De top-10 van ergernissen onder automobilisten |
|
Léon de Jong (PVV) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in de Telegraaf «Agressief weggedrag stipt op één»?1
Deelt u de mening dat agressieve bestuurders keihard moeten worden aangepakt? Zo ja, wat gaat u en kunt u doen tegen agressief rijgedrag? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen gaat dit kabinet nemen om de genoemde ergernissen aan te pakken en hoe wilt u deze gaan handhaven?
Deelt u de mening dat de focus van de verkeerspolitie meer moet liggen op het aanpakken van deze tien punten in plaats van het uitvoeren van mobiele flitscontroles en controles op foutief parkeren? Zo nee, waarom niet?
Uiteenlopende eisen voor drogistenexamens en over het feit dat het Drogisterijcollege geen toezicht houdt op het deugdelijke afnemen van het drogisterijexamen |
|
Johannes Sibinga Mulder , Erik Ziengs (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen1 waarin u aangeeft de wens te hebben dat de drogisterijsector meer werk moet maken van opleidingen en examens voor het beroep van (assistent)drogist, en dat met dit doel door uw voorganger, naast de examenorganisatie Pharmacon een extra examenorgaan is ingesteld? Deelt u de mening dat dergelijke diploma’s van door u aangewezen exameninstanties aan minimum examen- en kwaliteitseisen zouden moeten voldoen?
Ja.
Is het u bekend dat er verschillen bestaan tussen de examen- en kwaliteitseisen van de twee, als examenbevoegd aangewezen, instanties?
Er bestaan verschillen tussen de exameneisen. Er zijn ook verschillende opleiders en opleidingen. Waar het om gaat is dat opleidingen en examens een goede afspiegeling vormen van de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor de beroepsuitoefening. De wet bepaalt in artikel 62 dat de consument duidelijk moet worden ingelicht over de aard en het doel van het geneesmiddel, en over de gevolgen en risico’s voor zijn gezondheid. Dit moet het richtsnoer zijn bij opleiding en examens.
Drogisterijcollege wil meer nadruk leggen op adviesvaardigheden. Het is goed dat nieuwe en andere accenten worden gelegd en dat meer diversiteit ontstaat. Het consistente beeld van de afgelopen jaren is immers dat opleidingen en examinering niet hebben geleid tot goede advisering in drogisterijen. Dit blijkt uit periodieke mystery-shop onderzoeken van de Consumentenbond en laatstelijk ook van TROS Radar.
Deelt u de mening dat deze minimumeisen uniform moeten zijn? Zo ja, hoe? Op welke termijn denkt u ervoor te zorgen dat er uniforme examen- en kwaliteitseisen komen?
De Geneesmiddelenwet, die op 1 juli 2007 in werking is getreden, beoogde onder meer deregulering en liberalisering van de drogisterijsector. Bij de wetsbehandeling in de Tweede Kamer in 2006 heeft mijn ambtsvoorganger duidelijk aangegeven dat de minister van VWS geen bemoeienis heeft met de opleiding, examinering en examenprocedures. Een amendement dat ertoe strekte om de minister van VWS hier mee te laten instemmen, is destijds met klem door mijn ambtsvoorganger ontraden2. Het amendement is ingetrokken.
De minister van VWS heeft dus geen zeggenschap over opleidingen en examens. Dit is overgelaten aan zelfregulering. De minister van VWS kan volgens de wet slechts examenorganisaties aanwijzen.
Ik vind het wel wenselijk dat er een minimaal niveau wordt gewaarborgd. Ik heb Pharmacon en Drogisterijcollege verzocht zich hierover gezamenlijk te buigen. Tot dusver stuit dit op de weigering van Pharmacon. Ik zal er met klem op aandringen dat dit overleg nu voortvarend tot stand komt.
Ook ben ik voornemens een beleidskader op te stellen dat in acht wordt genomen bij de beoordeling van organisaties die de minister van VWS verzoeken te worden aangewezen als exameninstantie. Ik wil dit doen in samenwerking met de desbetreffende veldpartijen.
Bent u op de hoogte van het feit dat één van de als examenbevoegd aangewezen exameninstanties, het Drogisterijcollege, deze examens online afneemt, waarbij er geen waterdichte controle plaatsvindt van de identiteit van de kandidaat die het examen aflegt?
Zowel Pharmacon als Drogisterijcollege nemen hun examens online af. Bij online examinering moet er extra gelet worden op goede (identiteits)controle. Voorzover nodig zal ik er op aandringen dat dit ook wordt gerealiseerd. Er moet geen twijfel zijn over de identiteit van examenkandidaten. Ik zal dit punt meenemen bij het opstellen van het eerdergenoemde beleidskader.
Deelt u de mening dat het voor eigenaren van een drogisterij die personeel in dienst willen nemen hierdoor onduidelijk is of de bezitter van het (assistent)drogistendiploma daadwerkelijk de vereiste kennis bezit?
Examenorganisaties moet zelf zorgdragen voor waterdichte identiteitscontrole. Het moet voor drogisterijen en hun eigenaren zonder meer duidelijk zijn wie het drogistendiploma heeft behaald, en ook dat men de vereiste kennis daadwerkelijk bezit.
Naast het opnemen in het eerdergenoemde beleidskader is een ander middel om hierover uitsluitsel te geven het (online) openbaar maken van de namen van gediplomeerden en het actueel houden van deze lijst. Deze lijst zou ook bekend moeten zijn bij de farmaceutische groothandel in verband met een rechtmatige belevering van detaillisten. Drogisterijcollege heeft hierin reeds toegestemd.
Deelt u de mening dat hierdoor situaties kunnen ontstaan waarbij de geëxamineerde niet dezelfde persoon is als de persoon die het diploma ontvangt, en dat dit onwenselijk is, en hierdoor immers situaties kunnen ontstaan waarin consumenten onvolledig of onjuist advies ontvangen bij het aankopen van bepaalde medicijnen omdat de verkoopmedewerker onvoldoende verstand van zaken heeft?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat er een waterdichte controle op de identiteit van de geëxamineerde moet zijn? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dit bewerkstellingen?
Zie antwoord vraag 5.
Een mogelijke kerncentrale in de Eemshaven |
|
Diederik Samsom (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over een mogelijke kerncentrale in de Eemshaven, die Electrabel GDF Suez zou willen laten bouwen?1
Klopt deze berichtgeving? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitsluiten dat er in de Eemshaven een kerncentrale komt? Zo nee, waarom niet?
Heeft Electrabel u geïnformeerd over een mogelijk voornemen tot de bouw van een kerncentrale in de Eemshaven? Zo ja, wanneer was dat en wat was de strekking van de mededeling?
Een Youtube-filmpje waarin in Gouda een paar meisjes worden belaagd en bestolen |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het filmpje «Kansenjeugd Gouda berooft meisje van fiets»?1
Ja.
Deelt u de mening dat zowel degene die de op het filmpje getoonde bedreiging, intimidatie en roof plegen als degene die deze handelingen heeft vastgelegd een vorm van niet te tolereren minachting en schaamteloosheid laten zien? Zo ja, deelt u de mening dat hier tegen moet worden opgetreden? Zo nee, waarom niet?
Ja, en hier wordt ook tegen opgetreden. Zie het antwoord op vragen 3 tot en met 5.
Zijn er naar uw mening op dit filmpje (mogelijk) strafbare feiten vastgelegd? Zo ja, wat is er gedaan om de daders – die herkenbaar in beeld zijn – op te sporen en te vervolgen? Zo nee, waarom niet?
Op het filmpje zijn enkele mogelijk strafbare feiten vastgelegd, te weten openlijk geweld tegen een of meer perso(o)n(en) en/of de diefstal van een fiets met geweld. Vanaf 8 februari jongstleden zijn 13 personen aangehouden. De zaken tegen negen verdachten worden in maart alle tegelijkertijd tijdens een speciaal daarvoor ingelaste zitting van de meervoudige strafkamer behandeld.
Is u bekend of de gefilmde jongens eerder in aanraking zijn geweest met politie of justitie? Hoe groot is de groep die in Gouda steeds overlast veroorzaakt? Is er met de ouders van deze jongeren gesproken over hun capaciteit en verantwoordelijkheid als opvoeder (sociaal verhoor)?
Van de gefilmde jongeren bleken twee personen eerder met politie in aanraking te zijn geweest. De overige jongeren waren tot nu toe niet bekend. Het is aannemelijk dat de groep jongeren die betrokken was bij onderhavig incident «ad hoc» is ontstaan. Er is in dit geval geen sprake van een groep die eerder is gesignaleerd en bekend staat bij de justitiële ketenpartners.
De meeste jongeren op de film zitten op dezelfde school. De school heeft hen voor enkele dagen geschorst. De school heeft een voorlichtingsavond gehouden en gesproken met de ouders van de jongeren. Daarnaast is de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek naar deze jongeren en hun thuissituatie gestart, zoals gebruikelijk in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar minderjarigen. De Raad is gevraagd dit onderzoek met voorrang te behandelen. Ook zijn de ouders van de verdachten verplicht om aanwezig te zijn bij de zitting van de meervoudige strafkamer.
Deelt u de mening dat de handelingen die in beeld zijn gebracht bij velen indruisen tegen het rechtsgevoel? Zo ja, wat gaat u doen om het geschonden rechtsgevoel te herstellen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat de praktijken die in het filmpje worden getoond onaanvaardbaar zijn. Voor het rechtsgevoel is vooral van belang dat de daders worden gepakt en bestraft, en daaraan is sinds dit incident hard door politie en justitie gewerkt. Binnenkort moeten de aangehouden verdachten voor de rechter verschijnen. Verder treft de gemeente Gouda allerlei maatregelen om overlast en criminaliteit tegen te gaan, en zodoende de veiligheid en het rechtsgevoel te vergroten. Voor een uiteenzetting hiervan verwijs ik naar het antwoord dat de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft gegeven op vragen van de leden Brinkman en Fritsma (Handelingen Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, Aanhangsel 3322), en naar de brief die ik uw Kamer heb gestuurd over de actuele situatie in Gouda op 22 november 2010 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2010–2011, 26 864, nr. 294).
Het bericht "Eigenrisicodragen voor WGA" |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de volgende tekst op de website van het UWV, waarin niet gesproken wordt over inspanningen tot re-integratie, genoemd in artikel 42 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA): «Is het risico dat uw werknemers een beroep moeten doen op een WIA-uitkering laag? Dan kan het gunstig zijn om eigenrisicodrager voor de WIA te worden. In dat geval betaalt u alleen de basispremie. Als een werknemer vervolgens recht heeft op een WGA-uitkering, dan betaalt u deze gedurende de eerste 10 jaar zelf. Na 10 jaar wordt deze uitkering door UWV betaald. Deze wordt dan gefinancierd uit de basispremie. Heeft een werknemer recht op een IVA-uitkering? Dan wordt deze ook betaald door UWV en gefinancierd uit de basispremie. Het risico dat u als eigenrisicodrager loopt om 10 jaar lang zelf de WGA-uitkering aan uw arbeidsongeschikte (ex-)werknemer te moeten betalen, kunt u eventueel particulier herverzekeren. Diverse particuliere verzekeraars bieden daarvoor mogelijkheden.»?1en2
Ja. Voor de goede orde wijs ik erop dat UWV op zijn website ook wijst op verantwoordelijkheden en verplichtingen van de eigenrisicodragers inzake de begeleiding van de werknemer bij zijn of haar re-integratie.
Zijn er cijfers over hoeveel mensen in de eerste twee jaar van ziekte aan het werk gaan? Zo ja, kunt u die dan zo gedetailleerd mogelijk geven?
Doordat werkgevers de eerste twee ziektejaren betalen, worden op centraal niveau geen gegevens bijgehouden over de werkhervatting door reguliere werknemers tijdens ziekte. Wel zijn er relevante gegevens uit andere bronnen. Zo blijkt uit een recente publicatie van SCP dat het ziekteverzuim in de periode 2005–2008 verder is gedaald: van 4,8 naar 4,1%.3 Voorts komt uit een recente, uitgebreide cohortstudie naar voren dat de werkhervatting door langdurig zieken tussen 2003 en 2008 sterk is toegenomen.4 In deze vijf jaar is de gerichtheid op werk sterk toegenomen. De onderzoekers schrijven dit toe aan het gevoerde beleid (met name de invoering van de Wet verbetering poortwachter, de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte en de Wet WIA) en aan de inspanningen van werkgevers, bedrijfsartsen en werknemers.
Zijn er cijfers over de werkhervatting van mensen in de WGA tijdens de 10 jaar loondoorbetalingperiode? Zo ja, kunt u dan de uitstroomgegeven van de WGA geven met de redenen van uitstroom?
Artikel 42 van de Wet WIA bevat de wettelijke re-integratieverplichtingen voor de eigenrisicodrager. Er is daarbij gekozen voor het stellen van minimumvoorwaarden om werkgevers in de gelegenheid te stellen optimaal in te spelen op individuele wensen en behoeften (maatwerk).
De eigenrisicodrager dient op grond van artikel 42 te bevorderen dat de werknemer met een WGA-uitkering waarvoor hij verantwoordelijk is aan het werk komt en blijft in zijn eigen bedrijf of een ander bedrijf. De eigenrisicodrager is ook verplicht daarvoor de noodzakelijke maatregelen te treffen. Ook dient de eigenrisicodrager periodiek het plan van aanpak te evalueren dat is opgesteld om de werkhervatting van de betrokken werknemer te bevorderen.
De wet legt deze verplichtingen aan de werkgever op die eigen risicodrager is geworden.
Daarbij maakt het juridisch gezien niet uit of de werkgever het risico heeft verzekerd (dit is doorgaans het geval) of niet. De verzekeraar wordt dus niet rechtstreeks door de wet aangesproken. De werkgever heeft de mogelijkheid om de re-integratietaken zelf uit te voeren (met hulp van een bedrijfsarts en/of re-integratiebedrijf) of hiervoor een private verzekeraar in te schakelen. Beiden hebben een intrinsiek financieel belang tot schadelastbeperking en tot een geslaagde re-integratie.
De wetgever heeft niet gekozen voor een wettelijke sanctie voor de eigenrisicodrager. Aan het eind van de eerste twee jaar van ziekte en voorafgaande aan de WIA-claimbeoordeling toetst UWV wel of de werkgever voldoende re-integratieverplichtingen heeft verricht; wanneer dit niet het geval is. kan de loondoorbetalingsperiode maximaal een jaar worden verlengd. De eigenrisicodrager heeft vervolgens gedurende 10 jaar de verantwoordelijkheid voor zijn werknemer met een WGA-uitkering. Deze verantwoordelijkheid omvat zowel het financiële risico (de betaling van de uitkering) als de re-integratie. De eigenrisicodrager heeft er dus alle belang bij om al het mogelijke te doen om zijn re-integratieverplichtingen na te komen.
Daar in artikel 42 van de Wet WIA wordt gevraagd dat de werkgever een inspanning levert voor re-integratie, wat is de minimale inspanning die hij dient te leveren?
Zie antwoord vraag 3.
Dient de werkgever deze inspanning ook te leveren, wanneer hij dit risico heeft verzekerd? Of is de verzekeraar dan verantwoordelijk?
Zie antwoord vraag 3.
Welke sanctie staat op het niet leveren van deze inspanning? Kan dat betekenen dat na 10 jaar het UWV de uitkeringslast niet overneemt?
Waarom zijn er geen nadere regels gegeven ex lid 6 van genoemd artikel 42? Overweegt u die alsnog te stellen? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de Wet verbetering poortwachter is een regeling procesgang voor het eerste en tweede jaar getroffen. Dit houdt verband met het feit dat de verantwoordelijkheid in de eerste twee jaar van ziekte volledig bij werkgevers en werknemers ligt en dat er vanuit de praktijk behoefte bleek te bestaan aan een dergelijke regeling. Dit ligt anders voor de WGA-periode.
Het zesde lid van artikel 42 geeft de mogelijkheid om via een ministeriële regeling nadere invulling te geven aan de re-integratieverplichtingen van de eigenrisicodrager. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Ik zie thans geen aanleiding om nadere regels te stellen.
Waarom is er voor de WGA Eigenrisicodrager geen proceswet opgesteld zoals bij de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) en de daarbij behorende Wet Verbetering Poortwachter?
Zie antwoord vraag 7.
Stopt de verplichting en inspanningen van de werkgever die WGA eigenrisicodrager is op het moment dat er tenminste 50% van de restverdiencapaciteit wordt benut?
Nee. De re-integratieverplichtingen van de eigenrisicodrager op grond van artikel 42 WIA hebben betrekking op werknemers met een WGA-uitkering. Het gaat hierbij om het benutten van de nog resterende arbeidsmogelijkheden. De grens van 50% van de restverdiencapaciteit is hierbij niet beslissend (zij speelt wel een rol voor de hoogte van de uitkering voor de cliënt). Het blijft voor de werkgever van belang om ook als iemand al meer dan 50% van zijn restverdiencapaciteit benut, de dan nog resterende arbeidsmogelijkheden verder te bevorderen. Dit kan immers tot een verdere verlaging van kosten voor de werkgever leiden.
Welke rechtsmiddelen heeft een uitkeringsgerechtigde met een WGA-uitkering, indien hij van mening is dat zijn ex-werkgever of de verzekeraar geen re-integratie-inspanningen levert?
De werknemer met een WGA-uitkering die meent dat de eigenrisicodrager onvoldoende invulling geeft aan zijn re-integratietaak kan bezwaar maken bij de eigenrisicodrager en, zo nodig, in beroep komen bij de bestuursrechter. Hierdoor is een sluitend stelsel van rechtsbescherming geborgd. Daarnaast kunnen de eigenrisicodrager en de WGA-gerechtigde via een deskundigenoordeel aan het UWV vragen om een uitspraak te doen over de vraag of de eigenrisicodrager voldoende en geschikte re-integratie-inspanningen heeft verricht, voor zover de eigenrisicodrager hierover geen besluit heeft afgegeven.
De terugvordering van Wsw-gelden van gemeenten |
|
Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Waaraan is het teruggevorderde geld waarover bericht wordt in de antwoorden op eerdere Kamervragen1 door de gemeenten besteed? Is dit geld besteed aan de doelstellingen en doelgroepen waarvoor het budget oorspronkelijk bedoeld was of was er sprake van een andere uitgavenpost?
Gemeenten krijgen de beschikking over een budget voor de realisatie van een taakstellend aantal Wsw-plekken. Gemeenten zijn wettelijk verplicht zich jaarlijks te verantwoorden over door het Rijk beschikbaar gestelde specifieke uitkeringen, waaronder de Wsw, via de daartoe aangewezen procedure. Tevens geldt dat het niet realiseren van de door SZW aan gemeenten toegekende aantal te realiseren Wsw-plekken en het daarbij behorende budget, leidt tot terugvordering van de gelden die hiermee gemoeid zijn en ook als dit het gevolg is van het feit dat gemeenten zelf onjuiste gegevens verantwoorden. Dit kan dus ook plaatsvinden indien de middelen zijn besteed voor het doel waarvoor ze zijn toegekend.
Op grond van welke criteria is besloten om sommige gemeenten wel en anderen niet te waarschuwen bij geconstateerde afwijkingen? Is het waar dat ministerie van SZW ervoor heeft gekozen gemeenten alleen bij een afwijking van het budget van méér dan 20% te waarschuwen? Zo ja, op basis waarvan is deze grens tot stand gekomen?
Waarom is ervoor gekozen om niet alle gemeenten te waarschuwen voor de onduidelijkheid in de verantwoordingssystematiek die leidde tot de terugvordering? Is de gemeenten, alvorens overgegaan werd tot terugvordering, een kans geboden de gemaakte fouten te herstellen? Zo nee, waarom niet?
Had het ministerie van SZW inzicht in het totaal van gemeenten dat in 2008 de Wsw onvolledig heeft verantwoord?
Hoeveel gemeenten moesten ook verantwoorden voor SW-geïndiceerden die bij een werkvoorziening elders werkzaam waren?
Bij de administratieve controle is geen analyse gemaakt van de door de betreffende gemeente gemaakte fouten. Het is mij derhalve niet bekend of Wsw-geïndiceerden, die bij een werkvoorzieningschap elders werkzaam waren, de oorzaak zijn van een veelvoorkomende fout. Het is mij tevens niet bekend hoeveel en welke gemeenten Wsw-geïndiceerden bij een werkvoorzieningschap elders werkzaam hebben.
Is bij het ministerie gebleken dat een veel voorkomende fout was dat SW-geïndiceerden die bij een werkvoorziening elders werkzaam waren niet waren meegenomen in de opgave? Zo ja, waarom heeft het ministerie toen besloten niet ook andere gemeenten (die een kleinere afwijking in hun opgave vertoonden) die SW-geïndiceerden in hun gemeente hebben die bij een werkvoorziening in een andere gemeente werkzaam waren, te waarschuwen en in de gelegenheid te stellen hun opgave te corrigeren?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met de uitspraak van de rechtbank Breda2 waarin de rechter oordeelt dat de grondslag voor terugvordering onverbindend is? Welke acties onderneemt u naar aanleiding van deze uitspraak? Welke concrete gevolgen heeft deze uitspraak voor de gemeenten waarvan u heeft teruggevorderd?
Ja, ik ben bekend met de uitspraak. Tegen de uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. De grondslag van de terugvordering op grond van de Wsw is niet onverbindend en de uitspraak heeft derhalve geen gevolgen voor de besluiten tot terugvordering vanwege verwijtbare verantwoordingsfouten.
Op 17 februari 2011 heeft de rechtbank Zwolle overigens in een soortgelijke aangelegenheid uitspraak gedaan en heeft daarbij geoordeeld dat de terugvordering rechtmatig is gedaan. De grondslag van de terugvordering is niet onverbindend, er is geen strijd met de Awb en het Rijk moet vanwege de systematiek van de rijksfinanciën kunnen vertrouwen op een correcte verantwoording (de niet juiste verantwoording was de gemeente in casu verwijtbaar).
Het voorkomen van onnodige aansluiting van kleine, lokale netwerken zonder veiligheidsrisico's op het digitale Klic systeem van het Kadaster |
|
Janneke Snijder-Hazelhoff (VVD), Erik Ziengs (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de digitale nieuwsbrief Kadaster Klic van 16 november 2010?1
Ja.
Bent u het eens met het kadaster dat op dit moment alle netwerken met een veiligheidsrisico of een groot maatschappelijk belang zijn aangesloten op Klic-online? Zo nee, waarom niet.
Ja, daar ben ik het mee eens. Het Kadaster en het Agentschap Telecom zijn de organisaties die mij hierover hebben geïnformeerd.
Sinds 1 oktober 2008 zijn netbeheerders volgens de Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WION) verplicht om kabel- en leidinginformatie uit te wisselen. Sinds 1 juli 2010 zijn netbeheerders verplicht om op het digitale systeem, Klic-online, aangesloten te zijn en wordt dus alle informatie tussen grondroerder en netbeheerder digitaal – via het Kadaster – uitgewisseld. Alle netwerken met een veiligheidsrisico of een groot maatschappelijk belang zijn digitaal aangesloten.
Bent u het eens met het kadaster dat de eigenaren van netten die nog niet zijn aangesloten op het systeem voornamelijk relatief kleine, lokale netwerken (zoals recreatiebedrijven) beheren zonder veiligheidsrisico's bij beschadiging? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ingevolge de Regeling Informatie-uitwisseling ondergrondse netten (RION) zijn bepaalde netten uitgezonderd van de verplichting om gegevens uit te leveren via het Kadaster. Het betreft in het bijzonder netten die louter voor eigen gebruik dienen, voor zover zij in eigen en tevens in niet-openbare grond zijn aangelegd en geen gevaarlijke inhoud hebben, zodat ze voor de grondroerder geen veiligheidsrisico opleveren. Het niet opnemen van deze netten doet immers geen afbreuk aan de doelstellingen van de wet, namelijk veilig graven zonder onnodige graafschade.
Als aan deze voorwaarden is voldaan, kan de beheerder voor deze netten dus zelf bepalen of hij voor deze netten gebruik wil maken van de vrijstelling die de WION biedt. Als het recreatiebedrijf – dan wel andere netbeheerders – aan de voorwaarden voldoet, kan hij een grondroerder zelf informeren over waar de kabels en leidingen liggen. Daarnaast zijn netbeheerders niet verplicht om gegevens over huisaansluitingen te verstrekken.
Bent u het ermee eens, gezien de hoge kosten van het digitaliseren (ongeveer 25 000 euro voor een middelgroot recreatiebedrijf) en bijkomende regeldruk, dat door het ontbreken van veiligheidsrisico’s bij beschadiging deze netten eigenlijk helemaal geen onderdeel zouden moeten uitmaken van het Klic-online systeem? Zo nee, waarom niet?
Het Klic-online systeem dat is geregeld in de WION is gericht op het voorkomen van graafschade en draagt daarmee bij aan de verbetering van de veiligheid en het voorkomen van leveringsonderbrekingen van gas, elektriciteit, water en telecommunicatie. Ik wil tegelijkertijd dat deze wet niet tot onnodige lastenverzwaring voor het bedrijfsleven leidt. Zo heb ik eerder een vrijstelling van de meldingsplicht voor agrariërs voor ondiepe graafwerkzaamheden aan uw Kamer toegezegd. En netbeheerders van niet-gevaarlijke netten voor eigen gebruik, gelegen in eigen grond, hoeven zich ook niet op het systeem aan te sluiten (zie mijn antwoord op vraag 3). Maar gezien de risico’s van graafschade kunnen netbeheerders van niet-gevaarlijke netten niet allemaal uitgezonderd worden, bijvoorbeeld wanneer deze netten in openbare grond liggen. Het ontbreken van volledige informatie over de ondergrondse situatie kan in een dergelijke situatie het risico op graafschade vergroten en andere kostenposten veroorzaken. Zo wil een aannemer tijdens de uitvoering niet onverwacht een in de weg liggende kabel of leiding aantreffen waardoor bouwwerkzaamheden ernstig worden vertraagd. Dit soort vertragingskosten kunnen hoog oplopen. Met de huidige uitzonderingen is er een juiste balans tussen verantwoordelijkheid bij de sector en veilig graven met weinig graafschade enerzijds en beperkte kosten en administratieve lasten anderzijds.
Bent u bereid om voor de kleine, lokale netwerken (zoals recreatiebedrijven) zonder veiligheidsrisico’s een uitzondering te maken om hoge kosten en regeldruk voor de netbeheerders te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Dat is niet nodig; er is in de wet al een uitzondering opgenomen. Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 3. Er is inmiddels contact geweest met de Vereniging van Recreatieondernemers Nederland, RECRON. Binnenkort zal samen met de RECRON worden bekeken hoe over de werking van de WION aan de sector wordt gecommuniceerd, en hoe zij van de uitzondering die de regelgeving biedt gebruik kunnen maken.
Bent u bereid om deze wijziging mee te nemen in de door u eind november 2010 aangekondigde wijziging van de Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WIO, zodat deze wijzigingen zo snel mogelijk in werking treden? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord bij vraag 3, 4 en 5, waarin wordt gemeld dat er al een uitzondering in de regelgeving is gecreëerd, en de toezeggingen die ik al aan de Kamer heb gedaan.
De gevaarlijke bijwerkingen van het Mexicaanse griepvaccin |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het vaccin tegen de Mexicaanse griep een verhoogd risico op slaapziekte bij kinderen veroorzaakt in Zweden en Finland?1
Ik volg de informatie over dit onderwerp aandachtig. Voor de kinderen en alle direct betrokkenen is de diagnose narcolepsie heel vervelend.
Op dit moment wordt door de Finse registratie autoriteiten onderzocht of er inderdaad een verband is tussen vaccinatie met Pandemrix en het optreden van narcolepsie in (een regio van) Finland. Ook in Zweden worden meldingen onderzocht.
Aan het gebruik van geneesmiddelen (en dus vaccins) zijn altijd bepaalde risico’s verbonden. Daarom worden deze zo goed mogelijk onderzocht. Dit gebeurt zowel bij klinische testen vóórdat een middel wordt toegelaten voor gebruik, als nadat het middel daadwerkelijk in gebruik genomen is. Zeldzame bijwerkingen zoals narcolepsie komen, mits aanwezig, pas naar voren komen als middelen op grote schaal worden gebruikt. Narcolepsie als bijwerking is niet naar voren gekomen bij de klinische testen van Pandemrix. Het is daarom van belang om ook tijdens het gebruik goed te blijven letten op bijwerkingen. In Nederland is dat de taak van het Nederlandse Bijwerkingen Centrum Lareb. Tot dusver zijn er onder kinderen die in Nederland gevaccineerd zijn met Pandemrix twee meldingen van narcolepsie ontvangen. Het is belangrijk om bij de interpretatie van de huidige en komende gegevens rekening te houden met de achtergrondincidentie van narcolepsie van ongeveer één tot twee patiënten per 100 000 inwoners.
Europese studies moeten uitwijzen of er een oorzakelijk verband bestaat tussen vaccinatie met Pandemrix en het optreden van narcolepsie.
Ik volg de ontwikkelingen op de voet, zowel nationaal via het Nederlandse Bijwerkingen Centrum Lareb, als internationaal via het Europees Geneesmiddelen Agentschap EMA, waar het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) Nederland vertegenwoordigt in de Pharmacovigilance Working Party.
Klopt het dat het om het vaccin Pandemrix gaat van fabrikant GlaxoSmithKline, en dat ook in Nederland kinderen met dit vaccin zijn ingeënt op advies van onder andere viroloog Ab Osterhaus?
Ja, de naam van het vaccin is Pandemrix, de houder van de handelsvergunning is GSK. Het vaccin is toegelaten voor gebruik («geregistreerd») door het Europees Geneesmiddelen Agentschap. Het advies tot vaccineren is gegeven door een deskundigenberaad, onder gedeeld voorzitterschap van de directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding en de voorzitter van de Gezondheidsraad.
Worden op dit moment nog kinderen ingeënt met Pandemrix? Zo ja, waarom?
Nee, het vaccins is éénmalig gebruikt tijdens de grieppandemie van 2009.
Heeft u maatregelen getroffen om kinderen die zijn ingeënt met Pandemrix extra te monitoren op slaapziekte?
Het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb ontvangt en onderzoekt sinds eind 2009 alle meldingen van bijwerkingen op Pandemrix en heeft hierover gepubliceerd in internationale wetenschappelijke tijdschriften. Vanaf de eerste meldingen is Lareb extra alert op narcolepsie en onderzoekt alle gemelde verdenkingen op narcolepsie bij gevaccineerde kinderen zorgvuldig.
Bent u van plan in Nederland een onderzoek te starten naar de bijwerkingen van vaccins?
In Nederland kennen we, net als in andere landen, een registratiesysteem voor bijwerkingen van medicijnen, waaronder vaccins. In Nederland verzorgt Lareb dit, onafhankelijk van fabrikanten en overheid. Er is in 2009 een onderzoek gestart in negen landen van de Europese Unie dat alle pandemische vaccins bestudeert en ook de mogelijke effecten van pandemie zelf. In dit zogenoemde VAESCO-onderzoek participeert ook Nederland, de coördinatie is in handen van de European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC)2. De resultaten van het onderzoek worden verwacht in de zomer van 2011.
De voorstellen van het Europees agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) tot verlening van vliegbrevetten aan vliegtuig bemanningen (Flight Crew Licencing) |
|
Maarten Haverkamp (CDA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de voorstellen van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) over de verlening van vliegbrevetten aan vliegtuigbemanningen dat op 7-8 december 2010 via de comitoligie procedure in Brussel is aangenomen?
Ja.
Kunt u aangeven op welke wijze de Nederlandse regering betrokken is in het proces tot nu toe en wat uw inbreng in dit proces tot nu toe is geweest?
De Nederlandse overheid is bij dit besluit betrokken geweest via het consultatieproces van het Europese Agentschap van de Luchtvaartveiligheid (EASA) en via de comitologieprocedure onder voorzitterschap van de Europese Commissie.
In het consultatieproces hebben belanghebbende partijen, waaronder de lidstaten, de gelegenheid de EASA van commentaar te voorzien op haar voorgenomen adviezen over de tekst van een voorstel voor regeling van de Europese Commissie.
In de comitologie bespreekt de Commissie haar concept-verordeningen met vertegenwoordigers van de lidstaten. Aldus is de onderhavige verordening in het zogenaamde EASA-comité besproken. De Nederlandse delegatie heeft zich daarbij ingezet voor voorschriften die uit een oogpunt van veiligheidsrisico’s noodzakelijk en proportioneel zijn en bijdragen aan het «level playing field». In dit verband heeft Nederland met het oog op lopende onderhandelingen tussen de EU en de Verenigde Staten gepleit voor een ruime overgangstermijn voor het omzetten van brevetten van derde landen in Europese brevetten.
Kunt u aangeven op welke wijze u betrokken gaat worden bij de verdere behandeling van deze voorstellen en wat uw inzet zal zijn?
De in december 2010 aangenomen concept-verordening van de Commissie is rechtstreeks werkend. De verordening zal overigens vanaf 8 april 2012 gefaseerd, met overgangstermijnen, in werking treden.
De verordening zal in de toekomst zeker worden aangepast. Aan de hand van opgedane ervaringen zal de EASA daar adviezen voor uitbrengen. De Nederlandse inzet zal ook daar gericht zijn op maatregelen die uit een oogpunt van veiligheidsrisico’s noodzakelijk en proportioneel zijn en bijdragen aan het «level playing field».
Deelt u de opvatting dat de Europese luchtvaartindustrie opereert in een wereldwijde markt, waarin wederzijdse erkenning en het behouden van een mondiaal evenwicht essentiële overwegingen zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die opvatting. Het uitgangspunt van wederzijdse erkenning is ook bevestigd in artikel 33 van het Verdrag van Chicago voor de Burgerluchtvaart. Overigens mogen staten die bij dit Verdrag zijn aangesloten wel nagaan of de te erkennen certificaten of brevetten aan de minimum standaarden van Annex 1 (hierna zoals in vraag 6 als ICAO Annex 1 aangeduid) bij dit verdrag voldoen. Zij mogen daartoe ook voorwaarden stellen zolang deze niet discriminatoir zijn.
Om die wederzijdse erkenning te bevorderen sluit de Europese Unie verdragen met derde landen.
Bent u ervan op de hoogte dat, tot op heden, vliegbrevetten voor vliegtuigbemanningen zijn gekoppeld aan het land van registratie van een vliegtuig en niet aan het land waarin zij wonen?
Ja, dat is een universeel beginsel overeenkomstig artikel 32 van het Verdrag van Chicago.
Acht u het wenselijk dat met de invoering van Rule Part-FCL (EASA CRD on NPA 2008–17b) afstand genomen wordt van internationale afspraken, te weten ICAO1 annex 1? Zo ja, waarom?
In Rule Part-FCL is geen afstand genomen van ICAO Annex 1 noch van andere internationale afspraken. Wel geeft Part-FCL invulling aan de wijze waarop wordt nagegaan hoe aanvragen voor erkenning van brevetten van derde landen zijn te honoreren.
Zijn er op dit moment voor u aanwijzingen dat er ICAO-landen zijn die niet voldoen aan de vereiste standaarden voor het verlenen van licenties aan piloten? Zo ja, om hoeveel landen gaat het? Staan deze landen reeds op de zwarte lijst?
ICAO-landen zijn gebonden aan ICAO-Annexen waarin de standaarden voor onder meer het verlenen van brevetten aan piloten staan. De standaarden uit de annexen zijn niet rechtstreeks werkend. De lidstaten van ICAO moeten de standaarden uit de annexen in hun nationale regelgeving verwerken. Daarbij kunnen de lidstaten afwijken van deze standaarden. Zij moeten deze afwijkingen melden bij ICAO. ICAO publiceert deze, zodat de rest van de wereld daar kennis van kan nemen. Landen melden hierin zowel strengere als minder strenge regels. Helaas heeft ICAO deze publicatie voor Annex 1 sinds het jaar 2000 niet meer bijgewerkt.
Daarnaast voert ICAO audits uit over de mate waarin de ICAO-lidstaten de implementatie van de ICAO standaarden in de nationale regelgeving uitvoeren. In de rapporten van deze audits is te vinden in welke mate een land over het algemeen de standaarden van ICAO effectief heeft ingevoerd, ook op het gebied van licenties van piloten. Uit deze rapporten is af te leiden dat er landen zijn die niet volledig aan de ICAO standaarden voldoen. Om hoeveel landen het gaat is niet te zeggen, omdat nog niet alle rapporten van alle lidstaten gereed zijn. Het aantal landen dat de ICAO-standaarden niet goed naleeft, is dan ook niet te geven.
Het systeem van de Europese lijst van luchtvaartmaatschappijen met een exploitatieverbod in de EU (de «zwarte lijst», in EU-verband als «de veiligheidslijst» aangeduid) is ervoor bedoeld om luchtvaartmaatschappijen waarvan is aangetoond dat zij niet veilig zijn, niet langer te laten opereren in het luchtruim van de Europese Unie. Er staan dan ook geen landen maar luchtvaartmaatschappijen op deze lijst. Wel is het mogelijk dat, indien aangetoond wordt dat het toezicht op de veiligheid in de luchtvaart in een land onvoldoende is, alle luchtvaartmaatschappijen uit dat land op de zwarte lijst worden geplaatst. Het afgeven van licenties aan piloten zonder dat aan de juiste voorwaarden wordt voldaan, is één van de criteria die hierbij worden toegepast. De Europese Commissie baseert zich daarbij op de eerder genoemde ICAO audits, op de bevindingen tijdens SAFA inspecties bij operaties van buitenlandse luchtvaartmaatschappijen en op eventueel eigen onderzoek.
Kunt u, indien er landen zijn die zich niet aan de ICAO standaarden houden en desondanks niet op de zwarte lijst staan, aangeven waarom deze landen niet op de zwarte lijst staan?
Zoals aangegeven staan op de lijst niet zozeer landen als wel luchtvaartmaatschappijen. Uitgangspunt voor plaatsing op de lijst is steeds of aan de ICAO standaarden wordt voldaan. Plaatsing op de lijst gebeurt niet lichtvaardig, er moet sprake zijn van een duidelijk onvoldoende niveau om de standaarden te kunnen naleven. De beslissing over plaatsing op de lijst ligt bij de Europese Commissie, bijgestaan door een comité van vertegenwoordigers van lidstaten.
Is de veronderstelling juist dat wanneer een land op de zwarte lijst staat, de toestellen die geregistreerd zijn in dit land zich niet in het Europese luchtruim mogen bevinden? Is dan tevens de veronderstelling juist dat daarmee het risico dat piloten, wier licentie is afgeven door een land dat op de zwarte lijst staat, zich in het Europese luchtruim bevinden nihil is, daar brevetten voor vliegtuigbemanningen zijn gekoppeld aan het land van registratie van een vliegtuig?
Het is correct dat een luchtvaartmaatschappij die op de zwarte lijst staat zich niet in het Europese luchtruim mag begeven. De koppeling van land van herkomst van brevetten en registratie van het vliegtuig klopt. Wel is het mogelijk dat met de autoriteiten van het land van registratie een overeenkomst wordt gesloten op grond waarvan het buitenlandse brevet wordt erkend of gelijkgesteld (volgens een door ICAO ontworpen procedure). Hiertoe moeten die brevetten wel aan de veiligheidseisen blijven voldoen. De kans die u in uw vraag aangeeft blijft daarmee uitermate beperkt.
Wat is uw mening over het ontbreken van onderbouwde veiligheidsargumenten van de EASA voor de voorstellen? Deelt u de mening dat de algemene luchtvaartveiligheid in bijvoorbeeld de VS even goed is als in de Europese Unie (EU)? Zo nee, waarom niet? Verwacht u dat de EASA-voorstellen zullen leiden tot een afname van het aantal in de EU woonachtige piloten met een kwalificatie voor het vliegen op instrumenten? Zo nee, waarom niet?
Er is naar mijn indruk geen sprake van een situatie van het ontbreken van onderbouwde veiligheidsargumenten. Wel werd bij het voorstel van de EASA voor part-FCL de proportionaliteit van enkele voorschriften ter sprake gebracht. Die bepalingen zijn in het overleg in het comité bijgesteld. De huidige tekst acht ik evenwichtig.
Over de vraag of de algemene luchtvaartveiligheid in de VS even goed is als die in de landen van de Europese Unie kan ik niet oordelen. Wel kan ik opmerken dat de VS voldoet aan de standaarden van ICAO. Dit uitgangspunt vormt ook momenteel al de grondslag voor de erkenning van de daar afgegeven brevetten. De Europese Unie en de VS onderhandelen over een overeenkomst waarbij wederzijdse erkenning van elkaars certificaten en brevetten uitgangspunt is. Ik heb in dat verband geen reden om aan te nemen dat het aantal in EU wonende piloten met een kwalificatie voor het instrumentvliegen zal afnemen.
Is bij u bekend hoeveel piloten hun domicilie binnen de Europese Unie hebben en met een Amerikaanse licentie een Amerikaans geregistreerd toestel besturen? Zo ja, om hoeveel vliegtuigen en piloten gaat het?
Nee, dat is mij niet bekend. De overheid heeft alleen een registratie van de houders van Nederlandse brevetten.
Welke redenen kunt u aanvoeren die het mogelijk zouden maken om in de toekomst piloten, die woonachtig zijn in de Europese Unie en op een Amerikaanse licentie een Amerikaans geregistreerd toestel besturen, het vliegen binnen Europa te verbieden?
Er is noch in Nederland, noch in het verband van de Europese Unie een voornemen om de in de vraag bedoelde vliegers het vliegen binnen Europa te beletten. Volgens de nu geldende regelgeving mogen vluchten met Amerikaanse brevetten op Amerikaanse toestellen die worden geopereerd door een Amerikaanse exploitant worden gemaakt mits aan algemene ICAO normen wordt voldaan.
Vanaf 2012 moeten deze vliegers ook aan Europese normen voldoen op gebieden waarvoor geen toepasselijke ICAO normen gelden en voor zover de Europese normen niet strijdig zijn met andere internationale verdragen.
Alleen in de situatie dat een Amerikaanse vlieger op een Amerikaans toestel vliegt dat wordt geëxploiteerd door een Europese exploitant, of wanneer de Amerikaanse vlieger op een Europees toestel vliegt, moet de vlieger na een overgangsperiode tot 2014 niet langer aan de ICAO-normen maar aan de EASA-normen voldoen. Alternatief is dat de EU en de VS een verdrag sluiten dat bepaalt aan welke normen een Amerikaans brevet moet voldoen om daarmee in Europa te mogen vliegen in de situaties als hiervoor aangegeven. Over een dergelijk verdrag worden nu onderhandelingen gevoerd.
Kunt u zich op het standpunt stellen dat als algemeen uitgangspunt zou moeten gelden dat de lidstaten van de Europese Unie en specifiek EASA ook in de toekomst die licenties moet accepteren welke afgegeven zijn door lidstaten aangesloten bij ICAO zolang deze licentie is afgegeven binnen de randvoorwaarden zoals afgesproken in de Chicago conventie met betrekking tot internationale burgerluchtvaart? Deelt u tevens de mening dat EASA de houder van deze licentie in de gelegenheid moet stellen om een luchtvaartuig te besturen van het land dat de licentie heeft afgegeven, zolang de houder van deze licentie zich houdt aan de Europese luchtvaartregels?
Algemeen uitgangspunt is inderdaad dat de lidstaten van ICAO onderling elkaars licenties accepteren zolang deze zijn afgegeven binnen de randvoorwaarden zoals afgesproken in de Chicago Conventie voor de internationale burgerluchtvaart. Dit geldt zonder meer voor buitenlandse luchtvaartuigen die geopereerd worden door een buitenlandse exploitant en op grond van bilaterale luchtvaartverdragen de Unie aandoen. Ten aanzien van luchtvaartuigen die in het buitenland geregistreerd zijn maar gebruikt worden door een binnen de Unie gevestigde operator gelden echter de normen van de EASA verordening. Het zelfde geldt voor houders van een buitenlands vliegbrevet die vliegen op een binnen de EU geregistreerd luchtvaartuig. Ten aanzien van deze categorieën gaat de regelgeving van de EU niet zonder meer uit van het accepteren van licenties van lidstaten van de ICAO. De EASA-normen kunnen op bepaalde punten namelijk afwijken van de ICAO normen. Dit is mogelijk doordat ICAO lidstaten met betrekking tot de eigen exploitanten en luchtvaartuigen eisen mogen stellen die verder gaan dan de algemene ICAO normen.
Om de houders van licenties van derde landen tegemoet te komen zijn in part-FCL, zoals het antwoord op de vorige vraag is toegelicht, gelijkstellingeisen opgenomen. Deze zijn niet strijdig met artikel 33 van het Verdrag van Chicago. Om de wederzijdse erkenning te bevorderen sluit de EU overeenkomsten af met derde landen. Met de VS wordt over zo’n overeenkomst onderhandeld. Om daar voldoende tijd voor te nemen is in part-FCL een overgangstermijn opgenomen tot 8 april 2014. Op basis van de mededelingen van de Europese Commissie over het verloop van de onderhandelingen verwacht ik dat de overeenkomst met de VS voor dat tijdstip afgerond zal zijn.
Een aanslag op koptische christenen in Egypte |
|
Joël Voordewind (CU), Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Opnieuw bloedbad onder Egyptische kopten» van 4 februari?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de daders van de elf vermoorde Koptische christenen bekend zijn bij de lokale autoriteiten maar dat er desondanks geen actie is ondernomen om de daders te arresteren dan wel te berechten? Deelt u de analyse dat dit tekenend is voor de behandeling van de Koptische christenen in Egypte?
Nee, dat kan ik niet bevestigen. Navraag bij een Egyptische mensenrechtenorganisatie die zich met deze zaak bezig houdt, levert op dat dit een vete betreft tussen een islamitische en een koptisch christelijke familie. Oorzaak van de vete zou liggen in de buitenechtelijke relatie die een islamitische man met een Koptisch christelijke vrouw zou hebben gehad. Daarbij zijn zowel de islamitische man als de christelijk Koptische vrouw en zeven van haar familieleden om het leven gekomen. Er zijn inmiddels veertien verdachten, allen behorend tot de familie van de islamitische man, aangehouden.
Deelt u de zorgen van de Koptische christenen over de invloedrijke positie van de Moslim-broederschap in de huidige volksopstand en in een eventuele toekomstige regering?
Op de rol die de Moslimbroederschap zal spelen in het politieke proces in Egypte wil ik niet vooruitlopen. We zullen partijen beoordelen op de mate waarin zij voldoen aan democratische en rechtstatelijke beginselen.
Deelt u de analyse dat onder de invloed van de Moslim-broederschap het geweld en de discriminatie jegens Koptische christenen alleen maar zal toenemen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om bij de Egyptische ambassadeur uw afschuw over deze brute moord uit te spreken en tevens aan te dringen op een spoedige berechting van de koelbloedige moordenaars? Bent u tevens bereid om in EU-verband steun te verwerven voor het standpunt dat de rol van de Moslim-broederschap in de Egyptische volksopstand zorgelijk is vanuit het perspectief van universele mensenrechten en godsdienstvrijheid in het bijzonder en dat er eisen aan deelname van de Moslim-broederschap aan de verkiezingen gesteld zouden moeten worden, zodat de mensenrechten en de rechten van minderheden gerespecteerd zullen worden door de Moslim-broederschap?
De Nederlandse zorg over het geweld tegen Koptische christenen is meerdere malen aan de Egyptische ambassadeur in Den Haag overgebracht.
Zowel Nederland als de EU pleit voor een transitie van Egypte naar een volwaardige democratische rechtsstaat. Respect voor mensenrechten, waaronder de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, moet centraal staan in dit transitieproces. De regering en de EU zullen partijen beoordelen op de mate waarin zij voldoen aan democratische en rechtsstatelijke beginselen. Dit geldt voor alle deelnemende partijen, ook de Moslimbroederschap.
De gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum |
|
Pauline Smeets (PvdA), Lutz Jacobi (PvdA), Frans Timmermans (PvdA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit dagblad De Limburger dd. 22 januari 2011 «Mogelijk tekort Ooijen-Wanssum»?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte, dat er grote zorgen bestaan in Limburg over de voortgang van het project Ooijen-Wanssum nu de regering voornemens is, de aanleg van verbindingszones, waarmee het project voor een gedeelte gefinancierd wordt, terug te draaien?
Ja.
Deelt u de mening dat, zeker gezien de hoge waterstand van de afgelopen maand, een project, dat de waterstand van de Maas aanzienlijk kan verlagen, doorgang moet vinden? Zo nee, waarom niet?
Ik zet me in voor de waterveiligheid in Nederland, dus ook die langs de (onbedijkte) Maas. Daarvoor lopen nu de uitvoeringsprojecten langs de Grensmaas en Zandmaas, de zogenaamde Maaswerken. Een besluit over de doorgang van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum kan ik pas nemen als het daarvoor noodzakelijke MIRT-traject is afgerond.
Ik wijs u er echter wel op dat ik geconfronteerd wordt met beperkte budgettaire ruimte, ik zal dus keuzes moeten maken. Rond de zomer zal ik u, conform mijn toezegging in het AO op 13 december 2010, hierover informeren.
Deelt u de opvatting van uw ambtsvoorganger dat het project Ooijen-Wanssum een mooi voorbeeld is van een gebiedsontwikkelingsproject dat – in het licht van het feit dat de maatregelen in het kader van de hoogwaterbescherming in het Maasdal niet binnen de daarvoor gestelde termijn worden gerealiseerd – de nu gekozen aanpak van versterking en aanleg van kades kan vervangen? Kan in de bestuurlijke overleggen MIRT van het voorjaar van 2011 het besluit tot start van de verkenning genomen worden?
Het is een mooi integraal gebiedsontwikkelingsplan waarin de provincie het voortouw heeft. In het plan wordt voorgesteld de korte en lange termijn hoogwaterbescherming met de aanleg van kades en rivierverruiming te verbeteren.
Ik kan nu niet aangeven dat er in de bestuurlijke overleggen MIRT van het voorjaar (mei) van 2011 een besluit tot start van de verkenning wordt genomen. Een besluit om de MIRT-verkenning te starten ligt alleen voor de hand als er een reële kans is op beschikbaarheid van middelen voor realisatie van de wateropgave. Momenteel is dit voor 2020 niet het geval.
In de beleidsbrief Infrastructuur en Milieu aan de Tweede Kamer (d.d. 26 november 2010) hebben de minister en ik aangegeven: «scherper vast te willen houden aan de eis dat er zicht moet zijn op financiering voordat nieuwe MIRT-verkenningen worden gestart; op voorhand moet duidelijk zijn dat bedragen beschikbaar zijn die overeenkomen met de zwaarte van de opgave».
Ik kan daarom op korte termijn de onzekerheid over het doorgaan van het project Ooijen-Wanssum niet wegnemen.
Deelt u de mening dat het project Ooijen-Wanssum als natte natuur moet worden gerealiseerd?
Realisatie van natte natuur in het project Ooijen is een zaak voor de regio. Provincie heeft aangegeven € 50 mln te hebben gereserveerd voor de ruimtelijke ontwikkeling, inclusief de kosten voor natte natuur.
Kunt u op korte termijn de onzekerheid over het doorgaan van het project Ooijen-Wanssum wegnemen?
Zie antwoord bij vraag 4.
Bent u bereid deze vragen voor 22 februari 2011 te beantwoorden?
Helaas is het mij niet gelukt de vragen voor 22 februari 2011 te beantwoorden.
Het bericht over euthanasie bij baby's die niet gemeld wordt |
|
Khadija Arib (PvdA), Jetta Klijnsma (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Euthanasie bij baby's niet gemeld»?1
Ja.
Klopt het bericht dat euthanasie bij baby’s nauwelijks gemeld wordt, omdat artsen verschillend oordelen over de vraag wanneer er sprake is van ondraaglijk en uitzichtloos lijden? Hoe beoordeelt u deze situatie?
De Commissie Late Zwangerschapsafbreking en Levensbeëindiging bij Pasgeborenen geeft in haar jaarverslag aan dat er verschillende redenen zijn die aan het uitblijven van meldingen ten grondslag kunnen liggen, waaronder de invoering van de 20-weken-echo op 1 januari 2007, onvoldoende bekendheid bij de artsen met de criteria en de procedure, verschillen van inzicht binnen de beroepsgroep en wellicht ook de vrees om in een justitiële procedure te worden betrokken. De commissie heeft verscheidene activiteiten ontplooid die er op gericht waren een gedachtewisseling binnen en met de beroepsgroep te bevorderen. Ik steun de commissie in haar constatering dat aan belangrijke aspecten rondom de besluitvorming van actieve levensbeëindiging van zwaar gehandicapten pasgeborenen, waaronder het beter ontwikkelen van palliatieve sedatie, prioriteit moet worden gegeven en dat het op de weg van de artsen ligt om hier het voortouw in te nemen. Uiteindelijk blijft het aan de individuele arts om met zijn professionele beoordelingskader de ondraaglijkheid enuitzichtloosheid van het lijden van een pasgeborene te beoordelen.
Klopt het bericht dat er maar slechts vijf meldingen van levensbeëindiging bij baby’s zijn gemeld? Hoe verhoudt het aantal meldingen zich tot de realiteit? Bent u van mening dat alle gevallen van levensbeëindiging gemeld dienen te worden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
In 2009 en 2010 heeft de commissie in totaal vier meldingen van late zwangerschapsafbreking ontvangen en één melding van levensbeëindiging. De realiteit ten aanzien van late zwangerschapsafbreking laat zien dat de technische mogelijkheden van prenataal onderzoek enorm zijn toegenomen en dat ernstige afwijkingen bij de vrucht in een veel vroeger stadium worden geconstateerd. Als de ouders op een dergelijk moment besluiten tot het afbreken van de zwangerschap maar dit doen voor de 24-ste week dan wordt deze afbreking gemeld bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), niet bij de commissie. De commissie stelt ten aanzien van levensbeëindiging bij pasgeborenen dat artsen verschillend oordelen over de stervensfase van het kind en of het onvermijdelijk overlijden gezien moet worden als levensbeëindiging of een natuurlijke dood. Het is aan de artsen te komen tot consensus. Zie voor verdere beantwoording vraag 2 en 4.
Bent u het eens met de commissie die stelt dat de nicu’s (neonatale intensive care units) het ontwikkelen van palliatieve sedatie bij kinderen en pasgeborenen hoge prioriteit moeten geven? Hoe gaat u dit stimuleren?
Zie antwoord op vraag 2.
Vindt u dat er een uniforme richtlijn voor levensbeëindiging van pasgeborenen moet komen? Welke verantwoordelijkheid heeft u bij het tot stand brengen van deze richtlijn?
Bent u bereid deze vragen voor het algemeen overleg van 10 februari 2011 te beantwoorden?
Ja.
De oproep van de voorzitter van het College van procureurs-generaal om winkelbeveiligers te bewapenen |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «OM-baas: meer bevoegdheden beveiliger»?1
Ja.
Is het waar dat de voorzitter van het College van procureurs-generaal dit pleidooi heeft gehouden? Zo ja, was u hiervan op de hoogte en heeft u hiermee ingestemd?
De voorzitter van het College van procureurs-generaal (het College) heeft op 1 februari 2011 in een speech gesproken over de vraag of het wenselijk zou zijn particulieren die betaald worden door bedrijven een publieke taak te laten vervullen als buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s). De aanleiding was een artikel waarin de voorzitter van de Vereniging van particuliere beveiligingsorganisaties pleitte voor meer bevoegdheden voor particuliere beveiligers, bijvoorbeeld bij het aanhouden van een winkeldief (Financieel Dagblad 7 december 2010). De voorzitter van het College is daarbij onder andere ingegaan op de mogelijkheid dat de overheid overlegt met het bedrijfsleven over de inzet van een «winkelboa» die kan optreden tegen winkeldiefstal. Hij is ook ingegaan op de vraag of een dergelijke «winkelboa» sommige geweldsmiddelen zou mogen inzetten.
Mijn uitgangspunt is dat het geweldsmonopolie bij de Staat moet blijven berusten. Ik onderzoek samen met de handhavingspartners hoe overheid en bedrijfsleven hun verantwoordelijkheid voor de lokale veiligheid optimaal kunnen waarmaken. Ik was er niet van op de hoogte dat de voorzitter deze speech zou geven noch had ik dat behoeven te zijn. Zijn bijdrage aan een discussie over publiek-private samenwerking bij het houden van toezicht en het handhaven in de openbare ruimte sluit aan bij mijn verkenningen. De vraag of eventuele door het bedrijfsleven betaalde boa’s in naam van de Staat en ten behoeve van het algemeen belang geweld zouden mogen toepassen, zal daarbij ook aan de orde komen. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 3.
Is het waar dat de inzet van particuliere beveiligers als buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) een grote trendbreuk is met het huidige beleid, BOA’s in principe in overheidsdienst zijn? Zo nee, hoe verhoudt uw mening zich met de circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar? Zo ja, wat zijn voor u de redenen om een groot deel van het geweldmonopolie te privatiseren?
Het is geen trendbreuk als boa’s niet enkel in dienst zijn van de overheid. Op grond van de Circulaire buitengewoon opsporingsambtenaar (Stcrt. 2011, 926) kunnen gemeenten voor een beperkt aantal opsporingsbevoegdheden boa’s inhuren bij particuliere organisaties. Dergelijke boa’s staan op de loonlijst van een particuliere organisatie en zijn tevens in onbezoldigde dienst van de overheid, zodat de aansturing van en het toezicht op de inzet van de boa en de samenwerking met de politie (regie en informatiedeling) goed kunnen worden geregeld. Van het privatiseren van het geweldsmonopolie is geen sprake. Ik verwijs u hieromtrent ook naar mijn beantwoording van de vragen van het lid Çörüz (Kamerstukken II, 2010–2011, Aanhangsel Handelingen, nr. 1222).
Klopt het dat BOA’s op dit moment ingezet worden in de publieke ruimte en dat hun inzet altijd het publiek belang dient? Deelt u de mening dat dit voor particuliere beveiligers niet altijd gesteld kan worden?
Boa’s van de gemeente zorgen in de (semi-)openbare ruimte voor de handhaving van de lokale veiligheid met een focus op leefbaarheid, overlast en verloedering. Boa’s kunnen derhalve ook optreden op bedrijventerreinen en in winkelcentra. Boa's dienen in het algemeen het publieke belang of een semi-publiek belang, zoals de Openbaar Vervoer-boa of de boswachter. In de private of semi-private ruimte zijn particuliere beveiligers actief die in opdracht van de ondernemer veiligheid bevorderen voor de ondernemer en zijn eigendommen, zijn personeel en zijn publiek. Zij dienen daarmee een privaat en/of commercieel belang en ook een publiek belang.
Welke problemen constateert u in de praktijk van de particuliere beveiligers, die opgelost worden door hen een BOA-status te geven en mogelijk bijbehorende geweldsmiddelen toe te staan? Vindt u de introductie van de particuliere opsporingsambtenaar een proportioneel middel of ziet u andere middelen om deze problemen te ondervangen? Is het aanstellen van extra wijkagenten niet een veel doeltreffender oplossing?
Ik acht het niet wenselijk vooruit te lopen op de in het antwoord op vraag 2 genoemde verkenning. Zodra ik in dat verband tot conclusies ben gekomen, zal ik uw Kamer dienaangaande informeren.
Acht u de rollen verenigbaar van particulier beveiliger en onbezoldigd overheidswerknemer voor het uitoefenen van de taken van BOA-taken? Zo ja, hoe ziet u deze combinatie voor zich? Hoe kan de overheid de inzet van de betreffende beambten sturen?
Volgens artikel 5.2 Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) mag een boa niet naast zijn werkzaamheden als boa tevens werkzaamheden voor een beveiligingsorganisatie verrichten. Van dit verbod wordt op grond van artikel 5.4 Wpbr ontheffing verleend als de functie als opsporingsambtenaar en de werkzaamheden bij de beveiligingsorganisatie zich zodanig tot elkaar verhouden dat het gevaar voor vermenging van taken en het gevaar voor overdracht van politie-informatie of opsporingsinformatie tot een minimum beperkt blijven. Uitgangspunt daarbij is en blijft dat de betrokken persoon niet op één en dezelfde plaats beide petten tegelijkertijd kan dragen en dus niet kan wisselen naar eigen inzicht. Ik acht het van groot belang dat taken en bevoegdheden voor de burger te allen tijde duidelijk zijn.
Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Wat voor extra toezicht door politie en Openbaar Ministerie (OM) op particuliere BOA’s acht u nodig, mede gelet op de knelpunten die al geconstateerd zijn door de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) in juni 2009? Deelt u de mening dat het zinvoller is om deze inzet direct ten goede te laten komen aan criminaliteitsbestrijding?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de introductie van geweldsmiddelen voor particuliere beveiligers de onderlinge verschillen in bevoegdheid tussen de verschillende particuliere en publieke toezichthouders vervaagt? Zo ja, hoe wilt u ervoor zorgen dat de verschillen voor iedereen duidelijk zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de branche van particuliere beveiligingsbedrijven, een commercieel belang heeft als die pleit voor bewapening van beveiligers en toegang tot politiegegevens? Strookt belang van de branch met dat van u, zodat er meer toezichthouders komen zonder dat u 3000 extra agenten hoeft te betalen? Zo ja, welke invloed houdt de overheid op de inzet van particuliere toezichthouders en hoe wordt het geweldmonopolie van de staat gewaarborgd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vragen 3 en 4 dienen de taken van particuliere beveiligers ook een publiek belang.
Gemeentelijke straattoezicht- en handhavingdiensten zijn geen aanvulling op, vervanging of concurrent van de politie, maar een exponent van de eigen verantwoordelijkheid van het lokaal bestuur voor de lokale veiligheid. Zij zijn het antwoord op verzoeken van burgers aan de gemeente om zaken op het terrein van leefbaarheid, verloedering en overlast in de openbare ruimte aan te pakken.
Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 2.
Als u op deze wijze beveiligers als verlengstuk van de politie in kunt zetten tellen, de BOA’s van de dierenbescherming, de Algemene Inspectiedienst (AID) en de landschapsbeheerders dan ook mee bij de taakstelling van de regering voor animal cops? Zo nee, waarom niet?
Dergelijke boa's tellen niet mee bij de taakstelling van de regering voor animal cops. De dierenpolitie gaat bestaan uit 500 agenten en niet uit boa's. Het kabinet heeft ervoor gekozen om agenten met algemene opsporingsbevoegdheid in te zetten bij de aanpak van dierenmishandeling en dierenverwaarlozing. Zo kan de pakkans voor daders van deze delicten worden vergroot en kunnen ook delicten die in samenhang worden gepleegd met dierenmishandeling en dierenverwaarlozing worden aangepakt.
Fraude op de Hogeschool Zwolle |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten van fraude met het eenvoudig vervalsen van studiepassen en het maken van tentamens en toetsen op de Hogeschool Windesheim in Zwolle?1
In de berichtgeving van de Telegraaf wordt gesuggereerd dat het om een experiment ging van een aantal studenten. Zij zouden op deze manier hebben willen aantonen dat tentamenfraude redelijk eenvoudig is. De desbetreffende hogeschool heeft echter niet kunnen achterhalen om welke studenten het gaat en welke tentamens het betrof. De hogeschool heeft ook aangegeven dat er geen gebruik is gemaakt van de klokkenluidersregeling om de misstanden aan de kaak te stellen.
In hoeverre wordt er op meer onderwijsinstellingen gebruik gemaakt van dit soort pasjessystemen?
Instellingen hanteren verschillende systemen voor identiteitscontrole bij examens en tentamens. Bij Hogeschool Windesheim diende de surveillant bij aanvang van de tentamens bij de student te verifiëren dat hij gerechtigd was aan het tentamen deel te nemen aan de hand van de geparafeerde presentielijst, een bewijs van inschrijving en de collegekaart. Inmiddels moeten de studenten van Windesheim ook nog een identiteitsbewijs laten zien. Het is mij niet bekend of andere instellingen met hetzelfde systeem als Hogeschool Windesheim werken.
Wordt er naar uw oordeel voldoende toegezien op een adequate beveiliging van dit soort passen en verificatie? Hoe vindt die plaats?
De verificatie van de identiteit van de tentamenkandidaat en dus ook de wijze waarop dat geschiedt, behoort tot de verantwoordelijkheid van de instelling. Hogeschool Windesheim heeft deze verantwoordelijkheid ook genomen blijkens de hiervoor vermelde maatregelen. Overigens zijn er mogelijkheden om de fraude achteraf hard aan te pakken. Binnen de hogeschool kan de frauderende student het recht om tentamen af te leggen tijdelijk ontnomen worden. De student kan ook blijvend van de opleiding worden verwijderd. Daarnaast kan de instelling aangifte doen van een strafbaar feit aangezien een dergelijke vorm van fraude (identiteitsfraude) en medeplichtigheid daaraan strafrechtelijk vervolgbaar zijn.
Bezitten onderwijsinstellingen voldoende expertise op dit punt? Hoe wilt u deze expertise bevorderen?
Zie mijn antwoord op de vorige vraag. Ik ga ervan uit dat de berichtgeving over de identiteitsfraude de instellingen voldoende aanleiding heeft gegeven het beveiligingssysteem met betrekking tot de identiteit nog eens door te lichten.
Zijn gesprek met het COC over voornemens van het kabinet die gezinsvorming van partners van hetzelfde geslacht belemmeren |
|
Hans Spekman (PvdA), Martijn van Dam (PvdA) |
|
|
|
|
Is het waar dat u in het gesprek met het COC hebt toegegeven dat de door u in het algemeen overleg over Huwelijksmigratie van 18 januari 2011 ingenomen stelling, dat paren van gelijk geslacht zouden kunnen trouwen op de Nederlandse ambassade in het land van herkomst of dat de homoseksuele partner op een toeristenvisum naar Nederland zou kunnen komen om hier te huwen, niet houdbaar is?1
Tijdens het gesprek met het COC heb ik aangegeven dat de route van het trouwen op een Nederlandse ambassade of het inreizen op een toeristenvisum gecompliceerder blijkt te zijn dan eerder werd gedacht.
Waarom kon u het COC geen oplossing bieden voor dit probleem terwijl het regeerakkoord bijna een half jaar oud is?
Ik heb toegezegd de problematiek binnen het kabinet te zullen bespreken en daarna met een voorstel voor een oplossing te komen.
Klopt het dat u aan het COC hebt toegezegd op zoek te gaan naar een uitzonderingspositie voor de voorstellen rondom huwelijksmigratie voor partners van hetzelfde geslacht? Zo ja, aan welke oplossing denkt u daarbij en hoe verhoudt deze zich tot het gelijkheidsbeginsel?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat u een uiteindelijke uitwerking van bovenstaand voorstel zult voorleggen aan het COC? Committeert u zich er dan ook aan dat een uiteindelijke uitwerking van de voorstellen voor het COC aanvaardbaar moet zijn?
Het COC is toegezegd dat zij geïnformeerd worden over de uitkomst van het gesprek binnen het kabinet.
Houdt u bij de uitwerking van genoemde voorstellen rekening met bezwaren vanuit onder meer het COC dat het niet aan het kabinet is om mensen te dwingen met een buitenlandse partner te trouwen, als zij liever willen samenwonen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
De informatie die ik van het COC heb mogen ontvangen wordt bij de verdere besluitvorming betrokken.
Kunt u tot slot aangeven wanneer de Kamer een uitwerking van de voorstellen kan verwachten?
Ik zal uw Kamer op korte termijn informeren conform mijn toezegging tijdens het Algemeen Overleg gezinsmigratie op 18 januari 2011.
Diyanet |
|
Malik Azmani (VVD), Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van de Universiteit Utrecht en de Vrije Universiteit Amsterdam «Diyanet – the Turkish Directorate for Religious Affairs in a changing environment»?1
Ja.
Is het waar dat het merendeel van de Turkse Imams in Nederland in dienst is van Diyanet en dus niet worden aangesteld vanuit Nederland, maar vanuit Turkije? Kan voorts worden uiteengezet hoeveel van de Turkse imams in Nederland in dienst zijn van Diyanet?
De Rijksoverheid houdt geen cijfers bij van het aantal moskeeën in Nederland en heeft ook geen zicht op het aantal imams en het soort dienstverband dat zij hebben. Het is niet uitgesloten dat een deel van de Turkse gemeenschap op dit moment gebruik maakt van de door Diyanet opgeleide imams.
Deelt u de mening dat buitenlandse overheden zich niet dienen te bemoeien met de integratie danwel geloofsbelijdenis van mensen die in Nederland wonen en dat als dit wel gebeurt dit contraproductief is voor de integratie? Zo nee, waarom niet?
Nederland bepaalt zelf de integratievoorwaarden voor migranten. Voor migranten die zich in Nederland vestigen is het van belang om in te burgeren en de Nederlandse taal te leren. Als het gaat om de wijze waarop mensen hun geloof belijden, kan en wil het kabinet met het oog op de scheiding tussen kerk en staat geen oordeel vellen. Vanuit datzelfde principe heeft het kabinet zorgen over het feit dat een Turkse overheidsorganisatie imams werft, opleidt en uitzendt. Het kabinet stelt zich op het standpunt dat de contacten tussen een vreemde mogendheid en haar (voormalige) onderdanen in Nederland louter op basis van vrijwilligheid mogen plaatsvinden. Het is uiteindelijk aan Turkse Nederlanders zelf om te bepalen in welke mate zij contacten met de Turkse overheid of hieraan verwante instellingen willen houden. Dit standpunt wordt door Nederland regelmatig in contacten met de Turkse overheid onderstreept.
Deelt u de mening dat om de integratie van Turken in Nederland te bevorderen, imams vanuit Nederland moeten worden aangesteld en niet vanuit Turkije? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen bent u van plan te ondernemen, zoals bijvoorbeeld een arbeidsmarkttoets?
Het kabinet acht het van belang dat imams de integratie en participatie van Turkse Nederlanders in de Nederlandse samenleving niet belemmeren. Het kabinet bevordert dat er Nederlandse opleidingen voor islamitische theologie beschikbaar zijn, zodat de moskeeën alhier hun voorgangers meer en meer kunnen betrekken uit in Nederland opgeleide geestelijken. Het kabinet beziet dit onderwerp in het kader van de voorgenomen wet arbeid vreemdelingen.
Hoeveel Turkse moskeeën in Nederland onderhouden banden met Diyanet?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is de Gülenbeweging betrokken bij de mede door Diyanet georganiseerde activiteiten?
Uit het onderzoek naar de Gülenbeweging dat op 14 december 2010 (kamerstuk: 32 500 VII, Nr. 71 aan uw kamer is verzonden, blijkt niet dat er sprake is van samenwerking tussen de Gülenbeweging en Diyanet.
Deelt u de mening dat de subsidies die worden gegeven aan organisaties die banden onderhouden met Diyanet moeten worden gestopt, omdat dit zich tegen de integratie van Turken in Nederland richt?
Het is niet vastgesteld dat organisaties die met Diyanet samenwerken zich keren tegen de integratie van Turkse Nederlanders. Vanuit het rijk worden er geen subsidies verstrekt aan organisaties die integratiebelemmerende activiteiten ondernemen.
Vermeende schijnzekerheid van pensioenoverzicht |
|
|
|
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Kent u het artikel «Pensioenen niet altijd waardevast»1 en de daarin besproken brief van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA)?2
Ja.
Deelt u de mening van het NBA dat het inzicht in onzekerheden van pensioenfondsen moet verbeteren? Wat is uw reactie op het advies om kansverdelingen van pensioenuitkomsten (procentuele kans op waardevast pensioen en procentuele kans op onderdekking) te analyseren en communiceren? Bent u bereid om verplichte communicatie hiervan op te nemen in de verwachte wetswijzigingen naar aanleiding van het pensioenakkoord?
Ja, ik deel deze mening. Eerlijke en transparante communicatie over onzekerheden van pensioenuitkomsten acht ik van belang en ik waardeer derhalve dit advies van de NBA. Op dit moment worden de informatiebepalingen uit de Pensioenwet geëvalueerd. Bij de besluitvorming over deze evaluatie zal het advies van NBA worden betrokken. Ook in het kader van de nieuwe contracten zullen de informatieverplichtingen relevant zijn. Uiteindelijk zal dit resulteren in een aanpassing van de informatiebepalingen uit de pensioenregelgeving.
Klopt het dat als pensioenfondsen met een dekkingsgraad lager dan 100% niet korten, er meer dan evenredig wordt uitgekeerd aan gepensioneerden? Kunt u in de aanstaande wetswijziging opnemen dat deze pensioenfondsen deze consequentie expliciet moeten communiceren aan hun deelnemers?
Ja, dit klopt. Op basis van de evaluatie van de informatiebepalingen in de Pensioenwet zal bezien worden of het wenselijk is een dergelijke informatieverplichting in de wet op te nemen.
Bent u bereid om bij de verdere ontwikkeling van www.mijnpensioenoverzicht.nl een sterkere nadruk te leggen op de communicatie van risico’s? Bent u bereid om hierin ook de eerder genoemde kansverdeling van de pensioenuitkomst in op te nemen?
De verantwoordelijkheid voor de verdere ontwikkeling van www.mijnpensioenoverzicht.nl ligt bij de Stichting pensioenregister, een samenwerkingsverband van de pensioenkoepels, het Verbond van verzekeraars en de Sociale Verzekeringsbank. Ik ga ervan uit dat de Stichting bij de verdere ontwikkeling van het pensioenregister ook aandacht zal besteden aan de communicatie over risico’s.
Hoe ver bent u met de uitwerking van de motie Koşer Kaya3 die verzoekt om pensioenfondsen die corrigerende maatregelen moeten nemen te verplichten om binnen twee weken openheid van zaken te geven?
De uitwerking van deze motie wordt betrokken bij de uitvoering van de brede aanpak met betrekking tot de aanvullende pensioenen. In de brief van 7 april 2010 (Kamerstukken II 2009/10, 30 413, nr.142) en in de brief van 14 september 2010 (Kamerstukken II 2009/10, 32 043, nr.8) zijn de contouren van de brede aanpak met betrekking tot de aanvullende pensioenen geschetst.
De pensioensector is zich overigens bewust van het belang van goede communicatie als corrigerende maatregelen aan de orde zijn. Zo heeft de Pensioenfederatie op 10 januari jl. een brief gestuurd aan alle besturen van pensioenfondsen met als doel de communicatie over de evaluatie van herstelplannen aan de gepensioneerden, deelnemers en slapers zowel tijdig als goed te laten verlopen.
Studenten die geweigerd worden voor een opleiding met numerus fixus vanwege financiële risico's voor de onderwijsinstellingen |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen over gevallen waarbij studenten, na een tijdelijke andere studie door uitloting, geweigerd worden bij bepaalde universiteiten voor een hernieuwde inlotingsprocedure als gevolg van financiële risico’s voor de instelling door de potentiële verlengde studietermijn van de student?
Dergelijke signalen hebben mij niet bereikt.
Hoe beoordeelt u deze signalen of deze beschreven situatie?
Als die signalen wijzen op een weigering tot een hernieuwde inlotingsprocedure ten aanzien van een persoon die daarop een wettelijk recht heeft, dan is dat in strijd met de wet.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat universiteiten preventief studenten gaan weigeren voor een opleiding of inlotingsprocedure wanneer de student vanuit de aanstaande langstudeerdersregeling een langere studietermijn dan nominaal heeft opgelopen door een (tijdelijke) andere studie?
De wet biedt geen mogelijkheid tot preventieve weigering voor een opleiding of inlotingsprocedure die uitsluitend is ingegeven door de verwachting dat de student een langere studietermijn dan nominaal zal hebben als gevolg van een eerdere (tijdelijk) andere studie.
Bent u bereid om te onderzoeken in hoeverre deze signalen in de praktijk voorkomen bij hoger onderwijsinstellingen en hier desgewenst tegen op te treden? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie voor het Onderwijs heeft onder meer de taak toe te zien op de naleving van wet- en regelgeving in het hoger onderwijs. Als mij van die kant signalen als bedoeld bereiken, zal ik daar op passende wijze op reageren.
Het bericht dat psychiatrische patiënten in Nederland veel vaker alleen gelaten worden |
|
Lea Bouwmeester (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Andere landen laten patiënten minder alleen»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht dat uit internationale vergelijkingen blijkt dat Nederland koploper separeren is? Hoe verklaart u dat, en wat is uw ambitie om dit tegen te gaan?
Het is mij bekend dat Nederland internationaal hoog scoort als het gaat om het separeren van psychiatrische patiënten. Er is in Nederland een historische voorkeur voor separeren boven een maatregel zoals dwangmedicatie. Finland en Ierland hebben een vergelijkbaar beleid. De reden voor dit beleid ligt in het feit dat in Nederland van oudsher dwangmedicatie ingrijpender wordt gevonden dan opsluiting. Verschillen in separatiecijfers zijn geen indicatie voor meer of minder kwaliteit van zorg. Andere landen medicaliseren of fixeren sneller onder dwang.
Een belangrijk aspect van mijn beleid is het terugdringen van dwang en drang. In Nederland hebben we daarom afspraken gemaakt om het separeren tot het minimum te beperken. Deze cultuuromslag is gaande sinds 2000. Om dit proces verder te ondersteunen zijn in de afgelopen jaren een aantal concrete zaken in gang gezet. Ten eerste is er vanaf 2006 een beleidsregel voor het financieren van de zogenaamde «dwang en drang»-projecten. Deze projecten kunnen beschouwd worden als goede voorbeelden oftewel «best practices» voor het terugdringen van dwang en drang. Dankzij dit beleid is er vanaf 2006 een gestage afname te zien van het aantal separaties en de duur daarvan, terwijl er geen (evenredige) toename van dwangmedicatie of andere dwangtoepassingen waargenomen is. Onlangs is deze beleidsregel voor één jaar verlengd. Ten tweede is kort geleden een intentieverklaring ondertekend door een aantal partijen (VWS, GGZNL, NVvP, LPGGZ, e.d.) met als doel het committeren van deze partijen aan het terugdringen van dwang en drang en het borgen van de «dwang en drang»-projecten in de lijn. Hieruit spreekt een duidelijke ambitie van alle partijen in de geestelijke gezondheidszorg om het aantal en de duur van alle dwangtoepassingen tot het minimum terug te brengen. Ten derde heeft mijn ambtsvoorganger in 2010 veldpartijen opgeroepen om een multidisciplinaire richtlijn dwang en drang te ontwikkelen. Een dergelijke richtlijn is een goed instrument om het beleid rond het terugdringen van dwang en drang te ondersteunen en de goede voorbeelden opgedaan bij alle «dwang en drang»-projecten zorgvuldig te bundelen.
Bent u het eens met de uitspraak «behandelen is gericht op verandering, verandering doe je niet onder dwang»?2
Dwangbehandeling komt voor in de GGZ. Een patiënt kan bijvoorbeeld onder dwang medicatie krijgen toegediend of moet verplicht met een rechterlijke machtiging op een afdeling verblijven. Hiervoor zijn altijd gegronde redenen aanwezig en er liggen uiterst zorgvuldige procedures aan ten grondslag.
Dwangbehandeling en dwangopname worden alleen in uiterste noodzaak toegepast (zijn altijd een ultimum remedium) en worden alleen daar toegepast waar alle andere opties niet tot een gewenst resultaat hebben geleid of waar aannemelijk is dat zij niet tot een gewenst resultaat zullen leiden. Consensus over de behandeling met betrokken partijen (patiënt, eventueel diens vertegenwoordiger en de betrokken hulpverleners) bij de behandeling is uitgangspunt.
Kent u de onderzoeken, van onder andere Bert van der Werf, waaruit blijkt hoe groot de persoonlijke en psychische schade van separeren is? Welke conclusie trekt u hieruit?
In de GGZ is vanaf 2000 een cultuuromslag in gang gezet. De insteek is meer gericht op voorkomen dan separeren. Mensen eenzaam opsluiten is een zeer ingrijpende maatregel die diepe impact heeft en sporen achterlaat. Het beleid is erop gericht om separeren en andere dwangtoepassingen tot het minimum te beperken en zoveel mogelijk terug te dringen. Op basis van recente wetenschappelijke literatuur kunnen de cijfers van Bert van de Werf weerlegd worden of als achterhaald betiteld worden. In het NRC-artikel staat ook dat het vergelijkend internationaal onderzoek van Bert van der Werf naar eigen zeggen «impressionistischer» van aard was. Er kunnen daarmee vraagtekens bij de onderbouwing van zijn onderzoek geplaatst worden.
Wat is uw reactie op de stelling dat het volledig isoleren van patiënten in Nederland nog wordt gezien als een behandelmethode, terwijl we weten dat isolatie door patiënten vaak als traumatisch wordt ervaren? Deelt u de mening dat deze Nederlandse visie achterhaald is, en dat het traumatiseren van patiënten geen onderdeel kan zijn van een behandeling?
Het is mij bekend dat dwangtoepassingen, waaronder isolatie, door patiënten als traumatisch worden ervaren. Daarom heeft mijn ambtsvoorganger beleid ingezet gericht op het terugdringen van dwang en drang. Ik zet dit beleid voort. Traumatiseren is nooit onderdeel of doel van een behandeling. Tijdens een behandeling kan het echter noodzakelijk of zelfs wenselijk zijn de cliënt vanuit veiligheidsperspectief de bescherming van een separeerruimte te geven. Dat kan voor de patiënt maar ook voor de veiligheid van de hulpverleners noodzakelijk zijn.
Mijn beleid gericht op het verminderen van dwang en drang zal echter, hoe spijtig ook, nooit tot een volledig verdwijnen van dwangtoepassingen in de GGZ leiden. Er zullen immers altijd patiënten zijn op wie dwang zal moeten worden toegepast gelet op hun geestelijke gezondheidssituatie. Daarnaast moet ook het perspectief van de hulpverleners en de medepatiënt bij de beoordeling wel of niet overgaan tot separatie worden betrokken. Soms is er geen alternatief om de veiligheid in de kliniek te borgen. Als separatie toch noodzakelijk is, dan overgaan tot snelle mobilisatie of re-integratie van de cliënt.
Wat is uw reactie op de stelling dat, hoewel er nieuwe, betere behandelmethoden zijn, oude methoden nog altijd worden gebruikt? Welke maatregelen worden genomen om juist die toepassing van verbeterde behandelmethoden te stimuleren? Welke stappen zet u?
«Evidence based»-methoden zijn uitgangspunt bij behandeling. GGZ Nederland is nu bezig alle «best practices» of alternatieven die bijdragen aan het terugdringen van dwang en drang in kaart te brengen. In oktober 2011 zal dit proces afgerond zijn. Daarnaast is geld beschikbaar gesteld om deze «best practices» te implementeren en te borgen bij behandeling en begeleiding van patiënten die zeer intensieve zorg nodig hebben. Ten slotte heeft mijn ambtsvoorganger, zoals reeds in mijn antwoord op vraag 2 vermeld, veldpartijen opgeroepen om een multidisciplinaire richtlijn dwang en drang te ontwikkelen. Ik heb er alle vertrouwen in dat veldpartijen de laatste stand van de wetenschap in de multidisciplinaire richtlijn zullen meenemen, en zal toezien op een vlotte ontwikkeling van deze multidisciplinaire richtlijn.
Welke alternatieven voor dwang en drang zijn (onder andere uit het buitenland) u bekend, zoals meer personeel, en in hoeverre wilt u zich inspannen deze in Nederland te introduceren?
Er zijn mij diverse alternatieven bij zeer intensieve zorgvragen bekend. Te denken valt daarbij aan: «één op één»-begeleiding, opschaling bij crises, intensieve care units, inzet van ervaringsdeskundigen, familieparticipatie, comfortrooms, «eerste vijf minuten»-methodiek en vele andere. In 2010 heeft mijn ambtsvoorganger GGZ Nederland gevraagd alle «best practices» of alternatieven die bijdragen aan terugdringen van dwang en drang in kaart te brengen. In oktober 2011 zal dit overzicht afgerond zijn. Daarnaast heb ik gelden beschikbaar gesteld om deze practices te implementeren en te borgen bij behandeling en begeleiding van zeer zorg intensieve cliënten.
Herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen over verwarde mensen in de politiecel? Waarom worden verwarde mensen in Nederland eerst in de politiecel gezet, in plaats van meteen te worden behandeld in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg (ggz)? Deelt u de mening dat zorg vanuit menselijkheid (ook in het weekend) altijd voor opsluiten gaat?
Ja, ik herinner mij de antwoorden op kamervragen over verwarde mensen in de politiecel en ik deel de mening dat zorg altijd voor opsluiten gaat. Het beleid in Nederland is er op gericht dat verwarde mensen niet eerst in een politiecel worden gezet. Opsluiting van verwarde personen in een politiecel is echter niet altijd te voorkomen. Een enkele keer wanneer een verwarde, angstige of agressieve patiënt via de politie in beeld komt bij de GGZ kan het in afwachting van plaats en plaatsing, noodzakelijk zijn een patiënt tijdelijk op het politiebureau vast te houden. Opsluiting in een politiecel vindt dus slechts plaats als tijdelijke eerste opvang, totdat een psychiater kan beoordelen of doorverwijzing naar een GGZ-instelling wenselijk is. Alle partijen, politie, GGZ en acute diensten spannen zich tot het uiterste in deze ongewenste situatie zo kort mogelijk te houden en zo snel mogelijk toeleiding naar zorg te bewerkstelligen.
GGZ Nederland en de politie leggen momenteel de laatste hand aan een convenant met betrekking tot zorg rondom patiënten en eerste opvang.
Verder is in de nieuwe Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg voorgesteld om de crisisopvang zoveel mogelijk te organiseren op een plaats die ingericht is voor zorg met slechts als ultimum remedium een politiecel.
Deelt u voorts de mening dat de huidige Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) te weinig mogelijkheden biedt om vroeg hulp te bieden, zodat separeren kan worden voorkomen? Zo ja, deelt u de mening dat de nieuwe wet verplichte ggz, die hier een oplossingen voor biedt, daarom snel naar de Kamer moet worden gezonden? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
In de huidige Wet bopz kan inderdaad niet altijd in een vroeg stadium die zorg ambulant verleend worden die wel noodzakelijk is. In het wetsvoorstel verplichte geestelijke gezondheidszorg (WvGGZ) zijn meer interventies mogelijk om al reeds in de ambulante sfeer schade af te wenden of te voorkomen. Zo kan iemand reeds thuis intensief worden begeleid of alleen voor de toediening van de voorgeschreven medicatie naar de polikliniek worden gebracht. De interventie moet zijn omschreven in de door de rechter opgelegde zorgmachtiging. Onder de Wet bopz was hier veelal een verblijf aan gekoppeld van minimaal drie dagen. Het wetsvoorstel is overigens op 14 juni 2010 bij uw Kamer ingediend (nr. 32 399).
Kent u de toezegging uit 2008 van uw ambtvoorganger dat er zo snel mogelijk een multidisciplinaire richtlijn dwang en drang zou komen? Waarom is deze er nog steeds niet?
Ja, ik ken de toezegging van mijn ambtsvoorganger. Het Trimbos Instituut heeft een voorstudie gedaan naar de haalbaarheid en wenselijkheid van een multidisciplinaire richtlijn dwang en drang. Dit rapport heeft mijn ambtsvoorganger op 17 februari 2010 aan de Tweede Kamer aangeboden. Met zijn brief van 22 juli 2010 aan de Tweede Kamer heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven positief te staan tegenover de ontwikkeling van een multidisciplinaire richtlijn dwang en drang en de beroepsgroepen te zullen oproepen om zo snel mogelijk met een plan van aanpak voor de ontwikkeling en de implementatie van de richtlijn te komen. Bovenstaande heb ik met mijn brief van 5 augustus 2010 aan veldpartijen kenbaar gemaakt. Kort geleden heb ik bij de beroepsgroepen navraag gedaan naar de stand van zaken rondom het plan van aanpak. Partijen hebben mij een eerste globaal plan van aanpak toegezonden dat nu ter beoordeling voorligt. Op basis hiervan zullen zij de richtlijn ontwikkelen en implementeren. Alle betrokken partijen (V&VN, NIP en NVvP) evenals GGZ Nederland onderschrijven het belang van een multidisciplinaire richtlijn dwang en drang.
De voortgang hiervan is een vast bespreekpunt op de agenda van de Stuurgroep dwang en drang.
De ontwikkeling van een richtlijn is altijd een langdurig traject. Dit geldt in het bijzonder voor de ontwikkeling van een multidisciplinaire richtlijn, omdat hierbij verschillende partijen, elk met zijn eigen deskundigheid en zienswijze, nauw betrokken zijn. Ik zal toezien op een vlotte voortgang.
Deelt u de mening dat het instellen van een high care/ intensive care voor de ggz, waarbij intensief behandelen centraal staat een menswaardig alternatief is voor lange opsluiting? Zo ja, bent u voornemens te zorgen voor meer high care afdelingen in de ggz?
Langdurige opsluiting wordt binnen de GGZ als zeer ongewenst gezien. Daar waar zeer intensieve zorg noodzakelijk is, kan deze binnen de beschermende omgeving van een intensive care unit (ICU) worden uitgevoerd. Diverse instellingen hebben al ICU’s of zijn er mee bezig. Waar deze ICU’s nog niet zijn gevormd, is een andere vorm van intensieve zorg gewenst (b.v. «één op één»-begeleiding door gespecialiseerde begeleiders).
De IQ-grens voor begeleiding |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «IQ-maatregel getuigt van politieke domheid»?1
Ja.
Deelt u de mening van de Inspectie voor de Gezondheidszorg2 dat voor mensen met een licht verstandelijke beperking of mensen die zwakbegaafd zijn, niet het IQ, maar de problemen en beperkingen waarmee zij te maken hebben bepalen of zij zorg nodig hebben?
De hoogte van het IQ bepaalt inderdaad niet uitsluitend of iemand zorg nodig heeft. Dat wordt bepaald door de beperkingen en problemen die iemand heeft om te kunnen functioneren in het dagelijks leven. De problemen waar iemand mee kampt, bepalen dus de zorgbehoefte. De gebruikte IQ-grenzen bepalen wel mede of iemand voor AWBZ-zorg in aanmerking komt of op zorg vanuit een ander kader is aangewezen. In die zin verschil ik dus niet van mening met de Inspectie voor de Gezondheidszorg.
Kunt u een overzicht geven van de groep mensen die door de kabinetsmaatregel om begeleiding voor mensen met een IQ >70 niet meer uit de AWBZ te vergoeden, zoals uw staatssecretaris heeft toegezegd op 10 november 2010? Om hoeveel mensen gaat dit? Welk deel van hen is jonger dan 18? Met welke problematiek hebben deze mensen te maken? Welk deel van deze mensen heeft te maken met lichamelijke, psychische, psychiatrische of verslavingsproblematiek?
Op dit moment laat ik onderzoek doen naar de omvang van de groep cliënten met een IQ tussen de 70 en 85 die gebruikmaken van AWBZ-zorg. Het onderzoek richt zich op zowel jongeren als volwassen. Ook wordt meegenomen welke zorgvraag deze mensen hebben en van welke AWBZ-zorg ze gebruik maken. Ik verwacht in april 2011 het eindrapport en zal u dan nader informeren.
Kunt u aangeven wat de gevolgen van deze kabinetsmaatregel zijn voor de jeugdzorg, zoals uw staatssecretaris heeft toegezegd op 10 november 2010?
Een deel van de groep met een IQ tussen 70 en 85 betreft jongeren. Sommige jongeren zouden een beroep kunnen gaan doen op jeugdzorg. Het onderzoek, waar ik ook in mijn antwoord op vraag 3 naar verwijs, zal ook duidelijkheid geven over de omvang van de groep jongeren.
Kunt u een overzicht geven van de cumulatieve gevolgen van het kabinetsbeleid waarmee deze groep mogelijk te maken krijgt? Op welke manier valt het schrappen van begeleiding uit de AWBZ, bezuinigingen op Wajong, de bezuinigingen in de jeugdzorg, de «bijstelling» van het passend onderwijs en het korten van het Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo-budget samen op het bordje van zwakbegaafde mensen?
De positie van kwetsbare jongeren heeft mijn bijzondere aandacht. Verschillende maatregelen in het Regeerakkoord beïnvloeden de positie van kwetsbare jongeren. Om die reden heb ik met mijn collega’s van OCW, SZW en VenJ afgesproken de genoemde maatregelen uit het Regeerakkoord in nauwe afstemming uit te werken.
Zwakbegaafde mensen kunnen van de door u genoemde regelingen gebruik maken, veelal zonder de voor hen zo noodzakelijke integrale aanpak. Daarom biedt de decentralisatie van onder meer de jeugdzorg, de AWBZ-begeleiding en de Wajong naar gemeenten kansen voor het realiseren van een meer samenhangend onderwijs-zorg-arbeidsmarktbeleid op lokaal en regionaal niveau. Door financiering en regie in één hand te leggen kan efficiënter worden samengewerkt door alle partijen, ook als het gaat om kwetsbare jongeren. Het Rijk zal gemeenten hierbij actief en in samenhang ondersteunen, waarbij het realiseren van een integrale benadering, met name voor jongeren, centraal staat.
Wat is uw reactie op de vrees van gemeenten dat zij door gebrek aan expertise en financiële middelen vanuit de Wmo niet de nodige zorg kunnen bieden aan mensen die bij het wegvallen van begeleiding bij hen aankloppen?
Op dit moment is het kabinet in overleg met de gemeenten over een zogenaamd hoofdlijnenakkoord. Deze onderwerpen zijn daar onderwerp van gesprek.
Uiteraard zorg ik samen met de VNG voor een zorgvuldig implementatietraject richting cliënten, gemeenten en aanbieders zodat mensen die niet zelfstandig kunnen participeren adequaat ondersteund worden.
Hoeveel mensen zullen door het wegvallen van begeleiding niet meer zelfstandig kunnen wonen, zullen aangewezen zijn op intramurale zorg of zullen ontsporen, met alle gevolgen van dien?
Met de integrale aanpak zoals ik die voorsta, wil ik voorkomen dat mensen met een IQ tussen de 70 en 85 tussen wal en schip vallen. Dit doe ik door samen met gemeenten, jeugdzorg en onderwijs de implementatie zorgvuldig vorm te geven. In het Regeerakkoord is er ook rekening mee gehouden dat hier extra middelen voor kunnen worden ingezet.