De legekosten voor het aanvragen voor een vervangend verblijfsdocument voor een vreemdeling |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
|
|
|
Is het legestarief voor het aanvragen van een vervangend verblijfsdocument voor vreemdelingen met een verblijfsvergunning regulier vanwege diefstal of vermissing per 15 oktober 2010 verhoogd van 100 euro naar 250 euro?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze verhoging exorbitant is, en bovendien vreemdelingen onevenredig benadeelt ten opzichte van Nederlanders, aangezien de gemiddelde extra kosten voor het aanvragen van een vervangend identiteitsbewijs wegens vermissing of diefstal voor hen slechts tussen de 14 en 30 euro is?
Ik acht deze verhoging niet exorbitant. Uitgangspunt in het regeerakkoord is het kostendekkend maken van de leges. Dit betekent overigens niet dat in alle gevallen de hoogte van de leges gelijk is aan de kostprijs. Binnen een legeskolom bestaat de mogelijkheid om onderscheid te maken tussen de verschillende leges, waarbij sommige leges hoger en andere leges lager dan de kostprijs kunnen zijn. Aspecten als draagkracht kunnen hierbij een rol spelen. Uitgangspunt vormt de kostendekkendheid van het geheel van de leges in de desbetreffende kolom.
De kostprijs van een vervangend vreemdelingendocument bedraagt € 228. De kostprijs van een vervangend Nederlands identiteitsdocument bedraagt € 42,85. De kosten van een vervangend vreemdelingendocument zijn hoger dan de kostprijs van een Nederlands reisdocument, omdat bij verlies of diefstal van een vreemdelingendocument een aantal handelingen verricht moeten worden, die bij verlies of diefstal van een Nederlands reisdocument niet plaatsvinden. In de eerste plaats moet de IND bij verlies of diefstal van een vreemdelingendocument opnieuw toetsen of de vreemdeling aan de voorwaarden voor verblijf voldoet. De IND dient daarnaast na te gaan of het vermiste vreemdelingendocument nog steeds geldig is. Dit is van belang om misbruik van het vermiste of gestolen document tegen te gaan. In dat kader dient ook onderzocht te worden of er antecedenten zijn op het terrein van de openbare orde. Voor zover relevant voor de aanvraag zal verder moeten worden nagegaan of de huwelijkse staat van de aanvrager gewijzigd is.
Aangezien de kostprijs voor het vervaardigen en uitreiken van een vervangend vreemdelingendocument aanzienlijk hoger is dan die van een Nederlands reisdocument, deel ik de mening niet dat het verschil in legeskosten op gespannen voet staat met het gelijkheidsbeginsel.
Hoe kan het dat de kostprijs van een vreemdelingendocument blijkbaar 250 euro bedraagt en die van een Nederlands identiteitsdocument 42,85 euro?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dit verschil in legeskosten voor vergelijkbare documenten tussen vreemdelingen en Nederlanders op gespannen voet staat met het gelijkheidsbeginsel?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt de betreffende verhoging van leges zich tot uitspraken van de voormalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mevrouw Bijleveld, dat zij een eind wilde maken aan de extra vermissingskosten voor een identiteitsdocument?2
De voormalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in reactie op vragen van het televisieprogramma TROS Regelrecht aangegeven, dat zij de suggestie in overweging wilde nemen om mensen die buiten hun eigen schuld een Nederlands reisdocument verliezen, vrij te stellen van het betalen van vermissingleges, indien deze extra leges geen grondslag hebben in door de vermissing extra te verrichten werkzaamheden.
Zoals ik in antwoord 4 heb aangegeven, is er een onderscheid tussen het vervaardigen en uitreiken van een vreemdelingendocument en dat van een Nederlands reisdocument. Ik ben dan ook van mening dat beide zaken niet op een gelijke wijze hoeven te worden behandeld.
Zoals in mijn antwoord op de vragen 2, 3 en 4 aangegeven zijn er aan het verstrekken van een nieuw vreemdelingendocument de nodige kosten verbonden. Ik realiseer mij dat het voor degene, die zijn verblijfsdocument door verlies of diefstal is kwijtgeraakt, plezierig zou zijn wanneer deze kosten zouden worden gedragen door de Staat en voor deze aanvraag geen kosten in rekening zouden worden gebracht. Anderzijds zou door geen kosten in rekening te brengen afbreuk worden gedaan aan de verantwoordelijkheid van de betrokken burger zelf de financiële consequenties te dragen voor verlies of diefstal van het betrokken document. Daarbij acht ook ik het niet onredelijk bij het vaststellen van de hoogte van de leges de kostprijs leidend te laten zijn.
Bent u bereid deze betreffende legesverhoging, in elk geval voor een groot deel, terug te draaien? Zo nee, waarom niet?
Nee. De argumenten hiervoor heb ik in mijn antwoorden op uw voorgaande vragen gegeven.
Het rapport van de Inspectie voor Sanctietoepassing over vreemdelingenbewaring |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het rapport van de Inspectie voor Sanctietoepassing over «De tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring» van 27 oktober 2010?1
Ja.
Klopt de conclusie van de Inspectie dat de behandeling van asielzoekers en illegalen in vreemdelingendetentie vaak nog te streng is? Wat is uw reactie op die conclusie en welke maatregelen neemt u om te zorgen dat asielzoekers en illegalen altijd fatsoenlijk behandeld worden?
Deze conclusie wordt niet door de Inspectie getrokken.
In antwoord op eerder door het lid Schouw gestelde vragen, ingezonden 1 november 2010, vraagnummer 2010Z15579, heb ik aangegeven dat de Kamer per brief van 27 oktober 20102 is geïnformeerd over de aanbevelingen die door de Inspectie voor Sanctietoepassing in haar rapport zijn gedaan en mijn reactie daarop. Graag verwijs ik naar voornoemde brief.
Vindt u het noodzakelijk, en bent u bereid, meer, nieuwe alternatieven voor vreemdelingenbewaring in detentiecentra te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat er qua regime duidelijk(er) verschil ontstaat tussen een gewone gevangenis en een detentiecentrum voor vreemdelingen?
In de beleidsbrief over het terugkeerbeleid, die uw Kamer naar verwachting medio 2011 wordt toegezonden, wordt onder meer ingegaan op de motie Gesthuizen cs over het onderzoeken van alternatieven voor bewaring3.
Voor zover de vraagstelling ziet op bewaring in een «gevangenisachtig regime» verwijs ik kortshalve naar de eerdergenoemde brief van 27 oktober 2010 in reactie op het rapport van de ISt.
Deelt u de mening dat ten aanzien van kwetsbare groepen vreemdelingen, zoals minderjarige kinderen, ouderen en zieken, in elk geval geen vreemdelingenbewaring in een «gevangenisachtig regime» dient plaats te vinden? Bent u bereid uw beleid ten aanzien van de vreemdelingenbewaring voor die groepen daarop aan te passen?
Zie antwoord vraag 3.
Het WRR-rapport "Happy Landings, het biometrisch paspoort als black box" |
|
Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de publicatie nr. 46 van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid getiteld «Happy Landings, het biometrisch paspoort als black box?1
Ik heb kennis genomen van de genoemde publicatie. Het betreft hier geen rapport van de WRR. Het gaat enkel om een publicatie die in opdracht van de WRR is geschreven. De inhoud daarvan zal eventueel meespelen bij het opstellen en vaststellen van een WRR-rapport. De verantwoordelijkheid voor de inhoud en de ingenomen standpunten van deze publicatie berust bij de externe auteurs. Ik heb begrepen dat de WRR in het voorjaar van 2011 met een rapport komt over de bredere thematiek van de rol en verantwoordelijkheid van de overheid bij de inzet van ICT-Beleid. Als dat rapport er is, zal het kabinet daar een standpunt over innemen.
Bent u voornemens een kabinetsreactie te maken op de conclusies van dit rapport? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze reactie tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de voorbereidende werkzaamheden voor de bouw van een centrale opslag van biometrische gegevens op te schorten totdat de Kamer met u over de reactie op dit WRR-rapport van gedachten heeft kunnen wisselen? Zo nee, waarom niet?
In het Algemene Overleg van 7 oktober 2010 heeft de toenmalige staatssecretaris van BZK gezegd dat er nog geen onomkeerbare stappen zijn gezet ten aanzien van de ontwikkeling van de centrale online raadpleegbare reisdocumentenadministratie (ORRA). Staatssecretaris Bijleveld heeft tevens aangegeven dat de Kamer zal worden geïnformeerd over de stappen die worden overwogen, zodat de Kamer daar desgewenst over kan spreken. Ik wil mij op dit dossier oriënteren om tot een oordeel te kunnen komen over de wijze waarop de ORRA vorm zou kunnen krijgen. Ik verwacht hier enkele maanden voor nodig te hebben en zal daarna de Kamer over de uitkomsten informeren.
Bent u bereid de Kamer een volledig overzicht te doen toekomen van de wijze waarop andere EU-lidstaten de EU-richtlijnen met betrekking tot paspoorten en identiteitsbewijzen implementeren, in het bijzonder ten aanzien van de verificatie van gegevens bij uitgifte, en de wijze van opslag van biometrische gegevens?
Ik ben bereid om na te gaan of deze informatie beschikbaar is. De uitkomsten zal ik de Kamer doen toekomen.
De geplande executie van een Iraanse vrouw |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van 1 november «Iran Plans to Execute Woman in Stoning Case» o.a. verschenen op Fox News?1
Ja.
Bent u bereid om zowel in de Europese Unie als in Verenigde Naties er bij de Iraanse autoriteiten op aan te dringen Sakineh Mohammadi Ashtiani niet te executeren?
Ja. Vandaag heeft de Nederlandse regering HV Ashton verzocht namens de EU een verklaring uit te laten gaan waarin de grote zorg van de EU over de zaak Ashtiani wordt geuit en de boodschap wordt overgebracht dat de EU onder alle omstandigheden overal ter wereld tegenstander is van de doodstraf. Ook heeft Nederland het Belgisch voorzitterschap in Teheran verzocht de zaak spoedigst onder de aandacht van de Iraanse autoriteiten te brengen.
In VN-verband werkt Nederland momenteel aan een resolutie over de mensenrechtensituatie in Iran. Mede op basis van het zorgwekkende SGVN-rapport terzake wordt in de ontwerpresolutie specifiek zorg uitgesproken over de gebrekkige rechtsgang in Iran, de grote toename van het aantal executies, en de wijze waarop deze voltrokken worden.
Kunt u, gezien het feit dat de executie morgen gepland staat, deze vraag vandaag nog beantwoorden?
Ja.
Het onttrekken van rechten aan het Europese emissiehandelssysteem met als doel deze te vernietigen |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de website www.co2markt.eu?
Ja.
Hoe oordeelt u over het initiatief van de organisatie achter deze website om CO2-rechten van bedrijven te verkopen aan consumenten? Vindt u dat deze organisatie verantwoord bezig is en zo ja, kunt u uiteenzetten waarop u dat baseert?
De mogelijkheid om emissierechten vrijwillig te annuleren komt voort uit het Kyoto Protocol. De Europese Commissie heeft bij het opzetten van het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) ervoor gekozen om deze mogelijkheid ook in dit systeem op te nemen.
Bij het opzetten van het EU ETS is afgesproken dat iedereen mag deelnemen aan de CO2-emissiehandel. Dit betekent dat het een ieder is toegestaan rechten te bezitten, in rechten te handelen en rechten te annuleren. Het vrijwillig annuleren van emissierechten is dus een mechanisme inherent aan het emissiehandelssysteem.
In de praktijk wordt er weinig gebruik gemaakt van de mogelijkheid om emissierechten te annuleren. Dit heeft o.a. te maken met het feit dat veel mensen onbekend zijn met de mogelijkheid om op deze manier de uitstoot van CO2 te reduceren. Daarnaast dient een rekening à 100 euro te worden geopend bij de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa), wat als relatief duur wordt beschouwd. Stichting Natuur en Milieu (SNM) wil deze reeds bestaande mogelijkheid voor de burger gemakkelijker maken en heeft daarvoor een rekening geopend bij de NEa. Via deze rekening voert SNM in opdracht van burgers annuleringstransacties uit. De NEa controleert de annuleringstransacties. Op deze manier is het annuleren van rechten geborgd.
De uitstoot van de Europese industrie is gereguleerd onder het plafond van het emissiehandelssysteem. Voor elk recht dat geannuleerd wordt, geldt dat het nooit meer gebruikt kan worden om de uitstoot van CO2 mee te vereffenen. Het uitstootplafond van de Europese industrie wordt op deze manier lager en dit heeft een lagere uitstoot van CO2 tot gevolg.
Deelt u de mening dat het afkopen van schuldgevoel Middeleeuws te noemen is, zeker gezien het feit dat er nog nooit wetenschappelijk is aangetoond dat CO2 de temperatuur op aarde laat toenemen?
Deze mening deel ik niet. De huidige stand van zaken in de wetenschap laat zien dat de aarde opwarmt en dat deze opwarming sinds het midden van de 20ste eeuw zeer waarschijnlijk voor het grootste deel komt door de mens. Het afzien van rechten om CO2 uit te stoten is derhalve geen symbolische maar direct werkende maatregel.
Wordt deze website, of het initiatief, (mede)gefinancierd door de overheid? Zo ja, kunt u uiteenzetten aangeven om welke bedragen het gaat? Zo nee, kunt u garanderen dat u dit soort initiatieven nooit met belastinggeld zult steunen?
SNM heeft van de overheid SMOM-subsidie ontvangen voor dit project. Deze subsidie werd aangevraagd om de opstartkosten te dekken en is vooral gebruikt voor het opbouwen van de website. Het gaat om een bedrag van € 236 690,55. Nu dient het platform zichzelf te onderhouden.
De gijzelingsactie in de Syrisch Katholieke Onze Lieve Vrouwe kathedraal in Bagdad |
|
|
|
|
Heeft u nadere informatie over de gijzelingsactie in de Syrisch Katholieke Onze Lieve Vrouwe kathedraal in Bagdad, op zondag 31 oktober 2010, aan de vooravond van Allerheiligen, waarbij vele doden gevallen zijn?1
De aanval is opgeëist door de «Islamitische Staat van Irak», een waarschijnlijk aan Al Qaida gerelateerde organisatie. Het aantal dodelijke slachtoffers onder de priesters, kerkgangers, politie en terroristen bedraagt 52. Er zijn voor zover bekend 67 gewonden gevallen.
Wilt u er bij de Iraakse regering op aandringen dat de oorzaak tot de bodem toe wordt uitgezocht,de schuldigen gestraft worden en dat religieuze minderheden beschermd worden tijdens hun geloofsuitoefening?
Ja. Ik heb erop aangedrongen dat de Europese Unie onder de aandacht van de Iraakse autoriteiten brengt dat de daders van dit bloedbad worden bestraft en dat de veiligheid van religieuze minderheden wordt gewaarborgd en hun rechten worden gerespecteerd. De Iraakse regering heeft inmiddels toegezegd de bescherming van de christelijke minderheid in Irak te vergroten.
Is dit de eerste keer dat het frequente geweld tegen christenen in Irak zich niet alleen richt tegen een gebouw of een enkele priester of gelovige, maar tegen een hele biddende gemeenschap?
Ja, voor zover mij bekend is dat inderdaad het geval.
Ziet u een verband tussen deze actie en recente bedreigingen gericht aan de Koptische kerk in Egypte?
Zowel in Irak als in Egypte doen zich al geruime tijd spanningen voor tussen verschillende religieuze groeperingen. Naar verluidt zouden de gijzelnemers in de Syrisch Katholieke kerk in Bagdad de vrijlating hebben geëist van twee (tot de islam bekeerde) echtgenotes van Koptische priesters in Egypte, die daar tegen hun wil in een Koptische kerk zouden worden vastgehouden. Dit kan ik echter niet bevestigen.
Bent u bereid namens de Nederlandse regering de Arabische Liga te verzoeken geweld tegen religieuze minderheden, aanslagen op kerken en gijzelingsacties scherp te veroordelen en hun eigen bevolkingen op te roepen hieraan geen steun te verlenen?
In mijn contacten met leden van de Arabische Liga zal ik de noodzaak van bescherming van religieuze minderheden aan de orde stellen. Eerste aanspreekpunt blijven wel respectievelijke regeringen.
De recente ontmoeting tussen de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad en de Nederlandse ambassadeur in de Islamitische Republiek Iran |
|
Roland van Vliet (PVV) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «President in a meeting with the new Dutch Ambassador: Iran does not heed political stand of others»?1
Ja.
Wie of wat wordt volgens u bedoeld met de (veelvuldig) door Ahmadinejad gebruikte term «world arrogance»?
«World arrogance» is een begrip dat door president Ahmadinejad vaker wordt gebruikt in zijn retoriek, zonder dat duidelijk is wat hij daar precies mee bedoelt.
Heeft ambassadeur Kole inderdaad gezegd: «The Islamic Republic of Iran and the Netherlands enjoy rich and deep-rooted culture which this can help deepen and consolidate political and diplomatic relations between the two nations. There are ample untapped economic potentials in both countries which should be explored to help enhance level of economic relations and trade»? Zo ja, hoe beoordeelt u deze uitspraken dan in het licht van:
Nee. De tekst in het artikel geeft niet weer wat ambassadeur Kole heeft gezegd. Hij heeft tijdens het aanbieden van zijn geloofsbrieven aan president Ahmadinejad gewezen op de vier eeuwen oude relatie tussen Nederland en Iran. Ambassadeur Kole heeft aangegeven het ten zeerste te betreuren dat Iran weigert openheid van zaken te geven over zijn nucleaire programma. Ook heeft hij president Achmadinejad aangesproken op de steeds verslechterende mensenrechtensituatie.
Bent u bereid de politieke en diplomatieke relaties tussen Nederland en het islamofascistische regime van de Islamitische Republiek Iran in het algemeen zoveel mogelijk te beperken en te bevriezen en contacten van Nederlandse diplomaten (en bewindslieden) met de Iraanse president Ahmadinejad en de Iraanse geestelijk leider Ali Khamenei te verbieden?
Nederland en de EU hanteren ten aanzien van Iran een tweesporenbeleid. Dat houdt in dat er in gesprekken voortdurend pressie wordt uitgeoefend om tot een oplossing te komen (eerste spoor) en tegelijkertijd – nu Iran zich daaraan onttrekt en weigerachtig blijft – sancties zijn ingevoerd (tweede spoor). Voor dit tweesporenbeleid is de mogelijkheid tot contact met de leiders van Iran noodzakelijk.
Bent u voorts bereid te bevorderen dat er een internationaal tribunaal tegen president Ahmadinejad en geestelijk leider Khamenei wordt opgericht wegens het ophitsen tot genocide en de vernietiging van de staat Israel? Zo neen, waarom niet?
Nee. Voor de berechting van (het aanzetten tot) een misdrijf als genocide en andere internationale misdrijven is het Internationaal Strafhof in het leven geroepen.
De uitspraak van de Turkse regering dat Turken in Nederland niet hoeven in te burgeren |
|
Sietse Fritsma (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Turken hoeven niet in te burgeren»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat de Turkse regering meent te kunnen bepalen welke integratievoorwaarden Nederland aan immigranten stelt? Zo nee, waarom niet?
Nederland bepaalt zelf de integratievoorwaarden voor immigranten. De uitspraken in dit mediabericht verwijzen naar recente vonnissen van de Rechtbanken Rotterdam en Roermond, waarin uitgesproken wordt dat de inburgeringsplicht in strijd is met het Associatieakkoord tussen de EU en Turkije. Ik heb hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, omdat het Kabinet van mening is dat de inburgeringsplicht buiten de werkingssfeer van het Associatieakkoord EU-Turkije valt.
Hoe beoordeelt u de uitspraak over Turkse immigranten in Nederland «Deze mensen zijn Turken en zullen dat altijd blijven»? Deelt u de mening dat hieruit blijkt dat Turkije in het geheel niet voornemens is om zijn verregaande bemoeienis met Turken in Nederland te beëindigen? Zo neen, waarom niet?
Het staat ieder land vrij om relaties met (voormalige) onderdanen in den vreemde te onderhouden. Het Kabinet stelt zich hierbij op het standpunt dat de contacten tussen een vreemde mogendheid en haar (voormalige) onderdanen in Nederland louter op basis van vrijwilligheid mogen plaatsvinden, binnen de grenzen die de wet hiervoor stelt. Ook mogen deze contacten de integratie in Nederland niet belemmeren. Wanneer deze kaders worden overschreden, is er sprake van ongewenste inmenging. Het is uiteindelijk aan migranten zelf om te bepalen in welke mate zij met de regering van het land van herkomst willen verkeren. Dit standpunt wordt regelmatig in bilaterale contacten met de Turkse overheid gedeeld.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen in de richting van de Turkse autoriteiten, nu deze opnieuw hebben aangetoond volkomen maling te hebben aan Nederland, en zich schaamteloos met in Nederland woonachtige Turken blijven bemoeien?
Zie antwoord vraag 3.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te zorgen dat Turken in Nederland wel moeten blijven inburgeren?
Zolang de hoogste rechter niet heeft bepaald dat de inburgeringsplicht van Turkse onderdanen in strijd is met de EU-Associatieovereenkomst met Turkije, zijn Turkse onderdanen die naar Nederland komen in het kader van gezinsvorming en -hereniging of reeds in Nederland permanent verblijven, inburgeringsplichtig. Hierover zijn de gemeenten, die de Wet inburgering uitvoeren, begin september bij brief geïnformeerd. Tegen de uitspraken van de Rechtbank Rotterdam heb ik samen met de betreffende gemeenten Rotterdam en Vlaardingen hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Ook is tegen de uitspraken van de Rechtbank Almelo hoger beroep ingesteld. Tegen de uitspraak van de Rechtbank Roermond ga ik samen met de gemeente Roermond hoger beroep instellen.
Indien de Centrale Raad van Beroep strijdigheid zou constateren tussen de inburgeringsplicht van Turkse onderdanen en de EU-Associatie-overeenkomst met Turkije, ontstaat er een nieuwe situatie. Het Kabinet zal zich dan beraden op de verder te nemen stappen. In laatste instantie zal het Kabinet zich inzetten voor een zodanige aanpassing van de Associatie-overeenkomst EU-Turkije dat Turkse onderdanen onder de inburgeringsplicht komen te vallen.
We moeten ons hierbij realiseren dat voor een dergelijke aanpassing binnen de EU unanimiteit vereist is en Turkije als verdragspartij eveneens akkoord zal moeten gaan.
Een mogelijke ziekenhuisfusie in Oost-Groningen |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is oordeel over het voornemen van het Refaja ziekenhuis en de Ommelander Ziekenhuis Groep (OZG) om te fuseren?1
Ik kan me voorstellen dat de ziekenhuizen en zorgverzekeraars als gevolg van de krimp in de regio en de geldende veiligheidsnormen nadenken over een geïntegreerde visie op de toekomstige inrichting van de ziekenhuiszorg in de regio. De bereikbaarheid en kwaliteit van de zorg verdienen hierbij speciale aandacht. De wijze waarop de ziekenhuizen en verzekeraars hieraan vorm en inhoud willen geven, valt binnen de verantwoordelijkheid van de zorginstellingen zelf. Wel wil ik in dit verband wijzen op de brief van mijn voorganger van 22 juli 2010 aan uw Kamer waarin op basis van een analyse van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) wordt vastgesteld dat de locatie Delfzijl van de OZG een noodzakelijke locatie is voor de bereikbaarheid van de acute zorg binnen 45 minuten. Bij sluiting van de spoedeisende hulp (SEH) op deze locatie zal een aantal mensen in de omgeving niet meer binnen 45 minuten een SEH kunnen bereiken. De ziekenhuizen moeten erop toezien dat een dergelijke situatie niet ontstaat en dat de acute zorg binnen de normtijd van 45 minuten bereikt kan worden.
Beschikt u over een evaluatie van de ziekenhuisfusies van de afgelopen jaren, waarin de voordelen en nadelen van het instrument fusie worden afgewogen? Zo ja, is deze evaluatie aanleiding om nieuwe fusies, zoals die van Refaja en de OZG, toe te staan? Zo nee, bent u bereid deze te maken, zodat een goede afweging betreffende fusies in het kader van het algemeen belang kan worden gemaakt, onderbouwd met ervaringen uit het recente verleden?
Nee, ik beschik niet over een evaluatie van ziekenhuisfusies van de afgelopen jaren en ben niet voornemens om hier nader onderzoek naar te doen. In plaats daarvan zijn in het Regeerakkoord maatregelen aangekondigd voor een strakker fusiebeleid. Een voorlopige fusiestop maakt hiervan geen onderdeel uit. Wel een zorgspecifieke fusietoets door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) voorafgaand aan een eventuele mededingingstoets door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa). Ook krijgen stakeholders de mogelijkheid hun inbreng te leveren. Het hele fusietraject moet veel grondiger worden aangepakt en onderbouwd dan in het verleden.
Indien wordt besloten tot het voornemen over te gaan tot een fusie, dient de fusie gemeld te worden bij de NMa. Bij de uitoefening van het toezicht door de NMa zal ook het advies van de NZa en de IGZ betrokken worden. Overigens heeft in dit specifieke geval op dit moment nog geen fusiemelding plaatsgevonden bij de NMa.
Bent u bereid een voorlopige fusiestop van ziekenhuizen af te kondigen, totdat de fusiegolf van de afgelopen jaren is onderzocht en beoordeeld? Zo nee, hoe gaat u dan ongewenste fusies en concentratie van ziekenhuizen en ziekenhuisfuncties voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u garanderen dat een fusie van Refaja en de OZG niet leidt tot een verschraling van het zorgaanbod en het verdwijnen van voorzieningen, zoals bijvoorbeeld nu in Zeeland gebeurt? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in antwoord op vraag 1 heb aangegeven, is het aan de ziekenhuizen en verzekeraars in de regio om zorg te dragen voor kwalitatief goede voorzieningen.
In het Regeerakkoord is specifieke aandacht gegeven aan een betere bereikbaarheid van de basiszorg. Naast handhaving van de huidige normen voor de bereikbaarheid van de acute zorg zal ik in maart 2011 voorstellen doen om het aanbod van zorg kleinschaliger in de buurten en dorpen te bevorderen.
De problemen rondom de screening van ministers op Curaçao en het ontslag van het hoofd van de veiligheidsdienst |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Waarom is het hoofd van de Veiligheidsdienst Nederlandse Antillen ontslagen, dezelfde dienst die op dit moment onderzoek doet naar de ministers van het kabinet-Schotte?1
De aansturing en het functioneren van de Veiligheidsdienst is een autonome aangelegenheid, in dit geval van het land Curaçao. Ik ben dan ook niet op de hoogte van de feitelijke omstandigheden en de beweegredenen van de regering van Curaçao om dergelijke beslissingen te nemen.
Welk verband is er tussen de screening van de ministers van het kabinet-Schotte en het ontslag van het hoofd van de Veiligheidsdienst Nederlandse Antillen?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het bericht in het Antilliaans Dagblad dat mogelijk sprake is van het lekken van «uiterst gevoelige» informatie?1
Zie antwoord vraag 1.
Was u op de hoogte van het voornemen van dit ontslag? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom hebt u geen actie ondernomen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting dat een veiligheidsdienst een screening moet doen voorafgaand aan de benoeming van ministers?
In zijn algemeenheid deel ik de opvatting dat het wenselijk is om een screening van bewindspersonen voor hun benoeming plaats te laten vinden.
Waarom vindt deze screening van ministers op Curaçao pas plaats nadat het kabinet is geïnstalleerd?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kunt u de Kamer verzekeren dat de screening van ministers op Curaçao op een goede manier zal plaatsvinden?
In beginsel is de screening van bewindspersonen op Curaçao een autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en is er in eerste aanleg geen rol voor de minister van Koninkrijksrelaties. Aangezien het onderzoek momenteel wordt uitgevoerd, acht ik het niet opportuun te speculeren over de kwaliteit van de nog vast te stellen uitkomst van de screening en eventuele door de regering van Curaçao danwel de Koninkrijksregering te verbinden gevolgen.
De benoeming van ministers is een autonome aangelegenheid van het land. De verantwoordelijkheid van het Koninkrijk in dit verband bestaat uit invulling geven aan het waarborgen van deugdelijkheid van bestuur als bedoeld in artikel 43, tweede lid van het Statuut voor het Koninkrijk. Ingrijpen in de autonomie van een land om de deugdelijkheid van bestuur te waarborgen moet worden beschouwd als een ultimum remedium. Niettemin zal ik de afwikkeling van het proces van screening kritisch volgen, mede tegen de achtergrond van hetgeen artikel 43, lid 2 van het Statuut van het Koninkrijk bepaalt.
Hoe is de Nederlandse Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bij de huidige screening van ministers op Curaçao betrokken?
De AIVD is niet betrokken bij de screening van ministers op Curaçao. Het mandaat van de AIVD wordt begrensd door artikel 6 van de WIV 2002, dat in het teken staat van de eigen nationale veiligheid. Nationale veiligheid is een landsaangelegenheid waarvoor uitsluitend de landsorganen competent zijn. Dat betekent dat onderzoeken in het kader van de nationale veiligheid van Curaçao – waartoe naar wordt aangenomen ook het screenen van ministers behoort – een autonome verantwoordelijkheid is van het land Curaçao dat zich daarbij bedient van de eigen veiligheidsdienst.
Welke verantwoordelijkheid ziet u voor zichzelf als minister van Koninkrijksrelaties voor een goede screening van ministers op Curaçao, dit mede gezien de verantwoordelijkheid die het Statuut u geeft voor het verzekeren van goed bestuur?
Zie antwoord vraag 7.
Zou u deze vraag zo spoedig mogelijk willen beantwoorden omdat het onderzoek nu loopt en beantwoording binnen de reguliere tijd te laat is?
Ja.
Ontpoldering van de Hedwigepolder |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten »Peeters ziet niets in de kering Westerschelde»1 en «Vlamingen des duivels over uitstel ontpolderen»?2
Ja.
Deelt u de mening dat de Vlaamse minister-president gedraaid is aangezien hij juni jongstleden nog stelde open te staan voor elk goed idee als alternatiefvoor ontpoldering van de Hedwigepolder, terwijl hijonlangs des duivels was over mogelijk uitstel vanontpolderen? Zo ja, deelt u de zorg dat de Vlaamse minister-president dit doet om wellicht een vierde verdieping te realiseren en hij de Hedwigepolder daarbij als ruilmiddel wil gebruiken?
Ik deel uw mening absoluut niet dat de Vlaamse minister-president draait. Zoals de heer Peeters al eerder heeft aangegeven, is Vlaanderen bereid om serieus en welwillend over eventuele alternatieven voor de Hedwigepolder te overleggen. Hij verwacht dat Nederland dan met een reëel voorstel komt. Een vierde verdieping, ongebreidelde groei van de Antwerpse haven of de inzet van natuurcompensatie op Nederlands grondgebied, is door de Vlaamse regering noch schriftelijk noch mondeling aan de orde gesteld.
Overigens betreft de ontpoldering van de Hedwigepolder geen natuurcompensatie voor de huidige vaarwegverdieping. Het maakt onderdeel uit van het natuurherstelprogramma van het Scheldeverdrag betreffende de uitvoering van de Ontwikkelingsschets 2010-Schelde-estuarium en draagt bij aan de opgave voor de Vogel- en Habitatrichtlijn.
Is het waar dat Vlaanderen de ontpoldering van de Hedwigepolder willen gebruiken ten behoeve van natuurcompensatie in Nederland teneinde zelf een ongebreidelde groei van de Antwerpse haven te kunnen realiseren (Saeftinghedok)? Zo ja, deelt u de mening dat u pal moet staan voor de belangen van de Zeeuwen, die massaal tegen ontpolderen zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de Zeeuwen nu lang genoeg in Ontpolderonzekerheid gezeten hebben? Zo ja, kunt u bevestigen dat er niet ontpolderd gaat worden?
In het regeerakkoord is opgenomen dat in overleg met Vlaanderen een alternatief wordt ontwikkeld voor ontpoldering van de Hedwigepolder en dat daarbij ook wordt gedacht aan de plannen die eerder door de Zeeuwse waterschappen zijn ontwikkeld.
Ik heb de Vlaamse minister-president Peeters gemeld dat er over een half jaar duidelijkheid zal zijn of een reëel alternatief voor de Hedwigepolder te vinden is.
Over het onttrekken van rechten aan de Europese emissiehandelsysteem met als doel deze te vernietigen |
|
Ger Koopmans (CDA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Natuur en Milieu introduceert CO2-markt»?1
Ja.
Is het wettelijk toegestaan rechten te onttrekken aan het Europese emissiehandelssysteem met als enige doel ze te vernietigen? Past de door de Stichting Natuur en Milieu voorgestelde praktijk in de opzet van het Europese emissiehandelssysteem en is het systeem daarvoor bedoeld? Is deze praktijk extern geborgd?
De mogelijkheid om emissierechten vrijwillig te annuleren komt voort uit het Verdrag van Kyoto. De Europese Commissie heeft bij het opzetten van het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) ervoor gekozen om deze mogelijkheid ook in dit systeem op te nemen.
Bij het opzetten van het EU ETS is afgesproken dat iedereen mag deelnemen aan de CO2-emissiehandel.
Een ieder is toegestaan rechten te bezitten, in rechten te handelen en rechten te annuleren. Het vrijwillig annuleren van emissierechten is dus een mechanisme inherent aan het emissiehandelssysteem.
In de praktijk wordt er weinig gebruik gemaakt van de mogelijkheid om emissierechten te annuleren. Dit heeft o.a. te maken met het feit dat veel mensen onbekend zijn met de mogelijkheid om op deze manier de uitstoot van CO2 te reduceren. Daarnaast dient een rekening à 100 euro te worden geopend bij de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa). Dit wordt als relatief duur beschouwd. Met het initiatief CO2markt wil Stichting Natuur en Milieu (SNM) deze reeds bestaande mogelijkheid voor de burger gemakkelijker maken en heeft daarvoor een rekening geopend bij de NEa. Via deze rekening voert SNM in opdracht van burgers annuleringstransacties uit. De NEa controleert de annuleringstransacties. Op deze manier is het annuleren van rechten geborgd.
Welke andere voorbeelden zijn er bekend van het doelbewust ter vernietiging onttrekken van rechten aan het Europese emissiehandelssysteem?
In elk land dat over een CO2-register beschikt, is het mogelijk om rechten aan het emissiehandelssysteem te onttrekken; dit is inherent aan het systeem. Terwijl het in Nederland nog vrij nieuw is, vindt het vrijwillig annuleren van emissierechten in andere landen, zowel binnen als buiten de EU, al langer plaats. In 2008 en 2009 zijn wereldwijd in totaal bijna 1,5 miljoen emissierechten geannuleerd. In het Verenigd Koninkrijk en Zweden vindt dit op dezelfde manier plaats als in Nederland. Ook daar zijn organisaties opgericht die burgers en bedrijven de mogelijkheid bieden om emissierechten te annuleren.
Kunnen particulieren die de betreffende CO2-rechten kopen er zeker van zijn dat dit leidt tot CO2-reductie?
Ja. De uitstoot van de Europese industrie is gereguleerd onder het plafond van het emissiehandelssysteem. Voor elk recht dat geannuleerd wordt, geldt dat het nooit meer gebruikt kan worden om de uitstoot van CO2 mee te vereffenen. Het uitstootplafond van de Europese industrie wordt op deze manier lager. Dit heeft een lagere uitstoot van CO2 tot gevolg.
Zou u de CO2-markt van Natuur en Milieu eerder kwalificeren als moderne aflaat of als effectieve emissiecompensatie? Kortom: leidt dit tot een daadwerkelijke vermindering van de CO2-uitstoot, of is dit voor burgers slechts een legitimatie om weliswaar rechten op te kopen maar geen energiebesparende maatregelen te nemen of hun huis te isoleren?
Zie mijn antwoord onder vraag 4; het annuleren van rechten leidt tot een daadwerkelijke vermindering van de CO2-uitstoot.
Kunt u een breder overzicht geven van de diverse gebruikte systemen op dit gebied en daarbij uiteenzetten welke verschillen er bestaan in effectiviteit?
Het vrijwillig annuleren van emissierechten is een nieuwe vorm van klimaatcompensatie. Door middel van het annuleren van emissierechten compenseren burgers hun CO2-uitstoot. Andere vormen van klimaatcompensatie zijn: het aanplanten van bomen, investeren in duurzame energie en investeren in energiebesparing.
Er bestaat een aantal verschillen tussen vrijwillig annuleren en de andere vormen van klimaatcompensatie.
Over aanwijzingen dat er toch druk op de staf van InHolland is gelegd inzake sjoemelen met diploma's |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat docenten bij InHolland wel onder druk zouden zijn gezet om (te) makkelijk diploma's te verstrekken aan studenten?1
De Volkskrant stelt dat de verklaringen van de betreffende docenten die zij in bezit heeft haaks staan op de conclusies van de commissie Leers, die bij InHolland afgelopen zomer nader onderzoek heeft gedaan naar de signalen dat diploma’s ten onrechte zouden worden afgegeven.
De Commissie geeft aan «niet feitelijk te kunnen vaststellen dat docenten op onoorbare wijze onder druk zouden zijn gezet om mee te werken aan het gemakkelijk verlenen van vervangende opdrachten. Er zijn docenten geweest die tegen de Commissie hebben gezegd dat er collega’s zijn die een dergelijke druk ervaren hebben. Duidelijk is dat de rendementscoach docenten persoonlijk heeft benaderd om mee te werken aan vervangende opdrachten. De ervaren docenten hebben dat mogelijk als druk, maar niet als onoorbare druk ervaren; wellicht dat er jongere, minder ervaren docenten zijn geweest die dit wel in enige mate als zodanig hebben ervaren. Ondanks nadrukkelijke pogingen van de Commissie zijn geen docenten gevonden die wilde bevestigen dat zij op een onoorbare wijze onder druk zijn gezet.» Met andere woorden er kan volgens de commissie niet aangetoond worden dat er sprake is van onoorbare druk op docenten, maar het kan wel zo zijn dat docenten druk hebben ervaren.
Momenteel loopt er een diepgaand onderzoek van de Inspectie (samen met de NVAO) naar de kwaliteit van de alternatieve afstudeertrajecten van MEM en een aantal andere opleidingen van InHolland. Op grond van dit onderzoek moet definitief bepaald worden of er aan studenten diploma’s zijn uitgereikt zonder dat zij aan de normen van slagen voldoen. In de gesprekken die de Inspectie hierover voert met InHolland, inclusief die met het CvB, komt «druk op personeel» expliciet aan de orde.
Verder voert de Inspectie bij alle hoger onderwijsinstellingen een onderzoek uit naar alternatieve afstudeertrajecten voor langstuderenden. Daarin besteedt de Inspectie bijzondere aandacht aan meldingen of klachten van docenten die zich binnen de instelling onder druk gezet voelen om kwaliteitsnormen voor tentaminering en examinering te verlagen. Signalen over «druk op personeel» worden door de Inspectie aan de betreffende instelling voorgelegd met een verzoek om reactie. In de tussenrapportage van dit onderzoek is door de Inspectie opgemerkt dat van 9 instellingen signalen over «druk op personeel» (om toetsen niet te moeilijk te maken of om bepaalde slagingspercentages te realiseren) bekend zijn.
Beschikt u en/of de onderwijsinspectie over dezelfde verslagen als die waar de Volkskrant de beweringen op baseert?
Mij noch de inspectie is bekend over welke materialen de volkskrant beschikt. De inspectie beschouwt het genoemde artikel als een belangrijk signaal dat tot op de bodem zal worden uitgezocht. De inspectie zal in het kader van het lopende onderzoek met de betrokkenen bij MEM gesprekken voeren inclusief de docenten Het thema «druk op docenten» zal daarbij zeer nadrukkelijk aan de orde komen.
Acht u de gesprekken, gevoerd door de commissie Leers, met de betrokkenen grondig genoeg gevoerd? Hoe verklaart u dat uit de in het artikel aangehaalde gesprekken een ander beeld ontstaat dan uit de uitkomsten van de commissie Leers?
Ik heb op dit moment geen aanleiding om te twijfelen aan de grondigheid van het onderzoek van de commissie Leers op dit punt. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid om bij de onderwijsinspectie aan te dringen om de door de commissie Leers gedane gesprekken over te doen en op de in het artikel genoemde «druk» grondiger door te vragen?
Zie het antwoord op vragen 1 en 2.
Over gevechten in Uruzgan in september en oktober 2007 |
|
Harry van Bommel |
|
Hebt u kennisgenomen van het Wikileaks-document over Afghanistan1 over een groot gevecht op 1 oktober 2007 in de buurt van Deh Rawod, waarbij 60 doden onder de Taliban zijn gemeld door de Amerikaanse militairen?1
Welke informatie hebt u over het aantal slachtoffers dat in dat gevecht is gevallen? Waarom hebt u dat cijfer nooit bekend gemaakt aan de Kamer?2
In antwoorden op Kamervragen (vergaderjaar 2007–2008, Aanhangsel van de Handelingen 272, 273) is gemeld dat de situatie rond Deh Rawod in september 2007 aanzienlijk was verslechterd. Ook is indertijd in de periodieke stand van zaken brieven en Weekoverzicht Defensie-operaties melding gemaakt van de instabiele situatie rondom Deh Rawod. In september 2007 zagen ISAF en het Afghaanse leger zich genoodzaakt diverse tegenacties uit te voeren om de opmars van vijandelijke strijders te stuiten. Eind september en begin oktober 2007 zijn Nederlandse eenheden en eenheden van andere landen meerdere malen in gevecht geraakt. Deze gevechten hebben onder meer plaatsgevonden bij Chora en Deh Rawod, en in de omgeving van de patrouillebasis Poentjak. Daarbij is op diverse momenten luchtsteun geleverd door zowel Nederlandse eenheden als eenheden van andere landen. Tactische details over gevechtsoperaties worden uit veiligheidsoverwegingen niet vermeld.
Bij gevechten op 25 en 26 september 2007, waar geen Nederlandse eenheden bij betrokken waren, zijn waarschijnlijk enkele tientallen burgerslachtoffers gevallen. U bent hierover geïnformeerd (vergaderjaar 2007–2008, Kamerstuk 27 952 nr. 852).
Op 1 oktober hebben gevechten plaatsgevonden nadat een Nederlandse eenheid ten zuiden van Deh Rawod vijandelijke strijders had waargenomen. Tijdens het vuurgevecht dat volgde is luchtsteun geleverd door een Nederlandse F16, Apachehelikopters en vuursteun door de Nederlandse artillerie-eenheid. Tijdens deze gevechten is een aanzienlijk aantal vijandelijke strijders omgekomen. Gezien de geldende eisen van zorgvuldigheid doet Defensie geen mededelingen over schattingen en over onbevestigde berichten met betrekking tot aantallen omgekomen vijandelijke strijders. Het aantal van 60 vijandelijke strijders dat door Wikileaks naar buiten is gebracht, is afkomstig uit een eerste schatting; vanwege de veiligheidsomstandigheden waarin toen moest worden opgetreden kunnen precieze aantallen niet worden bevestigd. Volgens de beschikbare informatie zijn er geen burgerslachtoffers gevallen tijdens het gevecht van 1 oktober 2007.
Zijn bij dit gevecht ook Nederlandse grondtroepen ingezet? Zo ja, welke eenheden waren dat en om hoeveel personen ging het? Welke bondgenootschappelijk eenheden werden daarbij ook ingezet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een precies overzicht geven van alle gevechten die bedoeld worden met de beschrijving in het weekoverzicht van 4 oktober 2007?3 Kunt u daarbij per geval melden welke zowel Nederlandse als bondgenootschappelijke eenheden hierbij betrokken waren en welk materieel ingezet is en hoeveel slachtoffers daarbij, in de afzonderlijke gevechten, zijn gevallen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat uit de officiële mededeling aan de Kamer niet is op te maken dat op 1 oktober 2007 een groot gevecht in de omgeving van Dew Rawod heeft plaats gehad? Indien nee, waarom niet? Deelt u de mening dat uw informatievoorziening tekort schiet om een goed beeld en derhalve goede parlementaire controle mogelijk te maken? Bent u bereid uw voorlichtingsbeleid aan te passen zodat deze gegevens wel direct bekend worden gemaakt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals eerder aangegeven is de ernstig verslechterde situatie bij Deh Rawod bij herhaling gemeld. Tactische details over gevechtsoperaties worden uit operationele- en veiligheidsoverwegingen niet openbaar gemaakt. De basis van het communicatiebeleid van Defensie, zoals ook verwoord in het «Communicatieplan ISAF Stage III Uruzgan», geeft uiting aan de transparantie die Defensie betracht bij de berichtgeving over operaties. Deze transparantie blijkt uit de periodieke stand van zakenbrieven die aan het parlement zijn gestuurd, incidentele Kamerbrieven, bezoeken van parlementsleden aan het operatiegebied, het Weekoverzicht Defensie-operaties dat wekelijks op de website van Defensie wordt geplaatst, aanvullende berichtgeving op de website van Defensie, persbriefings, persberichten en door berichtgeving van een groot aantal embedded journalisten. De enige beperking die aan deze embedded journalisten is opgelegd, is dat publicaties de veiligheid van operaties en de persoonlijke veiligheid van troepen, journalisten en Afghanen niet in gevaar brengen. Journalisten kunnen ook unembedded, dus buiten Defensie om, naar Afghanistan afreizen. Ter plaatse kunnen zij zich dan eventueel tijdelijk als embeddedjournalist bij de Nederlandse troepen aansluiten. Ook in de genoemde periode zijn journalisten mee geweest op patrouilles in de omgeving en zij hebben de situatie onafhankelijk kunnen observeren. Defensie is voornemens deze transparantie op deze wijze te continueren in toekomstige operaties.
Doorgifte van seriennummers van navigatiesystemen na diefstal |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Autokrakers stelen graag uit Volkswagen»?1
Ja.
Is het waar dat de Wet Politiegegevens de politie verbiedt om na aangifte van diefstal van navigatiesystemen het serienummer aan de fabrikant door te geven? Zo ja, kunt u de redenen hiervoor aangeven?
Nee, de Wet Politiegegevens verzet zich niet tegen doorgifte van serienummers van navigatiesystemen aan de fabrikant. Het recht op bescherming van de persoonlijke levensfeer is hier niet in het geding. De fabrikant beschikt immers al over de serienummers en de daaraan gekoppelde NAW-gegevens. Naar mijn mening ligt het primair op de weg van de aangever zelf het om serienummer van het navigatiesysteem aan de fabrikant door te geven om zodoende te bewerkstelligen dat het onmogelijk wordt gemaakt het gestolen apparaat in te bouwen in een andere auto.
Is het waar dat in de rest van Europa wel doorgifte van serienummers van gesloten navigatiesystemen aan de fabrikant plaatsvindt? Weet u of dit in de praktijk privacyproblemen heeft opgeleverd?
Voor zover mij bekend is er alleen in Duitsland sprake van dat de politie stelselmatig diefstal van navigatiesystemen aan bepaalde autofabrikanten doorgeeft. In geval van diefstal van navigatiesystemen uit een BMW, Mercedes of een voertuig van de VAG-groep geeft de politie het kenteken van het voertuig (en dus niet de serienummers van gestolen navigatiesystemen!) door aan de bewuste autofabrikant. Het is mij niet bekend of dit in de praktijk privacyproblemen heeft opgeleverd.
Bent u in navolging van andere Europese landen bereid de Wet Politiegegevens in deze te wijzigen?
Nee, zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven is wijziging van de Wet Politiegegevens niet noodzakelijk om doorgifte van serienummers van navigatieapparatuur mogelijk te maken.
Is het waar dat diefstal van navigatiesystemen geen prioriteit heeft voor de politie? Wat gaat u ondernemen opdat diefstal van navigatiesystemen wel hogere prioriteit geniet?
Diefstal van navigatiesystemen is een vorm van auto-inbraak. Auto-inbraak betreft zowel diefstal van losse items die in de auto worden achtergelaten («diefstal uit auto») alsook de vaste componenten of ingebouwde accessoires van de auto (airbags, vaste navigatieapparatuur, etc. zogenaamd «diefstal vanaf auto»). Dit onderscheid is van belang omdat ook het type inbreker verschilt. Diefstal uit auto’s betreft veelal (verslaafde) veelplegers die wijkgebonden opereren. Diefstal vanaf auto’s waaronder begrepen diefstal van navigatiesystemen, komt vaak voor rekening van wat wel wordt genoemd mobiel banditisme. Min of meer georganiseerde criminaliteit die gepleegd wordt door rondtrekkende groeperingen. Beide categorieën auto-inbrekers vergen een eigen aanpak in zowel preventieve als repressieve zin.
Op dit moment voert het Korps Landelijke Politie Diensten een analyse uit op de meer georganiseerde vormen van auto-inbraak. Op grond daarvan kan besloten worden een opsporingsonderzoek te starten dat vanwege de (inter)nationale aspecten het meest geëigend is voor een bovenregionaal rechercheteam.
Overigens ben ik van mening dat waar het specifiek om preventie van diefstal van navigatiesystemen gaat de autofabrikanten een grote verantwoordelijkheid dragen. Het is nu nog te gemakkelijk om een systeem in zijn geheel en zonder schade uit een voertuig te halen en te hergebruiken in een ander voertuig. Ook op het vlak van preventie valt er dus nog veel te winnen.
De stichting Aanpak voertuigcriminaliteit – die ook in het bewuste krantenartikel in Trouw van 22 oktober 2010 wordt genoemd en waarin een tiental publiek private partijen samenwerkt waaronder ook de politie, en het openbaar ministerie – heeft recentelijk voorstellen gedaan voor een integrale aanpak van auto-inbraak. Ik ga bezien in hoeverre de uitvoering van deze voorstellen wenselijk en mogelijk is.
Over een promotioneel kansspel: "Heel Nederland pint en wint" |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat iedereen die in de periode van 1 tot en met 7 november 2010 een pinbetaling doet automatisch deelnemer wordt dan het kansspel «Heel Nederland pint en wint»?1 Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Nee, Pin B.V. mag er niet zonder meer op vertrouwen dat uit een pinbetaling kan worden opgemaakt dat de betaler bekend was met de actie en de daarbij behorende algemene voorwaarden (de actievoorwaarden), en dat hij door te pinnen daarmee akkoord wilde gaan.
De actievoorwaarden dienen voor of bij het instemmen met deelname aan het kansspel bij een potentiële deelnemer bekend te zijn. Slechts een bepaalde gedraging (i.c. het doen van een pinbetaling) kan niet worden gezien als instemming met de actievoorwaarden.
Omdat de actie inmiddels is afgelopen, zal ik Pin B.V. op het bovenstaande wijzen en dringend verzoeken bij een toekomstig promotioneel kansspel niet uit te gaan van een automatisch deelnemerschap door het doen van een pinbetaling.
Wat is uw oordeel over de in de algemene voorwaarden opgenomen bepaling dat iedereen die aan het kansspel deelneemt (dat wil zeggen iedereen die een pinbetaling doet) akkoord gaat met de actievoorwaarden?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze zijn rekeninghouders geïnformeerd dat zij bij een pinbetaling in de periode van 1 tot en met 7 november 2010 automatisch deelnemer zullen zijn aan een kansspel? Vindt u dit afdoende?
De Nederlandse Vereniging van Banken heeft laten weten dat er zowel vóór als tijdens «de week van het pinnen» via diverse media aandacht besteed is aan deze actie. Zoals spotjes op verschillende regionale en landelijke radiozenders, advertenties in verschillende regionale en landelijke dagbladen en kranten, via google adwords en social media-websites.
Uit het antwoord op de vragen 1 en 2 volgt dat een automatisch deelnemerschap door het enkel pinnen niet past bij het aanbieden van een promotioneel kansspel, ongeacht de mate waarin en de wijze waarop daaraan ruchtbaarheid is gegeven.
Is het verzamelen en gebruiken van gegevens van rekeninghouders voor het doel van een kansspel in overeenstemming met de Wet bescherming persoonsgegevens? Zo ja, waarop baseert u uw mening? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen?
Voor het verwerken van persoonsgegevens, zoals het verwerken van gegevens van rekeninghouders voor een kansspel, geldt in het algemeen het volgende. Artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) bepaalt dat persoonsgegevens slechts mogen worden verwerkt indien hiervoor een grondslag bestaat. De wet noemt als grondslag onder andere de ondubbelzinnige toestemming van de betrokkene (degene wiens persoonsgegevens worden verwerkt, in dit geval de rekeninghouder) en de situatie waarin de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is.
Of gegevensverwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Hierbij komt dat artikel 9 van de Wbp bepaalt dat persoonsgegevens niet verder mogen verwerkt op een manier die strijdig is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen. Het tweede lid van artikel 9 Wbp bevat een aantal – niet limitatieve – criteria voor de beoordeling of verwerking in een bepaalde situatie al dan niet verenigbaar is met het oorspronkelijke doel. Bij toestemming als grondslag geldt overigens onder andere dat de toestemming in vrijheid moet zijn gegeven, specifiek moet zijn en gebaseerd moet zijn op voldoende informatie.
Voor het verwerken van gegevens gelden in aanvulling hierop verschillende eisen en belangen die mee gewogen moeten worden bij de beoordeling of sprake is van overeenstemming met de Wbp.
Het ligt niet op mijn weg om te beoordelen of in dit geval aan al de eisen voor het verzamelen en verwerken van persoonsgegevens is voldaan. Het College bescherming persoonsgegevens is belast met de handhaving van de Wbp. Het College beschikt over de bevoegdheden om handhavend op te treden indien zij dit nodig acht.
Hoeveel pinbetalingen vonden er in 2009 plaats in de periode van 1 tot en met 7 november en wat is op basis daarvan (bij benadering) de kans om te winnen voor deelnemers aan het kansspel «Heel Nederland pint en wint», nu er 168 prijzen beschikbaar zijn? Vindt u de kans om te winnen zodanig groot dat hiermee de slogan «Heel Nederland pint en wint» wordt gerechtvaardigd?
Volgens informatie van de NVB hebben er in november 2009 ruim 160 miljoen transacties plaatsgevonden, wat op weekbasis neerkomt op ongeveer 40 miljoen transacties.
Of de winkans zodanig groot is dat de slogan «Heel Nederland pint en wint» gerechtvaardigd is, is aan de Reclame Code Commissie (RCC) of uiteindelijk aan een rechter om te beoordelen.
Bouwregelgeving brandveiligheid voor parkeergarages en andere grote bouwwerken |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Technisch mankement auto mogelijk oorzaak brand»1 en «Geen sprinkler in uitgebrande parkeergarage»?2
Ja.
Kent u het TNO-Efectis rapport «Onderzoek brand parkeergarage Lloydstraat Rotterdam» naar aanleiding van de brand op 1 oktober 2007?3 Kunt u aangeven of alle aanbevelingen uit dit rapport, zoals het verplichten van branddetectie in parkeergarages onder gebouwen, inmiddels zijn uitgevoerd en indien dit niet het geval is, wat hiervoor de reden is?
Ja, dit rapport ken ik. In dit rapport worden door Efectis vier aanbevelingen gedaan richting VROM (nu BZK) en BZK (nu V&J):
Bij een natuurlijk geventileerde parkeergarage gaat de brandweer uit van een binnenaanval om de brand te bestrijden. De veiligheid bij een binnenaanval is de afgelopen jaren vaker ter discussie gesteld (o.a. bij de brand van de scheepwerf in De Punt waarbij drie brandweerlieden omkwamen). Bij de brandweeropleidingen en -oefeningen wordt hier tegenwoordig meer aandacht aan geschonken.
De afgelopen jaren hebben diverse samenwerkende veiligheidsregio’s onder auspiciën van de NVBR, met een financiële bijdrage van BZK (nu V&J), brandonderzoeksteams opgestart. Deze voeren onderzoek uit bij een deel van de branden bij bouwwerken. De brand in de Haarlemse parkeergarage wordt momenteel ook in dit kader onderzocht. Zodra de resultaten hiervan bekend zijn, zal ik nagaan of er consequenties zijn voor de regelgeving.
In 2008 zijn de eisen voor brandmeldinstallaties landelijk geüniformeerd in het Besluit Brandveilig Gebruik Bouwwerken (Gebruiksbesluit). Besloten parkeergarages onder een woongebouw dienen op basis hiervan een brandmeld-installatie te hebben.
Momenteel werk ik aan een herziening van de bouwregelgeving, waarover mijn ambtsvoorganger u heeft geïnformeerd, meest recent op 11 mei 2010 tijdens het algemeen overleg Bouwregelgeving (TK 28 325, nr. 126). Hierbij zal ook de regelgeving ten aanzien van brandmeldinstallaties worden herzien. Dit gebeurt in overleg met onder andere de NVBR.
Klopt het dat in Nederland volgens de huidige veiligheidsnormen er geen sprinklerplicht geldt voor garages of andere grote bouwwerken en dat dit slechts bij bouwwerken boven de zeventig meter op basis van de gemeentelijke beleidsvrijheid om gelijkwaardigheid in te vullen geadviseerd kan worden?
In de landelijke bouwregelgeving, zoals vastgelegd in het Bouwbesluit 2003, is er geen sprinklerplicht. Dit geldt voor alle soorten bouwwerken. Ten behoeve van de beheersbaarheid van brand stelt het Bouwbesluit 2003 eisen aan de maximale grootte van een brandcompartiment. Voor een nieuwe parkeergarage is dit 1000m2. Voor een parkeergarage met een groter compartiment moet de aanvrager van een bouwvergunning ten genoegen van het college van burgemeester en wethouders de aan het Bouwbesluit 2003 gelijkwaardige veiligheid van dit grotere brandcompartiment aantonen. In Nederland zijn er twee gangbare gelijkwaardige oplossingen voor parkeergarages: (1) het toepassen van mechanische ventilatie zodat rook en hitte worden afgevoerd en brandweer inzet mogelijk blijft, (2) het toepassen van een automatische sprinklerinstallatie zodat een brand beperkt blijft.
Ook bij andere bouwwerken, zoals gebouwen hoger dan 70 meter, is het toepassen van een sprinkler als gelijkwaardige oplossing mogelijk.
Klopt het dat sprinklerinstallaties bij grotere compartimenten zoals in parkeergarages pas als mogelijke oplossing in beeld komen om op een gelijkwaardige wijze te voldoen aan de eis van brandcompartimentering?
Ja, zie het antwoord bij 3.
Waarom wordt in de bouwregelgeving in Nederland alleen uitgegaan van het bouwkundig beperken van de brand (door het toepassen van brandwerende compartimentscheidingen) en niet, zoals in de meeste landen gebeurt bij grotere of complexere gebouwen, uitgegaan van sprinklerinstallaties om de brand te beperken?
Omdat met het bouwkundige beperken van brand voldoende invulling kan worden gegeven aan de uitgangspunten van de brandveiligheidsvoorschriften in de Nederlandse bouwregelgeving. De belangrijkste uitgangspunten hierbij zijn dat gebruikers een gebouw veilig moeten kunnen ontvluchten en dat de brand zodanig beheersbaar is voor de brandweer dat deze niet overslaat naar naastgelegen gebouwen of brandcompartimenten. Het wettelijk voorschrijven van (dure) sprinklerinstallaties is hierbij niet nodig. Het voorkomen van materiële schade aan gebouwen en inventaris is geen doelstelling van de bouwregelgeving. Het toepassen van sprinklers ter voorkoming van materiële schade is een private zaak, waarbij vooral verzekeraars een rol spelen.
Kunt u globaal aangeven hoe de eisen in andere Europese lidstaten zijn ten aanzien van sprinklerinstallaties voor ziekenhuizen, verpleeghuizen, scholen, parkeergarages en andere grote bouwwerken en hoe dat verschil verklaard wordt?
In de Nederlandse bouwregelgeving is er voor gekozen om zoveel mogelijk te werken met functionele doelvoorschriften, die waar mogelijk zijn uitgewerkt in prestatie-eisen, terwijl in andere Europese landen nog wordt gewerkt met middelvoorschriften. In Nederland worden niet de middelen, zoals sprinklers, voorgeschreven maar kan de markt zelf bepalen hoe voldaan wordt aan de gestelde doel- of prestatievoorschriften met betrekking tot brandveiligheid. Deze keuzevrijheid wordt door marktpartijen als een belangrijke verworvenheid gezien en leidt tot efficiëntie en innovatie.
Is het waar dat bouwkundige scheidingen bij een brand in meer gevallen niet goed functioneren dan dat sprinklerinstallaties falen?
Het in kaart brengen van de faalkansen van de diverse brandbeveiligingsvoorzieningen is één van de opgaven bij de ontwikkeling van een risicogerichte regelgeving. In het algemeen kan worden gesteld dat de faalkans van sprinklers laag is als sprake is een verplichte certificering en periodieke keuring. Bouwkundige scheidingen die goed zijn gebouwd en die in de gebruiksfase goed in stand worden gehouden, hebben echter ook een lage faalkans bij dikwijls lagere exploitatiekosten.
Is het waar dat de Richtlijn Brandveiligheid grote brandcompartimenten, welke thans wordt omgezet in een NEN-norm, alleen geldt voor gebouwen met een industriefunctie en dus niet voor parkeergarages?
Nee, deze richtlijn betreft de publicatie «Beheersbaarheid van Brand» en kan ook voor parkeergarages worden gebruikt, zij het alleen bij toepassing van een sprinklerinstallatie.
Deelt u de mening dat er daardoor onduidelijkheid is over de exacte normen voor parkeergarages en dat de feitelijke beoordeling van de brandveiligheid wordt overgelaten aan het overleg hierover tussen brandweer en gemeente met gebruik van diverse modellen?
Voor parkeergarages met kleine brandcompartimenten die voldoen aan de prestatie-eisen van het Bouwbesluit 2003 is er geen onduidelijkheid. Voor grotere brandcompartimenten zijn er geen voorgeschreven normen, maar dat is inherent aan het gelijkwaardigheidsprincipe in de bouwregelgeving. De keuze voor en motivering van een bepaalde gelijkwaardige oplossing is in beginsel aan de aanvrager van een bouwvergunning. De aanvrager moet hierbij wel ten genoegen van burgemeester en wethouders aantonen dat er sprake is van een oplossing die gelijkwaardig is aan het in het Bouwbesluit 2003 beoogde veiligheidsniveau. Hoewel juridisch niet verplicht, is het in de praktijk gangbaar dat een aanvrager de gelijkwaardigheid baseert op bepaalde richtlijnen of normen. De twee belangrijkste hiervan zijn de publicatie «Beheersbaarheid van Brand» en de concept NVBR-praktijkrichtlijn «Mechanisch geventileerde parkeergarages». Ook gemeenten maken bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid gebruik maken van deze documenten. Een aantal gemeenten heeft hiervoor specifieke beleidsdocumenten. Een gemeente mag deze documenten echter niet generiek toepassen, maar moet, uitgaande van het Bouwbesluit 2003, bij iedere bouwaanvraag specifiek motiveren waarom een aangedragen gelijkwaardige oplossing niet voldoet.
In de praktijk vindt er veelal overleg plaats tussen de gemeente en de aanvrager vóór het indienen van de bouwvergunningaanvraag. Bij dit overleg geeft de gemeente, meestal via de brandweer, richting de aanvrager aan of zij akkoord gaat met de gekozen gelijkwaardige oplossing. Hierdoor heeft de aanvrager vooraf duidelijkheid over de haalbaarheid van zijn bouwplan. Hoewel in de praktijk er zodoende op gemeentelijk niveau veelal voldoende duidelijkheid is over de te hanteren richtlijnen en normen, ben ik van mening dat landelijke regelgeving ook voor grote brandcompartimenten wenselijk is. Er zijn door mij al diverse acties in gaan gezet. Zo wordt op verzoek van mij de bij vraag 8 genoemde NEN-norm voor grote brandcompartimenten opgesteld. Ook de bij vraag 14 genoemde risicogerichte regelgeving zal betrekking hebben op grote brandcompartimenten.
Is het waar dat het CFD model (Computational Fluid Dynamics), dat wordt gebruikt om rook- en hitteverspreiding in garages te simuleren, uitgaat van het brandvermogen van slechts drie auto’s die gelijktijdig in brand staan? Is dit aantal voldoende, gezien de brand in de Haarlemse garage waar zesentwintig auto’s zijn uitgebrand?
Het toepassen van CFD-berekening is niet voorgeschreven vanuit de bouwregelgeving, maar kan worden toegepast bij het toepassen van gelijkwaardige oplossingen voor grote brandcompartimenten. Voor parkeergarages wordt bij deze berekeningen uitgegaan van maximaal vier auto’s die gelijktijdig in brand staan. Dit is gebaseerd op TNO-onderzoek. Dat in Haarlem 26 auto’s zijn uitgebrand hoeft niet te betekenen dat deze allemaal gelijktijdig hebben gebrand. In het algemeen wordt een brand na 60 minuten geblust, dat is in Haarlem niet mogelijk gebleken. Hierdoor zijn veel meer auto’s uitgebrand dan gebruikelijk is bij een parkeergaragebrand. Er vindt nog onderzoek plaats naar de brand. Hieruit moet blijken waarom er geen brandweerinzet in de parkeergarage (een zogenaamde binnenaanval) kon plaats vinden.
Klopt het dat in de NVBR-richtlijn (Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding) de minimale doorzoektijd bij brand in parkeergarages één uur is terwijl de bouwregelgeving uitgaat van een doorzoektijd van 30 minuten? Deelt u de mening dat aanpassing van de normen voor doorzoektijd nodig is zodat er een duidelijke norm is?
Het klopt niet dat de bouwregelgeving (Bouwbesluit 2003)) de doorzoektijd in parkeergarages in alle gevallen beperkt tot 30 minuten. De doorzoektijd is in het Bouwbesluit 2003 gewaarborgd met een eis aan de sterkte van een bouwconstructie bij brand. Een gebouw moet een redelijke tijd kunnen worden doorzocht zonder dat er gevaar is voor instorting, waarvoor in het algemeen 60 minuten wordt aangehouden. Voor gebouwen waarbij de kans gering is dat gebruikers niet tijdig zelfstandig kunnen vluchten, is deze eis beperkt tot 30 minuten voor de belangrijkste vluchtroutes. Het gaat hierbij onder andere om lage parkeergarages. Als sprake is van een parkeergarage met een groot brandcompartiment, wat veelal het geval is, kunnen gemeenten echter in het kader van de beoordeling van de gelijkwaardigheid (zie bij antwoord 3) wel gemotiveerd een algemene sterkte bij brand van 60 minuten eisen. De bij antwoord 9 genoemde concept NVBR-praktijkrichtlijn «Mechanisch geventileerde parkeergarages» gaat ook uit van een doorzoektijd van 60 minuten. Omdat deze richtlijn alleen betrekking heeft op grote brandcompartimenten is dit eveneens niet in tegenspraak met de genoemde 30 minuten eis uit het Bouwbesluit. Aanpassing van de regelgeving is daarom niet nodig.
Deelt u de mening dat parkeergarages, mede doordat deze steeds vaker geïntegreerd zijn in andere bouwwerken en (gedeeltelijk) ondergronds worden gerealiseerd, niet goed passen in de huidige functiecategorieën van het Bouwbesluit?
Nee, de systematiek van het Bouwbesluit maakt het juist mogelijk om gebouwen met meerdere gebruiksfuncties eenduidig te beoordelen. Een parkeergarage is volgens het Bouwbesluit «een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen». Deze gebruiksfunctie is binnen één gebouw goed te combineren met de andere gebruiksfuncties die het Bouwbesluit onderscheidt zoals een winkelfunctie of woonfunctie.
Bent u bekend met het feit dat in Zweden reeds enkele jaren wordt gewerkt met een risicogerichte benadering in de regelgeving waarbij in aanvulling daarop een aantal verplichte standaardoplossingen is bepaald?
In het kader van de ontwikkeling van een risicogerichte regelgeving is ook gekeken naar buitenlandse voorbeelden. Hierbij is geconstateerd dat geen enkel land al een sluitend stelsel hiervoor heeft. Ook Zweden niet. De bouwregelgeving van Zweden bestaat uit algemene functionele doelvoorschriften. Bij het aantonen dat aan deze voorschriften wordt voldaan, wordt bij complexe en grotere bouwwerken gebruik gemaakt van zogenaamde «fire safety» berekeningen die ook in Nederland gangbaar zijn bij gelijkwaardige oplossingen. Een voorbeeld hiervan zijn de bij vraag 11 genoemde CFD-berekeningen. Voor zover bekend, zijn er in Zweden ook standaardoplossingen die kunnen worden gebruikt zodat niet voor ieder gebouw complexe en dure «fire safety» berekeningen hoeven te worden gemaakt, maar zijn deze niet verplicht.
Wat is de reden dat u verwacht dat in Nederland pas over vijf tot acht jaar een dergelijke regelgeving kan worden geïntroduceerd?4
Deze vraag is door mij eerder beantwoord als volgt (kamerstuk 32 500 XVIII, VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN, Vastgesteld 15 oktober 2010):
Risicogerichte regelgeving houdt rekening met de kans op brand, de wijze waarop een brand zich ontwikkelt en het effect van maatregelen om (de gevolgen van) een brand binnen de perken te houden. Om dit op een adequate wijze in een rekenmethode en regelgeving op te nemen is kennis nodig van het effect van preventieve maatregelen op de kans op brand, het effect van repressieve maatregelen op de ontwikkeling van brand en van het (vlucht)gedrag van mensen. Alhoewel er de afgelopen jaar veel nationaal en internationaal onderzoek gedaan is naar deze onderwerpen ontbreekt de kennis om nu al een sluitende stelsel voor te schrijven. De in de begroting genoemde 5–8 jaar is een inschatting van de tijd benodigd om ook over de andere onderwerpen voldoende kennis op te bouwen. Het is niet zo dat pas na 5–8 jaar de resultaten bruikbaar zijn. Daar waar eerder al informatie beschikbaar is zal dit worden meegenomen in regelgeving, normen en handreikingen.
Deelt u de mening dat net als bij tunnelveiligheid ook voor brandveiligheid in bouwwerken zoals parkeergarages meer standaardisatie in aanvulling op het consequent doorvoeren van een risicobenadering vereist is?
De tunnelregelgeving wordt op dit moment geëvalueerd zoals aan de Kamer is gemeld door de voormalige minister van V&W (nu I&M) in maart 2010 (TK 32 123 A , nr. 101). In de tunnelregelgeving wordt al jarenlang gewerkt met een voor tunnels specifieke risicobenadering. De uitkomsten van de evaluatie zijn wellicht nuttig voor het opstellen van een risicogerichte bouwregelgeving. De uitkomsten van deze evaluatie zullen daarom door mij in het licht hiervan worden beschouwd. Zie verder bij antwoord 16.
Bent u bereid als onderdeel van deze standaardisatie de bouwregelgeving aan te passen zodat in complexere gebouwen waar het optreden door de hulpdiensten uiterst risicovol is en in gebouwen waar mensen verblijven die minder zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen, verpleeghuizen, scholen, parkeergarages en andere grote bouwwerken sprinklers verplicht worden?
Nee, standaardisatie in de vorm van verplichte voorzieningen zoals sprinklers is namelijk in tegenspraak met de voorziene risicogerichte bouwregelgeving. Bij een risicogerichte regelgeving wordt de eis op een hoog abstractieniveau gesteld. In ultieme vorm als een maximale kans op overlijden als gevolg van een brand in een gebouw. Een gebouw moet dan zo worden gebouwd en gebruikt dat voldaan wordt aan deze eis. Hoe en met welke voorzieningen dit gebeurt, is dan aan de eigenaar en gebruiker, en ter beoordeling van het bevoegd gezag. Bij deze risicobenadering wordt rekening gehouden met het optreden van de brandweer Als onderdeel van een risicogerichte regelgeving zal wel standaardisatie plaatsvinden van effecten en faalkansen van veel voorkomende voorzieningen zoals sprinklers. Bij het ontwerp kan dan worden uitgegaan van deze standaardwaarden. Zodoende wordt voorkomen dat bij ieder bouwplan discussie kan ontstaan met het bevoegd gezag over de aan te houden waarden.
De door China aangekondigde verlaging van de export van zeldzame aardmetalen |
|
Afke Schaart (VVD), Atzo Nicolaï (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Tekort aan exoten doet Westen trillen»,1 en het artikel «China curbs flow of crucial minerals»?2
Ja.
Deelt u de mening dat zeldzame metalen, zoals bijvoorbeeld tantaal, neodymium, praesodimium en dysprosium, van groot belang zijn voor innovatieve sectoren van de industrie?
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat China heeft aangekondigd de export van zeldzame metalen te beperken? Kunt u aangeven of andere landen in 2010 vergelijkbare maatregels hebben afgekondigd?
Ja. In juni 2010 hebben de Chinese autoriteiten de exportquota voor zeldzame aardmetalen («rare earth elements, REE») voor het tweede semester van 2010 naar beneden bijgesteld. De jaarlijkse exportquota voor zeldzame aardmetalen zijn in 2010 met 32% verlaagd voor Chinese bedrijven en met 54% voor buitenlandse bedrijven ten opzichte van 2009.
Naast China produceren India en Brazilië ook zeldzame aardmetalen voor de wereldmarkt. In 2010 hebben deze landen geen vergelijkbare maatregelen afgekondigd om de export van zeldzame aardmetalen te beperken.
Kunt u in kaart brengen wat het effect van deze Chinese beleidswijziging zal zijn voor de Nederlandse grondstoffenzekerheid in het algemeen en welke industrieën het meest afhankelijk zijn van de desbetreffende grondstoffen in het bijzonder?
Tot op heden hebben bij het ministerie van EL&I enkele Nederlandse bedrijven hun zorgen geuit over de Chinese beleidswijziging ten aanzien van zeldzame aardmetalen. Deze bedrijven zijn in hun productieketen afhankelijk van de invoer uit China van zeldzame aardmetalen. Op dit moment is er geen sprake van een acuut beschikbaarheidsprobleem, maar is er bezorgdheid bij deze bedrijven over mogelijke beperkte toegang tot deze grondstoffen in de toekomst.
Om de afhankelijkheid van de Nederlandse economie van grondstoffen beter in kaart te krijgen, heeft het ministerie van EL&I opdracht gegeven aan het CBS en TNO om te onderzoeken welke industrieën in Nederland het meest afhankelijk zijn van 44 «kritische grondstoffen». De keuze voor 41 van deze grondstoffen is gebaseerd op het rapport «Critical raw materials for the EU»3 uit juli 2010, waarin de Europese Commissie grondstoffen heeft geselecteerd waarvan de beschikbaarheid in de nabije toekomst kritiek zou kunnen worden. De groep «zeldzame aardmetalen» maakt onderdeel uit van deze geselecteerde kritische grondstoffen. Op basis van expertbeoordeling zijn fosfor, uranium en goud toegevoegd aan de lijst grondstoffen. De resultaten van dit CBS/TNO onderzoek zijn op 5 november 2010 gepresenteerd.4 Hieruit blijkt dat met name de productgroepen glas en bouwmaterialen, basismetalen, metaalproducten, machinebouw en uitrusting, kantoorapparatuur en computers, elektronische machines, medische, precisie- en optische apparaten, autos en andere transportvormen, elektriciteit en gas afhankelijk zijn van de 44 «kritische grondstoffen» voor hun productie. In financiële zin zijn met name de industrieën die zich bezig houden met het fabriceren van basismetalen en metaalproducten, machinebouw en uitrusting en de bouw van transportuitrusting sterk afhankelijk van de 44 «kritische grondstoffen».
Naar aanleiding van de resultaten van deze voorstudie zal in samenwerking met relevante bedrijven en branche-organisaties in meer detail gekeken worden naar de afhankelijkheid van de Nederlandse industrie van deze «kritische grondstoffen», waaronder de afhankelijkheid van zeldzame aardmetalen.
Kunt u aangeven hoe u de Nederlandse grondstoffenzekerheid zult waarborgen?
Het veiligstellen van de toegang tot en beschikbaarheid van grondstoffen staat hoog op de agenda van het ministerie van Buitenlandse Zaken en van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De gezamenlijke inzet is om onze grondstofzekerheid te waarborgen op een zodanige manier dat de concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven wordt versterkt en de voorzieningszekerheid voor toekomstige generaties duurzaam op peil blijft. Dit wordt langs verschillende wegen vorm gegeven.
Op internationaal niveau is het van belang de restricties in grondstoffenhandel, zoals de Chinese exportbeperkingen, te bestrijden. Het is ons te doen om transparantie en goede werking van markten. De nadruk ligt hierbij op de handhaving van internationale handelsregels in het kader van de WTO, het opnemen van relevante handelsdisciplines voor grondstoffen in de lopende en toekomstige onderhandelingen over vrijhandelsakkoorden en het aangaan van de dialoog met strategische partners, zowel importeurs als exporteurs van grondstoffen.
Belangrijk is om hierbij op te merken dat er wat betreft grondstoffenzekerheid nauw wordt samengewerkt in Europees verband. Nederland onderschrijft de doelstellingen van «Raw Materials Initiative»5 uit 2008. In deze mededeling van de Europese Commissie is het de inzet om de Europese consumptie van primaire grondstoffen terug te dringen, de beschikbaarheid van grondstoffen die binnen de EU gevonden worden te vergroten en het duurzame aanbod van grondstoffen uit derde landen veilig stellen. Eind deze maand wordt een update van deze Europese grondstoffenstrategie verwacht.
Op nationaal niveau worden de uitdagingen rond de Nederlandse grondstoffenzekerheid op twee manieren geadresseerd. Ten eerste richt Nederland zich op innovatie van geavanceerde vervangingsproducten van kritische grondstoffen (substitutie). Daarnaast zet Nederland in op het hergebruik van grondstoffen (recycling).
Steunt u de Duitse oproep aan de Europese Commissie en de Wereldhandelsorganisatie om te interveniëren ten gunste van vrijhandel en vrije toegang tot deze zeldzame metalen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zoals in vraag 5 aangegeven is het bestrijden van de beperkingen in grondstoffenhandel één van de manieren om de Nederlandse grondstoffenzekerheid te waarborgen. In dit kader wijs ik graag op de consultaties die de EU, samen met de VS en Mexico, in mei 2009 met China is gestart onder het geschillenbeslechtingmechanisme van de WTO, vanwege de in onze ogen onrechtmatige exportbeperkingen op negen grondstoffen6. In maart van dit jaar is een panel opgericht. De uitspraak wordt begin 2011 verwacht. Ik zal uw Kamer hierover informeren.
Het door werkgevers onterecht gedeeltelijk ziekmelden van werknemers die terugkeren van ziekteverzuim |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Baas verlaagt loon bij ziekte door truc»1 en «Ziekmelding jaagt werknemer op kosten»?2
Ja.
Deelt u de mening dat het ten onrechte gedeeltelijk ziekmelden van werknemers die terugkeren van ziekteverzuim door werkgevers ongewenst is? Zijn hiervoor sancties mogelijk en ligt hier niet een taak voor de arbeidsinspectie?
Naar mijn mening betreft het hier geen ziekmelding, maar wordt de werknemer door de werkgever niet hersteld gemeld. Uit de krantenberichten wordt overigens niet duidelijk of dat herstel niet wordt gemeld bij de bedrijfsarts/arbodienst en/of de salarisadministratie van de werkgever.
In de eerste plaats merk ik op dat er nu geen verplichting voor de werkgever bestaat om zijn werknemer hersteld te melden, noch bij de bedrijfsarts/arbodienst, noch bij de salarisadministratie. Daarom is een sanctie niet mogelijk en ligt hier ook geen taak voor de arbeidsinspectie.
In de tweede plaats merk ik op dat een dergelijke verplichting naar mijn mening ook niet nodig is, omdat de werkgever alleen maar zichzelf ermee heeft als hij de werknemer niet hersteld meldt bij de bedrijfsarts/arbodienst of zijn salarisadministratie. In de eerste situatie zal snel boven water komen dat geen herstelmelding heeft plaatsgevonden. De bedrijfsarts/arbodienst zal de betrokkene namelijk oproepen, omdat hij/zij moet nagaan of sprake is van dreigend langdurig verzuim en dus binnen zes weken na de eerste ziektedag een oordeel over het desbetreffende ziektegeval moet geven aan de werkgever. Verder brengt de opvatting van de werkgever dat de werknemer nog steeds ziek is, mee dat hij zijn verplichtingen op grond van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar zal moeten nakomen. Zo dient hij onder meer een re-integratiedossier bij te houden, een plan van aanpak op te stellen, een afschrift daarvan aan de werknemer en de bedrijfsarts/arbodienst te verstrekken, dit plan regelmatig te evalueren en ervoor te zorgen dat de bedrijfsarts/arbodienst de werknemer regelmatig hoort over het verloop van de arbeidsongeschiktheid. De werkgever kan dat allemaal nalaten maar daarmee verzwakt hij zijn positie ernstig indien het tot een rechtszaak of een aanvraag voor een WIA-uitkering komt.
Daarmee kom ik op de tweede situatie, te weten dat de werkgever zijn salarisadministratie niet informeert over het herstel van de werknemer. Zolang de werkgever het loon volledig doorbetaalt bij ziekte, heeft dit geen materiële of andere gevolgen voor de werknemer. Dat komt anders te liggen wanneer de werkgever op een zeker moment minder loon gaat betalen. Als de werkgever dit motiveert met de stelling dat de werknemer nog steeds ongeschikt is voor de bedongen arbeid vanwege ziekte, kan de werknemer daartegen beroep instellen bij de rechter. Volgens hem is de werkgever immers zijn verplichting om loon te betalen niet nagekomen (art. 7:616 BW). De werknemer heeft een grote kans op toewijzing van zijn vordering als de werkgever zijn hiervoor genoemde verplichtingen niet is nagekomen. Ik zie dan ook geen reden om voor deze situatie een andere procedure in te stellen dan ingeval de werkgever zijn verplichting om loon te betalen om een andere reden niet is nagekomen.
Tot slot kan zich in de tweede situatie voordoen dat de werkgever na 104 weken geen loon meer doorbetaalt, omdat hij van oordeel is dat zijn loondoorbetalingsverplichting is geëindigd. Ook in deze situatie kan de werknemer een loonvordering instellen bij de rechter. Daarnaast kan de werknemer zekerheidshalve een WIA-uitkering aanvragen. Bij de claimbeoordeling moet het UWV onder meer vaststellen of de wachttijd is vervuld. Dat is niet het geval als de werknemer in de hiervoor genoemde periode meer dan vier weken de bedongen arbeid heeft verricht. Als het UWV tot dit oordeel komt, kan de werknemer dit in of buiten rechte tegenover zijn werkgever gebruiken.
Afrondend concludeer ik dat de huidige regelgeving omtrent ziekteverzuim geen tekortkomingen heeft. Ik ben dan ook niet voornemens om wettelijke of andere maatregelen te treffen ter zake dan wel onderzoek te doen naar de omvang van de problematiek.
Vindt u dat de angst van werknemers in de praktijk voor baanverlies als gevolg van het aanvragen van een medische onderbouwing en eventueel een deskundigenoordeel van UWV gegrond is? Zo nee, waarom denkt u dan dat de rechten van werknemers in de betreffende situatie wel voldoende zijn beschermd?
De mogelijkheid om een deskundigenoordeel van het UWV te vragen is een laagdrempelige procedure, waarmee wordt beoogd om gerechtelijke procedures te voorkomen. Dit kan en mag voor een werkgever nooit een reden zijn om een werknemer te ontslaan. Het is dan ook zeer onwaarschijnlijk dat op die grond het UWV toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding zal geven of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst zal ontbinden. Naar mijn mening biedt het ontslagrecht dan ook voldoende bescherming voor werknemers.
Bent u bereid verder onderzoek te doen naar de omvang van de problematiek en binnen welk termijn kan hierover dan meer informatie naar de Kamer worden gezonden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u in overweging nemen om de wettelijke bepalingen in de wet Poortwachter aan te scherpen zodat onterechte gedeeltelijke ziekmeldingen voorkomen worden en wat is daarbij uw afweging?
Zie antwoord vraag 2.
Welke andere maatregelen gaat u nemen om werknemers te informeren over deze tekortkoming in de wet Poortwachter?
Zie antwoord vraag 2.
Over bijstorten in de pensioenpolis |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Pensioenstrop voor oude baas bij waardeoverdracht»?1
Ja.
Is het waar dat een werkgever bij vertrek van zijn werknemer soms tienduizenden euro’s moet bijstorten in de pensioenpolis bij de verplichte waardeoverdracht? Hoe vaak komt zo'n verplichte bijstorting per jaar voor?
Dergelijke situaties kunnen zich voordoen bij werkgevers die hun pensioenregeling hebben ondergebracht bij een verzekeraar en die met uitgaande waardeoverdracht worden geconfronteerd naar een andere verzekeraar. SZW, noch DNB beschikt over gegevens hoe vaak dit in de praktijk voorkomt. Wel heb ik de indruk op grond van een schatting van het Verbond van Verzekeraars, dat bijbetaling kan leiden tot individuele problemen bij in potentie een omvangrijke groep bedrijven in het midden- en kleinbedrijf.
De bijbetalingsproblematiek zoals in de vragen geschetst, kan zich voordoen als de overdrachtswaarde van de pensioenaanspraken bij uitkering- en kapitaalovereenkomsten en bij premieovereenkomsten waarbij tussentijds een aanspraak op kapitaal of uitkering wordt ingekocht, meer bedraagt dan het tot dat moment gefinancierde deel van de aanspraken. Voor zover die aanspraken niet zijn gefinancierd, dient dit bij de waardeoverdracht alsnog te gebeuren. De berekening van de overdrachtswaarde geschiedt sinds 2008 aan de hand van de marktrente (rentetermijnstructuur). Deze rente is tussen 2008 en 2011 gedaald van 4,926% naar 2,984%. Deze daling kan leiden tot bijbetaling door de oude werkgever.
Verandering van baan leidt overigens lang niet altijd tot forse bijbetalingen:
Een en ander laat echter onverlet dat het in individuele situaties kan gaan om forse bedragen en dat die situaties zich bij veel bedrijven in het midden- en kleinbedrijf kunnen voordoen.
Deelt u de mening dat deze verplichte nabetaling zeer belemmerend kan werken op de arbeidsmarkt en dat er snel een oplossing gezocht moet worden voor het probleem van bijbetalingen voor beide werkgevers bij de verplichte waardeoverdracht van pensioenen?
Op zich zou het kunnen dat de bijbetalingsproblematiek de arbeidsmarktmobiliteit tegenwerkt. Ik heb hierover geen harde gegevens. Voor het effect op de arbeidsmobiliteit is nog van belang dat doorgaans pas nadat een werknemer van baan is gewisseld en de nieuwe werkgever betrokkene heeft aangenomen, eventuele waardeoverdracht aan de orde is. Eerst dan ontstaat ook zicht op (de hoogte van) de bijbetaling. Dan heeft de wisseling van baan wel al plaatsgevonden.
Overigens is waardeoverdracht niet verplicht. Wel zijn er situaties waarin een pensioenuitvoerder op grond van de pensioenregelgeving moet meewerken als een ex-deelnemer verzoekt om waardeoverdracht. Het komt voor dat werkgevers in geval van bijbetaling, werknemers verzoeken om af te zien van hun recht op waardeoverdracht. Zo kunnen werkgevers de bijbetalingsproblematiek voorkomen. Voor werknemers hoeft het achterwege laten van waardeoverdracht – bijvoorbeeld bij middelloon- en beschikbare premieregelingen – niet financieel nadelig te zijn.
Daar waar gevraagd wordt om een oplossing voor beide werkgevers, ga ik er vanuit dat hiermee de situaties zijn bedoeld waarin sprake is van bijbetaling door de oude of de nieuwe werkgever zoals aan de orde in artikel 26 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, respectievelijk artikel 19, van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. Ik ben met de Kamer eens dat een oplossing voor beide bijbetalingsvraagstukken wenselijk is. Er zijn schrijnende situaties mogelijk bij beide kwesties. Ik zal – met de Stichting van de Arbeid en het pensioenveld – inventariseren hoe deze effecten kunnen worden weggenomen of beperkt. In de reeds voorgenomen meer fundamentele discussie over waardeoverdracht zal dit aspect separaat en met voorrang worden behandeld.
Ik zal uw Kamer daarover zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk in het eerste kwartaal van 2011, informeren.
Op welke wijze gaat u uitvoering geven aan de motie die vraagt om een einde van de bijbetalingsproblematiek en die nog steeds niet is uitgevoerd?2
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u of de toezichthouder inzicht in de omvang van de niet afgefinancierde verplichtingen bij Nederlandse verzekeraars?3 Zo nee, wilt u daar onderzoek naar doen?
Er is geen sprake van niet afgefinancierde verplichtingen. Op grond van de Wet op het financieel toezicht dienen verzekeraars de pensioenverplichtingen af te financieren. De bijbetalingen zoals hier bedoeld, vinden niet hun oorzaak in onvoldoende affinanciering, maar in verschillen in rentevoeten als waardeoverdracht plaatsvindt. Het gaat dan om verschillen tussen de rentevoet die door de verzekeraar wordt gehanteerd richting de deelnemer, de rentevoet die de verzekeraar hanteert voor de bepaling van de technische voorzieningen en de rentevoet die geldt voor de berekening van de over te dragen waarde.
DNB heeft geen inzicht in de omvang van de bijbetalingen. Wat mijn ministerie betreft verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.