De deelname van Taiwan aan multilaterale organisaties |
|
Kati Piri (PvdA), Tom van der Lee (GL) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de motie van het lid Paternotte c.s. Kamerstuk 26 150, nr. 227), de motie van de leden Van der Burg en Paternotte (Kamerstuk 35 207, nr. 94) en de motie van het lid Piri c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2871) die allen het kabinet oproepen om voor betekenisvolle deelname van Taiwan aan multilaterale organisaties te pleiten?
Bent u bereid om, net als vorig jaar, voorafgaand en tijdens de eerstvolgende World Health Assembly publiekelijk stelling te nemen dat Taiwan aan de bijeenkomsten van de WHO zou moeten mogen deelnemen?
De Nederlandse inzet tijdens de toetsingsconferentie van het non-proliferatieverdrag |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wie namens de Nederlandse regering aanwezig zullen zijn bij de aanstaande toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) in New York en met welke inzet zij deelnemen?1
Nederland werd op hoogambtelijk en ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De Nederlandse delegatie werdt geleid door de ontwapeningsambassadeur, tevens Permanent Vertegenwoordiger bij de Ontwapeningsconferentie te Genève. Tijdens het opening (high level) segment in de eerste week was Nederland vertegenwoordigd door de directeur-generaal Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in de hoedanigheid van Vice-Minister. De delegatie bestond verder uit vertegenwoordigers van het inisterie van Buitenlandse Zaken, vanuit het departement (Den Haag), de permanente vertegenwoordigingen in New York, Genève en Wenen alsook de ambassade in Washington.
De Nederlandse inzet is uiteengezet in de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» (Kamerstuk 33 783, nr. 53), die op 17 april 2026 aan uw Kamer is gestuurd.
Bent u het ermee eens dat, in tijden van hoogopgelopen spanningen, het opzeggen van wapenbeheersingsverdragen, uitbreiding van nucleaire arsenalen en agressieoorlogen door kernmachten, nucleaire ontwapening nóg belangrijker is geworden?
Zoals in voornoemde Kamerbrief (Kamerstuk 33 783, nr. 53) is beschreven, blijft een kernwapenvrije wereld het uiteindelijke doel van de NAVO en ook van Nederland. In deze veranderende wereld maakt het kabinet doorlopend een afweging tussen het streven naar een wereld zonder kernwapens en de veiligheidssituatie van het moment. Eenzijdige ontwapening door NAVO-bondgenoten maakt de wereld voor Nederland niet veiliger. Ontwapening is een complex proces van lange adem. Het bereiken van dit doel is van veel partijen afhankelijk en gekoppeld aan de mondiale veiligheidssituatie, waardoor het een proces met stapsgewijze, incrementele vooruitgang en soms – al dan niet tijdelijke – achteruitgang is.
Deelt u onze zorgen dat het NPV onder toenemende druk staat? Kunt u uw antwoord toelichten?
De bredere architectuur op het terrein van wapenbeheersing, non-proliferatie en ontwapening staat inderdaad onder druk. Cruciale afspraken en verdragen lopen af of worden beëindigd en de bereidheid om de dialoog aan te gaan en multilaterale compromissen te zoeken is aan erosie onderhevig. Het Non-proliferatieverdrag (NPV) geniet echter nog steeds brede steun van de internationale gemeenschap. Alleen kernwapenbezitters India, Israël, Pakistan en Noord-Korea (in 2003 uitgetreden) en Zuid-Soedan zijn geen partij bij het NPV. Bovendien waren 190 van de 191 verdragspartijen bij de tiende Toetsingsconferentie in augustus 2022 bereid de slottekst te ondersteunen, ondanks aanzienlijke compromissen die alle landen hebben moeten accepteren. Enkel Rusland was destijds tegen.
Zal Nederland zich tijdens de toetsingsconferentie uitspreken voor uitvoering van artikel 6 van het verdrag, dat staten verplicht nucleair te ontwapenen? Zo ja, kunt u aangeven welke concrete stappen op dit punt worden voorgesteld?
Nederland blijft zich inzetten voor alomvattende, onomkeerbare en controleerbare nucleaire ontwapening in lijn met artikel VI van het NPV en heeft tijdens het algemene debat van de NPV Toetsingsconferentie benoemd dat kernwapens geleidelijk moeten worden afgebouwd en uiteindelijk volledig geëlimineerd. Het huidige tijdsgewricht vraagt echter om realisme ten aanzien van de ontwapeningsdoelen van het NPV. Het vertrouwen tussen kernwapenstaten is momenteel laag en dit beperkt op korte termijn het uitzicht op significante ontwapeningsstappen. Nederland hecht daarom waarde aan versterking van de non-proliferatiearchitectuur en maatregelen die de kans op gebruik van kernwapens verlagen. Hierbij valt onder meer te denken aan meer transparantie over nucleaire doctrines en uitbreidingen van arsenalen, vertrouwenwekkende maatregelen tussen kernwapenbezitters en het verder ontwikkelen van technieken om toekomstige reducties en ontwapening te monitoren en verifiëren.
Zoals ook bij het antwoord op vraag 2 aangegeven, blijft gelden dat een wereld waarin NAVO-bondgenoten eenzijdig ontwapenen en andere landen niet, voor Nederland geen veiligere wereld is. Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens.
Bent u van mening dat zogenoemde moderniseringsprogramma’s voor kernwapens, die de levensduur van deze massavernietigingswapens decennia rekken, en ook het uitbreiden van kernwapenarsenalen haaks staan op artikel 6 van het NPV? Zo nee, waarom niet?
Al geruime tijd zijn de meeste kernwapenbezitters bezig met het moderniseren van hun kernwapenarsenalen. Deze moderniseringsprogramma’s staan op zichzelf niet haaks op artikel VI van het NPV en kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op het blijvend garanderen van de veiligheid, beveiliging en effectiviteit van deze wapens. Dit geldt in ieder geval voor de moderniseringsprogramma’s van de arsenalen van NAVO-bondgenoten Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.
Tegelijkertijd breidt China op ondoorzichtige wijze zijn kernwapenarsenaal uit en ontwikkelt Rusland nieuwe overbrengingsmiddelen die de strategische balans tussen kernwapenstaten ondermijnen.
Zoals bij de beantwoording van vraag 4 is aangegeven heeft Nederland tijdens het algemene debat van de NPV Toetsingsconferentie onderstreept dat kernwapens, overeenkomstig artikel VI, geleidelijk moeten worden afgebouwd en uiteindelijk volledig geëlimineerd. Daarbij zijn kernwapenstaten opgeroepen om met prioriteit stappen te zetten op thema’s als risicoreductie en transparantie, zodat nucleair conflict voorkomen wordt en het onderlinge vertrouwen onder kernwapenbezitters zich kan herstellen, en daarmee inspanningen op het gebied van ontwapening, non-proliferatie en wapenbeheersing weer plaats kunnen vinden. Tevens heeft Nederland China opgeroepen de rappe uitbreiding van het kernwapenarsenaal te herzien en zich voor wapenbeheersing in te spannen. Tot slot heeft Nederland de drie landen met de grootste kernwapenarsenalen – de Verenigde Staten, Rusland en China – opgeroepen een nieuwe strategische wapenbeheersingsovereenkomst overeen te komen, maar daar is wel een basis van onderling vertrouwen voor nodig.
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 en vraag 4 is aangegeven, is enig realisme waar het gaat om ontwapening in het huidig tijdsgewricht van belang.
Bent u bereid om zich tijdens de toetsingsconferentie uit te spreken tegen modernisering van kernwapens en uitbreiding van arsenalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om zich tijdens de toetsingsconferentie uit te spreken tegen uitbreiding van kernwapenarsenalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven hoe de meerderheid van lidstaten bij het NPV aankijkt tegen zogeheten nuclear sharing, waar Nederland in NAVO-verband aan deelneemt? Klopt het dat dit wordt gezien als niet in lijn met van het verdrag?
Sinds enkele jaren worden de zogeheten nuclear sharing arrangementsvan NAVO door bepaalde NPV verdragspartijen, in het bijzonder Rusland en China, bekritiseerd. Deze kritiek neemt toe, waarbij sommige landen stellen dat de NAVO-afspraken niet in lijn zouden zijn met het NPV. Deze NAVO-afspraken bestaan echter reeds decennia en zijn volledig in lijn met het NPV. Ze waren onderdeel van de onderhandelingen over het NPV en geen van de verdragspartijen heeft formeel bezwaar aangetekend tegen de afspraken bij de ondertekening van het verdrag in 1968, de inwerkingtreding in 1970 of in de decennia daarna.
Bent u bereid om tijdens de toetsingsconferentie erop aan te dringen dat in het slotdocument stevige taal wordt opgenomen over de catastrofale gevolgen van inzet van kernwapens en daaraan te koppelen dat een kernoorlog nooit gevochten mag worden?
Nederland onderkent in algemene zin de verwoestende humanitaire en klimatologische gevolgen van kernwapens. Het valt echter niet met zekerheid vast te stellen dat het gebruik van kernwapens onder alle omstandigheden in strijd met het humanitair oorlogsrecht zou zijn, zoals werd opgemerkt in het advies van het Internationaal Gerechtshof uit 1996 (Legality of the Threat or Use of Nuclear Weapons).
Deelt u de opvatting dat kernwapens, vanwege hun ongekende vernietigende kracht waarmee geen onderscheid gemaakt kan worden tussen burgers en militairen, niet in lijn met het oorlogsrecht ingezet kunnen worden? Zult u dit uitdragen tijdens de conferentie?
Zie antwoord vraag 9.
Is de Nederlandse delegatie voorstander van positieve woorden in het slotdocument over het verdrag inzake het verbod op kernwapens (Treaty on the Prohibition on Nuclear Weapons, TPNW), specifiek dat dit verdrag wordt verwelkomd en landen worden opgeroepen zich erbij aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet aangesloten bij het Verdrag inzake het verbod op kernwapens (TPNW) omdat het haaks staat op onze NAVO-verplichtingen. Daarnaast is Nederland van mening dat effectieve ontwapening alleen kansrijk is met betrokkenheid van kernwapenstaten en met robuuste verificatie. Nederland zet daarom in op versterking van het NPV-kader en praktische maatregelen die bijdragen aan risicoreductie, toekomstige reducties en ontwapening.
Bent u voorstander van een Midden-Oosten vrij van kernwapens en andere massavernietigingswapens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet Nederland om dit te bespoedigen?
Nederland is voorstander van zones vrij van kernwapens en andere massavernietigingswapens. Voor het Midden-Oosten is dit in lijn met de resolutie die hierover werd aangenomen door de NPV Toetsingsconferentie in 1995. De instelling van dergelijke zones kan, zoals beschreven in het actieplan van de NPV Toetsingsconferentie in 2010, alleen plaatsvinden door middel van vrijwillige overeenkomsten tussen alle staten in de regio.
De regionale veiligheidssituatie noopt tot realisme over de haalbaarheid op korte termijn van een dergelijke zone in het Midden-Oosten. In de tussentijd moedigt Nederland alle belanghebbenden, en met name de staten in de regio, aan om deel te nemen aan overleggen om tot een inclusief en op consensus gebaseerd proces te komen voor de uitvoering van de resolutie uit 1995.
Zal Nederland zich tijdens de toetsingsconferentie uitspreken voor meer transparantie over kernwapens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke maatregelen wordt dan concreet aangedrongen en wat doet Nederland zelf voor extra transparantie?
Transparantie is belangrijk om onderling vertrouwen te verbeteren, nucleaire risico’s te verminderen en op den duur stappen te zetten op het gebied van ontwapening. Het verbeteren van transparantie is daarom een langdurige Nederlandse prioriteit binnen het NPV. Middels het cross-regionale Non-Proliferation and Disarmament Initiative (NPDI) dringt Nederland bijvoorbeeld aan op transparantie over nucleaire doctrines en arsenalen; versterkte nationale rapportage over NPV-implementatie; en interactieve dialogen over nationale implementatie, met name die van kernwapenstaten, tijdens verdragsbijeenkomsten.2 Tevens financiert Nederland samen met Canada een tweetal projecten van de onafhankelijke denktank British American Security Information Council (BASIC) – nl. de NPT Monitor en de Nuclear Transparency Inventory – die erop gericht zijn de implementatie van het NPV door verdragspartijen alsmede de transparantiepraktijken van kernwapenstaten te volgen. Tenslotte heeft Nederland zoals gebruikelijk een nationaal implementatierapport ingediend voorafgaand aan de Toetsingsconferentie.3
Kunt u nader toelichten wat de precieze plannen zijn in het kader van samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire wapens? Waarom wordt hierover relatief weinig informatie gedeeld?
Op 2 maart jl. is uw Kamer op de hoogte gesteld van de beoogde samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire en conventionele afschrikking in Europa (Kamerstuk 33 279, nr. 40). Dit betreft een strategische dialoog ter versterking van de Europese dimensie van de Franse nucleaire doctrine. Het Kabinet beziet momenteel hoe deze samenwerking wordt ingevuld.
Gezien de aard van deze onderwerpen kan het Kabinet, conform de met de Kamer overeengekomen praktijk, weinig tot geen nadere details over de beoogde samenwerking met Frankrijk openbaar maken. Wanneer wenselijk en mogelijk, zal het kabinet uw Kamer op passende wijze op de hoogte houden van de ontwikkelingen.
Is uitgesloten dat samenwerking met Frankrijk het NPV schendt? Zo ja, hoe wordt dit uitgesloten? Kunt u toelichten hoe het NPV naar uw opvatting de samenwerking met Frankrijk begrenst?
Ja. De beoogde samenwerking met Frankrijk is niet in strijd met de verplichtingen van het NPV. Dit is voor zowel Nederland als Frankrijk een leidend principe. Op dit moment kunnen er geen aanvullende uitspraken worden gedaan over de beoogde samenwerking.
Heeft Nederland samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire wapens toegezegd? Wat is de status van de gesprekken hierover? Indien het kabinet voornemens is samenwerking met Frankrijk op dit gebied toe te zeggen, wordt de Kamer daar, voorafgaande aan besluitvorming, over geïnformeerd en betrokken?
Zie antwoord vraag 14.
Wat is de status van nucleaire wapens van de Verenigde Staten op vliegbasis Volkel? Hoe verhoudt zich de aanwezigheid van nucleaire wapens op vliegbasis Volkel met het NPV?
Vanwege veiligheidsredenen en bondgenootschappelijke afspraken doet het kabinet geen mededelingen over aantallen of locaties van nucleaire wapens in Europa. Ten aanzien van de verhouding van de praktijk van nucleair sharing tot het NPV verwijs ik graag naar mijn antwoord op vraag 8.
De aanstaande Toetsingsconferentie van het NPV in New York |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Op welk niveau is Nederland vertegenwoordigd bij de aanstaande Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) in New York van 27 april tot 22 mei?
Nederland is tijdens de 11e Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) van 27 april tot en met 22 mei 2026 op hoogambtelijk en ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De Nederlandse delegatie wordt geleid door onze ontwapeningsambassadeur, tevens Permanent Vertegenwoordiger bij de Ontwapeningsconferentie te Genève. Tijdens het opening/high level segment in de eerste week is Nederland vertegenwoordigd door de directeur-generaal Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, die zich in het buitenland onder de titel van Vice-Minister mag presenteren. De delegatie bestaat verder uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken vanuit Den Haag, de permanente vertegenwoordigingen in New York, Genève, Wenen en de ambassade in Washington, met specifieke verantwoordelijkheden voor de verschillende onderdelen van het Non Proliferatie Verdrag (ontwapening, non proliferatie, vreedzaam gebruik).
Kunt u de Nederlandse inzet voor de Toetsingsconferentie delen met de Tweede Kamer, zoals is gedaan voor de vorige Toetsingsconferenties in 2015 en 2022 (Kamerstuk 33 783, nr. 48)?
Ja. Hiertoe verwijs ik u naar de Nederlandse inzet zoals is uiteengezet in de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» (Kamerstuk 33 783, nr. 53), die op 17 april 2026 aan uw Kamer is gestuurd.
Is de naleving van het NPV in letter en geest nog steeds kabinetsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Ja. De naleving van het NPV in letter en geest is en blijft kabinetsbeleid.
In de Kamerbrief van 17 april 2026 wordt het NPV expliciet beschreven als de hoeksteen van de mondiale veiligheid op het gebied van nucleaire wapenbeheersing, non-proliferatie en ontwapening. Het kabinet benadrukt daarin dat de drie pijlers van het NPV als gelijkwaardig en onderling verbonden worden beschouwd en dat Nederland zich inzet voor alomvattende, onomkeerbare en controleerbare nucleaire ontwapening in lijn met artikel VI. Nederland houdt zich onverminderd aan de verplichtingen uit het NPV en andere relevante verdragen en afspraken. Tegelijk blijft gelden dat een wereld waarin NAVO-bondgenoten eenzijdig ontwapenen en andere landen niet, voor Nederland geen veiligere wereld is. Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor aanvang van de Toetsingsconferentie?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord. Daarbij verwijs ik naar de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» van 17 april 2026 (Kamerstuk 33 783, nr. 53), waarin de Nederlandse inzet en beleidslijn uitgebreid zijn toegelicht.
De nominatie van Iran en de verkiezing van China, Cuba, Nicaragua, Saudi-Arabië en Soedan tot commissies van de Verenigde Naties |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Klopt het dat de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (ECOSOC) op 8 april Iran heeft genomineerd voor de Commissie voor Programma en Coördinatie (CPC) en China, Cuba, Nicaragua, Saudi-Arabië en Soedan heeft verkozen tot lid van de Commissie voor Niet-Gouvernementele Organisaties? Klopt het dat Nederland deze besluiten heeft gesteund, of althans zich niet heeft gedistantieerd van de consensus? Welke overwegingen speelden hierbij een rol?
Het klopt dat Iran is genomineerd voor een verkiezing in de Commissie voor Programma en Coördinatie (CPC). Het is echter niet zo dat Nederland deze nominatie heeft gesteund. Iran’s nominatie volgt uit het feit dat landen in dit specifieke geval zichzelf mogen kandideren binnen hun eigen regionale kiesgroep. In het geval van Iran gaat het om de Asia Pacific Group (APG). Nederland maakt geen deel uit van deze specifieke kiesgroep en heeft derhalve geen invloed op voordrachten door de APG, die door de APG zelf zijn bekrachtigd.
Een steunvraag komt voor Nederland pas aan de orde bij de uiteindelijke verkiezingen voor de CPC, die plaatsvinden tijdens een nog nader te bepalen plenaire sessie van de Algemene Vergadering van de VN in het najaar. Hoewel het kabinet nooit publiekelijk uitspraken over stemposities bij geheime verkiezingen kan uw Kamer ervan uitgaan dat de kans nihil is dat het kabinet onder de huidige omstandigheden steun aan Iran zal geven in een VN-verkiezing.
Voor wat betreft de verkiezing voor het Comité voor Niet-Gouvernementele Organisaties (CNGO) hadden China, Cuba, Nicaragua, Saoedi-Arabië en Soedan zich kandidaat gesteld binnen hun eigen regionale kiesgroepen. Elke regionale groep bezet een vast aantal zetels in deze commissie. Wanneer het aantal kandidaten van een bepaalde kiesgroep gelijk is aan het aantal beschikbare zetels voor die betreffende kiesgroep (clean slate), worden landen bij acclamatie gekozen. Dat was het geval voor de bovengenoemde landen.
Indien echter meer landen uit een kiesgroep zich kandideren dan het aantal beschikbare zetels voor hun regionale groep, vindt er een stemming plaats. Stemgerechtigde VN-landen kunnen dan via een, in de regel geheime, stemming kiezen of er wel of geen steun voor een bepaalde kandidatuur wordt gegeven. Zo wist Belarus tijdens de stemming op 8 april geen zetel in het CNGO te bemachtigen omdat er een tegenkandidaat was. Ook Iran kreeg geen zetel in de Commissie voor de Status van Vrouwen (CSW) omdat er een tegenkandidaat werd verkozen.
Klopt het dat het CPC zich onder andere buigt over thema’s als gendergelijkheid, mensenrechten en voorkomen van terrorisme? Acht Nederland het passend en geloofwaardig dat Iran als onderdeel van de CPC programma’s over dergelijke en andere thema’s gaat beoordelen? Zo, waarom?
De CPC is een orgaan dat advies uitbrengt over de coördinatie, planning en evaluatie van VN-programma’s. De commissie geeft advies over budgettering en evalueert plannen, onder andere met het oog op het voorkomen van dubbel werk in het bredere VN-systeem. Inhoudelijke adviezen specifiek op het gebied van bijv. gendergelijkheid, mensenrechten en het voorkomen van terrorisme volgen uit andere VN-organen zoals respectievelijk de Mensenrechtenraad of het Mensenrechtencomité, UN Women of het VN Antiterrorismecomité.
In algemene zin wil Nederland dat landen met een democratische rechtsstaat, die de internationale rechtsorde steunen en het VN-Handvest respecteren, goed vertegenwoordigd zijn in VN-organen. De VN is evenwel een afspiegeling van alle 193 lidstaten en Nederland kan niet altijd voorkomen dat landen zich nomineren of worden verkozen die niet aan die standaarden voldoen. Dat geldt zeker voor de nominatie van Iran. Iran is daarmee overigens nog niet verkozen tot de CPC; en het is de verwachting dat meerdere VN-lidstaten in het bepalen van hun stempositie het Iraanse track record op mensenrechten kritisch zullen meewegen.
Klopt het dat meer dan zeventig maatschappelijke organisaties van tevoren regionale groepen hebben opgeroepen om meer kandidaten aan te leveren voor lidmaatschap van de Commissie over NGO’s?1 Is er opvolging gegeven aan deze oproep? Zo ja, op welke manier?
Ja, het kabinet is bekend met deze oproep. Competitieve verkiezingen binnen de VN zijn van belang, zeker als het betekent dat landen die de democratische rechtstaat en de internationale rechtsorde respecteren hierdoor meer kans hebben om verkozen te worden. Nederland maakt echter alleen deel uit van de Western European and Other States Group (WEOG) en heeft geen invloed op de voordrachten van andere regionale groepen. Andersom geldt dit ook: landen uit andere regionale groepen hebben geen invloed op de vraag of Nederland zich kandideert voor een verkiezing of niet.
Hoe beoordeelt u dat landen waarin het maatschappelijk middenveld onder druk staat, via de Commissie mogen bepalen welke maatschappelijke organisaties toegang krijgen tot de Verenigde Naties? Kunt u toelichten waarom u lidmaatschap van dergelijke landen passend vindt en waarom u er bijvoorbeeld vertrouwen in heeft dat deze landen niet tegen de accreditatie van legitieme NGO’s zullen stemmen?
Het is in het algemeen onwenselijk dat landen waarin het maatschappelijk middenveld onder druk staat mede kunnen bepalen welke NGO’s waarnemersstatus krijgen binnen de VN. Het kabinet acht het in het verlengde hiervan onwenselijk dat de regels binnen het Comité voor Niet-Gouvernementele Organisaties (CNGO) worden gebruikt om VN-accreditatie van organisaties te vertragen. Het komt voor dat NGO’s door deze werkwijze lang moeten wachten op hun toegang of helemaal geen accreditatie kunnen ontvangen. Nederland heeft geen zitting in de commissie, maar maakt zich binnen de VN hard voor betere toegang van het maatschappelijk middenveld en efficiëntere en transparantere procedures, onder meer binnen het VN80-hervormingsinitiatief.
Klopt het dat de Verenigde Staten zich van de besluiten hebben gedistantieerd?2 Waarom heeft Nederland hier niet voor gekozen?
De VS heeft zich, als enige land, op 8 april middels een explanation of position uitgesproken over de nominatie van Iran voor de CPC en de verkiezing van landen in het CNGO. Een dergelijke uitspraak heeft geen gevolgen voor de nominatie of verkiezing van landen. Daarom, en omdat het hier een nominatie en een clean slate betrof, zagen andere landen, waaronder Nederland, geen toegevoegde waarde in een explanation of position.
Een explanation of position is in het algemeen een minder gebruikelijk instrument bij kandidaturen, zeker als er sprake is van een clean slate of nominatie en omdat stemmingen geheim zijn. Zoals veel landen binnen de VN, doet Nederland dit alleen in gezamenlijkheid: in overeenstemming met een brede groep gelijkgezinde en/of Europese landen. Zie ook het antwoord op vraag 1 en vraag 7.
Bij een stemming, zoals voor CPC in het najaar, weegt Nederland zaken als het respecteren van mensenrechten en de internationale rechtsorde sterk mee in de stembepaling.
Kunt u in algemene zin schetsen hoe Nederland zich verhoudt tot de deelname van landen die structureel mensenrechten schenden aan commissies die zich bezighouden met het bevorderen van mensenrechten, mede in het licht van Artikel 90 Grondwet? Bent u het eens dat deelname van dergelijke landen niet passend is en bijdraagt aan erosie van de internationale rechtsorde, waar de Verenigde Naties één van de belangrijkste organisaties van is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht het onwenselijk en niet passend dat landen die structureel mensenrechten schenden zitting nemen in organen die juist mensenrechten moeten verdedigen. Nederland houdt in zijn stemposities daarom altijd in zeer sterke mate rekening met het track record van landen op het gebied van mensenrechten.
Desalniettemin kan niet altijd worden voorkomen dat landen verkozen worden in VN-commissies. Bovendien heeft elke VN-lidstaat het recht zich kandidaat te stellen. De VN is, onder andere door het systeem van regionale groepen, een afspiegeling van de wereld. Aan het brede lidmaatschapsprincipe wil het kabinet niet tornen. Ook gebruikt Nederland de verkiezing van landen in bepaalde mensenrechtengremia om hen (extra) te wijzen op de verwachtingen die horen bij een dergelijk lidmaatschap.
Kunt u aangeven op welke momenten Nederland zich in het verleden heeft uitgesproken tegen deelname van landen die structureel mensenrechten schenden aan dergelijke commissies?
Het komt incidenteel voor dat Nederland in samenspraak met gelijkgezinde landen een verklaring van de stempositie heeft uitgesproken. Nederland heeft bijvoorbeeld met internationale partners uitgesproken dat het onwenselijk zou zijn dat Rusland opnieuw zou toetreden tot de Mensenrechtenraad nadat het is geschorst in 2022. Nederland heeft dit ook actief bij andere landen onder de aandacht gebracht, gelet op de voortdurende agressie van Rusland tegen Oekraïne en de repressie en mensenrechtenschendingen in Rusland zelf.
Meent u dat extra inzet vanuit Nederland, eventueel met gelijkgezinde landen, nodig is om te voorkomen dat landen die structureel mensenrechten schenden steeds worden verkozen voor commissies die zich bezighouden met mensenrechtengerelateerde onderwerpen? Zo ja, welke inzet kunt u toezeggen? Zo nee, waarom niet?
Kandidaturen van landen in deze commissies zijn lang niet altijd succesvol. Zo wordt via stemmingen regelmatig voorkomen dat Rusland en Belarus in dergelijke commissies plaatsnemen en heeft Iran tijdens de ECOSOC-stemmingen van 8 april geen enkele zetel behaald, waaronder in het voorbeeld van de Commissie voor de Status van Vrouwen. Ook gebeurt het dat landen zich terugtrekken als er te weinig steun voor hun kandidatuur lijkt te zijn. Zo heeft Iran zich in april jl. ook teruggetrokken voor de verkiezing van de Uitvoerende Raad van het Wereldvoedselprogramma.
De inzet van het kabinet is er met name erop gericht om de invloed van Nederland binnen de VN te vergroten om zo de Nederlands belangen, onder meer op het gebied van de internationale rechtsorde, veiligheid en stabiliteit en mensenrechten, te blijven dienen. Hierbij hoort ook het belang dat landen verkozen worden in VN-commissies die deze fundamenten onderschrijven. Het kabinet zegt graag toe dat Nederland dit onderwerp in samenspraak met andere landen, en expliciet in EU-verband, blijft opbrengen.
Het bericht 'Nieuwe Europese bedrijfsvorm oogst naast applaus ook kritiek' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eelco Heinen (VVD), Berendsen , Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het FD-artikel «Nieuwe Europese bedrijfsvorm oogst naast applaus ook kritiek» van 6 april 20261.
Deelt u de vrees van vakbonden dat EU Inc zorgt voor het uithollen van werknemersrechten en een «walhalla voor schijnconstructies en ontduiking» wordt? Waarom wel/niet?
Hoe strookt dit met de ambities van het kabinet om schijnconstructies juist aan te pakken?
Zijn er manieren om als lidstaat de mogelijkheden voor «flits- en brievenbusfirma’s» in te perken? Zo ja, wat zijn de mogelijkheden en zijn deze toereikend?
Bent u het ermee eens dat er sterke landelijke arbeidsrechten moeten zijn omdat een EU Inc daaraan gehouden is? Is het in dat kader verstandig om de meest flexibele arbeidsmarkt van West-Europa te hebben?
Onderschrijft u de zorgen van de FNV dat het voor werknemers totaal onduidelijk is waar zij hun recht zouden kunnen halen?
Kan het zijn dat het minimumloon in het geding komt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, hoe bent u hiervan verzekerd?
Onderschrijft u de zorgen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie dat EU Inc. een afbraak van rechtsbescherming en rechtszekerheid betekent?
Wat betekent dit voor witwaspraktijken, aangezien het volgens VNO-NCW aan robuuste anti-witwasmechanismen ontbreekt?
Vindt u het verschil dat kan ontstaan tussen werknemers met opties onder een EU Inc en werknemers met opties onder andere vennootschapsvormen wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hiertegen doen?
Vindt u het rechtvaardig dat wanneer een EU Inc failliet gaat de werknemer niet alleen zijn baan verliest maar dat ook het aandelenpakket dat aan de werknemer gegeven kan worden niets meer waard is?
Hoe kan het dat een pensioenregeling ontbreekt?
De uitkomsten van de Hongaarse parlementsverkiezingen |
|
Felix Klos (D66), Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , David van Weel (VVD), Pieter Heerma (CDA), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Wat gaat u doen om het nieuwste sanctiepakket tegen Rusland, dat door Hongarije tot op heden werd geblokkeerd, zo spoedig mogelijk aangenomen te krijgen?
De Unie bereikte op 23 april jl. een akkoord over het twintigste sanctiepakket. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in het verslag van de informele Europese Raad van 23 en 24 april jl.1 De inspanningen van het kabinet zijn er nu op gericht de druk op Rusland nog verder te verhogen met aanvullende sancties. Het kabinet heeft het belang hiervan ook benadrukt in contacten met de inkomende Hongaarse regering.
Wat gaat u doen om de circa € 90 miljard aan Europese steun voor Oekraïne, die tot op heden door Hongarije werd geblokkeerd, zo snel mogelijk op Europees niveau goedgekeurd te krijgen?
Op 23 april jl. bereikte de Raad akkoord op de benodigde amendering van de MFK-verordening. Hiermee is niet langer sprake van een blokkade. Op dit moment werken de deelnemende EU-lidstaten aan de verdere implementatie van de steunlening.
Wat gaat u doen om het toetredingsproces van Oekraïne, inclusief het openen van de onderhandelingsclusters die door Hongarije werden geblokkeerd, zo spoedig mogelijk te laten hervatten?
Beoogd premier Magyar heeft aangegeven dat kandidaat-lidstaten moeten kunnen toetreden tot de EU als ze daar klaar voor zijn. Dat is een belangrijk signaal. Het kabinet hoopt op een constructieve houding van Hongarije in het op merites gebaseerde toetredingstraject van Oekraïne. Het openen van Cluster 1 vormt hierin de eerstvolgende stap. Het kabinet roept hier ook toe op en zal deze boodschap ook bilateraal onder de aandacht brengen van de nieuwe Hongaarse regering. Naar verwachting zal discussie hierover plaatsvinden in Brussel in aanloop naar de Europese Raad op 18-19 juni a.s.
Aan welke voorwaarden moet Hongarije volgens het kabinet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de eerder bevroren Europese middelen? Welke resultaten moeten er worden geboekt? En hoe voorkomt het kabinet dat de Commissie bevroren tegoeden uitkeert voordat het een transparante evaluatie heeft uitgevoerd van bereikte mijlpalen?
De voorwaarden waaraan Hongarije moet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de geblokkeerde EU-middelen liggen op het terrein van anti-corruptie, belangenverstrengeling en rechterlijke onafhankelijkheid en zijn opgenomen als supermijlpalen in het RRF-uitvoeringsbesluit, als corrigerende maatregelen in het uitvoeringsbesluit voor maatregelen tegen Hongarije op grond van de MFK-rechtsstaatsverordening, en als horizontale en thematische randvoorwaarden in de Common Provisions Regulation.2 In lijn met de moties van Lanschot c.s. en Sjoerdsma c.s. pleit het kabinet er voor dat Hongarije deze hervormingen doorvoert voordat de geblokkeerde EU-middelen worden vrijgegeven.3
Overwegende dat er hoop is dat de afbrokkelende rechtsstaat in Hongarije door een nieuwe regering wordt hersteld, welke mogelijkheden ziet u om kennis en ervaring te delen, dan wel op andere wijze Hongarije te ondersteunen bij het herstellen van de rechtsstaat?
Het kabinet zal de nieuwe regering waar mogelijk bij deze hervormingen helpen, afhankelijk van de behoefte, bijvoorbeeld via het delen van kennis en expertise of ondersteuning van het maatschappelijk middenveld. Dit aanbod is in de eerste contacten met de beoogd Minister van Buitenlandse Zaken Anita Orbán al overgebracht.
Zijn er concrete mogelijkheden voor de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie en Veiligheid om in de vorm van expertise bij te dragen aan dit proces? Bent u bereid om op Europees niveau een voortrekkersrol te spelen bij het ondersteunen van het herstel van de Hongaarse rechtsstaat?
Ja. Nederland is bereid om, op verzoek en binnen EU-kader, expertise beschikbaar te stellen ter ondersteuning van rechtsstaathervormingen in Hongarije. Daarbij kan worden voortgebouwd op de wijze waarop eerder in EU-verband dialoog en uitwisseling met Polen hebben plaatsgevonden, onder meer via het delen van best practices en peer-to-peer samenwerking. Ondersteuning zou plaatsvinden in nauwe afstemming met Hongarije, de Europese Commissie en andere lidstaten.
Welke mogelijkheden ziet u om met een nieuwe Hongaarse regering stappen te zetten in de opvolging van de motie-Klos, die oproept tot het afschaffen van veto’s in het gemeenschappelijk buitenland- en defensiebeleid van de Europese Unie?
In lijn met motie Klos zet het kabinet zich in voor het afschaffen van veto’s in het Gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie. Dit is belangrijk voor de slagvaardigheid van de EU. Nederland maakt zich hier hard voor in EU verband. Het is nog onduidelijk wat de opstelling van de inkomende Hongaarse regering zal zijn op dit onderwerp. Verschillende lidstaten hebben echter principiële bezwaren tegen het afschaffen van veto’s, waardoor de inzet op het afschaffen van veto’s in het GBVB een kwestie van lange adem zal blijven. Nederland is nu eerst in gesprek met andere lidstaten over hoe we het beste dit doel kunnen bereiken. Daarbij is het ook van belang om dit onderwerp te zien in de bredere discussie over hoe effectiviteit van het EU-buitenlandbeleid kan worden vergroot.
Welke mogelijkheden ziet u om op andere dossiers doorbraken te realiseren na het aantreden van een pro-Europese regering in Hongarije?
Cf. motie Van Lanschot c.s.4 zal het kabinet zich er bij de Commissie voor inzetten dat Hongarije de rechtsstaat herstelt, zich opnieuw in lijn brengt met gedeelde waarden en het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zoals steun aan Oekraïne en sancties tegen Rusland, en de hervormingen doorvoert om te voldoen aan de voorwaarden voor Europese financiering. Beoogd premier Maygar heeft in zijn overwinningsspeech benadrukt een sterke bondgenoot voor de EU en NAVO te willen zijn. Op basis van eerste mediaoptredens van Magyar en de eerste contacten, is het kabinet hoopvol over een constructieve koers van Hongarije binnen de EU. Het kabinet kijkt uit naar samenwerking met de nieuwe regering.
In dat kader wordt ook gewerkt aan spoedige bilaterale contacten. Zo wordt gestreefd naar een ontmoeting met de beoogd Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken, Anita Orbán, en marge van de informele NAVO-ministeriële bijeenkomst in Helsingborg, Zweden, op 21-22 mei aanstaande. Tevens wordt ingezet op een bezoek aan Boedapest op ministerieel niveau op korte termijn.
Bent u bekend met het pleidooi voor een Europees «re-democratiseringsplan» voor Hongarije, waarin wordt voorgesteld dat de Europese Unie actief bijdraagt aan institutionele wederopbouw door democratische hervormingen structureel te ondersteunen en lidmaatschapsrechten sterker te koppelen aan het functioneren van democratische instituties, en bent u bereid zich op Europees niveau in te zetten voor de ontwikkeling en implementatie van een dergelijk plan? Zo ja, op welke wijze en met welke concrete voorstellen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met dit pleidooi. Democratie is een kernwaarde van de Europese Unie. Het is in de eerste plaats aan lidstaten zelf om de democratie vorm te geven. Initiatieven van de Commissie kunnen daar ondersteunend aan zijn. Het kabinet onderschrijft het belang van dergelijke initiatieven die democratische instellingen binnen lidstaten versterken. Zoals blijkt uit antwoord op vraag 5 en 6 is Nederland bereid om bij te dragen aan benodigde democratische hervormingen in Hongarije daar waar dat toegevoegde waarde heeft.
Het artikel 'Leger VS: blokkade Straat van Hormuz begint maandag om 16:00' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op bericht dat het Amerikaanse leger de Straat van Hormuz gaat blokkeren vanaf 16:00 vandaag?1
Het kabinet pleit ervoor dat de Straat van Hormuz zo spoedig mogelijk open gaat en blijft voor internationale scheepsvaart. De maritieme blokkade door de VS is niet gericht op het blokkeren van alle internationale scheepvaart, maar op het tegenhouden van Iraanse schepen en schepen die Iraanse havens aandoen om te voorkomen dat Iran profiteert van diens blokkade van de Straat van Hormuz voor overige scheepvaart. Met de maritieme blokkade poogt de Verenigde Staten om druk uit te oefenen om via die weg de Iraanse blokkade op te heffen. Het kabinet is niet betrokken bij de maritieme blokkade die de VS heeft ingesteld als onderdeel van het gewapend conflict met Iran.
Bent u van plan om druk te zetten op de Amerikaanse regering om af te zien van een blokkade of, als de blokkade is gestart, deze op te heffen in dezelfde lijn als met de blokkade door Iran?
Zie antwoord vraag 1.
Is de Minister-President van plan om de blokkade te bespreken tijdens zijn bezoek aan het Witte Huis? Zo ja, wat wordt de inzet en welke maatregelen worden besproken als de inzet niet wordt gehaald?
In de verschillende gesprekken tijdens het bezoek aan Washington is de situatie in de Straat van Hormuz besproken. Vanwege het vertrouwelijke karakter van deze gesprekken, kan ik hier niet verder over uitweiden.
Welke gevolgen heeft dit voor Nederlandse schepen of voor Nederlanders die zich nog in de Straat van Hormuz bevinden of daar doorgang zoeken?
Nederlandse schepen worden niet aanvullend geraakt door de maritieme blokkade, omdat het niet gaat om Iraanse schepen of schepen die Iraanse havens aandoen.
Bent u bereid deze vragen met spoed te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Bent u bekend met het bericht «Palestijnse kinderen gemarteld in Israëlische cel: rapport Save the Children wijst op onhoudbare situatie»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevinding dat Palestijnse kinderen, van wie velen zonder formele aanklacht worden vastgehouden, in Israëlische detentie worden mishandeld en ondervoed en verstoken blijven van contact met hun familie, juridische bijstand en toegang tot hulporganisaties?
Het rapport bevat schokkende conclusies die niemand onberoerd laten. Jonge kinderen zijn kwetsbaar en verdienen juist bescherming. Foltering is onacceptabel. Het verbod op foltering is absoluut, en is een regel van dwingend internationaal recht. Het kabinet wijst Israël consequent op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag. Ook roept het kabinet Israël al langere tijd op om de detentieomstandigheden van Palestijnen in Israëlische detentiecentra te verbeteren en het ICRC ongehinderde toegang te verlenen. In het bezoek van de mensenrechtenambassadeur afgelopen november is daar uitgebreid bij stilgestaan. Ik heb het rapport aan de orde gesteld bij de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar. Het kabinet verzoekt Israël om opheldering over de aantijgingen in het rapport, en vervolging van eventuele daders.
Is het grootschalig vasthouden van Palestijnse kinderen door Israël naar uw oordeel in lijn met het VN-Kinderrechtenverdrag, dat bepaalt dat kinderen uitsluitend als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur mogen worden gedetineerd?
Het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dat inhechtenisneming uitsluitend volgens de wet plaatsvindt en slechts als uiterste maatregel wordt toegepast, voor de kortst mogelijke passende duur. Het langdurig vasthouden van grote aantallen kinderen zonder enige vorm van proces in detentiefaciliteiten is in strijd met deze verplichting.
Bent u bereid in contacten met uw Israëlische counterparts met urgentie aan te dringen op onmiddellijke toegang van onafhankelijke hulporganisaties, zoals het Rode Kruis, en advocaten tot deze minderjarigen, en op het toestaan van contact tussen deze kinderen en hun ouders of verzorgers?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Op welke wijze draagt Nederland momenteel bij aan juridische ondersteuning van Palestijnse minderjarige gevangenen? Ziet u mogelijkheden om steun te bieden aan advocaten en organisaties die rechtsbijstand verlenen aan Palestijnse minderjarigen in detentie?
Nederland draagt via partnerorganisaties bij aan het bewaken van de fundamentele rechten van gedetineerde Palestijnen, waaronder (het faciliteren van) juridische ondersteuning. Hierbij is een specifieke focus op kinderen in detentie.
Deelt u de mening dat deze constateringen wederom wijzen op schendingen door Israël van zijn verplichtingen onder het internationaal recht, en daarmee opnieuw aanleiding geven om actief te pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieverdrag?
Zie het antwoord op vraag 2. Conform de toezegging aan uw Kamer en indachtig de motie Piri c.s.2 en motie Van der Werf/Lanschot3 heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. verzocht om een update van de evaluatie van Israëls naleving van artikel 2 van het Associatieakkoord, om op basis daarvan de discussie in de EU verder te kunnen voeren. In de Raad was hiervoor onvoldoende steun. Voor de door een aantal lidstaten voorgestelde gedeeltelijke of volledige opschorting van het Associatieverdrag was eveneens onvoldoende steun in de Raad. De kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord blijft erop gericht om voorstellen voor EU-maatregelen, waaronder maatregelen op het gebied van handel, uitdrukkelijk op tafel te houden.4
Is uw kabinet zich bewust van zijn grondwettelijke plicht om de internationale rechtsorde te bevorderen?
Ja. Als een van de weinige landen heeft Nederland deze taak vastgelegd in Artikel 90 van de Grondwet.
Erkent u dat Israël de internationale rechtsorde steeds verder tart, door structurele ontmenselijking en onderdrukking van de Palestijnen, oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en illegale nederzettingen en nu ook nog het legaliseren van het doodmartelen van Palestijnse gevangenen die zonder eerlijk proces zijn vastgezet met de nieuwe doodstrafwet?
Het kabinet maakt zich zorgen over de ontwikkelingen in Israël en de bezette Palestijnse Gebieden, waaronder de doodstrafwetgeving. Uw Kamer is op 26 maart jl. geïnformeerd over het standpunt van het kabinet over deze wetgeving.1 Het kabinet vindt de aanname van de Israëlische wet over de doodstraf door de Knesset onacceptabel. Nederland is principieel tegen de doodstraf en veroordeelt het toepassen van executies als onmenselijk en ondoeltreffend.
Waarom spreekt u Israël wel aan op de doodstrafwet, maar veroordeelt u niet keihard het racistische karakter van de wet die mogelijk maakt dat Israëlische militaire rechtbanken uitsluitend Palestijnen op de bezette Westelijke Jordaanoever kunnen en zelfs moeten veroordelen tot executie door ophanging, binnen 90 dagen, zonder mogelijkheid tot hoger beroep?
Naast de wet zelf acht het kabinet acht discriminatoire karakter van de nieuwe Israëlische doodstrafwetgeving onacceptabel. Zie het antwoord op vraag 2.
Erkent u dat deze wet een verdere voltooiing is van het geïnstitutionaliseerde apartheidsregime van Israël gericht op de Palestijnse bevolking?
Apartheid is een specifieke juridische term. Het is aan de rechter om te oordelen of daarvan sprake is.2 Het Internationaal Gerechtshof (IGH) heeft in zijn advies inzake de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden vastgesteld dat het Israëlische optreden een schending oplevert van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (het CERD). Het IGH heeft daarbij evenwel geen duidelijk uitsluitsel gegeven over de vraag of er, naast rassendiscriminatie, ook sprake is van apartheid in de bezette Palestijnse Gebieden. Volgens het kabinet past deze nieuwe doodstrafwetgeving in dit patroon.
Wat vindt u ervan dat het aannemen van deze racistische wet in het Israëlische parlement ter plekke door de Israëlische regering werd gevierd met bubbels?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3. Het kabinet beschouwt de reactie in het parlement als zeer ongepast en verwerpelijk.
Erkent u dat Israël deze wet kon doorvoeren na voortdurende straffeloosheid voor het apartheidsregime van Israël en de genocide in Gaza door het wegkijken van landen als Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet werpt de aantijging dat Nederland wegkijkt voor de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden verre van zich. Nederland veroordeelt schendingen van het internationaal recht. Nederland draagt bij aan waarheidsvinding en de bevordering van berechting. Uw Kamer is daarnaast veelvuldig geïnformeerd over maatregelen die Nederland heeft genomen.
Erkent u dat wanneer een staat schendingen van het internationaal recht kan plegen zonder vervolging, als een bezetting kan voortduren zonder consequenties en als economische en politieke relaties gewoon blijven bestaan alsof er niets aan de hand is, het internationaal recht op z’n zachtst gezegd selectief wordt toegepast en uitgehold? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat het onbeschrijfelijke lijden van het Palestijnse volk niet alleen wordt veroorzaakt door de misdaden die Israël structureel pleegt tegen de Palestijnen, maar ook door de wetenschap dat landen zoals Nederland (dat immers een belangrijke handelspartner is van Israël en dat Israël nog steeds een bondgenoot noemt) weigeren een rode lijn te trekken en daadwerkelijk consequenties te verbinden aan het overschrijden van die rode lijn door Israël?
Zie antwoord vraag 6.
Welke verantwoordelijkheid voelt u voor dit deel van het leed dat het Palestijnse volk wordt aangedaan; het wegkijken en het niet-handelen van de zogenaamde omstanders, zoals Nederland?
Zie antwoord vraag 6.
Kent u de geschiedenis van de druk die de internationale gemeenschap op Zuid-Afrika heeft uitgeoefend, met boycots tegen het apartheidsregime? Deelt u de mening dat de internationale gemeenschap daar goed aan heeft gedaan (ook al had het allemaal beter en sneller gekund)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom zou een soortgelijke boycot van Israël nu niet op z’n plaats zijn?
Ja, het kabinet is bekend met deze geschiedenis. Ik ga geen vergelijking maken tussen deze situaties.
Wanneer heeft u kennisgenomen van het nieuwe rapport van de Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden over het Israëlische gevangenisstelsel (maart 2026), waaruit blijkt dat duizenden Palestijnen, waaronder vrouwen en kinderen, zonder geldig rechtsproces worden opgepakt, opgesloten en gemarteld?1 Wat was uw eerste, eerlijke reactie op wat u las in dit rapport?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het rapport van VN-rapporteur Albanese kort na publicatie in maart 2026. Dergelijke rapporten leveren een bijdrage aan het vergaren van informatie over mensenrechtenschendingen. Het rapport schetst een schokkend beeld van de omstandigheden van hoe door Israël (gedetineerde) Palestijnen worden behandeld. Foltering is onacceptabel. Het verbod op foltering is absoluut en is een regel van dwingend internationaal recht (ius cogens). Het kabinet wijst Israël ook consequent op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag.
Onderschrijft u de conclusie in het rapport dat marteling en gevangenschap systematisch worden toegepast op de totale Palestijnse bevolking en dat ze daarom onderdeel zijn van de genocide op het Palestijnse volk? Zo nee, op welke gronden denkt u de conclusie van dit VN-rapport te kunnen verwerpen?
Het kabinet neemt het werk en de rapporten van deze onafhankelijke mandaathouders serieus. Genocide is een uiterst serieuze kwalificatie en daarom is het kabinet in de regel terughoudend om situaties als zodanig te kwalificeren. Om genocide vast te stellen, moet aan alle elementen van de juridische definitie van genocide uit het Genocideverdrag worden voldaan. Uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek, of vaststellingen door de VN-Veiligheidsraad zijn dan ook voor het kabinet zwaarwegend bij het kwalificeren van dergelijke handelingen als genocide. Het vraagstuk over vermeende genocide in de Gazastrook ligt momenteel voor bij het Internationaal Gerechtshof in de zaak van Zuid-Afrika tegen Israël. Nederland wacht deze uitspraak af.
Hoe beoordeelt u het nieuwe rapport van de speciaal VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, Alice Jill Edwards van 2 april jl.? Onderschrijft u haar conclusie dat de Israëlische doodstrafwet het risico op marteling en andere vormen van mishandeling verder verergert?2 Zo nee, op welke gronden denkt u de conclusie van dit VN-rapport te verwerpen?
Dit betreft geen nieuw rapport van VN-rapporteur Alice Jill Edwards, maar een persverklaring. Onze positie ten aanzien van de Israëlische doodstrafwetgeving is helder: Nederland is principieel tegen de doodstraf. Zie ook het antwoord op vraag 2. Dergelijke wetgeving zal geenszins positief bijdragen aan het verbeteren van de detentieomstandigheden van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Nederland blijft Israël oproepen om zijn internationale verplichtingen volledig na te leven.
Erkent u dat het internationaal humanitair recht vereist dat alle Palestijnen die zonder proces vastzitten onmiddellijk worden vrijgelaten, zeker nu het executeren van deze gevangenen wettelijk beleid dreigt te worden onder leiding van de Israëlische Minister Ben Gvir? Zo nee, op basis waarvan meent u dat deze mensen gevangen mogen blijven zitten met dreigende executie als gruwelijk eindstation? Zo ja, welke middelen gaat uw kabinet direct inzetten tegen Israel om het krachtige signaal af te geven dat al deze mensen moeten worden vrijgelaten en dat de doodstrafwet moet worden ingetrokken?
Het kabinet acht het veelvuldig gebruik van administratieve detentie, alsook de duur en schaal hiervan, door Israël zorgwekkend en onderstreept in gesprekken met de Israëlische autoriteiten met regelmaat het belang van een eerlijke rechtsgang. Op basis van het humanitair oorlogsrecht is detentie om dwingende veiligheidsredenen, zonder dat dit samenhangt met een strafrechtelijk proces, geoorloofd als een uitzonderlijke maatregel. Een dergelijke detentie dient conform internationaalrechtelijke waarborgen en zonder willekeur te worden uitgevoerd. Ook gelden er internationale waarborgen die stellen dat de reden voor arrestatie gecommuniceerd moet worden. Dit draagt Nederland actief uit richting
Israël.
Erkent u dat de huidige kabinetsreactie – zorgen uiten over de doodstrafwet en in EU-verband pleiten voor het opschorten van de doodstraf – niet in verhouding staat tot wat nodig is om het systematische apartheidsregime van Israel tegen de Palestijnen, waar deze doodstraf onderdeel van is, te stoppen?
De kabinetsreactie5 had louter betrekking op de Nederlandse inzet ten aanzien van de doodstrafwetgeving.
Op welke manier gaat u Israël aanzetten tot onmiddellijke toegang voor het Internationale Rode Kruis tot alle Israëlische gevangenissen om noodzakelijke medische hulp aan Palestijnen te bieden?
Nederland steunt het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) als hoeder van de Verdragen van Genève en hun kernmandaat om gedetineerden te bezoeken tijdens gewapend conflict conform deze Verdragen. Het kabinet blijft de Israëlische regering oproepen ICRC-gedelegeerden toegang te verlenen en dringt hiertoe bij Israël aan, onder meer bij monde van de Mensenrechtenambassadeur tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden in november 2025.
Welke drukmiddelen gaat u tegen Israel inzetten om onafhankelijke waarnemers toe te laten in de Israëlische gevangenissen, zodat onafhankelijk bewijsmateriaal kan worden verzameld en Nederland Israël voor het internationaal Gerechtshof kan dagen wegens schending van het VN-verdrag tegen foltering – zoals Nederland dat in 2023 ook tegen Syrië deed?
Zie het antwoord op vraag 16. Verder hangt het van de feiten en omstandigheden van een specifieke gebeurtenis af of een aansprakelijkheidsstelling mogelijk is. Deze hangen samen met voldoende bewijs, de mogelijkheid het geschil voor te leggen aan een rechter of tribunaal, en de mogelijkheid om de aansprakelijkstelling samen met een ander gelijkgezind land te doen. Nederland kan Israël niet voor het Internationaal Gerechtshof dagen voor schending van het Antifolterverdrag. Er geldt tussen Nederland en Israël namelijk geen bepaling die het Internationaal Gerechtshof bevoegdheid geeft in een dergelijke zaak. Zie hiervoor ook het verslag van de Europese Raad van 18 december 2025.6
Erkent u dat van een normale handels- en samenwerkingsrelatie met een land dat oorlogsmisdaden en mensenrechtenschendingen pleegt geen sprake kan zijn? Zo ja, bent u bereid om nu eindelijk een economische boycot in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is geen voorstander van een algehele boycot van Israël. Zie verder het antwoord op vraag 6, 7, 8 en 9.
Erkent u dat een volledige stop op militaire samenwerking en wapenhandel noodzakelijk is zolang een reëel risico bestaat dat deze bijdragen aan ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht? Bent u bereid om elke militaire samenwerking met Israël op te schorten? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft de uitvoer van militaire goederen worden alle individuele vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen per geval zorgvuldig getoetst aan de daarvoor geldende wapenexportcontrolekaders (het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport en het Wapenhandelsverdrag), zo ook voor Israël. Daarbij geldt dat een vergunningaanvraag wordt afgewezen indien er een duidelijk risico wordt geconstateerd dat militaire goederen kunnen bijdragen aan ernstige schendingen van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht. Gezien de situatie in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever, verleent Nederland op dit moment geen vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen die kunnen bijdragen aan de activiteiten van de Israëlische krijgsmacht in de Gazastrook of op de Westelijke Jordaanoever vanwege het risico op ongewenst eindgebruik. Het kabinet is daarmee van mening dat het staande beleid volstaat om ongewenste transacties te voorkomen.
Elke vorm van defensiesamenwerking met Israël wordt zorgvuldig en afzonderlijk afgewogen. Vanwege de huidige ontwikkelingen en de zorgen die het kabinet heeft over het militaire optreden van de Israëlische regering in Gaza leidt deze weging in de praktijk tot minimale samenwerking, beperkt tot materieel. Israëlische bedrijven leveren diverse essentiële militaire systemen of onderdelen hiervan waarvoor geen, minder geschikte of geen tijdige alternatieven beschikbaar zijn. Het stopzetten van de bestaande samenwerking met Israëlische bedrijven heeft daarom grote gevolgen voor de slagkracht en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht, alsmede voor de veiligheid van onze militairen. Eventuele nieuwe materieel-aankoop uit Israël wordt reeds per geval zorgvuldig gewogen, waarbij Defensie onderzoekt of het materieel essentieel is voor de gereedstelling van de krijgsmacht, of er geschikte alternatieven zijn en of deze alternatieven tijdig leverbaar zijn. Hiermee geeft Defensie tevens invulling aan de motie van het lid Teunissen (Kamerstuk 22 054, nr. 478) om de afhankelijkheid van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen.
Het artikel 'ING krijgt Russisch dochterbedrijf maar niet verkocht' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op bericht dat het ING nog steeds niet lukt om van haar Russische bankactiviteiten af te komen?1
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de invoer van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich terug te trekken uit Rusland. Vertrekken uit Rusland is echter niet altijd eenvoudig. Het presidentieel decreet van september 2022, verbiedt buitenlandse bedrijven uit «onvriendelijke landen», waaronder de EU, hun activiteiten vrijelijk te verkopen. Bedrijven kunnen slechts op basis van een speciale vergunning van de Russische autoriteiten activiteiten verkopen. Voor verkoop van een bank is bovendien vereist dat de beoogde koper wordt goedgekeurd. In het onderhavige geval heeft ING bekendgemaakt dat de benodigde toestemmingen niet zijn verleend.
In hoeverre gaan de activiteiten en dienstverlening van ING momenteel door in Rusland, ondanks het voornemen de activiteiten in Rusland af te bouwen?
Wegens bedrijfsvertrouwelijkheid ga ik niet in op investeringen van private instellingen. In zijn algemeenheid kan ik zeggen dat ING eerder in persberichten heeft aangegeven dat zij sinds 2022 haar activiteiten in Rusland afbouwt en geen nieuwe zaken met Russische cliënten meer doet.
Waarom is de dienstverlening van ING in Rusland niet gestaakt, ondanks dat er geen overname kandidaat is gevonden?
Hoewel het kabinet bedrijven actief aanmoedigt om niet langer actief te zijn op de Russische markt, is het aan bedrijven zelf om te beoordelen wat de beste manier is om hiermee om te gaan. Daarbij geldt dat het staken van de dienstverlening niet altijd mogelijk is. Daarnaast is de vraag of het staken van de dienstverlening, bijvoorbeeld via liquidatie, wenselijk is. In dat geval zouden bezittingen namelijk ook in Russische handen kunnen komen, waarbij er mogelijk minder controle is op de bestemming van de bezittingen. Ik heb geen zicht op de specifieke afweging bij ING.
Waarom geeft u geen antwoord op de vraag of ING is doorgegaan met het financieren van de Russische staat na de illegale inval in Oekraïne in februari 2022? Bent u bereid deze vraag alsnog, in algemene zin, te beantwoorden zonder bedrijfsgevoelige informatie te delen?2
Zoals bij de beantwoording op vraag 2 aangegeven, kan ik geen uitspraken doen over de investeringen van private bedrijven. Wel heeft de Minister van Financiën verschillende keren contact gehad met ING over het voornemen van ING om haar dochterbedrijf in Rusland te verkopen. Over de contacten kunnen verder geen inhoudelijke mededelingen worden gedaan.
De Minister van Financiën en ik zijn verder niet betrokken bij het voornemen van ING om uit Rusland te vertrekken of de activiteiten van het dochterbedrijf in Rusland te verkopen. Zie ook de beantwoording van de Kamervragen die op 8 april 2026 zijn gesteld door het lid Van Eijk (VVD) over het bericht «ING ziet af van verkoop Russische dochter».
Het artikel 'Israël laat woningen in Zuid-Libanon versneld slopen en vernietigt infrastructuur' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitspraken van defensieminister Katz die «naar voorbeeld van Gaza» te werk wilt gaan in Libanon?1
Veroordeelt u deze uitspraken? Zo ja, welke consequenties bindt u daaraan? Zo niet, hoe is dat te rijmen met het internationaal recht?
Wat is uw reactie op de aanvallen van Israël op waterinstallaties in Libanon?2
Deelt u de mening dat het ontzeggen van water aan een bevolking een oorlogsmisdaad is? Zo ja, wat gaat het kabinet doen om hiertegen op te treden? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat het kabinet de watervoorziening in Libanon ondersteunen?
Wat doet het kabinet om zich in te zetten voor de-escalatie in het Midden-Oosten? Wat doet het kabinet om verdere aanvallen van Israël in Libanon te voorkomen?
Bent het eens met de uitspraken van Human Rights Watch-onderzoeker Ramzi Kaiss over de situatie in Libanon? Wat gaat u doen om een humanitaire ramp te voorkomen?3
Hoe gaat Nederland Libanon steunen in de strijd tegen Israël én bij het ontwapenen en beteugelen van de bewapende tak van Hezbollah, gezien het feit dat de Libanese regering maatregelen heeft genomen om het geweld te stoppen?4
Hoe gaat Nederland, samen met de EU, de Golfstaten of andere landen, komen tot de-escalatie en gesprekken tussen alle partijen om deze oorlog zo snel mogelijk te beëindigen, zeker gezien Libanon al aangeeft in gesprek te willen, en de aangenomen motie Dobbe (Kamerstuk 23 432, nr. 640)? Welke stappen gaat het kabinet wanneer nemen?
Hoe rijmt u het advies van het Internationaal Gerechtshof uit 20245 met de actuele berichten uit de Westelijke Jordaanoever waarbij kinderen worden vermoord, huizen in brand worden gestoken en de uitbreiding van illegale nederzettingen?6
Hoe effectief is tot nu toe het Nederlandse beleid geweest ten aanzien van het opvolgen van deze adviezen?
Deelt u de mening dat als we doen wat we al deden, de verwachte resultaten hetzelfde blijven? En herinnert u zich de ambtelijke nota van afgelopen zomer waarin bleek dat als handelen niet effectief is, je moet opschalen?7
Hoe gaat u de adviezen van het Internationaal Gerechtshof in 2024 omzetten in handelen van dit kabinet, daarin meewegend dat als handelen tot nu toe ineffectief is gebleken dit kabinet zal opschalen, waarbij het doel is de Israëlische aanwezigheid in de Palestijnse gebieden beëindigd wordt, Israël onmiddellijk moet stoppen met het bouwen van nieuwe nederzettingen en Nederland de Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden erkent als onrechtmatig? Kunt u dit uitsplitsen per te nemen maatregel en uitleggen waarom u kiest voor deze maatregel?
Wat is uw reactie op het rapport van de High Commissioner for Human Rights van afgelopen februari over de mensenrechtensituatie in de bezette Palestijnse gebieden?8
Deelt u de conclusies van het rapport waarbij de straffeloosheid van Israëls oorlogsdaden de afbraak van het internationaal recht hebben ingezet en dat deze beweging gestopt moet worden?
Bent u bereid, zoals de High Commissioner for Human Rights oproept, om een wapenembargo in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier gaat Nederland bijdragen om Israël zover te krijgen om een onderzoek te starten naar de straffeloosheid van Israëlische kolonisten met betrekking tot het doden van Palestijnse burgers op de Westelijke Jordaanoever, zoals staten verplicht zijn?9
Hoe is het kabinet van plan om de motie Paternotte c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3236), over een nationaal verbod op handel met illegale nederzettingen, uit te voeren gezien de actuele situatie?
De aangenomen doodstrafwet in Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat het Israëlische parlement een wet heeft aangenomen die de doodstraf mogelijk maakt en die in de praktijk uitsluitend op Palestijnen zal worden toegepast?1
Uw Kamer is op 26 maart jl. geïnformeerd over het standpunt van het kabinet over deze wetgeving.2 Het kabinet vindt de aanname van de Israëlische wet over de doodstraf door de Knesset onacceptabel. Nederland is principieel tegen de doodstraf en veroordeelt het toepassen van executies wat wordt gezien als onmenselijk en ondoeltreffend. Daarnaast is het discriminatoire karakter van de wetgeving extra zorgwekkend en onacceptabel. Het kabinet heeft de zorgen over en afkeur van het wetsvoorstel meermaals kenbaar gemaakt bij de Israëlische autoriteiten, zowel publiekelijk als achter de schermen, bijvoorbeeld tijdens het gesprek van de Minister-President met de Israëlische president Herzog op 1 april jl. en het gesprek van de Minister van Buitenlandse Zaken met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar op 15 april jl. Nederland heeft zich daarnaast aangesloten bij de verklaring van de Europese Unie namens de 27 lidstaten over de wetgeving.
Deelt u de opvatting dat een wettelijke regeling die expliciet of feitelijk onderscheid maakt op basis van nationaliteit of etniciteit bij het opleggen van de doodstraf in strijd is met het non-discriminatiebeginsel? Zo nee, waarom niet?
Ja, een wettelijke regeling die onderscheid maakt op basis van nationaliteit of etniciteit bij het opleggen van de doodstraf is volgens het kabinet in strijd met het non-discriminatiebeginsel. Het kabinet wijst er hierbij op dat het Internationaal Gerechtshof in zijn advies van 19 juli 2024 inzake de Israëlische bezetting van de Palestijnse heeft vastgesteld dat Israël de verplichting heeft om alle wetgeving en maatregelen die discriminerend zijn jegens de Palestijnse bevolking in de bezette Palestijnse Gebieden in te trekken. Met het invoeren van deze nieuwe wetgeving gaat Israël tegen dit advies in.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van VN-experts dat toepassing van de doodstraf in de bezette Palestijnse gebieden neerkomt op een oorlogsmisdaad?2
Het kabinet neemt de waarschuwing van VN-experts serieus. De VN-experts verwijzen specifiek naar de bepaling in de Israëlische wetgeving die het opleggen en uitvoeren van de doodstraf binnen een termijn van 90 dagen mogelijk zou maken. Het Vierde Verdrag van Genève bepaalt dat opzettelijk aan beschermde personen het recht onthouden op een eerlijke en rechtmatige berechting, een ernstige inbreuk is op dat verdrag. Dergelijke ernstige inbreuken zijn aangemerkt als oorlogsmisdrijven.
Erkent u dat het opleggen van de doodstraf door een bezettende macht aan beschermde personen onder het Vierde Verdrag van Genève in beginsel verboden is? Zo nee, waarom niet?
Volgens het Vierde Verdrag van Genève mag een bezettende macht alleen de doodstraf opleggen aan beschermde personen (in dit geval de lokale Palestijnse bevolking) indien deze personen schuldig zijn bevonden aan spionage, een ernstige daad van sabotage tegen de militaire installaties van de bezettende macht, of aan opzettelijke vergrijpen die de dood van één of meer personen tot gevolg hebben gehad. Terdoodveroordeelden hebben het recht om gratie of uitstel van executie te verzoeken. Een belangrijke voorwaarde is dat de doodstraf alleen mag worden opgelegd indien bovengenoemde vergrijpen al strafbaar waren, met de doodstraf als strafbepaling, volgens de wetgeving van het bezette gebied die van kracht was voordat de bezetting begon.
Hoe verhoudt deze wet zich volgens u tot internationale standaarden rondom het recht op een eerlijk proces, met name gezien signalen dat rechters verplicht worden de doodstraf op te leggen en procedures worden versneld?
Verschillende onderdelen van de wet lijken in strijd te zijn met het recht op een eerlijk proces en, vanwege de aard van de wetgeving, daardoor met het recht op leven. Het gaat daarbij om het verplichte karakter van de doodstraf onder deze wet en het gebrek aan discretionaire ruimte voor de rechter, naast het feit dat de doodstraf onder deze wet zal worden opgelegd aan Palestijnse burgers door militaire rechtbanken in de bezette Palestijnse Gebieden. Dit is een van de vele maatregelen waarmee de Palestijnse bevolking gescheiden wordt gehouden van de kolonisten in de bezette gebieden, in strijd met het discriminatieverbod onder artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Over de praktijk van berechting van Palestijnse burgers door Israëlische militaire rechtbanken – en de eerbiediging van het recht op een eerlijk proces hierbij – uiten internationale waarnemers al langer zorgen. Wanneer aan deze zelfde militaire rechtbanken de (dwingende) bevoegdheid wordt toegekend tot het opleggen van de doodstraf aan burgers, worden deze zorgen des te pregnanter. Wanneer de doodstraf wordt opgelegd als gevolg van een procedure waarin het recht op een eerlijk proces wordt geschonden, moet de opgelegde doodstraf worden beschouwd als willekeurig en in strijd met het recht op leven.
Bent u bereid expliciet te erkennen dat deze wetgeving in strijd is met het internationaal recht, zoals ook door onafhankelijke experts en VN-rapporteurs wordt gesteld?
Zie het antwoord op vraag 1, 4 en 5. De zorgen van het kabinet worden gedeeld met verschillende gelijkgezinde staten en internationale experts. Ook binnen Israël heeft de wetgeving tot veel kritiek geleid. Direct na het aannemen van de wet door de Knesset, hebben verschillende Israëlische organisaties beroep hiertegen ingesteld bij het Israëlische Hooggerechtshof. Het kabinet volgt de uitspraak van het Hooggerechtshof nauwlettend.
Welke stappen zet Nederland, nationaal en in EU-verband, om deze wetgeving aan te kaarten en aan te dringen op intrekking ervan?
Nederland voert wereldwijd een afschaffingsbeleid ten aanzien van de doodstraf. Dit afschaffingsbeleid wordt al vele jaren gezamenlijk met EU-partners verricht op grond van EU-richtlijnen en Nederland draagt ook actief bij aan het uitvoeren van dit beleid. De EU roept in het bijzonder op tot het handhaven of instellen van moratoria als een eerste stap naar afschaffing. Nu de Israëlische doodstrafwet is aangenomen roept Nederland Israël op de wet niet te implementeren en zal Nederland actief handelen langs de lijnen van het (Europese) afschaffingsbeleid. Het kabinet heeft de zorgen over en afkeur van het wetsvoorstel meermaals kenbaar gemaakt bij de Israëlische autoriteiten, zowel publiekelijk als achter de schermen, bijvoorbeeld tijdens het gesprek van de Minister-President met de Israëlische president Herzog op 1 april jl. en het gesprek van de Minister van Buitenlandse Zaken met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar op 15 april jl. Nederland heeft zich daarnaast aangesloten bij de verklaring van de Europese Unie namens de 27 lidstaten over de wetgeving
Bent u bereid om in EU-verband of nationaal hier maatregelen aan te verbinden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 7.
Hoe past het uitblijven van concrete maatregelen tegen deze wet binnen het kabinetsbeleid om straffeloosheid wereldwijd tegen te gaan, en welke vervolgstappen overweegt u om hier invulling aan te geven?
Zie antwoord vraag 8.
Wilt u deze vragen voor aanvang van de voortzetting van het Commissiedebat Humanitaire hulp van donderdag 9 april 2026 beantwoorden?
Het kabinet heeft getracht te voldoen aan een zo spoedig mogelijke beantwoording. Door de korte termijn en de juridisch complexe materie, is het niet gelukt de vragen voor de voortzetting van het Commissiedebat Humanitaire hulp te beantwoorden.
Het artikel van The Guardian 'US directs embassies to team up against foreign ‘hostility’ – and use X to ‘counter anti-American propaganda’' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van The Guardian «US directs embassies to team up against foreign «hostility» – and use X to «counter anti-American propaganda»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat Amerikaanse ambassades volgens deze instructie actief lokale influencers, academici en maatschappelijke organisaties zouden moeten inzetten om narratieven te beïnvloeden?
Het staat andere landen vrij om aan vormen van (publieks-)diplomatie te doen en samen te werken met personen die in Nederland wonen of gelieerd zijn aan Nederland, uiteraard met inachtneming van onze democratische rechtsstaat.
Zijn er aanwijzingen dat Amerikaanse ambassade- en/of consulaatmedewerkers in Nederland de bovenstaande activiteiten uitvoeren? Zo ja, wat bent u voornemens hieraan te doen?
Tot op heden heeft het kabinet geen aanwijzingen hiervoor.
In algemene zin heeft het kabinet middels de Rijksbrede aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging (OBI) verschillende mogelijkheden om bij signalen van OBI op te treden. Op dit moment zijn dergelijke signalen er niet.
Acht u het wenselijk dat diplomatieke communicatie en militaire beïnvloedingsoperaties op deze wijze met elkaar verweven raken? Zo niet, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2. Vrijwel elke overheid, ook de Nederlandse, vergaart via regulier diplomatiek verkeer, publieksdiplomatie en media-aandacht steun voor bepaalde ideeën en belangen of om meningsverschillen te beslechten. Buitenlandse beïnvloeding is niet ondermijnend wanneer het op openlijke en legitieme wijze plaatsvindt en daarbij binnen de regels van de Nederlandse democratische rechtsorde blijft. De grenzen van statelijke inmenging zijn vastgelegd in de aanpak van OBI.2
Ziet u deze oproep in het kader van inmenging in de Nederlandse rechtsstaat? Zo nee, waarom niet?
Tot op heden zijn er geen aanwijzingen dat er in dit geval sprake is van statelijke inmenging. Voor een actueel overzicht van het dreigingsbeeld, verwijs ik uw Kamer naar het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren 2025.
Wat is uw oordeel over het feit dat de Amerikaanse overheid het platform X van Elon Musk expliciet aanwijst als «innovatief instrument» voor het tegengaan van anti-Amerikaanse propaganda, mede in het licht van de € 120 miljoen boete die de EU X recent heeft opgelegd wegens misleidende praktijken onder de Digital Services Act?
X is een groot online platform, dat door diverse landen wereldwijd gebruikt wordt.
Digitale platforms worden in de EU gereguleerd door de Digitale (Dienstenverordening DSA). Het kabinet steunt de Europese Commissie in de onverminderde handhaving van deze wetgeving en heeft vertrouwen in het handelen van de Commissie als er sprake is van onrechtmatige praktijken.
Deelt u de mening dat de officiële inzet van een privéplatform – waarvan de eigenaar tevens een invloedrijke rol vervulde binnen de regering Trump – als diplomatiek communicatiemiddel ernstige vragen oproept over onafhankelijkheid en integriteit?
Het is niet aan de Nederlandse regering te oordelen over de keuzes in het gebruik van sociale mediaplatforms als regeringscommunicatiemiddel van andere landen. Zie tevens antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om als kabinet op dit platform actief te zijn, en bent u voornemens om van X af te gaan naar aanleiding van dit en andere berichten die de integriteit van het platform sterk in twijfel trekken? Zo niet, waarom niet?
Het bereiken van zoveel mogelijk mensen en hen in staat stellen kennis te nemen van overheidsinformatie, juist ook groepen die via traditionele media minder goed worden bereikt, is belangrijk voor de Rijksoverheid. De sociale media-accounts van de bewindspersonen, waaronder hun accounts op X, zijn een van de manieren waarop dit gebeurt. We onderzoeken daarbij steeds nieuwe mogelijkheden en middelen, waarmee we zo veel mogelijk mensen kunnen blijven bereiken.
De Rijksoverheid is zich bewust van de berichtgeving over negatieve ontwikkelingen op sommige sociale mediakanalen. De (on)wenselijkheid om op sociale mediakanalen aanwezig te zijn is ook geregeld onderwerp van gesprek. Ministeries en publieke dienstverleners maken hierin hun eigen afweging, waarbij verschillende factoren een rol kunnen spelen. Het belang om zoveel mogelijk burgers te bereiken en in staat te stellen kennis te nemen van de informatie van de Rijksoverheid, juist ook burgers die via traditionele media en communicatie niet altijd (meer) te bereiken zijn, is een factor die bij de meeste organisaties van de Rijksoverheid zwaar weegt bij het maken van een afweging.
Bent u bereid dit te bespreken met de Amerikaanse ambassadeur en de Kamer te informeren over de uitkomst van dat gesprek? Zo niet, waarom niet?
De Amerikaanse regering is goed op de hoogte van het Nederlandse standpunt ten aanzien van de bescherming van de vrijheid van meningsuiting, de bestrijding van desinformatie en digitale weerbaarheid en Europese wetgeving daaromtrent. Het kabinet ziet vooralsnog geen noodzaak om deze specifieke instructie op te brengen in de gesprekken met de VS omdat er geen aanwijzing is dat er sprake is van ongewenste buitenlandse inmenging.
Bent u bereid dit onderwerp te agenderen in de Raad Buitenlandse Zaken? Zo niet, waarom niet?
Het kabinet ziet geen aanleiding dit specifieke artikel te agenderen op de Raad Buitenlandse Zaken. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Diepzeemijnbouw |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , Berendsen , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA)-Raad van maart 2026 het besluit heeft genomen om onderzoek naar mogelijke schendingen van contractuele verplichtingen door contractanten voort te zetten, en welke positie heeft Nederland hier tijdens de Raad over ingenomen?
Is er voor Nederland nog een bijzondere rol binnen de ISA weggelegd, aangezien één van de contractanten een Zwitsers-Nederlands bedrijf is? Zijn er door de ISA ook directe vragen gesteld aan de Nederlandse overheid? Zo ja, wat was de reactie van het kabinet hierop?
Bent u bekend met het rapport «Inquiry On Potential Breaches By ISA Contractors» van Greenpeace International1?
Kunt u bevestigen dat Allseas inderdaad valt onder het ISA-onderzoek, aangezien in het rapport staat dat Allseas, via dochterbedrijf Blue Minerals Jamaica (BMJ) en de samenwerking met TMC, mogelijk onder het lopende ISA-onderzoek valt naar overtreding van contractregels?
Erkent u dat Allseas een sleutelpositie inneemt binnen de plannen voor diepzeemijnbouw door The Metals Company via de Amerikaanse vergunningaanvraag, aangezien het bedrijf de essentiële technologie en het diepzeemijnbouwschip «Hidden Gem» levert? Hoe weegt u deze rol?
Erkent u dat Nederland, gezien de betrokkenheid van een Nederlands bedrijf in deze keten, daarmee ook een sleutelrol vervult en een verantwoordelijkheid draagt om het mandaat van de ISA en het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) actief te beschermen en te handhaven?
Het kabinet heeft eerder met Allseas gesproken naar aanleiding van de motie-Postma, en heeft daarbij benadrukt dat Nederland staat voor de integriteit van UNCLOS en dat diepzeemijnbouw in internationale wateren alleen binnen het ISA-kader mag plaatsvinden; wat was de reactie van Allseas op deze boodschap? Heeft het bedrijf zich daarbij expliciet gecommitteerd om uitsluitend binnen het ISA-kader te opereren?
Gezien het feit dat Allseas de plannen om via de Verenigde Staten buiten het ISA-kader te opereren voortzet en een dergelijke vergunning op korte termijn verleend kan worden, welke concrete stappen zal Nederland zetten op het moment dat zo’n buitenlandse vergunning wordt verleend voor diepzeemijnbouw buiten het ISA-kader, waarbij een Zwitsers-Nederlands bedrijf zoals Allseas betrokken is?
Recente berichtgeving over de invoering van de doodstraf door Israël, de aanhoudende kolonistenaanvallen op Taybeh en ontwikkelingen rond de Tent of Nations |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Knesset passes death penalty law for Palestinians convicted of deadly acts of terror»1 en andere recente berichtgeving over dit onderwerp?
Ja.
Klopt het dat de Israëlische Knesset een wet heeft aangenomen die de doodstraf (door ophanging) als standaardstraf invoert voor niet-Israëliërs die door militaire rechtbanken zijn veroordeeld voor dodelijke aanslagen? Hoe beoordeelt u het feit dat deze wet in de praktijk vooral of uitsluitend van toepassing lijkt te zijn op Palestijnen, en niet op Israëlische daders van vergelijkbare feiten?
Graag verwijst het kabinet u naar de recent verstuurde Kamerbrief over dit onderwerp.2
Deelt u de zorgen van internationale organisaties en de Europese Unie dat deze wet in strijd is met internationale mensenrechtennormen en het non-discriminatiebeginsel? Op welke wijze voldoet de wet daar volgens het kabinet niet aan?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het ontbreken van mogelijkheden tot beroep of gratie in deze wet, zoals gemeld in de berichtgeving?
Dit is strijdig met internationaal recht. Het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten waarbij zowel Nederland als Israël partij zijn, schrijft voor dat eenieder die ter dood veroordeeld is het recht heeft om gratie of verzachting van het vonnis te vragen. Ten aanzien van het recht om beroep in te kunnen stellen, heeft het VN-Mensenrechtencomité verduidelijkt dat dit onderdeel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces. Een schending van het recht om beroep in te kunnen stellen tegen een veroordelend vonnis waarbij de doodstraf is opgelegd, moet er volgens het VN-Mensenrechtencomité toe leiden dat de opgelegde doodstraf wordt beschouwd als willekeurig en daarmee als een schending van het recht op leven.3
Bent u bereid deze zorgen bilateraal en in EU-verband over te brengen aan de Israëlische autoriteiten? Welke verdere stappen overweegt u verder te nemen?
Zie het antwoord op vraag 2. Nu de wet is aangenomen roept Nederland Israël op de wet niet te implementeren en zal Nederland actief handelen langs de lijnen van het (Europese) afschaffingsbeleid. Conform het afschaffingsbeleid zet het kabinet zich in tot het instellen van een moratorium als een eerste stap naar afschaffing.
Welke gevolgen verwacht u dat deze wet zal hebben voor de rechtsstaat, de spanningen in de regio en de veiligheidssituatie op de Westelijke Jordaanoever? Welke rol kan Nederland hierin spelen?
Het wetsvoorstel past binnen de bredere zorgen die het kabinet heeft over de rechtstatelijke ontwikkelingen in Israël. Hierover blijft het kabinet met de Israëlische regering in gesprek.
De exacte gevolgen zijn momenteel niet te voorspellen en zal afhangen van de wijze waarop er daadwerkelijk invulling aan de wet zal worden gegeven. Bovendien ligt er ook een zaak voor bij het Israëlisch hooggerechtshof over de wet. Israël kende altijd al de doodstraf, echter dit is een heel grote stap in de verkeerde richting. Begrijpelijkerwijs leidt tot grote bezorgdheid onder Palestijnen en tot verdere ongelijkheid tussen Israëliërs en Palestijnen. Zie verder het antwoord op vragen 2, 5 en 11.
Bent u bekend met het artikel van Cvandaag over de zorgen van een priester uit het christelijke dorp Taybeh over aanhoudende aanvallen door Israëlische kolonisten?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat in het overwegend christelijke dorp Taybeh sprake is van herhaalde aanvallen op bewoners, landbouwgrond en religieuze locaties door kolonisten en dat dit niet is opgehouden sinds de laatste keer dat de ChristenUnie hier aandacht bij het kabinet voor vroeg? Welke stappen heeft de Minister genomen sinds de eerder gestelde en beantwoorde Kamervragen?3 Wat de respons van de Israëlische autoriteiten?
Het kolonistengeweld op de Westelijke Jordaanoever is het afgelopen jaar toegenomen. Ook het dorp Taybeh is sinds de eerder gestelde Kamervragen opnieuw doelwit geweest van aanvallen. Het kabinet veroordeelt kolonistengeweld, waaronder geweld tegen christelijke gemeenschappen. Het kabinet brengt deze boodschap consequent over en benadrukt daarbij dat Israël als bezettende macht verantwoordelijk is voor de bescherming van de bevolking en voor het vervolgen van plegers van dit geweld. Zoals bekend zet Nederland zich in EU-verband in voor sancties voor sancties tegen gewelddadige kolonisten. De Israëlische autoriteiten hebben aan gegeven steviger te willen gaan optreden tegen gewelddadige kolonisten. Het kabinet moet echter constateren dat dit vooralsnog bij woorden is gebleven. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Kunt u aangeven in hoeverre de Israëlische autoriteiten optreden tegen daders van kolonistengeweld en in hoeverre sprake is van straffeloosheid? En heeft het ministerie een beeld in hoeveel dorpen/gebieden dit inmiddels speelt? Hoeveel kolonisten die opgepakt zijn, zijn in de afgelopen 2 jaar uiteindelijk veroordeeld?
In het advies van 19 juli 2024 over het optreden van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden, oordeelt het Internationaal Gerechtshof dat Israël systematisch faalt om aanvallen van kolonisten op de lichamelijke integriteit en/of het leven van Palestijnen te voorkomen of te bestraffen. Het Hof oordeelt tevens dat Israël zelf buitensporig geweld gebruikt. Volgens het Hof is dit in strijd met Israëls verplichtingen om het recht op leven van Palestijnen onder het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten te eerbiedigen.
In gevallen waar Israëlische autoriteiten wel optreden tegen het geweld, leidt dit vrijwel nooit tot een aanklacht, en daarmee een veroordeling. Uit cijfers van de Israëlische ngo Yesh Din blijkt dat in de periode van 2005–2025 3% van de onderzoeken naar kolonistengeweld tot een veroordeling leidde. Sinds 7 oktober 2023 is het aantal veroordelingen voor kolonistengeweld volgens diezelfde cijfers 0; wel heeft een aantal kolonisten tijdelijk in administratieve detentie gezeten. Het uitblijven van effectieve handhaving werkt straffeloosheid in de hand en draagt bij aan verdere escalatie. Het kabinet blijft dit benadrukken richting de Israëlische regering.
Zowel het Internationaal Strafhof als diverse onderzoeksmechanismen ingesteld door de VN(-Mensrechtenraad) doen reeds onderzoek naar de situatie. Nederland deed de afgelopen jaren een extra vrijwillige bijdrage van in totaal EUR 6 mln. aan het Internationaal Strafhof voor de versterking van de algehele onderzoekscapaciteit van het Hof. Het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten in de Palestijnse Gebieden speelt een belangrijke rol waar het onderzoek naar mensenrechtenschendingen betreft.
Bent u bereid zich in EU-verband in te zetten voor concrete maatregelen om Palestijnse (en in ook in het bijzonder christelijke) gemeenschappen zoals Taybeh beter te beschermen tegen geweld door kolonisten?
Nederland veroordeelt kolonistengeweld en geweld tegen Palestijnse burgers. In EU-verband blijft Nederland voortrekker voor sancties voor sancties tegen gewelddadige kolonisten.
Welke stappen onderneemt Nederland momenteel om de veiligheid, rechtsbescherming en leefbaarheid van gemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever te ondersteunen?
Het is van belang vanuit verschillende invalshoeken hier een bijdrage aan te leveren. Ten eerste door het beëindigen van de onrechtmatige Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever. Nederland schaart zich achter de oproep om de onrechtmatige bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van Israëls legitieme veiligheidsbelangen. Het kabinet benadrukt dat Israël als bezettende macht verantwoordelijk is voor bescherming van de lokale bevolking en voor het vervolgen van daders van misdrijven. In EU-verband blijft Nederland voortrekker voor sancties voor sancties tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties. Daarnaast werkt het kabinet aan nationale maatregelen om producten uit de onrechtmatige nederzettingen te weren van de Nederlandse markt.
Nederland zet zich ook actief in via steun aan de Palestijnse Autoriteit en via verschillende ontwikkelingssamenwerkingsprojecten, met name op het gebied van water, rechtstaat en private sector ontwikkeling, die bijdragen aan de rechtsbescherming en leefbaarheid in de Westelijke Jordaanoever. Lokaal onderhoudt de Nederlandse vertegenwoordiging in de Palestijnse Gebieden ook contact met Palestijnse gemeenschappen. Nederland draagt bij aan projecten die het tegengaan van straffeloosheid promoten en projecten die Palestijnen, die bedreigd worden door kolonisten, steunen, onder door middel van juridische hulp en weerbaarheidstrainingen.
Klopt het dat sinds de beantwoording van eerdere Kamervragen4 de situatie rond de Tent of Nations (d.d. 14 april 2025) is verergerd? Zo ja, op welke wijze?
Ja. De nabijgelegen buitenpost is verder uitgebreid in de richting van het land van Tent of Nations. Daarnaast is er een toename van intimidaties en incursies door kolonisten.
Klopt het dat er inmiddels wegen en andere infrastructuur zijn aangelegd op het terrein van Tent of Nations? Klopt het dat deze infrastructuur door de rechter als illegaal is bestempeld en verwijderd moet worden? Waarom wordt er niet gehandhaafd en waar ligt dat aan?
Ja. De Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden, de nederzettingen aldaar en de daarmee gepaarde infrastructuur zijn onrechtmatig – dus ook de door kolonisten aangelegde infrastructuur nabij en op het land van Tent of Nations. Daar komt bovenop dat ook de Israëlische rechter meermaals heeft geoordeeld dat de aangelegde infrastructuur op het land van Tent of Nations illegaal is en moet worden verwijderd. De Israëlische autoriteiten hebben tot op heden geen actie ondernomen naar aanleiding van deze uitspraken, hetgeen het kabinet afkeurt. Het kabinet kan niet speculeren over waarom deze rechterlijke uitspraken niet nageleefd worden.
Klopt het dat zolang de uitspraak van de rechter niet wordt nageleefd en de infrastructuur wordt verwijderd, de bewegingsvrijheid van de eigenaren van de Tent of Nations de facto wordt beperkt door deze «facts on the ground»?
Ja.
Klopt het dat er wooncontainers direct naast het land van de familie Nassar zijn geplaatst? Zo ja, is het rechtmatig dat deze daar staan? Zo nee, wat is uw inzet richting de Israëlische autoriteiten om te zorgen dat deze worden verwijderd?
Zie het antwoord op vragen 11, 12 en 13. Er wordt nog altijd gewacht op een (datum voor) uitspraak in de landregistratiezaak van Tent of Nations. Nederland blijft de zaak van Tent of Nations met regelmaat onder de aandacht brengen van de Israëlische autoriteiten, en wijst hen daarbij op hun verantwoordelijkheid om de familie Nassar, hun land en hun gasten te beschermen. Dit gebeurt op politiek en ambtelijk niveau, zowel vanuit Den Haag als via de ambassade in Tel Aviv en vertegenwoordiging in Ramallah.
Hoe staat het met de lopende rechtszaak tussen de Israëlische regering en de eigenaren van de Tent of Nations? Is er zicht op een datum voor uitspraak? Kunt u hier de Israëlische autoriteiten op aanspreken dat er sprake lijkt te zijn van onnodige vertraging met «facts on the ground» tot gevolg? Welke andere stappen kan het kabinet zetten?
Zie antwoord vraag 15.
Het bericht 'Spanje sluit luchtruim voor militaire vliegtuigen die deelnemen aan oorlog in Iran' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Spanje sluit luchtruim voor militaire vliegtuigen die deelnemen aan oorlog in Iran»?1
Ja.
Hoeveel militaire vluchten verbonden aan de illegale oorlog in Iran maken gebruik van het Nederlandse luchtruim?
Op basis van de Nederlandse NAVO-binnenvliegregeling, die al bijna veertig jaar van toepassing is en aanvullende diplomatieke klaringen, mogen militaire vliegtuigen van de Verenigde Staten gebruikmaken van het Nederlandse luchtruim. Hierbij geldt dat enkel moment van invliegen, uitvliegen en eventueel landen aangeven wordt. Om operationele redenen doet het kabinet geen uitspraken over individuele militaire vliegbewegingen
Hoeveel militaire en commerciële vracht verbonden aan de illegale oorlog in Iran wordt via Nederlandse havens en -luchtruim naar het Midden-Oosten verstuurd?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u reflecteren op het feit dat deze militaire vracht mogelijk gebruikt kan worden voor mensenrechtenschendingen?
Het kabinet hecht groot belang aan de naleving van het internationaal recht. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Bent u voornemens om u aan te sluiten bij het besluit van Zwitserland, Spanje, Italië, en Frankrijk en het Nederlandse luchtruim en militaire bases te sluiten voor militaire en commerciële vracht dat bestemd is voor de illegale oorlog in Iran? Zo nee, waarom niet?
Zwitserland, Spanje, Italië en Frankrijk hebben ieder hun eigen beleid en nationale procedures ten aanzien van militaire en commerciële vluchten. De suggestie dat luchtruim en militaire bases van deze landen volledig gesloten zou zijn voor militaire en commerciële vracht bestemd voor het Iran-conflict doet geen recht aan deze complexe realiteit. Het kabinet is niet voornemens om het Nederlandse luchtruim of militaire bases te sluiten voor militaire of commerciële vracht.
Kunt u reflecteren op de uitspraak van Spaanse Minister Carlos Cuerpo dat «dit besluit deel uitmaakt van het eerder genomen besluit van onze regering om niet mee te doen of bij te dragen aan een oorlog die in strijd [is] met het internationaal recht»?
Nederland is niet betrokken bij het Iran-conflict. Het Nederlandse beleid is gericht op de-escalatie en een diplomatieke oplossing. Het is aan individuele landen om, binnen hun nationale en internationale verplichtingen en op basis van hun eigen beleid te besluiten over het gebruik van hun luchtruim en infrastructuur.
Kunt u deze vragen apart en voor maandag 6 april beantwoorden?
Deze vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Hoe luidt uw reactie op de berichten «PA drafts constitution, omits Jewish ties to Jerusalem, calls for Sharia legal system»1 en «PA paid half a billion shekels to terrorists in pay-for-slay scheme, sources reveal -exclusive»2?
Het kabinet heeft de berichten voor kennisgeving aangenomen.
Wat is de etymologische geschiedenis van de benaming «Jeruzalem»?
Er zijn verschillende theorieën over de etymologische geschiedenis van de benaming van Jeruzalem.
Klopt het met uw informatie dat de Joodse banden met Jeruzalem in de ontwerp-Grondwet, zoals opgesteld door de Palestijnse Autoriteit (PA), worden weggelaten en bijvoorbeeld enkel het beschermen van islamitische en christelijke heiligdommen wordt benoemd? Hoe beoordeelt u dit?
Het klopt dat er in de conceptgrondwet geen referentie wordt gemaakt naar de bescherming van Joodse heilige plekken in Jerusalem, maar wel naar Islamitische en Christelijke heiligdommen. Het kabinet is van mening dat vrije, veilige en niet-discriminerende toegang tot heilige plaatsen van alle religies – waaronder de Joodse heiligdommen in Jeruzalem – een essentieel onderdeel is van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Het kabinet zal de ontwikkelingen omtrent de Grondwet nauwkeurig blijven volgen. Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Meent u dat in een toekomstige situatie de Joodse banden met Jeruzalem nooit mogen worden ontkend en bent u bereid dit standpunt randvoorwaardelijk uit te dragen voor de toekomst?
Jeruzalem heeft historisch gezien en vandaag de dag een speciale status in het jodendom, de islam, en het christendom. Het respecteren van verschillende religieuze plaatsen in Jeruzalem is ook vastgelegd in de al lang bestaande Status Quo-overeenkomst. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een fundamenteel mensenrecht en een prioriteit binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Nederland draagt dit uit en zet zich in om dit recht te beschermen, ook in Israël en de Palestijnse Gebieden. Deze conceptgrondwet is wat het kabinet betreft geen bewijs van ontkenning van de geschiedenis van Jeruzalem door de Palestijnse Autoriteit (PA). Zie ook het antwoord op vraag 3.
Welke historische banden heeft het Joodse volk en het judaïsme wetenschappelijk-historisch gezien volgens dit kabinet ten aanzien van de vroege geschiedenis van Jerusalem en aanwezigheid door de eeuwen heen tot op heden? Hoe verhoudt dit zich tot de uitingen van de PA? Is er sprake van bewuste geschiedvervalsing volgens dit kabinet door de PA en zo ja, op welke onderdelen? Bent u bereid de PA hierop aan te spreken?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wordt invulling gegeven aan de gewijzigde motie-Ceder/Stoffer over het standpunt dat Joden welkom en veilig moeten zijn in Jeruzalem innemen en uitdragen (Kamerstuk 26 150, nr. 239)?
Nederland geeft uitvoering aan deze motie. Het standpunt van het kabinet is dat iedereen het recht heeft om zijn of haar religieuze of levensbeschouwelijke keuze te maken, en dit in vrijheid en veiligheid te doen. Dat geldt wereldwijd, en daarmee ook in Jeruzalem.
Klopt het dat de ontwerp-Grondwet shariawetgeving implementeert? Zo ja, hoe beoordeelt het kabinet dit? Erkent het kabinet dat dergelijke wetgeving op zeer gespannen voet staat met internationale mensenrechtenverdragen zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens? Wat betekent dit voor de omgang van dit kabinet met de PA?
De conceptgrondwet voorziet geen directe implementatie van de sharia. Wel wordt in de conceptgrondwet aangegeven dat bepaalde principes van de sharia als inspiratiebronnen gelden voor wetgeving. Dit is gebruikelijk in islamitische landen en heeft geen invloed op de betrekkingen die het kabinet onderhoudt met de PA.
Bent u bekend met de uitspraken van uw ambtsvoorganger over dat «de systematiek van betalingen aan de families van Palestijnen die door Israëlische troepen gevangen zijn gezet of gedood [is] herzien» en dat de «de betalingen onder het vorige systeem (...) zijn gestopt»?3
Daar ben ik mee bekend.
Klopt het met uw informatie dat de ontwerp-Grondwet de voorzetting van het «pay-for-slay-programma» lijkt te formaliseren? Zo nee, hoe interpreteert u het grondwetsartikel zoals genoemd in het artikel van 13 februari jl.?
Er staat dat «rechten van gevangenen zullen worden bewaard». Er wordt in de conceptgrondwet niet gerefereerd aan het sociale zekerheidssysteem waar betalingen aan achterblijvende families van gevangenen onderdeel van zijn op basis van financiële behoeften. Zie ook het antwoord op vraag 10 en 11.
Heeft u signalen ontvangen dat de PA het «pay-for-slay-programma» in 2025 heeft voortgezet, zoals uiteengezet in het artikel van 25 februari jl.? Wat vindt u daarvan?
De Palestijnse president Abbas ondertekende op 11 februari 2025 een decreet waarin dit systeem werd vervangen door een nieuw sociaal systeem. Het decreet stelt dat deze families in aanmerking komen voor uitkeringen op basis van hun financiële behoeften, net zoals andere Palestijnen die steun behoeven. De hervorming op dit vlak is doorgevoerd en wordt gehandhaafd. President Abbas ontsloeg op 10 november 2025 zijn Minister van Financiën, die volgens berichtgeving goedkeuring had gegeven voor een beperkt aantal betalingen volgens het oude systeem. Daaropvolgend publiceerde president Abbas een verklaring waarin hij de hervormingen t.a.v. het sociale zekerheidssysteem nogmaals bevestigde en waarin hij benadrukte dat alle betalingen volgens dit hervormde systeem zullen plaatsvinden. Het kabinet heeft geen recente signalen ontvangen dat de PA het eerdere systeem van uitkeringen voortzet. Het hervormde systeem wordt momenteel in opdracht van de Palestijnse Autoriteit door een onafhankelijk auditbureau beoordeeld. Daarnaast wordt een onafhankelijke audit uitgevoerd in opdracht van de EU.
Kunt u met zekerheid stellen dat het «pay-for-slay-programma» echt is gestopt? Zo ja, kunt u dit onderbouwen?
Zie antwoord vraag 10.
Mocht u niet met zekerheid kunnen stellen dat het «pay-for-slay-programma» daadwerkelijk is gestopt, kunt u toezeggen om, in lijn met de aangenomen motie-Ceder (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2948), enkel in te stemmen met EU-steun aan de PA als het geld dat de PA uitgeeft aan de uitkeringen wordt afgetrokken van het bedrag aan steun? Zo nee, waarom niet?
Zoals bekend zijn de uitbetalingen in het kader van het meerjarensteunprogramma van de EU aan de Palestijnse Autoriteit afhankelijk van de voortgang op de implementatie van de hervormingen van het sociale systeem, waaronder op het gebied van betalingen van de Palestijnse Autoriteit aan de families van Palestijnen die door Israëlische troepen gevangen zijn gezet of gedood. Het kabinet dringt er bij de Commissie op aan dat deze afspraken nauwgezet worden gemonitord.
Kunt u toezeggen om de Kamer proactief te informeren als u signalen krijgt dat de PA bedragen uitkeert in het kader van «pay-to-slay» en uit een te zetten welke stappen u gaat ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet informeert de Kamer geregeld over de voortgang van de hervormingen van de PA en zal dit blijven doen.
De situatie in het Midden-Oosten |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Israëlische kabinet om het zuiden van Libanon te bezetten en het standpunt van de Israëlische Minister van Financiën Smotrich dat Israël Libanees grondgebied ten zuiden van de Litani-rivier moet annexeren?1
Ja.
Veroordeelt u de bezetting en mogelijke annexatie van Libanees grondgebied? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet erkent de veiligheidszorgen van Israël ten aanzien van Hezbollah, dat al decennialang een dreiging voor Israël vormt en aanhoudend aanvallen op Israël uitvoert.
Tegelijkertijd onderstreept het kabinet dat militair optreden alleen binnen de kaders van het internationaal recht mag plaatsvinden. De uitoefening van het recht op zelfverdediging door Israël tegen de aanvallen van Hezbollah dient binnen de grenzen van noodzakelijkheid en proportionaliteit te blijven. Bij de proportionaliteit plaats het kabinet vragen.
Annexatie is in strijd met internationaal recht. Het kabinet veroordeelt oproepen van Israëlische bewindspersonen tot annexatie van Libanees grondgebied. Het kabinet acht uitspraken van Israëlische bewindspersonen inzake bezetting van Zuid-Libanon daarnaast zorgwekkend. De soevereiniteit en de territoriale integriteit van Libanon zijn hierbij van essentieel belang, naast de leidende principes van noodzakelijkheid en proportionaliteit onder het internationaal recht.
Het kabinet heeft steeds opgeroepen tot een onmiddellijk staakt-het-vuren in Libanon en onderstreept het belang van een diplomatieke oplossing voor het conflict tussen Israël en Hezbollah. Het kabinet verwelkomt het staakt-het-vuren tussen Israël en Libanon, als gevolg van de directe onderhandelingen tussen deze landen onder leiding van de Verenigde Staten. Het kabinet roept, via de EU en in bilaterale contacten, alle partijen op zich aan de gemaakte afspraken te houden en de onderhandelingen voort te zetten om te komen tot een duurzame vrede.
Heeft u alleen begrip voor de veiligheidszorgen van Israël m.b.t. Libanon of heeft u ook begrip voor de Israëlische aanvallen op Libanon? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u begrip voor de Israëlische vernietiging van zeven waterinstallaties in Libanon deze maand, voor 64 Israëlische aanvallen op Libanese gezondheidsdiensten, en voor de verwoesting van drie rivierovergangen waardoor de bewegingsvrijheid van burgers en humanitair personeel ernstig is ingeperkt?2 Zo ja, waarom?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 3, moet militair optreden binnen de kaders van het internationaal recht plaatsvinden. Dat betekent dat het humanitair oorlogsrecht, alsook het recht voor het gebruik van geweld door staten, moet worden gerespecteerd. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Zijn deze aanvallen op burgerdoelen volgens u verboden onder het oorlogsrecht? Zo nee, waarom niet?
Het humanitair oorlogsrecht vereist dat burgers en burgerobjecten worden ontzien en beschermd. Ook biedt het humanitair oorlogsrecht speciale bescherming voor humanitaire hulpverleners en voor objecten die onmisbaar zijn voor de overleving van de burgerbevolking. Die bescherming is niet absoluut. Wanneer hulpverleners handelingen uitvoeren die schadelijk zijn voor de vijand, of wanneer objecten worden gebruikt voor militaire doeleinden, kunnen zij hun bescherming verliezen. In die gevallen dienen alsnog de regels over voorzorgsmaatregelen en proportionaliteit te worden toegepast. Het kabinet beschikt over onvoldoende informatie om over deze specifieke gevallen te kunnen oordelen.
Bent u bereid deze aanvallen te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Op 14 april jl. heeft Nederland een door Frankrijk geïnitieerde verklaring medeondertekend over de situatie in Libanon. Hierin veroordeelt het kabinet in de sterkst mogelijke bewoordingen de grootschalige Israëlische aanvallen in Libanon van 8 april jl. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 3.
Deelt u de observatie dat Israël een gebrek aan water inzet als oorlogswapen? Zo nee, waarom niet?
Het is verboden om opzettelijk gebruik te maken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering, door hun voorwerpen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun overleving. Het gebruik van uithongering als methode van oorlogsvoering is een ernstig internationaal misdrijf. Het is belangrijk dat dit wordt onderzocht en dat bewijsmateriaal van vermeende schendingen wordt verzameld, op basis waarvan een rechter kan bepalen of hier sprake van is.
Bent u bekend met de uitspraak van Minister Smotrich dat de zuidelijke wijken van Beiroet binnenkort op Khan Younis zullen lijken? Veroordeelt u deze uitspraak?
Ja, dit zijn verwerpelijke uitspraken.
Bent u bekend met het bevel van de Israëlische Minister van Defensie om Libanese huizen in het grensgebied te vernietigen «volgens het voorbeeld Beit Hanoun en Rafah»? Is dit volgens u een oorlogsmisdaad? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de uitspraken van Israëlische bewindspersonen waarin parallellen worden getrokken tussen militair optreden in Gaza en Libanon. Voor het kabinet staat voorop dat burgerobjecten te allen tijde bescherming onder het humanitair oorlogsrecht genieten. Het aanvallen of vernielen van gebouwen die normaal bestemd zijn voor bewoning door burgers mag alleen onder strikte voorwaarden. Als niet aan die voorwaarden is voldaan, kan sprake zijn van een schending van het humanitair oorlogsrecht en mogelijk een oorlogsmisdrijf.
Erkent u, op basis van deze uitspraken en het bewijs dat ruimschoots voorhanden is, het risico dat Israël op dit moment in Libanon een blauwdruk van de militaire vernietigingscampagne in Gaza uitrolt?
Zie antwoord vraag 9.
Pleit u net als de Speciaal Coördinator voor Libanon Hennis-Plasschaert voor een staakt-het-vuren? Zo nee, waarom niet?
Zie beantwoording vraag 2 en 3.
Op welke manier heeft u uitvoering gegeven aan de motie-Klaver (Kamerstuk 23 432, nr. 645) om de Libanese regering te ondersteunen bij de implementatie van resolutie 1701 van de VN-Veiligheidsraad?
Het kabinet heeft extra steun beschikbaar gesteld voor de Lebanese Armed Forces (LAF) ter ondersteuning van het herstel van het geweldsmonopolie door middel van de ontwapening van Hezbollah.3 Daarnaast heeft Nederland op 8 april jl. een verklaring ondertekend waarin wordt opgeroepen tot een einde aan de vijandelijkheden. Nederland roept in politieke contacten met Israël op tot de-escalatie en bij de Libanese regering tot extra inzet op de ontwapening van Hezbollah.
Bent u bekend met het bericht «Toename geweld Israël in Gaza sinds Iran-oorlog: «De wereld kijkt andere kant op»» van de NOS, d.d. 23 maart 2026?3
Ja.
Deelt u de analyse dat Israël nog steeds veel te weinig humanitaire hulp binnenlaat? Zo nee, waarom niet?
Ja. Er komt nog altijd te weinig humanitaire hulp Gaza binnen en de humanitaire situatie is onverminderd zorgelijk, mede door de belemmeringen die internationale ngo’s en andere hulporganisaties ondervinden. Ook de herregistratieplicht bemoeilijkt hun inzet aanzienlijk.
Het kabinet roept Israël op de herregistratieplicht terug te draaien en dringt aan bij Israël om de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang te verschaffen. Zo heeft de Minister-President in het gesprek met de Israëlische president op 1 april jl. benadrukt dat de humanitaire situatie in Gaza moet verbeteren en dat Israël alle grensovergangen moeten openstellen voor humanitaire hulp. Daarnaast heeft Nederland tijdens de Europese Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. benadrukt dat de gevolgen van het Israëlische handelen in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever, waaronder de humanitaire situatie in Gaza, aanleiding kunnen geven om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen in het kader van artikel 2 van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël opnieuw te agenderen.
Hoeveel kinderen zijn er sinds de aanvang van het staakt-het-vuren gedood door de Israëlische krijgsmacht in Gaza?
Volgens de meest recente cijfers van het Gazaanse Ministerie van Gezondheid en Save the Children zijn er tussen 10 oktober 2025 en 3 april jl. meer dan 700 Palestijnen, onder wie ten minste 180 kinderen, omgekomen door Israëlische aanvallen.
Hoe heeft u in uw eerste maand als Minister van Buitenlandse Zaken de druk bij Israël opgevoerd om de aanvallen op Gaza te staken en meer humanitaire hulp toe te laten?
Het kabinet weegt voortdurend welke combinatie van diplomatieke druk en dialoog het meest effectief is om invloed uit te oefenen op het beleid van Israël. Het kabinet acht het van groot belang dat het staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas standhoudt en dat verdere stappen worden gezet om het vredesplan te implementeren. Deze boodschap wordt consequent en op alle niveaus overgebracht aan de Israëlische autoriteiten, recentelijk door de Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken. Zie verder het antwoord op vraag 14.
Op welke manier gaat u de druk op de Israëlische autoriteiten verder opvoeren?
Zie antwoord vraag 16.
Bent u bekend met het artikel «No Israel prosecutions for killing Palestinian civilians in occupied West Bank since start of decade» van The Guardian, d.d. 25 maart 2026?4
Ja.
Deelt u de mening dat deze straffeloosheid onacceptabel is? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om deze straffeloosheid te bestrijden?
Het kabinet ziet momenteel te weinig onderzoek naar, en berechting van, internationale misdrijven door Israël zelf. Nederland spreekt Israël hier consistent op aan. Als een staat niet bereid of niet in staat is om zelf internationale misdrijven te onderzoeken en degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn te vervolgen en te berechten komt de internationale gemeenschap in beeld. In het geval van Israël en de bezette Palestijnse Gebieden bestaan reeds door de VN-Mensenrechtenraad gecreëerde mandaten die onderzoek doen naar vermeende schendingen.
Nederland zet zich in voor activiteiten die het afleggen van rekenschap in brede zin (en in de toekomst) mogelijk maken, bevorderen en ondersteunen. Zo heeft Nederland de afgelopen jaren in totaal een extra vrijwillige bijdrage aan het Internationaal Strafhof gedaan van 6 miljoen euro voor de versterking van de onderzoekscapaciteit van het Hof. Het kantoor van de VN Hoge Vertegenwoordiger voor Mensenrechten (Office of the High Commissioner for Human Rights, OHCHR) ontvangt in 2026 iets meer dan 2,1 miljoen euro ter ondersteuning van de onderzoekswerkzaamheden van het VN-landenkantoor in de bezette Palestijnse Gebieden.
Hoe past deze straffeloosheid volgens u in het oordeel van het Internationaal Gerechtshof dat er sprake is van apartheid dan wel rassendiscriminatie in de bezette Palestijnse Gebieden?
Zie het antwoord op vraag 19. In zijn advies van 19 juli 2024 over het optreden van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden, oordeelt het Internationaal Gerechtshof onder meer dat Israël systematisch tekortschiet om aanvallen van kolonisten op de lichamelijke integriteit en/of het leven van Palestijnen te voorkomen of te bestraffen. Het Hof oordeelt tevens dat de Israëlische staat buitensporig geweld gebruikt. Volgens het Hof is dit in strijd met Israëls verplichtingen om het recht op leven van Palestijnen onder het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten te eerbiedigen. Het Hof koppelt deze schending niet rechtstreeks aan artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Wel oordeelt het Hof op basis van een analyse van Israëlische wetgeving en maatregelen, waaronder het verblijfsvergunningsbeleid in Oost-Jeruzalem en het beperken van de bewegingsvrijheid van Palestijnen, dat Israël deze verplichting schendt.
Vindt u dat het Israëlische rechtssysteem functioneert zoals het in een democratische rechtsstaat zou moeten? Zo ja, kunt u toelichten waarom u dat vindt?
Israël wordt van oudsher gekenmerkt als een democratische rechtsstaat met een sterk rechtssysteem. Deze staan echter onder druk, onder meer door (voorgenomen) juridische hervormingen die de rechterlijke macht verzwakken. Het kabinet onderstreept het belang van het respecteren van de fundamenten van de democratische rechtsstaat, waaronder een onafhankelijke rechterlijke macht. Het kabinet is daarbij van mening dat het in het belang van Israël zelf is om de fundamenten van de Israëlische rechtsstaat te eerbiedigen.
Deelt u de oproep van de voormalige Israëlische premier Olmert dat het Internationaal Strafhof tegen het geweld tegen Palestijnse burgers op de Westelijke Jordaanoever zou moeten ingrijpen? Zo ja, bent u bereid het Internationaal Strafhof daartoe een financiële bijdrage te leveren? Zo nee, waarom niet?
Het Internationaal Strafhof heeft op dit moment een lopend onderzoek naar de situatie in de Palestijnse Gebieden. In het kader van dit onderzoek zijn door het Hof ook arrestatiebevelen uitgevaardigd. Nederland respecteert de onafhankelijkheid van het Internationaal Strafhof en bemoeit zich niet inhoudelijk met de onderzoeken die door het Hof worden uitgevoerd. Zoals eerder gesteld heeft Nederland de afgelopen jaren in totaal een extra vrijwillige bijdrage aan het Internationaal Strafhof gedaan van 6 miljoen euro voor de versterking van de onderzoekscapaciteit van het Hof.
Bent u bekend met het bericht «Slovenia decides not to join ICJ case against Israel as political scandals deepen» van Euronews, d.d. 20 maart 2026?5
Ja.
Heeft Israël ook druk uitgeoefend op Nederland om geen interventie te plegen in de zaak van Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof? Zo ja, kunt u nader toelichten hoe?
Israël heeft zijn positie over een eventuele interventie destijds kenbaar gemaakt.
Klopt het dat ook Nederlandse autoriteiten Israëlische software in gebruik heeft, zoals Pegasus? Zo ja, deelt u de mening dat dit een afhankelijkheidsrelatie creëert waarmee Israël ons kan chanteren?
Het kabinet werkt via de Taskforce Strategische Afhankelijkheden aan het mitigeren van de risico’s van strategische afhankelijkheden. Hierbij worden alle afhankelijkheden die Nederland van landen buiten de EU heeft meegewogen. De Kamer is middels de Kamerbrief (Kamerstuk 30 821, nr. 244) over de voortgang van de kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden geïnformeerd. Wegens nationale veiligheidsoverwegingen wordt er niet openbaar gecommuniceerd over de strategische afhankelijkheden die het kabinet als risicovol aanmerkt. Over de wijze waarop de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gebruik maken van hun wettelijk toegekende bijzondere bevoegdheden kan in het openbaar geen mededeling worden gedaan.
Welke stappen onderneemt u om ongewenste afhankelijkheden van Israël af te bouwen?
Zie antwoord vraag 25.
De voorgenomen sluiting van de Nederlandse ambassade in Juba, Zuid-Soedan |
|
Sarah Dobbe (SP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van de Dutch Relief Alliance (DRA) van 2 maart 2026 over de voorgenomen sluiting van de Nederlandse ambassade in Juba?
Kunt u inhoudelijk reageren op de zorgen en argumenten die in deze brief worden genoemd, in het bijzonder ten aanzien van humanitaire toegang, diplomatieke aanwezigheid en veiligheid van hulpverleners?
Deelt u de analyse dat Zuid-Soedan structureel te maken heeft met samenlopende crises – waaronder gewapend conflict, klimaatgerelateerde overstromingen, regionale instabiliteit en grootschalige vluchtelingenstromen uit Soedan – en dat juist in een dergelijke context fysieke diplomatieke aanwezigheid essentieel is voor effectieve hulp en vroegtijdige signalering? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete, zwaarwegende argumenten liggen ten grondslag aan het voornemen om de ambassade in Juba te sluiten, en hoe zijn deze argumenten afgewogen tegen de uitzonderlijk kwetsbare situatie in Zuid-Soedan, waar naar schatting circa 10 miljoen mensen humanitaire hulp nodig hebben?
Welke alternatieven voor volledige sluiting zijn onderzocht, zoals behoud van een afgeslankte post of versterkte regionale ondersteuning, en waarom zijn deze opties wel of niet haalbaar geacht?
Kunt u toelichten hoe de voorgenomen sluiting zich verhoudt tot de investering van 35 miljoen euro voor het wereldwijde Nederlandse ambassadenetwerk vanaf 2027, terwijl de jaarlijkse kosten van de ambassade in Juba circa 4 miljoen euro bedragen? Acht u deze bezuiniging proportioneel in het licht van de Nederlandse belangen in Zuid-Soedan en de uitgesproken ambities in het coalitieakkoord over het vergroten van perspectief van de meest kwetsbare doelgroepen in fragiele regio’s?
Bent u bereid om, mede gezien het lopende adviestraject van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) over het Nederlandse postennetwerk, definitieve besluiten over sluiting van de ambassade in Juba aan te houden totdat dit advies is verschenen? Zo nee, waarom niet, en op welke gronden acht u vooruitlopen op dit advies gerechtvaardigd?
Deelt u de zorg dat sluiting van de Nederlandse ambassade in Juba het signaal afgeeft dat Nederland zijn betrokkenheid bij een van de meest kwetsbare landen ter wereld vermindert, en dat dit ruimte kan laten voor andere internationale actoren die minder prioriteit geven aan mensenrechten en multilateralisme? Hoe weegt u de geopolitieke effecten van sluiting van de post in Juba?
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Kunt u de Kamer de beantwoording zo snel mogelijk doen toekomen, idealiter voor het commissiedebat Humanitaire Hulp van woensdag 1 april?
Het bericht ‘Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers»1?
Dit zijn berichten die helaas tekenend zijn voor de toenemende druk waaronder (christelijke) Palestijnen staan. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november is hieraan expliciet aandacht besteed, de situatie in de Oude Stad van Jeruzalem in het bijzonder.
Klopt het dat de Israëlische autoriteiten voor het schooljaar 2026–2027 geen werkvergunningen meer willen verstrekken aan Palestijnse leraren uit de Westelijke Jordaanoever die werkzaam zijn op christelijke scholen in Jeruzalem?
Naar verluidt staat inderdaad in de brief van het Israëlische Ministerie van Onderwijs van 10 maart jl. aan schooldirecties in Jeruzalem dat voor het schooljaar 2026–2027 alleen leraren mogen worden aangenomen die in Jeruzalem wonen en beschikken over Israëlische onderwijsbevoegdheden.
Deelt u de zorg dat deze maatregel gevolgen heeft voor meer dan tweehonderd leraren en daarmee de continuïteit van de ongeveer vijftien christelijke onderwijsinstellingen in Jeruzalem onder druk zet?
Ja. De meeste docenten op deze scholen zijn christelijke Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever. Als zij niet meer kunnen werken in Jeruzalem zullen de scholen gedwongen op zoek moeten gaan naar nieuwe docenten.
Hoe beoordeelt u de mogelijke impact van deze maatregel op de positie van christelijke minderheden in Jeruzalem en het behoud van religieuze en culturele diversiteit in de stad?
De maatregel zorgt ervoor dat minder christenen toegang hebben tot Jeruzalem. Dit heeft een verder negatieve impact op de pluriformiteit van de stad.
Op welke wijze en hoe hard raakt deze maatregel de financiële situatie van deze leraren en hun gezinnen? Op welke wijze raakt deze maatregel de Palestijnse economie?
Het gaat om tientallen families die potentieel een bron van inkomen kwijt raken, maar niet om een dusdanig grote groep dat het een significante invloed heeft op de al zwakke Palestijnse economie. Wel zal het in het bijzonder impact hebben op een groep mensen die voornamelijk uit de regio van Bethlehem komt, waar het al slecht gaat met de economie door de afhankelijkheid en afwezigheid van toerisme. In die zin heeft het een relatief grote impact op een specifieke gemeenschap op de Westelijke Jordaanoever. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Klopt het dat als reden wordt aangevoerd dat de diploma’s niet zouden voldoen aan de academische standaarden die nodig zouden zijn? Hoe beoordeelt u dit argument? Mocht dit argument valide zijn, welke rol kan Nederland spelen om eventueel aan deze eis tegemoet te komen?
Op 21 januari jl. heeft de Knesset een wet aangenomen die het tewerkstellen van leraren met diploma’s uit de Palestijnse Gebieden beperkt. De wet zorgt ervoor dat deze groep leraren niet kan worden aangesteld als leraar, schooldirecteur of inspecteur in Jeruzalem. De wet beschouwt deze groep als personen zonder de vereiste academische graad voor dergelijke functies. In de toelichting van het wetsvoorstel staat: «de academische opleiding in de Palestijnse Autoriteit vindt plaats in een omgeving waarin sprake is van ophitsing tegen de staat Israël, en die niet overeenkomt met de principes en waarden waarop het onderwijs in de staat Israël is gebaseerd.»
Er zijn enkele uitzonderingen en overgangsregelingen binnen de wet, namelijk: i) personen die al voor inwerkingtreding van de wet als leraar werkten en in hun bestaande functie blijven; ii) personen die al een diploma hadden van de Palestijnse Autoriteit of een volledig academisch jaar hebben afgerond, voor hen geldt dat zij in sommige gevallen alsnog, onder strengere voorwaarden, kunnen worden aangesteld; en iii) de directeur-generaal van het Israëlische Ministerie van Onderwijs kan toch iemand toelaten als een persoon ook beschikt over een Israëlisch diploma. Personen die worden afgewezen hebben recht om in beroep te gaan tegen de beslissing.
Het kabinet erkent niet dat Israël soevereiniteit kan uitoefenen over Oost-Jeruzalem. Het bezettingsrecht is van toepassing en kent strenge voorwaarden voor het aanpassen van lokale wetgeving. Bovendien dient de bezetter het bezette gebied te besturen ten behoeve van de lokale bevolking. Deze maatregel staat hier haaks op.
Bent u bereid deze kwestie zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen bij de Israëlische autoriteiten en te pleiten voor het behoud van het werk voor deze leraren?
Nederland blijft zich inzetten zowel bilateraal als multilateraal voor de vrijheid van minderheden. Waar opportuun zal het kabinet deze specifieke casus onder de aandacht brengen.
Bent u bereid om, samen met internationale partners en kerkelijke organisaties, te bezien hoe deze scholen ondersteund kunnen worden indien deze maatregel wordt doorgezet?
De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah onderhoudt contact met lokale kerkgemeenschappen, volgt de situatie nauwgezet en beziet steeds in overleg hoe de verschillende zorgen die leven kunnen worden geadresseerd.
Ziet u een ontwikkeling dat minderheden in Jeruzalem, inclusief (Palestijnse) christenen, steeds verder onder druk komen te staan, door situaties zoals deze en zoals in eerdere schriftelijke benoemd?2 Welke stappen onderneemt u en gaat u ondernemen om deze ontwikkelingen tegen te gaan?
Ja, minderheden in Jeruzalem staan onder toenemende druk. Nederland dringt aan op handhaving van de status quo rond heilige plaatsen. Hierbij steunt Nederland de rol van Jordanië als beschermer van de Christelijke en Islamitische Heilige plaatsen in Jeruzalem, zoals ook erkend door Israël in het Vredesverdrag. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november is expliciet aandacht besteed aan de krimpende ruimte voor (Palestijnse) christenen, met name in de Oude Stad van Jeruzalem.