De situatie omtrent de ingreep bij Nexperia |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de betrokkenheid binnen het kabinet bij het besluit om de Wet beschikbaarheid goederen in te zetten bij Nexperia (wie is wanneer geïnformeerd, welke besluitvorming heeft waar plaatsgevonden)?
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl.1 met uw Kamer gedeeld. Daarin staat vermeld dat er voorafgaande aan het bevel contact is geweest met de Minister-President, de vicepremiers, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Kunt u een overzicht geven van de vraag welke landen en Europese instellingen wanneer betrokken zijn geweest bij dit dossier en op welke wijze?
Vanwege de gevoeligheid van de casus is er aanvankelijk voor gekozen om de kring van betrokkenen zo klein mogelijk te houden. Dit is gebruikelijk in dit soort gevallen. Er was namelijk sprake van acute dreigingen en hoe breder de cirkel van vooraf geïnformeerden, hoe groter de kans dat de risico’s zich daadwerkelijk zouden manifesteren.
Er is zeer vroegtijdig contact geweest met Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, omdat zich daar belangrijke productielocaties van Nexperia bevinden. Contact met deze landen zag daardoor o.a. op het realiseren van adequaat toezicht in deze landen op naleving van mijn bevel. De Europese Commissie is spoedig daarna geïnformeerd. Het was aanvankelijk niet de bedoeling de kwestie veel breder te trekken, of om nadrukkelijk de publiciteit te zoeken gezien de bedrijfsgevoelige aard van deze zaak. Echter, de wereldwijde gevolgen van de exportcontrolemaatregelen en het besluit van Wingtech om de kwestie wereldkundig te maken, leidden ertoe dat de casus in de openbaarheid kwam.
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl. met uw Kamer gedeeld.
Kunt u uiteenzetten welke objectieve criteria en signaleringsindicatoren u heeft gehanteerd om te bepalen dat sprake was van omstandigheden «ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties», zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wet beschikbaarheid goederen?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen.
Kon u vooraf bevestigen dat de juridische handhaafbaarheid van het bevel onzeker was en aanvullende rechterlijke inmenging nodig zou zijn om naleving te garanderen, en waarom is desondanks voor dit instrument gekozen?
Het is onjuist dat vooraf bekend was dat aanvullende rechterlijke inmenging vereist was om de naleving van het bevel te garanderen. De Wet beschikbaarheid goederen en het uitgevaardigde bevel kan in vergaande mate de beschikbaarheid van productiemiddelen veiligstellen, ook als deze buiten de EU gelegen zijn. De effectiviteit van het bevel werkt via de zeggenschap die het hoofdkantoor (Nexperia Holding B.V.) heeft over de dochtermaatschappijen en vestigingen van Nexperia in binnen- en buitenland. Medewerking van het bestuur van Nexperia is daarbij van groot belang. De onmiddellijke voorzieningen van de Ondernemingskamer maakten die medewerking waarschijnlijker, omdat de CEO, wiens handelen de dreiging vormde voor de leveringszekerheid, mogelijk zou worden geschorst. Dat zou ondersteunend zijn aan de werking van het bevel. Ook vanuit die gedachte heeft de Staat zich als belanghebbende in de enquêteprocedure gemeld en de verzoeken van de bestuurders ondersteund. Dit heb ik ook in het debat in de Kamer op 4 december jl. zo uiteengezet.
Welke andere instrumenten of interventies zijn overwogen om de risico’s bij Nexperia te beperken, en op welke gronden zijn deze niet ingezet?
Vanzelfsprekend zijn er verschillende mogelijkheden onderzocht en gewogen op onder andere geschiktheid, inzetbaarheid en effectiviteit. Doel was een geschikte maatregel te kunnen nemen die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO voor de beschikbaarheid in Nederland en Europa van de productie- en R&D faciliteiten, de know-how en de intellectuele eigendomsrechten van de onderneming (de productiemiddelen) konden mitigeren op een manier die bedrijfsprocessen zo min mogelijk zou verstoren. Van de onderzochte maatregelen is de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen de enige geschikte en proportionele maatregel.
Welke beoordeling heeft u vooraf gemaakt van het risico dat China het bevel op grond van de Wet beschikbaarheid goederen zou aanmerken als de facto nationalisatie van een Chinees bedrijf en als aanleiding zou zien voor exportmaatregelen?
De gevoeligheid van het bevel in de relatie met China is van tevoren onderkend. Daarom zijn de Chinese autoriteiten zo spoedig mogelijk geïnformeerd over mijn bevel, waarin benadrukt werd dat de maatregel gebaseerd was op het nemen van een geschikte maatregel die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO mitigeert en niet tegen is China gericht.
Welke onderbouwing hanteert u voor de proportionaliteit van het Wet beschikbaarheid goederen bevel, gezien de diplomatieke en economische gevolgen, waaronder verstoringen in de levering van halfgeleiders?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving zeer concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, daarin gesteund door de aandeelhouder, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen. Dit was een weloverwogen en onderbouwd besluit waarbij voorafgaand uiteraard verschillende mogelijke scenario’s zijn doorgenomen evenals de kans dat deze zich voor zouden doen.
Waarom is het Wet beschikbaarheid goederen bevel nog zo lang gehandhaafd, nadat de Ondernemingskamer had ingegrepen, de CEO was geschorst en de continuïteit van de onderneming was geborgd?
Bij een enquêteprocedure en de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en – na onderzoek – eindmaatregelen die gelast kunnen worden, staat het belang van de onderneming voorop. De door de Ondernemingskamer in de eerste fase te beantwoorden hoofdvraag is of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij de onderneming. Ook de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en de eindmaatregelen worden vanuit het ondernemingsbelang ingegeven. Het bevel krachtens de Wet beschikbaarheid goederen beoogt daarentegen iets anders: het veiligstellen van de productiemiddelen van de onderneming voor de productie van chips in en voor Nederland en Europa. Daarmee ziet het bevel op een publiek belang. Dat is iets anders dan het belang van de onderneming. Het belang van de onderneming en het publieke belangen hoeven niet samen te vallen. Daarom houdt het kabinet het bevel achter de hand, zodat het uiteindelijke doel, namelijk het behouden van zeer strategische capaciteit op legacy chips, ook op de lange termijn verwezenlijkt kan worden.
Welke toetsings- en afwegingskaders worden structureel toegepast om te bepalen of en wanneer de Wet beschikbaarheid goederen ook moet worden overwogen bij andere ondernemingen in Nederland die van strategisch belang zijn voor de economische veiligheid?
Hoe zorgt u ervoor dat er geen precedent is ontstaan voor de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen, maar dat de toepassing van deze wet voorspelbaar, zorgvuldig en uitzonderlijk blijft, zodat de bijdrage van buitenlandse investeringen aan innovatie en strategisch vermogen in Nederland niet wordt ontmoedigd?
Welke criteria hanteert u om te beoordelen of herinzet van het bevel noodzakelijk is bij eventuele nieuwe risico’s of gedragingen?
Het bevel wordt echt alleen ingezet wanneer andere juridische middelen onvoldoende zijn om de Nederlandse en Europese belangen te waarborgen, zoals bijvoorbeeld de leveringszekerheid van cruciale chips. Als die leveringszekerheid opnieuw in het geding komt, dan zal het kabinet opnieuw beoordelen of de inzet van dit instrument of van andere instrumenten noodzakelijk en/of proportioneel zijn.
Kunt u toelichten in welke mate Europese partners voorafgaand aan uw besluit formeel zijn betrokken bij de risico-analyse, de weging van mogelijke maatregelen en de uiteindelijke besluitvorming over het bevel?
Bij dit soort besluiten is het wenselijk en gebruikelijk om de kring van geïnformeerden zo klein mogelijk te houden. Het eventueel naar buiten komen van het voornemen tot dit besluit kon grote nadelige gevolgen hebben.
Het is dan ook niet gebruikelijk dat landen in dergelijke tijdsgevoelige en bedrijfsvertrouwelijke gevallen elkaar van tevoren op de hoogte stellen en elkaar meenemen in analyses en afwegingen.
Wel zijn direct na het uitvaardigen van het bevel onze meest betrokken partners op de hoogte gesteld, nog ruim voordat dit in de openbaarheid kwam. De Europese Commissie is ook spoedig geïnformeerd. Het had, ook na het nemen van het bevel, nadrukkelijk niet de voorkeur van het kabinet dat deze casus in de openbaarheid zou komen; mede om dat te voorkomen is de kring zo klein mogelijk gehouden.
Hoe is de structurele coördinatie van diplomatieke acties en strategische communicatie met andere EU-lidstaten en de Europese Commissie richting China ingericht gedurende en na de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen?
Op 2 december jl. is een tijdlijn gedeeld met uw Kamer. Hierin is opgenomen welke informatie beschikbaar was op het moment dat bepaalde keuzes werden gemaakt, wie daarbij betrokken was en hoe er is afgestemd met buitenlandse partners.
Welke afspraken zijn inmiddels gemaakt binnen de EU om te voorkomen dat nationale maatregelen ter bevordering van Europese strategische autonomie in de toekomst opnieuw kunnen leiden tot acute risico’s voor de leveringszekerheid van cruciale technologieën?
Zoals aangeven in de brief aan uw Kamer op 19 november jl.2 was mijn ingrijpen erop gericht verplaatsing ten aanzien van de productiemiddelen van de Nexperia groep te voorkomen. Op basis van het bevelschrift kunnen beslissingen tegengehouden worden indien deze (potentieel) schadelijk zijn voor de productiecapaciteit, kennispositie of continuïteit van het bedrijf. Wat het bevelschrift niet doet, is het in de weg staan van het reguliere productieproces van Nexperia. Het bevelschrift is zo ontworpen dat de reguliere productie in alle fabrieken wereldwijd en dat alle export door Nexperia gewoon doorgang kan en zelfs moet vinden. Het bevel leidde tot een tegenreactie van China, in de vorm van een exportmaategel, die heeft geleid tot wereldwijde problemen in de toeleveringsketens.
Als het kabinet niet had ingegrepen was de laatste capaciteit, kennis en kunde die er in Europa is voor dit type chips (die van Nexperia) geheel verdwenen. Een deel van deze capaciteit en know-how (in het bijzonder de front end) is nu in Europa aanwezig. Deze wederzijdse afhankelijkheid (front end in Europa en back end in Azië) is cruciaal voor de voorzienings- en leveringszekerheid. Pas als deze wederzijdse afhankelijkheid omslaat in eenzijdige Europese afhankelijkheid, neemt het risico voor de voorzienings- en leveringszekerheid van dit type chips sterk toe. Dat wil het kabinet voorkomen.
Hoe legt u uit dat de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen bedoeld is om leveringszekerheid te beschermen, maar op korte termijn heeft geleid tot nieuwe kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders?
Het is duidelijk dat deze situatie de kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders heeft blootgelegd voor het brede publiek. Kwetsbaarheden die bovendien groter waren geworden als ik niet had ingegrepen op basis van de Wbg. Waar het namelijk om gaat is dat Europa de capaciteit moet behouden om dit type chips te kunnen blijven produceren, ook in de toekomst.
Wat zijn de economische gevolgen voor Nederland als gevolg van deze ingreep? Wat zijn de langere-termijngevolgen van dit dossier voor het versterken van de Europese strategische autonomie?
De genomen maatregel is uitzonderlijk en is weloverwogen toegepast. Met het opgelegde bevel is het weglekken van cruciale technologische kennis en verlies van essentiële productiecapaciteit voor Europa een halt toegeroepen. Als deze risico’s zich hadden verwezenlijkt, had dat tot het verlies van productiecapaciteit voor cruciale chips gezorgd en daarmee tot een strategische afhankelijkheid geleid. Dat zou grote negatieve gevolgen voor de economie en daarmee het vestigingsklimaat hebben gehad.
Welke beleidsmatige lessen trekt u uit dit dossier om toekomstige ingrepen effectiever, voorspelbaarder en diplomatiek minder riskant te maken?
Deze casus zal zeker waardevolle lessen bieden die ons helpen toekomstige besluiten verder te verbeteren. Het kabinet acht het van belang dat deze casus, zodra deze in rustiger vaarwater terecht is gekomen, goed geëvalueerd zal worden. Daarbij geldt in algemene zin dat het verhogen van de weerbaarheid van onze economie te allen tijde gepaard zal gaan met kosten, van financieel-economische en/of diplomatieke aard.
Beschikt het ministerie over een structureel beoordelingskader om continu mogelijke risico’s te monitoren op het gebied van (i) cruciale technologie en productiecapaciteit, (ii) strategische afhankelijkheden en (iii) verplaatsing van kennis, intellectueel eigendom of bedrijfsvestigingen uit Nederland of Europa?
Technologieën en mogelijke risicovolle strategische afhankelijkheden ontwikkelen zich in hoog tempo. Ontwikkelingen op technologiegebied worden daarom continu gemonitord. Op basis daarvan wordt bezien of het bestaande instrumentarium moet worden aangepast aan nieuwe omstandigheden, zoals eerder is gebeurd met de AMvB bij de Wet vifo. Zoals aangegeven in de Kamerbrief3 over de voortgang van de kabinetsaanpak op strategische afhankelijkheden, richt het kabinetsbeleid zich op het in kaart brengen van risicovolle strategische afhankelijkheden en het inventariseren van mogelijke mitigatieopties. Een afhankelijkheid is risicovol en strategisch, als het betreffende product, de dienst of de technologie cruciaal is voor het borgen van onze publieke belangen, en als het risico van leveringsonderbrekingen hoog is. Het beoordelingskader strategische afhankelijkheden is 29-05-2024 nader toegelicht in de technische briefing over dit onderwerp.
Welke interdepartementale, internationale en Europese samenwerkingsstructuren worden hierbij gebruikt om dergelijke risico’s tijdig te signaleren en gezamenlijk te adresseren?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief Voortgang Kabinetsaanpak Economische Veiligheid van 1 juli 20254, kent de kabinetsaanpak economische veiligheid verschillende uitgangspunten. Het instrumentarium bevindt zich primair op nationaal niveau, waarbij coördinatie en samenwerking in Europees en internationaal verband de inzet versterkt. Het kabinet streeft daarom bij maatregelen op het gebied van economische veiligheid (en kennisveiligheid) naar samenhang op EU- en internationaal niveau. Dit komt de effectiviteit van maatregelen ten goede en is belangrijk voor een gelijk speelveld. Het beleid is landenneutraal, conform internationale principes, rechtsbeginselen en verplichtingen zoals het non-discriminatiebeginsel.
Naar analogie van het EU-kader vereist het realiseren van de doelstellingen een geïntegreerde aanpak langs drie sporen: protect (beschermen), promote (versterken) en partner (samenwerken), die worden versterkt door actieve ondersteuning van het bedrijfsleven en kennisopbouw op dit thema.
Bent u bereid het genoemde beoordelingskader, inclusief de gehanteerde criteria voor interventie, publiekelijk of ten minste vertrouwelijk met de Kamer te delen, om de voorspelbaarheid en democratische controle op toekomstige afwegingen onder de Wet beschikbaarheid goederen te vergroten?
Zoals aangegeven in de beantwoording Kamervragen over Nexperia van 11 november jl.5 zijn het huidige kabinet en uw Kamer, evenals vele voorgangers, al enkele jaren bezig met het vraagstuk rondom open strategische autonomie, ook wel een weerbare economie genoemd.
Het beleid op dit onderwerp wordt uiteengezet in een aantal Kamerbrieven; Kamerbrief Visie op de toekomst van de Nederlandse industrie, 6 Kamerbrief Open Strategische Autonomie 7 en Voortgang kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden.8
In deze brieven wordt ook regelmatig verwezen naar welke capaciteiten er belangrijk zijn voor Nederland en Europa, waarbij om bijvoorbeeld bedrijfsvertrouwelijke redenen niet altijd alles openbaar wordt gemaakt. Centraal uitgangspunt van het beleid en de daarin genoemde voorstellen, zijn gericht op het beschermen van productiecapaciteiten, kennisposities of continuïteit van bedrijven. U kunt hierbij denken aan de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo). Aan de hand van het beleid en ontwikkelde strategieën is er ook nauwer contact met bedrijven en kennisinstellingen die in de voor Nederland belangrijk geachte industrieën opereren. Met uw Kamer is hiermee dus al gedeeld op welke manier het kabinet haar afwegingen maakt ten aanzien van open strategische autonomie.
De interpretatie van de Europese jurisprudentie inzake het additionaliteitsvereiste bij de Habitatrichtlijn |
|
André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de juridische analyses waarin aangegeven wordt dat het aangescherpte additionaliteitsvereiste waarschijnlijk niet automatisch voortvloeit uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU)?1, 2
Ja, daar heb ik kennis van genomen. Ik wil benadrukken dat het gaat om een juridisch-wetenschappelijke discussie van verschillende auteurs. Ik volg deze discussie met interesse. Daarom heb ik een aantal standpunten in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) ingediend. Tegelijkertijd zijn de uitspraken van de Afdeling uiteraard leidend voor zowel de overheid als initiatiefnemers. Hieronder ga ik specifieker in op de standpunten die worden genoemd.
Deelt u de analyse van de auteurs dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS)-arrest weliswaar duidelijk maakte dat bij vergunningverlening geen beroep kan worden gedaan op de positieve effecten van (bestaande) instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen, maar dat daaruit niet is af te leiden dat hetzelfde geldt voor een maatregel die het bevoegd gezag uitdrukkelijk beoogt in te zetten als mitigerende maatregel en niet als instandhoudings- of passende maatregel?
Zoals hiervoor aangegeven, volg ik deze lijn met interesse en zie ik aanknopingspunten in deze analyse. Een vergelijkbaar standpunt is naar voren gebracht namens de Staatssecretaris als bevoegd gezag in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling.
Deelt u de analyse van de auteurs dat noch in arresten van het HvJ-EU noch in richtsnoeren van de Europese Commissie wordt aangegeven dat een mitigerende maatregel slechts kan worden ingezet ten behoeve van een plan of project in een passende beoordeling als die naar zijn aard niet ook nodig is als een instandhoudings- of passende maatregel?
Ik ben van mening dat mitigerende maatregelen die niet al door de beheerder van het betrokken Natura 2000-gebied, de provincie of het Rijk, zijn aangewezen als instandhoudings- of passende maatregel naar hun aard niet als zodanig zijn aan te merken. Dat standpunt is naar voren gebracht in de hoger beroepsprocedures, bedoeld in het antwoord op vraag 2.
Deelt u de analyse van de auteurs dat een strikte interpretatie van het additionaliteitsvereiste voorbij gaat aan het feit dat via het nemen van passende maatregelen op grond van artikel zes, tweede lid, van de Habitatrichtlijn alsnog kan worden ingegrepen in bestaande, vergunde situaties mocht dat nodig zijn om verslechtering te voorkomen?
Ik zie aanknopingspunten in deze analyse. Dat doet niet af aan het feit dat ik me, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, houd aan de geldende jurisprudentie.
Deelt u de mening van de auteurs dat het aangescherpte additionaliteitsvereiste op gespannen voet staat met het «nuttig effect» van het Unierecht, omdat het ervoor zorgt dat op dit moment ook vergunningen die uiteindelijk juist zorgen voor uitstootreductie nauwelijks meer kunnen worden afgegeven?
Die mening kan ik op zichzelf volgen. Ik krijg signalen dat op dit moment vergunningen die zorgen voor emissiereductie beperkt worden afgegeven naar aanleiding van de recente jurisprudentie. Ook een aangescherpt additionaliteitsvereiste zou wat mij betreft niet tot gevolg moeten hebben dat verduurzaming onmogelijk wordt. Ik wacht de jurisprudentie op dit punt af.
Deelt u de mening van de auteurs wat betreft de inzet van de gehele referentiesituatie van een bestaande activiteit bij de additionaliteitstoets dat dit niet in alle gevallen maatregelen betreffen die naar hun aard kunnen worden ingezet als instandhoudings- of passende maatregel?
Die analyse kan ik volgen. In de procedures aangehaald in het antwoord op vraag 2 wordt namens de Staatssecretaris naar voren gebracht dat projecten die grote sociaaleconomische belangen dienen niet zouden moeten worden ingetrokken als passende maatregel. Een intrekking zou immers niet in overeenstemming zijn met de vereisten uit artikel 2, derde lid, Habitatrichtlijn. Daaruit volgt dat instandhoudings- en passende maatregelen in overeenstemming moeten zijn met sociaaleconomische vereisten en lokale en regionale bijzonderheden.
Op welke wijze zou ten aanzien van de genoemde referentiesituatie van bestaande activiteiten kunnen worden voorkomen dat deze onnodig ingezet worden bij de additionaliteitstoets?
Uit de recente jurisprudentie van de Afdeling wordt duidelijk dat op het moment dat aantoonbaar voldoende andere passende maatregelen worden genomen die leiden tot een voor de betrokken Natura 2000-gebieden noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn, het niet langer nodig zal zijn om de referentiesituatie van bestaande activiteiten te beëindigen om te voldoen aan de verplichting van artikel 6, tweede lid, om verslechtering van de kwaliteit van habitat te voorkomen. In die situatie zal in z’n algemeenheid kunnen worden aangetoond dat mitigerende maatregelen aanvullend zijn op hetgeen nodig is voor de natuur (additionaliteitsvereiste). Dit vereist wel dat op gebiedsniveau op dit punt een analyse is gemaakt en een plan of programma kan worden overgelegd waaruit blijkt welke maatregelen wanneer worden genomen en wanneer daarvan welke effecten kunnen worden verwacht, en dat aannemelijk kan worden gemaakt dat daarmee verslechtering in het Natura 2000-gebied wordt voorkomen en perspectief blijft bestaan op de realisatie van eventuele verbeter- of uitbreidingsdoelstellingen. Met het startpakket en vervolgpakket heeft het kabinet onder de Ministeriële Commissie voor Economie en Natuurherstel een aanpak neergezet om de natuur te herstellen en vergunningverlening weer mogelijk te gaan maken. Daarbij zijn middelen vrijgemaakt voor de landbouwsector (doelsturing, extensivering, beëindiging, mest), die deels al in uitvoering zijn of gaan. En daarnaast voor een gebiedsgerichte aanpak en voor gericht natuurherstel. Het vervolgpakket zet in aanvulling daarop in op verdere emissiereductie en natuurherstel, in combinatie met een verbeterde borging van de aanpak.
Deelt u de mening van de auteurs wat betreft de stellingname van de Raad van State dat de omvang van de in te zetten referentiesituatie geen rol mag spelen bij de toets aan het additionaliteitsvereiste en dat verschil zou moeten worden gemaakt tussen het al dan niet sprake zijn van significante gevolgen bij mogelijke passende maatregelen ten aanzien van bestaande activiteiten?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de analyse van de auteurs dat de jurisprudentie bij plannen ruimte laat voor toepassing van intern salderen zonder additionaliteitstoets als maatregelen met positieve gevolgen, zoals het niet langer bemesten van agrarische gronden in verband met woningbouw, onlosmakelijk onderdeel van het plan zijn?
Die analyse kan ik volgen. Ik verwacht dat de Afdeling binnen afzienbare tijd een richtinggevende uitspraak zal doen over intern salderen bij plannen in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Aan die lijn hebben overheden zich vervolgens te houden. Ik wacht de verdere jurisprudentie op dit punt af.
Welke mogelijkheden ziet u voor adequate toepassing van het additionaliteitsvereiste binnen de kaders van de bestaande jurisprudentie, zodanig dat plannen en projecten niet onnodig belemmerd worden?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 7.
Bent u bereid advies te vragen aan de Raad van State en/of de Europese Commissie over de reikwijdte van het additionaliteitsvereiste?
Zoals eerder gezegd heeft de Staatssecretaris een aantal standpunten in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling ingediend. Ik ben daarnaast bereid om de Afdeling in voorkomende passende zaken het voorstel te doen om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie om te toetsen of de huidige jurisprudentie in overeenstemming is met de Habitatrichtlijn. Het Europese Hof is de hoogste instantie die beslist over de uitleg van het Europees recht (de Habitatrichtlijn). De Afdeling beslist zelf of daartoe wordt overgegaan en welke vragen er vervolgens aan het Hof worden gesteld.
Het bericht '56 procent van Nederlanders draait verwarming niet open vanwege te hoge energiekosten: ’Kiezen tussen warm blijven of eten op tafel' |
|
Jimmy Dijk |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Telegraaf dat steeds meer Nederlanders besluiten de verwarming dicht te draaien vanwege te hoge energiekosten?1
Ik heb kennis genomen van het bericht van de Telegraaf.
Kunt u kenbaar maken of deze cijfers in overeenstemming zijn met de gegevens van het ministerie? Zo ja, kunt u deze inzichtelijk maken en specificeren per gezinssituatie en onderverdelen in kinderen, volwassenen en senioren?
Voor cijfermatige inzichten in de ontwikkeling van energiearmoede maakt het kabinet gebruik van de jaarlijkse rapportages van CBS en TNO over dit onderwerp. Binnen deze rapportages is ook aandacht voor de onderconsumptie van energie, wat door TNO omschreven wordt als «verborgen energiearmoede». Het gaat hierbij om huishoudens met een laag inkomen en een woning van lage energetische kwaliteit die minder energie verbruiken dan verwacht.
De cijfers uit het artikel zijn niet in overeenstemming met de door TNO gepubliceerde inzichten. Het rapport waar de Telegraaf zich op baseert is tot stand gekomen op basis van een enquête. De resultaten uit deze enquête geven een belangrijk signaal af over de mate waarin huishoudens zich zorgen maken over de betaalbaarheid van de energierekening. Het kabinet houdt voor wetenschappelijke inzichten en het observeren van trends vast aan de data die TNO hierover publiceert.
In de meest recente rapportage wordt ingeschat dat het aantal huishoudens dat kampt met verborgen energiearmoede in 2024 ongeveer 119.000 bedraagt, ongeveer 1.4% van alle huishoudens.2 Dit aantal fluctueert de afgelopen jaren tussen de 1% en 1,5% van alle huishoudens in Nederland. TNO heeft in haar rapportage geen nadere uitsplitsing gemaakt van deze groep, een verdeling naar gezinssituatie is hiermee niet voorhanden.
Hoe verklaart u deze trend van verhoogde energiearmoede en een van de hoogste gasprijzen van Europa? Waarom is het als kabinet niet gelukt deze trend te keren?
Volgens de voorlopige inschatting in de Monitor Energiearmoede van TNO en CBS leven in 2024 510.000 huishoudens in energiearmoede. Dit is bijna 180.000 huishoudens meer dan in 2023. Het rapport vindt de verklaring hiervoor in het energieprijsniveau en het aflopen van de financiële steunmaatregelen die waren ingesteld ten tijde van de energiecrisis, meer specifiek de energietoeslag en het prijsplafond.
Daarnaast geeft het onderzoek aan dat het aantal energiearme huishoudens lager ligt dan in 2019, voor de energiecrisis. Dit komt onder andere door de getroffen verduurzamingsmaatregelen, gedragsverandering van consumenten en een stijging van het besteedbaar inkomen. Het aantal huishoudens met een combinatie van een lage energetische kwaliteit woning en een laag inkomen daalt door verduurzaming van woningen.
De inkoopprijs van gas op de groothandelsmarkt (TTF) is over het afgelopen jaar bezien gedaald en gestabiliseerd. De gasprijs lag in december 2025 op het laagste niveau sinds 2 jaar tijd, met 26,55 EUR/MWH. De month-aheadprijs ligt op dit moment van schrijven op 36,88 EUR/MWH, en de day-aheadprijs van elektriciteit is gemiddeld 17% lager ten opzichte van vorig jaar.2 Deze lagere prijzen vormen de basis van de prijzen voor consumenten in nieuwe contracten. De ACM rapporteert dat ten opzichte van de piek in februari de tarieven nu 14% lager liggen voor langlopende vaste contracten, 8% lager voor één jaarcontracten en 7% lager voor variabele contracten. De gemiddelde consument betaalt bij een nieuw contract 130 euro minder per jaar.3
Klopt het dat het kabinet zich nog steeds heeft gecommitteerd aan het niet laten toenemen van armoede en het tegengaan van de langetermijngevolgen van armoede?
Zoals in het Regeerprogramma aangegeven streeft het kabinet er naar om de (kinder-) armoedecijfers niet uit te laten komen boven het referentiejaar 2024. Hoe het kabinet dit aanpakt is uitgewerkt in het Nationaal Programma Armoede en Schulden. Ik verwacht u dit kwartaal de eerste voortgangsrapportage te kunnen sturen.
Hoe verantwoordt u dan de oplopende energiearmoede en het feit dat nu één op de twaalf kinderen opgroeit in energiearmoede?2
Het kabinet vindt het belangrijk om huishoudens in energiearmoede te helpen met het betalen van de energierekening en om in te zetten op maatregelen die structureel de energierekening verlagen.
De toename van het aantal huishoudens in energiearmoede tussen 2023 en 2024 is, zoals aangegeven bij vraag 2, voornamelijk het gevolg van het weggevallen van de steunmaatregelen. Deze maatregelen waren in de crisissituatie nodig om huishoudens te beschermen tegen sterk gestegen prijzen. Tegelijkertijd waren het prijsplafond en de energietoeslag relatief ongericht. Inmiddels zijn de energieprijzen gestabiliseerd en ervaart een meerderheid van de consumenten de energierekening als betaalbaar5.
Tegelijkertijd weten we dat er nog steeds een groep kwetsbare huishoudens moeite heeft met het betalen van de energierekening. Om die reden heeft het kabinet afgelopen drie jaar ook een subsidie verstrekt aan de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie. Het effect van deze financiële tegemoetkoming is overigens niet meegenomen in de genoemde monitor. Daarnaast komen de effecten van diverse verduurzamingsmaatregelen die na 2023 zijn genomen en die ook van belang zijn voor huishoudens met (risico op) energiearmoede, zoals de inzet van SPUK Aanpak Energiearmoede, het verder uitfaseren van EFG-huurwoningen, niet in de voorlopige inschatting voor 2024 tot uiting.
Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving, bijvoorbeeld middels de prestatieafspraken met corporaties om woningen met slechte energielabels uit te faseren. Voor alle verhuurders gaat normering op dit punt gelden vanaf 2029. Ook heeft het kabinet recent de bevindingen van TNO in het kader van de motie Postma naar de Kamer gestuurd.6 Om energiearmoede te verlagen, heeft TNO acht beleidsmaatregelen onderzocht; vier hiervan hebben een significant positief effect op het verlagen van energiearmoede.
Welke maatregelen gaat u nemen om dit tegen te gaan en onmiddellijke verlichting voor gezinnen te bieden, nu het publieke energiefonds nog een jaar op zich laat wachten?
Het kabinet werkt op diverse manieren aan het betaalbaar houden van de energiekosten voor gezinnen met weinig geld. Dit is een gedeelde verantwoordelijkheid van het Ministerie van KGG (stelselverantwoordelijkheid energiesysteem), het Ministerie van VRO (energetische kwaliteit van woningen) en het Ministerie van SZW (armoedebestrijding).
Via een Decentrale Uitkering (DU) heeft het kabinet in 2025 € 10 miljoen toegevoegd aan het Gemeentefonds. In 2026 komt hier nog eens € 20 miljoen bij. De financiële dekking voor deze impuls komt van de SZW-begroting (€ 10 miljoen) en het amendement Grinwis (€ 20 miljoen). De middelen worden via een Decentrale Uitkering verstrekt aan gemeenten en zijn daarmee breed inzetbaar. Deze middelen vormen geen vervanging van het Tijdelijk Noodfonds Energie, dat directe inkomenssteun verleende aan inwoners. Gemeenten kunnen deze middelen inzetten om de bestaande dienstverlening binnen de lokale aanpak van energiearmoede te versterken. Binnen die aanpak zijn er verschillende manieren waarop de middelen kunnen worden benut. Ik ben met de VNG tot deze brede formulering gekomen, omdat huishoudens in energiearmoede zowel mogelijk financiële problematiek als bij het verduurzamen van het huis hulp kunnen gebruiken. Daarbij weten gemeenten vaak het beste hoe ze hun inwoners verder kunnen helpen.
Daarnaast heb ik in de Kamerbrief van 7 november geschetst welke inspanningen ik heb gepleegd om te bezien of er opnieuw een Tijdelijk Noodfonds Energie kon komen deze winter en waarom dit niet mogelijk is.
Met de impuls van € 30 miljoen voor de lokale energiearmoedeaanpak en het benutten van de data van 151.000 huishoudens van de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie kunnen gemeenten aanvullende en gerichtere hulp aanbieden.
Deelt u de mening van de Stichting Consumer Justice (CJF) dat de grote energieleveranciers misbruik maken van de prijswijzigingsclausules en daarmee het consumentenrecht en mededingingsrecht hebben overtreden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
De zaak waarover Stichting Consumer Justice spreekt, wordt momenteel in cassatie behandeld voor een individuele klant. Daarnaast is Stichting Consumer Justice een procedure gestart voor een massaclaim voor klanten die een soortgelijke situatie hebben meegemaakt. Het proces wordt door het Kabinet met aandacht gevolgd, maar het kabinet laat zich niet inhoudelijk uit over een zaak die zich nu nog onder de rechter bevindt. Er moeten diverse stappen doorlopen worden voordat duidelijk is wat de uitkomst zal zijn en of en zo ja voor welke groep consumenten deze uitspraak gevolgen kan hebben.
Bent u bereid een einde te maken aan telefonische werving, zoals de Autoriteit Consument & Markt (ACM) voorstelt? Zo nee, waarom niet?
Er komen helaas veel gegronde klachten binnen van consumenten over telefonische werving. Dit probleem blijft niet onopgemerkt, want er wordt op allerlei manieren gewerkt aan maatregelen om klachten ten aanzien van telefonische werving aan te pakken vanuit zowel het Ministerie van Economische zaken als het gaat om consumentenbeleid in den brede -als het Ministerie van Klimaat en Groene Groei indien het specifiek de energiesector betreft. Een totaalverbod op telefonische werving is momenteel niet mogelijk, gezien de Europese kaders die daarvoor gelden. Wel wordt telemarketing op grond van de klantrelatie in 2026 verboden. Op dit moment mogen consumenten alleen worden gebeld als zij de beller daarvoor toestemming hebben gegeven of als zij klant zijn (geweest). Consumenten mogen straks alleen worden gebeld als zij de beller daar vooraf expliciet toestemming voor hebben gegeven.
Daarnaast zit in de nieuwe Energiewet, die op 1 januari 2026 van kracht is geworden, een nieuwe grondslag die ruimte beidt aan de ACM om de vergunning van een energieleverancier in te trekken die zich meermaals schuldig maakt aan oneerlijke handelspraktijken, zoals misleiding bij telefonische verkoop. Ook als namens een vergunning houdende energieleverancier geworven wordt, kan deze nieuwe stevige bepaling ingezet worden door de ACM.
Bent u bekend met het concept van de prijzenwaakhond in Zwitserland? Kunnen we soortgelijke bevoegdheden geven aan de ACM zodat zij de prijzen kunnen reguleren, controleren en, indien nodig, blokkeren? Zo ja, wanneer wilt u dit gaan invoeren? Zo nee, waarom niet?
In Zwitserland is de energiemarkt anders ingericht dan in Nederland, want de energiemarkt is daar niet volledig geliberaliseerd. Ook gelden de Europese kaders ten aanzien van de inrichting van de gas- en elektriciteitsmarkt niet in Zwitserland. De ACM kan geen prijzen reguleren of blokkeren, dat gaat in tegen de Europese regels over vrije prijsvorming. Wel mag de ACM prijzen controleren. Het is in beginsel aan energieleveranciers zelf om hun prijzen te bepalen en aan consumenten om een afweging te maken tussen de producten en prijzen van verschillende aanbieders. Een vergunning houdende energieleverancier moet energie leveren tegen transparante en redelijke prijzen. Een prijs is niet redelijk als deze onevenredig hoog is gezien de kosten van de leverancier of niet concurrerend is. De ACM houdt hierop toezicht en kan een bestuurlijke boete opleggen indien hieraan niet voldaan wordt.
Zou het volgens u helpen om de energie betaalbaar te maken door deze publiek te organiseren en zeggenschap te geven aan bijvoorbeeld omwoners zoals we steeds meer zien gebeuren door het land heen? Zo ja, hoe bent u van plan dit nationaal te stimuleren? Zo nee, waarom niet?3
Het publiek organiseren an sich helpt niet om energie betaalbaarder te maken, mede omdat een gevarieerd aanbod en concurrentie tussen energieleveranciers op de energiemarkt financieel voordeliger zijn voor de consument. Als omwonenden een energieproductiefaciliteit in eigendom hebben, vaak via een lokale energiecoöperatie, kan dit bijdragen aan de betaalbaarheid van energie als de coöperatief opgewekte energie tegen kostprijs aan de omgeving wordt geleverd.
Energiecoöperaties zijn echter ook kwetsbaar vanwege een beperkt portfolio waardoor risico’s onvoldoende gespreid kunnen worden.8 In de Kamerbrief over energiegemeenschappen van 29 september jl. is toegelicht hoe het kabinet de ontwikkeling van lokale energie-initiatieven stimuleert.9
Een belangrijke voorwaarde voor, en aandachtspunt bij, een goed werkende concurrerende energiemarkt is en blijft transparantie ten aanzien van prijzen en contractvoorwaarden. Dit is een consumentenrecht en wordt in de nieuwe Energiewet op verschillende punten aangescherpt. Zo hebben consumenten recht op een kosteloos en onafhankelijk vergelijkingsinstrument waarin energiecontracten vergeleken kunnen worden. Ook is verankerd dat een energieleverancier zijn prijzen en voorwaarden presenteert op een dusdanige wijze dat eindafnemers in staat zijn prijzen en voorwaarden van verschillende energieleveranciers te vergelijken. Voor lokaal opgewekte energie wordt gewerkt aan een transparante prijsvorming via een kostprijs-plus model dat voor alle energiegemeenschappen gelijk is. Zo zijn energiegemeenschappen een nieuw – niet commerciële speler op de energiemarkt en een alternatieve keuze voor consumenten om in hun energie te voorzien.
Erkent u dat het idee van de SP dat het reguleren van de prijzen van basisproducten, zoals energie en boodschappen, ervoor zorgt dat de (energie)armoede afneemt en gezinnen meer ruimte over houden in hun portemonnee? Zo ja, bent u bereid om deze maatregel te nemen? Zo nee, waarom niet?
Aan het reguleren van de prijzen kleven in de praktijk flinke nadelen aan. De Minister van Economische Zaken is dieper op prijsregulering ingegaan in de Kabinetsreactie op Initiatiefnota «Minder inflatie, meer bestaanszekerheid» van NSC en PVV. Maximumprijzen kunnen leiden tot schaarste en verminderde toegankelijkheid van producten en diensten. Daardoor kunnen goedbedoelde maatregelen verkeerd uitpakken, en zijn consumenten uiteindelijk slechter af. Het kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat energieleveranciers geen nieuwe energiecontracten meer willen afsluiten, of dat bepaalde boodschappen niet meer beschikbaar zijn. Prijsregulering kan worden gebruikt in markten waarin een structureel marktfalen leidt tot gebrekkige concurrentie en verslechterde consumentenbescherming. In Nederland beoordeelt de ACM of er sprake is van misbruik van marktmacht en of er gebrekkige concurrentie is. Zo heeft de ACM in september aangekondigd onderzoek te doen naar prijzen van boodschappen en mogelijke marktproblemen die leiden tot hogere prijzen. De ACM maakt als onafhankelijke toezichthouder op basis van deskundigheid zelf een beslissing over het opstarten van een onderzoek.
Verbod op religieuze uitingen boa’s |
|
Annelotte Lammers (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
Rijkaart , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Is de Minister eens met de stelling dat boa’s neutraliteit dienen uit te stralen? Zo nee, waarom niet?
Waarom treedt de algemene maatregel van bestuur (AMvB) niet in werking (betreffende een verbod op religieuze uitingen voor buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s))? Zo nodig tot de beoogde wet die ditzelfde behelst in werking is getreden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het linkedin bericht geplaatst door de Arnhemse burgemeester Ahmed Marcouch waarin hij aangeeft dat het wel mogelijk moet zijn dat een boa een hoofddoek draagt bij het uniform?1
Is het niet gewenst dat een burgemeester ook neutraal is, om maar eens de woorden van de burgemeester zelf aan te halen, in gedrag en integriteit?
In hoeverre kan deze burgemeester neutraal zijn gezien hij zelf aangeeft dat hij geïnspireerd wordt door Said Qutb de oprichter van de fundamentalistische Moslimbroederschap. Zo ja waarom?
Verenso |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit rapport1 van Verenso met een aantal specifieke medische aandachtspunten bij het vaccineren met Comirnaty van Pfizer/BioNTech bij bewoners in de langdurige zorg waarbij een specialist ouderengeneeskunde of arts voor verstandelijk gehandicapten de regiebehandelaar is?
Ja.
Bent u bekend met het volgende advies in dit document: «Overweeg, in overleg met de familie, zeer kwetsbare patiënten met een sterk beperkte levensverwachting niet te (booster)vaccineren in verband met bijwerkingen als koorts en misselijkheid/braken en daarmee de kans op overlijden.»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat Lareb dit advies heeft overgenomen?2
Ja.
Waarom is deze waarschuwing (bijvoorbeeld in de uitnodigingsbrief voor de coronavaccinatie) niet met het publiek gedeeld?
Via verschillende (online) kanalen kunnen mensen informatie vinden over de COVID-19-vaccins en de mogelijke bijwerkingen die kunnen optreden. Bij de uitnodigingsbrief is bijvoorbeeld een flyer gevoegd met aanvullende informatie over het mRNA-vaccin en de belangrijkste bijwerkingen, met een QR-code die verwijst naar de website van het RIVM.3
Deelt u de mening dat het belangrijk is, omdat het een mRNA vaccin betreft, dat er ook naar alternatieven wordt gekeken? Bent u op de hoogte van de beschikbaarheid van het Hipra vaccin (Bimervax) dat geen mRNA vaccin is maar een eiwit vaccin dat voor veel mensen acceptabeler is dan een mRNA vaccin?
Ik onderschrijf het belang van een alternatief vaccin voor mensen die om medische redenen geen mRNA-vaccin kunnen of willen krijgen. Daarom is het Hipra-vaccin beschikbaar gesteld.
Is de beschikbaarheid van dit vaccin aan het publiek kenbaar gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Ja, op de website van het RIVM wordt gecommuniceerd over de beschikbaarheid van een eiwitvaccin voor mensen die om medische redenen geen mRNA-vaccin willen of kunnen krijgen.
Staat de beschikbaarheid van het eiwit-vaccin bijvoorbeeld in de uitnodigingsbrief voor de coronavaccinatie? Zo nee, waarom niet?
Nee, omdat het eiwitvaccin alleen bedoeld is voor mensen die om medische redenen geen mRNA-vaccin willen of kunnen ontvangen. Dit betreft een heel kleine groep mensen.
Is er bijvoorbeeld een tv-spotje of een andere media-uiting van de rijksoverheid geweest waarin expliciet werd vermeld dat er ook een eiwit vaccin beschikbaar is? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 7.
Kunnen de bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen drie weken worden beantwoord?
Ja.
Het afschaffen van de begeleidersregeling bij Nationaal Park Hoge Veluwe |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Rummenie , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Extra kosten voor gehandicapten in NP De Hoge Veluwe?»1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat er een klacht is ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens aangaande deze maatregel?
Ja.
Hoeveel nationale parken in Nederland hanteren een begeleidersregeling? Bestaat er eenduidig, landelijk beleid voor een begeleidersregeling voor nationale parken en andere recreatieplekken? Zo nee, waarom niet?
Voor zover bekend hanteert alleen De Hoge Veluwe (een particulier park) de begeleidersregeling. Er is geen landelijk beleid voor begeleidersregelingen voor andere recreatievoorzieningen, dit valt onder regionaal beleid voor provincies en gemeenten.
Hoe rijmt het voornemen tot het afschaffen van de begeleidersregeling met artikel 5b, lid 1, en artikel 5c, lid 1 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte?
Deze wet vereist dat personen met een beperking gelijke toegang hebben tot diensten/goederen en dat, indien nodig en voor zover aanpassing binnen de wet redelijk is, maatregelen worden genomen om personen met een handicap of chronische ziekte gelijke toegang te geven. Echter, deze maatregelen moeten wel redelijkerwijs mogelijk zijn en geen onevenredige belasting vormen. Dit uitgangpunt geldt ook voor toegang tot nationale parken. De Hoge Veluwe is een particulier park met eigen verantwoordelijkheid over haar toegangsbeleid.
Hoe reflecteert u op de toegankelijkheid van recreatie- en natuurparken binnen Nederland voor mensen met een beperking, waarbij er rekening wordt gehouden met de variatie in beperkingen en de verschillende behoeften per soorten beperking?
Nationale parken moeten voldoen aan de voorwaarden van de Wet gelijke behandeling en de Omgevingswet (Art.3.68 BKL). In de Omgevingswet is vastgelegd dat de gebieden zijn opengesteld voor bezoekers voor educatieve, culturele en recreatieve doeleinden, waarbij aan de openstelling voorwaarden en beperkingen kunnen worden verbonden met het oog op het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied. De parken zijn zich bewust van het belang van een goede toegankelijkheid voor alle bezoekers en daarom wordt daar binnen de parken aandacht aan besteed. De recreatieparken in Nederland zijn particulier bezit, de rijksoverheid heeft daar geen zeggenschap over.
Welke rol ziet u voor uzelf en uw ambtscollega’s met betrekking tot het concreet verbeteren van de toegankelijkheid van recreatie voor mensen met een beperking?
Met de uitwerking van de werkagenda VN Verdrag Handicap zet de rijksoverheid stappen om natuur- en recreatieparken voor gehandicapten toegankelijk te maken. Door het Ministerie van Economische Zaken wordt in samenspraak met de recreatiesector een voorstel gemaakt voor mogelijke maatregelen op toegankelijke recreatie. Na vaststelling van deze maatregelen is het aan de recreatiesector om deze maatregelen uit te voeren. Hierin speelt de rijksoverheid een stimulerende, faciliterende en verbindende rol. Daar waar nodig worden organisaties in de sector hierop aangesproken.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met nationale parken, waaronder NP De Hoge Veluwe, over begeleidersregelingen, en mensen met een beperking en hun belangenorganisaties en hierin met hen op zoek te gaan naar een passende oplossing?
Het Ministerie van LVVN heeft veelvuldig contact met alle nationale parken. De parken zijn zich bewust van het belang van toegankelijkheid van hun park en besteden daar aandacht aan. In de gesprekken met de nationale parken zal het ministerie het belang van de gelijke toegang voor iedereen blijven benadrukken.
Hoe zal de European Disability Card (EDC), die in de toekomst ingevoerd zal worden in Nederland, zich verhouden tot de gehandicaptenparkeerkaart (GPK)?
De European Disability Card (EDC) dient als communicatiemiddel voor mensen met een beperking. De EDC kan worden gebruikt om toegang te krijgen tot specifieke toegankelijkheidsfaciliteiten die al beschikbaar zijn voor mensen met een beperking bij publieke of private dienstverleners, zowel nationaal als in andere Europese lidstaten.
De EDC zal bestaan naast de gehandicaptenparkeerkaart (GPK) die al tientallen jaren bestaat. Beide kaarten hebben hun eigen criteria voor toekenning en daarmee verschillende doelgroepen. De doelgroep van de EDC zal aanzienlijk ruimer zijn dan die van de GPK omdat de laatste alleen wordt verleend aan personen die door een aandoening redelijkerwijs een afstand van 100 meter niet te voet kunnen afleggen. De GPK speelt vooral een rol bij het parkeren op de openbare weg op de speciaal hiervoor gereserveerde plaatsen, meestal in combinatie met het specifieke verkeersbord dat in de regelgeving is vastgelegd. De kaart wordt door de gemeente verleend na onderzoek door een keuringsarts.
Het bericht 'Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: ‘Niet in het belang van het kind’' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD), Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: «Niet in het belang van het kind»»?1
Hoe beoordeelt u het gegeven dat gerechtshoven in een substantieel aantal artikel 12-zaken besluiten om vervolging niet te gelasten met als reden dat het niet in het belang van het kind zou zijn?
Hoeveel zaken van huiselijk geweld worden er per jaar geseponeerd waarbij expliciet het argument «in het belang van het kind» wordt genoemd? Worden deze gegevens al bijgehouden? Zo ja, kunt u deze gegevens delen met de Kamer? Zo niet, bent u bereid dit te laten monitoren?
Op welke basis waarvan wordt het «belang van het kind» gewogen in beslissingen van het Openbaar Ministerie (OM) om huiselijk geweld niet te vervolgen? Zijn dit landelijke kaders of afhankelijk van het gerechtshof? In welke mate heeft u invloed op deze kaders?
Bent u bereid met het OM te bespreken een richtlijn te ontwikkelen voor zaken van huiselijk geweld waarbij kinderen zijn betrokken waarbij het uitgangspunt is dat bij een geweldsdelict niet geseponeerd wordt?
Bent u bekend met het gegeven dat er geen wetenschappelijke onderbouwing bestaat voor de stelling dat het vervolgen van een ouder negatieve effecten heeft op kinderen? Zo ja, welke onderbouwing gebruikt het OM om dit argument wel te laten meewegen in de beslissing?
Hoe verhoudt deze praktijk zich tot de algemene plicht van het OM om strafbare feiten te vervolgen? Deelt u de mening dat het een bijzonder voorbeeld schept dat er bij zaken van huiselijk geweld wel wordt geseponeerd in het belang van het kind waarbij juist het kind in sommige gevallen ook slachtoffer is, en in gevallen van bijvoorbeeld drugssmokkel dit argument niet wordt gebruikt?
Hoe ziet u het zelfstandig gebruik van het argument «in het belang van het kind» om af te zien van vervolging? Bent u het met de deskundigen in het artikel eens dat dit vrouwen en kinderen in situaties van huiselijk geweld extra kwetsbaar kan maken?
Hoe wordt geborgd dat slachtoffers van huiselijk geweld voldoende bescherming, rechtszekerheid en toegang tot het recht hebben wanneer het OM besluit niet te vervolgen?
Kunt u deze vragen een voor een en voor het kerstreces beantwoorden in combinatie met de set schriftelijke vragen van het lid Becker van 17 november 2025?
Het artikel 'William uit Aadorp werd ziek door werk bij Defensie, toch wordt zijn claim afgewezen' |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «William uit Aadorp werd ziek door werk bij Defensie, toch wordt zijn claim afgewezen»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u aangeven of in soortgelijke gevallen als William het mogelijk is om met alleen een schriftelijk bewijs van een diagnose door een bevoegd arts te voldoen aan de bewijslast voor een claim?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 19 december 20242 wordt een diagnose van een arts in principe geaccepteerd binnen de TSB. De inhoud van onderliggend onderzoek is niet nodig. De diagnose wordt niet overgedaan. Wel moet de diagnose zijn van één van de ziekten op de Lijst beroepsziekten van de TSB.3 Wat de situatie bij allergisch beroepsastma lastig maakt, is dat artsen zelden die complete diagnose stellen. Een arts stelt dan bijvoorbeeld wel de diagnose astma, maar niet allergisch astma. Of wel een allergisch astma, maar zonder te benoemen door welk allergeen. In Nederland hebben meer dan 500.000 volwassenen de diagnose astma.4 Om te waarborgen dat de middelen van de TSB terechtkomen bij de doelgroep, is het noodzakelijk om bepaalde kaders te stellen.
Klopt het dat de zogenoemde sensibilisatietest niet langer vereist is voor het toekennen van een claim? Deelt u de mening dat het onwenselijk is wanneer aanvragen toch stranden op deze test, terwijl deze volgens de nieuwe regeling niet meer toegepast zou moeten worden?
Als een aanvrager allergisch astma heeft, maar niet duidelijk is welk allergeen de astma veroorzaakt, is voor de TSB nodig dat dit wordt onderzocht. Om een toekenning te krijgen, moet het allergeen op het werk aanwezig zijn. De aanvrager laat hiervoor een sensibilisatietest doen. Zonder deze test is niet vast te stellen of het allergeen voorkomt op de werkvloer of in de privésfeer. Dit soort onderzoek wordt niet volledig gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet. Om te voorkomen dat deze kosten terechtkomen bij aanvragers, is er financiering vanuit een tijdelijke pilot. Hierover heb ik uw Kamer eerder geïnformeerd.5
Hoeveel aanvragen voor compensatie zijn er sinds de start van de regeling ingediend en hoeveel daarvan zijn afgewezen? Kunt u daarnaast aangeven in hoeveel gevallen de afwijzing (mede) gebaseerd was op het niet (voldoende) kunnen aanleveren van onderliggend onderzoek zoals de sensibilisatietest?
Sinds de start van de regeling zijn circa 900 aanvragen voor een tegemoetkoming ingediend. Van de ingediende aanvragen zijn ongeveer 600 aanvragen beoordeeld. Van de beoordeelde aanvragen is 34% toegekend. Onderliggend onderzoek ontbreekt met name voor de beroepsziekten allergisch beroepsastma en voor CSE. Voor allergisch beroepsastma geldt dat in 70–75% van de aanvragen onderliggend onderzoek niet is aangeleverd. Voor CSE geldt dat in 20–25% van de aanvragen informatie ontbreekt.
Bij beroepsziekten zoals allergisch beroepsastma en CSE zijn bepaalde onderzoeken onmisbaar om de beroepsziekte vast te stellen. Die onderzoeken moeten gedaan zijn voor het ontvangen van een toekenning uit de TSB. Het is niet de bedoeling de diagnose opnieuw te stellen, maar in de diagnosebrief moeten de conclusies of resultaten van de uitgevoerde onderzoeken zijn beschreven. Anders kan het Deskundigenpanel niet bevestigen dat sprake is van de beroepsziekte.
In een brief van 26 maart schrijft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid: «Ik heb besloten om de eerder afgewezen aanvragers actief te informeren over de wijziging van de regeling. Zij kunnen een nieuwe aanvraag indienen na ingang van de wijziging, 1 juli 2025.» (Kamerstuk 25 883, nr. 523) Kunt u toelichten op welke wijze deze actieve informatievoorziening wordt ingericht en hoe wordt gewaarborgd dat alle betrokkenen daadwerkelijk bereikt worden?
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft alle eerder afgewezen aanvragers6 tussen de start van de regeling en 1 juli 2025 schriftelijk benaderd. In die brief staat uitgelegd dat de aanvrager opnieuw een aanvraag kan indienen. Ook staat in de brief dat de aanvrager voor meer informatie kan bellen met het Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke stoffen (ISBG).
Bent u bereid om alle eerder afgewezen aanvragers actief te benaderen en hen expliciet te wijzen op de mogelijkheid om na 1 juli 2025 opnieuw een aanvraag in te dienen?
De Sociale Verzekeringsbank heeft alle eerder afgewezen aanvragers7 al actief benaderd, en daarbij expliciet gewezen op de mogelijkheid opnieuw een aanvraag in te dienen.
Het CPB-rapport 'Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven' |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de stelling van het CPB dat op een termijn van 1–4 jaar «de hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten en geen extra toename van het bbp bewerkstelligen.»?1
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te drukken in economische waarden.
Het kabinet onderschrijft niet de stelling dat hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten. Tegelijkertijd erkent het kabinet wel de door het CPB geschetste beperkingen voor extra economische groei op de korte termijn (1–4 jaar) in de Nederlandse context. Deze beperkingen hangen samen met structurele knelpunten, zoals de krapte op de arbeidsmarkt, ruimtelijke beperkingen en het risico op verdringing van bestaande economische activiteiten. Het CPB wijst er bovendien op dat de macro-economische effecten mede afhangen van de wijze van financiering (schulden, ombuigingen of belastingen), waarover besluitvorming aan een volgend kabinet is.
Defensie zet momenteel stappen op verschillende punten die het CPB benoemt. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–20292 wordt ingezet op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en op de gerichte opschaling van deze industrieën. Daarnaast kunnen defensie-investeringen bijdragen aan regionale economische activiteit, bijvoorbeeld rond defensielocaties en innovatieve ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dergelijke investeringen kunnen leiden tot positieve economische spill-overeffecten, onder meer voor lokale ondernemers. Tegen deze achtergrond is de Nederlandse defensie-industrie tussen 2022 en 2023 gegroeid van circa € 5,7 mld. naar € 7,7 mld.
Daarbij merkt het kabinet op dat een belangrijk deel van de economische effecten van defensie-investeringen zich vooral op de middellange en lange termijn zal voordoen. Positieve economische effecten ontstaan vooral wanneer deze inzet gepaard gaat met gerichte investeringen in R&D, het realiseren van schaalvoordelen en het benutten van Nederlandse comparatieve voordelen, zoals uitgewerkt in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u, indien dat niet het geval is, aangeven waar u verschillen ziet? Bijvoorbeeld ten aanzien van de onderliggende methodologie (literatuuronderzoek), de gebruikte data of de daaruit volgende conclusie.
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat we een «once in a generation» kans hebben om toe te groeien naar de afgesproken NAVO-norm van 3,5% én tegelijkertijd onze Nederlandse en Europese (defensie-)industrie te versterken?
Wij delen de opvatting dat de huidige situatie een bijzondere gelegenheid biedt om zowel de NAVO-norm van 3,5% defensie-uitgaven te realiseren als de Nederlandse en Europese defensie-industrie te versterken. Het is een kans om op een strategische manier te investeren in nationale veiligheid, noodzakelijke capaciteiten en technologische vernieuwing. Defensie en EZ werken samen met de Nederlandse industrie en onze NAVO-bondgenoten aan het benutten van de kansen voor de industrie.
Kunt u een overzicht geven van de knoppen waaraan uw ministeries op de korte (1–4 jaar) en langere termijn (5–15 jaar) kunnen draaien om de «defensie-multiplier» te verhogen?
Er zijn verschillende knoppen die benut (kunnen) worden om de economische effecten van Defensie-uitgaven op de (midden)lange termijn zo gunstig mogelijk te maken:
Tot slot geldt dat het oplossen van algemene knelpunten in de Nederlandse economie eraan bijdragen dat de bovenstaande knoppen tot minder verdringing van andere economische activiteiten plaatsvindt wanneer uitgaven aan defensie worden verhoogd.
Kunt u aangeven welke van deze knoppen u als meest kansrijk ziet? Kunt u een inschatting geven op hoofdlijnen aan de hand van de variabelen moeite (inclusief kosten) en impact?
Met de D-SII 2025–2029 heeft het kabinet reeds een belangrijke stap gezet om zowel de nationale en internationale veiligheid te garanderen als de economische baten te verhogen. Dit wordt gedaan door gecombineerde inzet op de beschreven knoppen. Dit draagt bij aan een sterke Nederlandse Krijgsmacht die een technologische voorsprong heeft op potentiële tegenstanders en toegang behoudt tot hoogwaardig, betaalbaar materieel waarbij leveringszekerheid noodzakelijk is. Ook zal de Economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie in de tweede helft van 2026 een advies uitbrengen dat hier rekenschap van zal geven.
Kunt u aangeven welke initiatieven er vanuit uw ministeries ten aanzien van deze knoppen lopen?
Zie beantwoording vraag 4.
De Eurobarometer |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het volgende artikel: «De Eurobarometer tekent systematisch een te positief beeld van de EU»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de bewering, gedaan in dit artikel, dat, vanwege een sterke oververtegenwoordiging van hoger opgeleiden in de (Nederlandse) steekproef van de Eurobarometer en een sterke non-reponse bias de Eurobarometer structureel en systematisch een (veel) te positief beeld van de Europese Unie geeft? Deelt u deze conclusie? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt kwalitatief hoogwaardig opinieonderzoek belangrijk. Het is daarbij van belang dat bij opiniepeilingen verantwoording wordt afgelegd over de methodologie en steekproefselectie. Het Eurobarometer-onderzoek waar het nieuwsbericht naar verwijst (EP Winter 2025 survey), bevat uitleg over de methodologie en technische specificaties over hoe de streekproefselectie tot stand is gekomen.2 Het is verder niet aan het kabinet om zich uit te spreken over de uitvoering van dit opinieonderzoek.
Bent u ermee bekend dat zowel de opdrachtgever van de Eurobarometer als het onderzoeksbureau dat het onderzoek in Nederland uitvoert (Verian) door de auteurs van het bovengenoemde stuk zijn benaderd en daarmee dus weliswaar van dit probleem op de hoogte zijn gesteld, maar desalniettemin te kennen gaven dat «continuïteit» voor hen belangrijker was (dan accuraatheid) en daarom weigeren het onderzoek aan te passen? Wat vindt u van deze opstelling? Is, wat opinieonderzoek betreft, voor u continuïteit ook belangrijker dan accuraatheid?
De Eurobarometer is een opinie-instrument dat regelmatig wordt gebruikt in alle EU-lidstaten in opdracht van de Europese Commissie, het Europees Parlement en andere EU-instellingen en agentschappen om inzicht te krijgen in de publieke opinie in de EU-lidstaten. Het is verder niet aan het kabinet om zich uit te spreken over de uitvoering van opinieonderzoek.
Bent u bekend met dit artikel van het Max Planck Instituut getiteld «How the Eurobarometer blurs the line between research and propaganda»?2
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de conclusie van dit artikel, namelijk dat in de Eurobarometer door middel van selectie en framing van vragen, ongebalanceerde antwoordopties, insinuerende vragen, alsmede het strategisch verwijderen van vragen, systematisch een te rooskleurig beeld wordt gegeven van de publieke opinie met betrekking tot de Europese Unie in het algemeen en het doel van een «ever closer union» in het bijzonder? Deelt u de conclusie van dit (wetenschappelijk) artikel? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Maakt u zich zorgen over de kwaliteit van de Eurobarometer? Zo nee, waarom niet? Indien dit wel het geval is, wat gaat u met deze zorgen doen? Bent u bijvoorbeeld bereid de Europese Unie te bevragen over de betrouwbaarheid van de Eurobarometer? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Wordt de Eurobarometer door de rijksoverheid, bijvoorbeeld in beleidsstukken, Kamerbrieven of door instellingen zoals het CBS en SCP, als bron gebruikt? Zou het niet beter zijn hiermee te stoppen, niet alleen omdat de Eurobarometer inmiddels zo omstreden is, maar ook omdat het er sterk op lijkt dat de Eurobarometer niet een neutraal opinieonderzoek maar een propaganda-instrument van de Europese Unie is (geworden)?
In algemene zin gebruikt de Rijksoverheid voor beleidsstukken, Kamerbrieven en andere stukken informatie vanuit verschillende perspectieven en die herleidbaar is naar de bron. Informatie dient zoveel mogelijk onafhankelijk geverifieerd te kunnen worden. Op basis van deze informatie worden ambtelijke adviezen opgesteld waarbij het vervolgens aan de Minister is om een politieke afweging te maken.
Kunt u de bovenstaande zeven vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Borstkankerscreening |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouwen uit Zutphen «hebben opvallend vaak borstkanker», maar kunnen zich niet meer in eigen stad laten testen»?1
Ja.
Kunt u de gegevens waarnaar verwezen wordt in het artikel over het aantal borstkankerdiagnoses landelijk, uitgesplitst per stad(sdeel), delen?
De mate waarin kanker meer of minder vaak voorkomt in een bepaalde regio (of precies: per 3-cijferig postcodegebied) is online te bekijken in de Kankeratlas van het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL).2 Dat geldt ook voor borstkanker.
Is u bekend waarom in enkele delen van het land, zoals in delen van Zutphen, het aantal diagnoses hoger ligt dan het landelijke gemiddelde? Zo ja, kunt u nader toelichten welke factoren hier een rol in spelen? Zo nee, bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Waar iemand woont, speelt bij het ontstaan van borstkanker nauwelijks een rol – laat de wetenschap zien. Wel kan een incidentiecijfer dat afwijkt van het gemiddelde iets zeggen over de gezondheid en leefstijl van de inwoners in dat gebied. Maar wat het zegt is niet eenduidig te benoemen. Zo kan het zijn dat hogere deelname aan bevolkingsonderzoek kan leiden tot het opsporen van meer tumoren in een vroeg stadium. Voor de risicofactoren voor borstkanker verwijs ik naar kanker.nl, waar een en ander helder staat verwoord.
Op hoeveel plekken en waar zijn er in Nederland mobiele onderzoekscentra? Op basis van welke criteria wordt bepaald waar deze screeningslocaties gevestigd worden?
Bevolkingsonderzoek Nederland (BVO NL) maakt voor het bevolkingsonderzoek borstkanker gebruik van vaste screeningsunits en mobiele units («bussen»). Deze bussen maken bevolkingsonderzoek zo toegankelijk mogelijk op verschillende locaties, met name in gebieden waar geen vaste unit in de buurt is. Het is echter niet mogelijk om alle verschillende gemeenten in Nederland op die manier te bereiken. Er wordt dus steeds naar de meeste effectieve routes voor de mobiele units gekeken. De gehanteerde norm voor genodigden van bevolkingsonderzoek is een uur reistijd is met de auto. Dit kan soms toch langer zijn.
Klopt het dat de screeningslocatie in Zutphen verdwenen is in verband met personeelstekorten? Zo ja, op basis van welke criteria wordt bepaald welke locaties geschrapt kunnen worden? Zo nee, wat is dan wel de reden?
Door BVO NL wordt steeds gekeken waar de mobiele units worden ingezet, op basis van de (kwaliteits-)eisen voor uitvoering van het bevolkingsonderzoek die door het RIVM in samenspraak met relevante veldpartijen worden opgesteld. Daarbij wordt onder meer rekening gehouden met beschikbaar personeel, het uitnodigingsinterval, de reisafstand voor deelnemers en het verkrijgen van de benodigde vergunningen van gemeenten voor het tijdelijk plaatsen van de mobiele unit. Het doel hiervan is om steeds zo effectief mogelijk de schaarse capaciteit te benutten. Beschikbaar personeel speelt dus inderdaad een rol in deze afweging. Er zijn in dit geval niet minder bussen gaan rijden, maar de route is aangepast. Voor sommige deelnemers komt het onderzoekscentrum daardoor misschien dichter bij huis te staan dan in vorige rondes, terwijl voor anderen de locatie iets verder weg kan zijn.
Hoeveel screeningslocaties zijn er in de afgelopen jaren gesloten en op welke locaties? Kunt u hierbij ook aangeven per locatie om welke reden(en) deze zijn gesloten?
Ik hecht er waarde aan om te benadrukken dat door het opnieuw indelen van de routes, het aantal mobiele units niet is afgeschaald. Sinds 2012 zijn er in principe 58 mobiele units in gebruik. Het kan mogelijk wel zo zijn dat units langer op dezelfde plek blijven staan, en zo minder plaatsen aandoen. Het gaat om een efficiëntere inzet van beschikbare units en personeel om zoveel mogelijk mensen uit de doelgroep te kunnen bereiken.
Welke rol spelen personeelstekorten bij het sluiten van screeningslocaties? Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om de personeelstekorten aan te pakken en/of te voorkomen dat screeningslocaties gesloten moeten worden?
Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 5 en 6, gaat het om het aanpassen van routes, niet om het sluiten van units. Het doel hiervan is om steeds zo effectief mogelijk de schaarse capaciteit te benutten. We hebben te maken met een groot tekort aan screeningsmedewerkers, dat zijn de mensen die in de screeningsunits de mammogrammen maken. Als gevolg van dit tekort hebben we sinds enkele jaren te maken met een interval tussen twee
uitnodigingen van het bevolkingsonderzoek van 2.5 jaar in plaats van 2 jaar. Ik heb uw Kamer hierover meermaals geïnformeerd, ook in de laatste monitorbrief van 27 november 2025.3 Het RIVM en BVO NL geven aan dat alle relevante interventies reeds zijn ingezet de afgelopen jaren en dat het simpelweg niet goed lukt voldoende personeel te werven en op te leiden. Ook ik zie op dit moment geen verdere mogelijkheden om de personeelskrapte tegen te gaan. Hierdoor lukt het niet om het interval terug te brengen naar de gebruikelijke twee jaar, en is de verwachting zelfs dat het interval de komende periode zal toenemen. Ik heb het RIVM en BVO NL gevraagd te komen met nadere prognoses en analyses voor de toekomst. Ik heb in de brief van 27 november 2025 toegezegd uw Kamer hierover te blijven informeren.
In eerdere brieven aan uw Kamer is steeds aangegeven welke maatregelen er de afgelopen jaren door RIVM en BVO NL zijn getroffen om de arbeidsmarkttekorten terug te dringen. Zo zijn onder andere de regionale verschillen in intervallen zoveel mogelijk teruggedrongen, is er gestart met het in-house opleiden van nieuwe laboranten, zijn er wervingscampagnes geweest en is de inzet van units verder geoptimaliseerd.4
Deelt u de mening dat het zorgwekkend is dat er wegens het verdwijnen van de screeningslocatie, er een extra barrière is ontstaan en minder vrouwen zich zijn gaan laten screenen, zeker gelet op het feit dat delen van Zutphen al kampen met hogere aantallen borstkankerdiagnoses?
Ik hecht veel belang aan de toegankelijkheid van het bevolkingsonderzoek borstkanker. De keuze voor de inzet van de mobiele units wordt gemaakt op basis van een grondige analyse door BVO NL, waarin ook de reisafstand voor deelnemers wordt meegenomen.
Om ook in de toekomst een toegankelijk aanbod van bevolkingsonderzoeken te waarborgen, is in samenwerking met het RIVM de Ontwikkelagenda Bevolkingsonderzoek opgesteld.5 Hierin zijn de ambities en prioriteiten richting 2035 geformuleerd. Toegankelijkheid vormt één van de centrale uitgangspunten van deze agenda, waarmee expliciet wordt dat het aanpakken van drempels tot deelname een van de prioriteiten is.
Op welke wijze wordt de deelname, zeker in regio’s waar de deelname lager ligt dan gemiddeld, aan dergelijke onderzoeken gestimuleerd? Welke concrete maatregelen worden er genomen om deelname te bevorderen?
Zoals ook toegelicht in het verslag van het schriftelijk overleg van 10 oktober 2025 over de bevolkingsonderzoeken naar kanker6, is het RIVM in 2023 gestart met het Project Toegankelijkheid. Onderdeel van dit project is de pilot wijkgerichte aanpak waarbij wordt ingezet op voorlichting in wijken waar de opkomst bij de bevolkingsonderzoeken laag is. Hiermee wordt de informatievoorziening over de bevolkingsonderzoeken laagdrempeliger aangeboden. De voorlichting wordt onder andere gegeven op lokale evenementen en bij voedselbanken. Overigens is de inzet van de pilot niet deelnemers te overtuigen om deel te nemen, maar om mensen te bereiken met informatie over wat de bevolkingsonderzoeken naar kanker inhouden en waarom deze worden aangeboden vanuit de overheid. Hoewel het niet gericht is om mensen te overtuigen van deelname, is de verwachting dat hoe hoger het bereik, hoe meer mensen uiteindelijk zullen deelnemen. Ook worden de voor- en nadelen besproken en worden praktische vragen beantwoord over hoe men deel kan nemen. De pilot is bijna afgerond; deze loopt tot eind 2025 en in deze laatste periode vindt een evaluatie plaats over het effect dat de pilot heeft gehad op toegankelijkheid en bewustzijn met betrekking tot de bevolkingsonderzoeken. Ook wordt bekeken welke activiteiten kunnen landen in de reguliere werkzaamheden rond het bevolkingsonderzoek. Ik heb in de beantwoording van de vragen reeds toegezegd uw Kamer over de uitkomsten hiervan in de eerste helft van 2026 te informeren. Begin 2026 start overigens ook een campagne van het RIVM in samenwerking met KWF en BVO NL specifiek gericht op het bereiken van mensen met lage gezondheidsvaardigheden in postcodegebieden met lage deelname. Deze campagne ziet op alledrie de bevolkingsonderzoeken naar kanker en draagt bij aan het verder vergroten van de bekendheid en toegankelijkheid.
Hoeveel vrouwen nemen in Nederland deel aan de borstkankerscreening? In hoeveel van deze gevallen zorgt de screening voor (vroegtijdige) opsporing van borstkanker?
Zoals in de meest recente monitorbrief7 is toegelicht was de deelnamegraad van het bevolkingsonderzoek borstkanker in 2024 65,3%. Dit is een daling ten opzichte van 2023, toen was de deelnamegraad 66,7%. De daling is het grootst bij de groep vrouwen die voor het eerst een uitnodiging ontvingen.
Het verwijscijfer in 2024 was 2,29%, wat wil zeggen dat 2,29% van de deelnemers een afwijkende uitslag kreeg. Bij 6.303 vrouwen is uiteindelijk borstkanker gedetecteerd. Het detectiecijfer komt hiermee op 0,72%. Uit modelleringen blijkt dat dankzij het bevolkingsonderzoek borstkanker ongeveer 1300 sterfgevallen per jaar worden voorkomen.8
Welke mogelijkheden ziet u om de screening toegankelijker te maken en ook minder pijnlijk te maken voor vrouwen, gelet op het feit dat veel vrouwen de screening als erg onprettig ervaren?
Ik hecht er waarde aan om het bevolkingsonderzoek borstkanker zo toegankelijk mogelijk aan te kunnen bieden. Een comfortabeler invulling van het onderzoek kan daaraan bijdragen, mist met dezelfde kwaliteit. Zoals gezegd, heb ik daarom samen met het RIVM de toegankelijkheid en het wegnemen van drempels ook als prioriteit opgenomen in de Ontwikkelagenda Bevolkingsonderzoek.9 De mammografie wordt door een deel van de deelnemers als oncomfortabel en/of pijnlijk ervaren. Op dit moment is dit wel de meest geschikte screeningstest voor het bevolkingsonderzoek borstkanker, en enige van voldoende hoge opsporingskwaliteit. In het advies van de Gezondheidsraad van maart 2024 is beschreven dat er op dit moment geen andere geschikte technieken zijn.10 De raad wijst er wel op dat schriftelijk en mondelinge informatie kan helpen om de pijn of het ongemak van de mammografie te verminderen. Zoals beschreven staat in de brief aan uw Kamer van 12 juni 2024, is er daarom door het RIVM en BVO NL extra ingezet op informatieverstrekking om de pijn en ongemak bij het maken van een mammogram zoveel mogelijk te verminderen. Ook is BVO NL gestart met aanvullende trainingsrondes voor screeningsmedewerkers om deelnemers zoveel mogelijk op hun gemak te stellen tijdens het onderzoek.11
In de monitorbrief12 van 27 november heb ik reeds aangegeven dat er onjuiste informatie circuleert over medische thermografie. Verschillende commerciële aanbieders presenteren deze techniek ten onrechte als een alternatief voor het reguliere bevolkingsonderzoek naar borstkanker, terwijl deze techniek géén bewezen screeningstest is en niet is onderzocht binnen de context van een bevolkingsonderzoek. Ik wil daarom nogmaals benadrukken dat alleen mammografie, en bij vrouwen met zeer dicht borstweefsel een MRI, op dit moment aantoonbaar effectief is in het vroegtijdig opsporen van borstkanker.
Het bericht ‘Kabinet negeert alarmbellen rond nieuwe Zeeuwse kerncentrales’ |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kabinet negeert alarmbellen rond nieuwe Zeeuwse kerncentrales»?1
Ja.
Klopt het dat op uw ministerie al sinds 2024 meerdere rapporten bekend zijn (onder meer van Deltares, Arcadis en de Commissie voor de milieueffectrapportage) waarin wordt gewezen op mogelijke ecologische en juridische risico’s bij de waterkoeling van kerncentrales in de Westerschelde?
Kunt u bevestigen dat deze rapporten reeds beschikbaar waren vóór het versturen van uw voortgangsbrief van mei 2025 aan de Kamer? Zo ja, waarom zijn deze koelwaterwaarschuwingen toen niet met de Kamer gedeeld?
Kunt u toelichten op welke wijze deze rapporten zijn meegenomen in het huidige locatieonderzoek voor nieuwe kerncentrales?
Hoe beoordeelt u de conclusie van Deltares dat de Westerschelde tijdens de levensduur van de geplande kerncentrales structureel te warm kan worden om als koelwaterbron te dienen zonder schending van Europese regelgeving?
Hoe beoordeelt u de mogelijke impact van opwarming van het koelwater in de Westerschelde op de ecologische toestand van het Natura 2000-gebied en op de bedrijfsvoering van de geplande kerncentrales?
Herkent u het beeld dat er al sprake is van regelmatige onderwaterhittegolven in de Westerschelde? Wat betekent dit voor de toekomstige bedrijfszekerheid van nieuwe kerncentrales in Borssele of Terneuzen?
Kunt u uitsluiten dat de geplande kerncentrales incidenteel of structureel moeten worden stilgelegd wegens te warm koelwater, zoals reeds gebeurt bij Franse kerncentrales tijdens warmteperiodes?
Klopt het dat de provincie Zeeland in de «Borselse voorwaarden» heeft vastgelegd dat er geen koeltorens mogen komen, waardoor waterkoeling de enige resterende optie lijkt?
In de provinciale voorwaarden wordt aangegeven dat een koeltoren veel impact heeft op de lokale leefbaarheid en het landschap. De provincie Zeeland wil daarom geen koeltorens. De signalen rondom koelwater betekenen niet automatisch dat er koeltorens nodig zijn zoals bijvoorbeeld bij de kerncentrale Doel in België. Er zijn ook andere mitigerende maatregelen mogelijk. Bijvoorbeeld tijdelijke stilstand, het plannen van onderhoudsvensters of andere vormen van (bij)koeling. In het huidige locatieonderzoek worden dit soort maatregelen verkend om te zien in hoeverre deze voor de diverse onderzoekslocaties aan de orde zouden kunnen zijn.
Kunt u aangeven wat de meerkosten zouden zijn van kerncentrales met koeltorens ten opzichte van waterkoeling, mede gezien de bevindingen van de International Atomic Energy Agency (IAEA) dat koeltorens vier tot vijf keer duurder zijn?
Ongeacht de koelwateroplossing zijn de kosten hiervan sterk afhankelijk van de daadwerkelijke locatie. Zowel de bodem, de afstand tot de kust, of het een open of gesloten water toe- en uitvoer is, zijn dusdanig bepalend voor de kosten van het koelwatersysteem als geheel, dat daar nu nog niet op vooruit gelopen kan worden. Na de locatiekeuze en de techniekkeuze zal een ontwerp gemaakt worden voor het koelwatersysteem, op basis waarvan een kosteninschatting gemaakt kan worden.
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de financiële en juridische risico’s van beide koelingsopties (directe waterkoeling versus koeltorens) alvorens verdere besluiten worden genomen over de oprichting van het staatsbedrijf NEO NL en de locatiekeuze?
Vanzelfsprekend houdt het kabinet de Kamer van de risico’s op de hoogte via de reguliere voortgangsbrieven. De financiële risico's van koelwateroplossingen zijn sterk afhankelijk van de locatiekeuze. Daarom zal eerst tot een locatie moeten worden gekomen, voordat de koelwateroplossing ontworpen kan worden en daarmee de financiële en juridische risico’s in beeld gebracht. Het gebruik van koeltorens of van doorstroomkoeling kent op zichzelf geen juridische risico’s maar moet gezien worden als een technische uitdaging met impact op aspecten zoals landschap, milieu, investeringskosten en bedrijfseconomie. Daarbij moet voldaan worden aan Nederlandse wet- en regelgeving. Het ontwerp van de koelwateroplossing wordt pas na de locatiekeuze bepaald, waarbij vooralsnog wordt uitgegaan van doorstroomkoeling tenzij dit niet kan vanwege bijvoorbeeld ecologische beperkingen. Dit wordt in de planMER beoordeeld. De oprichting van NEO NL is voorzien in Q1 2026 parallel aan de plan MER en Integrale Effectenanalyse (IEA). De (voorbereiding van de) locatiekeuze is een van de taken die niet wordt overgedragen naar NEO NL bij de verzelfstandiging. Zoals gesteld wordt de Kamer na de zomer op de hoogte gebracht van de locatiekeuze en worden de onderzoeken die deze keuze onderbouwen gepubliceerd.
Hoe verhoudt de inzet op Zeeland zich tot de verplichting onder artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water om verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, zeker gezien de huidige chemische belasting van de Westerschelde?
In de planMER wordt voor alle locaties onderzocht in hoeverre de thermische en chemische lozingen van de kerncentrales de waterkwaliteit beïnvloeden. Hierbij wordt het Toetsingskader Waterkwaliteit gehanteerd waarin de Kaderrichtlijn is uitgewerkt. De techniekleveranciers zullen gedurende het inkoopproces een ontwerp voorstellen voor de door het kabinet aangewezen locatie, rekening houdend met deze randvoorwaarden. De uiteindelijke beoordeling of het ontwerp voldoet aan de Nederlandse wet- en regelgeving vindt vervolgens plaats bij de vergunningaanvraag.
Hoe zorgt u ervoor dat de Kamer volledig geïnformeerd wordt over de ecologische, juridische en financiële risico’s in het besluitvormingsproces over de kerncentrales?
Zodra alle onderzoeken zijn afgerond zal de Kamer een totaalbeeld per locatie ontvangen. In dat beeld zullen effecten en risico’s van juridische, financiële en ecologische aard worden meegenomen. Dit moment is voorzien direct na de zomer van 2026. Op dat moment zal de ontwerp Voorkeursbeslissing samen met de Integrale Effectenanalyse en planMER ter inzage worden gelegd. Als de wettelijke adviezen en de binnengekomen reacties zijn verwerkt, wordt de Voorkeursbeslissing definitief. Ook hier wordt de Kamer over geïnformeerd door middel van de voortgangsbrieven die periodiek verzonden worden. Hierna zal de planuitwerkingsfase starten waarvoor een project-MER zal worden opgesteld. Dit nieuwe onderzoek naar de effecten op het milieu en de leefomgeving zal meer detail hebben dan de planMER. Deze project-MER zal de vergunningaanvragen en het uiteindelijke Projectbesluit onderbouwen.
Kunt u toezeggen dat er geen onomkeerbare stappen worden gezet in de voorbereiding van de nieuwe kerncentrales (zoals de oprichting of kapitalisatie van NEO NL), voordat de Kamer volledig inzicht heeft gekregen in de koelwaterproblematiek en de ecologische haalbaarheid van de locaties in Zeeland? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beoogt bij de vormgeving van de verschillende werksporen snelheid te behouden én de beperking van risico's in acht te nemen. In de Kamerbrief van 17 oktober jl.8 is op pagina 9 de routekaart te zien met de verschillende trajecten. De oprichting van NEO NL is voorzien in Q1 2026 parallel aan de plan MER en Integrale Effectenanalyse (IEA) waarin de effecten van de verschillende locaties in beeld worden gebracht. In de ontwerpVoorkeursbeslissing zal het Kabinet de voorkeurslocatie beschrijven en motiveren. Deze wordt naar verwachting direct na de zomer van 2026 gepubliceerd. Na het verwerken van adviezen en reacties wordt de Voorkeursbeslissing definitief vastgesteld.
De techniekleveranciers zullen gedurende het inkoopproces een ontwerp voorstellen voor de door het kabinet aangewezen locatie. Deze ontwerpen zullen van elkaar verschillen. Na de keuze voor de uiteindelijke techniekleverancier zal een definitief ontwerp gemaakt worden. Met het definitieve ontwerp kunnen de volledige ecologische effecten in kaart worden gebracht door middel van een project-MER. Het kabinet werkt tegelijkertijd aan meerdere parallelle werksporen, waarmee de gewenste snelheid wordt behouden en tegelijk de risico's in acht worden genomen door de verschillende trajecten te laten interacteren.
Conform de motie van het lid de Groot (31 239-438) zal in de eerstvolgende nieuwbouwbrief begin volgend jaar teruggekomen worden op het behouden van de snelheid die gewenst is in dit project. Het kabinet blijft stappen zetten maar neemt geen besluiten met potentiële ecologische of financiële effecten zonder daarover de Tweede Kamer voorafgaand te informeren.
Het uitstelbericht onderzoek naar aangetroffen documenten bij de Belastingdienst op nationaliteit en postcode |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom het onderzoek naar de aangetroffen documenten op nationaliteit en postcode, dat volgens uw eerdere antwoorden uiterlijk 16 juni 2025 aan de Auditdienst Rijk (ADR) zou worden opgeleverd, nu is uitgesteld tot medio december 2025?
In de antwoorden van mijn ambtsvoorganger waar u aan refereert is opgenomen dat het onderzoek van de Belastingdienst naar RAM-spreadsheets met een selectie op nationaliteit en postcode niet in juni 2025 beschikbaar is, maar na de zomer van 2025. Mijn ambtsvoorganger meldde daarbij als oorzaak dat het onafhankelijk laten bekijken van dit onderzoek door de Auditdienst Rijk daarmee een langere doorlooptijd kent.
Kunt u aangeven welke specifieke belemmeringen zijn opgetreden die het onmogelijk maakten om de oorspronkelijke planning (oplevering juni 2025, beoordeling ADR zomer 2025) na te komen?
Zoals onder antwoord 1 genoemd, is reeds bij de beantwoording van uw vragen van 7 april 2025 aangegeven dat juni 2025 niet haalbaar is. Eerder was juni 2025 toegezegd, omdat op dit moment nog geen sprake was van externe partij die het onderzoek zou bekijken. Met motie Ergin werd verzocht een onafhankelijke partij te betrekken, hetgeen tot een extra stap in dit onderzoek leidde.
Kunt u tevens per processtap, die u eerder beschreef (totstandkoming onderzoekspopulatie, steekproef, geautomatiseerde analyse, handmatige analyse en rapportage) inzichtelijk maken welke stappen inmiddels zijn afgerond, welke nog lopen en welke nog moeten worden gestart?
Alle door u genoemde stappen zijn afgerond. Op dit moment bekijkt de ADR het door de Belastingdienst uitgevoerde onderzoek. De Belastingdienst levert daarvoor extra informatie om daarmee de doorlopen stappen te onderbouwen. Op het moment dat de ADR deze extra informatie heeft beoordeeld, hoor- en wederhoor heeft toegepast en haar rapportage heeft uitgebracht, kan het onderzoek van de Belastingdienst worden afgerond en zal ik dit aan de Kamer aanbieden.
Wanneer zijn deze belemmeringen voor het eerst bekend geworden binnen de Belastingdienst en wanneer is de Kamer daarover geïnformeerd?
Zoals onder antwoord 1 en 2 genoemd, bent u reeds geïnformeerd bij beantwoording van uw Kamervragen op 7 april 2025 dat het onderzoek niet in juni 2025 beschikbaar is, maar na de zomer 2025. Nadien is de Kamer met de brief van 10 juli 20251 geïnformeerd dat mijn ambtsvoorganger verwachtte dat het onderzoek naar RAM-spreadsheets in oktober aan de Kamer wordt aangeboden. Met de Stand van zakenbrief Belastingdienst van 13 november 20252 meldde ik dat ik de Kamer over moties en toezeggingen aangaande RAM voor het einde van het jaar informeer. In de bijlage bij die brief nam ik op dat de Belastingdienst in samenspraak met de ADR heeft vastgesteld dat er meer tijd nodig is en dat ik verwacht de Kamer uiterlijk na het kerstreces van 2025 te kunnen informeren over het onderzoek naar de RAM-spreadsheets.
Kunt u aangeven of de ADR zelf heeft verzocht om uitstel, dan wel dat de ADR heeft meegedeeld dat de ADR het onderzoek nog niet kan beoordelen door vertraging bij de Belastingdienst? Zo ja, kunt u deze correspondentie delen?
Naar aanleiding van motie Ergin is contact opgenomen met de ADR of zij bereid zijn het onderzoek naar RAM-spreadsheets te bekijken. Vanzelfsprekend heeft de ADR daar een tijdsinschatting bij gegeven, wat leidde tot het uitstel tot na de zomer van 2025. De huidige vertraging is gelegen in de onderbouwing van de gezette stappen door de Belastingdienst. Pas als die documentatie volledig is opgeleverd, kan de ADR haar onderzoek afronden.
Ik beschouw uw verzoek om correspondentie te delen over dit uitstel en het contact tussen de Belastingdienst en de ADR hierover, als een vraag om inlichtingen overeenkomstig artikel 68 uit de Grondwet. Hieraan zal ik voldoen en de betreffende correspondentie verzamelen. Ik verwacht die met de brief die ik na het kerstreces 2025 verstuur, met u te kunnen delen.
Hoe wordt in het onderzoek vastgesteld of sprake is geweest van schendingen van grondrechten en kunt u de volledige onderzoeksopzet (toetsingskaders, methodiek en onderliggende beoordelingscriteria) met de Kamer delen?
Deze informatie is onderdeel van de rapportage die de Belastingdienst oplevert. Zoals in mijn onderhavige Kamerbrief is opgenomen, verwacht ik die rapportage na het kerstreces 2025 met de Kamer te kunnen delen.
Kunt u bevestigen dat het onderzoek naar de 14 spreadsheets met selectie op nationaliteit volgens uw eerdere antwoorden zou worden uitgevoerd conform de methodiek van Selectie aan de Poort? Welke onderdelen van deze methodiek kunnen nu – door het uitstel – niet tijdig of niet volledig worden uitgevoerd?
Het onderzoek vindt inderdaad plaats op basis van de methodiek die werd gebruikt om de Wet compensatie wegens selectie aan de poort uit te voeren. Het uitstel van het onderzoek heeft niet geleid tot een andere werkwijze en worden dus volledig uitgevoerd.
Kunt u bevestigen dat de 35 spreadsheets met selectie op postcode inmiddels eveneens onderdeel uitmaken van de juridische toetsing? Wat is de stand van deze juridische analyse en hoe verhoudt die zich tot het aangekondigde uitstel?
Er vindt onderzoek plaats naar de spreadsheets op basis van postcode en nationaliteit. Het aantal RAM-spreadsheets dat is onderzocht is inmiddels naar boven bijgesteld. Die aanpassing licht ik toe bij aanbieding van het onderzoek aan de Kamer. De juridische toetsing is afgerond en heeft geen invloed op het uitstel gehad.
In uw recente brief schrijft u dat er 49 spreadsheets zijn aangetroffen met selecties op nationaliteit en postcode. Kunt u toelichten op welke wijze deze 49 spreadsheets zijn betrokken bij het lopende onderzoek en of de bestaande onderzoeksopzet is aangepast aan deze grotere omvang?
Alle RAM-spreadsheets waarvan is toegezegd dat die onderzocht worden en die in motie Ergin zijn opgenomen, zijn in het onderzoek betrokken. Daarnaast zijn extra RAM-spreadsheets in het onderzoek betrokken. Ik zal dat toelichten op het moment dat ik het onderzoek aanbied aan de Kamer.
Bent u bereid de volledige onderzoeksopzet, inclusief de beoordelingskaders, steekproefmethode en geautomatiseerde analysecodes, integraal met de Kamer te delen, conform mijn eerdere verzoek?
In de rapportage die de Belastingdienst heeft opgesteld wordt de onderzoeksmethodiek en steekproefmethode uitvoerig toegelicht. Daarnaast bekijkt de ADR deze punten in haar onderzoek. U ontvangt deze rapportages na het kerstreces. Indien u na het lezen van deze rapportages vragen houdt over deze punten, ben ik uiteraard bereid tot een nadere toelichting. Als integrale openbaarmaking van documenten daarvoor nodig is, ben ik daartoe bereid.
Kunt u deze vragen separaat van elkaar en voor de procedurevergadering van de vaste commissie voor Financiën op 4 december 2025 beantwoorden?
Aan dit verzoek heb ik voldaan.
De dreigende uittocht van specialisten bij Rijkwaterstaat |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Uittocht van specialisten bij Rijkswaterstaat dreigt: houden we nog droge voeten?»?1
Ja, het bericht is bekend. Eveneens heeft Rijkswaterstaat voorafgaand aan de publicatie vragen van de betrokken journalist beantwoord.
Herkent u het beeld zoals in het artikel geschetst wordt? Zo nee, waarom niet?
Herkend wordt dat er contracten met zzp’ers worden beëindigd om conform de Wet DBA te handelen. Dit kan niet geheel zonder impact op het werk, ook al is die impact nog niet precies te duiden. De ruimte is geboden om extern ingehuurde zzp’ers met risico op schijnzelfstandigheid in dienst te nemen. De ingezette middelen die zijn beoogd voor externe inhuur, worden dan toegevoegd aan de reguliere personele budgetten, zodat er ook dekking is voor deze functies. Met het in vaste dienst nemen van zzp’ers die dat willen en door te zoeken naar interne oplossingen wordt geprobeerd de impact te beperken. Via werving en selectie worden de resterende plekken uiteindelijk weer vervuld.
Hoeveel zzp’ers zullen per 31 december a.s. naar verwachting hun opdracht bij Rijkswaterstaat verliezen?
Op 27 november is voor circa tweehonderd van de ruim zevenhonderd zzp’ers die voor Rijkswaterstaat werken het contract opgezegd op basis van mogelijke schijnzelfstandigheid. Het is mogelijk dat daar nog enkele gevallen bijkomen tot 31 december.
Hoeveel van deze zzp’ers zijn actief bij belangrijke taakonderdelen zoals verkeersmanagement, inspectie, beheer en onderhoud?
Binnen de organisatie wordt dit onderscheid niet gemaakt. Hierdoor is een aantal noemen niet mogelijk. Per casus wordt bekeken op welke wijze schijnzelfstandigheid, met zo klein mogelijke impact op het werk, kan worden voorkomen.
Kunt u schetsen wat het vertrek van deze zzp’ers zou betekenen qua verlies van deskundigheid en expertise?
Het vertrek van deze groep zzp’ers betekent niet dat Rijkswaterstaat alle beschikbare deskundigheid en expertise op de diverse vakgebieden verliest. Het is zaak de beschikbare capaciteit slim te verdelen over de opgave, zodat er zo min mogelijk merkbare effecten zijn. Rijkswaterstaat zit momenteel nog volop in het proces van omzetting van contractvormen en verkennen van interne schuifmogelijkheden. Geprobeerd wordt de gevolgen en impact te minimaliseren door mensen in vaste dienst te nemen en te zoeken naar interne oplossingen. Via werving en selectie worden de resterende plekken uiteindelijk weer vervuld. Rijkswaterstaat behoudt de mogelijkheid te werken met zzp’ers. Er kunnen waar nodig dus ook nieuwe, binnen het wettelijk kader passende, inhuurovereenkomsten gesloten worden.
Wat betekent het vertrek van deze zzp’ers voor veiligheid, projectduur en doorstroming?
Zoals hierboven reeds beschreven. Rijkswaterstaat zit momenteel nog volop in de omzetting van contractvormen en het verkennen van interne schuifmogelijkheden. Daarbij wordt uiteraard ook de gebruikelijke wijze van prioriteren van werkzaamheden gehanteerd, zodat de veiligheid altijd gewaarborgd wordt en de overige effecten zo klein mogelijk zijn. Dit proces is nog niet klaar en het is daarom ook nog niet duidelijk welke precieze gevolgen er zijn voor lopende projecten waar op dit moment zzp’ers worden ingezet. Verwacht wordt dat het uiteindelijk een tijdelijk, vertragend effect zal blijken, omdat er vooruitkijkend mogelijkheden blijven bestaan om de capaciteit weer aan de organisatie te binden. De organisatie heeft enkel tijd nodig om dit op passende wijze te realiseren.
Hoe wordt dit opgevangen?
Geprobeerd wordt de impact te beperken door zzp’ers in vaste dienst te nemen en te zoeken naar interne oplossingen. De verwachting is dat via werving en selectie resterende plekken uiteindelijk weer vervuld kunnen worden. Rijkswaterstaat behoudt de mogelijkheid te werken met zzp’ers. Er kunnen, waar nodig, dus ook nieuwe, binnen het wettelijk kader passende, overeenkomsten gesloten worden.
Wat is het afgelopen jaar gedaan om bedoelde zzp’ers in vaste dienst te nemen, dan wel via een detacherings- of uitzendconstructie te laten werken?
Rijkswaterstaat werkt in lijn met de geldende wet- en regelgeving. Wanneer na analyse van de inhuurrelatie met een zzp’er risico op schijnzelfstandigheid is geconstateerd, waren verschillende scenario’s denkbaar. Het gaat dan om beëindiging van de overeenkomst, aanpassing van de constructie (bijvoorbeeld detachering), aanpassing van de opdracht of verambtelijking (in dienst nemen). Om conform de Wet DBA te handelen, is de ruimte geboden om extern ingehuurde zzp’ers met risico op schijnzelfstandigheid in dienst te nemen dan wel de opdracht aan te passen of de constructie te veranderen. De betrokken managers zijn zoveel mogelijk in gesprek gegaan met de zzp’ers waarvoor risico’s zijn geconstateerd en hebben de verschillende mogelijkheden toegelicht. In nauw overleg met brokers/intermediairs, zzp’ers en interne betrokkenen is zoveel mogelijk getracht de impact op de productie te minimaliseren, wel altijd in lijn met de geldende wet- en regelgeving. Dat is voor het merendeel van de cases ook gelukt.
Waarom hebben veel zzp’ers nog steeds geen duidelijkheid?
Dit signaal wordt niet herkend. Rijkswaterstaat heeft in de communicatie aangegeven dat er vier mogelijke scenario’s zijn indien sprake is van (mogelijke) schijnzelfstandigheid. Namelijk verambtelijking (in dienst nemen), aanpassing van de constructie, aanpassing van de opdracht en beëindiging van de overeenkomst. Het kan zijn dat in specifieke gevallen nog geen exacte duidelijkheid was, omdat de analyse van inhuurrelatie en de mogelijkheid op schijnzelfstandigheid nog gaande was. Dit zou echter gaan over enkele situaties.
Hoeveel zzp’ers die werkten in opdracht van Rijkswaterstaat zijn alsnog aan de slag gegaan voor Rijkswaterstaat via een detacherings- of uitzendconstructie, dan wel zijn in vaste dienst aangenomen?
Er is (t/m 21/11) voor 150,6 fte verambtelijking (in dienst nemen) aangevraagd en toegekend. Niet in al die gevallen heeft de mogelijkheid ook daadwerkelijkheid tot verambtelijking geleid; meestal omdat de zzp’er zelf niet in dienst wilde treden. In de gevallen dat het arbeidsvoorwaardengesprek niet heeft geleid tot verambtelijking, wordt een vacature uitgezet. Het aantal zzp’ers dat via een detacherings- of uitzendconstructie aan de slag gaat bij Rijkswaterstaat is nog niet exact te geven. De contractvorming is op dit moment nog gaande en een exact aantal aangeven is daarom nog prematuur.
Wat zijn de budgettaire consequenties van het op peil houden van de bezetting?
De budgettaire consequenties zijn op dit moment nog lastig aan te geven. In de regel geldt dat het werken met eigen personeel per saldo voordeliger is dan externe inhuur. De uitstroom van zzp’ers leidt daarmee niet zozeer tot een budgettair vraagstuk.
Het aanvullend onderzoek naar de staat van instandhouding van de wolf |
|
André Flach (SGP) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Wordt in het aanvullend onderzoek met betrekking tot de staat van instandhouding van de wolf niet alleen gekeken naar de staat van instandhouding van de wolf in relatie tot de habitatgeschiktheid in Nederland (Kamerstuk 2025D47367), maar ook naar de (redelijke) Nederlandse bijdrage aan een gunstige staat van instandhouding van de Centraal Europese wolvenpopulatie (500 roedels) vanuit het oogpunt van de relatieve habitatgeschiktheid?
Ja.
Wordt in het aanvullend onderzoek specifiek gekeken naar de habitatgeschiktheid in andere Europese landen waar de Centraal Europese wolvenpopulatie aanwezig is en de bijbehorende oppervlakte in vergelijking met de habitatgeschiktheid in Nederland?
In het aanvullend onderzoek wordt gekeken naar de habitatgeschiktheid van Nederland, rekening houdend met de omvang van Nederland en de ecologische kenmerken. Dit in relatie tot de habitatgeschiktheid in andere landen waar de Centraal-Europese wolvenpopulatie zich bevindt.
Deelt u de mening dat vergeleken met de Favourable reference population (FRP), zoals vastgesteld in andere lidstaten, ten opzichte van het bosoppervlak (Spanje: 0,002 wolf per vierkante kilometer; Roemenië: 0,04 wolf per vierkante kilometer; Bulgarije: 0,02 wolf per vierkante kilometer; Zweden: 0,001 wolf per vierkante kilometer; Letland: 0,009 wolf per vierkante kilometer) Nederland met ongeveer 100 tot 120 wolven (dus 0,03 wolf per vierkante kilometer) nu al een meer dan redelijke bijdrage levert aan de gunstige staat van instandhouding van de wolf in Europa, terwijl Nederland ook nog eens veel dichter bevolkt is dan genoemde lidstaten? Wordt een dergelijke vergelijking in het aanvullend onderzoek meegenomen?1
Ik maak mij ernstige zorgen over de aanwezigheid van wolven in Nederland als klein en dichtbevolkt land en heb de internationale deskundige onderzoekspartij gevraagd kennis en informatie over andere landen mee te nemen in het aanvullend onderzoek.
De Duitse grenscontroles |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duitse politie «dumpt» na grenscontroles meer dan 150 mensen in Nederland» en het bericht «Onrust in grensplaats door mysterieuze figuren: «Je kan die mensen toch niet in een woonwijk neerzetten?»»?1, 2
Ja.
Kunt u aangeven wanneer Duitsland precies is begonnen met het in de nacht dumpen van mensen over de grens?
Overdrachten van Nederland aan Duitsland en vice versa in het kader van grenstoezicht vinden al jaren op basis van bilaterale afspraken plaats. Dit is dus niet iets dat met de herinvoering van binnengrenscontroles is gestart.
Kunt u aangeven in welke gemeenten mensen worden gedumpt door de Duitse politie? Zo ja, hoe bent u hiervan op de hoogte gebracht en hoe heeft u de desbetreffende gemeenten hiervan op hoogte gebracht?
Deze overdrachten vinden plaats langs de gehele landsgrens tussen Nederland en Duitsland. Gemeenten waarin deze overdrachten plaatsvinden worden hier niet per geval van op de hoogte gesteld.
Kunt u aangeven hoeveel mensen op deze manier de grens over zijn gebracht en kunt u aangeven wat de samenstelling is van deze groep? Zo ja, hoeveel asielzoekers zijn er in deze groep?
In de periode van 9 december 2024 tot en met 8 september 2025 zijn in totaal 690 vreemdelingen door Duitsland aan Nederland overgedragen. De Koninklijke Marechaussee (KMar) registreert niet of door Duitsland geweigerde personen worden overgedragen middels een «warme overdracht» of een «koude overdracht». De KMar registreert niet of door Duitsland geweigerde personen aan de Duitse grensautoriteiten om internationale bescherming hebben verzocht.
Kunt u gedetailleerd toelichten waar de afspraken met de Duitse politie over de zogenaamde koude en warme overdrachten uit bestaan? Is het in de nacht dumpen van mensen over de grens, zonder daar een melding van te maken, toegestaan volgens deze afspraken?
Een overdracht kan plaatsvinden middels een «warme overdracht», waarbij een persoon fysiek wordt overgedragen door de autoriteit van het ene land aan de autoriteit van het andere land, of een «koude overdracht», waarbij deze fysieke overdracht niet plaatsvindt.
Wanneer een vreemdeling «warm» wordt overgedragen van Duitsland aan Nederland of vice versa, vindt contact plaats tussen de Duitse en Nederlandse grensautoriteiten over de operationele vormgeving van deze overdracht, waaronder tijd en locatie. Ook bij «koude» overdrachten is er altijd contact.
Het is niet altijd mogelijk om een door Duitsland geweigerde vreemdeling via een «warme» overdracht over te nemen. Bij de keuze of overdrachten «warm» of «koud» gebeuren, wordt rekening gehouden met specifieke doelgroepen, zoals kwetsbare personen. In deze gevallen wordt expliciet aandacht besteed aan de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. In andere gevallen zit deze zorg met name in het faciliteren van de door- of terugreis. In alle gevallen wordt rekening gehouden met de mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van het individu, waarbij de veiligheid van betrokkenen in acht wordt genomen.
Klopt het dat de Duitse politie altijd een bericht stuurt aan de Nederlandse marechaussee als ze iemand naar de grens hebben vervoerd? Zo nee, hoe vaak wordt dat niet gedaan?
Zoals hierboven aangegeven hebben KMar en Bundespolizei over elke overdracht contact.
Klopt het dat het juridisch niet is toegestaan asielzoekers, zonder behandeling van de asielaanvraag, zomaar de grens over te dragen. Zo ja, bent u voornemens om uw Duitse collega hierop aan te spreken?
Lidstaten gaan primair zelf over het beheer van hun buiten- en binnengrenzen. Nederland deelt het standpunt van Duitsland dat een streng asiel- en grensbeleid noodzakelijk is om irreguliere migratie naar en binnen de EU tegen te gaan. Maatregelen moeten in lijn zijn met het Unierecht en bilaterale afspraken. Op dit moment lopen in Duitsland juridische procedures. Ik wacht de uitkomst daarvan af. Het inroepen van artikel 72 VWEU is tot nu toe in de jurisprudentie niet mogelijk gebleken, waardoor ook in dit geval de verwachting is dat dit juridisch niet houdbaar zal blijken. Nederland staat structureel in contact met Duitsland over de samenwerking in het kader van de binnengrenscontroles, zowel op politiek als ambtelijk niveau.
Bent u het eens met de stelling dat het in de nacht dumpen van mensen kan leiden tot onveilige situaties, zowel voor de mensen die zomaar en lukraak ergens heen worden gebracht als voor de inwoners van de grensstreek die te maken hebben onveilige situaties?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, zijn er duidelijke bilaterale afspraken tussen Duitsland en Nederland over hoe overdrachten plaatsvinden. Indien er sprake is van een grensweigering door de Duitse autoriteiten, vinden overdrachten cf. afspraak plaats en wordt in alle gevallen rekening gehouden met de mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van het individu, waarbij de veiligheid van betrokkenen in acht wordt genomen. Bij kwetsbare personen wordt expliciet aandacht besteed aan de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.
Naar aanleiding van de berichtgeving over de overdrachten van de door Duitsland geweigerde vreemdelingen is er ook hierover contact geweest met de bestuurders uit de grensregio’s. Op basis van daarvan is de werkwijze bij overdrachten, waaronder het faciliteren van de door- of terugreis met Duitsland besproken.
Hoe worden de asielzoekers die lukraak de grens over worden gebracht, zonder over te worden gedragen aan de Nederlandse marechaussee verder geholpen?
Personen die verzoeken om internationale bescherming worden doorverwezen naar asielprocedure. Op het moment dat volgens de KMar de betrokkene kwetsbaar is en zelf niet in staat is om richting Ter Apel te reizen, verzorgt de KMar passend en veilig vervoer. Vreemdelingen die elders asiel hebben aangevraagd en waarop de Dublinverordening van toepassing is, worden conform de Dublinprocedure overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat.
Welke maatregelen neemt u om bewoners die schade ondervinden als gevolg van deze werkwijze, te ondersteunen? Heeft u daarover al contact met de gemeentebesturen?
Er is periodiek contact tussen het Ministerie van Asiel en Migratie, de KMar en bestuurders uit de grensregio’s over de gevolgen van binnengrenscontroles voor de grensregio’s. Signalen vanuit de grensregio’s worden zeer serieus genomen.
Het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Handel van 19 november |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u tijdens het commissiedebat heeft aangegeven geen compenserende maatregelen te willen treffen voor de Nederlandse varkenssector, welke getroffen is door antidumpingsheffingen, ingesteld door China?
Ja. Tijdens het debat heeft het kabinet aangegeven dat het de instelling van antidumping heffingen tegen de Europese en dus ook Nederlandse varkenssector door China betreurt. Het kabinet is zich ervan bewust dat deze heffingen de sector zwaar treffen, en zet zich er daarom samen met de Europese Commissie voor in om de situatie te verbeteren. Dit laat onverlet dat het kabinet niet overgaat tot compenserende maatregelen voor deze of andere sectoren die te maken krijgen met antidumping of antisubsidie heffingen.
Herinnert u zich dat u daarbij heeft gesteld dat compenserende maatregelen «in andere sectoren ook niet worden toegepast»?
Ja.
Kunt u voor deze bewering een volledige en concrete lijst verstrekken van sectoren waarop u doelde? Per sector: welke antidumpingheffing, welk percentage per lidstaat, welke schade, en welk besluit om geen compensatie te verstrekken was daarbij aan de orde?
De Europese Commissie publiceert jaarlijks een volledige overzicht van alle antidumpingheffingen, antisubsidieheffingen en vrijwaringsmaatregelen die tegen de Europese Unie en haar lidstaten zijn genomen.1 Eind 2024 waren er 167 dergelijke maatregelen in werking, waarvan er ongeveer één-derde direct op Nederlandse exporten van toepassing waren. Het betreft exporten uit de agrofood sector, de staalindustrie, de textielindustrie en de chemische industrie. Voor geen van de bovengenoemde maatregelen gericht op exporten uit de Europese Unie is door de Europese Commissie of door de Nederlandse overheid een compensatie verstrekt.
In hoeveel van deze door u genoemde sectoren bij vraag 3 gold, net zoals in de varkenssector, dat de betrokken bedrijven geen enkele verantwoordelijkheid droegen voor de buitenlandse heffingen of tegenmaatregelen, maar desalniettemin substantiële economische schade ondervonden?
Het kabinet speculeert niet over de motivatie van derde landen voor heffingen of maatregelen op producten vanuit de Europese Unie. Noch doet het kabinet uitspraken over de verantwoordelijkheid van bedrijven voor buitenlandse heffingen of tegenmaatregelen die hen zijn opgelegd.
Wel toetst de Europese Commissie of de (voorlopige) tarieven, en daaraan voorafgaande onderzoek, conform zijn aan WTO-regels. Wanneer de Commissie acht dat WTO-regels niet gevolgd worden, kan de Commissie namens de EU een zaak starten bij de WTO, naast het uitoefenen van druk in de bilaterale contacten met het derde land. Middels het WTO proces kan definitief worden vastgesteld of een buitenlands heffing al dan niet gerechtvaardigd is en op de juiste wijze is opgelegd. Nederland kan aanvullend hierop in de eigen bilaterale relatie met het betreffende land de inspanningen van de Europese Commissie ondersteunen, zoals het ook doet in deze casus.
Erkent u dat in gevallen waarin Europese bedrijven schuldeloos door externe handelsmaatregelen worden geraakt, welke per bedrijf en/of lidstaat verschillen, het uitblijven van compensatie het level playing field binnen de interne markt kan verstoren?
Het is gebruikelijk dat bij het instellen van antidumping- of antisubsidieheffingen tarieven van verschillende hoogte worden ingesteld, variërend van bedrijf tot bedrijf. De grondslag hiervoor zijn de resultaten van een uitgevoerd antisubsidie- of antidumpingonderzoek. Hieruit kan naar voren komen dat er verschillen zijn tussen het (vermeende) oneigenlijke concurrentievoordeel dat verschillende bedrijven hebben ontvangen. De heffingen hebben tot doel dit (vermeende) oneigenlijke concurrentievoordeel van de betreffende bedrijven als gevolg van dumping of overheidssubsidies zo accuraat mogelijk te compenseren.
Wanneer derde landen antisubsidie- of antidumpingmaatregelen opleggen aan bedrijven die zijn gevestigd in de Europese Unie kan daarbij dus niet alleen gedifferentieerd worden tussen bedrijven gevestigd in verschillende lidstaten van de Europese Unie maar ook tussen bedrijven gevestigd in dezelfde lidstaat. Omgekeerd legt ook de Europese Unie op bedrijfsniveau gedifferentieerde antidumping en antisubsidie heffingen op aan exporterende bedrijven uit derde landen.
Heffingen van derde landen – al dan niet terecht – kunnen leiden tot minder goede markttoegang voor Europese en Nederlandse exporteurs tot deze derde landen. Daaruit volgt echter niet dat het gelijke speelveld binnen de interne markt wordt verstoord: de werking van de interne markt wordt immers niet aangetast door heffingen van derde landen.
Indien dit niet het geval is, op welke wijze waarborgt de EU volgens u dan wél gelijke concurrentieverhoudingen?
Binnen de Europese Unie geldt in beginsel vrij verkeer van goederen. Daarnaast gelden er gemeenschappelijke regels voor onder andere staatssteun, mededinging en productiestandaarden. Dit geheel van EU wet- en regelgeving waarborgt het gelijke speelveld op de interne markt.
Voor wat betreft handel met derde landen geldt dat de Europese Unie zich actief inzet voor het waarborgen van een gelijk speelveld, onder andere door het aangaan van nieuwe handelsverdragen en door gebruik te maken van het handelsinstrumentarium waaronder het handelsdefensieve instrumentarium. Hieronder vallen bijvoorbeeld vrijwaringsmaatregelen, antisubsidie- en antidumping maatregelen, maar ook nieuwere instrumenten zoals de Verordening Buitenlandse Subsidies en het Internationaal Aanbestedingsinstrument.
Bent u bereid, gelet op de structurele en eenzijdige risico’s voor de Europese varkenssector, uw eerdere positie te heroverwegen en zich in Brussel in te zetten voor tijdelijke compenserende of mitigatiemaatregelen, zolang de Chinese antidumpingsheffingen gelden?
Het kabinet deelt de zorgen over de gevolgen van de voorlopige Chinese antidumping heffingen op de Europese varkenssector, en heeft deze recent nog opgebracht tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 24 november jl. Het kabinet heeft de Commissie tijdens deze Raad opgeroepen al het mogelijke te doen om deze maatregelen in de handelsrelatie met China te adresseren en zal dat blijven doen. Daarnaast heeft de Minister voor LVVN tijdens de Landbouwraad op 17 november jl. benadrukt dat het belangrijk blijft om de markteffecten als gevolg van zowel de voorlopige heffingen op varkensvlees als het onderzoek naar de zuivelsubsidies nauw te blijven monitoren. Nederland zal uiteraard deze zaak zelf ook blijven opbrengen in de relatie met China.
Tegelijk blijft het kabinet bij het standpunt dat compensatie aan betrokken bedrijven niet aan de orde is. Nederland zet zich in voor zo goed mogelijke markttoegang voor Nederlandse exporteurs, maar het is niet aan de overheid om afzetmarkten buiten de Europese Unie te garanderen of te voorzien in compensatie wanneer de toegang tot bestaande afzetmarkten verslechtert.
Indien het antwoord nee is, hoe beoordeelt u dan het risico dat Europese producenten blijvend worden benadeeld door geopolitiek gemotiveerde maatregelen waar zij zelf geen invloed op hebben?
Het kabinet deelt de zorg dat handelsbeleid in toenemende mate wordt ingezet vanuit (geo)politieke overwegingen. De Europese Unie heeft instrumenten om dergelijke zorgen te adresseren, zoals hierboven uiteen gezet. De Europese Unie heeft in de afgelopen jaren het instrumentarium uitgebreid om beter in te kunnen spelen op handelsmaatregelen die genomen worden door derde landen en al dan niet geopolitiek gemotiveerd zijn. Het kabinet zet zich ervoor in dat Europese producenten zo min mogelijk benadeeld worden door geopolitiek ingegeven handelsmaatregelen van andere landen.
Hoe verhoudt bovenstaande antwoord zich tot de kwesties aangaande het concurrentievermogen en verdienvermogen van zowel Nederland en de EU?
Zoals ook in de Beleidsagenda Buitenlandse Handel2 en de kabinetsvisie op EU-concurrentievermogen3 beschreven vormt het versterken van het Europees concurrentievermogen een belangrijk onderdeel van het Europese antwoord op de geopolitieke ontwikkelingen waarbij derde landen handelspolitiek inzetten als politiek drukmiddel.
Is dit in lijn met de conclusies en aanbevelingen van het rapport Draghi?
Ja.
Kunt u deze vragen individueel en zo spoedig mogelijk beantwoorden, gelet op het feit dat deze vragen onvoldoende duidelijk werden beantwoord in het commissiedebat?
De vragen zijn individueel en binnen de geldende termijn beantwoord.
Bent u bekend met het Zembla-artikel waaruit blijkt dat de 200% verhoging van de strafeis bij geweldsdelicten tegen NS-medewerkers, en anderen met een publieke taak, nauwelijks wordt uitgevoerd in de praktijk?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het Openbaar Ministerie als uitgangspunt hanteert dat bij geweldsdelicten tegen hulpverleners een 200% hogere strafeis kan worden geëist, maar dat dit uitgangspunt in de praktijk nauwelijks terug is te zien?
Ik ben uiteraard bekend met het uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie hanteert. Met dit uitgangspunt houdt de officier van justitie rekening in de strafeis. In de antwoorden hierna zal ik verder ingaan in uitwerking hiervan in de praktijk.
Kunt u begrijpen dat medewerkers met een publieke taak – die zich iedere dag inzetten voor onze samenleving en op steun van de overheid rekenen – zich in de steek gelaten voelen doordat de 200% verhoging van de strafeis nauwelijks wordt toegepast in de praktijk?
Vooropgesteld veroordeel ik al het geweld tegen medewerkers met een publieke taak in de sterkst mogelijke woorden. Rond de jaarwisseling hebben we helaas weer vreselijke incidenten gezien. Ik kan mij goed de beleving van medewerkers met een publieke taak voorstellen dat zij – omdat zij andere verwachtingen hebben – zich soms in de steek gelaten voelen.
Het uitgangspunt van 200% betekent niet dat iedere verdachte ook een driedubbele straf opgelegd krijgt. De 200% hogere strafeis is het uitgangspunt, waarna de officier volgens de geldende richtlijnen ook moet kijken naar de context waarin het feit is gepleegd en omstandigheden rondom de dader en de effectiviteit van de te eisen straf. De officier van justitie dient dit toe te lichten in zijn requisitoir.
De strafeis is slechts één van de maatregelen om agressie en geweld een halt toe te roepen. Voor de werknemers betekent dit dat naast het opsporen en vervolgen van daders de overheid ook inzet op andere maatregelen, zoals bijvoorbeeld preventieprogramma’s om agressie en geweld te voorkomen, het verstrekken aan werkgevers van handvatten voor een veilige(re) werkomgeving en door wetenschappelijk onderzoek te laten doen naar thema’s als agressie en geweld tegen hulpverleners.
Kunt u exact aangeven hoeveel zaken met geweld tegen medewerkers met een publieke taak hebben plaatsgevonden, hoeveel daarvan tot vervolging hebben geleid, in hoeveel gevallen de 200%-strafeis is geëist en in hoeveel gevallen de rechter deze strafeis heeft gevolgd?
In de beleidsreactie van mijn ambtsvoorganger aan de Kamer naar aanleiding van het onderzoek van de DSP groep naar straftoemeting bij VPT-delicten in 2024 is reeds bericht dat het overgrote deel van de geïnterviewde officieren van justitie enige mate van strafverhoging toepast, maar dat de 200% strafverhoging uit de OM-richtlijn slechts zelden wordt toegepast.2 Mijn ambtsvoorganger heeft hier met het Openbaar Ministerie het gesprek over gevoerd. Het OM heeft mij naar aanleiding van dit gesprek laten weten dat dit inmiddels opnieuw bij de officieren van justitie met het taakaccent veilige publieke taak (VPT) onder de aandacht is gebracht. Daarnaast zal het OM blijvend aandacht schenken aan de vraag of de strafvorderingsrichtlijn voldoende bekend is binnen het OM en of het genoemde strafeisverhogingspercentage als uitgangspunt wordt gebruikt. Ook wordt in het onderzoeksrapport van DSP geconcludeerd dat het bij de rechters als een strafverzwarende omstandigheid wordt aangemerkt als het slachtoffer een publieke taak uitoefende.
Uit de jaarrapportage van het Openbaar Ministerie volgt dat van alle VPT-zaken die bij het Openbaar Ministerie binnenkomen 60% aan de rechter wordt voorgelegd en dat is meer dan gemiddeld. De overige 40% wordt door het OM zelf afgedaan. Exacte cijfers over hoe vaak een 200% hogere strafeis wordt geëist en hoe vaak dit wordt opgelegd zijn niet betrouwbaar uit de managementinformatiesystemen van de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie te halen.
Kunt u toelichten waarom zijn eigen instructie om de strafeis met 200% te verhogen in de praktijk nauwelijks terug te zien is in de strafeis van de officier van justitie?
De verhoging van de strafeis met 200% is een uitgangspunt waarmee de officier van justitie bij het formuleren van de strafeis rekening houdt. Door het wegen van alle relevante factoren van het geval, komt de officier van justitie tot een op maat gesneden (betekenisvolle) sanctie of strafeis.
Kunt u een oordeel vellen over de toelichting die u hiervoor noemt en ziet u de bij vraag 6 genoemde redenen zelf als een afdoende verklaring voor het uitblijven van de 200%-strafeis?
Naast de 200% verhoging als uitgangspunt zullen door het Openbaar Ministerie, zoals gezegd, ook andere factoren worden meegewogen (zoals de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte).
De beoordelingsruimte van de officier van justitie bij het formuleren van de strafeis is een vrijheid die voortvloeit uit de wet, die eveneens inherent is aan het vervolgingsmonopolie van het Openbaar Ministerie om een strafzaak af te doen. Het is derhalve niet aan mij om in die strafrechtelijke beoordeling te treden. Wel veroordeel ik uiteraard al het geweld tegen hulpverleners en anderen met een publieke taak.
Deelt u de opvatting dat het essentieel is om 200% verhoging van de strafeis in de praktijk veel vaker toe te passen om medewerkers met een publieke taak extra te beschermen en daders beter af te schrikken?
In uw vraagstelling gaat u ervan uit dat de verhoging van de strafeis met 200% als uitgangspunt medewerkers met een publieke taak extra beschermt. Ik wil ten eerste benadrukken dat bescherming van werknemers vooral ligt in de fase die aan strafrechtelijke interventie voorafgaat.
Desondanks kan een hogere strafeis een afschrikwekkende werking hebben mits daders hiermee bekend zijn en daar ook gevoelig voor zijn. Aangezien daders van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak niet altijd een weloverwogen beslissing voor hun daad lijken te nemen – denk aan verwarde personen – laat ik nader onderzoek doen naar het type dader en hun motieven om agressie tegen werknemers met een publieke taak beter te kunnen voorkomen.3 Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 al aangaf, is ook wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk om uiteindelijk aan agressie en geweld tegen werknemers met een publiek taak het hoofd te kunnen bieden.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat uw eigen instructie, om een verhoogde strafeis op te leggen bij geweldsdelicten tegen personen met een publieke taak, wordt uitgevoerd?
De verhoogde strafeis is vastgelegd in een instructie van het OM zelf. Zoals ook in het antwoord op vraag 6 toegelicht treed ik niet in de beoordelingsruimte die wettelijk aan het Openbaar Ministerie is toegekend. Wel voer ik zeer regelmatig het gesprek met het Openbaar Ministerie over dit belangrijke onderwerp. Afgelopen jaarwisseling hebben we helaas een groot aantal gevallen van geweld tegen personen met een publieke taak gezien. De jaarwisseling wordt op dit moment geëvalueerd. Ook naar aanleiding hiervan zal ik het gesprek met OM aangaan om te bespreken hoe de strafrechtelijke aanpak van daders van dit onacceptabele geweld kan worden versterkt. In dit gesprek zal ik ook de 200% strafeis wederom ter sprake brengen.
Welke aanvullende maatregelen wilt u nemen om geweld tegen hulpverleners te voorkomen en kunt u elk van de voorgenomen maatregelen toelichten?
Met het Wetsvoorstel aanscherping taakstrafverbod, dat op dit moment bij de Raad van State ligt voor advies, leggen we wettelijk vast dat mishandeling van hulpverleners en handhavers onacceptabel is en dat een taakstraf niet op zijn plaats is. Zoals ik hiervoor in mijn antwoord op vraag 3 al aangaf, wordt door de overheid naast het strafrecht ingezet op diverse andere maatregelen om geweld tegen hulpverleners te voorkomen. Preventieve maatregelen (door de werkgever) gaan aan het strafrecht vooraf en moeten aansluiten op de gesignaleerde knelpunten. Vanuit de Nederlandse Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt de werkgever hierin ondersteund door onder andere een Werkinstructie agressie en geweld. Met toezicht en handhaving beoogt de Arbeidsinspectie naleving van de arbeidsomstandighedenwet en het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van incidenten van agressie en geweld.
Het ontbreken van verdoving bij late zwangerschapsafbreking |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bevinding van de beoordelingscommissie dat artsen bij late zwangerschapsafbreking (vanaf 24 weken) niet standaard verdoving toedienen aan het ongeboren kind?1
Ja.
Vindt u het ook afschuwelijk dat in Nederland blijkbaar ongeboren kinderen vanaf 24 weken zwangerschap onverdoofd worden gedood? Kunt u de exacte cijfers delen hoe vaak in de afgelopen jaren onverdoofde late zwangerschapsafbreking heeft plaatsgevonden?
Naar aanleiding van de twee in 2024 ontvangen meldingen van een late zwangerschapsafbreking heeft de Beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar (hierna: de commissie) geconstateerd dat artsen de foetus bij late zwangerschapsafbreking niet standaard verdoving toedienen. De commissie geeft daarbij aan dat zij het toedienen van systemische verdoving aan de foetus bij late zwangerschapsafbreking zeer wenselijk acht. Dit is een aanbeveling aan het veld.
Ik kan mij goed voorstellen dat deze bevinding van de commissie vragen oproept.
Voor de wijze waarop een late zwangerschapsafbreking categorie 12 of categorie 23 uitgevoerd dient te worden en in hoeverre daarbij pijnstilling aan de foetus toegediend moet worden, zijn normen van de beroepsgroep leidend. Deze beroepsnormen zijn voor late zwangerschapsafbreking neergelegd in het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017) van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG).4 In dit protocol wordt «ter overweging» meegegeven om de foetus te sederen en pijnstilling toe te dienen voordat tot foetale levensbeëindiging wordt overgegaan.
De NVOG heeft aangegeven dat het veld in beweging is en dat de NVOG om die reden in januari 2024 is gestart met de revisie van het huidige modelprotocol. Dit heeft geleid tot de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking. Hierin staat dat een foetus voorafgaand aan de levensbeëindiging sedatie en pijnstilling dient te krijgen. Deze kwaliteitsnorm bevindt zich op dit moment in de conceptfase.
Late zwangerschapsafbrekingen categorie 1 vinden in principe zonder voorafgaande levensbeëindiging van de foetus plaats, tenzij ouders dit wensen. Het gaat hier om bevallingen die worden opgewekt. Sinds 1 februari 2024 worden late zwangerschapsafbrekingen categorie 1 beoordeeld door de beroepsgroep van de NVOG, zoals ook het geval was vóór 1 februari 2016: de Commissie LZA1. Bij de casus die sindsdien bij de NVOG Commissie LZA1 gemeld zijn (in totaal nu 4) heeft er geen foetale levensbeëindiging plaatsgevonden zonder pijnstilling. De NVOG Commissie LZA1 heeft laten weten er voorstander van te zijn dat de foetus vooraf sedatie en pijnstilling krijgt, zoals opgenomen in de beoogde nieuwe kwaliteitsnorm die in ontwikkeling is.
De commissie heeft sinds 2016 tot op heden in totaal 57 meldingen ontvangen van een late zwangerschapsafbreking (zowel categorie 1 als categorie 2). Bij 34 van die 57 meldingen heeft foetale levensbeëindiging plaatsgevonden. In 26 gevallen was er sprake van voorafgaande verdoving, in 8 gevallen niet.
Wat vindt u van de aanbeveling van de beoordelingscommissie dat het zeer wenselijk is om systemische verdoving toe te passen? Waarom rept u in uw bijgaande Kamerbrief met geen woord over deze aanbeveling van de commissie?2
Navraag bij de commissie leert dat de commissie bij de beoordeling van het uitvoeren van foetale levensbeëindiging het bestaande Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking van de NVOG uit 2017 als uitgangspunt hanteert. De commissie is bekend met de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking, waarin staat dat voorafgaand aan de levensbeëindiging de foetus gesedeerd dient te worden en pijnstilling toegediend moet krijgen. In afwachting van de definitieve herziening van het protocol van de NVOG zal de commissie volstaan met het doen van een aanbeveling met betrekking tot pijnstilling aan de foetus. Ik kan mij hierin vinden.
De Kamerbrief waarmee ik het jaarverslag van de commissie aan uw Kamer heb aangeboden strekt in de regel puur ter aanbieding van het jaarverslag en beoogt niet om bevindingen van de commissie daarin te herhalen of te benadrukken.
Waarom bestaat er geen medische richtlijn ten aanzien van het toedienen van verdoving of pijnbestrijding bij een late zwangerschapsafbreking?
Zie antwoord vraag 2.
Bestaat een dergelijke richtlijn voor het toedienen van verdoving bij late zwangerschapsafbreking in andere landen wel?
Navraag bij de NVOG leert dat er geen internationale richtlijnen voor het toedienen van verdoving aan de foetus zijn. Wel hebben zowel Nederlandse klinieken als klinieken in het buitenland hier lokale protocollen voor.
Oefent u druk uit op de Nederlandse beroepsgroep om zo’n richtlijn zo spoedig mogelijk op te stellen?
Het is de verantwoordelijkheid van de beroepsgroep om beroepsnormen op te stellen. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 en vraag 3 heb aangegeven, is er een Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017) en bevindt de herziening van het protocol zich in de conceptfase.
Wat vindt u van de stelling van de commissie dat het ontbreken van verdoving géén invloed heeft op de beoordeling van de zorgvuldigheid van een melding, aangezien een richtlijn hiervoor ontbreekt? Bent u het eens dat het ontbreken van een richtlijn nooit reden kan zijn om een ongeboren kind pijn te laten lijden?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, hanteert de commissie bij de beoordeling van het uitvoeren van een late zwangerschapsafbreking als uitgangspunt het bestaande Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking van de NVOG uit 2017. In afwachting van de definitieve herziening van het protocol van de NVOG waarin sedatie en pijnstilling aan de foetus worden voorgeschreven, volstaat de commissie op dit moment met het doen van een aanbeveling met betrekking tot pijnstilling aan de foetus.
Een arts moet op grond van artikel 2 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) goede zorg verlenen. Dit betekent onder andere dat de arts de geldende professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden in acht moet nemen. Het is op grond van het huidige protocol aan de arts om te bepalen of pijnstilling en sedatie aan de foetus wordt gegeven. Dit doet overigens niets af aan de eigen verantwoordelijkheid van een arts om te bepalen wat in een individueel geval goede zorg is.
Wat vindt u ervan dat volgens de commissie in dit geval géén sprake was van een onzorgvuldigheid, in acht genomen dat er brede wetenschappelijke consensus bestaat dat ongeboren kinderen (in ieder geval) vanaf 24 weken zwangerschap pijn ervaren?3
Over de bevindingen van de commissie dat er geen sprake was van een onzorgvuldigheid verwijs ik u naar de antwoorden op vraag 3 en vraag 7.
Ten aanzien van de stelling dat er brede wetenschappelijke consensus bestaat dat ongeboren kinderen (in ieder geval) vanaf 24 weken zwangerschap pijn ervaren, merk ik op dat het vraagstuk van foetale pijnbeleving wetenschappelijk complex is. Het is niet eenduidig te zeggen wanneer en in welke situaties een foetus wel of geen pijn ervaart. Ik verwijs hierbij ook naar de beantwoording van eerdere Kamervragen van mijn ambtsvoorganger.7
In het rapport waar u naar verwijst van de Royal College of Obstetricians and Gynaecologists (RCOG) uit 2022 wordt aangegeven dat men terughoudend moet zijn met het interpreteren van foetaal gedrag als bewijs van pijnbeleving. Er wordt geconcludeerd dat tot op heden de beschikbare gegevens erop wijzen dat de mogelijkheid van pijnwaarneming vóór 28 weken zwangerschap onwaarschijnlijk is en dat er op dit moment geen basis is om analgesie of anesthesie toe te dienen aan een foetus voor een zwangerschapsafbreking in het eerste of tweede trimester om foetale pijnwaarneming te voorkomen. In het rapport wordt beschreven dat in het Verenigd Koninkrijk (net als in Nederland) praktijkvariatie bestaat voor wat betreft het wel of niet geven van pijnstilling bij foetale levensbeëindiging. Zoals in mijn antwoord op vraag 2 is aangegeven, is het veld in beweging en is de NVOG om die reden gestart met de revisie van het bestaande modelprotocol en is in de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking opgenomen dat een foetus voorafgaand aan de levensbeëindiging sedatie en pijnstilling dient te krijgen.
Ik wil daarbij aangeven dat het beoordelen van het wel of niet bestaan van een brede wetenschappelijke consensus op dit punt niet aan de commissie is, maar aan de beroepsgroep. De commissie toetst of de uitvoering van de late zwangerschapsafbreking medisch zorgvuldig is uitgevoerd op basis van geldende beroepsnormen.
Kunt u aangeven welke verplichtingen artsen op grond van het gezondheidsrecht hebben om pijn bij ongeboren kinderen te voorkomen?
Zoals in antwoord op vraag 7 is aangegeven, moet een arts op grond van artikel 2 Wkkgz goede zorg verlenen. Dit betekent onder andere dat de arts de geldende professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden in acht moet nemen. Wat betreft de kwaliteitsstandaard verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Kunt u bevestigen dat het ontbreken van een medische richtlijn niets afdoet aan de verantwoordelijkheid van de arts om zelfstandig een verantwoorde behandelwijze te kiezen?
Zoals in mijn antwoord op vraag 2 is aangegeven is er een Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking uit 2017 en bevindt de herziening van het protocol zich in de conceptfase. Dit doet overigens niets af aan de eigen verantwoordelijkheid van een arts om te bepalen wat in een individueel geval goede zorg is (artikel 2 Wkkgz).
Welke rol speelt hierbij volgens u het voorzorgsbeginsel, waarnaar ook in de uitleg van artikel 24 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (het recht op gezondheid) wordt verwezen?
Ingevolge het Verdrag inzake de Rechten van het Kind heeft het kind vanwege zijn lichamelijke en geestelijke onrijpheid bijzondere bescherming en zorg nodig, zowel vóór als na zijn geboorte. Hierbij moet schade voor de gezondheid van het kind zoveel mogelijk worden voorkomen. Op grond van het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017) wordt er bij een late zwangerschapsafbreking gekozen voor de, naar de stand van de wetenschap, meest veilige en minst belastende methode voor moeder en kind, gegeven de individuele medische achtergrond van de vrouw. Om te voorkomen dat de foetus pijn zou kunnen ervaren bij de uitvoering van een levensbeëindiging, is in de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking opgenomen dat een foetus vooraf sedatie en pijnstilling dient te krijgen.
Bent u bekend met wetenschappers die stellen dat het ongeboren kind al in een veel vroeger stadium pijn ervaart, of dat pijn vóór 24 weken zwangerschap niet kan worden uitgesloten?4
Ja, daar ben ik mee bekend. Zoals ik in antwoord op vraag 8 heb aangegeven, is het vraagstuk van foetale pijnbeleving wetenschappelijk complex. Het is dan ook niet eenduidig te zeggen wanneer een foetus wel of geen pijn ervaart.
Kunt u bevestigen dat bij foetale chirurgie het gebruik van verdoving wél gebruikelijk is, in ieder geval bij een zwangerschap vanaf 16 weken, zoals ook blijkt uit een interview met foetaal chirurg Monique Haak?5
Navraag bij de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) en het Nederlandse verwijscentrum voor foetale chirurgie leert dat het gebruik van verdoving bij foetale chirurgie inderdaad gebruikelijk is, maar niet in alle gevallen toegepast wordt.
Is de praktijk van het standaard toepassen van verdoving bij foetale chirurgie verplicht in een richtlijn? Zo ja, heeft deze richtlijn ook betrekking op chirurgische handelingen bij zwangerschappen vóór 24 weken?
Navraag bij de NVK en het Nederlandse verwijscentrum voor foetale chirurgie leert dat het standaard toedienen van pijnstilling aan de foetus niet voorgeschreven is in een richtlijn en ook niet in alle gevallen toegepast wordt. Er is ook geen wetenschappelijke consensus die maakt dat je dat kunt verplichten (zo blijkt ook uit het eerder aangehaalde rapport van de RCOG). Soms zijn er technische omstandigheden waardoor de foetaal chirurg het niet zal of kan geven.
Klopt het dat bij abortus voor 24 weken het toedienen van verdoving niet verplicht is?
Navraag bij het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) leert dat dit klopt. Zoals mijn ambtsvoorganger eerder heeft aangegeven in antwoord op Kamervragen, is het aan de beroepsgroep van abortusartsen om het beleid voor pijnbestrijding vorm te geven. Richtlijnen worden door het NGvA periodiek naar de laatste stand van de wetenschap herzien. Abortuszorg vindt altijd plaats volgens deze richtlijnen en is zorgvuldig en van hoge kwaliteit. Bij abortusbehandelingen wordt altijd gebruik gemaakt van een vorm van pijnbestrijding. Deze pijnbestrijding voor de vrouw bereikt ook de placenta en het embryo of de foetus. Mogelijke foetale pijn wordt tijdens een abortus door de pijnbestrijding aan de vrouw bestreden.10
Als het zo is dat in richtlijnen voor foetale of prenatale chirurgie verdoving wél standaard is, maar bij abortus en late zwangerschapsafbreking niet, wat vindt u daar dan van?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 14 heb aangegeven, is het standaard toedienen van verdoving aan de foetus bij foetale of prenatale chirurgie niet voorgeschreven in een richtlijn.
En zoals ik in antwoord op vraag 15 heb aangegeven, wordt ook bij een reguliere, instrumentele abortus (tot 24 weken) altijd gebruik gemaakt van een vorm van pijnbestrijding waarmee ook het embryo of de foetus bereikt wordt.
De concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking schrijft voor dat de foetus, in geval bij een late zwangerschapsafbreking foetale levensbeëindiging wordt verricht, gesedeerd wordt en pijnstilling toegediend krijgt. Dat vind ik een goede ontwikkeling.
Hoe beoordeelt u dit verschil in het licht van het non-discriminatiebeginsel?
Artsen moeten handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid voortvloeiende uit de professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden. De kwaliteitsstandaard wordt bepaald door richtlijnen die zelf door de beroepsgroep zijn opgesteld en die gebaseerd zijn op wetenschappelijke consensus binnen de beroepsgroep naar stand van de wetenschap en praktijk. Er zijn verschillende kwaliteitsnormen en richtlijnen voor foetale therapie, een zwangerschapsafbreking tot 24 weken en een late zwangerschapsafbreking. Daarbij geldt uiteraard dat een arts gelijke gevallen gelijk moet behandelen. Het gaat hier echter om verschillende medische verrichtingen in verschillende medische situaties.
Bent u het eens dat het kunnen voelen van pijn bij ongeboren kinderen van morele en ethische betekenis is, ook al kunnen zij hierop niet zelf reflecteren?
Evenals de NVOG ben ik van mening dat het kunnen voelen van pijn bij ongeboren kinderen inderdaad van morele en ethische betekenis is. Echter is, zoals ik in antwoord op vraag 2 en vraag 8 heb aangegeven, het vraagstuk van foetale pijnbeleving wetenschappelijk complex en is het dan ook niet eenduidig te zeggen wanneer een foetus wel of geen pijn ervaart. Desalniettemin vind ik het een goede ontwikkeling dat in de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking wordt voorgeschreven dat de foetus, in geval bij een late zwangerschapsafbreking foetale levensbeëindiging plaatsvindt, gesedeerd wordt en pijnstilling toegediend krijgt.
Bent u, alles overwegende, bereid om een grondige bezinning te starten op het ervaren van pijn bij ongeboren kinderen en het (uit voorzorg) toepassen van verdoving bij zowel abortus als late zwangerschapsafbreking?
Zoals ik in antwoord op vraag 2 heb aangegeven zijn medische richtlijnen en protocollen van de beroepsgroep hierin leidend. Wat late zwangerschapsafbreking betreft is er het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017). De herziening van het protocol bevindt zich in de conceptfase. Wat abortus betreft, verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 15.
Bent u het eens dat het beëindigen van de zwangerschap na 24 weken in allerlei opzichten dusdanig ingrijpend is, dat het eigenlijk in Nederland niet zou moeten voorkomen?
Een late zwangerschapsafbreking is een zeldzame gebeurtenis en gebeurt alleen als het kind niet levensvatbaar is of een dusdanig ernstige afwijking heeft dat er sprake zal zijn van uitzichtloos lijden na de geboorte. De stap om hiertoe over te gaan wordt in alle zorgvuldigheid met ouders en behandelteam afgewogen en deze beslissing wordt niet licht genomen. Er is sprake van een gewenste zwangerschap en ouders die deze moeilijke beslissing nemen willen het toekomstig leed dat hun kind te wachten staat vermijden. Ik zie geen reden om het beleid ten aanzien van late zwangerschapsafbreking te wijzigen.
Het bericht ‘Tabakssmokkel en nepsigaretten schaden Nederlandse verkopers’ |
|
Harmen Krul (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tabakssmokkel en nepsigaretten schaden Nederlandse verkopers»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht dat tabaksondernemers en instanties zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Douane meer illegale handel in sigaretten zien? Wat zijn hierover de meest recente cijfers?
De laatste bekende cijfers over de illegale markt in sigaretten zijn afkomstig uit het pakjesraaponderzoek uit 2024 (Empty Pack Survey, EPS), in juni met uw Kamer gedeeld.2 Bij dit pakjesraaponderzoek in Nederland is een bepaalde hoeveelheid sigarettenverpakkingen op straat geraapt in tien grote steden en 20 gemeenten aan de grens. Het aandeel nagemaakte sigarettenverpakkingen en pakjes die niet op de Europese markt mogen worden aangeboden, omdat ze niet geregistreerd staan in de EU-database (illicit whites) was in 2024 gezamenlijk 11,1%. Daarnaast is in 2024 30,1% van de geraapte pakjes in het buitenland veraccijnsd. Uit dit onderzoek valt niet op te maken of deze pakjes voor eigen gebruik zijn meegenomen uit het buitenland of dat ze in Nederland verder illegaal verhandeld zijn.
Kunt u, voor zover bekend, aangeven in hoeverre de productie van illegale sigaretten in Nederland plaatsvindt? Hoe verhoudt de illegale productie in Nederland zich cijfermatig met illegale handel per luchtvracht, via de Rotterdamse haven of door import uit andere Europese landen? Ziet u een toename van illegale productie in Nederland?
Ik verwijs graag naar de jaarrapportage 2024 van de Douane die in juni 2025 aan uw Kamer is aangeboden3, waarin staat dat illegale productie van sigaretten ook in Nederland plaatsvindt.
In 2024 zijn in Nederland twee illegale sigarettenfabrieken opgerold in Bunnik en Bladel. Verder is één fabriek in opbouw aangetroffen in Hulst en zijn in samenwerking met België twee trailers met tabaksmachines inbeslaggenomen.
Daarnaast is één illegale productielocatie voor waterpijptabak opgerold in Aalten. Ter vergelijking: in 2023 werden tien illegale fabrieken/productielocaties opgerold. Ook in 2025 zijn enkele illegale fabrieken opgerold; exacte cijfers over 2025 volgen in het eerste kwartaal van 2026.
Ik heb van de Douane begrepen dat in 2024 68% van de grotere inbeslagnames van sigaretten aan de maritieme buitengrens van de EU hebben plaatsgevonden. Slechts 1% van de inbeslagnames vond plaats per luchtvracht en 31% van de inbeslagnames vond plaats in het binnenland (illegale productie en opslag).
Welke effecten ziet u van de uitgebreidere bevoegdheden en extra middelen voor toezichthouders en opsporingsdiensten om te handhaven op illegale handel in sigaretten en vapes? Is dit voldoende om een vuist te maken tegen illegale handel en zo nee, wat zou er nog meer nodig zijn?
De Douane is de toezichthouder als het gaat over illegale handel in accijnsgoederen zoals sigaretten en tabak. Vapes (e-sigaretten) zijn op dit moment geen accijnsgoederen. De NVWA is de toezichthouder voor vapes.
De Douane draagt ook bij aan het verstoren van criminele werkprocessen en er worden barrières opgeworpen tegen crimineel handelen. Eén van die barrières is de ingevoerde vergunningplicht voor tabaksmachines. Omdat de EU-regelgeving met betrekking tot een vergunningplicht voor tabaksmachines op zich laat wachten, heeft Nederland in 2023 als eerste land in de EU zelfstandig deze vergunningplicht ingevoerd. Illegale sigarettenfabrieken kunnen hierdoor ook in de opbouw- en afbouwfase worden aangepakt. Deze aanpak lijkt inmiddels vruchten af te werpen, zoals ook blijkt in het antwoord op vraag 3. Ten aanzien van de illegale fabrieken wordt nog opgemerkt dat interventies leiden tot volledige ontmanteling en verlies van de productielijn(en). Aanwezige machines ten gunste van de fabricage worden in beslag genomen en vernietigd.
Voor het kerstreces zal ik een factsheet delen met uw Kamer waarin wordt beschreven hoe het toezicht door de NVWA op het verbod op smaakjes van vapes4 is verlopen tussen juli 2024 en juli 2025. Daarbij wordt ook ingegaan op de nieuwe bevoegdheid tot inbeslagname in artikel 13e van de Tabaks- en rookwarenwet (vanaf 1 januari 2025). In de praktijk is het bij het toezicht op de naleving van het smaakjesverbod voor de NVWA niet altijd gemakkelijk om aan te tonen dat een e-sigaret met een smaak anders dan tabak in de handel wordt gebracht. Om deze reden werk ik aan een wetsvoorstel dat het in voorraad hebben van producten die niet voldoen aan de product- en verpakkingseisen van de Tabaks- en rookwarenwet verbiedt. Hierbij is gelet op het Europees recht een uitzondering opgenomen voor doorvoer. Dit wetsvoorstel zal binnenkort in internetconsultatie komen. Ik verwacht dat de NVWA hierdoor efficiënter en effectiever kan handhaven. Verbeterd toezicht is echter maar een deel van de oplossing om de illegale handel te stoppen. Er moet ook worden ingezet op het verminderen van de vraag naar deze producten. Ik werk daarom parallel aan het uitrollen van de preventieve maatregelen die genoemd zijn in het Actieplan tegen Vapen5 en de Samenhangende preventiestrategie.6
Zijn er op dit moment praktische problemen in het opsporen en handhaven van illegale tabakssmokkel? Zo ja, hoe kan de opsporing efficiënter worden ingericht?
De Douane heeft, op basis van de Wet op de Accijns en het Douanewetboek van de Unie, voldoende handvatten om handhaving uit te voeren op illegale tabakssmokkel. De Douane werkt op dit gebied ook samen met de FIOD in het combi-team SMOKE.
Daarnaast is de Douane aangewezen als toezichthouder voor een aantal artikelen in de Tabaks- en rookwarenwet. De voorziene implementatie van het bijbehorende boeteproces vindt naar verwachting plaats in 2026 en hiermee wordt handhaving nog efficiënter.
Er ligt inmiddels ook een voorstel van de Europese Commissie om in de gehele Europese Unie enkele maatregelen in te voeren die onder meer te maken hebben met de strijd tegen fraude en belastingontduiking. Onderhandelingen over dit voorstel zijn inmiddels gestart.
Bent u van mening dat de handhaving van illegale online webshops waarop sigaretten worden verkocht, goed genoeg verloopt? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om dit te verbeteren?
De handhaving van het verbod op de online verkoop is belegd bij de NVWA. Na de invoering van het verbod op verkoop op afstand zijn veel reguliere webshops gestopt met de verkoop van rookwaren zoals sigaretten en vapes. Een ander, kleiner deel van de webshops heeft de verkoop voortgezet. Dit betreft veelal bewuste overtreders. De NVWA blijft hier toezicht op houden, waarbij de afgelopen periode de focus met name op de verkoop op afstand van vapes lag. Om handhaving en maatregelen van de NVWA te ontlopen, voeren deze winkels veelal anoniem hun werkzaamheden uit of vestigen zij zich in het buitenland. In die gevallen is niet altijd te achterhalen wie er achter de website zit, waardoor geen boete kan worden opgelegd. Indien de website in het buitenland gevestigd is, maar de verkoop daarop zich richt op Nederland, dan handhaaft de NVWA ook. In de praktijk blijken niet alle buitenlandse bedrijven op de opgelegde maatregelen te reageren. Er wordt daarbij dan gevraagd om bijstand vanuit andere EU-lidstaten. Ook wanneer testaankopen door de NVWA worden gedaan, valt niet altijd te achterhalen wie er verantwoordelijk is voor de niet-toegestane verkoop op afstand. De NVWA gaat doorlopend na hoe dit toezicht kan worden doorontwikkeld om deze verkopers aan te pakken.
Hoeveel websites waarop illegale sigaretten worden aangeboden en verkocht zijn de afgelopen maanden offline gehaald?
In het kader van het toezicht op de naleving op de regels over de online verkoop door de NVWA, met name gericht op websites met vapes, zijn er in 2025 131 online webshops geïnspecteerd. Daarbij is 25 keer opgetreden (12 officiële waarschuwingen en 13 boetes). Dit betreffen de webshops waarbij de eigenaar kon worden achterhaald. Daarnaast zijn er ook nog 35 webshops geïnspecteerd waar de eigenaar niet te achterhalen viel. Vanwege het ontbreken van gegevens over de eigenaar, konden deze controles niet in het inspectieregistratiesysteem van de NVWA worden geregistreerd. Hiervoor is recentelijk een oplossing gevonden en deze bedrijven zullen vanaf volgend jaar ook kwantitatief meegeteld worden.
Websites gevestigd in het buitenland, maar gericht op verkoop in Nederland, worden ook door de NVWA geïnspecteerd. Contact leggen met deze webshops is heel moeilijk. Er wordt in dat kader dan ook vaak gevraagd om bijstand van andere EU-lidstaten.
Het offline halen van een website is complex en zeer tijdrovend. In het verleden is gebleken dat een website die offline was gehaald, zeer snel weer online was. Daarbij was de naam van de website slechts minimaal aangepast. In dat geval moet weer opnieuw het traject gestart worden om de website offline te halen. De afgelopen maanden zijn geen websites offline gehaald.
Welke maatregelen gaat u nemen om illegale handel in sigaretten op groepspagina’s en marketing gericht op jongeren tegen te gaan?
Het online verkopen van sigaretten en aanverwante producten is, afhankelijk van het product, sinds juni 2023/januari 2024 verboden. Op dit moment is een besluit in voorbereiding waarbij ook het online aanbieden van tabaksproducten en aanverwante producten verboden wordt, omdat dit de handhaving vergemakkelijkt. De NVWA hoeft dan niet meer aan te tonen dat er daadwerkelijk online wordt verkocht, het enkel aanbieden is al een overtreding. De NVWA controleert of bedrijven zich aan de regels houden. Bij een overtreding wordt een waarschuwing of boete gegeven of een andere maatregel opgelegd. In het kader van het toezicht zoekt de NVWA naar posts waarin deze producten worden gepromoot (marketing) of aangeboden vanuit of specifiek gericht op Nederland en laat deze posts door de platformen verwijderen. Sporadisch is te achterhalen wie er achter deze posts zit. In dat geval wordt dit doorgegeven aan de Douane en kan indien mogelijk een controle plaatsvinden en opgetreden worden met een maatregel als de wet wordt overtreden. Daarnaast heeft de NVWA gesprekken gevoerd met verschillende platforms of zij zelf geautomatiseerd kunnen scannen op posts met aanbod van deze producten en of zij deze posts snel en effectief zelf kunnen verwijderen. Zo kan worden voorkomen dat op de publieke functies van de platforms gehandeld wordt in vapes en sigaretten.
Deelt u de mening dat accijnsverhogingen ondanks een toename in illegale handel en smokkel nog steeds een effectief middel zijn om roken te ontmoedigen?
Accijnsverhoging wordt internationaal gezien als de meest effectieve manier om het aantal rokers terug te dringen.7 Na de laatste accijnsverhoging in 2024 heeft het RIVM onderzoek gedaan naar het effect van deze verhoging op het rookgedrag van ondervraagde rokers, waaronder stoppen met roken, minder roken en het doen van aankopen over de grens.8 Ook de Douane heeft met het eerder genoemde pakjesraaponderzoek (EPS) onderzoek gedaan naar de herkomst van in Nederland gerookte sigaretten.9
Het RIVM-rapport wijst uit dat de accijnsverhoging in 2024 gedragsveranderingen bij rokers teweeg heeft gebracht en een rol heeft gespeeld bij het stoppen of minderen met roken. Tegelijkertijd benoemt het rapport dat het aantal stoppers kleiner is dan bij de accijnsverhoging van 2023 en dat het belangrijkste gedragseffect van de accijnsverhoging in 2024 is dat een aanmerkelijk grotere groep rokers in het buitenland rookwaren is gaan kopen. De bevindingen uit het EPS van 2024 tonen ten aanzien van het kopen van rookwaren in het buitenland een vergelijkbaar beeld en laten zien dat sinds de vorige meting een toename heeft plaatsgevonden in het aantal niet in Nederland veraccijnsde pakjes. Zoals ook bij de beantwoording van vraag 2 aangegeven, is een gedeelte daarvan illegaal. Dat zijn namaakpakjes en pakjes die niet op de Europese markt mogen worden aangeboden. Het grootste gedeelte van de niet in Nederland veraccijnsde pakjes is in een andere lidstaat legaal aangekocht.
Het RIVM geeft aan dat het lijkt dat in de Nederlandse context, van altijd nabije grenzen, het accijnsbeleid op tabak tegen zijn grenzen is aangelopen. Daarom streeft Nederland in het kader van de herziening van de Richtlijn tabaksaccijns (TTD) naar verdere Europese harmonisatie van de accijnstarieven zodat prijsverschillen met het buitenland kleiner worden. Hiernaast zet Nederland zich ook in voor strengere regels over de hoeveelheid rookwaar die consumenten vanuit het buitenland mogen meenemen.
Het is aan het volgende kabinet om te besluiten over te gaan tot wijzigingen ten aanzien van de accijns.
Deelt u de mening dat een automatische stapsgewijze verhoging van de accijns veel beter is dan schoksgewijze verhogingen, omdat het een effectieve maatregel is om roken te ontmoedigen en ook meer duidelijkheid aan ondernemers geeft? Zo ja, bent u bereid dit te overwegen?
Vanuit de wetenschap wordt advies gegeven over hoe tabaksaccijns het beste ingezet kan worden om roken te ontmoedigen. Deze aanbevelingen zijn volgens het Trimbos-instituut als volgt samen te vatten:10
Daarnaast streeft Nederland, zoals genoemd in mijn beantwoording bij vraag 9, in het kader van de herziening van de Richtlijn tabaksaccijns (TTD) naar verdere Europese harmonisatie van accijnstarieven zodat prijsverschillen met het buitenland kleiner worden. Het kabinet is ook voorstander van een driejaarlijkse indexatie van de minimumaccijnstarieven, zoals voorgesteld door de Commissie.
Het is, tot slot, niet aan dit demissionaire kabinet om nieuwe toezeggingen te doen met betrekkingen tot de accijns op tabaksproducten.
Wat doet u om in Europa samen met andere lidstaten te werken aan tabaksontmoedigingsbeleid, waarvan accijnsverhogingen onderdeel zijn?
Om het Nederlandse gezondheids- en tabaksontmoedigingsbeleid en de strijd tegen illegale handel en productie te versterken heeft Nederland, samen met andere lidstaten, de Europese Commissie opgeroepen de Richtlijn tabaksaccijns te moderniseren.11
Nederland is dan ook blij met de publicatie van het herzieningsvoorstel voor de Richtlijn tabaksaccijns (TTD) van 16 juli 2025. Zoals al genoemd in mijn beantwoording bij de vragen 9 en 10 streeft Nederland naar verdere Europese harmonisatie van de accijnstarieven en strengere regels over de hoeveelheid rookwaren die consumenten vanuit het buitenland mogen meenemen. Hiernaast is Nederland ook groot voorstander van de door de Commissie voorgestelde uitbreiding van de reikwijdte van de Richtlijn tabaksaccijns naar andere tabaks- en tabakgerelateerde producten, zoals bijvoorbeeld vapes (e-sigaretten). U kunt meer lezen over de Nederlandse inzet ten aanzien van de herziening van de richtlijn in de bijlage «Beoordeling richtlijn tabaksaccijns» bij de Kamerbrief «informatievoorziening over nieuwe commissievoorstellen» die op 19 september 2025 aan uw Kamer is gestuurd.12
Ook streeft Nederland naar een spoedige herziening van de tabaksproductenrichtlijn (TPD) en de richtlijn inzake tabaksreclame (TAD). Nederland heeft als trekker in maart 2025 namens 11 andere lidstaten een gezamenlijke brief opgesteld en hier bij de Commissie op aangedrongen.13
Wat doet u specifiek om onze buurlanden Duitsland, Luxemburg en België te bewegen ook tabaksproducten duurder te maken, om smokkel en illegale handel tegen te gaan en een gelijk speelveld te bevorderen?
Nederland heeft goed contact met België over het tabaksontmoedigingsbeleid. België kent, net als Nederland, relatief hoge tabaksaccijns, in tegenstelling tot Duitsland en Luxemburg. In de context van de Benelux heeft Nederland ook contact over verwachte wijzigingen in het accijnsbeleid. Uiteraard kan Nederland geen directe invloed uitoefenen op de politieke keuzes die in onze buurlanden worden gemaakt. De herziening van de Richtlijn tabaksaccijns is daarvoor wel een geschikt instrument.