Kamervraag 2026Z17011

Moslimhaat aan de Universiteit van Utrecht.

Ingediend 19 augustus 2026
Beantwoord 9 september 2026 (na 21 dagen)
Indiener Doğukan Ergin (DENK)
Beantwoord door Letschert
Onderwerpen migratie en integratie openbare orde en veiligheid organisatie en beleid
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z17011.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2999.html
  • Vraag 1
    Bent u bekend met het bericht dat een stilteruimte van de Universiteit Utrecht is achtergelaten met bier en Korans onder een tafelpoot?1

    Ja.

  • Vraag 2
    Wat is u bekend over de toedracht van deze haatactie en heeft u hierover contact gehad met de Universiteit Utrecht?

    Naar aanleiding van dit incident heb ik contact opgenomen met de Universiteit Utrecht (hierna: UU). Zij heeft met mij gedeeld dat de stilteruimte respectloos is achtergelaten. Zij geeft aan dit onacceptabel te vinden, ervan geschrokken te zijn en zich te kunnen voorstellen dat studenten hier ook erg van geschrokken zijn.
    De UU heeft mij laten weten dat zij van de situatie heeft vernomen via de instagrampost van de Islamitische Studentenvereniging INSAN op de betreffende dinsdagmiddag. Daarop is direct actie ondernomen. Medewerkers van de UU zijn bij de stilteruimte gaan kijken. Daar troffen zij een rommelige ruimte aan met de Korans inmiddels weer opgeborgen in de kast. De UU heeft ervoor gezorgd dat de stilteruimte de ochtend erna weer was opgeruimd zodat de ruimte weer in gebruik kon worden genomen. Voorts heeft de UU contact gezocht met INSAN en een gesprek met hen over deze gebeurtenis wordt op korte termijn ingepland.

  • Vraag 3
    Deelt u de mening dat het ontheiligen van religieuze geschriften onacceptabel is?

    Ja, dat vind ik verwerpelijk.

  • Vraag 4
    Kunt u zich voorstellen dat het plaatsen van Korans onder een tafelpoot en het achterlaten van bier(resten) door islamitische studenten als moslimhaat en intimidatie wordt ervaren?

    Ik vind het van groot belang dat we in onze samenleving, en daarmee ook in het onderwijs, respectvol met elkaar omgaan. Hier was dat niet het geval, dit was een onacceptabele en respectloze actie. Dit soort incidenten horen zich niet voor te doen.

  • Vraag 5
    Wordt onderzocht of sprake was van een islamofoob motief? Zo nee, bent u bereid hier bij de Universiteit Utrecht op aan te dringen?

    De UU heeft mij laten weten dat zij dit incident serieus neemt en bekijkt of zij kan achterhalen wat er precies gebeurd is. Het is tegelijkertijd ook lastig omdat de stilteruimte een vrij toegankelijke ruimte is zonder een reserverings- of boekingssysteem en er geen camera’s in of rondom de stilteruimte zijn (in verband met onder meer de privacy).
    De UU doet navraag bij gebruikers van het gebouw of men iets gezien heeft, en vraagt aan gebruikers van het gebouw om alert te zijn op oneigenlijk gebruik van de stilteruimte en te melden wanneer dit gebeurt. Ook vraagt zij haar facilitair medewerkers UU-breed om de stilteruimtes vaker te controleren. Tot slot gaat zij over deze gebeurtenis in gesprek met de Islamitische Studentenvereniging INSAN, die hierover als eerste aan de bel heeft getrokken via sociale media.
    Het is goed dat de UU gedegen opvolging geeft aan deze acties.

  • Vraag 6
    Welke maatregelen neemt de Universiteit Utrecht om herhaling te voorkomen en de veiligheid van islamitische studenten te waarborgen?

    Zie antwoord vraag 5.

  • Vraag 7
    Heeft u zicht op de omvang van islamofobie en discriminatie van moslims binnen het hoger onderwijs? Zo ja, kunt u de beschikbare cijfers hierover met de Kamer delen?

    Onderzoek laat zien dat er moslimdiscriminatie plaatsvindt in de Nederlandse samenleving.2 Ondanks dat er geen sectorspecifieke monitor is die islamofobie en moslimdiscriminatie uitsluitend binnen het hoger onderwijs meet, geven bredere onderzoeken een beeld van de omvang van islamofobie en moslimdiscriminatie binnen het (hoger) onderwijs.3
    Zo rapporteert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) met betrekking tot alle onderwijsrichtingen dat 45–55% van de moslimstudenten discriminatie ervaart in het onderwijs.4 Uit dit rapport blijkt ook dat 44% van de studenten met een Marokkaanse achtergrond stagediscriminatie ervaart.5 Stagediscriminatie in het hoger onderwijs kan voorkomen tijdens het sollicitatieproces en gedurende de stage zelf. Dit kan expliciet zijn, zoals het afwijzen van moslimstudenten vanwege een hoofddoek of via stereotyperende opmerkingen en micro-agressie.6
    Moslimstudenten uit het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs geven aan, onder andere op basis van een eigen enquête7, dat (gebrek aan) thuisgevoel in het onderwijs een belangrijk issue voor hen is.

  • Vraag 8
    Bent u bereid met universiteiten en hogescholen afspraken te maken over het voorkomen, registreren en aanpakken van moslimhaat?

    Moslimhaat is onacceptabel en een probleem dat aangepakt dient te worden. Ik verwacht van instellingen dat zij hier aandacht voor hebben vanuit hun verantwoordelijkheid voor een veilige leer- en werkomgeving. In het kader van de integrale aanpak sociale veiligheid voor alle studenten en medewerkers in het hoger onderwijs voer ik hierover regulier overleg met de sector. In dat gesprek zal ik ook aandacht vragen voor dit type incidenten bij instellingen. Vanuit OCW betrekken we de moslimgemeenschap bij relevante beleidsdossiers om te horen wat er leeft binnen de gemeenschap en om ervoor te zorgen dat alle Islamitisch Nederlandse jongeren zich veilig, gezien en gehoord voelen op de onderwijsinstellingen.8


Kamervraag document nummer: kv-tk-2026Z17011
Volledige titel: Moslimhaat aan de Universiteit van Utrecht.
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20252026-2999
Volledige titel: Antwoord op Vragen van het lid Ergin over moslimhaat aan de Universiteit van Utrecht