Wat is het doel van deze taalgids en is het doel van de gids bereikt?1
Wanneer is het Programma tegen Discriminatie en Racisme (PDR) ontstaan en waar is besloten een taalgids te maken? Wanneer bent u of uw voorganger akkoord gegaan met de taalgids?
Wat zijn de kosten verbonden aan dit programma?
Tijdens het Vragenuurtje liet de Staatssecretaris de Kamer weten deze Taalgids min of meer overbodig te vinden en deze «in de kast te leggen». Bent u ervan op de hoogte dat in de Taalgids staat dat deze elk jaar zal worden herzien? Wat vindt u daarvan?
Bent u voornemens om de makers van deze Taalgids de opdracht te geven geen jaarlijkse herziening te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer heeft u dat gedaan of gaat u dat doen?
Hoeveel fte c.q. personen werken bij de afdeling die deze taalgids hebben gemaakt?
Hoeveel fte c.q. personen van andere afdelingen hebben geholpen bij het tot stand brengen van deze taalgids? Van welke afdelingen waren deze fte c.q. personen?
Hoeveel uur is er in totaal aan deze taalgids besteed?
Wat zijn de werkzaamheden van het PDR? Vanuit welke behoefte bestaat dit programma en welk probleem lost het op?
Hoeveel en welke organisaties c.q. organisatieonderdelen c.q. mensen zijn om advies gevraagd bij het vormgeven van het PDR in het algemeen en de Taalgids in het bijzonder?
Welke en hoeveel ministeries maken nog meer gebruik van dit soort taalgidsen of vergelijkbare regels dan wel adviezen?
Wordt deze Taalgids meegestuurd aan contacten van het ministerie? Zo ja, wanneer en aan wie?
Zijn dergelijke taalgidsen dan wel taaladviezen onderdeel van subsidievoorwaarden? Zo ja, welke?
Kan de Minister toezeggen om bij haar collega’s aan te dringen om elke taalgids van andere ministeries te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Heeft u aan de landen c.q. de inwoners in het Midden-Oosten gevraagd of zij voortaan «Zuidwest-Azië» genoemd willen worden? Zo ja, welke waren het eens en welke niet? Zo nee, getuigt het niet van een neokoloniale benadering van deze landen door te bepalen hoe ze genoemd moeten worden?
Heeft u representatief onderzoek gedaan onder Generatie X of zij die benaming vervelend vinden? Zo nee, waar baseert u dan de overtuiging op dat zij zich gekwetst voelen om zo genoemd te worden?
Heeft u bij de afweging om Generatie X een kwetsende naam te vinden afgewogen dat het voorstelbaar is dat de Generatie X dermate veel levenservaring heeft dat zij een kwalificatie als «Generatie X» ook nog wel overleven?
Waar komt volgens de bewindspersonen de behoefte vandaan om taal te «dekoloniseren»?
Hoe is er in de Taalgids gekomen tot het «doorbreek van machtsverhoudingen»? Hoe bepaal je hoeveel macht iemand heeft? En wie gaat dan de macht verdelen? Is het aan de overheid om die veronderstelde macht te verdelen? Zo ja, waar baseert u dat dan op?
Tijdens het Vragenuurtje van 7 april jl. leek de Staatssecretaris aan te geven dat de Taalgids op eigen ambtelijk initiatief tot stand is gekomen. Klopt dat? Zo nee, waarom zei de Staatssecretaris dat dan? Zo ja, is het aan ambtenaren om het bij uitstek politieke vraagstuk van verdeling van macht te adresseren met een Taalgids?
Heeft u aan inheemse volkeren gevraagd of zij het vervelend vinden om «inheems» genoemd te worden en of zij voortaan liever «oorspronkelijke bewoners» willen worden genoemd? Zo nee, is dit dan niet bij uitstek een neokoloniale benaderingswijze van deze volkeren?
Vanuit waar komt de behoefte bij u om illegale vluchtelingen voortaan «mensen die op de vlucht zijn» te noemen? Welk probleem lost dit volgens u op?
Hoe denkt u dat het schrappen van de woorden «Moederdag» en «Vaderdag» overkomt op mensen die de afgelopen maanden hun vader of moeder hebben verloren en dit jaar Moederdag of Vaderdag met groot gemis vieren? Heeft u deze groep gevraagd of zij het eens zijn met het schrappen van het woord «Moederdag» en «Vaderdag»? Telt het gekwetst zijn van deze groep als aanleiding om een taalgids aan te passen c.q. af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op het feit dat zelfs «Beste dames en heren» moet worden vervangen voor «Beste collega, Beste geadresseerde, Beste mensen»? Bent u het eens dat het Ministerie van OCW volledig is doorgeslagen?
Waar is volgens u het dedain vandaan gekomen op het Ministerie van OCW om voor een brede groep te bepalen wat die wel en niet mogen zeggen?
Bent u het eens met de stelling dat de Taalgids vol staat met tegenstrijdigheden? Bent u het eens dat uitgangspunt 1 wordt ondermijnd door uitgangspunt 5; als je mensen als groep behandelt, kun je ze niet meer als individu behandelen. Wie mag er eigenlijk nog spreken namens de groep?
Aangezien deze taalgids tot stand kwam met kennis en advies van verschillende deskundigen en organisaties die zich inzetten voor antidiscriminatie, welke deskundigen en organisaties zijn dat? Worden deze geheel of gedeeltelijk betaald uit de door de Staatssecretaris genoemde € 40.000? Zo nee, waar dan uit? Wat is dan het totaalbedrag?
Hoe kijkt u aan tegen de zin in de Taalgids: "Om gelijkwaardigheid te bevorderen, is soms een onconventionele aanpak nodig»? Bent u het eens dat die onconventionele aanpak verdacht veel lijkt op dat ambtenaren gaan bepalen wat gelijkwaardigheid is en daar «onconventionele» taal voor ontwikkelen?
Hoe werkt deze Taalgids volgens u door in delen van het onderwijs? Is daar actief beleid op? Zo ja, waarom wordt dat wenselijk geacht?
Bent u bekend met de wetenschappelijke theorieën die stellen dat de taal die je spreekt invloed heeft op hoe je denkt, waarneemt en de wereld begrijpt? Bent u het eens met de stelling dat deze taalgids invloed heeft op de manier van denken van ambtenaren en daarbuiten? Is dat wenselijk?
In het boek van George Orwell, 1984 staat het volgende citaat: «Don’t you see that the whole aim of Newspeak is to narrow the range of thought?»; ziet u hoe met deze Taalgids en de daarin opgenomen «newspeak» uiteindelijk het denken beperkt wordt? Zo nee, waarom niet?2
De geplande uitbreiding van de handel in apen voor dierproeven |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Letschert , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat in Tilburg een grote apenhandelaar is gevestigd, genaamd Hartelust, die ongeveer 1.000 apen houdt in een loods op een industrieterrein?
Bent u ermee bekend dat dit bedrijf functioneert als doorvoerhaven voor apen uit het buitenland en deze dieren vervolgens weer worden doorverkocht aan proefdiercentra binnen en buiten Europa?
Kunt u bevestigen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen geen apen kopen van deze handelaar en dat dit bedrijf dus geen bijdrage levert aan het Nederlandse onderzoeks- en wetenschapsbeleid (Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 37)?
Bent u ermee bekend dat de apen die door deze handelaar worden verhandeld in buitenlandse laboratoria worden gedwongen om experimentele medicijnen te nemen, worden ziekgemaakt met synthetische stoffen zoals heroïne, elektroden in de hersenen krijgen ingeplant en met opzet worden vetgemest zodat ze diabetes krijgen? Wat vindt u hiervan?1
Kunt u bevestigen dat veel van deze apen tijdens de proef overlijden of na afloop alsnog worden gedood? Wat vindt u hiervan? Zo nee, op welke onafhankelijke bronnen baseert u zich?
Bent u ermee bekend dat de betreffende apenhandelaar er in 2024 voor heeft gezorgd dat er via Nederland een tuberculose-uitbraak is verspreid?2
Bent u ermee bekend dat zowel de gemeente Tilburg als de provincie Noord-Brabant willen optreden tegen deze apenhandelaar, maar hier geen juridische mogelijkheden voor hebben en daarom de toenmalige Minister hebben verzocht om de handel in apen als proefdieren te verbieden?3, 4
Klopt het dat hier nog altijd geen uitvoering aan is gegeven?
Bent u ermee bekend dat Hartelust wil uitbreiden en een nieuwe loods heeft gekocht waar ze penseelapen willen gaan fokken?5
Wat vindt u ervan dat een commerciële handelaar mogelijk wil uitbreiden met het fokken van extra apen, terwijl tegelijkertijd steeds meer wetenschappelijke instellingen juist inzetten op proefdiervrije innovatie?
Bent u bereid om deze uitbreiding tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het verslepen van apen over de hele wereld en het commercieel verhandelen van apen aan proefdiercentra in het buitenland zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om een einde te maken aan het houden van apen ten behoeve van de commerciële handel voor dierproeven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht dat de NPO later dit jaar enkel de gekuiste versie van de film Land van Johan wil uitzenden. |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van filmmaker Eddy Terstall dat de NPO later dit jaar de gekuiste versie van zijn film Land van Johan wil uitzenden?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat de NPO dus kennelijk eist dat een gelauwerde filmmaker zijn eigen film aanpast?
Uit navraag bij de NPO blijkt dat van genoemde geen sprake is. Het is de vrije redactionele keuze van de omroep om een film uit te zenden en waar nodig afspraken met rechthebbenden te maken. De afwegingen die ten grondslag liggen aan die keuzes ken ik niet en daar ga ik ook niet over.
Deelt u de mening dat dit volstrekt absurd is? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven wat de redenen van de NPO zijn om te eisen dat deze film wordt gekuist? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u uitleggen of dit nu de normale gang van zaken is bij de NPO en zo ja, welke andere films, series of documentaire gekuist zijn of in de toekomst nog gekuist zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
De publieke omroep gaat, binnen de grenzen van de wet en de publieke mediaopdracht, zelf over zijn programmering.
Kunt u vertellen waar Nederlanders hun NPO-abonnement kunnen opzeggen? Zo nee, waarom niet?
De publieke omroep is een publieke voorziening die bekostigd wordt via de rijksmediabijdrage en Ster-inkomsten, niet via abonnementen.
De gedane toezegging bij het plenair debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne |
|
Chris Stoffer (SGP), Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Letschert , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging uit het plenair debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne van 24 maart 2026, om de Kamer te informeren over het langetermijnbeleid richting de Oekraïense studenten die zich vóór 1 mei a.s. moeten inschrijven bij een studie en geen recht hebben om alleen het wettelijk collegegeld te betalen?
Bij het debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne heeft de Minister-President toegezegd voor het komend collegejaar nog één keer te kijken naar de mogelijkheden om Oekraïense studenten tegen het wettelijk collegegeld toegang te geven tot het hoger onderwijs, in lijn met het verzoek van het lid Stoffer mede namens het lid Abdi.
Ik wil allereerst benadrukken dat ik goed begrijp dat Oekraïense ontheemden graag duidelijkheid willen hebben. De omstandigheden die hen naar Nederland hebben gebracht zijn vreselijk, en ik begrijp dat zij zorgen hebben over hun toekomst.
We zijn op dit moment bezig om de mogelijkheden te bekijken voor Oekraïense studenten die willen studeren in het collegejaar 2026–2027. Daarbij zijn wij ervan bewust dat de inschrijvingsdatum van 1 mei a.s. nadert. Tegelijkertijd willen wij ook geen onjuiste verwachtingen wekken bij een kwetsbare doelgroep.
Om hoeveel studenten gaat het hierbij en welk bedrag zou voor dit studiejaar gemoeid zijn om voor dit aantal Oekraïense studenten het lagere wettelijk collegegeld te berekenen? En hoe staat het met de regeling voor de studiejaren hierna?
Zoals met uw Kamer gedeeld in de brief Appreciaties van amendementen op de OCW-begroting (VIII) van 20 maart jl. (kenmerk: Kamerstukken II 2025/2026, 36 800 VII, nr. 136) gaat het om een geraamd aantal van 9.908 ontheemden uit Oekraïne die mogelijk in aanmerking zouden komen voor hbo- en wo-onderwijs in collegejaar 2026–2027. De verwachting is dat deze groep, als het wettelijk verlaagd collegegeld gaat gelden, de komende jaren gaat studeren – al is niet op voorhand te zeggen welk deel van de groep dat komend jaar al zou doen. Voor die gehele groep zou € 100.253.100 exclusief uitvoeringskosten nodig zijn.
Ik begrijp de wens van uw Kamer om iets te willen betekenen voor deze doelgroep en zie ook zeker de urgentie daarvan. Tegelijkertijd is het ook zo dat het inperken van deze doelgroep, bijvoorbeeld via het door u gevraagde maatwerk voor scholieren die komend jaar hun diploma halen en verder willen in een hbo- of wo-opleiding, kan leiden tot een juridisch onhoudbare ongelijke behandeling ten opzichte van andere Oekraïense ontheemden die ook zouden kunnen en willen studeren. Binnen deze kaders span ik mij in om een oplossing te vinden.
Kunt u, met het oog op de beperkte periode waarbinnen Oekraïense studenten moeten beslissen om zich al dan niet in te schrijven aan een Nederlandse onderwijsinstelling, de Kamer voorafgaand aan het commissiedebat Hoger onderwijs, studiefinanciering en DUO van woensdag 8 april a.s. informeren over het bedoelde langetermijnbeleid? Zo nee, waarom niet?
Wat het langetermijnbeleid betreft waar in de vraag aan gerefereerd wordt, is het kabinet voornemens om u bij Miljoenennota nader te informeren over de rechten, plichten en voorzieningen voor ontheemden uit Oekraïne vanaf maart 2027 en daarmee dus ook over de mogelijke introductie van het wettelijke collegegeld vanaf 1 september 2027. Dit onderwerp staat hoog op de agenda van de ministeriële Taskforce Asiel en Migratie. Hier wordt nader richting gegeven voor de verdere uitwerking van het ingezette beleid.
De veiligheid van schrijvers en boekhandels |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium ten aanzien van cultuur niet alleen moet betekenen «dat de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst» maar ook een waarborg van de veiligheid van kunstenaars door de regering, omwille van een bloeiend cultureel leven?1
Het Thorbecke-adagium houdt in dat de regering zich niet inhoudelijk uitlaat over artistieke uitingen. Dit is van belang voor de vrijheid van cultuur. Een belangrijke randvoorwaarde voor dit adagium is dat kunstenaars in vrijheid kunnen werken, zonder bedreiging of intimidatie.
Bent u evenals uw ambtsvoorganger «doorlopend in gesprek met de sector over veiligheid» en over externe bedreigingen, met bijvoorbeeld PersVeilig en SchrijversVeilig, maar ook met het Koninklijke Boekverkopersbond?2
Ja. In mijn gesprekken met culturele organisaties sta ik geregeld stil bij veiligheid. Het ministerie heeft contact met partijen als de Groep Algemene Uitgevers, de Koninklijke Boekverkopersbond en de Auteursbond.
SchrijversVeilig heeft als doel om de positie van geïntimideerde en bedreigde auteurs te versterken en is opgezet naar voorbeeld van PersVeilig. Het ministerie steunt SchrijversVeilig sinds mei 2024, samen met de Auteursbond en de Groep Algemene Uitgevers, en zet deze steun voort. PersVeilig vervult haar functie sinds 2019 voor journalisten. In 2025 is de stichting PersVeilig opgericht; zij ontvangt structurele financiering.
Hoe beoordeelt u in dit verband dat één op de zeven schrijvers in Nederland agressie of intimidatie ervaart vanwege zijn werk, met een remmend effect op nieuwe publicaties en boekwinkeliers die al langer subtiele vormen van druk ervaren?3
Zie vraag 1 en 2.
Bent u bereid om gehoor te geven aan de oproep van de auteurs van het artikel om de collectievrijheid van culturele instellingen te verdedigen en in te grijpen wanneer die vrijheid onder druk komt te staan? Zo ja, welke mogelijkheden staan u ter beschikking om deze bereidheid gestalte te geven? Zo nee, waarom niet?
Als Minister sta ik pal voor de vrijheid van makers. Boekhandels zijn van groot belang voor de vrijheid van ideeën en de vrije toegang tot informatie. Hetzelfde geldt voor bibliotheken en andere culturele voorzieningen. Dit komt ook tot uitdrukking in de steun voor onder meer PersVeilig en SchrijversVeilig. Het is onacceptabel dat de vrijheid van cultuur door bedreiging of intimidatie wordt ingeperkt.
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium verankert dient te worden in onze wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer dan voorstellen daartoe tegemoet zien?
De Raad voor Cultuur heeft recent een waardevol advies uitgebracht over artistieke vrijheid. Of het Thorbecke-adagium verankerd dient te worden in wetgeving, is een vraag die nadere bestudering verdient. Daarbij speelt de juridische haalbaarheid een rol. Mijn voornemen is de Tweede Kamer in de loop van dit jaar mijn visie hierop te sturen.
Het Concertgebouw dat musici en orkesten weert die direct of indirect betrokkenheid hebben bij oorlogsmisdaden en genocide |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Klopt het dat het Concertgebouw nieuwe richtlijnen heeft ingevoerd waarbij artiesten, musici en orkesten kunnen worden geweerd indien zij (direct of indirect) betrokken zouden zijn bij discriminatie, geweld of ernstige schendingen van internationaal recht, waaronder oorlogsmisdaden en genocide?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dat Het Concertgebouw nieuwe richtlijnen hanteert waarbij artiesten, musici of complete orkesten kunnen worden geweerd op basis van vermeende betrokkenheid bij internationale misdrijven, zonder dat daar een juridisch oordeel of individueel onderzoek aan voorafgaat?
Voorop staat dat culturele instellingen zelf gaan over hun programmering, verhuur en richtlijnen die ze daarvoor hanteren. Naar ik begrijp heeft Het Concertgebouw ervoor gekozen om de richtlijnen aan te vullen zodat transparant is hoe de organisatie bepaalde toekomstige situaties weegt. Het gaat daarbij om keuzes die alle instellingen maken op basis van het profiel van de instelling. Instellingen zijn daar vrij in.
Klopt het dat deze richtlijnen zijn opgesteld naar aanleiding van activistische druk rondom het optreden van een cantor van het Israëlische leger en dat deze richtlijnen zonder openbare toelichting of consultatie zijn ingevoerd?
Het Concertgebouw is een privaatrechtelijke onderneming. Ze zijn niet gebonden aan openbare consultaties om hun richtlijnen aan te passen.
Acht u het passend dat een gesubsidieerde culturele instelling beleid formuleert dat in de praktijk kan leiden tot collectieve uitsluiting van artiesten uit bepaalde landen of culturele groepen en daarmee het risico loopt op discriminatoire besluitvorming of zelfs (juridisch relevante) groepsbelediging?
Culturele instellingen zijn vrij in het bepalen wat zij programmeren. Die vrijheid is belangrijk en hoort bij een open en democratische samenleving. Vanuit dat uitgangspunt gaan culturele instellingen dus ook over hun eigen programmering/samenwerkingen. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap staat voor deze artistieke vrijheid. Deze vrijheid is uiteraard wel begrensd daar waar de wet wordt overtreden. Keuzes in samenwerking mogen – ook door culturele instellingen – bijvoorbeeld nimmer gebaseerd zijn op gronden die wettelijk als discriminatie worden aangemerkt. In dat geval kan men aangifte doen. Ik kan als Minister echter niet op de stoel van de rechter gaan zitten.
Kunt u toelichten op welke wijze een instelling als Het Concertgebouw, dat geen internationaal-juridische bevoegdheid heeft, kan vaststellen of een artiest schuldig is aan oorlogsmisdaden of misdrijven tegen de menselijkheid en ziet u risico’s in deze vorm van zelftoegeëigende morele rechtspraak?
Zie antwoord 2.
Bent u het ermee eens dat dergelijke uitsluiting kan leiden tot (juridisch relevante) groepsbelediging, omdat hiermee een volledige bevolkingsgroep of nationale culturele sector collectief wordt weggezet als medeplichtig aan internationale misdrijven? Zo ja, overtreedt Het Concertgebouw hier dan niet gewoon de wet?
Het is aan de rechter om te beoordelen of Het Concertgebouw de wet overtreedt.
In hoeverre zijn deze richtlijnen verenigbaar met de wettelijke non-discriminatienormen en de Governance Code Cultuur?
Het is aan de rechter om te beoordelen of de richtlijnen verenigbaar zijn met de wettelijke non-discriminatienormen.
Wat betreft de Governance Code Cultuur: ik zie niet direct reden om aan te nemen dat de richtlijn hiermee in strijd is. De code doet geen uitspraken of aanbevelingen over specifieke zaken rond de bedrijfsvoering, zoals het opstellen van een huishoudelijk reglement. Ook stelt de code niet verplicht dat culturele instellingen met iedereen moeten samenwerken, of dat niemand mag worden buitengesloten op grond van bijvoorbeeld ethische overwegingen.
Overigens wil ik benadrukken dat de code is opgesteld door de sector zelf. Het is een richtlijn over de principes van goed bestuur en toezicht in de culturele en creatieve sector, alleen het onderschrijven hiervan is verplicht binnen de basisinfrastructuur voor de periode 2025–2029. De naleving is in beginsel niet juridisch afdwingbaar.
Acht u het wenselijk dat een instelling die (zelfs beperkt) wordt gefinancierd met publieke middelen, circa 4% gemeentelijke subsidie, een politiek-activistische boycot kan effectueren, met verstrekkende maatschappelijke gevolgen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat in de regeling Vierjarige subsidies Kunstenplan 2025–2028 van de gemeente Amsterdam staat dat subsidie wordt geweigerd of ingetrokken wanneer een instelling in strijd handelt met wet- of regelgeving en bent u het ermee eens dat deze richtlijnen strijdig zijn met deze subsidievoorwaarden, en dus een grond vormen voor ingrijpen richting Het Concertgebouw?
Ik heb geen rol, noch bevoegdheid in de relatie tussen de gemeente Amsterdam en Het Concertgebouw. Interventie door de rijksoverheid in subsidierelaties tussen gemeenten en hun instellingen is bovendien onwenselijk, omdat het in strijd is met de bestuurlijke autonomie van de gemeente.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat Het Concertgebouw zich in de aanvraag van de subsidie presenteert als toegankelijk huis «voor alle Amsterdammers», met nadruk op diversiteit en inclusie en bent u bereid om tijdens een overleg met de gemeente Amsterdam te pleiten voor een onderzoek naar mogelijke schendingen van subsidievoorwaarden door Het Concertgebouw?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u toezeggen de gemeente Amsterdam expliciet te adviseren de subsidie te heroverwegen of in te trekken zodra wordt vastgesteld dat Het Concertgebouw met dit boycotbeleid buiten zijn statutaire doel treedt én in strijd handelt met de aan de subsidie verbonden normen van non-discriminatie en diversiteit en inclusie?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat deze richtlijnen een precedent kunnen scheppen waardoor andere musea en culturele instellingen onder activistische druk vergelijkbare uitsluitingscriteria overnemen, met alle gevolgen voor artistieke vrijheid, publieke toegankelijkheid en maatschappelijke polarisatie?
Zie antwoord op vraag 4.
Klopt het dat u bevoegd bent om in te grijpen wanneer gesubsidieerde instellingen handelen op een wijze die strijdig is met wettelijke normen en bent u bereid dit te doen wanneer blijkt dat Het Concertgebouw met deze richtlijnen de grenzen van non-discriminatie overschrijdt?
Als een rechter vaststelt dat een instelling die door mijn ministerie wordt gesubsidieerd in strijd met de wet handelt bij het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten kan ik de subsidie (al dan niet gedeeltelijk) proberen in te trekken. Mijn ministerie heeft echter geen directe subsidierelatie met Het Concertgebouw. Dit is aldus niet aan de orde.
Ziet u aanleiding om Het Concertgebouw erop aan te spreken dat hun richtlijnen mogelijk buiten hun statutaire doelstelling vallen nu in de statuten van Het Concertgebouw is vastgelegd dat de instelling tot doel heeft het geven van concerten, het instandhouden van het gebouw en educatie en uitdrukkelijk géén taak heeft op het gebied van internationale politieke oordeelsvorming of sanctiebeleid?
Nee. Ik zie hier geen rol of bevoegdheid voor mijzelf. Zoals gezegd heb ik geen directe subsidierelatie met Het Concertgebouw.
Kunt u toezeggen te laten onderzoeken of de richtlijnen van Het Concertgebouw in strijd zijn met het discriminatieverbod en/of strafrechtelijke bepalingen rond groepsbelediging en de Kamer te informeren over de juridische beoordeling?
Nee. Ik heb geen subsidierelatie met het Concertgebouw en zie aldus ook geen rol of bevoegdheid voor mijzelf. Bovendien is het aan de rechter om vast te stellen of sprake is van een strafbaar feit. Het is m.i. onwenselijk en strijdig met onze democratische rechtsstaat als politici op de stoel van de rechter gaan zitten.
Kunt u toezeggen om bij gemeenten die, ondanks evidente schendingen van subsidievoorwaarden door musea of andere culturele instellingen, deze subsidies toch in stand houden, te onderzoeken op welke wijze kortingen op de algemene uitkering uit het Gemeentefonds kunnen worden gedaan?
De middelen uit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar. Over de besteding van deze middelen hoeft dan ook geen verantwoording te worden afgelegd aan het Rijk. Het is aan het college van B&W om de subsidievoorwaarden te controleren. Het is aan de gemeenteraad om het college te controleren.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over eventuele uitkomsten van dergelijke onderzoeken en eventuele maatregelen, inclusief financiële consequenties voor Het Concertgebouw, indien blijkt dat de richtlijnen onrechtmatig of onwenselijk zijn?
Zoals bij antwoord 16 aangegeven, dit is aan het college van B&W en de gemeenteraad.
De nieuwe Archiefwet die naar verluidt met het huidige stelsel niet uitvoerbaar is |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de zinvolheid van het streven om de Archiefwet 1995 te actualiseren staat of valt met de uitvoerbaarheid ervan?
Ja. Het feit dat de huidige Archiefwet 1995 steeds minder goed uitvoerbaar wordt, is één van de belangrijkste redenen voor de modernisering. Waar de huidige Archiefwet 1995 nog gebaseerd is op de oude werkelijkheid van een papieren archief, biedt het wetsvoorstel voor de Archiefwet 20.. betere kaders voor goed digitaal informatiebeheer en digitale archivering. Dit is nodig om overheidsinformatie duurzaam digitaal te beheren vanaf creatie. De vormgeving van de Archiefwet 20.. en de onderliggende regelgeving maakt het daarbij gemakkelijker om de wet- en regelgeving aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen.
Hoe beoordeelt u de constatering dat er bij de nieuwe Archiefwet sprake is van een fundamentele mismatch tussen wet, digitale werkelijkheid en bestuurlijke keuzes, die deze onuitvoerbaar maakt?1
Ik deel deze constatering niet. Het artikel waarnaar verwezen wordt, richt zich met name op waardering en selectie van overheidsinformatie. Het stelt dat het huidige selectiestelsel is gebaseerd op procesmatige lijsten en handmatige beoordeling, ontwikkeld in een papieren tijdperk, terwijl deze werkwijze in een digitale omgeving niet vol te houden is, omdat informatieproductie daarin continu en grootschalig is. De waardering en selectie van overheidsinformatie is echter bij uitstek een onderwerp waarvoor met de Archiefwet 20.. en het daarmee gepaard gaande beleid een andere koers wordt ingezet.2 De Archiefwet 20.. staat vereenvoudiging van categorieën bij de waardering van documenten expliciet toe, en biedt daarmee ruimte voor waardering volgens andere methodieken dan de klassieke procesmatige waardering. De Archiefwet 20.. biedt daarmee onder andere ruimte voor de zogeheten sleutelfunctiemethodiek die geschikt is om op een eenvoudige, heldere en te automatiseren manier te bepalen welke e-mails en chatberichten tijdelijk te bewaren zijn en welke blijvend. Daarnaast krijgt de rijksarchivaris op basis van het concept-Archiefbesluit 20.. de bevoegdheid om modelselectiebesluiten vast te stellen om eenheid in de waardering van overheidsinformatie te bevorderen. Het uitgangspunt blijft hierbij wel dat vernietiging van overheidsdocumenten alleen kan op basis van een geldig selectiebesluit. Dit verzekert dat de keuze hoelang documenten worden bewaard bewust én verantwoord wordt genomen.
Hoe houdt uw nieuwe Archiefwet ermee rekening dat de hoeveelheid overheidsinformatie explosief groeit, met e-mails, chatberichten, samenwerkingsdossiers en datasets, maar tegelijkertijd de informatie beter moet worden beheerd dan ooit tevoren, met de naar tien jaar verkorte overbrengingstermijn van de nieuwe Archiefwet, de hogere eisen van digitale duurzaamheid, de Wet open overheid (Woo), die om snelle vindbaarheid vraagt en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), die verplicht tot tijdige vernietiging?
De nieuwe Archiefwet draagt bij aan een oplossing voor het probleem van de groei van vastgelegde informatie door een helder juridisch kader te bieden voor het beheer van documenten door overheidsorganen, het vastleggen van bewaartermijnen, en voor de openbaarheid van documenten na overbrenging naar een archiefdienst. Ook de verkorting van de overbrengingstermijn helpt daarbij. Goed beheer van documenten is een voorwaarde om aan de Wet open overheid te kunnen voldoen. In de nieuwe Archiefwet wordt benadrukt dat beheer van digitale documenten voortdurende zorg vereist. Hierbij mogen overheidsorganen op basis van een risicobenadering keuzes maken in de benodigde beheermaatregelen voor verschillende documenten die zij beheren.
Tegelijkertijd is het van belang dat documenten tijdig worden gewaardeerd en op tijd worden vernietigd als dat moet, op basis van een geldend selectiebesluit. Door de Archiefwet aldus juist toe te passen, kan ook worden voldaan aan de eisen van de AVG.
Hoe verklaart u de achterstanden, versnipperde opslag en gebrekkige metadata, die leiden tot vertraging bij Woo-verzoeken en persoonsgegevens die soms langer bewaard blijven dan toegestaan?
Er zijn diverse factoren die de achterstanden in de informatiehuishouding hebben veroorzaakt. De hoeveelheid en diversiteit van digitale informatie is de afgelopen jaren exponentieel toegenomen. Er is in het verleden onvoldoende tijd, geld en aandacht geweest voor het in huis hebben van specialistische kennis en het informatiebewustzijn van medewerkers. De sturing was onvoldoende, het informatie- en applicatielandschap is complex en er zijn diverse aanscherpingen geweest op het gebied van privacy en beveiliging.
Het rijksbrede programma Open Overheid werkt sinds 2021 aan de verbetering van de informatiehuishouding en het voldoen aan de wettelijke eisen voor openbaarmaking (Wet open overheid). Sinds 2021 wordt jaarlijks de groei in volwassenheid van de informatiehuishouding gemeten. Op een schaal van 1 tot 4, met de ambitie om in 2026 rijksbreed minimaal niveau 3 te bereiken, laat de meest recente meting over 2025 zien dat een gemiddeld niveau van 2,6 is bereikt.
De verbeteroperatie is langdurig en verloopt stapsgewijs, met grote aandacht voor de structurele borging van verbeteringen in het stelsel. De verbeteroperatie is gericht op meer menskracht, betere kennis, verbetering van werkprocessen, adequate ICT-systemen en versterkte sturing.
Departementen en hun organisaties hebben zich in het Meerjarenplan Openbaarheid en Informatiehuishouding 2026–20303 ertoe verplicht om, indien dit nog niet het geval is, minimaal volwassenheidsniveau 3 te realiseren. De voortgang wordt gevolgd via metingen die openbaar worden gemaakt via een rijksbreed dashboard.
Hoe beoordeelt u de afhankelijkheid van buitenlandse technologie, bij opslag en verwerking van overheidsinformatie in cloudomgevingen van internationale aanbieders, mede in het licht van de Amerikaanse CLOUD Act?
Met de modernisering van de Archiefwet worden ook het Archiefbesluit (een algemene maatregel van bestuur) en de Archiefregeling (een ministeriële regeling) vernieuwd. In deze lagere regelgeving, die onderdelen van het wetsvoorstel uitwerkt, worden onder andere nadere eisen gesteld aan duurzame toegankelijkheid, bestandsformaten en metadata. De concept-Archiefregeling 20.. bevat, mede vanwege recente ontwikkelingen rond digitale autonomie, een bepaling op grond waarvan de opslag en verwerking van documenten moet plaatsvinden binnen het grondgebied van de Europese Unie, in landen binnen de Europese Economische Ruimte, of binnen landen waarvoor de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen, tenzij het verantwoordelijk overheidsorgaan vanwege zijn taak op grond van internationale verdragen hiervan moet afwijken. In een tijd waarin archieven bijna uitsluitend analoog waren, reproductietechnieken zich beperkten tot microfiche en -film lag het voor de hand archieven dichtbij te bewaren en was een dergelijke bepaling niet nodig. Door de digitalisering is dit veranderd.
De concept-Archiefregeling 20.. geeft hiermee richting en biedt nadrukkelijk ook de ruimte voor overheden om een strikter beleid te voeren. Daarnaast werkt het Ministerie van BZK momenteel aan een herziening van het cloudbeleid waarin de vereisten verder worden aangescherpt voor de rijksoverheid.
Wat betreft de Verenigde Staten gebruikt de Nederlandse overheid het EU-US Data Privacy Framework (DPF) (sinds 10 juli 2023) als wettelijke basis voor het veilig doorgeven van persoonsgegevens naar gecertificeerde Amerikaanse organisaties. Voor een nadere toelichting op doorgifte op basis van het EU-US Data Privacy Framework verwijs ik gaarne naar de Kamerbrief d.d. 17 maart 2025 van de Staatssecretaris van BZK.4
Vormen standaardisatie, uniforme metadata en vergaande automatisering bij informatiebeheer geen voorwaarde voor een realistische naleving van de nieuwe Archiefwet?
Ja. Wat betreft standaardisatie en gebruik van uniforme metadata is om die reden in het wetsvoorstel de bevoegdheid opgenomen voor de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om normen vast te stellen die de eenheid, de kwaliteit of de doelmatigheid van de duurzame toegankelijkheid van documenten bevorderen. Deze normen zijn een aanvulling op de nadere regels in het concept-Archiefbesluit en de concept-Archiefregeling. Deze bevoegdheid kan worden gemandateerd aan de rijksarchivaris. De vaststelling van deze normen gebeurt in overeenstemming met de Minister van BZK5, en ook de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed wordt hierbij betrokken. Daarnaast ontwikkelen CIO-Rijk en het Nationaal Archief instructies en handreikingen. De normen, instructies en handreikingen komen tot stand met de benodigde expertise en bieden richting aan de uitvoering van de Archiefwet.
Wat betreft de automatisering van het informatiebeheer geldt het uitgangspunt dat overheidsorganen zelf verantwoordelijk zijn voor het goed beheren van hun documenten. Hierbij wordt steeds meer geautomatiseerd om de uitdagingen in het digitale informatiebeheer het hoofd te bieden, bijvoorbeeld door te werken aan automatische emailclassificatie. Hetzelfde geldt voor archiefdiensten die bijvoorbeeld werken aan het automatiseren van het maken van indexen die fungeren als toegang op overgebracht archief die het handmatig en tijdsintensief inventariseren en schrijven van deze indexen kan vervangen.6
Bent u bereid om informatiebeheer onderdeel te maken van digitale systemen zelf, met vereenvoudigde categorieën, verplichte standaarden en automatische toepassing van bewaartermijnen en tegelijkertijd expliciete keuzes maken over digitale soevereiniteit en de mate van afhankelijkheid van externe infrastructuur voor de meest kritieke informatie? Zo ja, hoe gaat u dit gestalte geven? Zo nee, waarom niet?
Deels. Zoals ik eerder bij antwoord 6 aangaf zijn overheidsorganen zelf verantwoordelijk voor het goed beheren van hun documenten. De eisen uit de nieuwe Archiefwet verplichten overheidsorganisaties echter wel om informatiebeheer onderdeel te maken van hun digitale systemen. De toezichthouders zien vervolgens toe op naleving. De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed werkt momenteel aan een herziening van haar sanctiebeleid om onder andere de op basis van de nieuwe Archiefwet te introduceren bestuurlijke boete daarin op te nemen. Ook introduceert de nieuwe Archiefwet een verplichting om incidenten te melden bij de Inspectie.
Ik ondersteun de uitvoering van de Archiefwet door de vernieuwingen wat betreft waardering en selectie een speerpunt te maken bij de implementatie van de nieuwe Archiefwet. Zo is de nieuwe Archiefwet beter toegerust op waardering volgens de zogeheten sleutelfunctiemethodiek die geschikt is om op een eenvoudige, heldere en te automatiseren manier te bepalen welke e-mails en chatberichten tijdelijk te bewaren zijn en welke blijvend. Daarnaast krijgt de rijksarchivaris op basis van het concept-Archiefbesluit de bevoegdheid om modelselectiebesluiten vast te stellen om eenheid in de waardering van overheidsinformatie te bevorderen. Voor de vragen over digitale soevereiniteit verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Tot slot hecht ik er aan te benadrukken dat met het invoeren van het wetsvoorstel voor de Archiefwet 20.. niet alle problemen in de informatiehuishouding bij de overheid zullen zijn opgelost. Dat vraagt langdurige inzet zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 uiteengezet heb en zoals ook in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is toegelicht.7 De nieuwe Archiefwet is daarbij wel een significante stap in de goede richting die op korte termijn gezet kan worden.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de afdeling sociale wetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) een vacature heeft geplaatst die uitsluitend is bedoeld voor wetenschappers van kleur?1
Uit navraag bij de Erasmus Universiteit Rotterdam heb ik begrepen dat de vacature niet uitsluitend bedoeld was voor wetenschappers van kleur. En dat de Erasmus Universiteit Rotterdam de vacature heeft aangepast om te verduidelijken dat ze geen sollicitanten uitsluit.
Wat vindt u ervan dat de EUR een methode van personeelswerving gebruikt die is gebaseerd op huidskleur, die ertoe leidt dat een groot aantal kandidaten bij voorbaat wordt uitgesloten omdat zij de «niet de goede huidskleur» hebben?
Het is niet aan mij als Minister om in te gaan op de inhoud van vacatures van een universiteit. Instellingen geven zelf hun werving- en selectiebeleid vorm. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders.
Wie kunnen er precies solliciteren op vacatures voor «scholars of color» en wie niet en deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is om mensen in te delen in twee categorieën, zoals hier lijkt te gebeuren, namelijk wel of niet «of color»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een dergelijk wervingsbeleid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat is vastgelegd in Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet en dat discriminatie «op welke grond dan ook» verbiedt? Zo nee, waarom niet?
Artikel 1 van de Grondwet is voor wat betreft de verhouding tussen werkgever en werknemer nader geconcretiseerd in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Op basis van artikel 2 lid 3 Awgb mag er in sommige gevallen en onder bepaalde voorwaarden sprake zijn van een voorkeursbeleid om feitelijke achterstanden van groepen tegen te gaan. Het moet dan gaan om het wegnemen of verminderen van feitelijke nadelen die verband houden met de grond ras of geslacht en het onderscheid moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel.
Deelt u de mening dat het vreemd en zorgelijk is dat een faculteit voor sociale wetenschappen die commitment claimt tot «antiracisme» juist raciale eisen stelt?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Wat vindt u van de aan deze vacature kennelijk onderliggende opvatting van de faculteit voor sociale wetenschappen van de EUR dat wetenschappers van kleur bijzondere expertise hebben voor de studie van ongelijkheid die andere wetenschappers ontberen?
Zoals in antwoord 1 aangegeven, heb ik begrepen dat de vacature openstaat voor alle wetenschappers.
Hoe beoordeelt u het feit dat de twee vacatures geen eisen stellen aan specialisaties of methodologische vaardigheden?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Bent u van mening dat een vacaturetekst als «Commitment to integrating progressive, antiracist and social justice resources and pedagogy in the classroom is an essential component of both positions» academici met conservatieve opvattingen lijkt uit te sluiten? Graag een toelichting.
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Is u bekend of er buiten de ESSB van de EUR nog meer faculteiten zijn die vacatures plaatsen die uitsluitend zijn bedoeld voor «scholars of color»?
Ik heb van de Erasmus Universiteit Rotterdam begrepen dat die er niet zijn.
Bent u bereid met de universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat procedures om personeel te werven gevrijwaard blijven van discriminatoire criteria?
Ik heb als Minister geen bemoeienis met het wervingsbeleid op universiteiten. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders. Ik zie geen noodzaak om additionele afspraken te maken met de universiteiten.
Deelt u het oordeel van dit voorval als een voorbeeld van positieve discriminatie?
Het aanmoedigen van kandidaten van kleur om te solliciteren is geen voorkeursbeleid, oftewel positieve discriminatie, ook anderen zijn welkom om te solliciteren. Bovendien betekent voorkeursbeleid voor mensen van kleur niet per definitie dat er sprake is van verboden onderscheid. Een werkgever mag voorkeursbeleid voeren als een bepaalde groep mensen onvoldoende vertegenwoordigd is en er is voldaan aan een aantal andere vereisten. Het is niet aan mij om te oordelen over individuele gevallen.
Zo ja, acht u dit soort discriminatie onwenselijk en gaat u daar actief actie tegen nemen in uw nieuwe nationale programma tegen racisme en discriminatie?
Uw Kamer heeft het kabinet gevraagd een overkoepelend programma tegen discriminatie en racisme te maken. Daarin zal het kabinet actie ondernemen tegen alle vormen van verboden onderscheid. Verder wijs ik graag naar mijn antwoorden op vragen 4 en 11.
Het bericht ‘UvA sloeg onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten over tijdens campusprotesten’ |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Universiteit van Amsterdam (UvA) tijdens de campusbezettingen van 2024 een jaarlijkse peiling naar de sociale veiligheid van studenten over heeft geslagen?1
Ja
Klopt het bericht dat de UvA in 2024 heeft besloten de jaarlijkse monitor naar sociale veiligheid onder studenten niet uit te voeren met als argument dat de gegevens dan niet vergelijkbaar zouden zijn? Hoe beoordeelt u het besluit en de onderbouwing ervan?
Uit navraag bij de UvA heb ik begrepen dat dit klopt. In het voorjaar van 2024, wanneer bovengenoemde jaarlijkse monitor doorgaans wordt uitgevraagd, vonden grootschalige protesten plaats aan de UvA. De UvA geeft aan dat zij de monitor gebruikt om de effecten van beleid onder reguliere omstandigheden in kaart te brengen. Door de waarschijnlijke invloed van de protesten op de uitkomsten zouden de resultaten van dit meetmoment niet goed vergelijkbaar zijn met eerdere en latere metingen. Dit zou voor de UvA de interpretatie van beleidseffecten bemoeilijken.
De UvA laat weten dat in 2024 de jaarverslagen van de ombudsfunctionaris, vertrouwenspersonen, de vertrouwenspersoon individuele rechtspositie en de klachtencommissie volgens de reguliere werkwijze zijn opgesteld. Deze bieden jaarlijks inzicht in aard, omvang en duiding van signalen rond sociale veiligheid. De inzichten uit deze verschillende bronnen worden door de UvA in samenhang beschouwd en gebruikt voor de verdere ontwikkeling van beleid en aanpak. De UvA heeft de monitor sociale veiligheid in 2025 weer afgenomen.
Ik heb als Minister geen bemoeienis met interne monitors van een universiteit.
Deelt u de opvatting dat juist in een periode van soms intimiderende protesten het belangrijk is om de veiligheid systematisch te meten? Zo nee, waarom niet?
Het is van belang dat de ervaren sociale veiligheid van studenten en medewerkers van hogescholen en universiteiten structureel wordt gemonitord. Ik ga als Minister niet over de frequentie en wijze waarop een instelling haar metingen verricht. Wel spreek ik met de koepelorganisaties Universiteiten van Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen (VH) regelmatig over de ervaren sociale veiligheid op sectorniveau. Zo hebben wij afgesproken dat zij voor de zomer een sectorbeeld van de ervaren sociale veiligheid in het hoger onderwijs met mij zullen delen.
Hoe verhoudt het overslaan van deze monitor zich tot het Convenant Sociale Veiligheid in het hoger onderwijs (2024–2027)?
Het convenant sociale veiligheid is een landelijke afspraak met verschillende partijen uit de sector (OCW, UNL, VH, de Landelijke Studentenvakbond, het Interstedelijk Studenten Overleg, Promovendi Netwerk Nederland (mede namens PostdocNL), Federatie Nederlandse Vakbeweging en Algemene Onderwijsbond) over het bevorderen van de sociale veiligheid in de sector met behoud van de autonomie van de instellingen. Doel van het convenant is richting geven aan een gezamenlijke aanpak om de sociale veiligheid binnen de sector te bevorderen. De convenantpartners geven deze gezamenlijke aanpak vorm door het inrichten van een regiegroep sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap. De regiegroep is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van een vierjarig programmaplan om de sociale veiligheid in de sector te bevorderen. De regiegroep is ingesteld door mijn ambtsvoorganger en is onafhankelijk.
Over monitoring is in het convenant niets afgesproken. In het bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap (2022) zijn al afspraken gemaakt over de monitoring van sociale veiligheid. Instellingen gaan zelf zorgdragen voor een eenduidige en structurele monitor van ervaren sociale veiligheid. Daarnaast maken zij inclusie onder studenten en personeel zichtbaar. Hiervoor zullen bestaande instrumenten worden aangepast. De monitoringsvragen worden door de instellingen onderling uniform bepaald. Periodiek, en in 2024 voor de eerste maal, stellen UNL (in samenspraak met de NFU) en VH de resultaten geaggregeerd op sectorniveau (nooit op instellingsniveau) beschikbaar aan OCW.
Welke afspraken bestaan er momenteel met universiteiten over de frequentie en continuïteit van onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten?
Er bestaat geen afspraak met de individuele instellingen. Een van de beleidsmaatregelen is dat de instellingen zullen zorgen voor een monitor van de ervaren sociale veiligheid onder studenten en medewerkers. Ik spreek daarom regelmatig met UNL en VH over het inrichten van zo’n structurele monitor. UNL en VH zullen in ieder geval, net als vorig jaar met mijn ambtsvoorganger, voor de zomer een sectorbeeld van de ervaren sociale veiligheid in het hoger onderwijs met mij delen.
Welke onderzoeken zijn er op die universiteit wel gedaan naar de sociale veiligheid onder studenten?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven of andere universiteiten in Nederland in recente jaren vergelijkbare onderzoeken hebben overgeslagen? Zo ja, welke en waarom?
Universiteiten hoeven mij niet te rapporteren over welke onderzoeken ze wanneer uitvoeren. Ik heb noch informatie noch signalen ontvangen over andere universiteiten die vergelijkbare onderzoeken hebben overgeslagen.
Bent u bereid met universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat metingen naar sociale veiligheid niet worden overgeslagen juist in perioden van verhoogde spanning?
Ik verwijs voor de bestaande afspraken graag naar mijn antwoord op vraag 5. Aanvullende afspraken acht ik niet nodig.
Het bericht 'Hogescholen bundelen krachten: nieuwe generatie economie-studenten moeten leren over ‘brede welvaart’ te vergroten' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over tien hogescholen, waaronder Avans en Hogeschool Rotterdam, die samen met de Goldschmeding Foundation € 1,8 miljoen investeren om bijna 40 procent van alle hbo-economiestudenten te leren dat economie niet over geld verdienen gaat maar over «brede welvaart», sociale gelijkheid, leefbaarheid en arbeidsparticipatie?1
Ja, ik ben bekend met het bericht waarin wordt gemeld dat tien hogescholen een samenwerking aangaan gericht op het actief bevorderen van brede welvaart in de samenleving. In het bericht wordt vermeld dat 40% van de hbo-studenten een opleiding in het economisch domein volgt.
Hoe verklaart u dat dit soort linkse ideologie met belastinggeld op onze hogescholen wordt doorgedrukt?
Het aanpassen van de inhoud van opleidingen is onderdeel van een continu kwaliteitsproces in nauwe samenwerking met het beroepenveld. De instelling is hierbij verantwoordelijk voor de inhoud en kwaliteit van de opleiding die zij aanbiedt.
De Vereniging Hogescholen heeft mij geïnformeerd dat, als onderdeel van de kwaliteitscyclus van het hoger onderwijs, een sectorale verkenning van het economisch domein is uitgevoerd door een onafhankelijke verkenningscommissie in samenspraak met het werkveld. Naar aanleiding van de verkenning is een sectorplan hoger economisch onderwijs opgesteld en zijn alle landelijke opleidingsprofielen vernieuwd. Logischerwijs komen nieuwe maatschappelijke inzichten terug in de programma's. Hierbij is ideologie geen maatstaf. Het uitgangspunt is dat een hbo-professional zelf een kritische houding ontwikkelt en afwegingen maakt voor toekomstige inzet van opgedane kennis.
Beoordeling van de inhoud en kwaliteit van opleidingen vindt plaats in het accreditatieproces van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Hierin wordt door panels van docenten en wetenschappers (die niet verbonden zijn aan de betreffende opleiding) onder andere bekeken of de beoogde leerresultaten van een opleiding aansluiten bij de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen.
Waarom laat u toe dat hogescholen met € 1,8 miljoen aan subsidie hun economische opleidingen aanpassen en vakken inrichten rond begrippen als «regeneratief leiderschap» en «maatschappelijke waarde», terwijl onze economie juist behoefte heeft aan studenten die bedrijven opbouwen, banen creëren en economische groei realiseren?
De veronderstelde tegenstelling tussen het opleiden van studenten die bedrijven opbouwen, banen creëren en economische groei realiseren en het opnemen van begrippen als regeneratief leiderschap en maatschappelijke waarde in de curricula van economische opleidingen, zie ik niet. Verder hebben hogescholen en universiteiten bestedingsvrijheid ten aanzien van hun bekostiging, die zij inzetten om hun wettelijke taken van het verzorgen van onderwijs, het verrichten van onderzoek en het verzorgen van kennisoverdracht aan de maatschappij uit te voeren. Uit het artikel maak ik op dat het genoemde bedrag een combinatie van middelen van de hogescholen en van de Goldschmeding Foundation betreft. Er is in elk geval geen subsidie van € 1,8 miljoen verstrekt door het Ministerie van OCW voor dit doel.
Hoeveel publiek geld is de afgelopen jaren besteed aan projecten en onderwijsprogramma’s waarin economische opleidingen worden omgebouwd rond begrippen als «brede welvaart», duurzaamheid en sociale gelijkheid? Kunt u daarvan een overzicht geven? Zo nee, waarom niet?
Hogescholen en universiteiten ontvangen een rijksbijdrage om hun wettelijke taken, waaronder het verzorgen van onderwijs, uit te kunnen voeren. De rijksbijdrage wordt als lumpsum uitgekeerd. Dat betekent dat hogescholen en universiteiten binnen de kaders van de wet bepalen hoe zij de middelen inzetten en zij verantwoorden zich hierover via het jaarverslag. Ik kan daarom geen overzicht geven hoeveel publiek geld aan welke projecten en onderwijsprogramma’s is besteed.
Vindt u het wenselijk dat economische opleidingen steeds vaker worden beoordeeld op niet-financiële indicatoren zoals «brede welvaart» en zo ja, waarom acht u dat belangrijker dan het opleiden van studenten die daadwerkelijk bijdragen aan economische groei en ondernemerschap?
In het algemeen acht ik het van belang dat opleidingen in het hoger onderwijs goed aansluiten bij de arbeidsmarkt, in verbinding staan met de maatschappij en maatschappelijke vraagstukken, en dat studenten geleerd wordt afwegingen te maken vanuit verschillende perspectieven.
Zoals aangegeven in reactie op uw tweede vraag, vindt toetsing van de inhoud en kwaliteit van opleidingen plaats in het accreditatieproces van de NVAO. Hierin wordt door panels van docenten en wetenschappers (die niet verbonden zijn aan de betreffende opleiding) onder andere bekeken of de beoogde leerresultaten van een opleiding aansluiten bij de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen. Als Minister heb ik geen oordeel over de inhoud van specifieke opleidingen in het hoger onderwijs.
Wat vindt u ervan dat docenten binnen deze programma’s worden getraind om studenten te leren dat economische keuzes vooral langs maatschappelijke en ideologische maatstaven moeten worden beoordeeld en acht u dit een neutrale benadering van economisch onderwijs?
Uit het artikel leid ik niet af dat docenten op deze manier getraind worden.
Deelt u de mening dat economische opleidingen in de eerste plaats studenten moeten opleiden in de economische vakken, in plaats van hen te belasten met linkse ideologische theorieën over zogenaamde «brede welvaart» en zo ja, wat gaat u doen om te voorkomen dat economische opleidingen verder afglijden richting linkse indoctrinatie?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat inmiddels een aanzienlijk deel van de economische opleidingen binnen het hbo betrokken is bij dit soort programma’s en zo ja, hoe voorkomt u dat studenten nog maar één ideologische visie op economie krijgen voorgeschoteld?
Nee, dat kan ik niet bevestigen.
Zoals ik eerder heb aangegeven vind ik het van belang dat opleidingen in het hoger onderwijs goed aansluiten bij de arbeidsmarkt, in verbinding staan met de maatschappij en maatschappelijke vraagstukken, en dat studenten geleerd wordt afwegingen te maken vanuit verschillende perspectieven.
Bent u bekend met het artikel «Opinie: «Laat de ondernemer scoren tijdens het WK voetbal»»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Tweede Kamer wil NOS verbieden geld te vragen voor uitzenden WK-duels Oranje in cafés en op pleinen»?2
Ja.
Deelt u de mening dat een groot sporttoernooi als het wereldkampioenschap (WK) voetbal het land bijeen brengt en dat het daarom belangrijk is dat er ruimte wordt geboden voor de beleving van zo’n toernooi?
Ja, ik deel deze mening. Het WK-voetbal is een mooie gelegenheid om mensen te verbinden en gezamenlijke herinneringen te creëren. Het is belangrijk dat dit voor iedereen toegankelijk en beleefbaar is.
Beaamt u dat het bieden van ruimte aan festiviteiten rondom sporttoernooien, zoals het aankomend WK-voetbal, de veiligheid kan vergroten, doordat supporters niet halverwege de wedstrijd gefrustreerd naar buiten worden gestuurd en er juist spreiding ontstaat bij het verlaten van cafés en evenementen?
Het is aan het lokaal bestuur om de openbare orde en veiligheid rondom grote evenementen en sporttoernooien in goede banen te leiden. En daarbij puttend uit eerder opgedane ervaringen. Georganiseerde festiviteiten en pragmatische keuzes in sluitingstijden voor horeca kunnen bijdragen aan een geordend verloop van grote evenementen en sporttoernooien, maar ook de bron zijn van onrust. Dit kan per situatie en locatie verschillen. Het lokaal bestuur zal altijd, samen met de politie, de handhaving van de openbare orde bij de vergunningverlening bij grote evenementen en sporttoernooien, zoals een WK voetbal, betrekken en zo nodig de openbare orde handhaven.
Bent u bereid zich ervoor in te spannen dat aankomend WK-voetbal de leeuw niet in zijn hempje staat door ervoor te pleiten de openingstijden voor (horeca- en evenementen)ondernemers te verruimen als het Nederlands elftal speelt, bijvoorbeeld via de Vereniging Nederlandse Gemeenten of het samenwerkingsverband van grootte gemeenten (G40)?
De regulering van openingstijden is een verantwoordelijkheid die bij het lokaal bestuur berust. Het is aan gemeenten om, in overeenstemming met de geldende wettelijke bepalingen en hun eigen lokaal beleid, passende afwegingen te maken.
Deelt u de mening dat het moeilijk uitlegbaar is dat er door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van programma’s die al met belastinggeld zijn verkregen of gemaakt?
De Mediawet 2008 kent het zogenoemde dienstbaarheidsverbod. Op grond hiervan is het voor publieke omroepen verboden om bij te dragen aan het behalen van een meer dan normale winst of een concurrentievoordeel door commerciële partijen. Het dienstbaarheidsverbod is een uitwerking van het EU-verbod op ongeoorloofde staatssteun. De Europese Commissie heeft in 2010 bij de afronding van de staatssteunzaak over de financiering van de NPO aangegeven dat het dienstbaarheidsverbod belangrijk is om te zorgen dat de financiering van de publieke omroep conform de staatssteunregels verloopt en dat de publieke omroep zich marktconform gedraagt.3 Commerciële exploitatie van (sport)uitzendingen kan daarom niet kosteloos plaatsvinden. Voor vertoningen buiten de huiselijke kring moet een marktconforme vergoeding gevraagd worden. Daarnaast geeft de NOS aan dat in het contract met de FIFA staat dat voor vertoningen van WK-wedstrijden buiten de huiselijke kring een vergoeding gevraagd moet worden.
De vertoning van wedstrijden komt neer op openbaarmaking van auteursrechtelijk beschermd werk waarvoor Videma (de collectieve beheersorganisatie voor vertoningsrechten) de licentieverlening verzorgt namens rechthebbenden – in dit geval de NOS. De tarieven hiervoor zijn transparant en eenvoudig terug te vinden op de website van Videma. Voor het vertonen van wedstrijden in een publieke setting, zoals in cafés en op pleinen, gelden sinds het EK van 2024 aanzienlijk verlaagde tarieven. Deze verlaagde tarieven gelden in principe voor alle evenementmatige vertoningen buiten de huiselijke kring, behalve bij evenementenlocaties waar entree wordt gevraagd, bijvoorbeeld op een festival of in een stadion. In die situaties geldt het standaard evenemententarief.
Overigens hebben veel reguliere horecaondernemingen voor het vertonen van het WK-voetbal voldoende aan een zogenoemde doelgroeplicentie. Met deze licentie mogen ondernemers het hele jaar door televisiebeelden tonen van diverse omroepen waaronder ook alle wedstrijden van het WK-voetbal. Een onderneming tot bijvoorbeeld 50m2 horeca-oppervlakte betaalt hiervoor (bij eigen aanmelding) € 247,34 excl. BTW per jaar.
Snapt u de verontwaardiging dat er in Nederland door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van het EK- of WK-voetbal, terwijl dit in onze buurlanden (nagenoeg) gratis is?
Alle WK-wedstrijden blijven voor iedereen gratis te bekijken via de publieke omroep, zowel op televisie als online. De bijdrage geldt, vanwege het hiervoor geschetste juridische kader alleen voor publieke vertoningen buiten de huiselijke kring zoals in horecagelegenheden, op pleinen of bij evenementen. Dergelijke vertoningen worden vaak georganiseerd door ondernemers omdat zij daarmee extra inkomsten kunnen genereren. In die gevallen wordt een marktconforme vergoeding gevraagd. Daarmee wijkt Nederland niet af. Het kijken buiten huiselijke kring is in onze buurlanden vaak ook niet gratis. Ook daar geldt dat er een bijdrage kan worden gevraagd voor evenementmatige vertoning van WK-wedstrijden.
Onderschrijft u de mening dat het belasten van het uitzenden van een sporttoernooi als het aanstaand WK-voetbal, ondernemers ontmoedigt hun nek uit te steken om leuke activiteiten rondom zo’n toernooi te organiseren, temeer omdat ondernemers óók voor de uitzendrechten moeten betalen als het regent en er dus veel minder bezoekers komen opdagen om de kosten terug te winnen?
(Horeca-)ondernemers hebben vele overwegingen om al dan niet activiteiten te organiseren rondom sporttoernooien of andere grote evenementen. Dat het daarbij slecht weer kan zijn is een van deze overwegingen. Of de kosten van een evenementenlicentie ondernemers ontmoedigt om activiteiten rondom het WK-voetbal te organiseren, is lastig te beoordelen. Er zijn immers ook allerlei andere kosten zoals de inkoop van bier of de inhuur van personeel en technische faciliteiten die bij slecht weer wellicht niet terugverdiend kunnen worden. Tegelijkertijd is het aannemelijk dat veel ondernemers, ondanks deze kosten en risico’s, toch besluiten activiteiten te organiseren wanneer zij daar voldoende vraag of omzetkansen zien.
Bent u bereid zo snel mogelijk met de NOS en eventueel andere relevante partijen in gesprek te treden met als doel de kosten voor het uitzenden van programma’s waar al belastinggeld mee gemoeid is, zoals het aanstaand WK-voetbal, blijvend af te schaffen?
Zie het antwoord op vraag 6. Dat er een vergoeding betaald moet worden als WK-wedstrijden commercieel door derden geëxploiteerd worden, volgt onder meer uit de Mediawet 2008 en de Europese staatssteunregels, alsmede uit contractuele afspraken met de FIFA.
Onderneemt u, bovenstaande buiten beschouwing gelaten, nog andere maatregelen om te voorkomen dat het midden- en kleinbedrijf aankomend WK-voetbal buitenspel staat en Oranjesupporters juist optimaal kunnen genieten?
Nee. Er worden momenteel geen aanvullende maatregelen genomen.
Kunt u bovenstaande vragen, gezien de aanstaande start van het WK-voetbal, zo snel mogelijk en tenminste binnen de geldende beantwoordingstermijn beantwoorden?
Nee. Gelet op de benodigde tijd voor nadere interdepartementale afstemming was het niet mogelijk om binnen de gebruikelijke termijn van antwoorden te voorzien. Conform de procedure is hiervoor reeds een uitstelbrief verzonden.
De rol van voormalig minister Gouke Moes bij een rechtszaak tegen de Staat |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Letschert , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat voormalig Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Gouke Moes zich kort na zijn aftreden heeft aangesloten als vicevoorzitter bij de Stichting Democratische Vernieuwing, die een rechtszaak voorbereidt tegen de Nederlandse Staat onder de noemer «cultuurdefensie»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat een voormalig Minister van Cultuur zich binnen enkele weken na zijn aftreden aansluit bij een stichting die een rechtszaak tegen de Staat voorbereidt onder de noemer «cultuurdefensie»?
Het is in de eerste plaats de eigen verantwoordelijkheid van bewindspersonen en voormalige bewindspersonen om te waken voor (mogelijke) belangenverstrengeling. Daarbij zijn zij uiteraard gehouden aan de geldende wet- en regelgeving.
Deelt u de opvatting dat het op zijn minst opmerkelijk en politiek problematisch is wanneer een bewindspersoon die kort daarvoor nog deel uitmaakte van de regering zich vrijwel direct daarna aansluit bij een initiatief dat de Staat juridisch wil aanklagen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Heeft de heer Moes tijdens zijn ministerschap betrokkenheid gehad bij beleid of besluitvorming rond migratie, integratie, cultuurbeleid of maatschappelijke cohesie die mogelijk raakt aan het onderwerp van deze voorgenomen rechtszaak?
De heer Moes nam als Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap deel aan de wekelijkse ministerraden en onderraden, waarbij dergelijke onderwerpen zijn besproken. Daarnaast was het onderwerp cultuurbeleid onderdeel van de portefeuille van de heer Moes. Op grond van de artikelen 98 en 272 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 van het Reglement van orde van de ministerraad bestaat er een geheimhoudingsplicht ten aanzien van ambtsgeheimen, staatsgeheimen en ten aanzien van hetgeen tijdens vergaderingen van de ministerraad besproken wordt of geschiedt. Dat geldt ook voor vergaderingen van onderraden en van commissies uit de ministerraad. Deze geheimhoudingsplicht blijft ook na ontslag uit het ambt van bewindspersoon bestaan.
Beschikte de heer Moes tijdens zijn ministerschap over vertrouwelijke informatie of beleidsinzichten die relevant zouden kunnen zijn voor de voorbereiding van een rechtszaak tegen de Staat? Zo ja, welke waarborgen bestaan er dat dergelijke informatie niet wordt gebruikt?
Zie antwoord op vraag 4.
Vindt u het passend dat een voormalig Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zich drie weken na zijn aftreden aansluit bij een initiatief dat de Nederlandse Staat wil aanklagen onder de noemer «cultuurdefensie»? Zo ja, waarom?
Zie antwoord op vraag 2.
Klopt het dat, op grond van de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen, een gewezen bewindspersoon binnen twee jaar na aftreden het Adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers om advies moet verzoeken over de aanvaardbaarheid van een voorgenomen functie?
Ja, voor zover het gaat om beoogde vervolgfuncties waarop deze wet betrekking heeft, te weten dienstverbanden bij private en semipublieke werkgevers. Ook ten aanzien van beoogde vervolgfuncties in de publieke sector bestaat deze adviesverplichting, tenzij het gaat om één van de uitzonderingen genoemd in artikel 2, tweede lid, van de wet. Bij een dienstverband gaat het om een bezoldigde functie of een betaalde opdracht.
Heeft de heer Moes een dergelijk advies aangevraagd of ontvangen met betrekking tot zijn functie als bestuurder van de Stichting Democratische Vernieuwing? Zo ja, wat was de uitkomst van dit advies en wanneer is dit uitgebracht?
Ik heb van het Adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers (Arpa) begrepen dat de heer Moes geen advies omtrent het aangaan van deze functie heeft gevraagd. Daartoe zou ook geen verplichting bestaan indien het gaat om een onbezoldigde functie. Het Arpa heeft overigens geen actieve onderzoeksplicht.
Indien geen advies is aangevraagd, acht u dat in overeenstemming met de verplichtingen uit de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen?
Indien sprake is van een onbezoldigde functie, bestaat er op basis van de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen geen verplichting tot het vragen van advies aan het Arpa.
Klopt het dat artikel 4 van de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen bepaalt dat een gewezen bewindspersoon gedurende twee jaar na aftreden geen zakelijk contact mag hebben met ambtenaren van zijn voormalig ministerie of met ambtenaren van andere ministeries over beleidsterreinen waarbij hij intensief betrokken is geweest?
Ja.
Is bij u bekend of de heer Moes, sinds zijn aantreden als bestuurder van de Stichting Democratische Vernieuwing, contact heeft gezocht of contact heeft laten zoeken met ambtenaren van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of andere ministeries over deze voorgenomen rechtszaak of over het onderwerp «cultuurdefensie»?
De heer Moes heeft, voor zover wij kunnen overzien, geen contact gezocht met ambtenaren van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over deze voorgenomen rechtszaak of over het onderwerp «cultuurdefensie».
Is voor de heer Moes een ontheffing verleend van het verbod op zakelijk contact met ambtenaren zoals bedoeld in de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen? Zo ja, op welke gronden en wanneer?
Nee.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk zou zijn wanneer een voormalig Minister van Cultuur die drie weken na zijn aftreden betrokken raakt bij een initiatief dat de Staat wil aanklagen alsnog ontheffing zou krijgen van het verbod op zakelijk contact met ambtenaren? Zo nee, waarom niet?
In de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen is een lobbyverbod opgenomen dat inhoudt dat een voormalig bewindspersoon gedurende twee jaar na zijn ontslag geen zakelijk contact mag hebben met ambtenaren van zijn voormalig ministerie, en ook niet met ambtenaren van andere ministeries voor zover het gaat om aanpalende beleidsterreinen. Doel van dit lobbyverbod is het tegengaan van (het risico op) belangenverstrengeling. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan door de Minister-President, na een advies van het Arpa, ontheffing van het lobbyverbod worden verleend indien daarom wordt verzocht. Het spreekt voor zich dat de Minister-President met deze bevoegdheid terughoudend omgaat, aangezien ontheffing een afwijking van de wettelijke hoofdregel betekent. In de onderhavige casus is, zoals aangegeven in antwoord 12, geen sprake van ontheffing van het lobbyverbod.
Zijn bij u signalen bekend dat oud-bewindspersonen van kabinet Schoof 1 in vergelijkbare situaties terecht zijn gekomen, bijvoorbeeld door kort na hun aftreden betrokken te raken bij functies op beleidsterreinen waarvoor zij eerder verantwoordelijk waren? Zo ja, zijn daarbij signalen bekend dat regels uit de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen, handboek bewindspersonen en andere integriteitsregels mogelijk zijn overtreden?
De voormalige bewindspersonen uit het kabinet-Schoof zijn gehouden aan de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen.
Vindt u dat de huidige Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen voldoende waarborgen bevat om te voorkomen dat een oud-bewindspersoon kort na zijn aftreden betrokken raakt bij initiatieven die de Staat juridisch activistisch procederen op beleidsterreinen waarvoor hij zelf eerder verantwoordelijk was?
De verplichting om advies aan het Arpa te vragen over een beoogde vervolgfunctie heeft volgens de wet alleen betrekking op dienstverbanden (met uitzondering van de functies die zijn genoemd in artikel 2, tweede lid, van de wet). Bij een dienstverband gaat het, zoals gezegd, om een bezoldigde functie of een betaalde opdracht. Onbezoldigde functies of opdrachten vallen dus niet onder de adviesverplichting. Als dat wel het geval zou zijn, zou voor allerlei soorten vrijwilligerswerk advies aan het Arpa moeten worden gevraagd. De wetgever heeft dit niet wenselijk geacht.
Op basis van artikel 8 van de wet zal drie jaar na inwerkingtreding een evaluatie plaatsvinden omtrent de doeltreffendheid en de effecten van de wet. Ik acht het voorstelbaar dat de afbakening voor wat betreft de adviesverplichting onderdeel uitmaakt van deze evaluatie.
Overigens is de reikwijdte van het lobbyverbod op basis van artikel 4, eerste lid, van de wet niet beperkt tot bezoldigde functies of opdrachten.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs met o.a. de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS) |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Welke Nederlandse universiteiten en hogescholen hebben in het kader van het Europese Erasmus+ programma samengewerkt met de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS)?
Op basis van de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ op het openbare Erasmus+ Project Result Platform maak ik op dat de Universiteit Maastricht de enige instelling is die in het kader van het Erasmus+ programma heeft samengewerkt met de Iraanse instelling Tehran University of Medical Sciences (TUMS).
Hoe lang en in welke periode hebben deze samenwerkingen plaatsgevonden en zijn er Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs die op dit moment nog in enige vorm samenwerken met TUMS?
Uit de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ volgt dat de samenwerking van de Universiteit Maastricht en TUMS in het kader van het Erasmus+ programma drie jaar duurde: van halverwege januari 2020 tot halverwege januari 2023.
Of er Nederlandse instellingen zijn die buiten het kader van Erasmus+ op dit moment nog samenwerken met TUMS weet ik niet. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het maken van afwegingen over institutionele samenwerkingen. Ik verwacht dat instellingen daar op zorgvuldige wijze uitvoering aan geven.
Waren de samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse universiteiten in lijn met het sanctierecht van de Europese Unie gezien het feit dat de paramilitaire vrijwilligersorganisatie Student Basij Organisation (SBO) op Iraanse universiteiten als de «ogen en oren van het regime» fungeert en sinds 22 mei 2023 op een sanctielijst van de Europese Unie staat?
Het kabinet gaat niet in op individuele gevallen.
Kennisinstellingen zijn rechtstreeks gebonden aan de naleving van geldende sancties. In verschillende sanctieverordeningen zijn verboden opgenomen op samenwerking met gesanctioneerde personen en entiteiten. Ook wordt bij verschillende sanctiemaatregelen specifiek verwezen naar het verbod op het verlenen van technische bijstand voor specifieke goederen en technologie. Wanneer iets geldt als technische bijstand is door de Europese Commissie nader geduid in een formele opinie. Deze opinie bevat onder andere de toelichting dat ook het aanbieden van hoger onderwijs kan vallen onder de definitie van technische bijstand.
Sanctienaleving is voor kennisinstellingen niet eenvoudig. Daarom is er vanuit de rijksoverheid een aantal handvatten die zij kunnen gebruiken bij het vormgeven van hun interne processen. Zo bevat de nationale leidraad kennisveiligheid toelichting op het belang en de grondbeginselen van sanctienaleving en kunnen instellingen bij het loket kennisveiligheid terecht met vragen. Ook zijn er vanuit de Europese Commissie specifiek voor onderzoeksorganisaties richtsnoeren (Aanbeveling 2021/1700) ontwikkeld om hen te helpen om de risico’s in verband met deze producten en technologie in kaart te brengen, te beheren en te beperken en daarmee de naleving te bevorderen.
Welke Nederlandse universiteiten hebben een «ethische commissie» die samenwerkingsbanden van advies voorziet en bij welke universiteiten is de samenwerking met Tehran University behandeld of onderzocht en beoordeeld door een ethische commissie?
UNL heeft bij een eerdere uitvraag aangegeven dat elke universiteit beschikt over één of meerdere structuren die adviseren over ethische aspecten van het aangaan van onderzoekssamenwerkingen, zoals een ethische commissie. Ik heb geen inzicht in welke samenwerkingen zijn behandeld of beoordeeld want dit betreft een verantwoordelijkheid van de instellingen zelf.
Ik verwacht als Minister uiteraard wel dat kennisinstellingen dit zorgvuldig uitvoeren. Daarom verwacht ik van instellingen dat zij een aantal belangrijke uitgangspunten betrekken bij het inrichten van deze processen. Hierover heb ik uw kamer eerder geïnformeerd (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
In hoeverre hebben Nederlandse universiteiten de aanwezigheid van de Basij meegewogen in hun stappenplan voor «due dilligence» in het kader van het sluiten van hun overeenkomsten met TUMS?
Daar heb ik geen inzicht in, zie ook het antwoord op vraag 4.
Bij het maken van een eigen afweging kunnen instellingen uiteraard wel terecht bij het Loket Kennisveiligheid voor advies en informatie. In het geval van samenwerking met Iran wijst het loket uiteraard op het risico op ongewenste kennisoverdracht en het risico dat kennis en technologie voor onethische doeleinden kunnen worden gebruikt. Het is vervolgens aan de instelling zelf om te beoordelen of en onder welke voorwaarden zij een samenwerking aan kunnen gaan.
Klopt het dat de Universiteit Maastricht (UM) in 2022 n.a.v. de zogenoemde «Woman. Life. Freedom»-protesten de banden met TUMS niet beëindigde om de onderzoekers en studenten van deze instelling niet in de steek te laten? Graag een toelichting.
Ook hiervoor geldt dat het aan de instelling zelf is om dergelijke afwegingen te maken.
Is bij u bekend waarom het argument dat je «onderzoekers en studenten niet in de steek moet laten» blijkbaar geen rol speelde toen de Universiteit Maastricht in oktober 2025 besloot de samenwerking met de Hebrew University of Jerusalem op te schorten en hoe beoordeelt u dit verschil in benadering?
Instellingen hebben de vrijheid om hun samenwerkingen tegen het licht te houden, bijvoorbeeld naar aanleiding van geopolitieke verschuivingen. Dat geldt ook voor de Universiteit Maastricht. Ik heb de Universiteit Maastricht gevraagd om een toelichting.
De Universiteit Maastricht geeft aan dat het Toetsingskader Internationale Samenwerkingen en Kennisveiligheid medio 2023 is geïmplementeerd, en dat sinds april 2025 een Human Rights Advisory Committtee (HRAC) actief is. Het eerdergenoemde Erasmus+ programma werd afgerond voordat het kader of de commissie actief waren.
Het College van Bestuur neemt op basis van de adviezen van HRAC alleen besluiten over institutionele samenwerkingen. De instelling heeft nadrukkelijk geen zeggenschap over de samenwerking en uitwisseling van kennis tussen individuele wetenschappers en hun internationale collega’s, mits er geen beperkingen in het kader van kennisveiligheid van toepassing zijn. Dat geldt ook ten aanzien van individuele samenwerkingen met de wetenschappers van de Hebrew University of Jerusalem. Continuering van samenwerking tussen wetenschappers onderling, ook met wetenschappers afkomstig van een partnerinstelling waarmee het College van Bestuur de institutionele banden verbreekt, kan van cruciale waarde zijn. De Universiteit Maastricht noemt deze academische vrijheid onontbeerlijk.
Deze afwegingen sluiten aan bij de uitgangspunten voor beoordeling van internationale samenwerkingsverbanden die de Minister van OCW eerder met de kamer en de sector heeft gedeeld (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
Is bij u bekend of de zeker zeven Nederlandse universiteiten die in 2024–2025 hun samenwerking met Israëlische universiteiten of instellingen opgeschort of beëindigd hebben – vaak na advies van ethische commissies – in de afgelopen jaren ook de samenwerking met partners in andere landen dan Israël hebben opgeschort of beëindigd? Zo ja, om welke Nederlandse universiteiten en welke landen gaat het dan?
Nee. Zie voor toelichting het antwoord op vraag 2.
Deelt u de vrees dat als samenwerkingsbanden met Israëlische instellingen worden bevroren of stopgezet met verwijzing naar mogelijke mensenrechtenschendingen, maar mensenrechtenschendingen door regimes in andere landen niet leiden tot vergelijkbare maatregelen, dit een onrechtvaardig en/of discriminerend onderscheid maakt? Graag een toelichting.
Ik deel het belang van rechtvaardigheid en non-discriminatie in de totstandkoming van de afwegingen van instellingen. Tegelijkertijd hecht ik ook aan het belang van institutionele autonomie. Dit vormt ook onderdeel van de uitgangspunten voor het beoordelen van internationale samenwerkingsverbanden. Ik vertrouw erop dat kennisinstellingen hier zorgvuldig mee omgaan.
Bestaan er op dit moment uniforme sanctie- en compliancerichtlijnen voor het hoger onderwijs?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Kunt u aangeven waarom de naam van de Universiteit Maastricht en de naam van prof. dr. Anja Krumeich van de afdeling Health, Ethics and Society van de Faculty of Health, Medicine and Life Sciences van de UM op dit moment nog steeds prominent vermeld staan als partner op de website van TUMS?
Zie ook het antwoord op vraag 6. De Universiteit Maastricht geeft aan dat deze vermelding niet in overleg met of met toestemming van de Universiteit Maastricht of van Prof. Dr. Krumeich op de website gekomen is. De samenwerking was ten einde in 2023, conform de afronding van het project.
Scholen voor voortgezet onderwijs die donderdag 5 maart zijn geblokkeerd door activisten van Extinction Rebellion |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat activisten van Extinction Rebellion donderdag 5 maart meer dan dertig Amsterdamse middelbare scholen hebben afgesloten door kettingen aan hekken te hangen en/of sloten onklaar te maken?
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat in veel gevallen de politie moest komen om de deuren open te krijgen, dat meerdere scholen lessen dus moesten laten vervallen, en kinderen dus geen onderwijs konden krijgen?
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen. Inderdaad konden niet alle scholen hun volledige lesdag draaien.
Deelt u de mening dat dit onacceptabel, abject en verwerpelijk is en moet worden ontmoedigd, (moreel) veroordeeld, vervolgd en bestraft? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onderwijs is een grondrecht. Het onderwijs bereidt leerlingen voor op de toekomst, en juist daarom zou dat altijd ongehinderd mogelijk moeten zijn. Ik vind het dan ook onacceptabel wanneer leerlingen en medewerkers niet naar school kunnen vanwege een gepoogde blokkade. Het is aan de scholen zelf om waar nodig aangifte te doen tegen de organisatoren van de demonstratie. Bij vermoedens van strafbare feiten adviseert het kabinet altijd om aangifte te doen. Het is vervolgens aan het Openbaar Ministerie (OM) en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Deelt u de mening dat de schade moet worden verhaald op de daders, zodat scholen en de overheid niet opdraaien voor deze kosten, en om ervoor te zorgen dat dergelijke praktijken niet worden aangemoedigd?
Het is aan de scholen zelf om te besluiten om over te gaan tot aangifte, evenals het verhalen van eventuele materiële schade op de vermeende daders. Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Om schade te kunnen verhalen moet wel duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat meerdere scholen aangifte hebben gedaan?
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen.
Kunt u aangeven welke wetten bij deze actie zijn overtreden? In hoeverre is het strafbaar om kinderen te verhinderen om naar school te kunnen gaan?
Het recht op onderwijs is in Nederland verankerd in artikel 23 van de Grondwet. Of en zo ja welke wetten worden overtreden wanneer iemand dit recht inperkt is afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden van het individuele geval; die beoordeling is aan het OM.
Het Wetboek van Strafrecht kent geen zelfstandige bepaling die het verhinderen van kinderen om naar school te kunnen gaan als zodanig strafbaar stelt. In hoeverre dit onder een andere strafbepaling zou kunnen vallen is eveneens afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden en in de eerste plaats ter beoordeling van het OM.
In hoeverre kan de organisatie Extinction Rebellion uit wier naam deze acties worden gevoerd verantwoordelijk worden gesteld voor de schade en/of vervolgd voor dergelijke acties?
Opgemerkt zij dat Extinction Rebellion geen rechtspersoon is. De bepalingen die een rechtspersoon rechten en verplichtingen toekennen (artikel 2:5 Burgerlijk Wetboek) en die het aanmerken van een rechtspersoon en als zodanig strafrechtelijk vervolgen van die rechtspersoon (artikel 51 Wetboek van Strafrecht) mogelijk maken, zijn dan ook niet van toepassing. In het geval van Extinction Rebellion zullen voor het verhalen van schade en eventuele strafrechtelijke vervolging dus steeds de verantwoordelijke natuurlijke personen moeten worden geïdentificeerd.
Op welk moment kan een organisatie die structureel ertoe aanzet om wetten te overtreden, worden aangemerkt als een criminele organisatie en als zodanig worden vervolgd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Artikel 140 Wetboek van Strafrecht stelt de deelname aan een criminele organisatie strafbaar. Deze wetgeving is gericht op de bescherming van onze samenleving tegen het gevaar dat uitgaat van criminele organisaties. Om te kunnen worden aangemerkt als een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht moet het oogmerk van de organisatie gericht zijn op het plegen van misdrijven. De afweging of hier sprake van is, is uiteindelijk aan de rechter.
Deelt u de opvatting dat klimaatactivisten voor ontwrichtende acties niet anders behandeld zouden mogen worden dan anderen op grond van hun activistisch oogpunt?
Ja. Demonstranten dienen zich aan de wet te houden. Tegen demonstranten die de wet overtreden door het plegen van geweld of vernielingen kan strafrechtelijk opgetreden worden.
De blokkade van middelbare scholen door Extinction Rebellion |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in Het Parool van 5 maart 2026, dat klimaatactivisten van Extinction Rebellion meerdere middelbare scholen in Amsterdam hebben geblokkeerd door schoolhekken met kettingen af te sluiten en sloten dicht te lijmen, waardoor leerlingen en personeel tijdelijk geen toegang hadden tot hun school?1
Ja.
Deelt u de mening dat het blokkeren van de toegang tot scholen en het verhinderen van onderwijs aan leerlingen een ernstige aantasting is van het recht op onderwijs en niets te maken heeft met demonstratierecht? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het onacceptabel wanneer leerlingen, leraren en andere schoolmedewerkers niet naar school kunnen vanwege een (poging tot) blokkade. Onderwijs is een grondrecht. Het onderwijs bereidt leerlingen voor op de toekomst, en juist daarom zou dat altijd ongehinderd mogelijk moeten zijn. Het is aan de scholen zelf om waar nodig aangifte te doen tegen de organisatoren van de demonstratie. Bij vermoedens van strafbare feiten adviseert het kabinet altijd om aangifte te doen.
Klopt het, dat door deze acties lesuren zijn uitgevallen en leerlingen geen onderwijs konden volgen? Hoeveel scholen en leerlingen zijn hierdoor geraakt?
Het is helaas zo dat niet alle scholen hun volledige lesdag hebben kunnen draaien. Bij de Inspectie van het Onderwijs zijn geen signalen ontvangen. Mede daardoor is niet goed te duiden hoeveel leerlingen door de actie zijn geraakt.
Is onderzocht of door het afsluiten en dichtlijmen van schoolhekken ook nooduitgangen of vluchtroutes zijn geblokkeerd en daarmee mogelijk levensgevaarlijke situaties voor leerlingen en personeel zijn ontstaan? Zo nee, waarom niet?
Scholen hebben een zorgplicht voor de fysieke veiligheid van leerlingen en medewerkers. Daartoe zijn er regels als het gaat over bijvoorbeeld brandveiligheid en vluchtgevaar. Ik kan niet beoordelen in hoeverre er gevaarlijke situaties zijn ontstaan.
Is de Minister bereid maatregelen te nemen, om te voorkomen dat scholen en leerlingen opnieuw doelwit worden van activistische blokkades? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven hoe de materiele schade aan de scholen wordt verhaald?
Daar waar scholen zorgen hebben over de veiligheid is het aan de scholen om, samen met politie en gemeente, passende maatregelen te nemen. Het is tevens aan de scholen om te besluiten om eventuele materiële schade te verhalen op de vermeende daders.
Kunt u aangeven welke maatregelen u tegen de directrice van kunstschool IVKO neemt, die de actie van Extition Rebellion om kinderen van onderwijs te onthouden juist toejuicht?
Het staat de directrice van de school vrij om een mening te geven. In de beantwoording van deze vragen klinkt mijn standpunt helder door. Het belangrijkste is dat onderwijs altijd doorgang kan vinden. Verder is het aan de inspectie om toezicht te houden op de wijze waarop de school wet- en regelgeving toepast.
Het bericht 'Hoe moet het nu verder met het Fonds Podiumkunsten? ‘Het systeem is eigenlijk failliet’' |
|
Erik van der Maas (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe moet het nu verder met het Fonds Podiumkunsten (FPK)? «Het systeem is eigenlijk failliet»» waarin beschreven wordt dat Fonds Podiumkunsten voor de zevende keer een besluit tot het afwijzen van een subsidieaanvraag moet heroverwegen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de rechter het Fonds Podiumkunsten herhaaldelijk heeft teruggefloten vanwege onzorgvuldige besluitvorming? Was u bekend met eerdere fouten in de subsidieverstrekking door dit Fonds?
Juridische procedures naar aanleiding van de meerjarige besluiten van het fonds zijn niet ongebruikelijk, gelet op het belang dat die besluiten hebben voor organisaties. De juridische procedures die nu lopen hebben betrekking op de meerjarige besluiten voor de huidige subsidieperiode (2025–2028). In 2024 zijn er 273 subsidiebesluiten genomen voor de periode 2025–2028. Er zijn 13 organisaties die een beroep hebben ingediend.
Ik vind het goed dat subsidiebesluiten door de rechter kunnen worden getoetst. Het fonds is op de meeste beroepsgronden door de rechter in het gelijk gesteld, maar de rechter heeft ook geoordeeld dat de procedure op een aantal punten niet zorgvuldig genoeg was. Het fonds zal de lessen die volgen uit deze uitspraken meenemen bij het voorbereiden van de volgende subsidieperiode.
Zijn er naar uw weten naast het Fonds Podiumkunsten andere cultuurfondsen door een rechter op de vingers getikt? Zo ja, om welke fondsen ging het hier?
Er zijn naar mijn weten geen andere fondsen recentelijk door de rechter in het ongelijk gesteld in een procedure.
Deelt u de mening dat, mede gegeven om welke bedragen het gaat, besluiten over het verstrekken van subsidies door de cultuurfondsen transparant en ook stevig onderbouwd moeten zijn? Hoe kan het dat dit bij het Fonds Podiumkunsten nu al meermaals onvoldoende is gebleken?
Ja, ik deel die mening. Zoals ook geantwoord onder vraag 2, is het goed dat de rechter de besluiten van het Fonds Podiumkunsten toetst. Tijdens de betreffende beroepszaken werden meerdere beroepsgronden aangevoerd. Het Fonds Podiumkunsten is op de meeste beroepsgronden in het gelijk gesteld, maar ook is geoordeeld dat de procedure op een aantal punten niet zorgvuldig genoeg is. Het Fonds heeft aangegeven gevolg te geven aan de uitspraken.
Bent u naar aanleiding van deze of eerdere onzorgvuldige besluitvorming in gesprek met het Fonds Podiumkunsten? Zo ja, wat is daarbij uw inzet? Zo nee, bent u dat van plan?
Het fonds is als zelfstandig bestuursorgaan zelf verantwoordelijk voor zijn subsidiebesluiten en de juridische afwikkeling daarvan. Daar meng ik mij niet in. Wel ben ik met het fonds in gesprek over de geconstateerde gebreken en de beheersmaatregelen die getroffen moeten worden.
Ik zie dat er sprake is van zeer hoge druk op de meerjarige productieregeling van het fonds. Het fonds moest 146 aanvragen afwijzen, bijna drie keer zoveel als in de periode hiervoor. 59 aanvragers met een positief advies konden niet worden gehonoreerd wegens onvoldoende budget. Daarnaast kreeg regionale spreiding in de regeling een groter belang, waardoor met name in Amsterdam een aantal bekende instellingen een afwijzing heeft gekregen ten faveure van instellingen buiten de Randstad.
Door de hoge druk op het subsidiebudget en het aantal daarmee gemoeide afwijzingen en de nadruk op spreiding in de regeling maken dat er voor meer instellingen aanleiding was om de subsidiebesluiten juridisch te laten toetsen.
Bij het voorbereiden van de volgende subsidieperiode zullen de lessen uit deze periode en de uitspraken van de rechter meegenomen worden.
Hoe beoordeelt u de schijn van belangenverstrengeling binnen de adviescommissies die aanvragen beoordelen? Hoe wordt een dergelijke eventuele belangenverstrengeling voorkomen?
Het voorkomen van belangenverstrengeling is beleid van het fonds. Zij hanteert een protocol dat commissieleden dienden te ondertekenen om de schijn van belangenverstrengeling of vooringenomenheid te voorkomen.
Of er in een concreet geval sprake is van de schijn van belangenverstrengeling is aan de rechter. Bij de recente uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen schijn van belangenverstrengeling is binnen een specifieke adviescommissie. Hierin wijkt de rechtbank af van de recente uitspraken van de rechtbank Amsterdam met betrekking tot dezelfde adviescommissie.
Hoe beoordeelt u de resultaten van de vrij recent ingevoerde «ontschotting» waarbij adviseurs vanuit verschillende disciplines een beoordeling maken? Ziet u kansen om dit beter vorm te geven?
Het fonds is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van zijn beoordelingsprocedure, de besluiten en de afwikkeling daarvan.
Vindt u dat beoordelingsprocedures op dit moment voldoende transparant zijn? Zo nee, wat gaat u doen om deze procedures transparanter te maken?
Uit de uitspraken van de rechter is gebleken dat de beoordelingsprocedures transparanter dienen te zijn. Zoals ook in vraag 2 aangegeven zullen de lessen die uit deze uitspraken volgen worden meegenomen in het voorbereiden van de volgende subsidieperiode.
Bent u van mening dat het huidige systeem van subsidieverstrekking leidt tot hoge administratieve lasten? Zo ja, wat gaat u doen om de bestaande regeldruk te verminderen?
Ik onderken dat er ruimte is om administratieve lasten te verlagen. De komende tijd ga ik in gesprek met medeoverheden en rijkscultuurfondsen om te onderzoeken hoe de subsidieprocessen van cultuursubsidies bij verschillende overheden geharmoniseerd kunnen worden en de regeldruk verminderd kan worden in de nieuwe beleidsperiode.
Hoe duidt u de kritiek op de overmatige bureaucratie in het aanvragen van subsidies waarbij instellingen maanden bezig zijn met het doen van een aanvraag en sommigen daar soms zelfs iemand voor moeten inhuren? Hoe beoordeelt u de stelling dat het systeem «failliet» zou zijn?
Ik ben niet van mening dat het systeem failliet is. Wel zie ik dat het subsidiesysteem zoals we dat nu kennen toe is aan een herziening. De Raad voor Cultuur bracht in 2024 het advies «Toegang tot cultuur» uit, waarin ook aanbevelingen worden gedaan over de aanvraag- en beoordelingsprocedures en de administratieve lasten die daarmee gepaard gaan. Tegelijk is de wijze waarop we cultuursubsidies verdelen in Nederland, met onafhankelijke beoordelingen en een hoge mate van transparantie, ook een groot goed. Minister Bruins heeft in een Kamerbrief aangegeven te kijken naar manieren om het bestel te vereenvoudigen en verbeteren2. In de volgende stappen richting de nieuwe subsidieperiode probeer ik waar mogelijk de administratieve lasten verder te verminderen.
Wanneer komt u richting de Kamer met de contouren rondom de herziening van de culturele basisinfrastructuur?
Na de zomer van 2026 informeer ik uw Kamer over de hoofdlijnen van het cultuurbestel vanaf 2029.
Het bericht ‘Bijna helft van docenten heeft te maken met fysiek geweld door leerlingen en ouders: Tijdens zwangerschap in mijn buik getrapt’ |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Erkent u dat uit het onderzoek van EenVandaag en CNV blijkt dat bijna de helft van de docenten te maken heeft gehad met fysiek geweld en dat dit dus geen uitzondering meer is maar een structureel probleem?1
Ik heb kennis genomen van het onderzoek en betreur dat bijna de helft van de docenten die hebben gereageerd, aangeven dat ze te maken hebben gehad met fysiek geweld. Ik vind elke vorm van geweld tegen docenten onacceptabel.
Hoe verklaart u dat leraren in Nederland, één van de rijkste en best georganiseerde landen ter wereld, niet eens veilig hun werk kunnen doen?
Verreweg de meeste scholen slagen er in om een veilig schoolklimaat te creëren, ondanks dat verruwing in de samenleving en in de wijken ook de school binnenkomt. Uit de laatste Landelijke Veiligheidsmonitor po/vo blijkt dat in schooljaar 2021/2022 3 procent van het po-personeel eenmaal per maand of vaker fysiek geweld heeft meegemaakt (een lichte stijging ten opzichte van het jaar ervoor). Voor vo-personeel is dat 1 procent, wat geen significante stijging is ten opzichte van het jaar ervoor.2 Maar laat er geen twijfel over bestaan: elk geval van geweld tegen onderwijspersoneel is er één te veel. Leraren en overig onderwijspersoneel moeten het werk altijd op een veilige manier kunnen uitvoeren.
Deelt u de mening dat geweld tegen docenten automatisch moet leiden tot aangifte en stevige sancties, in plaats van interne afhandeling of het bagatelliseren van incidenten? Zo nee, waarom niet?
De school moet een veilige plek zijn om te leren én te werken. Daarom roept het kabinet schoolbesturen ook op om altijd aangifte te doen bij een vermoeden van een strafbaar feit. Dat kan een schoolbestuur ook doen namens een slachtoffer. Het bagatelliseren of in de doofpot stoppen van incidenten is uiteraard geen goede werkwijze; een schoolbestuur verzaakt dan zijn zorgplicht voor een veilige werkomgeving. De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wet- en regelgeving en kan besturen sanctioneren indien zij hun zorgplicht onvoldoende invullen.
Het zorgdragen voor een veilige omgeving voor personeel, leerlingen en studenten is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van scholen en schoolbesturen. Stichting School & Veiligheid biedt scholen en besturen hierbij ondersteuning, niet alleen met handreikingen, maar ook met een adviespunt en een 24/7 calamiteitenteam.
Het kabinet zet in op de goede randvoorwaarden voor veilig onderwijs. Zo ligt op dit moment het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs in de Tweede Kamer. Met dit wetsvoorstel krijgen scholen beter zicht op veiligheid, worden slachtoffers beter ondersteund als zich een incident voordoet en zorgen we dat scholen hun veiligheidsbeleid beter coördineren en evalueren, bijvoorbeeld door een vertrouwenspersoon en veiligheidscoördinator aan te stellen. De beoogde inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is 1 augustus 2027.
Wat gaat u concreet en aantoonbaar doen tegen schoolbesturen die geweldsincidenten in de doofpot stoppen of hun docenten na bedreiging en mishandeling in de steek laten en welke sancties volgen als zij hun wettelijke zorgplicht niet nakomen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe kan het dat docenten die aangifte willen doen, soms worden afgeremd door hun eigen schoolbestuur uit angst voor imagoschade of minder aanmeldingen en vindt u dat acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Als onderwijspersoneel zich niet veilig voelt om aangifte te doen dan is dat onacceptabel. De angst voor imagoschade mag daarbij geen rol spelen. Het aanstellen van een vertrouwenspersoon kan bijdragen aan de meldingsbereidheid, want een vertrouwenspersoon is er voor om slachtoffers van incidenten bij te staan. Met het al genoemde Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt het aanstellen van een interne én een externe vertrouwenspersoon verplicht. Ik roep besturen op om meldingen altijd serieus op te pakken en om altijd aangifte te doen bij vermoedens van strafbare feiten. Dat mag ook namens een medewerker.
Bent u bereid om te onderzoeken of definitieve verwijdering van gewelddadige leerlingen sneller en consequenter moet worden toegepast, zodat de veiligheid van personeel voorop komt te staan? Zo nee, waarom niet?
Er is geen plek voor agressie in het onderwijs. Elke vorm van geweld, intimidatie of ander ongewenst gedrag is wat mij betreft onacceptabel. Het is nu ook al mogelijk om leerlingen te schorsen of in het zwaarste geval te verwijderen van school. Ook kan ouders de toegang tot de school worden ontzegd. Bij vermoedens van strafbare feiten is aangifte doen ontzettend belangrijk. Een besluit tot schorsing of verwijdering is aan de school. Stichting School & Veiligheid heeft expertise op dit vlak en ondersteunt scholen hierbij. Ik acht het dan ook niet nodig om hier onderzoek naar te doen, en vind het veel belangrijker dat scholen de weg naar goede ondersteuning weten te vinden
Bent u zich ervan bewust dat in een tijd van historisch lerarentekort bijna een kwart van de docenten overweegt het onderwijs te verlaten, mede door geweld en bedreigingen en begrijpt u dat het huidige, halfzachte optreden direct bijdraagt aan het verder leeglopen van onze scholen? Zo nee, hoe kunt u dit falen nog langer ontkennen? Zo ja, welke harde, concrete maatregelen worden op zeer korte termijn genomen om leraren daadwerkelijk te beschermen en wanneer zien we daar resultaat van?
Ik vind het buitengewoon ernstig dat docenten en ander onderwijspersoneel enige vorm van fysiek geweld ervaren en daarbovenop, dit niet altijd kunnen melden. Ieder incident is er één te veel. Het is belangrijk dat schoolbesturen achter hun personeel staan, incidenten serieus nemen en waar nodig aangifte doen. Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs komt het kabinet met een stevig en omvattend pakket maatregelen om de veiligheid op scholen verder te vergroten. Dat wetsvoorstel bespreek ik binnenkort met uw Kamer. En hoewel het wetsvoorstel nog niet in werking is getreden, roep ik schoolbesturen op om nu al aan de slag te gaan met de maatregelen uit het wetsvoorstel. Zo kunnen scholen alvast beginnen met het registreren van alle veiligheidsincidenten en het melden van ernstige feiten bij de inspectie. Ook kunnen ze alvast aan de slag met het aanstellen van vertrouwenspersonen.
De financiële envelop voor onderwijs |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Mikal Tseggai (PvdA), Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Erkent u dat de verdeling van de envelop voor onderwijs al klaar is, zoals valt te lezen in de beslisnota horende bij de beantwoording van de feitelijke vragen over het coalitieakkoord «Aan de slag», maar dat deze van de Minister van Financiën niet mag worden gedeeld met de Kamer? Zo ja, waarom mag deze informatie niet met de Kamer worden gedeeld? Kunt u deze verdeling alsnog aan de Kamer doen toekomen?1
Bureau Kabinetsformatie heeft op 30 januari 2026 de verdeling van de investeringen op het terrein van OCW gedeeld met de Ministeries van OCW en Financiën. In de beantwoording van de feitelijke vragen over het coalitieakkoord is toegezegd dat wij uw Kamer nog verder informeren over deze verdeling, omdat de precieze invulling van deze envelop nog extra uitwerking vereist. Er wordt onder andere nog gekeken naar de uitvoerbaarheid, de randvoorwaarden, de kosten van de uitvoering van de maatregelen die niet in de budgettaire tabel staan, de doelmatigheid, de verdeling tussen sectoren en instrumenten en de financiële doorrekening. Daarmee kan het uiteindelijke voorstel zoals wij dat aan uw Kamer zullen sturen met onze beleidsbrief afwijken van de tabel zoals die door Bureau Kabinetsformatie is verstrekt. Deze beleidsbrief bevat informatie van het kabinet over de uitwerking van de plannen uit het coalitieakkoord, de brief ontvangt uw Kamer in april.
De tabel zoals deze is opgesteld door Bureau Kabinetsformatie is hieronder toegevoegd. Deze tabel is in lijn met de ambities van het coalitieakkoord. Het gaat hier deels om het een-op-een volledig terugdraaien van de bezuinigingen van kabinet Schoof. Daarbij is het mogelijk dat sommige teruggedraaide bezuinigingen terugkeren in een nieuwe vorm met een ander instrument. Daarnaast gaat het om nieuwe investeringen op de OCW-begroting voor het onderwijs, wetenschap en media.
Terugdraaien bezuiniging beperken school en omgeving
120.615
120.615
120.615
120.615
120.615
Herstellen en hervormen brede brugklassubsidie
57.686
57.686
57.686
57.686
57.686
Terugdraaien SPUK-korting (oa GOAB en VSV/RMC)
85.296
85.296
85.296
85.296
85.296
Doorzetten regionaal investeringsfonds mbo
14.600
34.609
33.667
28.526
28.526
Meer tijd voor schoolontwikkeling op teamniveau
350.000
350.000
350.000
350.000
350.000
Verhogen uitwonende basisbeurs met 110 mln.
5.000
25.000
45.000
110.000
Maximeren rente studiefinanciering op 2,5%
40.000
Bevordering zij-instroom
79.324
88.074
88.074
88.074
88.074
Beter en regelmatig inspectietoezicht
5.000
11.000
21.000
30.000
Intensivering Fonds onderzoek en wetenschap via bestaand instrumentarium (sectorplannen, praktijkgericht onderzoek, onderzoeksinfrastructuur en Europese samenwerking)
224.479
332.720
370.662
447.803
433.803
Taakstellende intensivering lumpsum internationalisering (verhoging bedrag per student)
68.000
121.000
158.000
156.000
156.000
Terugdraaien verlaging rijksmediabijdrage landelijke publieke omroep
45
45
45
45
45
Versterking van persveiligheid en -vrijheid
5
5
5
5
5
Klopt het dat het geld dat naar Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) gaat in de jaren 2027, 2028, 2029 en 2030 de bezuinigingen van kabinet Schoof niet dekken? Klopt het dat er de facto dan alsnog bezuinigd wordt op de begroting van OCW gezien er sprake is van een netto-krimp? Klopt het dat de uitspraak «we gaan investeren in onderwijs» van het lid Paternotte dan feitelijk onjuist is?2, 3, 4
Een deel van de bezuinigingen van kabinet Schoof is eerder teruggedraaid met de amendementen Bontenbal c.s.5 en Eerdmans c.s.6 Zoals in de tabel met de verdeling van de envelop bij vraag 1 te lezen is, heeft kabinet Jetten ervoor gekozen om naast het terugdraaien van een deel van de bezuinigingen ook nieuwe investeringen te doen. In totaal wordt structureel € 1,55 miljard geïnvesteerd door kabinet Jetten op de OCW-begroting. In onderstaande tabel is te zien dat het positieve saldo van intensiveringen en extensiveringen van kabinet Jetten groter is dan het negatieve saldo op de OCW-begroting van kabinet Schoof. Dat geldt voor de jaren 2027 t/m 2030 en structureel. De reeksen van kabinet Schoof zijn de nettoreeksen na de verwerking van de eerdergenoemde amendementen Bontenbal c.s. en Eerdmans c.s.
Bij de hoogte van de prijsbijstelling in 2025 zij aangetekend dat de prijsbijstelling bij Voorjaarsnota 2025 met de helft is gekort vóórdat deze werd toegevoegd aan de departementale begrotingen. Deze korting is niet verwerkt in onderstaande tabel. Ook met deze korting is het positieve saldo van intensiveringen en extensiveringen van kabinet Jetten groter dan het negatieve saldo op de OCW-begroting van kabinet Schoof.
– 1.126.000
– 1.265.000
– 1.357.000
– 1.373.000
– 1.278.000
1.437.000
187.500
168.000
156.000
141.000
– 25.000
– 30.000
– 64.000
– 112.000
– 112.000
1.050.000
1.250.000
1.350.000
1.450.000
1.550.000
Bedragen x € 1.000
De totale hoogte van de OCW-begroting wordt ook bepaald door andere factoren. Zo zijn er jaarlijks mee- en tegenvallers, waaronder de jaarlijkse autonome raming van leerling- en studentenaantallen. Ook is er sprake van structurele krimp van de leerling- en studentenaantallen en wordt er soms ook binnen de OCW-begroting omgebogen ten behoeve van tegenvallers binnen de OCW-begroting of rijksbrede tegenvallers. Daarnaast wordt er in principe ook jaarlijks loon- en prijsbijstelling toegevoegd aan de OCW-begroting, deze was bij Voorjaarsnota 2025 structureel € 2,1 miljard. Voor de vergelijking van intensiveringen en bezuinigingen door twee kabinetten zijn deze factoren niet meegenomen in bovenstaande vergelijking tussen de kabinetten Schoof en Jetten.
Gezien er te weinig geld gaat naar de begroting van OCW om alle bezuinigingen van het kabinet Schoof terug te draaien, kunt u puntsgewijs per bezuiniging aangeven of deze helemaal, gedeeltelijk of niet wordt teruggedraaid:
Zoals af te lezen is uit de tabel bij vraag 1 draait het kabinet een aantal bezuinigingen terug (zowel uit het Hoofdlijnenakkoord als de verwerking van de ingediende amendementen Bontenbal c.s. en Eerdmans c.s.). Daarnaast is ervoor gekozen om ook nieuwe investeringen te doen. Over de invulling en verdeling wordt u geïnformeerd bij de beleidsbrief.
Wanneer er bij de vorige vraag sprake is van gedeeltelijk of niet terugdraaien van de voorgenomen bezuiniging, kunt u motiveren waarom u hiervoor kiest?
Het wel of niet (geheel) terugdraaien van bezuinigingen en de keuze voor nieuwe investeringen, zoals weergegeven in de tabel bij vraag 1, zijn de uitkomst van keuzes tijdens de formatie. Uw Kamer wordt geïnformeerd over de specifiekere uitwerking van de investeringsenvelop met de beleidsbrief.
Welk deel van de middelen in de envelop onderwijs is gereserveerd voor het verhogen van de uitwonende basisbeurs? Met welk bedrag gaat de uitwonende beurs per maand omhoog en per wanneer?
Zoals in de tabel bij vraag 1 te zien is wordt er structureel een bedrag van € 110 miljoen gereserveerd voor het verhogen van de uitwonendenbeurs. Momenteel wordt de precieze invulling nog uitgewerkt.
Welk deel van de middelen in de envelop onderwijs is gereserveerd voor nieuwe beleidsposten op de OCW-begroting? Welke nieuwe beleidsposten zullen dit zijn?
De volgende posten uit de tabel bij vraag 1 bevatten (deels) nieuwe beleidsposten:
Kunt u deze vragen met spoed maar in ieder geval binnen drie weken beantwoorden zodat de Kamer goed geïnformeerd het debat kan voeren?
Ja.
De reorganisaties aan de Nederlandse universiteiten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de reorganisaties aan de Nederlandse universiteiten de afgelopen (vijf) jaren?
Ja, ik ben ermee bekend dat diverse Nederlandse universiteiten reorganisaties hebben aangekondigd in recente jaren.
Weet u wellicht ongeveer hoeveel academici daarbij hun baan hebben verloren en kunt u daarvan een overzicht verschaffen per vakgebied?
Nee, deze informatie is bij mij niet bekend. Ik beschik niet over een overzicht van reorganisaties en ontslagen aan kennisinstellingen. UNL geeft aan dat het uiteindelijke aantal gedwongen ontslagen als gevolg van recente reorganisaties beperkt lijkt te blijven vanwege natuurlijk verloop, mobiliteit en individuele afspraken. Wel wijst UNL op een verlies aan fte’s voor ondersteunende en wetenschappelijke taken. UNL kan niet aangeven om hoeveel fte’s het gaat. Op verschillende plekken is er sprake van een vacaturestop.
Beseft u dat met het ontslag van deze academici veel kennis voor de Nederlandse universiteiten en wetenschap verloren dreigt te gaan en beseft u ook hoeveel manjaren en miljoenen euro’s aan investeringen met het ontslag van deze academici verloren gaan?
Ik besef dat er door ontslag van academici bij een reorganisatie kennis en kunde verloren kan gaan. Tegelijkertijd kunnen vertrekkende academici hun opgedane kennis en kunde elders in de samenleving inzetten. Daarnaast kunnen universiteiten borgingsmaatregelen nemen om de negatieve gevolgen zoveel mogelijk te beperken.
Beseft u dat daarmee ook de positie van Nederland in internationale netwerken wordt verzwakt?
Zoals eerder benoemd, geeft UNL aan dat het aantal gedwongen ontslagen beperkt lijkt te blijven. Los daarvan kunnen de bezuinigingen op onderzoek en wetenschap van het vorige kabinet een rol spelen in de internationale positie van Nederland. Met de investeringen van het nieuwe kabinet in onderzoek en wetenschap hoop ik hierin het tij te keren.
Bent u bekend met het Tulp Fonds van De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) dat (onder andere) als doel heeft wetenschappers die in het buitenland zijn ontslagen naar Nederland te halen?
Ja. Mijn ambtsvoorganger heeft NWO vorig jaar gevraagd om het Tulp Fonds op te richten vanwege geopolitieke ontwikkelingen in relatie tot de wereldwijde strijd om talent. Het doel van het fonds is het aantrekken van internationale topwetenschappers op terreinen die van evident belang zijn voor Nederland en Europa. Hiermee draagt het instrument bij aan de strategische autonomie, het concurrentievermogen en de weerbaarheid van Nederland en Europa. Uw Kamer is op 20 maart 2025, 10 juli 2025, 30 oktober 2025 en 9 december 2025 over het Tulp Fonds geïnformeerd.1 Niet alleen Nederland zet nu extra in op het aantrekken van internationaal wetenschappelijk talent, ook de Europese Unie en een aantal landen om ons heen zoals Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland doen dit.
Bent u het ermee eens dat voordat een dergelijk fonds wordt ingezet om bedreigde buitenlandse wetenschappers naar Nederland te halen, beter eerst kan worden ingezet om ontslagen Nederlandse wetenschappers voor de wetenschap in ons land te behouden? Ze nee, waarom niet?
Ons land kent wetenschap van topniveau en is rijk aan excellente onderzoekers. Om dat zo te houden, moeten we wetenschappelijk talent aantrekken, behouden en ontwikkelen, van eigen bodem én van over de grens. Talent uit eigen land draagt bij aan het behoud van gespecialiseerde kennis, continuïteit in wetenschappelijk onderzoek en aandacht voor lokale vraagstukken. Buitenlands talent zorgt voor nieuwe perspectieven en toegang tot internationale netwerken en in het buitenland ontwikkelde kennis. De hoge kwaliteit van de Nederlandse wetenschap wordt in verband gebracht met een goede inbedding in de internationale onderzoeksgemeenschap en toegang tot internationale infrastructuren.2 Met het Tulp Fonds wordt ingespeeld op een kans die zich vanwege geopolitieke ontwikkelingen voordoet. Juist omdat de kennisinstellingen niet het vermogen hadden om hier zelf op in te spelen, lag er een rol voor mijn ministerie. Op dit moment is de uitwerking van het Tulp Fonds nog niet bekend. Kennisinstellingen kunnen tot 31 maart 2026 voordrachten indienen. Ik ben blij dat het huidige kabinet ervoor kiest om te investeren in onderzoek en wetenschap, waardoor de kennisinstellingen weer meer ruimte krijgen voor het aantrekken, ontwikkelen en behouden van talent. De verantwoordelijkheid om deze ruimte in te vullen ligt primair bij de kennisinstellingen in hun rol als werkgever.
Hoe rechtvaardigt u dan het ontslaan van Nederlandse wetenschappers terwijl tegelijkertijd met Nederlands belastinggeld wetenschappers die in het buitenland zijn ontslagen naar Nederland worden gehaald?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Kent u de brief van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld van 11 februari 2026 betreffende de aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en de brief van Movisie van 20 februari 2026 en de oproep van de Emancipator?1
Ja.
Klopt het dat het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP) en de functie van regeringscommissaris in 2026 wordt afgebouwd, ondanks de opgedane ervaringen en de ingezette, eenduidige aanpak? Zo ja, wat is de reden voor deze afbouw en per wanneer gaat dit in?
Het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: NAP) zou initieel eindigen in december 2025 en de termijn van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: RC) in medio 2025. Bij de besluitvorming over de Voorjaarsnota 2024 heeft het toenmalige kabinet besloten het NAP en de termijn van de RC te verlengen tot en met 31 december 2026 en hiervoor aanvullende middelen vrij te maken. Dit is toegelicht in de eerste suppletoire begroting OCW 2024 en daarnaast middels een persbericht bekendgemaakt2. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie heeft na overleg met de RC dit voorjaar besloten om binnen de eigen begroting aanvullende middelen vrij te maken om het bureau van de RC tot eind 2026 te financieren. Hiermee heeft de RC meer ruimte en capaciteit om haar activiteiten goed te bestendigen en over te dragen. Het kabinet kiest ervoor seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag te bestrijden in een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en zal het NAP en de termijn van de RC dus niet nogmaals verlengen.
Wanneer is dit besluit genomen en hoe is de Kamer hierover geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft deze afbouw te maken met het aflopen van het Nationaal Actieprogramma en daarmee de opdracht van de regeringscommissaris? Zo ja, kan geconcludeerd worden dat het werk in voldoende mate kan worden afgerond en op grond waarvan wordt dit geconcludeerd?
Het kabinet blijft werken aan het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Het is onacceptabel dat vrouwen nog altijd niet veilig zijn in Nederland. Zoals beschreven in het coalitieakkoord kiest het hierbij voor het opstellen van een nieuw Nationaal Actieplan Stop Geweld tegen vrouwen. Dit betreft een bredere aanpak, gericht op alle vormen van geweld tegen vrouwen zoals opgenomen in het Verdrag van Istanbul. Seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld worden hier nadrukkelijk onderdeel van. Het kabinet stelt een Nationaal Coördinator (hierna: NC) aan om dit actieplan te coördineren.3
Daarnaast zal het kabinet conform de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld een orgaan of organen aanwijzen voor rapportage, aanbevelingen, informatie-uitwisseling en systematische statistiekvorming.4
Met deze structuur zorgt het kabinet voor duidelijkheid, effectiviteit en samenhang in de aanpak. Wij zullen de werkzaamheden, kennis en projecten van het NAP en de RC zo goed mogelijk bestendigen in de bredere aanpak. De RC adviseert het kabinet hierover en zij stelt haar kennis en expertise beschikbaar om de overgang goed te laten verlopen.
Hoe verhoudt dit zich tot het kritische advies van GREVIO over de Nederlandse aanpak van geweld tegen vrouwen, waarin tevens wordt geconstateerd dat het Nationaal Actieprogramma en de regeringscommissaris daarvan positieve elementen zijn binnen de Nederlandse aanpak en hoe rijmt het afbouwen hiervan met dit advies en deze constatering?
Het bestrijden van geweld tegen vrouwen is een prioriteit van dit kabinet. Daarbij zullen wij ons houden aan het Verdrag van Istanbul.5 De evaluaties van GREVIO bieden waardevolle aanknopingspunten voor verbeteringen van de Nederlandse aanpak. Zo zal het kabinet conform deze aanbevelingen de coördinatie van de aanpak versterken en de verschillende geweldsvormen tegen vrouwen in samenhang bestrijden.
Hoe verhoudt deze afbouw zich tot de implementatie van het Verdrag van Istanbul en de eerder geuite kritieken vanuit de VN op de uitvoering van dit verdrag in Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Is het de bedoeling dat het Nationaal Actieprogramma en de rol van de regeringscommissaris wordt vervangen door het nieuwe programma geweld tegen vrouwen en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator (ingesteld naar aanleiding van de wens van de Kamer om geweld tegen vrouwen en femicide aan te pakken)? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijft van groot belang. Het kabinet kiest ervoor dit onderdeel te maken van een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en hierin de lessen uit het NAP mee te nemen. In het verlengde daarvan kiezen wij voor de aanstelling van een NC die dit bredere programma zal coördineren, en niet voor het nogmaals verlengen van de termijn van de RC. U bent op 18 december 2025 geïnformeerd over deze bredere aanpak en het voornemen een NC aan te stellen.6 De NC en RC zijn wezenlijk andere functies. Zij verschillen onder andere qua mandaat, opgave, inhoudelijke scope, takenpakket en benodigde competenties.
De RC is een boegbeeld van de gewenste cultuurverandering ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Zij is een onafhankelijk adviseur van het kabinet en aanjager van het maatschappelijk gesprek. Er is veel winst geboekt ten aanzien van het bespreekbaar maken van dit onderwerp en het vergroten van de bewustwording. Zo is zij een aanjager van het gesprek in de media en samenleving, heeft diverse producten gecreëerd die houvast geven bij het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en is zij een luisterend oor en een stem voor slachtoffers. Daarnaast heeft zij een begin gemaakt met de daadwerkelijke cultuurverandering door via allianties verschillende maatschappelijke aanpakken te initiëren, bijvoorbeeld in verschillende arbeidsmarktsectoren, in het onderwijs en binnen de studentenverenigingen.
We gaan echter een volgende fase in, waarin de gegroeide bewustwording en gestarte gedragsverandering verder moet worden bestendigd. Dit wil het kabinet doen door middel van samenhangend beleid, een heldere rolverdeling en duidelijke afspraken tussen het rijk, gemeenten, maatschappelijke partners en andere betrokkenen. Er is door diverse betrokkenen, experts en belangengroepen geconstateerd dat de aanpakken van verschillende vormen van geweld tegen vrouwen momenteel versnipperd zijn en dat betere coördinatie en samenhang noodzakelijk zijn. Dit kwam ook naar voren in de gesprekken met uw Kamer en in diverse moties die u heeft ingediend. De focus van de werkzaamheden van de NC ligt op het coördineren van het opstellen en uitvoeren van een Nationaal actieplan voor de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Belangrijke taken hierin zijn: samenwerking stimuleren, afstemming verbeteren, toezien op de uitvoering, zorgdragen voor samenhang en het nakomen van afspraken. Het kabinet werkt het exacte mandaat van de NC momenteel nader uit en zal dit openbaar maken zodra dit is vastgesteld.
Bent u het met ons eens dat dit twee verschillende functies zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de positie van de huidige regeringscommissaris die van een onafhankelijke aanjager is terwijl de Nationaal Coördinator vanuit zijn positie zich juist ten aanzien van de ambtelijke organisatie met het coördineren van activiteiten bezig moet houden?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u het verschil beschrijven in positie, taken, bevoegdheden en mate van onafhankelijkheid tussen een regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator? Welke kerntaken moet de Nationaal Coördinator vervullen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening van de regeringscommissaris dat er zowel in tijd als in inhoud een gat te dreigt te vallen in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld, omdat er nog geen Nationaal Coördinator is aangesteld en niet wordt benoemd in het coalitieakkoord hoe de aanpak van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van de afgelopen jaren verankerd zal worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet is voornemens om de NC voor de zomer van 2026 aan te stellen. De termijn van de RC loopt tot en met 31 december 2026. Daarmee is er voldoende tijd voor een goede overdracht van kennis en expertise. Zoals toegezegd aan uw Kamer zal de NC contact hebben met de RC over een goede overdracht en bestendiging. Daarnaast zal de RC een advies uitbrengen over een goede bestendiging van het programma en haar activiteiten. Dit advies zal worden meegenomen bij het vormgeven van het nieuwe nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.
Deelt u de opvatting dat het Nationaal Actieprogramma, dat gericht is op de onderliggende patronen van seksueel geweld en geweld tegen vrouwen, met een onafhankelijke regeringscommissaris als aanjager en boegbeeld van de maatschappelijke cultuurverandering (nog steeds) nodig is en blijft om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijvend en structureel te kunnen aanpakken? Zo ja, waarom wordt de financiering van de regeringscommissaris dan afgebouwd? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en hoe kan worden voorkomen dat wat er de afgelopen jaren door de regeringscommissaris opgebouwd is verloren gaat?
Zie antwoorden op de vragen 4, 7, 8, 9, 10 en 11.