Overwinsten van olie- en gasbedrijven |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het rapport Excess Oil Profits in Times of War van Energy Comment Hamburg1, waarin wordt geanalyseerd dat oliemaatschappijen in de EU sinds het uitbreken van de oorlog in het Midden-Oosten dagelijks meer dan € 80 miljoen extra winst maken door hogere marges op diesel en benzine?
Hoe beoordeelt u de analyse dat de brandstofprijzen aan de pomp veel sterker zijn gestegen dan de onderliggende prijs van ruwe olie, en dat dit wijst op buitensporige winstmarges in de fossiele brandstofsector?
Herkent u de conclusie dat de marges vooral zijn opgelopen in lidstaten met een hoge koopkracht, waaronder Nederland?
Het rapport concludeert dat oliemaatschappijen in Nederland vanwege de oorlog in het Midden-Oosten per dag 2,9 miljoen euro overwinst maken door hogere marges te rekenen voor de prijs van benzine en met name diesel, en dat in geen enkel ander Europees land de prijsstijging van diesel zo fors is als in Nederland; hoe kijkt u aan tegen dit rapport en deze conclusies?
Is er in dit geval volgens u sprake van «graaiflatie», waarbij bedrijven misbruik maken van geopolitieke spanningen om winsten te behalen ten koste van burgers? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk onwenselijk is dat fossiele bedrijven extra profiteren van geopolitieke spanningen en oorlog, terwijl burgers de rekening betalen? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat olie- en gasbedrijven geen misbruik kunnen maken van oorlogssituaties of andere rampen om vervolgens de prijzen op te stuwen?
Welke mogelijkheden ziet u om overwinsten van olie- en gasbedrijven tijdelijk of permanent extra te belasten, zodat deze middelen kunnen worden ingezet voor verlaging van energierekeningen en versnelling van de energietransitie?
Welke nationale of Europese wetgeving is nodig om oorlogswinst of overwinsten van fossiele energiebedrijven zwaarder te belasten?
Welke gesprekken heeft u hierover gevoerd met Europese collega’s of in EU-verband, en bent u bereid dit onderwerp actief op de Europese agenda te zetten?
Zal Nederland de oproep aan de Europese Commissie van Duitsland, Italië, Spanje, Portugal en Oostenrijk rond overwinstbelastingen steunen? Ja nee, waarom niet?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie Teunissen over overwinsten van oliebedrijven inzetten voor tijdelijke steun aan kwetsbare huishoudens?
Tijdens het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten gaf de Minister van Financiën aan dat er op dit moment procedures lopen met energiebedrijven, onder andere vanwege definitiekwesties; kunt u aangeven hoeveel juridische procedures er zijn aangespannen door bedrijven tegen de Nederlandse Staat, met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022?
Kunt u een zo volledig mogelijk overzicht geven van alle lopende juridische procedures – zowel nationaal als internationaal – met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022, inclusief de betrokken partijen, het type procedure en de huidige stand van zaken?
Kunt u nader toelichten welke beroepsprocedures in september en oktober bij Nederlandse rechtbanken starten, en welke zaken momenteel aanhangig zijn bij het Europese Hof van Justitie? Wat zijn de centrale juridische geschilpunten in deze procedures?
Kunt u bevestigen welke energiebedrijven betrokken zijn bij deze procedures, en op welke gronden zij de solidariteitsbijdrage aanvechten?
Kunt u bevestigen of en in hoeverre de solidariteitsbijdrage onderdeel uitmaakt van bredere juridische geschillen met bedrijven zoals Shell en ExxonMobil, bijvoorbeeld in het kader van de arbitrages rond de afbouw van de gaswinning in Groningen?
Kunt u bevestigen of bedrijven internationale arbitrageprocedures zijn gestart tegen Nederland in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage of andere belastingmaatregelen (zoals de conditionele bronbelasting op renten, royalty’s en dividenden)? Zo ja, om welke zaken gaat het en op basis van welke verdragen worden deze claims ingediend?
Kunt u bevestigen of Petrogas een arbitrageprocedure is gestart op basis van het bilaterale investeringsverdrag tussen Nederland en Oman, en of deze procedure (mede) betrekking heeft op de solidariteitsbijdrage en/of andere fiscale maatregelen?2
U gaf aan dat de solidariteitsbijdrage «waarschijnlijk kwetsbaar» was en dat deze kwetsbaarheid zich nu materialiseert; kunt u nader specificeren waar deze juridische kwetsbaarheid precies uit bestaat?
Welke implicaties hebben deze lopende procedures voor de mogelijkheid om in de toekomst nieuwe belastingen op overwinsten of andere crisisgerelateerde heffingen in te voeren?
Welke bredere juridische risico’s ziet u voor het invoeren of aanpassen van belastingmaatregelen die gericht zijn op het tegengaan van excessieve winsten, belastingontwijking of het beschermen van het publieke belang?
Hoe beoordeelt u het feit dat energiebedrijven, die aanzienlijke winsten hebben behaald als gevolg van geopolitieke crisis, juridische procedures starten tegen maatregelen die bedoeld zijn om deze winsten gedeeltelijk af te romen ten behoeve van huishoudens en de samenleving?
Bent u het ermee eens dat geschillen over belastingmaatregelen primair thuishoren bij de nationale rechter en – in voorkomend geval – het Europese Hof van Justitie, en niet in private arbitrageprocedures?
Welke juridische en financiële risico’s ziet u voortvloeien uit Nederlandse bilaterale investeringsverdragen met investor-state dispute settlement (ISDS) clausules in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage?
Hoe verhouden deze risico’s zich tot het bredere kabinetsbeleid ten aanzien van investeringsbescherming en de hervorming of beëindiging van ISDS, mede in het licht van recente discussies over beleidsruimte voor klimaat- en energiebeleid?
Kunnen deze vragen worden beantwoord voorafgaand aan het plenaire debat over de maatregelen van het kabinet inzake de hoge energie- en brandstofprijzen?
De uitkomsten van de Hongaarse parlementsverkiezingen |
|
Felix Klos (D66), Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Berendsen , Rob Jetten (D66), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat gaat u doen om het nieuwste sanctiepakket tegen Rusland, dat door Hongarije tot op heden werd geblokkeerd, zo spoedig mogelijk aangenomen te krijgen?
De Unie bereikte op 23 april jl. een akkoord over het twintigste sanctiepakket. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in het verslag van de informele Europese Raad van 23 en 24 april jl.1 De inspanningen van het kabinet zijn er nu op gericht de druk op Rusland nog verder te verhogen met aanvullende sancties. Het kabinet heeft het belang hiervan ook benadrukt in contacten met de inkomende Hongaarse regering.
Wat gaat u doen om de circa € 90 miljard aan Europese steun voor Oekraïne, die tot op heden door Hongarije werd geblokkeerd, zo snel mogelijk op Europees niveau goedgekeurd te krijgen?
Op 23 april jl. bereikte de Raad akkoord op de benodigde amendering van de MFK-verordening. Hiermee is niet langer sprake van een blokkade. Op dit moment werken de deelnemende EU-lidstaten aan de verdere implementatie van de steunlening.
Wat gaat u doen om het toetredingsproces van Oekraïne, inclusief het openen van de onderhandelingsclusters die door Hongarije werden geblokkeerd, zo spoedig mogelijk te laten hervatten?
Beoogd premier Magyar heeft aangegeven dat kandidaat-lidstaten moeten kunnen toetreden tot de EU als ze daar klaar voor zijn. Dat is een belangrijk signaal. Het kabinet hoopt op een constructieve houding van Hongarije in het op merites gebaseerde toetredingstraject van Oekraïne. Het openen van Cluster 1 vormt hierin de eerstvolgende stap. Het kabinet roept hier ook toe op en zal deze boodschap ook bilateraal onder de aandacht brengen van de nieuwe Hongaarse regering. Naar verwachting zal discussie hierover plaatsvinden in Brussel in aanloop naar de Europese Raad op 18-19 juni a.s.
Aan welke voorwaarden moet Hongarije volgens het kabinet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de eerder bevroren Europese middelen? Welke resultaten moeten er worden geboekt? En hoe voorkomt het kabinet dat de Commissie bevroren tegoeden uitkeert voordat het een transparante evaluatie heeft uitgevoerd van bereikte mijlpalen?
De voorwaarden waaraan Hongarije moet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de geblokkeerde EU-middelen liggen op het terrein van anti-corruptie, belangenverstrengeling en rechterlijke onafhankelijkheid en zijn opgenomen als supermijlpalen in het RRF-uitvoeringsbesluit, als corrigerende maatregelen in het uitvoeringsbesluit voor maatregelen tegen Hongarije op grond van de MFK-rechtsstaatsverordening, en als horizontale en thematische randvoorwaarden in de Common Provisions Regulation.2 In lijn met de moties van Lanschot c.s. en Sjoerdsma c.s. pleit het kabinet er voor dat Hongarije deze hervormingen doorvoert voordat de geblokkeerde EU-middelen worden vrijgegeven.3
Overwegende dat er hoop is dat de afbrokkelende rechtsstaat in Hongarije door een nieuwe regering wordt hersteld, welke mogelijkheden ziet u om kennis en ervaring te delen, dan wel op andere wijze Hongarije te ondersteunen bij het herstellen van de rechtsstaat?
Het kabinet zal de nieuwe regering waar mogelijk bij deze hervormingen helpen, afhankelijk van de behoefte, bijvoorbeeld via het delen van kennis en expertise of ondersteuning van het maatschappelijk middenveld. Dit aanbod is in de eerste contacten met de beoogd Minister van Buitenlandse Zaken Anita Orbán al overgebracht.
Zijn er concrete mogelijkheden voor de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie en Veiligheid om in de vorm van expertise bij te dragen aan dit proces? Bent u bereid om op Europees niveau een voortrekkersrol te spelen bij het ondersteunen van het herstel van de Hongaarse rechtsstaat?
Ja. Nederland is bereid om, op verzoek en binnen EU-kader, expertise beschikbaar te stellen ter ondersteuning van rechtsstaathervormingen in Hongarije. Daarbij kan worden voortgebouwd op de wijze waarop eerder in EU-verband dialoog en uitwisseling met Polen hebben plaatsgevonden, onder meer via het delen van best practices en peer-to-peer samenwerking. Ondersteuning zou plaatsvinden in nauwe afstemming met Hongarije, de Europese Commissie en andere lidstaten.
Welke mogelijkheden ziet u om met een nieuwe Hongaarse regering stappen te zetten in de opvolging van de motie-Klos, die oproept tot het afschaffen van veto’s in het gemeenschappelijk buitenland- en defensiebeleid van de Europese Unie?
In lijn met motie Klos zet het kabinet zich in voor het afschaffen van veto’s in het Gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie. Dit is belangrijk voor de slagvaardigheid van de EU. Nederland maakt zich hier hard voor in EU verband. Het is nog onduidelijk wat de opstelling van de inkomende Hongaarse regering zal zijn op dit onderwerp. Verschillende lidstaten hebben echter principiële bezwaren tegen het afschaffen van veto’s, waardoor de inzet op het afschaffen van veto’s in het GBVB een kwestie van lange adem zal blijven. Nederland is nu eerst in gesprek met andere lidstaten over hoe we het beste dit doel kunnen bereiken. Daarbij is het ook van belang om dit onderwerp te zien in de bredere discussie over hoe effectiviteit van het EU-buitenlandbeleid kan worden vergroot.
Welke mogelijkheden ziet u om op andere dossiers doorbraken te realiseren na het aantreden van een pro-Europese regering in Hongarije?
Cf. motie Van Lanschot c.s.4 zal het kabinet zich er bij de Commissie voor inzetten dat Hongarije de rechtsstaat herstelt, zich opnieuw in lijn brengt met gedeelde waarden en het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zoals steun aan Oekraïne en sancties tegen Rusland, en de hervormingen doorvoert om te voldoen aan de voorwaarden voor Europese financiering. Beoogd premier Maygar heeft in zijn overwinningsspeech benadrukt een sterke bondgenoot voor de EU en NAVO te willen zijn. Op basis van eerste mediaoptredens van Magyar en de eerste contacten, is het kabinet hoopvol over een constructieve koers van Hongarije binnen de EU. Het kabinet kijkt uit naar samenwerking met de nieuwe regering.
In dat kader wordt ook gewerkt aan spoedige bilaterale contacten. Zo wordt gestreefd naar een ontmoeting met de beoogd Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken, Anita Orbán, en marge van de informele NAVO-ministeriële bijeenkomst in Helsingborg, Zweden, op 21-22 mei aanstaande. Tevens wordt ingezet op een bezoek aan Boedapest op ministerieel niveau op korte termijn.
Bent u bekend met het pleidooi voor een Europees «re-democratiseringsplan» voor Hongarije, waarin wordt voorgesteld dat de Europese Unie actief bijdraagt aan institutionele wederopbouw door democratische hervormingen structureel te ondersteunen en lidmaatschapsrechten sterker te koppelen aan het functioneren van democratische instituties, en bent u bereid zich op Europees niveau in te zetten voor de ontwikkeling en implementatie van een dergelijk plan? Zo ja, op welke wijze en met welke concrete voorstellen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met dit pleidooi. Democratie is een kernwaarde van de Europese Unie. Het is in de eerste plaats aan lidstaten zelf om de democratie vorm te geven. Initiatieven van de Commissie kunnen daar ondersteunend aan zijn. Het kabinet onderschrijft het belang van dergelijke initiatieven die democratische instellingen binnen lidstaten versterken. Zoals blijkt uit antwoord op vraag 5 en 6 is Nederland bereid om bij te dragen aan benodigde democratische hervormingen in Hongarije daar waar dat toegevoegde waarde heeft.
De grote kostenstijging van de 24-uurs bezorging van rouwkaarten |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Rouwkaart versturen die binnen 24 uur moet aankomen? Dat gaat je enkele euro’s per kaart kosten»?1
Ja.
Klopt het dat vanaf juli voor bezorging van rouwpost binnen 24 uur een apart en aanzienlijk hoger tarief zal gaan gelden dan het reguliere posttarief? Zo ja, hoe wordt dit tarief vastgesteld?
Ja, voor bezorging van rouwpost binnen 24 uur gaat per 1 juli 2026 inderdaad een hoger tarief gelden. Voor rouwpost is PostNL bezig een apart proces in te richten, waarbij deze post via het pakketnetwerk meegenomen en bezorgd wordt. De hogere kosten die daarmee gepaard gaan, worden doorberekend in het hogere tarief. Burgers hebben ook de mogelijkheid om een brief niet als rouwbrieven aan te bieden, maar als reguliere UPD-brief. In dat geval gelden de wettelijke eisen voor rouwpost niet en wordt de brief binnen twee dagen bezorgd tegen het tarief van reguliere UPD-post.
De tariefruimte en tarieven voor de UPD-post worden elk jaar getoetst door de ACM, waarna PostNL daarbinnen de tarieven per UPD-postsoort kan vaststellen. Na de beoordeling door de ACM, zal PostNL hierover extern communiceren wat de definitieve tarieven worden.
Vind u het wenselijk dat nabestaanden in een periode van rouw mogelijk geconfronteerd worden met fors hogere kosten voor het informeren van familie en kennissen?
De periode na het overlijden van een dierbare is voor mensen een roerige tijd, daar ben ik mij bewust van. Per 1 juli 2026 worden de kwaliteitseisen voor de UPD-post aangepast. Vanaf dan geldt voor reguliere UPD-post een bezorgtermijn van twee dagen (D+2), met een bezorgbetrouwbaarheid van ten minste 90%. De kwaliteitseisen voor rouwpost blijven ongewijzigd, namelijk bezorging binnen één dag (D+1) met 95% bezorgzekerheid.
Om te kunnen blijven voldoen aan bezorging van rouwpost binnen één dag richt PostNL een apart proces in. Deze post zal voortaan via het pakketnetwerk bezorgd worden. De hogere kosten die daarmee gepaard gaan, worden doorberekend in een nieuw, hoger tarief.
De burger heeft ook de keuze om rouwpost niet als zodanig aan te bieden, maar als reguliere UPD brief te versturen. In dat geval gelden de wettelijke eisen voor rouwpost niet en wordt de brief bezorgd binnen de voor reguliere UPD-post geldende termijn van twee dagen (en per 1 juli 2027 drie dagen). Hiervoor hanteert PostNL het tarief van reguliere UPD-post. Gelet op het speciale karakter van deze post, komt PostNL wel met een passende rouwpostzegel.
Daarbij hebben mensen ook de mogelijkheid om rouwpost met een langere overkomstduur tegen een lager tarief te versturen, of te kiezen voor een digitaal bericht. Dat wordt al veel gedaan.
Hoe groot is het aandeel van rouwpost binnen de universele postdienst, zowel in aantallen als in verhouding tot het totale postvolume?
Van PostNL begrijp ik dat zij in 2025 ongeveer 5 miljoen stukken rouwpost heeft verwerkt. In 2025 bedroeg het totale aantal UPD-brieven ongeveer 115 miljoen. Rouwpost vertegenwoordigt daarmee zo’n 4% van het totale aantal UPD-brieven. De volumedaling van rouwpost gaat met hetzelfde percentage als het totale brievenvolume: in 2025 ongeveer 8% ten opzichte van 2024.
Overigens gebruiken mensen voor het snel informeren over het overlijden van iemand al veelvuldig digitaal verzonden berichten.
Vindt u dat er voldoende wettelijke of beleidsmatige waarborgen bestaan om een tijdige, toegankelijke en betaalbare bezorging van rouwpost te bewerkstelligen?
In het gewijzigde Postbesluit heb ik de bestaande eisen voor de overkomstduur en bezorgbetrouwbaarheid van deze postsoort gehandhaafd. Daarmee blijft de wettelijke verplichting voor de UPD-verlener om rouwpost en medische post binnen 24 uur te bezorgen. De ACM stelt ieder jaar de tariefruimte vast voor de postdiensten die onder de reikwijdte van de UPD vallen. Dit betreft de maximale gemiddelde prijs die PostNL mag rekenen voor deze postdiensten.
Zolang PostNL invulling geeft aan de wettelijke verplichting om rouwpost binnen één dag te bezorgen, is het aan PostNL om eventueel ook dit soort post als een reguliere UPD-brief te bezorgen waarbij een andere overkomstduur of tarief van toepassing is. Het is vervolgens aan de burger om op basis van deze opties een keuze te maken.
In hoeverre bent u van mening dat rouwpost een bijzondere maatschappelijke functie vervult die een uitzonderingspositie rechtvaardigt ten opzichte van reguliere post?
Ik ben van mening dat tijdige en betrouwbare bezorging in het geval van zowel rouwpost als medische post belangrijk is. Daarom heb ik in het gewijzigde Postbesluit ook gekozen voor andere wettelijke kwaliteitseisen voor bezorging van rouwpost en medische post ten opzichte van de reguliere UPD-post. Daarmee is bezorging van rouwpost en medische post binnen 24 uur en met een betrouwbaarheid van 95% nog steeds gewaarborgd. Tegelijkertijd ben ik niet van mening dat het een dusdanig bijzondere maatschappelijke functie vervult om daarvoor een uitzondering te maken.
Zijn er alternatieven onderzocht om de kosten voor rouwpost te beperken, bijvoorbeeld via een sociaal tarief, compensatieregeling of uitzonderingsregeling? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel ik mij kan voorstellen dat de prijsstijging van de rouwpost voor mensen in tijden van rouw zwaar kan vallen, is het PostNL dat ervoor kiest om de hogere kosten die zij maakt voor de bezorging van rouwpost ook door te voeren in de prijs die mensen ervoor betalen. De verhoging is namelijk een weerspiegeling van stijgende kosten. Verder past het binnen de wettelijke tariefruimte.
Welke rol spelen de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en het kabinet bij de beoordeling van nieuwe tarieven voor spoedpost, waaronder rouwpost?
Rouwpost en medische post zijn onderdeel van de UPD. De ACM stelt jaarlijks de tariefruimte vast voor de postdiensten die onder de reikwijdte van de UPD vallen. Dit betreft de maximale gemiddelde prijs die PostNL mag rekenen voor deze postdiensten. Eind mei 2026 verstrekt PostNL de gegevens aan de ACM die nodig zijn voor de vaststelling van de tariefruimte voor 2027.
Het staat PostNL overigens vrij om te bepalen hoe ze de bezorging van UPD-post, waaronder rouwpost, logistiek organiseert. PostNL kan ervoor kiezen rouwpost via haar pakketnetwerk te bezorgen.
Het kabinet heeft de wettelijke kaders bepaald waarbinnen de ACM de tariefruimte voor de UPD vaststelt. De ACM toetst of de tarieven van UPD-producten daarbinnen passen. Het kabinet heeft geen rol bij de vaststelling van tarieven die PostNL rekent voor UPD en niet-UPD post.
PostNL heeft aan ACM laten weten dat er een algemeen prioriteitsproduct buiten de UPD komt voor consumentenpost met bezorging binnen 24 uur. Rouwpost en medische post vallen niet onder dit prioriteitsproduct. Daarnaast bieden ook andere marktpartijen prioriteitsproducten aan. Het prioriteitsproduct van PostNL wordt binnen één dag (D+1) bezorgd en PostNL zal hiervoor een hogere prijs rekenen dan voor de UPD-post. Het prioriteitsproduct valt buiten de reikwijdte van de UPD en het tarief ervan maakt dan ook geen deel uit van de tariefmelding door PostNL aan de ACM.
Verwacht u dat de aangekondigde wijzigingen ook gevolgen zullen hebben voor medische post of andere maatschappelijk urgente poststromen? Zo ja, welke?
Zoals in vraag 3 en 5 toegelicht, heb ik in het gewijzigde Postbesluit gekozen voor behoud van de huidige wettelijke verplichting van de UPD-verlener om bezorging van rouwpost en medische post binnen 24 uur en met een hoge bezorgzekerheidseis van ten minste 95% aan te bieden. De voorgenomen wijziging in het Postbesluit om de overkomstduur naar D+2 te verlengen voor reguliere UPD-post vanaf 1 juli 2026 heeft dus geen invloed op de overkomstduur en bezorgzekerheid van rouwpost en medische post.
PostNL heeft ervoor gekozen om medische post – net als rouwpost – vanaf juli 2026 via het pakkettennetwerk te gaan bezorgen tegen een hoger tarief. Het voorgenomen nieuwe tarief voor medische post is vergelijkbaar met het voorgenomen nieuwe tarief voor rouwpost binnen de UPD en is onderdeel van de tariefmelding bij de ACM. Voor rouwpost en medische post die binnen twee dagen wordt bezorgd, hanteert PostNL het tarief van reguliere UPD-post.
Bent u bereid in overleg te treden met PostNL en relevante stakeholders om te voorkomen dat tijdige bezorging van rouwpost voor mensen onbetaalbaar wordt, en de Kamer hierover te informeren?
Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de UPD ben ik regelmatig in contact met de ACM, PostNL en andere relevante stakeholders. Het is aan de ACM om te toetsen of de voorgenomen tarieven van PostNL voor producten onder de reikwijdte van de UPD vallen binnen de door de ACM volgens de wettelijke kaders vastgestelde tariefruimte.
Het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de “slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen” |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de «slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen»?1
Ja.
Erkent u de zorg dat import uit onder andere China, Oekraïne en Mercosur-landen plaatsvindt onder lagere normen op het gebied van dierenwelzijn, milieu en voedselveiligheid?
De Europese Unie kan onder het multilaterale kader van de Wereldhandels Organisatie (WTO) bij import eisen stellen aan het product op het gebied van voedselveiligheid en etikettering. Geïmporteerde producten moeten altijd voldoen aan dezelfde Europese eisen voor voedselveiligheid als binnen de EU geproduceerd voedsel.
Productiestandaarden komen onder meer voort uit sociaaleconomische, landbouwkundige, klimatologische, milieukundige en geografische omstandigheden van een land. Elk land kent daardoor zijn eigen productiestandaarden, en verschillen in productiestandaarden zijn onvermijdelijk. Daarbij geldt ook dat andere standaarden niet per definitie slechter zijn. Daarnaast geldt dat productiestandaarden onder het zogenoemde right to regulate van derde landen vallen. Een recht waar de EU zelf ook niet lichtvoetig mee om gaat.
Aangezien productiestandaarden onder dit zogenoemd recht om te reguleren van een land vallen, kan de EU slechts in beperkte mate haar productiestandaarden als dierenwelzijns- en milieu-eisen opleggen aan derde landen. Regelgeving over productiestandaarden inzake milieu of dierenwelzijn op geïmporteerde producten moet bijvoorbeeld in lijn zijn met relevante WTO-regels, zoals ook geconcludeerd door de Commissie in 2022 in haar rapport «Toepassing van de gezondheids- en milieunormen van de EU op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten» (COM(2022)226). In de Visie Landbouw en Voedsel heeft de Commissie aangegeven een sterkere afstemming van productiestandaarden die van toepassing zijn op geïmporteerde producten, met name op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en dierenwelzijn, na te streven. Dit moet wel gebeuren in overeenstemming met de internationale (handels)regels. Het kabinet heeft in het BNC-fiche mb.t. de visie aangegeven dit te steunen, en uit te kijken naar deze voorstellen.2 Inmiddels is een deel van de voorstellen gepresenteerd.
Daarnaast kan via handelsverdragen bilateraal afgesproken worden dat enkel producten die aan Europese productiestandaarden voldoen gebruik kunnen maken van lagere importtarieven. In het Associatieakkoord/Deep and Comprehensive Free Trade Agreement met Oekraïne zijn bijvoorbeeld afspraken opgenomen waarin Oekraïne zich verplicht heeft de Europese Sanitaire- en Fytosanitaire (SPS)-regelgeving, inclusief dierenwelzijnsregelgeving, over te nemen en te implementeren. Daarmee worden deze normen gelijkgetrokken met die van de EU.
Klopt het dat Nederland op verschillende punten strengere eisen hanteert of ontwikkelt dan het Europese beleid voorschrijft?
Ja, het klopt dat Nederland op onderdelen verder gaat of sneller beweegt dan het huidige Europese minimumniveau. Tegelijk is het kabinetsuitgangspunt dat een gelijk speelveld belangrijk is en dat onnodige nationale koppen op Europees beleid moeten worden vermeden. Het kabinet onderschrijft het belang van goede dierenwelzijnswetgeving op EU-niveau. Juist voor de concurrentiepositie van Nederlandse veehouders is het van belang dat dergelijke wetgeving zo veel mogelijk op Europees niveau wordt geregeld. Voor dierwaardige veehouderij geldt dat het kabinet hier uitvoering geeft aan een wettelijke opdracht uit artikel 2.3a «Dierwaardige Veehouderij» van de Wet dieren.
Welke concrete maatregelen neemt u om te komen tot een gelijk speelveld binnen de Europese Unie en ten opzichte van derde landen?
Op het gebied van het EU-concurrentievermogen zet het kabinet in op een gelijk speelveld op de interne markt als een eerlijk mondiaal speelveld, waarin bedrijven en niet (lid)staten met elkaar concurreren. Voor landbouw- en voedselproducten zet Nederland zich via de EU in op het ontwikkelen en verbeteren van productiestandaarden. Dat kan multilateraal (bv bij de Wereldhandels Organisatie en de Wereldorganisatie voor Diergezondheid) en bilateraal (in handelsverdragen). Verder kan EU, onder bepaalde voorwaarden, autonome maatregelen treffen.
Bent u bereid om nationale koppen op Europees beleid te beperken, zodat Nederlandse pluimveehouders concurrerend kunnen blijven binnen de interne markt?
De ambitie van het kabinet blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Daarbij geldt wel dat het kabinet voor dierwaardige veehouderij uitvoering moet geven aan de wettelijke opdracht uit de Wet dieren vanuit een ruime kamermeerderheid. Binnen die opdracht blijft het kabinet oog houden voor regeldruk, uitvoerbaarheid, verdienvermogen en het gelijk speelveld.
Erkent u dat voedselproductie een strategisch belang heeft voor Nederland en Europa in het licht van toenemende geopolitieke spanningen?
Voedselzekerheid is van fundamenteel belang voor de nationale en Europese weerbaarheid en strategische autonomie. Een robuuste voedselproductieketen levert hier uiteraard een cruciale bijdrage aan.
Hoe weegt u het risico dat Nederland in toenemende mate afhankelijk wordt van import uit derde landen?
Het veiligstellen van de voedselzekerheid op de langere termijn, ook in relatie tot strategische afhankelijkheden van het buitenland, is voor het kabinet reden om een strategische agenda voor de voedselzekerheid op te stellen om kwetsbaarheden te adresseren. Ik zal de Tweede Kamer voor de zomer informeren over de bouwstenen en de aanpak om te komen tot deze strategische agenda.
Hoe beoordeelt u het risico dat de nationale zelfvoorzieningsgraad van pluimveevlees daalt tot circa 60 procent bij invoering van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) dierwaardige veehouderij?
Het kabinet herkent dat ingrijpende nationale maatregelen gevolgen kunnen hebben voor productievolume, kosten, concurrentiepositie en nationale zelfvoorzieningsgraad. Eerdere analyses van Wageningen University & Research laten zien dat nationaal beleid, en specifiek de AMvB dierwaardige veehouderij, grote invloed kan hebben op de veehouderij en dat forse aanpassingen in de pluimveehouderij mogelijk zijn. Tegelijk geldt dat de precieze ontwikkeling van de zelfvoorzieningsgraad afhankelijk is van de uiteindelijke invulling, het tempo van invoering, marktontwikkelingen, innovatie en handelsstromen. Het kabinet verbindt zich daarom niet aan één sectorschatting, maar laat de ontwikkeling wel volgen, juist ook via monitoring van marktontwikkelingen en randvoorwaarden.
Bent u bereid zich in te zetten voor het borgen van een nationale zelfvoorzieningsgraad van ten minste 100 procent alvorens aanvullende maatregelen te nemen?
Het kabinet acht voedselproductie en leveringszekerheid van groot belang, maar een vaste norm van 100% nationale zelfvoorzieningsgraad is geen op zichzelf staand doel. Daarbij is Nederland onderdeel van de EU en is er een gemeenschappelijk landbouwbeleid en vrij verkeer van goederen op de Europese interne markt. Het kabinet stuurt daarom op een bredere afweging, waarin voedselzekerheid, strategische weerbaarheid, dierenwelzijn, uitvoerbaarheid en verdienvermogen samen worden bezien. Overigens was de zelfvoorzieningsgraad van Nederlands pluimveevlees in 2024 152%.
Bent u bekend met het rapport van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat de kosten op boerderijniveau voor de pluimveehouderij met circa € 0,23 per kilogram (ruim 19 procent ten opzichte van € 1,20) stijgen?2, 3
Ja, ik ben bekend met het rapport en de financiële doorrekeningen van de plannen van aanpak van de sectoren en Dierenbescherming die daarin zijn opgenomen.
Hoe verhoudt deze kostenstijging zich tot de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders ten opzichte van landen als Duitsland en Polen, waar dergelijke lasten niet gelden?
Een kostenstijging als gevolg van nationale maatregelen kan de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders onder druk zetten wanneer die kosten niet in gelijke mate optreden in andere lidstaten. Juist daarom heeft het kabinet steeds benadrukt dat bij dierenwelzijnsverbeteringen een gelijk speelveld binnen de Europese Unie van groot belang is. Tegelijk hangt de feitelijke impact op de concurrentiepositie af van de uiteindelijke invulling van de maatregelen, het invoeringstempo, de mogelijkheden voor innovatie en marktwaardering, en van ontwikkelingen in andere lidstaten. Het kabinet betrekt deze aspecten nadrukkelijk bij de verdere uitwerking van de AMvB dierwaardige veehouderij. Daarbij ben ik ook bereid om met onze buurlanden op te trekken om tot gezamenlijke standaarden en keurmerken rondom dierwaardigheid te komen (specifiek Duitsland en België).
Hoe acht u het mogelijk dat Nederlandse pluimveehouders kunnen blijven concurreren op een Europees speelveld, indien deze kostenstijging zich voordoet?
Bij het komen tot maatregelen in de ontwerp AMvB heeft overleg en afstemming plaatsgevonden met sector en Dierenbescherming. Daarbij is gekeken naar de door deze partijen opgestelde plannen van aanpak voor het verhogen van dierenwelzijn in de pluimveesector, naar wetenschappelijke onderbouwing en naar de handhaafbaarheid van voorgenomen maatregelen. Ook is een economische impactanalyse gemaakt. Er is op grond daarvan gekozen voor een stapsgewijze aanpak tot 2040 zodat enerzijds duidelijk is welke stip er op de horizon staat en er tevens voldoende tijd is om daar naar toe te kunnen werken. Daarbij zet het kabinet zich actief in voor de marktcreatie voor deze producten in binnen- en buitenland, waarbij Nederlandse producten kwalitatief aan de beste standaarden voldoen. Intussen heeft de Europese Commissie aangekondigd te zullen komen met een herziening van de Europese dierenwelzijnsregelgeving waarmee naar verwachting ook in Europees verband zal worden gekomen tot hogere dierenwelzijnsstandaarden en er daarmee binnen de EU een gelijk speelveld blijft bestaan.
Bent u bereid om in overleg met de sector te kijken of dierenwelzijnsverbeteringen kunnen worden gerealiseerd via maatregelen die geen negatieve impact hebben op de zelfvoorzieningsgraad en concurrentiepositie, bijvoorbeeld door sturing op basis van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s), als alternatief voor onderdelen van de AMvB dierwaardige veehouderij?
Zie het antwoord op vraag 12.
De mediarichtlijn van Fiom over abortus |
|
Mirjam Bikker (CU), Femke Wiersma (BBB), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de nieuwe Fiom-mediarichtlijn en bijhorende adviezen over taalgebruik over abortus?1
Ja.
Is het Ministerie van VWS van plan om deze mediarichtlijn en taaladviezen van Fiom ook te gaan gebruiken?
De mediarichtlijn is volgens Fiom bedoeld voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals die berichten over abortus. Het Ministerie van VWS is daarmee geen «doelgroep» van deze richtlijn. Dat neemt niet weg dat sommige suggesties die Fiom in de mediarichtlijn doet, ook voor het Ministerie van VWS behulpzaam kunnen zijn. Immers, stigma en (voor-)oordelen komen helaas nog altijd voor bij een onbedoelde zwangerschap. Het kabinet wil daarom in beleid, doelen en woordkeuze werken aan de-stigmatisering.2
Kunt u bevestigen dat deze mediarichtlijn en taaltips tot stand zijn gekomen met subsidie van het Ministerie van VWS? Zo ja, aan welke voorwaarden moet deze communicatie voldoen qua objectiviteit en neutraliteit?
Fiom ontvangt een instellingssubsidie van het Ministerie van VWS. Hiermee ontwikkelt Fiom naar eigen inzicht kennis over, onder andere, ongewenste zwangerschap en abortus. Deze mediarichtlijn kwam mede op basis van de uitkomsten van onderzoek3 naar de berichtgeving over abortus in Nederlandse kranten tot stand. Dit past in de activiteiten die Fiom onderneemt om een breed publiek van informatie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap en alle keuzeopties te voorzien.
Fiom tracht met de adviezen stigma over (in dit geval) abortus te verminderen en een realistischer beeld van een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap uit te dragen. Daarmee sluit deze activiteit aan bij de doelen binnen de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap.
In de subsidievoorwaarden zijn geen specifieke eisen opgenomen over de wijze waarop Fiom mag communiceren. Uiteraard geldt in algemene zin wel dat het
Ministerie van VWS het belangrijk vindt dat informatie voor iedereen toegankelijk, kloppend, begrijpelijk en goed vindbaar is. Het Ministerie van VWS verwacht daarnaast dat een expertisecentrum als Fiom er voor iedereen is, welke (levensbeschouwelijke) visie op abortus iemand ook heeft.
Deelt u de opvatting dat het document van Fiom niet neutraal en feitelijk is, zoals het pretendeert te zijn?
De informatie en de gegeven adviezen zijn mede gebaseerd op het in antwoord op vraag drie genoemde wetenschappelijk onderzoek dat in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam werd gedaan. De missie en visie van Fiom zijn ook van invloed geweest op de richtlijn. Fiom heeft de vrijheid om ten aanzien van hun activiteiten, zoals het publiceren van dit document voor journalisten, eigen afwegingen en keuzes te maken, passend bij de missie en visie van Fiom. Dat Fiom daarbij een voorkeur toont voor bepaalde terminologie laat onverlet dat er zeer uiteenlopende (normatieve) visies op zwangerschap en abortus mogelijk zijn.
Erkent u dat het vermijden van bepaalde woorden kan bijdragen aan het verdoezelen van de morele zwaarte van abortus?
Het doel van Fiom met deze mediarichtlijn is het bevorderen van feitelijke en niet-stigmatiserende berichtgeving over abortus. In algemene zin geldt dat taal invloed heeft op hoe mensen naar een onderwerp als abortus kijken. Dat geldt zowel voor taal die de ingreep bagatelliseert, als voor taal die de ingreep zwaarbeladen maakt. Naar de mening van het kabinet is hier dan ook geen sprake van «verdoezelen».
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde organisaties taal voorschrijven die bepaalde morele perspectieven op het ongeboren leven uitsluit en afkeurt?
Het kabinet begrijpt dat de keuze voor de term «richtlijn» de suggestie kan wekken dat er sprake is van een standaard waarvan niet afgeweken mag worden. In het document biedt Fiom praktische tips voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals, zodat zij op een respectvolle manier kunnen berichten over abortus. Journalisten zijn uiteraard niet verplicht om deze adviezen te volgen en gaan over hun eigen onderwerpen, insteek en woordkeuze.
Wat vindt u ervan dat volgens Fiom niet gesproken mag worden over «pro-life», maar enkel over «anti-abortus»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
Fiom licht in het document toe dat de term «pro-life» de suggestie kan wekken dat voorstanders van keuzevrijheid tégen het leven zouden zijn. Dat is een redenering die het kabinet kan volgen. Tegelijkertijd begrijpt het kabinet de kritiek en gevoeligheid ten aanzien van dit media-advies van mensen en organisaties die zichzelf als «pro-life» beschouwen. Er is ten aanzien van het onderwerp abortus sprake van verschillende waarden, die er allemaal mogen zijn.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag zes, geeft Fiom een advies bedoeld voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals die berichten over abortus. Fiom heeft de vrijheid om daarbij eigen afwegingen en keuzes te maken en journalisten gaan over hun eigen onderwerpen, insteek en woordkeuze.
Erkent u dat «pro-life» een internationaal zeer gangbare zelfbenaming is?
Ja, dit erkent het kabinet. Dat laat onverlet dat Fiom hiervoor een alternatieve term kan aanbieden.
Hoe waarborgt u dat er ruimte blijft voor verschillende levensbeschouwelijke visies in het maatschappelijk debat?
De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging zijn grondwettelijk vastgelegd. Het is belangrijk dat er in het maatschappelijk debat ruimte is voor verschillende levensbeschouwelijke visies. Er is, naar de mening van het kabinet, in het maatschappelijk debat in Nederland ruimschoots aandacht voor uiteenlopende meningen over abortus. Fiom heeft adviezen gegeven over mogelijk taalgebruik door mediaprofessionals die willen bijdragen aan dit debat.
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om geen gebruik te maken van de termen «baby», «ongeboren kind», «ongeboren leven» en «meisjes of jongetjes»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
De mediarichtlijn van Fiom verbiedt niets, maar geeft advies aan media die berichten over abortus. Fiom adviseert om in de context van berichtgeving over abortus bij voorkeur medische terminologie te gebruiken – zoals «de vrucht» of «de zwangerschap» – omdat dit aansluit bij de medische werkelijkheid en een waardeoordeel voorkomt. Het kabinet begrijpt deze toelichting van Fiom. Tegelijkertijd mogen en kunnen woorden zoals «baby», «meisje» of «jongetje» uiteraard worden gebruikt om een zwangerschap te omschrijven.
Zo ja, kunt u uitleggen waarom een ongeboren kind geen «baby», «meisje» of «jongetje» mag worden genoemd, terwijl deze in brede maatschappelijke kring zeer gangbaar zijn?
Dit is een terechte constatering. De term «ongeboren leven» staat in de Wet afbreking zwangerschap (Wafz). In de wet is een balans getroffen tussen de beschermwaardigheid van ongeboren leven en keuzevrijheid van de vrouw. Het is begrijpelijk en gangbaar dat deze term wordt gebruikt. Dit geldt ook voor het Ministerie van VWS.
Hoe verhoudt het advies om geen gebruik te maken van de term «ongeboren leven» zich tot het feit dat de term «ongeboren leven» twee keer letterlijk wordt genoemd in de Wet afbreking zwangerschap (artikel 5, tweede lid, onderdeel b en artikel 6a, derde lid, onderdeel b)?
Fiom wijst hier op het feit dat de vrouw die voor een zwangerschapsafbreking kiest, door het gebruik van het woord «plegen» (veelal onbedoeld) als dader of misdadiger wordt aangemerkt. Dat is zeer onwenselijk, want het kan gevoelens van schaamte en verdriet voor vrouwen vergroten. Bovendien klopt het niet: een vrouw die een zwangerschapsafbreking ondergaat is niet strafbaar en ook een arts die de zwangerschapsafbreking verricht op grond van de Wafz is dat niet. Vrouwen die een zwangerschapsafbreking ondergaan en artsen die een zwangerschapsafbreking uitvoeren zijn dus geen daders of misdadigers. Daarmee is het gebruik van het woord «plegen» niet passend.
Vanzelfsprekend erkent het kabinet dat het Wetboek van Strafrecht voorschrijft dat een abortus in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt.
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om niet te spreken over «abortus plegen» omdat dit suggereert dat abortus een misdaad is? Erkent u dat abortus in het Wetboek van Strafrecht staat en in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt?
Fiom stelt dat het post-abortus syndroom een niet-wetenschappelijke term is. Dit is gebaseerd op het onderzoek Abortus en Psychische gezondheid.4 In dit onderzoek wordt het volgende aangegeven: «Een bestaande […] visie is dat abortus een traumatische ervaring is, die uniek is in de zin dat het leven van een ongeboren vrucht wordt beëindigd, en hiermee ook de moederlijke hechting aan het ongeboren kind geschonden wordt en dat abortus tot een betaald type posttraumatische stressstoornis kan leiden, te weten het Post-Abortus Syndroom (PAS). Deze diagnose is echter niet erkend en ook niet opgenomen in diagnostische handboeken zoals de DSM-IV, DSM-5 of de ICD-10. In internationaal onderzoek wordt de term dan ook inmiddels niet meer gebezigd.»
Op basis van welke wetenschappelijke bronnen stelt Fiom dat het «post-abortus syndroom» niet bestaat?
Bent u bekend met het artikel «Zijn bedrijf wordt verdacht van fraude, maar toch verdient deze taxibaas miljoenen bij Defensie» van Follow the Money?1
Ja.
Overwegende dat volgens berichtgeving bedrijven in het netwerk van een Nederlandse ondernemer worden verdacht van fraude in internationale munitiehandel, terwijl aan ditzelfde netwerk defensieopdrachten van grote waarde zijn verstrekt, hoe reflecteert u op deze berichtgeving?
Zakelijke integriteit, waaronder het tegengaan van fraude en corruptie, is een onderwerp dat wij zeer serieus nemen. Door de geopolitieke context, de grote behoefte aan (specialistische) militaire producten en de korte tijdspanne waarin deze geleverd moeten worden, neemt de kans op het manifesteren van fraude- en corruptierisico’s toe. Dit is ook door de Audit Dienst Rijk (ADR) gesignaleerd en Defensie werkt daarom aan verschillende verbeteringen om beter met deze toegenomen risico’s om te gaan. Voorbeelden hiervan zijn het voorbereiden van een defensiebrede frauderisicoanalyse en het ontwikkelen van een frauderisicomanagementsysteem waarin aandacht is voor de preventie, herkenning en detectie van fraude en corruptie.
Klopt het dat bedrijven gelieerd aan deze ondernemer betrokken zijn bij contracten met het Ministerie van Defensie voor de levering van wapens, munitie, boten of ander militair materieel? Zo ja, om welke contracten en bedragen gaat het precies?
Het klopt dat Defensie overeenkomsten heeft met bedrijven die aan deze ondernemer gelieerd zijn. Om operationeel en commercieel vertrouwelijke redenen doet Defensie geen uitspraak over de aard en omvang van de opdrachten.
Wanneer en op welke wijze is het Ministerie van Defensie geïnformeerd over eventuele strafrechtelijke onderzoeken of verdenkingen van fraude met betrekking tot bedrijven die betrokken zijn bij deze contracten?
Op 15 november 2025 heeft Defensie kennisgenomen van een krantenartikel in De Limburger waarin melding werd gemaakt van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie van een van de bedrijven, op grond van fraude met eindgebruikerscertificaten.
Op 18 november 2025 heeft de ondernemer Defensie over de achtergronden en oorzaken geïnformeerd. Op die datum had Defensie enkele contracten met het bedrijf dat onderwerp was van het fraudeonderzoek en waarvan de erkenning op grond van de Wet Wapens en Munitie werd ingetrokken. Defensie is niet voornemens om nieuwe overeenkomsten met dit bedrijf te sluiten. De uitvoering van deze contracten is door een ander bedrijf, dat wel over de juiste vergunningen beschikt, overgenomen zodat Defensie nog steeds over de producten kon beschikken die waren aangekocht.
Overwegende dat volgens het artikel sprake zou zijn geweest van het gebruik van valse of misleidende eindgebruikerscertificaten bij internationale munitiehandel, was het Ministerie van Defensie hiervan op de hoogte? Zo ja, wanneer en welke consequenties zijn hieraan verbonden?
Zie antwoord vraag 4.
Welke integriteits-, veiligheids- en betrouwbaarheidstoetsen worden standaard uitgevoerd bij bedrijven die defensiecontracten verkrijgen, met name wanneer het gaat om handel in wapens en munitie?
Nederlandse bedrijven die wapens of munitie leveren dienen een erkenning te hebben ingevolge de Wet Wapens en Munitie. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan daarnaast een eigen verklaring gevraagd worden van een leverancier, een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis, een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) of een autorisatie door de MIVD ingevolge de Algemene Beveiligingseisen voor Defensieopdrachten (ABDO) c.q. de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). Voor buitenlandse bedrijven bestaan equivalente verklaringen, waar Defensie op dezelfde wijze mee omgaat.
In hoeveel gevallen heeft Defensie sinds de Russische invasie van Oekraïne gebruikgemaakt van nieuwe leveranciers of tussenhandelaren bij de inkoop van militair materieel? Welke extra risico’s op fraude of misbruik brengt dit volgens u met zich mee?
Door de Russische invasie zijn er vele en snelle ontwikkelingen en innovaties op het gebied van militair materieel en de wijze van militair optreden. Dit brengt met zich mee dat er nieuwe bedrijven zijn waar Defensie mee samenwerkt en waar Defensie militair materieel van inkoopt. In sommige gevallen zijn dit kleine en relatief onbekende bedrijven, vaak omdat zij in staat zijn specifiek materieel goed en snel te leveren. Voorbeelden hiervan zijn droneontwikkelaars. De snelheid van levering en de leveringszekerheid zijn in deze tijden van materieelschaarste voor Defensie een van de belangrijkste criteria waarop leveranciers worden geselecteerd, uiteraard naast andere factoren als de prijs en kwaliteit van het materieel en betrouwbaarheid van de leverancier. De intensievere samenwerking met externe partners, waaronder tussenhandelaren, in tijden van schaarste vraagt van Defensie extra aandacht voor de beheersing van risico’s op het gebied van fraude en corruptie. Hiervoor werkt Defensie inmiddels aan verbeteringen en blijft dit de komende jaren ook doen. Een aantal concrete voorbeelden hiervan hebben we benoemd in ons antwoord onder vraag 2.
Overwegende dat in het artikel wordt gesteld dat bepaalde betrokken bedrijven mogelijk niet voldoen aan NAVO- of ISO-kwaliteitsstandaarden voor defensieleveranciers, kunt u aangeven aan welke kwaliteits- en certificeringsvereisten bedrijven moeten voldoen om als leverancier voor Defensie op te treden?
Defensie stelt bij de inkoop van materieel eisen aan de leverancier, aan het product en aan de kwaliteitszorg. Welke eisen gesteld worden, is sterk afhankelijk van de aard en omvang van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald. Bij alle contracten die Defensie sluit, dus ook bij contracten met bedrijven waar deze ondernemer bij betrokken is, wordt vooraf gecontroleerd of het bedrijf en de te leveren producten aan alle gestelde eisen voldoen.
Welke controles voert het ministerie uit om te waarborgen dat materieel dat via tussenhandelaren wordt ingekocht daadwerkelijk voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen en niet tegen onnodig hoge prijzen wordt geleverd?
Materieel dat gekocht wordt, wordt bij ontvangst gecontroleerd. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan een testplan worden afgesproken, een acceptatietest in de fabriek, en/of een acceptatietest na installatie bij de gebruiker. Ook wordt garantie bedongen voor productie- en/of ontwerpfouten. Welke testen en garantie worden bedongen wisselt naar gelang de aard van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald.
Bij het inkopen zonder concurrentiestelling, wordt bij contracten van meer dan € 2,5 miljoen geëist dat de ADR een onderzoek naar de prijsstelling kan uitvoeren. Daarbij wordt onder meer het winstpercentage beoordeeld. De resultaten van het ADR-onderzoek kunnen aanleiding zijn voor aanvullende onderhandelingen en bijstelling van de prijs.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat bedrijven die worden verdacht van fraude of andere integriteitsschendingen betrokken raken bij defensiecontracten of leveringen van militair materieel?
Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld.
Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping.
Bent u bereid lopende contracten met bedrijven uit het genoemde netwerk opnieuw te beoordelen op integriteit, betrouwbaarheid en prijsstelling? Zo nee, waarom niet?
Wij zien nu geen aanleiding om deze beoordeling opnieuw uit te voeren. De lopende contracten zijn beoordeeld op betrouwbaarheid en prijsstelling. De genoemde bedrijven hebben voorafgaand aan contractering een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis overlegd en er is voorcalculatorisch onderzoek uitgevoerd door de ADR. Wel is een verkennend onderzoek gestart naar aanleiding van dit signaal betreffende informatieverstrekking aan een leverancier.
Kunt u deze vragen tijdig voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden bij dit debat kunnen worden betrokken?
Ja.
Het bericht dat er een snelle toename is van het aantal asielzoekers met “nationaliteit onbekend” |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht in de Telegraaf «Ter Apel stroomt vol met mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Zie de inhoudelijke beantwoording hieronder.
Naar welke cijfers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid verwijst het artikel? Waar zijn die gepubliceerd?
De cijfers die in het artikel worden aangehaald zien op het aantal eerste asielaanvragen en de nationaliteiten van de aanvragers. Deze cijfers worden maandelijks door de IND gepubliceerd in Asylum Trends, te vinden via https://ind.nl/nl/over-ons/cijfers-en-publicaties/asieltrends.
Kunt u verklaren waarom er sprake is van een snelle toename van het aantal asielzoekers met nationaliteit onbekend?
De samenstelling van de categorie «nationaliteit onbekend» kan niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden.
Vanwege de toename van registraties onder «onbekende nationaliteit» heeft de IND in december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde personen al een status in Griekenland heeft.
Klopt het dat een groot deel van deze groep bestaat uit Palestijnen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat sommige vreemdelingen hun nationaliteit niet willen prijsgeven tijdens de procedure? Waarom is dat? En hoe kan hun relaas worden beoordeeld en daarmee het recht op asiel als ze hun nationaliteit niet willen prijsgeven?
Het klopt dat er niet altijd duidelijkheid is over de nationaliteit van de vreemdeling. De beoordeling van de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling is onderdeel van de asielprocedure. Dat een vreemdeling geregistreerd staat met onbekende nationaliteit hoeft hier echter niet mee te maken te hebben. Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten of om in Nederland geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld dan wel om vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos kunnen worden aangemerkt.
Dat een vreemdeling met onbekende nationaliteit geregistreerd staat, wil niet zeggen dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats had. Als de vreemdeling geen bekende nationaliteit heeft, maar er is geen twijfel over de identiteit en herkomst van de vreemdeling, kan de aanvraag getoetst worden aan het land van gebruikelijk verblijf. Het niet kunnen toewijzen van een nationaliteit hoeft dus niet in de weg te staan aan het kunnen beoordelen van de aanvraag.
Wat is bekend over de vraag langs welke route Palestijnse asielzoekers naar Nederland komen? Door hoeveel veilige landen hebben zij gereisd alvorens ze hier zijn aangekomen?
Zoals aangegeven in de voorgaande beantwoording lijkt het hier grotendeels te gaan om personen die al een asielstatus hebben in Griekenland. In algemene zin is niet te zeggen door hoeveel landen deze vreemdelingen hebben gereisd alvorens ze een aanvraag indienden in Nederland.
Is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers (of anderen van deze groep nationaliteit onbekend) te relateren of toe te schrijven aan een bepaalde recente keuze, beleidswijziging of besluit door de Nederlandse overheid? Kunt u hier een toelichting op geven?
Nee, niet zover mij bekend.
Of is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers te relateren aan een besluit, beleidswijziging of keuze van een ander land op de route? Kunt u hier een toelichting op geven?
Zie de antwoorden op de vragen 3, 4, 6 en 9.
Op welke manier hebben de Belgen het in augustus vorig jaar moeilijker gemaakt voor Palestijnen om bescherming te krijgen in dat land, en in hoeverre speelt dat een rol?
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse beleid, ontleent aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk, tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen, heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd.
Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk vragen. Uiteraard betrek ik de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven.
Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie in de Griekse samenleving (school, werk etc.).
Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek «niet-ontvankelijk» worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing voor de hele groep.
Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland. Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
Op welke manier wordt gecontroleerd of Palestijnse asielzoekers lid zijn van, een functie hadden of hebben bij, dan wel banden of affiniteit hebben met Hamas of een andere terreurorganisatie?
Bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND standaard of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, of dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zogenaamde 1F-gedragingen (ernstige misdrijven). Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire.
Onder meer bij brief van 27 juni 20252 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen te onderkennen die hier op wijzen.
Hoe beoordeelt u de kwaliteit van deze screening? Bent u van mening dat we adequaat zicht hebben op mogelijke banden met Hamas?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u het eens met de stelling dat deze toename van asielzoekers onwenselijk is? Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dit verder toeneemt?
Dit kabinet wil meer grip krijgen op migratie. Naast de specifieke inzet beschreven in antwoord 9, geldt dat belangrijke stappen daarin de inwerkingtreding van het Pact en de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel zijn.
Het bericht dat een Amerikaanse farmaceut miljarden aan belastingvoordeel in NL ontvangt |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Amerikaanse farmaceut krijgt miljarden aan belastingvoordeel in Nederland (Trouw)»1?
Ja.
Kunt u aangeven wat de tien grootste gebruikers van de innovatiebox zijn en wat de budgettaire derving is per bedrijf? Zo nee, waarom kunnen journalisten deze informatie dan wél boven tafel krijgen?
Nee. In de antwoorden op de Feitelijke Kamervragen bij de Voorjaarsnota 2026 is de verdeling van het budgettaire belang over de gebruikers van de innovatiebox inzichtelijk gemaakt op basis van de aangiftegegevens van de Belastingdienst over 2023. Vanwege de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Het is daarom niet mogelijk om exacte informatie of exacte bedragen per belastingplichtige te noemen. Ik heb geen zicht op de bronnen van journalisten, maar in algemene zin staat het bedrijven vrij om inzicht te geven in hun eigen fiscale verplichtingen en daarbij behorende belastingvoordelen, bijvoorbeeld via hun jaarverslag.
Klopt het dat ruim 90 procent van het voordeel uit de innovatiebox naar ASML, MSD & Booking gaat2? In hoeverre is deze belastingkorting doelmatig en politiek wenselijk volgens u?
Vanwege de geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR kan ik niet specifiek ingaan op de individuele posities van belastingplichtigen. Ik herken wel het beeld dat het voordeel van de innovatiebox grotendeels terecht komt bij een aantal internationaal opererende bedrijven. Deze bedrijven nemen een groot deel van de investeringen in R&D voor hun rekening. Daarnaast spelen deze bedrijven een centrale rol in de innovatie-ecosystemen in Nederland en betalen ze een relatief groot deel van de totale vennootschapsbelasting in Nederland. De innovatiebox bewerkstelligt kort samengevat dat winsten uit succesvolle R&D-activiteiten in Nederland effectief minder zwaar worden belast dan andere winsten. Als een innovatief bedrijf met kwalificerende activiteiten hogere winsten behaalt, dan heeft dat bedrijf een groter innovatieboxvoordeel maar betaalt het dus ook meer vennootschapsbelasting in Nederland. Dit sluit aan bij de doelstellingen van de innovatiebox om het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven te bevorderen en om innovatie in Nederland te stimuleren.
Hoe legt u aan gewone belastingbetalers en mkb-ondernemers uit dat zij jaarlijks een miljard extra belasting moeten betalen voor een belastingkorting aan één bedrijf dat vrijwel al haar activiteiten naar het buitenland heeft verplaatst?
Het kabinet is het niet eens met de suggestie dat gewone belastingbetalers en mkb-ondernemers jaarlijks extra belasting moeten betalen doordat Nederland een innovatiebox heeft. De innovatiebox heeft volgens het kabinet namelijk per saldo een positief effect op de Nederlandse economie. Bedrijven die vrijwel al hun activiteiten naar het buitenland verplaatsen kunnen geen of nauwelijks winst toerekenen aan Nederland op basis van internationale transfer pricing-regels. Als er geen winst in Nederland wordt gemaakt, levert de innovatiebox ook geen belastingvoordeel op. Het feit dat een bedrijf wel gebruikmaakt van de innovatiebox, bewijst juist dat er nog steeds economische activiteiten (zoals R&D, octrooibeheer of productontwikkeling) in Nederland plaatsvinden en dat er in Nederland belasting wordt betaald.
De innovatiebox is niet automatisch toepasbaar op alle winsten. Bedrijven moeten aantonen dat de winsten voortkomen uit zelf ontwikkelde innovaties in Nederland. Als een bedrijf geen of minder R&D in Nederland verricht, kan het ook geen of minder gebruik maken van de regeling. Daarnaast worden voordelen gekort als R&D-werkzaamheden binnen het concern worden uitbesteed.
Wat is de economische onderbouwing achter het extra fiscaal stimuleren van zeer winstgevende uitvindingen uit het verleden? In hoeverre draagt dit daadwerkelijk bij aan extra innovatie bij uitdagers van gevestigde belangen?
De combinatie van WBSO in de aanloopfase (directe korting op loonkosten) en de innovatiebox bij doorgroeien (lager effectief tarief op de winst) vormen tezamen het generieke innovatie-instrumentarium. Bedrijven wegen de combinatie van de voordelen van beide regelingen mee bij hun beslissingen over het land waarin ze investeren in R&D. Uit de evaluatie van de innovatiebox uitgevoerd door SEO Economisch Onderzoek en Dialogic blijkt dat de innovatiebox bijdraagt aan R&D-investeringen, hoewel het effect minder sterk is dan bij de WBSO. De maatschappelijke baten van innovatie slaan door spill-over effecten breder neer. Ook toeleveranciers van bedrijven met veel innovatie hebben meer kans om door te groeien en te innoveren. Naast de innovatiebox (outputzijde; winsten) worden bedrijven in Nederland ook aan de inputzijde (kosten) gestimuleerd om te innoveren door de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO). De innovatiebox is daarnaast primair bedoeld om Nederland aantrekkelijk te houden voor innovatieve ondernemingen, zowel om bedrijvigheid uit het buitenland aan te trekken als om te voorkomen dat bestaande activiteiten vertrekken. Zonder een dergelijke regeling zou Nederland zichzelf uit de markt prijzen, omdat veel andere landen inmiddels vergelijkbare of gunstigere fiscale regimes hebben. Het gaat hierbij niet alleen om nieuwe innovatie, maar ook om het behouden van bestaande economische waarde (zoals octrooien en kennisintensieve arbeidsplaatsen).
Bent u bereid om de innovatiebox zo vorm te geven dat hij wél doelmatig wordt en meer gericht op kleinere bedrijven, bijvoorbeeld door nadere voorwaarden te stellen over maximaal fiscaal voordeel, door het voordeel te maximeren op daadwerkelijk gemaakte kosten voor desbetreffende innovatieve activiteiten of door een temporele beperking?
Het hoofddoel van de innovatiebox is het bevorderen van het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. Het kabinet hecht een groot belang aan een stabiel en voorspelbaar fiscaal vestigingsklimaat. Het kabinet onderschrijft in dat kader de primaire doelstelling van de innovatiebox, namelijk het bevorderen van het vestigings- en investeringsklimaat voor innovatieve ondernemingen. Uit de evaluatie blijkt dat de regeling hieraan bijdraagt door Nederland aantrekkelijk te houden voor R&D-investeringen en hoogwaardige werkgelegenheid. Het kabinet kiest er daarom voor om de bestaande regeling in de huidige vorm voort te zetten. Dat neemt niet weg dat het kabinet gaat onderzoeken hoe de toegang tot de regeling kan worden verbeterd. Daarbij zal ook aandacht zijn voor kleinere bedrijven. Uw Kamer wordt hier na de zomer verder over geïnformeerd.
Bent u bereid om te voorkomen dat bedrijven die hun activiteiten (grotendeels) naar het buitenland verplaatsen nog langer gebruik kunnen maken van de innovatiebox? Zo nee, waarom niet?
Bedrijven kunnen alleen gebruikmaken van de innovatiebox voor winsten die voortkomen uit zelf ontwikkelde innovaties in Nederland. Wanneer een bedrijf vrijwel al zijn activiteiten naar het buitenland heeft verplaatst, kan het bedrijf geen of nauwelijks winst aan Nederland toerekenen op basis van internationale transfer pricing-regels. In dat geval kan een bedrijf dus ook niet of in zeer beperkte mate profiteren van de innovatiebox.
Daarnaast wordt nogmaals benadrukt dat het kabinet een groot belang hecht aan een stabiel en voorspelbaar vestigingsklimaat. Uit de evaluatie blijkt dat de innovatiebox hieraan bijdraagt. Het kabinet kiest er daarom voor om de regeling in de huidige vorm voort te zetten.
Het bericht 'Gegevens 200.000 leden Basic-Fit gelekt, ook bij Booking klantgegevens gestolen' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over hacks bij Basic-Fit en Booking.com waarbij klantgegevens zijn buitgemaakt?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze incidenten als indicatie van structurele tekortkomingen in de beveiliging van persoonsgegevens bij grote, digitaal opererende bedrijven?
De berichten over grootschalige datalekken zijn zorgwekkend, vooral gezien de mogelijk schadelijke gevolgen voor getroffen betrokkenen. Het is belangrijk dat getroffen burgers, wanneer het waarschijnlijk een hoog risico betreft, goed worden geïnformeerd zodat zij weten waar zij aan toe zijn en daartoe gepaste stappen kunnen ondernemen. Ik wil voorzichtig zijn met het spreken van «structurele tekortkomingen». Elk incident is anders en kan een eigen oorzaak hebben, en het is niet uitgesloten dat er sprake kan zijn van een zeer geavanceerde cyberaanval waartegen zelfs goed beveiligde bedrijven kwetsbaar zijn.
Heeft u voldoende structureel inzicht in de aard, omvang en frequentie van datalekken en cyberaanvallen in Nederland? Zo ja, hoe wordt dit overzicht benut voor beleid en toezicht? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit inzicht te verbeteren?
Organisaties die persoonsgegevens verwerken zijn verplicht om alle datalekken te documenteren, bijvoorbeeld in een register. Naast het lek zelf moeten ook de feiten en de gevolgen van het datalek en de genomen corrigerende maatregelen worden geregistreerd. Het doel van een dergelijk register is bewustwording en te leren van eerdere datalekken, alsook het nemen van effectieve maatregelen om de kans op nieuwe, soortgelijke datalekken te verminderen. Ook stelt het de toezichthouder in staat te controleren of de meldplicht wordt nageleefd. Daarnaast houdt de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) de bij haar gemelde datalekken bij. Niet alle datalekken worden gemeld of zijn meldplichtig: een melding bij de AP is alleen verplicht als de inschatting is gemaakt dat het waarschijnlijk is dat het datalek een risico oplevert voor de rechten en vrijheden van betrokkenen, zoals de bescherming van hun persoonsgegevens en persoonlijke levenssfeer. De AP rapporteert jaarlijks over de meldplicht datalekken. Het kabinet beschikt niet over een register van alle datalekken, maar ziet vooralsnog niet dat sprake is van een tekort aan inzicht en van de noodzaak tot het treffen van maatregelen om dat te verbeteren.
Deelt u de opvatting dat herhaalde datalekken kunnen wijzen op onvoldoende structurele naleving van de Algemene verordening gegevensbescherming? Zo ja, welke systeemfouten signaleert u hierbij? Zo nee, waarom niet?
Een datalek hoeft niet te duiden op onvoldoende structurele naleving van de AVG; ook goed beveiligde organisaties, overheden en bedrijven kunnen worden getroffen. Daarbij betekent een datalek op zich niet dat er ook sprake is van een overtreding van de AVG. Het gaat er verder vooral om hoe bedrijven handelen nadat een datalek is geconstateerd. Dat handelen kan bestaan uit het nemen van (extra) beveiligingsmaatregelen, het naleven van de meldingsplicht en transparante communicatie richting de getroffen betrokkenen. Organisaties die persoonsgegevens verwerken zijn – als verwerkingsverantwoordelijke – gehouden om gedegen risico-analyses te maken en een daaraan gekoppelde passende interne beveiligingscultuur en snel en adequaat te handelen in geval van een incident.
Acht u de toezicht- en handhavingscapaciteit van de Autoriteit Persoonsgegevens toereikend om structurele naleving af te dwingen? Zo ja, waarom? Zo nee, welke versterkingen zijn nodig?
Het kabinet is van mening dat de AP over voldoende middelen beschikt om de (toezicht- en handhavings)taken die voortvloeien uit de AVG en de UAVG uit te voeren. De AP mag zelf bepalen hoe zij de middelen die zij voor AVG-toezicht ontvangt, verdeelt over de afzonderlijke AVG-toezichtstaken. Zoals genoemd in de beleidsreactie op de evaluatie van de AP2 wil het kabinet samen met de AP stappen zetten om te komen tot een meer objectieve basis die ondersteunend is bij de besluitvorming over een passende hoogte van het budget van de AP. Een landenvergelijkend onderzoek kan daarbij een nuttig instrument zijn.
Ziet u aanleiding om te komen tot strengere, afdwingbare beveiligingsnormen voor bedrijven die op grote schaal persoonsgegevens verwerken? Zo nee, waarom niet?
De AVG biedt in principe voldoende normen voor het nemen van passende beveiligingsmaatregelen voor alle organisaties en bedrijven die (op grote schaal) persoonsgegevens verwerken. Passende beveiligingsmaatregelen houden concreet onder meer in dat organisaties en bedrijven bij risicovolle en/of grootschalige gegevensverwerkingen vooraf een Data Protection Impact Assessment (DPIA) dienen uit te voeren. Dit is een instrument om voorafgaand aan de verwerking de privacyrisico’s in kaart te brengen om daarmee de impact op de rechten van betrokkenen te beoordelen en gerichte maatregelen te nemen om deze risico’s te verkleinen. Daarnaast zijn organisaties en bedrijven in het geval van grootschalige gegevensverwerking vaak verplicht om een functionaris voor gegevensbescherming (FG) aan te stellen. De FG is een onafhankelijke toezichthouder binnen een organisatie of bedrijf die toeziet op de naleving van de AVG en adviseert over het zorgvuldig verwerken van persoonsgegevens. De verwerkingsverantwoordelijke heeft voor het treffen van passende beveiligingsmaatregelen een verantwoordingsplicht. Gelet hierop zie ik geen noodzaak voor extra (strenge) maatregelen. Wel geldt straks voor organisaties en bedrijven die opereren in voor de samenleving cruciale sectoren, waaronder onder andere de transport- en energiesector, het bankwezen en de digitale infrastructuur, de Cyberbeveiligingswet. Deze wet is op 15 april jl. door uw Kamer aangenomen en treedt later dit jaar in werking. De Cyberbeveiligingswet is de doorvertaling van de Europese NIS2- en CER-richtlijn die lidstaten weerbaarder moeten maken tegen gevaren van buitenaf, waaronder cyberdreigingen. De wet verplicht onder andere tot het uitvoeren van een risicoanalyse en het op basis daarvan treffen van passende en evenredige maatregelen voor het betreffende netwerk- en informatiesysteem. Ook hebben organisaties en bedrijven op grond van deze wet een zorg-, meld- en registratieplicht.
In het kader van dataminimalisatie: ziet u kansen dat de ontwikkeling van de EDI-wallet in Nederland kan bijdragen aan het verkleinen van het risico op datalekken bij organisaties, doordat consumenten hun persoonsgegevens minder vaak rechtstreeks hoeven te delen met verschillende partijen?
Ja. De Europese Digitale Identiteit (EDI) stelt burgers in staat binnen de hele Europese Unie digitaal te legitimeren of in te loggen op websites. Het veilig delen van persoonsgegevens behoort daar ook toe, waarbij enkel de gegevens worden gebruikt die strikt noodzakelijk zijn.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Het bericht 'Nieuwe Europese bedrijfsvorm oogst naast applaus ook kritiek' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Berendsen , Herbert , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het FD-artikel «Nieuwe Europese bedrijfsvorm oogst naast applaus ook kritiek» van 6 april 20261.
Ja.
Deelt u de vrees van vakbonden dat EU Inc zorgt voor het uithollen van werknemersrechten en een «walhalla voor schijnconstructies en ontduiking» wordt? Waarom wel/niet?
Het kabinet heeft uw Kamer op 24 april 2026 middels een BNC-fiche2 geïnformeerd over de kabinetsinzet ten aanzien van het door de Europese Commissie voorgestelde 28ste regime voor ondernemingen (hierna: het voorstel).3 Het voorstel introduceert een nieuwe optionele rechtsvorm, de EU Inc. Zoals ook uiteengezet in het BNC-fiche is het kabinet voorstander van een zorgvuldig vormgegeven Europese regeling die daadwerkelijk tegemoetkomt aan de behoeften van belanghebbenden (waaronder werknemers) en die voldoende waarborgen bevat om fraude, witwassen, en misbruik van de EU Inc. te voorkomen.
Wanneer de EU Inc. na oprichting overgaat tot de dagelijkse praktijk van ondernemen, krijgt de onderneming te maken met het nationale recht dat van toepassing is op de arbeidsrelatie. Het voorstel harmoniseert het arbeidsrecht niet. Op grond van de Rome I-Verordening4 zijn arbeidsovereenkomsten tussen EU Inc.-ondernemingen en hun werknemers onderworpen aan het arbeidsrecht van de lidstaat waarin zij hun werknemers gewoonlijk laten werken, en aan bijzonder dwingend recht van het land waar het werk wordt verricht.5 Om de bescherming van werknemers te waarborgen is effectief toezicht en handhaving van belang. Het kabinet ziet dat het voorstel kan leiden tot complexere en vertraagde samenwerking op het gebied van arbeidsrechtelijke handhaving, des te meer omdat de oprichting en verplaatsing van een EU Inc. eenvoudig en snel kan verlopen waardoor het lastiger te achterhalen zal zijn aan welke lidstaat of autoriteit een arbeidsrechtelijk handhavingsverzoek moet worden gericht. Het kabinet is van mening dat het huidige voorstel nog onvoldoende waarborgen bevat om te voorkomen dat de nieuwe rechtsvorm gebruikt wordt om arbeidsrechten te omzeilen en effectieve handhaving van het arbeidsrecht te realiseren. Het kabinet zet daarom in de onderhandelingen erop in om het voorstel op dit punt te verbeteren.
Hoe strookt dit met de ambities van het kabinet om schijnconstructies juist aan te pakken?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er manieren om als lidstaat de mogelijkheden voor «flits- en brievenbusfirma’s» in te perken? Zo ja, wat zijn de mogelijkheden en zijn deze toereikend?
Het kabinet meent dat ook de waarborgen om fraude, witwassen, en misbruik van de EU Inc. voor andere financiële en fiscale criminaliteitsvormen te voorkomen in het voorstel versterkt moeten worden. In het BNC-fiche is aangegeven dat het kabinet kijkt naar uitbreiding van de reikwijdte van cliëntonderzoek en rechercheplicht van de notaris en de bevoegdheden voor nationale autoriteiten als de Belastingdienst. De preventieve controle in het voorstel lijkt beperkt te worden tot een formele controle van de statuten van de EU Inc. en rechtsbevoegdheid van haar oprichters. Nadere controle, ook na oprichting, op de EU Inc. en haar handelingen, lijken in beginsel niet te zijn toegestaan. Zo mag op nationaal niveau geen notariële controle op een aandelenoverdracht worden voorgeschreven. Het gebrek aan dergelijke waarborgen voor het voorkomen van fraude en misbruik van een EU Inc. betekent voor toezichthouders mogelijk minder zicht op belastingstructuren, belastingfraude- en witwasstructuren. Het kabinet zal ervoor pleiten dat er meer bevoegdheden in de verordening komen voor relevante poortwachters, zodat er meer controle is op de oprichtingshandeling en op eventuele fraude en witwassen.
Het kabinet zet zich in de onderhandelingen constructief in om voorstellen voor verbetering van de waarborgen tegen fraude, witwassen en misbruik te formuleren. Daarbij is van belang dat zoveel mogelijk van deze versterking in de verordening zelf wordt geregeld, en, waar van toepassing, dit in lijn is met bestaande EU-regelgeving op dit terrein, zodat gefragmenteerd beleid en verplaatsing van criminaliteit naar de lidstaat met de minste waarborgen kan worden voorkomen. Dat is ook van belang voor alle ondernemers die met de juiste intenties een EU Inc.-onderneming oprichten, en daarmee voor het succes van de EU Inc. als nieuwe rechtsvorm.
Overigens kent het Europese antiwitwaspakket (AML-pakket), dat vanaf 10 juli 2027 in werking treedt, een registratieplicht voor domicilieverleners. Domicilieverleners zijn partijen die een post- of brievenbusadres verlenen aan klanten. De registratieplicht zorgt ervoor dat er meer grip komt op partijen die dergelijke adressen aanbieden waar zogenaamde brievenbusfirma’s gebruik van maken. Domicilieverleners dienen nu al aan cliëntonderzoek te doen en ongebruikelijke transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit (FIU-Nederland). Dit wordt voorgezet onder het AML-pakket. Het kabinet zet tijdens de onderhandelingen in op goede aansluiting van het EU Inc.-voorstel op de bestaande Europese anti-witwasregelgeving.
Bent u het ermee eens dat er sterke landelijke arbeidsrechten moeten zijn omdat een EU Inc daaraan gehouden is? Is het in dat kader verstandig om de meest flexibele arbeidsmarkt van West-Europa te hebben?
Het is voor het kabinet van belang dat de toepassing van landelijke arbeidswetgeving op de arbeidsrelaties van de EU Inc. met haar werknemers verzekerd is. Dit geldt eveneens voor effectieve handhaving. Dit zorgt er immers voor dat concurrentie plaatsvindt op basis van innovatie, in plaats van op basis van arbeidsvoorwaarden.
Het kabinet erkent dat flexibel werk risico’s met zich meebrengt voor werkenden, maatschappelijke ongelijkheid vergroot en financiële zekerheden bemoeilijkt die nodig zijn voor bijvoorbeeld het kopen van een huis of het starten van een gezin. Dit is ook de reden waarom het arbeidsmarktpakket tot stand is gekomen.6 Conform het coalitieakkoord zet het kabinet in op afronding van dit pakket. Het arbeidsmarktpakket vergroot enerzijds de zekerheid van werkenden en anderzijds de wendbaarheid van werkgevers. Op deze manier worden duurzame arbeidsrelaties binnen wendbare ondernemingen gestimuleerd. In dit kader is bijvoorbeeld het Wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers door de Tweede Kamer aanvaard om de zekerheid van flexwerkers te vergroten.7 Uiteindelijk dient het gehele pakket de arbeidsmarkt toekomstbestendiger te maken.
Onderschrijft u de zorgen van de FNV dat het voor werknemers totaal onduidelijk is waar zij hun recht zouden kunnen halen?
Het kabinet is het ermee eens dat het voor werknemers duidelijk moet zijn waar zij hun recht kunnen halen. Het voorstel voor de EU Inc. laat onverlet dat de Rome-I Verordening van toepassing is op individuele arbeidsverhoudingen binnen een EU Inc. Verder regelt Verordening Brussel Ibis8 welke rechter bevoegd is bij geschillen inzake een arbeidsovereenkomst. Hieruit volgt dat werknemers van een EU Inc. die gewoonlijk werkzaam zijn in Nederland, in Nederland naar de rechter kunnen bij een geschil over de arbeidsovereenkomst. Daarbij is van belang dat ontduiking van werknemersrechten wordt voorkomen. Het kabinet zet zich er tijdens de onderhandelingen voor in dat het voorstel hiervoor voldoende waarborgen bevat.
Kan het zijn dat het minimumloon in het geding komt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, hoe bent u hiervan verzekerd?
Op grond van de Rome I-Verordening zijn arbeidsovereenkomsten tussen EU Inc.-ondernemingen en hun werknemers onderworpen aan het arbeidsrecht van de lidstaat waarin zij hun werknemers gewoonlijk laten werken, en aan bijzonder dwingend recht van het land waar het werk wordt verricht. Het wettelijk minimumloon is bijzonder dwingend recht dat geldt voor alle ondernemingen die in Nederland werknemers werk laten verrichten, dus ook huidige buitenlandse ondernemingen en in de toekomst EU Inc.-ondernemingen. Dit betekent dat werknemers van een EU Inc.-onderneming, net als andere werknemers, recht hebben op het wettelijk minimumloon dat tijdig en giraal dient te worden uitbetaald. Per gewerkt uur dient dus minimaal het minimumloon betaald te worden. Het minimumloon kan niet worden uitbetaald met opties. Eventuele beloningen boven op het minimumloon zouden mogelijkerwijs via werknemersopties uitgekeerd kunnen worden, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 10.
Onderschrijft u de zorgen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie dat EU Inc. een afbraak van rechtsbescherming en rechtszekerheid betekent?
De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB)9 spreekt uit dat het voorstel voor een EU Inc. leidt tot de afbraak van de preventieve rechtsbescherming, rechtsgelijkheid en rechtszekerheid, wat juist een nadelig effect kan hebben op de concurrentiepositie binnen de EU. In het BNC-fiche onderstreept het kabinet eveneens dat het juridisch raamwerk van het voorstel op dit moment onvoldoende waarborgen bevat om fraude en witwassen tegen te gaan en benadrukt het dat het voorstel voldoende rechtszekerheid moet bieden (zie nader hierboven de antwoorden op vragen 2 tot en met 4).
Wat betekent dit voor witwaspraktijken, aangezien het volgens VNO-NCW aan robuuste anti-witwasmechanismen ontbreekt?
In de overwegingen van het voorstel wordt aangegeven dat de verplichtingen op grond van de Unie- en nationale wetgeving in verband met anti-witwasmaatregelen onverminderd van kracht blijven.10 Echter, zoals hierboven toegelicht, lijken de mogelijkheden in het voorstel voor (preventieve) controle op de EU Inc. en haar rechtshandelingen beperkt. Zo mag er op nationaal niveau geen notariële controle op een aandelenoverdracht worden voorgeschreven. Dit is voor het kabinet lastig te rijmen met de verplichtingen die op grond van de nieuwe Europese antiwitwasverordening, als onderdeel van het AML-pakket, gelden voor notarissen.11 Het kabinet herkent dan ook de zorgen die zijn geuit omtrent de risico’s op het gebied van witwassen.
Vindt u het verschil dat kan ontstaan tussen werknemers met opties onder een EU Inc en werknemers met opties onder andere vennootschapsvormen wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hiertegen doen?
Het kabinet ziet de meerwaarde van een Europese werknemersoptieregeling waarbij de fiscale aspecten competitief en eenduidig worden geregeld. Dit kan een belangrijke stap zijn voor Europese bedrijven om talent aan te trekken. Bij een eenduidige invulling zou ook geregeld moeten worden of er bij verkoop sprake is van loon of vermogenswinst en moet het voorstel inhoudelijk worden uitgewerkt, bijvoorbeeld ten aanzien van het tegengaan van fiscale arbitrage en mogelijkheden tot handhaving. In de uitwerking hiervan zal het kabinet zich constructief opstellen.
Het kabinet neemt aan dat het verschil in, onder andere, de fiscale behandeling voortvloeit uit het doel om de EU Inc. competitief en aantrekkelijk te maken. Tegelijkertijd constateert het kabinet dat een afwijkende fiscale behandeling gebaseerd op rechtsvorm juridisch kwetsbaar is en mogelijk niet wenselijk. Het separaat bespreken van een Europese werknemersoptieregeling in een (fiscale) richtlijn biedt meer flexibiliteit op het vlak van invulling en implementatie in tegenstelling tot de onderhavige Verordening.
Overigens is de vraag of in Nederland gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid om werknemersopties aan te bieden, ook afhankelijk van de vraag of en onder welke cao werknemers van een EU Inc.-onderneming vallen, of deze cao een dergelijke regeling toelaat en onder welke voorwaarden. Onder welke cao een werknemer valt, is een kwestie van arbeidsrecht. Zoals hierboven toegelicht, laat het voorstel het nationale arbeidsrecht, en daarmee de toepasselijke cao die een werknemersoptieregeling al dan niet toestaat, onverlet.
Vindt u het rechtvaardig dat wanneer een EU Inc failliet gaat de werknemer niet alleen zijn baan verliest maar dat ook het aandelenpakket dat aan de werknemer gegeven kan worden niets meer waard is?
Het klopt dat werknemers bij een faillissement niet alleen hun baan verliezen, maar dat ook hun aandelenpakket waardeloos wordt. Dit geldt niet specifiek voor EU Inc.-ondernemingen, maar geldt voor ieder bedrijf dat opties aan zijn werknemers verstrekt. Dit is een inherent gevolg van de beloning in aandelen. Aandelen betreffen risicodragend kapitaal. Deze kunnen in waarde stijgen bij goede prestaties van het bedrijf en waardeloos worden bij faillissement.
Zoals ook in het antwoord op vraag 10 is aangegeven, is het afhankelijk van de positie van het bedrijf of het een dergelijk pakket kan bieden aan zijn werknemers. Natuurlijk moeten werknemers altijd goed over hun arbeidsvoorwaarden worden geïnformeerd, ook als dit een aandelenpakket is.
Hoe kan het dat een pensioenregeling ontbreekt?
Zoals hierboven vermeld, gaat het voorstel voor de EU Inc. uit van toepassing van de Rome-I-Verordening. Op grond van die verordening wordt een arbeidsovereenkomst beheerst door het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk werkt en door het bijzonder dwingend recht van het land waar de onderneming werk laat verrichten. Doordat de pensioenovereenkomst onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst betekent dit dat de Rome-I-Verordening ook regelt welk recht op de pensioenovereenkomst van toepassing is.
Groen gas |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom is besloten om de GvO correctie voor de subsidieregeling voor groen gas toe te passen met terugwerkende kracht over 2025, terwijl deze korting in de voorlopige correctiebedragen en voorschotberekeningen voor 2025 niet was aangekondigd?
Het is binnen de systematiek van de SDE-regelgeving bekend dat (jaarlijkse) voorlopige correctiebedragen bedoeld zijn voor de (jaarlijkse) subsidievoorschotten en een jaar later worden bijgesteld op basis van de (jaarlijkse) definitieve correctiebedragen. Dit betekent dat er dus geen sprake is van terugwerkende kracht als de definitieve correcties afwijken (naar beneden of naar boven) van de daaraan voorafgaande voorlopige correcties. Volgens de staatssteunregels moeten de inkomsten voor de waarde van Garanties van Oorsprong (GvO) van groen gas in mindering worden gebracht zodra in het onafhankelijke advies van PBL hier een waarde voor kan worden bepaald. Die waarde van de GvO van groen gas was bij de voorlopige correctiebedragen 2025 voor groen gas nog niet bekend, maar ten tijde van de definitieve correctiebedragen 2025 wel en dus moet daar dan rekening mee worden gehouden.
Erkent u dat groen gasondernemers hierdoor geen reële mogelijkheid hadden om hun contracten, prijsafspraken of productie keuzes aan te passen, aangezien zij mochten vertrouwen op de officiële publicaties van eind 2024 waarin geen GvO correctie voor 2025 was opgenomen?
Zoals hierboven toegelicht is er sprake van een op voorhand bekend systeem binnen de SDE++. Producenten van groen gas hebben overigens in tegenstelling tot andere technieken binnen de SDE++ als voordeel dat ze gebruik kunnen maken van verschillende manieren van stimulering (keuze tussen SDE++-subsidie of verplichtingen voor energie en vervoer). Groengasprojecten kunnen dus per maand besluiten voor welke stimulering ze in aanmerking willen komen. Zij kunnen hier bij het aangaan van hun contracten rekening mee houden.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ondernemers die – op basis van de gepubliceerde cijfers – in 2025 bewust kozen voor gesubsidieerde productie, nu worden geconfronteerd met substantiële financiële achteruitgang die bij tijdige communicatie voorkomen had kunnen worden?
Zoals aangegeven bij vraag 1 is het binnen de systematiek van de SDE-regelgeving bekend dat voorlopige correctiebedragen bedoeld zijn voor de jaarlijkse subsidievoorschotten en een jaar later kunnen worden bijgesteld op basis van de definitieve correctiebedragen. Ik herken mij niet in het beeld dat de communicatie niet tijdig was. In de Kamerbrief over de SDE++ 2023 van 17 februari 2023 was opgenomen dat gecorrigeerd zal worden voor de GvO-waarde voor groengasprojecten vanaf 2023, zodra deze te bepalen is. In het eindadvies voor de SDE++ 2025 (gepubliceerd op 21 februari 2025) heeft het Planbureau voor de Leefomgeving voor het eerst een waarde voor de GvO opgenomen. Vervolgens is hier via een Kamerbrief van 6 juni 2025 op gewezen. Daarna heeft RVO het ook nog opgenomen in communicatie naar projecten.
Bent u bereid compensatie of herstelopties te overwegen voor ondernemers die door de retroactieve korting financieel zijn benadeeld, mede gezien het feit dat een deel van hen bij tijdige kennisgeving had gekozen voor ongesubsidieerde productie, wat financieel gunstiger zou zijn geweest?
Nee. Zoals eerder toegelicht is er sprake van een op voorhand bekend systeem met jaarlijkse bijstellingen en is compensatie of een hersteloperatie daarom niet aan de orde.
Waarom acht u deze maatregel zó noodzakelijk dat u ervoor kiest ondernemers met terugwerkende kracht te belasten, terwijl een aangekondigde invoering vanaf 2026 beter zou passen bij voorspelbaar, realistisch en uitvoerbaar energiebeleid, zoals ook in diverse beleidsadviezen en politieke programma’s wordt benadrukt?
Zoals hiervoor aangegeven, er is geen sprake van aanpassing met terugwerkende kracht maar van een op voorhand bekend systeem met jaarlijkse bijstellingen waar de subsidieontvangers rekening mee houden. Een belangrijk uitgangspunt van de SDE++ is om de hoogte van de subsidie te baseren op een zo goed mogelijke inschatting van de marktwaarde van het product. Dat geldt zeker voor groen gas waar de waarde van GvO’s substantieel kan zijn. Het bewust later invoeren van de correctie voor de waarde van GvO’s voor groen gas staat op gespannen voet met de hiervoor geschetste uitgangspunten en zou kunnen leiden tot niet toegestane overstimulering.
Het kabinet realiseert zich terdege dat de sector wacht op perspectief. Het opschalen van de groengasproductie is een belangrijk element voor het verduurzamen en weerbaar maken van de energievoorziening. Vanwege dit belang zet het kabinet in op inwerkingtreding van een bijmengverplichting voor groen gas per 1 januari 2027. Dit biedt deze producenten namelijk zekerheid op lange termijn en stimuleert zo verdere opschaling. Het wetsvoorstel hiertoe is onlangs ingediend bij de Tweede Kamer.
Online beïnvloeding van jongeren en regelgeving rondom influencers |
|
Inge van Dijk (CDA), Joris Lohman (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Harmen Krul (CDA) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de onderzoeken van Wijzer in Geldzaken en de Universiteit Utrecht dat veel jongeren zich bij financiële beslissingen laten beïnvloeden voor finfluencers met loze beloften over snel geld verdienen en dat met name kwetsbare jongeren hierdoor in de problemen kunnen komen, terwijl finfluencers vooral hun eigenbelang dienen?1, 2
Ja.
Bent u bekend met het recente onderzoek van de Radboud Universiteit dat influencers zonder medische achtergrond mensen met hun gezondheidsadviezen medische misinformatie kunnen verstrekken, bijvoorbeeld met oproepen om geen zonnebrand meer te gebruiken of te stoppen met hormonale anticonceptie?3
Ja.
Bent u bekend met de recente waarschuwingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautorteit (NVWA) over de risico’s van supplementen, waar verboden of onveilige stoffen in kunnen zitten, bijvoorbeeld bij teveel inname of verkeerde combinaties waardoor schade aan de gezondheid kan ontstaan, en de publicatie van een Blocklist?4
Ja.
Deelt u de zorg dat jongeren in toenemende mate informatie over onder meer financiële zaken, gezondheid en maatschappelijke vraagstukken verkrijgen via sociale media en influencers, en dat dit risico’s kan meebrengen wanneer informatie onjuist, onvolledig of misleidend is?
Ja.
Bent u bekend met het artikel ««Geen diploma, geen video»: nieuwe Chinese wetgeving voor influencers leidt tot verhit online debat»? En het initiatief van de Chinese overheid om eisen te stellen aan influencers te beschikken over aantoonbare deskundigheid wanneer zij over bepaalde maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën adviseren?5
Ja.
Vind u dat ook in Nederland strengere regels zouden moeten gelden voor influencers die over maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën mogen adviseren, zoals het beschikken over aantoonbare deskundigheid of expliciete vermelding dat hiervan geen sprake is, omdat zulke adviezen niet zonder risico’s zijn?
Het is zorgelijk dat mensen, in het bijzonder jongeren, in toenemende mate worden blootgesteld aan onjuiste informatie van influencers, bijvoorbeeld over gezondheidsonderwerpen en geldzaken. Dit kan hen aanzetten tot keuzes die zij anders niet zouden maken, met negatieve gevolgen als resultaat. Tegelijkertijd is het belangrijk om de vrijheid van meningsuiting ook online te bewaken.
Het kabinet vindt het onwenselijk dat aanbevelingssystemen problematische inhoud versterken, en vindt het daarom belangrijk dat inhoud van kwaliteitsmedia zichtbaarder wordt gesteld. Het kabinet werkt dan ook, binnen het kader van de Audiovisuele Mediadienstenrichtlijn (AVMSD), aan het invoeren van prominentiemaatregelen om de zichtbaarheid en vindbaarheid van aanbod van algemeen belang te vergroten.
Kunt u onderzoeken of het mogelijk is om aanvullende eisen aan deskundigheid te stellen bij adviseren op terreinen waar desinformatie een verhoogd risico inhoudt, met name voor kwetsbare groepen, zoals over financiën, voedings- (en specifiek over Voedingssupplementen en kruidensupplementen) en gezondheidsadviezen?
Door de opkomst van influencers kan het onderscheid tussen reclame, sponsoring en productplaatsing vervagen. Op dit moment is het niet altijd duidelijk welke regels van toepassing zijn, met name in relatie tot consumentenwetgeving en de AVMSD. Het is vooraleerst belangrijk dat influencers duidelijkheid hebben over welke regels op hen van toepassing zijn, om de naleving te verbeteren. In zowel het non-paper over de Digital Fairness Act6, als in het non-paper over de herziening van de AVMSD7, is opgenomen dat het noodzakelijk is de toepasselijke regels goed af te stemmen, zodat de regels voor influencers duidelijk en handhaafbaar zijn.
Zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn een disclaimer te verplichten bij posts van influencers waaruit voor een breed publiek eenvoudig te herleiden is dat het niet om deskundig advies gaat, bijvoorbeeld #NietDeskundig, #GeenDiploma of #GeenExpert
Zie het antwoord op vraag 6 en 7. Het kabinet heeft recent de Europese Commissie opgeroepen om regels voor influencers te verduidelijken. Het kabinet kijkt met interesse naar de voorstellen van de Europese Commissie op dit punt. Daarnaast wijst het kabinet op het belang van co- en zelfregulering, hiermee wordt de sector aangespoord om (binnen de wettelijke kaders) zelf normen te stellen en te handhaven. De ervaringen met de Nederlandse Reclame Code zijn positief. Deze vorm van co-regulering draagt bij aan verantwoorde en betrouwbare reclame-uitingen8.
Bent u bereid om ook in Europees verband in te zetten op betere consumentenbescherming bij online advisering over mogelijk risicovolle producten, en met name op aanvullende eisen aan (informatie over) deskundigheid? Bijvoorbeeld via Digital Services Act, richtlijnen voor consumentenbescherming of de Digital Fairness Act?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 7 en 8 zet het kabinet op Europees niveau in op betere regulering van influencers. In welk wetgevingsinitiatief dit het beste past, wordt nog onderzocht. De uiteindelijke keuze hierin ligt bij de Europese Commissie. Het kabinet heeft zijn standpunt over influencers wel reeds kenbaar gemaakt via een non-paper in het kader van de herziening van de AVMSD. Daarnaast pleitte het kabinet in een non-paper over de Digital Fairness Act (DFA) voor duidelijkere regels voor influencers door meer duidelijkheid te geven over de reikwijdte van de AVMSD en het consumentenrecht. Daarnaast stelde het kabinet voor om in de EU meer in te zetten op het certificeren van influencers9. Tot slot stelt het kabinet in hetzelfde non-paper risico’s te zien bij finfluencing, met name natuurlijk wanneer illegale financiële producten en diensten worden gepromoot. Het kabinet verzoekt de Europese Commissie daarom om dit soort handelspraktijken te verbieden via een aanpassing van het EU-consumentenrecht10.
Het Datalek bij Basic-Fit |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , van Bruggen |
|
|
|
|
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of de Autoriteit Persoonsgegevens al een onderzoek is gestart naar aanleiding van het datalek bij Basic-Fit?
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) doet geen mededelingen over eventuele lopende onderzoeken. Haar onafhankelijkheid brengt bovendien mee dat het aan de AP zelf moet worden gelaten in welke gevallen een onderzoek noodzakelijk en wenselijk is.
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of er wordt gekeken naar een mogelijke overtreding van artikel 5 AVG?
Over die informatie beschik ik niet. Mocht het inderdaad zo zijn dat de AP onderzoek doet, dan informeert zij het kabinet daar niet over, ook niet desgevraagd. Op grond van artikel 52 AVG treedt de AP volledig onafhankelijk op en blijft zij vrij van externe invloed en vragen.
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of de regelgeving (voornamelijk de AVG) of de handhaving moet worden aangescherpt, wellicht omdat sommige AVG-artikelen onduidelijk of achterhaald zijn?
Ik beschik niet over aanknopingspunten dat de gegevensbeschermingswetgeving lacunes vertoont, mede gezien de brede werkingssfeer van de AVG. Het komt eerder aan op naleving van de regelgeving; dat deze in voorkomende gevallen tekort schiet, is eerder toe te schrijven aan verschillende andere factoren dan aan de bepalingen in de AVG zelf.
Basic-Fit valt niet onder de Cyberbeveiligingswet. Deelt u de opvatting dat grote bedrijven met veel data onder de reikwijdte van de Cyberbeveiligingswet zouden moeten vallen als «belangrijke entiteit»? Basic-Fit genereert namelijk zo’n 1,4 miljard omzet.
Omdat de NIS2-richtlijn streeft naar harmonisatie tussen de lidstaten, is in de NIS2-richtlijn bewust bepaald alleen essentiële en belangrijke entiteiten uit specifieke kritieke sectoren, subsectoren en soorten entiteiten onder het toepassingsbereik van de NIS2-richtlijn te brengen die zeer belangrijk zijn voor het functioneren van de economie en maatschappij. Incidenten bij deze entiteiten kunnen leiden tot verstoring of compromittering van hun dienstverlening. Deze kunnen grote economische schade veroorzaken of in sommige gevallen ook tot ontwrichting van de samenleving leiden. Bij de omzetting van de NIS2-richtlijn heeft het kabinet ervoor gekozen om niet meer te regelen dan op grond van de Europese regelgeving noodzakelijk is. Dit zou een nationale kop zijn en het kabinetsbeleid is dat er geen nationale koppen komen op Europese regelgeving.
Als Basic-Fit onder de Cyberbeveiligingswet zou vallen, had volgens u beiden het datalek dan voorkomen kunnen worden (voornamelijk in het licht van de zorgplicht)?
Op grond van de zorgplicht in de Cyberbeveiligingswet moeten essentiële entiteiten en belangrijke entiteiten passende en evenredige technische, operationele en organisatorische maatregelen nemen om de risico’s voor de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen te beheersen. Zorgplichtmaatregelen dragen bij aan het voorkomen van een incident, het beperken van de impact van een incident, het efficiënt en effectief reageren op een incident en het zo snel mogelijk herstellen van een incident. Het risico op een datalek blijft echter altijd aanwezig en kan daarom nooit geheel worden voorkomen.
Kunt u beiden iedere vraag afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Bent u bekend met het bericht «Palestijnse kinderen gemarteld in Israëlische cel: rapport Save the Children wijst op onhoudbare situatie»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevinding dat Palestijnse kinderen, van wie velen zonder formele aanklacht worden vastgehouden, in Israëlische detentie worden mishandeld en ondervoed en verstoken blijven van contact met hun familie, juridische bijstand en toegang tot hulporganisaties?
Het rapport bevat schokkende conclusies die niemand onberoerd laten. Jonge kinderen zijn kwetsbaar en verdienen juist bescherming. Foltering is onacceptabel. Het verbod op foltering is absoluut, en is een regel van dwingend internationaal recht. Het kabinet wijst Israël consequent op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag. Ook roept het kabinet Israël al langere tijd op om de detentieomstandigheden van Palestijnen in Israëlische detentiecentra te verbeteren en het ICRC ongehinderde toegang te verlenen. In het bezoek van de mensenrechtenambassadeur afgelopen november is daar uitgebreid bij stilgestaan. Ik heb het rapport aan de orde gesteld bij de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar. Het kabinet verzoekt Israël om opheldering over de aantijgingen in het rapport, en vervolging van eventuele daders.
Is het grootschalig vasthouden van Palestijnse kinderen door Israël naar uw oordeel in lijn met het VN-Kinderrechtenverdrag, dat bepaalt dat kinderen uitsluitend als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur mogen worden gedetineerd?
Het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dat inhechtenisneming uitsluitend volgens de wet plaatsvindt en slechts als uiterste maatregel wordt toegepast, voor de kortst mogelijke passende duur. Het langdurig vasthouden van grote aantallen kinderen zonder enige vorm van proces in detentiefaciliteiten is in strijd met deze verplichting.
Bent u bereid in contacten met uw Israëlische counterparts met urgentie aan te dringen op onmiddellijke toegang van onafhankelijke hulporganisaties, zoals het Rode Kruis, en advocaten tot deze minderjarigen, en op het toestaan van contact tussen deze kinderen en hun ouders of verzorgers?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Op welke wijze draagt Nederland momenteel bij aan juridische ondersteuning van Palestijnse minderjarige gevangenen? Ziet u mogelijkheden om steun te bieden aan advocaten en organisaties die rechtsbijstand verlenen aan Palestijnse minderjarigen in detentie?
Nederland draagt via partnerorganisaties bij aan het bewaken van de fundamentele rechten van gedetineerde Palestijnen, waaronder (het faciliteren van) juridische ondersteuning. Hierbij is een specifieke focus op kinderen in detentie.
Deelt u de mening dat deze constateringen wederom wijzen op schendingen door Israël van zijn verplichtingen onder het internationaal recht, en daarmee opnieuw aanleiding geven om actief te pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieverdrag?
Zie het antwoord op vraag 2. Conform de toezegging aan uw Kamer en indachtig de motie Piri c.s.2 en motie Van der Werf/Lanschot3 heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. verzocht om een update van de evaluatie van Israëls naleving van artikel 2 van het Associatieakkoord, om op basis daarvan de discussie in de EU verder te kunnen voeren. In de Raad was hiervoor onvoldoende steun. Voor de door een aantal lidstaten voorgestelde gedeeltelijke of volledige opschorting van het Associatieverdrag was eveneens onvoldoende steun in de Raad. De kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord blijft erop gericht om voorstellen voor EU-maatregelen, waaronder maatregelen op het gebied van handel, uitdrukkelijk op tafel te houden.4
De vertraging en mogelijke versobering van de verbreding van de A27 tussen Houten en Hooipolder |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dreigt de kaasschaaf voor de A27? Regio vreest nieuwe knelpunten en stilvallen van woningbouw»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Klopt het dat, door oplopende kosten, delen van het project A27 Houten–Hooipolder zijn uitgesteld, versoberd of heroverwogen? Zo ja, welke onderdelen betreft dit precies?
In de MIRT-brief najaar 2024 is gemeld dat het programma A27 Houten-Hooipolder te maken heeft met aanzienlijk hogere kosten dan eerder was voorzien. In de MIRT-brief van voorjaar 20252 is aangegeven dat – als gevolg van deze oplopende kosten – keuzes gemaakt moeten worden. Binnen het programma A27 Houten-Hooipolder wordt er prioriteit gegeven aan het uitvoeren van de werkzaamheden die onvermijdelijk zijn; het gaat om de vervanging van de Merwedebruggen en de Hagesteinsebruggen (beide einde levensduur).
Programmaonderdelen die gericht zijn op de doorstroming, worden gefaseerd in de tijd waarbij de onderdelen met de grootste bijdrage aan de doorstroming (beperken van flessenhalzen) als eerste worden uitgevoerd. Het gaat hier bijvoorbeeld om de wegverbreding tussen Everdingen en Gorinchem en de aanleg van Merwedebrug Oost.
Werkzaamheden die reeds gestart zijn, worden doorgezet (knooppunt Hooipolder en aansluiting Groote Haar). Dit betekent echter ook dat andere onderdelen van het programma op een later moment worden uitgevoerd. Concreet gaat het hier om de capaciteitsuitbreiding van de Houtensebrug3 en de vervanging van de Keizersveerbruggen en aansluitende infrastructuur.
Inmiddels is de ontwerpfase van de Merwedebrug West en van de Hagesteinsebruggen afgerond. Daarmee is er meer inzicht gekomen in de planning van het programma. De Merwedebrug West is naar verwachting gereed in 2031 en de Hagesteinsebruggen naar verwachting in 2034. Per separate brief (11 mei 20264) is de Kamer nader geïnformeerd over de over de laatste ontwikkelingen bij het programma A27 Houten-Hooipolder (inclusief planning en financiën).
Kunt u aangeven wat op dit moment de actuele kostenraming van het project A27 Houten–Hooipolder is, hoe deze zich verhoudt tot eerdere ramingen en welke oorzaken ten grondslag liggen aan de kostenstijgingen?
Het beschikbare budget bedraagt in het MIRT 2026 € 2.998 mln. Om de onvermijdelijke onderdelen en de onderdelen met de grootste bijdrage aan de doorstroming (zie antwoord 2) uit te kunnen voeren bedraagt de aanvullende dekking circa € 1.850–1.970 mln.5.
Oorzaken die ten grondslag liggen aan de kostenstijgingen betreffen prijsstijgingen, huidige marktspanning, een te lage initiële raming en voortschrijdende inzichten (onder andere onderschatting complexiteit en een slechtere staat van het areaal).
Gezien de grote omvang van dit aanvullende bedrag zijn er verschillende scenario’s (bijvoorbeeld een geheel nieuw ontwerp of de renovatie van de bestaande Merwedebrug) onderzocht en zorgvuldig tegen elkaar afgewogen. Geen van deze opties leverde echter de beoogde kostenbesparing op zonder fors in te boeten op het beoogde resultaat. Dat resultaat moet worden bereikt gegeven het feit dat het traject één van de belangrijkste noord-zuid verbindingen van Nederland vormt. Het betreft een grote noodzakelijke vernieuwingsopgave van vitale infrastructuur (o.a. verouderde Merwedebrug en Hagesteinsebrug). Ook is er sprake van acute infrastructurele knelpunten op het tracé, die verder toenemen als gevolg van de groeiende mobiliteit.
Welke scenario’s voor fasering, versobering of bezuiniging worden momenteel onderzocht? Kunt u per scenario aangeven wat de gevolgen zijn voor capaciteit, doorstroming, verkeersveiligheid, leefbaarheid en uitvoeringstermijn?
Zie beantwoording vraag 2 en 3. Uitgangspunt blijft om het hele Tracébesluit uit te voeren en de meest urgente onderdelen als eerste op te pakken.
Deelt u de zorg dat het uitstellen van de vervanging of aanpassing van onderdelen zoals de Keizersveerbrug, de Houtensebrug en knooppunt Gorinchem ertoe kan leiden dat nieuwe of blijvende knelpunten ontstaan op het traject A27? Zo nee, waarom niet?
Bij de prioritering is de afweging zodanig gemaakt dat de kans op knelpunten zo klein mogelijk is, zie beantwoording vraag 2. Daarbij blijft het belangrijk dat het gehele programma (Tracébesluit) uiteindelijk wordt uitgevoerd.
Hoe beoordeelt u in het bijzonder de betekenis van de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem voor de doorstroming op de A27, gelet op het feit dat dit traject behoort tot de grootste fileknelpunten van Nederland?
Binnen het programma A27 Houten-Hooipolder is de Merwedebrug met gedeeltelijke aanpak van knooppunt Gorinchem de grootste flessenhals. Bovendien heeft de Merwedebrug einde technische levensduur bereikt en is vervanging op korte termijn noodzakelijk. Dat is de reden dat dit onderdeel van het programma met prioriteit wordt uitgevoerd.
Deelt u de opvatting dat een gedeeltelijke aanpak van de A27, waarbij cruciale flessenhalzen onvoldoende worden meegenomen, het risico vergroot dat publiek geld wordt geïnvesteerd zonder dat de beoogde filevermindering daadwerkelijk wordt gerealiseerd? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat deel ik niet. Uiteindelijk wordt het hele Tracébesluit uitgevoerd, maar wordt de uitvoering langer over de tijd verspreid. De belangrijkste flessenhalzen worden hierbij als eerste aangepakt. Zie ook vraag 5.
Kunt u aangeven wat de verwachte effecten zijn van de huidige onzekerheid rond de A27 op de filedruk bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem, zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindsituatie indien onderdelen worden geschrapt of uitgesteld?
Voor de doorstroming is de Merwedebrug de grootste flessenhals op de A27 tussen Houten en Hooipolder. De bestaande Merwedebrug heeft einde levensduur bereikt. Naast de bestaande Merwedebrug zal de nieuwe Merwedebrug West worden gebouwd. De Merwedebrug West is naar verwachting gereed in 2031. Tijdelijk zal deze brug gebruikt worden in twee richtingen. Na de sloop van de bestaande brug zal de Merwedebrug Oost (capaciteitsuitbreiding) worden gebouwd. De precieze planning van de Merwedebrug Oost is nog niet bekend. Dit is afhankelijk van de vervanging van de objecten Steenenhoek en Palenweg die momenteel nader wordt uitgewerkt. De vermindering van de filedruk is hiermee afhankelijk van het moment van openstellen van Merwedebrug Oost. Bij een latere opstelling van Merwedebrug West zal het bestaande knelpunt erger worden als gevolg van autonome groei (langdurigere spitsperiode). Het positieve effect van de verbreding van Gorinchem-Everdingen zal pas bij openstelling van Merwedebrug Oost zijn bereikt. Daarnaast zal er een risico zijn van terugslag van de file op de A27 over knooppunt Gorinchem.
De filedruk tijdens de uitvoering van m.n. het gedeelte Everdingen-Gorinchem zal fors zijn, hiervoor zijn de nodige nacht-, weekend- en zomerafsluitingen gepland (link planning werkzaamheden).
Welke gevolgen verwacht u van verdere vertraging of versobering voor de bereikbaarheid van Gorinchem en de omliggende regio, zowel voor bewoners als voor goederenvervoer, hulpdiensten en regionale economie?
Als gevolg van de gefaseerde uitvoering zal er langer sprake zijn van hinder door de files op het traject met gevolgen voor de bereikbaarheid.
Erkent u dat de aanhoudende onzekerheid over de A27 negatieve gevolgen kan hebben voor woningbouw, bedrijventerreinen en andere ruimtelijke ontwikkelingen in de regio, juist op een plek waar bereikbaarheid een essentiële randvoorwaarde is? Zo ja, hoe weegt u dat mee?
De Tweede Kamer is op 11 mei 2026 geïnformeerd over de stand van zaken van het programma A27 Houten-Hooipolder. Met deze brief wordt duidelijkheid gegeven over de planning van realisatie van dit programma. De inzet is en blijft om uiteindelijk het gehele Tracébesluit te realiseren. Zie tevens de beantwoording vraag 2 voor de onderdelen die prioriteit krijgen.
Kunt u concreet aangeven welke woningbouw- en economische ontwikkelingen langs het traject A27 Houten–Hooipolder geraakt kunnen worden door uitstel of versobering van het project?
De A27 Houten-Hooipolder is vooral een belangrijke verbindingsroute tussen het noorden en zuiden van Nederland en als ontsluiting van het rivierengebied. Deze vertraging heeft vooral hiervoor gevolgen.
Welke gevolgen heeft de huidige onzekerheid voor de ontwikkeling van openbaarvervoermaatregelen in de corridor, waaronder de snelle busverbinding tussen Breda, Gorinchem en Utrecht en de aanleg van overstappunten?
Als gevolg van de gefaseerde uitvoering zal de OV-verbinding tussen Breda en Utrecht langer hinder ondervinden van de files op het traject. Hierbij blijft het uitgangspunt dat tijdens de werkzaamheden de weg en vaarweg zoveel mogelijk beschikbaar blijven voor verkeer.
Hoe beoordeelt u de toename van sluipverkeer op gemeentelijke en provinciale wegen als gevolg van aanhoudende congestie op de A27? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor het Rijk?
Helaas zal de regio als gevolg van de gefaseerde uitvoering op diverse plekken langer last blijven houden van het sluipverkeer bij hinder op de A27. In het programmabudget zijn middelen gereserveerd voor een beperkte passende hinderaanpak; deze worden al sinds de start van het programma ingezet en de hinderaanpak blijft van toepassing nu uitvoering van het programma langer duurt. Rijkswaterstaat voert landelijk verkeersmanagement uit in afstemming met de regio. Doel van Rijkswaterstaat hierbij is om automobilisten op de snelweg te houden en sluipverkeer te voorkomen.
In hoeverre zijn de betrokken gemeenten, provincies, waterschappen en samenwerkingsverbanden, waaronder Slimme Aanpak A27, betrokken bij de keuzes die nu worden gemaakt over planning, budget en scope?
Met de leden van de Bestuurlijke Advies Groep (BAG) (betrokken gemeenten, provincies, waterschappen en samenwerkingsverbanden) is na het faseringsbesluit van mei 2025 afgesproken om de effecten van het faseringsbesluit inzichtelijk te maken. Ook is aan de leden van de BAG gevraagd proactief mee te denken over mogelijke beheersmaatregelen en meekoppelkansen. Hiervoor zijn werkateliers gepland. Het is de ambitie om rond de zomer concrete voorstellen te bespreken in de BAG en hierover vervolgens afspraken te maken.
Bent u bereid op korte termijn met de regio in overleg te treden over een integrale oplossing voor het gehele traject, inclusief de knelpunten bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem? Zo ja, op welke termijn?
Voor de belangrijkste werkzaamheden binnen het programma A27 Houten-Hooipolder (o.a. Merwedebrug West en Hagesteinsebruggen) is de Tweede Kamer per brief is geïnformeerd over de stand van zaken. Direct hierna worden de regionale bestuurders geïnformeerd over de stand van zaken. Duidelijkheid over de aanpak van de werkzaamheden voor de langere termijn (o.a. Houtensebrug en Keizersveerbruggen) is afhankelijk van nieuwe besluitvorming binnen het Mobiliteitsfonds. Vanuit het programma is regelmatig contact met de regio over de voortgang van het programma, maar na de zomer zal ik ook zelf hierover in gesprek gaan met de regio.
Kunt u de Kamer vóór de komende begrotingsbehandeling of een ander eerstvolgend relevant debat een geactualiseerde planning sturen, inclusief duidelijkheid over budget, scope, fasering en oplevermomenten van de verschillende deelprojecten?
De Tweede Kamer is op 11 mei per brief geïnformeerd over de stand van zaken. Over de voortgang van het programma wordt de Tweede Kamer op de reguliere momenten geïnformeerd.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om te voorkomen dat het project zodanig wordt versoberd dat hardnekkige fileknelpunten, waaronder bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem, in stand blijven?
Met het afronden van de ontwerpfase en het definitief opdragen van de Merwedebrug West wordt een grote stap gezet in het programma A27 Houten-Hooipolder. De Merwedebrug vormt namelijk het grootste knelpunt tussen Houten en Hooipolder.
Het besluit om het werk aan de Merwedebrug West op te dragen (gunnen), kan niet langer uitgesteld worden om het afgesproken traject met de aannemerscombinatie binnen de gemaakte afspraken af te ronden. Uitstel van het besluit leidt tot vertraging van de start van de uitvoering en verandering van de voorwaarden waaronder het werk zou kunnen worden uitgevoerd. Dit zou leiden tot hogere kosten, een langere duur en grotere risico’s. Op 23 juni 2026 vindt het Commissiedebat Strategische keuzes bereikbaarheid plaats, waarin het afweegproces voor de brede prioritering binnen het Mobiliteitsfonds en Deltafonds met de Tweede Kamer besproken wordt. De begrotingsregels schrijven voor dat meerkosten van dekking worden voorzien. De meerkosten voor de Merwedebruggen worden voor nu gedekt uit de Ring Utrecht, het besluit voor de definitieve dekking loopt mee in dit afweegproces. Er dient geprioriteerd te worden over de volle breedte van de opgaven, het MIRT en de fondsen. Zie hiervoor de brief die ik samen met de Staatssecretaris naar de Tweede Kamer heb gestuurd (Kamerbrief 36800-A-39, d.d. 16 maart 2026).
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van het project, de kostenontwikkeling en de bestuurlijke afstemming met de regio?
De Tweede Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang van de MIRT-projecten via Kamerbrieven die voorafgaand aan de commissiedebatten MIRT aan de Tweede Kamer worden gestuurd.
De Bilderbergconferentie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Is het correct dat de Koning, Koningin en premier deel hebben genomen aan de Bilderbergconferentie 2026?
Ja.
Hebben de Koning, Koningin en premier aan deze conferentie deelgenomen op persoonlijke titel of vertegenwoordigden ze Nederland?
Kenmerkend voor de Bilderbergconferentie is dat de deelnemers in hun formele hoedanigheid worden uitgenodigd maar tijdens de conferentie op informele wijze van gedachten kunnen wisselen volgens de zogeheten Chatham House Rule die inhoudt dat deelnemers de informatie vrij mogen gebruiken, maar niet koppelen aan de identiteit of functie van een spreker of andere deelnemer. Hiermee is de vrijheid van een open gedachtewisseling tijdens de conferentie gediend. Informatie over de werkwijze tijdens Bilderbergconferenties en de deelnemers is beschikbaar op www.bilderbergmeetings.org.
Het artikel 'Leger VS: blokkade Straat van Hormuz begint maandag om 16:00' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op bericht dat het Amerikaanse leger de Straat van Hormuz gaat blokkeren vanaf 16:00 vandaag?1
Het kabinet pleit ervoor dat de Straat van Hormuz zo spoedig mogelijk open gaat en blijft voor internationale scheepsvaart. De maritieme blokkade door de VS is niet gericht op het blokkeren van alle internationale scheepvaart, maar op het tegenhouden van Iraanse schepen en schepen die Iraanse havens aandoen om te voorkomen dat Iran profiteert van diens blokkade van de Straat van Hormuz voor overige scheepvaart. Met de maritieme blokkade poogt de Verenigde Staten om druk uit te oefenen om via die weg de Iraanse blokkade op te heffen. Het kabinet is niet betrokken bij de maritieme blokkade die de VS heeft ingesteld als onderdeel van het gewapend conflict met Iran.
Bent u van plan om druk te zetten op de Amerikaanse regering om af te zien van een blokkade of, als de blokkade is gestart, deze op te heffen in dezelfde lijn als met de blokkade door Iran?
Zie antwoord vraag 1.
Is de Minister-President van plan om de blokkade te bespreken tijdens zijn bezoek aan het Witte Huis? Zo ja, wat wordt de inzet en welke maatregelen worden besproken als de inzet niet wordt gehaald?
In de verschillende gesprekken tijdens het bezoek aan Washington is de situatie in de Straat van Hormuz besproken. Vanwege het vertrouwelijke karakter van deze gesprekken, kan ik hier niet verder over uitweiden.
Welke gevolgen heeft dit voor Nederlandse schepen of voor Nederlanders die zich nog in de Straat van Hormuz bevinden of daar doorgang zoeken?
Nederlandse schepen worden niet aanvullend geraakt door de maritieme blokkade, omdat het niet gaat om Iraanse schepen of schepen die Iraanse havens aandoen.
Bent u bereid deze vragen met spoed te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Boetes aan zorgverzekeraars |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een boete uitdelen aan zorgverzekeraars die niet aan hun zorgplicht voldoen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid de NZa deze bevoegdheid te geven?
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) kan geen bestuurlijke boete opleggen voor het niet naleven van de zorgplicht. Dit hangt samen met het feit dat de zorgplicht een open norm is, waardoor niet vooraf voldoende concreet is vastgelegd wanneer sprake is van een overtreding die met een boete kan worden bestraft.
Zoals toegelicht in de brief van 12 februari 2025 aan de Kamer over de motie van de Kamerleden Tielen, Jansen en Claassen inzake het handhaven van de zorgplicht1, acht ook het kabinet het huidige handhavingsinstrumentarium van de NZa wel toereikend.
De NZa beschikt over effectieve herstelgerichte instrumenten, zoals het geven van een aanwijzing en indien nodig het opleggen van een last onder dwangsom. Deze instrumenten zijn erop gericht om naleving van de zorgplicht daadwerkelijk af te dwingen en de zorg voor verzekerden te borgen. Gelet hierop ziet het kabinet geen aanleiding om de NZa de bevoegdheid te geven om een bestuurlijke boete op te leggen voor het niet naleven van de zorgplicht.
Kan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bestuurders van zorginstellingen die zwaar gefaald hebben – zoals de zorgbestuurders van de William Schrikker Stichting die verantwoordelijk waren voor het Vlaardings pleegmeisje – uit hun functie (laten) zetten (ontslaan)? Zo nee, waarom niet en bent u bereid de IGJ deze bevoegdheid te geven?
De IGJ kan door middel van een aanwijzing, indien nodig gevolgd door een last onder dwangsom, in uitzonderlijke gevallen afdwingen dat het bestuur van een zorginstelling (deels) wordt vervangen. Daarnaast kan de IGJ in bij wet bepaalde gevallen een last onder bestuursdwang inzetten, bijvoorbeeld indien niet tijdig wordt voldaan aan een aanwijzing of bevel. Het (deels) vervangen van het bestuur is een ingrijpende maatregel. De IGJ zal hier alleen op aansturen als zij onvoldoende vertrouwen heeft in het bestuur om risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg weg te nemen, en zij geen mogelijkheden ziet om tot herstel te komen met dit bestuur. Het is vervolgens aan de interne toezichthouder van de instelling, de raad van toezicht, om de bestuurders te schorsen of te ontslaan en zo nodig tijdelijk bestuur aan te stellen.
Het kabinet voorziet geen invoering van een directe ontslagbevoegdheid voor de IGJ. Een dergelijke bevoegdheid zou een fundamentele wijziging betekenen van het stelsel, waarin publiek toezicht en interne governance van zorginstellingen van elkaar zijn gescheiden.
Het bericht 'Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse industrie: ‘Je houdt je hart vast’' |
|
Erwin Prickaertz (PVV) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse industrie: «Je houdt je hart vast»»?1
Ja.
Hoeveel van deze krimp komt door hoge energieprijzen en klimaatbeleid? Kunt u dat concreet per sector inzichtelijk maken?
Er zijn verschillende factoren die het productieniveau van de Nederlandse industrie beïnvloeden, waaronder energieprijzen, internationale concurrentie en de conjunctuur. Door dit complexe samenspel van factoren en het verschil in energie- en CO2-intensiteit tussen sectoren is het niet mogelijk om het afzonderlijke effect van hoge energieprijzen en klimaatbeleid op de industrie en haar verschillende subsectoren exact inzichtelijk te maken.
Het kabinet heeft sinds 2019 wel jaarlijks een speelveldtoets laten uitvoeren om inzicht te geven in de effecten van het Nederlandse energie- en klimaatbeleid op de concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie. De speelveldtoets biedt zo wel enig inzicht in belangrijke factoren waar vervolgens het beleid op kan worden aangepast. Eerdere toetsen concludeerden bijvoorbeeld dat bepaalde nationale beleidsmaatregelen kunnen leiden tot CO2-weglekrisico’s, doordat deze hogere kosten met zich meebrengen ten opzichte van andere (Europese) landen. Mede daarom is ervoor gekozen om de CO2-heffing af te schaffen.
Hoe beoordeelt u het risico dat verdere productie uit Nederland verdwijnt richting landen met lagere kosten en minder regelgeving, en dat hetzelfde gebeurt met investeringen?
Het verplaatsen van industriële productie naar een ander land met lagere kosten is voor bedrijven soms noodzakelijk om concurrerend te blijven op de wereldmarkt. Nederland is een geavanceerde economie met hoge lonen. Daardoor kunnen we niet in elke internationaal opererende markt concurrerend zijn.
Tegelijkertijd is bekend dat het Nederlands concurrentievermogen op onderdelen onder druk staat. Het Wennink rapport «De route naar toekomstige welvaart»2 benadrukte dit in december nog. Ik werk dan ook aan een versterking hiervan. Zo werkt het kabinet onder andere aan het verminderen van regeldruk met een aanpak om per jaar 500 regels te vereenvoudigen of te schrappen.
Daarnaast neem ik de urgentie en aanbevelingen uit het Wennink rapport om het concurrentievermogen te versterken zeer serieus. Daarom kiest dit kabinet expliciet voor economische groei, en nemen we de inzet op 1,5% structurele economische groei over in het kabinetsbeleid en het versterken van randvoorwaarden. Dat is een kabinetsbrede opgave, en het kabinet is bereid om hiervoor de noodzakelijke keuzes te maken. Met de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat maken we snel stappen om een hoogproductieve economie met sterke randvoorwaarden mogelijk te maken. De prioriteiten hierbij liggen op het voeren van strategisch industriebeleid, het verbeteren van de economische randvoorwaarden en het versterken van de Nederlandse (durf)kapitaalmarkt.
Specifiek ten aanzien van de energieprijzen en het klimaatbeleid werkt het kabinet aan het verbeteren van een gelijk speelveld voor de energie-intensieve industrie. Allereerst wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft. Daarnaast verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten om elektrificatie aantrekkelijker te maken en te zorgen voor een gelijker speelveld. Hiervoor heeft het kabinet vanaf 2026 tot en met 2035 significante middelen gereserveerd, oplopend tot 1 miljard per jaar vanaf 2029. Als eerste stap breidt het kabinet de indirecte kostencompensatie voor ETS 1 (IKC-ETS) uit met 22 extra (sub)sectoren, in lijn met de door de EC geboden nieuwe mogelijkheden. De uitbreiding richt zich specifiek op sectoren die door hoge elektriciteitskosten in zwaar weer verkeren, zoals de chemie. Verder heeft het kabinet middelen gereserveerd in een aparte envelop voor elektriciteitskosten waarvoor op dit moment bestedingsopties worden uitgewerkt. Het kabinet informeert de Kamer uiterlijk op Prinsjesdag over de besteding van deze middelen en de uitwerking van de IKC-ETS.
Daarnaast onderneemt het kabinet actie op de gestegen energieprijzen vanwege de situatie in het Midden-Oosten, zoals gecommuniceerd in de kamerbrief «Acties Weerbaarheid Energieschok» van 20 april. Gegeven de huidige ontwikkelingen die zich materialiseren in de economie, neemt het kabinet een aantal maatregelen die burgers en bedrijven een steun in de rug geven, de weerbaarheid op lange termijn vergroten en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland verminderen. Deze maatregelen zijn tijdig, tijdelijk en toegepast op de knelpunten die zijn ontstaan door de schok in het energieaanbod en de economische gevolgen daarvan. Daarnaast schaalt het kabinet op naar fase 1 van het Landelijk Crisisplan Olie om goed voorbereid te zijn op ernstigere verstoringen in het aanbod van energie. Met dit pakket erkent het kabinet de ernst van de situatie en blijft het kabinet voorbereid op scenario’s waarin de situatie verder verslechtert en die om een andere mate en manier van overheidsingrijpen vragen.
Deelt u de zorgen over de huidige krimp in de industrie? Welke concrete maatregelen neemt u om deze ontwikkeling te keren en verdere de-industrialisatie van Nederland te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u, gelet op de huidige geopolitieke en economische ontwikkelingen, aanleiding om in te grijpen in de energiekosten voor de industrie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met het bericht «Opinie: Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld»?1
Ja, het kabinet is hiermee bekend.
Kunt u het onderzoek van Investico, waaruit is gebleken dat alle grote Nederlandse drogisten, zoals Kruidvat, Etos en Trekpleister, (gevoelige) informatie over de vruchtbaarheid en seksuele gezondheid van klanten delen met Amerikaanse en Chinese techbedrijven, voorzien van een kabinetsreactie?2
Het kabinet vindt het zorgelijk en neemt de signalen over het mogelijk delen van (gevoelige) informatie dan ook serieus. Alleen het beoordelen van specifieke situaties is aan de toezichthoudende autoriteiten, in Nederland is dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Het kabinet kan hierover geen uitspraken doen. Een kabinetsreactie hierover ligt dan ook niet in de rede.
Kunt u specifiek maken welke persoonsgegevens door de onderzochte apps en drogisten worden doorverkocht? Is hier sprake van medische gegevens, die enkel met een wettelijke grondslag of na uitdrukkelijke toestemming verwerkt mogen worden?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is een dergelijke beoordeling niet aan het kabinet, maar aan de toezichthoudende autoriteit.
Voldoet de gegevensverwerking door de gezondheidsapps en de drogisten aan de nationale privacywetgeving? Zo ja of nee? Kunt u dit op basis van onderzoek onderbouwen?
In zijn algemeenheid merkt het kabinet op dat de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens, waartoe gezondheidsgegevens behoren, verboden is tenzij er een uitzonderingsgrond van toepassing is, bijvoorbeeld wanneer uitdrukkelijke toestemming is gegeven. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft geoordeeld dat het begrip «bijzondere persoonsgegevens» in dit soort gevallen ruim dient te worden uitgelegd. Daaronder vallen ook persoonlijke gegevens die bij het online bestellen van geneesmiddelen worden ingevoerd, zoals namen en adressen. Of hier gehandeld wordt in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is, zoals eerder al in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, aan de toezichthoudende autoriteiten, de AP.
Zijn de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) op de hoogte van de mogelijk illegale handel in gezondheidsgegevens? Zo ja, wordt hier naar uw weten nader onderzoek naar gedaan? Zo nee, bent u bereid dit in samenwerking met de toezichthouders wel te doen?
De AP heeft desgevraagd laten weten zich bewust te zijn van de grootschalige dataverzameling en datahandel op het internet. Datahandel (in brede zin) is van 2020 tot 2023 een van de strategische aandachtsgebieden geweest van de AP. Ook nu besteedt de AP nog de nodige aandacht aan datahandel. Zo controleert de AP sinds 2024, en nu nog steeds, strenger op cookiebanners. De AP controleert of websites op de juiste manier toestemming vragen voor cookies en andere volgsoftware en pakt misleidende cookiebanners aan.
De AP en de ACM doen geen mededelingen over individuele zaken en eventuele lopende onderzoeken.
Wat is uw oordeel over het gebruik van tracking cookies bij online webshops, waardoor mogelijk gevoelige informatie over het koopgedrag van klanten aan derden wordt doorverkocht? Is dit mogelijk in strijd met de privacywetgeving?
Het kabinet deelt de opvatting dat het gebruik van tracking cookies in bepaalde gevallen problematisch kan zijn, bijvoorbeeld waar gebruikers als gevolg van dark patterns, informatie-overload en consentmoeheid toestemming geven terwijl deze mogelijk afwijkt van hun werkelijke voorkeuren. Voor de volledigheid wordt hierbij ook verwezen naar de kabinetsreactie op het rapport De prijs van gratis internet van het Rathenau Instituut, die op 19 december 2025 met de Kamer is gedeeld.
Het gebruik van tracking cookies bij online webshops is onderworpen aan voorwaarden uit de toepasselijke privacyregelgeving, met name AVG en de e-privacyrichtlijn, die in Nederland is geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Voor het plaatsen van dergelijke cookies is daarom geïnformeerde en ondubbelzinnige toestemming van de gebruiker vereist. Wanneer het gaat om gevoelige persoonsgegevens geldt een versterkt, expliciet toestemmingsvereiste. De beoordeling of sprake is van strijdigheid met de geldende privacyregelgeving is aan de toezichthouder.
Kunt u expliciet benoemen welke acties u nationaal en in Europees verband neemt om tracking cookies zo veel mogelijk te beperken en het informatie- en toestemmingsrecht van burgers over wat er met hun gegevens gebeurt te versterken?
Het kabinet zet zich nationaal en Europees in om op het gebied van tracking cookies onder meer de informatie- en toestemmingsrechten van burgers te versterken. Zo staat het kabinet positief tegenover de in de Digitale Omnibus voorgestelde automatische gecentraliseerde consentopties, waarmee gebruikers meer controle over hun gegevens krijgen. De onderhandelingen over dit voorstel lopen nog. Voor een weergave van de overige door het kabinet te nemen acties wordt verwezen naar de kabinetsreactie op het rapport De prijs van gratis internet van het Rathenau Instituut, die op 19 december 2025 met de Kamer is gedeeld.
Indien blijkt dat gezondheidsapps en drogisten in strijd met de wet medische gegevens van personen hebben verwerkt, welke gevolgen heeft dit voor deze bedrijven?
Onder de AVG is het verwerken van medische gegevens, die gelden als bijzondere categorieën van persoonsgegevens, verboden tenzij op dat verbod een uitzondering van toepassing is. Het houden van toezicht op en het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de private sector is, als gezegd, een taak van de onafhankelijke toezichthouder, de AP. Zij beschikt over een eigen repertoire aan bevoegdheden en handhavingsinstrumenten. Zo kan de AP onderzoek instellen naar de naleving van de gegevensbeschermingswetgeving, boetes en dwangsommen opleggen, alsook stopzetting van gegevensverwerkingen gelasten. Het is aan de AP om te bepalen welke manier van handhaving onder de omstandigheden het meest geëigend is.
Deelt u de analyse van de indieners dat de lichamelijke integriteit van personen in een digitale wereld ook vraagt om toereikende privacybescherming? Is dit momenteel juridisch goed genoeg beschermd?
Het kabinet onderschrijft dit belang volledig. Alleen beschikt het kabinet niet over aanknopingspunten dat de gegevensbeschermingswetgeving lacunes vertoont.
Bent u bereid om aanvullende stappen te nemen om de medische gegevens van personen die gezondheidsapps gebruiken of gezondheidsproducten kopen bij drogisten beter te beschermen? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Bij de verwerking van persoonsgegevens is de AVG van toepassing. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om te voldoen aan de kaders die in de AVG worden gesteld aan de verwerking van persoonsgegevens en aan de strengere eisen die worden gesteld aan de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, zoals medische gegevens. Het is aan de AP om toezicht te houden op de naleving van de AVG.
Hoeveel vrouwen in Nederland maken gebruik van zogeheten «cyclusapps», in het bijzonder van Flo en Clue? Kunt u aangeven of de wijze waarop zij geïnformeerd worden bij het gebruik van deze apps en het delen van hun gegevens, conform de huidige wet- en regelgeving is?
Uit het onderzoek van Rutgers over het gebruik van natuurlijke methoden om een zwangerschap te voorkomen onder de vrouwen van 18 tot en met 29 jaar is gebleken dat 37% van de groep gebruikmaakt van een cyclusapp om hun menstruatie bij te houden, waarvan Flo het vaakst werd benoemd3. Cyclusapps moeten zich bij de verwerking van (bijzonder) persoonsgegevens houden aan de kaders die worden gesteld in de AVG, indien zij zijn gevestigd in de EU. Cyclusapps die buiten de EU zijn gevestigd, dienen ook aan de AVG te voldoen, indien zij diensten of goederen aanbieden in de EU. Zowel Clue, die is gevestigd in Duitsland, als Flo, die is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, moeten daarmee voldoen aan de AVG.
Welke mogelijke hiaten ziet u in de bestaande wet- en regelgeving in het effectief optreden tegen het onrechtmatig bewaren en/of delen van gevoelige informatie over bijvoorbeeld miskramen, seksuele activiteit, etcetera met derde partijen, mogelijk voor commerciële doeleinden?
Zoals volgt uit de antwoorden op vragen 10 en 11, is er geen blijk van hiaten in de wet- en regelgeving. Het komt eerder aan op de naleving daarvan. Het doen van onderzoek daarnaar, is als gezegd, een taak van de onafhankelijke toezichthouder.
Deelt u de zorgen dat het doorverkopen van medische gegevens van vrouwen kan zorgen tot ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties, of zelfs het opstellen van dataprofielen van de medische geschiedenis van vrouwen?
Het kabinet vindt het uiterst belangrijk dat de gegevens van vrouwen niet ten onrechte gebruikt worden voor zaken als ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties of het opstellen van dataprofielen. Het kabinet vindt het dan ook van belang dat de onafhankelijke toezichthouder hier scherp op is. In elk geval, zoals eerder al genoemd is, is het houden van toezicht op en het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de private sector een taak van de onafhankelijke toezichthouder, namelijk de AP. Het is aan de AP om te bepalen welke manier van handhaving onder de omstandigheden het meest geëigend is.
Heeft u indicaties voor welke doeleinden de doorverkochte medische gegevens van vrouwen, die zien op hun gezondheid en seksualiteit, worden gebruikt? Is dit in overeenstemming met het doel waarmee de data in eerste instantie met bedrijven is gedeeld?
Desgevraagd heeft het Centrale Bureau Drogisterijbedrijven aan het kabinet laten weten dat er geen persoonlijke gegevens doorverkocht worden. De online drogisterijen hebben privacyverklaringen op hun websites waarin is opgenomen welke gegevens worden verwerkt. Aangezien dit per drogisterij kan verschillen, wordt voor nadere informatie verwezen naar de betreffende websites. Wanneer een gebruiker niet noodzakelijke cookies weigert, worden alleen functionele cookies geplaatst die nodig zijn om de website goed te laten werken. Zonder toestemming worden bovendien geen persoonsgegevens van individuele klanten gedeeld met externe partijen zoals Google of Facebook.
Als gezegd is het beoordelen of specifieke situaties in overeenstemming zijn met de AVG aan de bevoegde toezichthoudende autoriteiten; in Nederland is dat de AP.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk afzonderlijk beantwoord.