Wat is uw oordeel over het bericht dat steeds meer kinderen en volwassenen gediagnosticeerd worden met ADHD en het gebruik van ADHD-medicatie de afgelopen vijf jaar is verdubbeld?12
Cijfers van de Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK) laten zien dat er inderdaad sprake is van een forse groei in het aantal voorschriften en gebruikers van methylfenidaat, het middel wat gebruikt wordt tegen ADHD klachten. Dit geldt zowel voor jeugdigen als volwassenen. De cijfers laten het volgende zien.
Gebruikers:
Medicijngebruik:
Wat is uw verklaring voor het feit dat de afgelopen vijf jaar het gebruik van ADHD-medicatie is verdubbeld?
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik naar de antwoorden op vraag 2 en vraag 4 van het lid Bouwmeester over onterechte en gemiste diagnose ADHD en de gevolgen voor behandeling (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 740).
Bent u van mening dat er een mogelijke overdiagnosticering is van ADHD bij kinderen? Zo ja, wat gaat u doen om dit probleem aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat uit het MTE onderzoek blijkt dat op de lange termijn ADHD-medicatie onvoldoende werkt maar behandeling wel positieve effecten laat zien? Zo ja, wat gaat u eraan doen dat kinderen ook behandeling krijgen voor hun ADHD?
Nee. Uit de eerste MTA studie bleek dat afname van ADHD symptomen na 14 maanden het grootst was bij de jeugdigen die behandeld werden met medicatie, al dan niet in combinatie met gedragstherapie. Na dit onderzoek gingen de deelnemers verder met een behandeling naar eigen keuze in de eigen omgeving. Daarna zijn er twee follow-upstudies gedaan onder dezelfde personen, een na 24 maanden en een na 36 maanden.
Bij de follow-up studie na 36 maanden werd geconstateerd dat de verschillen tussen de jeugdigen die tijdens de eerste 14 maanden werden behandeld met medicatie en de jeugdigen die tijdens de eerste 14 maanden niet werden behandeld met medicatie, waren verdwenen. Of voortzetting van de intensieve medicatiebehandeling na 14 maanden wel geleid zou hebben tot meerwaarde bij de 36-maandenmeting is niet onderzocht, dus niet bekend.
Voor verdere beantwoording verwijs ik naar het antwoord op vraag 4 van het lid Bouwmeester over onterechte en gemiste diagnose ADHD en de gevolgen voor behandeling. (ingezonden 21 september 2010)
Hoeveel kinderen krijgen ADHD-medicatie voorgeschreven zonder dat zij ook behandeld worden voor hun ADHD? Bent u bereid dit te onderzoeken wanneer dit niet bekend is? Zo nee, waarom niet?
Mij zijn geen signalen bekend dat de multidisciplinaire richtlijn ADHD, waarin gesteld wordt dat de behandeling van ADHD over het algemeen op twee pijlers berust, te weten medicamenteuze behandeling en gedragstherapeutische / psychosociale behandeling, niet wordt nageleefd. Naast deze richtlijn is ook een medicatieprotocol ADHD beschikbaar op de website van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie.
Navraag bij het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie leert dat wanneer in een behandeltraject ADHD gestart wordt met medicatie, dit vrijwel altijd in combinatie is met een psychosociale / gedragstherapeutische behandeling. Als de benodigde veranderingen die de psychosociale / gedragstherapeutische behandeling tot doel had zijn bewerkstelligd, kan worden volstaan met alleen medicatie met periodieke controle.
Gezien bovenstaande zie ik geen reden te onderzoeken hoeveel kinderen alleen medicatie krijgen voor ADHD.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat leraren in staat worden gesteld om goed les te geven aan zowel zorgleerlingen (bijvoorbeeld drukke kinderen of kinderen met ADHD) als aan reguliere leerlingen?
Onderzoek heeft uitgewezen dat als leraren goed zijn in het bieden van structuur voor zorgleerlingen, dit ook een positief effect heeft op de «reguliere» leerlingen in de klas. Goed klassenmanagement is dan ook essentieel om in de klas een leerklimaat te creëren waarin alle leerlingen kunnen werken.
In de uitzending van Zembla (18 september 2010) wordt hier terecht door een van de moeders aandacht voor gevraagd.
In het beleid rond passend onderwijs is deskundigheidsbevordering van leraren op het gebied van het omgaan met zorgleerlingen dan ook een belangrijk speerpunt. Uw Kamer is eerder in de brief over de voortgang van passend onderwijs (Kamerstukken 31 497, nr. 21) en in de beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad ("De school en leerlingen met gedragsproblemen", Kamerstukken 31 497, nr. 23) geïnformeerd over wat er door verschillende partijen in het onderwijs gedaan wordt om leraren beter toe te rusten op het omgaan met leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.
Bent u van mening dat kleinere klassen kunnen bijdragen aan goede begeleiding van zorgleerlingen in de klas? Zo ja, wat gaat u doen om dit te verbeteren?
Er is mij geen onderzoek bekend waarin een directe causale relatie tussen de grootte van de klassen en goede begeleiding van leerlingen is aangetoond. Kleinere klassen zijn niet per se in alle gevallen de oplossing. Geen twee scholen zijn immers hetzelfde. De ervaring van het team van leerkrachten, de samenstelling van de leerlingenpopulatie en de al aanwezige ondersteuning in en om de school kunnen zodanig verschillen, dat de ene school de zorg op een andere manier wil inrichten dan een andere school. De ene school kan dan ook kiezen voor de inzet van klassenassistenten terwijl een andere school kiest voor scholing, al dan niet in combinatie met de inzet van een remedial teacher, etc.
Bent u bereid om te onderzoeken welke rol de farmaceutische industrie heeft in de toename van ADHD-medicatiegebruik? Zo nee, waarom niet?
De farmaceutische industrie ontwikkelt geneesmiddelen en brengt deze op de markt. De registratie autoriteiten (European Medicines Agency / College ter Beoordeling van Geneesmiddelen) wegen de werkzaamheid en veiligheid af en laten het middel toe op de markt.
Het is aan de professional om af te wegen of hij dit middel voorschrijft aan een patiënt, rekening houdend met professionele richtlijnen hieromtrent.
Het staat alle partijen vrij een klacht in te dienen bij de stichting Code Geneesmiddelen Reclame over ongeoorloofde (publicitaire) druk van de farmaceutische industrie. De Inspectie voor de Gezondheidszorg houdt toezicht.
Er bereiken mij geen signalen dat dit stelsel van checks and balances onvoldoende zou functioneren ten aanzien van het ADHD medicatiegebruik.
Gezien het bovenstaande en ook gezien de eerder genoemde oorzaken voor de stijging van het aantal diagnosen en behandeling voor ADHD zie ik geen noodzaak om de rol van de farmaceutische industrie in de toename van het medicatiegebruik voor ADHD te onderzoeken.
Onterechte en gemiste diagnose ADHD en de gevolgen voor behandeling |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met nieuw onderzoek van Michigan State University dat wijst op 1 miljoen kinderen die mogelijk onterecht zijn gediagnosticeerd met aandachtsstoornis ADHD?1
Ja.
Bent u van mening dat het stellen van de diagnose ADHD gecompliceerd is, dat het mogelijk is dat daardoor onvoldoende rekening wordt gehouden met leeftijd en achtergrond, en dat er sprake kan zijn van een onjuiste diagnose ADHD? In hoeverre is hiervan sprake in Nederland?
In Nederland is een diagnostiekprotocol met gestandaardiseerde instrumenten beschikbaar voor diagnostiek rondom ADHD, waarin rekening wordt gehouden met leeftijd en achtergrond van de patiënt. Diagnostiek wordt uitgevoerd door BIG geregistreerde professionals. Ik ga er vanuit dat deze professionals bekend zijn met de beschikbare protocollen en werken met de gestandaardiseerde instrumenten die hen beschikbaar zijn en die gebaseerd zijn op wetenschappelijke kennis. Hierdoor worden de kansen op een onjuiste diagnose geminimaliseerd.
Bent u ervan op de hoogte dat de Gezondheidsraad2 al in 2000 aangaf dat de afbakening van het begrip ADHD tot op zekere hoogte arbitrair is, dat richtlijnen en protocollering een sterk positieve invloed op de kwaliteit van diagnostiek en behandeling hebben en dat de overheid een kenniscentrum op dit gebied zou moeten ontwikkelen? Zo ja, wat is er sindsdien door de overheid in gang gezet? Zo nee, bent u bereid een regierol te vervullen in het opzetten van een kenniscentrum en onderzoek naar de kwalitatieve en kwantitatieve praktijk van diagnostiek en behandeling te stimuleren?
Ik ben op de hoogte van de aanbevelingen die de Gezondheidsraad destijds heeft gedaan.
In opdracht van het ministerie van VWS en met betrokkenheid van het ministerie van OCW is destijds door het Trimbosinstituut het project Actieplan ADHD opgezet om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Gezondheidsraad voor verbeterde zorg bij ADHD. Concrete producten daarvan op het gebied van diagnostiek en behandeling zijn onder andere:
Om niet alleen de bundeling en verspreiding van kennis over ADHD te stimuleren, maar dit ook voor andere stoornissen mogelijk te maken, is destijds bewust gekozen om de oprichting van een algemeen kenniscentrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie te stimuleren. Het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie, waarbij alle academische centra voor kinder- en jeugdpsychiatrie en alle regionale partnerinstituten voor kinder- en jeugdpsychiatrische zorg en de relevante ouder/patiëntenverenigingen zijn aangesloten, heeft tot taak het bundelen en verspreiden van actuele wetenschappelijke kennis over kinder- en jeugdpsychiatrische stoornissen en de beschikbare protocollaire behandelvormen. Tegen deze achtergrond is er voor mij geen aanleiding om het oprichten van een specifiek kenniscentrum ADHD te stimuleren.
Over ADHD is op de website van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie informatie over het ziektebeeld, diagnostiek, medicatie en protocollaire behandelvormen te vinden, die gebaseerd is op de laatste wetenschappelijke inzichten. Deze website is voor iedereen toegankelijk.
ADHD is in deze periode ook het onderwerp geweest van vele wetenschappelijke onderzoeken. Gelet op al deze ontwikkelingen vind ik het niet opportuun om onderzoek naar de praktijk van diagnostiek en behandeling verder te stimuleren.
Maakt u zich zorgen over de enorme stijging van het aantal jonge kinderen met de diagnose ADHD en ook over de grote toename van het medicijngebruik door hen? Welke alternatieve behandelingen zijn er voor ADHD? Welke van deze behandelingen worden in Nederland toegepast en in welke mate?3
Mede dankzij de acties genoemd in het antwoord op vraag 3 is de kennis over ADHD de laatste jaren toegenomen. Het wordt steeds beter en eerder herkend, waardoor kinderen sneller in zorg komen. Tevens spelen ontwikkelingen als het verminderen van het taboe op psychiatrische stoornissen en het steeds ingewikkelder worden van de maatschappij waardoor kinderen eerder tegen problemen aanlopen een rol bij het toegenomen aantal jeugdigen dat in behandeling komt bij de jeugd-ggz.
De multidisciplinaire richtlijn ADHD (2005) stelt dat de behandeling van ADHD in het algemeen op twee pijlers berust: medicatie en gedragstherapeutische / psychosociale behandeling. Er is tevens een medicatieprotocol ADHD beschikbaar op de website van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie. Methylfenidaat, het middel dat als eerste wordt ingezet bij de behandeling van ADHD, is uitgebreid wetenschappelijk onderzocht bij kinderen. Het medicatieprotocol ADHD is in maart 2010 geactualiseerd en gebaseerd op de laatste wetenschappelijke inzichten.
Tot gedragstherapeutische / psychosociale behandeling behoren psycho-educatie, gedragstherapie en begeleiding gericht op de ouders, de leerkracht en de school en niet-medicamenteuze behandeling van het kind, bijvoorbeeld via zelfregulatietraining. Waarbij de gedragstherapeutische / psychosociale behandeling van kortere duur kan zijn dan het medicatiegebruik. Mij zijn geen signalen bekend dat deze richtlijn niet goed nageleefd wordt.
Bent u op de hoogte van het onderzoek van Trimbos-onderzoeker Van de Glind, in samenwerking met onderzoekers uit elf landen, die stelt dat ADHD’ers extra gevoelig zijn voor verslaving?
Ik ben bekend met het onderzoek.
Het is bekend dat er een relatie bestaat tussen enerzijds ADHD en verslaving en anderzijds tussen depressie en verslaving. De relatie tussen ADHD en depressie wordt verondersteld. Het beantwoorden van de vraag naar de aard, de relevantie en de consequenties van deze relatie, moet worden overgelaten aan de professionals en wetenschappers.
Dit is door het veld ook opgepakt. Ik licht enkele punten uit. Zo heeft ZonMW in het kader van het Richtlijnenprogramma Jeugdgezondheid opdracht gegeven voor de ontwikkeling van een Richtlijn Jeugdgezondheidszorg ADHD. Deze richtlijn geeft aan hoe artsen op het consultatiebureau of schoolartsen ADHD in een vroeg stadium kunnen signaleren en wanneer zij voor verdere diagnostiek door moeten verwijzen. Daarbij geeft de richtlijn aandacht aan de samenwerking met huisartsen, kinderartsen en Jeugd-GGZ. Ook is een Richtlijn ADHD voor de behandeling van ADHD in ontwikkeling. Via het programma Zorg voor jeugd heeft ZonMw opdracht gegeven om een proefimplementatie van de Richtlijn ADHD voor behandelaars uit te voeren. Deze is gericht op medewerkers in de Jeugd-GGZ en Jeugdzorg.
Het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie ontwikkelt in 2011 samen met het Trimbos instituut en het Nederlands Jeugdinstituut een evidence-based protocol voor diagnostiek, behandeling met psychofarmaca en effectieve interventies voor jeugdigen waarbij comorbiditeit van psychiatrische stoornissen en middelengebruik speelt. Dit protocol wordt ontwikkeld met behulp van een gerichte subsidie van VWS in het programma «effectieve interventies» van ZonMw Jeugd.
Door het Trimbos wordt naar aanleiding van Nemesis II, een grootschalige studie naar de psychische gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking van 18 tot en met 64 jaar,gewerkt aan een onderzoek met als doel het nagaan van in welke mate ADHD en gedragsstoornissen een effect hebben op het ontstaan en beloop van alcoholstoornissen.
Wat is uw reactie op zijn opvatting dat mensen in de verslavingszorg, maar ook cliënten in de geestelijke gezondheidszorg en patiënten van huisartsen met depressieve klachten als onderliggende oorzaak ADHD hebben?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat het goed mogelijk is dat enerzijds veel kinderen ten onrechte de diagnose ADHD krijgen en daarmee samenhangend ten onrechte behandeld worden met geneesmiddelen, terwijl anderzijds de diagnose ADHD bij volwassenen met depressieve klachten wordt gemist?
Ik ben niet van mening dat veel kinderen ten onrechte de diagnose ADHD krijgen en daarmee samenhangend ten onrechte behandeld worden met geneesmiddelen. Ik ga er vanuit dat de professionals die deze diagnose kunnen stellen bekend zijn met de beschikbare protocollen en werken met de gestandaardiseerde instrumenten die hen beschikbaar zijn en die gebaseerd zijn op wetenschappelijke kennis. Hierdoor wordt de kans op een onjuiste diagnose geminimaliseerd. Overigens zijn minder jeugdigen in behandeling zijn voor ADHD dan op grond van prevalentiecijfers verwacht mag worden. Het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie wijst er op dat er in het veld eerder zorgen zijn over dat bepaalde groepen jeugdigen die nog onvoldoende bereikt worden, bijvoorbeeld allochtone jeugdigen en jeugdigen in de jeugdzorg. In de visie van het demissonaire kabinet «Perspectief voor jeugd en gezin» wijzen wij er wel op dat door dicht bij het kind en het gezin tijdig passende ondersteuning te bieden in aansluiting op de eigen kracht en het sociale netwerk, ernstiger problemen later zo veel mogelijk voorkomen kunnen worden. Naar onze mening is hier nog veel winst te boeken.
De relatie tussen ADHD en depressie is nog onderwerp van professioneel / wetenschappelijk debat. Zie ook mijn antwoord op vraag 6. Derhalve kan over de in de vraag gesuggereerde relatie tussen beide mijnerzijds geen uitspraak worden gedaan.
Vormt dit gegeven voor u extra aanleiding om nu het opzetten van een kenniscentrum ADHD te stimuleren? Zo ja, hoe en wanneer?
Het Landelijk Kenniscentrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie heeft tot taak het bundelen en verspreiden van actuele wetenschappelijke kennis over kinder- en jeugdpsychiatrische stoornissen en de beschikbare protocollaire behandelvormen.
Over ADHD is op de website van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie informatie over het ziektebeeld, diagnostiek, medicatie en protocollaire behandelvormen te vinden, die gebaseerd is op de laatste wetenschappelijke inzichten. Deze website is voor iedereen toegankelijk.
Voor volwassenen is door het veld in 2002 het Kenniscentrum ADHD bij volwassenen opgericht bij Psyq. Dit kenniscentrum heeft tot doel het ontwikkelen, verspreiden en implementeren van kennis over ADHD bij volwassenen. Hiernaast coördineert het Kenniscentrum de Stichting Netwerk ADHD bij volwassenen, dat professionals verenigt met interesse in deze stoornis in Nederland, en het European Network Adult ADHD, voor Europese onderzoekers en behandelaars. Ook werkt het Kenniscentrum samen met patiëntenorganisaties en vele anderen in het veld.
Gezien bovenstaande zie ik geen aanleiding om een kenniscentrum ADHD te stimuleren.
Een werkbezoek van Israëlische burgemeesters |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Holland calls off settlement heads’ visit»?1
Ja
Is het waar dat u en/of de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) bezwaren heeft/hebben gemaakt tegen de deelname van Israëlische lokale bestuurders uit Judea en Samaria aan een werkbezoek aan Nederland? Zo ja, waaruit bestaan die bezwaren?
Gaarne verwijs ik naar mijn antwoorden op de soortgelijke vragen die gesteld zijn door het lid Voordewind, luidende:
De ambassade in Tel Aviv is begin september 2010 benaderd door de Israëlische vestiging van de Amerikaans-Joodse organisatie Joint Distribution Committee (JDC) met het verzoek om een briefing ter voorbereiding van een reis van 23 Israëlische burgemeesters naar Nederland. Volgens JDC zou de VNG betrokken zijn bij de organisatorische ondersteuning van dit bezoek. In dat verband heeft de JDC de ambassade een lijst overhandigd van de voorgenomen delegatie. Op deze lijst waren zes burgemeesters van nederzettingen vermeld. Hierop heeft de ambassade contact opgenomen met het departement met het verzoek om instructie.
Het ministerie heeft vervolgens navraag gedaan bij de VNG naar de achtergronden van de reis. Desgevraagd heeft het ministerie de VNG geïnformeerd dat vertegenwoordigers van de Rijksoverheid in het algemeen geen contacten onderhouden met de lokale overheden in de nederzettingen. Andere organisaties in Nederland – waaronder de VNG – staat het evenwel vrij zelfstandig te beslissen of het contacten wil aangaan.
Over de status van de nederzettingen bestaat volkenrechtelijk geen verschil van mening. Deze zijn in strijd met het internationaal recht, zoals onder meer is vastgesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en herbevestigd in het advies van het Internationaal Gerechtshof d.d. 9 juli 2004 over de bouw van de veiligheidsbarrière op de Westelijke Jordaanoever. De Europese Raad van 16 september 2010 heeft de strijdigheid van de nederzettingen met het internationaal recht nogmaals bevestigd in zijn verklaring over het Midden-Oosten Vredesproces.
De regering onthoudt zich actief van handelingen die kunnen bijdragen aan de legitimering van deze nederzettingen. Daaronder is ook te verstaan het onderhouden van contacten met autoriteiten in de nederzettingen, zoals burgemeesters. Dit betekent echter niet dat de regering anderen verhindert om contacten met hen te onderhouden.
Betwist u de legitimiteit van de bestuurlijke functie van die lokale bestuurders? Zo ja, waarom?
Waar het hier om gaat is de vraag of de nederzettingen als zodanig legitiem zijn en het antwoord daarop luidt ontkennend.
Deelt u de mening dat een werkbezoek van lokale bestuurders uit een democratische rechtsstaat als Israël, dat er op is gericht om kennis te krijgen van organisatie en werkwijze van Nederlands lokaal bestuur, niet moet worden verhinderd om overwegingen van internationale politiek? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin ondersteun ik de stelling dat bedoelde uitwisselingen tussen lokale overheden zeer nuttig zijn en ik juich toe dat VNG ook een actieve bijdrage levert aan dergelijke uitwisselingen met en tussen gemeentelijke overheden, onder meer in haar hoedanigheid van voorzitter van de «Municipal Alliance for Peace».
De VNG is een autonome ledenorganisatie die eigenstandig een positie in deze zaak inneemt.
Bent u bereid om alles in het werk te stellen om dit werkbezoek op korte termijn door te laten gaan en de VNG op te roepen om daar alle medewerking aan te geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De proef arbeidstoeleiding vanuit detentie |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de berichten «UWV helpt gedetineerden aan baan» van augustus 20091, alsmede de toezegging van de staatssecretaris van Justitie dat de proef in Lelystad zo succesvol was verlopen dat de arbeidsbemiddeling van gedetineerden en de samenwerkende instanties, zoals het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV), de penitentiaire inrichting en de gemeente, naar zes andere plaatsen in het land zou worden uitgebreid?2 Wat is op deze zes locaties de stand van zaken?
Ja. Er heeft in 2010 uitbreiding plaatsgevonden naar zes nieuwe locaties. Daar wordt de werkwijze tussen het Gevangeniswezen, gemeenten, en het UWV WERKbedrijf op dit moment verder beproefd.
Is het waar dat de zes genoemde locaties en gemeenten (Alkmaar, Almere, Arnhem, Grave, Ter Apel en Krimpen aan de IJssel) nauwelijks tot geen aantoonbare resultaten hebben geboekt met deze proef, en dat men op enkele plaatsen zelfs in het geheel niet bekend is met het bestaan van deze proef? Wat is uw reactie hierop?
De locaties zijn op verschillende momenten in 2010 gestart met de werkwijze. Ik kan u verzekeren dat de proef bij alle betrokken medewerkers van de locaties bekend is. De medewerkers hebben met actieve begeleiding vanuit de pilot met elkaar kennisgemaakt en voorlichting en trainingen gekregen. Verder zijn er ICT maatregelen (werkplekken, internet) getroffen die nodig zijn om aan de pilot deel te kunnen nemen.
Hoeveel gedetineerden zijn in het kader van deze proef en de samenwerking tussen UWV, de penitentiaire inrichting en gemeente aan het eind van hun detentie succesvol naar werk toe geleid? Kunt u deze aantallen uitsplitsen per locatie?
Er zijn in het kader van deze proef in de eerste fase (Lelystad) van de 60 aanmeldingen, 10 deelnemers naar werk toegeleid. In de tweede (uitbreidings)fase zijn nog geen gedetineerden naar werk toegeleid. Er zijn 95 gedetineerden aangemeld voor toeleiding naar arbeid bij het UWV WERKbedrijf.
Is het waar dat de intentie was dat in 2010 in alle gevangenissen deze nieuwe samenwerking tussen het UWV, de penitentiaire inrichting en de gemeente zou worden gehanteerd? (1) Wat is hierin de stand van zaken?
De intentie was om de pilot in 2010 uit te breiden met zes locaties om de ontwikkelde werkwijze van Lelystad te beproeven. In Alkmaar is per februari gestart, in Arnhem en Grave per maart, in Krimpen a/d IJssel in mei en in Almere en Ter Apel in juli 2010.
Hoe beoordeelt u nu, meer dan twee jaar na het starten van de proef in Lelystad en een jaar na de uitbreiding van de arbeidstoeleiding van gedetineerden naar zes locaties, de concrete resultaten die hiermee zijn geboekt?
Binnen de uitbreidingsfase wordt een werkwijze arbeidstoeleiding ontwikkeld die landelijk bruikbaar is. De pilot loopt tot 31 december 2010 en levert als eindresultaat de beschrijving van de beproefde werkwijze inclusief toolkit op. Dit loopt op schema. Deze wordt in januari 2011 beschikbaar gesteld aan alle penitentiaire inrichtingen, het UWV WERKbedrijf en gemeenten waarmee zij desgewenst gezamenlijk de samenwerking in de regio kunnen aangaan. Door de werkwijze arbeidstoeleiding gezamenlijk in te voeren kunnen penitentiaire inrichtingen, Werkpleinen en gemeenten tijdens detentie een arbeidstoeleidingstraject (zo nodig inclusief opleiding) voor gedetineerden starten zodat hun kansen op de arbeidsmarkt toenemen én de detentietijd optimaal benut wordt.
Deelt u de mening dat hier veel meer uit te halen is, en dat het van groot belang is dat gedetineerden worden gestimuleerd en begeleid om direct na het uitzitten van detentie aan het werk te gaan omdat dit in belangrijke mate bij kan dragen aan het verminderen van recidive? Welke verbeteringen gaat u aanbrengen om van de arbeidstoeleiding vanuit detentie wel een succes te maken? Op welke termijn kunnen er concrete resultaten worden verwacht?
Ik heb vertrouwen in de werkwijze en zal mij inzetten om deze verder gestalte te geven. Het totaal aantal deelnemers van 95 aan de pilot tot nu toe is laag gelet op de potentiële doelgroep. Uit de monitor nazorg van het WODC blijkt 58,6% van de gedetineerden direct na detentie over een inkomen te beschikken. Hiervan is niet bekend of dit inkomen uit werk of uitkering is, waardoor het aantal gedetineerden dat in aanmerking zou komen voor toeleiding naar werk ver boven de 40% ligt.
Tijdens de detentie is het gevangeniswezen eerstverantwoordelijk voor de zorg van gedetineerde burgers. Het gevangeniswezen biedt gemeenten en maatschappelijke partners actief de mogelijkheid om al tijdens detentie met gedetineerde burgers aan hun re-integratie te werken (het zogenaamde importmodel). Door de veelheid aan prioriteiten zijn de pilots binnen het gevangeniswezen op de achtergrond geraakt. Vanuit het management wordt nu actief gestuurd op het aanmelden van gedetineerden voor toeleiding naar arbeid bij het UWV WERKbedrijf. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie van de pilots zal ik begin 2011 met het gevangeniswezen afspraken maken over de invoering van de werkwijze arbeidstoeleiding als onderdeel van het regulier aanbod aan terugkeer activiteiten voor gedetineerden.
Subsidies van het Europees Sociaal Fonds (ESF) aan TNT ter waarde van meer dan vier miljoen euro |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is precies de inhoud van een aantal projecten waarvoor subsidie uit het Europees Sociaal Fonds aan TNT is verstrekt, met een totale waarde van boven de vier miljoen euro?1
De desbetreffende projecten maken onderdeel uit van het ESF-programma 2007–2013. Daarbinnen bestaat een specifiek programma-onderdeel ten behoeve van additionele toerusting en bemiddeling van werklozen met een achterstand op of
tot de arbeidsmarkt (ESF-Actie A). Dit betreft in casu de re-integratie van werkzoekende niet-uitkeringsontvangers (nuggers), mensen met een arbeidsbelemmering respectievelijk gedeeltelijk arbeidsgeschikten of wajongeren en werkloze 55-plussers.
Het doel van de projecten van TNT is het aantrekken en begeleiden van met name niet-uitkeringsontvangers (nuggers) naar een betaalde baan als postbezorger. De doelgroep 55+ en gedeeltelijk arbeidsgeschikten betreft personen met een WWB en/of uitkering van het UWV die ofwel rechtstreeks door TNT geworven worden ofwel door de gemeenten of het UWV worden aangedragen. In die zin past dit project binnen het doel van actie A van het ESF programma 2007–2013 te weten het vergroten van duurzame arbeidsinpassing van personen die tot de bovengenoemde doelgroep horen.
De deelnemers worden door TNT geworven en binnen een periode van 4 weken opgeleid om de functie van postbezorger te kunnen uitoefenen.
Het grootste deel van de subsidie wordt aangewend om deze interne training te bekostigen. De opleiding duurt drie dagen in de eerste week waarin de nieuwe postbezorger werkt. In de drie weken daarna wordt een aantal coachingsgesprekken gevoerd.
Bestaat de kans dat de overheid een project subsidieert waarbij vaste krachten worden vervangen door flexwerkers? Kunt u uw antwoord toelichten?
De betreffende projecten hebben tot doel om moeilijk plaatsbare werklozen aan het werk te helpen. Het creëren van mogelijkheden voor deze specifieke groep is van groot belang, zeker in economisch mindere tijden.
Ik heb navraag gedaan bij TNT. Uit die informatie is mij gebleken dat het niet zo is dat vaste krachten worden vervangen door flexwerkers. Specifiek voor TNT geldt dat de ESF-projecten los staan van de reorganisatie. Dat is een bedrijfsinterne aangelegenheid waarbij – door marktontwikkelingen als volumedaling – banen verdwijnen. De nieuwe medewerkers wordt een parttime, maar vaste baan aangeboden op basis van een cao en arbeidsovereenkomst.
Wat is het totaalbedrag aan dergelijke subsidies verstrekt in de afgelopen tien jaar, zowel door de Europese Unie als door Nederland? Kunt u een overzicht geven van alle projecten die subsidie hebben gekregen, met het bedrag en een beschrijving van de inhoud?
De desbetreffende subsidies worden verstrekt in het kader van het ESF-programma 2007–2013, onderdeel Actie A (zie vraag 1). Dit betreffen Europese middelen, die via een nationale subsidieregeling (Subsidieregeling ESF 2007–2013, herzien) worden verstrekt. De ESF-subsidie bedraagt 40% van de projectkosten, de aanvrager moet 60% uit eigen middelen bijdragen.
Dit programma is gestart in 2007. In de jaren 2007 en 2008 konden alleen gemeenten deze subsidie aanvragen. Vanaf het jaar 2009 kunnen ook UWV en sectorale Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen (O&O-fonds) als aanvragers optreden, als zij door de minister van SZW als ESF-aanvrager zijn erkend. Eén van de erkenningsvoorwaarden is dat het een samenwerkingsverband per bedrijfstak of bedrijf moet zijn dat wordt beheerd door vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers. De Stichting TNT Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voldoet daaraan.
In 2007 is € 8 369 092 toegekend aan alleen gemeenten. In 2008 is in totaal € 27 220 618 toegekend, eveneens alleen aan gemeenten. In 2009 is € 48 990 793 (aanvraagtijdvak maart) plus € 73 854 751 (aanvraagtijdvak november 2009), in totaal € 122 845 544 toegekend, waarvan € 90 743 047 aan gemeenten, € 18 000 940 aan UWV en € 14 101 557 aan O&O-fondsen. Jaarlijks is een overzicht aan de Tweede Kamer gezonden, met daarin een beschrijving van de programmaonderdelen op hoofdlijnen, met als bijlage een overzicht van alle verleende subsidie per project, inclusief bedragen. Zie hiervoor TK 2007–2008, 26 642, nr. 108 (2007) TK 2008–2009, 26 642, nr. 112 (2008) en TK 2009–2010, 26 642, nr. 113.
Zijn er nog meer subsidies uit het Europees Sociaal Fonds verstrekt aan TNT in de afgelopen tien jaar? Om wat voor bedragen en projecten ging het? Kunt u daar een overzicht van verstrekken?
Onderstaand treft u een overzicht van 5 subsidies die in de afgelopen 10 jaar zijn verstrekt aan TNT in het kader van ESF-programma’s gericht op scholing voor werkenden.
1.
2003
SAP trainingen TNT
€ 273 224
Het ESF3-project «SAP Trainingen TNT bestaat uit verschillende in gebruikerstrainingen (Back Office medewerkers) in het geautomatiseerde ERP-systeem SAP.
2.
2004
TNT Management Traject
€ 1 264 336
Het ESF-3 project «TNT Management Traject» bestaat uit trainingen die zich richten op het scholen en ontwikkelen van het middle management.
3.
2007
TNT Challenge 2007
€ 1 892 105
Binnen dit project bestaan de volgende clusters van opleidingen:
– zorg en veiligheid
– management en diversity
– transport en logistiek
– computervaardigheden
– financieel-administratieve opleidingen
4.
2008
TNT Challenge 2009
€ 2 999 605
Binnen dit project bestaan de volgende clusters van opleidingen:
– zorg en veiligheid
– management en diversity
– transport en logistiek
– computervaardigheden
– financieel-administratieve opleidingen
– vakopleidingen.
Een belangrijk onderdeel is het mobility project van TNT dat erop gericht is medewerkers te laten uitstromen naar andere sectoren en hen hiervoor een passende opleiding aan te bieden om hun kansen op een functie binnen een andere sector te vergroten.
5.
2010
TNT Challenge 2010
€ 2 544 504
Binnen dit programma Challenge 2010 bestaan de volgende clusters van opleidingen:
– veiligheid
– management
– transport en logistiek
– computervaardigheden
– financieel-administratieve opleidingen
– vakopleidingen.
Een belangrijk onderdeel van het project betreft het mobility project van TNT. Dit project is erop gericht medewerkers additionele competenties te laten ontwikkelen, eventueel ook buiten het eigen werkveld.
Het onderzoek over lerarentekort en schoolprestaties |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
André Rouvoet (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport, minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van hoogleraar Jaap Dronkers, verschenen in het Onderwijsblad van De Algemene Onderwijsbond (Aob)1, inzake het lerarentekort en de grote waarde die investeringen hierin zou hebben voor de prestaties van leerlingen?2
Evenals hoogleraar Jaap Dronkers onderschrijf ik het belang van voldoende en goed gekwalificeerde leraren voor de kwaliteit van ons onderwijs. Met het actieplan Leerkracht van Nederland wordt daarom door dit kabinet fors geïnvesteerd in de aanpak van het kwantitatieve en kwalitatieve tekort op de onderwijsarbeidsmarkt. De investeringen op basis van het actieplan Leerkrachtnemen ieder jaar toe tot € 1 miljard structureel in 2020. Naast de investeringen in extra beloningsmaatregelen gaat het om investeringen in bijscholing (lerarenbeurs) en de kwaliteit van de lerarenopleidingen.
In het actieplan staat vastgelegd dat schoolbesturen extra geld krijgen om meer leraren in een hogere schaal te kunnen belonen. Dit vergroot de loopbaanmogelijkheden en de aantrekkelijkheid van het leraarsberoep. Bovendien drukken betere salarissen de maatschappelijke waardering uit voor docenten. En het werkt. In het voortgezet onderwijs in de Randstad is het afgelopen jaar het aandeel leraren dat betaald wordt in een hogere schaal met 9 procentpunt gestegen.
De meest recente arbeidsmarktramingen laten zien dat vooral in het voortgezet onderwijs de komende jaren veel nieuwe leraren nodig zijn. In deze sector ontstaat door de uitstroom van oudere leraren de komende acht jaar een tekort van circa 3 000 voltijdbanen. Zonder de beloningsmaatregelen uit het actieplan Leerkracht zou het verwachte tekort in het voortgezet onderwijs echter twee keer zo hoog zijn.
Hoe beoordeelt u zijn bevinding dat Nederlandse leerlingen veel beter zouden scoren op de exacte vakken – zeer belangrijk voor de kenniseconomie – als er voldoende leraren zouden zijn? Onderschrijft u het belang van meer exact opgeleide leerlingen?
De heer Dronkers concludeert terecht dat leerlingen waarschijnlijk beter scoren op exacte vakken zonder lerarentekort. Hoeveel de gemiddelde PISA-score van Nederland dan omhoog zou gaan valt niet precies te bepalen. Volgens het PISA-rapport heeft maar 3 procent van de leerlingen in Nederland te maken met vacatures in de science vakken.
Ik onderschrijf het belang van meer exact opgeleide leerlingen en constateer met voldoening dat het beleid via het deltaplan bèta en techniek zijn vruchten heeft afgeworpen.
Onderschrijft u de analyse van Dronkers dat bij het welslagen van leerlingen met een allochtone achtergrond het element van een goede leraar van groot belang blijkt? Welke bijdrage kan volgens u een fikse investering in meer en betere leraren leveren in het bevorderen van integratie en participatie van dit soort leerlingen?
De vooropleiding van ouders is een van de meest bepalende factoren voor de schoolprestaties van hun kinderen, zo blijkt uit het artikel in het Onderwijsblad. Veel leerlingen met een allochtone achtergrond hebben laagopgeleide ouders. Zij groeien veelal op in een milieu waarin minder stimulansen zijn tot leren. Dat bepaalt voor een belangrijk deel hun achterstand.
De kwaliteit van de leraar is een andere zeer bepalende factor voor de kwaliteit van het onderwijs. Lesgeven aan kinderen met een allochtone achtergrond vraagt om specifieke kennis. Om leraren hier op voor te bereiden is scholing van groot belang. Dat kan zowel via de initiële lerarenopleiding als via nascholing. Lerarenopleidingen kunnen hier bijvoorbeeld via het curriculum toekomstige leraren op voorbereiden. Daarnaast heeft een schoolbestuur nascholingsbudgetten die, indien nodig, ook voor dit doel ingezet kunnen worden.
In de generieke kennisbasis voor de lerarenopleidingen zoals die de komende jaren ingevoerd zal gaan worden, wordt ook aandacht besteed aan het werken met verschillen in de klas. Dat moet dus ook een kwalitatieve versterking op dit punt gaan opleveren.
Steeds vaken opsluiten van alleenstaande minderjarige asielzoekers |
|
Nine Kooiman , Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Hoeveel alleenstaande minderjarige asielzoekers zitten er momenteel opgesloten en waarom gebeurt dit?1 Deelt u de mening dat dit in strijd is met het Kinderrechtenverdrag en opvattingen van de Raad van Europa en de Verenigde Naties? Zo nee, waarop baseert u uw mening?
Op 1 september 2010 zaten er ongeveer 20 amv’s in vreemdelingenbewaring.
Artikel 37 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bepaalt dat geen enkel kind onwettig of op grond van willekeur van zijn of haar vrijheid wordt beroofd. Verder vereist het Verdrag dat het inbewaringstellen van kinderen alleen als een ultimum remedium wordt toegepast voor een zo kort mogelijke duur. Bij de uitvoering van het vreemdelingenbeleid worden deze bepalingen van het IVRK in acht genomen. Waar mogelijk wordt in Nederland vrijheidsontneming van kinderen voorkomen en wordt gebruik gemaakt van alternatieve vormen van opvang of vrijheidsbeperking. Ten aanzien van amv’s wordt het instrument van vreemdelingenbewaring alléén toegepast indien een lichter middel niet toereikend is.
Ik verwijs u naar de brief van de minister voor Jeugd en Gezin van 19 februari 2009 naar aanleiding van de behandeling door het VN-Kinderrechtencomité van Nederlandse rapportages (Tweede Kamer 2008–2009, 31 000, nr. 66).
Voorzover u wat betreft de opvattingen van de Raad van Europa doelt op het rapport van de Mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa, naar aanleiding van diens bezoek aan Nederland van 21–25 september 2008, verwijs ik u naar de Kabinetsreactie terzake van 27 april 2009, alsmede het daarop volgende verslag van een schriftelijk overleg van 31 mei 2010 (Tweede Kamer 2008–2009, 31 700 V, nr. 95 en Tweede Kamer 2008–2009, 32 123 V, nr. 90).
Worden de lichamelijke en psychische gezondheidsklachten van deze jongeren niet juist versterkt door het opsluiten in een gevangenis? Zo ja, waarom gebeurt dit dan toch? Zo nee, waarop baseert u uw mening?
Nee. De amv’s die in vreemdelingenbewaring zijn gesteld, verblijven in de Justitiële Jeugdinrichting (JJI) De Maasberg, die onderdeel uitmaakt van de Hunnerberg. JJI De Maasberg is speciaal voor deze doelgroep ingericht. Het personeel in De Maasberg is opgeleid om vanuit een pedagogische invalshoek met amv’s te werken. Er wordt onderwijs verzorgd en er is aandacht voor vrijetijdsbesteding. Ook is er aandacht voor psychische en lichamelijke gezondheidsklachten bij amv’s. Hiervoor is speciaal opgeleid personeel aanwezig.
Sluit u de jongeren op in de verwachting dat hier een afschrikwekkende werking van uit zal gaan? Zo ja, kunt u dit nader toelichten?
Hoeveel opgesloten minderjarige asielzoekers zijn (verdeeld naar vrijwillig, gedwongen, Dublin-claim) vanuit bewaring in 2009 en 2010 aantoonbaar teruggekeerd naar hun land van herkomst?
Nee. Vreemdelingenbewaring wordt niet toegepast als middel om af te schrikken. Vrijheidsontneming wordt toegepast om te voorkomen dat vreemdelingen zich onttrekken aan het toezicht tijdens de voorbereiding van hun verwijdering uit Nederland. Vreemdelingenbewaring is een ultimum remedium en wordt alleen toegepast wanneer er geen lichtere middelen voorhanden zijn om hetzelfde doel te bereiken.
Hoeveel opgesloten minderjarige asielzoekers zijn na te zijn opgesloten weer in vrijheid gesteld en hoe is de nazorg geregeld voor deze alleenstaande minderjarige asielzoekers?
Op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet kunnen vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf hebben met het oog op uitzetting uit Nederland in vreemdelingenbewaring worden gesteld. De geldigheid van de vrijheidsontnemende maatregel wordt periodiek door een onafhankelijke rechter getoetst. De maatregel wordt opgeheven in geval van aantoonbaar vertrek, indien er niet langer zicht is op uitzetting, of omdat er op basis van nieuwe feiten en omstandigheden in relatie tot de toelating rechtmatig verblijf onstaat.
In 2009 en 2010 zijn ongeveer 70 vreemdelingen vanuit vreemdelingenbewaring aantoonbaar uit Nederland vertrokken, waarvan ongeveer 10 vreemdelingen zelfstandig en ongeveer 60 vreemdelingen gedwongen.
Ongeveer 50 van de gedwongen vertrekken zijn op grond van een effectuering van een Dublin-claim, de overige 10 amv’s zijn gedwongen naar het land van herkomst teruggekeerd.
In ongeveer 80 gevallen is de vreemdelingbewaring op last van de rechter opgeheven omdat er niet langer zicht was op uitzetting. Het gaat hier in ongeveer 15 gevallen om vreemdelingen die 18 jaar of ouder waren ten tijde van de opheffing van de vreemdelingenbewaring.
In het geval dat de vreemdelingenbewaring wordt opgeheven op het moment dat een vreemdeling nog geen 18 jaar is, wordt de voogd hiervan in kennis gesteld.
Van hoeveel van deze jongeren is u niet bekend wat er na vrijlating met hen is gebeurd? Wat vindt u daarvan?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw oordeel over de effectiviteit en de risico’s van het opsluiten van alleenstaande minderjarige asielzoekers?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid te stoppen met het opsluiten van alleenstaande minderjarige asielzoekers die niets hebben misdaan? Zo nee, waarom niet?
Met name bij een kwetsbare groep als amv’s acht ik het van belang om zo veel als mogelijk te volstaan met lichtere toezichtsinstrumenten dan bewaring. In verband met de herijking van het amv-beleid is toegezegd dat in combinatie met de implementatie van de beschermende maatregelen voor zogenaamde risico-amv's wordt onderzocht of het karakter van JJI De Maasberg kan worden aangepast en de voorzieningen een meer open karakter kunnen krijgen, zodat slechts sprake is van vrijheidsbeperking in plaats van vrijheidsontneming (Kamerstukken II, 2009/10, 27 062, nr. 64 en 65). Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomst zodra het onderzoek is afgerond.
Verschillende uitlatingen over Afghanistan |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «NAVO vraagt Nederland weer om troepen voor Afghanistan?»1
De inhoud van het artikel is bekend, evenals het feit dat de Navo en verscheidene bondgenoten een nieuwe bijdrage van Nederland in Afghanistan zouden verwelkomen.
Is het waar dat de Amerikaanse generaal David Petraeus heeft gevraagd of Nederland «een substantieel deel» van de tweeduizend trainers die de NAVO nodig heeft om Afghaanse militairen en politieagenten op te leiden kan leveren? Zo ja, wat was uw reactie op deze vraag?
Met enige regelmaat informeren partners en bondgenoten naar de voornemens van Nederland met betrekking tot een nieuwe bijdrage aan ISAF. Daarbij komt veelal de motie-Peters/Pechtold ter sprake. Generaal Petraeus stelde zijn vraag tijdens het bezoek van de Minister van Defensie aan Afghanistan en de minister heeft het regeringsstandpunt toegelicht. Hij heeft onderstreept dat het aan het nieuwe kabinet is een beslissing te nemen over de wijze waarop Nederland in de toekomst bij Afghanistan betrokken zal blijven.
Zijn de genoemde aantallen trainers uit de kabinetsreactie van 25 juni 2010 op de aangenomen motie Peters-Pechtold nog steeds actueel?2
De aantallen uit de kabinetsreactie van 25 juni 2010 weerspiegelen de behoefte van dat moment. In die reactie is gemeld dat er bij ISAF een behoefte bestond aan 450 trainers op diverse opleidings- en trainingsinstituten en aan ongeveer 170 Police Operational Mentoring and Liaison Teams (POMLT’s), ieder bestaande uit ongeveer vijftien tot twintig personen. Het tekort aan trainingscapaciteit schommelt door besluitvorming in de Navo of door wijzigingen in de bijdragen van landen. Met de beslissing het Afghaanse leger en de politie verder uit te breiden en te versterken is de behoefte aan trainers sterk toegenomen. Het tekort aan trainers en POMLT’s zal in verband met de voorziene groei van de politie en het leger het komende jaar verder toenemen.
Kunt u aangeven waarom u de Kamer niet op de hoogte heeft gebracht van de vraag van generaal Petraeus voordat het artikel verscheen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u specificeren wat u bedoelt met de frase: «als Nederland helemaal niet op dit verzoek ingaat, zal dat niet begrepen worden»? Heeft u concrete aanwijzingen dat dit het geval zal zijn?
Nederland heeft als lid van de Navo de afgelopen jaren belangrijke bijdragen aan ISAF geleverd. Daarvoor bestaat internationaal waardering. Het werk van de Navo in Afghanistan is echter nog niet af. De komende jaren zal er veel moeten worden geïnvesteerd in de verdere versterking van het Afghaanse leger en de politie, zodat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op termijn aan de Afghaanse autoriteiten kan worden overgedragen. De Navo zal nauw betrokken blijven bij de training van de politie en het leger, en zal hiervoor een beroep moeten doen op alle bondgenoten, inclusief Nederland. Nederland heeft de reputatie van een actieve en betrouwbare bondgenoot. Bondgenoten hebben uiteraard kennis genomen van de politieke discussie in Nederland. Eenzelfde grootschalige inspanning zoals die in Uruzgan als lead nation is geleverd wordt niet verwacht. Wel hoopt men dat Nederland een aanzienlijke bijdrage zal kunnen leveren op het gebied van training. Het huidige kabinet hecht aan de loyaliteit in het bondgenootschap, maar het is aan het nieuwe kabinet om daaraan inhoud te geven.
Hoe verhoudt uw inziens uw demissionaire status zich met de uitspraak «ik vind wel dat Nederland een loyale NAVO-bondgenoot dient te blijven»?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u op de hoogte van de (financiële) problematiek rondom de aansluiting van de Meldkamer Noord-Nederland (MkNN) en het Operationeel Centrum Stichtse Brug (OCSB) op C2000 en dan meer in het bijzonder het NAFIN-netwerk?
Ja.
Waarom bent u van mening dat ten behoeve van C2000 enkel en alleen het NAFIN dient te worden gebruikt?
Het Communicatienetwerk C2000 is essentieel voor de onderlinge communicatie en samenwerking van organisaties met wettelijke taken ten behoeve van de veiligheid van burgers en is tevens een belangrijk middel voor de veiligheid van de hulpverleners. Zowel in alledaagse situaties als in rampen en crisissituaties is deze communicatie en samenwerking essentieel. Onder dergelijke omstandigheden kan de capaciteit van openbare netwerken te gering zijn en is het niet altijd mogelijk om de beschikbare capaciteit van het openbare net uitsluitend toe te wijzen aan de communicatiecapaciteit van de hulpverleningsdiensten tbv. van het afhandelen van de ramp of calamiteit.
Tevens is van belang dat bij speciale eenheden van de politie gewerkt wordt met end-to-end encryptie verbindingen. Om de kwetsbaarheid tot een minimum te beperken en te borgen dat de hulpverleningsdiensten onder alle omstandigheden kunnen blijven functioneren is het essentieel dat er gebruik wordt gemaakt van een gesloten netwerk.
Vertrouwelijkheid, integriteit, beschikbaarheid, controleerbaarheid en beheersbaarheid van het C-2000 netwerk dienen derhalve gegarandeerd te zijn. Met behulp van NAFIN – een gesloten netwerk – kan aan deze eisen worden voldaan.
Vindt u het een terechte zaak dat zowel de MkNN als de OCSB een aanzienlijke kostenbesparing wordt onthouden door deze toekomstige meldkamers niet toe te staan een bedrijfszekere openbare glasverbinding te gaan gebruiken?
Ik vind het een terechte zaak dat onze hulpverleners worden uitgerust met de best beschikbare communicatiemiddelen. Daar worden vanuit het rijk zeer hoge eisen aangesteld. Deze eisen zijn bij alle regio’s bekend.
De kosten waar het hier met name om gaat zijn de extra kosten voor het graven van de uitlopers van NAFIN naar de gekozen locatie. Bij de start van het project en de locatiekeuze had hier rekening mee kunnen worden gehouden.
Bent u bereid om, zo nodig in samenspraak met de betrokkenen, tot een herziening en/of een oplossing te komen?
Gezien het belang van C-2000 voor de veiligheid van zowel burgers als hulpverleners en de strenge eisen die hierdoor worden gesteld aan het netwerk, zie ik geen ruimte om tot een herziening te komen.
Bent u bereid een substantieel bedrag beschikbaar te stellen, nu u persisteert in het verplichte gebruik van het NAFIN dat tot een kostenpost van € 1.6 miljoen voor de MkNN en € 2.5 miljoen voor het OCSB leidt, om op die wijze de door u gewenste samenvoegingen te stimuleren?
De eisen die vanuit BZK worden gesteld aan meldkamers – waaronder een aansluiting op het NAFIN ten behoeve van het bedienen van het C-2000 netwerk vanuit de meldkamers – zijn bekend in de regio’s. Ik ga er dan ook vanuit dat dit soort kostenposten zijn opgenomen in de begroting van de betreffende regio(«s). Daarbij kunnen – door samenvoeging van meldkamers – kostenbesparingen worden gerealiseerd.
Vraag van Amerikaanse generaal om meer troepen naar Afghanistan te sturen |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Is het waar dat de Amerikaanse generaal Petraeus een verzoek heeft gedaan aan de Nederlandse regering om in «een substantieel deel» van de behoefte aan instructeurs in Afghanistan te voorzien? Op welke wijze is dat verzoek gedaan? Indien dit schriftelijk is gedaan, kunt u dit verzoek aan de Kamer voorleggen? Zo nee, waarom niet?1
Met enige regelmaat informeren partners en bondgenoten naar de voornemens van Nederland met betrekking tot een nieuwe bijdrage aan ISAF. Daarbij komt veelal de motie-Peters/Pechtold ter sprake. Generaal Petraeus stelde zijn vraag tijdens het bezoek van de Minister van Defensie aan Afghanistan en de minister heeft het regeringsstandpunt toegelicht. Hij heeft onderstreept dat het aan het nieuwe kabinet is een beslissing te nemen over de wijze waarop Nederland in de toekomst bij Afghanistan betrokken zal blijven.
Waarom zegt u dat «Als Nederland helemaal niet op dit verzoek ingaat, dat niet begrepen zal worden»? Waar baseert u die verwachting op?
Nederland heeft als lid van de Navo de afgelopen jaren belangrijke bijdragen aan ISAF geleverd. Daarvoor bestaat internationaal waardering. Het werk van de Navo in Afghanistan is echter nog niet af. De komende jaren zal er veel moeten worden geïnvesteerd in de verdere versterking van het Afghaanse leger en de politie, zodat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op termijn aan de Afghaanse autoriteiten kan worden overgedragen. De Navo zal nauw betrokken blijven bij de training van de politie en het leger, en zal hiervoor een beroep moeten doen op alle bondgenoten, inclusief Nederland. Nederland heeft de reputatie van een actieve en betrouwbare bondgenoot. Bondgenoten hebben uiteraard kennis genomen van de politieke discussie in Nederland. Eenzelfde grootschalige inspanning zoals die in Uruzgan als lead nation is geleverd wordt niet verwacht. Wel hoopt men dat Nederland een aanzienlijke bijdrage zal kunnen leveren op het gebied van training. Het huidige kabinet hecht aan de loyaliteit in het bondgenootschap, maar het is aan het nieuwe kabinet om daaraan inhoud te geven.
Deelt u de opvatting dat het doen van deze uitspraak internationaal de verwachting wekt dat Nederland troepen zal leveren voor een nieuwe missie? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Een onderzoek naar de relatie tussen abortussen en prenatale screening bij Downsyndroom |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het onderzoek van de Stichting Downsyndroom naar het afbreken van een zwangerschap, als na prenatale screening blijkt dat er sprake is van een kind met het syndroom van Down?1
Ja, ik heb het onderzoek naar «ervaringen van ouders met prenatale screening» gelezen. Dit is een enquête uitgevoerd door de Stichting Downsyndroom (SDS) onder ouders van kinderen met Downsyndroom in de leeftijd van 0 tot 21 jaar. Dat betekent dat de uitkomst slechts in beperkte mate iets kan zeggen over het beleid van de overheid dat sinds 2007 van kracht is. Belangrijke conclusie is wel dat de ouders van kinderen in de jongste categorie significant vaker aangeven een bewuste keuze te hebben gemaakt om wel of niet deel te nemen aan prenatale screening.
Hoe beoordeelt u een percentage zwangerschapsafbrekingen van negentig procent in het licht van het beleid dat uitgaat van een gelijkwaardige behandeling van gehandicapten en niet-gehandicapten?
Die negentig procent beoordeel ik in het kader van het aantal zwangeren dat kiest voor prenatale screening op Downsyndroom. In de eerste jaren na het verlenen van een vergunning op grond van de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO) is gebleken dat dit nog geen kwart is. Uit het onderzoek van de SDS naar de motieven om af te zien van prenatale screening blijkt dat er de laatste jaren een verschuiving plaatsvindt. Bij ouders van kinderen jonger dan vijf jaar geeft de meerderheid aan niet te hebben gekozen voor prenatale screening, omdat «een kind met een handicap als Downsyndroom sowieso welkom was in het gezin».
Welke concrete stappen zijn gezet sinds de uitspraken van de voormalige staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in april 2008 dat «de informatie over deze echo volledig moet zijn. Ook tijdens de opleiding moet specifieke aandacht worden besteed aan de wijze waarop men deze echo presenteert. Dat krijgt al alle aandacht door middel van aparte cursussen voor degenen die met deze echo’s werken. Het is nog wel voor verbetering vatbaar, maar wij zijn daar constructief mee bezig.»?2
Prenatale screening op Downsyndroom en het structureel echografisch onderzoek (20-wekenecho) hebben als doel om aanstaande ouders de mogelijkheid te bieden om zelf een goed geïnformeerde keuze te maken. Aanstaande ouders krijgen, indien zij dit wensen, uitgebreide informatie over de screening en de keuzes die zij misschien moeten maken. Dit stelt zware eisen aan de voorlichting. Prenatale screening is vergunningplichtig op grond van de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO). De regionale centra voor prenatale screening zijn WBO-vergunninghouder. Verloskundigen die onder contract met een WBO-vergunninghouder werken, zijn opgeleid om de voorlichting en counseling te doen bij die zwangeren die dit wensen. In de opleiding wordt het recht op niet weten ook expliciet aan de orde gesteld.
Het centraal orgaan prenatale screening, bestaande uit betrokken beroepsgroepen en de regionale centra, stelt landelijk voorlichtingsmateriaal en opleidingseisen vast. De SDS is betrokken bij het opstellen van de teksten voor de folders.
De folders, die zwangeren bij hun bezoek aan de verloskundige krijgen, zijn ook beschikbaar op www.rivm.nl/zwangerschapsscreening/ .
In het bijzonder wil ik hier wijzen op de keuzehulp die beschikbaar is via http://www.kiesbeter.nl/medische-informatie/keuzehulpen/prenatalescreening/ .
Deelt u de conclusies van deze onderzoekers dat er «duidelijk gebrek is aan objectieve informatie over het syndroom van Down»? Zo ja, welke concrete wegen wilt u dan bewandelen om deze objectieve informatie te bevorderen in opleiding en informatievoorziening?
Nee, zie mijn antwoord op vraag 3. Wel ben ik van mening dat de voorlichting over prenatale screening zo belangrijk is in het faciliteren van een goed geïnformeerde keuze, dat dit continue aandacht verdient. Het centraal orgaan voor prenatale screening laat onderzoeken of zwangeren inderdaad een goed geïnformeerde keuze maken. Welke keuze dit is, is aan de zwangere zelf. Goed geïnformeerd betekent gebaseerd op voldoende kennis en in lijn met eigen normen en waarden.
Vraag 5 is weggevallen.
Bent u bereid de inspanningsverplichting op u te nemen, om te waarborgen dat ook beslissingen rond het leven van ongeboren kinderen met het syndroom van Down genomen kunnen worden op grond van objectieve en verantwoorde informatie over hun levenskansen en -perspectieven?
Het laten inslapen van jonge kalveren omdat zij niet geschikt zouden zijn om af te mesten |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Gerda Verburg (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kalveren laten inslapen?»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het de huidige praktijk is, of dat het voorkomt, dat wanneer een kalf niet binnen 30 dagen na zijn geboorte het gewicht van minimaal 36 kilo heeft bereikt, deze dieren niet meer gewild zijn voor het afmesten, en dat hierdoor dieren gedood worden door de veehouder zelf, of zelfs op de verzamelplaats van de tussenhandelaar? Hoe beoordeelt u dit?
Het komt inderdaad voor dat kalveren onder de 36 kg niet worden afgenomen. Het is de verantwoordelijkheid van de veehouder aan elk dier de nodige zorg te besteden en te voldoen aan de hierop van toepassing zijnde regelgeving.
Zo zal op het moment dat een dier geëuthanaseerd dient te worden, voldaan moeten worden aan de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD), het Besluit doden van dieren en indien van toepassing, de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde (WUD). Dieren mogen in overeenstemming met deze regelgeving op het bedrijf gedood worden. De overheid houdt toezicht op de naleving van de regelgeving.
In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel voor een Wet dieren heb ik aangegeven dat in de uitvoeringsregels bij die wet zal worden bepaald in welke gevallen een dier mag worden gedood. In eerste instantie ben ik voornemens die gevallen vast te stellen voor een beperkt aantal diersoorten, zoals honden en katten. Op basis van ervaringen worden die regels uitgebreid naar andere diersoorten, zoals kalveren. Op dat moment zal ook de vraag moeten worden beantwoord in hoeverre het doden van commercieel gehouden dieren, waarvan het houden niet economisch rendabel is, ethisch aanvaardbaar is.
Kunt u inzicht geven in wie deze regel bedacht heeft, hoelang deze regel al geldt, en of u en de inspecteurs van de Voedsel- en Warenautoreiteit (VWA) daarvan op de hoogte waren?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u inzicht geven in het aantal kalfjes dat gedood is omdat ze het vereiste gewicht niet hadden bereikt binnen dertig dagen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat deze praktijk strijdig is met artikel 12 van het Besluit doden van dieren, waarin zelfs expliciet wordt gesteld dat het «buiten het slachthuis doden van rundvee […] categorisch verboden [is], omdat dit vanuit welzijnsoogpunt onaanvaardbare risico’s meebrengt»?2 Kunt u toelichten hoe het kan dat het in de praktijk kennelijk voorkomt, en waarom het Besluit niet gehandhaafd wordt?
Deelt u de mening dat deze praktijk uit ethisch oogpunt gestopt moet worden? Zo nee, waarom niet?
Artikel 12 van het Besluit doden van dieren is van toepassing op het slachten en doden van productiedieren buiten het slachthuis. Indien het dier niet gedood wordt als productiedier, is dit artikel niet van toepassing. Naast de GWWD en de WUD zijn alleen de artikelen 1 t/m 6 van het Besluit doden van dieren dan van toepassing. Op de naleving hiervan wordt door de overheid toezicht gehouden.
Bent u bereid maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze praktijk zo snel mogelijk wordt gestopt? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en termijn?
Zie antwoord vraag 2.
De onafhankelijkheid van de advocaat in loondienst |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Loorbach: Akzo-uitspraak dwingt tot discussie onafhankelijkheid Cohen-advocaat»?1
Ja.
Welke praktische gevolgen heeft de genoemde uitspraak van het Hof van Justitie2voor de advocaat in dienstbetrekking (bij niet-advocaten)?
De uitspraak van het Hof van Justitie heeft als praktisch gevolg dat een advocaat die in dienstbetrekking is bij zijn cliënt geen beroep op de bescherming van vertrouwelijkheid kan doen bij verificatieprocedures verricht door de Europese Commissie op grond van het Europese mededingingsrecht.
Wat is uw mening over het in het arrest gestelde dat het begrip onafhankelijkheid van de advocaat niet enkel positief – door een verwijzing naar de gedragsrechtelijke voorwaarden – maar ook negatief – door de nadruk op het ontbreken van een dienstbetrekking – omschreven wordt?
De reikwijdte van deze uitspraak is thans nog niet goed te overzien. Deze uitspraak dwingt tot een bezinning over de onafhankelijkheid en het verschoningsrecht van advocaten in dienstbetrekking. Daartoe zal ik overleg voeren met betrokken partijen als de NOvA, het Verbond van Verzekeraars en het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen. Over de uitkomsten hiervan zal ik u nader informeren.
Kan als gevolg van deze uitspraak een advocaat in dienstbetrekking bij een niet-advocaat nog langer onafhankelijk worden genoemd? Zo ja, waarom? Zo nee, kan een dergelijke advocaat dan nog wel voldoen aan de kernwaarden, zoals die met voorliggend wetsvoorstel over de positie van de advocaat in de rechtsorde (Kamerstuk 32 382) moeten worden verankerd?
Zie antwoord vraag 3.
Bezuinigingen in het volwassenenonderwijs |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de berichten over de bezuinigingen in het volwassenenonderwijs?1
Ja.
Wat vindt u van de bezuinigingen die gemeenten in twee jaar tijd hebben doorgevoerd met halvering van het budget als gevolg?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 1 van het van het lid Van der Ham (D66), ingezonden 16 september 2010 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 211).
Welke geldstromen voor het volwasseneneducatie komen direct uit de begroting van het Ministerie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap?
Het educatiedeel binnen het totale participatiebudget dat het rijk jaarlijks verdeelt onder alle gemeenten is afkomstig uit de begroting het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Daarnaast ontvangen scholen voor voortgezet onderwijs bekostiging voor hun eigen leerlingen die bij een roc voortgezet algemeen volwassenonderwijs (vavo) volgen. Voor een nadere toelichting verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen 1 en 2 van het lid Van der Ham (D66).
Kunt u in kaart brengen hoeveel leerlingen jaarlijks besluiten om alsnog een diploma te willen halen?
In schooljaar 2008–2009 hebben 1126 vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs leerlingen ingeschreven onder «het Besluit samenwerking vo-bve» en in totaal voor 6774 leerlingen het onderwijs uitbesteed aan een roc. Sinds 2006 is sprake van een stijging van zowel het aantal vestigingen dat leerlingen inschrijft onder deze regeling, als het totaal aantal leerlingen.
Volgens de gegevens die ik heb ontvangen van alle gemeenten met betrekking tot 2010 hebben zij in totaal voor 12 725 volwassenen vavo-trajecten bij roc’s ingekocht.
Indien u geen rol van betekenis speelt bij deze bezuinigingen, in hoeverre bent u bereid om uw bijdrage te leveren bij de onderhandelingen die thans lopen tussen de gemeenten en scholen?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 7 van het lid Van der Ham (D66).
Hebt u kennisgenomen van het selectieve beleid dat sommige gemeenten al voeren en alleen nog willen betalen voor leerlingen die alsnog hun havo-diploma willen halen? Zo ja, vindt u dan de gevolgen voor het aantal jongeren dat geen startkwalificatie behaalt, aanvaardbaar?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 3 van het lid Smits (SP), ingezonden 20 september (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 212).
Bent u bereid om dit tegenstrijdige beleid dat is ontstaan door de forse bezuinigingen tegen te gaan? Zo ja, welke prikkels biedt u aan scholen om alle drop-outs alsnog een tweede kans te geven?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 7 van het lid Van der Ham (D66).
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 september 2010 over de veiligheidssituatie in Mogadishu, Somalië |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 september 2010 over de veiligheidssituatie in Mogadishu, Somalië?1
Ja.
Is het gevolg van deze uitspraak dat uw beschermingsbeleid ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Mogadishu moet worden aangepast, in die zin dat niet langer houdbaar is dat de algemene veiligheidssituatie in Mogadishu wordt beoordeeld in de context van Centraal- en Zuid Somalië?
Zoals aan uw Kamer is bericht op 29 maart 2010 (TK, 2009–2010, 29 344, nr. 72) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in een uitspraak van 26 januari 2010 geoordeeld dat in een afwijzende asielbeslissing van 15 juni 2009 met betrekking tot een vreemdeling afkomstig uit Mogadishu, ontoereikend is gemotiveerd waarom er in Mogadishu geen sprake is van een situatie als beschreven in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn (2004/83/EG) ten tijde van de totstandkoming van deze beslissing. De toenmalige Minister van Justitie heeft in reactie op deze uitspraak uiteengezet dat de beoordeling van de veiligheidssituatie niet moet plaatsvinden tegen de achtergrond van één stad maar dient plaats te vinden tegen de achtergrond van een gebied van een grotere geografische omvang dan de stad waar de asielzoeker uit afkomstig is. In de context van Somalië betreft dit Zuid- en Centraal Somalië.
De Afdeling is in de uitspraak van 9 september 2010 echter van oordeel dat, indien zich niet in alle delen van het desbetreffende land van herkomst een situatie voordoet als beschreven in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn (2004/83/EG), moet worden bezien uit welk duidelijk te onderscheiden deelgebied de vreemdeling afkomstig is. Bezien moet worden of zich dan in dat deelgebied een dermate hoge mate van willekeurig geweld voordoet in het kader van het aan de gang zijnde gewapende conflict, dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar dat gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. Volgens de Afdeling vormt Mogadishu een duidelijk te onderscheiden deelgebied nu er apart over wordt bericht in de ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit betekent volgens de Afdeling dat moet worden beoordeeld of specifiek in Mogadishu sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Vervolgens oordeelt de Afdeling niet dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn maar wel dat ontoereikend is gemotiveerd waarom zulks niet het geval is.
Bestudering van de uitspraak van 9 september, in samenhang met de uitspraak van 26 januari 2010 en de informatie uit het ambtsbericht over Somalië van 20 september 2010, brengt mij tot de conclusie dat op dit moment, op basis van de huidige informatie over de veiligheidssituatie in Mogadishu, het door de Afdeling geconstateerde motiveringsgebrek niet kan worden weggenomen en dat in Mogadishu thans een situatie moet worden aangenomen als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Het ambtsbericht beschrijft de veiligheidssituatie in Mogadishu gedurende de periode van 23 maart 2010 tot 31 augustus 2010. Zo wordt bijvoorbeeld in het ambtsbericht gemeld dat in deze periode geregeld zware wapens in Mogadishu werden ingezet, er als gevolg van het geweld veelvuldig burgerslachtoffers vielen en er sprake was van ernstige en wijdverspreide schendingen van mensenrechten. Voor andere gebieden in Somalië is er op dit moment geen aanleiding om te concluderen dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.
Op basis van de mij thans beschikbare informatie, stel ik vast dat het aannemen van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn in Mogadishu, aansluit bij de rechtsontwikkeling en de praktijk in lidstaten met een grote instroom van Somaliërs als het Verenigd Koninkrijk en Zweden.
Tot slot informeer ik u over het feit dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna «EHRM») op verzoek van een Somalische asielzoeker afkomstig uit Mogadishu, laatstelijk op 12 november jl. een maatregel op grond van artikel 39 van de Procedureregels van het EHRM (hierna «interim measure») heeft opgelegd teneinde de gedwongen terugkeer van deze Somalische asielzoeker naar Somalië tijdelijk op te schorten. Van belang is dat de door het EHRM te Straatsburg opgelegde interim measure niet nader gemotiveerd is. Het betreft een tijdelijke bevriezingsmaatregel, die geen uitsluitsel geeft over het definitieve oordeel in de onderliggende zaak. Het toewijzen van een interim measure in deze individuele zaak heeft geen gevolgen voor het toelatings- en terugkeerbeleid ten aanzien van Somalische asielzoekers. Het gaat om een individuele maatregel en het ongemotiveerd karakter laat bovendien niet toe om aan deze individuele interim measure algemene conclusies te verbinden voor de toelating en terugkeer van Somalische asielzoekers in het algemeen. Om diezelfde reden kan ik thans niet voorzien in hoeverre toekomstige verzoeken van Somalische vreemdelingen om het treffen van een interim measure zullen worden ingewilligd, dan wel in hoeverre hier generieke werking vanuit zal kunnen gaan. Dergelijke individuele verzoeken zullen door het EHRM per geval worden beoordeeld.
Bent u bereid beleid te maken voor de veiligheidssituatie in Mogadishu dat puur betrekking heeft op het gebied rondom Mogadishu?
Zoals ik heb geantwoord op vraag 2, moet op dit moment in Mogadishu een situatie worden aangenomen als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Dit betekent dat een Somalische asielzoeker die zijn identiteit en zijn afkomst uit Mogadishu aannemelijk maakt, in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 tenzij betrokkene een vestigingsalternatief heeft.
De beoordeling of een Somalische asielzoeker die afkomstig is uit Mogadishu, bescherming behoeft in Nederland, zal plaatsvinden op individuele gronden waarbij steeds individueel zal worden onderzocht of betrokkene een vestigingsalternatief heeft in een ander deel van Somalië, conform de vereisten van het beleid ten aanzien van het aannemen van een vestigingsalternatief. Als een Somalische asielzoeker aannemelijk maakt dat hij afkomstig is uit Mogadishu en de individuele beoordeling leidt tot de conclusie dat geen vestigingsalternatief is in een ander deel van Somalië, zal betrokkene op dit moment niet worden teruggestuurd naar Somalië. Indien na de individuele beoordeling blijkt dat er wel een vestigingsalternatief is in een ander deel van Somalië, is terugkeer (zelfstandig dan wel gedwongen) aan de orde. Primair wordt ingezet op het bevorderen van het zelfstandig vertrek. Indien gedwongen terugkeer aan de orde is, zal worden uitgezet naar de internationale luchthaven van Mogadishu die in handen is van de Transitional Federal Government (TFG), gesteund door de troepen van de African Union Mission in Somalië (AMISOM), vanwaar betrokkene door kan reizen naar het vestigingsalternatief. Vanzelfsprekend blijft het onderkennen en tegengaan van fraude nog steeds een essentieel onderdeel van deze individuele beoordeling.
De beoordeling van de aanwezigheid van een vestigingsalternatief vindt plaats op basis van het geldende landgebonden asielbeleid voor de noordelijke (autonome) gebieden Puntland, Somaliland, Sool of Sanaaq. Daarnaast zal individueel worden onderzocht of vreemdelingen uit Mogadishu een vestigingsalternatief hebben in Zuid- en Centraal Somalië. De collectieve aard van de bedreiging in geval van een situatie als bedoeld in artikel 15 c van de Kwalificatierichtlijn leidt tot een meer daarop toegespitste beoordeling van de aanwezigheid van het vestigingsalternatief dan wanneer sprake is van een individuele bedreiging. Dit zal ook zo worden neergelegd in de Vreemdelingencirculaire. Ten aanzien van niet-Somali minderheden, alleenstaande vrouwen en alleenstaande minderjarigen die afkomstig zijn uit Mogadishu, wordt het bestaan van een vestigingsalternatief in Zuid- en Centraal-Somalië in beginsel uitgesloten.
Deelt u de mening dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en gezien de huidige erbarmelijke situatie in Mogadishu, niet anders kan worden geoordeeld dat zich in Mogadishu een dermate hoge mate van willekeurig geweld voordoet in het kader van een aan de gang zijnd gewapend conflict, dat een burger die terugkeert naar Mogadishu, een reëel risico loopt op ernstige schade, zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van mening dat het terugsturen van vreemdelingen naar Mogadishu, gezien de ernstige situatie daar, niet verantwoord en strijdig met het recht op bescherming van burgers is?
Zie antwoord vraag 3.
Staan er de komende maanden nog uitzettingen van vreemdelingen naar Mogadishu gepland?
Er staan geen uitzettingen gepland. Zelfstandige terugkeer naar Somalië is mogelijk en vindt plaats.
Bent u van mening dat uitzettingen van vreemdelingen naar Mogadishu in elk geval moeten worden opgeschort zolang door uw ministerie nog geen nieuw besluit is genomen in de procedure waarover de Raad van State nu heeft geoordeeld?
Zoals reeds blijkt uit het antwoord op vraag 2, heeft bestudering van de uitspraak van 9 september 2010, in samenhang met de uitspraak van 26 januari 2010 en de informatie uit het ambtsbericht over Somalië van 20 september 2010, mij tot de conclusie gebracht dat op dit moment in Mogadishu een situatie moet worden aangenomen als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voordat de Tweede Kamer op 13 oktober aanstaande met u overlegt over het asiel- en vreemdelingenbeleid?
Nu het geplande overleg over het asiel- en vreemdelingenbeleid van 13 oktober 2010 is uitgesteld, ben ik uiteraard bereid om dit aangepaste beleid in een ander overleg met uw Kamer te bespreken.
Een vermeende inspectie van Nederlandse militairen aan een ziekenhuis in Tarin Kowt |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
|
|
|
Kent u de artikelen «Faux pas in Uruzgan» en «We zijn hier niet trots op» uit de Groene Amsterdammer?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja.
Is het waar dat op 12 april 2009 gewapende Nederlandse militairen het provinciaal ziekenhuis in Tarin Kowt hebben betreden? Zo ja, wat is de reden geweest?
Begin april 2009 was informatie ontvangen dat gewonde vijandelijke strijders in het provinciaal ziekenhuis in Tarin Kowt en het nabijgelegen Health Training Center van de Afghan Health and Development Services aanwezig zouden zijn. Bovendien was bekend dat vijandelijke strijders in Afghanistan in voorkomend geval onder dreiging van geweld medische behandeling afdwingen of zich medicijnen toe-eigenen. Op grond van deze informatie hebben Nederlandse militairen op 12 april 2009 een bezoek gebracht aan het ziekenhuis van Tarin Kowt en het Health Training Center, waarbij onder meer het ziekenhuis is betreden. Alvorens het ziekenhuis binnen te gaan, hebben de militairen daartoe toestemming gekregen van de aanwezige staf van het ziekenhuis. Bij het bezoek waren vrouwelijke militairen en militaire artsen aanwezig. Tijdens het bezoek hebben de desbetreffende militairen de normale gang van zaken in het ziekenhuis zo min mogelijk verstoord.
Nederland hecht sterk aan een goede samenwerking met het ziekenhuis en het Health Training Center. De regering betreurt dat het bezoek bij de betrokken instanties een negatieve indruk heeft gemaakt. Na het bezoek zijn er klachten ontvangen over de handelwijze van de Nederlandse militairen. De klachten zijn onderzocht en er zijn enkele deels gegrond verklaard. Het betrof het niet vooraf aankondigen van het bezoek, het zeer kort betreden van de vrouwenvleugel van het ziekenhuis en het forceren van het hangslot van een kast. Naar aanleiding van deze conclusies zijn enkele relevante procedures aangescherpt. Bovendien is de Task Force Uruzgan met de betrokken instanties in overleg getreden om de constructieve relaties en het vertrouwen te bestendigen. Er was geen sprake van schending van het internationaal recht.
Is het waar dat zij hierbij ziekenhuispersoneel en/of andere mensen in het ziekenhuis onder schot hebben gehouden?
Nee.
Wat is uw reactie op de stelling van dhr. Khan Agha Miakhil, dat er geen sprake was van een «rondleiding» onder zijn begeleiding, maar van dwingend binnentreden van Nederlandse militairen?
Zie antwoord vraag 2.
Zou u de gebeurtenis kenmerken als een inval, een inspectie, een bezoek of een rondleiding?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom heeft u deze gebeurtenis niet aangemerkt als een incident? Hebben Nederlandse militairen in Afghanistan vaker gewapenderhand ziekenhuizen betreden, en zo ja, zijn deze handelingen gerapporteerd?
De gebeurtenissen zijn intern gemeld conform de daarvoor geldende procedures. Nederlandse militairen hebben in Afghanistan nooit gewapenderhand een civiel ziekenhuis betreden. Wel zijn bij het betreden van het ziekenhuis van Tarin Kowt wapens mee naar binnen genomen. Dit is overigens niet in strijd met het internationaal recht.
Is het waar dat tegelijk met de gebeurtenis bij het ziekenhuis het kantoor van de Afghaanse NGO AHDS werd omsingeld en doorzocht? Zo ja, kunt u uiteenzetten wat er gebeurde? Hoe zou u deze gebeurtenis kenmerken? Wat is de relatie tussen de genoemde gebeurtenissen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhouden uws inziens deze handelingen zich tot de Vierde Conventie van Genève?
De handelingen van Nederlandse militairen in Uruzgan op 12 april 2009 waren niet in strijd met de Vierde Conventie van Genève of enig ander onderdeel van het internationaal recht.
De Nederlandse regering hecht groot belang aan het internationaal recht. De Nederlandse krijgsmacht handelt ook in Afghanistan binnen de kaders die het internationaal recht stelt. Noch de Vierde Conventie van Genève noch enig ander onderdeel van het internationaal recht verbiedt het inspecteren of bezoeken van ziekenhuizen. Het is tevens toegestaan in voorkomend geval gewonde vijandelijke strijders te arresteren, onder de voorwaarde dat hun de noodzakelijke medische hulp niet wordt ontzegd. Bij het bezoek van het ziekenhuis van Tarin Kowt en het Health Training Center op 12 april 2009 zijn overigens geen personen gevangen genomen.
De intimidatie van gevangenispersoneel door een gevangenisdirecteur |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van «Altijd Wat» over de intimidatie van gevangenispersoneel door een gevangenisdirecteur?1
In de eerste uitzending van het nieuwe NCRV-programma «Altijd Wat» op vrijdag 10 september worden verschillende uitlatingen gedaan over de penitentiaire inrichting Hoogvliet. De vermeende misstanden die in de uitzending worden genoemd, zijn in 2009 en 2010 onderzocht. Daarbij zijn geen onregelmatigheden aan het licht gekomen.
Herkent u deze signalen? Hoe beoordeelt u de situatie en de werksfeer in Penitentiaire Inrichting (PI) Rotterdam, locatie Hoogvliet (voorheen Stadsgevangenis Rotterdam)? Kunt u in uw antwoord ingaan op het ziekteverzuim, het aantal en de ernst van de incidenten en de fricties die tussen een aantal personeelsleden en de directeur bestaan in deze penitentiaire inrichting? Kunt u eveneens ingaan op het verwijt dat er structureel sprake is van onderbezetting, en dat er met grote regelmaat onveilige situaties zijn omdat het personeel er alleen voor staat? Welke genoemde problemen hangen samen met of zijn veroorzaakt door het landelijke beleid, zoals de voortdurende bezuinigingen?
De signalen zoals geschetst in de uitzending, herken ik niet. Drie maanden geleden is een nieuw dagprogramma ingevoerd samen met een nieuw dienstrooster. Dit ging gepaard met enige onrust onder het personeel. Inmiddels heeft een tweetal bijeenkomsten plaatsgevonden tussen personeel en de directie, waarbij goede afspraken rond de knelpunten zijn gemaakt. Een aantal knelpunten is intussen opgelost.
Het ziekteverzuim binnen penitentiaire inrichting Hoogvliet is met 5–6% verhoudingsgewijs aan de lage kant. Wat betreft de personele bezetting, deze is volgens de geldende normen op peil, er is geen sprake van onderbezetting. Een verband met landelijk beleid of bezuinigingen is niet aan de orde.
Sinds wanneer bent u bekend met alarmerende signalen over deze inrichting? Welke maatregelen heeft u genomen om de problemen in deze gevangenis op te lossen? Wat is er concreet gedaan met de conclusie uit het onderzoek uit 2007 dat 22 procent van het personeel aangeeft last te hebben van intimidatie door leidinggevenden?1
Er worden regelmatig gesprekken gevoerd tussen de sector gevangeniswezen van het hoofdkantoor DJI en de directie van de inrichting over de dagelijkse gang van zaken. Daarbij is de hele bedrijfsvoering onderwerp van gesprek, dus ook de knelpunten die zich voordoen. Het rapport van de Inspectie voor de Sanctietoepassing uit mei 2007 (inzake de doorlichting van PI Rijnmond locatie Stadsgevangenis) heeft geleid tot een plan van aanpak, dat is tot stand gekomen in samenspraak met de medezeggenschap. Ter uitvoering is aan het opleidingsprogramma «Leidinggeven als professie» deelgenomen door de leidinggevenden, met inbegrip van het middenkader en de directie, om nog beter toegerust te worden voor hun taken.
Vindt u de locatie en dan vooral de inrichting van het gebouw eigenlijk wel geschikt voor de doelgroep die daar thans gedetineerd zit? Zo nee, wat gaat u daar aan doen? Is het waar dat verschillende gevangenisregimes door elkaar lopen, waardoor kruimeldieven en grote criminelen elkaar tegenkomen? Wat vindt u daarvan?
Sinds enkele maanden heeft een afgesloten deel van het gebouw een gevangenisregime gekregen. Dit deel van het gebouw is volledig afgescheiden van het huis van bewaring gedeelte. De gedetineerden in het gevangenisgedeelte komen dus niet in contact met gedetineerden in het huis van bewaring. Overigens is het voeren van meerdere regimes binnen één locatie niet ongewoon en is de bedrijfsvoering hier op aangepast.
Wat is uw reactie op het feit dat het gevangenispersoneel spreekt van «sleutelen», omdat zij hun werk steeds meer ervaren als het open en dicht doen van celdeuren, waarbij zij steeds minder contact met de gedetineerden hebben? Is het verminderen van het aantal contactmomenten bewust beleid? Zo nee, vindt u het dan een gewenst of een ongewenst neveneffect van de veranderingen in het gevangeniswezen? Welk effect denkt u dat dit heeft op het personeel? Denkt u dat het verminderen van het contact een positief of een negatief effect heeft op het resocialiseren van gedetineerden?
In het kader van het programma modernisering gevangeniswezen (MGW) staat de persoonlijke aanpak van gedetineerden centraal in het gevangeniswezen. Contact met de gedetineerde is een essentieel onderdeel van dit programma. Daarom volgt het hele personeel op dit moment een training motiverende bejegening om juist meer en intensiever contact te onderhouden met de gedetineerden. Daarnaast wordt er landelijk een vorm van mentorschap ingevoerd. In de naaste toekomst zal een uitbreiding van het aantal programma-uren plaats vinden door de invoering van het avond- en weekendprogramma. Het verminderen van contact of het terugbrengen van contactmomenten is beleid noch neveneffect van in het verleden getroffen maatregelen.
Uit welk recent rapport of onderzoek van maart 20101 zou blijken dat de situatie inmiddels is verbeterd en dat er geen sprake zou zijn van veiligheidsrisico’s? Bent u bereid dit rapport of onderzoek naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Uit de externe security audit blijkt dat de veiligheid binnen de penitentiaire inrichting goed op orde is. Informatie die betrekking heeft op de beveiliging van een inrichting wordt niet naar buiten gebracht.
Bent u bereid op korte termijn een onderzoek in te stellen naar de situatie in PI Rotterdam, locatie Hoogvliet? Zo nee, waarom niet?
Er is momenteel geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. De dagelijkse gang van zaken wordt nauwlettend gevolgd door de directie van de inrichting, waarbij voortdurend overleg met de medezeggenschap wordt gevoerd.
Het aantal alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama's) in de cel in 2009 is verdubbeld |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Steeds meer ama’s in gevangenis»?1
Ja.
Klopt het dat het aantal alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama’s) in de cel in 2009 is verdubbeld? Zo ja, wat is de oorzaak van deze verdubbeling?
In 2009 heeft tijdelijk een toename plaatsgevonden van het aantal alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) in bewaring ten opzichte van het aantal in 2008. In 2009 betrof het aantal 300 amv’s ten opzichte van 160 amv’s in het jaar 2008.
Inmiddels is het aantal amv’s in bewaring weer afgenomen. In de eerste helft van 2010 betrof het aantal inbewaringgestelden 110 amv’s ten opzichte van 170 amv’s in bewaring in de eerste helft van 2009. Deze amv’s verblijven in de Justitiële Jeugdinrichting (JJI) De Maasberg die onderdeel uitmaakt van De Hunnerberg, die speciaal voor deze doelgroep is ingericht.
Vreemdelingenbewaring is en blijft een ultimum remedium en wordt alleen toegepast wanneer er geen lichtere middelen voorhanden zijn om hetzelfde doel te bereiken. Vooral bij een kwetsbare groep als amv's is het van belang om zo veel mogelijk te volstaan met lichtere toezichtsinstrumenten dan bewaring.
Hoe verhoudt de toename van het aantal ama’s in de cel zich tot uw beleid om vreemdelingenbewaring slechts als «uiterste middel» in te zetten, en om kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen, daarbij te ontzien?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat het plaatsen van alleenstaande minderjarige kinderen in vreemdelingenbewaring in strijd is met artikel 17 van de Terugkeerrichtlijn? Voldoen de plaatsingen van de ama’s in bewaring aan de voorwaarden die in dat artikel zijn genoemd? Kunt u dat toelichten?
Zie bij antwoord 6 en 7.
In welke inrichtingen zijn de betreffende 300 ama’s uit 2009 in vreemdelingenbewaring geplaatst? Hoe lang duurde gemiddeld die inbewaringstelling? Wat was het regime in die inrichtingen? In hoeveel gevallen heeft de vreemdelingenbewaring geleid tot terugkeer naar het land van herkomst?
Bij instroom werd ruim 60% van de ongeveer 300 amv’s in 2009 direct in de JJI-locatie De Maasberg in De Hunnerberg geplaatst. Het overgrote deel van de overige 40% amv’s die in alle andere JJI’s instroomde, werd in een later stadium alsnog overgeplaatst naar de Maasberg. In de loop van 2009 is de capaciteit van De Maasberg uitgebreid van 20 plekken naar 40 plekken, omdat deze locatie te vaak vol zat, en op dat moment door de toenemende instroom amv’s deze elders geplaatst moesten worden.
Vanaf 2010 worden alle amv’s in De Maasberg geplaatst. JJI De Maasberg is speciaal voor deze doelgroep ingericht. Het personeel in De Maasberg is opgeleid om vanuit een pedagogische invalshoek met amv’s te werken. Er wordt onderwijs verzorgd en er is aandacht voor vrijetijdsbesteding.
Vanwege het geringe aantal worden meisjes bij voorkeur in De Hunnerberg geplaatst.
Volgens de gegevens van DJI bedroeg in 2009 de verblijfsduur van de amv’s in vreemdelingenbewaring ongeveer 35 dagen.
Van de vreemdelingen die in 2009 zijn overgedragen aan de DT&V zijn circa 45 vreemdelingen na opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel aantoonbaar vertrokken uit Nederland.
Bent u van mening dat ama’s niet in de cel horen? Bent u bereid de inrichtingen voor vreemdelingenbewaring voor alleenstaande minderjarige kinderen «opener» te maken, zodat meer sprake is van «gecontroleerde opvang»?
In artikel 17 van de Terugkeerrichtlijn wordt niet bepaald dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen niet in vreemdelingenbewaring mogen worden gesteld. Het artikel bepaalt wel dat vreemdelingenbewaring slechts in laatste instantie en voor een zo kort mogelijke periode dient plaats te vinden.
Het Nederlandse beleid is hiermee in overeenstemming. Vreemdelingenbewaring is een ultimum remedium en wordt alleen toegepast wanneer er geen lichtere middelen voorhanden zijn om hetzelfde doel te bereiken. Met name bij een kwetsbare groep als alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) is het van belang om zo veel mogelijk te volstaan met lichtere toezichtsinstrumenten dan bewaring.
De omstandigheden waaronder alleenstaande minderjarige vreemdelingen in vreemdelingenbewaring verblijven voldoen aan de voorwaarden die in artikel 17 worden genoemd.
In verband met de herijking van het amv-beleid is door de toenmalige staatssecretaris en minister van Justitie toegezegd dat in combinatie met de implementatie van de beschermende maatregelen voor zogenaamde risico-amv's wordt onderzocht of het karakter van De Maasberg kan worden aangepast en de voorzieningen een meer open karakter kunnen krijgen, zodat slechts sprake is van vrijheidsbeperking in plaats van vrijheidsontneming (Kamerstukken II, 2009/10, 27 062, nr. 64 en 65). Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomst zodra het onderzoek is afgerond.
De stichting Nidos is een voogdij-instelling die zelf geen opvang biedt aan alleenstaande minderjarige vreemdelingen (met uitzondering van pleegzorg voor een beperkt aantal amv). De positie van Nidos als voogdij-instelling is dezelfde als die van de bureaus jeugdzorg. Beide zijn voor de huisvesting van de onder hun gezag staande minderjarigen aangewezen op accommodaties van respectievelijk COA en provinciale zorgaanbieders. Bij het onderzoek naar alternatieven voor vreemdelingenbewaring wordt Nidos, net als de overige relevante organisaties, geconsulteerd.
Bent u bereid de betreffende ama’s in afwachting van het aantreden van een nieuw kabinet bij de opvang van het NIDOS (jeugdbescherming voor vluchtelingen) onder te brengen?
Zie antwoord vraag 6.
Het verkeerd voorlichten van deelnemers door het Pensioenfonds voor Werk en (re)Integratie |
|
Roos Vermeij (PvdA), Hans Spekman (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht in De Limburger over het verkeerd voorlichten van deelnemers door het Pensioenfonds voor Werk en (re)Integratie (PWRI)?1
Ja.
Deelt u de mening dat het wel erg wrang is voor de deelnemers dat het PWRI in 2009 de Nederlands Pensioen Beleggingsnieuws (NPN)-prijs voor «Meest effectieve communicatie» ontving, omdat er veel aandacht wordt besteed aan het op een begrijpelijke wijze communiceren met de mensen in de sociale werkvoorzing sector?
Het Pensioenfonds voor Werk en Re-Integratie (PWRI) heeft de NPN prijs 2009 gewonnen voor de effectieve wijze van communiceren met deelnemers en werkgevers over de pensioenregeling. De Aanvullende Oudedagsvoorziening (AOV-regeling) is geen onderdeel van de pensioenregeling, maar is een tegoed dat voor de werknemer wordt beheerd door het PWRI. Ik constateer dat de communicatie door het PWRI over de AOV-regeling in het verleden ongelukkig is geweest. Inmiddels heeft PWRI de informatievoorziening verbeterd.
Deelt u de mening dat deelnemers van een pensioenfonds, ongeacht opleidingsniveau, volledig, juist en begrijpelijk moeten worden voorgelicht over hun pensioen en overige aanvullende regelingen?
Ja.
De invloed van CO2 in de atmosfeer op temperatuurstijging |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Tineke Huizinga (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de lezing van oud- AKZO directeur dhr. Van Andel, gehouden in de Buys Ballotzaal van het KNMI op 9 september 2010?1
Volgens de informatie van het KNMI heeft de heer van Andel zogenoemde re-analysis data gebruikt. De trends in het klimaat die hij uit deze data heeft berekend zijn niet zo zeer het gevolg van werkelijke veranderingen in de atmosfeer als wel van veranderingen door de jaren heen van de gebruikte meetsystemen.
Deelt u de mening dat dhr. Van Andel met zijn klimaatconclusies de discussie over de menselijke broeikashypothese weer heeft opengebroken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid te onderzoeken of dhr. Van Andel, die concludeert dat een verdubbeling van CO2 slechts zal leiden tot een temperatuurstijging van 0,27 graden, gelijk heeft? Zo ja, zal dat u dan nopen tot een kritische blik naar de onbewezen rampstijgingen van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) van de VN, dat uitgaat van stijgingen die liggen tussen de twee en zes graden?
Nee, dat is niet nodig. Zie de beantwoording van vraag 2.
Bent u bereid het geldverslindende klimaatbeleid stop te zetten, tenminste totdat er meer aanwijsbare bewijzen zijn die de hoofdconclusies van het IPCC onderschrijven? Zo nee, waarom niet?
De lezing van de heer Van Andel geeft geen aanleiding te twijfelen aan de hoofdconclusies van het IPCC. Zie de beantwoording van vraag 2.