Vastgoed |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Vastgoed is schikkingen zat, elke grote vastgoedfraude voor de rechter»?1
Ja.
Ziet u dat er door de schikkingen in grote vastgoedzaken onduidelijkheid blijft bestaan in de vastgoedmarkt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de voormalig verdachte?
Ik constateer dat partijen op de vastgoedmarkt zich afvragen hoe zij bij hun streven naar het bevorderen van de integriteit in de sector dienen om te gaan met (rechts)personen die een transactie zijn aangegaan met het Openbaar Ministerie (OM). Marktpartijen moeten zelf beslissen met wie zij zaken willen doen en met wie niet. Het enkele feit dat een partij door het OM een transactie krijgt aangeboden, geeft aan dat er volgens het OM sprake is van een bewijsbaar strafbaar feit. Om de beslissing of er al dan niet zaken gedaan dient te worden met een partij verder te vergemakkelijken, hebben marktpartijen een aantal mogelijkheden. Niet alleen kunnen zij vanzelfsprekend aan de betreffende partij navraag doen over de precieze inhoud van de schikking. Ook kunnen zij een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) voor rechtspersonen verlangen. Een transactie met het OM staat geregistreerd in de justitiële documentatie en wordt bij de afweging of een VOG afgegeven betrokken.
Bent u bereidt om instructie te geven dat het Openbaar Ministerie bij vervolging van fraudes niet zomaar schikt zonder publieke schuldbekentenis of het anders voor de rechter brengt?
Het Openbaar Ministerie gaat over tot een transactieaanbod als het de verdachte schuldig acht aan het strafbare feit en meent dat de zaak bewijsbaar is. Op grond van artikel 74 Wetboek van Strafrecht kan het Openbaar Ministerie de verdachte voorwaarden stellen ter voorkoming van strafvervolging. In aanvulling hierop is in de Aanwijzing hoge en bijzondere transacties bepaald aan welke eisen deze transacties moeten voldoen. Het is aan de verdachte om al dan niet met het transactieaanbod in te stemmen. De schuldbekentenis is noch voor het transactieaanbod door het Openbaar Ministerie noch voor de strafoplegging door de rechter een vereiste. Als de verdachte niet instemt met het transactieaanbod wordt de zaak altijd aan de rechter voorgelegd.
Kunt u bevorderen dat de Nederlandsche Bank en Autoriteit Financiële Marktenkenbaar maken of bedrijven wel of geen zaken mogen doen met schikker?
Het is niet aan de Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële Markten om voor te schrijven met welke natuurlijke of rechtspersonen de onder toezicht gestelden2 zaken kunnen doen. Onder toezicht gestelden hebben een eigen, wettelijke, verantwoordelijkheid voor een integere bedrijfsvoering ter beheersing van integriteitrisico’s. Dit houdt onder meer in dat zij moeten weten met wie zij zaken doen en wie hun klanten zijn.
Overigens dient een onder toezicht gestelde die betrokken is bij een transactie met het OM dat onverwijld aan de toezichthouder te melden. De toezichthouder kan vervolgens de afweging maken of een dergelijke schikking zou kunnen leiden tot een heroverweging van iemands betrouwbaarheid en/of deskundigheid. Dat bepaalt of de persoon nog langer actief kan of mag zijn in de sector.
Van belang in dit verband is tevens, dat DNB onlangs de «Beleidsregel met betrekking tot integriteitbeleid ten aanzien van zakelijke vastgoedactiviteiten» heeft gepubliceerd. Daarin wordt aangegeven wat van financiële partijen wordt verwacht in verband met de bestrijding van integriteitrisico’s die voortvloeien uit vastgoedtransacties. Zoals aangeven is het de verantwoordelijkheid van de sector om -met behulp van de beleidsregel- adequate maatregelen tegen vastgoedfraude te nemen.
Bent u bereid om te bevorderen dat alle schikkingen met naam en alle details openbaar gemaakt worden, zodat de markt ook nog een eigen afweging kan maken?
Het Openbaar Ministerie brengt bij hoge transacties en bijzondere transacties een persbericht uit. Dit is bepaald in de Aanwijzing hoge en bijzondere transacties. In het persbericht worden bepaalde details openbaar gemaakt. Dit zijn in elk geval de naam van de verdachte met wie is getransigeerd en de strafbare feiten waarop de transactie ziet. In de onderhavige vastgoedzaak zijn transacties middels persberichten openbaar gemaakt. Deze openbaarmaking dient het algemeen belang. Het persbericht biedt compensatie voor het feit dat er door de transactie geen openbare behandeling ter terechtzitting meer plaatsvindt en evenmin sprake is van een openbare rechterlijke uitspraak waarvan een generaal preventieve werking uitgaat.
In het antwoord op vraag 2 heb ik aangegeven dat marktpartijen een VOG kunnen verlangen of navraag kunnen doen over de precieze inhoud van de schikking bij de betrokken partij zelf.
Gelet hierop zie ik geen reden te bevorderen dat meer details van transacties openbaar worden gemaakt dan nu het geval is bij hoge of bijzondere transacties. Evenmin zie ik aanleiding te bevorderen dat wordt overgegaan tot openbaarmaking van (details van) transacties die niet vallen onder de Aanwijzing hoge en bijzondere transacties.
Worden bij openbare aanbestedingen door overheden schikkers uitgesloten?
Op grond van het toepasselijke Europese aanbestedingsrecht voor overheden vormt een onherroepelijke rechterlijke veroordeling een uitsluitinggrond. Indien er getransigeerd wordt, is naar huidig recht uitsluiting bij de aanbestedingsprocedure dus niet mogelijk. Na de fase van aanbesteding en gunning volgt de contractuele fase. Op dit moment wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn om gewenst integer gedrag onderdeel te maken van de overeenkomst nadat gegund is.
De hulp aan kinderen van gescheiden ouders |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de TV-uitzending «Kinderen verstoken van hulp na echtscheiding»?1 Bent u bekend met het probleem dat artsen, psychologen en andere hulpverleners pas met een onderzoek of behandeling kunnen beginnen als beide ouders hiervoor toestemming geven, hetgeen niet altijd het geval is, bijvoorbeeld na een echtscheiding?
Ik heb kennis genomen van bedoelde TV-uitzending. Het is een slechte zaak als kinderen niet de zorg zouden krijgen die ze nodig hebben. Ik ben bekend met het feit dat beide ouders2 voor de behandeling van kinderen tot 16 jaar toestemming moeten geven als zij beiden ouderlijk gezag hebben. Het is echter niet zo dat wanneer één van beide ouders geen toestemming geeft, een onderzoek of behandeling per definitie uitgesloten is. In de TV-uitzending blijven de wettelijke mogelijkheden onderbelicht.
Deelt u de mening dat gewaarborgd moet zijn dat kinderen die hulp nodig hebben deze hulp ook krijgen, ook wanneer een van beide ouders niet bereid is hiervoor toestemming te geven? Deelt u eveneens de mening dat een conflict tussen de ouders de behandeling van het kind niet in de weg mag staan? Zo niet, waarom niet?
Ik ben van mening dat kinderen een noodzakelijke behandeling niet mag worden onthouden. Een eventueel conflict tussen beide ouders mag dit niet verhinderen. De huidige regelgeving biedt mijns inziens voldoende mogelijkheden om te zorgen dat, ook bij een conflict tussen beide ouders, het kind de noodzakelijke behandeling krijgt. Op grond van de Wgbo kunnen behandelingen die niet van ingrijpende aard zijn zonder expliciete toestemming van de ouders worden verricht. De toestemming wordt verondersteld.3 Of een behandeling wel of niet ingrijpend van aard is hangt af van de aard of de gevolgen van de behandeling. Niet ingrijpend van aard zijn onschuldige en voor de hand liggende handelingen4 en behandelingen waarbij de geestelijke of lichamelijke integriteit van de patiënt niet of nauwelijks in het geding is.5
Ingeval een behandeling ingrijpend van aard is, moet onderscheid gemaakt worden tussen drie leeftijdscategorieën:
Voor een ingrijpende behandeling bij een kind dat jonger is dan 12 jaar, moeten beide ouders in principe instemmen. Zodra evenwel de tijd ontbreekt om toestemming te vragen en de onverwijlde uitvoering van de behandeling kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen, kan de hulpverlener ook zonder toestemming van de ouders overgaan tot behandeling.6 Onder hulpverlener op grond van de Wgbo wordt ook de gezondheidszorgpsycholoog verstaan.
Voor kinderen in de leeftijd van 12 tot en met 15 jaar is weliswaar uitgangspunt dat zowel toestemming van de ouders als van het kind zelf nodig is, maar zodra behandeling de weloverwogen wens van het kind is, kan een kind behandeld worden. De mening van het kind is in deze leeftijdscategorie dus doorslaggevend. Behandeling is in principe mogelijk als deze kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor het kind te voorkomen.7
Kinderen vanaf 16 jaar mogen zelf beslissen over zaken die hun gezondheid betreffen.8 Toestemming van de ouders is niet nodig.
Uit het voorgaande volgt dat de problematiek van het expliciete weigeren van toestemming van (één van) beide ouders, speelt bij kinderen onder de 12 jaar of een kind in de leeftijd van 12 tot en met 15 jaar dat geen weloverwogen wens tot behandeling heeft of kan hebben en waarbij het kennelijk niet nodig is om de behandeling onverwijld uit te voeren om ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen. Als een ouder met een kind in die leeftijdscategorie het niet eens is met een ingrijpende behandeling, zijn er de volgende mogelijkheden.
Een ouder kan het meningsverschil aan de rechter voorleggen en deze vervangende toestemming vragen.9 De rechter zal dan allereerst proberen om de ouders tot overeenstemming te brengen. Als dit niet lukt zal de rechter (uiterlijk binnen zes weken) een beslissing nemen die hij in het belang van het kind wenselijk acht. De rechter kan ook een bijzonder curator benoemen om de belangen van het kind al dan niet in rechte te behartigen.10
Bij onvoldoende tijd om deze rechterlijke beslissing af te wachten bestaat de mogelijkheid om contact op te nemen met de Raad voor de Kinderbescherming of de officier van justitie.11 De rechter kan op verzoek van de Raad of de officier van justitie in spoedeisende gevallen aan een Bureau Jeugdzorg de voorlopige voogdij over het kind toewijzen. Deze kan dan toestemming geven voor de behandeling.
Ten slotte is in dit verband van belang dat de beslissing van (één van) de ouders er nooit toe kan leiden dat de hulpverlener moet handelen in strijd met de zorg van een goed hulpverlener.12 Goed hulpverlenerschap gaat over welke zorg een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.13 Een hulpverlener kan bijvoorbeeld twijfels hebben of de ouder zich volledig door het belang van zijn patiënt laat leiden of dat er veeleer subjectieve waardeoordelen meespelen of wellicht zelfs eigenbelang.14 Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als toestemming voor een medisch noodzakelijke maar kostbare behandeling wordt geweigerd. De hulpverlener mag daarom niet zomaar iedere wilsuiting van de ouder volgen en heeft in de beoordeling daarvan een eigen verantwoordelijkheid.15 Het gaat hier om uitzonderlijke gevallen waarin de ouder kennelijk niet in het belang van het kind handelt.16 De hulpverlener kan dan onder omstandigheden toch tot de behandeling overgaan. Bij de afweging zijn onder meer de reden van de weigering van de ouder en de gedragsregels die door de desbetreffende beroepsorganisatie worden gehanteerd, van belang.
Voor de volledigheid verwijs ik u naar de brief die de toenmalige Minister voor Jeugd en Gezin in mei 2010 aan beroepsorganisaties heeft gestuurd, teneinde over bovenstaande kwesties duidelijkheid te verschaffen.17
Bent u van mening dat de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (de Wgbo) voldoende ruimte biedt om de noodzakelijke hulp te verlenen aan kinderen zonder toestemming van beide ouders? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe moet de arts of hulpverlener beoordelen of er sprake is van «ernstig nadeel» voor de patiënt, het criterium van de artikelen 7:450 lid 2 en 7: 466 BW lid 2, wanneer deze arts of hulpverlener het kind niet mag zien omdat een van beide ouders weigert toestemming te geven? Hoe gaat u er voor zorgen dat de hulpverlener, bijvoorbeeld een psycholoog of psychiater, het kind in ieder geval kan zien om in te schatten of hulpverlening noodzakelijk is voor het kind?
Een arts of hulpverlener moet een kind zien om te kunnen beoordelen dat een behandeling kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor het kind te voorkomen.
Als een ouder geen toestemming geeft en de hulpverlener daardoor in eerste instantie niet in staat is om het kind te zien, kan de hulpverlener eventueel een gesprek aangaan met de weigerachtige ouder om deze te overtuigen van het belang van het kind dat de hulpverlener het kind kan zien om te kunnen beoordelen of behandeling nodig is. Leidt dit niet tot het gewenste resultaat, dan kan de kwestie, zoals hierboven vermeld onder 2 en 3, zowel door de andere ouder als de hulpverlener (met hulp van Raad voor de Kinderbescherming of de officier van justitie) aan de rechter worden voorgelegd.
Bent u bereid de Wgbo zo te wijzigen dat er meer ruimte ontstaat om kinderen te onderzoeken of te behandelen in die gevallen dat er geen sprake is van toestemming van beide ouders en het kind klem komt te zitten? Zo nee, waarom niet? Welke maatregelen bent u dan bereid te nemen om er voor te zorgen dat ook kinderen van gescheiden ouders de hulp krijgen die zij nodig hebben?
Ik ben van mening dat, gezien bovenstaande beantwoording, het toepasselijke recht voldoende ruimte biedt om, bij gebrek aan toestemming van één van de ouders die met ouderlijk gezag is belast, kinderen de noodzakelijke hulp te bieden die zij nodig hebben.
Bent u in ieder geval bereid met hoogleraren en Jeugdzorg Nederland in gesprek te gaan over deze problematiek en de wenselijke wijziging van de Wgbo? Zo nee, waarom niet?
Ja, inmiddels is een gesprek gepland met Jeugdzorg Nederland en een betrokken hoogleraar om van gedachten te wisselen over deze problematiek.
Het behoud van onderwijsaanbod op Texel |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven welke argumenten voor het in het verleden, verlenen van compensatie aan De Hogeberg op Texel nu niet meer van toepassing zijn?
In 2001 is aan De Hogeberg voor een periode van 10 jaar uitzonderingsbekostiging toegekend (de vaste voet voor onderwijspersoneel is met 2,5 fte verhoogd naar 8,57 fte). Dit had twee redenen: de eilandpositie en de relatief zware personele bezetting van de diverse afdelingen van het voorbereidend beroepsonderwijs ten opzichte van het aantal leerlingen van de afdelingen.
Na zorgvuldige analyse en weging van de omstandigheden van de toenmalige uitzonderingsscholen, waaronder alle Waddenscholen, is vorig jaar een nieuw beleidskader voor uitzonderingsscholen opgesteld. Op 7 oktober 2010 is de Beleidsregel uitzonderingsscholen VO in werking getreden om de bekostiging van uitzonderingsscholen uniform en transparant te regelen en te harmoniseren. In deze beleidsregel staat onder welke voorwaarden een school als uitzonderingsschool aangemerkt kan worden en recht heeft op (structurele) uitzonderingsbekostiging. Een van deze voorwaarden is dat de school structureel een leerlingaantal moet hebben dat zich onder de geldende opheffingsnorm bevindt. Voor deze gevallen is uitzonderingsbekostiging noodzakelijk, omdat de bekostiging op basis van het (te geringe) leerlingaantal niet toereikend is. De Hogeberg voldoet niet aan deze voorwaarde. Derhalve heb ik de school niet aangemerkt als uitzonderingsschool en is uitzonderingsbekostiging dan ook niet gerechtvaardigd.
Kunt u aangeven welke gevolgen het wegvallen van deze compensatie heeft voor het onderwijsaanbod op Texel?
De reguliere bekostiging wordt geacht toereikend te zijn wanneer het leerlingaantal van de school niet lager is dan de opheffingsnorm. Het is de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag van de school de bekostiging doelmatig te besteden en het toegestane onderwijsaanbod te bepalen.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn voor het wegvallen van een breed onderwijsaanbod voor vmbo-scholieren voor de schooluitval op Texel?
Zoals eerder gesteld is het bevoegd gezag verantwoordelijk voor het toegestane onderwijsaanbod. Overigens is het op 4,2 kilometer van Texel gelegen Den Helder – ook voor scholieren – goed bereikbaar per boot (de reistijd is 20 minuten). Aldaar is een breed aanbod van voorbereidend beroepsonderwijs.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat scholieren uitvallen als zij voor de opleiding van hun keuze niet langer op Texel terecht kunnen?
Het is aan de leerplichtambtenaar van de gemeente Texel om toezicht te houden op naleving van de Leerplichtwet door ouders en jongeren op Texel. Zie overigens ook mijn antwoord op vraag 3.
Bent u bereid met het bestuur van de De Hogeberg op Texel in overleg te treden over mogelijkheden om een breed onderwijsaanbod in stand te houden?
Ja, binnen de kaders van de bestaande regelgeving ben ik bereid in overleg te treden met het bestuur van De Hogeberg op Texel over de mogelijkheden om een breed onderwijsaanbod in stand te houden.
De lekkage van benzinedampen bij de ISLA-raffinaderij |
|
Ineke van Gent (GL), Stientje van Veldhoven (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat vorige week meer dan 1 000 kinderen geen onderwijs hebben kunnen volgen wegens ernstige stankoverlast door de ISLA raffinaderij?12
De mediaberichten spreken inderdaad van dit aantal. Ik kan dat niet bevestigen.
Waardoor is deze stankoverlast veroorzaakt? Klopt het dat er sprake zou zijn van een lekkage van benzinedampen? Wanneer is de stankoverlast geconstateerd? Zijn er voor mens en milieu schadelijke stoffen vrijgekomen?
Ik kan de gevraagde informatie niet vertrekken en zij valt niet onder de informatie waarvoor artikel 68 van de Grondwet geldt. Het is de regering van Curaçao die verantwoordelijk is voor het milieubeleid, voor de uitvoering daarvan door de relevante Curaçaose overheidsinstanties en voor de informatieverstrekking naar het Curaçaose parlement en de bevolking.
Wanneer waren er meetgegevens voorhanden over de luchtkwaliteit ter plaatse? Gaven deze meetgegevens aanleiding om handhavend op te treden? Zo ja, is daartoe ook overgegaan? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord bij vraag 2.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat meer malen per jaar tot evacuatie van scholen en omwonenden wegens door de ISLA veroorzaakte stankoverlast moet worden overgegaan? Zo nee, waarom niet?
Het is uiteraard onwenselijk indien scholen moeten worden ontruimd door overlast veroorzaakt door een bedrijf.
Wat is de stand van zaken van de ontwikkeling van alternatieven voor de ISLA raffinaderij? In hoeverre worden de afspraken rond het SEI op dit moment nageleefd? Op welke wijze wordt het gevolg van de door de ISLA raffinaderij veroorzaakte verontreiniging verwerkt in de nota Caribische Natuur?
In januari van dit jaar heb ik met Curaçao in het kader van het Sociaal Economisch Initiatief (SEI) de volgende afspraken gemaakt met betrekking tot de toekomstvisie op de raffinaderij:
De afspraken die in januari van dit jaar omtrent het SEI zijn gemaakt worden tot nu toe nageleefd.
Het Natuurbeleidsplan voor Caribisch Nederland voor de periode 2011–2016 betreft alleen de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het natuur- en milieubeleid op Curaçao, Aruba en Sint Maarten is een autonome verantwoordelijkheid en daardoor primair een aangelegenheid van regering en parlement aldaar.
Bent u van mening dat de handhaving van de aan de ISLA raffinaderij gestelde voorwaarden met het oog op het uitblijven van een adequate bestuurlijke reactie op de frequente, voor mens en milieu schadelijke uitstoot een Rijksaangelegenheid is? Zo nee, waarom niet?
De regering van Curaçao heeft meermalen aangegeven dat het de geldende milieunormen wat betreft de uitstoot door de raffinaderij zal handhaven. Zulks is ook door middel van een rechterlijke procedure afgedwongen. Ik zie geen aanleiding het milieubeleid op Curaçao tot Koninkrijksaangelegenheid te maken.
Bent u bereid om de regering van Curaçao te vragen welke stappen zij onderneemt in reactie op deze recente ontwikkelingen?
De situatie betreffende de raffinaderij is een terugkerend onderwerp in mijn besprekingen met de regering van Curaçao. Tijdens mijn meest recente reis heb ik mij laten informeren over de huidige situatie en de bezorgdheid van de Tweede Kamer omtrent de milieuaspecten overgebracht. Deze zorgen worden overigens – zoals ook blijkt uit de meegestuurde brief – gedeeld door de Curaçaose regering.3
Integratie van Somaliërs |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het onderzoek «Somalische nieuwkomers in Nederland» dat gehouden is onder Somalische nieuwkomers uit Amsterdam, Eindhoven, Den Haag en Rotterdam en waaruit blijkt dat de situatie rondom de integratie van Somalische nieuwkomers verre van rooskleurig is?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat deze groep een cumulatie van problemen kent die voor een groot deel specifiek is voor deze groep, zoals qatgebruik, oorlogstrauma’s, ongeletterdheid dan wel laaggeletterdheid, sociale isolatie, het niet hebben van een startkwalificatie en werkloosheid? Vereisen deze problemen volgens u ook een specifieke aanpak? Zo ja, waaruit moet deze bestaan? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met de problemen van Somaliërs in Nederland zoals geschetst in het onderzoek van Dalmar. Ook onderzoek in opdracht van mijn ministerie door het SCP2 en Regioplan3 laat een weinig positief beeld zien. Er is sprake van grote achterstanden in het onderwijs, arbeidsmarkt en taalbeheersing. Ook is er sprake van onverwerkte trauma’s, cultuurverschillen en ontoereikende kennis van het functioneren van de Nederlandse samenleving.
De situatie van Somaliërs in Nederland is zorgelijk en vraagt de nodige aandacht. Deze aandacht is het meest effectief indien deze is ingebed in het generieke beleid op lokaal niveau. Om deze generieke aanpak goed vorm te geven is kennis noodzakelijk over de specifieke problemen van deze groep, de achterliggende oorzaken en de effectieve interventies. Daarom organiseert het Rijk samen met de meest betrokken gemeenten netwerkbijeenkomsten gericht op kennisdeling en expertise-uitwisseling tussen gemeenten onderling, lokale en regionale uitvoeringsinstanties en zelforganisaties van Somaliërs in Nederland.
Wat is uw oordeel over het feit dat slechts 33% van de ondervraagde mensen tevreden is over het aangeboden inburgeringtraject en slechts 18% tevreden is over het niveau van de taalcursussen? Hoe beoordeelt u in dit verband het feit dat, hoewel een meerderheid van de onderzochte mensen een inburgeringscursus heeft gevolgd, er ook een meerderheid is die de Nederlandse taal niet of slecht spreekt? Wat zegt dit volgens u over de kwaliteit van inburgeringcursussen?
Het onderzoek van Dalmar kent een beperkte opzet. In dit onderzoek wordt verslag gedaan van een onderzoek onder 100 Somalische nieuwkomers die in 2007, 2008 of 2009 naar Nederland zijn gekomen. Een breder opgezet onderzoek van het SCP naar vluchtelingen in Nederland laat een positiever beeld zien. Daaruit blijkt dat bijna 90% van de Somaliërs die een inburgeringsprogramma hebben gevolgd tevreden is over het gevolgde programma. Ook geeft een grote meerderheid aan dat hun beheersing van het Nederlands is verbeterd, hun inzicht in de Nederlandse samenleving is vergroot en het makkelijker is geworden werk te vinden.
Voorts merk ik op dat uit het onderzoek van Dalmar blijkt dat slechts een beperkt deel van de ondervraagde Somaliers de inburgering heeft afgerond; een meerderheid is nog niet begonnen aan de cursus of is er nog mee bezig. Het bevreemdt mij dus niet dat uit dit onderzoek blijkt dat een meerderheid de Nederlandse taal nog niet goed beheerst. Inburgering is slechts een eerste stap in het leren van de Nederlandse taal. Verdere verbetering vraagt praktijkoefening dan wel vervolgopleiding.
Wat is uw oordeel over het feit dat slechts 2% van deze groep mensen een baan heeft en 69% werkzoekend is? Bent u van oordeel dat het huidige instrumentarium en de aangekondigde beleidsvoorstellen van het kabinet toereikend zijn om de arbeidsparticipatie van deze groep substantieel te verhogen? Zo ja, kunt u dat onderbouwen? Zo nee, wat gaat u dan doen om dit alsnog voor elkaar te krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u tot slot bereid in gesprek te gaan met Somalische zelforganisaties in Nederland en de gemeenten waarin relatief veel Somaliërs wonen, en samen voorstellen te formuleren die de integratie onder Somaliërs in Nederland bevorderen?
Zie antwoord vraag 2.
Door de EU gefinancierde promotie van kalfsvlees |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u de reclamecampagne «Kalfsvlees is lekker betrouwbaar. Natuurlijk wordt dat gecontroleerd», zoals die verschenen is in verschillende dagbladen?
Ja.
Hoeveel Europees geld kost deze campagne in totaal?
Vanuit de Europese Unie is een bedrag van € 2 778 647 toegezegd voor een periode van drie jaar.
Onder verwijzing naar uw eerdere antwoorden van 16 juli 20091 waarin u heeft aangegeven dat «De campagne van de sector richt zich op het geven van voorlichting over kwaliteitssystemen in de kalfsvleessector en verstrekt objectieve en uitgebreide informatie over communautaire en nationale regels inzake kwaliteitsregelingen voor de borging van de veiligheid van vleesproducten,» op welke wijze wordt in deze campagne aandacht gegeven aan de problemen rond voedselveiligheid, bijvoorbeeld door MRSA-besmettingen?
Binnen dit programma wordt niet specifiek de aandacht gevestigd op problemen rond bijvoorbeeld MRSA-besmettingen. Dit is ook niet de doelstelling van het programma noch een voorwaarde geweest bij het doorsturen van het programma naar de Europese Commissie. Binnen de campagne wordt, zoals eerder aangegeven, voorlichting gegeven over kwaliteitssystemen in de kalversector. In dit kader wordt ten algemene aandacht geschonken aan veiligheid en gezondheid voor mens en dier.
Deelt u de mening dat de campagne niet objectief noch uitgebreid informatie verstrekt aan de consument zolang zij dit soort problemen, die tot ernstige problemen met de volksgezondheid kunnen leiden niet belicht?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt zich dit tot uw eerdere informatie over deze promotiecampagne2 waarin u aangaf dat de acties [...] in het bijzonder de aandacht [dienen] te vestigen op de intrinsieke eigenschappen en de voordelen van de producten uit de Gemeenschap uit het oogpunt van met name kwaliteit, voedselveiligheid, bijzondere productiemethoden, voedings -en gezondheidsaspecten, etikettering, dierenwelzijn en milieuzorg?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat deze campagne er niet in slaagt objectieve en uitgebreide informatie te geven over de risico’s voor de volksgezondheid die er kleven aan zowel de consumptie als de productie van kalfsvlees en dus als zodanig ook niet gefinancierd zou mogen worden uit publieke middelen?
Nee. Hier is geen sprake van verkeerde voorlichting aan de consument. Zoals reeds hiervoor aangegeven, betreft het voorlichting over het houderijsysteem voor kalveren. Het programma voldoet aan de communautaire eisen en ik zie dan ook geen reden om medewerking te weigeren. Overigens wil ik erop wijzen dat bij de nationale beoordeling van een door de EU meegefinancierd programma in de dierlijke sector, mede gekeken wordt of in het programma aandacht wordt geschonken aan producten die duurzaam (o.a milieu- of diervriendelijker) zijn geproduceerd.
Bent u bereid in de toekomst geen medewerking meer te verlenen aan dit soort campagnes waarbij de consument verkeerd wordt voorgelicht over de effecten van de productie en consumptie van kalfsvlees? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid regelgeving te maken waarbij de vleessector verplicht wordt een waarschuwing op verpakkingen en bij reclameuitingen aan te brengen dat het mogelijk is besmet te worden met de MRSA-bacterie door contact met rauw (kalfs- kippen-, varkens-, kalkoen)vlees; dat het belangrijk is de handen goed te wassen na aanraking van rauw (kalfs- kippen-, varkens-, kalkoen)vlees; dat het zaak is rauw (kalfs- kippen-, varkens-, kalkoen)vlees goed gescheiden te houden van andere etenswaren en zo kruisbesmetting te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Hierbij wil ik eerst opmerken dat de bijdrage van met MRSA besmette vlees(producten) aan de verspreiding van MRSA naar de mens minimaal wordt geacht. De consument is zelf verantwoordelijk voor een gezonde en veilige bereiding van levensmiddelen. Dit houdt in dat vlees goed moet worden verhit. Daarnaast moeten bij de bereiding goede hygiënische maatregelen in acht worden genomen om kruisbesmetting, via bijvoorbeeld groenten, te voorkomen.
De voorlichting van het RIVM en het Voedingscentrum richt zich op deze boodschap. Omdat bacteriële besmetting via kippenvlees regelmatig voorkomt, stelt de Warenwet de volgende waarschuwing op de verpakking van kippenvlees verplicht: «Let op, geef schadelijke bacteriën geen kans. Zorg daarom dat deze bacteriën niet via de verpakking, uw handen of het keukengerei in uw eten terecht komen. Maak dit vlees door en door gaar om deze bacteriën uit te schakelen.» Voor producten afkomstig van kalveren, runderen en varkens is dit risico een stuk geringer. Het is daarom niet proportioneel om deze verplichte vermelding op de verpakking breder toe te passen.
Subsidie religieus vormingsonderwijs op openbare scholen |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is de actuele stand van zaken inzake het religieus en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs binnen het openbaar onderwijs? Kunt u cijfermatig inzichtelijk maken hoe vaak hier gebruik van wordt gemaakt en welke kosten brengt dit met zich mee?
In het schooljaar 2010–2011 zullen ongeveer 70 000 leerlingen van openbare scholen godsdienstonderwijs of humanistisch vormingsonderwijs (G/HVO) ontvangen. Voor het G/HVO ontvangen de samenwerkende organisaties (zie verder het antwoord onder 2) voor 2010–2011 een bedrag van € 10 000 000. Dit wordt voor iets meer dan 95% gebruikt voor de personele kosten en de kosten van de deskundigheidsbevordering van de leraren die het G/HVO geven. Voor het overige gaat het om de kosten van het Dienstencentrum G/HVO en werkgeverskosten van de diverse organisaties.
Is het waar dat dit vormingsonderwijs verplicht bij het Dienstencentrum GVO en HVO moet worden afgenomen? Zo ja, waarom is dit?
In de wet op het primair onderwijs is vastgelegd dat godsdienstonderwijs wordt gegeven door leraren die daartoe zijn aangewezen door kerkelijke gemeenten, plaatselijke kerken, of rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die zich volgens hun statuten het geven van dit onderwijs ten doel stellen. Wat betreft levensbeschouwelijk vormingsonderwijs is bepaald dat dit wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door organisaties op geestelijke grondslag die volledige rechtsbevoegdheid bezitten. In de praktijk gaat het om op landelijk niveau werkende organisaties die al een aantal jaren onderling nauw samenwerken. Deze organisaties zijn dus de werkgevers van bedoelde leraren en zij zijn verantwoordelijk voor uitvoering en inhoud van het G/HVO. Scholen nemen het G/HVO bij deze organisaties af.
Zoals u weet heeft uw Kamer in het verleden herhaaldelijk gewezen op de noodzaak van een subsidiering van het G/HVO en de vorming van een passende (landelijke) organisatiestructuur. Een uitvloeisel hiervan is de oprichting van het Dienstencentrum GVO en HVO dat wordt bestuurd door de samenwerkende organisaties.
Klopt het dat GVO en HVO sinds 2009 door de overheid wordt gesubsidieerd, terwijl dit daarvoor niet het geval was? Waaruit onttrokken deze organisaties voorheen hun geld? Is het in het kader van de scheiding kerk en staat en versobering van de overheidsuitgaven niet logisch om deze subsidies te heroverwegen?
Ja het G/HVO wordt na een langdurig debat tussen opeenvolgende kabinetten en de Kamer en op aandrang van de Kamer vanaf 1 augustus 2009 gesubsidieerd. Daarvoor werd het betaald vanuit eigen middelen van de organisaties en vooral vanuit subsidies door gemeenten. Zoals u bekend zal zijn, wordt er over de consequenties van het beginsel van de scheiding van kerk en staat verschillend gedacht. Zo heeft de Onderwijsraad destijds in het advies «Dienstverband, godsdienst en openbare school» (31 maart 2006) aangegeven dat een subsidiëring door de overheid van het G/HVO niet (bij voorbaat) in strijd is met de Grondwet en een grondwettelijk beginsel als de scheiding van kerk en staat. Dit met een verwijzing naar de situatie van de geestelijke verzorging binnen de krijgsmacht en het gevangeniswezen. Ook de Kamer heeft in voornoemd beginsel geen belemmering gezien om zich voor subsidiëring uit te spreken.
De bewering dat in Afghanistan producten met kinder -en slavenarbeid worden gebruikt in NAVO-projecten |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In Afghan Kilns, a Cycle of Debt and Servitude»1 over kinder- en slavenarbeid in baksteenfabrieken in Afghanistan, waarvan de bakstenen volgens lokale eigenaren en hun agenten «routinematig» worden gebruikt in NAVO-projecten?»
Ja.
Kunt u opheldering verschaffen of deze aantijgingen tegen de NAVO waar zijn?
Van de NAVO is vernomen dat ISAF nadrukkelijk controleert op welke wijze ISAF fondsen worden uitgegeven. Bij de uitvoering van het werk wordt erop gelet of er sprake is van kinderarbeid. Van uitvoerders kan de NAVO met redelijke zekerheid aangeven dat deze geen kinderen in dienst hebben. De NAVO voert een zero tolerance beleid wanneer kinderarbeid wordt geconstateerd.
Zo is in de huidige contracten van de ISAF/NAVO opgenomen dat uitvoerders geen gebruik mogen maken van kinderarbeid. Indien dit toch wordt geconstateerd, dan wordt het contract per direct ontbonden en draait de uitvoerder op voor de gemaakte schade.
In oudere contracten is de kinderarbeidclausule nog niet opgenomen. als er sprake blijkt te zijn van kinderarbeid wordt met de uitvoerder gesproken en geprobeerd het bestaande contract door het nieuwe te vervangen. Als dat laatste niet lukt en de uitvoerder blijft volharden in het gebruik van kinderarbeid, dan wordt het contract ontbonden.
Bent u bereid deze kwestie en andere mogelijke leveringen aan de NAVO van producten van kinder- en slavenarbeid bij de NAVO en de internationale coalitie onder de aandacht te brengen en indien nodig aan te dringen op maatregelen daartegen?
Nederland hecht veel waarde aan de uitbanning van kinderarbeid. Zie ook beantwoording vraag 4. Het onderwerp heeft reeds de aandacht van de NAVO en Nederland heeft deze kwestie besproken met het kantoor van de civiele vertegenwoordiger van de NAVO in Kabul.
Onderneemt de Nederlandse regering zelf activiteiten om kinder- en slavenarbeid in Afghanistan te bestrijden, onder meer waar het gaat om leveringen van met kinder- en slavenarbeid gemaakte producten aan de NAVO en de internationale coalitie? Zo ja, welke activiteiten, op terreinen als hulp voor rehabilitatie, effectieve controle, politiek overleg enzovoort, zijn dit? Zo nee, bent u bereid om dergelijke activiteiten tegen kinder- en slavenarbeid in Afghanistan te ondernemen?
De regering blijft zich sterk maken voor de ratificatie en tenuitvoerlegging van de vier fundamentele arbeidsnormen van de ILO, waaronder het verbod op kinderarbeid. De regering ziet het als haar taak het onderwerp aan te kaarten bij bilaterale bezoeken en in multilateraal verband aan te dringen op ratificatie en implementatie van internationale mensenrechteninstrumenten. Het verbieden van kinderarbeid moet deel uitmaken van een integrale strategie die korte- en lange termijnoorzaken tegelijkertijd aanpakt. Over de Nederlandse inzet tegen kinderarbeid ontving de Kamer in april 2010 een brief.2
In Afghanistan heeft Nederland de «Afghanistan Independent Human Rights Commission» (AIHRC) ondersteund. De AIHRC richt zich ook op kinderrechten (AIHRC «Child Protection Unit»). In Uruzgan heeft het «Dutch Consortium Uruzgan» (DCU) zich ook ingezet voor kinderrechten. Er zijn trainingen over kinderrechten en kinderbescherming gegeven aan leerkrachten, politieagenten en andere overheidsfunctionarissen. Tevens zijn bewustwordingscampagnes opgezet die de dorpsoudsten en de bevolking informeren over het belang van onderwijs, kinderbescherming en kinderrechten. Ook is een centrum voor straatkinderen en werkende kinderen opgericht waar kinderen een beroepsopleiding kunnen volgen en wordt de toegang van straatkinderen en werkende kinderen tot gewone scholen verbeterd.
Daarnaast heeft Nederland onderwijsprogramma’s en werkgelegenheidsprogramma’s (inclusief kleine microkredieten) in Uruzgan gefinancierd. Bij de onderwijsprogramma’s was er ook aandacht voor informeel onderwijs op huislocaties voor kinderen die buiten het formele onderwijs waren gevallen (de zogenoemde «accelerated learning classes»).
Hoe gaat de Nederlandse regering toezien en indien nodig voorkomen dat er leveranties van producten gemaakt met kinder- en slavenarbeid plaatsvinden aan de Nederlandse missie in Kunduz?
In contracten met uitvoerders zal een clausule opgenomen worden over kinderarbeid.
Bent u bekend met het rapport «An Overview on Situation of Child Labour in Afghanistan» van de «Afghanistan Independent Human Rights Commission»2 uit 2006 en informatie van onder meer Unicef over omvangrijke kinderarbeid in onder andere de straatverkoop, het weven van tapijten, het maken van schoenen en het repareren van auto’s?
Ja.
Wat is de meest recente stand van zaken met betrekking tot de deelname aan basisonderwijs van jongens en meisjes in Afghanistan? Wat zijn de meest recente cijfers op het gebied van kinderarbeid?
Momenteel zijn ongeveer 7 miljoen Afghaanse kinderen ingeschreven op school, van wie 37% meisjes. Van alle Afghaanse kinderen in de schoolgaande leeftijd betreft dit pas 58%. 42% van de Afghaanse kinderen, met name meisjes, gaat niet naar school. Daarnaast is ongeveer 15%, bijna een miljoen, van de ingeschreven leerlingen permanent afwezig (bron: Interim Plan van het Ministerie van Onderwijs van februari 2011, blz 6).
Volgens gegevens van UNICEF verricht omstreeks 25% van de Afghaanse kinderen onder de 14 jaar kinderarbeid. Het is volgens UNICEF echter bijzonder lastig om betrouwbare cijfers te achterhalen.
Is het u bekend of de aanbevelingen in het in vraag 6 genoemde rapport op het gebied van onderwijs, werkgelegenheid, wetgeving en bescherming van kinderen een vervolg hebben gekregen middels concrete projecten en programma’s? Bent u bereid de regering van Afghanistan daarover om informatie te vragen en zo nodig aan te bieden om te helpen deze aanbevelingen uit te voeren?
De afgelopen jaren heeft de Afghaanse regering reeds enkele positieve stappen gezet. Het onderwijs is sterk verbeterd; in 2001 waren er minder dan 1 miljoen kinderen ingeschreven, nu zijn dat er circa 7 miljoen. Onder het Taliban bewind gingen ongeveer 5 000 meisjes naar school, dat zijn er nu 2.4 miljoen4. Er zijn «vocational training» programma’s voor kinderen opgezet in de stedelijke gebieden. Medio 2009 heeft de regering het eerste rapport onder het kinderrechtenverdrag gepubliceerd. Dit rapport vormt het raamwerk voor verdere activiteiten op het gebied van kinderrechten. In april 2010 heeft Afghanistan het ILO verdrag tegen de ergste vormen van kinderarbeid en het ILO verdrag dat de minimum leeftijd voor werk vastlegt, geratificeerd. Er is echter nog veel werk te verzetten ondermeer op het gebied van de informele sector, monitoring en de regulering van werkplaatsen en mechanismen op gemeenschapsniveau.
De laatste jaren is er meer aandacht van de kant van VN-organisaties, NGO’s en donoren. ILO en UNICEF zijn leidend. UNICEF heeft eind 2010 aangegeven de Afghaanse regering ondersteuning te verlenen bij het opstellen van de «comprehensive Child Act». UNAMA en AIHRC zijn in overleg over de verdere implementatie van de aanbevelingen uit het rapport van AIHRC.
Nederland stelt in internationaal en EU verband herhaaldelijk mensenrechten(kwesties) en het belang om kinderarbeid uit te bannen aan de orde in de politieke (mensenrechten)dialoog met de Afghaanse regering. Zie ook beantwoording van vraag 4.
Het regelen van spreekrecht voor ouders in strafzaken |
|
|
|
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Klopt het dat de ouders in de Amsterdamse kinderpornozaak geen gebruik kunnen maken van spreekrecht in de strafzaak tegen de verdachten? Zo ja, deelt u de mening dat dit onaanvaardbaar is?
In de huidige wetgeving is bepaald dat alleen slachtoffers die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel hebben ondervonden op de terechtzitting een verklaring kunnen afleggen over de gevolgen die het strafbare feit bij hen teweeg hebben gebracht (artikel 51a lid 1 juncto artikel 51e lid 1 WvSv). In de zaken tegen Robert M. en Richard van O. heeft de rechtbank echter aangegeven de uitoefening van het spreekrecht door ouders van slachtoffers tijdens een volgende pro forma zitting nog uitgebreid te willen bespreken, waarbij het OM, de verdediging en de advocaten die namens de ouders optreden hun standpunt kunnen toelichten. Verwacht kan worden dat de rechtbank tijdens een pro forma zitting twee weken ná deze bespreking hierover een uitspraak zal doen. Ik wijs erop dat de ouders die dat wensen in ieder geval een schriftelijke slachtofferverklaring in het dossier kunnen doen voegen en bovendien een eventuele vordering van de benadeelde partij (het slachtoffer) met betrekking tot immateriële schade van hun kind op de terechtzitting kunnen toelichten. Het is dus niet zo dat de rechter en de verdachte geen kennis kunnen krijgen van hun opvatting.
Ik geef hoge prioriteit aan het versterken van de positie van slachtoffers in het strafproces. Op dit moment heb ik een wetsvoorstel in voorbereiding waarmee het spreekrecht wordt uitgebreid, ook voor wat betreft het toestaan van vertegenwoordiging van zeer jonge slachtoffers. Het is aan de ouders van jonge slachtoffers en de samenleving als geheel, naar mijn stellig oordeel, niet goed uit te leggen waarom de impact die een dergelijk delict op een gezin heeft, niet ter zitting zou kunnen worden verklaard. Ik verwijs u tevens naar het antwoord op de vragen 2 en 3.
Waarom is er nog geen uitvoering gegeven aan de al in 2009 door de Tweede Kamer aangenomen motie, waarin wordt gevraagd om de kring van personen aan wie het spreekrecht voor slachtoffers toekomt uit te breiden met de wettelijke vertegenwoordigers van slachtoffers?1
In 2009 en 2010 is het spreekrecht geëvalueerd. In oktober 2010 heb ik u over de uitkomsten van dit onderzoek geïnformeerd en aangegeven aanpassingen aan het spreekrecht te zullen aanbrengen, ook voor wat betreft het toestaan van vertegenwoordiging in die gevallen dat een slachtoffer niet in staat is zelf te spreken. De voorbereidingen voor het opstellen van het conceptwetsvoorstel zijn in volle gang. Ik streef ernaar dit voorstel nog deze maand voor consultatie gereed te hebben. De indiening van het wetsvoorstel wordt voorzien aan het eind van dit jaar. Bij een voorspoedige parlementaire behandeling door beide kamers zou het mogelijk moeten zijn dat de nieuwe wettelijke regeling in werking treedt vóór de eerste inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van de onderhavige zaak.
Kunt u toezeggen dat u per direct uitvoerig zal geven aan de bovengenoemde motie zodat voorkomen wordt dat slachtoffers die zelf geen gebruik kunnen maken van het spreekrecht nog langer ongehoord blijven in strafzaken? Zo ja, op welke termijn zal dit zijn geregeld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De Europese markt voor diensten |
|
Sharon Dijksma (PvdA), Nebahat Albayrak (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat de Nederlandse regering op 18 maart 2011. samen met acht andere landen een brief heeft gestuurd aan de Europese Commissie waarin onder meer wordt gepleit voor meer openheid op de Europese dienstenmarkt? Zo ja, bent u bereid zo spoedig mogelijk een afschrift van deze brief aan de Tweede Kamer te doen toekomen?1
Ja. Een afschrift is bijgevoegd.2
Indien deze brief inderdaad bestaat, klopt het dan dat daarin onder meer het volgende over de Europese dienstenmarkt staat geformuleerd: «We must do for services markets what we have done for markets in goods – removing the restrictions that hinder access and competition»?
Ja.
Kunt u aangeven wat de inzet van de Nederlandse regering is op het gebied van het wegnemen van belemmeringen op de dienstenmarkt? Kunt u daarbij in het bijzonder aangeven hoe de formulering van uw brief van 8 maart 2011 over de dienstenrichtlijn «Onze ambitie stopt dan ook niet bij de implementatie van de huidige dienstenrichtlijn» zich verhoudt tot de formulering in diezelfde brief dat «Uit de toekomstige evaluatie van de richtlijn (2011–2012) zal moeten blijken in welke mate de doelstellingen zijn gerealiseerd en welke maatregelen verder nodig zijn om de interne markt voor diensten daadwerkelijk te verwezenlijken.»? Kunt u daarbij aangeven of u de huidige dienstenrichtlijn wilt handhaven dan wel wilt aanpassen en waaruit deze aanpassingen volgens u zouden moeten bestaan?2
Zoals in een tweetal brieven van 8 maart 2011 (Kamerstuk 21 501-30 nr. 252 en Kamerstuk 22 112, nr. 1148) is verwoord, is de inzet van het Nederlandse kabinet gericht op het daadwerkelijk verwezenlijken van de interne markt voor diensten. Een goed functionerende dienstenmarkt is van cruciaal belang voor economische groei en werkgelegenheid in Nederland en Europa. Mede dankzij de huidige dienstenrichtlijn zijn inmiddels goede resultaten geboekt, omdat de implementatie van deze richtlijn heeft bijgedragen aan het wegnemen van vele belemmeringen op de dienstenmarkt. De implementatie moet dan ook zo spoedig mogelijk in alle lidstaten zijn voltooid. Echter, daarmee is de interne markt voor diensten in de Europese Unie nog niet af. Waar in sectoren nog sprake is van ongerechtvaardigde en disproportionele belemmeringen voor het vrije verkeer van diensten, moeten deze worden opgeruimd.
Om te kunnen nagaan of de dienstenrichtlijn effectief is, voorziet de richtlijn onder meer in een evaluatie van de werking ervan. Uiterlijk voor eind 2011 moet de Commissie voor de eerste keer (en vervolgens om de 3 jaar) een uitgebreid verslag indienen bij het Europese Parlement en de Raad over de toepassing van deze richtlijn. Mede op grond van de ervaringen met de toepassing en werking van de richtlijn in de praktijk in de komende jaren, zal moeten worden bezien of de huidige richtlijn goed werkt en op welke punten aanpassingen nodig zijn.
Van belang voor de verdere voltooiing van de dienstenmarkt is voorts dat de huidige richtlijn ook een herzieningsclausule bevat. De dienstenrichtlijn geldt voor een grote verscheidenheid aan diensten, maar er zijn ook diverse sectoren van de werking uitgezonderd. Daarom is in de richtlijn bepaald dat de Commissie bij de evaluatie tevens zal nagegaan of aanvullende maatregelen nodig zijn voor o.a. sectoren die thans van de werkingssfeer van de richtlijn zijn uitgesloten. Het verslag van de Commissie gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen tot wijziging van de richtlijn, teneinde de interne markt voor diensten te voltooien.
Kunt u in het bijzonder aangeven of u het land-van-oorsprongbeginsel, zoals dit in het oorspronkelijke voorstel van toenmalig Eurocommisaris Bolkestein stond, nog steeds «opnieuw op tafel» wilt leggen en of dit beginsel nog steeds «richtinggevend» is voor het kabinet in de verdere discussie over de Europese dienstenmarkt, zoals u aangaf in het Kamerdebat over de Europese Top van 3 februari 2011?3
Het land-van-oorsprongbeginsel maakt geen deel uit van de huidige dienstenrichtlijn, die voor het kabinet het uitgangspunt is voor de verdere versterking van de interne markt voor diensten. Genoemd beginsel is dan ook niet aan de orde.
Kunt u tot slot garanderen dat er, met de aanpassingen die u beoogt nooit een juridische basis zal komen om werknemers in Nederland onder het Nederlandse wettelijke minimumloon te laten werken? Kunt u tevens garanderen dat er nooit een juridische basis zal komen om Nederlandse regelgeving over arbeidsomstandigheden en arbeidstijden te ontduiken?
Zoals ook reeds opgemerkt in bovengenoemde brief van 8 maart 2011, vallen onderwerpen als arbeidsrecht, arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en het minimumloon uitdrukkelijk niet onder de werking van de richtlijn. Dit geldt ook voor arbeidstijden. De dienstenrichtlijn gaat immers over dienstverleners en niet over werknemers die in dienstverband te werk zijn gesteld.
Mogelijke toekomstige aanpassingen in de dienstenrichtlijn zullen dan ook geen juridische basis kunnen vormen voor het onder het Nederlandse wettelijke minimumloon laten werken van werknemers, of een juridische basis bieden om Nederlandse regelgeving over arbeidsomstandigheden en arbeidstijden te ontduiken.
De financiering van de functiemix van leraren |
|
Jeroen Dijsselbloem (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de gemiddelde personeelslast (GPL) voor 2010–2011 in het primair onderwijs verhoogd is met 0,093% en dat dit percentage gebaseerd is op de totale kosten die de invoering van de functiemix voor de gehele sector met zich mee brengt?
Met ingang van 1 augustus 2010 is ten opzichte van het schooljaar 2009–2010 de gemiddelde personele last (GPL) voor de personeelscategorie leraar in het Primair Onderwijs aangepast in verband met de maatregelen uit het Convenant Leerkracht van Nederland (Staatscourant, 14 april 2010, nr. 5854). Het ging daarbij om een verhoging van 0,463% voor de verdere inkorting van de carrièrelijnen èn voor de invoering van de landelijke functiemix. Door de onderlinge samenhang van de maatregelen uit het Convenant LeerKracht is een uitsplitsing naar maatregel niet te geven. Het percentage van 0,463% is gebaseerd op een raming van de kosten van de maatregelen voor de PO-sector (Onderwijsarbeidsmarktramingen).
In 2009 is de GPL verhoogd in verband met de toekenning van een toelage aan de leerkrachten op het einde van hun schaal en een eerste inkorting van de carrièrelijnen.
De in de vraag vermeldde 0,093 % is de geschatte verhoging, specifiek en alleen ten behoeve van de functiemix ingaande 1 augustus 2010 (en dus niet die per 1 januari 2011) en maakt onderdeel uit van de 0,463%.
Hoeveel leerkrachten, aangegeven per LA-trede, zijn met ingang van schooljaar 2010–2011 gepromoveerd naar de hogere LB-schaal?
In oktober 2009 werden in het BAO 2113 leerkrachten in salarisschaal LB betaald (omgerekend 1626 fte), in oktober 2010 waren dit 7376 leerkrachten (5753 fte). Per saldo is het aantal leerkrachten in salarisschaal LB dus met 5263 toegenomen (4127 fte). Het aandeel LB in het totale arbeidsvolume leerkrachten is daarmee toegenomen van 1,9 naar 6,7 procent.
De toename was verspreid over alle periodieken van salarisschaal LB.
Kent u de signalen vanuit het onderwijsveld dat met name meer ervaren leerkrachten promoveren naar een LB-schaal, waardoor de loonkosten voor schoolbesturen gemiddeld hoger zijn dan de gemiddelde loonkostenverhoging waar het ministerie van Onderwijs bij de invoering van uit ging?
Ja, de signalen uit het onderwijsveld, dat de gemiddelde loonkostenverhoging voor de functiemix hoger uitvalt dan het financieel kader in het Convenant Leerkracht van Nederland, zijn bekend, evenals het signaal dat het promoveren naar een LB-schaal van meer ervaren leerkrachten een van de oorzaken is van die hogere kosten. De uitwerking van de promotiecriteria en het promotiebeleid, en daarmee de keuze om meer ervaren leerkrachten te promoveren, is aan de schoolbesturen en de scholen.
OCW gaat over deze signalen in gesprek met de medeondertekenaars van het convenant.
Hoeveel is daadwerkelijk de gemiddelde personeelslast voor 2010–2011 toegenomen?
Een inschatting van de ontwikkeling van de (gerealiseerde) personeelslasten in 2010 of 2011 is op dit moment niet beschikbaar. De Dienst Uitvoering Onderwijs verwerkt momenteel de door salarisverwerkers (Raet, ADP, Merces, Centric, etc.) aangeleverde financiële gegevens over het kalenderjaar 2010.
Zijn er verschillen te zien tussen de personeelslasten van verschillende schoolbesturen en is er een verschil tussen kleine en grote schoolbesturen?
Zie ook het antwoord op vorige vraag. Er is op dit moment geen inschatting beschikbaar van de personeelslasten naar omvang van het schoolbestuur.
Met betrekking tot de te realiseren percentages zijn voor kleine schoolbesturen en scholen aanvullende afspraken gemaakt met de PO-Raad en de vakbonden.
Is het waar dat, doordat de kosten lineair toenemen, de gemiddelde personeelslast de komende jaren flink omhoog gaat?
Ja, de gemiddelde personeelslast gaat in het kader van de beloningsmaatregelen uit het Convenant LeerKracht van Nederland de komende jaren flink omhoog. Ook de bekostiging door OCW in het kader van het convenant (functiemix, kortere salarislijnen, schaaluitloopbedrag, verbetering salarispositie adjunctdirecteuren, toelage directeuren) loopt op: in 2010 € 176 miljoen, in 2015 € 257 miljoen, oplopend tot € 311 miljoen vanaf 2019. Deze bedragen zijn hoger dan de bedragen die zijn opgenomen in het convenant in verband met loonbijstellingen tot en met 2009.
Blijft het uitgangspunt dat 75% van de toename van de personeelslasten via de lumpsum moet worden vergoed, ook op langere termijn?
In het Convenant Leerkracht van Nederland hebben de sociale partners voor de sector primair onderwijs afgesproken dat, naast een bijdrage uit de convenantsmiddelen, de werkgevers vanuit de Van Rijn-middelen 25% zullen bijdragen aan de invoering van de functiemix. Deze afspraak vormt de basis voor het financieel kader voor het primair onderwijs, zoals vastgelegd in het convenant: in 2009 € 122 miljoen, in 2010 € 163 miljoen, in 2011 € 186 miljoen, in 2012 € 238 miljoen en in 2020 € 389 miljoen. Deze bedragen blijven het uitgangspunt.
Het gaat hierbij om het financieel kader voor alle maatregelen in het convenant met betrekking tot het primair onderwijs (functiemix, kortere salarislijnen, schaaluitloopbedrag, verbetering salarispositie adjunctdirecteuren, toelage directeuren). De feitelijke bedragen (zie antwoord op vraag 6) zijn hoger dan de bedragen die zijn opgenomen in het convenant in verband met loonbijstellingen tot en met 2009.
Het afblazen van een voorgenomen proef met verbeterd spreekrecht |
|
|
|
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Herinnert u zich de antwoorden op de vragen over een proef met verbeterd spreekrecht in aparte strafmaatzittingen?1
Ja.
Heeft u zelf contact gehad met de rechtbank Amsterdam over dit onderwerp? Zo nee, waarom niet?
Ten behoeve van de beantwoording van uw eerdere vragen heb ik zelf contact gehad met de rechtbank Amsterdam. De Raad voor de rechtspraak heeft mij bericht dat geen sprake is van een proef zoals door vragensteller bedoeld.
Is er in het kader van de voorbereiding van deze proef onderzoek gedaan door de rechtbank Amsterdam naar de juridische implicaties van aparte strafmaatzittingen? Zo ja, zijn de resultaten inmiddels bekend en wat is de uitkomst?
Zoals ik u in de beantwoording van uw eerdere vragen heb gemeld is op dit moment geen sprake van een proef, noch van een concreet voornemen daartoe.
Het is op dit moment dus voorbarig om te spreken van een concrete proef. Wel heeft de Raad voor de Rechtspraak mij inmiddels laten weten dat de betreffende rechtbank een vooronderzoek doet om te kijken of en hoe een aparte strafmaatzitting (onder de huidige wetgeving) in de praktijk is vorm te geven. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de juridische en financiële aspecten. De verwachting is dat dit vooronderzoek voor de zomer zal zijn afgerond.
Is de proef onderwerp van gesprek geweest, al dan niet in beslotenheid, met advocaten, rechters en officieren van justitie? Zo ja, wat is de uitkomst?
In het kader van dit vooronderzoek wordt (uiteraard) ook met rechters gesproken en met belangrijke externe partijen als advocatuur en OM. De rechtbank acht het van belang te luisteren naar wat er in de samenleving speelt. Die gesprekken dienen primair ter gedachtevorming.
Heeft u, voordat u tot uw oordeel kwam dat het uitoefen van spreekrecht tijdens aparte strafmaatzittingen niet leidt tot een betere positie van slachtoffers, de mening gevraagd van de (organisaties van) slachtoffers en nabestaanden zelf? Zo nee, waarom niet? Waarop baseert u uw mening dat het geen verbetering is?
Ik voer periodiek overleg met de organisaties van slachtoffers en nabestaanden. De wens die binnen deze organisaties leeft om het spreekrecht inhoudelijk uit te breiden is mij bekend. Ik sta, zoals eerder gezegd, positief ten opzichte van een uitbreiding van het spreekrecht. Ik streef er naar voor de zomer met een conceptwetsvoorstel te komen waarover de genoemde organisaties zich ook kunnen uitlaten. Ik teken echter aan dat met de invoering van de Wet versterking positie slachtoffers in het strafproces de keuze is bevestigd dat het slachtoffer procesdeelnemer blijft en geen procespartijwordt. Introductie van strafmaatzittingen noopt tot een ingrijpende herinrichting van het onderzoek op de terechtzitting met aanzienlijke consequenties voor de planning van de zittingen en de zittingscapaciteit. Los daarvan ben ik voorshands niet overtuigd van de meerwaarde van een splitsing tussen de feitelijke behandeling van een zaak en een strafmaatzitting, die ertoe zou leiden dat de emotionele belasting van het slachtoffer of de nabestaanden wordt verminderd. Ik zie met belangstelling uit naar de resultaten van het vooronderzoek in Amsterdam op dit punt.
Bent u bereid alsnog uw steun te verlenen aan een proef met aparte strafmaatzittingen waarbij de mogelijkheden van verbeterd spreekrecht kunnen worden onderzocht?
Zie antwoord vraag 5.
Een koopzondagbesluit van de gemeenteraad van Vlaardingen dat tegen de Winkeltijdenwet ingaat |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU), Elbert Dijkgraaf (SGP), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de gemeenteraad van Vlaardingen het voorstel van het college van B. en W. heeft aangenomen om 18 koopzondagen toe te wijzen waarvan winkeliers er zelf twaalf moeten kiezen, terwijl er in deze gemeente geen sprake is van een toeristisch regime?1
Ik ben op de hoogte van het besluit van de gemeenteraad van Vlaardingen tot het vaststellen van de Verordening winkeltijden gemeente Vlaardingen 2011 (hierna: de verordening). In artikel 5, lid 1, van deze verordening wordt de bevoegdheid tot het vaststellen van de twaalf koopzon- of feestdagen per jaar gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. In artikel 5, lid 2, van de verordening worden vervolgens 18 zon- en feestdagen genoemd, waar het college er twaalf uit mag kiezen. Het is dus niet zo dat het college van burgemeester en wethouders op grond van de verordening 18 zon- en feestdagen mag aanwijzen.
Wat is uw mening over dit besluit? Past een dergelijk besluit binnen de regels van de Winkeltijdenwet?
Zoals ik hierboven reeds heb aangegeven, mag het college van burgemeester en wethouders op grond van de verordening twaalf zon- of feestdagen aanwijzen. Dit is in overeenstemming met de Winkeltijdenwet. Het college van burgemeester en wethouders heeft op grond van de verordening op 26 januari 2011 4 koopzondagen aangewezen voor heel Vlaardingen. Bij besluit van 30 maart 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders 12 koopzondagen aangewezen voor het stadscentrum van Vlaardingen. Het college van burgemeester en wethouders heeft aangegeven dat van de aanwijzing van de eerste 4 koopzondagen door de winkeliers in het stadscentrum geen gebruik is gemaakt. Desalniettemin is het college van burgemeester en wethouders slechts bevoegd om op basis van de Winkeltijdenwet en de daarop gebaseerde verordening 12 koopzondagen aan te wijzen. Ik heb de gemeente hierop gewezen en verzocht om de aanwijzing van het aantal koopzondagen aan te passen, zodat deze in overeenstemming met de Winkeltijdenwet is.
Deelt u de mening dat artikel 3, eerste lid, van de Winkeltijdenwet gemeenteraden slechts de bevoegdheid verleent om zelf ten hoogste 12 koopzondagen aan te wijzen en dat de toegewezen koopzondagen alleen per deel van de gemeente kunnen verschillen?
Het klopt dat gemeenten slechts twaalf zon- of feestdagen per jaar mogen aanwijzen waarop de winkels geopend mogen zijn. De beperking tot twaalf dagen per kalenderjaar geldt voor elk deel van de gemeente afzonderlijk. Het is echter niet zo dat alleen de gemeenteraad deze twaalf koopzondagen mag vaststellen. In artikel 3, lid 2, van de Winkeltijdenwet staat dat de gemeenteraad de bevoegdheid tot het aanwijzen van de twaalf zon- of feestdagen per jaar mag delegeren aan het college van burgemeester en wethouders.
Deelt u de mening dat het raadsbesluit om 18 koopzondagen toe te staan en winkeliers zelf er 12 te laten kiezen rechtstreeks ingaat tegen de Winkeltijdenwet en dat dit voorstel dus in strijd is met het recht?
Nee, zoals ik hierboven reeds heb aangewezen, geeft de verordening het college van burgemeester en wethouders het recht om twaalf zon- of feestdagen per jaar aan te wijzen. Dit is niet in strijd met de Winkeltijdenwet.
Hebt u er tevens kennis van genomen dat de betrokken wethouder in de commissievergadering van 24 februari 2011 heeft aangegeven niet van plan te zijn ten behoeve van de handhaving ambtenaren met afvinklijstjes op pad te sturen en dat daarmee handhaving van het besluit – zelfs als het besluit binnen de regels van de wet zou vallen – niet gewaarborgd is?
Ja, ik heb hiervan kennis genomen. De burgemeester van de gemeente Vlaardingen heeft tijdens de raadsvergadering van 17 maart 2011 toegezegd dat de Winkeltijdenwet gehandhaafd zal worden. Ik ga er dan ook vanuit dat de handhaving van het besluit en daarmee de verordening gewaarborgd is.
Herinnert u zich uw antwoord tijdens de behandeling van de begroting van uw ministerie voor het jaar 2011: «indien een besluit van een gemeente echter duidelijk in strijd met de wet is, zal ik samen met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dat besluit van een gemeente voordragen voor vernietiging»?2
Ja.
Bent u bereid dit besluit voor vernietiging voor te dragen wegens strijd met het recht, om daarmee duidelijk te maken dat een raadsbesluit dat in strijd is met de Winkeltijdenwet niet toegestaan is en dat moet worden voorkomen dat meer gemeenten gebruik gaan maken van deze of vergelijkbare methoden buiten de wet om?
Nee, zoals ik hierboven reeds heb aangegeven, is de verordening niet in strijd met de Winkeltijdenwet. Het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 30 maart 2011 tot aanwijzing van de twaalf koopzondagen is mogelijk wel in strijd met de Winkeltijdenwet. Ik heb de gemeente hierop gewezen en verzocht de aanwijzing van het aantal koopzondagen in overeenstemming te brengen met de Winkeltijdenwet. Ik wil het antwoord op dit verzoek aan de gemeente afwachten, alvorens ik een beslissing neem over het voordragen van dit besluit van het college van burgemeester en wethouders voor vernietiging.
De productie van windenergie |
|
Jhim van Bemmel (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Windenergie bespaart geen brandstof»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat de productie van windenergie in pieken plaatsvindt, en dat deze pieken door het systeem van gas- en kolengestookte elektriciteitscentrales moet worden opgevangen? Zo ja, bent u van mening dat het opvangen van windstroompieken het rendement van het elektriciteitsysteem nadelig beïnvloedt? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met het feit dat de elektriciteitssector de pieken veroorzaakt door windenergie moet opvangen. Zoals geantwoord op de gelijkluidende vragen van de leden De Mos en Graus (2009Z25178), neemt het rendement van de elektriciteitsproductie door fossiele centrales in zeer geringe mate af door de noodzaak windenergie in te passen.
Bent u van mening dat er behoefte is aan gedetailleerde praktijkgegevens van de elektriciteitsproductie van de verschillende onderdelen van het Nederlandse systeem, waaruit kan blijken wat het effect van windstroompieken in het Nederlandse productiesysteem is? Zo ja, hoe ernstig dit effect is? Zo nee, kunt u motiveren waarom niet?
De huidige hoeveelheid windenergie wordt zonder problemen opgenomen in het elektriciteitssysteem. Het nadelige effect van windstroompieken op de efficiency van het Nederlandse stroomproductiepark is hooguit 2 tot 3 procent.
Gedetailleerde praktijkgegevens anders dan data die nu geregistreerd worden, acht ik niet nodig. Zie verder antwoord op vraag 2 en 6.
Is het u bekend dat de verhoudingen van wind-, gas- en kolencapaciteit in Nederland nauwelijks verschillen van die in Texas? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?2
De verhoudingen van de wind-, gas en kolencapaciteit (MW) tussen Nederland en Texas zijn weliswaar redelijk vergelijkbaar, maar de elektriciteitsvoorziening van Texas vertoont veel verschil met die van Nederland. Zo is de vraag per huishouden naar elektriciteit tweemaal groter en het opgesteld vermogen driemaal. Daarnaast verschilt de inzet van het productiepark van dat in Nederland: het aandeel kolen is in Nederland 20 %, in Texas 40%. Het aandeel gas 60 resp. 40%. Belangrijke verschillen zijn er ook in de organisatie van de marktordening voor elektriciteit.
Acht u het denkbaar dat de situatie in Texas voorlopig als een blauwdruk voor Nederland kan worden beschouwd en dat de onvermijdelijke pieken in de productie van windenergie ook bij onze elektriciteitscentrales zeer veel extra brandstof kosten? Zo nee, waarom niet?
Ik acht het niet denkbaar dat deze situatie zich in Nederland kan voordoen. De hoeveelheid gasgestookt vermogen is in Nederland groter dan in Texas. Verder voorziet in Nederland een goed werkende markt in de benodigde flexibiliteit, terwijl in Texas het centrale nutsbedrijf de windinpassing zelf moest verzorgen.
De verplichte inkoop van windenergie door dit centrale nutsbedrijf, bracht het bedrijf er toe een van de oudste eigen kolencentrales terug te regelen. Het rapport onder 2) bevat als aanbevelingen meer gebruik te maken van de flexibiliteit van STEG-eenheden en voorspellingen van windenergie beter te benutten. Voor de Nederlandse situatie hebben deze aanbevelingen geen betekenis: in Nederland is een groot aantal STEG-eenheden reeds betrokken bij het in balans houden van vraag en aanbod en het Nederlandse systeem van programmaverantwoordelijkheid stimuleert het gebruik van adequate voorspellingen van vraag en aanbod.
Bent u bereid de gedetailleerde productiecijfers van het Nederlandse elektriciteitsproductiesysteem op te vragen en opdracht te geven tot een onafhankelijk onderzoek naar het effect van windstroompieken op het totale energieverbruik van het elektriciteitsproductiesysteem in ons land aan de hand van deze detailcijfers? Zo nee, kunt u motiveren waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 3. Ik voeg hier aan toe dat de inpassing van wind in het Nederlandse en het Europese elektriciteitssysteem de afgelopen jaren vanuit verschillende invalshoeken is onderzocht. De uitkomsten geven aan dat het Nederlandse productiesysteem de huidige en mogelijk toekomstige windstroom-pieken zonder de geschetste problemen in Texas kan verwerken.
Aangezien de door u gewenste informatie daarmee geen toegevoegde waarde zal hebben, acht ik dit geen zinvolle besteding van (belasting)geld.
Investeringen door bedrijven en personen die gelieerd zijn aan staten |
|
Frans Timmermans (PvdA), Pauline Smeets (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het onderzoek door bureau Profundo in opdracht van RTL over investeringen van staatsbedrijven in Nederland?1
Ja.
Zo ja, deelt u de conclusies van forensisch financieel deskundige Cees Schaap dat Nederlandse toezichthouders onvoldoende hun werk doen bij het beoordelen van investeringen door buitenlandse staatsbedrijven?
Nee, die conclusies deel ik niet.
Zo ja, om welke toezichthouders gaat het dan en welke maatregelen gaat u nemen om het toezicht te verbeteren en te versterken? Zo nee, waarom niet?
In 2008 is een onderzoek naar buitenlandse staatsfondsen naar uw Kamer gezonden2 naar aanleiding van zorgen over het (mogelijke) gedrag van staatsfondsen. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat geen sprake was van onwenselijke gedragingen van dergelijke fondsen. Daarnaast werd geconcludeerd dat het opereren van buitenlandse staatsfondsen belangrijke economische baten voor Nederland biedt. Er is geen reden aan te nemen dat de stand van zaken met betrekking tot buitenlandse staatsfondsen in Nederland sindsdien fundamenteel is gewijzigd.
Het is niet in het belang van het Nederlandse vestigingsklimaat en van onze economische en diplomatieke relaties met het buitenland om alle bezittingen van buitenlandse staatsbedrijven op een lijst te zetten. Opname in een dergelijke lijst zal gezonde en in Nederland correct opererende bedrijven onnodig benadelen.
Indien buitenlandse staatsbedrijven onwenselijk gedrag vertonen, bijvoorbeeld door internationale of nationale sanctiemaatregelen te overtreden, biedt de bestaande regelgeving afdoende maatregelen om daartegen op te treden.
Deelt u de mening dat er bij het uitvoeren van de sancties tegen het regime in Libië onnodig tijd verloren is gegaan omdat eerst moest worden onderzocht welke tegoeden en bezittingen van kolonel Gadaffi en zijn entourage in Nederland aanwezig waren?
Die mening deel ik niet. Op respectievelijk 2, 10, 21, 23 en 25 maart zijn Europese Verordeningen door de Raad aangenomen, waarmee de tegoeden van Gadaffi en aan hem gelieerde personen en entiteiten zijn bevroren.3 Deze verordeningen waren op moment van publicatie direct van kracht, ook in Nederland. De financiële instellingen zijn over de ingestelde sanctiemaatregelen direct geïnformeerd door de Nederlandse toezichthouders.
Financiële instellingen hebben op basis van hun verplichte cliëntonderzoek steeds een goed en volledig beeld van hun klantenbestand en van de ultimate beneficial owner. Zij zijn derhalve in staat onmiddellijk uitvoering te geven aan de sanctiemaatregelen en hebben dat ook gedaan. Hierover hebben ze gerapporteerd aan de bevoegde Nederlandse autoriteiten.
Deelt u de mening dat Nederland snel en adequaat moet kunnen handelen op het moment dat de Verenigde Naties of de Europese Unie zou besluiten tot het instellen van sancties jegens regimes of personen die zich schuldig maken aan grove schendingen van het internationale recht, zoals het gebruik van grof geweld tegen de eigen bevolking?
Ja, die mening deel ik. Ik ben overigens van mening dat de Nederlandse overheid in deze gevallen reeds snel en adequaat handelt.
Zo ja, bent u dan bereid op basis van bestaande bronnen, zoals gegevens bij de Kamers van Koophandel of gegevens van de Dow Jones Watchlist en mogelijk andere bronnen bij de overheid, bedrijfsleven of NGO’s, in kaart te brengen welke tegoeden en bezittingen in ons land aanwezig zijn van buitenlandse staatsbedrijven en/of buitenlandse leiders en hun entourage?
Zie antwoord vraag 3.
Het in dienst nemen van oudere politieagenten |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politie moet minder streng zijn voor oudere sollicitant»1 en kent u de rapportage «Politietop», over waardering, respect en gezag bij de politie?
Ja.
Wordt er op dit moment al onderscheid gemaakt ten aanzien van de fysieke eisen die aan oudere dan wel jongere politieagenten worden gesteld? Zo ja, welke verschillen worden er gemaakt en door welke korpsen?
Momenteel wordt er geen onderscheid gemaakt ten aanzien van de fysieke eisen die aan oudere dan wel jongere politieagenten gesteld worden.
Deelt u de aanbeveling uit het genoemde rapport om de gemiddelde leeftijd van politiemensen op straat te verhogen omdat «politiemensen met meer ervaring stralen haast vanzelf meer gezag uit[stralen] en van burgers meer respect en waardering» krijgen? Zo ja, hoe gaat u aan de aanbeveling tegemoet komen? Zo nee, waarom niet?
Het werk van de politie op straat is vaak uitdagend en moeilijk. Het streven is dat alle politiemedewerkers, ongeacht leeftijd of ervaring, gezag uitstralen en hierdoor respect en waardering krijgen van de burger. Samen met de RKC en de Politieacademie werk ik aan het programma- en actieplan «versterking professionele weerbaarheid»; onderdeel van dit programma is het versterken van de veerkracht, vakmanschap en het gezag van politieambtenaren.
Deelt u de mening dat er tijdens sollicitaties verschil dient te worden gemaakt in de eisen ten aanzien van de fysieke conditie als het om jonge en oudere kandidaten gaat? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom moeten oudere agenten aan dezelfde fysieke eisen voldoen dan hun jongere collega’s?
Onderdeel van de selectieprocedure bij de politie is het fysiek motorisch onderzoek. De Politieacademie heeft de beschikbare data met betrekking tot de gemeten tijden voor het fysiek motorisch onderzoek geanalyseerd. Deze analyse is gemaakt om te komen tot leeftijdsdifferentiatie met betrekking tot de normtijden voor het fysiek motorisch onderzoek. De uitkomst van het onderzoek worden naar verwachting eind mei besproken met de vakbonden. Doelstelling is om de nieuwe normtijden voor het fysiek motorisch onderzoek rond de zomer in te voeren.
Bent u bekend met de plannen van het politiekorps Amsterdam Amstelland om verschillende fysieke eisen voor oudere en jongere agenten te gaan stellen? Zo ja, wat houden die plannen in? Bent u bereid zich in te zetten voor verdere verspreiding van die plannen?
Het korps Amsterdam-Amstelland heeft aangegeven geen eigen plannen te hebben om verschillende fysieke eisen te gaan stellen voor oudere en jongere agenten.
Deelt u de mening dat, ook al is het kabinet voornemens positieve discriminatie voor groepen op de arbeidsmarkt af te schaffen, er tenminste belemmeringen voor oudere kandidaat politieagenten moeten worden weggenomen? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Doelstelling is om in de selectieprocedure zal, zoals aangegeven bij vraag 4, voor het fysiek motorisch onderzoek leeftijdsdifferentiatie toe te passen. Met betrekking tot de overige onderdelen van de selectieprocedure zie ik geen belemmeringen voor oudere kandidaten. De overige onderdelen van de selectieprocedure, en eisen die gesteld worden aan kandidaten, zijn dan ook voor een ieder gelijk.
Verlaging van de administratieve lasten bij de inschrijving voor de middelbare school |
|
Metin Çelik (PvdA), Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «GBA-uittreksel niet nodig voor nieuwe scholieren» op de website van Binnenlands Bestuur?1
Ja.
Deelt u de mening dat ouders door de eis van een GBA-uittreksel onnodig op kosten gejaagd worden en onnodig naar de balie burgerzaken moeten? Zo nee, waarom niet?
De onderwijsregelgeving verplicht scholen slechts in een enkel geval om bij inschrijving van de leerling een uittreksel uit de GBA te verlangen:
Er is één subsidieregeling die voorschrijft dat er zich in de administratie van de school uittreksels van de GBA dienen te bevinden voor de leerlingen waarvoor de subsidie is aangevraagd. Het gaat om subsidie voor de eerste opvang van niet-Nederlandse leerlingen die op 1 april nog geen jaar in Nederland verblijven.
Het voorschrift maakt controle mogelijk door de instellingsaccountant op de rechtmatigheid van de subsidieaanvraag. Ca. 75 vo-scholen maken jaarlijks gebruik van deze regeling, waarbij in totaal 1500 leerlingen zijn betrokken.
Is het beeld correct dat de keus om een GBA-uittreksel te vragen aan de school is en niet aan de gemeente, zoals het artikel lijkt te suggereren?
Ja, waarbij ik opmerk dat voor «school» strikt genomen «het bevoegd gezag« gelezen moet worden en verder voor het niet verzelfstandigde openbaar onderwijs, de gemeente het bevoegd gezag is.
Klopt het dat scholen voor een correcte voering van de leerlingenadministratie niet verplicht zijn om een uittreksel uit de GBA te vragen, maar dat ook gebruik gemaakt mag worden van andere documenten, zoals het geboortebewijs, de zorgpas of een identiteitsbewijs? Hoe heeft u scholen hier tot nu toe op gewezen en wat is het resultaat van deze informatieverstrekking?
Voor de onder punt 2 genoemde subsidieregeling is er de verplichting om voor de leerlingen waar het om gaat, een uittreksel uit de GBA in de administratie te hebben.
Artikel 27b van de WVO schrijft verder voor dat bij inschrijving van een leerling een van overheidswege verstrekt document moet worden getoond dan wel een bewijs van uitschrijving van een andere school indien de gegevens daarop staan, met de volgende gegevens over de leerling: de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum, het geslacht en het burgerservicenummer van de leerling.
Deze bepaling dwingt dus niet tot het opvragen van een uittreksel uit de GBA.
Bij de introductie van regelgeving wordt altijd de nodige aandacht besteed aan voorlichting. Daarna moeten er specifieke redenen zijn om de voorlichting rond regelgeving te hervatten.
Uiteraard moet voorkomen worden dat ouders/leerlingen onnodig om een uittreksel uit de GBA worden gevraagd. Het onderzoek suggereert dat dit echter nog veel voorkomt. Als de oorzaak hiervan gelegen is in een verkeerde interpretatie van de regelgeving, is nadere voorlichting in mijn ogen zeker aan de orde. Ik zal daarvoor de communicatiekanalen tussen DUO en de scholen gebruiken.
Hebben scholen gedurende de schoolcarrière nog gegevens van de scholieren nodig die niet op de documenten staan die voldoen voor de leerlingenadministratie? Kunnen scholen deze gegevens op andere wijze verkrijgen, bijvoorbeeld uit de systemen van DUO? Wat zijn hier de knelpunten en hoe wilt u die wegnemen?
Op het diploma van een leerling dient de geboorteplaats van de leerling te worden opgenomen. Er is echter geen verplichting voor een school om de geboorteplaats te verifiëren aan de hand van een GBA-uittreksel. Die geboorteplaats kan aan de ouders of de leerling zelf worden gevraagd.
Er zijn mij geen andere gegevens bekend die gedurende de schoolcarrière van scholieren nodig zijn. Het verkrijgen van dergelijke gegevens uit de systemen van DUO is daarmee niet aan de orde.
Heeft u inzicht in de andere administratieve handelingen waarbij het gebruikelijk is om een uittreksel uit de GBA te vragen? Zo nee, bent u bereid deze situaties met behulp van de NVVB in kaart te brengen? Zo ja, bent u bereid om actief te werken aan de vervanging van deze administratieve last door modernere wijzen van identificatie?
Er is inderdaad, ook buiten het onderwijs, zicht op de andere administratieve handelingen waarbij uittreksels uit de GBA worden gevraagd (voor het onderwijsdomein gaat het naast inschrijvingen om examenaanvragen). In goed overleg met de NVVB zijn deze handelingen in kaart gebracht. In veel gevallen is die uitvraag niet wettelijk verplicht en kunnen de gegevens op andere wijze worden geverifieerd. Met betrokken partijen wordt actief gewerkt aan aanpassing van de werkprocessen zodat het GBA-uittreksel niet meer gevraagd hoeft te worden. Ook wordt onderzocht of de controle bij de onder punt 2 genoemde subsidie met minder administratieve last voor de school (dan het opvragen van uittreksels uit de GBA) kan worden geregeld.
Deelt u de mening dat scholen waar mogelijk gebruik moeten maken van kostenloze en minder belastende manieren gegevens te verkrijgen? Zo ja, bent u bereid scholen te verbieden nog langer een GBA-uittreksel te vragen bij aanmeldingen van nieuwe scholieren?
Ik streef naar lage administratieve lasten voor scholen en burgers. Het is de eigen verantwoordelijkheid van scholen om de door hen gewenste gegevens op de minst belastende manier te verkrijgen. Het verbieden van het vragen van een GBA-uittreksel is in dat licht niet aan de orde.
De bekostiging van het onderwijsaanbod op Texel |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u zich bewust van de uitzonderingspositie die de Waddeneilanden in Nederland innemen, en vormde deze uitzonderingspositie in het verleden voor de regering de reden dat het eiland Texel in aanmerking kwam voor compensatiegelden voor het voortgezet onderwijs?
In september 2010 heb ik in de Beleidsregel uitzonderingsscholen VO (Stc. 15445, 6 oktober 2010) vastgelegd dat de Friese Waddeneilanden een uitzonderingspositie innemen. In deze beleidsregel geef ik aan waarom en hoe ik het mogelijk maak dat op elk van de eilanden voortgezet onderwijs wordt verzorgd. Om deze reden sta ik bijvoorbeeld toe dat – mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan – de opheffingsnorm niet wordt toegepast en verleen ik een aanvullende bekostiging als tegemoetkoming aan de specifieke uitzonderlijke situatie.
De Hogeberg op Texel heeft van 2001 tot 2011 uitzonderingsbekostiging ontvangen om twee redenen. Ten eerste vanwege de eilandpositie. Ten tweede vanwege de relatief zware personele bezetting van de diverse afdelingen van het vbo ten opzichte van het aantal leerlingen van de afdelingen.
Onderkent u het belang van het bestaan van de enige scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs De Hogeberg op Texel?
Ja.
Welke overwegingen liggen eraan ten grondslag dat de andere Waddeneilanden een herbevestiging hebben gekregen van de compensatieregeling, maar Texel niet?
Uitgangspunt is dat reguliere bekostiging toereikend is voor VO-scholen met een leerlingaantal boven de stichtingsnorm. De Beleidsregel uitzonderingsscholen VO legt het beleid ten aanzien van uitzonderingsscholen in het voortgezet onderwijs vast. Een belangrijke voorwaarde voor uitzonderingsbekostiging op basis van deze beleidsregel is dat de desbetreffende school structureel een leerlingaantal heeft dat zich onder de geldende opheffingsnorm bevindt. Bij de vier scholen op de Friese Waddeneilanden (Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog) is dit het geval. De Hogeberg op Texel voldoet niet aan deze voorwaarde (op 1 oktober 2010 stonden er 951 leerlingen ingeschreven).
Neemt u het voor lief dat een gevolg van de beëindiging van de compensatiegelden is dat de scholengemeenschap het aanbod van vmbo-onderwijs moet inperken tot minder sectoren dan totnogtoe het geval was? Zo ja, waarom?
Het huidige en toekomstige aanbod van het aantal leerwegen, sectoren en afdelingen is de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Het bestuur van De Hogeberg kan – net zoals alle andere schoolbesturen – binnen de beschikbare lump sum bekostiging keuzes maken binnen het toegestane onderwijsaanbod. Overigens zijn er andere scholengemeenschappen in Nederland met een zelfde of lager leerlingaantal die evenveel studierichtingen en afdelingen aanbieden als De Hogeberg. Om deze reden extra bekostiging toekennen aan De Hogeberg zou dan ook in strijd zijn met het beginsel van rechtsgelijkheid.
Op welke regelingen kunnen scholieren aanspraak maken die, tengevolge van de inperking van het aantal vmbo-sectoren op De Hogeberg, naar de overkant zullen gaan omdat daar nog wel onderwijsaanbod bestaat in de vmbo-sector naar hun keuze?
Leerlingen in het voortgezet onderwijs worden gezien hun leeftijd geacht zich zelfstandig te kunnen verplaatsen. Er zijn dan ook geen regelingen met betrekking tot vervoer van leerlingen indien deze van mening zijn dat het onderwijsaanbod in hun nabije omgeving onvoldoende is. Overigens is het op 4,2 kilometer afstand gelegen Den Helder goed bereikbaar (de reistijd is twintig minuten). Aldaar is een breed aanbod van voorbereidend beroepsonderwijs.
De vetrekpremie van David Montgomery |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Mecom geeft «Monty» € 2,7 miljoen meer»?1
De bezoldiging van bestuurders en de keuze om te reorganiseren is primair een zaak van individuele ondernemingen. Van belang is verder dat de Mecom Group (hierna: Mecom) een beursgenoteerde vennootschap (plc) naar Engels recht is. De aandeelhouders van Mecom zijn de aangewezen partijen om in te grijpen indien zij het niet eens zijn met de gang van zaken bij Mecom. Bovendien beschikken zij als aandeelhouders ook over de rechtsmiddelen hiervoor.
Zoals gemeld in antwoord op eerdere kamervragen2 heeft de uitgeversbranche te maken met grote veranderingen. Veel uitgeverijen zien zich genoodzaakt anders te gaan werken, onder andere als gevolg van de opkomst van nieuwe (digitale) media. Dit gaat regelmatig gepaard met andere (strategische) keuzes en reorganisaties. Navraag leert dat er geen grootschalige reorganisatie (met vele ontslagen tot gevolg) gaande of gepland is bij krantenuitgeverij Koninklijke Wegener (hierna: Wegener), een dochtermaatschappij van Mecom. Reorganisaties en de gevolgen hiervan voor het personeel zijn een aangelegenheid tussen het bestuur, de vakbonden en de ondernemingsraad. Vaak wordt een sociaal plan afgesloten. Ook bij Wegener geldt een sociaal plan voor werknemers die vanwege een reorganisatie worden ontslagen.
Hoe ziet u de vertrekpremie van de topman van Mecom in relatie tot het verlies bij Mecom en Koninklijke Wegener en dientengevolge vele ontslagen bij krantenuitgeverij Koninklijke Wegener?
Zie antwoord vraag 1.
Over welke mogelijkheden beschikt u om het beloningsbeleid bij een buitenlandse investeringsmaatschappij aan te pakken? Welke acties gaat u omtrent dit specifieke geval ondernemen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe ziet u de vertrekpremie van oud-topman Munsterman bij Koninklijke Wegener? Welke acties heeft u daarbij genomen?
Het is in de eerste plaats aan Wegener zelf om invulling te geven aan zijn remuneratiebeleid. Daarbij is van belang dat rekening wordt gehouden met het in Nederland bestaande systeem van checks en balances, dat er op gericht is dat de belangen van alle bij de vennootschap betrokken partijen zorgvuldig worden afgewogen. Waar het het beloningsbeleid betreft is de Nederlandse corporate governance code van belang (hierna: de Code). Aangezien Wegener een beursgenoteerde vennootschap is, is de Code op dit bedrijf van toepassing.
In de Code is bepaald dat de raad van commissarissen de bezoldiging van de individuele bestuurders vaststelt, op voorstel van de uit zijn midden benoemde remuneratiecommissie. Deze beloning dient te passen binnen het door de algemene vergadering van aandeelhouders vastgestelde bezoldigingsbeleid. De wijze waarop het remuneratiebeleid bij Wegener wordt bepaald, is in lijn met de Code, aldus het jaarverslag3.
Best practice II.2.8 van de Code bepaalt voorts dat de vergoeding bij ontslag in beginsel maximaal eenmaal het vaste deel van het jaarsalaris bedraagt. Indien dit voor een bestuurder die in zijn eerste benoemingstermijn wordt ontslagen kennelijk onredelijk is, bijvoorbeeld wanneer hij voorafgaand aan zijn bestuursfunctie een lange arbeidsrelatie met de vennootschap heeft gehad, komt deze bestuurder in dat geval in aanmerking voor een ontslagvergoeding van maximaal tweemaal het jaarsalaris. Nadat jaarrekening en jaarverslag over 2010 zijn gepubliceerd, is met zekerheid vast te stellen of op dit punt is afgeweken van de Code. Wel is bekend dat de heer Munsterman ruim veertig jaar in dienst was bij Wegener.
Ten overvloede zij opgemerkt dat Wegener gemotiveerd kan afwijken van de Code. De Code is immers gebaseerd op het comply-or-explain principe. Indien Wegener afwijkt van de Nederlandse Code, moet hierover verantwoording worden afgelegd in het jaarverslag. Het is aan de aandeelhouders om het bestuur en de raad van commissarissen over de naleving van de Code ter verantwoording te roepen.
Hoe ziet u de ontwikkelingen van dalende inkomsten en de gevolgen daarvan voor de landelijke dagbladen?
De dalende inkomsten hebben twee hoofdoorzaken. Enerzijds zijn de advertentieomzetten sterk teruggelopen sinds de aanvang van de economische crisis. Tevens nemen advertentie-inkomsten structureel af vanwege andere keuzes die adverteerders maken om de consument te volgen. Met andere woorden, de consument verkiest in steeds grotere getale andere media, adverteerders plaatsen hun commerciële boodschappen daar dan ook.
Anderzijds staan de inkomsten uit oplage onder druk door de opkomst van gratis alternatieven (waaronder nieuwsvoorzieningen op het internet).
Zo liepen bij Wegener de advertentieopbrengsten van de betaalde dagbladen in 2010 met 8% terug en daalde de oplage met 2%.4
Voor het aantrekken van de advertentieopbrengsten is het economische herstel, met name op de binnenlandse markt, belangrijk. De opkomst van alternatieven voor de betaalde dagbladen betekent dat er meer concurrentie plaatsvindt op prijs en kwaliteit. Door innovaties als nieuwe formaten en sterk opgevoerde marketinginspanningen, groeiden bijvoorbeeld de oplagen van landelijke dagbladen als NRC.next, Trouw en de Volkskrant in het laatste kwartaal van 2010.5 Bij Wegener steeg in 2010 het aantal bezoekers op de digitale nieuwssites van dagbladen en werd in dit segment een hogere omzet gerealiseerd.
Levensgevaarlijke XTC |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Levensgevaarlijke xtc duikt steeds vaker op»?1
Ja.
Wist u dat er gevaarlijke xtc-pillen op de markt waren? Zo ja, wanneer wist u dat en wat heeft u hiertegen gedaan?
Ja, het gebruik van XTC tabletten is nooit zonder risico. De werkzame stof in deze tabletten is MDMA, dat op lijst I van de Opiumwet staat. Het Drugs Informatie en Monitoring Systeem (DIMS) onderzoekt en registreert de samenstelling en schadelijkheid van drugs zoals XTC en amfetamine.
De laatste maanden zijn er binnen het DIMS tabletten aangetroffen met een hoge dosering MDMA.
Voor de risico’s die gepaard gaan met het overmatig gebruik van deze tabletten is door de individuele deelnemers van het DIMS gewaarschuwd via de eigen (regionale) kanalen en webpagina’s. Het coördinerend bureau van het DIMS op het Trimbos Instituut heeft in januari 2011 een landelijk persbericht uitgebracht.
Daarnaast is het DIMS op 10 november 2010 door het Nederlands Forensisch Instituut op de hoogte gesteld van het feit dat er tabletten waren aangetroffen die in plaats van MDMA, of in combinatie daarmee, de stof PMMA bevatten. Op 11 november heeft het DIMS via persberichten, websites, Twitter en via de aan het DIMS gelieerde instellingen voor verslavingszorg gewaarschuwd voor het in omloop zijn van deze tabletten. In maart 2011 hebben de Limburgse zorginstelling Mondriaan en het Trimbos-instituut het uitgaanspubliek in de omgeving Sittard-Geleen nogmaals gewaarschuwd voor het feit dat er tabletten in omloop zijn die deze stof bevatten.
Klopt het dat een jongen de dood heeft gevonden na gebruik van deze xtc-pillen? Deelt u de mening dat deze jongen waarschijnlijk niet aan het gebruik van deze xtc-pillen had hoeven te sterven als deze waren gecontroleerd? Zo nee, waarom niet?
Het is inderdaad zo dat het overlijden van een jongeman in verband is gebracht met het gebruik van meerdere tabletten die de stof PMMA bevatten. In het bloed van deze jongeman zijn behalve PMMA ook andere stoffen aangetroffen. Het is daarom niet met zekerheid vast te stellen of deze jongeman alleen ten gevolge van het gebruik van tabletten met PMMA is overleden.
In Limburg kunnen gebruikers van XTC-tabletten bij de op het DIMS aangesloten zorginstelling Mondriaan XTC-tabletten op hun samenstelling laten controleren. Het initiatief daarvoor dient uit te gaan van de gebruiker.
Bent u bereid om controle van xtc-pillen en andere partydrugs in het uitgaansleven landelijk in te voeren om herhaling van wat in Zuid-Limburg is gebeurd te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals in de beantwoording van vraag 2 is aangegeven voorziet het DIMS al in de mogelijkheid de samenstelling en schadelijkheid van tabletten en poeders te laten controleren. Er zijn indicaties dat de recente overlijdensgevallen ten gevolge van het gebruik van XTC tabletten met elkaar gemeen hebben dat er sprake is geweest van het gebruik van een grote hoeveelheid tabletten, in combinatie met andere middelen.
Heeft u beleid ontwikkeld ten aanzien van de controle van partydrugs? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 2. Het DIMS geeft ook informatie over de samenstelling en schadelijkheid van XTC-tabletten en andere drugs. Wanneer middelen worden aangetroffen die een extra risico voor de gezondheid van de gebruiker met zich meebrengen wordt daarvoor gewaarschuwd via het Red Alert protocol. Incidenten die een relatie hebben met het gebruik van partydrugs worden gemonitord via een bij het DIMS ondergebrachte incidentenmonitor.