Het bericht ‘OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen’ |
|
Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Bruggen , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u aangeven hoeveel vrijstellingen voor thuisonderwijs er in de afgelopen jaren zijn geweest en waar deze cijfers op berusten?
De Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw) kent drie vrijstellingen voor de plicht van ouders2 hun kind als leerling in te schrijven op een school. Deze vrijstellingen volgen uit artikel 5 Lpw, en houden kort samengevat in dat een kind wordt vrijgesteld, wanneer a) deze om lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is voor het onderwijs, b) de ouders overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen, en c) het kind al staat ingeschreven op een school in het buitenland en hier ook regelmatig heengaat. Ouders met een 5(a)- of 5(b)-vrijstelling kunnen ervoor kiezen om thuisonderwijs te geven, maar er bestaat geen «vrijstelling voor thuisonderwijs».
In het schooljaar 2024–2025 waren er 2860 5(b)-vrijstellingen. Deze cijfers berusten op de leerplichttelling.3 Het is niet bekend of er bij al deze vrijstellingen ook vervangend (thuis)onderwijs wordt geboden.
Klopt het dat de specifieke categorie van de vrijstelling in verband met de bescherming van persoonsgegevens niet mag worden geregistreerd en wat betekent dit in de praktijk voor het verzamelen van gegevens door gemeenten en DUO?2
Dit klopt niet. De Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) belet niet dat deze gegevens worden geregistreerd. Artikel 6 Lpw schrijft voor dat ouders aan de gemeente waarin zij wonen kennisgeven op welke grond zij menen een beroep te mogen doen op een vrijstelling. Indien zij een beroep doen op de 5(b)-vrijstelling moet die kennisgeving de verklaring bevatten dat er overwegende bedenkingen bestaan tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden.
In het kader van hun toezichthoudende taak moeten de leerplichtambtenaren van de gemeente, als een kind niet is ingeschreven op een school, kunnen vaststellen of er beroep op vrijstelling is gedaan en zo ja, of is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het doen van beroep op vrijstelling. Hiervoor is het bewaren van genoemde kennisgevingen en verklaringen noodzakelijk. In dit verband verwijs ik naar een recente uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, waarin de rechtbank het standpunt dat de gemeente voor het bewaren van de verklaring over de richtingbezwaren geen beroep kon doen op de wettelijke plicht tot verwerking als bedoeld in de AVG, verwierp.5 De rechtbank achtte het bewaren van de verklaring noodzakelijk, evenredig, proportioneel en evenwichtig.
DUO registreert dat een leerling een vrijstelling heeft op grond van artikel 5 Lpw, maar niet of dit is op grond van onderdeel a, b of c. DUO maakt dus niet de koppeling op persoonsniveau tussen de leerling en de reden van vrijstelling. Voor de leerplichttelling baseert DUO zich op informatie van de leerplichtambtenaren die per gemeente het totaal aantal vrijstellingen doorgeven. Hierbij wordt wel een uitsplitsing gemaakt per onderdeel a, b, of c, maar omdat dit om totalen gaat, is er geen sprake van gegevensverwerking.
Klopt het dat de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet register onderwijsdeelnemers nog niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, wanneer wordt deze opgeleverd en wordt daarin ook aandacht besteed aan de vrijstellingen van de inschrijvingsplicht?
Dat klopt. In het derde kwartaal van dit jaar wordt deze evaluatie gestart en de uitkomsten worden in de eerste helft van 2027 verwacht. Op dit moment is nog niet precies vastgelegd op welke elementen deze evaluatie precies ziet. Uw suggestie wordt meegenomen in de besluitvorming hierover.
Onderkent u dat volgens de oorspronkelijke bedoeling van de huidige wet voldaan wordt aan de vereiste kennisgeving op grond van de artikelen 5, aanhef en onder b, 6 en 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 indien ouders bij de kennisgeving de feitelijke verklaring voegen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning, onder andere duidelijk blijkend uit het door het Ministerie van OCW uitgegeven modelformulier van 12 juli 1995 dat nog opnieuw door u onder de aandacht is gebracht bij de VNG op 2 juni 2016? Constateert u dat de huidige jurisprudentie feitelijk gezien bijzonder ver verwijderd is geraakt van dit oorspronkelijke uitgangspunt?
Het modelformulier waarnaar wordt verwezen in de vraagstelling is een hulpmiddel voor gemeenten en heeft geen juridische status. In dat formulier uit 1995 werd ouders verzocht een feitelijke verklaring te geven dat zij overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning.
In de Nederlandse rechtsstaat is de rechter bevoegd tot interpretatie van wetten en regels en langs die weg wordt het positieve recht mede vormgegeven. Die interpretatie kan door de jaren heen veranderen, omdat juridische of maatschappelijke ontwikkelingen daartoe nopen. Mede daarom bevat de wet (bewust) abstracte termen, die in de rechtspraktijk nader vorm krijgen. Zo kan het recht meebewegen met de tijd. Het arrest van de HR van 21 april 2026 is daar een goed voorbeeld van. Het arrest geeft duidelijkheid over de wijze waarop de Lpw moet worden uitgelegd en toegepast.
Bent u bekend met het feit dat volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vrijstelling van de inschrijvingsplicht rechtstreeks voortvloeit uit de wet indien de kennisgeving de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Leerplichtwet en dat het college van de gemeente daarom niet bevoegd is een inhoudelijke beslissing te nemen?3
Ik ben bekend met deze jurisprudentie over het van rechtswege ontstaan van de vrijstelling. Deze jurisprudentie betreft slechts de afbakening van de bevoegdheid van de bestuursrechter ten opzichte van die van de strafrechter. Er is dus geen sprake van verschillende inhoudelijke lijnen in de rechtspraak over de voorwaarden waaronder een vrijstelling ontstaat.
Hoe gaat u om met de situatie dat twee hoogste nationale rechterlijke instanties een verschillende lijn hanteren ten aanzien van deze vrijstelling op grond van de Leerplichtwet en vraagt de zorgvuldigheid in zulke uitzonderlijke situaties niet dat bij uitstek de wetgever eerst duidelijkheid schept om de impasse in de praktijk te doorbreken?
De redenering van de Hoge Raad is gebaseerd op een uitvoerige analyse van de reeds ingezette perspectiefwisseling ten aanzien van de rechten van het kind. De Hoge Raad baseert zich daarbij vooral op internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke bepalingen. De Hoge Raad is bevoegd om een eerder standpunt aan te scherpen. In de praktijk waren er veel vragen over het bestaande toetsingskader en de manier waarop die zou moeten worden toegepast, die leidden tot verschillende procedures bij verschillende gemeenten. De Hoge Raad heeft met het recente arrest het toetsingskader willen verduidelijken en aanscherpen.
Kunt u aangeven in hoeverre er volgens u sinds het standaardarrest van de Hoge Raad van 2019 nieuwe ontwikkelingen in de Europese en internationale jurisprudentie zijn geweest als het gaat om de positie van het kind met betrekking tot thuisonderwijs en welk arrest van het EHRM dat nadien gewezen is, zou grond vormen voor een striktere lijn ten aanzien van thuisonderwijs? Klopt het dat de Hoge Raad enkel verwijst naar jurisprudentie die zelfs voor het arrest van 2019 al lang bekend was?4
Ik ben bekend met de jurisprudentie waarin het EHRM heeft geoordeeld dat staten beoordelingsruimte hebben bij het bepalen of zij thuisonderwijs toestaan.8 Het EHRM heeft in diezelfde jurisprudentie benadrukt dat het niet in strijd is met het EVRM om thuisonderwijs te verbieden of om dit niet actief mogelijk te maken. Nederland kan hierin een eigen afweging maken.
Onderkent u dat staten volgens de jurisprudentie van het EHRM de beoordelingsvrijheid hebben om een regeling voor thuisonderwijs te treffen die recht doet aan het belang van ouders en kinderen en dat het uitsluiten van thuisonderwijs in andere landen, zoals bijvoorbeeld aan de orde is in de zaak Konrad/Duitsland, dus niet betekent dat Nederland die lijn zou moeten volgen?5
De Hoge Raad is bevoegd om de Lpw te interpreteren. Die interpretatie vindt plaats met inachtneming van de voor de rechtsvraag relevante juridische context. Het is aan de rechter om te bepalen op welke wijze die interpretatie plaatsvindt, wat het resultaat daarvan is en hoe die wordt gemotiveerd. Het recht op onderwijs van het kind is als zodanig niet expliciet in het nationale recht neergelegd. In artikel 2 EP EVRM is het recht op onderwijs én het ouderlijk opvoedingsrecht wel neergelegd. De kern van de zaak werd uiteindelijk gevormd door de verhouding tussen die twee rechten en daar sluit de HR bij aan. Daarover is ook jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voorhanden, waarnaar de Hoge Raad verwijst. De Hoge Raad betrekt overigens ook het nationale recht, voor zover hij verwijst naar de mogelijkheid om particuliere scholen te stichten waar de leerplicht kan worden vervuld.
Ik volg de stelling dat het thuisonderwijs en de vrijstelling onder de Grondwet een status hebben die niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen niet. Bij de invoering van de Lpw in 1969 is thuisonderwijs als onderwijsvorm juist afgeschaft. Van een vanzelfsprekende status van het thuisonderwijs was dus allerminst sprake. Dat geldt ook voor de vrijstelling. Hoewel het geven van thuisonderwijs in het wetsontwerp van de Lpw 1969 nog was opgenomen als vrijstellingsgrond, is deze mogelijkheid in de definitieve wet vervallen. Hierbij was geen overweging dat het thuisonderwijs een zo vanzelfsprekende status had dat het niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen in de wet.
Hoe beoordeelt u dat de Hoge Raad een fundamentele verschuiving in de verhouding tussen grondrechten doorvoert zonder enige aandacht te besteden aan de status die deze vorm van onderwijs volgens onze Grondwet toekomt en hoe deze ontwikkeling past binnen de Grondwet en hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat het thuisonderwijs en de vrijstelling volgens de literatuur onder de Grondwet een zodanig vanzelfsprekende status hebben dat dit niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen?6
Ik deel niet dat de Hoge Raad relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing heeft gelaten. Daarbij heeft de Hoge Raad in zijn arrest rekenschap gegeven van de vrijheid van onderwijs uit artikel 23 Grondwet door te wijzen op de mogelijkheden voor ouders om geschikt onderwijs te kiezen voor hun kind en de mogelijkheid om particuliere scholen te stichten.11
Wanneer de veroordeelde meent dat de Hoge Raad een oordeel heeft gegeven dat in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, kan diegene hierover een klacht indienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de vorm van een verzoekschrift. Indien deze klacht slaagt, kan een verzoek tot herziening bij de Hoge Raad worden gedaan op grond van artikel 457, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.
Hoe beoordeelt u in rechtsstatelijke zin dat een strafrechtelijk oordeel in hoogste nationale instantie wordt gegeven waarin kennelijk relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing worden gelaten en welke mogelijkheden tot herstel zijn er in situaties waarin de Hoge Raad een misslag heeft begaan en men daardoor in de praktijk direct voor grote moeilijkheden komt te staan?
Alleen wanneer er een 5(b)-vrijstelling is ontstaan, is er geen sprake van een strafbaar feit en kan niet worden toegekomen aan de vraag of er van een strafuitsluitingsgrond (rechtvaardigingsgrond dan wel schulduitsluitingsgrond) van toepassing zou kunnen zijn. Er is dan namelijk geen verplichting om te handelen in lijn met artikel 2 Lpw, zodat een overtreding daarvan ook niet mogelijk is.
Ik deel dat zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie.
Vindt u ook dat gezien de duidelijke bedoeling van de wetgever met de systematiek van de Leerplichtwet het huidige artikel 5, aanhef en onder b, eerder als een rechtvaardigingsgrond dan als een strafuitsluitingsgrond gezien zou moeten worden, gelet op het feit dat het handelen van ouders bij het juiste, wettelijke gebruik van de kennisgeving door de wetgever volledig gelegitimeerd wordt? Bent u ook van mening dat hoe dan ook grote zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie van een dergelijke bepaling, gelet op de grote consequenties die deze heeft voor ouders en kinderen?
De rechtsgelijkheid en rechtszekerheid worden gewaarborgd omdat het arrest voor alle gemeenten geldt, ook in lopende zaken. Ook hebben de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Ingrado naar aanleiding van het arrest een handreiking opgesteld.12 De handreiking biedt duidelijkheid aan gemeenten en leerplichtambtenaren.
Wat betekent het recente arrest van de Hoge Raad voor rechtszaken die op dat moment reeds aanhangig waren en hoe worden de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers gewaarborgd?
Uit de Grondwet volgt dat onderwijs een voorwerp van aanhoudende zorg van de regering is en dat het geven van onderwijs vrij is. Hieruit vloeit concreet voort dat de overheid zorg draagt voor een toegankelijk stelsel met voldoende openbaar onderwijs en dat het stichten van een school naar de eigen richting mogelijk is en een dergelijk initiatief vanuit de overheid gefinancierd kan worden. Het onderwijs op openbare scholen is levensbeschouwelijk neutraal. Van deze uitgangspunten wordt in het arrest van de Hoge Raad rekenschap gegeven. Overigens is in Nederland 31% van de basisscholen openbaar, 30% van de scholen is katholiek, 30% protestants-christelijk en 9% heeft een andere denominatie.13 Voor 98% van de leerlingen (po en vo) geldt dat er een openbare school op redelijke afstand beschikbaar is.
Hoe is de opvatting van de Hoge Raad te verenigen met de bestendige uitleg van artikel 23 van de Grondwet dat burgers niet gedwongen kunnen worden onderwijs te volgen dat niet in overeenstemming is met een specifieke, positieve eigen overtuiging?
Het is niet aan het kabinet om rechterlijke uitspraken te becommentariëren. De door de Hoge Raad gehanteerde criteria volgen uit Europese jurisprudentie.14
De brede vorming die we van elke school verwachten in het kader van burgerschapsonderwijs (en dus ook openbare) komt terug in de wettelijke vereisten om onder andere kennis over en respect bij te brengen voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap en seksuele gerichtheid.
Vindt u het pedagogisch gezien acceptabel dat de Hoge Raad het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is enkel benadert vanuit de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht en op welke wijze komt hierin de brede vorming tot uitdrukking die in het kader van burgerschapsonderwijs juist van alle scholen verwacht wordt?
Ik zie geen noodzaak tot een dergelijke verkenning. Het uitgangspunt is dat openbare scholen hieraan voldoen. In de wet is immers bepaald dat openbare scholen toegankelijk zijn voor leerlingen van alle achtergronden en dat het onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.15 Scholen worden hierop gecontroleerd door de Inspectie van het Onderwijs.
Zoals aangekondigd stuur ik u spoedig een kamerbrief over artikel 5(b) Lpw, waarbij ook het arrest van de Hoge Raad wordt meegenomen. Een aanvullende verkenning acht ik niet noodzakelijk.
In hoeverre noopt het criterium van de Hoge Raad dat het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is op een objectieve, kritische en pluralistische manier dient te gebeuren tot een verkenning of en hoe dat daadwerkelijk gebeurt en bent u bereid om, in lijn met het arrest, te verkennen of specifieke uitzonderingen en vrijstellingen in de huidige regelgeving toereikend zijn?
Ja, ik kan deze vragen afzonderlijk beantwoorden en de antwoorden met u delen voor ik de brief stuur.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en voordat de aangekondigde brief over dit onderwerp naar de Kamer wordt verstuurd?
De uitspraken van de minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) op 4 juni 2026 |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat u tijdens het commissiedebat heeft gesteld dat er circa € 7 miljard beschikbaar is voor onder andere ouderenhuisvesting?
Ik heb aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet Jetten van 2029 tot en met 2035 € 7 miljard beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland. Hier valt ouderenhuisvesting ook onder. Zoals ik ook eerder in debatten richting uw Kamer heb aangegeven, zijn er veel ambities en dient het bedrag van € 7 miljard verdeeld te worden. Hier ben ik op dit moment mee bezig. Ik verwacht uw Kamer daar in september over te informeren.
Klopt het dat deze middelen onderdeel zijn van een bredere investering in betaalbare woningbouw en niet specifiek zijn geoormerkt voor ouderenhuisvesting?
Het klopt dat de € 7 miljard bedoeld is voor de woningbouwopgave, waar ouderenhuisvesting ook zeker onderdeel van is. Dat deel van de bouwopgave heeft mijn volle aandacht. Ik verwijs u terug naar mijn antwoord op vraag 1 voor een nadere toelichting.
Bent u ervan op de hoogte dat deze middelen pas vanaf 2029 beschikbaar zijn (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029 t/m 2035) en dus slechts beperkt doorwerken richting 2030? En klopt het dat dit kabinet deze middelen in de budgettaire bijlage feitelijk alleen t/m 2030 heeft staan en niet verder heeft doorberekend?
Ja, daarvan ben ik op de hoogte. Daarbij is het van belang op te merken dat naast de middelen die vanaf 2029 beschikbaar komen (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029–2035), er ook nog woningbouwmiddelen resteren vanuit het kabinet Schoof in de periode tot en met 2030. Hiervan staat nog € 420 miljoen gereserveerd voor geclusterde en zorggeschikte woningen t/m 2030, onder de post «opslagen» binnen de Realisatiestimulans. Deze middelen zijn beschikbaar voor zowel ouderen als aandachtsgroepen. Ten aanzien van uw tweede vraag merk ik op dat de budgettaire bijlage zowel een overzicht tot en met 2030, als een meerjarig overzicht voor de periode 2031–2035 bevat. In dat laatste overzicht staat de reeks van € 1 miljard per jaar voor betaalbare woningen ook opgenomen.
Hoe reflecteert u, in het licht van het voorgaande, op uw uitspraken dat er «miljarden beschikbaar zijn» voor ouderenhuisvesting, terwijl deze middelen grotendeels na 2029 beschikbaar komen?
De door mij genoemde «miljarden» zien op de totale woningbouwopgave, waarvan ouderenhuisvesting onderdeel uitmaakt. Zowel tot en met 2030 als voor de periode tot en met 2035 staan hier dus middelen voor gereserveerd. Dat zijn de middelen die dit kabinet extra beschikbaar stelt voor woningbouw (7 * € 1 miljard), aanvullend op de middelen die reeds beschikbaar zijn gesteld door het vorige kabinet.
Bent u, gelet op het voorgaande, bereid uw uitspraken over de beschikbaarheid van «miljarden» voor ouderenhuisvesting te rectificeren en in uw beantwoording helder en feitelijk uiteen te zetten welke middelen er daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030? En hoeveel er in totaal beschikbaar is ná 2030 en per jaar?
Ik zie geen aanleiding om mijn eerdere uitspraken te rectificeren of terug te nemen. De door mij genoemde «miljarden» zien op de totale woningbouwopgave, waarvan ouderenhuisvesting onderdeel uitmaakt en wat mijn volle aandacht heeft.
Voor geclusterde en zorggeschikte woningen is € 420 miljoen beschikbaar in de periode 2027 tot en met 2030 binnen de post «opslagen» van de Realisatiestimulans. Dit bedrag is inzetbaar voor ouderen en andere aandachtsgroepen. Dit bedrag komt bovenop de reeds beschikbare gestelde middelen voor de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW). De middelen voor deze laatste regeling staan op de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. In 2026 staan nog tranches open voor deze regelingen voor respectievelijk € 40 en € 80 miljoen. Over het mogelijk beschikbaar stellen van middelen voor ouderenhuisvesting na 2030 dient nog besluitvorming plaats te vinden. Hierover verwacht ik uw Kamer te informeren in september.
Klopt het dat het grootste deel van de € 5 miljard voor woningbouw van het vorige kabinet niet naar ouderenhuisvesting is gegaan, omdat daarvoor een separate ouderenenveloppe bestond? En zo ja, waarom verwacht u dat de huidige middelen voor betaalbare woningbouw wél substantieel ten goede zullen komen aan ouderenhuisvesting?
Het Kabinet-Schoof heeft middelen gereserveerd voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans voor de periode 2027–2030. Het resterende budget bedraagt € 420 miljoen euro. Daarnaast heeft het kabinet-Schoof structurele middelen gereserveerd voor de ouderenzorg op de aanvullende post, oplopend tot € 470 miljoen euro per jaar vanaf 20301. Het Kabinet-Jetten heeft deze enveloppe van € 470 miljoen geschrapt in het coalitieakkoord. In het coalitieakkoord is € 7 miljard gereserveerd voor woningbouw in de periode 2029–2035. Over het mogelijk beschikbaar stellen van deze middelen voor ouderenhuisvesting dient nog besluitvorming plaats te vinden. Hierover verwacht ik uw Kamer te informeren in september.
Waar in de Voorjaarsnota of suppletoire begroting is de genoemde € 80 miljoen voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) terug te vinden? En indien deze middelen niet expliciet terug te vinden zijn, hoe verklaart u dit en waarom presenteert het kabinet dit als reeds geregeld?
Voor het scheiden van wonen en zorg in de ouderenzorg zijn transitiemiddelen ter beschikking gesteld. Van deze transitiemiddelen is voor de periode 2023 t/m 2026 € 312 miljoen beschikbaar om subsidieaanvragen te kunnen honoreren. De feitelijke uitgaven vinden in latere jaren plaats. Deze uitgaven verlopen via de begroting van VWS. Voor de ronde 2026 is het budgetplafond vastgesteld op € 80 miljoen2.
Kunt u toelichten welke financiële reeks u bedoelde in het debat en of dit bijvoorbeeld de € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten» betreft? En zo ja, hoeveel draagt dit bij aan de doelstelling van 290.000 woningen?
Met de € 40 miljoen verwees ik naar het budget voor de SOO in 2026. Aangevuld met het budget van € 80 miljoen voor de SZGW in 2026 verwacht ik dat dit voldoende financiële ondersteuning zal zijn om in de opgave voor ouderenhuisvesting te voorzien in 2026. Mijn opdracht vanuit het coalitieakkoord is om voldoende nieuwe woonvormen te realiseren en voor de financiële ondersteuning bij deze opgave maak ik gebruik van de beschikbare woningbouwmiddelen. Het gaat daarbij dus niet om de beschikbare gestelde € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten».
Kunt u bevestigen dat dit kabinet middelen uit de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrijvallen en dat deze daarmee niet langer beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting? En klopt het dat de omvang van deze vrijval in de jaren 2026–2030 in totaal rond de € 1 miljard is?
Het klopt dat het kabinet de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrij vallen. Het gaat daarbij om de volgende reeks:
2027
2028
2029
2030
Structureel
Vrijvallen resterende envelop ouderenzorg1
– 8
– 321
– 320
– 470
– 470
bedragen in miljoen euro
De benodigde middelen voor de verzorgingshuizen zoals het vorige kabinet die had beoogd, hingen voor een belangrijk deel samen met het zorgconcept. Het scenario uit het onderzoek van PwC naar de moderne verzorgingshuizen ging uit van de situatie dat er zorg- en welzijnspakketten nodig zouden zijn die vergelijkbaar zouden zijn met de oude ZZP 2 en ZZP 3 pakketten. PwC gaf hierbij aan dat «Door te werken volgens de traditionele urennormen zou de zorginzet voor ouderen in verzorgingshuizen aanzienlijk toenemen, vergeleken met de ondersteuning die zij momenteel ontvangen. De doelgroep heeft een latente zorgbehoefte, en het is dus ook aannemelijk dat zij meer zorg en ondersteuning nodig hebben dan zij nu ontvangen. Dit biedt echter ook een kans om delen van de zorgbehoefte op alternatieve manieren in te vullen, en goede voorbeelden van werkwijzen die in de tussentijd ontwikkeld zijn integraal mee te nemen in een «verzorgingshuis nieuwe stijl»». Omdat het vooral gaat om het uitbreiden van de woonvormen die reeds worden gebouwd, is het de vraag of de zorgvraag per saldo zal toenemen. Een onderdeel van de plannen was daarnaast om in te zetten op gemeenschapsvorming in woonvormen. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft daarover al aangegeven dat ze onderzoekt of gemeenschapsvorming in woonvormen kan worden betrokken bij de aanvullende HLO-afspraken op grond van het coalitieakkoord. Ten slotte, was een deel van de middelen bestemd voor de woningbouw. Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Hoeveel ouderenwoningen kunnen volgens uw eigen ramingen worden gerealiseerd met de middelen die daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030?
Er is reeds subsidie verschaft aan ontmoetingsruimten bij ca. 29.000 geclusterde woningen voor ouderen (hoofdzakelijk in het betaalbare segment) en voor ca. 7866 zorggeschikte woningen (in de sociale huur) subsidie aangevraagd. In 2026 zijn de regelingen SOO en SZGW opnieuw opengezet voor in totaal € 120 miljoen waarmee middelen beschikbaar zijn om geclusterde woningen en zorggeschikte woningen voor ouderen van subsidie te kunnen voorzien. Ik verwacht met de beschikbare middelen in 2027 tot en met 2030 een bijdrage te kunnen leveren aan een groot aantal extra geclusterde en zorggeschikte woningen voor ouderen en aandachtsgroepen, waarvan het grootste gedeelte voor ouderen zal worden ingezet. Een exacte raming kan ik in dit stadium niet geven, omdat ik nog uitwerk via welke regelingen deze middelen worden besteed. Ik verwacht uw Kamer hier verder over te informeren in september.
Hoe verhouden de structurele middelen van dit kabinet zich tot de structurele middelen uit het vorige kabinet? En hoe verhoudt dit aantal zich tot de verwachte realisatie op basis van de middelen van het vorige kabinet?
Dit kabinet heeft, net als het vorige kabinet, geen structurele middelen beschikbaar gesteld voor de woningbouwopgave, maar heeft wel middelen ingezet om de woningbouw tot en met 2035 te ondersteunen. Het is aan een volgend kabinet om te bezien in welke mate financiële ondersteuning na 2035 nodig is. Voor het inzicht in de beschikbare middelen en de realisaties die hiermee ondersteund worden verwijs ik u verder naar de antwoorden op vraag 3 en 10.
Klopt het dat de huidige realisatiegraad aanzienlijk achterblijft bij de benodigde jaarlijkse productie om de doelstelling te halen? In hoeverre acht u het realistisch dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen in 2030 wordt gehaald gezien de huidige voortgang en financiële kaders van dit kabinet?
Ik heb uw Kamer een voortgangsbrief ouderenhuisvesting gestuurd, waar ik inga op de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen. Ook ga ik in deze brief in op de knelpunten die ik zie bij de realisatie van deze opgave, en geef ik een overzicht van hoe ik werk aan bijpassende financiële ondersteuning.
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting uit het coalitieakkoord, de vorige en huidige begrotingen en de suppletoire begrotingen integraal en inzichtelijk worden gemaakt, inclusief tijdpad en bestemming tot en met 2030?
Ja, ik zal bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een dergelijke bijlage bijvoegen. De bijlage is in hoofdopzet reeds gereed, alleen het kasritme dient nog te worden afgestemd met de meest actuele begroting, zodat deze in lijn wordt gebracht met de geldende begrotingssystematiek en de uitwerking van de betreffende subsidieregelingen.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken te beantwoorden?
Ja.
De PPWR en de consequenties voor composteerbare verpakkingen |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van producenten van composteerbare en biobased verpakkingen over de gevolgen van de Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR)?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Herkent u dat een aantal biologisch afbreekbare materialen niet is ingedeeld in recyclingcategorieën binnen de PPWR en door sorteerders en recyclers wordt geweigerd in zowel de PMD- als de papierketen?
Op basis van deze Europese verordening moeten alle verpakkingen per 2030 recyclebaar zijn. Daarna worden de eisen van wat als recyclebaar telt in de tijd steeds strenger. In de PPWR wordt recyclebaarheid bepaald voor verpakkingscategorieën (bv. houten verpakkingen) op een indicatieve lijst aan de hand van eigenschappen van de verpakking (bv. uit hoeveel verschillende materialen de verpakking is gemaakt). Niet alle materialen zijn ingedeeld in deze indicatieve lijst. De Europese Commissie (verder: Commissie) heeft de bevoegdheid deze lijst te wijzigen, bijvoorbeeld vanwege nieuwe materiaalontwikkelingen.
De indicatieve lijst houdt geen rekening met nationale verwerkingsmethoden, maar is een algemene lijst met materialen met als doel design-for-recycling te harmoniseren. Of een verpakking wel of niet op de indicatieve lijst staat, staat dus los van of een verpakking in Nederland wel of niet bij het pmd-afval of in de papierbak weggegooid mag worden. In Nederland bestaan voor inwoners wel/niet lijsten die aangeven in welke afvalbak een bepaald product mag. Het kan zijn dat de huidige wel/niet lijsten ertoe leiden dat bepaalde producten niet in het pmd-afval of in de papierbak mogen. Producenten van verpakkingen kunnen afspraken maken met gemeenten, inzamelaars, sorteerders en verwerkers om de wel/niet lijst aan te passen. Zo is in 2026 de wel/niet lijst voor pmd-afval aangepast zodat koffiecapsules ook bij het pmd-afval mogen.
Deelt u de analyse van de sector dat deze weigering ertoe leidt dat deze materialen automatisch een lagere of nulscore op recyclebaarheid krijgen en van de markt worden geweerd?
Vanaf 2030 worden verpakkingen ingedeeld in recyclebaarheidsklassen op grond van de PPWR. Verpakkingen met een te lage recyclebaarheidsklasse mogen niet op de markt worden gebracht. Hoe de recyclebaarheidsklasse wordt bepaald, wordt in 2028 door de Commissie vastgelegd in een gedelegeerde handeling. De Commissie heeft in een gesprek met mijn ministerie aangegeven dat ze bij de uitwerking rekening willen houden met alle materialen, wat ook past bij de intentie om bio(vezel)gebaseerde verpakkingen te stimuleren1. Indien nodig zal Nederland de Commissie blijven oproepen om alle materialen mee te nemen in deze gedelegeerde handeling. Zoals toegelicht in vraag 2, staat de recyclebaarheidsklasse in de PPWR los van of een verpakking in Nederland op dit moment wel of niet bij het pmd-afval of in de papierbak weggegooid mag worden.
Welke gevolgen verwacht u van de PPWR voor Nederlandse bedrijven die investeren in dergelijke verpakkingen?
De PPWR harmoniseert het verpakkingenbeleid in Europa. Investeringszekerheid is gebaat bij geharmoniseerde Europese wetgeving. De recyclebaarheidseisen zijn onmisbaar in een circulaire economie waarin wij minder nieuwe grondstoffen gebruiken. Het is van belang dat (nieuwe) verpakkingen en verpakkingsmaterialen zo worden ontworpen dat zij aan deze eisen voldoen. Sommige (technische) aspecten van de PPWR worden uitgewerkt via gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen. Het is belangrijk dat deze handelingen op een zorgvuldige manier door de Commissie worden uitgewerkt. Het kabinet zal blijven pleiten voor geharmoniseerde uitwerkingen, zodat ook voor biogebaseerde, composteerbare en innovatieve verpakkingen duidelijkheid en bijgevolg investeringszekerheid komt.
Bent u voornemens om gebruik te maken van artikel 9, tweede lid, PPWR om aanvullende verpakkingstoepassingen als verplicht composteerbaar aan te wijzen, en welke inhoudelijke criteria hanteert u daarbij in relatie tot de uitdagingen en doelen van de gft-inzameling in Nederland?
Zowel vanuit de interpretatie van de PPWR, als vanuit hoe het Nederlandse circulaire economiebeleid is ingericht, is het kabinet op dit moment niet voornemens om nationaal te regelen dat verpakkingen verplicht composteerbaar moeten zijn. Hieronder wordt dit vanuit beide aspecten toegelicht.
De PPWR verplicht dat alle verpakkingen recyclebaar moeten zijn. Verpakkingen mogen daarnaast ook composteerbaar zijn, maar bepaalde verpakkingen moeten composteerbaar zijn. Deze verplicht composteerbare verpakkingen zijn uitgezonderd van de eis om recyclebaar te zijn. Voor alle lidstaten geldt dat koffiepads, theezakjes en stickeretiketten voor groente en fruit verplicht composteerbaar moeten zijn. Verder hebben lidstaten volgens artikel 9, tweede lid, de keuze om andere specifieke verpakkingen verplicht composteerbaar te maken. Dit tweede lid bestaat uit twee delen. Ten eerste mogen lidstaten reeds bestaande nationale wetgeving die bepaalde verpakkingen verplicht composteerbaar maakt, behouden. Deze regelgeving moet dan al 12 augustus 2026 van kracht zijn. Nederland heeft zulke wetgeving niet. Ten tweede mogen lidstaten bepaalde plastic draagtasjes en niet-metalen koffiecapsules verplicht composteerbaar maken.
Het Nederlandse circulaire economiebeleid is gericht op het behouden van grondstoffen in de economie. De recyclebaarheid van verpakkingen staat daarom voorop. Composteren van verpakkingen is een laagwaardigere vorm van materiaalbehoud dan recycling; verpakkingen dragen geen nutriënten bij aan het compost, en compost kan, in tegenstelling tot recyclaat, niet worden toegepast in nieuwe verpakkingen. Daarnaast heeft het Nederlandse afvalbeleid o.a. duidelijkheid en consistentie voor de consument als uitgangspunt. Onderscheid maken tussen composteerbare verpakkingen, gemaakt van biologisch afbreekbare materialen, en dezelfde verpakkingen gemaakt van fossiele, niet composteerbare materialen, is lastig. Als bijvoorbeeld composteerbare saladebakjes bij het gft-afval moeten en andere bakjes die er wellicht hetzelfde uitzien bij het pmd-afval, dan leidt dit tot verwarring bij de consument. Dit kan leiden tot vervuiling van zowel het gft-afval als het pmd-afval en daarmee tot problemen in zowel het recyclingproces als in de compostering. Tot slot hanteren Nederlandse composteerinstallaties over het algemeen korte doorlooptijden waardoor composteerbare verpakkingen niet genoeg tijd hebben om volledig af te breken. Hierdoor kunnen (delen van) deze verpakkingen in het compost aanwezig blijven als vervuiling. Op basis hiervan volgt dat het verplicht composteerbaar stellen van aanvullende verpakkingen niet wenselijk is.
Hoe weegt u bij deze beslissing de rol en bijdrage van composteerbare en biobased verpakkingen bij de vermindering van fossiel grondstoffengebruik, CO2-uitstoot en het opbouwen van een circulaire economie versus alternatieven? Kunt u daar inzicht in verschaffen?
Verpakkingen die zowel recyclebaar als composteerbaar zijn, kunnen een grote bijdrage leveren aan de circulaire economie, doordat ze compatibel zijn met verschillende afvalverwerkingsstructuren in de Europese Unie. In het Nederlandse circulaire economiebeleid streven we naar het vervangen van primaire grondstoffen door gerecyclede grondstoffen en duurzame biogrondstoffen, waarbij gerecycled de voorkeur heeft2. Biogebaseerde verpakkingen die recyclebaar zijn, al dan niet composteerbaar, worden vanuit het Duurzaamheidskader Biogrondstoffen gezien als een hoogwaardige en dus wenselijke toepassing van biogrondstoffen3. Daarbij is het belangrijk dat de biogrondstoffen een duurzame oorsprong hebben en dat de totale vraag naar biogrondstoffen beperkt blijft. Het kabinet blijft zich daarom inzetten voor een biogebaseerde doelstelling in de PPWR, met bijbehorende duurzaamheidscriteria.
Kijkt u hierbij ook de ervaring in ander EU-landen, zoals Italië, waar ze ervoor gekozen hebben specifieke producten verplicht composteerbaar te maken om zo contaminatie in de gft-stroom te verminderen? Hoe weegt u deze ervaringen bij het bepalen van de meest geschikte aanpak voor de Nederlandse situatie?
De afvalinzamelings- en verwerkingsinfrastructuur in Italië en Nederland verschilt en kan daarom niet vergeleken worden. Gft-afval wordt in Nederland voornamelijk industrieel gecomposteerd met korte doorlooptijd. Hierdoor kunnen deze verpakkingen leiden tot vervuiling van de gft-stroom. In Italië vindt meestal eerst een vergistingsstap plaats waardoor composteerbare verpakkingen ook meer tijd hebben om volledig af te breken. Overigens is het Nederlandse circulaire economiebeleid gericht op het behouden van grondstoffen in de economie.
Recycling van verpakkingen heeft daarom de voorkeur, omdat recycling van verpakkingen leidt tot een hoogwaardigere vorm van materiaalbehoud dan composteren.
Hoe gaat u invulling geven aan artikel 48 PPWR om inzameling, sortering en verwerking van composteerbare en andere innovatieve verpakkingsmaterialen te organiseren of te faciliteren?
Artikel 48 verplicht lidstaten onder andere om ervoor te zorgen dat er systemen en infrastructuur worden opgezet voor het inleveren en gescheiden inzamelen van alle verpakkingsafval en om de hoogwaardige recycling ervan te vergemakkelijken. Composteerbare en andere innovatieve verpakkingen worden niet specifiek benoemd in dit artikel.
In Nederland is een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor verpakkingen van toepassing. Hiermee zijn producenten verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van het afval van de verpakkingen die zij op de markt brengen. Voor de inzameling van verpakkingsafval van huishoudens maken producenten afspraken met gemeenten over het gebruik van de gemeentelijke inzamelsystemen en ontvangen gemeenten daarvoor een vergoeding. Deze gescheiden ingezamelde afvalstromen dienen vervolgens via de geldende minimumstandaarden verwerkt te worden.
In aanvulling op het bovenstaande heeft Nederland een statiegeldsysteem om hoogwaardige recycling van drankverpakkingen te faciliteren, en ondersteunt het de ontwikkeling van nieuwe recyclingtechnieken voor plastic verpakkingen via onder andere Circular Plastics NL4.
Bent u van plan om vóór 12 augustus 2026 met de relevante stakeholders in gesprek te gaan over de Nederlandse inzet op zowel artikel 9 als artikel 48?
Wat betreft artikel 9 is in het antwoord op vraag 5 toegelicht dat er geen nationale wettelijke verplichting rondom composteerbare verpakkingen bestaat. Daarnaast is het de Nederlandse voorkeur om beleid te voeren wat zoveel mogelijk gericht is op het behoud van grondstoffen waarbij in dit geval recycling de voorkeur heeft boven compostering. Wat betreft de rest van de PPWR, blijft het Ministerie van EZK in gesprek met belanghebbenden over bepalingen waar nationale ruimte mogelijk en wenselijk is. Deze bepalingen zullen ook breed via internetconsultatie worden voorgelegd. Ten slotte start vanaf september de Ketentafel Verpakkingen, die een structureel overleg tussen het Rijk en de verpakkingenketen faciliteert. Daar zal de PPWR ook een belangrijk onderwerp zijn.
Bent u bereid om vóór het commissiedebat Circulaire Economie van 1 juli 2026 de Kamer te informeren over de Nederlandse inzet ten aanzien van de invulling van de PPWR?
De PPWR is een Europese verordening, die van toepassing is vanaf 12 augustus 2026. Het merendeel van de maatregelen in de verordening is rechtstreeks van toepassing en behoeft dus geen implementatie in Nederlandse wet- en regelgeving. De verordening laat op onderdelen ruimte voor nationale keuzes. Die keuzes worden conform kabinetsbeleid beleidsarm en lastenluw geïmplementeerd. Het uitvoeringsbesluit zal via een internetconsultatie worden voorgelegd aan alle belanghebbenden. Daarna informeer ik de Kamer graag over dit traject.
Het bericht ‘Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: ‘Alleen kwam ik er niet uit’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: «Alleen kwam ik er niet uit»»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de inzichten en de aanbevelingen in het rapport «Pilot ketenverwijzing bij schuldenproblematiek: een brug naar gemeentelijke schuldhulpverlening»?
Op 11 juni 2026 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de aanpak civiele invordering.2 In deze Kamerbrief wordt ook ingegaan op de uitkomsten van de Pilot Ketenverwijzing. Uit de pilot ontstaat het beeld dat doorverwijzing door de gerechtsdeurwaarder een succesvolle manier is om mensen met problematische schulden in contact te brengen met schuldhulpverlening. In circa een kwart van de gevallen waarin een doorverwijzing zinvol wordt geacht, leidt het tot een eerste gesprek bij de gemeentelijke schuldhulpverlening. Daarnaast blijkt dat bijna de helft van de debiteuren die zich in het kader van deze pilot bij de gemeente heeft gemeld, vooraf niet bekend was bij schuldhulpverlening of vroegsignalering. Deze aanpak brengt dus een nieuwe doelgroep in beeld.
Welke conclusies trekt u verder uit de pilot?
Het kabinet vindt het wenselijk dat de gerechtsdeurwaarder de mogelijkheid krijgt om te de-escaleren door debiteuren met mogelijk problematische schulden door te verwijzen naar schuldhulpverlening. Dit is wenselijk indien, gegeven de (ogenschijnlijke) uitzichtloosheid van de situatie, invordering niet meer gaat bijdragen aan een oplossing ten aanzien van de oorspronkelijke schuld en er andere instrumenten nodig lijken te zijn. Ook het hebben van inkomen onder de Participatiewet-norm en/of onvoldoende of geen toeslagen kan een reden zijn om iemand door te verwijzen naar de gemeente.
Op dit moment kunnen gerechtsdeurwaarders debiteuren met mogelijk problematische schulden wel wijzen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening, maar hebben zij niet de bevoegdheid om mensen ook werkelijk door te verwijzen en de gegevens van deze personen te delen met de gemeente ten behoeve van schuldhulpverlening. Door het creëren van deze bevoegdheid krijgen gerechtsdeurwaarders een aanvullend instrument gericht op de-escalatie en wordt de drempel om hulp te aanvaarden voor mensen verlaagd. Hiertoe zal een wettelijke grondslag voor gegevensdeling worden gecreëerd. Momenteel wordt ter voorbereiding hierop gewerkt aan een Data Protection Impact Assessment (DPIA), wat een verplichte kwaliteitseis is voor regelgeving waaruit verwerkingen van persoonsgegevens voortvloeien.3
Welke gesprekken voert u met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders over het verloop en een voortzetting van de pilot?
De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: de KBvG) is een belangrijke stakeholder binnen de aanpak civiele invordering, waarmee regelmatig overleg wordt gevoerd. Ook rondom de pilot heeft er periodiek overleg plaatsgevonden tussen het kabinet en de KBvG.
In overleg met de KBvG, de NVVK en de VNG zal worden bezien op welke wijze, vooruitlopend op de aangekondigde wetgeving, de pilot waarbij gerechtsdeurwaarders mensen met hulpvraag kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening kan worden voortgezet. Uit de evaluatie van de pilot kwam naar voren dat een goede invulling van deze rol vraagt om de juiste vaardigheden en kennis bij gerechtsdeurwaarders, zoals gespreksvaardigheden en voldoende kennis over schuldhulpverlening. Het kabinet zal daarom de komende periode in samenspraak met de KBvG bezien wat er nodig is om deze vaardigheden en kennis in de beroepsgroep verder te ontwikkelen.
Bent u het eens dat een meer hulpverlenende rol voor deurwaarders zoals in de praktijk is gebracht tijdens deze pilot uitgebouwd zou moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u nemen om de geteste werkmethode met deurwaarders verder uit te bouwen?
Ja, het kabinet wil de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder versterken en zorgen dat de gerechtsdeurwaarder meer ruimte en mogelijkheden krijgt voor de-escalatie. In dit kader wordt ook wel gesproken over de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders. Om de onafhankelijke positie te onderstrepen, zal in de Gerechtsdeurwaarderswet worden geëxpliciteerd dat een gerechtsdeurwaarder op onpartijdige wijze de belangen van beide partijen dient te behartigen. Om goed invulling te kunnen geven aan deze rol, zal een wettelijke grondslag worden gecreëerd voor gegevensdeling met gemeenten en krijgen gerechtsdeurwaarders – als ultimum remedium – de bevoegdheid om een ambtshandeling niet te uit voeren als dit leidt tot een nodeloze kostenoploop van schulden, ook als de opdrachtgever erop staat dat de handeling wel wordt uitgevoerd. Deze voornemens vergen aanpassingen in de wetgeving. Een belangrijke uitwerkingsvraag hierbij is op welke wijze de gerechtsdeurwaarders worden gefinancierd voor deze werkzaamheden en hoe dit past binnen de bestaande financieringsstructuren. Op dit moment wordt door een extern onderzoeksbureau onderzocht hoe de financiering van deze maatregelen kan worden vormgegeven. De komende maanden zal – in nauwe samenwerking met de stakeholders – worden gewerkt aan de nog openstaande uitwerkingsvragen, zodat het kabinet dit jaar kan starten met het voorbereiden van de benodigde wetgeving.
Ik wijs er overigens wel op dat het belangrijk is de rollen zuiver te houden. De gerechtsdeurwaarder is zelf geen hulpverlener, maar de persoon die op onafhankelijke wijze moet waarborgen dat juridische afspraken worden nagekomen en gerechtelijke uitspraken worden uitgevoerd, rekening houdend met de belangen van beide partijen. Wel kan de gerechtsdeurwaarder vanuit die onafhankelijke rol eraan bijdragen dat mensen met (dreigende) problematische schulden eerder in beeld komen bij de schulphulpverlening.
Het is wenselijk dat schuldhulpverlening snel contact legt met debiteuren die worden doorverwezen. Wettelijk geldt nu dat een eerste gesprek moet hebben plaatsgevonden binnen vier weken nadat een inwoner zich heeft gemeld voor schuldhulpverlening. Bij een bedreigende situatie moet dat binnen drie werkdagen gebeuren.4 Omdat de sleutel tot succes is gelegen in de snelheid waarmee contact wordt gelegd, kunnen er mogelijk in een convenant met schuldhulpverlening nadere afspraken worden gemaakt over de termijn waarin deze doorverwijzingen worden opgepakt. Wanneer mensen zich melden bij de gemeente moeten zij kunnen rekenen op uniforme, toegankelijke en betrouwbare schuldhulpverlening. Uit het IBO-schulden kwamen aanbevelingen om de kwaliteit van de schuldhulpverlening verder te verbeteren. Hier wordt samen met het werkveld aan gewerkt.5
Heeft de gemeentelijke vroegsignalering er in 2025 voor gezorgd dat een hoger percentage dan in 2024 is doorgewezen naar schuldhulpverlening? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, wat gaat u eraan doen om dit percentage in 2027 te verhogen?
Het absolute aantal inwoners waarmee contact is gelegd via de vroegsignalering is in 2025 licht toegenomen naar 133.600. Dit betreft circa 20% van het aantal vroegsignalen dat gemeenten ontvangen. Ongeveer een derde van de inwoners waarmee gemeenten via vroegsignalering in contact komen accepteert direct hulp. Dit is overigens niet altijd een minnelijk schuldhulptraject, maar kan ook een minder belastende oplossing zijn zoals een budgetcoach, een betalingsregeling of de inzet van vrijwillige schuldhulp. Uit de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden blijkt dat het aantal inwoners dat direct – binnen 30 dagen – hulp heeft geaccepteerd in 2025 vergelijkbaar is met 2024.6
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoogt dit jaar bestuurlijke afspraken te maken met vertegenwoordigers van gemeenten en vertegenwoordigers van vastelastenpartners om de effectiviteit van vroegsignalering te vergroten. Het gaat onder andere over de afspraak om het aantal inwoners waarmee in het kader van vroegsignalering succesvol contact wordt gelegd de komende jaren te verdubbelen naar circa 40%.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer»?1
Ja
Kunt u bevestigen dat bij Jeugdbescherming Noord een jeugdbeschermer is ingezet in kwetsbare gezinnen, terwijl sprake was van een eerdere tuchtrechtelijke berisping en Jeugdbescherming Noord niet wist waarvoor deze medewerker precies was berispt? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Vanwege privacy wil ik geen uitspraken doen over individuele personeelszaken. Het SKJ-tuchtrecht is persoonsgericht en uitspraken zijn gepseudonimiseerd. Werkgevers hebben zelf de verantwoordelijkheid om – met een passende juridische grondslag – relevante informatie te betrekken bij screening, begeleiding en inzet van medewerkers. Ik verwacht dat gecertificeerde instellingen (GI’s) hun procedures op dit punt op orde hebben. SKJ informeert werkgevers niet (inhoudelijk). Werkgevers moeten zelf hun vergewisplicht/verantwoordelijkheid invullen met proportionele checks. Bij signalen van tekortkomingen op het gebied van de kwaliteit van de uitvoering van de werkwijze en/ of wettelijke normen bij een GI zijn de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Inspectie Justitie en Veiligheid (Inspectie JenV) de aangewezen toezichthouders.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een gecertificeerde instelling een berispte jeugdbeschermer kan inzetten in gezinnen waar diep wordt ingegrepen in het gezinsleven, zonder dat de instelling de inhoud en ernst van die berisping kent? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de zorg, maar ik kan geen oordeel geven over een individuele casus. Het SKJ-tuchtrecht is persoonsgericht en uitspraken zijn gepseudonimiseerd. In algemene zin verwacht ik dat werkgevers, binnen privacy- en arbeidsrecht, de inhoud en relevantie van een berisping beoordelen en passende maatregelen treffen. De Minister geeft geen inhoudelijk oordeel over een individuele tucht- of personeelszaak, dus ook niet over «een berispte jeugdbeschermer». Jeugdbeschermers vallen (veelal via SKJ-registratie) onder een onafhankelijk tuchtrecht. Tuchtcolleges oordelen zelf; bewindspersonen treden daar niet in.
Welke wettelijke, professionele of organisatorische verplichtingen gelden voor gecertificeerde instellingen om vooraf te controleren of een jeugdbeschermer tuchtrechtelijk is berispt, geschorst of anderszins onderwerp is geweest van ernstige professionele tekortkomingen? Acht u die verplichtingen voldoende?
GI’s moeten borgen dat jeugdbeschermers bevoegd en bekwaam zijn. Tuchtrechtelijke beslissingen zijn persoonsgebonden en worden gepseudonimiseerd op de website van SKJ geplaatst. Indien de Colleges een openbare maatregel opleggen zijn deze te raadplegen op de website van SKJ in het register en in het overzicht van maatregelen waarvan de openbaarmaking is gelast. Hierbij wordt o.a. de naam en het registratienummer van de jeugdprofessional genoemd. Het publiek (waaronder werkgevers) kunnen op deze manier kennisnemen van de opgelegde openbare maatregelen. Er is geen plicht voor SKJ om werkgevers (inhoudelijk) te informeren, dus verdere verwerking kan alleen met AVG-grondslag of toestemming. GI’s borgen dit zelf via periodieke controles van het SKJ-register en een interne meldplicht voor medewerkers om tuchtmaatregelen te melden.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport brengt het wetsvoorstel waarin de vergewisplicht voor jeugdhulpaanbieders op korte termijn in internetconsultatie. Deze verplicht werkgevers zich te vergewissen van het arbeidsverleden van hun (aan te nemen) professionals. De vergewisplicht verplicht jeugdhulpaanbieders tot zorgvuldige navraag naar geschiktheid en integriteit, waarbij het controleren van de status van de registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd onderdeel kan zijn. Deze geeft geen recht op of plicht tot het ontvangen van inhoudelijke tuchtrechtgegevens van SKJ.
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, zo nodig samen met de Inspectie Justitie en Veiligheid, te verzoeken onderzoek te doen naar de wijze waarop Jeugdbescherming Noord deze medewerker heeft aangenomen, ingezet, begeleid en gecontroleerd, en naar de dossiers waarin deze medewerker betrokken was?
De IGJ en Inspectie JenV zijn onafhankelijk in hun toezicht. Het is aan de IGJ en, waar passend, de Inspectie JenV om zelf te beoordelen of onderzoek nodig is. Ik geef geen aanwijzingen en doe geen verzoeken om specifiek onderzoek in individuele zaken. Onderzoek naar individuele dossiers vindt alleen plaats binnen de wettelijke kaders en met inachtneming van privacy en lopende procedures.
Bent u bereid te laten onderzoeken of in de betreffende dossiers sprake is geweest van onvoldoende onderbouwde, onzorgvuldige of disproportionele kinderbeschermingsmaatregelen, waaronder uithuisplaatsingen, en of ouders en kinderen daardoor schade hebben geleden?
Ik kan en wil niet ingrijpen in individuele, door de kinderrechter genomen maatregelen of die laten herbeoordelen. Proportionaliteit en onderbouwing zijn aan de rechter. Het is aan de IGJ en, waar passend, de Inspectie JenV om onafhankelijk te beoordelen of signalen aanleiding geven tot onderzoek. Schade moet altijd voorkomen of beperkt worden, juist bij ingrijpende middelen in kwetsbare gezinnen. Als ouders of kinderen schade ondervinden, bestaat er het klacht- en tuchtrecht via deze instantie. Ook is een civiele rechtsgang mogelijk.
Deelt u de opvatting dat kinderbeschermingsmaatregelen altijd zorgvuldig moeten worden onderbouwd, omdat anders het recht op gezinsleven in het geding kan komen? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat ouders jarenlang moeten procederen om fouten in zulke maatregelen boven tafel te krijgen?
Ja, kinderbeschermingsmaatregelen moeten goed onderbouwd worden, want het zijn ingrijpende maatregelen in kwetsbare gezinnen. Daarom werk ik ook aan betere transparantie, dossiervorming en sterkere rechtsbescherming en duidelijke en snellere klacht- en geschilprocedures.
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
Jimmy Dijk (SP), André Flach (SGP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Ja.
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
In de evaluatie van de Winkeltijdenwet wordt rekening gehouden met de gemeentelijke vrijheid zoals vastgelegd in de Winkeltijdenwet. Daarbij wordt ook gekeken naar de belangen van werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel. Zoals toegezegd in de antwoorden op de vragen over de Winkeltijdenwet van het lid Kisteman (VVD)2 wordt uw Kamer in september geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie en over het standpunt van het kabinet.
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Conform de Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling4 van begin dit jaar lag de focus van het onderzoek, dat onlangs werd afgerond, op drie onderdelen. Deze onderdelen zijn: marktanalyse en consumentengedrag in het kader van zon- en feestdagen, mogelijkheid van het (gedeeltelijk) loslaten van het openingsverbod op zon- en feestdagen, en een evaluatie van het verbod op eenzijdige wijziging winkeltijden. Het perspectief van werknemers over de zondagsrust en een toelichting over de vereisten onder zondagswet komen terug in de evaluatie. In het onderzoek zijn echter geen opties in kaart gebracht om de zondagsrust verder te beschermen. Om die reden zal dit niet terugkomen in de begeleidende kabinetsreactie.
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Ik begrijp de zorgen van de FNV over de positie van werknemers in winkels en distributiecentra. In de evaluatie wordt daarom onder meer onderzocht hoe werknemers de huidige regels rond winkeltijden ervaren en wat de gevolgen voor hen zouden zijn van een eventuele (gedeeltelijke) afschaffing van het openingsverbod op zon- en feestdagen.
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
De brief van FNV Handel betrof een oproep aan mij als Minister van Economische Zaken en Klimaat om de openingstijden niet op te rekken. Hoewel er geen schriftelijke reactie wordt opgesteld, kan ik u mededelen dat mijn ministerie wel in gesprek gaat met de FNV. Dit gesprek zal plaatsvinden voordat het eindrapport van de evaluatie van de Winkeltijdenwet en de begeleidende kabinetsreactie aan uw Kamer wordt aangeboden.
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Ik ben mij bewust dat een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag effect kan hebben op de werktijden van werknemers. Het perspectief van werknemers is dan ook meegenomen in de evaluatie. Mijn reflectie hierop komt terug in de begeleidende brief die uw Kamer in september ontvangt.
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Als onderdeel van de evaluatie zijn gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV om het werknemersperspectief ook vanuit de bonden mee te nemen.
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Dat klopt, er is geen grootschalig onderzoek gedaan naar de ervaringen van medewerkers in de sector. Dat wil echter niet zeggen dat het werknemersbelang niet wordt meegewogen. Om die reden zijn er ook gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV. Omdat de evaluatie is afgerond vind ik het niet opportuun om een grootschalig onderzoek uit te voeren naar de ervaringen van medewerkers in de sector.
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
In het evaluatieonderzoek is op meerdere manieren rekening gehouden met de belangen van ondernemers die hechten aan de zondagsrust. Zo is bij de enquête onder winkeliers expliciet gevraagd naar de redenen om niet open te gaan op zon- en feestdagen. Daarnaast zijn er verschillende casestudies uitgevoerd in specifieke gemeenten, waaronder gemeenten met een grote geloofsgemeenschap en waar de zondagsrust een nadrukkelijke rol speelt in het lokale beleid.
De documentaire Nachtkinderen en de normalisering van drugsgebruik onder jongeren |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de documentaire «Nachtkinderen» en deelt u de zorg dat drugsgebruik onder jongeren en jongvolwassenen steeds vaker als normaal wordt gezien?
Hoe hebben de cijfers over drugsgebruik onder jongeren van 12 tot 21 jaar zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld, uitgesplitst naar leeftijdsgroep en type middel?
Welke gevolgen ziet u van drugsgebruik voor de fysieke gezondheid, mentale gezondheid en ontwikkeling van jongeren?
Hoeveel jongeren onder de 21 jaar zijn de afgelopen vijf jaar in aanraking gekomen met de verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of spoedeisende hulp als gevolg van drugsgebruik?
Acht u het huidige preventiebeleid voldoende effectief om het gebruik van drugs onder jongeren terug te dringen? Kunt u uw antwoord onderbouwen met concrete resultaten?
Deelt u de mening dat overheidsvoorlichting niet alleen gericht moet zijn op het beperken van risico’s, maar ook duidelijk moet uitdragen dat drugsgebruik schadelijk is en ontmoedigd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Welke specifieke maatregelen neemt het kabinet om de normalisering van drugsgebruik onder jongeren tegen te gaan?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige preventiecampagnes daadwerkelijk leiden tot minder drugsgebruik onder jongeren en de Kamer hierover te informeren?
Hoe beoordeelt u de invloed van sociale media, influencers en online platforms op de beeldvorming rondom drugsgebruik onder jongeren en welke rol ziet u voor preventiebeleid op dit terrein?
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien uit onderzoek blijkt dat de normalisering van drugsgebruik onder jongeren verder toeneemt?
De AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u de onderstaande simpele ja-nee-vragen ook met «Ja» of «Nee» beantwoorden? Zo nee, waarom lukt dat niet?
Waar dat kan, zal ik de vragen met ja of nee beantwoorden. Wanneer een nadere toelichting op zijn plaats is, zal ik die geven.
Kan de AIVD journalisten inzetten als «agent»? Ja of nee?1
Ja. Op grond van artikel 41 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) heeft de AIVD de bevoegdheid tot het inzetten van agenten. Een agent is een natuurlijk persoon die op basis van vrijwilligheid wordt ingezet en aangestuurd om gericht informatie te verzamelen die voor de taakuitvoering van de AIVD van belang is. De AIVD kan hiervoor iedereen benaderen, dus ook journalisten.
Bent u ermee bekend dat de voorloper van de AIVD, de BVD, in de Nederlandse media artikelen liet afdrukken die waren geschreven door de BVD?2
Ja.
Gebeurt dit nog steeds? Met andere woorden, worden er in de Nederlandse media door journalisten (of redacties) artikelen afgedrukt die eigenlijk afkomstig zijn van de AIVD? Ja of nee?
Nee. Als de AIVD iets publiekelijk aan de orde wil stellen doet de dienst dat door een publicatie, zoals het jaarverslag. Het onder voorwendsel laten plaatsen van een journalistiek artikel met als doel de publieke opinie of het openbare debat te beïnvloeden is niet aan de orde.
Oefent de AIVD op enige wijze invloed uit op datgene wat Nederlandse journalisten in de Nederlandse media zeggen of schrijven? Ja of nee?
Nee. De AIVD kan wel, bijvoorbeeld door middel van achtergrondgesprekken of het beantwoorden van vragen, nadere duiding geven aan journalisten op fenomenen die de AIVD onderzoekt. Dat gebeurt ook op verzoek van de journalist.
Los van of de AIVD wel of niet journalisten gebruikt om artikelen te laten verschijnen in de Nederlandse media, mag de AIVD dit doen? Met andere woorden heeft de AIVD hiervoor de juridische bevoegdheid? Ja of nee?
Nee. De Wiv 2017 voorziet niet specifiek in een dergelijke bevoegdheid.
Vindt u het «als onze hoeder van onze democratie» vanuit democratisch oogpunt acceptabel als een buitenlandse inlichtingendienst, in het geheim, dus zonder dat het duidelijk is dat deze buitenlandse inlichtingendienst erachter zit, Nederlandse journalisten gebruikt om in de Nederlandse media artikelen te plaatsen? Ja of nee?
Nee. De vrije pers is een pijler van onze democratische rechtsorde. Het is van wezenlijk belang dat journalisten onafhankelijk en op betrouwbare wijze hun werk kunnen doen.
Vindt u het «als onze hoeder van onze democratie» vanuit democratisch oogpunt acceptabel als onze eigen inlichtingendienst, de AIVD, in het geheim, dus zonder dat het duidelijk is dat de AIVD erachter zit, Nederlandse journalisten gebruikt om in de Nederlandse media artikelen te plaatsen? Ja of nee?
Nee. Zie mijn antwoorden op vraag 4 en 7.
Kunt u deze bovenstaande ja-nee-vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank in Den Haag waarbij door de rechtbank is bevestigd dat u niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State en het arrest CF en DN van het Hof van Justitie van de Europese Unie?1
Ja. Ik kan mij echter niet vinden in die uitspraak en heb hiertegen hoger beroep ingediend bij de Raad van State.
Hoe rijmt u de conclusie dat bepaalde provincies in Jemen (zoals Al Mahra en Hadramaut) «veilig» zijn met de informatie van hulporganisaties, United Nations en VluchtelingenWerk dat het geweld en de instabiliteit zich over het hele land verspreiden en dat de situatie onvoorspelbaar blijft?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft onderzoek gedaan naar de verschillende provincies in Jemen. Hierbij is naar voren gekomen dat de provincies Al Mahra en Hadramaut grotendeels gevrijwaard zijn gebleven van de gevechten die gaande zijn in andere provincies in Jemen. In het landenbeleid ten aanzien van Jemen is vervolgens opgenomen dat voor de provincies Al Mahra en Hadramaut géén sprake is van een risico op willekeurig geweld in de zin van artikel 15c. De rechtbank in Arnhem heeft inmiddels geoordeeld dat ik er op juiste gronden vanuit ga dat in Hadramaut geen sprake is van een gewapend conflict. Dit neemt niet weg dat de IND altijd op basis van een individuele beoordeling een besluit neemt over de asielaanvraag. Bij deze beoordeling betrekt de IND de meest recent beschikbare informatie over de veiligheidssituatie in een land.
Kunt u specifiek aangeven welke bronnen, naast het ambtsbericht, zijn gebruikt om de afwezigheid van willekeurig geweld in deze gebieden aan te tonen?
Via het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT), dit is het IND-expertisecentrum op het gebied van taal- en landinhoudelijke informatie, heeft het departement extra informatie opgevraagd over de veiligheidssituatie in Jemen sinds het publiceren van het ambtsbericht tot en met februari 2026. TOELT heeft onder andere informatie opgehaald uit openbare bronnen van ACLED en de Yemen Monitor maar ook geput uit andere betrouwbare nieuwsbronnen.
Waarom blijft u vasthouden aan het beleid waarbij humanitaire factoren slechts globaal worden meegenomen, terwijl de rechter en de Raad van State oordelen dat onvoldoende in kaart is gebracht hoe humanitaire omstandigheden (zoals hongersnood en gebrek aan water) het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen van strijdende partijen en het Europese Hof (arrest CF en DN) een «allesomvattende beoordeling» eist?
Zowel de Raad van State als het Hof van Justitie van de EU spreken in de door u aangehaalde uitspraken van het globaal betrekken van alle relevante omstandigheden. Ik ben daarom van oordeel dat de door de Raad van State geconstateerde motiveringsgebreken in het oude landenbeleid met betrekking tot het betrekken van de humanitaire omstandigheden bij de 15c-beoordeling, middels het nieuwe landenbeleid Jemen zijn hersteld. Ik heb uw Kamer per brief en de bijbehorende bijlagen op 8 oktober 2025 geïnformeerd over deze wijzigingen.
Bent u bereid om, naar aanleiding van de recente rechterlijke uitspraak dat het beleid niet voldoet aan de eisen van de Raad van State en het Europese Hof, de uitvoering van het nieuwe beleid (en daarmee de afwijzingen van asielaanvragen) per direct op te schorten totdat er een deugdelijke, allesomvattende analyse van de humanitaire situatie ligt?
Deze zaak ligt nog voor bij de Raad van State. Ik ben van mening dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het landenbeleid niet in overeenstemming is met de uitspraak van de Raad van State. Ik zie daarom ook geen aanleiding om het beleid ingevolge de uitspraak van de rechtbank te wijzigen.
Komt er een nieuwe wijziging in het landenbeleid voor Jemen naar aanleiding van bovengenoemde uitspraken? Zo ja, hoe wordt daarin recht gedaan aan de uitspraken? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb geconcludeerd, zijn de eisen van de Raad van State en het Europese Hof van Justitie reeds meegenomen in de meest recente beleidswijziging voor het landenbeleid Jemen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is op dit moment bezig met een nieuw ambtsbericht over Jemen; dit ambtsbericht wordt verwacht in het vierde kwartaal van 2026 en zodra dit is gepubliceerd zal ik bezien of het landenbeleid ten aanzien van Jemen gewijzigd dient te worden.
Op welke feitelijke informatie baseert u de aanname dat vluchtelingen uit onveilige gebieden zich duurzaam en veilig kunnen vestigen in de zogenaamd veilige provincies, gezien de enorme druk op de lokale infrastructuur door de miljoenen interne ontheemden in Jemen?
Uit het ambtsbericht bleek, en dit beeld is na het opvragen van meer actuele informatie recent nog bevestigd, dat de provincies Al Mahra, Hadramaut en Socotra vrijwel gevrijwaard zijn gebleven van gevechtshandelingen en gewelddadigheden. Voor deze provincies kan dan ook de conclusie worden getrokken dat er geen sprake is van willekeurig geweld in de zin van een gewapend conflict, als bedoeld in artikel 15c. Bovendien blijkt ook niet uit de informatie dat de, weliswaar, precaire humanitaire situatie, het gevolg is van de gehanteerde oorlogsmethoden. Er is daarom geen reden aan te nemen dat in deze provincies sprake is van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c en dat men in algemene zin zich hier niet veilig kan vestigen. Dit neemt natuurlijk niet weg dat de IND altijd een individuele beoordeling doet als iemand zegt asielbescherming nodig te hebben. Er kunnen dus op individuele gronden redenen zijn om aan te nemen dat iemand zich niet in deze provincies kan vestigen.
Hoe wordt gegarandeerd dat deze mensen daar niet alsnog in een levensbedreigende humanitaire situatie terechtkomen?
Het is aan de vreemdeling om de vrees voor ernstige schade bij terugkeer aannemelijk te maken. Voor het vaststellen van een reëel risico op ernstige schade is een volledig individuele beoordeling vereist. Daarbij wordt gekeken naar alle relevante elementen die betrekking hebben op de individuele situatie en de algemene situatie in het land van herkomst. De humanitaire omstandigheden zijn daarbij reeds meegewogen bij de vaststelling of sprake is van een 15c situatie in de verschillende provincies in Jemen. Aan de hand daarvan beoordeelt de IND of de aangedragen vrees aannemelijk is en of dit voldoende is om asielbescherming te verlenen.
Erkent u dat het huidige beleid, waarbij zaken worden aangehouden of afgewezen op basis van een juridisch wankel fundament, ertoe leidt dat een grote groep Jemenieten in Nederland in onzekerheid leeft en hun integratie en persoonlijke ontwikkeling ernstig worden belemmerd?
De IND kan sinds het publiceren van het nieuwe landenbeleid in oktober 2025 weer beslissen op Jemenitische asielaanvragen. Ik ben ervan overtuigd dat het huidige landenbeleid ten aanzien van Jemen recht doet aan de informatie die over Jemen bekend is.
Hoe kunt u de Jemenieten in Nederland ondersteunen en faciliteren in hun ontwikkeling en integratie gedurende deze onzekere tijden?
Personen met de Jemenitische nationaliteit die een verblijfsstatus in Nederland hebben, hebben toegang tot dezelfde integratie en inburgeringsmogelijkheden als statushouders met een andere nationaliteit. Ik zie daarom geen aanleiding om naast de bestaande mogelijkheden extra ondersteuning te bieden ten behoeve van de ontwikkeling en integratie van Jemenitische statushouders. Voor Jemenitische vreemdelingen die nog in de asielprocedure zitten, geldt dat zij dezelfde positie genieten als vreemdelingen met een andere nationaliteit. Ook voor hen zie ik geen reden om bijzonder beleid in te richten.
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Maagverkleining voortaan vergoed vanaf 13 jaar: 'Voor sommigen is wachten tot 18 geen optie'' |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL4 «Maagverkleining voortaan vergoed vanaf 13 jaar: «voor sommigen is wachten tot 18 geen optie»»?1
Ja.
Waar vindt u dat primair de verantwoordelijkheid ligt voor een gezonde levensstijl, bij ouders of de overheid?
De overheid heeft een wettelijke taak om te handelen in het belang van het kind en hun gezondheid te beschermen.2 Hoewel ouders/verzorgers primair verantwoordelijk zijn voor het welzijn en de opvoeding van hun kinderen, heeft de overheid een belangrijke rol in het creëren van een omgeving waarin kinderen gezond kunnen opgroeien. Er is dus sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid. Het kabinet zet zich dan ook in voor een preventieaanpak gericht op zowel collectieve als individuele preventie. Hierbij wordt met verschillende maatregelen en aanpakken geprobeerd om het ontstaan van overgewicht tegen te gaan. Omdat het ontstaan van overgewicht meerdere oorzaken kan hebben en complex is, is zo’n brede, integrale aanpak nodig.
Wel is het goed om te benadrukken dat kinderen met overgewicht en hun ouders vaak te maken hebben met vooroordelen. Obesitas is geen kwestie van eigen schuld. Er spelen vele maatschappelijke en individuele oorzaken mee.
Wat wordt er nu gedaan om ouders te ondersteunen bij het aanbieden van een gezonde levensstijl voor kinderen?
Het kabinet biedt kinderen en ouders hulp en ondersteuning bij het ontwikkelen van een gezonde leefstijl. Dit doet het kabinet vanuit een breed preventiebeleid waarmee ingezet wordt op het voorkomen en tegengaan van overgewicht en het stimuleren van bijvoorbeeld gezonde (voedsel)keuzes. Dit doet het kabinet – samen met verschillende partijen – vanuit de samenhangende preventiestrategie. We werken met een omgevingsgerichte aanpak langs de levensloop van kinderen tot volwassenen om een gezonde leefomgeving te stimuleren. Binnen deze omgevingsgerichte aanpak die gericht is op het gezond en kansrijk opgroeien van kinderen versterken we de gezondheidsvaardigheden van kinderen, jongeren en volwassenen en zetten we in op de onderliggende determinanten van gezondheid.
Daarnaast bieden we passende zorg en ondersteuning voor wie dat nodig heeft en werken we aan een sterkere verbinding tussen het zorg- en sociaal domein in het kader van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA), Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), en het Integraal Zorgakkoord (IZA).
Vanuit het AZWA wordt de inzet op de ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas de komende jaren geïntensiveerd. Deze ketenaanpak is een samenwerking tussen zorg en sociaal domein, gericht op gezinnen waarbij er bij het kind sprake is van obesitas of overgewicht én waarbij psychosociale en/of sociaal maatschappelijke problematiek speelt binnen het gezin. De zorg en ondersteuning die een kind, ouders en het gezin vanuit de ketenaanpak krijgen, verschilt per situatie. Overgewicht of obesitas zijn aanleiding om in gesprek te gaan en vanuit daar wordt gekeken naar achterliggende oorzaken, de huidige situatie en de nodige ondersteuning voor het kind en gezin. De ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van de bredere preventieve aanpak die hierboven is benoemd. Er is een toegankelijke sociale basis beschikbaar in wijken en buurten die helpt om gezinnen vroegtijdig te bereiken en passende ondersteuning te bieden. In de eerste levensjaren sluit de ketenaanpak aan bij Kansrijke Start, waar geboortezorg, jeugdgezondheidszorg (JGZ) en wijkteams samenwerken om gezinnen tijdig te ondersteunen en onderliggende factoren van overgewicht vroeg te signaleren. Wanneer kinderen ouder worden, spelen scholen een belangrijke rol. Programma’s als Gezonde School en of de JOGG-aanpak dragen bij aan een samenhangende aanpak waarin gezond gedrag wordt gestimuleerd, zowel in de klas als in de buurt. Deze gezonde leefomgeving versterkt de zorg en ondersteuning die kinderen krijgen binnen de ketenaanpak.
Hoe groot is de groep van kinderen die obesitas heeft? Welk percentage van deze groep zou in aanmerking komen voor een maagverkleining?
In 2025 had 12,4% van de kinderen en jongeren van 4 tot en met 17 jaar in Nederland overgewicht, waarvan 2,9% ernstig overgewicht (obesitas).3 Op basis van de richtlijn Behandeling van kinderen met Obesitas4 van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde komen alleen jongeren tussen 13 en 18 jaar die bijna uitgegroeid zijn in aanmerking voor een maagoperatie, ofwel bariatrische chirurgie. Zij hebben dan al een leefstijlbehandeling gehad om een gezonder eetpatroon aan te leren en meer te bewegen. De verwachting van het Zorginstituut Nederland is dat 100 tot 150 jongeren per jaar in aanmerking komen voor een uitgebreid selectietraject. Daarvan komen 10 tot 20 jongeren per jaar in aanmerking voor deze behandeling. Het gaat hierbij om jongeren met een BMI (body mass index) van meer dan 40, of om jongeren met een BMI van 35 tot 40 die daarnaast een ziekte hebben die samenhangt met ernstig overgewicht, zoals diabetes type 2, leververvetting en cardiovasculaire problemen.
En hoe heeft deze groep zich de laatste vijf jaar ontwikkeld? Wat is de verwachting voor 2030 en 2035?
De CBS-cijfers over de afgelopen vijf jaar (2020–2024) laten zien dat, voor zowel de groep kinderen van 4 tot en met 11 jaar als voor de groep van 12 tot en met 17 jaar, de prevalentie van overgewicht (BMI ≥ 25) en obesitas (BMI ≥ 30) niet significant gestegen is.5 Over een langere periode (tussen 1990 en 2024) is het percentage kinderen en jongeren met overgewicht wel significant gestegen. Het percentage kinderen en jongeren met obesitas is over die periode niet significant veranderd. De cijfers tonen nog steeds een te hoog voorkomen van overgewicht, maar de stijging lijkt de laatste jaren minder ernstig dan voorzien.
Uit de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 20246 komt naar voren dat het aantal mensen met overgewicht de komende 25 jaar naar verwachting zal toenemen. In 2050 zal 64% van de Nederlanders overgewicht hebben. Hierbij wil het kabinet benadrukken dat dit om een verwachte stijging gaat, waarbij geen rekening gehouden wordt met nieuw beleid of toekomstige ontwikkelingen. Desalniettemin geven deze percentages aan dat we onverminderd moeten blijven inzetten op de doelstellingen en ambities zoals geformuleerd in de preventiestrategie.
Is helder welke oorzaken ten grondslag liggen aan het ontwikkelen van obesitas als minderjarige?
Overgewicht wordt veroorzaakt door een complex samenspel van persoonlijke, leefstijl en omgeving gerelateerde oorzaken, waaronder ongezonde voeding. Mensen, ook kinderen en jongeren en hun ouders en verzorgers, worden in grote mate onbewust beïnvloed in de voedingskeuzes die zij maken. Gezonde voeding, voldoende bewegen en mentaal welbevinden zijn twee van de belangrijkste leefstijlfactoren in het streven naar een gezond gewicht, naast aandacht voor onderliggende determinanten van gezondheid als bijvoorbeeld kansengelijkheid en armoedebestrijding. Mensen worden dagelijks bewust en in grote mate onbewust beïnvloed in de voedingskeuzes die zij maken. Er is op veel plekken vaak een overwegend groter aanbod ongezonde opties dan gezonde opties en niet iedereen heeft de juiste gezondheidsvaardigheden om gezonde voedingsopties te kiezen. Daarnaast kunnen onderliggende problemen in het gezin een gezonde leefstijl in de weg staan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan medische, psychische en psychosociale factoren of sociaal-maatschappelijke problemen zoals schulden of werkloosheid. Voor een duurzame verandering is daarom meer nodig dan alleen ondersteuning van het kind gericht op voeding, beweging en slaap.
Wat kunnen ouders doen om te voorkomen dat een zware medische ingreep noodzakelijk gaat worden?
Jongeren zijn vatbaarder voor het aanleren van zowel gezonde als ongezonde gewoonten. En een gezonde thuisomgeving vormt een belangrijke basis voor een gezonde start.7
De gezondheid van kinderen wordt beïnvloed door factoren in de thuissituatie, zoals opvoeding, voedingspatronen, beweging, schermgebruik en sociale omstandigheden. Ouders en andere opvoeders spelen hierbij een belangrijke rol. Jong geleerd is immers ouder gedaan.8 Tegelijkertijd kunnen ouders dit niet alleen. Hier zet het kabinet dan ook op in vanuit de preventiestrategie.
Voor kinderen en jongeren die al overgewicht hebben is het belangrijk om tijdig na te gaan of er passende hulp en ondersteuning nodig is. Ouders kunnen hun zorgen bespreken met bijvoorbeeld de JGZ, met het sociaal wijkteam, en met zorgprofessionals zoals de huisarts of de kinderarts. Vanuit het AZWA continueert het kabinet de inzet op de ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas. Op deze manier investeert het kabinet in een langdurig systeem waarin altijd eerst gekeken wordt naar onderliggende oorzaken, voorkomen we onnodige medicalisering (en bijkomende kosten) en helpen we kinderen en gezinnen door in te zetten op een duurzame behandeling.
Maar zoals ook in het antwoord op vraag 6 is toegelicht, ontstaan overgewicht en obesitas door een complex samenspel van verschillende factoren. Een zware medische ingreep is simpelweg niet altijd te voorkomen.
Het artikel 'Verbijstering over webshop gouden helm-dief vanuit bajes: ’Een hele dikke middelvinger naar justitie’' |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre is het mogelijk om een verbod op te leggen aan gedetineerden die online een webshop runnen waarbij zij hun delict romantiseren?1
Het is niet passend dat een gedetineerde vanuit zijn cel actief handelsactiviteiten ontplooit die zijn delict verheerlijken. Zolang daarmee echter geen verboden handelingen worden verricht of mogelijk gemaakt, de orde en veiligheid niet in gevaar komen of slachtoffers/benadeelden onrechtmatig in hun belangen worden geschaad, kunnen (ondernemings)activiteiten van gedetineerden niet algemeen worden beëindigd of verboden.
Daarnaast is het relevant om te benoemen dat het voeren van een legale commerciële activiteit door derden in relatie tot een gedetineerde buiten de inrichting in het algemeen niet bij wet verboden is. Ook is er geen wettelijke grondslag die alle commerciële uitingen verband houdend met het gepleegde delict verbiedt.
Wel zijn gedetineerden gebonden aan de communicatiebeperkingen die gelden binnen de inrichting. Ook telt gedrag van een gedetineerde dat de terugkeer in de samenleving eventueel tegenwerkt mee bij beslissingen over de rechten en vrijheden van de gedetineerde, zoals verlof of overplaatsing naar een regime met meer vrijheden.
Naar aanleiding van de motie-Ellian (Kamerstuk 24 587, nr. 883) zijn concrete stappen gezet om financiële transacties van en naar gedetineerden aan banden te leggen. Zo is de myTelio-applicatie buiten gebruik gesteld, kunnen gedetineerden onderling geen geld meer overmaken en kunnen transacties naar buiten alleen plaatsvinden onder opgave van reden. Daarnaast geldt dat het saldo op de rekening-courant van een gedetineerde maximaal € 250 mag bedragen. Geld overmaken gaat met tussenkomst van een medewerker van de PI. Op deze manier is het mogelijk toezicht te houden op transacties. Indien de medewerker van de PI naar aanleiding van een financiële transactie vermoedt dat er sprake is van voortgezet crimineel handelen, kan de medewerker een melding doen bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV) van de desbetreffende PI.
Wordt het adres van het Justitieel Centrum Schiphol daadwerkelijk gebruikt als postadres voor de webshop die handelt in «merchandise» van de Roemeense kunstroof? In hoeverre kan hiertegen worden opgetreden en in hoeverre gebeurt dit al in deze zaak?
Ik kan niet ingaan op individuele casussen. In zijn algemeenheid kan ik mededelen dat het gebruik van een penitentiaire inrichting (PI) als postadres voor een commercieel bedrijf niet in lijn is met de bestemming en het karakter van een justitiële inrichting. Het is echter aan de Kamer van Koophandel om te toetsen of een ondernemer bij een officiële inschrijving het opgegeven adres mag gebruiken.
In hoeverre is het mogelijk om opbrengsten van deze webshop te verhalen en in te zetten om een deel van de gemaakte kosten (zoals in het strafproces, het onderzoek, etc.) te dekken? Kan er worden ingegaan op hoe dat in deze specifieke zaak is gebeurd?
Ik ga niet in op individuele zaken. In algemeenheid geldt dat de mogelijkheid om opbrengsten die iemand met een strafbaar feit heeft behaald, af te romen via een ontnemingsmaatregel (art. 36e Sr) gericht is op wederrechtelijk verkregen voordeel. Of en in hoeverre dit per individuele casus toepasbaar is, hangt af van het verband tussen de opbrengsten en een gepleegd delict.
In beginsel worden de kosten van een strafproces, behoudens enkele uitzonderingen, niet verhaald op de verdachte.
Bent u voornemens om zo snel mogelijk een einde te maken aan deze webshop? Zo niet, waarom niet?
Ik ga niet in op de specifieke casus. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 1 voor een overzicht van wat wel en niet mogelijk is.
UN special rapporteurs |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het vernietigend onderzoeksrapport (1) inzake de objectiviteit van UN special rapporteurs?1
Ja.
Wilt u puntsgewijs en gedocumenteerd aangeven in hoeverre u de kritiekpunten uit het rapport herkent en beoordeelt?
Wilt u puntsgewijs en onderbouwd aangeven wat u vindt van alle aanbevelingen van het rapport?
Wat is, gespecificeerd per rapport van de genoemde UN special rapporteurs, uw oordeel over de waarde van elk van die rapporten? Welke reserves heeft u over ieder individueel rapport?
Welke acties gaat u ondernemen naar aanleiding van het rapport van UNWatch?
Het kabinet ziet in het rapport geen aanleiding om het Nederlandse uitgangspunt ten aanzien van Speciaal Rapporteurs fundamenteel te wijzigen. Nederland zal zich blijven inzetten voor een effectief en onafhankelijk systeem van Speciaal Rapporteurs en zal daarbij het belang van objectiviteit, integriteit en naleving van de gedragscode blijven benadrukken. Indien het kabinet het nodig acht zal het in gesprek gaan met Speciaal Rapporteurs om eventuele zorgen over te brengen.
Authentieke en inauthentieke social media accounts |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Hoe wordt het onderscheid tussen «authentiek» en «inauthentiek» gedrag op sociale media gemaakt?
Voor «authentiek» en «inauthentiek» gedrag op socialemediadiensten zijn geen eenduidig afgebakende begrippen. In artikel 34 en overweging 55 en 84 van de Europese digitaledienstenverordening (DSA) wordt wel verwezen naar de term «niet-authentiek gebruik». Die omschrijving biedt aanknopingspunten om dergelijk gebruik te onderscheiden van authentiek gebruik. Daaruit valt af te leiden dat bij niet-authentiek gebruik bijvoorbeeld gedacht kan worden aan het aanmaken van nepaccounts, het gebruik van bots, of andere bedrieglijke vormen van gebruik van de dienst. Artikel 34 van de DSA verwijst ook naar geautomatiseerde exploitatie van de dienst en de versterking en mogelijk snelle en wijde verspreiding van illegale inhoud en van informatie die niet verenigbaar is met de algemene voorwaarden van de dienst.
Worden er accounts als «inauthentiek» geïdentificeerd?
De overheid identificeert niet welke accounts niet-authentiek zijn. Die verantwoordelijkheid ligt op grond van de DSA bij aanbieders van zeer grote online platforms en zoekmachines. Zij zijn op grond van artikel 34 DSA verplicht een risicobeoordeling uit te voeren van het ontwerp en de werking van hun dienst, waarbij zij zogenaamde systeemrisico's identificeren en vervolgens beperken. Bij deze risicobeoordeling dienen zij rekening te houden met de manier waarop risico's worden beïnvloed door opzettelijke manipulatie van hun dienst, waaronder niet-authentiek gebruik. Daarnaast zijn zij op grond van artikel 37 DSA verplicht jaarlijks een onafhankelijke audit te laten uitvoeren om te controleren of de verplichtingen rond systeemrisicobeheer voldoende worden nageleefd. De Europese Commissie houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen.
Als dat zo is, welke maatregelen worden vervolgens concreet tegen deze «authentieke accounts» genomen?
Er worden geen maatregelen tegen authentieke accounts genomen door de overheid. Wel kunnen online diensten maatregelen nemen tegen accounts die hun gebruikersvoorwaarden schenden.
Indien niet-authentiek gebruik van online diensten leidt tot systeemrisico’s voor de maatschappij, dienen aanbieders van zeer grote online platforms en zoekmachines met meer dan 45 miljoen actieve gebruikers mitigerende maatregelen te treffen. Deze maatregelen kunnen onder meer het aanpassen van het ontwerp, de kenmerken of de werking van hun diensten omvatten, met inbegrip van hun online-interfaces, het testen en aanpassen van hun algoritmische systemen en/of het aanpassen van inhoudsmoderatieprocedures. Artikel 35 DSA noemt verder het markeren van gegenereerd of gemanipuleerd beeld-, audio- of videomateriaal als voorbeeld van een mitigerende maatregel. De Europese Commissie houdt toezicht op de naleving van de verplichtingen voor zeer grote online platforms en zoekmachines. In geval van niet-naleving kunnen bijvoorbeeld boetes worden opgelegd ter hoogte van 6% van de jaarlijkse omzet.
De beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voor woningbouw, infrastructuur en waterveiligheid |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland haar ontgrondingenbeleid aanscherpt en daarbij meer beperkingen stelt aan de winning van primaire bouwgrondstoffen, zoals zand, grind en klei?1
Ik ben ermee bekend dat de provincie Gelderland werkt aan vernieuwing van haar ontgrondingenbeleid. Ik heb begrepen dat de uitwerking daarvan op dit moment plaatsvindt. Het meest recente document in die fase is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau2. Op basis daarvan is niet vast te stellen welke richting de provincie voor het vernieuwde beleid gaat kiezen en of er gevolgen zijn voor de toekomstige beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen.
In hoeverre heeft u inzicht in de gevolgen die deze provinciale beleidswijzigingen kunnen hebben voor de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen ten behoeve van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en de energietransitie?
Zie het antwoord op vraag 1.
Kunt u aangeven hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050? Zo nee, waarom niet?
Hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050 heeft de toenmalige Staatssecretaris van IenW met uw Kamer gedeeld per brief van 23 april 20243. In de twee destijds onderzochte economische scenario’s neemt bij ongewijzigd beleid tot 2050 de vraag naar grind, steenslag, industriezand en kalkzandsteenzand af, vooral door de lager geprognosticeerde bevolkingsgroei en nieuwbouw vanaf 2030. In beide scenario’s is de verwachting dat de vraag naar ophoogzand en klei zal stijgen, vooral door de behoefte voor de kustverdediging.
Beschikt het kabinet over actuele ramingen van de benodigde hoeveelheden zand, grind en klei voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten, waterveiligheidsmaatregelen en de energietransitie? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Heeft het Rijk inzicht in de cumulatieve effecten van provinciale beleidskeuzes op de nationale beschikbaarheid van bouwgrondstoffen? Zo ja, wat zijn daarvan de belangrijkste bevindingen?
Nee. Zulke cumulatieve effecten zijn ook niet vast te stellen. Provincies kunnen te allen tijde beleidskeuzes maken die meer of minder ruimte geven voor vergunningen voor de winning van primaire bouwgrondstoffen. Dat betekent overigens niet dat er een lineaire relatie is tussen provinciale beleidskeuzes en de nationale beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen. Er is bijvoorbeeld ook sprake van import en export.
In hoeverre acht u de huidige en vergunde winningscapaciteit voldoende om in de toekomstige nationale behoefte aan bouwgrondstoffen te voorzien?
In de brief die ik parallel met deze antwoorden aan uw Kamer aanbied, is dit nader beschreven.4 Suppletiezand is voorlopig voldoende voorhanden maar om de bereikbaarheid ervan voor de (verdere) toekomst te verzekeren, moeten wellicht vanaf 2037 in bepaalde delen van de Noordzee meer wingebieden worden gereserveerd. Bij gelijkblijvende winning kan de Nederlandse productie van industriezand, ophoogzand en klei tot 2050 even groot zijn als de verwachte nationale vraag. Uit gesprekken met Rijkswaterstaat en de provincies blijkt dat er voor ophoogzand en industriezand momenteel nog voldoende ruimte is met betrekking tot de lopende vergunningen (verleend en in aanvraag). Lopende vergunningen van grote winningen worden, gelet op de maximale looptijd van vijftien jaar, vaak verlengd en/of uitgebreid. Grind is daarvoor onvoldoende aanwezig en moet, net als tot dusver, grotendeels worden geïmporteerd. Verder in de toekomst kijken betekent meer en grotere onzekerheden. Daarom beschrijf ik in de brief maatregelen die erop gericht zijn om de situatie te monitoren en indien nodig tijdig te kunnen ingrijpen.
Kunt u aangeven welk percentage zand, grind en andere primaire bouwgrondstoffen momenteel uit Nederland afkomstig is en welk percentage geïmporteerd wordt van buiten Nederland?
Bouwgrondstoffen worden in Nederland geïmporteerd en geëxporteerd. In de bij vraag 6 genoemde brief aan uw Kamer wordt gerefereerd aan onderzoeken waaruit volgt dat de Nederlandse import en export een omvang heeft van de orde-grootte van enkele tientallen procenten van de binnenlandse productie.
Verwacht u dat deze afhankelijkheid de komende jaren zal toenemen, indien de binnenlandse winningscapaciteit verder onder druk komt te staan? Zo ja, waarom?
Bij meer druk op de binnenlandse winningscapaciteit zal de markt op zoek gaan naar andere oplossingen. De afgelopen decennia werd in voorkomende gevallen vooral meer geïmporteerd. Daarnaast kan de markt het gebruik van primaire bouwgrondstoffen op diverse manieren verminderen, bijvoorbeeld door bouwmaterialen te hergebruiken, door bij locatiekeuzes meer rekening te houden met de benodigde hoeveelheid ophoogzand en door het aanpassen, en door het renoveren, verduurzamen, optoppen en transformeren van bestaande gebouwen te stimuleren.
Op welke manier waarborgt u dat geïmporteerde materialen niet vervuild zijn met bijvoorbeeld PFAS?
Geïmporteerde grond, bagger en bouwstoffen moeten om in Nederland op of in de bodem te kunnen worden toegepast voorzien zijn van een milieuverklaring bodemkwaliteit, waarvoor de regels volgen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hier ligt een keuring aan ten grondslag. Uit de milieuverklaring bodemkwaliteit moet blijken of PFAS in deze keuring is meegenomen. Geïmporteerd materiaal moet aan dezelfde voorwaarden voldoen als niet geïmporteerd materiaal.
Welke risico’s ziet u voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten en waterveiligheidsmaatregelen, wanneer de binnenlandse winning van bouwgrondstoffen verder afneemt?
Op basis van het landelijke beeld, dat is beschreven in de bij vraag 6 genoemde brief aan uw Kamer, zie ik vooralsnog weinig risico’s voor de woningbouwopgave en infrastructuurprojecten. Indien de binnenlandse winning van industriezand en ophoogzand afneemt zal de markt op zoek gaan naar andere oplossingen, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8. Suppletiezand moet voldoende beschikbaar zijn voor de kustverdediging. Daarom is in de ontwerp Nota Ruimte opgenomen dat het van belang is op de Noordzee extra ruimte voor zandwinning te reserveren. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 6 blijf ik de situatie monitoren om indien nodig tijdig te kunnen ingrijpen.
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen een nationaal strategisch belang is, gelet op de grote maatschappelijke opgaven waarvoor Nederland staat?
In het ontwerp van de Nota Ruimte is beschreven dat de reserveringszone voor zandwinning op de Noordzee is aangewezen als het gebied waarbinnen zandwinning als activiteit van nationaal belang (voor waterveiligheid en klimaatbestendige inrichting) voorrang heeft op ander ruimtegebruik.
Hoe beziet u de verhouding tussen provinciale bevoegdheden ten aanzien van ontgrondingen enerzijds en de nationale belangen op het gebied van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en economische ontwikkeling anderzijds?
In het sinds 2003 geldende ontgrondingenbeleid is de tijdige en voldoende voorziening van primaire bouwgrondstoffen aan de markt overgelaten. Concreet betekent dit dat het bedrijfsleven verantwoordelijk is voor het indienen van de aanvragen voor omgevingsvergunningen voor ontgrondingen. Daarbij moet het bedrijfsleven zich richten op kwalitatief goede en maatschappelijk verantwoorde projecten. De provincies hebben in het huidige ontgrondingenbeleid de verantwoordelijkheid om een vergunningaanvraag te beoordelen op ruimtelijke en milieukundige aspecten. De provincies wegen hierbij ook het belang van de primaire bouwgrondstoffen voor waterveiligheid, infrastructuur en woningbouw mee.
Deelt u de opvatting dat provincies met winbare voorraden van bouwgrondstoffen, binnen de randvoorwaarden van natuur- en omgevingsbeleid, een verantwoordelijkheid hebben om bij te dragen aan de nationale grondstoffenvoorziening?
In het sinds 2003 geldende ontgrondingenbeleid is de tijdige en voldoende voorziening van primaire bouwgrondstoffen aan de markt overgelaten. Concreet betekent dit dat het bedrijfsleven zich bij aanvragen voor een vergunning moet richten op kwalitatief goede en maatschappelijk verantwoorde projecten. In het huidige ontgrondingenbeleid wegen de provincies de winning van primaire bouwgrondstoffen mee bij het opstellen van regionale ruimtelijke plannen en in vergunningprocedures.5
Bent u bereid om samen met provincies in kaart te brengen of de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voldoende is om de nationale opgaven op het gebied van woningbouw, infrastructuur, energietransitie en waterveiligheid te realiseren?
In de bij vraag 6 genoemde brief aan uw Kamer beschrijf ik dat ik via monitoring zicht ga houden op vraag en aanbod en dat ik een structureel overleg zal organiseren om samen met de provincies en de winbedrijven zicht te houden op het aantal ingediende vergunningaanvragen, de voortgang van de vergunningverlening en de ruimte onder de lopende vergunningen.
Bent u, indien blijkt dat we door provinciale beleidskeuzes te weinig beschikking hebben over bouwgrondstoffen, bereid hier het gesprek over te voeren en in te grijpen?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 14.
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele knelpunten in de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen en mogelijke maatregelen om deze te voorkomen?
Ja. Ik blijf de situatie monitoren om indien nodig tijdig te kunnen ingrijpen. Ik informeer uw Kamer mocht dit laatste zich voordoen.
Voortgezette samenwerking met Walraven via Aurexys bv |
|
Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Wist u, op het moment dat u instemde met de overdracht van de contracten naar Aurexys bv, dat de strafrechtelijk vervolgde verdachten achter DTS Armory daar aandeelhouder van waren? Zo ja, waarom heeft u die overdracht dan toch gefaciliteerd?
Voorzover bekend zijn de eigenaren van Aurexys B.V. niet onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld. Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld. Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping. Ook in dit geval is deze lijn gevolgd.
Aurexys bv heeft dezelfde eigenaar als DTS Armory en de verdachten achter DTS Armory waren er aandeelhouder van. Waarom beschouwt u dit dan toch als «een ander bedrijf»?
Defensie doet, in de gevallen waar u met uw vraag op doelt, zaken met een rechtspersoon en niet met een natuurlijk persoon. Aurexys B.V. is een andere rechtspersoon dan DTS Armory B.V. en kan daardoor zelfstandig overeenkomsten aangaan.
Klopt het dat u al sinds 15 november 2025 wist dat de wapenvergunning van DTS Armory was ingetrokken wegens verdenking van fraude? Waarom is er pas ná de publicaties van Follow the Money ingegrepen, en is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd? Deelt u de conclusie dat hier dus geen sprake was van daadkrachtig optreden?
De overheveling van het contract van DTS Armory B.V. naar Aurexys B.V. is direct na kennisneming van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie op 15 november 2025 in gang gezet en heeft geleid tot het ondertekenen van een overeenkomst op 3 december 2025. Er was op dat moment geen aanleiding om deze overheveling aan de Tweede Kamer te melden. De eerste publicatie van Follow the Money was op 13 maart 2026.
U stelde in De Balie dat Defensie «meteen» had gehandeld en niet meer met Walraven zou samenwerken, maar stelde in het Kamerdebat dat lopende contracten gewoon doorlopen. Hoe duidt u deze tegenstrijdigheid?
Het klopt dat wij geen zaken meer doen met het aan de heer W. gelieerde bedrijf DTS Armory B.V. vanwege het ontbreken van de juiste vergunningen, maar het klopt niet dat wij op dit moment geen zaken doen met andere aan hem gelieerde bedrijven. Ik maak daarom van deze gelegenheid gebruik om mijn uitspraak bij De Balie te verhelderen. Naar aanleiding van een opmerking van een andere gespreksdeelnemer inzake het intrekken van een vergunning op grond van de Wet Wapens en Munitie van een aan de heer W. gelieerd bedrijf, reageerde ik onder andere met: «daarna is ook meteen gehandeld vanuit Defensie dat we met deze persoon niet meer kunnen samenwerken». Daarmee bedoelde ik niet de heer W. persoonlijk, maar het betreffende aan dhr. W. gelieerde bedrijf DTS Armory B.V. De heer W. is niet onherroepelijk veroordeeld en daarom is er in dit geval ook geen grond tot het op voorhand uitsluiten van een aan hem gelieerde rechtspersoon.
In het debat zei u: «Dat is niet waar. Er is geen persbericht.» Via uw woordvoerder werd dit later bijgesteld tot: er is geen persbericht «waarin melding wordt gemaakt van een specifieke leverancier». Erkent u dat dit twee wezenlijk andere uitspraken zijn en dat uw oorspronkelijke ontkenning niet juist was aangezien het persbericht over deze levering openbaar op de website van Defensie staat?1
Een van de onderwerpen waarover ik met uw Kamer heb gesproken tijdens het Commissiedebat Materieel van 3 juni 2026, is de levering van boten door een aan de heer W. gelieerd bedrijf. Daarna was er verschil van inzicht met uw Kamer over het al dan niet uitgegaan zijn van een persbericht over de levering van de boten. Ik merkte op dat Defensie daarover geen persbericht heeft uitgegeven en bedoelde daarmee een persbericht waarin specifieke aantallen of leverancier(s) vermeld zijn. Er is vanuit Defensie op 4 juni 2025 een persbericht uitgegaan over een maritiem steunpakket voor Oekraïne. Vorig jaar is in dat persbericht een indicatie gegeven van het aantal te leveren boten, maar is geen exact aantal genoemd noch welke partij(en) deze levert. In een Kamerbrief van 17 juni 2025 over het verslag van de NAVO bijeenkomst gehouden op 5 juni 2025 te Brussel en voorafgegaan door een bijeenkomst van de Ukraine Defence Contact Group (UDCG) op 4 juni 2025, zijn wel specifieke aantallen genoemd.2
Defensie bevestigt «zaken te doen met bedrijven waar de heer Walraven aan gelieerd is». Om welke bedrijven en bedragen gaat het en is hierbij ook de drone-onderneming Hyllus bv betrokken, waarvan Walraven gevolmachtigde is?
Defensie maakt deze informatie niet openbaar. Ik bied uw Kamer aan om hier in een vertrouwelijke technische briefing nader op in te gaan.
Voor welk totaalbedrag heeft Defensie inmiddels contracten gesloten met DTS Armory, Aurexys bv en andere aan Walraven gelieerde bedrijven en wat is daarvan tot op heden daadwerkelijk in Oekraïne geleverd? Hoe kan de Kamer controleren of deze honderden miljoenen aan gemeenschapsgeld doelmatig zijn besteed?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid de samenwerking met álle bedrijven waarbij Walraven betrokken is daadwerkelijk te beëindigen en te garanderen dat de overige partijen in het Oekraïne-project hun werk zonder zijn betrokkenheid kunnen voortzetten? Zo nee, waarom niet ook gezien uw eerdere uitspraak in De Balie?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen één voor één afzonderlijk beantwoorden, vóór de voortzetting van het commissiedebat Materieel op 10 juni?
Vanwege de samenloop in beantwoording zijn enkele vragen gecombineerd.
Het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen. |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «De ggz-specialist in de huisartsenpraktijk is veel minder nuttig dan gedacht, ziet deze onderzoeker» en van het daarin besproken onderzoek1?
Ja, daar heeft het kabinet kennis van genomen.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de inzet van de POH-GGZ niet aantoonbaar leidt tot betere mentale gezondheidsuitkomsten op de middellange termijn en evenmin zorgt voor een afname van het gebruik van specialistische ggz-zorg? Deelt u de opvatting dat hiermee een belangrijke beleidsmatige rechtvaardiging voor de grootschalige inzet van POH-GGZ onder druk komt te staan?
Het onderzoek levert een relevante bijdrage aan de kennis over de effecten van de POH-GGZ, maar vormt voor het kabinet op dit moment geen reden om de beleidsmatige uitgangspunten rondom de inzet van de POH-GGZ te herzien.
De inzet van de POH-GGZ draagt bij aan het laagdrempelig toegankelijk houden van de zorg. De beleidsdoelen van de POH-GGZ zijn breder dan het voorkomen van specialistisch ggz-gebruik en aantoonbare symptoomverbetering alleen. De POH-GGZ draagt er namelijk aan bij om de huisartsenzorg te versterken, laagdrempelige ondersteuning te bieden en psychische klachten vroegtijdig te signaleren. Het uitblijven van aantoonbaar betere mentale gezondheidsuitkomsten op populatieniveau kan niet alleen worden herleid naar de inzet van de POH-GGZ en heeft te maken met heel veel andere factoren, zoals de grotere vraag en toegenomen complexiteit van de zorgvraag in de GGZ. Tevens is het voorkomen van verergering van klachten moeilijk meetbaar.
Klopt het dat het aantal gebruikers van de POH-GGZ is gestegen van circa 100.000 naar circa 600.000 personen per jaar, terwijl het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz in dezelfde periode ongeveer gelijk is gebleven? Hoe beoordeelt u de conclusie dat de POH-GGZ hierdoor vooral een nieuwe groep zorggebruikers heeft gecreëerd in plaats van de druk op de gespecialiseerde ggz te verlichten?
Het klopt dat het aantal gebruikers van de POH-GGZ tussen 2011 en 2021 is gestegen van circa 100.000 naar circa 600.000 patiënten per jaar. Het klopt ook dat het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz in dezelfde periode ongeveer gelijk is gebleven. Het kabinet is van mening dat uit deze ontwikkeling niet zonder meer kan worden afgeleid dat de POH-GGZ een nieuwe groep zorggebruikers heeft gecreëerd. Wel deelt het kabinet de conclusie dat de introductie van de POH-GGZ heeft bijgedragen aan het creëren van meer behandelaanbod. Dit was ook een van de beleidsdoelen van de invoering van de POH-GGZ. Een mogelijke vervolgvraag is of een deel van de patiënten die bij de POH-ggz geholpen wordt op een andere plek beter kan worden geholpen. Bijvoorbeeld daar waar het overbruggingszorg betreft van patiënten met complexe zorgvragen die op een wachtlijst staan voor vervolg behandeling, of waar het voornamelijk sociale problemen betreft. Er is hier reeds beleid op ingezet. In het AZWA is daarom onder andere afgesproken om in te zetten op laagdrempelige steunpunten, mentale gezondheidsnetwerken, een verbeterde samenwerking tussen het sociaal domein en de eerstelijnszorg, en om de positie van de POH-GGZ te versterken door extra uren mogelijk te maken (verhoging van 12 naar 16 uren POH-GGZ per huisartsenpraktijk. Hiermee streven we naar een passende inzet van zorgprofessionals en het voorkomen van specialistische zorg.
Hoeveel publieke middelen zijn sinds de invoering van de POH-GGZ besteed aan deze voorziening en hoeveel bedraagt de jaarlijkse uitgave momenteel? Acht u het verantwoord dat jaarlijks honderden miljoenen euro’s worden besteed aan een interventie waarvan de gezondheidswinst volgens dit onderzoek beperkt of afwezig is?
In 2023 betroffen de uitgaven aan de POH-ggz 255 miljoen euro.2 Patiënten en huisartsen ervaren meerwaarde van de POH-GGZ. De POH-GGZ is een laagdrempelig aanspreekpunt dicht bij huis, helpt bij het verhelderen van hulpvragen en ondersteunt bij het vinden van passende vervolgstappen. Daarnaast ervaren huisartsen dat de POH-GGZ een belangrijke bijdrage levert aan de toegankelijkheid van zorg voor mensen met mentale klachten. Het onderzoek vormt voor het kabinet op dit moment geen reden om de beleidsmatige uitgangspunten rondom de inzet van de POH-GGZ te herzien.
Op basis van welke wetenschappelijke evaluaties heeft het kabinet de afgelopen jaren het beleid rondom de POH-GGZ verder uitgebreid? Kunt u een overzicht geven van onderzoeken waarin daadwerkelijk is aangetoond dat de inzet van POH-GGZ leidt tot kortere wachtlijsten, lagere zorgkosten of betere gezondheidsuitkomsten?
In het IZA is een hogere maximuminzet van de POH-GGZ afgesproken (van 12 uur naar 16 uur inzet POH-GGZ per huisartsenpraktijk). Deze en aanpalende afspraken in het IZA zijn mede ingegeven door de hoge druk op de zorg, specifiek huisartsenzorg. De POH-GGZ speelt een belangrijke rol in de praktijken, voor patiënten met (licht) psychosociale klachten die zich bij de huisarts presenteren en ook niet snel in de basis of specialistische GGZ terecht kunnen. In het IBO mentale gezondheid en ggz3 wordt verwezen naar een onderzoek wat zich vooral richt op de verschillen tussen praktijken. Dit wijst erop dat wanneer de inzet van POH-GGZ in huisartsenpraktijken hoog is, er minder mensen met een depressie of klachten van depressieve aard in de generalistische basis-ggz of specialistische ggz terechtkomen.4 Daarnaast heeft het Trimbos een aantal onderzoeken naar de POH-GGZ uitgevoerd. Dit zijn onderzoeken naar de effectiviteit, doelmatigheid, patiëntervaringen en de organisatie van POH-GGZ.5
Hoe verklaart u dat de wachttijden in de gespecialiseerde ggz nog altijd ruim boven de Treeknorm liggen, terwijl de POH-GGZ juist werd gepresenteerd als instrument om de druk op de geestelijke gezondheidszorg te verminderen?
De toegankelijkheid van de gespecialiseerde ggz is een complex probleem. Het kabinet is via verschillende routes bezig met het oplossen van deze problematiek. In het AZWA (afspraak C6) zorgen de partijen in de ggz gezamenlijk dat er meer behandelcapaciteit komt voor mensen met een ggz-vraag, specifiek voor patiënten met een complexe zorgvraag. En het kabinet zet zich met de routekaart passende zorg ggz in om meer sturing op passende zorg voor de patiënt met een complexe zorgvraag te creëren. Dit is ook onderdeel van de kabinetsreactie op het IBO Mentale gezondheid en ggz, wat het kabinet voor de begrotingsbehandeling van VWS zal versturen. Daarnaast draagt de POH-GGZ bij aan laagdrempelige toegang tot psychische ondersteuning, vroegsignalering, passende triage en ondersteuning van de huisarts. Hiermee reiken de beleidsdoelen van de invoering van de POH-GGZ verder dan enkel een instrument om de druk op de geestelijke gezondheidszorg te verminderen.
Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie uit te laten voeren naar de doelmatigheid, effectiviteit en kosten-batenverhouding van de POH-GGZ, inclusief de vraag of middelen effectiever kunnen worden ingezet voor uitbreiding van behandelcapaciteit in de gespecialiseerde ggz? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek levert, net als de andere onderzoeken zoals genoemd bij het antwoord op vraag 5, een relevante bijdrage aan de kennis over de effecten van de POH-GGZ. Momenteel is een onafhankelijke evaluatie van de POH-GGZ niet aan de orde. Volgende maand gaat het Ministerie van VWS met onderzoeker Roger Prudon en mensen uit de praktijk in gesprek over het recente onderzoek. In dit gesprek zullen het onderzoek, de interpretatie en de mogelijke beleidsimplicaties aan bod komen.
Welke lessen trekt u uit de mogelijkheid dat jarenlang is geïnvesteerd in een voorziening die volgens recent onderzoek vooral heeft geleid tot extra zorgconsumptie, zonder aantoonbare verbetering van gezondheidsuitkomsten of vermindering van de druk op de gespecialiseerde ggz? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Het kabinet neemt de aanbevelingen uit het onderzoek serieus. Hoewel het onderzoek concludeert dat de toegenomen inzet van de POH-GGZ niet aantoonbaar heeft bijgedragen aan het verminderen van de druk op de basis en gespecialiseerde ggz, wil het kabinet benadrukken dat de POH-GGZ een breder doelt dient. Zo is de POH-GGZ ook bedoeld voor o.a. het verbeteren van de toegankelijkheid van de ggz, ondersteuning van huisartsen, inzetten op vroegsignalering, en effectievere triage en zorg dicht bij huis. Daarnaast zijn er, in bijvoorbeeld het AZWA, maatregelen genomen om de effectieve inzet van de POH-GGZ te bevorderen. Mentale gezondheidsnetwerken zorgen ervoor dat de druk op de gespecialiseerde ggz afneemt, doordat de huisarts, het sociaal domein, de ggz en ervaringsdeskundigen samenwerken in het Verkennend Gesprek. Ook het versterken van de samenwerking van eerstelijnszorg en het sociaal domein zorgt voor de inbedding van de POH-GGZ in het (preventieve) zorgstelsel. Het Ministerie van VWS gaat, zoals benoemd in het antwoord op vraag 7, verder in gesprek over dit onderzoek.
Het artikel 'NADI dreigt vast te lopen door gebrek aan relevant budget' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Instituut voor Publieke Economie (IPE) over het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het NADI-ontwerpvoorstel dat op 9 februari jl. met de Kamer is gedeeld, het huidige ontwerp betreft dat verder wordt uitgewerkt, inclusief doelen, werkwijze en besluitvorming?
Ja, het NADI-ontwerpvoorstel dat door mijn voorganger met uw Kamer is gedeeld is leidend voor de oprichting van NADI.
Deelt u de lezing van het IPE dat het ontwerp en het beoogde doel van NADI alleen kunnen worden gerealiseerd indien het agentschap beschikt over risicodragend kapitaal zonder minimumrendementseisen? Zo nee, waarom niet?
Ja, die analyse deel ik grotendeels. Het doel van NADI is om technologische oplossingen te ontwikkelen voor grote maatschappelijke uitdagingen. Daarbij gaat het om high-risk/high-reward trajecten die in het reguliere innovatiebeleid vaak moeilijk van de grond komen. Een volledige revolverendheidsdoelstelling staat naar verwachting op gespannen voet met de risicotolerantie die nodig is om de organisatie effectief te laten opereren.
Tegelijkertijd verwacht ik dat NADI mogelijk wel voor een klein deel revolverend kan worden vormgegeven, bijvoorbeeld via terugbetalingsverplichtingen bij succesvolle projecten, met een verwachte terugbetalingstermijn van 10 tot 15 jaar. Daarbij is het wel van belang dat deze afspraken zo worden vormgegeven dat zij geen drempel vormen voor partijen om aan een NADI-programma deel te nemen.
Ik ben bezig met de uitwerking waaronder de vormgeving en de voorgenomen financiering uit het Coalitieakkoord. U wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u uiteenzetten of de voorgenomen kapitaalstorting van 500 miljoen euro in NADI naar verwachting leidt tot een toename van de EMU-schuld, en zo nee, op basis van welke beoordeling u tot die conclusie komt?
Bij een niet saldo-relevante storting zal de staatsschuld oplopen, maar verslechtert het EMU-saldo niet.
Kunt u uiteenzetten wat het gevolg is van een niet-EMU-saldorelevante kapitaalstorting voor het ontwerp, het beoogde doel en de effectiviteit van NADI?
In lijn met mijn antwoord op vraag 3, ben ik de vormgeving in combinatie met de kapitaalstorting in het Coalitieakkoord aan het uitwerken. Ik kan hier niet op vooruitlopen, maar u wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u aangeven welke concrete dekkingsopties op dit moment door het kabinet worden overwogen voor de kapitaalstorting in NADI?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid alternatieve dekkingsopties te onderzoeken indien blijkt dat de doelen van het NADI-ontwerpvoorstel niet haalbaar zijn met de huidige voorgenomen financieringsopties?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het voorstel van IPE om de Innovatiebox te versoberen om NADI te financieren, mede in het licht van de beperkte effectiviteit en doelmatigheid van deze regeling?
Het voorstel van IPE gaat voorbij aan het hoofddoel van de innovatiebox: het bevorderen van het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. De innovatiebox bewerkstelligt, kort samengevat, dat winsten uit succesvolle R&D-activiteiten in Nederland effectief minder zwaar worden belast dan andere winsten. Als een innovatief bedrijf met kwalificerende activiteiten hogere winsten behaalt, dan heeft dat bedrijf een groter innovatieboxvoordeel maar betaalt het dus ook meer vennootschapsbelasting in Nederland. Dit voordeel is derhalve relatief.
Het kabinet hecht een groot belang aan een stabiel en voorspelbaar fiscaal vestigingsklimaat. Het kabinet onderschrijft in dat kader de primaire doelstelling van de innovatiebox, namelijk het bevorderen van het vestigings- en investeringsklimaat voor innovatieve ondernemingen. Uit de evaluatie blijkt dat de regeling hieraan bijdraagt door Nederland aantrekkelijk te houden voor R&D-investeringen en hoogwaardige werkgelegenheid. Het kabinet ziet daarom geen enkele aanleiding om de bestaande regeling te versoberen.
Het IPE stelt dat voor een EMU-relevante dekking circa 150 miljoen euro per jaar nodig is; herkent u dit bedrag en kunt u dit toelichten?
Zoals eerder gezegd kan ik niet vooruitlopen op besluitvorming over de vormgeving van NADI in combinatie met de in het Coalitieakkoord voorziene kapitaalstorting.
Tegelijkertijd begrijp ik dat het IPE op dit bedrag uitkomt, kijkend naar de jaarbudgetten van vergelijkbare organisaties in het buitenland, zoals de ARPA-organisaties in de Verenigde Staten (jaarbudget ca. € 7,5 miljard), SPRIND in Duitsland (jaarbudget ca. € 250 miljoen) en ARIA in het Verenigd Koninkrijk (jaarbudget ca. € 300 miljoen).
Hoe beoordeelt u de conclusie van het IPE dat deze dekking cruciaal is om NADI zodanig vorm te geven dat het daadwerkelijk kan functioneren conform het beoogde doel?
Die conclusie kan ik volgen. Maar in lijn met mijn eerdere antwoorden kan ik niet vooruitlopen op de besluitvorming hierover. Ik zal uw Kamer hier binnenkort over informeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het geplande commissiedebat Innovatie op 25 juni 2026?
Ja.
Het bericht ‘Politie vertelt waarom zo lang is gewacht met tonen video van schokkende aanval in Albert Heijn’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brute mishandeling van een 19-jarige jongen door Syrische terreurgroepen in de Albert Heijn Groningen op 21 januari 2026, waarbij circa tien mannen hem achtervolgden, tegen de grond werkten en bleven schoppen en slaan, ook nadat hij bewusteloos was?1
Ja.
Waarom heeft de politie de herkenbare beelden van de daders pas na een half jaar vrijgegeven via Opsporing Verzocht, terwijl twee verdachten al vroeg waren aangehouden en de overige daders maandenlang vrij rondliepen?
Deelt u de mening dat deze onacceptabele vertraging de daders de kans heeft gegeven om te vluchten of opnieuw geweld te plegen, en dat een directe publicatie van de beelden veel eerder tot arrestaties had geleid?
Waarom weigert de politie standaard bij geweld direct herkenbare beelden openbaar te maken, in plaats van de privacy van gewelddadige daders boven de veiligheid van burgers en winkelpersoneel te stellen?
Deelt u de mening dat beelden van geweldsincidenten onmiddellijk, het liefst dezelfde dag nog, vrijgegeven moeten worden?
Bent u bereid dit naar de politie te communiceren?
Wat gaat u doen tegen de groep Syriërs die al jaren Groningen en andere steden terroriseert?
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze mishandeling. Het veroorzaken van overlast en het plegen van strafbare feiten zijn onacceptabel. Voor het kabinet is het belangrijk dat het gevoel van veiligheid op straat blijft bestaan. Het is aan het bevoegd gezag om daarvoor zorg te dragen, en ik zet mij ten volle in om het daartoe in staat te stellen.
Bent u bereid om ongenadig hard op te treden tegen deze mensen, in plaats van de in het verleden opgelegde gebiedsverboden? Zo ja, waar laat u dat uit blijken?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat Syriërs in Syrië horen, helemaal nu, gezien het feit dat Syrië veilig is, en dat zij terug moeten naar hun eigen land in plaats van de veiligheid van Nederlanders te verzieken?
Tegen crimineel en overlast gevend gedrag moet altijd worden opgetreden, ongeacht de achtergrond van de daders.
Hoeveel Syriërs heeft u reeds begeleid naar de terugkeervliegtuigen in de eerste 100 dagen van dit kabinet?
Het artikel 'In Hengelo liggen ze niet wakker van mogelijke Russische aanval' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In Hengelo liggen ze niet wakker van mogelijke Russische aanval»?1
Ja.
Is het correct dat Medvedev, vicevoorzitter van de Russische veiligheidsraad, een lijst met potentiële doelwitten in Europa heeft gepubliceerd?
Op social media heeft Medvedev, vicevoorzitter van de Russische veiligheidsraad, aangegeven dat de Russische strijdkrachten over een lijst beschikken van Europese faciliteiten die drones maken en andere materialen die potentiele doelen kunnen zijn voor de Russische strijdkrachten. Verder zijn de uitlatingen van president Medvedev onacceptabel en druisen in tegen de democratische normen & waarden.
Is het correct dat op deze lijst ook «dronefabriek Destinus» in Hengelo staat?
Media hebben op 16 april 2026 gemeld dat het bedrijf Destinus uit Hengelo op de lijst zou staan.
Staat deze dronefabriek in Hengelo? Produceert deze fabriek drones voor Oekraïne?
Het is openbare informatie dat het hoofdkantoor van Destinus in Hengelo is gevestigd. Naast Hengelo heeft Destinus vestigingen verspreid over Europa.
Over welke systemen waar worden geproduceerd, worden geen uitspraken gedaan.
Kan Rusland, bijvoorbeeld met de Oreshnik, deze dronefabriek uitschakelen?
Het kabinet doet geen uitspraken die inzage geven in de informatiepositie van Nederland ten aanzien van de capaciteiten van wapensystemen van potentiële tegenstanders.
Heeft Nederland de militaire capaciteit om een Oreshnik die wordt afgeschoten vanuit Rusland op deze dronefabriek te onderscheppen?
Het kabinet doet geen uitspraken die inzage geven in de effectiviteit van Nederlandse wapensystemen in relatie tot de wapensystemen van potentiële tegenstanders.
Is het correct dat de (woon)wijk De Nijverheid, op slechts anderhalve kilometer van deze dronefabriek ligt?
Voor wat betreft het hoofdkantoor is dat correct.
Wat is de verwachte nevenschade – het aantal gewonden en doden – mocht een (conventioneel bewapende) Oreshnik deze dronefabriek vernietigen?
Het kabinet doet geen uitspraken die inzage geven in de informatiepositie van Nederland ten aanzien van de capaciteiten van wapensystemen van potentiële tegenstanders. Tevens geeft het kabinet geen uitspraken die inzage verschaffen in de paraatheid van de Nederlandse detectie- en afweercapaciteiten met betrekking tot die wapensystemen.
Wat is de verwachte nevenschade – het aantal gewonden en doden – specifiek in de (woon)wijk De Nijverheid, mocht een (conventioneel bewapende) Oreshnik deze dronefabriek vernietigen?
Zie antwoord vraag 8.
Wat is de verwachte tijd – en dus de maximale waarschuwingstijd voor bewoners in de omgeving – tussen het moment waarop de Oreshnik wordt gelanceerd en het moment waarop de raket de dronefabriek treft?
Zie antwoord vraag 8.
Is het, wat u betreft, wenselijk en redelijk, dat de Nederlandse bevolking in het algemeen en de burgers van Hengelo en de bewoners van De Nijverheid in het bijzonder aan deze risico’s worden blootgesteld omdat er een dronefabriek gevestigd is in Hengelo die drones produceert voor een oorlog die, in ieder geval wat Forum voor Democratie betreft, niet onze oorlog is?
Het kabinet hoopt dat de vragen die het lid Van Houwelingen stelt een onderschrijving zijn van de Russische dreiging. Daarnaast hoopt het kabinet dat hiermee Forum voor Democratie inzet op een herziening van het tot op heden uitgedragen standpunt rond de Russische dreiging en het kabinet steunt in maatregelen om Nederland te beschermen tegen de Russische dreiging.
Om de Russische dreiging het hoofd te bieden, bouwt Nederland samen met haar bondgenoten aan een robuuste afschrikking en paraatheid. Door onder andere de slagkracht van Oekraïne te steunen, draagt Nederland bij aan een afschrikkende werking tegen de Russische Federatie.
Daarnaast is het de inzet van het Kabinet om de eigen militaire slagkracht verder te versterken, zodat een potentiële tegenstander wordt afgeschrikt en, mocht het toch tot een conflict komen, deze effectief kan worden afgeweerd en de bevolking van Nederland en haar bondgenoten kan worden beschermd.
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn en afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Gemeenten die de Spreidingswet moeten uitvoeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Burgemeester van Maassluis steunt voornemen van eigen gemeente om «nul» asielzoekers op te nemen niet en pleit voor solidariteit» en de brief van de burgemeester van Maassluis «Reflectie coalitieakkoord»?1, 2
Ja.
Deelt u de mening van de burgemeester dat ten aanzien van het asielbeleid «het van belang [is] om als gemeenten onderling solidair te zijn. Dat betekent dus gevolg geven aan de spreidingswet»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, gemeenten moeten uitvoering geven aan de wet. De actuele situatie in de asielopvang laat eens te meer zien dat het belangrijk is dat gemeenten hun verantwoordelijkheid nemen om opvang te realiseren en zich solidair tonen met de gemeenten die dit al doen.
Deelt u de mening dat gemeenten uitvoering moeten geven aan de Spreidingswet en dat het voornemen om geen opvangplekken voor asielzoekers te zullen gaan aanbieden in strijd is met het doel van die wet? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja. Gemeenten moeten uitvoering geven aan de Spreidingswet. De wet geeft gemeenten de mogelijkheid om eerst met elkaar in gesprek te gaan aan de provinciale regietafel (PRT) over de precieze invulling van de provinciale opgave. Het is aan gemeenten onderling hoe zij hier invulling aan geven. De wet schrijft voor dat de provinciale opgave sluitend moet zijn. Aan deze tafels deelnemen zonder bereidheid een bijdrage te leveren is wat mij betreft niet aan de orde.
Kent u meer signalen van gemeenten die in nieuwe coalitieakkoorden het voornemen hebben opgenomen om geen opvangplekken voor asielzoekers te zullen gaan aanbieden? Zo ja, hoeveel gemeenten zijn dit en om hoeveel potentieel niet te realiseren opvangplekken gaat het?
Inmiddels hebben meerdere soortgelijke signalen ook mij bereikt. Ik ga echter niet in op de specifieke casuïstiek. Als gemeenten niet voldoen aan hun wettelijke taak, is het rijksbrede kader van interbestuurlijk toezicht van toepassing en zullen gemeenten hierop worden aangesproken. Het ministerie is al in gesprek met een aantal van de gemeenten die niet voldoen aan hun wettelijke taak.
Deelt u de mening dat het voor het lokale draagvlak ten aanzien van het opnemen van asielzoekers uiteindelijk beter is als gemeenten het aan de provinciale regietafels onderling eens worden over de verdeling van provinciale opvangopgaven in plaats van dat u die moet vaststellen of aanvullen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik. De wet geeft expliciet de mogelijkheid dat gemeenten met elkaar in gesprek gaan over hun opgaven. Deze afspraken landen in een provinciaal verslag, dat de CvdK als voorzitter van de PRT bij mij indient. Als het provinciale totaal sluitend is, zal ik het provinciale verslag overnemen in het verdeelbesluit. Lokaal bestuur heeft meer inzicht in de lokale context en weet welke opvangmogelijkheden daarbinnen mogelijk zijn. Ik raad de PRT’s dan ook aan om te komen tot een sluitend provinciaal verslag, zodat zij zelf de regie behouden.
Wat doet u om lokale bestuurders ten aanzien van het uitvoeren van de Spreidingswet te ondersteunen?
Ik breng momenteel een bezoek aan alle PRT’s, waarbij ik ook in gesprek ga met bestuurders over de invulling van de opgave. Daarnaast zijn er vanuit de Spreidingswet verschillende bonusregelingen, waarop gemeenten aanspraak kunnen maken. Ook is het goed te benoemen dat de VNG een ondersteuningsteam heeft opgericht, om gemeenten die een nieuwe opvanglocatie openen te ondersteunen.