Een wapentransport onderweg van Turkije naar Jemen |
|
Afke Schaart (VVD), Atzo Nicolaï (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dubai police seize arms shipment» ?1
Ja.
Onderschrijft u dat deze wapenleveranties Jemen verder hadden kunnen destabiliseren?
Ja.
Kunt u de opdrachtgever, vervoerder en het einddoel van het wapentransport nagaan?
De autoriteiten in de VAE verrichten het onderzoek omtrent dit incident en zullen te zijner tijd wellicht in staat zijn om informatie te verschaffen over opdrachtgever, vervoerder en einddoel van het transport.
Heeft u een reactie van Turkse zijde vernomen op dit incident? Indien de Turkse autoriteiten op de hoogte waren van het transport, hoe beoordeelt u het handelen van Turkije?
Ik heb vernomen dat de Turkse autoriteiten niet op de hoogte waren van deze transactie en dat zij geen vergunning hadden verleend indien deze wel zou zijn aangevraagd. Ook de Turkse autoriteiten hebben aangegeven een onderzoek te starten naar deze transactie.
Bent u bekend met andere recente, illegale wapentransporten aan Jemen? Wat is het Nederlandse wapenexportbeleid aangaande Jemen? Op basis van welke criteria wordt er specifiek wel/niet geëxporteerd naar Jemen? Bent u bereid u binnen de NAVO en de EU hard te maken voor het onverkort handhaven van deze criteria, juist in deze periode van instabiliteit in Jemen?
Er zijn mij geen recente berichten bekend over andere illegale wapentransporten naar Jemen. Op 24 maart jl. heb ik tijdens het AO wapenexport in de Tweede Kamer gemeld dat alle wapenexportaanvragen voor Jemen worden aangehouden wegens de situatie in het land. In EU-verband roept Nederland andere lidstaten op om een vergelijkbare lijn te volgen.
De mogelijkheden voor het verbieden van een boomkorvisserij in Natura 2000-gebieden |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het boek «Het Dilemma van de Noordzee: intensief gebruik en het grootste natuurgebied van Nederland» en specifiek het hoofdstuk «Omploegen van Natura 2000-gebieden op de Noordzee is toegestaan»?
Ja.
Deelt u de analyse dat er voldoende wetenschappelijke bewijs is waaruit blijkt dat de boomkorvisserij de beschermde habitats – met name de permanent overstroomde zandbanken (H1110B) en de daarin levende organismen – van de vier zeevogelsoorten aantast en dat er daarmee een voldoende reden is om boomkorvisserij in de Natura 2000 gebieden op de Noordzee per direct te verbieden?
Al enige tientallen jaren wordt er onderzoek gedaan naar de effecten van de boomkorvisserij met wekkerkettingen (hierna: de boomkorvisserij) op de zee (bodem) en de daarin levende organismen. Hieruit blijkt dat deze vorm van visserij effecten heeft op de bodem en de daarin levende mariene organismen inclusief de schelpdieren. Fluctuaties in voedselbeschikbaarheid kunnen worden veroorzaakt door een combinatie van menselijk gebruik en bijvoorbeeld klimaatverandering, vervuiling, eutrofiering, concurrentie tussen schelpdiersoorten onderling of een nog onbegrepen natuurlijke populatiedynamiek.
Een verbod op de boomkorvisserij in de Natura 2000-gebieden zou alleen te rechtvaardigen zijn indien de negatieve effecten van die visserij niet kunnen worden ondervangen door maatregelen. De vraag of mitigatie mogelijk is en in welke vorm dat dient plaats te vinden, zal worden beantwoord in de passende beoordeling boomkorvisserij. Deze is nodig om een aanvraag voor een vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet 1998 in te kunnen dienen. Zie in dit verband ook het antwoord op de samengevoegde vragen 3 en 7 hieronder.
Klopt het dat uw voorganger handhavingsverzoeken heeft afgewezen omdat zij niet bevoegd zou zijn geweest om tegen buitenlandse vissers op te treden?
Zie het antwoord onder vraag 7.
Bent u niet op grond van artikel 9 van de Basisverordening Visserij – onderdeel van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid – bevoegd niet-discriminerende maatregelen te nemen binnen de 12-mijls-zone om «het effect van visserij op de instandhouding van mariene ecosystemen tot een minimum te beperken»?
De hoofdregel is dat visserij beperkende maatregelen op Europees niveau worden vastgesteld. De Europese Commissie neemt het initiatief tot het doen van voorstellen. De verordening (Verordening (EG) nr. 2371/2002) voorziet in de mogelijkheid dat lidstaten nationale niet-discriminerende maatregelen treffen voor de instandhouding en het beheer van visbestanden, en om het effect van visserij op de instandhouding van natuurgebieden tot een minimum te beperken, binnen de 12-mijlszone. Dit onder voorwaarde dat er geen instandhoudings- en beheersmaatregelen zijn vastgesteld door de Gemeenschap en de maatregelen verenigbaar zijn met de doelstellingen van de Basisverordening.
Wanneer de nationale maatregelen mogelijke gevolgen hebben voor buitenlandse vaartuigen, dient een notificatieprocedure te worden doorlopen. In het kader van deze notificatieprocedure kan de Europese Commissie de nationale maatregel bevestigen, intrekken of wijzigen. Deze wordt dientengevolge van toepassing op buitenlandse vaartuigen. Wanneer de maatregelen alleen van toepassing zijn op Nederlandse vaartuigen, is geen notificatieprocedure vereist.
Betekent dit niet dat u een dergelijke maatregel kunt nemen voor alle zware boomkorvissers in de territoriale zee liggende gebieden – de Voordelta en de Noordzeekustzone 2?
Ja, ik kan dergelijke maatregelen treffen indien die voldoen aan de onder vraag 4 gegeven Europeesrechtelijke randvoorwaarden en indien daartoe een ecologische noodzaak is.
Is het niet zo dat Nederland op grond van de gemeenschapstrouw (artikel 4, derde lid Verdrag betreffende de Europese Unie) zelfs de plicht heeft, om op grond van de Habitatrichtlijn visserijmaatregelen te nemen, aangezien in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid de natuurbeschermingsverplichtingen van de Habitatrichtlijn niet uitputtend geregeld zijn?
Binnen de kaders zoals geschetst in de antwoorden op vragen 4 en 5 ben ik mede op grond van het beginsel van gemeenschaptrouw gehouden visserijmaatregelen te treffen om aan de verplichtingen van het Gemeenschapsrecht, i,.c. de Habitatrichtlijn en Gemeenschappelijk Visserijbeleid, te voldoen. Om aan deze plicht invulling te geven, worden de nodige stappen gezet. Zie hiervoor de antwoorden op vragen 3 en 7, en met name de onderdelen die betrekking hebben op de NB-vergunningplicht en de passende beoordeling boomkorvisserij.
Kunnen we van u handhaving verwachten nu ook uit een recent openbaar gemaakte brief van de Europese Commissie van 23 juli 2010 blijkt dat nationale maatregelen mogelijk zijn?
De toenmalige minister van LNV heeft in 2009 inderdaad afwijzend beslist op toen ingediende verzoeken tot handhaving van de Natuurbeschermingswet 1998. Zij heeft deze verzoeken afgewezen mede gelet op de onmogelijkheid om handhavend op te treden tegen buitenlandse vissers. Wel optreden tegen Nederlandse vissers en niet tegen buitenlandse vaartuigen is in strijd met het beginsel van level playing field. De beslissing om niet handhavend op te treden is momenteel onderwerp van geschil in een beroepsprocedure bij de Raad van State. Om die reden ga ik daar hier niet verder op in.
In de bedoelde brief van de Europese Commissie heeft de EC aangegeven dat het mogelijk is om onder bepaalde omstandigheden de vergunningplicht van de Natuurbeschermingswet 1998 op te leggen aan buitenlandse vaartuigen. Dit is een beleidswijziging van de EC die in een eerder geval (Voordelta, 2008) nog heeft aangegeven een vergunningplicht voor buitenlandse vaartuigen in de 12 mijlszone niet te accepteren. Een van de bijkomende voorwaarden is notificatie van visserijbeperkende maatregelen onder Verordening 2371/2002 aan de EC.
Om te komen tot een vergunning voor Nederlandse en buitenlandse vaartuigen zijn Imares en HWE bezig om ten spoedigste een zgn. passende beoordeling op te zetten voor de boomkorvisserij. Het doel van deze passende beoordeling is om te dienen als ecologische onderbouwing voor een vergunningaanvraag die naar alle waarschijnlijkheid in mei aanstaande door het bedrijfsleven zal worden ingediend.
Ik zal daarop een besluit nemen dat gebaseerd is op de inhoud van de passende beoordeling en op de vraag of het aangeboden maatregelenpakket voldoende is om de negatieve effecten van de boomkorvisserij weg te nemen.
Ik meen dat met deze gang van zaken de afronding van een vergunningprocedure onder de Natuurbeschermingswet 1998 nabij is en dat dan handhaving kan plaatsvinden t.o.v. Nederlandse en buitenlandse vaartuigen.
Verdubbeling van het aantal megastallen |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
|
|
|
Klopt het dat het aantal megastallen sinds 2005 meer dan verdubbeld is?1
Op het bericht van Milieudefensie van 21 januari jl. heb ik reeds gereageerd in mijn brief van 11 februari over de maatschappelijke dialoog megastallen (Kamerstuk 28 973, nr. 44). Op de definitiekwestie rondom megastallen ben ik in mijn brief van 28 maart jl. in de beantwoording op het Schriftelijk Overleg verder ingegaan (Kamerstuk 28 973, nr. 46).
Bent u bereid een onderzoek te doen (bijvoorbeeld in de vorm van een quick-scan) om te achterhalen welke aspecten van Nederlands dan wel Europees beleid deze trend naar schaalvergroting en megastallen bevorderen, bijvoorbeeld subsidies die eerder bij grote dan bij kleine boeren terecht komen?
Schaalvergroting is een autonome ontwikkeling die al decennia aan de gang is. Het aantal bedrijven en locaties vermindert maar het aantal dieren blijft ongeveer gelijk in Nederland. Gevolg is dat de bedrijven gemiddeld groter worden.
Ik wil u erop wijzen dat het LEI kort geleden het rapport «Schaalvergroting in de land- en tuinbouw» (van der Meulen et al, 2011) heeft uitgebracht. In dit rapport wordt uitgebreid ingegaan op diverse aspecten die van invloed zijn op schaalvergroting.
Bent u bereid in uw eigen beleid en in Europa in te zetten op een beleid dat voldoende gericht is op kleine en middelgrote boeren en waar grote boeren en megastallen in ieder geval niet bevoordeeld worden ten opzichte van kleine boeren?
In de voorbereiding op de kabinetsvisie zal ik bekijken óf er op rijksniveau gestuurd moet worden op grootschalige (intensieve) veehouderij. Is de conclusie dat dit noodzakelijk is, dan zal ik aangeven op welke manier ik deze sturing voor mij zie. Hierbij neem ik nadrukkelijk de resultaten van de maatschappelijke dialoog mee.
Klopt het dat de weidegang terugloopt? Vindt u dit een wenselijke ontwikkeling? Zo nee, wat gaat u hieraan doen en hoeveel meer weidegang kunnen we met uw beleidsinzet in 2012 verwachten?
Volgens de meest recente cijfers van het CBS neemt het aantal koeien met weidegang licht af. In 2009 kreeg 76% van de koeien weidegang ten opzichte van 79% in 2008. Ik vind dit geen wenselijke ontwikkeling.
Voor een groot deel wordt het tegengaan van deze ontwikkeling al door de markt opgepakt. Diverse zuivelondernemingen hebben weidegang als speerpunt benoemd en geven voor weidemelk een extra premie. Ook Stichting Weidegang stimuleert ondernemers om hun koeien weidegang te geven.
Het recht van grensarbeiders op een persoonsgebonden budget in Duitsland |
|
Agnes Wolbert (PvdA), Linda Voortman (GL), Margreeth Smilde (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat Nederlanders die in Duitsland wonen, maar in Nederland werkzaam zijn, niet in aanmerking komen voor een PGB of Pflegegeld?
Ja.
Kunt u aangeven welke rechten een Nederlander heeft ten aanzien van de AWBZ wanneer hij in het buitenland woont, maar in Nederland werkt en premie betaalt?
Een persoon die in het buitenland woont maar werkt in Nederland is, ongeacht zijn nationaliteit, verzekerd op grond van de AWBZ. Deze persoon heeft zowel aanspraak op gecontracteerde zorg (zorg in natura) als recht op vergoeding van de betaalde kosten indien hij buiten Nederland niet-gecontracteerde zorg inroept die met een AWBZ-verstrekking vergelijkbaar is. Indien voor de AWBZ-verstrekking een eigen bijdrage geldt wordt het bedrag daarvan afgetrokken van het bedrag dat gerestitueerd wordt.
Het PGB is geen wettelijke aanspraak en valt dus niet onder de vergoedingmogelijkheid. Het zorgkantoor kan alleen subsidie voor PGB’s verlenen voor verzekerden woonachtig in zijn regio. Nederlanders die in Duitsland wonen, wonen niet in een regio van een zorgkantoor en kunnen dus geen PGB krijgen.
Daarnaast bestaat ingevolge de Europese sociale zekerheidsverordening (Verordening (EEG) nr. 883/04) aanspraak op deze zorg («verdragsaanspraak») in natura. Voorwaarde daarbij is dat de ziektekostenverzekeringwetgeving van het woonland voorziet in AWBZ-achtige vormen van zorg. De kosten daarvan komen ten laste van Nederland. Als verdragsgerechtigde heeft men in het woonland aanspraak op verstrekkingen, maar niet op uitkeringen.
Duitsland kent naast zorg in natura ook het Pflegegeld. In het arrest Molenaar heeft het Hof geoordeeld dat het Duitse Pflegegeld dient te worden aangemerkt als «uitkering» in de zin van de verordening en niet als verstrekking. Dit komt door de kenmerken van het Pflegegeld. Deze kenmerken zijn: het gaat om een periodieke toelage, het gaat om een vast bedrag ongeacht gemaakte kosten, er hoeven niet eerst betalingsverplichtingen te zijn aangegaan met zorgverleners, noch hoeven er bewijsstukken voor gemaakte kosten te zijn overgelegd en er is een grote mate van vrijheid bij de besteding van het bedrag. Het gevolg van die uitspraak is dat Nederlandse verdragsgerechtigden die in Duitsland wonen geen recht hebben op het Pflegegeld (wel op de «Pflege» zorg in natura), terwijl de Duitse verdragsgerechtigden die in Nederland wonen wel Pflegegeld kunnen ontvangen en daarnaast in beginsel aanspraak hebben op zorg in natura.
Naar mijn mening is hier geen sprake van ongelijke behandeling, omdat er vanwege het wonen in een ander land geen sprake is van gelijke omstandigheden.
Door het wonen in een ander land dan het land waar men werkt is de Europese regelgeving en de daarop gebaseerde Hofjurisprudentie van toepassing.
Zijn rechten op AWBZ-zorg gelijk aan de rechten voor premiebetalende Nederlanders woonachtig in andere Europese lidstaten? Zo nee, deel u de dat er dan sprake is van ongelijke behandeling?
Zie antwoord vraag 2.
Als premiebetalende Nederlanders woonachtig in Duitsland van het College voor zorgverzekeringen (CVZ) te horen krijgen dat zij niet in aanmerking komen voor een PGB of voor Pflegegeld, waarom staat er dan op de website van het CVZ: «Als de verzekerde langer dan zes weken in het buitenland verblijft en een zorgverlener contracteert die niet onder de Nederlandse fiscale en sociale wetgeving valt, past het zorgkantoor de hoogte van het PGB aan aan het prijsniveau van het land waar de verzekerde verblijft. Het CVZ heeft hiervoor aanvaardbaarheidspercentages ontwikkeld.»?1
Het citaat is onvolledig. De slotzin op de website van het CVZ:
«Verzekerden die permanent in het buitenland wonen, hebben geen recht op een PGB.» De in de vraag geciteerde tekst slaat op AWBZ-verzekerden die tijdelijk in het buitenland verblijven en nog steeds woonachtig zijn in Nederland. In die situaties is het verdragsrecht dus niet van toepassing.
Deelt u de mening dat het onjuist is wanneer er onderscheid wordt gemaakt tussen het vergoeden van zorg in natura en het PGB, omdat mensen wettelijk recht hebben op het maken van deze keuze?
Er is geen wettelijk recht op deze keuze. Het PGB wordt verleend in de vorm van subsidie.
Welke stappen bent u bereid te zetten om er voor te zorgen dat de Europese wetgeving wordt aangepast om een PGB voor premiebetalende Nederlanders woonachtig in Duitsland mogelijk te maken?
Dat mensen recht hebben op een PGB, noch op Pflegegeld heeft enerzijds te maken met het feit dat het in Nederland geen wettelijke aanspraak is en in Duitsland niet kan worden verstrekt vanwege het arrest Molenaar.
Het wettelijk regelen van het PGB is afgesproken in het Regeer- en Gedoogakkoord (zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32 620, nr. 1). Bij het wettelijk gaan regelen van het PGB zal ik de onderhavige kwestie nader bezien. Zowel het wettelijk regelen van het PGB als vorm van verstrekking (een budget dat aan zorg moet worden besteed) als het wettelijk regelen van het PGB in de vorm van een uitkering (een budget waarover geen verantwoording moet worden afgelegd) heeft Europeesrechtelijke gevolgen voor verdragsgerechtigden die niet AWBZ-verzekerd zijn, zowel voor Nederlanders in het buitenland als buitenlanders in Nederland.
Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel zal ik mij zonodig verstaan met de Europese Commissie. Vanzelfsprekend speelt hierbij het solide maken van het PGB een rol.
Welke stappen bent u bereid te zetten om er op korte termijn voor te zorgen dat de mensen die nu tussen wal en schip vallen zelf hun zorg kunnen regelen door middel van een PGB? Bent u bereid daarover in gesprek te gaan met het CVZ en de betreffende Duitse uitvoeringsinstantie om snel tot een oplossing te komen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het algemeen overleg Informele Gezondheidsraad (EU) op 3 maart 2011?
Ja.
Islamitische scholen die slechter scoren |
|
Geert Wilders (PVV), Harm Beertema (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ´Islamitische basisscholen scoren slechter»?1
Ja.
Deelt u de visie dat het zorgelijk is dat van de islamitische scholen drie op de vier scholen een voldoende scoren, 20 procent als zwak wordt beoordeelt en 7,5 procent zelfs als zeer zwak? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die mening in zoverre, dat ik elke school die onvoldoende kwaliteit levert zorgelijk vind. Dat geldt voor alle scholen, ongeacht de denominatie van de school. Bij de percentages moet overigens bedacht worden, dat het om een relatief klein aantal scholen gaat. Op de peildatum die de inspectie in haar berichtgeving hanteert (1 september 2010) waren er 3 scholen op islamitische grondslag zeer zwak. In het meest recente overzicht van de inspectie (peildatum 1 maart 2011) zijn dat er nog 2.
In dit verband wijs ik graag op de positieve ontwikkeling die het islamitisch basisonderwijs doormaakt. In een jaar is het percentage islamitische basisscholen met ten minste voldoende kwaliteit gestegen van circa 60% naar iets meer dan 70%. Ik ben trots op de scholen die die verbetering gerealiseerd hebben. De Islamitische Besturenorganisatie (ISBO) heeft aan die verbetering bijgedragen met de Kwaliteitsaanpak Islamitisch Onderwijs. Deze aanpak, die ik ondersteun, wordt ook de komende jaren nog voortgezet. Daarmee toont het islamitisch basisonderwijs aan dat ze de kwaliteitsopdracht serieus neemt en dat ze er alles aan doet om waar nodig de kwaliteit te verbeteren. Dit neemt niet weg dat ik niet zal aarzelen om in te grijpen als de onderwijskwaliteit onder de maat is.
Wist u dat, ondanks dat islamitische scholen vaker een voldoende scoren, ze toch nog ver achterblijven bij andere scholen? Deelt u de mening dat dit maar weer eens aantoont dat islamitische scholen er niet in slagen onderwijs aan te bieden volgens de Nederlandse maatstaven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat islamitisch onderwijs niet past in Nederland, omdat het onze westerse kernwaarden afwijst en een isolerend karakter heeft? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Het Nederlandse onderwijsbestel biedt ruimte aan scholen op islamitische grondslag, zoals het ruimte biedt aan bijvoorbeeld katholiek, protestants-christelijk, reformatorisch of joods-orthodox onderwijs. Uw stelling dat het islamitisch onderwijs anti-westers en isolerend zou zijn deel ik evenmin. Alle scholen, ongeacht hun grondslag, hebben zich te houden aan de wettelijke regels van onze democratische rechtsstaat. Indien een school hierin tekortschiet tref ik maatregelen.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen ten einde islamitische scholen in Nederland te sluiten?
Ik heb geen voornemens om de bekostiging van scholen in te trekken, omdat ze islamitisch zijn. Wel is het zo dat scholen die langdurig onvoldoende kwaliteit leveren geconfronteerd zullen worden met intrekking van de bekostiging of sluiting. Ik verwijs hiervoor naar mijn brief over zeer zwakke scholen van 10 februari 2010 (Kamerstukken II 2010/11 31 293, nr. 86).
De aanbevelingen van de onderzoekscommissie Goldstone |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het «Appèl voor internationale gerechtigheid voor alle slachtoffers van gewapend geweld tijdens de Gaza Oorlog», ondertekend door zeventien hoogleraren en deskundigen op gebied van internationaal recht?1
Ja.
Deelt u de conclusie van deze ondertekenaars dat beide partijen in de Gaza-oorlog, dat wil zeggen Israël en de de facto Hamas regering in Gaza, nog altijd geen onderzoek hebben verricht dat voldoet aan internationaal aanvaarde normen van onafhankelijkheid, onpartijdigheid, grondigheid, doelmatigheid en tijdigheid? Zo niet, waarom niet?
Deze conclusie deel ik wat betreft de inspanningen van de de facto autoriteiten in Gaza. Israël en de Palestijnse Autoriteit verrichten naar het oordeel van de regering wel degelijk onderzoeken. Zij is in dit oordeel bevestigd door de gewijzigde inzichten van de heer Goldstone zelf, zoals neergelegd in zijn ingezonden stuk in de Washington Post van 1 april 2011. De onderzoeken van Israël en de Palestijnse Autoriteit zijn nog niet afgerond. De regering hecht eraan niet op de uitkomst daarvan vooruit te lopen. Ik verwijs tevens naar de antwoorden op de vragen van de leden Voordewind c.s. naar aanleiding van het artikel van de heer Goldstone (ref brief DAM-404/11 d.d.19. mei 2011).
Deelt u de mening dat het uitblijven van een dergelijk onderzoek geen recht doet aan de slachtoffers aan beide zijden van het conflict en de rol van het internationaal recht ondergraaft?
Ja. Ik volg daarin de opvatting van de heer Goldstone, waar deze het uitblijven van onderzoek door de de facto autoriteiten in Gaza aan de kaak stelt.
Deelt u de mening dat het internationaal recht de grondslag moet vormen voor een rechtvaardige en duurzame vrede en garanties kan bieden voor een veilig en menswaardig bestaan voor zowel Israëlische als Palestijnse burgers, en dat niet het recht van de sterkste maar de kracht van het (internationale) recht de weg naar rechtvaardige vrede kan effenen?
Een duurzame vrede zal, in de visie van de Nederlandse regering, gegrondvest moeten zijn op een akkoord dat door beide partijen is uitonderhandeld, met inachtneming van het internationaal recht.
Bent u het eens met de ondertekenaars van het appèl, dat het moment gekomen is dat de internationale gemeenschap zich uitdrukkelijk en onomwonden dient uit te spreken voor een opvolging van het Goldstone-rapport op internationaal niveau? Zo neen, waarom niet en wanneer en onder welke voorwaarden zou dat moment volgens u dan wel aan de orde zijn?
Nederland hecht zeer aan uitvoering van onafhankelijke onderzoeken door de betrokken partijen naar mogelijke schendingen van humanitair oorlogsrecht en mensenrechten ten tijde van het gewapende conflict in Gaza. Nederland heeft dat ook altijd bepleit in EU- en VN-kader zowel als in gesprekken met Israël en de Palestijnse Autoriteit.
Nederland heeft daarnaast steeds kenbaar gemaakt geen voorstander te zijn van instelling van internationale opvolgingsmechanismes, omdat de eerste verantwoordelijkheid voor het doen van onderzoek naar internationale misdrijven en het vervolgen van verdachten bij betrokken partijen ligt. Naar het oordeel van de regering dient het internationaal overleg over de opvolging van het Goldstone-rapport gericht te zijn op de uitvoering en afronding van de nationale onderzoeken, gevolgd door afronding van de discussie, in het belang van het Midden-Oosten vredesproces. Dit is in VN- en in EU-kader steeds uitgedragen en hierover is de Tweede Kamer geïnformeerd in de rapportage over de Nederlandse inzet in de VN-Mensenrechtenraad.
Deze inspanningen zal de regering voortzetten. Zoals toegezegd tijdens het mondelinge vragenuur van 5 april 2011 zal de regering – bij de eerstvolgende gelegenheid – de herziening van de behandeling van het rapport-Goldstone in zijn totaal aankaarten, zowel in EU- als in VN-verband, in het licht van de gewijzigde opvattingen van de heer Goldstone.
Bent u bereid om zich in Europees verband voortvarend en actief in te zetten ten behoeve van een internationale opvolging van het Goldstone-rapport? Zo ja, welke stappen denkt u te ondernemen en op welke wijze rapporteert u hierover aan de Tweede Kamer? Zo neen, waarom niet en hoe denkt u dan dat Nederland kan bijdragen aan het recht doen aan de slachtoffers aan beide zijden van de Gaza oorlog?
Zie antwoord vraag 5.
Ondervoeding bij ouderen in verzorgingshuizen |
|
Sabine Uitslag (CDA), Ger Koopmans (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de tv-uitzending waarin een reportage te zien was over ondervoeding bij ouderen in verzorgingshuizen?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen het onderzoeksrapport van de Universiteit Maastricht, waarin staat dat verse maaltijden niet duurder hoeven te zijn dan kant-en-klaar maaltijden?
Dit onderzoek is mij niet bekend. Ik ontvang graag van u dat rapport zodat ik daar kennis van kan nemen.
Is bekend in hoeveel verpleeg- en verzorgingshuizen, psychiatrische ziekenhuizen en instellingen van gehandicaptenzorg kant-en-klaar maaltijden worden geserveerd, met als belangrijkste argument kostenbesparing? Klopt het dat kant-en-klaar maaltijden niet voldoen aan de vastgestelde maatstaven voor een goede maaltijd?
Kant-en-klaar maaltijden zoals getoond in de Vara uitzending van 21 maart zijn maaltijden waarmee voedingskundig niets mis is. Verderop in het Vara-item worden deze maaltijden door de heer Wisse, directeur van verzorgingshuis Naarderheem ook zo genoemd. Ze voldoen aan de maatstaven van een gezonde voeding en er wordt aanvullend rekening gehouden met de wensen van de klant. Naast het getoonde bedrijf in de Vara-uitzending zijn er tal van kleinschalige cateringinitiatieven die ook deze koelverse maaltijden aanbieden. Vanuit de visie van kostenbesparing en gemak wordt door diverse zorginstellingen van deze diensten gebruik gemaakt. Het is bij mij niet bekend hoeveel en welke zorginstellingen om bovenstaande redenen van deze dienstverlening gebruik maken.
Deelt u de mening dat «Gezelligheid kent geen (leef)tijd» kent? Vindt u dat er een relatie bestaat tussen ondervoeding en gezelligheid aan tafel?
Zoals ik in de beantwoording van de mondelinge vraag dinsdag 22 maart jl. al heb aangegeven is het mij zeker bekend dat ouderen beter eten, als er aandacht is voor de ambiance en de maaltijd smakelijk is. Dat is voor de voormalige ministers van LNV en VWS ook aanleiding geweest om eind 2010 de pilot «De genietende groene tafel» te ondersteunen. De resultaten van deze pilot gaven aanleiding om het onderwerp eten en drinken bij ouderen in zorginstellingen verder uit te werken in een parapluproject genaamd «een mooie maaltijd in de zorg» waarin het RIVM, TNO, Wageningen UR en zorgbedrijf/praktijkorganisatie Phliss participeren. Het bieden van aanknopingspunten voor de uitrol van «een mooie maaltijd in de zorg» over meerdere zorginstellingen is een belangrijk onderdeel van dit onderzoek. De ministeries van VWS en EL&I streven met dit project naar een gezond en duurzaam voedselaanbod in de zorg.
Bent u bereid om de Hazard Analysis Critical Control Points (HACCP)-normen, waarvan in de praktijk blijkt dat deze beperkend werken om creatief met voedsel om te gaan en een enorme bureaucratie met zich meebrengen (en dus geen tijd voor de bewoner), zo te vertalen dat met behoud van kwaliteit en met minder rompslomp een betere maaltijd op tafel gezet kan worden waarbij de gezelligheid leidend is? Met andere woorden, mag het potje jam weer op de ontbijttafel?
De HACCP-normen waar u op doelt zijn vastgelegd in de Hygiënecode voor de voedingsverzorging in zorginstellingen en Defensie. Deze code is per 1 januari 2009 van kracht. Het Voedingscentrum is houder van de code.
De HACCP-normen zijn niet in de eerste plaats geassocieerd met huiselijkheid en gezelligheid maar met veiligheid van de maaltijdbereiding en -verstrekking.
De Hygiënecode voor de voedingsverzorging in zorginstellingen en Defensie is een praktische vertaling van de HACCP-normen naar de situatie zoals die zich voordoet in zorginstellingen. Het betreft hier processen als: bestellen, ontvangst van goederen, opslag, bereiding, serveren, transport en afwas. De code zelf geeft geen aanleiding om een maaltijd vanuit het oogpunt van veiligheid minder huiselijk of gezellig te maken. Het potje jam waar u het over heeft mag echt op de ontbijttafel staan. Er is geen enkele HACCP-norm die dit tegenspreekt.
Ook de deelname van bewoners in de kleinschalige maaltijdbereiding, zoals aardappelen schillen, boontjes doppen, tafel dekken enz. zijn handelingen die met creativiteit en gezond verstand kunnen worden ingepast door het personeel dat met de maaltijdbereiding is belast. Ook dit wordt door geen enkele HACCP-norm tegengesproken.
De balans tussen enerzijds huiselijkheid en gezelligheid en anderzijds risicobeperking komt mijns inziens niet vanuit het versoepelen van regelgeving. Deze balans moet gevonden worden in het met gezond verstand en creativiteit inpassen van deze noodzakelijke regelgeving in de dagelijkse gang van zaken rondom maaltijdbereiding en –verstrekking in zorginstellingen. Hiervoor is de Hygiënecode voor de voedingsverzorging in zorginstellingen en Defensie een laagdrempelig en praktisch hulpmiddel om veilig met voedsel om te gaan.
In 2014 zal deze code herzien worden. Dat is een mooi moment om de praktische toepasbaarheid met de verschillende partijen uit het veld, weer eens nader onder de loep te nemen.
Hoe ziet u de balans tussen enerzijds huiselijkheid en gezelligheid en anderzijds risicobeperking?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om in nauw overleg met gebruikers van de zorg en de mensen uit de praktijk de regelgeving in dit kader aan te passen?
Zie antwoord vraag 5.
Onvrede over het onderwijs bij de twee Amsterdamse ROC's |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Hebben ook u berichten bereikt over de onvrede die er heerst bij de leerlingen van de twee Regionale Opleidingscentra (ROC) in Amsterdam te weten ROC Amsterdam en ASA Amsterdam?1
Op welke berichten u precies doelt, is mij niet bekend.
Naar aanleiding van uw eerdere signaal over langdurige lesuitval bij een Amsterdams roc heeft de inspectie navraag gedaan bij het ROC van Amsterdam. De inspectie heeft naar aanleiding van het signaal contact opgenomen met het ROC van Amsterdam. Daar bleek echter geen sprake van het in het signaal geconstateerde probleem. Daarna is de vraag voorgelegd aan Amarantis Onderwijsgroep (waar ROC ASA onder valt). Bij ROC ASA bleek op één locatie veel lesuitval te zijn geweest, maar er was geen sprake van uitval door ziekte van docenten gedurende anderhalf jaar in het hoofdvak. Reparatietrajecten zijn door ROC ASA ingezet en uitgevoerd. De door ROC ASA verstrekte informatie was duidelijk en vormde voor de inspectie geen aanleiding om naast het reguliere toezicht (o.a. een behoorlijk aantal lopende kwaliteitsonderzoeken) extra onderzoek te doen.
Van de Ombudslijn MBO ontvang ik maandelijks een rapportage over de klachten van studenten en ouders en de afhandeling daarvan door de instellingen. Bijna alle over beide Amsterdamse roc’s ingediende klachten zijn binnen de gestelde termijnen naar tevredenheid van de indieners afgehandeld.
Wat betreft het voortijdig schoolverlaten (VSV) laten beide roc’s helaas een matig resultaat zien. Bij het ROC van Amsterdam is het aantal vsv-ers in 2008–2009 gedaald met 23%. Bij ROC ASA is in diezelfde periode het aantal vsv-ers gedaald met 24%. De cijfers over de periode 2009–2010 laten een vermindering van de daling zien. Het ROC van Amsterdam kende een daling van 16% en ROC ASA kende een daling van 10%. Hierover zijn mijn ambtenaren uitvoerig in gesprek met de wethouder van Onderwijs van Amsterdam en de colleges van bestuur van beide roc’s.
Wat vindt u ervan dat de onvrede zich met name richt op de structurele lesuitval (Engels, Nederlands, hoofdvak), slechte stagebegeleiding en het nakomen van stageverplichtingen, zoals het opmaken van een stageovereenkomst en de gebrekkige begeleiding bij lessen en hoe wilt u deze ongewenste situatie stoppen? Wat gaat u hieraan doen?
Deze ervaringen zijn met name voor de betrokken studenten heel vervelend.
Deze studenten kunnen hun klachten bij de desbetreffende instelling in dienen.
Het is belangrijk dat studenten hun klachten bij hun eigen opleiding/instelling aan de orde stellen, zodat er wat aan gedaan kan worden. Als student en opleiding/instelling er écht niet uit komen kan de student zich wenden tot de Ombudslijn MBO. Een student kan zich ook met vragen en klachten wenden tot de Jongeren Organisatie in het Beroepsonderwijs (JOB) en/of de Inspectie van het Onderwijs.
De Inspectie van het Onderwijs behandelt geen individuele klachten, maar neemt de klachten die bij haar worden bekendgemaakt als signaal mee in het reguliere toezicht op de betreffende instelling. Naar aanleiding van ernstige signalen kán de Inspectie van het Onderwijs besluiten tot nader onderzoek.
Deelt u de mening dat leerlingen het recht hebben op goed onderwijs en dat het borgen van de kwaliteit van het onderwijs een verantwoordelijkheid is van de overheid? Zo ja, welke instrumenten heeft u in handen om de ROC’s aan de tand te voelen? Zo nee, waarom niet?
Vanzelfsprekend deel ik de mening dat studenten recht hebben op goed onderwijs. De verantwoordelijkheid voor het borgen van de kwaliteit van een opleiding ligt bij de onderwijsinstellingen. De instellingen leggen daarover verantwoording af in de jaarverslaggeving. De Inspectie van het Onderwijs is verantwoordelijk voor het toezicht op de instellingen.
Bij geconstateerde onvoldoende onderwijs- en/of examenkwaliteit kan ik besluiten de onderwijs- respectievelijk de examenlicentie van de betrokken opleiding in te trekken als de opleiding niet voldoende is verbeterd binnen een termijn van een jaar. Door meteen een waarschuwing af te geven bij onvoldoende onderwijs- en of examenkwaliteit heb ik het vervolgtraject bij onvoldoende onderwijskwaliteit verkort van 2 naar 1 jaar. Bij niet-naleving van wet- en regelgeving kan ik bovendien bekostigingsmaatregelen nemen.
Bent u, met het oog op de aangenomen motie-Çelik/Elias2 waarin wordt gevraagd scholen een boete op te leggen indien lesuitval niet tijdig wordt opgelost, voornemens om die boete op te leggen, indien de klachten van de leerlingen blijken te kloppen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Als vanwege lesuitval te weinig onderwijstijd wordt gerealiseerd, kan ik een bekostigingsmaatregel opleggen. Daartoe dient de Inspectie van het Onderwijs een onderzoek uit te voeren. De 850-urennorm maakt integraal deel uit van het Toezichtskader BVE van de Inspectie van het Onderwijs.
Bij het ROC van Amsterdam is destijds bij een aantal opleidingen geconstateerd dat de onderwijstijd onvoldoende is en daarvoor is een bekostigingsmaatregel opgelegd.
Heeft u regelmatig overleg met de G4 onderwijswethouders? Zo ja, in welke frequentie? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geregeld overleg met de G4 onderwijswethouders. Een precieze frequentie is lastig aan te geven. De G4 onderwijswethouders kom ik tegen in verschillende gremia, op meerdere momenten in het jaar over uiteenlopende onderwerpen.
Heeft u van de onderwijswethouder van Amsterdam eerder soortgelijke klachten gehoord? Zo ja, welke acties heeft u toen ondernomen?
Op 1 april 2010 heb ik, mede naar aanleiding van diverse klachten over de Amsterdamse roc’s, die mij onder andere via dhr. Marcouch bereikten, de Ombudslijn MBO ingesteld. In mei/juni van dit jaar zal ik de Ombudslijn MBO evalueren en daarna de Tweede Kamer informeren over de uitkomsten van deze evaluatie. Daarnaast heb ik de twaalf concrete klachten, die naar aanleiding van het signaal van dhr. Marcouch mij uiteindelijk zijn toegestuurd, aan de Inspectie van het Onderwijs voorgelegd.
De doorstroming van hbo-studenten naar de master |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat studenten op de Universiteit van Amsterdam die, na een hbo-bachelor, een verplicht schakeljaar volgen voor een master, een zogenaamde pre-masters, ingeschreven moeten worden als contractstudent?
Het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) heeft mij erop geattendeerd dat er twee universiteiten zijn die verhoogde tarieven voor de pre-masters willen vragen met ingang van het studiejaar 2012–2013, namelijk Universiteit van Amsterdam (UvA) en Vrije Universiteit Amsterdam (VUA).
Geldt dit ook voor andere onderwijsinstellingen?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Is het waar dat het collegegeld voor studenten voor deze pre-masters kan oplopen tot € 9000?
Ja, Universiteit van Amsterdam en Vrije Universiteit van Amsterdam zijn van plan voor het studiejaar 2012–2013 bedragen te vragen variërend van de hoogte van het wettelijk collegegeld tot € 100 – € 200 per studiepunt. De kosten voor een pre-master kunnen daardoor oplopen tot € 12 000.
Wat is de reden dat het collegegeld voor deze pre-masters verhoogd wordt?
De universiteiten vinden dat sommige doorstroomprogramma’s substantiële kosten met zich meebrengen die gecompenseerd moeten worden en kiezen ervoor dit te doen door de tarieven voor pre-masters te verhogen. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 6.
Wat betekent dit voor de doorstroom van studenten van het hbo naar de master?
De voornemens om het collegegeld voor de pre-masters te verhogen hebben betrekking op het studiejaar 2012–2013. Er zijn nu dus nog geen effecten bekend.
Deelt u de mening dat studenten met een hbo bachelordiploma niet om financiële redenen belemmerd mogen worden om een universitaire master te gaan volgen en dat dit daarom een onwenselijke situatie is?
In het algemeen vind ik dat universiteiten geen financiële belemmeringen voor studenten moeten opwerpen voor de doorstroom van een hbo-bachelor naar een wo-master. Dit is conform de bestuurlijke afspraak die in 2007 is gemaakt om voor doorstromers een instellingscollegegeld gelijk aan het wettelijk collegegeld te vragen.
Maar ik vind ook dat er grenzen zijn aan de lengte van schakelprogramma’s die tegen de hoogte van het wettelijk collegegeld worden aangeboden. Ik heb hierover bestuurlijk overleg gevoerd met VSNU. VSNU heeft aangegeven dat er grofweg drie groepen doorstroomprogramma’s zijn:
Alleen voor de derde groep is het gerechtvaardigd om een hogere bijdrage te vragen, omdat deze trajecten veel inspanningen van de instellingen vergen.
Dit is in overeenstemming met de toezegging van mijn voorganger dat een student die een bacheloropleiding heeft afgerond het recht heeft om voor een laag collegegeld een master te behalen – en indien nodig – ook een schakelprogramma voorafgaand aan de master tegen wettelijk collegegeld te volgen. Hierbij werd onder schakelprogramma een opleiding van beperkte duur verstaan, dat wil zeggen een half jaar, of bij hoge uitzondering een jaar (Eerste Kamer, 2009–2010, 32 123 VIII, E).
Kunt u aangeven welke stappen u gaat ondernemen om te voorkomen dat studenten met deze hoge kosten geconfronteerd worden?
Ik verwijs naar het hiervoor genoemde bestuurlijk overleg met universiteiten.
Daarnaast heb ik vorige maand aan de studentenorganisaties gevraagd mij vóór de zomer ervan op de hoogte stellen als er nog andere gevallen zijn dan deze laatste groep waaraan een zeer hoog collegegeld wordt gevraagd. Het ISO heeft mij hierover onlangs informatie gestuurd waaruit blijkt dat VUA en UvA overwegen m.i.v. 2012 hoger collegegeld te vragen. Ik zal contact opnemen met de betrokken instellingen en mij laten informeren over hun voornemens en ze wijzen op de met VSNU afgesproken gedragslijn in dezen.
Kunt u toezeggen zo spoedig mogelijk actie te ondernemen zodat studenten ruim voor komend studiejaar niet worden ontmoedigd om door te stromen naar een mastersopleiding?
Zie het antwoord op vraag 7.
De Hedwigepolder |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Opnieuw gesteggel over Hedwigepolder»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de door voormalig-minister Nijpels gecreëerde hetze rondom de Hedwigepolder niet zal bijdragen aan het op een rustige wijze zoeken naar alternatieven die de ontpoldering kunnen afwenden? Zo nee, waarom niet?
De opvatting van voormalig-minister Nijpels heeft de voorbereiding van het kabinetsbesluit niet verstoord. Ik verwijs naar mijn brief van 17 juni jl.
Deelt u de mening dat de waarschuwing van voormalig-minister Nijpels aan Deltares, waarin hij oproept om geen alternatief aan te dragen voor het onder water zetten van de Hedwigepolder in Zeeuws-Vlaanderen, een actie is om zijn eigen beschadigde imago te redden en dat de politiek deze mening dient te prullemanderen? Zo nee, waarom niet?
Een zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming staat bij mij voorop. Ik ga niet in op een beoordeling van uitspraken van voormalige bewindspersonen.
Kunt u garanderen dat u tot het uiterste zal gaan om alternatieven te vinden om de Hedwigepolder, geheel conform het regeerakkoord, niet onder water te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Een integratieklas in de regio Rotterdam |
|
Manja Smits (SP), Jeroen Dijsselbloem (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Scholen weigeren Deborah»1, waarin de zoektocht van ouders van kinderen met een verstandelijke beperking in de regio Rotterdam naar een school die een integratieklas mogelijk wil maken wordt beschreven?
Ja, ik ben op de hoogte van dit artikel en de zoektocht van deze ouders.
Sprak u begin februari de hoop uit dat er binnen niet al te lange tijd een school binnen het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs in de regio Rotterdam bereid is om een integratieklas te organiseren?2 Wat is de stand van zaken?
Op 2 februari 2011 heb ik de heer Cohen in een persoonlijke brief antwoord gegeven op zijn vragen omtrent het opzetten van een zogenoemde integratieklas voor leerlingen met een verstandelijke beperking in de regio Rotterdam. Op 8 februari 2011 heb ik een afschrift van mijn brief aan de heer Cohen gestuurd naar de vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Eveneens heb ik op 20 januari 2011 de Kamervragen van het lid Smits over deze kwestie beantwoord.
Tot op heden heeft er binnen het Rotterdamse samenwerkingsverband «Koers VO» nog geen school aangegeven een integratieklas te willen opzetten. Ik waardeer het dat «Koers VO» nog altijd bemiddelt in het vinden van mogelijkheden voor een integratieklas bij één van de scholen binnen hun samenwerkingsverband.
De scholen wilden hun eigen invulling geven aan een integratieklas in de regio Rotterdam; zijn er al afspraken gemaakt over deze invulling? Welke invulling willen de scholen geven aan een integratieklas?
Op dit moment zijn er nog geen concrete afspraken gemaakt over het opzetten van een integratieklas binnen het Rotterdamse samenwerkingsverband «Koers VO». Scholen die eventueel een integratieklas willen opzetten hebben de vrijheid om te zoeken naar een concept dat past binnen de mogelijkheden en de identiteit van de school. Daarbij geldt nog steeds dat een integratieklas alleen tot stand kan komen wanneer een schoolbestuur daar zelf voor kiest en er volledig achter staat. Daarnaast hebben scholen tijd nodig om een eventuele integratieklas op te zetten. Noch het samenwerkingsverband, noch ikzelf kunnen een school verplichten om een integratieklas op te zetten.
Welke inzet heeft het samenwerkingsverband «Koers VO» teneinde van een integratieklas tot stand te brengen ?
Het samenwerkingsverband «Koers VO» staat nog altijd welwillend tegenover het opzetten van een integratieklas voor leerlingen met een verstandelijke beperking bij één van de scholen binnen het samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband heeft een onderwijsconsulent ingezet om de mogelijkheden hiertoe te verkennen. Het samenwerkingsverband kan echter geen scholen dwingen om een integratieklas op te zetten.
Nu u in uw antwoord op Kamervragen van het lid Smits aangeeft de ontwikkelingen te zullen volgen,3 en in genoemde brief de hoop uitspreekt binnenkort te kunnen melden dat er in de regio Rotterdam een integratieklas gaat starten, welke inspanningen heeft u de afgelopen maanden geleverd om de integratieklas dichterbij te brengen?
De afgelopen maanden heeft mijn ministerie contact onderhouden met het samenwerkingsverband Koers VO en de heer Cohen. Daarbij heb ik beide partijen aangespoord tot het zoeken van oplossingen.
Wanneer zal de integratieklas in de regio Rotterdam van start gaan?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 zijn mij geen concrete afspraken bekend over de start van een integratieklas in de regio Rotterdam. Ik sta positief tegenover onderwijsvormen waarbij maatwerk wordt geboden aan leerlingen en zal daarom de ontwikkelingen omtrent het opzetten van een eventuele integratieklas in de regio Rotterdam blijven volgen.
Windmolens |
|
Jhim van Bemmel (PVV) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bewoners Bramelt strijden tegen de komst van windmolens»?1
Deelt u de mening dat het op het zijn minst vreemd te noemen is dat bewoners van de desbetreffende wijk in de media moeten vernemen dat de gemeente van plan is om drie grote windmolens te gaan bouwen? Zo ja, wilt u er bij de gemeente Deventer op aandringen dat zij in overleg gaan met de inwoners van Bramelt en de inwoners wijzen op de bezwaarprocedures die zij kunnen benutten?
Kunt u een overzicht geven van alle subsidie(s) die voor deze windmolens worden verstrekt en van welke begroting(en) deze subsidie(s) komen?
Slechte controle op leeftijdsgrenzen bij alcoholverstrekking en de falende campagnes om naleving te verbeteren |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het nalevingsonderzoek van de Universiteit Twente naar de effectiviteit van leeftijdscontrole in supermarkten?1
Ja.
Wat vindt u van de uitkomst dat jongeren onder de 16 jaar vrijwel altijd slagen in het aankopen van alcohol en dat het gemiddeld zo’n 12 minuten kost?
Deze uitkomst is zorgwekkend.
Wat vindt u van de conclusie dat verschillende campagnes van de laatste jaren voor naleving van leeftijdgrenzen geen enkel effect hebben gehad op de beschikbaarheid van alcohol? Op welke manier leveren uw ministerie en de nieuwe Voedsel en Warenautoriteit (nVWA) een bijdrage aan de campagne «Soms moet je nee verkopen», zowel in inspanningen als in geld? Bent u bereid deze steun te herzien, aangezien het een ineffectieve campagne betreft?
De conclusie dat de verschillende campagnes van verstrekkers «geen enkel effect»hebben gehad op de beschikbaarheid van alcohol laat ik voor rekening van de Universiteit van Twente. Het CBL geeft in reactie op dit onderzoek aan dat de campagnes wel een positief effect hebben gehad. Er is sprake van een stijging van het nalevingspercentage van 25% naar 32%. Dit percentage vind ik overigens veel te laag.
Het Ministerie van VWS heeft bijgedragen aan de CBL-campagne om tot 20 jaar legitimatie te vragen via personele inzet in de vorm van communicatieadvies door de alcoholvoorlichtingsdeskundigen van het Trimbos-instituut. Deze bijdrage was eenmalig.
Bent u bereid de afzwakking van de 3-strikes-out-maatregel in de nieuwe Drank- en horecawet te herzien, nu blijkt dat naleving van leeftijdgrenzen al jarenlang niet of nauwelijks verbetert? Deelt u de mening dat de ondernemer geacht wordt de wet goed na te leven? Zo ja, hoe wilt u dit effectief afdwingen?
Daartoe ben ik niet bereid. Ik ben van mening dat ondernemers altijd worden geacht de wet goed na te leven. Daarom is in de nieuwe Drank- en Horecawet het voorstel opgenomen het toezicht over te dragen aan gemeenten. Daardoor komen er meer toezichthouders en kunnen gemeenten voortaan zelf de prioriteiten bepalen en de beschikbare handhavingscapaciteit inzetten op die plaatsen waar veel jongeren komen en waar de leeftijdsgrenzen vaak worden overtreden. Op lokaal niveau kan vervolgens worden besloten de 3-strikes-out maatregel van toepassing te verklaren.
Is de handhavingcapaciteit voldoende om de 3-strikes-outmaatregel effectief te maken, gezien het beperkte aantal controles per jaar op dit moment? Bent u het er mee eens dat de termijn van 3-strikes-out binnen één jaar te kort is en dat een termijn van 3-strikes-out in drie jaar realistischer is?
Zie het antwoord op vraag 4. Mijns inziens is de termijn van 1 jaar voldoende om de «three strikes out» maatregel straks effectief in te kunnen zetten. Indien er sprake is van een situatie waarbij binnen enkele maanden een herhaalde overtreding van artikel 20 van de Drank- en Horecawet wordt geconstateerd, lijkt het mij dat er snel sprake zal zijn van een nieuwe controle. In dergelijke gevallen is een termijn van een jaar ruim voldoende. Voor dergelijke gevallen is de nieuwe maatregel ook bedoeld.
Hoe beoordeelt u de aanzienlijke verschillen tussen naleving bij leeftijdscontrole op afstand en naleving bij traditionele leeftijdscontrole bij verkoop, waarbij de naleving ook enkele jaren na het invoeren van de campagne om legitimatie tot 20 jaar te vragen, ongeveer 24% bij de eerste aankooppoging bedraagt?
Deze verschillen zijn significant. Zoals eerder aangegeven ondersteun ik het feit dat winkeliers effectieve controlesystemen inzetten om de leeftijdscontrole te verbeteren. Het is echter geen taak van de overheid een specifiek systeem of enkele specifieke systemen aan te bevelen.
Kan naar uw mening het gebruik van effectieve controlesystemen het toekomstige gemeentelijke toezicht op de naleving vergemakkelijken?
Ik ben van mening dat het inzetten van effectieve controlesystemen een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van de leeftijdsgrenzencontrole. De toepassing van dergelijke systemen zou kunnen leiden tot meer efficiëntie van het lokale toezicht, omdat de handhavingscapaciteit dan meer gericht kan worden ingezet op ondernemingen die geen gebruik maken van dergelijke systemen.
Welk nalevingspercentage bij alcoholverstrekking aan jongeren horen verkopers volgens u na te streven? Bent u het eens met de constatering dat statistisch gezien een nalevingsgraad van tenminste 90% nagestreefd moet worden, om de praktische manier waarop jongeren met slagingskansen omgaan bij de aankoop van alcohol tegen te gaan?
Verkopers zijn gehouden de controle op de leeftijdsgrenzen ten tijde van het verstrekken van alcoholhoudende drank zo goed mogelijk uit te voeren. In die gevallen dat dit niet gebeurt, moet er worden opgetreden.
Uit het onderzoek van de Universiteit van Twente komt naar voren dat de onderzoekers van mening zijn dat een nalevingspercentage van 90% redelijke zekerheid biedt om de aankoop van alcoholhoudende drank door jongeren tegen te gaan. Deze constatering laat ik voor rekening van de Universiteit van Twente. Wel ben ik van mening dat het huidige nalevingspercentage van 32% volstrekt onvoldoende is.
Bent u bereid er bij het Centraal Bureau Levensmiddelen (CBL) op aan te dringen een meer sluitend systeem van leeftijdscontrole op afstand actief te promoten bij zijn leden, ook gezien de positieve ervaringen van ondernemers die al gebruik maken van het systeem?
Op korte termijn komt er overleg met het betrokken bedrijfsleven om te bevorderen dat de geldende leeftijdsgrenzen beter worden nageleefd.
Wat is uw reactie op het recente onderzoek van Intomart/GfK dat zes op de tien Nederlanders vindt dat de leeftijdgrens voor alcoholverkoop moet worden verhoogd naar 18 jaar?2 Hoe beoordeelt u het draagvlak in de samenleving, de wetenschap en bij gemeenten voor de verhoging van de leeftijdgrens?
De resultaten van het onderzoek van Intomart/GfK neem ik voor kennisgeving aan. Ik deel het gevoel van urgentie dat de praktijk moet verbeteren. Ik ben van mening dat dit vooral kan worden bereikt door in te zetten op goede voorlichting, duidelijke normstelling en een strikte naleving van de geldende leeftijdsgrenzen. De maatregelen van het kabinet zijn gericht op betere handhaving van de regels, in plaats van de leeftijdsgrenzen steeds hoger te stellen, zonder te investeren in de handhaving.
Blijft u de wens van veel gemeenten negeren om de leeftijdgrens te verhogen, die een leeftijdgrensverhoging willen ten behoeve van de volksgezondheid, maar ook de veiligheid op straat? Bent u bereid om specifieke gemeenten die de leeftijd willen ophogen tot 18 jaar hiertoe in staat te stellen, zoals de gemeenten Utrecht, Rotterdam, Den Haag en gemeenten in West-Friesland?
Zie antwoord vraag 10.
De ondertiteling bij uitzending gemist |
|
Maarten Haverkamp (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de ondertiteling op uitzending gemist vaak ontbreekt?1
De stelling dat de ondertiteling op Uitzending Gemist vaak ontbreekt, verdient enige nuancering.
Van de uitzendingen van Nederland 1 en 2 die via «Uitzending Gemist» (UG) van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) beschikbaar komen is ongeveer 80% voorzien van geschreven ondertitels. Het percentage van Nederland 3-programma’s dat via UG wordt aangeboden ligt beduidend lager. Dit komt omdat veel kinderprogramma’s op Nederland 3 worden uitgezonden. Kinderprogramma’s bestemd voor kinderen tot 8 jaar worden niet ondertiteld.
Zijn er programma’s die, wanneer ze «live» uitgezonden worden, wel ondertiteld zijn maar via uitzending gemist niet worden ondertiteld? Zo ja, om hoeveel programma’s gaat het en wat is de reden dat de ondertitels niet via uitzending gemist worden doorgegeven?
Van de «live» uitgezonden Nederlandse programma’s zijn de Journaals en De Wereld Draait Door op Uitzending Gemist met ondertiteling beschikbaar.
De ondertiteling van overige live-programma’s kan soms van onvoldoende kwaliteit zijn om via UG beschikbaar te stellen. Reden is dat bij live-programma’s tijdens de uitzending fouten in de ondertiteling ontstaan die niet gecorrigeerd kunnen worden. Bovendien loopt bij live programma’s de ondertiteling niet altijd synchroon met het gesproken woord en is de kans op technische storingen groter, waardoor de ondertiteling bij sommige gedeeltes kan ontbreken. Correctie daarvan kost veel extra capaciteit die niet beschikbaar is en ten koste zou gaan van de wettelijke verplichte ondertiteling (95%) van Nederland 1, 2 en 3. Daarom heeft de NPO ervoor gekozen om deze correcties te beperken tot alle Journaals en De Wereld Draait Door.
Welke initiatieven zijn er om programma’s die «normaal» worden uitgezonden en programma’s die via uitzending gemist worden aangeboden zo goed mogelijk toegankelijk te maken voor doven en slechthorenden?
Op dit moment ondertitelt de NPO via pagina 888 van Teletekst ruim 95% van de Nederlandstalige programma’s op Nederland 1, 2 en 3. Hiermee voldoet de Publieke Omroep aan de wettelijke verplichting om uiterlijk in 2011 95% van de Nederlandse programma’s te ondertitelen. Bovendien wordt een aantal Journaals dagelijks ten behoeve van dove en slechthorende kijkers mede ondersteund door gebarentolken.
Van het aanbod van de programma’s op Uitzending Gemist wordt, zoals aangegeven bij antwoord 1, het grootste deel ondertiteld, hiervoor geldt overigens geen wettelijke verplichting.
Welk percentage van de uitzendingen wordt op dit moment ondertiteld en hoe beoordeelt u dit percentage? Is dat in uw ogen voldoende dan wel onvoldoende? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie de antwoorden bij de bovenstaande vragen 1, 2 en 3.
Het bericht dat een grote hoeveelheid gegevens over een burger beschikbaar is bij belbedrijven en overheden voor controle |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Verräterisches Handy»?1
Voor het gebruik van een mobiele telefoon is de verwerking van tal van gegevens, waaronder begrepen gegevens over de locatie van de telefoon, noodzakelijk. Zonder de verwerking van deze gegevens kan een netwerk voor mobiele telecommunicatie technisch niet functioneren en kan er ook geen rekening voor het gebruik van het netwerk en de dienst worden opgemaakt. In het artikel in «Die Zeit» wordt inzichtelijk gemaakt dat met behulp van deze gegevens een patroon van verblijf en beweging van de telefoon kan worden opgesteld.
Op welke wijze is de situatie van de opslag van gegevens van burgers en de mogelijkheden deze in te zien en te koppelen aan andere openbare bronnen in Nederland, vergelijkbaar met Duitsland?
In Nederland en Duitsland functioneren openbare telecommunicatienetwerken en -diensten wat betreft het verwerken van persoonsgegevens in technische zin op vergelijkbare wijze. Ook de wettelijke bepalingen die de verwerking van persoonsgegevens regelen zijn, vooral als gevolg van EU-richtlijnen, goed vergelijkbaar.
Een verschil is dat de Duitse telecommunicatiewetgeving de verwerking van abonneegegevens afzonderlijk regelt, en dit in Nederland valt onder het regime van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Het recht van inzage in persoonsgegevens kan in beide landen zonder onderscheid worden ingeroepen. Het is noch in Nederland, noch in Duitsland uitgesloten rechtmatig verworven persoonsgegevens te koppelen aan gegevens uit openbare bronnen, mits die nieuwe verwerking zelf ook rechtmatig is. Het recht op inzage kent de wet, zowel in Nederland als in Duitsland, alleen aan de betrokkene toe, niet aan derden. In het artikel in «Die Zeit» zijn de gegevens van de heer Spitz overigens door hemzelf aan die krant ter beschikking gesteld, vervolgens door de krant grafisch bewerkt en op een kaart geprojecteerd. Deze gegevens zijn niet verwerkt in combinatie met andere persoonsgegevens van de heer Spitz of van derden.
Welke gegevens mogen de belbedrijven precies op slaan?
Organisaties moeten op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) persoonsgegevens op behoorlijke en zorgvuldige wijze verwerken en opslaan. Bovendien, zo bepaalt de WBP, mogen persoonsgegevens alleen worden verzameld voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden en mogen ze niet verder worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen. In dit kader schrijft de WBP voor dat organisaties aan het College bescherming persoonsgegevens moeten melden welke persoonsgegevens zij verwerken en de doeleinden waarvoor deze persoonsgegevens worden gebruikt.
Voor wat betreft de verkeersgegevens, dat wil zeggen de door de aanbieders voor het overbrengen van communicatie over elektronische communicatienetwerken verzamelde en verwerkte gegevens, geldt als hoofdregel dat deze verwijderd dan wel geanonimiseerd moeten worden zodra de verkeersgegevens niet langer nodig zijn ten behoeve van de overbrenging van communicatie (artikel 11.5 Tw). Wel mogen de aanbieders conform het tweede en het derde lid verkeergegevens verwerken die noodzakelijk zijn voor facturering en voor zover dat noodzakelijk is voor marktonderzoeken of verkoopactiviteiten met betrekking tot elektronische communicatie diensten of dienst met toegevoegde waarde. Verder zijn de aanbieders verplicht hun abonnees of gebruikers in kennis te stellen over verkeersgegevens die worden verwerkt en de duur van de verwerking (artikel 11.5 lid 4). Dit wordt veelal gecommuniceerd en kenbaar gemaakt via de algemene webpagina van een aanbieder of de privacyverklaringen van betreffende telecomaanbieders.
Voor wat betreft de opslag en het gebruik van gegevens die de telecomaanbieders van hun abonnees of gebruikers verwerken waarmee de geografische positie van de randapparatuur van een gebruiker van een openbare elektronische communicatiedienst wordt aangegeven (de zogenaamde locatiegegevens), geldt dat dit slechts is toegestaan wanneer de gegevens niet herleidbaar zijn tot de betreffende persoon – oftewel geanonimiseerd – of indien de betreffende abonnee of gebruiker toestemming heeft gegeven voor de verwerking van diens locatiegegevens ten behoeve van de levering van een dienst met toegevoegde waarde.
Wel geldt in het kader van artikel 13.2a Tw, de zogenoemde bewaarplicht gegevens telecommunicatie. Dit houdt in dat historische verkeers- en locatiegegevens (zoals bepaald in de bij de telecommunicatiewet opgenomen bijlage) ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten een jaar bewaard dienen te worden. Na afloop van deze termijn zullen de gegevens vernietigd moeten worden.
Voor welke doeleinden mogen zij deze gegevens gebruiken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe lang mogen zij deze gegevens bewaren?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn de opgeslagen gegevens afdoende afgeschermd voor kwaadwillenden? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Het Agentschap Telecom oefent toezicht uit waar het gaat om het gebruik van verkeers- en locatiegegevens van gebruikers en abonnees van aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten. Bij het Agentschap zijn geen klachten bekend over niet afdoende afscherming van opgeslagen gegevens. Daarnaast oefent het College bescherming persoonsgegevens toezicht uit waar het gaat om de meer algemene bescherming van persoonsgegevens van burgers. Er is voor mij geen aanleiding om te veronderstellen dat deze verkeers- en locatiegegevens bij Nederlandse telecomaanbieders niet goed beveiligd zouden zijn.
Op welke wijze kunnen burgers bezwaar maken tegen het opslaan van deze gegevens?
Het recht van verzet tegen de verwerking van persoonsgegevens door aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en –diensten kan niet worden ingeroepen door abonnees en gebruikers. De verwerking van deze gegevens is gerechtvaardigd omdat er tussen abonnee en aanbieder een overeenkomst is gesloten waarin is bepaald dat de gegevens worden verwerkt. De overeenkomst kan zonder de verwerking van de gegevens niet worden uitgevoerd (zie daaromtrent de antwoorden op de vragen 1 en 3, 4 en 5).
Wel biedt de Telecommunicatiewet de abonnee en gebruiker de mogelijkheid toestemming aan de aanbieder te verlenen of in te trekken voor de verwerking van locatiegegevens ten behoeve van de levering van zogeheten toegevoegdewaardediensten.
Bent u van mening dat de privacy van burgers voldoende gewaarborgd wordt door belbedrijven die de gegevens opslaan? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe vaak worden de gegevens van burgers die bij belbedrijven opgeslagen liggen opgevraagd door de burger zelf? Hoe vaak wordt deze aanvraag gehonoreerd?
Er is navraag gedaan bij enkele aanbieders van openbare elektronische netwerken en -diensten. Door hen is aangegeven dat het opvragen van opgeslagen persoonsgegevens bij telecomaanbieders door gebruikers of abonnees slechts sporadisch voorkomt. Naar schatting worden er gemiddeld enkele verzoeken per telecomunicatieaanbieder per jaar gedaan. Ook is mij te kennen gegeven dat dergelijke verzoeken worden gehonoreerd.
Hoe vaak worden de gegevens van burgers die bij belbedrijven opgeslagen liggen opgevraagd door de overheid? Hoe vaak wordt deze aanvraag gehonoreerd?
Uit het op 25 januari jongstleden gepubliceerde jaarverslag 2010 van het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) komt naar voren dat er in dat jaar 2 592 320 (NAW) bevragingen zijn gedaan.2 Er zijn ondermeer 1 969 314 bevragingen gedaan naar de verkeersgegevens van gebruikers (op basis van artikel 126n Wetboek van Strafvordering) en 619 917 bevragingen gedaan naar de gebruikersgegevens communicatie (op basis van artikel 126na Wetboek van Strafvordering). Verder heeft het CIOT aangegeven dat er in de tweede helft van vorig jaar 24 021 bevragingen zijn geweest wat betreft historische verkeers-, en locatiegegevens. Telecombedrijven zijn verplicht om gegevens van hun klanten beschikbaar te stellen aan de overheid bij bevragingen in het kader van de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
Hoe vaak worden de gegevens van burgers die bij belbedrijven opgeslagen liggen opgevraagd door derden? Hoe vaak wordt deze aanvraag gehonoreerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, kent Nederland het recht op inzage alleen aan de betrokkene toe, niet aan derden. Uit navraag bij een tweetal telecomaanbieders heb ik begrepen dat verzoeken van derden niet worden gehonoreerd, tenzij de telecomaanbieder daartoe wordt verplicht op grond van een rechterlijke uitspraak. Er werd verder aangegeven dat vragen van derden gemiddeld zo’n vier tot acht keer per jaar binnen komen.
Bent u van mening dat burgers zich voldoende bewust zijn van welke gegevens over hen worden opgeslagen en hoe deze aan elkaar gekoppeld kunnen worden? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, bent u bereid deze bewustwording te stimuleren? Welke concrete stappen gaat u nemen om deze bewustwording te vergroten?
Voor het gebruik van een mobiele telefoon worden persoonsgegevens verwerkt. Het is een wettelijke verplichting van de aanbieders van deze diensten hun klanten daarover eigener beweging te informeren. De aanbieders stellen daarvoor privacyverklaringen op. Die verklaringen kunnen door abonnees en gebruikers op de websites van de aanbieders worden geraadpleegd. Abonnees en gebruikers worden daar attent gemaakt op de mogelijkheid om het recht van inzage uit te oefenen. Bovendien kunnen abonnees en gebruikers in de algemene voorwaarden bij de overeenkomsten die zij met hun aanbieders sluiten lezen hoe met hun gegevens wordt omgegaan of hoe zij daarover nadere informatie kunnen verkrijgen.
Het salaris van ICCO-voorzitter Marnius Verweij |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Speelt ICCO-topman Marinus Verweij met vuur»?1
Ja.
Klopt het dat topman Marinus Verweij van subsidieslurper ICCO jaarlijks bijna 10 000 euro meer verdient dan zijn voorganger?
Ja. Volgens de uitkomsten van het onderzoek naar directiesalarissen dat op
29 oktober 2010 in een Kamerbrief is aangeboden aan de Tweede Kamer, bedroeg het salaris van de directievoorzitter van ICCO op dat moment Eur 114 991,– . Op 1 november 2010 is de heer Verweij aangetreden als voorzitter van de Raad van Bestuur van ICCO. De heer Verweij heeft in de laatste twee maanden van 2010 een bruto salaris van ICCO ontvangen van Eur 21 162,55. Wanneer dat geëxtrapoleerd wordt naar een jaarsalaris, zou dit Eur 126 975,– bedragen. Daarmee wordt voldaan aan de DG-norm voor 2010.
De kwalificatie «subsidieslurper» is een substantief dat ik mij in dit verband overigens niet eigen maak.
Hoe waardeert u deze aanzienlijke salarisverhoging?
Met het instellen van de zogenoemde DG-norm is beoogd in redelijkheid een grens te stellen aan salarissen in de OS-sector.
De verantwoordelijkheid voor de vaststelling van het salaris ligt, mits deze de DG-norm niet overschrijdt, bij de subsidieontvanger. Hoe wijs het is om in een tijd van noodzakelijke bezuinigingen en een kritisch maatschappelijk klimaat een dergelijke verhoging toe te passen, is weer een andere vraag.
Deelt u de mening dat de voorzitter van de Raad van Toezicht van ICCO – Doekle Terpstra – beter niet akkoord had kunnen gaan met deze salarisverhoging, zeker nu de subsidie voor ICCO naar beneden is bijgesteld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3.
Milieuzones |
|
Dion Graus (PVV), Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat milieuzones slecht toegankelijk zijn voor voertuigen van ondernemers binnen de milieuzone en van voertuigen van de kermis- en circusbranche en dat dit slecht is voor de economie?
Nee, deze mening deel ik niet. Een milieuzone is één van de maatregelen die gemeenten kunnen nemen binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) om aan de luchtkwaliteitsnormen te voldoen. In Nederland zijn momenteel 12 gemeenten met een milieuzone voor vrachtverkeer. De Europese Commissie heeft normen gesteld om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het NSL is een programma waarmee wordt aangetoond dat Nederland de Europese luchtkwaliteitsnormen op tijd gaat halen. In het -met alle overheden tezamen- opgestelde programma zijn alle geplande ruimtelijke projecten opgenomen en alle maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Het NSL heeft ervoor gezorgd dat Nederland van het «bouwslot» afgekomen is en geeft daarmee juist een impuls aan de economie.
Voor het beperkte aantal ondernemers met één of meer vrachtauto’s in het bezit (die niet aan de eisen voldoen) dat gevestigd is binnen de milieuzone geldt dat gemeenten zorgvuldig omgaan met een beroep op de gemeentelijke hardheidsclausule. Hiermee kan een langdurige ontheffing worden verkregen. Een beroep hierop slaagt als de desbetreffende ondernemer failliet dreigt te gaan door de milieuzone-eisen of als de ondernemer een onevenredig grote investering zou moeten doen. Het uitgangspunt is dat ondernemers niet failliet mogen gaan door de eisen van een milieuzone. Tot op heden hebben mij geen signalen bereikt van gemeenten of bedrijfsleven dat er daadwerkelijk ondernemers failliet zijn gegaan als gevolg van de milieuzone. Daarnaast is er de mogelijkheid dat als een ondernemer overgaat tot de aanschaf van een schoner voertuig, dat in dat geval een ontheffing kan worden verkregen voor het oude voertuig tot het moment van levering van het nieuwe voertuig.
Kermisvoertuigen zijn in het Convenant Stimulering Schone Vrachtauto’s en Milieuzonering aangemerkt als bijzonder voertuig. Dit betekent dat deze voertuigen vanwege hun langere levensduur toegang tot de milieuzone hebben tot ze de leeftijd van 13 jaar hebben bereikt. Voor gewone vrachtwagens wordt uitgegaan van een levensduur van 8 jaar. In de helft van de milieuzonesteden ligt het kermisterrein binnen de milieuzone, in de andere helft van de steden niet. Uit tellingen van de Belastingdienst van begin 2011 blijkt dat er ongeveer 900 kermis- en circusvoertuigen in Nederland ouder zijn dan 13 jaar. Deze voertuigen moeten een dagontheffing aanvragen als zij de milieuzone in willen rijden. Staat een voertuig stil gedurende de kermis, dan hoeft voor die dagen geen ontheffing te worden aangevraagd. Dit betekent in de praktijk dat er meestal 2 maal een ontheffing à 25 euro per dag dient te worden aangevraagd voor de dag van opbouw en de dag van afbouw. Naast de mogelijkheid van een dagontheffing (maximaal 12 keer per jaar per gemeente) bestaat er voor de voertuigen ouder dan 13 jaar een mogelijkheid om een beroep te doen op de gemeentelijke hardheidsclausule. Gegeven de hierboven beschreven ontheffingensystematiek, de beperkte omvang van het kermiswagenpark en de relatief lage kosten van de ontheffing voor de ondernemer, leidt het regime wat mij betreft niet tot een significante verslechtering van de economische situatie
Bent u bekend met het feit dat ondernemers veel tijd kwijt zijn met het aanvragen van een ontheffing en dat zij bovendien worden overspoeld met administratieve en financiële lasten?
Ik ben niet van mening dat ondernemers veel tijd kwijt zijn met aanvragen van een ontheffing of dat zij overspoeld worden met administratieve en financiële lasten. Het aanvragen van een dagontheffing gaat via een zeer eenvoudige digitale aanvraagprocedure. De dagontheffing is 30 uur geldig. De controle gebeurt digitaal op basis van het kenteken. Er hoeft dus geen bewijs van betaling of een ontheffing in de vrachtwagen aanwezig te zijn. Sommige gemeenten hebben de faciliteit dat de ontheffing voor de milieuzone tegelijk met een standplaats- of evenementenvergunning aangevraagd kan worden. Dit scheelt dan in de administratieve lasten van de ondernemer.
Zo ja, wilt u de mogelijkheid bekijken om uw weigering om de kermis- en circusbranche een ontheffing te verlenen te herzien, om zo de kermis- en circusbranche tegemoet te treden in een vermindering van regels en kosten?
Zie het antwoord op vraag 2; ondernemers wordt – mits zij aan de criteria voldoen – geen (lokale) ontheffing geweigerd. Gedurende de afgelopen jaren zijn vrachtauto’s een stuk schoner geworden. Vrachtauto’s van 13 jaar en ouder zijn relatief erg vervuilend, dus verlenging van de termijn van 13 jaar of het verlenen van volledige vrijstelling aan de kermisvoertuigen zou het effect van de milieuzone ondergraven. Bovendien leidt verlenging tot een onevenredige bevoordeling ten opzichte van eigenaren van gewone vrachtauto’s, waaraan wel strengere roetfilter- en leeftijdseisen worden gesteld.
Bent u op de hoogte van het feit dat het voertuigenpark in de kermis- en circusbranche een levensduur heeft welke ligt tussen de 30 en 40 jaar? Zo ja, vindt u de nu geldende criteria, waarbij auto’s ouder dan dertien jaar extra worden belast, dan niet bijdragen aan de financiële doodsteek voor de kermis- en circusbranche?
Ik ben ervan op de hoogte dat voertuigen in de kermis- en circusbranche over het algemeen minder kilometers maken en langer gebruikt worden dan andere vrachtauto’s. Voor «gewone» vrachtauto’s gaat het Convenant Stimulering Schone Vrachtauto’s en Milieuzonering uit van een gemiddelde levensduur van 8 jaar. In het convenant wordt dus al tegemoet gekomen aan de langere levensduur van kermis- en circuswagens door deze als «bijzonder voertuig» te bestempelen totdat ze 13 jaar oud zijn. Dit houdt in dat deze voertuigen tot die tijd toegang hebben tot de milieuzones. Voor ondernemers die door de milieuzone-eisen een onevenredig grote investering zouden moeten doen, is een beroep op de gemeentelijke hardheidsclausule mogelijk. Bovendien worden vrachtauto’s ouder dan 13 jaar niet extra belast, maar hebben zij – zoals aangegeven – juist langer toegang tot de milieuzone dan een gemiddelde vrachtwagen.
Bent u bekend met het feit dat fijnstofoverschrijdingen vooral te wijten zijn aan het weer en dat schommelingen daarbij niet te beïnvloeden zijn door verkeersmaatregelen? Zo nee, kunt u een overzicht geven van elke milieuzone, maar ook van elk omliggend gebied rondom de milieuzone, in Nederland met daarbij het percentage fijnstof vóór en na de invoering van de milieuzone?
Het is mij bekend dat de weersomstandigheden een belangrijke rol spelen voor wat betreft het optreden van relatief hoge of lage concentraties van luchtverontreiniging. Echter, voor het halen van de Europese normen gaat het primair om het omlaag brengen van de jaargemiddelde concentraties. Dit kan slechts bereikt worden door de emissies (onder andere van het verkeer) structureel te verminderen. Milieuzones hebben effect op de uitstoot van stikstofdioxide (NO2) en fijn stof. Een recente studie (oktober 2010) van bureau Goudappel Coffeng (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 31 305, nr. 188) laat dit zien.
Op NSL-knelpuntlocaties waar de maximale gemiddelde jaarlijkse stikstofdioxide (NO2)-concentratie (40 µg/m³) dreigt te worden overschreden, kan – afhankelijk van het aantal vrachtautobewegingen – het hebben van een milieuzone vanaf 2013 leiden tot een afname van de concentratie NO2 met 0,3 μg/m³. Daarmee levert de milieuzone een bijdrage aan het oplossen van resterende NO2-knelpunten. Voor de fijnstof (PM10)-concentratie wordt op NSL-knelpuntlocaties een reductie van 0,15 tot 0,25 μg/m³ bereikt. De verwachte effecten voor 2013 en 2015 zijn vergelijkbaar.
De hulp aan kinderen van gescheiden ouders |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de TV-uitzending «Kinderen verstoken van hulp na echtscheiding»?1 Bent u bekend met het probleem dat artsen, psychologen en andere hulpverleners pas met een onderzoek of behandeling kunnen beginnen als beide ouders hiervoor toestemming geven, hetgeen niet altijd het geval is, bijvoorbeeld na een echtscheiding?
Ik heb kennis genomen van bedoelde TV-uitzending. Het is een slechte zaak als kinderen niet de zorg zouden krijgen die ze nodig hebben. Ik ben bekend met het feit dat beide ouders2 voor de behandeling van kinderen tot 16 jaar toestemming moeten geven als zij beiden ouderlijk gezag hebben. Het is echter niet zo dat wanneer één van beide ouders geen toestemming geeft, een onderzoek of behandeling per definitie uitgesloten is. In de TV-uitzending blijven de wettelijke mogelijkheden onderbelicht.
Deelt u de mening dat gewaarborgd moet zijn dat kinderen die hulp nodig hebben deze hulp ook krijgen, ook wanneer een van beide ouders niet bereid is hiervoor toestemming te geven? Deelt u eveneens de mening dat een conflict tussen de ouders de behandeling van het kind niet in de weg mag staan? Zo niet, waarom niet?
Ik ben van mening dat kinderen een noodzakelijke behandeling niet mag worden onthouden. Een eventueel conflict tussen beide ouders mag dit niet verhinderen. De huidige regelgeving biedt mijns inziens voldoende mogelijkheden om te zorgen dat, ook bij een conflict tussen beide ouders, het kind de noodzakelijke behandeling krijgt. Op grond van de Wgbo kunnen behandelingen die niet van ingrijpende aard zijn zonder expliciete toestemming van de ouders worden verricht. De toestemming wordt verondersteld.3 Of een behandeling wel of niet ingrijpend van aard is hangt af van de aard of de gevolgen van de behandeling. Niet ingrijpend van aard zijn onschuldige en voor de hand liggende handelingen4 en behandelingen waarbij de geestelijke of lichamelijke integriteit van de patiënt niet of nauwelijks in het geding is.5
Ingeval een behandeling ingrijpend van aard is, moet onderscheid gemaakt worden tussen drie leeftijdscategorieën:
Voor een ingrijpende behandeling bij een kind dat jonger is dan 12 jaar, moeten beide ouders in principe instemmen. Zodra evenwel de tijd ontbreekt om toestemming te vragen en de onverwijlde uitvoering van de behandeling kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen, kan de hulpverlener ook zonder toestemming van de ouders overgaan tot behandeling.6 Onder hulpverlener op grond van de Wgbo wordt ook de gezondheidszorgpsycholoog verstaan.
Voor kinderen in de leeftijd van 12 tot en met 15 jaar is weliswaar uitgangspunt dat zowel toestemming van de ouders als van het kind zelf nodig is, maar zodra behandeling de weloverwogen wens van het kind is, kan een kind behandeld worden. De mening van het kind is in deze leeftijdscategorie dus doorslaggevend. Behandeling is in principe mogelijk als deze kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor het kind te voorkomen.7
Kinderen vanaf 16 jaar mogen zelf beslissen over zaken die hun gezondheid betreffen.8 Toestemming van de ouders is niet nodig.
Uit het voorgaande volgt dat de problematiek van het expliciete weigeren van toestemming van (één van) beide ouders, speelt bij kinderen onder de 12 jaar of een kind in de leeftijd van 12 tot en met 15 jaar dat geen weloverwogen wens tot behandeling heeft of kan hebben en waarbij het kennelijk niet nodig is om de behandeling onverwijld uit te voeren om ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen. Als een ouder met een kind in die leeftijdscategorie het niet eens is met een ingrijpende behandeling, zijn er de volgende mogelijkheden.
Een ouder kan het meningsverschil aan de rechter voorleggen en deze vervangende toestemming vragen.9 De rechter zal dan allereerst proberen om de ouders tot overeenstemming te brengen. Als dit niet lukt zal de rechter (uiterlijk binnen zes weken) een beslissing nemen die hij in het belang van het kind wenselijk acht. De rechter kan ook een bijzonder curator benoemen om de belangen van het kind al dan niet in rechte te behartigen.10
Bij onvoldoende tijd om deze rechterlijke beslissing af te wachten bestaat de mogelijkheid om contact op te nemen met de Raad voor de Kinderbescherming of de officier van justitie.11 De rechter kan op verzoek van de Raad of de officier van justitie in spoedeisende gevallen aan een Bureau Jeugdzorg de voorlopige voogdij over het kind toewijzen. Deze kan dan toestemming geven voor de behandeling.
Ten slotte is in dit verband van belang dat de beslissing van (één van) de ouders er nooit toe kan leiden dat de hulpverlener moet handelen in strijd met de zorg van een goed hulpverlener.12 Goed hulpverlenerschap gaat over welke zorg een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.13 Een hulpverlener kan bijvoorbeeld twijfels hebben of de ouder zich volledig door het belang van zijn patiënt laat leiden of dat er veeleer subjectieve waardeoordelen meespelen of wellicht zelfs eigenbelang.14 Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als toestemming voor een medisch noodzakelijke maar kostbare behandeling wordt geweigerd. De hulpverlener mag daarom niet zomaar iedere wilsuiting van de ouder volgen en heeft in de beoordeling daarvan een eigen verantwoordelijkheid.15 Het gaat hier om uitzonderlijke gevallen waarin de ouder kennelijk niet in het belang van het kind handelt.16 De hulpverlener kan dan onder omstandigheden toch tot de behandeling overgaan. Bij de afweging zijn onder meer de reden van de weigering van de ouder en de gedragsregels die door de desbetreffende beroepsorganisatie worden gehanteerd, van belang.
Voor de volledigheid verwijs ik u naar de brief die de toenmalige Minister voor Jeugd en Gezin in mei 2010 aan beroepsorganisaties heeft gestuurd, teneinde over bovenstaande kwesties duidelijkheid te verschaffen.17
Bent u van mening dat de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (de Wgbo) voldoende ruimte biedt om de noodzakelijke hulp te verlenen aan kinderen zonder toestemming van beide ouders? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe moet de arts of hulpverlener beoordelen of er sprake is van «ernstig nadeel» voor de patiënt, het criterium van de artikelen 7:450 lid 2 en 7: 466 BW lid 2, wanneer deze arts of hulpverlener het kind niet mag zien omdat een van beide ouders weigert toestemming te geven? Hoe gaat u er voor zorgen dat de hulpverlener, bijvoorbeeld een psycholoog of psychiater, het kind in ieder geval kan zien om in te schatten of hulpverlening noodzakelijk is voor het kind?
Een arts of hulpverlener moet een kind zien om te kunnen beoordelen dat een behandeling kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor het kind te voorkomen.
Als een ouder geen toestemming geeft en de hulpverlener daardoor in eerste instantie niet in staat is om het kind te zien, kan de hulpverlener eventueel een gesprek aangaan met de weigerachtige ouder om deze te overtuigen van het belang van het kind dat de hulpverlener het kind kan zien om te kunnen beoordelen of behandeling nodig is. Leidt dit niet tot het gewenste resultaat, dan kan de kwestie, zoals hierboven vermeld onder 2 en 3, zowel door de andere ouder als de hulpverlener (met hulp van Raad voor de Kinderbescherming of de officier van justitie) aan de rechter worden voorgelegd.
Bent u bereid de Wgbo zo te wijzigen dat er meer ruimte ontstaat om kinderen te onderzoeken of te behandelen in die gevallen dat er geen sprake is van toestemming van beide ouders en het kind klem komt te zitten? Zo nee, waarom niet? Welke maatregelen bent u dan bereid te nemen om er voor te zorgen dat ook kinderen van gescheiden ouders de hulp krijgen die zij nodig hebben?
Ik ben van mening dat, gezien bovenstaande beantwoording, het toepasselijke recht voldoende ruimte biedt om, bij gebrek aan toestemming van één van de ouders die met ouderlijk gezag is belast, kinderen de noodzakelijke hulp te bieden die zij nodig hebben.
Bent u in ieder geval bereid met hoogleraren en Jeugdzorg Nederland in gesprek te gaan over deze problematiek en de wenselijke wijziging van de Wgbo? Zo nee, waarom niet?
Ja, inmiddels is een gesprek gepland met Jeugdzorg Nederland en een betrokken hoogleraar om van gedachten te wisselen over deze problematiek.
Het bericht dat ADO-spelers het lied 'We gaan op jodenjacht' na de gewonnen wedstrijd tegen Ajax hebben gezongen |
|
Joram van Klaveren (PVV), Richard de Mos (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «ADO-spelers misdragen zich: We gaan op jodenjacht»?1
Ja.
Deelt u de visie dat het oproepen op jodenjacht te gaan te allen tijde walgelijk is en ook als zodanig bestempeld dient te worden? Zo nee, waarom niet?
Het oproepen tot jacht op welke bevolkingsgroep dan ook, is altijd onaanvaardbaar. In casu is door de aanklager betaald voetval van de KNVB en door de club zelf vrijwel direct adequaat gereageerd door de personen in kwestie schorsingen op te leggen.
Omdat het incident plaats vond in een besloten ruimte was er voor het OM geen rol weggelegd.
Welke concrete maatregelen denkt u, in overleg met de KNVB, te gaan nemen om dergelijke antisemitische uitlatingen in het betaalde voetbal voortaan tegen te gaan?
De Minister van VWS heeft u, mede namens mij, op 22 april jl. een actieplan toegezonden waarin o.m. maatregelen staan die ongewenst gedrag en excessen in en rond de sport tegen moeten gaan.
Nog voor de zomer zullen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik met een brief komen over de aanscherping van het antidiscriminatiebeleid.
De financiële problemen van het Admiraal De Ruyter Ziekenhuis |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kloppen de berichten dat er sprake is van een dreigend faillissement van het Admiraal De Ruyter Ziekenhuis (ADRZ) in Vlissingen en Goes?1
Ik heb bij het ADRZ navraag gedaan. Het ADRZ heeft mij gemeld dat op dit moment van een dreigend faillissement geen sprake is.
Hoe groot is het financiële tekort bij het ADRZ? Is sprake van een tekort van 14 miljoen euro zoals media berichten of is er sprake van een korting van 8 miljoen euro van overheidswege zoals het ADRZ stelt?23
Het ADRZ heeft in haar berichtgeving gemeld dat het gaat om een korting op de begroting 2011 van € 8 miljoen. Zonder deze korting zou het ADRZ eind 2011 met een tekort van € 8 miljoen eindigen. Volgens ADRZ is het in de pers genoemde tekort van € 14 miljoen onjuist. Het ADRZ heeft in haar berichtgeving een korting van overheidswege van structureel € 6 miljoen gemeld en aanvullende bezuinigingen van € 2 miljoen, tezamen dus € 8 miljoen.
Is het bericht waar dat het grote tekort onder andere wordt veroorzaakt door de kosten van de fusie? 2) Kunt u precies aangeven hoeveel de fusie het ADRZ nu heeft gekost? Hoe heeft de adherentie zich ontwikkeld sinds de fusie heeft plaatsgevonden tussen het Ziekenhuis Walcheren en het Oosterschelde Ziekenhuis? Klopt het dat de adherentie sterk terugloopt door het gebrek aan draagvlak voor het fusieziekenhuis?
Is het bericht waar dat de budgetkorting die u alle ziekenhuizen heeft opgelegd het ADRZ verder in de problemen heeft gebracht? Hoe groot is de budgetkorting die u het ADRZ heeft opgelegd?
Het betreft hier gedetailleerde informatie over een individuele zorginstelling. De door u gevraagde informatie is marktgevoelig. Ik beschik niet over deze informatie, maar zou u deze in verband met de marktgevoeligheid ook niet kunnen geven.
Bent u van mening dat er sprake is van wanbeleid, zoals Zeeuwse politici beweren? Kunt u een toelichting geven?
De verwerking van de budgetkorting noopt het ADRZ inderdaad tot aanvullende maatregelen, zoals het ADRZ deze inmiddels zelf heeft aangekondigd.
Het ADRZ heeft in haar berichtgeving een korting van overheidswege van structureel € 6 miljoen gemeld.
Heeft het ontstane tekort gevolgen voor de nieuwbouwplannen van het ADRZ? Zo ja, welke?
Het is niet aan mij om daar uitspraken over te doen of onderzoek naar te laten doen. Dat is aan direct belanghebbende partijen, bijvoorbeeld de Raad van Toezicht, Ondernemingsraad of cliëntenraad. Zij hebben ook het daartoe geëigende instrumentarium.
Welke personele consequenties hebben de financiële problemen voor het personeel van het ziekenhuis? Worden er mensen gedwongen ontslagen? Zo ja, hoeveel? Wat is daarover uw oordeel?
In mijn brief aan uw Kamer van 2 maart 2011 heb ik aangegeven dat het ADRZ er nog niet in is geslaagd een sluitende business case te presenteren voor één van de voorliggende bouwscenario’s. Dat betekent dat in elk scenario de kosten hoger zijn dan de inkomsten. In de brief van 2 maart 2011 heb ik verder aangegeven dat het aan het ADRZ is om in overleg met potentiële financiers, verzekeraars en lokale partijen tot een alternatief investeringsplan te komen, mogelijk aan de hand van een bredere toekomstschets van hoe de (ziekenhuis)zorg in Zeeland op termijn moet worden georganiseerd.
De structurele korting op de begroting van ADRZ zal meegenomen moeten worden bij de toekomstige plannen.
Op welke wijze kunt u de continuïteit van het ADRZ garanderen? Is de kwaliteit op een adequaat peil? Hoe garandeert u adequate ziekenhuiszorg op Walcheren? Gaat u nog maatregelen daartoe nemen? Gaat u het ziekenhuis een aanwijzing geven?
Voor zover er sprake zou zijn van ontslagen is dat voor de individuele werknemers die het betreft natuurlijk een erg vervelende situatie. De gunstige arbeidsmarktsituatie in de zorg kan hen echter weer nieuwe kansen bieden.
Het is nu aan het ADRZ zelf om de maatregelen te nemen die zij nodig acht. Ik heb daar geen oordeel over, zolang de kwaliteit en bereikbaarheid van de cruciale zorg niet in het geding komt. De IGZ houdt daar toezicht op.
Het ADRZ bericht zelf over de maatregelen die zij neemt, onder meer in haar nieuwsbrief voor stakeholders. In haar nieuwsbrief van 22 maart 2011 geeft ADRZ aan dat de formatie met 134,5 fte verminderd moet worden ten behoeve van een sluitende begroting 2011. ADRZ meldt dat het «Doorlopend Sociaal Plan» van toepassing is. Mij is op dit moment niet bekend of sprake zal zijn van gedwongen ontslagen.