Het bericht dat het kabinet wel bouwstenen, maar nog geen plan heeft voor de huisvesting van mensen in de knel |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel de «bouwstenen», nog geen plan voor huisvesting mensen in de knel»?1
Ja, ik ben daarvan op de hoogte.
Klopt het dat het kabinet bij de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder statushouders, ook nadrukkelijk kijkt naar woningdeling binnen de sociale woningvoorraad?
Het kabinet werkt aan het realiseren van aanvullende huisvesting buiten de sociale voorraad. Gezien de urgentie van het vraagstuk, zet het kabinet daarnaast in op woningdelen binnen de sociale woningvoorraad. Dit is vaak sneller realiseerbaar. Hierdoor zijn minder woningen nodig voor huisvesting van statushouders, wat de wachttijd voor sociale huurwoningen vermindert.
Klopt het dat er gemeenten en woningcorporaties zijn die sociale huurwoningen beschikbaar stellen als «doorstroomlocatie»?
Via de regeling Doorstroomlocaties (DSL) is het niet mogelijk om statushouders te huisvesten in reguliere sociale huurwoningen. Woningdelen in bestaande sociale huurwoningen is wel mogelijk via de Doelgroepflexibele regeling (DFR), die per 1 juli jongstleden in werking is getreden. Deze regeling biedt gemeenten en woningcorporaties de mogelijkheid en financiële kaders om onzelfstandige woonruimte in te zetten en te realiseren, waardoor meerdere alleenstaande statushouders efficiënter gebruik kunnen maken van een bestaande woning. Op deze manier zijn er minder afzonderlijke woningen nodig voor deze doelgroep en blijven er meer woningen beschikbaar voor andere woningzoekenden.
Waarom kiest het kabinet er niet voor om, conform het coalitieakkoord, als uitgangspunt te hanteren dat alternatieve huisvestingsvormen voor statushouders zoveel mogelijk buiten de bestaande sociale woningvoorraad worden gerealiseerd?
Het kabinet zet, conform het coalitieakkoord, in op aanvullende huisvesting buiten de sociale woningvoorraad. De opgave is echter groot: er moeten jaarlijks circa 30.000 statushouders gehuisvest worden, met een achterstand van ongeveer 10.000 statushouders. Om de druk op de asielopvang, kosten en vertraging in inburgering te beperken, is snelle uitstroom noodzakelijk. Nieuwe woonvormen alleen bieden op korte termijn onvoldoende oplossing. Daarom zet het kabinet aanvullend in op het beter benutten van de bestaande voorraad, bijvoorbeeld via woningdelen.
Welke alternatieven buiten de sociale woningvoorraad onderzoekt u om invulling te geven aan de taakstelling voor de huisvesting van statushouders, zonder de druk op de reguliere sociale huurmarkt verder te vergroten?
In de Kamerbrief van 3 juli heb ik de bouwstenen voor een bestuurlijk akkoord met gemeenten en woningcorporaties geschetst. Daarbij zet het kabinet nadrukkelijk in op aanvullende vormen van huisvesting buiten de bestaande sociale woningvoorraad.
Het gaat hierbij onder andere om onzelfstandige flexwoningen, transformatie van bestaand vastgoed en vormen van woningdelen buiten de reguliere sociale huurvoorraad. Met deze inzet beoogt het kabinet zowel de druk op de asielopvang te verlagen, als de druk op de sociale huurmarkt niet verder te vergroten.
In hoeverre deelt u de opvatting dat het oneerlijk is dat woningzoekenden soms pas na 10 jaar in aanmerking komen voor een sociale huurwoning terwijl statushouders voorrang krijgen op sociale huurwoningen? Zo niet, waarom niet?
Voorrang voor statushouders bij sociale huur knelt steeds meer, omdat andere woningzoekenden te lang op een wachtlijst staan. Het kabinet doet hier wat aan doen langs drie routes: minder instroom, meer nieuwbouw en aanvullende vormen van huisvesting. Daarmee kunnen we de druk op de sociale woningvoorraad verminderen, met alternatieven voor statushouders en voldoende uitstroom uit de asielopvang.
In hoeverre deelt u de opvatting dat statushouders daarom zoveel mogelijk in sobere alternatieve huisvesting buiten de sociale woningvoorraad moeten worden gehuisvest?
Het kabinet zet in op het realiseren van aanvullende vormen van huisvesting buiten de sociale woningvoorraad. Deze vormen van huisvesting dienen te voldoen aan de geldende kwaliteitseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Aanvullende huisvesting kan tijdelijk en eenvoudiger van aard zijn, maar moet veilig en passend zijn en met oog voor leefbaarheid. Het moet bewoners een basis bieden om mee te doen in de samenleving en voorspoedig in te burgeren.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten en woningcorporaties reguliere sociale huurwoningen inzetten als doorstroomlocatie voor statushouders?
Gemeenten en woningcorporaties hebben binnen de bestaande kaders ruimte om de voorraad tijdelijk flexibel in te zetten, bijvoorbeeld om acute druk op de opvang te verlichten. Het inzetten van een sociale huurwoning voor woningdelen, kan op dit moment een oplossing bieden om minder druk op de sociale woningvoorraad te leggen. Er zijn hierdoor namelijk minder afzonderlijke woningen nodig. Ik ben daarom niet voornemens dergelijke maatregelen te nemen.
Welke mogelijkheden tot inspraak hebben omwonenden wanneer een sociale huurwoning wordt aangewezen als doorstroomlocatie?
De mogelijkheden voor inspraak van omwonenden bij een doorstroomlocatie hangen af van de concrete situatie. Als voor een locatie een ruimtelijke procedure nodig is, bijvoorbeeld bij functiewijziging of verbouwing, gelden de gebruikelijke regels voor participatie en inspraak. Zorgvuldige communicatie met omwonenden is altijd belangrijk.
Hoeveel statushouders zijn de afgelopen drie jaar gehuisvest in een zelfstandige sociale huurwoning? Welk aandeel van de jaarlijkse toewijzingen aan corporatiewoningen betreft dit? Welk effect verwacht u dat de beschreven plannen zullen hebben op dit aandeel?
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ging in 2023 bijna 8 procent van alle vrijgekomen corporatiewoningen naar huishoudens met één of meerdere statushouders. Dat zijn ruim 13 duizend woningen, iets meer dan een jaar eerder (7 procent). Huishoudens met een of meer statushouders waren vaker starters op de woningmarkt, dan huishoudens zonder statushouders. 20 procent van alle starters die in corporatiewoning ging wonen was een huishouden met een statushouder. Dit komt neer op ongeveer 8.200 huishoudens. Dit zijn de meest recente cijfers van het CBS.
Het effect dat de plannen zullen hebben op deze toewijzingspercentage is moeilijk te voorspellen. Met name omdat andere factoren zoals de totale asielinstroom en huishoudsamenstelling van statushouders hier ook een effect op hebben.
Bent u het eens dat woningdelen voor statushouders binnen de bestaande voorraad strijdig is met het voornemen om te komen tot een wetsvoorstel waarmee de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wettelijk niet meer mogelijk is? Zo niet, waarom niet?
Zoals beschreven in de Kamerbrief van 20 maart werkt het kabinet momenteel aan een nieuw, uitvoerbaar wetsvoorstel, waarbij tegemoet wordt gekomen aan de reacties van de Raad van State, gemeenten en andere betrokken partijen over de uitvoerbaarheid van het eerdere wetsvoorstel voor verbod op voorrang statushouders. In dezelfde brief staat dat het kabinet conform coalitieakkoord met gemeenten en andere maatschappelijke partners afspraken maakt over het snel ontwikkelen van aanvullende huisvesting waar statushouders, Oekraïners en Nederlanders die tijdelijke huisvesting nodig hebben samen terechtkunnen, als alternatief voor het gebruik van sociale huurwoningen. Ook woningdelen wordt hierbij als oplossing genoemd. Vanwege de snelheid waarmee aanvullende huisvesting kan worden gerealiseerd.
In antwoord op eerdere schriftelijke vragen gaf u aan dat er slechts 48 doorstroomlocaties met 1.853 plekken zijn gerealiseerd. De verwachting was dat er nog voor het zomerreces 263 extra plekken gerealiseerd zouden worden. Zijn deze plekken ook daadwerkelijk voor het zomerreces gerealiseerd?
Deze plekken zijn niet volledig voor het zomerreces gerealiseerd. Momenteel zijn er 51 doorstroomlocaties operationeel, waarmee het aantal gerealiseerde plekken is gestegen naar 1.925 voor statushouders. Dit is minder dan eerder aangegeven. De vertraging wordt onder andere veroorzaakt door langere doorlooptijden bij bouw, vergunningverlening en bezwaarprocedures. De verwachting is dat het aantal operationele locaties tot 1 januari 2027 verder stijgt naar circa 61 locaties, waarmee de capaciteit oploopt naar ongeveer 2.436 plekken voor statushouders.
Deze cijfers betreffen specifiek doorstroomlocaties die zijn gerealiseerd met de regeling doorstroomlocaties (Bekostigingsregeling huisvesting vergunninghouders in doorstroomlocaties) of de doelgroepflexibele regeling (Regeling tijdelijke bekostiging opvang en huisvesting gemeenten). Andere typen voorzieningen die worden ingezet voor de doorstroom van statushouders zijn hier geen onderdeel van, omdat hier geen exacte cijfers van bekend zijn.
Hoeveel plekken moeten volgens u nog worden gerealiseerd voordat u een wetsvoorstel naar de Kamer kunt sturen waarmee de wettelijke voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wordt beëindigd? Wanneer verwacht u dit wetsvoorstel naar de Kamer te sturen?
Momenteel wordt gewerkt aan de verdere uitwerking van het wetsvoorstel. Het is de verwachting dat dit wetsvoorstel voor het kerstreces in internetconsultatie wordt gebracht. Uw Kamer zal hierover voorafgaand worden geïnformeerd.
In uw brief «Bouwstenen: versnelde realisatie aanvullende vormen van huisvesting» heeft mijn fractie niet kunnen opmaken op welke wijze u invulling heeft gegeven aan de motie Nobel/Flach (Kamerstuk 36 881, nr. 9) over onderzoeken hoe gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van alternatieve huisvesting zodat de voorrang statushouders kan worden afgeschaft, kunnen worden beloond. Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
Het belonen van gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van aanvullende vormen van huisvesting, neem ik mee in de bestuurlijke afspraken die ik maak met gemeenten, provincies en woningcorporaties. In de ondersteuning die ik daarvoor inricht (zoals locatiescans, begeleiding en expertise), zullen gemeenten die voortvarend aan de slag gaan beloond worden. Bijvoorbeeld door middel van prioritaire of extra toegang tot deze ondersteuning.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De berichten over de situatie in de straat van Hormuz |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Silvio Erkens (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Heeft u een duidelijk beeld van de gevolgen van de crisis in de straat van Hormuz voor de kosten en beschikbaarheid van inputs voor de Nederlandse landbouw (zoals diervoeding en kunstmest)?
Het kabinet heeft Wageningen Social & Economic Research gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de gevolgen van een afsluiting van de Straat van Hormuz voor de Nederlandse voedselvoorziening, waaronder de beschikbaarheid en kosten van landbouwinputs zoals diervoeder en kunstmest. De resultaten van deze analyse zijn begin juli met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Tegelijkertijd monitort het kabinet de ontwikkelingen in en rond de Straat van Hormuz nauwlettend en onderhoudt het ministerie hierover nauw contact met sectorpartijen.
Heeft u ook breder de afhankelijkheden van de Nederlandse landbouw in beeld van inputs van buiten de EU en de gevolgen voor de landbouw en de Nederlandse strategische autonomie en economie wanneer dit soort inputs tijdelijk of langdurig zouden wegvallen?
Het kabinet heeft de belangrijkste strategische afhankelijkheden van de Nederlandse landbouw van inputs uit derde landen in beeld en monitort deze. Het verminderen van deze strategische afhankelijkheden vormt de tweede pijler van de aangekondigde Strategische Agenda Voedselzekerheid (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Tegelijkertijd kunnen, afhankelijk van de aard en duur van een verstoring, ook bij andere producten en grondstoffen knelpunten ontstaan. Een onderbreking van de aanvoer kan leiden tot schaarste en prijsstijgingen van strategische inputs zoals energie en kunstmeststoffen, met mogelijke gevolgen voor de kosten en continuïteit van de landbouwproductie. De uiteindelijke impact is afhankelijk van de duur van de verstoring en de beschikbaarheid van alternatieve leveranciers of producten.
Op welke wijze bereidt u zich voor op dit soort scenario’s?
Het kabinet bereidt zich op dergelijke scenario's voor door analyses uit te voeren, strategische afhankelijkheden in kaart te brengen, ontwikkelingen in internationale toeleveringsketens nauwlettend te volgen en contact te onderhouden met sectorpartijen. Op basis daarvan kan het kabinet, indien nodig, tijdig maatregelen treffen om de gevolgen voor de voedselvoorziening en de landbouwproductie zoveel mogelijk te beperken.
Bovendien werkt het kabinet in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven en relevante (publieke) stakeholders aan een Landelijk Crisisplan Voedselzekerheid, dat naar verwachting begin 2027 aan u zal worden aangeboden. Dit is het overkoepelende kader voor het handelen in crisissituaties rondom voedselzekerheid en beschrijft de rol, taken en verantwoordelijkheden.
Hoe voorziet u dat Nederland de komende tijd meer onafhankelijk kan worden van dit soort inputs en hoe past dit binnen de verdere stappen die op het terrein van LVVN worden gezet, zoals de stikstofplannen, het nieuwe achtste Actieprogramma Nitraatrichtlijn en de eiwitstrategie?
Begin juli heeft de Staatssecretaris van LVVN uw Kamer geïnformeerd over de contouren van zijn Strategische Agenda Voedselzekerheid (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Het structureel verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden vormt één van de drie pijlers waarop deze agenda is gebaseerd. De agenda zal integraal worden bezien in relatie tot de genoemde LVVN-terreinen, waarbij aandacht is voor de samenhang tussen de verschillende beleidsopgaven.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Voedselzekerheid op 23 september 2026?
Ja.
De antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan , Mirjam Sterk (CDA) |
|
Klopt het dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten duurder zijn dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer bredere gangen, ruimere badkamers, rolstoeltoegankelijkheid en extra ruimte voor zorgverlening (2026D35525)? Zo nee, waarom niet?
Ja, het klopt dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten gemiddeld duurder zijn om te realiseren dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer toegankelijkheidseisen.
Waarop is uw verwachting gebaseerd dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen gehaald kan worden, terwijl tegelijkertijd uit kabinetsstukken blijkt dat voor de meest complexe categorieën ouderenhuisvesting sprake is van hogere bouwkosten, een onrendabele top en een achterblijvende planvoorraad?
De doelstelling van 290.000 ouderenwoningen bestaat uit nultredenwoningen, zorggeschikte en geclusterde woningen. Uit de Kamerbrief verstuurd op 6 juli blijkt dat er plannen zijn voor ongeveer 215.000 van de 290.000 woningen.1 De planvorming en bouw van nultredenwoningen ligt ruim op koers. Het klopt dat bij geclusterde woonvormen en zorggeschikte woningen de planvorming en realisatie achterblijft. Met de in bovenstaande Kamerbrief aangekondigde € 420 mln. die binnen de Realisatiestimulans beschikbaar is voor zorggeschikte en geclusterde woningen zet het kabinet vol in op schaalvergroting en versnelling van de bouw van geclusterde en zorggeschikte woningen.
Klopt het dat in de bijlage bij uw beantwoording tot en met 2030 in totaal 758 miljoen euro beschikbaar is voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de opslag voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans? Zo ja, hoe is de onderverdeling? Zo nee, welk totaalbedrag is volgens u dan tot en met 2030 specifiek beschikbaar voor ouderenhuisvesting en hoe is dat bedrag precies opgebouwd?
Nee, het klopt niet dat dit uitsluitend voor ouderenhuisvesting beschikbaar is. Voor de periode 2026 tot en met 2030 staat er € 758 mln. op de begrotingen van VWS en BZK voor het doen van betalingen voor zorggeschikte en geclusterde woningen. Voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) is in totaal € 294,6 mln. beschikbaar op ouderenhuisvesting. Hiervan is € 115,8 mln. al verplicht aan toegekende aanvragen. Voor de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) staat er nog € 43,8 mln. op de begroting van BZK voor ouderenhuisvesting, waarvan € 4 mln. al verplicht is aan toegekende aanvragen. Binnen de post opslagen onder de Realisatiestimulans is € 420 mln. beschikbaar voor zorggeschikte en geclusterde woningen voor ouderen en aandachtsgroepen.
Klopt het dat voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen tot en met 2028 in totaal 294,6 miljoen euro beschikbaar is? Hoeveel ouderenwoningen kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de subsidiebedragen van 17.500 euro, 15.000 euro, 7.500 euro, 5.000 euro, 7.000 euro, 5.000 euro, 3.000 euro en 2.000 euro per wooneenheid? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?1
Het klopt dat er in de jaren 2026 t/m 2028 € 294,6 mln. op de begroting van VWS staat om goedgekeurde aanvragen te kunnen betalen. Per 1 juni 2026 is voor € 115,6 mln. aan aanvragen toegekend voor 7.866 zorggeschikte woningen. Dat is gemiddeld € 14.690 per zorggeschikte woning. Op basis van het gemiddelde bedrag per woning wordt met het budget van € 294,6 mln. bijgedragen aan de bouw van ongeveer 20.050 zorggeschikte woningen in de sociale huur.
Waarop baseert u de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is, als met de specifiek voor zorggeschikte woningen beschikbare middelen slechts een beperkt deel van die totale opgave kan worden ondersteund?
Niet alle 290.000 ouderenwoningen hebben financiële ondersteuning nodig3. De planvorming en realisatie van nultredenwoningen ligt op koers. Vanuit de SZGW wordt alleen financiële ondersteuning geboden bij zorggeschikte woningen met een sociale huurprijs, omdat meerkosten in dit segment niet of nauwelijks in de huurprijs kunnen worden terugverdiend. Dit gaat om 50% van de 41.000 zorggeschikte woningen. Voor de 94.000 geclusterde woningen in het betaalbare segment (ca. 75%) verwachten we dat ondersteuning gewenst is om tot realisatie van ontmoetingsruimten te komen. Zie verder antwoord 16.
Klopt het dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) beschikbaar is in 2027 en 2029? En klopt het dat voor deze regeling in totaal 43,8 miljoen euro beschikbaar is?
Het klopt dat er in totaal nog € 43,8 mln. voor de SOO op de begroting van BZK staat in de jaren 2027 en 2029. Dit betekent echter niet dat er in die jaren loketten open zijn. Tot 18 december 2026 staat de vierde tranche van de SOO open met een subsidieplafond van € 39,8 mln. Uitbetaling van 90% van het subsidiebedrag vindt in 2027 plaats. Uitbetaling van de resterende 10% vindt over de daaropvolgende jaren (uiterlijk 7 jaar) plaats op basis van oplevering. Met de resterende € 4 mln. wordt de resterende 10% van toegekende aanvragen uit eerdere tranches betaald.
Hoeveel ontmoetingsruimten kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de maximale subsidiebedragen van 100.000 euro, 150.000 euro en 175.000 euro per aanvraag? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?2
Hoeveel ontmoetingsruimten er maximaal kunnen worden gerealiseerd, is afhankelijk van de subsidiebedragen die worden aangevraagd. Dit is weer afhankelijk van de bouwkosten van de ontmoetingsruimte (met een maximum van € 2.500 per m2) en van het aantal woningen in de geclusterde woonvorm (tot een maximum van € 100.000 bij 5 t/m 20 woningen, € 150.000 euro bij 21 t/m 50 woningen en € 175.000 euro bij meer dan 50 woningen per aanvraag). In de eerste drie tranches (2022 t/m 2025) zijn hiermee aanvragen toegekend voor 531 ontmoetingsruimten bij naar schatting 29.000 geclusterde woningen voor ca. 73 miljoen euro5. Een deel van deze aanvragen (41) is later ingetrokken.
Acht u de hoeveelheid ontmoetingsruimten in uw berekening voldoende in verhouding tot de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen neemt u en acht u dit voldoende om de door het kabinet beoogde sociale effecten, waaronder ontmoeting, gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid, te realiseren?
Er is reeds subsidie toegekend aan aanvragen voor 531 ontmoetingsruimten bij naar schatting 29.000 geclusterde woningen. Op basis van de eerdere tranches, schat ik in dat met de beschikbare bedragen in 2026 aanvragen te kunnen toekennen voor ca. 290 ontmoetingsruimten in ca. 16.000 geclusterde woningen. Binnen de extra € 420 miljoen die beschikbaar is gesteld verwacht ik alle resterende ontmoetingsruimten in geclusterde woningen te kunnen financieren binnen de doelstelling voor 290.000 ouderenwoningen.
Klopt het dat de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) uitsluitend voorziet in investeringen in vastgoed en fysieke ontmoetingsruimten? Zo ja, op welke wijze wordt voorzien in de structurele personele inzet die nodig is om deze ontmoetingsruimten daadwerkelijk te laten functioneren? Welke middelen waren hiervoor onder het vorige kabinet voorzien?
Met de SOO wordt bijgedragen aan de bouwkosten van een ontmoetingsruimte. Een voorwaarde hierbij is dat de aanvrager voorziet in activiteiten en een exploitatieplan voor minimaal 5 jaar. De bewoners mogen daarbij ook zelf in de exploitatie van de ruimte voorzien. Vanuit de SOO zijn geen middelen beschikbaar voor de structurele personele bezetting of begeleiding van ontmoetingsruimten. Ook onder het vorige kabinet waren hiervoor geen middelen beschikbaar. Wel was binnen de envelop ouderenzorg een deel van de middelen voorzien voor het stimuleren van gemeenschapsvorming in woonvormen voor ouderen. De nadere invulling en uitwerking daarvan waren onder het vorige kabinet nog niet afgerond. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport onderzoekt of financiële ondersteuning geboden kan worden aan gemeenschapsvorming.
Heeft het kabinet onderzocht in hoeverre het beschikbaar stellen van ontmoetingsruimten zonder aanvullende financiering voor begeleiding, activiteiten of coördinatie het beoogde sociale effect kan beperken? Zo ja, wat waren daarvan de conclusies? Zo nee, waarom is dat niet onderzocht voordat deze regeling als oplossing werd gepresenteerd?
Dit is bij de start van de eerste tranche van deze regeling (2022) niet onderzocht. Het doel van deze regeling is om meer ontmoetingsruimten in geclusterde woonvormen voor ouderen te realiseren, en richt zich op de investeringskosten van het vastgoed. In sommige gevallen kan inzet op begeleiding of beheer van de ontmoetingsruimte gewenst zijn, en kan dit leiden tot structurele uitgaven. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport onderzoekt of financiële ondersteuning geboden kan worden aan gemeenschapsvorming.
Klopt het dat de Realisatiestimulans beschikbaar is in 2028, 2029 en 2030? En klopt het dat voor de Realisatiestimulans in totaal 420 miljoen euro beschikbaar is?3
Voor de Realisatiestimulans is in totaal ca. € 2,5 mld. euro beschikbaar gesteld in 2026 t/m 2030. Daarbinnen is een opslag van € 420 mln. beschikbaar in de jaren 2028, 2029 en 2030 voor geclusterde en zorggeschikte woningen.
Klopt het dat binnen de Realisatiestimulans een post is opgenomen voor opslagen voor diverse doeleinden, waaronder extra ondersteuning voor geclusterde en zorggeschikte woningen voor alle aandachtsgroepen? Welk bedrag van de hiervoor gereserveerde 420 miljoen euro is specifiek bestemd voor ouderenhuisvesting, welk bedrag voor andere aandachtsgroepen en om welke aandachtsgroepen gaat het?
Ja, dat klopt. Binnen de Realisatiestimulans is een opslag van € 420 mln. opgenomen voor zorggeschikte en geclusterde woningen. Deze middelen zijn beschikbaar voor de realisatie van deze woningtypes, die inzetbaar zijn voor zowel ouderen als aandachtsgroepen en niet specifiek bestemd per doelgroep. Het gaat om de aandachtsgroepen die vermeld staan in het besluit Versterking regie volkshuisvesting.
Klopt het dat hiervoor eveneens de vaste bijdrage van 7.000 euro per woning geldt? Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat er slechts 60.000 woningen kunnen worden gerealiseerd voor alle aandachtsgroepen met de beschikbare 420 miljoen euro en welk deel daarvan betreft volgens u ouderenhuisvesting?
Nee, dit klopt niet. De vaste bijdrage van € 7.000 uit de Realisatiestimulans geldt voor iedere betaalbare woning waarvan de bouw is gestart. Het gaat daarbij om andere activiteiten waaraan een bijdrage wordt verleend om woningen betaalbaar te houden. Met de € 420 mln. voor zorggeschikte en geclusterde woningen is een extra bijdrage voorzien om tegemoet te komen in de specifieke meerkosten van deze woningen, zoals de ontmoetingsruimte en het rolstoelgeschikt maken van de woning. Dit budget staat onder een post opslagen onder de budgetpost Realisatiestimulans. De bijdrage van € 420 mln. is aanvullend ten opzichte van de reeds beschikbare middelen uit de SZGW en de SOO.
Klopt het dat er vanaf 2029 t/m 2030 alleen nog maar een Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen is en geen specifieke stimuleringsregeling meer voor ouderen? Is het gezien deze constatering juist om te concluderen dat de door u tijdens het commissiedebat genoemde 7 miljard euro niet specifiek bestemd is voor ouderenhuisvesting, maar voor de algemene woningbouwopgave in Nederland voor iedereen en alle aandachtsgroepen?
De opslag van € 420 mln. binnen de Realisatiestimulans voor zorggeschikte en geclusterde woningen staat op de begroting van BZK tot en met 2030. Ik werk momenteel uit via welke regelingen deze middelen worden besteed. Op de bestemming van de genoemde 7 miljard heb ik u reeds antwoord gegeven bij beantwoording van uw vragen van 9 juni 2026.
Waarom geeft u in de beantwoording over de uitspraken tijdens het commissiedebat Ouderenzorg aan dat u heeft aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet-Jetten van 2029 tot en met 2035 7 miljard euro beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland en dat ouderenhuisvesting hier ook onder valt terwijl dit niet als specifiek ouderenhuisvestingsbudget4 terugkomt in de door u verstrekte kasreeks in 2029 en 2030?5
Zoals ik in mijn antwoorden op de vragen van lid Keijzer van 9 juni 2026 al heb aangegeven dient het bedrag van € 7 miljard voor woningbouw nog verdeeld te worden.
Waarop baseert u de verwachting dat de specifieke investering van 758 miljoen euro voldoende is, terwijl van dit bedrag slechts 294,6 miljoen euro beschikbaar is voor zorggeschikte ouderenwoningen en een aanzienlijk deel van de overige middelen beschikbaar is voor andere aandachtsgroepen? Vindt u dit verdedigbaar gezien de opgave van 290.000 ouderenwoningen en de vergrijzing die ons land treft?
Mijn verwachting is dat de doelstelling voor geclusterde en zorggeschikte woningen haalbaar is met de extra stimulans van € 420 mln. Ik werk momenteel uit via welke regelingen de beschikbare middelen worden ingezet en welke bedragen daarbij horen. Dit kan leiden tot bijstellingen in de berekeningen. Ik kan daarom nu geen exacte raming geven. Bij de uitwerking van de regelingen voor geclusterde en zorggeschikte woningen zal ik inzicht geven in hoeveel geclusterde en zorggeschikte woningen met de beschikbare middelen kunnen worden gerealiseerd. Daarbij zal ik uw Kamer een inschatting geven van de verdeling tussen ouderen en aandachtsgroepen. Ik verwacht uw Kamer te informeren over de regelingen in het najaar.
Heeft u doorgerekend hoeveel geclusterde en zorggeschikte ouderenwoningen met de beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting, dus exclusief het deel van de Realisatiestimulans dat naar andere aandachtsgroepen gaat, daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden? Zo ja, kunt u die berekening met de Kamer delen? Zo nee, waarop baseert u dan de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is?
Zie het antwoord op vraag 16.
Is het volgens u, gezien bovenstaande en eerdere antwoorden, juist om te concluderen dat dit kabinet de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen wel in stand laat, maar de financiële onderbouwing daarvan juist heeft verzwakt? Zo niet, waarom niet?
Dat is niet juist. Dit kabinet zet de komende jaren juist € 420 miljoen extra in om de realisatie van geclusterde en zorggeschikte woningen verder te stimuleren.
Deelt u de opvatting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen alleen geloofwaardig is indien daar een toereikende financiële onderbouwing specifiek voor ouderen tegenover staat? Zo ja, waaruit blijkt die financiële onderbouwing? Zo nee, waarom niet?
Ik zie de noodzaak om voldoende financiële ondersteuning te bieden om 290.000 ouderenwoningen te realiseren. Zie verder de antwoorden op vragen 16 en 21.
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen van het kabinet-Schoof inzichtelijk worden gemaakt, inclusief hun tijdpad en bestemming tot en met 2030? Betrof dit meer of minder middelen dan de bedragen die momenteel specifiek beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en het onderdeel ouderenhuisvesting binnen de Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen?
In de bijlage wordt een overzicht gegeven van de middelen die beschikbaar zijn voor budgetposten SZGW, SOO en onder de Realisatiestimulans. Daarnaast had het kabinet Schoof oorspronkelijk € 600 mln. gereserveerd voor de verbetering van de kwaliteit van de ouderenzorg (envelop ouderenzorg), waaronder de moderne verzorgingshuizen. Hiervan resteerde ten tijde van het vorige kabinet nog € 470 mln. (zie vraag 22). Deze middelen zijn naar de algemene middelen gegaan en als zodanig betrokken bij het uitwerken van het huidige coalitieakkoord. Over de middelen voor de kwaliteit van de ouderenzorg – inclusief huisvesting voor ouderen – van het vorige kabinet heeft geen besluitvorming plaatsgevonden. De middelen onder de Realisatiestimulans zijn wel direct bestemd voor huisvesting. Daarmee zijn nu meer middelen beschikbaar in het kader van de huisvesting.
Indien uit de gevraagde vergelijking blijkt dat voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen onder het kabinet-Schoof meer middelen beschikbaar waren dan onder het huidige kabinet, welke beleidsmatige afwegingen liggen hieraan ten grondslag? Hoe geloofwaardig acht u dan nog de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Voor een nadere toelichting verwijs ik u naar de beantwoording van de vragen 9, 10 en 12 van uw vragen van 9 juni 2026. De middelen die onder het vorige kabinet waren gereserveerd voor de kwaliteit van de ouderenzorg konden ook worden ingezet voor de moderne verzorgingshuizen. Uit het onderzoek van PWC bleek dat bij de terugkeer van moderne verzorgingshuizen vooral kosten zouden ontstaan met betrekking tot het bijbehorende zorg- en welzijnsconcept, door een aanzienlijke toename van de zorginzet. Het huidige kabinet betrekt de doelgroep van de moderne verzorgingshuizen bij het actualiseren van de woningbouwopgave en onderzoekt of de ondersteuning van gemeenschapsvorming in woonvormen kan worden betrokken bij de aanvullende afspraken bij het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO). Voor de bouw van geclusterde en zorggeschikte woningen zijn middelen beschikbaar via de SOO, de SZGW en onder de post opslagen bij de Realisatiestimulans.
Indien middelen die voorheen waren voorzien voor ouderenhuisvesting, geclusterde woonvormen of moderne verzorgingshuizen inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, om welke middelen gaat het dan, naar welke beleidsdoelen zijn deze middelen verschoven en waarom?
In de beantwoording van de feitelijke Kamervragen over de Miljoenennota 2026 (vraag 47) is gedetailleerd beschreven op welke wijze de middelen uit de envelop ouderenzorg zijn aangewend. Een deel van de middelen uit de envelop ouderenzorg uit het coalitieakkoord Rutte IV is tijdelijk ingezet voor de afspraken in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg. Het vorige kabinet heeft € 150 mln. ingezet voor dekking van problematiek op de Rijksbegroting. De resterende middelen zijn vervolgens in het coalitieakkoord «Aan de slag» komen te vervallen. In de bijlage is de vrijgevallen reeks voor ouderenzorg weergegeven.
Heeft het kabinet in kaart gebracht welke effecten een eventuele afname van beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting en het stopzetten van het plan rondom moderne verzorgingshuizen heeft op het realiseren van de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, hoe kan het kabinet dan verantwoord vasthouden aan de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Ik verwacht geen vertraging op de realisatie van de bouwopgave door het stopzetten van het plan van de moderne verzorgingshuizen. Er lagen immers al woondealafspraken over de 290.000 ouderenwoningen. Er heeft een verkenning plaatsgevonden door PwC over mogelijke terugkeer van de verzorgingstehuizen. Er zijn geen verdere afspraken gemaakt over de inzet van de envelop ouderenzorg. Er zijn dus ook geen wijzigingen aangebracht in de bouwprogrammering. De woonbehoefte van de doelgroep voor moderne verzorgingshuizen wordt meegenomen in het actualisatieproces van de bouwopgave in de woondeals. Door de beschikbaarheid van onder meer de realisatiestimulans acht ik het nog steeds realistisch om vast te houden aan doelstelling van 290.000 ouderenwoningen.
Het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026 |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Is het duidelijk voor alle relevante rijksorganisaties wat de gevolgen zijn van het herziene cloudbeleid? (Kamerstuk 26 643, nr. 1541) Kunt u aangeven of er organisaties zijn die bij voorbaat aangeven niet aan het herziene beleid te kunnen of zullen voldoen?
Hebben rijksorganisaties voldoende beeld op hun eigen cloudgebruik om de herziene regels effectief na te leven? Op welke delen van het cloudlandschap van de overheid ontbreekt er nog overzicht?
Welke rol krijgt de veelbelovende Nederlandse Digitale Dienst om zeker te stellen dat alle rijksorganisaties aan het herziene cloudbeleid kunnen en zullen voldoen? Bent u bereid de organisatie hiertoe de nodige capaciteit en instrumenten te geven?
Kunt u een schematisch overzicht geven van maatregelen die ook overwogen zijn voor het herziene cloudbeleid, met een onderbouwing waarom deze uiteindelijk niet zijn opgenomen?
Welke concrete doelen heeft het kabinet om digitaal onafhankelijk te worden? Wordt het doel vastgesteld op 30% digitaal onafhankelijk per 2029, zoals gevraagd in de motie-Thijssen/Bruyning (Kamerstuk 36 574, nr. 5) en de initiatiefnota Wolken aan de Horizon (Kamerstuk 36 574, nr. 2)?
Hoeveel digitaal onafhankelijker wordt de Rijksoverheid door het herziene cloudbeleid in de komende jaren? Wordt het doel van 30% in 2029 gehaald?
Kunt u heel concreet uitleggen welke rol u heeft, als coördinerend Staatssecretaris (EZK) en als Staatssecretaris verantwoordelijk voor uitvoeringsdiensten (BZK), om dit beleid te handhaven?
Welke instrumenten heeft u om het herziene cloudbeleid daadwerkelijk uit te voeren? Met hoeveel zekerheid kunt u zeggen dat dit beleid zal leiden tot een digitaal onafhankelijke Rijksoverheid?
Heeft u overwogen om het coördinatiebesluit, waarin de bevoegdheden van bewindspersonen zijn vastgelegd, uit te breiden zodat u dwingender kan optreden om het herziene cloudbeleid uit te voeren? Waarom heeft u dit niet gedaan, cf. de motie-Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1294)?
Waarom is er, ondanks de hoge ambities in het coalitieakkoord, geen budget beschikbaar gesteld voor de herziening van het cloudbeleid?
Wat bedoelt u met de «scherpe keuzes» en «herprioritering» die nodig zijn omdat het kabinet geen middelen reserveert voor haar eigen digitale ambities?
Met welke investeringen zou het herziene cloudbeleid sneller en effectiever toegepast kunnen worden? Hoe kan voorkomen worden dat door «scherpe keuzes» en «herprioritering» geen vaart wordt gemaakt met de nodige maatregelen om digitaal onafhankelijk te worden?
Kunt u de overgangstermijn van vier jaar onderbouwen? In welke gevallen wordt hier van afgeweken? Hoe voorkomt u dat migraties van bestaand cloudgebruik allemaal vertraagd worden wegens «hoge kosten of risico’s»?
Wat bedoelt u ermee dat het «afgeraden» wordt om e-mail- en documentbeheer in de publieke cloud te zetten? Betekent dit dat binnen vier jaar alle mailservers en documentbeheer daadwerkelijk uit de publieke cloud worden gehaald?
Welke aanpassingen in het IT-inkoopbeleid zijn nodig om het herziene cloudbeleid verder te ondersteunen? Heeft u plannen om het inkoopbeleid aan te scherpen, en zo ja, welke?1
Waarom wordt een generiek cloud-tenzij beleid enkel «afgeraden»? Waarom formuleert u dit niet dwingender?
Hoe wordt er op toegezien dat rijksorganisaties binnen 12 maanden een exitplan opstellen voor bestaand cloudgebruik?2 Bent u van plan dit per organisatie te monitoren en met de Kamer te delen? Welke gevolgen zijn er als een organisatie niet op tijd een exitplan aanlevert?
Worden organisaties verplicht om opvolging te geven aan de «aanwijzingen» van de Chief Information Security Officer (CISO) Rijk, als blijkt dat aangeleverde cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan niet in lijn zijn met het beleid?
Waarom is er niet voor gekozen om de CISO Rijk of de Staatssecretaris belast met Digitale Zaken de bevoegdheid te geven om cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan als geheel af te wijzen, als deze niet voldoen aan het herziene cloudbeleid?
Hoe verwacht u dat rijksorganisaties de «geopolitieke risico’s» van cloudgebruik in hun risicoanalyse in kaart brengen? Welke criteria worden hiervoor gebruikt?
Hoe bent u van plan aan de Kamer te rapporteren over de opgestelde risicoanalyses en exitplannen van rijksorganisaties?
Wat bedoelt u met het gegeven dat overheidsdocumenten en mailberichten «bij voorkeur» niet in de publieke cloud worden ondergebracht? Waarom bent u hier niet dwingender in, gezien de gevoeligheid van deze gegevens en de erkende risico’s van de publieke cloud?
Kunt u concreet maken wanneer aan de drie uitzonderingsgronden is voldaan om tóch mailverkeer en documenten in de publieke cloud te mogen houden? Na hoeveel tijd wordt bezien of deze uitzonderingsgronden nog steeds gelden?
Wat bedoelt u met het gegeven dat het sleutelbeheer van versleutelde vertrouwelijke gegevens «bij voorkeur» niet bij de cloudleverancier wordt neergelegd? Waarom belegt u het niet per definitie in eigen beheer?
Onder welke voorwaarden is het volgens u acceptabel om bijzondere persoonsgegevens alsnog in de publieke cloud te verwerken? Hoe wordt vastgesteld dat de mitigerende maatregelen afdoende zijn?
Wat bedoelt u ermee dat het rijksbrede cloudbeleid «waar mogelijk» toegepast zal worden bij uitgezonderde organisaties? Worden de uitgezonderde organisaties wel geacht om hun eigen cloudbeleid aan te scherpen?
Kunt u «kleinschalige doelen» noemen waarvoor het rijksbrede cloudbeleid een uitzondering zou maken? Hoe en door wie wordt bepaald of iets wel of niet uitgezonderd wordt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vooraf aan het commissiedebat «Digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Belastingontwijking door Israëlische bedrijven via Nederland |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Suzanne Kröger (PRO) |
|
Berendsen , Eerenberg , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Netherlands-Israël Investment Files» van SOMO?1
Waarom denkt u dat de financiële stromen tussen Nederland en Israël zoveel groter zijn dan tussen Israël en andere Europese landen?
In hoeverre is Nederland volgens u aantrekkelijk voor brievenbusmaatschappijen? Hoe komt dat? Vindt u dit wenselijk?
Bestaat volgens u het risico dat Israëlische wapenbedrijven via Nederland belasting ontwijken en dat Nederland zo indirect bijdraagt aan de financiering van deze bedrijven? In hoeverre vindt u het dat wenselijk?
Klopt het dat Nederland via een Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)-kantoor in Tel Aviv de handel met Israël bevordert? Spreekt dat kantoor ook met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza? Zo ja, waarom?
Is het een doelstelling van de NFIA dat deze bedrijven zich in Nederland vestigen dan wel in Nederland actief worden? Zo ja, waarom?
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 heeft uitgesproken dat derde landen zouden moeten afzien van economische of handelsrelaties met Israël die de illegale bezetting kunnen verstevigen?
Op welke manier verhoudt het bevorderen van economische betrekkingen met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza door de NFIA zich tot de uitspraak van het IGH?
Op welke manier verhoudt het juridisch faciliteren van Nederlands fiscaal en financieel advies door Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza, zich tot de uitspraak van het IGH?
Klopt het dat het voor Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren verboden is om diensten te verstrekken aan Russische bedrijven?
Bent u bereid om, in navolging van de Ruslandsancties, te pleiten voor een Europees verbod op fiscale en financiële dienstverlening aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza?
De ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat uit de factsheet van Jeugdzorg Nederland1 blijkt dat het aantal pleegouders sinds 2015 aan het dalen is en ook het aantal belangstellenden dat informatie opvraagt afgelopen jaar flink is gedaald?
Ja, die mening deel ik.
Hoeveel kinderen staan er momenteel op de wachtlijst voor pleegzorg? Hoe lang moeten zij gemiddeld wachten?
Jeugdzorg Nederland rapporteert2 dat op 31 december 2025 er 864 jeugdigen wachtten op pleegzorg. Het is niet bekend hoe lang zij gemiddeld moeten wachten op pleegzorg. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van de jeugdige. Daarbij is ook de mogelijkheid om de jeugdige (tijdelijk) in een andere zorgvorm te plaatsen.
In de afgelopen jaren zijn verschillende wervingsacties opgezet, door jeugd- en pleegzorgorganisaties en door het ministerie, is duidelijk wat deze campagnes hebben opgeleverd? Worden de resultaten gebruikt om de jeugd- en pleegzorgorganisaties verder te helpen in het werven van nieuwe pleegouders, en vooral ook met het behouden van huidige pleegouders?
Jeugdzorg Nederland voert al jaren de landelijke wervingscampagne voor nieuwe pleegouders uit, met subsidie vanuit mijn ministerie. Eens per ca. vier jaar wordt een nieuwe campagne ontwikkeld. De huidige campagne heet «Jouw huis een 2e thuis». De campagne verwijst geïnteresseerden naar Pleegzorg.nl, waar zij een informatiepakket kunnen aanvragen bij de pleegzorgaanbieder in hun regio. Uit een recente evaluatie van de campagne blijkt dat veel geïnteresseerden via de campagne de website weten te vinden, maar dat de drempel om daadwerkelijk een informatiepakket aan te vragen nog relatief hoog is. Daarom heeft Jeugdzorg Nederland samen met de pleegzorgaanbieders het voorlichtingstraject voor potentiële pleegouders geüniformeerd en landelijk toegankelijk gemaakt. Hier heb ik aanvullende middelen voor beschikbaar gesteld. Dit traject is sinds september live op Pleegzorg.nl. Potentiële pleegouders krijgen hierdoor vooraf een duidelijker beeld van wat pleegzorg inhoudt, wat er van hen wordt verwacht en wat zij zelf kunnen verwachten. Daarnaast maken geïnteresseerden hiermee al vroeg kennis met Pleegzorg.nl. Het platform kan hen ook later, als pleegouder, ondersteunen met actuele informatie, praktische tools en mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen in hun rol als pleegouder.
Het versterken van de kwaliteit van pleegzorg en de (reguliere) begeleiding van pleegouders staat hoog op de agenda van pleegzorgaanbieders. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ook bieden steeds meer pleegzorgaanbieders Mockingbird constellaties aan, waarin onderlinge steun voor pleegouders wordt georganiseerd.
Herkent u het beeld uit de factsheet waarbij wordt gesteld dat de ondersteuning van pleeggezinnen niet altijd aansluit bij wat nodig is, zoals vergoedingen voor kosten en inzet van passende hulp en ondersteuning bij complexe opvoedsituaties? Zo ja, hoe kan het dat deze redenen bij ongeveer ieder onderzoek naar voren komt en er ogenschijnlijk te weinig gebeurt om dit soort praktische belemmeringen weg te nemen?
Ja, ik herken dit beeld. Het is van belang dat huidige pleegouders goede ondersteuning en begeleiding ontvangen. De ondersteuning en begeleiding van pleegouders wordt verzorgd door pleegzorgwerkers. Deze begeleiding wordt continu verbeterd door pleegzorgaanbieders. Binnenkort komen zij met een nieuwe verbeteragenda, waar zij de aanbevelingen van het thematisch toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)3 ook in meenemen. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ondanks dat de complexiteit en zorgzwaarte van kinderen die in pleegzorg instromen toeneemt, laten de cijfers ook zien dat pleegzorgorganisaties en pleegouders er nog steeds in slagen om plaatsingen zorgvuldig te begeleiden en stabiliteit te bieden.
Bent u bekend met signalen van pleegouders die aangeven dat er vaak een wisseling van jeugdbeschermers is, maar ook gedoe en onduidelijkheid over onder meer ondersteuningsplannen in het onderwijs en de financiering daarvan? Deelt u de mening dat dit voor pleegouders demotiverend werkt? Wat kunt u doen om pleegouders hiermee te helpen? Welke gemeente is, wie is binnen gemeenten, verantwoordelijk als het bijvoorbeeld gaat over het financieren van een ondersteuningsplan? Wie helpt pleegouders die er tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen?
Ja, ik ben bekend met deze signalen en begrijp dat dit voor pleegouders vervelend is. Het Woonplaatsbeginsel Jeugd biedt ook binnen pleegzorg duidelijkheid over welke gemeente verantwoordelijk is voor zorg en financiering. Als pleegouders er desondanks tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen, kunnen zij terecht bij de Helpdesk van de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) of Jeugdstem. Deze partijen worden vanuit mijn ministerie gefinancierd en er zijn korte lijnen onderling, waardoor signalen ook met mijn ministerie gedeeld kunnen worden als gemeenten hier van de wet afwijken. Ondertussen zet ik mij ervoor in om de samenwerking tussen gemeenten in het kader van het Woonplaatsbeginsel te bevorderen, zodat pleegkinderen (en daarmee pleegouders) tijdig de juiste hulp ontvangen.
Hoe kunt u pleegouders ondersteunen in het (herstellen van) contact met de biologische ouders indien deze in beeld zijn? Herkent u het beeld dat dit soms moeizaam gaat en zowel biologische ouders als pleegouders soms gebaat zijn bij extra ondersteuning, en waar nodig een reiskostenvergoeding? Wie is daarvoor verantwoordelijk?
Gedeeld opvoederschap tussen pleegouders en biologische ouders is onderdeel van de pleegzorgbegeleiding. Pleegouders worden hierin toegerust vanuit de pleegzorgorganisatie. Gedeeld opvoederschap vraagt vaak om meer, en complexere begeleiding en regelmatig ook tot meer spanningen. Ouders dienen hier ook in begeleid te worden en zelf voldoende hulp te krijgen. Eigenlijk kan pleegzorg niet bestaan zonder ook (ambulante) hulp aan hen. Dit is nog niet altijd vanzelfsprekend.
Gedeeld opvoederschap is ook onderdeel van Lerende Beweging Pleegzorg, uitgevoerd door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), NVP en Jeugdzorg Nederland onder de vlag van Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL). Bij jeugdbeschermingszaken is een belangrijke rol weggelegd voor de gezinsvoogd. We versterken de samenwerking tussen GI’s en pleegzorg door een herijking van de handreiking samenwerkingsafspraken. Planning is dat deze begin volgend jaar gereed is.
Reiskostenvergoeding voor pleegouders kan als onderdeel van pleegvergoeding of bijzondere kosten. Dit is aan de betreffende gemeente en pleegzorgaanbieder. Gemeenten kunnen daarnaast reiskosten voor biologische ouders financieren, maar zijn hier niet toe verplicht.
Kunt u aangeven hoe de op 7 december 2021 breed gesteunde motie Westerveld cs is uitgevoerd, die de regering verzoekt om met pleegzorgorganisaties en de VNG afspraken te maken over de bijzondere kosten en de naleving ervan «en hierin verder te gaan dan een handreiking en samen richtlijnen op te stellen, en daarin te expliciteren welke zaken betaald moeten worden uit de pleegvergoeding en welke zaken en bedragen vallen onder de toeslag en de vergoeding voor bijzondere kosten, met behoud van de mogelijkheid tot maatwerk.»? Heeft dit voldoende opgeleverd of bent u het met ons eens dat een verdere aanscherping kan helpen om meer pleegouders te behouden?
Het recht op bijzondere kostenvergoeding is vastgelegd in de wet. Met de wijziging van de regeling Jeugdwet is dit recht per 1 januari van dit jaar ook uitgebreid naar pleegzorg in het vrijwillig kader. De Handreiking tarifering en inkoop (2023) biedt uitvoering aan de motie. Ik herken dat gemeenten en aanbieders hier niet uniform uitvoering aan geven, wat in het decentraal stelsel ook hun recht is. Daarom ben ik met gemeenten, aanbieders en vertegenwoordiging van pleegouders in gesprek over de uitvoering en ondersteuning van pleegouders op dit terrein, om de uitvoering te verbeteren.
Herkent u ook het door de VNG geschetste beeld2 over de onduidelijkheid die er bij veel gemeenten is als het gaat over de uitvoering van de regeling voor de compensatie van pleegouders bij kinderopvang?
Ja.
Klopt het dat het bedrag van 10,7 miljoen euro niet geoormerkt is? Zo ja, is dit bedrag besteedt aan het beoogde doel?
Voor de periode 2025 t/m 2027 is € 10,7 miljoen per jaar beschikbaar gesteld als tegemoetkoming voor de kosten die pleegouders maken voor kinderopvang van hun pleegkinderen. De uitkering van deze middelen verloopt via gemeenten. Het bedrag is toegevoegd aan het gemeentefonds via de algemene uitkering en is daarmee niet geoormerkt. Het bleek onuitvoerbaar om deze middelen direct vanuit het Rijk over te maken naar de betreffende pleegouders, of naar de pleegzorgaanbieders. De enige haalbare optie bleek om aan te sluiten bij de bestaande geldstromen binnen de pleegzorg, zoals de pleegvergoeding: van Rijk naar gemeenten, van gemeenten naar aanbieders en van aanbieders naar pleegouders. Binnen deze context span ik mij in om ervoor te zorgen dat het geld zoveel mogelijk terechtkomt bij pleegouders. Dat doe ik samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de pleegzorgaanbieders verenigd in Jeugdzorg Nederland en de vertegenwoordiging van pleegouders in de NVP. Zo heeft VNG dringend geadviseerd aan haar leden deze middelen volledig te bestemmen voor de tegemoetkoming aan pleegouders. Jeugdzorg Nederland en VNG hebben in afstemming met elkaar richting hun achterban gecommuniceerd om de uitvoering van deze tegemoetkoming aan pleegouders zoveel mogelijk te uniformeren. Vanwege de beperkingen van de huidige constructie onderzoekt het kabinet samen met gemeenten en de pleegzorgsector hoe pleegouders in de toekomst op dit vlak te ondersteunen.
Ziet u een manier om dit makkelijker te regelen, zoals het direct compenseren van de kosten van pleegkinderen door het Rijk of de gemeente? Deelt u de mening dat dit een manier kan zijn om pleegouders te ontzien en bureaucratie te verminderen, en zou u dit daarom willen onderzoeken?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u de actuele stand van zaken schetsen van de uitvoering van de motie Westerveld-Van Nispen waarin wordt gevraagd om een wettelijke verankering van het recht op samenplaatsing bij uithuisplaatsing? Wat is de voorgenomen ingangsdatum van de wet waarin dit wordt geregeld? Op welke manier worden pleegouders en gezinshuisouders ondersteund zodat zij in staat zijn om kinderen uit één gezin gezamenlijk op te vangen? Wordt daarin ook voorzien in deze wet?
Het uitgangspunt om broertjes en zusjes bij een uithuisplaatsing samen te plaatsen wordt geregeld met het wetsvoorstel «Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming», dat nu bij de Raad van State voorligt. De geplande inwerkingtreding is – voor zover nu in te schatten – per 2028. Het wetsvoorstel voorziet niet in extra ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders. Gemeenten kunnen bijbeschikken richting pleegouders of gezinshuizen om (financiële) ruimte.
Welke aanvullende hulp is er voor pleegouders wanneer een kind een beperking of ziekte heeft? Wie is er dan verantwoordelijk voor de levensonderhoud van een kind, of de noodzakelijke hulpmiddelen of aanpassingen aan een huis? Hoe is dit geregeld als het gaat over deeltijd pleegzorg? Bent u bereid om met gemeenten en pleegzorgorganisaties de afspraak te maken dat ook bij deeltijdpleegzorg de aanvullende kosten die noodzakelijk zijn voor een pleegkind met een beperking, niet bij de pleegouders terecht komen?
Pleegouders krijgen onkostenvergoeding, de pleegvergoeding, deze voorziet in het levensonderhoud. Wanneer pleegouders structurele meerkosten maken vanwege de beperking van het pleegkind, hebben zij recht op een extra toeslag. Aanvullend kunnen pleegouders aanspraak maken op de bijzondere kostenvergoeding voor kosten die noodzakelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van het pleegkind waar geen ander potje in voorziet, bijvoorbeeld om aanpassingen aan een huis te maken. De pleegzorgaanbieder besluit hierover, vaak in overleg met de gemeente. Vanaf 1 januari van dit jaar hebben pleegouders ook in het vrijwillig kader recht op bijzondere kostenvergoeding. Deze rechten gelden ook voor deeltijdpleegzorg, al worden die minder snel noodzakelijk geacht voor de verzorging en opvoeding van een pleegkind.
Wat gebeurt er als een kind in een wlz-instelling of een PGB-gefinancierde woonvorm gaat wonen? Kunnen pleegouders (die zich vaak verantwoordelijk zullen blijven voelen) de kosten voor persoonlijke spullen en andere benodigdheden en vrijetijdsbesteding dan ergens declareren? Zo nee, deelt u de mening dat hiermee zowel pleegouders als pleegkind te kort worden gedaan?
Ik begrijp dat het voor pleegouders geen recht doet aan de relatie met hun pleegkind, als zij op deze manier geen positie meer hebben ten opzichte van hun voormalig pleegkind. Het declareren van deze kosten is echter alleen mogelijk als de gemeente hier nog een beschikking of andere mogelijkheid tot declaratie heeft gegeven.
Is het mogelijk om pleegouders en gezinshuisouders te ondersteunen bij jongeren die 21 worden en voor wie de vergoeding vervalt, wanneer zij geen andere plek hebben of woning kunnen vinden? Zo ja, op welke manier? Hoe kunnen pleegouders en gezinshuisouders deze ondersteuning aanvragen?
Binnen pleegzorg is het voor een jongere mogelijk om met verlengde jeugdhulp t/m 23 jaar in een pleeggezin te blijven wonen, met behoud van vergoedingen voor pleegouders. Voor gezinshuizen is 21 de bovengrens. Als pleegkinderen of gezinshuiskinderen de maximumleeftijd bereiken, stromen zij uit de jeugdzorg. De betreffende gemeente kan op basis van maatwerk bezien of het mogelijk is dat de jongere wel blijft wonen op dezelfde plek, maar met financiering vanuit andere wet- en regelgeving.
Klopt het dat er voor gezinshuizen geen duidelijk wettelijk kader en zij slechts beperkt worden genoemd in de Jeugdwet, waardoor er regelmatig onduidelijkheid bestaat tussen het verschil tussen vrijheidsbeperkende maatregelen en pedagogische opvoedtaken, zoals bijvoorbeeld bedtijden of het gebruik van mobiele telefoons? Herkent u signalen van gezinshuisouders die hier tegenaan lopen?
Op grond van de Jeugdwet zijn vrijheidsbeperkende maatregelen alleen toegestaan in accommodaties die zijn geregistreerd voor gesloten jeugdhulp en als een rechterlijke machtiging voor gesloten jeugdhulp is verleend. Dergelijke maatregelen zijn dus nooit toegestaan binnen de open residentiële jeugdhulp, ook niet in gezinshuizen. Ik herken de signalen dat gezinshuisouders aanlopen tegen dilemma’s over het verschil tussen pedagogische maatregelen en vrijheidsbeperking. Om meer handvatten te geven in het omgaan met deze dilemma’s rond vrijheidsbeperking in de jeugdhulp is het NJi gevraagd om een handreiking op te stellen. Aan de hand van gesprekken met jeugdigen, professionals en deskundigen is de handreiking opgesteld en in 2024 gepubliceerd. De handreiking is bedoeld om professionals, zoals gezinshuisouders, een houvast te bieden bij afwegingen. Het NJi heeft opvolging gegeven aan de handreiking door het organiseren van leeractiviteiten. Een voorbeeld hiervan is een dag georganiseerd specifiek gericht op gezinshuisouders, samen met beroepsvereniging Present 24x7 en het landelijk overleg aanbieders gezinshuizen (LOAG).
Deelt u de mening dat de landelijke Kwaliteitscriteria Gezinshuizen3 zoals opgesteld door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI), deskundigen en belangenorganisatie, weliswaar duidelijke veldnormen bevatten, maar logischerwijs niet ingaan op veel praktische situaties waar gezinshuisouders tegenaan lopen, die vergelijkbaar zijn met situaties in reguliere gezinnen en waarbij soms ook professionele normen op gespannen voet kunnen staan met pedagogisch handelen zoals gebruikelijk in een ouder-kind situatie?
Ja.
Waar kunnen gezinshuisouders naartoe als hierover onduidelijkheid bestaat?
Gezinshuisouders kunnen zich melden bij het NJi en beroepsvereniging Present24x7.
Wat kunt u verder nog doen om jeugd- en pleegzorgorganisaties te helpen in de ondersteuning van pleegouders?
Pleegzorgbegeleiders bieden begeleiding en ondersteuning aan pleegouders. Aanvullend kunnen pleegouders terecht bij de NVP en de vertrouwenspersonen van Jeugdstem – welke beiden door mij worden gefinancierd. Desondanks, zie ik dat begeleiding en ondersteuning van pleegouders verder versterkt kan worden. Het versterken van de kwaliteit van pleegzorg en de (reguliere) begeleiding van pleegouders staat hoog op de agenda van pleegzorgaanbieders. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ook bieden steeds meer pleegzorgaanbieders Mockingbird constellaties aan, waarin onderlinge steun voor pleegouders wordt georganiseerd.
Het aanstaande onbegeleid verlof van Appie A |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen over de kennelijk aanstaande vrijlating van Appie A. en het daaropvolgende commissiedebat Strafrechtelijke onderwerpen van 5 oktober 2022?1
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Nabestaanden in shock omdat Appie A. vrij rond mag lopen in de samenleving?»2
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u toelichten waarom u heeft besloten Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin geldt dat een levenslanggestrafte vanaf 25 jaar detentie in aanmerking kan komen voor toelating tot de re-integratiefase. De re-integratiefase is een voortraject dat deel uitmaakt van de herbeoordelingsprocedure van de levenslange gevangenisstraf3 en bestaat uit het stapsgewijs en gecontroleerd werken aan een eventuele terugkeer in de samenleving. Na toelating tot de re-integratiefase is het mogelijk om re-integratieverlof toegewezen te krijgen, eerst begeleid en later mogelijk onbegeleid (afhankelijk van hoe eerdere verloven zijn verlopen). Verloven vormen een belangrijk onderdeel van de voorbereiding op een mogelijke terugkeer in de samenleving.
Als verantwoordelijk bewindspersoon beslis ik of iemand wordt toegelaten tot de re-integratiefase. Dit doe ik naar aanleiding van (vervolg)advisering door het Adviescollege levenslanggestraften (ACL). Wanneer iemand is toegelaten tot de re-integratiefase, is artikel 20d van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi) van toepassing om te bepalen of en wat voor verlof wordt verleend, danwel de Verlofregeling TBS indien de levenslanggestrafte in het kader van de re-integratiefase in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) verblijft.
Waarom is de Kamer niet geïnformeerd over deze verlofbeslissing?
Over verlofbeslissingen ten aanzien van individuele gedetineerden wordt uw Kamer niet geïnformeerd.
Klopt het dat uw ambtsvoorganger excuses heeft aangeboden aan de nabestaanden in deze zaak voor de gebrekkige communicatie in aanloop naar het besluit tot toelating tot de re-integratiefase in 2022 en concrete toezeggingen heeft gedaan over hoe de nabestaanden zouden worden gehoord over verlof?
In algemene zin geldt dat slachtoffers en nabestaanden die dat wensen, kunnen deelnemen aan een slachtoffer- en nabestaandenonderzoek uitgevoerd door Slachtofferhulp Nederland ten behoeve van de advisering van het ACL. Verder kunnen slachtoffers en nabestaanden desgewenst gehoord worden door het ACL. Deze inbreng wordt betrokken bij het advies dat ik van het ACL ontvang over de aanvang van eventuele re-integratieactiviteiten.4 Over dit besluit worden slachtoffers en nabestaanden desgewenst geïnformeerd door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).
Ten aanzien van eventueel verlof geldt dat slachtoffers en nabestaanden door het CJIB worden geraadpleegd over hun beschermingsbehoefte, zodat daar rekening mee kan worden gehouden bij het opleggen van voorwaarden. Slachtoffers en nabestaanden worden vervolgens door CJIB geïnformeerd over de verlofmachtiging en eventueel daarbij opgelegde beschermende voorwaarden, zoals een contact- of locatieverbod.
Mijn ambtsvoorgangers en mijn ambtenaren hebben verschillende gesprekken gevoerd met slachtoffers en nabestaanden en daarbij geconstateerd dat verbeteringen in de informatievoorziening nodig waren.5 Sindsdien is ingezet op toegankelijke informatievoorziening over de herbeoordelingsprocedure en duidelijke communicatie met slachtoffers en nabestaanden daarover.
Zijn in tegenstelling tot 2022 nu wel alle nabestaanden in deze zaak gehoord voordat de beslissing werd genomen om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Op grond van welke adviezen over de veiligheidsrisico’s heeft u dit besluit genomen?
De advisering over het al dan niet laten aanvangen van re-integratieactiviteiten door een levenslanggestrafte vindt plaats op basis van de criteria zoals genoemd in het vierde lid, artikel 4 van het Besluit ACL, waarmee onder andere wordt getoetst of er sprake is van recidiverisico of delictgevaarlijkheid. Het ACL vraagt ten behoeve van de advisering bij diverse instanties stukken op. Het gaat in het bijzonder om het strafdossier, het volledige detentiedossier, veiligheidsinformatie (er wordt onder andere gekeken of er signalen zijn van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie en/of de gedetineerde (nog) onderdeel uitmaakt van een crimineel samenwerkingsverband), eventuele medische gegevens, eerdere Pro Justitia- en reclasseringsrapportages en gratiedossiers. Verder ontvangt het ACL rapportages van het Pieter Baan Centrum, naar aanleiding van observatieonderzoek aldaar, en Reclassering Nederland.
Zoals reeds aangegeven in het antwoord op vraag 4 geldt verder dat wanneer iemand is toegelaten tot de re-integratiefase, artikel 20d van de Rtvi van toepassing is om te bepalen of verlof wordt verleend. Als onderdeel van de diverse beoordelingscriteria voor het tijdelijk verlaten van de inrichting wordt onder de Rtvi, naast eerder genoemde rapportages, onder andere gebruik gemaakt van de informatie die voortkomt uit het instrument Risicoscreener Geweld. Indien de levenslanggestrafte in het kader van de re-integratiefase in een FPC verblijft en dus de Verlofregeling TBS van toepassing is, adviseert het Adviescollege Verloftoetsing TBS (AVT) aan de hand van een verlofaanvraag waarin de veiligheidsrisico’s zijn beschreven door het FPC.
Hoe heeft u de positie van de nabestaanden betrokken in het besluit om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 en 6 geldt ten aanzien van eventueel verlof in algemene zin dat slachtoffers en nabestaanden door het CJIB worden geraadpleegd over hun beschermingsbehoefte, zodat daar rekening mee kan worden gehouden bij het opleggen van voorwaarden. Slachtoffers en nabestaanden worden vervolgens door CJIB geïnformeerd over de verlofmachtiging en eventueel daarbij opgelegde beschermende voorwaarden, zoals een contact- of locatieverbod.
Welke voorwaarden zijn verbonden aan het verlof van Appie A. en hoe is het toezicht op de naleving van deze voorwaarden georganiseerd?
Ik ga zoals eerder aangegeven niet in op vragen over een individuele casus. Als sprake is van verlof van een levenslanggestrafte, kan het van geval tot geval verschillen welke bijzondere voorwaarden daaraan worden verbonden. Dat kan bijvoorbeeld een locatie- of contactverbod zijn. Toezicht op voorwaarden kan variëren afhankelijk van het soort voorwaarde. Conform artikel 20d Rtvi geldt dat verloven vanuit de PI geschieden onder elektronisch toezicht. De politie heeft een handhavende rol ten aanzien van de vrijheidsbeperkende bijzondere voorwaarden en bij nieuwe strafbare feiten.
Bent u voornemens Appie A. gratie te verlenen? Zo ja/nee, waarom?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Gratie kan worden verleend als aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend (art. 2, onder b, van de Gratiewet). Over eventuele gratieverlening wordt advies gevraagd aan het Openbaar Ministerie en het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd. Het advies van het gerecht weegt zwaar en is daarmee in beginsel leidend. Wanneer niet wordt voldaan aan het criterium voor gratie, wordt de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf voortgezet.
Bent u voornemens de Kamer te informeren bij een positieve voordracht tot gratie in deze zaak net als uw ambtsvoorganger? Zo ja/nee, waarom?
Ook hier geldt het uitgangspunt dat ik niet inga op individuele gevallen. Zodoende ben ik niet voornemens uw Kamer te informeren bij een (positieve voordracht tot) gratieverlening.
Bent u bereid net als uw ambtsvoorganger om in gesprek te gaan met de nabestaanden?
Het CJIB onderhoudt contact met slachtoffers en nabestaanden in de fase van tenuitvoerlegging. Mochten slachtoffers en nabestaanden er daarnaast behoefte aan hebben, dan kunnen zij in gesprek met ambtenaren van mijn ministerie. Zij kunnen dit dan bij het CJIB kenbaar maken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de voorziene verlofdatum van 22 juli 2026 beantwoorden?
Ik heb de vragen zoveel mogelijk afzonderlijk beantwoord. De beantwoording heeft zo snel als mogelijk plaatsgevonden.
De gevolgen van de wachtlijsten voor de specialistische (jeugd-)GGZ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel jongeren en volwassenen die in het afgelopen jaar overleden door suïcide of door te stoppen met eten en drinken, op dat moment in behandeling waren bij de jeugdzorg of ggz of in het (recente) verleden een behandeling kregen? Kunt u de aantal weergeven vanaf 2018?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) casusonderzoek uitgevoerd naar de suïcide van een jongere of volwassene in zorg? Hoe vaak heeft de IGJ hierbij geoordeeld dat er tekortkomingen zijn in het zorgaanbod?
Erkent u dat het tekort aan gespecialiseerde hulp, de wachtlijsten en andere problemen in de jeugdzorg en ggz, verergering van klachten als gevolg kan hebben en dit kan leiden tot suïcidale gedachten of uiteindelijk suïcide? Zo ja, deelt u de mening dat een aanpak van alle problemen veel meer urgentie verdient?
Kent u het rapport van de IGJ over de suïcide van de 17-jarige Roos, waarna de Inspectie constateert dat er voor jongeren zoals zij geen passende gespecialiseerde hulp is in de regio? Hoe kan het dat in de hele regio niet de juiste hulp voorhanden was? Hoeveel regio's bieden geen passende langdurige specialistische behandeling aan jongeren met complexe problematiek en wie houdt hier toezicht op?1
Herkent u het beeld dat er vaak een tekort is aan acute crisisplekken? Deelt u de mening dat dit te belangrijk is om aan de markt over te laten en er een vastgesteld aantal plekken moet zijn voor situaties die van levensbelang zijn?
Hoe vaak gebeurt het dat jongeren en volwassenen met complexe psychische problemen worden weggestuurd bij ggz-instellingen? Wordt dit bijgehouden of gemeld bij de IGJ?
Hoe wordt gecontroleerd of het verbod op exclusiecriteria ook in praktijk wordt nageleefd?
Kent u de uitvraag die MIND heeft gedaan, waaruit blijkt dat tachtig procent van de respondenten vertelt geweigerd of niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder? Hoe beoordeelt u deze uitvragen in het licht van de gemaakte afspraken?2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-Dobbe/Westerveld over beschikbaarheidsfinanciering? Wanneer verwacht u het onderzoek met de Kamer te kunnen delen?3
Hoe beoordeelt u de constatering van zorgprofessionals en experts dat ook de tekortkomingen in de ggz gevolgen heeft voor het aantal euthanasieverzoeken, zoals blijkt uit het RISE-onderzoek van ZonMw?4
Wanneer komt u met een kabinetsreactie op het IBO-rapport «Uit Balans» uit oktober 2025 waarin een heel aantal aanbevelingen staan om de cruciale ggz, waaronder ook de acute ggz te verbeteren en ook wordt voorgesteld de marktwerking aan te pakken? Deelt u de mening dat maatregelen haast hebben en kunt u uitleggen waarom het zo lang duurt voor het kabinet hier besluiten over neemt?5
De stijgende huurprijzen en het krimpende aanbod in de vrije huursector |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor gemiddelde vrije sectorhuurwoning is maandinkomen van 5.650 euro nodig»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de huurprijzen per vierkante meter in de vrije sector in het tweede kwartaal van 2026 met circa vijf procent stegen ten opzichte van een jaar eerder, harder dan zowel de inflatie als de prijzen van koopwoningen?
De vierkantemeterprijs voor huurwoningen in de vrije sector is gestegen in het tweede kwartaal van 2026 ten opzichte van een jaar eerder. De vierkantemeterprijs voor huurwoningen zit al sinds 2015 in de lift.2 Dit is het gevolg van algehele schaarste aan woningen. Deze stijgende trend is de aanleiding geweest voor de Wet betaalbare huur. Het doel van deze wet is dat woningen die kwalitatief gezien thuishoren in het middensegment, ook verhuurd worden voor een middenhuurprijs en dus niet doorstijgen naar het vrije huursegment.
De cijfers in deze vraag zijn gebaseerd op informatie uit een rapport van verhuurplatform Pararius, en hebben betrekking op de huur- en verhuur via dit platform en huurwoningen.nl. Hoewel Pararius een grote aanbieder van huurwoningen is, is het geen volledige representatie van de (vrije) huursector.
Deelt u de analyse dat de Wet betaalbare huur een afname van het huuraanbod in het gereguleerde middensegment veroorzaakt, waardoor huurders noodgedwongen uitwijken naar de vrije sector, met prijsstijgingen aldaar tot gevolg? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de analyse dat het uitponden druk zet op het aanbod aan huurwoningen. De reden dat verhuurders besluiten hun woningen te verkopen, is een combinatie aan maatregelen in het huur- en fiscale beleid en veranderde (macro)-economische omstandigheden (zoals de gestegen rente en sterk toegenomen woningwaarden). Bij invoering van de Wet betaalbare huur is rekening gehouden met het gevolg dat huurwoningen verkocht worden, wat nu is terug te zien in de cijfers. Om het aantal uitpondingen te dempen, wordt de Wet betaalbare huur per 1 januari 2027 geoptimaliseerd. Daarnaast komt het kabinet in september vanuit de Taskforce Versnellen Woningbouw met een integraal actieplan om het aanbod aan betaalbare huurwoningen toe te laten nemen.
Erkent u dat de stapeling van de gestegen box 3-heffing, de overdrachtsbelasting voor beleggers en de Wet vaste huurcontracten het verhuren van woningen structureel minder rendabel heeft gemaakt?
De combinatie aan maatregelen in het huur- en fiscale beleid en veranderde (macro-)economische omstandigheden hebben geresulteerd in een verslechterd investeringsklimaat voor private verhuurders. Dit heeft ertoe geleid dat sommige verhuurders besluiten hun woningen te verkopen. Het is op dit moment niet mogelijk onderscheid te maken tussen het effect van individuele maatregelen.
Zo nee, hoe verklaart u dan de structurele afname van vrije sector huurwoningen?
N.v.t.
Deelt u de zorg dat het huidige fiscale en huurrechtelijke regime kleine lokale verhuurders van de markt drukt, terwijl grote buitenlandse beleggingsfondsen met schaalvoordelen en goedkopere financiering wél overeind blijven, waardoor de Nederlandse huurmarkt mogelijk consolideert in buitenlandse handen?
Grotere verhuurders, vooral wanneer zij geprofessionaliseerd te werk gaan, kunnen sneller schaalvoordelen behalen dan kleinere verhuurders. Dat geldt voor zowel Nederlandse als buitenlandse verhuurders. Tegelijkertijd heeft de combinatie aan maatregelen in het huur- en fiscale beleid en veranderde macro-economische omstandigheden niet alleen geresulteerd in een verslechterd investeringsklimaat voor de kleine lokale verhuurders, maar ook voor buitenlandse beleggingsfondsen. Alle soorten goede verhuurders zijn welkom in Nederland. We hebben immers te maken hebben met een tekort aan huurwoningen. Ik zet daarom in op een verbetering van het investeringsklimaat voor zowel de kleine lokale verhuurders als voor de buitenlandse beleggingsfondsen. De optimalisatie van de Wet betaalbare huur met beoogde inwerkingtreding op 1 januari 2027 biedt verlichting op specifieke knelpunten die voornamelijk worden ervaren door particuliere verhuurders.
Kunt u aangeven welk aandeel van de Nederlandse huurvoorraad inmiddels in handen is van grote institutionele en buitenlandse beleggers, en hoe dit aandeel zich de afgelopen 10 jaar heeft ontwikkeld?
Uit de Kadastercijfers volgt dat op dit moment ca. 6% van de totale woningvoorraad in hand is van bedrijfsmatige investeerders. Institutionele investeerders zijn onderdeel van deze categorie. In 2017 was dit aandeel volgens de cijfers van het Kadaster ca. 8%. Van eerdere jaren is geen data beschikbaar. In deze data wordt geen onderscheid gemaakt tussen Nederlandse en buitenlandse investeerders.
Cijfers van Capital Value geven wel inzicht in het aantal internationale beleggers op de woningmarkt. Uit hun onze analyse blijkt dat internationale beleggers in het eerste halfjaar van 2026 ongeveer 72.355 woningen in bezit hadden. Hiervan waren 49.485 woningen in handen van internationale institutionele beleggers. Over een langere periode ziet Capital Value dat het bezit van internationale beleggers is toegenomen van ongeveer 45.304 woningen in 2019 naar 79.762 woningen in 2024. Voor internationale institutionele beleggers groeide het bezit in dezelfde periode van ongeveer 32.400 naar 55.100 woningen. Sinds 2024 zien zij dat het bezit van internationale beleggers afneemt. Als wordt gekeken naar het aandeel investeringen in nieuwbouw blijkt dat het aandeel van buitenlandse private investeerders in nieuwbouw in 2025 1% is.3 In 2022 kwam 32% van alle investeringen in nieuwbouw door private investeerders nog uit het buitenland. Het langjarig gemiddelde van dit aandeel ligt op 26%.
Hoe verklaart u dat een huishouden dat geacht wordt maandelijks de gemiddelde vrije sector huurprijs van 1.882 euro te kunnen dragen, volgens de geldende leennormen veelal geen hypotheek met vergelijkbare maandlasten kan krijgen voor diezelfde woning?
Er zijn belangrijke verschillen tussen een koopwoning en een huurwoning. De financiële en vermogensrisico’s zijn groter bij een koopwoning, mede omdat de hiervoor afgesloten hypotheek een langlopende financiële verplichting is. Daarnaast heeft een eigenaar-bewoner ten opzichte van een huurder bijkomende kosten voor onderhoud, belastingen en verzekeringen. De maandlasten van een huur- en koopwoning zijn dus niet één-op-één vergelijkbaar. Uit de pilot duurhuur van NHG (zie ook hieronder bij het antwoord op vraag4 bleek dat de inkomensnormen overigens vaak geen belemmering zijn voor huishoudens om door te stromen van een huur- naar een koopwoning. Indien de inkomensnormen wel een belemmering vormen, kan in individuele situaties onderbouwd worden afgeweken van deze normen door middel van maatwerk. Er wordt dan gekeken naar de gehele financiële situatie van de consument, zodat de hypotheeklasten verantwoord zijn. De huurgeschiedenis kan een onderdeel van deze onderbouwing zijn, indien rekening gehouden wordt met bijkomende kosten.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de uitvoering van de aangenomen motie-Russcher (Kamerstuk 32 847, nr. 1415) over een pilot waarbij starters op basis van minimaal drie jaar huurgeschiedenis een hypotheek kunnen verkrijgen ter hoogte van de gemiddelde maandelijkse huur?
De motie Russcher (26 maart 2026) verzoekt de regering om een pilot op te zetten waarbij starters op basis van minimaal drie jaar huurgeschiedenis een hypotheek kunnen verkrijgen ter hoogte van de gemiddelde maandelijkse huur.
Per 20 mei 2026 is NHG gestart met de pilot Maatwerk. Het doel van de pilot is te onderzoeken hoe binnen bestaande wettelijke kaders meer ruimte kan worden geboden voor verantwoord maatwerk. Het gaat om verschillende typen maatwerkcasussen, waarbij de focus ligt op situaties waarin de standaardregels onbedoeld knellen. Binnen de pilot verwacht NHG tussen de 100 en 500 dossiers te behandelen in een looptijd van minimaal 1 en maximaal 3 jaar. NHG werkt in deze pilot samen met ASN Bank, Florius, NIBC, Obvion Hypotheken, de Hypotheekshop (Ingage-Aetos) en Vereniging Eigen Huis. Gedurende de pilot kunnen andere kredietverstrekkers en adviespartijen nog toetreden tot de pilot. In deze pilot Maatwerk kunnen hoge huurlasten wel gebruikt worden als onderdeel van de motivering om een hogere hypotheek te krijgen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie Russcher van 26 maart jl.
Daarnaast wil ik opmerken dat maatwerk op basis van huurlasten in het verleden vaak is besproken met de sector en de Autoriteit Financiële Markten. De conclusie hieruit is dat hoge huurlasten een onderdeel van de onderbouwing voor extra leenruimte kunnen zijn, maar dat daarnaast altijd extra onderbouwing nodig is. Zo moet bijvoorbeeld de huur al langere tijd betaald zijn en moet het vermogen van de consument niet zijn afgenomen. Ook moet rekening worden gehouden met onderhoudskosten/belastingen die een huurder niet hoeft te betalen, maar iemand met een koopwoning wel. Geconcludeerd is dat een hogere hypotheek verstrekken enkel op basis van iemands huidige huurlasten niet verantwoord is. Daarom kijken NHG en de andere deelnemers van de pilot maatwerk ook breder dan alleen huurlasten.
Tot slot: de mogelijkheden om verantwoord meer leenruimte te krijgen op basis van de huidige huurlasten is eerder onderzocht. Zo is NHG, als uitkomst van het Platform Hypotheken, in 2022 gestart met een pilot duurhuur die tot eind 2023 heeft gelopen. In de pilot kon, binnen de kaders van verantwoorde kredietverlening, op basis van de huidige huurlasten een hogere hypotheek worden aangevraagd. Tijdens de pilot bleek dat enkele honderden zogenaamde duurhuurders een hypotheekaanvraag hadden ingediend die veelal binnen de reguliere leennormen een hypotheek konden afsluiten. De pilot was dus geen oplossing voor de consument met een hoge huur. Tijdens de pilot bleek dat veel starters denken dat ze niet de benodigde hypotheek kunnen krijgen omdat ze vaak het maximale leenbedrag berekenen via online rekentools of baseren op oude informatie. In totaal zijn in de pilot duurhuur maar zeven «duurhuur» hypotheken afgesloten, waarbij de huur als onderbouwing werd aangedragen. Dit aantal was zo laag dat NHG met de deelnemende kredietverstrekkers besloten heeft om deze pilot te stoppen.
Op welke termijn verwacht u deze pilot in overleg met financiële instellingen en toezichthouders te starten?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 9 is de pilot maatwerk NHG per 20 mei 2026 van start gegaan.
Kunt u aangeven hoeveel extra huishoudens er jaarlijks door immigratie een beroep doen op de Nederlandse huurmarkt, en hoe deze vraagtoename zich verhoudt tot het krimpende aanbod?
Immigranten die naar Nederland verhuizen oefenen vraag uit op koop- en de huursector. Welk aandeel in de huurwoningvraag het gevolg is van immigratie is niet goed te onderscheiden. Dit komt bijvoorbeeld doordat studie- en arbeidsmigranten vaak woningen delen of voor een deel gezinsmigranten zijn en intrekken bij een bestaand huishouden. Ook is er geen volledig beeld van de EU-migranten die tijdelijk in Nederland verblijven.
Bent u bereid de Wet betaalbare huur, de box 3-heffing op verhuurd vastgoed, de overdrachtsbelasting voor beleggers en de Wet vaste huurcontracten in samenhang te laten evalueren op hun cumulatieve effect op het huuraanbod en de huurprijzen? Zo nee, waarom niet?
De evaluatie van de Wet betaalbare huur zal uiterlijk 1 juli 2027, drie jaar na inwerkingtreding, aan uw Kamer worden toegezonden. Hierbij worden de effecten van de wet op doelmatigheid en doeltreffendheid onderzocht. De wet wordt geëvalueerd in de context waarin die in werking is getreden, maar is geen evaluatie van de Wet vaste huurcontracten of de werking van de huidige box 3-heffing.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Defensie wil gouden aandeel in fabrikant van dronesoftware’ |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Defensie wil gouden aandeel in fabrikant van dronesoftware?»1
Ja, het Ministerie van Defensie is op de hoogte van het genoemde artikel.
Welk formeel afwegingskader heeft u gevolgd leidende tot uw besluit om met Intelic een optie tot een gouden aandeel in de samenwerkingsovereenkomst op te nemen? Kunt u het gehanteerde afwegingskader en uw antwoorden op bijhorende kernvragen delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie en Intelic zijn overeengekomen een langdurige strategische samenwerking aan te gaan. Gedurende dit proces heeft het Ministerie van Defensie in kaart gebracht welke publieke belangen een rol spelen bij de werkzaamheden die Intelic voor het Ministerie van Defensie zal verrichten. Vervolgens is geanalyseerd of de geïdentificeerde publieke belangen voldoende geborgd zijn.
De conclusie is dat, naast de reguliere contractuele afspraken, extra maatregelen nodig zijn om die publieke belangen voldoende te borgen. Daarom heeft Defensie met Intelic afspraken gemaakt, waaronder de optie tot een eenzijdige mogelijkheid voor de Staat tot het verwerven van een prioriteitsaandeel.
De analyse over de noodzaak en de besluitvorming of de Staat dit instrument ook daadwerkelijk zal gebruiken, zal plaatsvinden aan de hand van de Nota deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022 en het «Handboek aangaan deelnemingen». Bij de besluitvorming zal ook aan alle wettelijk voorgeschreven kaders, zoals de Comptabiliteitswet 2016, worden voldaan. De besluitvorming hierover zal plaatsvinden in overeenstemming met de Minister van Financiën. Uw Kamer zal worden geïnformeerd als hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden.
In hoeverre zijn de Comptabiliteitswet, de «Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022» en het «Handboek aangaan deelnemingen» zoals gepubliceerd door het Ministerie van Financiën2, gevolgd bij uw besluit om zorgvuldigheid te waarborgen? Op welke onderdelen is hiervan afgeweken en waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt er gewerkt aan een gedeeld formeel afwegingskader door de Ministeries van Defensie, Financiën en Economische Zaken voor toekomstige besluiten over strategische deelnemingen in de Nederlandse Defensie en Technologische Industriële Basis (NLDTIB)? Zo nee, waarom niet, en kunt u hier opdracht toe geven? Zo ja, wanneer wordt dit afwegingskader naar met de Kamer gedeeld?
Voor besluiten over eventuele strategische deelnemingen in de defensie-industrie is de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022 en het daarin opgenomen afwegingskader van toepassing. Het afwegingskader is sector-overstijgend en ook toepasbaar op de defensie-industrie.
In 2027 zal de reguliere en periodieke rapportage ter evaluatie van de Nota 2022 plaatsvinden. In algemene zin wordt hierin onderzocht of het beleid versterkt dient te worden om publieke belangen op verschillende beleidsterreinen doeltreffender en doelmatiger te kunnen borgen. Defensie wordt hierin meegenomen als beleidsterrein. Zo werken we aan een gedeeld formeel afwegingskader met het Ministerie van Financiën en Economische Zaken en Klimaat voor toekomstige besluiten over strategische deelnemingen in de Nederlandse Defensie en Technologische Industriële basis.
Daarnaast wordt momenteel een interdepartementale economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie uitgevoerd. Uw Kamer is hierover op 3 oktober 2025 geïnformeerd.3 Deze beleidsanalyse heeft tot doel, breed gedragen beleidsopties te formuleren, zodat de defensie-uitgaven effectief en doelmatig kunnen bijdragen aan versterking van de (Europese) militaire capaciteit. Het beleid inzake het aangaan van strategische samenwerking met de defensie-industrie is onderdeel van de analyse.
De inhoudelijke beoordeling per individuele casus wordt aan de hand van de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022en het «Handboek aangaan deelnemingen» opgesteld. Over de uitkomsten van de EBA wordt uw Kamer in september geïnformeerd. De uitkomsten worden vervolgens verwerkt in het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie, waarover uw Kamer later dit jaar wordt geïnformeerd.
Kunt u uw uitspraak in het artikel dat een daadwerkelijk gouden aandeel «een hele procedure» is, waarbij het Ministerie van Financiën betrokken is en goedkeuring van het parlement nodig is nader duiden? Is de Minister van Financiën betrokken geweest in deze besluitvorming tot een optie op een gouden aandeel bij Intelic?
Met deze tekst doel ik op de van toepassing zijnde wettelijke kaders en beleidskaders zoals ook beschreven in het antwoord op vragen 2 en 3. Uw Kamer zal worden geïnformeerd als hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden.
Heeft u vooraf juridisch advies verkregen over de effectiviteit en rechtmatigheid van deze optie op een gouden aandeel in Intelic, en/of op een daadwerkelijk gouden aandeel in de toekomst? Zo ja, kunt u de inhoud van dit advies delen met de Kamer?
Ja, de Landsadvocaat is betrokken bij dit proces.
Adviezen van de Landsadvocaat kan ik gelet op de kabinetsbeleidslijn voor openbaarmaking van adviezen van de Landsadvocaat (Kamerstuk 35 510, nr. 4) niet met u delen.
Heeft u vooraf overleg gevoerd met de Europese Commissie en wat is het standpunt van de Commissie, aangezien in het verleden de gouden aandelen bij KPN en TPG zijn verboden?
Nee, er is voor deze specifieke casus geen overleg gevoerd met de Europese Commissie.
Kunt u de ambtelijke beslisnota naar de Kamer sturen die gevolgd is ten behoeve van dit besluit om een optie op een gouden aandeel af te spreken met Intelic dan wel een daadwerkelijk gouden aandeel te gaan nemen?
De beslisnota zal vertrouwelijk met uw Kamer worden gedeeld.4
Kunt u de definitie van een gouden aandeel specificeren? Wat valt er onder «strategische besluiten» door Intelic, waarvoor het Ministerie van Defensie voortaan eerst toestemming moet verlenen en behelst dit ook een vetorecht? Kunt u nader uiteenzetten hoe dit zal verschillen van de huidige situatie?
De klimaatimpact van de veehouderij en de kabinetsaanpak |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat volgens de meest recente Klimaat- en Energieverkenning (KEV) nog circa 24 megaton CO₂-reductie nodig is om de klimaatdoelen voor 2030 te halen?
Volgens de Klimaat- en Energieverkenning 2025 (KEV25) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is nog 22 megaton CO2-eq. aanvullende broeikasgasreductie nodig om het wettelijke klimaatdoel van 55% broeikasgasreductie in 2030 ten opzichte van 1990 met 95% zekerheid te halen. In de KEV26, die met Prinsjesdag wordt gepubliceerd, komt het PBL met nieuwe cijfers en ramingen richting 2030, zie ook antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven hoeveel de landbouwsector en specifiek de veehouderij uitstoot in CO₂-equivalenten volgens de meest recente cijfers? Welk aandeel is dit van de totale uitstoot in Nederland?
Volgens de KEV25 kwamen de broeikasgasemissies van de landbouw in 2024 uit op 24,8 megaton CO2-eq. Hiervan kwam 17,8 megaton CO2-eq. door de procesemissies van de veehouderij en akkerbouw. De overige emissies kwamen door energieverbruik, met name afkomstig van de glastuinbouw. Dit komt neer op een aandeel van 17,1% van de landbouw en 12,3% specifiek van de procesemissies van de veehouderij en akkerbouw, van de totale uitstoot (145 megaton CO2-eq.) in Nederland.
Hoeveel van de nog benodigde reductiedoelstelling van 24 megaton gaat u toerekenen aan de landbouw- en veehouderijsector?
In 2022 zijn voor alle klimaatsectoren indicatieve sectordoelen gesteld1. In de voorjaarsbesluitvorming 20232 is de indicatieve restemissie van de landbouw aangescherpt met 1 Mton CO2-eq. extra reductie in de glastuinbouw. De landbouwsector heeft hierdoor een indicatief sectordoel (restemissiedoel) van 17,9 megaton CO2-eq. in 2030. Dit is uitgesplitst in een bijdrage van de veehouderij en akkerbouw van 13,6 megaton CO2-eq. en een bijdrage van de glastuinbouw van 4,3 megaton CO2-eq. in 2030. Volgens de KEV25 is het gat tot het doelbereik voor de landbouw nog 4 megaton CO2-eq., waarvan 2,5 megaton CO2-eq. voor de veehouderij en akkerbouw.
Kunt u aangeven hoeveel broeikasgasreductie het kabinet op dit moment concreet verwacht te realiseren in de veehouderij richting 2030 en 2035, uitgesplitst naar maatregelen en in megatonnen CO₂-equivalenten, gezien het voornemen om pas vanaf 2035 doelsturing in te voeren?
In de KEV26, die met Prinsjesdag wordt gepubliceerd, komt het PBL met nieuwe cijfers en ramingen richting 2030. Het kabinet heeft op 26 juni jl. het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof gepresenteerd.3 De maatregelen die hierin zijn genomen zullen vanwege de doorlooptijd nog niet kunnen worden meegenomen in de ramingen in de KEV26. In september 2026 volgt wel een reflectie van het PBL op dit maatregelenpakket, waarin ook de klimaateffecten worden meegenomen.
Staat de reductiedoelstelling uit het Klimaatakkoord 2019 van 1,2 tot 2,7 megaton nog steeds overeind, of gelden er op dit moment andere doelstellingen, aangezien in het Klimaatplan 2025–2035 geen concrete reductiedoelstellingen worden genoemd voor landbouw en veehouderij?
Na het Klimaatakkoord uit 2019 zijn zowel de wettelijke doelen (via wijziging van de Klimaatwet) als het bijbehorende beleid aangescherpt. Het kabinet stuurt voor de klimaatopgave primair op de indicatieve sectordoelen (restemissiedoelen), waaronder het eerdergenoemde restemissiedoel van 17,9 megaton CO2-eq. voor de landbouw. Daarnaast heeft Nederland zich gecommitteerd aan de Global Methane Pledge. Dit houdt in dat Nederland zich inzet voor 30% reductie van methaan in 2030 ten opzichte van 2020.
Wordt de reductiedoelstelling uit het Klimaatakkoord 2019 van 1,2 tot 2,7 megaton vanuit de veehouderij gehaald, en zo nee, waarom en welke reductie resteert?
Zie hiervoor het antwoord op de vragen 3 en 5.
Kunt u toelichten waarom in het Klimaatplan 2025–2035 geen concrete reductiedoelen of maatregelen voor de landbouw en veehouderij in megatonnen zijn opgenomen, terwijl deze sector een substantiële bijdrage levert aan de nationale uitstoot?
In het Klimaatplan, dat eens in de vijf jaar wordt vastgesteld, is een meerjarige beleidsagenda opgenomen en wordt het transitiepad geschetst voor de lange termijn. Het Klimaatplan bevat geen concrete reductiedoelen of maatregelen voor sectoren na 2030, ook niet voor andere sectoren dan de landbouw. De meerjarige beleidsagenda wordt in de jaarlijkse klimaatcyclus gebruikt voor de budgettaire besluitvorming over concrete klimaatmaatregelen. De meerjarige beleidsagenda is in de Klimaat- en Energienota 2025 geactualiseerd.4
Deelt u de conclusie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat het huidige beleid onvoldoende is om de klimaatdoelen te halen en dat aanvullend beleid noodzakelijk is dat op korte termijn emissiereductie oplevert? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bereidt u specifiek voor de veehouderij voor?
Het PBL stelt in de KEV25 dat het huidige beleid onvoldoende is om de klimaatdoelen te halen. Na het verschijnen van de KEV25 heeft het kabinet maatregelen voor de landbouwsector aangekondigd in het kader van het pakket voor landbouw, natuur en stikstof. Onderdeel van dit pakket zijn de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat. Hiermee zet het kabinet in op reductie van broeikasgassen in de veehouderij. Daarnaast zijn er ook andere maatregelen aangekondigd die naar verwachting effect hebben op de reductie van de broeikasgassenuitstoot in de landbouw, zoals de vrijwillige beëindigingsregeling, de afroming van productierechten en grondgebondenheid. Conform het coalitieakkoord neemt het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen om de klimaatdoelen te halen. Het kabinet wil aansluiten bij de Europese aanpak en kijkt hiervoor ook naar de voorstellen van de Europese Commissie voor het 2040-maatregelenpakket die later dit jaar worden verwacht.
Kunt u aangeven hoeveel CO₂-reductie wordt verwacht als gevolg van het stikstofbeleid? Wat betekent dit voor de zekerheid waarmee klimaatdoelen gehaald kunnen worden?
Het PBL presenteert in september een reflectie op het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof. Het klimaateffect van het pakket zal in deze reflectie ook worden doorgerekend.
Kunt u inzichtelijk maken in welke mate de omvang van de veestapel onderdeel is van het klimaatbeleid, gegeven dat het PBL aangeeft dat deze voor een groot deel bepalend is voor de broeikasgasemissies? Welke concrete beleidskeuzes en doelstellingen hanteert het kabinet op dit punt?
Het kabinet stuurt in het klimaatbeleid op de eerdergenoemde sectorale restemissiedoelen. Voor de veehouderij is er vanuit de Ministeriële Taskforce voor landbouw, natuur en stikstof een reeks aan maatregelen aangekondigd, waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Kunt u toelichten wat u verstaat onder «een stevige aanpak [.] om invulling te geven aan het sectordoel van de veehouderij en mestaanwending in de akkerbouw» zoals genoemd in het Klimaatplan 2025–2025 (p. 43), en welke concrete maatregelen daar op dit moment onder vallen?
Zoals genoemd heeft het kabinet onlangs het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof gepresenteerd. Deze maatregelen zullen ook een bijdrage leveren aan de klimaatdoelen voor de landbouw. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8. Conform het coalitieakkoord neemt het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen om de klimaatdoelen te halen.
Kunt u per maatregel aangeven wat het verwachte reductiepotentieel is, binnen welke termijn deze gerealiseerd wordt en hoe zeker deze reductie is (bijvoorbeeld op basis van gevalideerde praktijkdata)?
In september 2026 wordt de doorrekening van PBL voor het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof verwacht. Hierbij wordt ook gekeken naar de effecten voor klimaat.
In hoeverre leunt het huidige beleid op technologische innovaties, zoals emissiearme stalsystemen en managementmaatregelen? Hoe beoordeelt u de risico’s dat deze innovaties onvoldoende of te laat leveren?
De aanpak bestaat uit verschillende soorten maatregelen en leunt niet alleen op technologische innovaties. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Voor het behalen van de bedrijfsspecifieke emissiedoelen is het van belang dat de veehouder voldoende maatregelen tot zijn beschikking heeft om het bedrijfsspecifieke emissiedoel te halen. Daarom wordt het doel ook bepaald op basis van technisch reductiepotentieel. De borging van de bedrijfsspecifieke emissiedoelen wordt verder uitgewerkt om te zorgen dat ingezette maatregelen ook tot daadwerkelijke reductie zullen leiden.
Klopt het dat het kabinet voornemens is doelsturing pas vanaf 2035 in te voeren, waarbij agrariërs afrekenbare emissiedoelen krijgen? Waarom wordt deze systematiek niet al vóór 2030 ingevoerd, gezien de urgentie van de klimaatopgave?
Doelsturing en het invoeren van afrekenbare emissienormen vraagt om een uitvoerige systeemwijziging die niet van vandaag op morgen gerealiseerd is. De periode richting 2035 geeft agrarische bedrijven tevens de ruimte om zorgvuldige keuzes te maken over de toekomst van hun bedrijf waarna ze moeten voldoen aan de individuele bedrijfsnormen. Het is daarbij cruciaal om ondernemers te ondersteunen met het maken van deze keuzes en in het nemen van maatregelen om in 2035 voldoen aan de geldende normen. Voor ammoniak geldt bovendien in 2030 een sectorale streefwaarde waardoor er naar verwachting al sprake zal zijn van reductie voor 2030. Het kabinet verkent de mogelijkheden voor een passend borgingsmechanisme in 2030.
Hoe verhoudt het uitstellen van doelsturing tot na 2030 zich tot de noodzaak om op korte termijn substantiële emissiereducties te realiseren?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 14. Er geldt voor ammoniak een sectorale streefwaarde voor 2030 en het kabinet verkent mogelijkheden voor een passend borgingsmechanisme. Daarnaast zet het kabinet voordat de normen afrekenbaar worden al in op emissiereducerende maatregelen door bijvoorbeeld managementmaatregelen te stimuleren. Naast de inzet op doelsturing, heeft het kabinet andere maatregelen aangekondigd in het onlangs verschenen maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Welke alternatieve instrumenten zet het kabinet vóór 2030 in om daadwerkelijk afdwingbare emissiereductie in de veehouderij te realiseren?
Zie antwoord op vraag 15.
Kunt u toelichten waarom het kabinet stelt dat emissies uit de veehouderij in 2050 niet tot nul kunnen worden teruggebracht, en in hoeverre deze aanname invloed heeft op de ambitie en inzet richting 2030?
De emissies uit de veehouderij worden in 2050 niet tot nul teruggebracht vanwege de biologische processen die met deze emissies gepaard gaan. Met de huidige inzichten kunnen deze biologische processen van met name (melk)vee en mesttoediening niet volledig emissievrij worden. De (melk)veehouderij en mesttoediening zal ook in 2050 nog in Nederland plaatsvinden, waardoor deze sector niet geheel naar nul emissie zal gaan. Deze stelling doet niets af aan de ambitie en inzet richting het klimaatdoel van 2030.
Hoe groot acht u de resterende emissies uit de landbouwsector in 2030, en in hoeverre rekent u op koolstofverwijdering of andere vormen van compensatie om deze te neutraliseren?
Zie antwoord op vraag 2. De indicatieve sectordoelen voor 2030 tellen op tot het wettelijke netto reductiedoel van 55% ten opzichte van 1990. Het kabinet stuurt op doelbereik in de sectoren en rekent voor 2030 niet op koolstofverwijdering of andere vormen van compensatie voor het indicatieve sectordoel voor de landbouw. Voor realisatie van het indicatieve sectordoel voor het landgebruik in 2030 wordt echter wel gerekend op een toename van koolstofverwijdering in bossen en minerale bodems, naast emissiereductie uit organische veenbodems.
Acht u het wenselijk om in te zetten op compensatie van landbouwemissies, in plaats van maximale reductie aan de bron? Kunt u dit toelichten?
Een van de uitgangspunten uit de Routekaart Koolstofverwijdering5 is dat het reduceren van broeikasgasemissies voorop blijft staan. Hiermee wordt de afhankelijkheid van koolstofverwijdering voor compensatie richting klimaatneutraliteit in 2050 geminimaliseerd. Voor de landbouwsector, evenals voor andere klimaatsectoren, betekent dit concreet dat emissiereductie aan de bron plaatsvindt waar dit mogelijk en haalbaar is. Onvermijdelijke of zeer moeilijk te reduceren emissies worden op duurzame wijze gecompenseerd door de inzet van koolstofverwijdering.
Hoe borgt u dat Nederland voldoet aan de verplichtingen onder de Europese Effort Sharing Regulation (ESR), waarin landbouwemissies zijn inbegrepen, indien aanvullende nationale maatregelen uitblijven?
De KEV25 raamt dat het heel erg waarschijnlijk is (meer dan 95% kans) dat Nederland zijn verplichtingen nakomt onder de ESR. De ESR beslaat naast landbouw ook uit emissies uit mobiliteit (excl. luchtvaart), gebouwde omgeving, kleine industrie en afval.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn als Nederland zijn ESR-doelen niet haalt, zowel financieel als juridisch?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 20, ligt Nederland op koers om het ESR-doel voor 2030 te halen. Een lidstaat die niet voldoende reductie behaalt binnen de ESR, kan verschillende flexibiliteiten uit de verordening inzetten om alsnog aan de ESR-verplichting te kunnen voldoen. Hier gaat het onder andere om compensatie tussen verschillende jaren of het kopen van emissieruimte van andere lidstaten. Indien na inzet van deze flexibiliteiten alsnog niet voldaan wordt aan de verplichting, treedt de boeteclausule van de ESR-verordening in werking. De lidstaat moet in latere jaren dan meer emissies reduceren. Haalt een land de doelen structureel niet, dan heeft de Europese Commissie de mogelijkheid om een inbreukprocedure te starten bij het EU-Hof, wat kan leiden tot geldboetes voor de overheid.
Kunt u reflecteren op de bredere klimaatimpact van het in stand houden van de huidige omvang van de veehouderij, mede in relatie tot beleidskeuzes rond bijvoorbeeld groen gas? In hoeverre worden hier ook scope-2 en -3 effecten meegenomen?
Het kabinet stuurt voor de klimaatdoelen op emissiereductie van broeikasgassen. De inzet op groen gas is hier onderdeel van. De omvang van de veehouderij is geen doel op zich, maar kan wel een resultante zijn van het gevoerde beleid. Scope-2 en scope-3 effecten vormen geen onderdeel van de doelen, maar kunnen wel worden meegewogen in de besluitvorming.
Welke concrete stappen is het kabinet bereid op korte termijn te zetten om de uitstoot van de veehouderij daadwerkelijk en substantieel te reduceren, en wanneer kan de Kamer hierover uitgewerkte voorstellen verwachten?
Het kabinet zal de komende tijd uitgewerkte voorstellen uit het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof aan de Kamer doen toekomen. Zie verder ook het antwoord op vraag 8.
Deelt u de opvatting dat het huidige beleid onvoldoende concreet, onvoldoende afdwingbaar en onvoldoende ambitieus is om de klimaatdoelen te halen? Zo nee, waarop baseert u dat?
Volgens de KEV25 zijn er aanvullende maatregelen nodig om de klimaatdoelen te realiseren. Met het gepresenteerde maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof beoogt het kabinet een forse stap te zetten richting het vlottrekken van vergunningverlening. Maatregelen uit dit maatregelenpakket kennen ook een emissie-reducerend effect op klimaat. In september komt het PBL met een reflectie op dit maatregelenpakket, waarin ook wordt gekeken naar het klimaateffect. Daarnaast volgt met Prinsjesdag de KEV26 met nieuwe ramingen van het PBL. Conform het coalitieakkoord zal het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen nemen om de klimaatdoelen te halen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk, onderbouwd en op tijd beantwoorden?
Ja.
Het bericht: ‘Trump administration probes UNRWA over alleged employment of 1,500 terrorists’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat de regering-Trump een onderzoek is gestart naar de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees (UNRWA) vanwege beschuldigingen dat duizenden medewerkers banden zouden hebben met terroristische organisaties, zoals Hamas?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze nieuwe beschuldigingen tegen UNRWA?
Op het moment van schrijven is het onderzoek van de VS nog gaande en is er nog geen rapport gepubliceerd. Ik wil dan ook niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onderzoek. Navraag bij UNRWA levert op dat vooralsnog geen informatie is gedeeld over dit lopende onderzoek jegens de UNRWA-medewerkers. UNRWA heeft daartoe wel verschillende verzoeken gedaan, zodat waar nodig reactie kan worden gegeven en/of actie ondernomen kan worden.
Deelt u de opvatting dat ook de schijn dat Nederlands belastinggeld direct of indirect terechtkomt bij personen met banden met terroristische organisaties volstrekt onacceptabel is?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 30 maart jl.1 benadrukt het kabinet de strikte voorwaarde dat publieke middelen onder geen enkel beding aangewend mogen worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen.
Welke garanties kunt u geven dat geen enkele euro Nederlands belastinggeld via UNRWA terechtkomt bij personen of organisaties die betrokken zijn bij terrorisme of terrorisme ondersteunen?
Het kabinet wil onder geen enkel beding dat publieke middelen aangewend worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen zoals Hamas. Berichtgevingen over potentiële banden van UNRWA met Hamas en mogelijke betrokkenheid van enkele individuele UNRWA-medewerkers bij de aanslagen van 7 oktober worden derhalve steeds serieus bekeken. Internationale, onafhankelijke onderzoeken tonen aan dat er tot op heden onvoldoende bewijs is geleverd ten aanzien van banden tussen UNRWA en Hamas. Uit het onafhankelijk onderzoek van Office of Internal Oversight Services (OIOS) naar mogelijke betrokkenheid van individuele UNRWA-medewerkers blijkt eveneens dat er onvoldoende bewijs was en het beschikbare bewijs niet kon worden geverifieerd. UNRWA heeft robuuste systemen ontwikkeld om eventuele misstanden te signaleren en gepaste actie te ondernemen, zoals de organisatie in het verleden ook heeft laten zien. Verder heeft UNRWA aangegeven alle aanbevelingen op te volgen uit het Colonna-rapport2 over de neutraliteit van de organisatie. Tot dusverre heeft UNRWA meer dan de helft van deze aanbevelingen geïmplementeerd en wordt voortgang geboekt op de overige aanbevelingen. Daarnaast neemt Nederland deel aan de werkgroep over neutraliteit en integriteit. Deze groep ziet nauw toe op de implementatie van de aanbevelingen.
Bent u bereid alle Nederlandse financiële bijdragen aan UNRWA onmiddellijk op te schorten? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft het door de Algemene Vergadering van de VN verleende mandaat van UNRWA steunen. De organisatie biedt belangrijke basisdiensten conform dit mandaat, zoals gezondheidszorg en onderwijs, aan Palestijnse vluchtelingen in de regio, inclusief Libanon, Jordanië en Syrië. Op deze manier draagt UNRWA bij aan de stabiliteit in een onrustige regio. Verder is UNRWA essentieel in het bieden van humanitaire hulp in zowel Gaza als Libanon.
Hoeveel Nederlands belastinggeld is sinds 7 oktober 2023 aan UNRWA verstrekt of toegezegd?
In totaal heeft Nederland in de periode sinds 7 oktober 2023 tot nu 63 miljoen euro bijgedragen aan UNRWA. Na 7 oktober heeft Nederland in 2023 een extra 18 miljoen euro bijgedragen gezien de hoge noden in de regio. In 2024, 2025 en 2026 heeft Nederland de jaarlijkse bijdrage aan UNRWA overgemaakt, waarvan 2025 en 2026 conform amendement Stoffer/Eerdmans3.
Welke concrete controles voert Nederland uit om te voorkomen dat Nederlands belastinggeld indirect ten goede komt aan terroristische organisaties?
Nederland werkt samen met professionele en betrouwbare maatschappelijke organisaties, die beleid en gedegen procedures hebben om risico’s van malversaties te verkleinen, en die adequaat optreden in geval van zowel aantijgingen als bewezen malversaties.
Besluiten om bepaalde organisaties te financieren worden altijd zorgvuldig genomen, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Deze assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Organisaties met wie Nederland samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van o.a. de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties. Daarnaast worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluatie en audits van activiteiten met Nederlandse steun. Indien uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andere malversaties, zal het ministerie daartegen optreden.
Ook is Nederland lid van de verschillende bestuursorganen van VN-organisaties, waarbij wordt toegezien op het effectief functioneren van de organisaties.
Eveneens bestaat het Multilateral Organisation Performance Assessment Network (MOPAN), waar Nederland ook lid van is en in 2025 voorzitter van was. Dit netwerk ziet toe op de effectiviteit, transparantie en resultaten van multilaterale organisaties, zoals de VN en de Wereldbank, middels onafhankelijke doorlichtingen.
Bent u bereid toekomstige Nederlandse bijdragen aan UNRWA definitief af te schaffen indien de ernstige beschuldigingen (gedeeltelijk) worden bevestigd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 30 maart jl.4 benadrukt het kabinet de strikte voorwaarde dat publieke middelen onder geen enkel beding aangewend mogen worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen. Indien hier sprake van zou zijn dan wordt steun heroverwogen. Het kabinet neemt de risico's op onbedoelde financiering altijd serieus en Nederland zal, samen met andere donoren, scherp blijven toezien op de integriteit van de hulpverlening, ook in de toekomst.
Bent u bereid zich er in Europees- en internationaal verband voor in te zetten dat geen belastinggeld meer terechtkomt bij organisaties waarvan de neutraliteit ernstig ter discussie staat? Zo nee, waarom niet?
Nederland is voortdurend in contact met partners en andere lidstaten om te blijven toezien op de integriteit en neutraliteit van de hulpverlening.
Beschikt u of het kabinet over aanwijzingen dat sinds 7 oktober 2023 Nederlands overheidsgeld, direct of indirect, terecht is gekomen bij Hamas of aan Hamas gelieerde personen of organisaties, dan wel dat door Nederland gefinancierde humanitaire- of ontwikkelingshulp door Hamas is verduisterd, omgeleid of in beslag genomen? Zo ja, om welke bedragen, gevallen en maatregelen gaat het? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert het kabinet dat hiervan geen sprake is?
Na de gebeurtenissen op 7 oktober 2023 zijn de due diligence-processen die ervoor moeten waken dat geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties tegen het licht gehouden. Daaruit bleek dat er geen signalen zijn dat geld voor Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse gebieden terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen en dat de processen op orde zijn, zoals gesteld in de brief die met de kamer op 11 oktober 2023 gedeeld is.5
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Illegale houtkap in de Amazone via Nederlandse bedrijven |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat hout met een illegale herkomst via Nederlandse importeurs, handelaren of afnemers in de keten is beland en is verkocht met een duurzaam label? Zo ja, welke partijen zijn daarbij betrokken?1
Wanneer er signalen zijn dat er illegaal gekapt hout op de Nederlandse markt terecht komt, wordt hier handhavend tegen opgetreden. Dat mogelijk illegaal gekapt hout op de Nederlandse markt terecht komt, is helaas nooit helemaal uit te sluiten. Over individuele gevallen doen de ministeries geen uitspraak.
Welke Nederlandse bedrijven, importeurs, handelaren of afnemers zijn door de regering of toezichthouders in beeld gebracht in verband met deze handel?
Namen van bedrijven kunnen niet openbaar gemaakt worden. Over eventuele lopende strafrechtelijke onderzoeken maken opsporingsdiensten geen informatie bekend vanwege de bescherming van privacy en onschuldspresumptie, evenals de integriteit van het onderzoek.
Welke boetes, sancties of importverboden zijn inmiddels opgelegd aan betrokken partijen? Als die sancties er niet zijn, waarom niet?
Op basis van het rapport van Earthsight zijn nog geen boetes, sancties of importverboden opgelegd. In dit soort zaken onderzoekt de NVWA eerst of de informatie in het rapport inderdaad voldoende aanknopingspunten heeft om controles bij bedrijven uit te voeren. Ook wordt gekeken of genoemde bedrijven zijn geïnspecteerd op meer recente partijen en wat de uitkomst van die inspecties was. Bij de houtverordening gaat het uiteindelijk niet om een controle op een specifieke partij hout, maar om de mate van robuustheid van een stelsel van zorgvuldigheidseisen dat een bedrijf heeft en om welke maatregelen bedrijven nemen als er toch onregelmatigheden in hun toeleveringsketens optreden.
Hoe vaak heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in de afgelopen vijf jaar controles uitgevoerd op tropisch hardhout uit de Amazone en hoeveel overtredingen zijn daarbij vastgesteld?
In de afgelopen vijf jaar zijn er 32 inspecties uitgevoerd op bedrijven waarbij de focus van de inspectie lag op zendingen uit het Amazonegebied. Bij elf bedrijven betrof het gezaagd hout en bij 21 bedrijven papierproducten. Zeven waren akkoord, vier kregen een Proces-Verbaal, 20 een Last onder dwangsom en één een nadere bestuursrechtelijke maatregel. Met de invoering van de EUDR zal de inspectie-intensiteit toenemen. Dit betekent onder andere dat zendingen van hout en houtproducten, waaronder hout uit het Amazonegebied, nog nadrukkelijker onderwerp van toezicht zullen zijn.
Vindt het kabinet het acceptabel dat bedrijven winst maken op tropisch hout, terwijl de Amazone ondertussen steeds verder verdwijnt?
Het kabinet zet zich ervoor in om illegaal geproduceerd hout van de Nederlandse en Europese markt te weren en om wereldwijd ontbossing en bosdegradatie per 2030 te stoppen en om te keren, onder meer door internationale samenwerking en regelgeving. Voor houtproducten gelden Europese regels om ontbossing en illegale houtkap tegen te gaan. De Europese houtverordening (EUTR) verplicht bedrijven om gepaste zorgvuldigheid toe te passen om het risico op het op de markt brengen van illegaal gekapt hout te beperken. Deze regelgeving wordt vervangen door de Europese ontbossingsverordening (EUDR), die bedrijven verplicht aan te tonen dat hout en andere relevante grondstoffen legaal geproduceerd zijn en niet afkomstig zijn van gronden waarop ontbossing of bosdegradatie heeft plaatsgevonden.
Daarnaast verwacht het kabinet van alle Nederlandse bedrijven dat zij handelen conform internationale standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO): de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights. Deze standaarden schrijven voor dat bedrijven risico’s voor mens en milieu in de waardeketen, zoals het risico op ontbossing, identificeren en waar nodig aanpakken. Het kabinet ondersteunt het Nederlandse bedrijfsleven hierbij, o.a. via het MVO-steunpunt, sectorale samenwerking en het postennetwerk.
Bent u bereid de handhaving op import van tropisch hout aan te scherpen, onder meer door intensievere ketencontroles en zwaardere sancties bij misleiding?
Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de ontbossingsverordening (EUDR), de opvolger van de houtverordening, is de handhavingscapaciteit bij de NVWA uitgebreid. Vanaf 30 december 2026, het moment van inwerkingtreding van de EUDR, zal het aantal inspecties toenemen. Vanaf dat moment gelden verplichte controlepercentages. Uit landen met een gemiddeld risico op ontbossing, waar veel landen in de Amazone-regio onder vallen, zal 3% van de marktdeelnemers die hout importeren, jaarlijks moeten worden geïnspecteerd.
Is het kabinet bereid om misstanden in de toeleveringsketen van hout en het effect hiervan op de Amazone serieus te onderzoeken, om te zien of aanvullende nationale regels nodig zijn naast de EUDR om frauduleuze import van tropisch hout tegen te gaan?
Het kabinet vindt het van belang dat misstanden in de houtketen worden voorkomen en aangepakt. De Europese ontbossingsverordening (EUDR) is hiervoor een belangrijk instrument dat bedrijven verplicht inzicht te geven in hun toeleveringsketens en ervoor te zorgen dat relevante producten niet bijdragen aan ontbossing en bosdegradatie. Het kabinet zet zich in voor een effectieve uitvoering en handhaving van de EUDR. Op basis van de ervaringen met de uitvoering en eventuele signalen over misstanden zal worden bezien of aanvullende maatregelen nodig zijn.
Kunt u aangeven welke diplomatieke stappen Nederland zet richting Brazilië om structurele controle op herkomst, kapvergunningen en exportdocumenten te verbeteren?
Bij inspecties controleert de NVWA de documentatie van importerende bedrijven op hun verplichtingen onder de houtverordening. Incidenteel en waar nodig werkt de NVWA daarvoor samen met Braziliaanse instanties en overheden.
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor hardere aanpak van misstanden in toeleveringsketens, inclusief een passage hierover in het politiek deel van het Mercosur-verdrag?
Het kabinet onderschrijft het belang van een stevige Europese aanpak van misstanden in toeleveringsketens. In EU-kader wordt al gewerkt aan de uitvoering van verschillende IMVO-gerelateerde wetgeving zoals de EUDR en de Richtlijn inzake gepaste zorgvuldigheid voor duurzaamheid van ondernemingen (CSDDD). Nederland brengt daarnaast het belang van gepaste zorgvuldigheid, naleving van internationale normen en een gelijk speelveld voor bedrijven actief onder de aandacht in de EU. Aangezien de onderhandelingen over het EU-Mercosur-akkoord reeds zijn afgerond, is een aanpassing hiervan op dit moment niet aan de orde. Binnen het akkoord zijn concrete duurzaamheidsafspraken gemaakt met als doel grondstofwaardeketens veiliger en toekomstbestendig te maken, en zijn er bepalingen overeengekomen over hoe gezamenlijk wordt ingezet op duurzaam bosbeheer. Daarnaast is er een reguliere dialoog tussen de EU en de Mercosur-landen voor de implementatie van de gemaakte afspraken.
Bent u bereid de Kamer binnen drie maanden te informeren over de stand van zaken rond toezicht, handhaving en vervolging in deze zaak?
Zoals toegelicht doen de ministeries geen uitspraken over individuele zaken.
Het ineenstorten van het middenhuuraanbod twee jaar na de inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wet betaalbare huur blijkt na 2 jaar geen succes: «Er is letterlijk geen woning in de middenhuur te vinden»»?1
Ja.
Erkent u dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de invoering van de Wet betaalbare huur (WBH) en de in dit artikel beschreven aanbodkrimp en uitpondingsgolf?
Bij de invoering van de Wbh is rekening gehouden met meerdere uitpondscenario’s. Een deel van de huurwoningen die voorheen werd verhuurd in het vrije segment met een relatief hoge huurprijs vallen nu op basis van het puntenaantal in het middensegment. Verhuurders van deze woningen kunnen niet meer de huurprijs vragen die zij zelf willen, maar moeten een huurprijs vragen die in lijn is met de kwaliteit van de woning. Gelijktijdig met en vooraf aan de Wbh zijn zowel in het huur- als fiscale domein maatregelen genomen die de sector beïnvloeden, zoals de aanpassingen aan box 3, de verhoging van de overdrachtsbelasting, invoering van de opkoopbescherming en de afschaffing van de tijdelijke huurcontracten. Dit alles samen zorgt ervoor dat het voor een deel van de verhuurders nu niet meer aantrekkelijk genoeg en soms onrendabel is om te verhuren in het gereguleerde of vrije segment. Daarnaast spelen marktomstandigheden zoals hogere rentes en stijgende woningwaardes een rol in de keuze van verhuurders om woningen te verkopen.
Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend luidt, schrijft u het gegeven dat de uitpondingsgolf exact samenvalt met de inwerkingtreding van de WBH dan toe aan toeval, en plaatst u deze ontwikkeling daarmee buiten de gevolgen van beleidsvoering?
Zie het antwoord op vraag 2.
Indien u de samenloop noch aan toeval, noch aan de WBH toeschrijft, welke verklaring resteert er volgens u dan voor het feit dat het uitpondingspercentage binnen één kwartaal na de inwerkingtreding van de WBH verdrievoudigde?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u het eens dat de uitbreiding van het woningwaarderingsstelsel van 143 naar 186 punten de rendabiliteit van verhuur in dit segment per definitie verlaagt?
Of de huurinkomsten lager uitvallen zal voor bestaande gevallen afhangen van of de verhuurder vooraf aan de regulering van de middenhuur een huurprijs vroeg die in overeenstemming was met het WWS. Zo kan het zijn dat een verhuurder bijvoorbeeld € 800 huur per maand vraagt, terwijl het WWS € 1.000 per maand toelaat. In dergelijke gevallen vindt geen rendabiliteitsverlies plaats door het puntenstelsel uit te breiden naar 186 WWS-punten. Voor nieuwe middenhuur is regulering het uitgangspunt en wordt hiermee vooraf rekening gehouden met de rendabiliteit van de businesscase.
Erkent u dat een verhuurder wiens rendement door deze stapeling van maatregelen onder zijn kosten zakt, bedrijfseconomisch geen andere keuze heeft dan verkopen, en dat de uitpondingsgolf daarmee een voorzienbaar gevolg van overheidsbeleid is?
Ik deel die conclusie niet. De keuze van een verhuurder om een woning te verkopen is een individuele bedrijfseconomische afweging die afhankelijk is van de specifieke omstandigheden van de verhuurder en de betreffende woning. Daarbij, zoals genoemd in het antwoord op vraag 2, spelen verschillende factoren een rol, waaronder de huuropbrengsten, fiscale ontwikkelingen, onderhouds- en financieringskosten, de renteontwikkeling en de ontwikkeling van de woningwaarde. Zo komt het ook voor dat een verhuurder een woning niet meer rendabel kan verhuren en die doorverkoopt aan een andere verhuurder die daar wel een levensvatbare businesscase voor heeft. Voor verhuurders waarbij de businesscase niet langer uit kan, is uitponden een realistisch en met de invoering van de Wbh voorziene ontwikkeling. Om hen enige verlichting te bieden wil ik op korte termijn de optimalisatie van de Wbh in werking laten treden. Die biedt verhuurders enige verlichting op knelpunten bij verhuur binnen het betaalbare segment.
Deelt u de analyse dat huurders die door de aanbodkrimp geen middenhuurwoning meer kunnen vinden, noodgedwongen uitwijken naar de vrije sector?
De mogelijkheden van woningzoekenden zijn afhankelijk van verschillende factoren, zoals inkomen, beschikbaarheid van woningen en de regionale woningmarktsituatie. Tegelijkertijd is duidelijk dat een te grote groep mensen moeite heeft om een passende en betaalbare woning te vinden. Een te beperkt aanbod van betaalbare koop- en huurwoningen leidt ertoe dat er mensen zijn die zijn aangewezen op een woning die financieel zwaar op hen drukt. Daarom zet het kabinet in op het vergroten van het aanbod van betaalbare woningen, onder meer via de Wet versterking regie op de volkshuisvesting. Ook beoog ik met de optimalisatie van de Wbh verlichting te bieden op specifieke knelpunten waar verhuurders last van hebben bij het verhuren binnen het betaalbare segment. Dit draagt bij aan de overweging niet te verkopen, maar door te blijven verhuren.
Hoe verhoudt de naam «Wet betaalbare huur» zich volgens u tot de realiteit dat een woningzoekende twee jaar na de invoering van deze wet 5.650 euro bruto per maand moet verdienen om voor een gemiddelde huurwoning in aanmerking te komen?
Het aangehaalde getal van € 5.650 euro per maand is gebaseerd op een rapportage van Pararius, een verhuurplatform waar voornamelijk vrije sectorhuurwoningen worden aangeboden. In dit rapport wordt gesteld dat huurders die in het tweede kwartaal van 2026 via dat platform en het platform huurwoningen.nl een vrijesectorwoning betrokken gemiddeld € 1.882 per maand kwijt waren aan de huurprijs. Verder wordt gesteld dat doordat verhuurders doorgaans tenminste drie keer maandhuur als bruto-inkomen vragen, er dus een bruto-inkomen van € 5.650 nodig is om voor deze huurwoning in aanmerking te komen.
Omdat het hier gaat om vrijesectorwoningen, en dan alleen die vrijesectorwoningen die via Pararius en huurwoningen.nl worden aangeboden, kan niet gesproken worden dat een inkomen van € 5.650 nodig is om voor een «gemiddelde huurwoning» in aanmerking te komen.
De Wbh heeft als doel huurders beter te beschermen tegen te hoge huren door de maximale huurprijzen voor middenhuurwoningen te koppelen aan de kwaliteit van de woning. Daarmee draagt de wet bij aan balans tussen huurprijs en kwaliteit van de woning in het gereguleerde segment en zorgt het ervoor dat deze woningen betaalbaar blijven voor de lage- en middeninkomens. Het gereguleerde segment reikt exclusief prijsopslagen tot € 1.228 per maand. Huurders die op basis van hun inkomen of beschikbaarheid niet terecht kunnen in dit segment, zijn aangewezen op de vrije sector de huurprijzen waar per definitie hoger liggen.
Erkent u dat de beoogde doelgroep van de WBH – huishoudens met een middeninkomen – per saldo niets aan de wet heeft gehad, aangezien de uitgeponde middenhuurwoningen zijn gekocht door huishoudens die zich een koopwoning wél konden veroorloven?
Een deel van de uitgeponde huurwoningen zijn handen van middeninkomens gekomen die daardoor niet langer op zoek zijn naar een (midden)huurwoning. Het grootste deel van de uitgeponde woningen ligt qua koopprijs onder de betaalbaarheidsgrens. Dit is voor een deel van de middeninkomens betaalbaar. Daarnaast betrof een deel van de verkochte woningen huurwoningen die vóór de invoering van de wet weliswaar als middenhuurwoning konden worden aangemerkt op basis van hun kwaliteit (WWS-punten), maar in de praktijk tegen huurprijzen in het vrije segment werden verhuurd. Daardoor waren deze woningen voor veel huishoudens met een middeninkomen feitelijk niet betaalbaar en vervulden zij niet de functie van betaalbare middenhuur. In die gevallen kan niet worden geconcludeerd dat de doelgroep van de wet een betaalbare middenhuurwoning is misgelopen. Dat sommige van deze woningen vervolgens zijn verkocht aan eigenaar-bewoners betekent niet dat de doelgroep per saldo niets aan de wet heeft gehad. De wet beoogt betaalbare huurwoningen beschikbaar te maken en te behouden voor middeninkomens, terwijl de effecten op de woningvoorraad afhankelijk zijn van uiteenlopende factoren en zich niet laten reduceren tot uitsluitend de verkoop van woningen.
Desondanks ben ik niet blind voor de verkoop van huurwoningen. Het is contraproductief als betaalbare huurwoningen verkocht worden, terwijl de voorraad juist vergroot moet worden. Daarom wil ik met een optimalisatie van de wet een aantal knelpunten voor verhuurders wegnemen. Tijdens de evaluatie van de Wbh zal verder onderzoek worden gedaan naar de doeltreffendheid en effecten van de wet in de praktijk. In het Wetsvoorstel is destijds opgenomen dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnen 5 jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag zendt hiervan. De aangenomen Motie-Van Rooijen (50PLUS)2 verzoekt om dit verslag na 3 jaar toe te sturen in plaats van na 5 jaar. Daarom ontvangt uw Kamer deze evaluatie uiterlijk 1 juli 2027.
Hoe beoordeelt u het in het bericht beschreven voorbeeld van een Amsterdamse verhuurder die zijn 50 uitgeponde woningen naar eigen zeggen voornamelijk aan expats heeft verkocht en hoe verhoudt dit zich tot de Nederlandse stellen met twee inkomens in diezelfde stad die een woonruimte mislopen?
Het in het artikel aangehaalde voorbeeld van een individuele verhuurder die heeft besloten zijn woningen te verkopen, laat zien dat sommige verhuurders hun portefeuille heroverwegen als gevolg van gewijzigde marktomstandigheden. Daaruit kan echter niet worden geconcludeerd dat de Wbh op zichzelf de oorzaak is van deze verkoopbeslissing of dat dergelijke keuzes representatief zijn voor de gehele verhuurmarkt.
Bij de verkoop van een woning staat het een verkoper op grond van het recht van gunning vrij om de woning te verkopen aan de kandidaat die het meest aantrekkelijke bod uitbrengt. Uit eerder onderzoek van de NVM3 blijkt dat expats relatief vaak een voorkeur hebben voor een woning in Amsterdam vanwege de werkgelegenheid in die regio. Daarnaast beschikken zij gemiddeld genomen over een hoger budget dan Nederlandse woningzoekenden. Dit hangt onder meer samen met het feit dat expats gemiddeld een hoger inkomen hebben en bij hun woningkeuze andere afwegingen kunnen maken ten aanzien van de prijs.
Bij het uitponden van huurwoningen in Amsterdam kan hierdoor de kans toenemen dat deze woningen worden verkocht aan expats. Dit betekent echter niet dat uitgeponde huurwoningen in de praktijk uitsluitend of hoofdzakelijk aan expats worden verkocht. Ook andere woningzoekenden kunnen deze woningen verwerven, afhankelijk van de biedingen en de omstandigheden op de lokale woningmarkt.
Kunt u aangeven hoeveel extra huishoudens er jaarlijks door immigratie een beroep doen op de Nederlandse huurmarkt, en hoe u deze structurele vraagtoename beoordeelt in het licht van het door uw beleid krimpende aanbod?
Immigranten die naar Nederland verhuizen oefenen vraag uit op de koop- en huursector. Welk aandeel in de huurwoningvraag het gevolg is van immigratie is niet goed te onderscheiden. Dit komt bijvoorbeeld doordat studie- en arbeidsmigranten vaak woningen delen of voor een deel gezinsmigranten zijn en intrekken bij een bestaand huishouden. Ook is er geen volledig beeld van de EU-migranten die tijdelijk in Nederland verblijven.
Erkent u dat het gros van de versoepelingen van de WBH die u op 20 april 2026 aankondigde er op neerkomen dat woningen een hogere puntentelling en daarmee een hogere maximumhuurprijs krijgen of zelfs in de vrije sector terechtkomen?
De maatregelen die zijn genomen ter optimalisatie van de Wbh richten zich vooral op woningen in de steden. Met deze optimalisatie wil ik gerichte knelpunten aanpakken die verhuurders ervaren en daarmee verlichting bieden voor deze verhuurders, zonder het fundamenteel wijzigen van het systeem. De meeste maatregelen zorgen niet voor liberalisatie, omdat het puntenaantal in beperkte mate toeneemt, de puntentoename van toepassing is op woningen die niet in de buurt komen van de liberalisatiegrens of er sprake is van een prijsopslag waarmee wel hogere huren maar geen punten worden toegekend.
Als gevolg van deze maatregelen wordt voor een aantal huurwoningen de maximaal te vragen huurprijs hoger, maar in lopende huurcontracten kan de huurprijs van de zittende huurder niet in een keer worden verhoogd naar het nieuwe maximum. De maximale jaarlijkse huurverhoging beschermt de zittende huurder. Daarnaast kan een huurwoning bij een lopend huurcontract niet liberaliseren, ook niet als het puntenaantal van de huurwoning toeneemt. De huurprijs bij aanvang van de huurovereenkomst is namelijk leidend voor het segment waartoe een woning behoort. Een huurder in een gereguleerde huurwoning blijft dus huurprijsbescherming houden. Voor nieuwe huurcontracten geldt het nieuwe maximum wel direct. Echter, de wet kent alleen maximale huurprijsgrenzen. De huurder en de verhuurder kunnen bij aanvang van de huurovereenkomst een lagere huurprijs afspreken. De maatregelen kúnnen leiden tot een hogere aanvangshuurprijs bij nieuwe huurcontracten, maar dat hoeft niet per definitie zo te zijn.
Erkent u dat u met deze versoepelingen dus méér marktwerking en huurprijzen die dichter bij de marktprijs liggen inzet als remedie tegen de door de WBH veroorzaakte aanbodkrimp?
Voor de gereguleerde huurwoningen waarvoor ten gevolge van de maatregelen de maximale huurprijsgrenzen omhoog mogen, is niet de marktprijs het uitgangspunt, maar het bieden van verlichting ten aanzien van knelpunten die ervaren worden door vooral particuliere verhuurders. Zo beoog ik ook, via wetswijziging, tijdelijke huurcontracten voor alle studenten mogelijk te maken. Daarnaast moet ingezet worden op een verbetering van het algemene investeringsklimaat voor verhuurders. Dat doe ik via de Taskforce Versnelling Woningbouw. Het in gevallen toelaten van een hogere maximale huurprijsgrens is dus slechts een deel van de oplossing om (midden)huurwoningen te behouden. Daar zit vanzelfsprekend een limiet aan, omdat de betaalbaarheid voor lage en middeninkomens bewaakt dient te worden.
Indien het antwoord op vraag 13 bevestigend luidt, erkent u daarmee dan impliciet dat de prijsmaximering – de kern van de WBH – zelf de oorzaak van de aanbodkrimp is, en ondergraaft u zodoende niet de bestaansreden van de wet in zijn geheel?
Prijsmaximering zie ik niet als de kern van de Wbh. Het gaat daarbij over het in balans brengen van prijs en kwaliteit voor een middenhuurwoning, zodat die ook betaalbaar is voor middeninkomens. Tegelijkertijd wordt de huurprijsbescherming voor huurders versterkt. Voor gevallen waarin te duur verhuurd werd, zou een verhuurder kunnen beslissen te verkopen in plaats van door te gaan met verhuren voor een prijs die wel in balans is met de kwaliteit van de huurwoning. Dat is met de invoering van de Wbh voorzien en zien we nu als één van de effecten kort na de invoering van deze wet.
Overigens stegen de huurprijzen voor de invoering van de Wbh in 2024 van huurwoningen al jaren hard als gevolg van krapte op de markt. Bij een bewonerswisseling werden de woningen steeds vaker in het hogere segment verhuurd. Hierdoor was het middenhuursegment structureel aan het krimpen. Mensen met een middeninkomen komen niet in aanmerking voor sociale huur, maar waren ook slecht staat een betaalbare huurwoning in het vrije segment te vinden. Om deze ontwikkeling tegen te gaan, is gekozen om het middensegment te reguleren zodat de huurprijzen van deze middenhuurwoningen niet nog verder zouden stijgen. Het doel hiervan is dat de woningen betaalbaar blijven voor de middeninkomens. Gelijktijdig met en vooraf aan de Wbh zijn zowel in het huur- als fiscale domein maatregelen genomen die de sector beïnvloeden, zoals de aanpassingen aan in box 3, de verhoging van de overdrachtsbelasting, invoering van de opkoopbescherming en de afschaffing van de tijdelijke huurcontracten. Daarnaast spelen marktomstandigheden zoals hogere rentes en stijgende woningwaardes een rol in de keuze van verhuurders om woningen te verkopen.
Indien prijsmaximering aantoonbaar tot aanbodkrimp leidt en u deze om die reden zelf reeds versoepelt, waarom kiest u dan niet voor het intrekken van de wet, waardoor de marktverstoring structureel verholpen zou worden?
Zie antwoord vraag 14. Zonder de Wbh worden woningen die kwalitatief gezien in het middensegment thuishoren, vanwege de schaarste aan huurwoningen qua huurprijs in het hogere segment verhuurd. Dit zorgde ervoor dat het voor middeninkomens steeds lastiger werd om een betaalbare middenhuurwoning te vinden.
Bent u voornemens het puntenstelsel of de bijbehorende maximumprijzen in de toekomst zodanig aan te passen dat nog méér huurwoningen onder een prijsmaximum komen te vallen? Zo ja, waarom?
Ik ben op dit moment niet voornemens het maximale puntenaantal voor gereguleerde huurwoningen of de daarbij behorende maximale huurprijs te verhogen, waardoor meer huurwoningen onder het gereguleerde segment zouden vallen. Ik hecht er nu eerst belang aan de Wbh grondig te evalueren voordat het debat wordt gevoerd of de wet moet worden aangepast of niet. In plaats daarvan zet ik nu in op het vergroten van het aanbod van betaalbare huurwoningen, onder meer door de Wet versterking regie op de volkshuisvesting en door het investeringsklimaat voor woningbouw te verbeteren via het actieplan van de taskforce versnellen woningbouw dat bij Prinsjesdag wordt gepresenteerd.
Bent u bereid om bij de evaluatie van de WBH het volledig intrekken van de wet als volwaardig scenario mee te nemen, en zo nee, waarom niet?
Op dit moment ga ik niet vooruitlopen op de uitkomsten van de evaluatie van de Wbh. Ik wacht de resultaten van deze evaluatie af en zal mijn standpunt mede daarop baseren.
Kunt u aangeven bij welke omvang van de aanbodkrimp u de WBH wél als mislukt zou beschouwen?
Ik acht het niet wenselijk om vooraf een specifieke omvang van de aanbodkrimp te noemen waarbij de Wbh als geslaagd of mislukt zou moeten worden beschouwd. De wet wordt integraal geëvalueerd op de effecten voor zowel huurders als verhuurders, waaronder de ontwikkeling van het huuraanbod. Op basis van die evaluatie zal ik beoordelen in hoeverre de wet haar doelstellingen bereikt en of bijsturing nodig is.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
De separate scheiding van innovatieve biobased materialen naar aanleiding van het antwoord van de minister op eerder gestelde vragen |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het risico dat innovatieve verpakkingsmaterialen, die nog niet binnen bestaande inzamel-, sorteer- en verwerkingsketens passen, onvoldoende kunnen opschalen doordat zij in de praktijk geen passende verwerkingsroute hebben en dus niet op grote schaal recyclebaar zijn?1
Voor het bereiken van een circulaire economie is het noodzakelijk dat producten, wanneer deze het einde van de (lange) levensduur bereiken, op grote schaal worden gerecycled. Voor verpakkingen is dit wettelijk vastgelegd in de Verpakkingenverordening (Packaging and Packaging Waste Regulation, PPWR). Deze Europese wet bepaalt dat verpakkingen vanaf 2035 alleen in de handel mogen worden gebracht als ze op grote schaal worden gerecycled.
Het risico dat u schetst is bekend. Het kan zijn dat nieuwe, innovatieve verpakkingsmaterialen op lange termijn leiden tot milieuvoordelen. Op korte termijn worden deze materialen wellicht slechts op kleine schaal toegepast. De kans is dus klein dat ze op korte termijn op grote schaal worden gerecycled. Om dit risico te ondervangen, is in de PPWR vastgelegd dat verpakkingen gemaakt van deze innovatieve materialen zijn uitgezonderd van de voorwaarde om op grote schaal te worden gerecycled, voor een periode van vijf jaar. De Europese Commissie houdt in de gaten welke verpakkingen door lidstaten worden uitgezonderd en kan aanpassingen voorstellen wanneer de situatie daarom vraagt.
Hoe precies wordt vastgesteld dat een verpakking op grote schaal wordt gerecycled, wordt nog uitgewerkt door de Commissie in een uitvoeringshandeling. Het is belangrijk dat deze en andere handelingen op een zorgvuldige manier door de Commissie worden uitgewerkt. Zoals in de beantwoording van de vorige set Kamervragen is aangegeven, zal het kabinet blijven pleiten voor geharmoniseerde uitwerkingen, zodat ook voor innovatieve verpakkingen duidelijkheid en bijgevolg investeringszekerheid komt.
Deelt u de opvatting dat artikel 48 PPWR juist ruimte biedt om via ketenafspraken, pilots of andere maatregelen te zorgen voor passende inzameling, sortering en verwerking van innovatieve verpakkingsmaterialen, ook wanneer deze nog geen onderdeel zijn van bestaande afvalstromen?
Zoals in de beantwoording van de vorige set Kamervragen is aangegeven1, is in Nederland een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) voor verpakkingen van toepassing. Hiermee zijn producenten verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van het afval van de verpakkingen die zij op de markt brengen. Via het UPV-instrument kunnen ketenafspraken, pilots, of andere overeenkomsten tussen producenten van (innovatieve) verpakkingen en verwerkers van verpakkingsafval worden georganiseerd en/of gefinancierd.
Zoals toegelicht in vraag 1, kunnen innovatieve verpakkingen een tijdelijke uitzondering krijgen van de voorwaarde om op grote schaal te worden gerecycled. Deze tijd kan worden benut om tot een passende route te komen, zodat ook grootschalige recycling mogelijk wordt. Dit vermindert het risico dat de bepalingen over grootschalige recycling de opschaling van innovatieve materialen hinderen. Om de uitzondering te verkrijgen, dienen marktdeelnemers informatie aan te leveren, waaronder een tijdschema voor wanneer de verpakking wel op grote schaal kan worden gerecycled. Ketenafspraken, pilots of andere overeenkomsten kunnen wellicht helpen om dit tijdschema op te stellen.
Bent u bereid om vóór 12 augustus 2026 samen met de sector te verkennen welke belemmeringen innovatieve biobased en composteerbare verpakkingen ondervinden binnen de huidige afvalketen en welke oplossingen mogelijk zijn?
Het is bij alle verpakkingsmaterialen aan de marktdeelnemers zelf om binnen de bestaande wettelijke kaders en waar nodig plannen en afspraken te maken over inzameling, sortering en recycling van hun verpakkingsafval. De afvalfase moet immers mee worden genomen bij het ontwerp van de verpakkingen (design-for-recycling). Zoals in de beantwoording van de vorige set Kamervragen is aangegeven1 faciliteert de rijksoverheid wel ketengesprekken, met name via de Ketentafel Verpakkingen die vanaf september van start gaat.
Bent u bereid om daarbij te onderzoeken of gerichte pilots kunnen bijdragen aan een eerlijke beoordeling en verwerking van innovatieve verpakkingsmaterialen, zodat kansrijke innovaties die milieutechnisch grote voordelen hebben t.o.v. bestaande verpakkingen niet onnodig worden belemmerd?
De beoordeling of een verpakking innovatief is, gebeurt op basis van de wettelijke definitie uit de PPWR. De bevoegde autoriteit in de lidstaat beoordeelt of een verpakking hieronder valt, en geeft, bij een positieve beoordeling, deze informatie door aan de Europese Commissie. In Nederland is de bevoegde autoriteit Rijkswaterstaat (RWS). RWS werkt daarom op dit moment een beoordelingskader uit. De insteek is om dit zoveel mogelijk af te stemmen met andere lidstaten.
Zoals in het antwoord op de vorige vraag toegelicht, heeft de rijksoverheid geen rol in de (commerciële) afspraken die marktdeelnemers maken over de inzameling, sortering en verwerking van verpakkingsafval. Het staat hen vrij om pilots op te zetten binnen de bestaande wettelijke kaders.
Heeft u kennisgenomen van het artikel van het online luchtvaartplatform Up in the Sky van 9 mei 2026 (hierna: het artikel) «Luchtmachtpiloot versus Defensie: Victor blijft knokken»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de aan u gerichte brief van de vaste commissie voor Defensie van 21 mei 2026 met de aanhef «Betreft: Aanbieding artikel «Luchtmachtpiloot versus Defensie: Victor blijft knokken»» en het verzoek daarin dat stelt: «In de procedurevergadering van 21 mei 2026 heeft de commissie besloten graag een reactie van u op dit artikel te ontvangen»?2
Ja. Op 11 juni jl. heb ik op de brief van de vaste commissie voor Defensie mijn reactie gegeven (Kamerstukken II 2025/26, 31 936, nr. 1297; kenmerk 2026D28894).
Waarom heeft u in de kabinetsreactie van 11 juni 2026 gesteld «Bij brief van 21 mei 2026 (2026Z09727/2026D23983) te reageren op een brief van een burger van 11 mei 2026»3, terwijl uit het hierboven onder vraag 2 geciteerde schriftelijke verzoek van de vaste commissie voor Defensie glashelder blijkt dat er door de Kamer niet is gevraagd om een reactie op «een brief» en wel om een kabinetsreactie op het artikel?
In de brief van de vaste commissie voor Defensie werd gerefereerd aan een burgerbrief met daarin hoofdzakelijk een verwijzing naar het genoemde artikel. In mijn eerdergenoemde brief van 11 juni jl. heb ik daarop mijn reactie gegeven.
Hoe verhoudt het niet honoreren van het verzoek van de Kamer, zoals hierboven onder vraag 2 geciteerd, zich tot de informatieplicht van het kabinet jegens de Kamer en tot Artikel 68 van de Grondwet?
De vaste commissie voor Defensie heeft verzocht om een reactie op het genoemde artikel. In mijn brief van 11 juni jl. heb ik hierop gereageerd. Daarnaast is hierover ook gesproken tijdens het notaoverleg Veteranen met de vaste commissie voor Defensie op 22 juni jl. Ik herken dan ook niet het beeld dat het verzoek van de Kamer om inlichtingen niet zou zijn gehonoreerd. De door de Kamer gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.
Welke wet of regeling staat het kabinet toe om dit verzoek om informatie van de Kamer opzettelijk naast zich neer te leggen? Indien daarvoor geen legitieme grond bestaat, welke gevolgtrekkingen verbindt u hieraan?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, zijn de door de Kamer gevraagde inlichtingen verstrekt.
Hoe verhoudt het door de Minister van Defensie en vicepremier tijdens het debat over de veteranennota van 22 juni 2026 niet beantwoorden van mijn gestelde vragen zich tot de informatieplicht van het kabinet richting de Kamer en tot Artikel 68 van de Grondwet?
Tijdens het notaoverleg Veteranen zijn aan de Minister van Defensie vragen gesteld die betrekking hebben op een voormalig medewerker van Defensie.
In algemene zin dient het kabinet bij het verstrekken van inlichtingen aan de Staten-Generaal die betrekking hebben op een individuele burger, rekening houden met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals bepaald in artikel 10 van de Grondwet.
Voor zover de vragen geen betrekking hadden op privacygevoelige gegevens, heeft de Minister deze – mede in relatie tot een motie over hetzelfde onderwerp – achteraf schriftelijk beantwoord. Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie van 29 juni 2026 (Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
In welke wet of regeling is vastgelegd dat het feit dat Defensie c.q. de Staat is gedagvaard een uitzonderingsgrond zou zijn voor de informatieplicht van het kabinet richting de Kamer die volgt uit Artikel 68 van de Grondwet? Indien die uitzonderingsgrond niet bestaat, waarom beroept het kabinet zich er dan op?
In aanvulling op mijn antwoord op vraag 6 merk ik op dat de Minister van Defensie tijdens het notaoverleg Veteranen van 22 juni jl. heeft toegelicht dat zij het in eerste instantie niet opportuun achtte om in het parlement in te gaan op een individuele casus waarbij Defensie door betrokkene is gedagvaard, aangezien dit het proces bij de rechter zou kunnen beïnvloeden.
Zijn er door Defensie inmiddels excuses aangeboden en aansprakelijkheid erkend voor de onherroepelijke tuchtrechtelijke veroordelingen van 4 (vier) verschillende Defensieartsen, waarvan 2 (twee) verschillende artsen in 2 (twee) verschillende rechtsplegingen voor het vervalsen van het medische dossier van betrokkene? Zo nee, waarom niet en zo nee, gaat de Minister van Defensie en zorgaanbieder van Defensie dat nog doen en zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van het vermeend vervalsen van het medisch dossier heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in het hoger beroep de defensiearts een maatregel van waarschuwing opgelegd. Daarbij geeft het Centraal Tuchtcollege aan: «Het Centraal Tuchtcollege ziet overigens geen enkel aanknopingspunt voor de suggestie van klager dat er sprake is van een moedwillige vervalsing of kwaad opzet van [de defensiearts]».
De tuchtklachten ten aanzien van een andere defensiearts over een verwijderingsverzoek zijn gedeeltelijk gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel. Daarbij is aangegeven door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: «het is het college duidelijk geworden dat [de defensiearts] zeer prudent en zorgvuldig te werk heeft willen gaan bij de afhandeling van het verwijderingsverzoek in de gegeven situatie. Zij was op de hoogte van de relevante wet- en regelgeving en heeft zorgvuldig willen zijn, maar is daarbij niet uitgegaan van de juiste maatstaf.»
Defensie heeft als bestuursorgaan over deze tuchtrechtelijke procedures tegen het handelen van de twee defensie-artsen niet afzonderlijk excuses aangeboden en ziet na de uitkomst van deze tuchtrechtelijke procedures hier ook geen verdere aanleiding toe. Met betrokkene zijn twee vaststellingsovereenkomsten gesloten, waarbij finale kwijting is overeengekomen.
Waarom is de Kamer voorgehouden dat er sprake zou zijn van «opschoning» van het medisch dossier van betrokkene, terwijl inmiddels in rechte vaststaat dat er sprake was van vervalsing?4
Zie het antwoord op vraag 8.
Waarom worden de tuchtrechtelijk veroordeelde artsen bijgestaan door de landsadvocaat, terwijl Defensie in reactie op Kamervragen herhaaldelijk heeft gesteld dat Defensie in deze kwestie geen partij zou zijn?
Defensie en, vervolgens drie (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder twee (voormalig) defensieartsen, zijn in 2025 gezamenlijk aansprakelijk gesteld voor een vermeende gemiste carrière in de burgerluchtvaart. Daarom is besloten gezamenlijk verweer te voeren. Gebruikelijk is dat de Staat in dit soort procedures vertegenwoordigd wordt door de Landsadvocaat. Defensie en de (voormalig) defensiemedewerkers hebben deze aansprakelijkheid van de hand gewezen. Defensie heeft onlangs schriftelijk verweer ingediend bij de rechtbank Den Haag.
Hoe verhoudt de stellingname van de Minister dat Defensie geen partij zou zijn zich tot de verantwoordelijkheid van de Minister als zorgaanbieder van Defensie?
De tuchtklachten waren gericht tegen het handelen van defensieartsen. In die tuchtrechtprocedures stond het individuele handelen van de defensieartsen centraal, en was Defensie geen partij.
Houdt het kabinet vol dat Defensie geen partij zou zijn? Zo ja, kunt u dat toelichten en zo nee, wanneer is die opstelling veranderd en welke gevolgen heeft dit in relatie tot de eerdere herhaaldelijke beweringen dat Defensie geen partij zou zijn?
Defensie is op dit moment, samen met drie (voormalig) defensiemedewerkers gedaagde – en dus partij – in de gestarte dagvaardingsprocedure. Bij de tuchtrechtzaken gericht tegen de artsen was Defensie geen partij.
Waarom is de Kamer verkeerd geïnformeerd dat Defensie geen zwijgcontracten zou aanwenden om medewerkers de mond te snoeren?5
Op basis van deze vraag is mij niet duidelijk waarop de veronderstelling is gebaseerd dat Defensie «zwijgcontracten» zou aanwenden. Mijn ambtsvoorganger heeft in reactie op de aangehaalde (en vervallen) motie uit 2019 het volgende aangegeven (Handelingen II 2018/19, nr. 51, item 4):
Deze uitspraak is gedaan in de context van het rapport van de Commissie-Giebels uit 2018. Deze commissie deed onderzoek naar de sociaal veilige werkomgeving bij Defensie. Een van de aanbevelingen van de Commissie-Giebels was om meer duidelijkheid te geven over de «zwijgplicht» tijdens een intern onderzoek. In dit kader heeft de Kamer via de motie-Kerstens verzocht om «voor eens en altijd duidelijk te maken dat het bij het melden van misstanden en calamiteiten onder druk laten ondertekenen van geheimhoudingsverklaringen niet aan de orde is» (Kamerstukken II 2018/19, 35 000 X, nr. 118).
In navolging hierop is de Aanwijzing SG 989 «Interne onderzoeken» aangepast, waarover de Kamer op 10 februari 2020 per brief is geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35 300 X, nr. 54). De aanwijzing geeft aan dat betrokkenen bij het onderzoek vertrouwelijk moeten omgaan met verkregen informatie. Als betrokkenen gedurende het interne onderzoek met elkaar spreken over het onderzoek, kan dit namelijk de authenticiteit van de verklaringen beïnvloeden, hetgeen de kwaliteit van het onderzoek niet ten goede komt. Echter, dit mag er niet toe leiden dat een betrokkene ervan wordt weerhouden om aangifte te doen, informatie te delen met zijn raadsman en/of vertrouwenspersoon of contact te zoeken met andere officiële instanties, zoals de Onderzoeksraad voor Veiligheid, het Huis voor Klokkenluiders, de Nationale ombudsman of andere externe toezichthouders.
Hoe vaak en tegen hoeveel (voormalig) Defensiemedewerkers heeft Defensie zwijgcontracten aangewend, door de medewerker ondertekend of niet? Indien dit nooit vaker is gebeurd, waarom dan wel tegen betrokkene?
Ik herken mij niet in het geschetste beeld dat Defensie zwijgcontracten zou hebben aangewend tegen (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder betrokkene.
Wie was de Defensiemedewerker die het zwijgcontract tegen betrokkene aanwendde en welke functie bekleedde de Defensiemedewerker die het zwijgcontract aanwendde op dat moment?
Zie het antwoord op vraag 14.
Welke functie(s) bij Defensie heeft de medewerker, die het zwijgcontract tegen betrokkene aanwendde, nadat het zwijgcontract is aangewend, nog bekleed bij Defensie?
Zie het antwoord op vraag 14.
Is de medewerker die het zwijgcontract inzette tegen betrokkene vandaag de dag nog werkzaam bij Defensie en zo ja, op welke functie?
Zie het antwoord op vraag 14.
Hoe verhoudt het voor betrokkene achtergehouden dossier van tenminste 1700 e-mails van de toenmalige commandant van de vliegbasis Eindhoven zich tot goed werkgeverschap, de AVG, de wet- en regelgeving met betrekking tot de bescherming van klokkenluiders en de sociale veiligheid binnen Defensie?
Ik herken mij niet in het beeld dat er e-mails zouden zijn achtergehouden.
Beheert Defensie over meer (voormalig) Defensiemedewerkers dergelijke dossiers en zo ja van hoeveel (voormalig) werknemers en zo nee, waarom dan wel over betrokkene?
Defensiemedewerkers hebben een personeelsdossier, en zorgverleners houden conform de daarvoor geldende wettelijke verplichting een medisch dossier bij. Bij uitzondering kan daarnaast sprake zijn van een aanvullend dossier, zoals een onderzoeksdossier in het geval van een intern onderzoek.
Indien Defensie dergelijke dossiers beheert van meer (voormalige) Defensiemedewerkers, om hoeveel medewerkers gaat het, waaruit bestaan die dossiers, wat is de omvang van die dossiers en zijn de betreffende medewerkers daarover geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat Defensie deze dossiers delen met de betreffende medewerkers en zo nee waarom niet?
Defensiemedewerkers zijn ermee bekend dat Defensie, met inachtneming van de AVG, persoonsgegevens bijhoudt, zoals dat gebruikelijk is bij het bijhouden van personeelsdossiers. Daarnaast is Defensie wettelijk verplicht medische dossiers van (oud-)medewerkers bij te houden. Medewerkers en oud-medewerkers van Defensie kunnen hun personeelsdossier en medisch dossier desgewenst opvragen.
Onderzoekdossiers, zoals beschreven bij vraag 19, zijn uitsluitend toegankelijk voor het bevoegd gezag of geautoriseerde functionarissen. Betrokkenen kunnen verzoeken om afschriften van die delen van een onderzoeksdossier die rechtstreeks op hen betrekking hebben.
Waarom heeft Defensie het dossier van tenminste 1700 e-mails over betrokkene ook achtergehouden voor de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO)6?
Defensie heeft volledige medewerking verleend aan het onderzoek van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid. Defensie heeft de informatie aangeleverd waar door de Onderzoeksraad Integriteit Overheid om is verzocht.
Waarom heeft betrokkene het dossier, waaronder maar zich niet beperkend tot de 1700 e-mails over hem van de voormalig commandant van vliegbasis Eindhoven en de documenten die zijn achtergehouden met het zwijgcontract, ook bij navraag7 en ook met een beroep op de AVG8, nooit ontvangen?
Defensie heeft per brief van 29 januari 2021 hierover met betrokkene gecorrespondeerd en deze vragen geadresseerd. Het recht van inzage op grond van de AVG is van toepassing. Indien een verzoek wordt ingediend vindt beoordeling plaats conform de vigerende wet- en regelgeving waaronder de beperkingen in artikel 13 AVG zoals de rechten en vrijheden van anderen.
Heeft het Ministerie van Defensie in deze kwestie informatie, waaronder in ieder geval de documenten zoals door betrokkene genoemd in de brieven van 4 maart 2019 en 12 januari 2021 die beiden in afschrift zijn verstuurd aan de Kamer9, achtergehouden voor de rechter? Zo ja, welke informatie en kunt u daar een opsomming van geven? Zo ja, op grond van welke wet of regeling bent u daartoe bevoegd? Bent u van mening dat alleen een verzoek van een rechtbank reden kan zijn voor overdracht van een dossier en zo ja, kunt u dat toelichten?
Defensie is niet bekend met een verzoek van een rechtbank tot het aanleveren van informatie over betrokkene.
Is de Minister bereid om het volledige dossier alsnog aan betrokkene te verstrekken en zo nee, waarom niet en op welke grond?
Zie het antwoord op vraag 22.
Gaat het Ministerie van Defensie het dossier in lopende en toekomstige gerechtelijke procedures buiten de rechtspleging houden en zo ja, waarom en zo ja op welke grond of regeling bent u daartoe bevoegd? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de noodzaak van transparantie en waarheidsvinding en waarom belemmert u die in dat geval opzettelijk?
Zoals aangegeven bij vraag 23, is Defensie niet bekend met een verzoek van een rechtbank tot het aanleveren van informatie over betrokkene. Ieder verzoek van een rechtbank zal worden beoordeeld op grond van geldende wet- en regelgeving.
Waarom is, gelet op het antwoord van uw ambtsvoorganger op eerdere schriftelijke Kamervragen10, een vaststellingsovereenkomst met afspraken over rehabilitatie niet bekend bij betrokkene11? Bestaat er überhaupt een vaststellingsovereenkomst waarin het woord «rehabilitatie» wel voorkomt? Heeft de Minister van Defensie, met de reactie van uw ambtsvoorganger, de Kamer verkeerd geïnformeerd en zo nee, waarom niet en zo ja, welke gevolgtrekkingen verbindt u daar aan?
Zoals mijn ambtsvoorganger in reactie op Kamervragen van 8 november 2019 (Aanhangsel van de Handelingen II 2019/20, nr. 926) voor de volledigheid heeft opgemerkt, zijn met betrokkene naar aanleiding van het rapport van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) afspraken gemaakt om hem te rehabiliteren. Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. In 2017 is met betrokkene een tweede vaststellingsovereenkomst gesloten. Over de inhoud van deze overeenkomsten doe ik verder geen mededelingen. Daarmee is de Tweede Kamer niet onjuist geïnformeerd.
Waarom is het kabinet, ook na ontvangst van een brief daarover van betrokkene die in afschrift aan de Kamer is gestuurd12, niet teruggekomen op de bewering dat er sprake zou zijn geweest van mediation en dat er een vaststellingsovereenkomst zou bestaan waarin afspraken zouden staan over rehabilitatie?13 Waarom is de Kamer daarover verkeerd geïnformeerd?
Zoals wordt toegelicht in het antwoord op vraag 26, zijn met betrokkene twee vaststellingsovereenkomsten gesloten. De Tweede Kamer is daarover niet onjuist geïnformeerd.
Indien het kabinet volhoudt dat er wel sprake zou zijn geweest van mediation (wat een formeel traject is onder leiding van gespecialiseerde instanties), kunt u dan aangeven wie de mediator was, wanneer de beweerde mediation zou hebben plaatsgevonden en waaruit de beweerde mediation exact bestond, wat de uitkomst was van de beweerde mediation en wie er bij Defensie de leidinggevende was (de zogenoemde «tot straffen bevoegde meerdere») die iets met de uitkomst van de beweerde mediation heeft moeten doen? Indien nee, waarom kunt u dit niet?
Ik kan hier niet op ingaan. In zijn algemeenheid vindt mediation plaats onder afgesproken geheimhouding van alle partijen die bij die mediation betrokken zijn.
Hoe heeft u vastgesteld dat het verlies van loggingsgegevens «van de gehele zorgpopulatie» geen gevolgen heeft gehad voor de informatie in de medische dossiers van (voormalig) werknemers, terwijl juist dàt niet meer te achterhalen is?
Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie van 29 juni 2026 (2026D33530, Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn (ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt geen medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie heeft opgesteld.
Naast deze loggingen in het medisch dossier wordt ook een loggingsbestand aangelegd van alle gebruikers die inzage hebben gehad in het dossier. Dit bestand is in 2010 wel volledig bijgehouden maar bij de systeemmigratie in het weekend van 4 maart 2011 is het deel van 16 april 2010 tot 26 november 2010 achtergebleven in de brondatabase. Voorafgaand en achteraf is een back-up gemaakt van alle bestanden. Deze bestanden worden over het algemeen slechts 28 dagen bewaard. In die periode is, ondanks gebruikers- en acceptatietesten, het verlies aan informatie niet aan het licht gekomen.
Hoe heeft u vastgesteld dat het verlies van loggingsgegevens «van de gehele zorgpopulatie» geen gevolgen heeft gehad voor de informatie in de medische dossiers van (voormalig) werknemers terwijl u dat alleen zou kunnen vaststellen na inzage van alle getroffen medische dossiers, hetgeen alleen mogelijk is met de expliciete, vastgelegde toestemming daartoe van de (voormalig) Defensiemedewerkers wiens medische dossiers het betreft? Als er geen sprake is geweest van deze inzagen, hoe kunt u dan tot de conclusie komen dat er geen gevolgen zouden zijn?
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn (ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt er geen medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie opstelt. Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen.
Welk standpunt zal Defensie innemen wanneer een (voormalig) Defensiemedewerker stelt dat er in de periode dat er medische loggingsgegevens uit het medische dossier zijn verdwenen, ook medische informatie (waaronder maar zich niet bij voorbaat beperkend tot artsencontact, consulten, medische gegevens, ziektebeelden, diagnoses en medische prognoses, medicijngebruik, etc.) uit het dossier is verdwenen? Welke (juridische) onderbouwing ligt er ten grondslag aan die reactie? Welke bewijsvoering zou Defensie daartoe kunnen aanwenden?
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over deze hypothetische situatie.
Zijn er vaker dan in de genoemde periode14 medische gegevens, waaronder maar zich niet bij voorbaat beperkend tot loggingsgegevens, verwijderd of verdwenen uit, toegevoegd aan of gewijzigd in medische dossiers van (voormalig) Defensiemedewerkers en zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren, om welke gegevens en in welke periode in de tijd gaat het en om hoeveel (voormalig) Defensiemedewerkers gaat het daarbij? Zijn de getroffen medewerkers daarover geïnformeerd en zo nee, waarom niet? Indien onbekend, hoe kunt u als zorgaanbieder van Defensie dan de integriteit van de medische dossiers van (voormalig) Defensiemedewerkers garanderen en indien u dit niet kunt, welke gevolgen heeft dit?
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over deze hypothetische situatie.
Kunt aan alle (voormalig) Defensiemedewerkers uit wiens medisch dossiers loggingsgegevens zijn verdwenen15 garanderen dat er geen: aan hun medische dossiers zijn toegevoegd, of uit hun medische dossiers zijn verwijderd, of zijn gewijzigd, in de wetenschap dat in het geval van het gelijktijdig ook het verwijderen van de daarmee corresponderende loggingsgegevens, zulke mutaties nooit maar aan te tonen zijn?
Zie het antwoord op vraag 29.
Kunt u de melding zoals door het Ministerie van Defensie op 20 augustus 2020 gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens over de verdwenen loggingsgegevens delen met de Kamer? Indien u dit niet kunt, waarom niet?
Ja, zie bijlage.
Is het binnen Defensie nog altijd een zoals beweerd «gebruikelijke werkwijze» om zogenaamde «aantekeningen» in een medisch dossier van een Defensiemedewerker op te slaan als een consult met diagnoses dan wel met diagnosecodes en een primaire diagnose?16 Zo ja, wat is de reden om die praktijk voort te zetten? Zo nee, waarom is Defensie daarmee gestopt en wanneer is Defensie daarmee gestopt?
Nee. Sinds 25 juni 2021 maakt Defensie gebruik van een nieuw digitaal patiëntendossier. Hierin heeft de arts de mogelijkheid om een privéaantekening te maken die alleen inzichtelijk is voor de arts die deze aantekening maakt. Deze aantekening maakt geen onderdeel uit van het medisch dossier en mag niet worden gebruikt voor informatie die van belang is voor het verlenen van goede zorg. Het systeem biedt daarnaast de opties: openbare aantekening en aantekening voor specialisme (bijvoorbeeld alleen voor cardiologen). Deze beide aantekeningen maken wel onderdeel uit van het patiëntendossier. Door deze mogelijkheden is het gebruiken van de aantekening van «consult» voor een dergelijke aantekening niet meer nodig.
Heeft Defensie in het verleden voldaan aan de norm NEN 7513 en zo nee, over welke periode in tijd voldeed Defensie daar niet aan en waarom niet? Welke gevolgen verbindt Defensie daaraan? Zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld en kunt u uw bevindingen daarover met de Kamer delen?
De Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg (Wabvpz) regelt in artikel 15e logging en specifiek welke loggingsinformatie moet worden opgenomen in een afschrift. De bepalingen rondom elektronische afschrift/inzage en logging zijn op 1 juli 2020 in werking getreden.17 Het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders bepaalt in artikel 5 dat de logging van het systeem voldoet aan het bepaalde in NEN 7513 en regelt de bewaartermijn. In juli 201918 is bepaald dat de logging als bedoeld in het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders, ten minste 5 jaar moet worden bewaard vanaf het moment dat de logregel wordt geschreven.
NEN 7513 is niet apart certificeerbaar, NEN 7510 wel. NEN 7513 specificeert een gemeenschappelijk kader voor de logging van persoonlijke gezondheidsinformatie aan de hand van toegangs- en zoekgebeurtenissen. De NEN 7510 betreft eisen voor informatiebeveiliging van zorginformatiesystemen.
In het Defensie beveiligingsbeleid zijn de normen van de NEN 7513 en NEN 7510 opgenomen. Het eerstelijns zorgbedrijf van Defensie alsmede de beheerorganisatie zijn NEN 7510 gecertificeerd. Het huidige digitale patiëntendossier is geaccrediteerd door de Beveiligingsautoriteit van Defensie en voldoet daarmee aan het Defensie beveiligingsbeleid vanaf ingebruikname.
Er worden periodieke controles uitgevoerd. Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden op het naleven van de omgang met medische persoonsgegevens door de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en de Beveiligingsautoriteit (BA). Jaarlijks worden de jaarverslagen van de interne toezichthouders naar de Kamer gestuurd.
Voldoet Defensie vandaag de dag aan de norm NEN 7513 en zo nee waarom niet? Zo ja, wie is de bevoegde autoriteit om dat vast te stellen en op welke manier heeft de bevoegde autoriteit dat vastgesteld? Voert de bevoegde autoriteit hier periodieke controles op uit, waaronder met bijvoorbeeld steekproeven en audits? Kunt u de uitkomst van deze controles met de Kamer delen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 36.
Heeft Defensie in het verleden voldaan aan de KNMG norm «Omgaan met medische gegevens»17 en zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld? Zo nee, waarom niet en welke gevolgen zijn hieraan verbonden?
De richtlijn «Omgaan met medische gegevens» is opgesteld door de artsenfederatie KNMG en beschrijft op welke wijze artsen, met inachtneming van hun beroepsgeheim, medische gegevens mogen verzamelen, opslaan, uitwisselen of anderszins mogen gebruiken.
De KNMG-richtlijn is juridisch gezien een vorm van zelfregulering binnen de beroepsgroep en geldt ook voor defensieartsen. De gedragsnormen uit deze richtlijn zijn daarmee gericht op individuele artsen. Het professionele handelen van een individuele arts wordt door de medische tuchtrechter beoordeeld, waarbij de normen uit de beroepsgroep vaak gebruikt worden.
Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden op het naleven van de omgang met (medische) gegevens door de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en de Beveiligingsautoriteit (BA).
Voldoet Defensie vandaag de dag aan de KNMG norm «Omgang met medische gegevens» en zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld en zo nee, waarom niet en welke gevolgen verbindt u daar aan?
Zie het antwoord op vraag 38.
Hoe verhouden de conclusies in het rapport van het Huis voor Klokkenluiders zich tot de informatie die door het kabinet eerder aan de Kamer is verstrekt en die door de Minister in het debat over de veteranennota op 22 juni 2026 in reactie op mijn vragen nadrukkelijk is genoemd18? Heeft het Ministerie van Defensie met het aan de Kamer toezenden van deze informatie Kamer volledig geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Indien ja, kunt u in uw antwoord de conclusies van het Huis voor Klokkenluiders daarin betrekken? Wilt u zich in uw antwoord beperken tot de feiten van de misstanden zoals vastgesteld door het Huis voor Klokkenluiders en niet verwijzen naar maatregelen die met het oog op het voorkomen van herhaling pas zijn genomen nádat de misstanden zijn gepleegd?
Tijdens het notaoverleg Veteranen op 22 juni jl. werd gerefereerd aan «het rapport van het Huis voor Klokkenluiders over financiële fraude bij 336-suadron en joyriding met Defensievliegtuigen».
Voor zover de vraag betrekking heeft op het interne onderzoek over vermeende misstanden op vliegbasis Eindhoven met betrekking tot declaraties en privégebruik van defensiemiddelen, heeft de Minister van Defensie tijdens het notaoverleg gereageerd dat de rapporten in 2016 naar de Kamer zijn verstuurd. Hierbij gaat het om beide delen van het interne onderzoeksrapport van Defensie die op 29 november 2016 naar de Kamer zijn verstuurd (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52).
Waarom is het rapport van het Huis voor Klokkenluiders nooit aan de Kamer gestuurd terwijl het wel direct betrekking heeft op de gang van zaken op vliegbasis Eindhoven?
Zie het antwoord op vraag 40. Eerder heeft de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) – de voorganger van het Huis voor Klokkenluiders – onderzoek gedaan naar meldingen van een vermoeden van een misstand op vliegbasis Eindhoven. Over de conclusies en adviezen van de OIO en de reacties van Defensie, is de Kamer geïnformeerd (zie o.a. Kamerstukken II 2014/15, 34 000 X, nrs. 88 en 94; Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nrs. 8 en 51; Aanhangsel van de Handelingen II 2016/17, nr. 1001).
Wilt u het rapport van het Huis voor Klokkenluiders alsnog aan de Kamer sturen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 40 en 41.
Is er over het rapport van het Huis voor Klokkenluiders door Defensie een zogenoemde «appreciatie» geschreven? Zo nee, waarom niet en zo ja, wanneer en door wie en kunt u die met de Kamer delen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 40 t/m 42.
Hoe beoordeelt u het feit dat de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven op 5 juli 2016 aangifte deed bij de Koninklijke Marechaussee19? Waarvan deed de commandant op die dag aangifte?
Artikel 78 van de Wet militair tuchtrecht bepaalt dat de commandant die kennisneemt van een gedraging van een militair die naar zijn oordeel een strafbaar feit betreft, verplicht is daarvan aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee (KMar). In de praktijk is het gebruikelijk dat de commandant bij een (vermoeden van een) strafbaar feit daarover advies inwint bij bijvoorbeeld een juridisch adviseur van de eenheid, voordat contact wordt opgenomen met de KMar en/of het Openbaar Ministerie (OM). Indien twijfel bestaat of sprake is van een (vermoeden van een) strafbaar feit wordt dit ter beoordeling voorgelegd aan de KMar en/of het OM en beslist het OM welke stappen genomen worden. Dit bespreken en melden van een (vermoeden van een) strafbaar feit wordt in spreektaal «aangifte doen» genoemd.
Niet altijd is voor de KMar en/of het OM meteen duidelijk dat een geconstateerde gedraging een strafbaar feit betreft en niet altijd wordt direct aangifte gedaan. Soms wordt Defensie gevraagd om zaken zelf nader (administratief) uit te zoeken en deze informatie ter beoordeling voor te leggen.
In het onderhavige geval heeft de commandant vliegbasis Eindhoven op de genoemde datum overleg gehad met de KMar. Dit had betrekking op een op die dag door haar ontvangen melding van een vermoeden van misstanden, mogelijke declaratiefraude. In dit geval is naar aanleiding van deze melding niet overgegaan tot het opnemen van een aangifte. In overleg met de KMar is de commandant vliegbasis Eindhoven overgegaan tot een intern Defensieonderzoek. Wel is geregistreerd dat de commandant hierover een gesprek heeft gevoerd bij de KMar.
Dit is vermeld bij de datum 5 juli 2016 in de tijdlijn die is opgenomen in het rapport dat naar aanleiding van het interne onderzoek is opgesteld. Dit rapport is aan uw Kamer aangeboden op 29 november 2016 (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52)
Kunt u het proces-verbaal van aangifte van 5 juli 2016 aan de Kamer sturen en zo nee, waarom niet en zo nee, kunt u wel aangeven wat het proces-verbaalnummer is en zo nee waarom niet?
Nee, er is geen proces-verbaal, want er is geen aangifte opgenomen.
Hoe beoordeelt u dat de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven, onder ede op 30 augustus 2018, de aangifte van 5 juli 2016 ontkende20?
Nu er geen aangifte is opgenomen, is deze ontkenning een verklaring naar waarheid.
Is er aangifte gedaan naar aanleiding van de beweringen onder ede bij de rechtbank Gelderland op 30 augustus 2018 door de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven en huidig Minister van VRO en zo nee waarom niet en zo nee, gaat u dat nog doen en zo nee waarom niet?
Nee. Er was en is geen aanleiding om aangifte te doen.
Hoeveel meldingen over sociale onveiligheid en andere vormen van ongewenst gedrag, gericht tegen persoonlijke gedragingen van de toenmalige commandant van vliegbasis Eindhoven (de huidig Minister van VRO), zijn er de afgelopen 15 jaren gedaan bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID), hoeveel van die bij het MID binnengekomen meldingen zijn doorgezet naar de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) en wat is er door zowel het MID als het COID met die meldingen gedaan? Kan de Minister al deze meldingen en de uitkomst van de behandeling daarvan delen met de Kamer en zo nee, waarom niet?
Meldingen worden in vertrouwen bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID) en de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) gemaakt. Inhoudelijke informatie over individuele meldingen of informatie die herleidbaar is naar een melder of beschuldigde wordt alleen gedeeld met functionarissen die een directe rol hebben in de behandeling van de betreffende melding. Algemene informatie over aantallen meldingen zijn terug te vinden in de gepubliceerde jaarverslagen integriteit van Defensie.
Wilt u deze vragen ieder afzonderlijk, op nummer en zonder verwijzing naar eerdere vragen beantwoorden en wel binnen de daartoe gestelde termijn van 3 weken en in ieder geval voor het commissiedebat Veiligheid & Integriteit Defensie?
U ontvangt de antwoorden op de vragen voor het commissiedebat Veiligheid & Integriteit.
Het bezoek van Minister Sjoerdsma aan China |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek aan China het thema mensenrechten heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten? Bij wie heeft u dit opgebracht en wat heeft u precies opgebracht?
In het verslag Raad Buitenlandse Zaken van 22 juli jl.1 is een verslag opgenomen over mijn bezoek aan China. Tijdens mijn bezoek aan China vond voorafgaand aan de Joint Economic Committee een bilateraal gesprek plaats met de Chinese Minister van Handel, Wang Wentao. In dit gesprek heb ik in de context van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO), de EU Anti-dwangarbeidverordening en het belang van transparante waardeketens benadrukt. Ik heb aangegeven dat dit een cruciaal onderdeel is van EU-wetgeving en een belangrijk onderwerp in het publieke debat. In dat verband heb ik de zorgen die het kabinet heeft over Oeigoerse dwangarbeid overgebracht conform motie Van Baarle.2
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek de behandeling van minderheden door China, zoals de Oeigoeren, de Tibetanen en christenen, heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten?
In het bilaterale gesprek met de Chinese Minister van Handel, Wang Wentao, heb ik de zorgen over Oeigoerse dwangarbeid overgebracht en gesproken over toegang tot Xinjiang. Het kabinet blijft zich inzetten voor de verbetering van o.a. de culturele en religieuze rechten van deze groepen en brengt deze zorgen zowel in bilateraal als multilateraal verband over, samen met gelijkgezinde landen en partners uit het maatschappelijk middenveld. Daarbij kijkt het kabinet naar de meest effectieve manier.
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Van Baarle, onder Kamerstuk 21 501-02 nr. 3409, waarin aan u gevraagd is om tijdens het bezoek expliciet aandacht te vragen voor de mensenrechten van de Oeigoeren en het opleggen van dwangarbeid aan het Oeigoerse volk?
Antwoord op vragen 3 t/m 5: zie de antwoorden op vragen 1 en 2.
Op welke wijze heeft u de culturele en religieuze onderdrukking, het opsluiten in kampen en de politieke onderdrukking van de Oeigoeren bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke wijze heeft u de dwangarbeid die aan het Oeigoerse volk wordt opgelegd bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u de behandeling van de Oeigoeren door de Chinese overheid tijdens het bezoek expliciet veroordeeld en geclassificeerd als mensenrechtenschendingen? Zo neen, waarom niet?
Tijdens het bilaterale gesprek met de Chinese Minister van Handel, Wang Wentao, heb ik de Oeigoerse dwangarbeid als mensenrechtenschending gekwalificeerd door de term «dwangarbeid» te gebruiken.
Heeft u al een leidende bevoegde autoriteit aangesteld in het kader van de Europese Anti- dwangarbeidverordening? Wanneer is deze aangesteld en waarom is hiervoor gekozen?
Nee, in Nederland is op dit moment nog geen leidende bevoegde autoriteit aangewezen voor de uitvoering van de Europese Anti-dwangarbeidverordening.
Wanneer het vermoeden van dwangarbeid betrekking heeft op producten van buiten de EU, treedt de Europese Commissie op als leidende bevoegde autoriteit. De Commissie is dan verantwoordelijk voor het onderzoek en de besluitvorming over de vraag of het verbod uit de verordening is geschonden.
De gesprekken over de invulling van de rol van de leidende bevoegde autoriteit in Nederland en welke partij daarvoor het meest geschikt is, lopen nog. Deze gesprekken zijn geïntensiveerd. Net als uw Kamer, ziet het kabinet de urgentie om voortgang te maken, zodat Nederland klaar is voor het van toepassing worden van de Anti-dwangarbeidverordening per 14 december 2027. Uw Kamer wordt op de hoogte gehouden over de vorderingen.
Kunt aangeven op welke wijze u de concrete inzet van deze verordening tegen Oeigoerse dwangarbeid in Europees verband bepleit, ook ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3408)? Brengt u dit onderwerp consequent op bij andere lidstaten en bij de Europese Commissie?
Ja. In het najaar van 2025 organiseerde Nederland een bijeenkomst voor EU-lidstaten en de Europese Commissie over de implementatie van de Anti-dwangarbeidverordening. Nederland heeft daarbij het belang onderstreept van het effectief tegengaan van staatsgeleide dwangarbeid, waaronder jegens Oeigoeren in China.3 In gesprek met de Commissie en tijdens een bijeenkomst van het Unienetwerk tegen met dwangarbeid vervaardigde producten4 is deze thematiek dit jaar wederom onder de aandacht gebracht, daartoe mede aangespoord door uw motie.5
Daarnaast heeft Nederland eind mei bij de Europese Commissie, o.b.v. relevante informatiebronnen en conform motie Van Baarle,6 gepleit voor het opnemen van Xinjiang in de nieuwe Anti-dwangarbeidverordening database met risicoregio’s en risicoproducten. Zodra de database gepubliceerd wordt, is deze terug te vinden op het Centraal Portaal Dwangarbeid.7
Welke stappen heeft u reeds gezet ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3410), die u vraagt de Anti- dwangarbeidverordening nationaal zo streng en doelgericht mogelijk te implementeren om dwangarbeid door Oeigoeren tegen te gaan?
Europese verordeningen zijn rechtstreeks van toepassing in alle lidstaten. De bepalingen gelden na inwerkingtreding van de verordening automatisch in de Nederlandse rechtsorde; Nederland mag de inhoud niet aanpassen of aanscherpen. Wel is er in het kader van de Anti-dwangarbeidverordening nationale uitvoeringswetgeving nodig om bevoegde autoriteiten aan te wijzen, deze autoriteiten van toezicht- en handhavingsbevoegdheden te voorzien en gegevensdeling- en verwerking mogelijk te maken. In het antwoord op vraag 7 vindt u de stappen die reeds gezet zijn op het gebied van de invulling van de rol van de leidende bevoegde autoriteit. Daarnaast heeft Nederland reeds vier markttoezichthouders genotificeerd voor de handhaving van het verbod, nadat eenmaal is vastgesteld dat producten met dwangarbeid zijn vervaardigd.8 Op deze manier wordt gewerkt aan een effectieve uitvoering van de verordening. Uw motie is daarnaast betrokken bij ambtelijke gesprekken met de Europese Commissie over dit onderwerp.
Het bericht dat een huurder met twee koopappartementen in een sociale huurwoning mag blijven |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechter zet streep door ontruiming: man met twee koopappartementen mag in sociale huurwoning blijven»?1
Hoe beoordeelt u deze situatie waarin een huurder die eigenaar is van twee koopappartementen toch in zijn sociale huurwoning kan blijven wonen, terwijl honderdduizenden woningzoekenden jarenlang niet aanmerking komen voor een (sociale huur-) woning?
In hoeverre deelt u de opvatting dat sociale huurwoningen in de eerste plaats bedoeld zijn voor huishoudens die (financieel) niet in staat zijn zelfstandig in hun huisvesting te voorzien en dat het onwenselijk is dat personen met een substantieel vermogen een sociale huurwoning bezet houden? Zo nee, waarom niet?
Weet u hoeveel sociale huurwoningen worden bewoond door mensen die daarnaast eigenaar zijn van één of meerdere woningen of beschikken over vermogen dat ruim boven de nog in te voeren vermogensgrens ligt? Zo ja, hoe veel woningen zijn dit? Zo niet, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Klopt het dat woningcorporaties in dergelijke gevallen op dit moment slechts beperkt mogelijkheden hebben om een huurovereenkomst te beëindigen? Hoe beoordeelt u deze situatie?
Wat is de stand van zaken van de in het coalitieakkoord aangekondigde invoering van de eenmalige vermogenstoets en de jaarlijkse inkomenstoets bij sociale huurwoningen? Indien sprake is van vertraging, wat is daarvan de oorzaak?
Bent u bereid in de toekomst een herhaaldelijke vermogenstoets te verkennen voor sociale huurders die na intrekking in de woning aanzienlijk vermogen opbouwen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te bezien of woningcorporaties een expliciete wettelijke grondslag kunnen krijgen om de huur te beëindigen indien een huurder beschikt over voldoende vermogen en daarmee redelijkerwijs zelf in zijn huisvesting kan voorzien?
Welke andere maatregelen acht u noodzakelijk om ervoor te zorgen dat sociale huurwoningen daadwerkelijk beschikbaar blijven voor huishoudens die daarop zijn aangewezen en niet worden bezet door mensen die over aanzienlijke vermogens beschikken?
Bent u bereid de Kamer vóór de begrotingsbehandeling Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te informeren over de voortgang van de invoering van de vermogenstoets en andere maatregelen om scheefwonen effectiever tegen te gaan?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Abortussen tussen 22 en 24 weken |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oplossing voor «hiaat»: ziekenhuizen gaan late abortussen tussen 22 en 24 weken uitvoeren»?1
Hoe reageert u op de pilot van het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis dat zwangerschappen tussen de 22ste en 24ste week gaat afbreken, «waarbij de foetus niet zelden levend ter wereld komt»? Deelt u de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Wat vindt u ervan dat verschillende andere ziekenhuizen verkennen hoe zij aan deze pilot kunnen meedoen en «komend jaar vier zwangerschappen per ziekenhuis tussen de 22 en 24 weken gaan afbreken bij vrouwen om een sociale indicatie»? Deelt u opnieuw de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Om welke ziekenhuizen gaat het hier? Welke noodzaak zien zij voor deze pilot en deelname hieraan?
Wat houdt «sociale indicatie» in? Klopt het dat het hier primair gaat om zwangerschapsafbrekingen die «ongewenst» of «ongepland» zijn?
Klopt het dat een zwangerschapsafbreking op «sociale indicatie» in Nederland «heel sporadisch» gebeurt, zoals door de NVOG gesteld? Zo ja, waarom wordt dit met deze pilot dan juist gefaciliteerd en/of gestimuleerd?
Hoe reageert u op de NVOG die stelt dat het gaat om «wettelijk toegestane en noodzakelijke zorg» en dat deze zorg nu «tekortschiet»? Hoe wenselijk acht u het dat deze dermate vroege zwangerschapsafbrekingen überhaupt toegestaan zijn? Deelt u de conclusie dat deze praktijk waarbij, zoals gesteld, de foetus «niet zelden levend ter wereld komt», walgelijk is?
Klopt het dat in Nederland in 2024 ruim 39.000 zwangerschapsafbrekingen werden uitgevoerd, waarvan 331 tussen 22 en 24 weken, maar dat niet wordt geregistreerd of deze een medische of sociale reden hadden? Zo ja, hoe kan zoiets onzekers als «sociale indicatie» deze pilot dan überhaupt rechtvaardigen?
Deelt u bovenal de conclusie dat, ter voorkoming van leed en ter bescherming van het ongeboren leven, primair meer ingezet moet worden op preventie en daarmee terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen en zwangerschapsafbrekingen?
Bent u bereid deze pilot onmiddellijk, en voor alle ziekenhuizen, stop te zetten?
Het bericht ‘Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal’ |
|
Robert van Asten (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal»?1
Herkent u het in het bericht geschetste beeld dat een aanzienlijk deel van de bij sloop en renovatie vrijkomende bouwproducten en bouwmaterialen nog niet opnieuw als volwaardig bouwproduct of bouwmateriaal wordt toegepast? Welke gegevens zijn hierover bij het Rijk beschikbaar?
Deelt u de opvatting dat beter inzicht in vrijkomende materiaalstromen nodig is om gericht beleid te kunnen voeren op meer hergebruik en hoogwaardige recycling?
In de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik is aangekondigd dat er wordt gewerkt aan landelijke monitoring van circulair slopen en hergebruik. Kunt u aangeven hoe deze monitoring ervoor staat en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Koplopers in de bouwsector geven aan dat hergebruikte materialen in de huidige Milieuprestatie Gebouwen (MPG) soms ongunstiger scoren dan nieuwe materialen door een gebrek aan gestandaardiseerde data. Ziet u mogelijkheden om deze systematiek op korte termijn te optimaliseren, zodat hergebruik eerlijk wordt gewaardeerd?
In dezelfde aanpak wordt gewerkt aan een baseline en meetbare ambities voor circulair slopen en hergebruik. Wanneer verwacht u deze vast te kunnen stellen en op welke manier wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Welke belemmeringen voor meer hergebruik van bouwproducten en bouwmaterialen ziet u op dit moment als het meest urgent, bijvoorbeeld op het gebied van certificering, kwaliteitsborging, garanties en de waardering van hergebruik in de milieuprestatieberekening?
Welke mogelijkheden ziet u om de komende jaren meer zekerheid te creëren voor opdrachtgevers en bouwers die gebruik willen maken van hergebruikte bouwproducten en materialen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bij grotere sloop- en renovatieprojecten vaker vooraf in kaart te brengen welke bouwproducten en materialen geschikt zijn voor hergebruik? Welke rol kan het Rijk spelen om dit verder te stimuleren?
Deelt u de opvatting dat een grotere beschikbaarheid van herbruikbare materialen ook voldoende vraag naar deze materialen vereist? Welke mogelijkheden ziet u voor het Rijk en andere publieke opdrachtgevers om die vraag verder te vergroten?
Deelt u de opvatting dat de overheid via haar eigen inkoopbeleid (zoals bij het Rijksvastgoedbedrijf) een sleutelrol kan spelen in het creëren van voldoende vraag naar deze materialen? Hoe geeft u hier momenteel concreet invulling aan?
Welke aanvullende stappen acht u nodig om het aandeel hergebruikte bouwproducten en materialen richting 2030 substantieel te vergroten?