Het bericht 'Roep in Amsterdam om weren Samidoun kopstuk' |
|
Bente Becker (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Samidoun-kopstuk Mohamed al Khatib vrijdag 15 maart komt spreken in het Dokhuis in Amsterdam over de rol van de Palestijnen in Europa bij de bevrijding van Palestina?1 Is deze berichtgeving juist?
Wat is Samidoun voor organisatie en wat is de doelstelling, positie, het ledenaantal en de rechtsvorm van deze organisatie in Nederland en internationaal? Is er bij u een beeld van mogelijke strafbare activiteiten vanuit Samidoun?
Is het juist dat Samidoun een dekmantel is voor de verboden terroristische organisatie Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP)? Als u dit niet weet, bent u bereid dit te onderzoeken?
Is het juist dat Mohamed al Khatib naast Europees coördinator van Samidoun ook lid is van of actief is voor de verboden organisatie PFLP? Als u dit niet weet, bent u bereid dit te onderzoeken?
Is het juist dat Samidoun verboden is in Duitsland? Zo ja, op welke grondslag?
Zijn er acties bekend van Samidoun in Nederland die gekenschetst kunnen worden als nodeloos kwetsend, opruiend en/of antisemitisch?
Is er voldoende grond om in Nederland een verbod van de organisatie te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zijn Samidoun-leden onderwerp van een lokaal casusoverleg, in het kader van de persoonsgerichte aanpak van radicalisering en terroristische activiteiten? Zo nee, waarom niet?
Is het juist dat Samidoun-leden, waaronder Mohamed al Khatib, ook aanwezig zijn geweest bij de verstorende uit de hand gelopen demonstraties bij de opening van het Holocaustmuseum, waar ook antisemitische leuzen werden gescandeerd? Zijn er door deze leden tijdens deze demonstratie strafbare feiten gepleegd? Zo ja, zijn deze strafbare feiten opgevolgd door politie en Openbaar Ministerie?
Bent u het eens dat er alles aan moet worden gedaan om een voedingsbodem voor haat de kop in te drukken en er geen ruimte moet worden geboden aan boodschappen van personen of organisaties die groepen mensen tegen elkaar opzetten, terrorisme verheerlijken en/of antisemitisme aanwakkeren?
Bent u bereid, eventueel in samenwerking met Duitsland, te onderzoeken of Samidoun alsnog op de Europese lijst van terroristische organisaties kan worden geplaatst en bent u bereid zich hiervoor in te spannen in Europese Unie (EU-)verband?
Bent u bereid onderzoek te verrichten naar de geldstromen van Samidoun?
Welke mogelijkheden heeft een bank om een bankrekening van een organisatie te sluiten als de bank signalen heeft dat de rekening wordt gebruikt om antisemitische activiteiten te organiseren waarbij het terrorisme van Hamas wordt verheerlijkt?
Welke mogelijkheden heeft de gemeente Amsterdam om spreker Mohamed al Khatib te weren? Is er wettelijk gezien een mogelijkheid hem een gebiedsverbod of spreekverbod op te leggen? Zo ja, op welke grond? Bent u bereid actief met de de gemeente Amsterdam in gesprek te gaan over die mogelijkheden?
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat er in onze open samenleving geen ruimte en tolerantie is voor extremistische uitingen, zoals haatzaaien opruiing en aanzetten tot geweld. Deze uitingen zijn ondermijnend aan de democratische rechtsorde en kunnen een bedreiging vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid.
De IND baseert zich bij de beoordeling of een vreemdeling een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid is, op de beschikbare informatie, zoals een duiding van de NCTV, een ambtsbericht van de AIVD of een oordeel over de openbare orde door politie en/of de lokale driehoek. Op basis van de beschikbare informatie is er in deze zaak onvoldoende grond om te concluderen dat het persoonlijk gedrag van betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
In algemene zin geldt dat waar personen naar Nederland komen om hier extremistisch gedachtengoed te verspreiden het kabinet er alles aangelegen is om deze personen te weren. Zo is uw Kamer op 25 oktober 2023 geïnformeerd over het versterken van de maatregel om extremistische vreemdelingen uit Nederland te weren.1 Het weren uit Nederland kan plaatsvinden door een visum voor kort verblijf te weigeren als een vreemdeling visumplichtig is. Niet-visumplichtige derdelanders kunnen ook geweerd worden, bijvoorbeeld door hen te signaleren in het Schengeninformatiesysteem (SIS II) of door een ongewenstverklaring op te leggen, bijvoorbeeld als zij een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Bij EU-burgers en vreemdelingen die langdurig ingezetene zijn van een lidstaat geldt dat het weren pas mogelijk is als het persoonlijk gedrag van de betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
Waar grenzen in ons land worden overschreden, treedt de overheid op. Aanjagers die anderen aanzetten tot geweld, bewust extremistische boodschappen verspreiden en tot doel hebben deze te normaliseren, worden aangepakt. Zo zijn gemeenten en andere lokale professionals getraind in het herkennen van signalen van mogelijke radicalisering en kunnen gerichte interventies worden ingezet. Indien er sprake is van strafbare feiten, wordt er door politie, onder gezag van het Openbaar Ministerie, indien opportuun, opgetreden.
Naar aanleiding van de berichtgeving is er ook nauw contact geweest tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de gemeente en veiligheidsdiensten om de mogelijke risico’s van de komst van deze spreker en handelingsperspectieven in kaart te brengen. Vooropstaat dat er zowel in Amsterdam als op andere plekken in Nederland absoluut geen plaats is voor extremisme dan wel antisemitisme. De gemeente Amsterdam heeft zorgen uitgesproken over de komst van spreker richting de NCTV en beheerder van de locatie waar de bijeenkomst plaatsvindt. Gelet op de beschikbare informatie waar de beslissing van de IND op is gebaseerd, de bijeenkomst besloten en binnen is en lokale driehoek op dit moment geen informatie heeft die directe aanleiding geeft tot een vrees voor wanordelijkheden, maakt dat lokaal op grond van de openbare orde en veiligheid geen maatregelen ten aanzien van de bijeenkomst en spreker, zoals het opleggen van een gebiedsverbod, kunnen worden genomen. Gezien de actualiteiten zal de lokale driehoek vanzelfsprekend alert zijn op eventuele wanordelijkheden bij deze bijeenkomst.
Welke mogelijkheden heeft het kabinet zelf om spreker Mohamed al Khatib te weren bij bijeenkomsten in Nederland? Kunt u dit doen op grond van zijn lidmaatschap van een verboden terroristische organisatie en bent u daar ook toe bereid? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid de vragen 14 en 15 bij voorrang en zo nodig apart versneld te beantwoorden omdat de komst van het Samidoun kopstuk al op 15 maart gepland staat?
Het kabinet heeft de genoemde vragen zo spoedig mogelijk beantwoord. De beantwoording van de overige vragen volgt.
De brief ‘Looptijd EHF project’ |
|
André Flach (SGP), Laura Bromet (GL) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief «Looptijd EHF project» verzonden februari 2024 door het samenwerkingsverband Zoetwaterberging in West Zeeuws-Vlaanderen?
Het betreft hier een uitstelverzoek voor het betreffende project en de brief is verstuurd aan RVO, met een afschrift naar de provincie Zeeland. Ik heb de brief niet rechtstreeks ontvangen, maar ik ben wel op de hoogte van de inhoud daarvan.
Bent u het ermee eens dat dit samenwerkingsverband een mooi voorbeeld is van lokale samenwerking om uitdagingen op het gebied van water het hoofd te bieden?
Laat ik voorop stellen dat het heel vervelend is voor de aanvrager(s) dat de beslissing op de aanvragen zo lang heeft geduurd.
De EHF regeling is een crisismaatregel die voortvloeit uit afspraken van de Europese Raad in 2020 over een extra inzet van Europese middelen om het bedrijfsleven te ondersteunen in de nasleep van de COVID-19 uitbraak. De regeling werd opengesteld aan het eind van de programmeringsperiode van GLB POP3 (2014–2022) en de structuur en opzet van deze landelijke samenwerkingsregeling was nieuw. De regeling is in zeer korte tijd tot stand gekomen en vervolgens zeer fors overschreven (6 keer zoveel als verwacht), onder andere door de hoge(re) subsidiepercentages en aantrekkelijke opzet van de regeling. De forse overschrijving, in combinatie met de (destijds voor de uitvoerder nieuwe) structuur van de regeling en overheveling tussen verschillende categorieën vanwege afwijzingen en gedeeltelijke goedkeuringen, zorgde voor onduidelijkheid in het beschikbare budget. Deze samenloop van omstandigheden heeft ertoe geleid dat de tijd tussen aanvraag en toekenning langer is geweest.
Waarom heeft het 20 maanden geduurd vanaf het moment van aanvraag tot de toekenning van de aangevraagde subsidie?
Dat de lange afhandelingstijd heeft geleid tot een veel kortere tijd om de projecten uit te voeren vind ik, met u, zeer vervelend. De oorzaak hiervan ligt echter niet in financiering vanuit ELFPO.
De financiering van de regeling vindt uitsluitend plaats met gelden uit het EHF, maar deze zijn toegevoegd aan het reguliere ELFPO-budget. De middelen worden daarom verstrekt via maatregelen die in het Nederlands Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3+) zijn opgenomen. Net als ELFPO loopt de EHF-regeling tot 31 december 2025. Dat betekent dat declaraties voor toegekende projecten uiterlijk op die datum gedaan moeten zijn in Brussel. In de EHF regelingsmodule «samenwerken aan groen-economisch herstel« is daarom opgenomen dat projecten uiterlijk op 31 december 2024 moeten zijn afgerond. Dit betekent dat de vaststellingsverzoeken voor projecten uiterlijk op 31 maart 2025 binnen moeten zijn bij RVO. De tussenliggende tijd is nodig om de vaststellingsverzoeken goed af te handelen (inclusief aanvullingsverzoeken), met daarna de mogelijkheden voor bezwaar en beroep. Al deze stappen moeten zijn afgerond voor alle betrokken dossiers uit de POP3-periode voordat de declaratie in Brussel kan worden gedaan.
Wat is volgens u de reden dat de looptijd van de toegekende subsidie 14 maanden korter is dan van de aangevraagde subsidie, wat neerkomt op een halvering? Heeft dit, zoals de brief suggereert, te maken met de bijdrage van het Europees Fonds voor de Plattelandsontwikkeling (ELFPO)?
Het is begrijpelijk dat dit impact kan hebben op het animo om dergelijke projecten op te zetten. Subsidieregelingen worden altijd geëvalueerd, ook deze regeling, met als doel om hier lering van te trekken voor volgende openstellingen. De duur van de beoordelingstermijn wordt hier uiteraard in meegenomen.
Hoe denkt u dat het animo voor lokale projecten voor verduurzaming wordt beïnvloed als de looptijd van de subsidie veel korter is dan de tijd die nodig is voor de uitvoering?
Het voorliggende project is onderwerp van een bezwaarprocedure, daarom kan daar nu geen uitspraak over gedaan worden.
Welke mogelijkheden ziet u om de deadline voor de subsidieverlening voor het genoemde project mee te laten bewegen met de looptijd van het project?
In de beantwoording op vraag 3 heb ik de omstandigheden beschreven waaronder deze regeling tot stand is gekomen en is uitgevoerd.
In het nieuwe GLB-NSP kunnen aanvragers in ieder geval meer tijd krijgen voor de uitvoering, omdat de nieuwe GLB-periode loopt tot en met 31 december 2027. Per openstelling zal ook nu, net als in de vorige GLB-periode, worden gekeken hoe de inhoud en financiering van de regeling zo goed mogelijk op de (lokale) behoeften kan aansluiten.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, zal bij de evaluatie van deze regeling eveneens gekeken worden naar de ruimte tussen het moment van subsidieaanvraag en de verlening van de beschikking.
Welke ruimte ziet u om het moment tussen subsidieaanvragen en beslissing te versnellen voor lokale verduurzamingsinitiatieven en om financiering beter aan te laten sluiten op de behoefte?
De verhouding tussen artikel 6 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen en de EVOA-verordening |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Is de veronderstelling juist dat wanneer afvalstoffen op basis van de criteria in artikel 6 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG), niet langer als afvalstof aangemerkt worden deze onder de EVOA-verordening (Verordening 1013/2006) niet langer als afvalstof behandeld hoeven te worden? Kunt u zo nodig aangeven wanneer wel of niet?
Materialen die voldoen aan de criteria in artikel 6 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen, hebben de einde-afvalstatus. Zij vallen daarmee niet meer onder de afvalstoffenwetgeving. De EVOA is alleen van toepassing op afvalstoffen en dus niet op materialen met de status einde-afval. Bij een verschil van inzicht tussen bevoegde gezagen voor internationale afvaltransporten schrijft artikel 28 van Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) voor dat de strengste indeling moet worden gevolgd. Dit geldt ook voor het onderscheid tussen afval of niet-afval.
Vereist artikel 6 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen dat bij het hanteren van de genoemde criteria verschil gemaakt wordt tussen stoffen die geëxporteerd zullen worden of niet? Zo ja, op welke wijze?
Er is geen vereiste in artikel 6 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen op basis waarvan onderscheid gemaakt wordt tussen stoffen die geëxporteerd worden en stoffen die binnen Nederland blijven.
Is het op basis van artikel 6 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen vereist dat afvalstoffen pas als niet-afvalstof aangemerkt mogen worden als ontvangende landen expliciet toestemming geven om het als niet-afvalstof aan te merken?
Dit vereiste volgt niet uit artikel 6 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen, maar uit artikel 28 van de EVOA.
Kunt u aangeven welke Europese jurisprudentie hierover beschikbaar is en hoe andere lidstaten hiermee omgaan?
De wijze waarop EU-lidstaten met deze vraag moeten omgaan is vastgelegd in artikel 28 «Geschillen over de indeling» van de EVOA-verordening. EVOA artikel 28 bepaalt dat bij verschil van inzicht over de status afval of niet-afval, het transport wordt behandeld als zijnde afval. Jurisprudentie over de toepassing van de Kaderrichtlijn afvalstoffen is beschikbaar via het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De KNMG-gedragscode voor artsen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Is het correct dat de Minister voor Medische Zorg in haar recente beantwoording van 14 maart 2024 van schriftelijke vragen over de KNMG-gedragscode stelt dat ze niet met zekerheid («ja» of «nee») kan aangeven of een arts die «publiekelijk te kennen geeft dat hij of zij van mening is dat klimaat(verandering) de gezondheid niet (steeds meer) aantast en klimaat(verandering) dus geen bedreiging vormt voor de gezondheid van mensen» wel of niet in strijd handelt met de KNMG-gedragscode?
Nee, dit is geen correcte weergave. Ik heb in mijn eerdere antwoorden aangegeven dat het antwoord op deze vraag genuanceerd ligt omdat de omstandigheden van het geval van belang zijn. Ter verduidelijking wijs ik erop dat op grond van de KNMG-Gedragscode voor artsen als kernregel geldt dat een arts zich bewust is van de relatie tussen gezondheid, klimaat en milieu en zich inzet voor een duurzame zorgsector en gezonde leefwereld. Van deze regel kan echter in een specifiek geval gemotiveerd afgeweken worden. Op voorhand kan ik niet aangeven in welke gevallen dat aan de orde kan zijn. Dat maakt dat ik ook niet op voorhand kan aangeven of een arts in strijd handelt met de KNMG-Gedragscode, louter vanwege het feit dat een arts publiekelijk te kennen geeft dat deze van mening is dat klimaat(verandering) de gezondheid niet (steeds meer) aantast en klimaat(verandering) dus geen bedreiging vormt voor de gezondheid van mensen.
Als de Minister voor Medische Zorg dit al niet met zekerheid kan aangeven, hoe kunnen artsen dan weten of ze met deze hierboven specifiek omschreven bewering wel of niet in strijd handelen met de KNMG-gedragscode?
De KNMG-Gedragscode biedt een leidraad voor professioneel handelen van artsen. Zoals opgenomen in de gedragscode1 zijn de daarin opgenomen regels normerend en richtinggevend van aard en verwoorden zij waar artsen voor staan. Artsen kunnen daarop terugvallen en de gedragscode als ruggensteun gebruiken. Als een arts zich niet aan een regel in de gedragscode kan houden wordt in de gedragscode zelf aangeraden om met een collega te overleggen. Besluit een arts om van een kernregel af te wijken, dan is het belangrijk dat deze dat besluit goed onderbouwt2. Daarmee wordt ook in de gedragscode zelf al aangegeven dat afwijken van de gedragscode mogelijk is. Het is de verantwoordelijkheid van de arts zelf om te beoordelen of er ruimte is af te wijken van de kernregel van de KNMG-gedragscode voor artsen.
Is deze onduidelijkheid niet in strijd met het «lex certa-beginsel» uit het recht? Met andere woorden, in strijd met het legaliteitsbeginsel dat voor iedereen duidelijk moet zijn welk handelen leidt tot strafrechtelijke aansprakelijkheid, alsmede welke sancties daarop kunnen volgen?
Nee, er is geen sprake van strijd met het lex certa-beginsel. Daarbij is van belang dat de KNMG-Gedragscode opgesteld is door de beroepsgroep van artsen en het dus om een vorm van zelfregulering gaat. Zelfregulering heeft niet dezelfde juridische status als wetgeving of rechterlijke uitspraken. De (tucht)rechter is niet verplicht om normen die uit zelfregulering voortkomen, toe te passen. Bovendien is de kernregel in de gedragscode mijns inziens niet onduidelijk. Hieruit blijkt namelijk duidelijk dat uitgangspunt van de kernregel is dat er een relatie bestaat tussen klimaatverandering en milieuvervuiling enerzijds en de menselijke gezondheid anderzijds. Op grond van de gedragscode wordt van een arts verwacht dat hij zich daarvan bewust is en zich inzet voor een gezonde leefwereld.
Hoe kunnen artsen zich nog langer vrij voelen hun mening te uiten, kritiek te geven en deel te nemen aan het professionele en publieke debat als voor hen niet duidelijk is of ze daarmee wel of niet handelen conform de KNMG-gedragscode en hiervoor door de inspectie dus in potentie wel of niet vervolgd kunnen worden?
Ook artsen hebben het recht op vrijheid van meningsuiting. Zoals gezegd biedt de gedragscode een leidraad voor het professioneel handelen van artsen. Een arts is verantwoordelijk voor het eigen handelen en kan daarop ook worden aangesproken3. Een arts kan van een kernregel afwijken, maar daarbij is het belangrijk dat de afwijking goed wordt onderbouwd. Zoals aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen4 onderneemt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) pas actie als een arts uitspraken doet die een gevaar voor de volksgezondheid opleveren. Artsen kunnen op de website van de IGJ lezen hoe de IGJ interventies inzet en welke maatregelen zij kan nemen5.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
De leegloop bij de recherche |
|
Max Aardema (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politiebond vreest «braindrain» door leegloop bij recherche»?1
Ja.
Klopt het dat het capaciteitsprobleem bij de recherche nog groter is dan binnen de reguliere dienst?
Procentueel is de onderbezetting bij de opsporing (peildatum 31-12-2023) relatief groter dan bij de gebiedsgebonden politie, waarop vermoedelijk wordt gedoeld met de term «reguliere dienst». Dit kan uiteraard variëren, bijvoorbeeld per eenheid of per organisatieonderdeel.
In absolute aantallen is de onderbezetting bij de gebiedsgebonden politie (GGP) groter dan bij de opsporing. De gebiedsgebonden politie beslaat dan ook een veel groter gedeelte van het politiepersoneel dan de opsporing. Ik heb het dan over opsporing conform de werksoort opsporing zoals gepresenteerd in de bijlage «Kerncijfers» bij de halfjaarberichten politie. Onder de werksoort opsporing vallen vooral tactisch rechercheurs en forensisch-, digitaal- en finec-specialisten.
Klopt het dat er daardoor op grote schaal onderzoeken niet kunnen worden opgepakt?
De officier van justitie is als bevoegd gezag verantwoordelijk voor het maken van keuzes in de opsporing. Dat zijn per definitie keuzes in schaarste, die gemaakt worden op basis van actualiteit en criminaliteitsbeelden. Op dit moment hebben we te maken met onderbezetting in de opsporing, waardoor die keuzes scherp gemaakt moeten worden.
Hoeveel opleidingsplekken rechercheur/recherchemodules zijn er jaarlijks op de Politieacademies?
Er zijn bij de Politieacademie verschillende mogelijkheden om opgeleid te worden voor het recherchewerk.
Ten eerste kent de basispolitieopleiding voor instromende aspiranten van politie het uitstroomprofiel gebiedsgebonden politiewerk (GGP). Jaarlijks starten in totaal 2.184 aspiranten met de basispolitieopleiding. Na afronding van de basispolitieopleiding volgen startende politiemedewerkers het ontwikkeltraject van start- naar vakbekwaam. Momenteel is de politie dit ontwikkeltraject landelijk aan het uniformeren en verbeteren. Onderdeel van dit ontwikkeltraject wordt veel voorkomende criminaliteit (VVC).
Ten tweede zijn er op de Politieacademie jaarlijks 720 opleidingsplekken beschikbaar voor zij-instromers die expertise en ervaring van buiten inbrengen. Dit zijn veelal hoogopgeleide specialisten die na afronding van een korte politieopleiding aan de slag gaan binnen een gespecialiseerd werkterreinen binnen de opsporing, zoals de financiële recherche en de digitale opsporing.
Ten derde start met ingang van augustus 2024 de instroom in de nieuwe bacheloropleiding rechercheur. Hiervoor zijn in 2025 120 plekken beschikbaar.
Tot slot biedt Politieacademie diverse vervolgopleidingen aan, waarmee zittende politiemedewerkers zich kunnen bekwamen in en voorbereiden in algemeen recherchewerk om daarnaar door te stromen. Het gaat daarbij om een paar honderd opleidingen per jaar, afhankelijk van welke opleidingen we daaronder scharen. Daarnaast organiseert de politie ook zelf in toenemende mate leertrajecten voor zittende politiemedewerkers om door te stromen naar de algemene opsporing.
Hoeveel opgeleide rechercheurs stromen er jaarlijks uit?
Binnen de werksoort opsporing is de in- en uitstroom de afgelopen jaren niet stabiel geweest. In 2023 stroomden er 655 fte van de opsporing de politieorganisatie uit. 460 fte stroomde van de opsporing naar een ander organisatieonderdeel van de politie. Bij elkaar opgeteld is dit een uitstroom van 1115 fte uit de opsporing. In 2023 stroomde er 946 fte de opsporing in. Het grootste gedeelte hiervan is interne doorstroom vanuit de GGP. Het aantal dat meer de opsporing uit- dan instroomde was 169 fte in 2023. In 2022 was het aantal dat meer de opsporing uit- dan instroomde 91 fte. De komende jaren zal de leeftijdsgebonden uitstroom bij de opsporing naar verwachting afnemen.
Welke mogelijkheden zijn er voor zij-instromers; welk traject dienen zij te doorlopen?
Voor zij-instromers zijn er verschillende routes om aan de slag te gaan als rechercheur. Specialistische zij-instromers die een specifieke expertise van buiten meenemen kunnen binnen de opsporing aan de slag op de werkterreinen digitaal, financieel-economisch, zeden, milieu en forensisch. Zij krijgen een verkorte opleiding van 3 tot 6 maanden en zijn daarna voor specifiek dat terrein inzetbaar. Daarnaast start dit jaar aan de Politieacademie de nieuwe bachelor rechercheur voor zij-instromers. Deze bacheloropleiding duurt drie jaar en leidt op tot breed inzetbare rechercheurs.
Wat gaat u eraan doen om dit capaciteitsprobleem bij de recherche op korte- en langere termijn op te lossen?
Om een aantrekkelijke werkgever te blijven voor nieuw en zittend personeel heeft de politie een arbeidsmarktstrategie. Hierover heb ik u uitgebreid geïnformeerd in mijn brief van 8 juni 20232 en in het tweede halfjaarbericht politie van 20233. Onderdeel van de arbeidsmarktstrategie is onder andere om te kijken naar andere vormen van instroom bij de recherche. Tevens hebben de vorige kabinetten capaciteitsuitbreidingen van de opsporing mogelijk gemaakt door de formatie uit te breiden. Op de langere termijn zal dit voor meer capaciteit voor de opsporing zorgen.
Het bericht ‘Geen straf voor milieuactivisten die Meisje met de parel besmeurden: te ingrijpend, zegt hof’ |
|
Claire Martens-America (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Gräper-van Koolwijk |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geen straf voor milieuactivisten die Meisje met de parel besmeurden: te ingrijpend, zegt hof?»1
Ja
Deelt u de mening dat besmeuring van erfgoed volstrekt onacceptabel is? Deelt u tevens de vrees dat het niet bestraffen van besmeuring kan leiden tot meer van zulke incidenten?
Elke vorm van vernieling vind ik verwerpelijk en onacceptabel. Het Hof heeft de actie strafbaar geacht en de actievoerders hebben 23 dagen vastgezeten in voorarrest. Hiermee is een duidelijk signaal gegeven dat vernielingen (ook niet onder het mom van een demonstratie) niet zonder gevolg zullen blijven.
Hoe vaak wordt artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toegepast om een dader die zich schuldig maakt aan een strafbaar feit geen straf op te leggen? Kunt u een overzicht geven per delict?
Hieronder een overzicht per jaar van het aantal misdrijfzaken met het eindvonnis schuldigverklaring zonder oplegging van straf in eerste aanleg en in hoger beroep.
Uit de systemen van de Rechtspraak kan geen overzicht per delict worden weergeven.
Aantal misdrijfzaken met eindvonnis schuldigverklaring zonder oplegging van straf naar jaar afdoening door de rechter in 1e aanleg:
Aantal misdrijfzaken met eindvonnis schuldigverklaring zonder oplegging van straf naar jaar afdoening in hoger beroep:
Toelichting bij de cijfers
Bron: PSK en NIAS-MI, datum raadpleging 25-3-2024
Krijgen de verdachten, nu zij geen straf krijgen en wel in voorarrest hebben gezeten, een schadevergoeding? Zo ja, wat is hiervan de hoogte?
Artikel 533 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bepaalt in welke gevallen een schadevergoeding wegens (ten onrechte) ondergaan voorarrest kan worden verzocht, en wat in dergelijke gevallen geldt als «schade» die voor vergoeding in aanmerking komt. Behalve dat sprake moet zijn van een geval in de zin van dit artikel, moet ook sprake zijn van gronden van billijkheid om een vergoeding toe te wijzen. Het verzoek moet binnen drie maanden na beëindiging van de zaak worden ingediend. In deze concrete zaak heeft het Hof Den Haag op 11 maart 2024 uitspraak gedaan. Op het moment van navragen (25 maart 2024) hebben de verdachten nog geen verzoek tot schadevergoeding ingediend. Nu bovengenoemde termijn nog niet is verstreken kan zo’n verzoek nog binnenkomen. Het is aan de rechter om in een concrete zaak te oordelen of een dergelijk verzoek moet worden ingewilligd en, zo ja, wat de hoogte van de vergoeding is.
Hoe beoordeelt u het «chilling effect» op de vrijheid van meningsuiting dat volgens de rechter uitgaat van bestraffing van vernieling en hoe verhoudt zich dit tot de zinsnede «behoudens zijn verantwoordelijkheden volgens de wet» uit artikel 9 lid 1 van de Grondwet?
Het is niet aan mij als Minister om te treden in een uitspraak van de rechter.
Kunt u aangeven of het Openbaar Ministerie (OM) van plan is om cassatie in te stellen tegen de uitspraak?
Het OM heeft geen cassatie ingesteld. Het Hof heeft het feit bewezenverklaard en ook strafbaar geoordeeld. Bij de Hoge Raad kijken de rechters niet meer inhoudelijk naar feiten en bewijs, maar naar de toepassing van het recht, het volgen van de gerechtelijke procedure en de motivatie van de uitspraak. Het OM zag geen mogelijkheden in cassatie.
Worden de kosten die het museum gemaakt heeft om de glasplaat en de lijst van het schilderij te herstellen, verhaald op de daders? Zo nee, waarom niet?
In beginsel ben ik van mening dat de kosten van vernielingen altijd door de daders vergoed zouden moeten worden.
Het Mauritshuis is echter een onafhankelijke privaatrechtelijke instelling aan wie het beheer en behoud van de rijkscollectie is toevertrouwd. Veiligheidszorg is onderdeel van dit beheer en behoud. Ik heb er vertrouwen in dat het Mauritshuis een weloverwogen afweging maakt in het al dan niet verhalen van de kosten op de daders.
Welke stappen zijn reeds ondernomen om te zorgen dat erfgoed beschermd wordt tegen vernieling? Welke stappen bent u voornemens te zetten?
Naar aanleiding van het incident met het Meisje met de Parel zijn er in de sector gesprekken geweest en zijn de veiligheidsprotocollen aangescherpt. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed organiseerde daarnaast samen met het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed FARO twee bijeenkomsten over collectieveiligheid en protestacties. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft voorts met vertegenwoordigers van de cultuursector, waaronder ook de Museumvereniging, gesproken over wat nodig is om te zorgen dat artiesten, kunstenaars en culturele instellingen veilig hun werk kunnen doen. Om te verzekeren dat bij een verstoring snel en adequaat kan worden opgetreden, spraken we af dat partijen in de cultuursector samen een algemene handreiking en specifieke protocollen per type culturele instelling opstellen. Belangrijk is daarbij dat culturele organisaties wanneer nodig snel toegang hebben tot de lokale politie, burgemeester en officier van justitie (de driehoek). Uit het gesprek bleek dat dit met name voor kleinere organisaties nog niet altijd het geval is. Ik zal in overleg treden met de VNG om te verzekeren dat de toegang tot de driehoek gewaarborgd is.
Elk geregistreerd museum heeft bovendien een individueel beveiligingsplan. Erfgoedwetmusea stellen bijvoorbeeld integrale veiligheidsplannen op conform de Erfgoedwet en de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen. Musea maken de veiligheidsmaatregelen die zij treffen om veiligheidsredenen echter niet openbaar. Ik kan daar dan ook niet verder op ingaan. De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed houdt toezicht op de kwaliteit van deze plannen en heeft contact met de musea in Nederland. De musea hebben hun beveiliging in het algemeen gelukkig goed op orde. Ik zie daarom geen aanleiding om aanvullende stappen te zetten.
Deelt u de noodzaak om in gesprek met museumdirecteuren te bezien hoe de gevolgen van ordeverstorende acties en vernielingen kunnen worden voorkomen? Zo ja, ben u bereid dit gesprek te voeren?
Zoals genoemd in ons antwoord op vraag 8 zijn het Ministerie van OCW en de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed doorgaand met de musea in gesprek en heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanvullend met vertegenwoordigers uit de culturele sector gesproken over de omgang met ordeverstoringen zodat de veiligheid zo goed mogelijk kan worden gewaarborgd. Bovendien hebben musea hun beveiliging over het algemeen goed op orde. De noodzaak tot aanvullende gesprekken zie ik daarom niet.
Wat heeft u afgesproken met musea en andere culturele instellingen over hoe om te gaan met demonstraties en potentiële vernielingen aan de collectie? Wat is de verantwoordelijkheid dan wel bevoegdheid van de musea c.q. culturele instellingen?
Zie hier ook het antwoord op de vragen 7 en 8. Musea en culturele instellingen in het algemeen zijn zelf verantwoordelijk voor veiligheidszorg. De beveiligings- en veiligheidsplannen van musea worden doorgaans opgesteld op basis van risicoanalyses, waarin alle bestaande risico’s op schade worden meegenomen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het OM over het moderniseren van de OM-richtlijn over vernieling, zodat het OM bij daders die cultureel erfgoed uit onze musea vernielen, standaard een hogere (bijv. 300%) straf zal eisen dan bij vernieling van «gewone spullen»? Zo nee, waarom niet?
Een officier van justitie of advocaat-generaal heeft op grond van de wet en de Aanwijzing kader voor strafvordering van meerderjarigen voldoende mogelijkheden om een op de situatie toegesneden en passende straf te eisen. Ik zie geen noodzaak om het OM te vragen de richtlijn aan te passen.
Kunt u een stand van zaken geven van de uitvoering van de motie Michon c.s.2 over het wettelijk kader van demonstraties en de toegezegde kabinetsbrief over demonstraties?
Naar verwachting wordt deze brief, waarin ik en mijn collega van BZK ook ingaan op uw motie, in de maand april naar de Kamer wordt gezonden.
De documentaire ‘Jehovah – Van God Los’ over seksueel misbruik in de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen, harde uitsluiting uit de gemeenschap en zelfs suïcides |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de documentaireserie «Jehova – Van God Los» waarin ex-Jehovah’s getuigen spreken over manipulatie, misbruik en uitsluiting bij de Christelijke gemeente van Jehovah’s getuigen en de diepe trauma’s die ze daardoor hebben opgelopen?1
Ja, ik ben bekend met de documentaireserie «Jehovah – Van God Los».
Wat vindt u van de verhalen van de ex-Jehovah’s getuigen over hun ervaringen met seksueel misbruik binnen de gemeenschap en hoe die meldingen intern zijn afgehandeld?
De verhalen van de ex-Jehovah’s Getuigen die in de documentaire aan het woord komen over seksueel misbruik zijn erg aangrijpend. Het getuigt van moed dat deze mensen zich kwetsbaar durven op te stellen voor de camera en hun persoonlijke ervaringen delen. Seksueel misbruik vormt een zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en kan daarmee een enorme impact hebben. Het risico op impact is nog groter als de dader ongestoord zijn gedrag kan voortzetten en het slachtoffer geen steun krijgt. De verhalen van de slachtoffers die naar voren zijn getreden in de documentaire laten zien dat zij zich onvoldoende erkend en ondersteund voelen door de manier waarop de gemeenschap is omgegaan met meldingen over seksueel misbruik.
Erkent u dat er sprake is van «mandated shunning' binnen de gemeenschap van Jehova's getuigen in Nederland waarbij alle contacten met een ex-Jehova ongeacht familiebanden moeten worden verbroken, een vorm van sociaal doodverklaren? Hoe kijkt u naar de vele mentale problemen, depressies en zelfs de gevallen van suïcidaliteit, die deze praktijk van shunning teweeg brengt?
Ik heb op 14 december 2023 uw Kamer het rapport «Een verkennend onderzoek naar uitsluiting van ex-leden door religieuze gemeenschappen» van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) aangeboden samen met mijn beleidsreactie.2 De resultaten van dit onderzoek bieden geen inzicht in de vraag of het fenomeen uitsluiting daadwerkelijk is geformaliseerd binnen religieuze gemeenschappen en of wordt opgeroepen tot «mijden» (ook wel aangeduid als «shunning»). Wel blijkt net als in de documentaire dat het een enorme impact kan hebben op individuen als zij buiten hun religieuze gemeenschap komen te staan. Het is schrijnend om te zien dat dit verdergaat dan alleen het verlies van een geloofsgemeenschap; het raakt aan fundamentele aspecten van hun identiteit, sociale netwerken en emotionele welzijn. Dit geeft mij aanleiding om gerichter in te zetten op hulp en ondersteuning aan deze doelgroep, zoals verder toegelicht in mijn antwoord op vraag 12.
Ziet u dat vanwege het sterk gesloten karakter van de Jehovah’s getuigen veel misstanden onder de pet worden gehouden waardoor slachtoffers van misstanden nauwelijks gehoord en gezien worden?
Ongeacht de interne procedures van een religieuze gemeenschap, moeten slachtoffers in alle gevallen de mogelijkheid hebben om binnen het Nederlandse rechtssysteem aangifte te doen van misdrijven zodat opsporing en vervolging kan plaatsvinden en zij passende hulp en ondersteuning krijgen. Van elk bestuur van een organisatie, zo ook de Christelijke gemeente van Jehovah’s Getuigen, verwacht ik dat zij alles in het werk stelt om seksueel misbruik tegen te gaan en slachtoffers te ondersteunen. Dit geldt in het bijzonder waar het kinderen betreft.
Het interne rechtssysteem binnen de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen is geen vervanging van het strafrechtelijke of burgerlijke rechtssysteem en ouderlingen zijn ook geen vervanging van professionele hulpverleners. In het eerder uitgevoerde onderzoek naar «Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen» en de beleidsreactie daarop3, komt naar voren dat problemen in de afhandeling van meldingen van seksueel misbruik volgens de respondenten verband hebben met de gesloten cultuur van de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen. Daarnaast blijkt dat er redenen zijn om aan te nemen dat het doen van aangifte wordt bemoeilijkt door het gesloten karakter van de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen en het risico dat het naar buiten treden met zich meebrengt voor het slachtoffer. Uit zowel de documentaire als het onderzoek komt naar voren dat ouderlingen van de gemeenschap sterk gericht zijn op het bijeenhouden van de gemeenschap door pleger en slachtoffer weer met elkaar te laten verzoenen. Het gevolg hiervan is dat slachtoffers hernieuwd slachtofferschap ervaren. Slachtoffers voelen zich onvoldoende gehoord, gestigmatiseerd en geïsoleerd.
Wat vindt u van het interne rechtssysteem dat binnen de gemeenschap van Jehovah’s getuigen bestaat, waarin slachtoffers bij drie «wijzen» (Ouderlingen) zaken zoals misbruik moeten aankaarten?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u ervan dat de organisatie naar buiten toe wel uitdraagt dat iedereen zich moet houden aan de wetten van het land, maar intern «wereldse instanties» als politie en justitie wegzet als werktuigen van Satan en hoe beziet u getuigenissen van slachtoffers, die opgedragen werden geen aangifte te doen bij «wereldse instanties»?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u het ook niet wrang dat veel getuigenissen over seksueel misbruik intern zijn genotuleerd en bewaard, maar dat slachtoffers die dossiers, die dus over hun eigen persoonlijke leven gaat, niet volledig te zien krijgen?
Om de rechten en het welzijn van individuen te beschermen, is het waarborgen van privacywetgeving van groot belang, vooral bij gevoelige inhoud zoals deze. Ook kerkgenootschappen4, zoals de Christelijke gemeente van Jehovah’s Getuigen, vallen onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Dit houdt in dat zij zich dienen te houden aan de geldende privacyregels. Volgens de AVG hebben leden van een kerkgenootschap onder meer recht op inzage in hun persoonsgegevens; iedereen van 16 jaar of ouder kan op grond van artikel 15 van de AVG een verzoek doen om inzage te krijgen in de persoonsgegevens die over hem zijn verwerkt. Persoonsgegevens die betrekking hebben op anderen kunnen niet ingezien worden. Ditzelfde geldt voor andere rechten zoals het recht op rectificatie van persoonsgegevens, of het wissen van de gegevens. Als de verwerking heeft plaatsgevonden op grond van toestemming, dan mag de betrokkene van 16 jaar en ouder deze ten alle tijden intrekken. Als een betrokkene het op basis van de inzage in de persoonsgegevens niet eens is met hoe een organisatie met diens (eigen) persoonsgegevens omgaat en men er niet samen met de organisatie uitkomt, kan een klacht ingediend worden bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Hiervoor is schriftelijk bewijs nodig dat de klacht eerder bij de organisatie zelf is ingediend. Over een beslissing van de gemeenschap kan, indien de betrokkene het hiermee niet eens is, ook een verzoekschrift worden ingediend bij de rechtbank.
Vindt u het eveneens ook onbestaanbaar dat deze documenten op basis van een zeer ruime inbeslagname en vervolgens door de interpretatie van het verschoningsrecht niet gebruikt konden worden door Justitie om daders op te sporen en te berechten? Wat zijn nu nog de mogelijkheden om selectiever documenten in beslag te nemen (door het Openbaar Ministerie) waardoor een beroep op het verschoningsrecht niet zal slagen?
Het verschoningsrecht is een fundamenteel rechtsbeginsel waarmee wordt geborgd dat iedereen vrije toegang heeft tot een verschoningsgerechtigde en daarmee in vrijheid kan communiceren. In de strafzaak waar in de vraag op wordt gedoeld, zijn stukken in beslag genomen bij ouderlingen van de Jehovah’s Getuigen. De ouderlingen stelden dat hiermee hun verschoningsrecht werd geschonden en zijn hierover een procedure gestart. De Hoge Raad heeft in 2021 geoordeeld dat ouderlingen van de Jehovah’s Getuigen in uitzonderlijke gevallen zo intensief betrokken kunnen zijn bij de geestelijke zorg aan een gemeentelid dat ze aanspraak kunnen maken op het verschoningsrecht. De beoordeling van omvang en de reikwijdte van de aanspraak op dit verschoningsrecht die de ouderlingen in deze specifieke zaak zeggen te hebben, is onderdeel van de thans lopende strafzaak.5 Aangezien die zaak nog onder de rechter is, kan ik hier als Minister niet verder op ingaan.
Bent u het met mij eens dat als het gaat om de gemeenschap van Jehovah’s getuigen, zolang zij zich bevinden in Nederland, zij niet boven de wet staan en individuen voor misdrijven moeten worden berecht?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om te kijken naar een recente uitspraak in hoger beroep uit Noorwegen waarin de beschermde status als religieuze instelling wordt afgepakt vanwege de praktijk van shunning? In hoeverre kan dit ook in Nederland plaatsvinden, bijvoorbeeld waar het gaat om de ANBI-status (algemeen nut beogende instelling)? Wat is er mogelijk op dit gebied?
Zoals uit het WODC-onderzoek naar uitsluiting blijkt, heeft Noorwegen een ander systeem dan Nederland. In tegenstelling tot Nederland krijgt elke (erkende) religie staatssteun in Noorwegen. De Noorse regering heeft de wettelijke registratie van Jehovah’s Getuigen als religie ingetrokken waardoor de gemeenschap niet langer financiële steun van de staat ontvangt.
Om in Nederland als ANBI te worden beschouwd, moet een organisatie (onder andere) uitsluitend of bijna uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut nastreven. De term «algemeen nut» is neutraal gedefinieerd in de wet en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dit is een belangrijk kenmerk van de ANBI-regelgeving, maar het kan soms ongemakkelijk voelen wanneer het gedrag van een organisatie met ANBI-status in strijd lijkt te zijn met gangbare maatschappelijke waarden en opvattingen. Dit komt echter voort uit het neutrale karakter van de ANBI-regelgeving. Het kabinet vindt het belangrijk dat burgers die zich willen inzetten voor maatschappelijke doelen voldoende keuze hebben en ook kunnen bepalen welke activiteiten van organisaties met ANBI-status zij wenselijk vinden. Tegelijkertijd vindt het kabinet het belangrijk om zich uit te spreken over wat het kabinet als wenselijk maatschappelijk gedrag ziet en dit uit te dragen. Daarom wordt op verschillende manieren gewerkt aan het tegengaan van ongewenst gedrag door maatschappelijke organisaties, ook die met een ANBI-status. De grens van de vrijheid van een organisatie met ANBI-status om hun doelen na te streven, ligt bij overtreding van de wet (of daar waar toepassing van de integriteitstoets binnen de ANBI-regeling in beeld komt) of wanneer een instelling door de rechter verboden wordt. Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of handelingen die simpelweg niet aansluiten bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het «algemeen nut» zijn geen redenen om een instelling de ANBI-status te ontnemen.
Bent u bereid om een vervolgonderzoek te laten uitvoeren na het eerdere onderzoek over het fenomeen uitsluiting, waarbij dan niet alleen wordt gekeken naar wat de gemeenschap hier zelf over zegt, maar juist naar wat er in de praktijk echt gebeurt, dus naar het verschil tussen de realiteit voor mensen binnen de gemeenschap en de boodschap hierover naar buiten toe?
Het WODC-onderzoek naar uitsluiting heeft voldoende inzichtelijk gemaakt wat de werkelijke impact van uitsluiting is op uitgeslotenen van de Christelijke gemeente van Jehovah’s Getuigen en andere religieuze gemeenschappen, en welke hulpbehoeften hieruit ontstaan. Vervolgonderzoek op dit punt acht ik daarom niet nodig. Wel ben ik voornemens onderzoek te starten naar «passende terminologie en voorwaarden voor goede hulpverlening aan uittreders van dwingende groepsculturen». Het vermijden van onjuiste of stigmatiserende terminologie en het streven naar hulp die aansluit bij de leefwereld en behoeften van uittreders van dwingende groepsculturen, waaronder ook personen die uitgesloten zijn, draagt bij aan effectievere hulpverlening aan deze doelgroep. De uitkomsten van onderzoek kunnen dan ook worden ingezet voor het online advies-, hulp- en kennisplatform wat op dit moment wordt ingericht. Zie daarvoor ook het antwoord op vraag 12.
Wat bent u van plan om te ondernemen naar aanleiding van deze schokkende documentaire, ter bescherming van ex-Jehovah’s getuigen en mensen die nu nog in de gemeenschap zitten?
Mede op basis van relevante uitkomsten over hulpbehoeften in het WODC-onderzoek naar uitsluiting ben ik reeds tot een overeenkomst gekomen met stichting Fier om een online advies-, hulp- en kennisplatform inzake dwingende groepsculturen in te richten.6 Zo komt er één herkenbaar punt voor hulp en doorverwijzing voor slachtoffers van misstanden binnen dwingende groepsculturen en personen die overwegen uit een gemeenschap te treden of al zijn uitgetreden. Hier kunnen ook (ex-)leden van de Christelijke gemeente van Jehovah’s Getuigen terecht. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie van het lid Van Nispen7 voor zover het gaat om wat er concreet gedaan kan worden voor slachtoffers van deze misstanden van misbruik en uitsluiting.
Om inzichtelijk te krijgen of binnen religieuze gemeenschappen, waaronder de Christelijke gemeente van Jehovah’s Getuigen, in de afgelopen jaren protocollen, voorlichting en regels zijn opgesteld of aangescherpt met als doel om seksueel (kinder)misbruik te voorkomen, heb ik het WODC ook gevraagd onderzoek te doen naar de omgang met seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen religieuze gemeenschappen. Het onderzoek, dat in 2023 gestart is, beoogt een beeld te geven van de visie op en omgang met seksueel misbruik binnen een religieuze context en in kaart te brengen welke factoren hiermee samenhangen. Naar verwachting loopt het onderzoek tot eind dit jaar en wordt het rapport in het voorjaar van 2025 opgeleverd. De inzichten uit dit onderzoek kunnen helpen om geloofsculturen beter te duiden en op basis daarvan te werken aan een goede aanpak.
Bent u bereid om onderzoek te doen naar de mogelijkheden waarop er wel sprake kan zijn van onderzoek naar en vervolging van strafbare feiten binnen de gemeenschap van Jehovah’s getuigen?
Eerder heeft uw Kamer bij motie van het lid Helder (PVV) op 25 januari 2023 verzocht de invoering van een wetsartikel te onderzoeken waarin het wegkijken en niet ingrijpen door omstanders binnen instituties in geval van seksueel misbruik en/of geweld strafbaar wordt gesteld.8 Achtergrond van de motie wordt gevormd door de rapporten die zijn verschenen waaruit seksueel misbruik en/of geweld is gebleken binnen onder andere de kerk. In haar beleidsreactie van 6 maart 2023 heeft de Minister van Justitie en Veiligheid benoemd dat er in het strafrecht reeds verschillende mogelijkheden bestaan om omstanders die wegkijken bij seksueel misbruik strafrechtelijk aan te pakken, bijvoorbeeld bij verkrachting. Dit wordt nog verruimd met de Wet seksuele misdrijven, die per 1 juli 2024 in werking treedt. Daarnaast kan het in een hulpeloze toestand brengen of laten van een persoon strafbaar worden gesteld, wanneer de pleger tot verzorging van het kind verplicht is. Hieronder kunnen verkrachting en aanranding vallen. Hierbij moet sprake zijn geweest van een concreet gevaar voor het hulpbehoevende kind.
Uit eerder onderzoek is gebleken dat uitbreiding van de bestaande strafbaarstellingen, zoals verruiming van de bestaande strafvorderlijke aangifteplicht en bijbehorende strafbaarstelling, niet wenselijk blijkt te zijn.9 Dit zou indruisen tegen de autonomie van slachtoffers om zelf naar buiten te treden met hun verhaal en het handelingsperspectief van hulpverleners, wanneer zij altijd aangifte moeten doen, ook wanneer andere hulpverlening passender is. Naar aanleiding van het commissiedebat Seksueel geweld en kindermisbruik van 6 maart 2024 is de Minister van Justitie en Veiligheid voornemens nogmaals na te gaan of de huidige strafbaarstellingen voldoende zijn. Hierover wordt uw Kamer geïnformeerd in de Voortgangsbrief Seksueel geweld en kindermisbruik, die zomer 2024 aan uw Kamer wordt gezonden.
Bent u bereid opnieuw te bezien of deze vormen van keiharde uitsluiting, verstoting of zelfs sociaal doodverklaren niet als een vorm van mishandeling kan worden gezien? Zo niet, bent u dan bereid dit toe te voegen in het Wetboek van Strafrecht als een vorm van psychische mishandeling?
Zoals ik eerder heb toegelicht in mijn beleidsreactie op het onderzoek naar uitsluiting, kan uitsluiting in principe in elke sociale situatie plaatsvinden, waardoor afbakening ervan vrijwel onmogelijk is. Het maken van een juridisch bruikbare definitie is gelet hierop niet reëel. Daarnaast zijn in het rechtsvergelijkend onderzoek geen aanwijzingen gevonden dat sprake is van een leemte in de strafwetgeving. In Nederland geldt dat bepaalde schadelijke praktijken die gepaard kunnen gaan met een uitsluitingshandeling al strafbaar zijn of via het civiele recht kunnen worden aangepakt. Discriminatie, dwang en opruiing zijn voorbeelden van strafrechtelijke gedragingen die in de context van uitsluiting kunnen optreden. Bovendien mag de staat een religieuze gemeenschap niet verplichten om nieuwe leden toe te laten of leden niet uit te sluiten. Religieuze gemeenschappen zijn autonoom in het bepalen van de interne organisatie en rechtsstructuur en mogen die overeenkomstig hun religieuze opvattingen invullen. Strafrechtelijke maatregelen om specifiek uitsluiting binnen religieuze gemeenschappen te voorkomen, liggen dan ook niet voor de hand.10
Het bericht ‘Samidoun-kopstuk naar Amsterdam: club riep op ’Europa te verslaan met kalasjnikovs, raketten en kogels’’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Samidoun-kopstuk naar Amsterdam: club riep op «Europa te verslaan met kalasjnikovs, raketten en kogels»»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat hier sprake kan gaan zijn van extremistische uitingen die ondermijnend zijn aan de democratische rechtsorde en daarom een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid?
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat er in onze open samenleving geen ruimte en tolerantie is voor extremistische uitingen, zoals haatzaaien opruiing en aanzetten tot geweld. Deze uitingen zijn ondermijnend aan de democratische rechtsorde en kunnen een bedreiging vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid.
De IND baseert zich bij de beoordeling of een vreemdeling een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid is, op de beschikbare informatie, zoals een duiding van de NCTV, een ambtsbericht van de AIVD of een oordeel over de openbare orde door politie en/of de lokale driehoek. Op basis van de beschikbare informatie is er in deze zaak onvoldoende grond om te concluderen dat het persoonlijk gedrag van betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
In algemene zin geldt dat waar personen naar Nederland komen om hier extremistisch gedachtengoed te verspreiden het kabinet er alles aangelegen is om deze personen te weren. Zo is uw Kamer op 25 oktober 2023 geïnformeerd over het versterken van de maatregel om extremistische vreemdelingen uit Nederland te weren.4 Het weren uit Nederland kan plaatsvinden door een visum voor kort verblijf te weigeren als een vreemdeling visumplichtig is. Niet-visumplichtige derdelanders kunnen ook geweerd worden, bijvoorbeeld door hen te signaleren in het Schengeninformatiesysteem (SIS II) of door een ongewenstverklaring op te leggen, bijvoorbeeld als zij een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Bij EU-burgers en vreemdelingen die langdurig ingezetene zijn van een lidstaat geldt dat het weren pas mogelijk is als het persoonlijk gedrag van de betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
Waar grenzen in ons land worden overschreden, treedt de overheid op. Aanjagers die anderen aanzetten tot geweld, bewust extremistische boodschappen verspreiden en tot doel hebben deze te normaliseren, worden aangepakt. Zo zijn gemeenten en andere lokale professionals getraind in het herkennen van signalen van mogelijke radicalisering en kunnen gerichte interventies worden ingezet. Indien er sprake is van strafbare feiten, wordt er door politie, onder gezag van het Openbaar Ministerie, indien opportuun, opgetreden.
Klopt het dat het betreffende lid van de verboden terroristische organisatie Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP) visumvrij door Europa reist? Klopt het dat er nog geen inreisverbod is opgelegd? Waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt het verschaffen van toegang voor deze man zich tot de brief van 25 oktober jongstleden die zag op het versterken van de aanpak van extremistische sprekers en de positie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) hierin, en tot de aangenomen motie van het lid Diederik van Dijk en de mogelijkheid om haat- en angstzaaiers te weren?2, 3
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u mogelijkheden om de het PFLP-lid een inreisverbod op te leggen? Zo ja, gaat u dat doen?
Zie antwoord vraag 2.
Indien dit niet mogelijk is, ziet u andere mogelijkheden – zoals bijvoorbeeld een gebiedsverbod – om te voorkomen dat het betreffende Samidoun-kopstuk vrijdag kan opereren en treedt u hiertoe ook in overleg met de burgemeester van Amsterdam? Hoe wordt daarnaast voorkomen dat dit Samidoun-kopstuk ook op andere plekken in Nederland opereert?
Naar aanleiding van de berichtgeving is er nauw contact geweest tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de gemeente en veiligheidsdiensten om de mogelijke risico’s van de komst van deze spreker en handelingsperspectieven in kaart te brengen. Vooropstaat dat er zowel in Amsterdam als op andere plekken in Nederland absoluut geen plaats is voor extremisme dan wel antisemitisme. De gemeente Amsterdam heeft zorgen uitgesproken over de komst van spreker richting de NCTV en beheerder van de locatie waar de bijeenkomst plaatsvindt. Gelet op de beschikbare informatie waar de beslissing van de IND op is gebaseerd, de bijeenkomst besloten en binnen is en lokale driehoek op dit moment geen informatie heeft die direcnte aanleiding geeft tot een vrees voor wanordelijkheden, maakt dat lokaal op grond van de openbare orde en veiligheid geen maatregelen ten aanzien van de bijeenkomst en spreker, zoals het opleggen van een gebiedsverbod, kunnen worden genomen. Gezien de actualiteiten zal de lokale driehoek vanzelfsprekend alert zijn op eventuele wanordelijkheden bij deze bijeenkomst.
Bent u bereid een klemmend beroep te doen op het Dokhuis in Amsterdam om dit evenement niet door te laten gaan?
Zie antwoord vraag 6.
Welke regelgeving is van toepassing voor de stichting die dit organiseert?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om de in Duitsland verboden beweging Samidoun, welke een mantelorganisatie is van de op de EU-terreurlijst geplaatste PFLP, te verbieden?
In Nederland kan een verzoek tot verbodenverklaring op grond van artikel 2:20 BW worden gedaan door het Openbaar Ministerie aan de rechtbank. Hierbij moet het gaan om een organisatie waarvan het doel in strijd is met de openbare orde en is het vereist dat de organisatie een rechtspersoon is naar Nederlands recht. Of dit het geval is, is het kabinet niet bekend. Het is aan het Openbaar Ministerie, niet aan het kabinet, om zich uit te spreken over de vraag of er in casu aanleiding bestaat om een dergelijk verzoek te doen.
Welke maatregelen neemt u om het inreizen van leden van terroristische organisaties in de toekomst te beletten? Kunt u hierbij onderscheid maken tussen visumplichtig en visumvrij reizen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen uiterlijk donderdag 14 maart 2024 beantwoorden?
Het kabinet heeft de genoemde vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het artikel ‘GGz Breburg wil verder met mentale gezondheidscentra, maar het systeem stokt’ |
|
Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «GGz Breburg wil verder met mentale gezondheidscentra, maar het systeem stokt»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het verkennend gesprek binnen mentale gezondheidscentra zoals benoemd in het artikel een mooi instrument is als voorbeeld van passende zorg zoals in het Integraal Zorgakkoord (IZA) afgesproken?
Ja, deze mening deel ik. In het verkennend gesprek wordt vanuit verschillende invalshoeken naar de persoon en zijn of haar hulpvraag gekeken. Op deze manier kan de persoon met professionals uit de ggz en het sociaal domein bespreken welke ondersteuning en/of zorg past bij de hulpvraag die hij of zij heeft. Hierdoor kan deze persoon sneller en effectiever naar passende zorg of ondersteuning worden toegeleid. Belangrijk om op te merken is dat het verkennend gesprek niet alleen kan leiden tot meer passende zorg, maar ook kan leiden tot een geschikt ondersteuningsaanbod vanuit het sociaal domein.
In hoeverre kunnen verkennende gesprekken via het ggz-kader en sociaal domein worden gefinancierd?
De inzet van ggz-professionals kan worden gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw). In 2024 kunnen zorgaanbieders en zorgverzekeraars gebruik maken van de reeds bestaande facultatieve prestatie in het zorgprestatiemodel. Hiervoor moeten zij een gezamenlijke aanvraag doen bij de NZa. Over het doen van deze aanvraag zijn bestuurlijke afspraken gemaakt met de Nederlandse ggz en Zorgverzekeraars Nederland.
Voor 2025 streef ik naar een aparte prestatie voor de inzet van ggz-professionals binnen het verkennend gesprek. Over de wijze waarop dit het beste vormgegeven kan worden ontvang ik op korte termijn advies van de NZa. Om de bekostiging per 2025 te regelen streef ik ernaar om zo snel mogelijk een aanwijzing aan de NZa voor te hangen bij beide Kamers.
De inzet van professionals uit het sociaal domein kan nu al worden bekostigd door gemeenten op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
Deelt u de mening dat deze gesprekken ook in 2024 plaats moeten kunnen vinden en er geen «gat ontstaat» dit jaar in dit goede initiatief? Klopt het dat IZA-transitiemiddelen niet in alle gevallen ingezet kunnen worden om verkennende gesprekken tijdelijk te financieren? Zo ja, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik. Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 3 zijn er voor 2024 (en verder) afspraken gemaakt over de bekostiging.
De transformatiemiddelen kunnen worden ingezet conform de aanwijzing2 van 9 oktober 2023 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de prestatie impactvolle transformaties. Zoals ook is aangeven in de voorhangbrief aan uw Kamer over de prestatie impactvolle transformaties3 kunnen transformatiemiddelen worden ingezet voor de (incidentele) kosten van impactvolle transformaties in het kader van het IZA. Deze kunnen dus niet worden ingezet voor patiëntgebonden zorg, zoals de inzet van de ggz-professional in het verkennend gesprek. Patiëntgebonden zorg dient te worden gefinancierd uit de reguliere premiemiddelen. Over de kaders hiervoor zijn afspraken gemaakt in het IZA.
Partijen kunnen aanspraak maken op de transformatiemiddelen door een transformatieplan in te dienen bij de marktleidende zorgverzekeraar. De betreffende zorgverzekeraars beoordelen dit transformatieplan vervolgens aan de hand van het met alle IZA-partijen vastgestelde beoordelingskader4.
Bent u bereid de betrokken partijen op korte termijn tot spoed te manen te komen tot een passende oplossing zodat dit mooie initiatief voortgang kan vinden?
Ja. Om deze reden heb ik de bekostiging van het verkennend gesprek in 2024 ook al op bestuurlijk niveau besproken. Daarnaast span ik me maximaal in om – in overleg met de veldpartijen – zo snel mogelijk alle benodigde stappen te zetten voor de bekostiging met een aparte prestatie van de ggz-professional in het verkennend gesprek per 2025.
Bent u bereid deze vragen binnen 2 weken te beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Geen straf voor mannen die zich vastlijmden bij 'Meisje met de parel' |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Gräper-van Koolwijk |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Geen straf voor mannen die zich vastlijmden bij «Meisje met de parel»»1 , «Kunstbekladders vrijuit: goed nieuws voor andere klimaatactivisten?»2 en «Activist vernielt portret van voorvechter Joodse staat aan de Universiteit van Cambridge»?3
Ja.
Wat vindt u ervan dat deze cultuurbarbaren door het Hof strafverlichting hebben gekregen ten opzichte van het vonnis van de politierechter?4 Bent u van mening dat sprake was van vreedzaam demonstreren nu het Hof duidelijk heeft vastgesteld dat sprake is geweest van vernielingen en het nemen van onaanvaardbare risico’s?
De rechtspraak is onafhankelijk. Ik acht het niet verstandig om vanuit mijn positie rechterlijke uitspraken te becommentariëren. Wel hecht ik eraan te benadrukken dat ik elke vorm van vernieling verwerp en onacceptabel vind. Ik constateer dat het Hof het toebrengen van schade aan cultureel erfgoed in dit geval strafbaar heeft geacht.
Hoeveel kosten heeft het Mauritshuis moeten maken als gevolg van deze actie, waaronder in ieder geval begrepen herstelkosten, gederfde inkomsten en compensatie van bezoekers? Vindt u ook dat de kosten van deze onrechtmatige daad op de daders verhaald zouden moeten worden en bent u bereid het museum hierbij te ondersteunen?
Het Mauritshuis heeft laten weten dat geen sprake was van gederfde inkomsten omdat het museum ondanks de actie gewoon open bleef. Er is wel restitutiegeld uitgekeerd aan bezoekers die speciaal voor het Meisje met de Parel naar het Mauritshuis waren gekomen, maar de dag na de actie nog niet te zien was.
Erfgoedwetmusea als het Mauritshuis zijn onafhankelijke privaatrechtelijke instellingen aan wie het beheer en behoud van de rijkscollectie is toevertrouwd. Veiligheidszorg is daar ook onderdeel van. Ik heb er vertrouwen in dat het museum zelf een weloverwogen afweging maakt in het al dan niet verhalen van de herstelkosten op de daders.
Deelt u de zorg dat de uitspraak van het Hof als aanmoediging kan worden opgevat om tot goed georganiseerd wangedrag en vernielingen over te gaan, zoals blijkt uit de opgetogen reactie van Just Stop Oil?5 Welke inzet pleegt u om verdere misstanden te voorkomen?
Nee. Het Hof heeft de actie strafbaar geacht en de actievoerders hebben 23 dagen vastgezeten in voorarrest. Hiermee is een duidelijk signaal gegeven dat vernielingen (ook onder het mom van een demonstratie) niet zonder gevolg zullen blijven.
Naar aanleiding van het incident met het Meisje met de Parel zijn er in de sector gesprekken geweest. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed organiseerde daarnaast samen met het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed FARO twee bijeenkomsten over collectieveiligheid en protestacties. Mij is bekend dat naar aanleiding van het incident veiligheidsprotocollen zijn aangescherpt.
Elk geregistreerd museum heeft bovendien een individueel beveiligingsplan. Erfgoedwetmusea stellen bijvoorbeeld integrale veiligheidsplannen op conform de Erfgoedwet en de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen. Musea maken de veiligheidsmaatregelen die zij treffen om veiligheidsredenen echter niet openbaar. Ik kan daar dan ook niet verder op ingaan. De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed houdt toezicht op de kwaliteit van deze plannen en heeft contact met de musea in Nederland. De musea hebben hun beveiliging over het algemeen gelukkig goed op orde.
Herkent u het signaal dat musea zwijgen uit vrees om niet het volgende doelwit te zijn? Wat kunt u doen om een klimaat van angst te helpen doorbreken?
Dat herken ik niet. Musea maken vanuit hun verantwoordelijkheid voor de collectie en de veiligheid daarvan zelf continue een inschatting. Zie hier ook mijn antwoord op vraag 4.
Heeft u, in samenwerking met de Museumvereniging, de politie en andere overheidsdiensten, een verkenning gedaan welke kunstwerken een verhoogd risico op aantasting lopen? Zijn voldoende beschermingsmaatregelen getroffen?
Dat heb ik niet. Zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 5, hebben musea hun beveiliging over het algemeen goed op orde.
Ja. Zie daarvoor het antwoord op vraag 5.
Wat is het beleid van de Rijksmusea om te voorkomen dat bezoekers zich herhaaldelijk kunnen misdragen? In hoeverre kan aan bezoekers een museumverbod worden opgelegd indien zij zich hebben misdragen?
Musea geven begrijpelijkerwijs niet gedetailleerd prijs hoe ze hun collectie beveiligen. Musea hanteren over het algemeen huisregels en het is aan hen om actie te ondernemen als deze niet worden nageleefd.
Vindt u ook dat het fysiek aangrijpen van een kwetsbaar cultuurgoed in geen geval een toelaatbaar middel van demonstratie kan zijn, ook omdat onvermijdelijk risico’s op beschadiging ontstaan?6 Bent u bereid te verkennen of een bijzondere strafbaarstelling nodig is en meerwaarde kan bieden om deze misstanden adequaat aan te pakken?
Het vernielen of bekladden van nationaal erfgoed is niet toelaatbaar en onacceptabel.
Nee. Op grond van bestaande wetgeving heeft het Hof de actie strafbaar geacht. Ik zie geen aanleiding voor een verkenning.
De financiële situatie van de gemeente Vlissingen |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Kassa van zaterdag 9 maart waarin de schrijnende situaties van inwoners van de gemeente Vlissingen worden geportretteerd?1
De verhalen die in de uitzending van Kassa van 9 maart 2024 naar voren kwamen, zijn aangrijpend om te horen. Het kabinet hecht aan het realiseren van bestaanszekerheid voor iedereen en beseft – zoals ook blijkt uit de betreffende uitzending – dat er nog belangrijke stappen te zetten zijn om dit in Nederland te borgen.
Dit kabinet heeft in 2022 de ambitie uitgesproken om de bestaande armoede- en schuldenproblematiek in Nederland stevig aan te pakken: een halvering van het aantal mensen in armoede in 2030 (t.o.v. 2015), een halvering van het aantal kinderen dat in armoede opgroeit in 2025 (t.o.v. 2015) en een halvering van het aantal huishoudens met problematische schulden in 2030. In de aanpak Geldzorgen, Armoede en Schulden werkt het kabinet samen met gemeenten, maatschappelijke organisaties, vrijwilligersorganisaties en ervaringsdeskundigen aan diverse maatregelen om deze doelstellingen te realiseren.
Het is niet aan mij om in te gaan op individuele casuïstiek bij Vlissingen, die behandeld werd in de Kassa-uitzending. Het is aan de gemeente Vlissingen om te bepalen hoe zij hiermee omgaat. Er is destijds bij de decentralisatie bewust voor gekozen om gemeenten in specifieke situaties maatwerk te laten leveren, in aanvulling op het landelijk vastgestelde sociaal minimum en hen hierbij beleidsvrijheid te geven, aangezien zij dicht bij de burger staan. Tegelijkertijd kan ongelijkheid in gelijke gevallen ongewenst zijn. Dit vraagstuk is ook door de Commissie sociaal minimum aangekaart. Zoals ook in de reactie op het rapport van de Commissie is vermeld, is het aan een volgend kabinet om hier verder keuzes in te maken.
Wat is uw reactie op de persoonlijke verhalen die in het item naar voren komen en de reactie van de burgemeester?
Zoals bij vraag 1 aangegeven, grijpen de persoonlijke verhalen mij aan. Uit de reactie van de gemeente Vlissingen blijkt dat zij het lokale minima- en armoedebeleid gaat herzien en dat zij werkt aan het actualiseren van het lokale beleidsplan. Hierin zal de gemeente afwegen om het recht op minimaregelingen te versoepelen, zodat meer huishoudens hier gebruik van kunnen maken. In algemene zin vertrouw ik erop dat de gemeente Vlissingen haar verantwoordelijkheid ten aanzien van de zorgplicht voor haar inwoners invult binnen de beleidsvrijheid die de gemeenten hierin is geboden.
Bent u het met de gemeente Vlissingen eens dat zij voldoen aan de zorgplicht? Hoe rijmt u dat met de verhalen die in de uitzending naar voren komen?
In het lopende artikel 12-traject van Vlissingen wordt conform artikel 12-beleid rekening gehouden met het voldoen aan wet- en regelgeving, haalbaarheid van bezuinigingen en mogelijke consequenties voor de burgers. Op basis daarvan heb ik niet het beeld dat Vlissingen haar zorgplicht niet nakomt.
Wat is uw reactie op de aanbeveling in het rapport van de inspecteur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties waarin wordt voorgesteld de wachtlijsten in de zorg te laten toenemen?2
In het artikel 12-traject Vlissingen zijn op basis van onderzoek, onder meer bij andere gemeenten, vele mogelijke opties en maatregelen geïnventariseerd voor Vlissingen, waarmee de lasten in het sociaal domein beter beheerst zouden kunnen worden. Eén van die opties was om in te zetten op wachtlijsten, waarbij mensen meer zelf op zoek zouden gaan naar alternatieven. In het rapport van de inspecteur is echter te lezen dat ervoor gekozen is dat Vlissingen niet inzet op wachtlijsten als instrument. Er is dan ook geen sprake van een aanbeveling van de inspecteur op dit vlak; dit is enkel benoemd als één van de vele opties.
De artikel 12-inspecteur heeft een eigenstandige rol, waarbij hij samen met de gemeente beziet hoe de gemeente weer financieel op eigen benen kan staan. Uiteindelijk beslist de gemeente(raad) altijd zelf, hoe ze haar begroting weer sluitend wil krijgen. De inspecteur kijkt mee of een gemeente dat volgens de afspraken doet. Zijn bevindingen geeft hij weer in een jaarlijks inspectierapport. Dat is een advies aan de fondsbeheerders van het gemeentefonds (BZK en Financiën). Zij besluiten uiteindelijk over de hoogte van een extra uitkering aan de gemeente en de daaraan gekoppelde voorwaarden.
Bent u het ermee eens dat dit soort aanbevelingen ontoelaatbaar zijn en het niet van je postcode mag afhangen of iemand recht heeft op fatsoenlijke zorg- en inkomensvoorzieningen?
Zoals aangegeven bij vraag 4, is er geen sprake van een aanbeveling, maar is dit als één van de vele opties benoemd. Binnen de kaders van de wet- en regelgeving is het aan de gemeente om te bepalen hoe uitvoering wordt gegeven aan de zorg- en inkomensvoorzieningen. Het is inherent aan de keuze voor beleidsvrijheid van gemeenten, binnen de kaders van wet- en regelgeving, dat er dan ook verschillen (kunnen) ontstaan tussen gemeenten.
Wat vindt u ervan dat er door alle financiële bezuinigingen in Vlissingen ook regelingen voor kinderen zoals muziek- en zwemles zijn verdwenen of sterk afgebouwd?
Het kabinet vindt het belangrijk dat kinderen kunnen participeren, ook als ouders als gevolg van hun financiële situatie hun kinderen dit zelf niet kunnen bieden. Om deze reden heeft het kabinet de ambitie uitgesproken om kinderarmoede in 2025 te willen halveren. Gemeenten, en ook verschillende landelijke armoedefondsen, krijgen financiële middelen van het Rijk om kinderen uit gezinnen met een laag inkomen te ondersteunen, zodat zij zich kunnen ontwikkelen en kansrijk kunnen opgroeien. Via de armoedefondsen is het onder meer mogelijk om zwemles, een sportabonnement, een laptop voor onderwijsdoeleinden en een verjaardagspakket (vergoed) te krijgen.
Hiermee kunnen gemeenten hun inzet op kinderen met kindvoorzieningen vergroten en versterken. Ook ondersteunt het kabinet professionals en vrijwilligers rond kind en gezin actief bij het signaleren van en omgaan met kinderarmoede.
Navraag bij de gemeente Vlissingen leert dat de gemeente Vlissingen een aanbod kent van minimaregelingen waar in de basis huishoudens met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm gebruik van kunnen maken. Bij sommige regelingen ligt deze inkomensgrens hoger. Het Jeugdfonds, waarmee onder meer een tegemoetkoming in de kosten voor zwemles kan worden verkregen, kent een inkomensgrens van 120% van de bijstandsnorm. Naast een tegemoetkoming in de bovengenoemde specifieke kosten kent Vlissingen bijvoorbeeld ook de individuele inkomenstoeslag en studietoeslag. Van afbouw of het verdwijnen van deze regelingen is geen sprake. Daarnaast geeft de gemeente Vlissingen aan dat zij als gevolg van groeiende inkomensproblematiek van de laatste jaren sowieso al werkt aan een herziening van het lokaal armoedebeleid. Een mogelijkheid is dat bij deze herziening minimaregelingen (deels) worden verruimd en/of versoepeld, zodat meer huishoudens hier gebruik van kunnen maken.
Vindt u dat ieder kind recht heeft op zwemles, en zeker een kind dat opgroeit in een gemeente omringt door water?
Het kabinet ziet, net als u, de meerwaarde van zwemles voor kinderen. Op verschillende manieren wordt gestimuleerd dat ook kinderen van ouders met een laag inkomen op zwemles kunnen. Gemeenten spelen hier een rol in, bijvoorbeeld via hun minimabeleid, maar het komt ook voor dat men dit via schoolzwemmen mede mogelijk maakt. De rol van gemeenten is hierin echter niet exclusief. Verschillende armoedefondsen krijgen subsidie om kinderen mee te laten doen.
De gemeente Vlissingen heeft aangegeven dat er twee zwemscholen zijn waar kinderen zwemlessen kunnen volgen. Ouders met een laag inkomen kunnen via de uitvoeringsorganisatie Orionis Walcheren een tegemoetkoming in de kosten van zwemlessen voor hun kinderen aanvragen bij het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Voor deze regeling geldt een inkomensgrens van 120% van de bijstandsnorm.
Gemeenten zijn nu niet wettelijk verplicht om zwemles mogelijk te maken; dit is een besluit dat de gemeenten nemen binnen de lokale context.
Bent u het ermee eens dat de inkomens van inwoners van een gemeente nooit onder het sociaal minimum mogen zakken, ook niet als een gemeente een Artikel 12-gemeente is?
Het is van groot belang dat mensen bestaanszekerheid kennen. Dit is een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid. Het kabinet heeft daarom, naar aanleiding van het advies van de Commissie sociaal minimum, eerste stappen gezet om het sociaal minimum toereikend te maken. Hiermee is de bestaanszekerheid van mensen verbeterd, maar het kabinet is zich ervan bewust dat de maatregelen er nog niet altijd voor zorgen dat iedere inwoner voldoende heeft om van te leven.
Gemeenten leveren op verschillende wijzen een bijdrage aan bestaanszekerheid voor hun inwoners. Dit doen zij met name door het verstrekken van bijstandsuitkeringen. Hierbij zijn zij gebonden aan regelgeving, waarmee geborgd is dat voor iedere Nederlander dezelfde criteria gelden. Dit vormt daarmee de basis. Gemeenten hebben hierin geen beleidsvrijheid. Gemeenten verstrekken daarnaast individuele bijzondere bijstand. Hierin is sprake van maatwerk; elke situatie dient op zichzelf beoordeeld te worden. Binnen het gemeentelijk minimabeleid hebben gemeenten meer beleidsvrijheid.
Wat vindt u van het voorstel van de SP om een basisafspraak te maken waarin wordt gesteld dat het zorg- en inkomensbeleid van gemeenten altijd op peil blijft ondanks de financiële situatie van de gemeente?
Alle gemeenten, dus ook gemeenten met financiële problemen, moeten voldoen aan de vereisten van de wet- en regelgeving op het vlak van zorg- en inkomensvoorzieningen. Dit betekent echter niet dat er geen bezuinigingen zijn te realiseren. Het is ook niet zo dat alle gemeenten hetzelfde beleid voeren ten aanzien van zorg- en inkomensvoorzieningen. De Commissie sociaal minimum constateerde verschillen tussen gemeenten, en de gevolgen daarvan voor inwoners. Deze vormen een belangrijk punt van aandacht. Hoe hiermee om te gaan, is een grote vraag waar zorgvuldig naar gekeken moet worden, en waar potentieel grote consequenties aan verbonden zijn voor de verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk en gemeenten. Dit is om deze redenen aan een nieuw kabinet. Er is destijds bij de decentralisatie bewust voor gekozen om gemeenten in specifieke situaties maatwerk te kunnen laten leveren, in aanvulling op het landelijk vastgestelde sociaal minimum, en hen hierbij beleidsvrijheid te geven, aangezien zij dicht bij de burger staan. Besluitvorming hierover vindt in de gemeenteraad plaats.
Ik ben dan ook geen voorstander om bij artikel 12 bepaalde beleidsterreinen, zoals de zorg en ondersteuning, geheel uit te sluiten van bezuinigingen of aanpassingen, daar een groot deel van deze taken ook onder de reikwijdte van de (individuele) beleidsruimte van gemeenten vallen. De aanvullende uitkering via artikel 12 wordt immers verstrekt ten laste van het Gemeentefonds, ofwel ten laste van de collectiviteit van de Nederlandse gemeenten. Het artikel 12-stelsel is dan ook gebaseerd op solidariteit tussen de gemeenten. Dit zou ernstig onder druk komen te staan als er bij de zorg geen maatregelen zouden kunnen worden genomen en daardoor de artikel 12-status onnodig langer duurt en de aanvullende uitkering veel hoger uitvalt.
Kunt u ingaan op de gevolgen die de bezuiniging van drie miljard bij gemeenten gaan hebben op zorg- en inkomensbeleid?
In zijn algemeenheid geldt dat de gemeenteraden vrij zijn in de besteding van de middelen uit het Gemeentefonds. Het valt dan ook niet te zeggen wat de implicaties van de beschikbare budgettaire middelen op lokaal niveau zijn. Dergelijke keuzes worden gemaakt door de gemeenteraad.
Het kabinet heeft in samenspraak met de koepels van de medeoverheden besloten om de oploop van de opschalingskorting te schrappen vanaf 2026 en tegelijkertijd de nieuwe financieringssystematiek op basis van bbp vervroegd vanaf 2024 in te voeren. Het doel hiervan is een stabiele(re) financiering en meer autonomie voor medeoverheden. Gemeenten en provincies worden incidenteel grotendeels gecompenseerd voor de overgang naar de nieuwe bbp-systematiek. Het schrappen van de opschalingskorting resulteert in een plus van 675 miljoen voor gemeenten en een plus van ruim 40 miljoen voor provincies.
Ook is gesproken over een gedeelde verantwoordelijkheid om aan de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht te werken. Zo gaan Rijk en gemeenten gezamenlijk werken om de beheersbaarheid van de uitgaven in relatie tot de wettelijke zorgtaken van de Wmo 2015 te borgen.
Kunt u garanderen dat door de voorgestelde bezuinigingsmaatregel geen inwoners met een zorg- of inkomensbehoefte in de knel zal komen? Kunt u deze vraag met ja of nee beantwoorden?
Zoals aangegeven, is het binnen de kaders van de wet- en regelgeving aan een gemeente zelf om een afweging te maken over de zorg- en inkomensvoorzieningen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Congestiemanagement op het elektriciteitsnet |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u het eens met de volgende opmerking van de Autoriteit Consument & Markt (ACM): «marktpartijen die hun eigen regelbaar vermogen meenemen, moeten van netbeheerders de mogelijkheid krijgen om een vast transportrecht (in combinatie met congestiemanagementdiensten) te contracteren, totdat de financiële- of technische grens bereikt is»?1
Het is in de eerste plaats aan de ACM om wet- en regelgeving te interpreteren en toe te passen. Na navraag bij de ACM kan ik concluderen dat dit juist is, met een kleine aanvulling. Een netbeheerder mag een aanbod voor de levering van congestiemanagementdiensten weigeren als de gevraagde vergoeding hoger is dan in het economisch verkeer gebruikelijk. Daarmee wordt voorkomen dat de kosten voor deze vergoedingen buitensporig hoog worden. Deze kosten worden uiteindelijk via de nettarieven opgebracht door alle aangeslotenen.
In hoeverre wordt deze stelregel in de praktijk door de netbeheerders opgevolgd? Hoe vaak is er bij het afwijzen van een aansluitingsverzoek (in combinatie met congestiediensten) inderdaad sprake van het bereiken van de financiële- of technische grens en hoe vaak liggen er andere redenen ten grondslag aan een weigering?
Aansluitverzoeken worden niet afgewezen. Er geldt altijd recht op een aansluiting, ook in congestiesituaties. Voor verzoeken om (extra) transportcapaciteit zijn er wachtlijsten voor grootverbruikers. Daarbij geldt dat marktpartijen die eigen regelbaar vermogen meenemen, recht hebben op transportcapaciteit indien gecombineerd met congestiemanagementdiensten, onder de voorwaarden zoals toegelicht in antwoord 1. Voor invoeding is de technische of financiële grens in de meeste congestiegebieden nog niet bereikt en liggen er dus andere redenen aan een weigering van transportcapaciteit ten grondslag. Voor afname is het probleem niet de financiële grens maar de technische grens, hoeveel flexibel vermogen beschikbaar is. Er is dan weinig vermogen dat kan worden gereduceerd of afgeschakeld. Netbeheerders doen momenteel veel moeite om congestiediensten te contracteren, zowel voor invoedingscongestie als afnamecongestie. Dit lukt echter slechts beperkt. Dat komt doordat er weinig tot geen aanbod voor de levering van congestiediensten wordt gedaan door aangeslotenen, doordat aangeslotenen geen regelbaar vermogen hebben (zij kunnen hun productie of verbruik niet gemakkelijk aanpassen) of doordat zij een te hoge vergoeding voor congestiediensten vragen. Daarnaast is een probleem dat bilaterale onderhandelingen met alle bedrijven in de wachtrij over de vergoedingen en voorwaarden voor congestiediensten veel tijd kosten. Om op grote schaal congestiemanagement in te zetten, is standaardisatie van de contracten en vergoedingen voor congestiediensten daarom van groot belang.
Is het juist dat het toepassen van marktgebaseerd congestiemanagement aangeslotenen zelf kunnen aangeven hoe hoog de vergoeding voor deelname aan congestiemanagement moet zijn en dat netbeheerders biedingen alleen kunnen weigeren als zij duidelijk kunnen maken dat de gevraagde vergoedingen onacceptabel hoog zijn?
Ja, dat is juist. Zie ook het antwoord op vraag 1. Het uitgangspunt van congestiemanagement is dat de vergoedingen marktgebaseerd worden bepaald en dus begrensd worden door wat in het economisch verkeer gebruikelijk is. De netbeheerder kan een zogenoemde «deelnameplicht» afroepen in congestiegebieden om partijen te dwingen een marktgebaseerd aanbod te doen. Dit zal er in de praktijk ook toe leiden dat eerder duidelijk wordt welke prijzen voor congestiediensten kunnen worden gezien als «in het economisch verkeer gebruikelijk».
Kunt u uitleggen hoe dit in de praktijk in zijn werk gaat? Welke redenen kan een netbeheerder aanvoeren om een bod van een aangeslotene voor het leveren van congestiediensten te weigeren en welke onderbouwing is daarbij nodig? In hoeverre en op welke wijze ziet de ACM hierop toe?
Het is aan de netbeheerder om een weigering te onderbouwen. De ACM volgt de netbeheerders nauwlettend en gaat bij signalen met netbeheerders in gesprek. Als de aanvrager het niet met de onderbouwing eens is, dan is het mogelijk om een geschil in te dienen of de stap naar de rechter te zetten. De ACM benadrukt ook dat het belangrijk is dat de deelnameplicht voor congestiemanagement door netbeheerders wordt ingezet. De deelnameplicht houdt in dat aangeslotenen met een aansluiting groter dan 1 MW moeten aangeven welk deel van het vermogen regelbaar is en dat zij dit regelbare vermogen bij de netbeheerder moeten aanbieden voor congestiemanagement. Zo’n deelnameplicht zorgt ervoor dat niet alleen partijen in de wachtrij een aanbod voor de levering van congestiediensten doen, maar ook de bestaande aangeslotenen. Daardoor ontstaat een biedladder voor congestiediensten in een congestiegebied. Die informatie kan worden gebruikt om te bepalen of een gevraagde vergoeding marktconform is. Doordat ook reeds aangeslotenen verplicht worden een aanbod te doen, ontstaat er mogelijk ruimte voor aanvragen op de wachtlijst.
Kunt u uitleggen waarom ook bij opslag en productie de situatie optreedt dat de aangeslotene en de netbeheerder het niet eens worden over de hoogte van de vergoeding voor het leveren van congestiediensten? Wordt er in de praktijk door ontwikkelaars een veel hogere vergoeding gevraagd of zijn er andere redenen waarom er toch geen overeenstemming kan worden bereikt over de hoogte van de vergoeding voor congestiemanagement?
Discussie over de prijs is de belangrijkste reden. Daarnaast blijkt in de praktijk dat de financiering van projecten in het geding komt door een gebrek aan standaardisatie van congestiediensten. Financiers moeten namelijk ook per individueel project de bilateraal onderhandelde contracten en vergoedingen voor congestiediensten beoordelen. Daarom juich ik het toe dat Energie Samen en Holland Solar met netbeheerders afspraken hebben gemaakt voor een standaard prijsformule. Deze afspraken zijn onlangs – op 21 maart 2024 – door de ACM goedgekeurd.2 Energie Samen en Holland Solar zijn voornemens om gezamenlijk te communiceren dat deze standaard prijsformule leidt tot een redelijke vergoeding van de ten gevolge van netcongestie gemiste productievolumes. Ook de risico’s voor de initiatiefnemer en zijn financiers worden zo beter hanteerbaar, zodat ook belemmeringen op dit vlak weggenomen kunnen worden.
Kunt u tevens verduidelijken waarom de hoogte van de vergoeding voor het leveren van congestiediensten in de periode van meer dan tien jaar dat congestiemanagement wordt toegepast eerder niet of nauwelijks tot discussie leidde, maar nu wel?
De aard en omvang van de congestieproblematiek is nu anders dan in de afgelopen 10 jaar. In de afgelopen 10 jaar kwam congestie met name voor bij te veel invoeding, waardoor overbelasting van het hoogspanningsnet dreigde. De omvang van de congestie was relatief beperkt. Bovendien was het redelijk eenvoudig om congestiemanagement toe te passen omdat er veel regelbaar (gasgestookt) vermogen aanwezig was, bijvoorbeeld van tuinders met WKK-installaties of gascentrales.
De situatie nu is dat er in het overgrote deel van Nederland congestie is. Dat zorgt ervoor dat:
Klopt het dat er ook door Energie-Nederland een voorstel is gedaan voor een standaardregeling voor deelname aan congestiemanagement, maar dat dit voorstel is afgewezen door de netbeheerders? Kunt u aangeven wat het verschil was tussen dit voorstel en de afspraak over standaardregels die de netbeheerders hebben gemaakt met Energie Samen en Holland Solar en waarom er uiteindelijk niet is gekozen voor deze alternatieve variant?
Ja dat klopt. Dit voorstel is afgewezen door de netbeheerders, omdat met het voorstel van Energie-Nederland alsnog bilaterale onderhandelingen met elke partij in de wachtrij nodig zijn. Daarmee gaat een groot voordeel van de standaard prijsformule verloren, namelijk dat geen onderhandeling meer nodig is waardoor op korte termijn op veel grotere schaal congestiemanagement kan worden toegepast en er veel sneller duidelijkheid ontstaat voor veel meer partijen die nu nog in de wachtrij staan. Het wegnemen van de noodzaak voor uitgebreide onderhandelingen door een vaste opslag, boven op de gederfde inkomsten van de producenten, was de sleutel tot deze versnelling. Netbeheerders zullen waarschijnlijk aan een groot aantal partijen die (bovenaan) op de wachtlijsten staan een aanbod doen op basis van de standaardcondities die met Holland Solar, EnergieSamen, NVDE en anderen overeengekomen zijn. Partijen die andere voorwaarden met de netbeheerder willen bespreken kunnen dit nog steeds doen.
Deelt u de mening dat er weliswaar een veelheid aan websites, webinars, seminars en campagnes bestaan over congestiemanagement, maar dat eenvoudige en eenduidige informatie nog steeds moeilijk te vinden is voor partijen die te maken krijgen met netcongestie? Welke maatregelen worden er genomen om ervoor te zorgen dat bedrijven eenvoudige en eenduidige informatie krijgen over de contracten en voorwaarden voor deelname aan congestiemanagement?
De informatievoorziening voor ondernemers die te maken krijgen met netcongestie, waaronder de kansen en mogelijkheden die congestiemanagement biedt, is inderdaad nog te zeer versnipperd. Binnen het Landelijk Actieprogramma Netcongestie werken alle partners aan een gezamenlijke communicatie-aanpak om informatie gericht te delen. Onderdeel daarvan is de inrichting van een webpagina waar elke ondernemer of organisatie die tegen de beperkingen van het elektriciteitsnet aanloopt en op zoek is naar oplossingen, terecht kan. Het streven is om deze pagina voor deze zomer online te hebben.
Het rapport ‘Eenzaam gesloten’ van Jason Bhugwandass |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Eenzaam gesloten van Jason Bhugwandass over de ZIKOS afdelingen in de gesloten jeugdzorg» dat vandaag, 12 maart 2024, is gepresenteerd?
Ja.
Kunt u zich nog herinneren dat de omstreden jeugdinstelling Woodbrookers in het Friese Kortehemmen dicht zou gaan, nadat een schokkend rapport openbaar werd gemaakt waaruit bleek dat stelselmatig kinderen werden mishandeld?1
Ja.
Heeft u er kennis van genomen dat in de media opnieuw in een tweetal instellingen waar kinderen civielrechtelijk zijn geplaatst, vergelijkbare fundamentele rechten van kinderen, net als in de Woodbrookers, ernstig zijn geschonden?2
Ja.
Wat vindt u ervan, dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van de laatste bevindingen over wat er met kinderen gebeurt in de instellingen voor gesloten jeugdzorg, zo geschrokken is dat de aangesloten gemeenten er geen kinderen meer willen plaatsen?3
Het besluit om nu geen kinderen te plaatsen op de ZIKOS-locaties steun ik.
Wat vindt u ervan, dat Bart Tromp, docent en onderzoeker bij de Rijksuniversiteit Groningen maar ook kinderrechter, eerder al publiekelijk het besluit nam om kinderen niet meer te plaatsen in een instelling waar fundamentele rechten van kinderen en ouders worden geschonden?4
Het is aan de rechter om te beslissen op een verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp. Als een rechter een machtiging gesloten jeugdhulp verleent, is het aan de instantie die de machtiging ten uitvoer brengt om te bepalen waar een kind wordt geplaatst. Dit is veelal een gecertificeerde instelling. Het komt zeer sporadisch voor dat een rechter in de beschikking concreet benoemt welke verblijfplaats binnen de grenzen van het verzochte een verleende machtiging (niet) is bedoeld. In de overwegingen van individuele rechters die daaraan ten grondslag liggen, kan ik niet treden.
Deelt u de mening dat met de nu beschikbare informatie over de ernstige tekortkomingen in de instellingen voor gesloten jeugdzorg, inmiddels niet meer kan worden gesproken van incidenten, maar dat er sprake is van een structureel probleem, dat hieruit bestaat dat bij gebrek aan voldoende gekwalificeerd personeel uit onmacht buitenwettelijke vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende maatregelen worden genomen?
Om te zorgen dat de gesloten jeugdhulp structureel beter wordt, hebben we afgesproken dat de instellingen in 2025 kleinschalig werken en dat we in 2030 zo dichtbij mogelijk nul gesloten plaatsingen zijn. Over hoe we dat willen bereiken staat in het Uitvoeringsplan af- en ombouw gesloten jeugdhulp ontvangen.5 De getuigenissen uit «Eenzaam gesloten» moeten ons aansporen met alle partijen een extra stap bij te zetten en de krachten te bundelen. In de brief die u gelijktijdig met deze antwoorden ontvangt ter voorbereiding van het debat op 28 maart staan de acties waarover ik met gemeenten en aanbieders voor de zomer bestuurlijke afspraken wil maken.
Als u dat niet vindt, welk antwoord heeft u dan op het structurele karakter van de tekortschietende zorg dat ontstaat door personeelsgebrek en onmacht om jongeren een veilige omgeving te bieden waar zij voor hun problemen kunnen worden behandeld?
Zoals hierboven genoemd moeten de getuigenissen uit «Eenzaam gesloten» ons aansporen met alle partijen een extra stap bij te zetten en de krachten te bundelen. In de brief die u gelijktijdig met deze antwoorden ontvangt ter voorbereiding van het debat op 28 maart staan de acties waarover ik met gemeenten en aanbieders voor de zomer bestuurlijke afspraken wil maken.
Is het openhouden van de instellingen nu nog aanvaardbaar gelet op de structurele schending van kinder- en mensen rechten die ermee gepaard gaan, gelet op het feit dat de regering eerder heeft besloten dat de gesloten jeugdzorg voor jongeren die zonder behandeling een risico voor zichzelf of hun omgeving vormen, moet worden afgebouwd en in 2030 volgens een kabinetsbesluit geen enkele jongere nog in de gesloten jeugdzorg moet zitten?
Op dit moment geldt voor de ZIKOS-locaties van beide instellingen een cliëntenstop. In de brief die de Tweede Kamer separaat ontvangt ter voorbereiding op het debat op 28 maart 2024 staat dat ik voornemens ben met gemeenten en aanbieders voor de zomer de afspraak te maken dat van de locaties gesloten jeugdhulp de locaties die voorheen een justitiële inrichting waren afgestoten moeten worden. Beide ZIKOS-locaties bevinden zich in dergelijke gebouwen.
Als u dat aanvaardbaar vindt, kunt u dan uitleggen hoe zich dat verhoudt met de verdragsrechtelijke taak van de overheid om kinderen juist te beschermen tegen mishandeling die zij in de instellingen ondergaan?
Ongerechtvaardigde of niet-toegestane vrijheidsbeperkende maatregelen zijn volstrekt af te keuren. Met het oog op een betere bescherming van jeugdigen in de gesloten jeugdhulp heb ik de Wet rechtspositie gesloten jeugdhulp opgesteld. Deze is sinds 1 januari 2024 van kracht en vormt de wettelijke basis voor het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen in de gesloten jeugdhulp. Uitgangspunt bij de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen is het «nee, tenzij-beginsel»: een vrijheidsbeperkende maatregel wordt niet toegepast tenzij er geen minder bezwarende alternatieven zijn, het proportioneel is en naar verwachting effectief. De wet is getoetst aan de Grondwet en internationale en Europeesrechtelijke verdragen, zoals het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en het VN-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
Als u nog steeds vindt dat het openhouden van de instellingen aanvaardbaar is, hoe wordt dan voorkomen dat nieuwe incidenten zich blijven voordoen?
Zoals hierboven verwoord vind ik dat de gebouwen van voormalige justitiële inrichtingen met voorrang afgestoten moeten worden. Daarover wil ik met gemeenten en aanbieders afspraken over maken. Voor de rest van de gesloten jeugdhulp werken we toe naar kleinschaligheid en dat vrijheidsbeperkende maatregelen steeds minder worden ingezet.
Is het juist dat ten tijde van het onderzoek naar de misstanden in de Woodbrookers, de Inspectie ook al Zikos op het oog had als een instelling waar de veiligheid van geplaatste jongeren niet was geborgd?
Ten tijde van de aandacht op Woodbrookers liep het toezicht van de inspectie op de gesloten jeugdhulp. Dit resulteerde op 29 februari 2024 in een Factsheet6. IHUB en Pactum, en daarmee de ZIKOS-afdelingen, waren onderdeel van dit toezicht.
Het toezicht naar de gesloten jeugdhulplocatievoorziening van iHUB ’t Anker op locatie Harreveld is in januari 2024 gepubliceerd.7 De ZIKOS afdelingen zijn bij dit toezicht betrokken. Specifiek voor de zeer intensieve kortdurende observatie en stabilisatie (ZIKOS) heeft de inspectie verbeterpunten benoemd over het insluiten van jongeren op hun kamer (overdag en in de nacht), over de inrichting van de Extra Beveiligde Kamer (EBK) en het ontbreken van toereikend behandelaanbod voor jongeren met psychiatrische problemen. Om dergelijke verbeterpunten adequaat te kunnen aanpakken, heeft de inspectie in dit rapport aangedrongen op lokale of landelijke besluitvorming rond het voortbestaan van de ZIKOS-afdeling. De inspectie heeft iHUB om een verbeterplan gevraagd, onder andere over het terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen.
Het toezicht naar de gesloten jeugdhulp van Pactum, locatie Zetten is in februari 2024 gepubliceerd.8 De ZIKOS-afdeling is bij dit toezicht betrokken. De inspectie constateerde dat Pactum, locatie Zetten op een groot aantal onderdelen niet aan de Veldnormen terugdringen vrijheidsbeperkende maatregelen voldoet (waaronder kamerplaatsing) en dat hierop verbetering nodig is. De inspectie heeft ook Pactum om een verbeterplan gevraagd, onder andere over het terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen. Ook in dit rapport dringt de inspectie aan op het op orde brengen van de randvoorwaarden om bijvoorbeeld het open laten van de kamerdeuren van jongeren mogelijk te maken.
Kort na het ontvangen van de signalen van een ervaringsdeskundige over de ZIKOS heeft de inspectie op 15 februari 2024 opnieuw toezicht uitgevoerd, dit keer specifiek bij de ZIKOS-afdelingen van iHUB en Pactum.9 Het toezicht naar de ZIKOS-afdelingen naar aanleiding van recente signalen is nog niet afgerond, daar werkt de IGJ nu hard aan. Tot de openbaarmaking van de inspectierapporten kan de IGJ niet verder ingaan op de bevindingen en het toezicht.
Is het juist dat de Inspectie niet heeft ingegrepen vanuit de overtuiging dat het belang van het gesloten kunnen plaatsen van kinderen, opweegt tegen de belangen van een kind dat door mishandeling in die instelling wordt gedupeerd?
Dit is niet juist. De inspectie constateert al jaren dat het aan passend aanbod voor deze kinderen ontbreekt. Dat de jeugd-ggz hier een grotere rol zou moeten spelen, dat er onvoldoende deskundig personeel is en er nog steeds te veel vrijheidsbeperkende maatregelen worden ingezet. De inspectie benoemde de complexiteit van problematiek en het gebrek aan alternatieven voor deze kinderen.
Op 29 februari 2924 heeft de Inspectie een Factsheet over het toezicht op de JeugdzorgPlus gepubliceerd.10 IHUB en Pactum, en daarmee de ZIKOS-afdelingen, waren onderdeel van dit toezicht. In dit thematisch toezicht heeft de inspectie de instellingen gevraagd een verbeterplan te maken. Een complicerende factor voor de instellingen is de onduidelijkheid over de continuïteit van de (afdelingen van de) instellingen en de vraag of en hoe de instellingen de doelgroep blijven bedienen. Dit wacht op regionale en/of landelijke besluitvorming.
Hoe kan het dat de Woodbrookers, die gelet op de geconstateerde tekortkoming publiekelijk aankondigde te zullen sluiten en met die aankondiging verdere interventies door de Inspectie en politieke druk om te sluiten weg wist te nemen, nooit is dichtgegaan en een doorstart heeft gemaakt onder een andere naam?
Jeugdhulp Friesland heeft in oktober 2023 aangegeven dat zij voornemens was per 1 juli 2024 de gesloten jeugdhulp bij de locatie de Woodbrookers te sluiten. De aanbieder gaf destijds aan dat te doen uit de door hen ervaren politieke wens om de afbouw van dergelijke locaties te versnellen. De Friese gemeenten hebben daarop als opdrachtgever voor de uitvoering van de Jeugdwet Jeugdhulp Friesland gemeld dat bij sluiting van deze gesloten jeugdhulpplekken Jeugdhulp Friesland voor voldoende «gesloten plekken» moet zorgen op een wijze die aansluit bij de huidige zienswijze op gesloten jeugdhulp en de wettelijke vereisten. Daar heeft Jeugdhulp Friesland gevolg aan gegeven. Dat gebeurt weliswaar op dezelfde locatie, maar niet meer in de gesloten setting die het was. Dus geen oude wijn in nieuwe zakken, maar een wezenlijk andere voorziening met voor een belangrijk deel nieuwe mensen. De gemeente Leeuwarden ziet daar nauw op toe.
Hoe verhoudt dit zich met het hiervoor bedoelde kabinetsbesluit?
De Friese gemeenten hebben Jeugdhulp Friesland gevraagd te zorgen voor voldoende «gesloten plekken» op een wijze die aansluit bij de huidige zienswijze. Dat houdt in kleinschalig en met zo mijn mogelijk vrijheidsbeperkende maatregelen. Dat past in het beleid om de gesloten jeugdhulp te transformeren naar kleinschalige georganiseerde voorzieningen en dat we in 2030 zo dichtbij mogelijk bij nul gesloten plaatsingen willen zijn.
Is nog te rechtvaardigen dat tot 2030 wordt gewacht met het beëindigen van deze hulp?
De doelstelling is dat we in 2030 zo dichtbij mogelijk nul gesloten plaatsingen zijn. Dat betekent niet dat we wachten tot die tijd met het sluiten van accommodaties gesloten jeugdhulp. Zoals hierboven vermeld wil ik voor de zomer afspraken maken met gemeenten en aanbieders over het sluiten van accommodaties.
Waarom vindt u nog steeds dat het opsluiten van kinderen een vorm van jeugdhulp is?
Het plaatsen van een jeugdige in een instelling voor gesloten jeugdhulp gebeurt om te voorkomen dat de jeugdige zich onttrekt of onttrokken wordt aan de noodzakelijke jeugdhulp. In het Factsheet van de IGJ staan verschillende voorbeelden waarin voor een (beperkte) groep jongeren met complexe problemen vrijheidsbeperking op maat nodig blijft om hen bescherming te kunnen bieden en/of ontwikkelingsbedreiging weg te nemen.
De uitzending van Radar d.d. 11 maart 2024 over te dure gehoorapparaten |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Radar gezien? Zo ja wat vindt u hiervan?
Ik ben op de hoogte van de uitzending van RADAR over dure hoortoestellen. De situatie die in het item wordt weergegeven vind ik onwenselijk. Daarom vind ik het goed dat op dit moment door veldpartijen, waaronder branche organisaties, audiciens en zorgverzekeraars, gewerkt wordt aan het verbeteren van de kwaliteit van hoorzorg. Dit gebeurt onder andere vanuit het Verbetersignalement Perceptieve Slechthorendheid bij volwassenen – Onderweg naar passende hoorzorg1 (hierna verbetersignalement) vanuit het programma Zinnige Zorg van het Zorginstituut. Dit rapport is in december 2023 gepubliceerd.
Wat vindt u ervan dat commerciële hoorwinkels adviseren bij de aankoop van een medisch hulpmiddel?
De audicien levert zowel verzekerde, geprotocolleerde hoorzorg als onverzekerde «private» hoorzorg waarbij winstoogmerk een rol kan spelen. Daarbij is het aanbod van audicienbedrijven in Nederland groot en competitief, waardoor de consument uiteindelijk een ruim aanbod heeft aan hoortoestellen. Het is aan de audiciens om op de juiste manier te adviseren bij de aankoop van een hoorhulpmiddel. Hierbij maken ze gebruik van hun kennis in de hoorzorg. Het commerciële karakter van de sector mag er echter niet voor zorgen dat patiënten niet de meest passende hooroplossing krijgen. Het leveren van passende zorg moet het uitgangspunt zijn zoals vastgesteld in Hoorprotocol 2.0 (2020)2 van Stichting Protocol Hoorhulpmiddelen (SPHHM).
De verbeteracties uit het verbetersignalement onderschrijven dit. Ik vind het daarom belangrijk dat de betrokken partijen actief met deze acties aan de slag gaan.
Wat vindt u ervan dat partijen die middels het consensusdocument Hoorzorg 2017 verschillende afspraken hebben gemaakt over het systeem van hoortoestelverstrekking, die afspraken nog steeds niet zijn nagekomen?
Zorgvragers, -aanbieders en -verzekeraars hebben afspraken gemaakt over passende hoorzorg en dit vastgelegd in het consensusdocument Hoorzorg 2017. Als afspraken niet worden nagekomen vind ik dit spijtig.
De knelpunten in de hoorhulpmiddelenzorg spelen al geruime tijd. Dit is onder andere aanleiding voor de verbeterafspraken die zijn opgesteld in het verbetersignalement ten behoeve van het verbeteren van de hoortoestelverstrekking. Ik ondersteun dit rapport dan ook van harte.
In opvolging van het verbetersignalement faciliteert het Zorginstituut gesprekken in het veld en monitort zij de afspraken. Zo hebben partijen in de sector, middels het Hoorprotocol 2.0 toegezegd om aan 5 verbeterafspraken te werken in 2024 en 2025.
De aanbevelingen van het signalement laten zien dat er nog een slag te maken is binnen de hoorzorg. Ik heb er vertrouwen in dat dit verbetersignalement de urgentie hiertoe vergroot.
Wat kunt u of de zorgverzekeraars doen zodat afspraken wel worden nagekomen en mensen die een hoormiddel nodig hebben niet geadviseerd wordt een duurder – en niet noodzakelijk nodig – medisch hulpmiddel aan te schaffen?
Zorgverzekeraars sluiten ook aan bij de gesprekken die gefaciliteerd worden vanuit het Zorginstituut. Het is van belang dat een passend hoorhulpmiddel wordt voorgeschreven. Zoals het verbetersignalement aangeeft, is daarom betere informatievoorziening nodig over hoe de vergoedingssystematiek van hoortoestellen werkt. Ook het actueel houden van de landelijke hoortoestellendatabase is erg belangrijk omdat consumenten zo beter zicht hebben op welk hoorhulpmiddel uit de basisverzekering vergoed wordt. Hierin zie ik een rol voor de zorgverzekeraars. Het is dus aan de partijen in de hoorzorg zelf om met de verbeteringen aan de slag te gaan.
Wat vindt u van het signaal van het Zorginstituut dat toezicht op de kwaliteit van de zorg die door audiciens wordt geleverd ontbreekt?
Binnen de sector van audiciens staat zelfregulering voorop. Zo kunnen audiciens zich laten registreren in het audicien register. Deze is door de sector zelf ingesteld. Audiciens die in het register zijn opgenomen moeten aan een aantal eisen voldoen op het terrein van scholing, werkervaring en nascholing. Wanneer een audicien niet voldoet aan deze eisen, komt de registratie in het register te vervallen. Op deze wijze vindt regulering en toezicht vanuit de sector zelf plaats. Het aanmeten en verstrekken van hoortoestellen door audiciens en het verrichten van gehoormetingen voorafgaand hieraan vallen niet onder de reikwijdte van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Daarmee vallen deze handelingen voor zover ze opgenomen zijn in protocollen en richtlijnen ook niet onder de reikwijdte van het Register van het Zorginstituut.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt geen toezicht op de kwaliteit van zorg in de audicienspraktijk, omdat deze zorg niet onder de reikwijdte van de Wkkgz valt. Samen met het Zorginstituut en de IGJ wordt in het kader van het verbetersignalement onderzocht hoe het toezicht op hoorzorg waar nodig verder verbeterd kan worden.
Wat kunt u doen om het toezicht op de kwaliteit van zorg die audiciens leveren te verbeteren?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om met de zorgverzekeraars hierover in gesprek te gaan?
Het Zorginstituut is al met onder andere zorgverzekeraars in gesprek in het kader van het verbetersignalement. Ook zorgverzekeraars hebben namelijk een rol in het toewerken naar passende hoorzorg, bijvoorbeeld in het borgen van de kwaliteit en het verbeteren van de voorlichting. Het is van belang dat de partijen met elkaar in gesprek gaan en dat ik daarvan op de hoogte blijf. Ik zie daarom op dit moment geen reden om hierover apart in gesprek te gaan met zorgverzekeraars.
De zero-emissiezones |
|
Arend Kisteman (VVD), Hester Veltman-Kamp (VVD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen motie van het lid Erkens c.s. over een ontheffing tot ten minste 2028 voor kleine mkb'ers bij nieuwe zero-emissiezones (Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 41)?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe heeft u uitvoering gegeven aan deze motie?
In de Kamerbrief van 29 januari 2024 heb ik aangegeven hoe ik uitvoering heb gegeven aan de motie (Kamerstuk 30 175, nr. 459). Daarnaast is op 15 maart jl. door de ondertekenaars van de Uitvoeringsagenda Stadslogistiek besloten om een extra ontheffing toe te voegen aan het ontheffingenbeleid, die tegemoetkomt aan de motie. Er is besloten dat bakwagens met emissieklasse 6 en een Datum Eerste Tenaamstelling (DET) van tussen 1-1-2017 tot 31-12-2019 een ontheffing krijgen voor de zero-emissiezones tot 2028.
Daarbij dient opgemerkt te worden dat de rol van het Rijk zit in het harmoniseren van het beleid. Het Rijk wil uniformiteit bieden aan ondernemers zodat zij overal hetzelfde beleid terug zien en niet met een lappendeken aan regels worden geconfronteerd. Gemeenten bepalen vervolgens zelf of zij al dan niet een zero-emissiezone invoeren.
Heeft u in navolging van uw contact met gemeenten over het ontheffingsbeleid ook contact gehad met ondernemers(organisaties)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat vinden ondernemers(organisaties) van het huidige ontheffingsbeleid?
Ja, ik spreek regelmatig met ondernemers en brancheorganisaties over de zero-emissiezones en het ontheffingenbeleid. Het valt me op dat ondernemers moeite hebben met de overgang naar zero-emissiezones, niet omdat ze niet willen, maar vanwege verschillende obstakels die ze moeten overwinnen. Deze obstakels omvatten technische en financiële uitdagingen, evenals de toenemende problemen met netcongestie. Echter, voor iedereen waar de transitie (nog) niet mogelijk is, is een oplossing beschikbaar. Ondernemers die de overstap nog niet kunnen maken, kunnen altijd een beroep doen op een passende ontheffing. Dit ontheffingenbeleid is opgesteld in uitgebreid overleg met gemeenten en brancheorganisaties zoals Transport en Logistiek Nederland (TLN), RAI Vereniging, Bovag en evofenedex. Het Rijk en de partners van de Uitvoeringsagenda Stadslogistiek communiceren zo veel als mogelijk over dit beleid. Voor ondernemers is het belangrijk om in contact te treden met hun gemeenten en eventueel met een logistiek makelaar die hen kan helpen om een transitie-plan op maat te maken. Dat gebeurt al en wordt gestimuleerd door gemeenten.
Bent u het ermee eens dat het openen van het Centraal loket ZE-zones om ontheffingen aan te vragen vanaf eind 2024 voor onze mkb-ers in Nederland een niet werkbare situatie oplevert, gelet op het feit dat de meeste zero-emissiezones vanaf 1 januari 2025 ingaan?
Het openstellen van het Centraal Loket moet zorgvuldig worden getimed, zodat ondernemers voldoende tijd hebben om zich voor te bereiden op de transitie naar emissievrije voertuigen en om tijdig de benodigde ontheffingen aan te vragen. Het openen van het Centraal Loket voor het aanvragen van ontheffingen vanaf eind 2024 kan een niet werkbare situatie opleveren. Daarom zet ik mij samen met de RDW en de gemeenten in om al vanaf 1 juli 2024 een functionerend loket gereed te hebben.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het eerder openen van het Centraal loket ZE-zones per 1 juli 2024? Welke stappen heeft u met de RDW ondernomen om dit te realiseren?
Mijn ministerie, in samenwerking met de RDW en gemeenten, is intensief bezig met deze kwestie zodat een opening van het Centraal Loket per 1 juli 2024 mogelijk is. Gemeenten hebben aangegeven bereid te zijn om een rol te spelen in het proces door het ontvangen, beoordelen en uitgeven van ontheffingsaanvragen aan ondernemers. De exacte invulling van deze aanpak wordt momenteel zorgvuldig uitgewerkt. Over de stand van zaken wordt uw Kamer voor de zomer geïnformeerd.
Bent u het ermee eens dat het een onwenselijke situatie is dat het Centraal Loket ZE-zones ontheffingen per jaar afgeeft, gelet op de continuïteit van bedrijven, de administratieve rompslomp voor ondernemers en investeringsplannen die over jaren heengaan?
De geldigheidsduur van een ontheffing varieert, afhankelijk van het type ontheffing en de bijbehorende situatie. Zo wordt een dagontheffing slechts voor één dag verleend, terwijl een ontheffing voor situaties waar geen zero-emissie alternatieven beschikbaar zijn, geldig zijn tot 2030.
Bent u het ermee eens dat als het invoeren van zero-emissiezones leidt tot omzetverlies bij kleine mkb-ers, dit onwenselijk is?
In 2019 is reeds een analyse uitgevoerd naar de Maatschappelijke Kosten en Baten van zero-emissiezones1. Uit deze analyse blijkt dat het investeren in de invoering van een nul-emissiezone voor stadslogistiek leidt tot belangrijke collectieve baten op het gebied van milieu en klimaat én tot meer maatschappelijk rendement. Op individueel niveau kunnen ondernemers die echt niet mee kunnen in de transitie aanspraak maken op ontheffingen, ook op basis van financiële omstandigheden. Bovendien is het belangrijk op te merken dat de Total Cost of Ownership (TCO) voor elektrische voertuigen steeds gunstiger wordt en dat deze in het geval van bestelvoertuigen vanaf volgend jaar zelfs positief uitpakt in het voordeel van de elektrische variant.
Hoe groot acht u de kans dat het ingaan van de zero-emissiezones in 2025 ervoor zal zorgen dat bakkers, slagers, bloemisten, ambulante handel en vele andere ondernemers uit het straatbeeld verdwijnen, omdat zij niet kunnen voldoen aan de voorwaarden van de zero-emissiezones? Wat vindt u hiervan?
Deze transitie brengt inderdaad uitdagingen met zich mee, met name voor bedrijven die afhankelijk zijn van voertuigen die momenteel nog niet volledig emissievrij zijn. Echter, het is belangrijk op te merken dat de overheid zich bewust is van deze uitdagingen en verschillende maatregelen neemt om de overgang naar zero-emissievoertuigen te vergemakkelijken. Dit omvat onder meer vrijstellingen en het verstrekken van ontheffingen. Ik vind het belangrijk dat deze overgang geleidelijk en inclusief verloopt, waarbij rekening wordt gehouden met de diversiteit aan bedrijven en hun specifieke behoeften. Het verdwijnen van deze kleine ondernemingen uit het straatbeeld zou een verlies betekenen voor de lokale economie en het sociale weefsel van buurten. Daarom wordt er nauw samengewerkt met belanghebbenden, om ervoor te zorgen dat er passende oplossingen worden gevonden en dat de negatieve impact op bedrijven tot een minimum wordt beperkt.
Het rapport van Amnesty International ‘From freedom to censorship, the consequences of the Hungarian propoganda Law’ |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van Amnesty International «From freedom to censorship, the consequences of the Hungarian propaganda law»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de Hongaarse «propaganda wetgeving» welke het afbeelden en de «promotie» van diverse genderidentiteiten en seksuele oriëntaties verbiedt in onder andere lesmateriaal, media en reclamemateriaal?
Het kabinet heeft zich heel duidelijk tegen deze anti-LHBTIQ+ wetswijzigingen uitgesproken sinds de aanname van de wetswijzingen in juni 2021, waaronder in de Europese Raad.2
Hoe strookt deze wetgeving volgens u met het recht op informatie, het recht op gelijkheid en non-discriminatie en het recht op onderwijs?
De anti-LHBTIQ+ wetswijzingen stroken niet met diverse grondrechten uit het EU-Handvest, waaronder de vrijheid van meningsuiting en informatie, het non-discriminatiebeginsel, het recht op menselijke waardigheid en het recht op eerbiediging van het privéleven.
Erkent u dat er geen bewijs is dat uitingen van seksuele geaardheid en genderidentiteit een negatief effect op jongeren zou hebben, zoals ook de Commissie van Venetië stelt?
Ja.
Deelt u de mening dat het juist van belang is voor jongeren om informatie te kunnen krijgen over seksuele voorlichting in het kader van een veilige seksuele ontwikkeling, ongeacht diens seksuele oriëntatie?
Ja.
Deelt u de zorgen dat dit soort wetgeving stigma en discriminatie in de hand werkt, terwijl de overheid juist de rechten van al haar burgers zou moeten beschermen?
Het kabinet deelt deze zorgen.
Deelt u de mening dat deze wet de rechtsstaat in Hongarije verder beschadigt? Zo ja, graag een reflectie, zo nee, waarom niet?
Ja. De anti-LHBTIQ+ wetswijzingen zijn allereerst in strijd met EU waarden. In reactie op de wetswijzigingen besloot de Commissie Hongarije op 15 juli 2022 voor het Hof te dagen, waarbij de Commissie heeft geconstateerd dat de wetgeving onder meer in strijd is met de richtlijn audiovisuele mediadiensten, diverse grondrechten uit het EU-Handvest en de gemeenschappelijke waarden van artikel 2 VEU. Het kabinet deelt deze zienswijze van de Commissie.
Wat zijn wat u betreft de consequenties hiervan wat betreft de artikel 7-procedure die al langere tijd loopt voor Hongarije?
Zorgen over maatregelen die de Hongaarse regering neemt die de gelijke rechten van LHBTIQ+ personen beperken en ondermijnen zijn onderdeel van de artikel 7 procedure tegen Hongarije en worden bij de hoorzittingen consequent door lidstaten, waaronder Nederland, opgebracht.3
Wat gaat u doen om de LHBTQ+ gemeenschap in Hongarije te ondersteunen?
Nederland steunt de LHBTIQ+ gemeenschap in Hongarije actief. Dit doet Nederland door politieke steun te verlenen, bijvoorbeeld doordat de Nederlandse ambassadeur in Boedapest meeloopt in de Pride en steun uit te spreken via sociale media. Ook wordt financiële steun verleend aan LHBTIQ+ organisaties in Hongarije. Deze steun zal onverminderd voortgezet worden.
Gaat u uw Hongaarse ambtgenoot aanspreken op deze vorm van censuur? Wat gaat u doen om kenbaar te maken dat deze «propaganda wet» niet strookt met Europese rechten en waarden?
Zie ook het antwoord op vraag 2. Inmiddels heeft de infractieprocedure die de Commissie is gestart tegen Hongarije, constaterende dat de anti-LHBTIQ+-wetswijzingen niet stroken met EU waarden en regels, geleid tot een zaak tegen Hongarije voor het EU-Hof. Nederland zal aan deze hofzaak deelnemen en heeft zich er actief voor ingezet dat zoveel mogelijk andere EU lidstaten dit ook doen. In totaal zullen zestien EU lidstaten deelnemen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voor het debat over de Europese Raad van 19 maart?
Helaas is dit niet gelukt.
De ministeriële regeling tot aanwijzing van evacués uit het Midden-Oosten met een Nederlandse verblijfsstatus wier huisvesting bijzondere zorg van rijkswege behoeft |
|
Peter de Groot (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Wat was de directe aanleiding voor het tot stand brengen van deze ministeriële regeling?
De directe aanleiding voor het tot stand brengen van de ministeriële regeling is gelegen in de actuele situatie in het Midden Oosten en het beleid om Nederlanders en hun kerngezin uit crisisgebieden te evacueren. De voorgestelde ministeriële regeling voor Nederlandse evacués uit het Midden-Oosten is in lijn met eerdere regelingen voor evacués uit Afghanistan en Sudan. Voor sommige van deze geëvacueerde personen (betreffen dus alleen mensen met een Nederlands paspoort, danwel met een Nederlandse verblijfsvergunning en hun kerngezin) geldt dat zij niet voldoende zelfredzaam zijn om huisvesting te regelen. Voor hen wordt tijdelijke opvang georganiseerd en zij worden ondersteund bij het zoeken naar een permanente woning.
Waarom vindt u deze regeling noodzakelijk voor geëvacueerde nareizigers uit Gaza? Deelt u de opvatting dat nareizigers uit Gaza dezelfde procedure kunnen volgen voor huisvesting als overige nareizigers?
De regeling is van toepassing op geëvacueerde personen en hun kerngezin die het recht hebben in Nederland te verblijven en niet zelfredzaam zijn. De term nareizigers vanwege gezinshereniging, met een betekenis zoals in de asielketen, is hier niet aan de orde.
Waarom vindt u deze regeling noodzakelijk voor evacués uit Gaza met de Nederlandse nationaliteit? Waaruit blijkt dat zij niet in staat zijn om zelf (tijdelijke) huisvesting te vinden, eventueel via familie, vrienden of kennissen?
De regeling is noodzakelijk omdat het niet zelfredzamen betreft.
De beoordeling of evacués wel of niet voldoende zelfredzaam zijn vindt van geval tot geval plaats. Er is geen algemene uitspraak te doen over waaruit dat in de individuele gevallen blijkt.
Heeft u alternatieven overwogen voor deze regeling, zoals tijdelijke opvang voor evacués die niet direct zelfstandig huisvesting kunnen vinden? Zo ja, welke alternatieven heeft u overwogen? Waarom heeft u niet voor deze alternatieven gekozen?
De regeling heeft alleen betrekking op de evacués die niet zelfstandig in woonruimte kunnen voorzien. Zij worden eerst tijdelijk opgevangen. De regeling faciliteert het doorstromen naar permanente huisvesting via een gemeente.
Heeft deze regeling alleen betrekking op evacués uit Gaza of bent u voornemens deze regeling ook op andere nareizigers, vluchtelingen of migranten met de Nederlandse nationaliteit uit deze regio toe te passen?
De regeling heeft betrekking op personen die (a) vanaf 7 oktober 2023 ten gevolge van de geweldsuitbarsting in Gaza en Israël naar Nederland zijn geëvacueerd door de Rijksoverheid, (b) niet zelf in hun huisvesting in Nederland kunnen voorzien en als gevolg daarvan verblijven in een door de Nederlandse overheid aangeboden voorziening voor tijdelijke huisvesting, en (c) de Nederlandse nationaliteit, of een tijdelijke of permanente verblijfsstatus in Nederland hebben. Deze eisen zijn cumulatief. Op dit moment zijn alleen gezinnen uit Gaza geëvacueerd, maar mocht het in de toekomst noodzakelijk zijn om ook uit andere gebieden in de regio Nederlanders te evacueren als gevolg van een escalatie van het huidige conflict, dan kan de doelgroep groter worden.
Op hoeveel evacués heeft deze regeling tot nu toe betrekking? Welke aantallen verwacht u dat in de toekomst in aanmerking komen voor deze regeling?
Tot op heden zijn sinds 7 oktober 2023 enige tientallen Nederlandse paspoort- en verblijfsstatushouders inclusief hun gezin naar Nederland geëvacueerd. Vier gezinnen bleken onvoldoende zelfredzaam te zijn om zelfstandig in een woning te kunnen voorzien en hiervoor is tijdelijke woonruimte gezocht. Uiteindelijk is voor drie gezinnen een beroep op huisvesting bij een gemeente gedaan. Inmiddels is één gezin doorgestroomd naar permanente huisvesting. Toekomstige aantallen zijn afhankelijk van eventuele toekomstige evacuaties.
Kunt u aangeven voor diverse voorbeeldgemeenten hoeveel evacués door deze regeling gehuisvest moeten worden? Komt deze taakstelling bovenop de taakstelling die gemeenten al hebben om statushouders te huisvesten? Hoe reflecteert u hierop, mede gelet op het feit dat veel gemeenten moeite ondervinden bij het tijdig huisvesten van statushouders?
Zoals uit het antwoord op vraag 6 blijkt gaat het tot nog toe om hele kleine aantallen. De huisvesting van evacués die onder de regeling vallen kunnen gemeenten met deze regeling meetellen bij de taakstelling die ze hebben voor de huisvesting van statushouders.
Wat is de verwachte invloed van deze regeling op de wachtlijsten van sociale huurwoningen? Vindt u dit acceptabel, gezien de zeer langdurige wachtlijsten in veel gemeenten?
Zoals uit het antwoord op vraag 6 blijkt gaat het tot nog toe om hele kleine aantallen. De doelgroep van de regeling betreft Nederlandse staatsburgers of personen die anderszins het recht hebben in Nederland te zijn en te blijven en noodgedwongen huis en haard hebben moeten achterlaten en niet zelfredzaam genoeg zijn bij het vinden van een woning.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en met spoed beantwoorden? Wilt u daarbij toezeggen geen onomkeerbare stappen te zetten, totdat de Tweede Kamer de mogelijkheid heeft gehad zich over deze regeling uit te spreken?
Ja en ja.
De berichten ‘Bestuurders UMCG declareren voor ton aan autoritten en 15.000 euro voor trip VS’ en ‘Ziekenhuisbestuurders houden zich niet aan declaratie-afspraken’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
|
|
|
Heeft u het bericht «Bestuurders UMCG declareren voor ton aan autoritten en 15.000 euro voor trip VS» en «Ziekenhuisbestuurders houden zich niet aan declaratie-afspraken» gezien en wat is uw reactie hierop?1 2
Ja.
Deelt u de mening dat het bedrag van 15.099 aan publiek geld voor een vijfdaagse studiereis naar de VS maatschappelijk niet te verantwoorden is? Net als het bedrag van 6.100 euro voor 1 vliegticket naar de VS?
Het is niet aan mij om te oordelen over het individuele declaratiegedrag van bestuurders van zorginstellingen. De (hoogte van de) onkosten gemaakt door raden van bestuur van zorginstellingen is een aangelegenheid tussen raad van toezicht en raad van bestuur.
In het algemeen vind ik dat bestuurders van zorginstellingen bij de aanwending van publieke middelen de maatschappelijke belangen voorop moeten stellen. Dat houdt in dat zij transparant zijn over de gemaakte declaraties én dat zij het gesprek voeren over in hoeverre de hoogte van de declaraties passen bij de maatschappelijke positie van die zorginstelling.
Vindt u net als de Raad van Bestuur van het UMCG dat deze gigantische bedragen aan declaraties «goed te verklaren» zijn? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Als u stelt dat u het «volstrekt onacceptabel» vindt en dat er verantwoording moet worden afgelegd over de besteding van publiek geld, vindt u alleen het gebrek aan verantwoording onacceptabel of ook de hoge declaratiebedragen?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er andere voorbeelden van publiek geld – zoals winsten, uitgaven aan reclames of torenhoge beloningen van bestuurders als gevolg van dit perverse zorgsysteem – waar op dit moment geen of nauwelijks verantwoording over wordt afgelegd die u ook onacceptabel vindt? Zo ja, kunt u de Kamer een lijst toesturen?
Ik ben van mening dat over de besteding van publiek geld verantwoording moet worden afgelegd. Dit gebeurt onder andere middels de verplichte openbare jaarverantwoording voor zorginstellingen. Eventuele winsten van zorginstellingen zijn hierin opgenomen. Deze jaarverantwoordingen zijn voor iedereen inzichtelijk op www.jaarverantwoordingzorg.nl. Ook over de beloningen van zorgbestuurders wordt openbaar verantwoording afgelegd.
Als u in de media aangeeft dat er een gesprek komt met ziekenhuizen, heeft dit aangekondigde gesprek al plaatsgevonden? Zo ja, wat is de uitkomst van dit gesprek? Zo nee, wanneer staat dit gesprek gepland? Bent u bereid om de uitkomst van dit gesprek naar de Kamer te sturen?
Dit gesprek staat gepland op 25 april 2024 met afgevaardigden van de Nederlandse Vereniging van Bestuurders in de Zorg (NVZD), de Nederlandse Vereniging van Toezichthouders in Zorg en Welzijn (NVTZ), de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ), de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) en de vereniging Brancheorganisaties Zorg (BoZ).
Wat is volgens u de oorzaak dat 90% van de ziekenhuizen zich niet aan de afspraken houdt?
Dat zal onderwerp van gesprek zijn voor het geplande overleg met branche- en beroepsverenigingen.
Klopt het dat het kabinet nog steeds vasthoudt aan «zelfregulering» terwijl dit de afgelopen tijd bewezen niet heeft gewerkt? Zo ja, waarom houdt u hier nog steeds aan vast? Denkt u daadwerkelijk dat een «gesprek» verandering gaat brengen in de manier waarop ziekenhuizen zich aan deze afspraken houden?
Bestuurders en toezichthouders hebben in de Governancecode Zorg zelf afgesproken om het beleid rondom onkostenvergoedingen en de gemaakte declaraties openbaar te maken. Dat zij zich niet aan deze afspraken houden vind ik, net als u, teleurstellend. Dat betekent echter niet dat ik vraagtekens zet bij het geheel aan zelfregulering. De Governancecode Zorg omslaat namelijk een veel breder palet aan bepalingen, waarvan ook in een recente evaluatie is aangetoond dat deze bijdragen aan de professionalisering van bestuurders en toezichthouders in de zorg3.
Tegen die achtergrond is het logisch om eerst met partijen in gesprek te gaan over de naleving van deze specifieke bepaling alvorens andere maatregelen te nemen. Ik vind wetgeving daarbij het ultimum remedium en hecht er veel meer waarde aan dat transparantie uit het veld zelf komt.
Ik ben blij dat de NVZD, NVTZ en NVZ hun leden hebben opgeroepen de bepaling in de Governancecode Zorg op de kortst mogelijke termijn alsnog na te komen. De NVTZ en NVZD zijn ook bezig met het opstellen van een handreiking voor
bestuurders en toezichthouders. Ik vertrouw er op dat deze acties, in combinatie met het geplande gesprek en de maatschappelijke ophef en politieke aandacht voor dit onderwerp, zullen leiden tot meer bewustwording en een betere naleving van de bepaling rondom declaraties. De NVZ heeft aan mij aangegeven dat zij op dit moment al signalen ontvangen van bestuurders die hun declaraties alsnog openbaar gaan maken.
Bent u bereid om een wettelijke plicht voor ziekenhuizen te overwegen? Zo ja, kunt u toelichten hoe u dit gaat doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Welke mogelijkheden heeft u om de declaraties van ziekenhuizen te maximeren? Indien u deze niet heeft, bent u bereid onderzoek te doen naar de mogelijkheden hiervoor? Zo nee, waarom niet?
Ik heb niet de mogelijkheid om declaraties van ziekenhuizen te maximeren, omdat zulke afspraken onder zelfregulering vallen. Het is aan raden van toezicht en raden van bestuur om afspraken te maken over de maximale hoogte van vergoedingen en daarbij het maatschappelijk belang in acht te nemen.
Deelt u de mening dat declaraties van tienduizenden euro’s van bestuurders een schoffering zijn richting medewerkers van ziekenhuizen die maanden voor dit soort bedragen moeten werken? Zo nee, waarom niet?
Het is uitlegbaar dat de uitgaven van bestuurders van UMC’s en topklinische ziekenhuizen hoger zijn, gezien het internationale werkveld waarin zij opereren. Ik vind het belangrijk dat raden van toezicht en raden van bestuur het gesprek aangaan over wat maatschappelijk gezien aanvaardbare bedragen zijn, passend bij de maatschappelijke positie van de betreffende instelling.
Hoe verhoudt zich het steeds verder uitkleden van ziekenhuizen door deze bestuurders onder druk van zorgverzekeraars en banken zich tot deze belachelijk bedragen aan publiek geld dat niet naar geld in de zorg gaat?
Ik herken dit geschetste beeld niet. Het komt voor dat ziekenhuizen vanwege oplopende personeelstekorten of financiële tekorten genoodzaakt zijn tot heroverwegingen van de organisatie.
Bent u het met universitair docent bestuurskunde Eduard Schmidt eens die stelt «Als een bestuurder door de Raad van Toezicht niet gevraagd wordt opengehouden van zaken te geven, dan zal je dat als toezichthouder waarschijnlijk ook niet doen»? Zo nee, waarom niet?
Bestuurders en toezichthouders hebben in hun eigen rollen een verbeterslag te maken rondom dit thema en zullen hun respectievelijke verantwoordelijkheden moeten uitvoeren conform de bepalingen in de Governancecode Zorg.
Vindt u het acceptabel dat leden van de Raad van Bestuur van verschillende ziekenhuizen de declaraties van bestuurders van andere ziekenhuizen mogen controleren als lid van de Raad van Toezicht? Zo ja, waarom? Bent u bereid hier een wettelijk verbod op in te stellen?
Het uitgangspunt in de Governancecode Zorg is dat de raad van toezicht het onkostenbeleid opstelt en ook verantwoordelijk is voor de naleving en openbaarmaking daarvan.
Kunt u een volledig overzicht geven van alle declaraties per ziekenhuis vanaf 2017?
Ik beschik niet over deze gegevens.
Deelt u de mening dat dit de uitwassen zijn van het gebrek aan publieke controle op ziekenhuizen door het huidige zorgsysteem?
Ik ben het niet met u eens dat er een gebrek aan (publieke) controle is op ziekenhuizen. De raad van toezicht adviseert en controleert de raad van bestuur. Daarnaast houdt de IGJ toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg en de NZa op onder andere goed bestuur en professionele bedrijfsvoering van zorgaanbieders.
Erkent u dat door het democratiseren van onze ziekenhuizen door zeggenschap te geven aan personeel, patiënten en de gemeenschap dit soort wanpraktijken kunnen worden voorkomen? Zo nee, waarom niet? Kunt u uw visie hierop uitgebreid toelichten?
Uiteraard vind ik het belangrijk dat personeel, patiënten en de gemeenschap zeggenschap ervaren en betrokken zijn bij beslissingen over hun werk en de zorg die zij ontvangen. Dit is overigens ook een belangrijk uitgangspunt van de Governancecode Zorg.
De procedure voor de benoeming van een nieuwe gezaghebber voor Sint-Eustatius en het resulterende aanwijzen van de huidige regeringscommissaris |
|
Peter van Haasen (PVV) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Ministerraad bevestigt: Alida Francis gezaghebber»?1
Ja.
Waarom heeft u het advies van de vertrouwenscommissie van de eilandsraad, die tijdens de sollicitatieprocedure gesprekken heeft gevoerd met kandidaten voor de functie van gezaghebber en uiteindelijk unaniem een sterke voorkeur heeft uitgesproken voor een kandidaat, naast u neergelegd en een andere kandidaat voorgedragen als gezaghebber?
De procedure voor de benoeming van een gezaghebber is vertrouwelijk. Dit betekent dat ik geen (inhoudelijke) informatie mag geven over onderdelen van de gevolgde procedure, waaronder het advies van de vertrouwenscommissie.
Bent u op de hoogte van het sentiment op Sint-Eustatius over dit besluit, en ziet u geen bezwaren in de toekomstige samenwerking tussen de nieuwe gezaghebber en de eilandraad? Heeft u daarmee rekening gehouden in uw besluitvorming?
Direct na de ministerraad, waarin de voordracht van mevrouw Francis als gezaghebber van het openbaar lichaam Sint Eustatius aan de orde is geweest, heb ik hier met het eilandsbestuur gesprekken over gevoerd. Ik heb, gelet op haar ervaring en competenties, waaronder haar ruime politiek-bestuurlijke ervaring, alle vertrouwen in het functioneren van mevrouw Francis en een constructieve samenwerking met het eilandsbestuur.
Het artikel 'Toename commerciële verpleeghuizen zorgelijk' |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
|
|
|
Kent u dit bericht en zo ja, wat vindt u ervan?1
Ik heb kennisgenomen van dit bericht en in de hiernavolgende beantwoording geef ik mijn reactie.
Deelt u de mening van de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) die deze stijging zorgelijk vindt? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat het aanbod van commerciële verpleeghuizen – getuige de groei in de afgelopen jaren – voorziet in een behoefte. Het aanbod levert tevens een bijdrage aan het beperken van de wachtlijsten. Om die reden vind ik de groei niet zorgelijk. Wel ben ik van mening dat ook bij deze instellingen de beschikbaarheid van de artsenfunctie goed geregeld moet zijn, voordat een dergelijke instelling besluit zich in een bepaalde wijk te vestigen. De zorg wordt bekostigd vanuit de Wlz. De medische zorg in deze instellingen wordt in de regel geleverd door de huisarts vanuit de Zvw. Aanvullend kan specifieke Wlz-behandeling door de specialist ouderengeneeskunde worden geleverd.
Bij het realiseren van dit soort initiatieven is het van belang dat partijen zoals instellingen, huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde en zorgkantoren, met elkaar afspraken maken over de inrichting van de artsenfunctie. Daarmee kan worden voorkomen dat partijen verrast worden door een nieuwe groep (zware) cliënten/patiënten. Indien partijen tijdig met elkaar in gesprek gaan, is de kans groter dat zij in overleg met elkaar komen tot passende oplossingen.
Is bekend hoeveel ouderen in een commercieel verpleeghuis wonen met een verblijfsindicatie en zonder een verblijfsindicatie?
Binnen de Wlz wordt geregistreerd van welke leveringsvorm cliënten gebruik maken (intramuraal bekostigd op basis van ZZP, of via een VPT, MPT of pgb). Daarbij wordt niet geregistreerd wat de rechtsvorm is van de instelling die de zorg levert en is niet bekend of het commerciële instellingen betreft.
Deelt u de mening van de LHV die stelt dat de medische zorg in deze woonvormen niet altijd goed geregeld is?
Helaas blijkt het soms lastig om de medische zorg in deze woonvormen goed te regelen. Zoals eerder aangegeven wordt de medische zorg in deze instellingen geleverd door huisartsen. Ik realiseer me echter dat de medische zorg soms te complex is voor de huisarts, gezien de kwetsbare doelgroep in de woonvormen. In dat geval kan een huisarts de specifieke deskundigheid van de specialist ouderen
geneeskunde inroepen. Hierover dienen partijen als instellingen, huisarts, specialist ouderengeneeskunde en zorgkantoor tijdig afspraken te maken.
Om de totstandkoming van deze afspraken te stimuleren heb ik veldpartijen (LHV, Verenso, NVAVG, ActiZ, VGN en InEen) verzocht om onder leiding van ZN afspraken te maken over taak- en verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende beroepsgroepen. Deze afspraken worden vastgelegd in een convenant en regionaal geïmplementeerd.
Daarnaast ondersteun ik het programma medisch generalistische zorg in de regio van Vilans met een subsidie. Het betreft hier een driejarig programma waarbij in beeld gebracht wordt wat de knelpunten zijn rond de samenwerking en hoe deze opgelost kunnen worden. Ook is er de mogelijkheid om gebruik te maken van coaches in de regio die in samenspraak met alle betrokken partijen medische zorg tot stand kunnen brengen. Een voorbeeld hiervan is de ondersteuning die Vilans geleverd heeft in de regio Arnhem. Er is een werksessie met huisartsen, kleinschalige zorginstellingen en specialisten ouderengeneeskunde georganiseerd om de knelpunten en mogelijke oplossingen te inventariseren2. De conclusie van de bijeenkomst was dat er kansen liggen om de samenwerking tussen kleinschalige zorginstellingen, huisartsen en specialisten ouderengeneeskunde te ontwikkelen. De inzet van specialisten ouderengeneeskunde en verpleegkundige specialisten wordt samen met meerdere kleinschalige zorginstellingen vormgegeven door onder meer unanieme samenwerkingsafspraken te maken over bijvoorbeeld stepped-care en triage.
Tot slot is er de visie eerste lijn, waarin partijen afspraken hebben gemaakt over de versterking van de eerste lijn. Hierin is opgenomen de rol en positie van de specialist ouderengeneeskunde in de wijk te versterken.
Wat kan de huisarts doen als hij geconfronteerd wordt met een oudere die meer gespecialiseerde zorg nodig heeft dan de huisarts kan geven?
De huisarts kan van de instelling, waar de oudere verblijft, verlangen dat hij ondersteund wordt door bijvoorbeeld voldoende verplegend en verzorgend personeel en een adequate informatie- en patiëntoverdracht. Daarnaast biedt de Wlz de mogelijkheid om behandelaren in te zetten die geneeskundige zorg van specifiek medische, specifiek gedragswetenschappelijke of specifiek paramedische aard leveren. Een huisarts zou een specialist ouderengeneeskunde of een verpleegkundige specialist kunnen raadplegen. Ook kan bijvoorbeeld een specialist ouderengeneeskunde als medebehandelaar fungeren of zelfs (tijdelijk) als regiebehandelaar.
Klopt het dat ouderen die in een commercieel verpleeghuis wonen vaker en eerder in een ziekenhuis terechtkomen dan ouderen in een niet-commercieel verpleeghuis?
Binnen de Wlz wordt geregistreerd van welke leveringsvorm cliënten gebruik maken (intramuraal bekostigd op basis van ZZP, of via een VPT, MPT of pgb). Daarbij wordt niet geregistreerd wat de rechtsvorm is van de instelling die de zorg levert en is niet bekend of het een commerciële instelling betreft. Om die reden is mij niet bekend of cliënten vanuit een commercieel verpleeghuis vaker en eerder in een ziekenhuis terechtkomen.
Aan welke voorwaarden moet de medische zorg voldoen die in een commercieel verpleeghuis wordt geleverd?
Er is geen verschil tussen commerciële en overige verpleeghuizen in de voorwaarden waaraan de medische zorg moet voldoen. In beide gevallen wordt zorg geleverd zoals behandelaren deze plegen te bieden.
Ziet de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) voldoende toe op de medische zorg die wordt geleverd in commerciële verpleeghuizen? Zo ja, wat zijn laatste bevindingen van de IGJ?
De IGJ ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van zorg die in verpleeghuizen wordt geleverd. Zij doet dit risico-gestuurd op basis van de grootste risico’s voor de kwaliteit en veiligheid. Hiervoor gebruikt de inspectie diverse informatie over de kwaliteit van de zorg, bijvoorbeeld via signalen en meldingen die worden gedaan. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen commerciële en overige verpleeghuizen. Het is voor de IGJ van belang dat de kwaliteit van de zorg in orde is.
Wat betreft de medische basiszorg voor Wlz-cliënten in met name kleinschalige woonvormen hebben de IGJ en de NZa in september 2022 hun zorgen geuit3. Zoals hierboven aangegeven, is naar aanleiding van deze beleidssignalering het programma medisch generalistische zorg in de regio gestart. Ook zijn veldpartijen gestart met het maken van afspraken over de taak- en verantwoordelijkheidsverdeling tussen huisartsen, artsen verstandelijk gehandicapten en specialisten ouderengeneeskunde (zie vraag 4).