- of jeugdhulpaanbieder gezond te blijven en is in het belang van de continuïteit van zorg voor cliënten en jeugdigen. Een winstuitkering mag echter nooit ten koste gaan van de kwaliteit, toegankelijkheid of betaalbaarheid van zorg en dient altijd verantwoord plaats te vinden. Dit wordt meegenomen in het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz). In dit wetsvoorstel worden voorwaarden gesteld aan het uitkeren van winst.
Overnames en winsten zijn geen directe redenen voor nader onderzoek of toezicht. Wel kan aanvullend onderzoek plaatsvinden door NZa of IGJ als zorg- en jeugdhulpaanbieders3 niet voldoen aan de eisen voor een transparante financiële bedrijfsvoering en/of als er signalen zijn dat door overname of winstuitkering sprake is van risico’s voor de kwaliteit, veiligheid of continuïteit van zorg.
Voor welk bedrag heeft Bencis Capital Partners in 2024 het oprichtersechtpaar Jan Willem en Petra Poot uitgekocht?
Deze informatie heeft het Ministerie van VWS niet.
Het Inspectierapport uit 2018 stelt al dat de klachtenfunctionaris «niet geheel onafhankelijk» is, hoe is dit momenteel geregeld? Is er inzicht in de hoeveelheid en de aard van de klachten en wat ermee is gedaan? Deelt u de mening dat een klachtenfunctionaris altijd onafhankelijk van de instelling zou moeten opereren?
De onafhankelijkheid van de klachtenfunctionaris is een wettelijke eis, zie artikel 15, lid 2 van de Wkkgz. In dit artikel staat het vereiste dat een klachtenfunctionaris zijn functie onafhankelijk kan uitvoeren.
In de klachtenregeling4 van Yes We Can Clinics, die te vinden is via de website van de organisatie, zegt Yes We Can Clinics te beschikken over een onafhankelijke klachtenfunctionaris. De IGJ zal in het lopende onderzoek nagaan of jeugdigen en hun ouders de mogelijkheid hebben om voor hun belangen op te komen conform de Wkkgz en de Jeugdwet.
De jeugdzorgaanbieder rapporteert jaarlijks via het Jaardocument Maatschappelijke verantwoording hoeveel klachten er zijn ingediend bij de klachtencommissie, het aantal klachten dat door de klachtencommissie in behandeling is genomen, en het aantal klachten waarover de klachtencommissie advies heeft uitgebracht. Deze informatie is ook voor Yes We Can Clinics openbaar toegankelijk.
Is u bekend dat het Inspectierapport uit 2018 beschrijft dat de personele bezetting bestaat uit «psychiaters, verpleegkundigen, GZ-psychologen, basispsychologen, jongerencoaches, groepswerkers ervaringsdeskundigen en groepscounselors,» terwijl uit de uitzending van BOOS het beeld naar voren komt dat met name ervaringsdeskundigen en counselors betrokken zijn bij de behandeling? Is het personeelsbestand veranderd of heeft de Inspectie hier iets over het hoofd gezien? Is de regiebehandelaar nog steeds altijd een psychiater?
Volgens het openbare kwaliteitsstatuut5 van Yes We Can Clinics is de regiebehandelaar, afhankelijk van de behandelvariant, een psychiater, psychotherapeut, GZ-psycholoog, verpleegkundige specialist, sociaal psychiatrisch verpleegkundige of klinisch psycholoog. De term regiebehandelaar is gekoppeld aan het Landelijk Kwaliteitsstatuut GGZ. Dit Kwaliteitsstatuut is alleen van toepassing op curatieve GGZ die valt onder de Zorgverzekeringswet (18+). In deze afspraken is aan het regiebehandelaarschap de voorwaarde van een registratie in het register voor Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG) verbonden. Voor alle zorgmedewerkers in de jeugdhulp is de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing, en het daaraan gekoppelde kwaliteitskader jeugd. Dit betekent dat voor werkzaamheden die een bepaalde mate van complexiteit of risico met zich meebrengen, de zorgmedewerker geregistreerd moet zijn in het BIG-register of bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).
Het inspectierapport uit 2018 benoemt de inzet van ervaringsdeskundigen en counselors. In 2018 voldeed de zorgaanbieder aan de door de IGJ getoetste normen met betrekking tot de deskundigheid en inzet van de medewerkers. De IGJ zal in het lopende onderzoek nagaan of er voldoende deskundige hulpverleners beschikbaar zijn, afgestemd op wat de jeugdigen nodig hebben.
Wat vindt u van de geschetste methode waarbij jongeren worden geconfronteerd met hun aandoening of verslaving, en dit ook geldt voor jongeren die slachtoffer zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag en misbruik, eetstoornissen en depressies? Acht u dit verantwoord?
De methodiek die toegepast wordt moet passend zijn bij de problematiek van de jeugdigen. Voor de jeugdzorg zijn verschillende basisrichtlijnen beschreven. Het kan zijn dat er door de problematiek meerdere professionele richtlijnen van toepassing zijn, en op basis daarvan een maatwerktraject wordt vormgegeven. Zie verder vraag 7. De IGJ kijkt in het toezicht naar de manier waarop Yes We Can Clinics de (behandel)richtlijnen toepast.
Kunnen jongeren met de behandeling stoppen op ieder moment dat zij willen? Wat vindt u ervan dat uit de uitzending blijkt dat dit niet in alle gevallen mogelijk is?
Jongeren die in het zogenaamd vrijwillig kader jeugdhulp ontvangen kunnen er – met hun ouders – altijd en op elk moment voor kiezen om een behandeling te stoppen. Een zorgaanbieder kan dat niet verbieden. Ook moet een zorgaanbieder ervoor zorgen dat jongeren en hun ouders over voldoende informatie beschikken om een keuze te maken. Als er een andere plek gevonden is, moet een zorgaanbieder zorgdragen voor een duidelijke overdracht naar het vervolgverblijf.
Ik vind het zorgelijk dat er signalen zijn dat cliënten niet konden stoppen met de behandeling die zij ondergingen. Om de informatiepositie van ouders en jongeren te versterken wordt er op dit moment gewerkt aan voorlichtingsmateriaal over de rechten van ouders en jongeren, o.a. bij vrijwillige jeugdhulp. In dit materiaal wordt ook aangegeven wat je kunt doen als je het niet eens bent met de jeugdhulp, wilt stoppen met jeugdhulp en waar je als ouders of jongere ondersteuning kunt vinden. Het voorlichtingsmateriaal zal na de zomer gepubliceerd worden.
Het bericht 'Problemen op asielboot Rotterdam houden aan, ook steeds meer kinderen in zorgelijke omstandigheden: ‘Lopen blijvende schade op’' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van EenVandaag «Problemen op asielboot Rotterdam houden aan, ook steeds meer kinderen in zorgelijke omstandigheden: «lopen blijvende schade op»»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht van EenVandaag.
Bent u het eens met de verpleegkundige en arts dat de schepen geen geschikte plek zijn voor kinderen?
Rotterdam heeft met het COA en het Rijk bestuurlijk afgesproken dat op de MS Silja uitsluitend statushouders worden opgevangen. De plaatsing van bewoners vindt plaats door het COA, die verantwoordelijk is voor de opvang en begeleiding.
Nederland kampt momenteel met een tekort aan (nood)opvangplekken. Tegelijkertijd is er sprake van een toenemende instroom van nareisgezinnen met een verblijfsstatus. Omdat de MS Silja is aangewezen voor statushouders, worden deze gezinnen in combinatie met het landelijke tekort aan opvangplekken veelal op deze locatie geplaatst.
Verblijf in noodopvang, waaronder scheepsaccommodaties, is niet wenselijk, in het bijzonder voor kinderen, en geen structurele oplossing. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat er verschillen zijn in de diverse noodopvanglocaties op het gebied van geboden voorzieningen, en niet elke noodopvanglocatie onderdoet voor een reguliere locatie. Zolang er landelijk onvoldoende reguliere opvangplekken beschikbaar zijn, blijft het COA afhankelijk van noodopvang – ook voor kinderen. Ik zet mij, onder meer via uitvoering van de Spreidingswet, onverminderd in voor het realiseren van voldoende duurzame en reguliere opvangplekken, zodat kinderen in de toekomst niet langer in noodvoorzieningen hoeven te worden opgevangen.
Na eerdere signalen is door alle samenwerkingspartners extra inzet gepleegd op de Silja om de situatie voor kinderen, gezinnen en jonge vrouwen te verbeteren. Zo zijn er extra partijen ingezet voor begeleiding en welzijn, zijn specifieke ruimtes per leeftijdscategorie ingericht en is personeel met pedagogische expertise ingezet. Ook is het activiteitenaanbod uitgebreid, onder meer via een welzijnspartij. Daarnaast is een peutergroep gestart en is de aansluiting op voorschoolse educatie verbeterd.
De toeleiding naar onderwijs is versterkt, waardoor er inmiddels vrijwel geen wachttijden meer zijn voor plaatsing in het primair en voortgezet onderwijs. Voor kinderen die nog niet direct kunnen starten, zijn voorbereidende activiteiten ingericht. Verder worden er extra binnen- en buitenspeelvoorzieningen gerealiseerd.
Hoe is het überhaupt mogelijk geweest om kinderen op deze locaties te plaatsen waar zij verblijven in kamers zonder ramen en zij zonder hun ouders slapen? Is dit in het belang van het kind, zoals omschreven in artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag?
Door het structurele tekort aan opvangplekken in het hele land is het COA afhankelijk van noodopvanglocaties waar helaas ook kinderen worden opvangen. Op de Silja verblijft de helft van de bewoners in inpandige hutten die geen ramen hebben. Doordat het tweepersoons hutten zijn, kunnen niet alle kinderen bij hun ouders slapen. De ouders slapen wel altijd in de directe nabijheid van hun kinderen.
Worden er nog andere artikelen uit het Kinderrechtenverdrag geschonden?
Het kabinet is gehouden aan internationale verplichtingen, waaronder het VN-Kinderrechtenverdrag. Mochten er signalen binnenkomen dat hier mogelijk niet (volledig) aan wordt voldaan, zal ik dit zeer serieus nemen en zal dit altijd worden onderzocht.
Is het uitlegbaar dat kinderen onnodige mentale problematiek oplopen en zelfs permanente schade kunnen oplopen door langere tijd opgevangen te worden op de boot?
Ik erken dat langdurig verblijf op noodopvanglocaties, zoals de Silja, niet bevorderlijk is voor het psychisch welzijn van kinderen. Het verblijf op dergelijke locaties betreft een tijdelijke noodmaatregel om te voorkomen dat mensen zonder opvang en onderdak komen te zitten. Daarbij is er op dit schip helaas sprake van situaties waarin verblijf langer duurt dan wenselijk is, in verband met de moeizame doorstroom van deze mensen met een verblijfsvergunning naar vervolghuisvesting.
Ik zet mij, in samenwerking met het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de medeoverheden en corporaties, ervoor in dat statushouders zo snel mogelijk kunnen uitstromen naar huisvesting in de gemeente. Voor de uitstroom van statushouders zijn en worden maatregelen genomen, waaronder tijdelijke financiële ondersteuning voor gemeenten bij huisvesting van statushouders. Gemeenten kunnen gebruikmaken van verschillende stimuleringsregelingen van het Rijk die (al dan niet ten dele) zijn gericht op het beter benutten van de huidige woningvoorraad of het toevoegen van nieuwe woningvoorraad om zo huisvesting van statushouders te stimuleren. Daarnaast wordt ingezet op opschaling van verschillende vormen van alternatieve huisvesting zoals flexwoningen en woningdelen, op permanente of tijdelijke locaties. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening wil hier voor de zomer afspraken maken met gemeenten en corporaties in een convenant.
Op welke manier werkt u eraan om kinderen zo snel mogelijk van deze boten te halen en in geschiktere locaties op te vangen waar zij de nodige zorg kunnen krijgen?
De situatie in de asielopvang is momenteel zeer gespannen. Er is sprake van een aanzienlijk tekort aan opvangplekken, dat naar verwachting de komende maanden verder zal toenemen. Tegen die achtergrond is het op korte termijn helaas niet mogelijk om plaatsingen van kinderen in noodopvang volledig te beëindigen. Dat blijft echter wel het doel waar naartoe wordt gewerkt.
Het kabinet zet zich, onder meer via uitvoering van de Spreidingswet, in om het aantal duurzame en reguliere opvangplekken uit te breiden. Zodra er binnen de opvangcapaciteit meer ruimte ontstaat en het COA meer flexibiliteit krijgt in het plaatsingsbeleid. Hierbij heeft het beëindigen van de plaatsing van kinderen en andere kwetsbare mensen in noodopvanglocaties hoge prioriteit.
Hoe strookt deze gang van zaken met aangenomen motie Westerveld (Kamerstuk 19 637, nr. 3515)? Hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Zie antwoord vraag 6.
Worden er extra maatregelen getroffen om infectieziekten tegen te gaan op de boot? Is de locatie geschikt voor kwetsbare groepen? Waarom verblijven zij nu wel op deze boot?
Het COA doet het maximale om de hygiëne op het schip zo goed mogelijk te houden, zo wordt het schip elke week helemaal gereinigd. Op het schip is verder een huisartsenpost aanwezig en de Jeugdgezondheidszorg ziet kinderen voor bijvoorbeeld inentingen. Bij constatering van infectieziekten worden maatregelen getroffen al dan niet in samenwerking met de GGD.
Helaas moet het COA binnen de huidige capaciteitsproblematiek soms kwetsbare groepen plaatsen op het schip. Voor een deel van de kwetsbare asielzoekers is opvang op het schip niet geschikt en daarvoor wordt een andere oplossing gevonden.
Waarom worden zwangere vrouwen op deze boten geplaatst tegen medisch advies in?
Ik herken niet dat zwangere vrouwen tegen medisch advies in geplaatst worden op opvanglocaties in de vorm van een boot. Zwangere vrouwen kunnen verblijven op de Silja, behalve als er een waterpokken-uitbraak is. Zij worden getest of ze immuun zijn. Zijn ze niet immuun, dan verhuizen ze naar een andere opvanglocatie.
Hoe kan het dat er na de brandbrief vanuit artsen die werkzaam zijn op het schip geen maatregelen zijn getroffen? Is er iets veranderd nadat zij deze brief schreven?
Zoals ook toegelicht in vraag 2, naar aanleiding van de signalen en zorgen die vorig jaar zijn geuit zijn deze uiterst serieus genomen en er is door alle samenwerkingspartners extra inzet gepleegd om de situatie voor kinderen, gezinnen en jonge vrouwen te verbeteren. Zo zijn er extra partijen ingezet voor begeleiding en welzijn, zijn specifieke ruimtes per leeftijdscategorie ingericht en is personeel met pedagogische expertise ingezet. Ook is het activiteitenaanbod uitgebreid, onder meer via een welzijnspartij. Daarnaast is een peutergroep gestart en is de aansluiting op voorschoolse educatie verbeterd.
De toeleiding naar onderwijs is versterkt, waardoor er inmiddels vrijwel geen wachttijden meer zijn voor plaatsing in het primair en voortgezet onderwijs. Voor kinderen die nog niet direct kunnen starten, zijn voorbereidende activiteiten ingericht. Verder worden er extra binnen- en buitenspeelvoorzieningen gerealiseerd.
Daarnaast is extra aandacht voor de fysieke en mentale gezondheid van bewoners, waaronder kinderen en zwangere vrouwen. Er wordt laagdrempelige toegang tot zorg geboden en waar nodig wordt specialistische zorg ingeschakeld. Signalering van medische en psychosociale problematiek vindt continu plaats en wordt meegenomen in de gezamenlijke overleggen.
Er vindt doorlopend intensief ambtelijk overleg plaats tussen de verschillende samenwerkingspartners. Ook is er frequent overleg op operationeel, tactisch en bestuurlijk niveau. De gemeente is daarnaast structureel aanwezig op de Silja. In deze overleggen worden de leefomstandigheden, zorg, veiligheid en de situatie van kinderen en gezinnen continu gemonitord. Verbeterpunten worden gezamenlijk besproken en waar nodig uitgevoerd.
Wat zijn de gevolgen voor de samenleving als potentiële burgers van ons land allerlei mentale problemen oplopen op deze asielboten?
Langdurig verblijf in noodopvanglocaties, waaronder boten, is onwenselijk en kan negatieve gevolgen hebben voor het welzijn en de ontwikkeling van bewoners.
Het kabinet zet zich daarom in om de opvangomstandigheden te verbeteren, de inzet van noodopvang terug te dringen een het aantal reguliere opvanglocaties te vergroten door inzet van de Spreidingswet. Tegelijkertijd wordt ingezet op toegang tot onderwijs, zorg en passende begeleiding om de nadelige effecten van het verblijf op noodopvanglocaties zoveel mogelijk te beperken.
Het artikel 'Israël laat woningen in Zuid-Libanon versneld slopen en vernietigt infrastructuur' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitspraken van defensieminister Katz die «naar voorbeeld van Gaza» te werk wilt gaan in Libanon?1
Veroordeelt u deze uitspraken? Zo ja, welke consequenties bindt u daaraan? Zo niet, hoe is dat te rijmen met het internationaal recht?
Wat is uw reactie op de aanvallen van Israël op waterinstallaties in Libanon?2
Deelt u de mening dat het ontzeggen van water aan een bevolking een oorlogsmisdaad is? Zo ja, wat gaat het kabinet doen om hiertegen op te treden? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat het kabinet de watervoorziening in Libanon ondersteunen?
Wat doet het kabinet om zich in te zetten voor de-escalatie in het Midden-Oosten? Wat doet het kabinet om verdere aanvallen van Israël in Libanon te voorkomen?
Bent het eens met de uitspraken van Human Rights Watch-onderzoeker Ramzi Kaiss over de situatie in Libanon? Wat gaat u doen om een humanitaire ramp te voorkomen?3
Hoe gaat Nederland Libanon steunen in de strijd tegen Israël én bij het ontwapenen en beteugelen van de bewapende tak van Hezbollah, gezien het feit dat de Libanese regering maatregelen heeft genomen om het geweld te stoppen?4
Hoe gaat Nederland, samen met de EU, de Golfstaten of andere landen, komen tot de-escalatie en gesprekken tussen alle partijen om deze oorlog zo snel mogelijk te beëindigen, zeker gezien Libanon al aangeeft in gesprek te willen, en de aangenomen motie Dobbe (Kamerstuk 23 432, nr. 640)? Welke stappen gaat het kabinet wanneer nemen?
Hoe rijmt u het advies van het Internationaal Gerechtshof uit 20245 met de actuele berichten uit de Westelijke Jordaanoever waarbij kinderen worden vermoord, huizen in brand worden gestoken en de uitbreiding van illegale nederzettingen?6
Hoe effectief is tot nu toe het Nederlandse beleid geweest ten aanzien van het opvolgen van deze adviezen?
Deelt u de mening dat als we doen wat we al deden, de verwachte resultaten hetzelfde blijven? En herinnert u zich de ambtelijke nota van afgelopen zomer waarin bleek dat als handelen niet effectief is, je moet opschalen?7
Hoe gaat u de adviezen van het Internationaal Gerechtshof in 2024 omzetten in handelen van dit kabinet, daarin meewegend dat als handelen tot nu toe ineffectief is gebleken dit kabinet zal opschalen, waarbij het doel is de Israëlische aanwezigheid in de Palestijnse gebieden beëindigd wordt, Israël onmiddellijk moet stoppen met het bouwen van nieuwe nederzettingen en Nederland de Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden erkent als onrechtmatig? Kunt u dit uitsplitsen per te nemen maatregel en uitleggen waarom u kiest voor deze maatregel?
Wat is uw reactie op het rapport van de High Commissioner for Human Rights van afgelopen februari over de mensenrechtensituatie in de bezette Palestijnse gebieden?8
Deelt u de conclusies van het rapport waarbij de straffeloosheid van Israëls oorlogsdaden de afbraak van het internationaal recht hebben ingezet en dat deze beweging gestopt moet worden?
Bent u bereid, zoals de High Commissioner for Human Rights oproept, om een wapenembargo in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier gaat Nederland bijdragen om Israël zover te krijgen om een onderzoek te starten naar de straffeloosheid van Israëlische kolonisten met betrekking tot het doden van Palestijnse burgers op de Westelijke Jordaanoever, zoals staten verplicht zijn?9
Hoe is het kabinet van plan om de motie Paternotte c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3236), over een nationaal verbod op handel met illegale nederzettingen, uit te voeren gezien de actuele situatie?
Het bericht dat de Nederlandse politie een verdachte heeft gearresteerd in verband met explosies in Duitsland |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Dutch police arrest suspect linked to 2025 explosions in Germany1»? Heeft u tevens kennisgenomen van het rapport «Between victimhood and offending» van de European insititute for crime prevention and control (HEUNI)2?
Ja.
Bent u, met Europol, van mening dat het fenomeen geweld op bestelling een groeiend probleem is waarbij ook in Nederland kwetsbare jongeren worden geronseld? Deelt u de analyse van Europol dat hierbij ook sprake kan zijn van criminele uitbuiting? Hoeveel (minderjarige) Nederlandse plegers die over de grenzen heen actief zijn geweest, zijn er binnen deze taskforce inmiddels in beeld? Hoeveel zijn dat er in de afgelopen vier jaar, buiten deze taskforce om, in beeld geweest? Hoeveel van deze (minderjarige) plegers zijn tevens slachtoffer van criminele uitbuiting?
Ja, ik deel de mening dat het online ronselen van kwetsbare jongeren voor criminele activiteiten een groeiend probleem is.
Het werven van jongeren tot het verrichten van strafbare activiteiten kan strafbaar zijn als mensenhandel in de vorm van criminele uitbuiting (artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht). Dat geldt zowel op basis van de huidige wetgeving als op grond van de gemoderniseerde bepaling zoals opgenomen in het wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel (36 547) dat bij de Eerste Kamer aanhangig is. Voor mensenhandel is steeds vereist dat de dader het oogmerk heeft gehad om de desbetreffende jongere(n) bij het verrichten van de genoemde strafbare dienstverlening uit te buiten. Of er sprake is van criminele uitbuiting hangt sterk af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en duur van de te verrichten strafbare activiteit, welke beperkingen deze voor de betrokkene meebrengt en het daarmee behaalde economisch voordeel door degene die de betrokkene tot die strafbare activiteit heeft aangezet. Bij minderjarige betrokkenen geldt als uitgangspunt dat bij de toepassing van dergelijke afwegingsfactoren rekening moet worden gehouden met hun jeugdige leeftijd.3 Is een betrokkene meerderjarig dan moet daarnaast worden aangetoond dat een in artikel 273f Sr omschreven beïnvloedingsmiddel tegen die persoon is aangewend (zoals dwang, misleiding of misbruik maken van een kwetsbare positie). Het is uiteindelijk aan de rechter om, op grond van het geschetste beoordelingskader, per geval te beoordelen of sprake is van mensenhandel in de vorm van criminele uitbuiting.
Er kunnen geen aantallen gedeeld worden over Nederlandse daders en slachtoffers binnen de context van de taskforce GRIMM, waaraan in de vraag wordt gerefereerd, vanwege de vertrouwelijkheid van deze taskforce.4 Wel heeft Europol op 28 april 2026 bekend gemaakt dat er inmiddels 280 personen zijn opgepakt die verdacht worden van het ronselen van jongeren voor het plegen van geweldsmisdrijven.5 Hoeveel Nederlandse plegers over grenzen heen actief zijn geweest is niet bekend en hoeveel van hen slachtoffer zijn van criminele uitbuiting is ook niet bekend.
In hoeverre hebben de Nederlandse opsporingsdiensten voldoende zicht op criminele netwerken die kwetsbare jongeren ronselen en over landsgrenzen heen opereren? In hoeverre is er, naast de Europol-taskforce GRIMM, sprake van samenwerking tussen opsporingsdiensten in verschillende Europese landen om dit probleem het hoofd te bieden? Heeft u binnen het programma Preventie met Gezag, de ondermijningsaanpak en het programma Samen tegen Mensenhandel voldoende middelen om het fenomeen geweld op bestelling het hoofd te bieden? Zijn er aanvullende maatregelen nodig? Zo ja, welke?
De politie is bezig om het zicht op dit betrekkelijk nieuwe fenomeen te versterken. Het is daarbij belangrijk om te benadrukken dat het verkrijgen van volledig zicht op de omvang en gebruikte methoden complex blijft. Dit fenomeen ontwikkelt zich namelijk voortdurend en past zich aan, net zoals andere vormen van criminaliteit dat doen. Daarnaast is zicht krijgen op dit fenomeen lastig omdat de rekrutering online plaatsvindt, op platforms en binnen groepen waar de politie geen of nauwelijks toegang tot heeft.
Zowel vanuit de Europol taskforce GRIMM als vanuit het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT) programma Trafficking in Human Beings (THB),6 worden initiatieven ondernomen door kennis en informatie met elkaar te delen en gezamenlijk operationele acties voor te bereiden en uit te voeren. Ook wordt in individuele zaken internationaal samengewerkt met betreffende landen, om gezamenlijke opsporingsactiviteiten te ontplooien. Hiernaast werkt de politie samen met andere landen binnen de Coalition of European Countries against Organized Crime. Met de coalitielanden worden de mogelijkheden verkend voor meer EU-regulatie en de samenwerking met online platformen.
Binnen de ondermijningsaanpak, specifiek binnen Preventie met Gezag, en de aanpak van high impact crimes, zoals geweld inclusief de aanpak van aanslagen met explosieven, zet de politie in op het voorkomen dat jongeren met criminaliteit in aanraking komen of geronseld worden. Het gaat om integrale aanpakken in gemeenten van preventie tot en met nazorg met een mix van maatregelen (bijvoorbeeld meer inzet op online jongerenwerk). Ook wordt ingezet op kansrijke en bij voorkeur bewezen effectieve interventies die zich richten op het versterken van de weerbaarheid van kinderen en jongeren en het vergroten van de kansen en perspectieven van jongeren. Verder zetten gemeenten en de justitiepartners, afhankelijk van lokale en regionale verschillen, in op de risico- en beschermende factoren in het leven van de jongeren. Voor deze aanpak zijn op dit moment voldoende middelen ter beschikking. Daarnaast financiert mijn ministerie het online platform «Keerpunt» waar jongeren anoniem kunnen chatten met een hulpverlener. De online hulpverleners bieden informatie en advies en wanneer nodig wordt een jongere hulp aangeboden door een hulporganisatie in zijn of haar regio. Om meer handelingsperspectief te krijgen, wil het ministerie meer zicht krijgen op wie de ronselaars zijn en hoe zij te werk gaan. Voor de zomer verwacht het ministerie de resultaten in een handzame factsheet voor professionals van een van de uitgezette onderzoeken naar de modus operandi van online ronselaars. Daarnaast loopt er via het Wetenschappelijk onderzoek- en datacentrum (WODC) een onderzoek naar de kenmerken, achtergronden en motieven van ronselaars die uitvoerders werven voor aanslagen met explosieven. De uitkomsten van dit onderzoek worden naar verwachting aan het einde van 2026 of begin 2027 opgeleverd. Deze onderzoeken zullen input zijn voor verdere beleidsontwikkeling en eventueel nieuwe daarbij passende maatregelen of te ontwikkelen interventies. Die extra kennis zal ook zorgen voor meer focus in de aanpak. In het programma Samen tegen Mensenhandel zijn geen acties opgenomen die zich richten op het fenomeen «geweld op bestelling» omdat dit al onderdeel is van de ondermijningsaanpak.
Met welke online techbedrijven werkt Europol samen om zicht te krijgen op online ronselpraktijken en hoe zien deze programma’s eruit? Welke mogelijkheden ziet u om dergelijke techprogramma’s ook hier in Nederland uit te rollen? Ziet u hier mogelijkheden om mede ter uitvoering van de motie-Ceder (Kamerstuk 36 800 VII, nr. 81) hier nader vorm aan te geven? Zo ja, welke?
Binnen de taskforce GRIMM wordt samengewerkt met sociale media platforms zoals Snapchat en Meta, om online rekrutering voor criminaliteit via sociale media op te sporen en te voorkomen. De rollen, rekruteringsmethodes en geldstromen die gebruikt worden door criminele netwerken worden in kaart gebracht en waar mogelijk worden deze netwerken ontmanteld.
De motie waar u naar verwijst ziet toe op het voortzetten van het Online Outreach Programma van Spine. Dit programma richt zich op het via een proactieve werkwijze (mogelijke) slachtoffers van seksuele uitbuiting online te bereiken. De verwijzing naar het krijgen van zicht op online ronselpraktijken valt niet onder dit programma. Vanwege het verschil in focus van beide programma’s, zie ik geen reden om dit mee te nemen in de uitvoering van de motie. Ik ben op dit moment aan het bezien op welke wijze opvolging aan de motie kan worden gegeven.
Op welke wijze wordt er binnen de genoemde taskforce van Europol aandacht besteed aan de aanpak van criminele uitbuiting en de bescherming van slachtoffers, waaronder de toepassing van het non-punishmentbeginsel? Welke beschermingsmaatregelen worden binnen deze taskforce geboden? Is er daarnaast sprake van samenwerking met hulpinstanties over de grenzen heen, en zo ja, hoe ziet deze samenwerking eruit?
Binnen de Europol taskforce GRIMM is aandacht voor bescherming van slachtoffers doordat er wordt ingezet op preventie: het opsporen en voorkomen van online rekrutering voor criminaliteit. Zo worden de rollen, rekruteringsmethodes en geldstromen die gebruikt worden door dergelijke netwerken in kaart gebracht en worden de netwerken waarmee deze activiteiten worden bemiddeld geïdentificeerd en waar mogelijk ontmanteld. Binnen deze taskforce wordt samengewerkt met diverse sociale media platforms om deze vorm van problematiek te bestrijden en voorkomen. Daarnaast wordt momenteel binnen de taskforce onderzocht op welke wijze online bewustzijn kan worden gecreëerd. Er is momenteel geen sprake van samenwerking met hulpinstaties over de grenzen heen binnen de context van deze taskforce.
Kunt u aangeven op welke wijze het amendement aangaande de wettelijke verankering van het non-punishmentbeginsel3, in lijn met een aanbeveling van GRETA4, naar verwachting zal bijdragen aan het verminderen van de angst van slachtoffers om samen te werken met de politie? Op welke wijze gaat u, bijvoorbeeld binnen het programma Samen tegen Mensenhandel dat middels het regeerakkoord wordt voortgezet, er zorg voor dragen dat dit in de praktijk adequaat wordt toegepast? Ziet u op basis van het genoemde rapport best practises uit Scandinavië die we in Nederland zouden kunnen toepassen?
Het non-punishment beginsel (het beginsel van niet-bestraffing) drukt uit dat een slachtoffer van mensenhandel niet strafbaar is als hij in rechtstreeks verband daarmee een feit begaat waartoe hij is gedwongen. Als gevolg van het genoemde aangenomen amendement-Van Nispen c.s. strekt het wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel ertoe dit beginsel in de wet te verankeren.9 Als zich een situatie voordoet die onder het bereik van deze bijzondere strafuitsluitingsgrond valt, zal het Openbaar Ministerie geen strafvervolging instellen omdat geen sprake is van strafrechtelijk verwijtbaar gedrag of – als de relevante omstandigheden pas later aan het licht komen – zal de rechter om die reden niet tot een veroordeling komen.
Binnen de politie wordt voorlichting gegeven over de aanpak van criminele uitbuiting, waarbij ook aandacht wordt geschonken aan het non-punishment beginsel. Dit is onderdeel van één van de acties onder actielijn 2 uit het programma Samen tegen mensenhandel. Op deze wijze wordt bewustwording onder politieambtenaren gecreëerd over fluïde vormen van dader- en slachtofferschap. Daarnaast is binnen verschillende opleidingen die betrekking hebben op het thema mensenhandel (onder meer Opsporing Mensenhandel en Migratiecriminaliteit en Zicht op Mensenhandel) aandacht voor het non-punishment beginsel en de beoogde wettelijke verankering ervan. Die brede aandacht voor en bewustwording van het non-punishment beginsel kan eraan bijdragen dat minder slachtoffers angst voelen om met de politie het gesprek aan te gaan.
Meer in het algemeen is het voor de politie van belang om de angst van slachtoffers om met de politie te praten waar mogelijk te verminderen. De politie doet dit door een informatief gesprek met het vermeende slachtoffer te voeren. Tijdens dit gesprek wordt onder meer voorlichting gegeven over het strafrechtelijke proces en de mogelijkheid om niet vervolgd te worden. Daarnaast sluit de politie aan bij driehoekgesprekken via Chat met Fier. Dit zijn gesprekken tussen een slachtoffer van criminele uitbuiting die in beeld is gekomen bij Chat met Fier, een hulpverlener van Chat met Fier en een politiemedewerker. Hierbij wordt informatie verstrekt over het doen van aangifte en de mogelijkheid van non-punishment voor slachtoffers van criminele uitbuiting.
Het Heuni rapport beschrijft diverse best practices om het non-punishmentbeginsel voor minderjarige slachtoffers te versterken.10 Een aantal daarvan is in Nederland reeds verankerd in wetgeving en praktijk, en vastgelegd in de strafvorderingsrichtlijn en de Aanwijzing Mensenhandel. Deze maatregelen bestrijken de fasen van signalering, opsporing en vervolging. Andere best practices sluiten aan bij lopende ontwikkelingen binnen het strafrechtelijk kader, zoals het opstellen van handelingskaders, het aanpassen van opleidingen en het actief delen van kennis met officieren van justitie die met criminele uitbuiting te maken krijgen. Voor zover de best practices de politie betreffen, wordt veel daarvan al in de praktijk gebracht. Zo worden beschermingsmaatregelen getroffen voor kinderen die uitbuiting melden: wanneer een slachtoffer aangifte doet, wordt een Individuele Beoordeling uitgevoerd om veiligheidsrisico’s in te schatten en zo nodig maatregelen te treffen. Daarnaast kan een zorgcoördinator worden ingeschakeld om hulpverlening en bijstand te organiseren. Tot slot benadrukt het rapport het belang van vroege identificatie van minderjarigen als mogelijke slachtoffers. Ter vergroting van het bewustzijn hierover zijn trainingen ingezet, zoals eerder in de beantwoording van deze vraag toegelicht.
Op welke wijze past Nederland de lessen uit de uitspraak van het EHRM inzake V.C.L/A.N.5 waarin het Verenigd Koninkrijk werd veroordeeld voor het schenden van artikel 4 en 6 van het Handvest omdat een slachtoffer van criminele uitbuiting werd veroordeeld voor een drugsdelict terwijl signalen van uitbuiting onvoldoende werden opgevolgd? Komt het in Nederland bijvoorbeeld voor dat een slachtoffer van criminele uitbuiting eerst wordt veroordeeld voor een delict terwijl in een separate strafzaak duidelijk wordt dat er sprake is van slachtofferschap mensenhandel?
Eén van de belangrijkste lessen uit de genoemde uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is dat autoriteiten in een vroeg stadium alert moeten zijn op signalen van uitbuiting. Hier wordt vanuit het Actieplan programma Samen tegen mensenhandel op ingezet, namelijk door de bewustwording van het non-punishmentbeginsel te vergroten bij eerstelijns opsporingsdiensten. Voor hoe hier bij de politie invulling aan wordt gegeven verwijs ik u graag naar het antwoord op vraag 6.
Binnen het Openbaar Ministerie worden eveneens stappen gezet om signalen van criminele uitbuiting breder te onderkennen bij officieren die met deze vorm van uitbuiting in aanraking kunnen komen en hen daarbij een handelingskader aan te bieden. Aanvullend wordt momenteel actief voorlichting gegeven en worden opleidingen van officieren van justitie en rechters aangepast waarbij de al genoemde beoogde modernisering van het mensenhandelartikel (273f Sr), inclusief de wettelijke verankering van het non-punishment beginsel, en de EHRM-jurisprudentie worden betrokken. Tevens wordt in het najaar een e-learning over criminele uitbuiting opgeleverd. Hiermee wordt kennis en bewustwording vergroot. Het is belangrijk te benadrukken dat het slachtoffer van mensenhandel dat zelf wordt verdacht van het plegen van een of meer strafbare feiten, zich altijd ten overstaan van de officier van justitie en de rechter kan beroepen op het non-punishment beginsel. De officier van justitie en rechter beoordelen dan op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden of dit inderdaad aan de orde is. Dat neemt niet weg dat niet uit te sluiten is dat een slachtoffer van criminele uitbuiting eerst wordt veroordeeld voor een delict en een latere separate strafzaak aanwijzingen bevat dat deze persoon ten tijde van het bedoelde delict slachtoffer was van mensenhandel. Daarbij valt in het bijzonder te denken aan situaties waarin het slachtoffer ten tijde van zijn eigen vervolging als verdachte daarover niets heeft verklaard en het strafrechtelijk onderzoek daarvoor op dat moment evenmin aanwijzingen bevat. Bij dat laatste speelt een rol dat onderzoeken naar mensenhandel in de regel meer tijd in beslag nemen, vanwege de aard en complexiteit van het delict. Daarom is het vertrekpunt dat de afdoening van zaken waar mogelijk op elkaar wordt afgestemd, wat betekent dat de strafzaak over mensenhandel waar mogelijk voorafgaat aan de vervolging van andere delicten.
Bent u van mening dat jongeren die vastzitten in de criminaliteit, waaronder van geweld op bestelling, over adequate mogelijkheden beschikken om hulp te krijgen? Welke hulpmiddelen zijn er voor deze jongeren beschikbaar? Ziet u op basis van het genoemde rapport van Heuni6 best practises uit Scandinavië die in Nederland kunnen worden toegepast?
Jongeren die vastzitten in de criminaliteit kunnen rechtstreeks terecht bij het online hulpportaal Keerpunt. Het hulpportaal is een landelijk platform gericht op het bereiken en beschermen van (potentiële) slachtoffers van criminele uitbuiting. Het hulpportaal bestaat uit drie pijlers: een anonieme hulplijn waar slachtoffers (en hun sociale omgeving) laagdrempelig en veilig kunnen chatten met hulpverleners van Chat met Fier; proactieve outreach, waarbij actief (potentiële) slachtoffers worden benaderd die zichzelf als slachtoffers identificeren en hen naar het online platform te bewegen; en een kennisportaal over criminele uitbuiting waar slachtoffers, hun naasten en professionals die in contact staan met deze doelgroep terecht kunnen voor informatie.
Zoals het rapport van Heuni aangeeft is het voor een goede bescherming van jeugdigen die gedwongen worden tot criminaliteit vooral van belang dat dit goed gesignaleerd wordt door zorg- en justitieprofessionals. Daarom zetten we in het kader van het programma Samen tegen Mensenhandel in op bewustwording en deskundigheidsbevordering bij die partijen. Defence for Children, het Rode Kruis en Fier zijn hier actiehouder van. Zo brengen zij onder andere door interviews en casuïstiek van ervaringsdeskundigen in kaart wat verbeterpunten zijn in de signalering, het aangifteproces en hulpverlening voor minderjarige slachtoffers. Door middel van een gratis e-learning, een uitgebreide (maatwerk)training en de campagne Jongeren zijn #GeenBuit worden professionals gemotiveerd en ondersteund om signalen van mensenhandel bij jeugdigen te herkennen en ernaar te handelen. Vanaf 2025 is dat aanbod uitgebreid richting scholen en er is een signalenkaart specifiek over uitbuiting van minderjarige asielzoekers. Tot slot hebben de genoemde projectpartners binnen het Actieplan waar mogelijk ook input gegeven op de ontwikkeling en invulling van andere relevante actielijnen om het perspectief van minderjarige slachtoffers daar eveneens in te brengen en wordt gekeken hoe de verbinding kan worden gelegd met het beleid voor zorg en veiligheid van jeugdigen in brede zin.
Het bericht 'Kanye West mag Verenigd Koninkrijk niet in' |
|
Mirjam Bikker (CU), Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het Verenigd Koninkrijk (VK) Kanye West (Ye) de toegang heeft geweigerd vanwege herhaaldelijke antisemitische uitlatingen en verheerlijking van Hitler?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat deze artiest in juni een optreden in Nederland gepland heeft?
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke wettelijke mogelijkheden u hebt om een buitenlandse artiest de toegang te weigeren of aanvullende voorwaarden te stellen, wanneer sprake is geweest van ernstige haatdragende of extremistische uitingen?
De vrijheden binnen onze democratische rechtsorde zijn een groot goed, waarin fundamentele grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, centraal staan. Hierbij hoort ruimte te zijn voor het openbare debat, kritiek en vormen van activisme binnen de wettelijke kaders. Waar deze grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld bij gedragingen die de democratische rechtsorde ondermijnen of een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid, dient opgetreden te worden. Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten om de fundamentele waarden van onze samenleving te waarborgen en te beschermen. Onderdeel hiervan is het weren van extremistische vreemdelingen die een bedreiging vormen voor de openbare orde en nationale veiligheid, door hen de toegang tot Nederland te ontzeggen dan wel hun verblijfsrecht te beëindigen.
Onder de bevoegdheid van de Minister van Asiel en Migratie is de besluitvorming voor toegangsweigering aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien het visumplichtige derdelanders betreft, ligt de bevoegdheid bij de Minister van Buitenlandse zaken. Ten behoeve van deze taakuitoefening is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) door de Minister van Asiel en Migratie en de Minister van Buitenlandse Zaken gemachtigd om door het gebruik van publiek online openbare bronnen persoonsgegevens te verwerken, met als doel extremistische vreemdelingen te kunnen duiden.
Hierbij wordt bezien of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid.2 Daarnaast wordt ook gebruik gemaakt van andere vormen van beschikbare informatie, bijvoorbeeld van de algemene inlichtingen- en veiligheidsdiensten of van het lokaal bestuur. Indien er sprake is van een bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid kan een vreemdeling worden geweerd door een visum te weigeren, de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem (SIS III) te signaleren voor grensweigering en, waar aan de orde en afhankelijk van de nationaliteit, een ongewenstverklaring dan wel een inreisverbod op te leggen.
Het Verenigd Koninkrijk (VK) heeft voor visumvrije vreemdelingen de Electronic Travel Authorisation (ETA) ingevoerd. Visumvrije personen die geen ETA krijgen, kunnen een visumaanvraag indienen als zij toch het VK willen inreizen. Indien de visumaanvraag geweigerd wordt, dan mag de vreemdeling het VK niet inreizen. Nederland kent een ander systeem. Visumvrije vreemdelingen mogen in beginsel zonder voorafgaande toestemming Nederland inreizen, tenzij er wordt vastgesteld dat niet aan de toegangsvoorwaarden wordt voldaan. Het weren van vreemdelingen die extremistisch gedachtegoed uitdragen, gebeurt in lijn met het toetsingskader rondom het weren van extremistische vreemdelingen.3
Zoals benoemd tijdens het debat Taskforce Antisemitismebestrijding op 21 april jl. wordt momenteel bezien wat binnen de huidige wettelijke kaders mogelijk is ten aanzien van deze casus.
Bent u voornemens om in dit specifieke geval, in navolging van het VK, van deze mogelijkheden gebruik te maken en West de toegang tot Nederland te weigeren?
Zie antwoord vraag 3.
Zo nee, kunt u toelichten hoe het Nederlandse toetsingskader op dit punt verschilt van dat van het VK, en kunt u toelichten waarom het VK in dit geval wel tot weigering is overgegaan?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voorafgaand aan het aangekondigde optreden in Arnhem contact geweest tussen het Rijk, de gemeente Arnhem, politie of andere betrokken instanties over mogelijke veiligheidsrisico’s of maatschappelijke spanningen rond dit concert?
In algemene zin geldt dat de beoordeling van eventuele veiligheidsrisico’s en maatschappelijke spanningen, evenals de besluitvorming over het al dan niet doorgaan van het evenement en de te treffen maatregelen, primair bij de lokale autoriteiten ligt, in het bijzonder de burgemeester als bevoegd gezag.
De Gemeentewet biedt geen grondslag om preventief de vrijheid van meningsuiting te beperken vanwege het verbod op censuur. Het vooraf verbieden van een optreden is daarom alleen mogelijk als er aantoonbaar sprake is van ernstige wanordelijkheden of een concrete en ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Wanneer daarvan geen sprake is, kunnen lokale overheden hun zorgen bespreken met de uitbater van de locatie. Het is vervolgens aan de uitbater om ervoor te zorgen dat extremistische boodschappen geen podium krijgen.
Hoe weegt u in dit soort gevallen de vrijheid van meningsuiting en artistieke vrijheid tegenover de verantwoordelijkheid van de overheid om haatzaaien en normalisering van extremisme tegen te gaan?
De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel recht in Nederland en vormt een belangrijk onderdeel van onze democratische rechtsstaat. De vrijheid van meningsuiting is echter niet onbeperkt; wanneer strafrechtelijke grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld in geval van haatzaaien, discriminatie of het aanzetten tot geweld, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Het is aan het Openbaar Ministerie om in een individueel geval te bepalen of een bepaalde uiting een strafbaar feit oplevert en of strafrechtelijke vervolging opportuun is. Het uiteindelijke oordeel daarover, mede in het licht van de vrijheid van meningsuiting, is aan de rechter.
Het tegengaan van extremisme is een belangrijke verantwoordelijkheid van de overheid. In de Nationale Extremismestrategie 2024–2029 is onderkend dat extremistische aanjagers boodschappen kunnen verspreiden die een dreiging kunnen vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. De aanpak hiervan vraagt om maatwerk, waarbij – afhankelijk van de aard, het bereik en het effect van de uitingen – verschillende instrumenten kunnen worden ingezet. Afhankelijk van de precieze inhoud van een (extremistische) boodschap is een strafrechtelijke aanpak mogelijk.
Het kabinet zet echter niet alleen in op een strafrechtelijke aanpak, maar ook op het eerder herkennen en duiden van extremistische dreigingen. Dat gebeurt onder meer door gerichte informatie- en kennisuitwisseling tussen betrokken partners te versterken. Zo kunnen signalen van radicalisering en extremistische dreiging tijdig worden gedeeld, beter worden beoordeeld en waar nodig leiden tot passende maatregelen. Het doel van de inzet is het beperken van de groei van extremistische groepen, het tegengaan van verspreiding ervan en daarmee het bestrijden van de dreiging voor de democratische rechtsorde. De mate van de dreiging bepaalt de inzet.
Tegelijkertijd vindt deze inzet plaats binnen de kaders van de democratische rechtsstaat, waarbij grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, het uitgangspunt blijven, maar niet onbegrensd zijn. Daarom wordt steeds een afweging gemaakt tussen het beschermen van de openbare orde en nationale veiligheid enerzijds en het waarborgen van het recht op vrijheid van meningsuiting anderzijds.
Bent u bereid te bezien of het huidige juridische instrumentarium voldoende is om op te treden tegen de komst van personen die door hun gedrag of uitingen bijdragen aan antisemitisme of extremistische ideologieën, en zo nodig verbeteringen te verkennen?
Antisemitische uitingen en gedragingen raken niet alleen de veiligheid en vrijheid van Joodse gemeenschappen, maar staan ook haaks op de fundamentele waarden van de democratische rechtsstaat. Het kabinet treedt daarom stevig op tegen antisemitisme. Tegelijkertijd dient onderscheid te worden gemaakt tussen antisemitisme als fenomeen en extremistische ideologieën. Antisemitisme vormt op zichzelf geen afzonderlijke extremistische ideologie, maar kan wel onderdeel zijn van of versterkend werken binnen verschillende extremistische stromingen.
Ten aanzien van personen die een extremistische ideologie aanhangen kan ik het volgende zeggen. Voor mensen die naar Nederland willen komen om hier extremistisch gedachtegoed te verspreiden, en zodoende een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid, is geen plaats. Extremisme ondermijnt onze rechtstaat en onze manier van samenleven. Het kabinet is er dan ook alles aan gelegen om de verspreiding van extremistisch gedachtegoed tegen te gaan.
Het bestaande juridische instrumentarium biedt toereikende mogelijkheden om op te treden tegen extremistische uitingen en gedragingen. Daarbij kan op verschillende wijzen worden ingegrepen, te weten op lokaal niveau of door inzet van het vreemdelingenrecht of het strafrecht.
Indien de spreker een aantoonbaar risico vormt voor de openbare orde, kan de burgemeester op lokaal niveau besluiten om het evenement of de manifestatie vooraf te beperken of te verbieden. Wanneer dit niet het geval is, kunnen lokale overheden hun zorgen over de spreker of het evenement met de uitbater van de locatie bespreken. Het is aan de uitbater zelf om te zorgen dat extremistische boodschappen bij hem geen podium krijgen.
Daarnaast kan op vreemdelingrechtelijk niveau de toegang tot Nederland worden geweigerd door een ongewenstverklaring en/of een signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS III) worden opgelegd, uiteraard indien een individuele casus voldoet aan de criteria die voor toepassing van dergelijke maatregelen gelden. Deze maatregelen vallen binnen de portefeuille van de Minister van Asiel en Migratie.
Bij het plegen van strafbare feiten, zoals uitingen die aanzetten tot haat, geweld of discriminatie of die bijvoorbeeld opruiing of groepsbelediging opleveren, is strafrechtelijk optreden in individuele gevallen mogelijk. Dit is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen aan de hand van de omstandigheden van het geval.
Dit scala aan instrumenten maakt het mogelijk om in verschillende fasen en via verschillende routes effectief op te treden.
Het bericht ‘Nabestaanden krijg geen inzage in rapport zorginstelling na dodelijke gebeurtenis’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Nabestaanden krijg geen inzage in rapport zorginstelling na dodelijke gebeurtenis»?1
Het artikel beschrijft een zeer tragisch verhaal. Een moeder is haar zoon verloren door suïcide. Volgens het artikel worstelde de zoon jarenlang met depressieve gevoelens en psychoses. Uiteindelijk werd hij verplicht opgenomen en behandeld in een GGZ-instelling. Tijdens zijn verblijf in die instelling is hij overleden door zelfdoding. Het grote verdriet van de moeder is invoelbaar en aangrijpend.
Ook vertelt het artikel van Pointer over het onderzoek na de zelfdoding. In de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: Wkkgz) is geregeld wat een zorgaanbieder moet doen na een dergelijke calamiteit. De zorgaanbieder moet een calamiteit onverwijld melden aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ). De zorgaanbieder onderzoekt vervolgens in beginsel zelf de calamiteit. De zorgaanbieder informeert daarbij de nabestaanden over de calamiteit en over de maatregelen die hij naar aanleiding van de calamiteit neemt of zal nemen. Na afronding van het calamiteitenonderzoek door de zorgaanbieder stuurt de zorgaanbieder de gevraagde stukken naar IGJ. Deze stukken worden door de IGJ beoordeeld. Als de IGJ daartoe noodzaak ziet, kan zij zelf onderzoek doen naar de calamiteit.
Niet alle zorgaanbieders verstrekken het calamiteitenrapport aan de nabestaanden, hoewel die daaraan wel behoefte kunnen hebben. Zoals toegezegd in de beleidsreactie op de evaluatie van de Wkkgz is het kabinet van plan om te gaan regelen dat zorgaanbieders nabestaanden actief informeren over het calamiteitenonderzoek en dat de nabestaande recht krijgt op een samenvatting van het calamiteitenrapport, indien hij of zij daarom verzoekt.2
Op welke manier weegt u het belang van het beschermen van een zorginstelling ten opzichte het belang van nabestaanden?
Het kabinet vindt het allebei van belang: enerzijds helderheid voor nabestaanden over wat er is misgegaan en hoe dat kon gebeuren en anderzijds een zorgvuldig calamiteitenonderzoek op basis waarvan de zorginstelling kan leren en verbetermaatregelen kan treffen.
De meeste nabestaanden willen geïnformeerd worden over wat er is misgegaan. Tegelijkertijd kunnen zorgmedewerkers de angst hebben dat volledige openheid voor hen nadelige gevolgen kan hebben. Zo kan bij zorgverleners de vrees bestaan dat het onderzoeksrapport gebruikt gaat worden in een tuchtzaak, om schadevergoeding van de zorgaanbieder te eisen of voor «naming en shaming» via onder meer sociale media. Dat alles kan ertoe leiden dat zij niet of in mindere mate medewerking verlenen aan het onderzoek naar de calamiteit of incidenten helemaal niet meer melden. In dat geval worden de mogelijkheden om te leren niet optimaal benut. Dit komt de kwaliteit van zorg uiteindelijk niet ten goede en is dat ook in het nadeel van (toekomstige) cliënten. Vertrouwen is hierbij dan ook van groot belang.
Klopt het dat nabestaanden dossiers van bijvoorbeeld hun kinderen niet te zien krijgen omdat daar geen toestemming voor is gegeven, maar dat daar ook van tevoren nooit naar is gevraagd?
In principe krijgt niemand anders dan de cliënt zelf informatie over de cliënt of inzage in gegevens uit het medisch dossier, tenzij de cliënt daar toestemming voor geeft. De Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (hierna: WGBO) bevat echter sinds 2020 een bepaling die het inzagerecht voor nabestaanden en voormalig vertegenwoordigers in het medisch dossier van overleden cliënten regelt. Ook als de cliënt tijdens zijn leven geen toestemming heeft gegeven, mag de hulpverlener in sommige situaties inzage in het dossier geven. Dat kan als een nabestaande een mededeling over een incident heeft gekregen (op grond van de Wkkgz) of als iemand een zwaarwegend belang heeft, bijvoorbeeld als er een vermoeden is dat er een medische fout is gemaakt. Diegene moet dan wel aannemelijk maken dat zijn belang wordt geschaad en inzage nodig is om dit belang te beschermen.
Ten aanzien van kinderen is in de WGBO apart geregeld dat als een cliënt is overleden vóór zijn of haar zestiende verjaardag, een hulpverlener aan de persoon die het gezag had over het kind inzage of een kopie van het dossier mag geven als hier om wordt gevraagd.
Bent u bereid te verkennen of het mogelijk is om bij inschrijving bij een zorginstelling toestemming te vragen om familie of naasten inzage te geven in het dossier na mogelijke incidenten, en de Kamer hierover te informeren?
In de WGBO is sinds 2020 al geregeld dat nabestaanden en voormalig vertegenwoordigers gegevens uit het medisch dossier van de overledene mogen inzien als zij een mededeling van een incident hebben ontvangen. Dit recht op inzage of afschrift is beperkt tot gegevens uit het dossier die betrekking hebben op het incident (dus niet voor het hele dossier). Daarnaast kan de cliënt zelf een document (laten) opstellen of mondeling aan de hulpverlener aangeven aan wie welke gegevens uit zijn medisch dossier na zijn overlijden wel of niet verstrekt mogen worden. Dit kan de cliënt bij inschrijving bij de zorginstelling doen, maar ook op een later moment. De cliënt mag zijn of haar toestemming op ieder moment ook weer intrekken. Het kabinet vindt het van belang dat het inzagerecht van nabestaanden zoveel als mogelijk bij leven van de cliënt bespreekbaar wordt gemaakt en desgewenst in het dossier wordt vastgelegd.
Deelt u de opvattingen van Johan Legemaate, voormalig hoogleraar gezondheidsrecht, dat openheid de norm zou moeten zijn, en dat aan die norm nu niet wordt voldaan?
Het kabinet vindt openheid over incidenten en calamiteiten belangrijk. Bij calamiteiten gaat het om niet beoogde of onverwachte gebeurtenissen in de zorg met ernstige gevolgen voor de cliënt: de cliënt overlijdt of heeft ernstige schade. Dan wil je als cliënt, of in dit geval als nabestaande, weten wat er is gebeurd, hoe dat is gebeurd, en welke stappen zijn ondernomen om in de toekomst herhaling te voorkomen.
Na afloop van het calamiteitenonderzoek vindt het kabinet dat de cliënt, diens vertegenwoordiger of nabestaande het recht heeft op een mondelinge terugkoppeling van de bevindingen van het calamiteitenonderzoek, tenzij hij aangeeft daar geen behoefte aan te hebben. Indien de cliënt daar prijs op stelt, moet hij ook een schriftelijke samenvatting kunnen ontvangen van wat precies is onderzocht, wat de uitkomsten van het calamiteitenonderzoek zijn, alsmede de verbetermaatregelen die de zorgaanbieder naar aanleiding van het onderzoek zal treffen. Een voorstel hiertoe zal worden opgenomen in het wetsvoorstel Evaluatiewet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.
Wat is uw reactie op de oproep van de Patiëntenfederatie dat calamiteitenrapporten voor nabestaande openbaar zouden moeten zijn tenzij de cliënt heeft aangegeven dit niet te willen?
Voor het opstellen van een zorgvuldig en leerzaam calamiteitenonderzoek en nuttige verbetermaatregelen is de medewerking van de betrokken zorgverleners onmisbaar. Het kabinet wil voorkomen dat zorgmedewerkers onvoldoende meewerken aan het calamiteitenonderzoek uit angst voor een tuchtzaak, schadevergoeding of «naming en shaming» via onder meer sociale media, of incidenten helemaal niet meer melden. Tegelijkertijd begrijpt het kabinet de behoefte aan transparantie voor de cliënt en nabestaanden bij incidenten en calamiteiten. Daarom wil het kabinet voorstellen dat de zorgaanbieder de cliënt, diens vertegenwoordiger of nabestaande een mondelinge terugkoppeling moet geven over het calamiteitenonderzoek en dat de cliënt recht krijgt op een samenvatting van het calamiteitenrapport indien de cliënt daarom verzoekt. Een voorstel hiertoe zal worden opgenomen in het wetsvoorstel Evaluatiewet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat nabestaanden moeten procederen, om alsnog openheid en informatie te krijgen over de dood van een dierbaren, en dat in die tijd nabestaanden niet kunnen toekomen aan rouwverwerking?
Het kabinet vindt dit inderdaad niet wenselijk. Daarom wil het kabinet voorstellen dat de zorgaanbieder de cliënt, diens vertegenwoordiger of nabestaande een mondelinge terugkoppeling moet geven over het calamiteitenonderzoek en dat de cliënt recht krijgt op een samenvatting van het calamiteitenrapport indien de cliënt daarom verzoekt. Een voorstel hiertoe zal worden opgenomen in het wetsvoorstel Evaluatiewet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.
Deelt u de mening dat gemeenten die verantwoordelijk zijn voor de zorg altijd inzage zouden moeten hebben in calamiteiten en rapporten als het ernstige tekortkomingen of de dood van een cliënt betreft? Zo niet, hoe verwacht u dan dat gemeente volledige verantwoordelijkheid kunnen dragen voor de kwaliteit van de zorg waar zij verantwoordelijk voor zijn gemaakt?
Indien er een calamiteit en/of geweldsincident heeft plaatsgevonden bij een aanbieder van een Wmo-voorziening, dan is de aanbieder, op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), verplicht hiervan een melding te maken bij de toezichthoudend ambtenaar van de gemeente.
Gemeenten hebben, om aan hun verantwoordelijkheden in het kader van de Jeugdwet en de Wmo 2015 te voldoen, (doorgaans) echter geen inzage nodig in het (volledige) rapport. Het is wel wenselijk dat zij door de aanbieder voor zover noodzakelijk op de hoogte worden gesteld van de hoofdlijnen en verbeter-maatregelen die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen. Gemeenten kunnen hierover afspraken maken met de aanbieders.
De uitwerking van een capaciteitsmechanisme om de voorzieningszekerheid van elektriciteit te borgen en de rol van kolencentrales |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe het tijdspad eruitziet voor het invoeren van de capaciteitsmarkt voor de leveringszekerheid van elektriciteit, zoals afgesproken in het coalitieakkoord? Welke concrete stappen moeten nog worden gezet en binnen welke termijn verwacht u dat het capaciteitsmechanisme operationeel kan zijn?
Zoals in het coalitieakkoord is opgenomen, zet het kabinet in op een capaciteitsmarkt om de voorzieningszekerheid van elektriciteit te borgen. Op dit moment werkt het kabinet aan de uitwerking van het tijdspad en de benodigde stappen hiervoor. Het kabinet beoogt voor de zomer een brief over voorzieningszekerheid van elektriciteit naar uw Kamer te sturen. In deze brief zal nader worden ingegaan op het tijdspad en de benodigde concrete stappen.
Op welke manier wordt bij het ontwerp van het capaciteitsmechanisme rekening gehouden met de voorschriften uit Verordening (EU) 2019/943, met name ten aanzien van de CO2-emissienormen voor elektriciteitscentrales uit artikel 22 lid 4?
Het kabinet bekijkt momenteel hoe de afspraak uit het coalitieakkoord over introductie van een capaciteitsmarkt het beste kan worden vorm gegeven. Hierbij wordt rekening gehouden met de CO2-emissienormen voor elektriciteitscentrales en andere voorschriften uit Verordening (EU) 2019/943. In de eerdergenoemde brief over het capaciteitsmechanisme zal dit onderdeel worden toegelicht.
Klopt het dat deze verordening voorschrijft dat energiecentrales alleen mogen deelnemen aan een capaciteitsmechanisme indien zij minder dan 550 g CO2 per kWh uitstoten en gemiddeld minder dan 350 kg CO2 per kW geïnstalleerd vermogen per jaar?
Ja. Of cumulatief aan beide voorwaarden moet worden voldaan zal worden nagevraagd in gesprekken met de Europese Commissie tijdens de verdere uitwerking van het capaciteitsmechanisme.
Kunt u bevestigen dat het kabinet bij de verdere vormgeving van aanvullend beleid voor leveringszekerheid van elektriciteit blijft streven naar de beste balans tussen maatschappelijke kosten en baten, zoals eerder aangegeven in Kamerstuk 29 023, nr. 570?
Ja, dat kan ik bevestigen.
In hoeverre zal er bij de inrichting van de capaciteitsmarkt aansluiting worden gezocht bij hoe een dergelijk mechanisme in ons omringende landen zoals België al is ingericht?
Het kabinet vindt het belangrijk om de ontwikkelingen van omringende landen zoals België aandachtig te volgen, zoals ook benadrukt in de Kamerbrief van mei 20251. De concrete inrichting van een capaciteitsmarkt en keuzes die daaruit voortvloeien, worden momenteel uitgewerkt en zullen worden toegelicht in de aanstaande Kamerbrief.
Welke mogelijkheden ziet u om bij de verdere uitwerking van een capaciteitsmechanisme rekening te houden met de rol van bestaande kolencentrales in de voorzieningszekerheid van elektriciteit, zoals dat o.a. ook in België is gedaan?
Volgens Europese verduurzamingseisen als onderdeel van de staatssteunregels waaraan een capaciteitsmechanisme moet voldoen, zijn volledig kolengestookte centrales uitgesloten van deelname aan dit mechanisme. Deze verordening geldt voor alle lidstaten waardoor volledig kolengestookte centrales geen onderdeel van het Belgische capaciteitsmechanisme zijn, of kunnen worden van een Nederlands capaciteitsmechanisme.
Wel zijn andere vormen van regelbaar vermogen, zoals gas-, waterstof- en biomassacentrales toegestaan. Gelet op de Europese verduurzamingseisen en het beginsel van technologieneutraliteit, kunnen kolencentrales deelnemen aan het capaciteitsmechanisme indien zij voldoen aan de CO2-eisen. Dit kan door bijvoorbeeld gebruik te maken van een andere brandstof zoals biomassa.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om het capaciteitsmechanisme zo in te richten dat deze centrales alleen in aanmerking komen voor deelname aan een capaciteitsmechanisme indien zij voldoen aan strenge emissie-eisen zoals die uit de genoemde Europese Verordening, waarmee een in aanmerking komende centrale minstens zo schoon dient te zijn als het uitstootniveau van een gascentrale?
Zie antwoord vraag 6.
Is het mogelijk om het capaciteitsmechanisme flexibel vorm te geven zodat ook innovatieve technologieën, zoals waterstofcentrales of batterijsystemen, kunnen bijdragen aan de leveringszekerheid?
Ja. Een capaciteitsmechanisme moet technologieneutraal zijn. Het is mogelijk om in het ontwerp van een capaciteitsmechanisme keuzes te maken die gelijkwaardige deelname van CO2-vrije technologieën zoals vraagrespons en energieopslag (o.a. via batterijsystemen) stimuleren.