Tariefsverhoging vergunningen en digitachkaarten voor vrachtauto’s, touringcars en taxi’s |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat Kiwa de tarieven voor vergunningen en digitale tachograafkaarten met maar liefst 15 tot 20% verhoogt?
Ja.
Deelt u de mening dat deze forse verhogingen door Kiwa, die het monopolie heeft op uitgifte van deze documenten, het voortbestaan en de concurrentiepositie van Nederlandse vervoersbedrijven in gevaar brengen?
Het rijksbeleid is om te komen tot kostendekkende tarieven. Op het moment dat Kiwa de betreffende taken heeft overgenomen van de Inspectie Verkeer en Waterstaat was er voor een aantal vergunningen nog geen sprake van volledige kostendekkendheid. In de overeenkomst met Kiwa is vastgelegd dat Kiwa de eerste drie jaar na overdracht de ruimte heeft de tarieven te verhogen. Voorts bepaalt de overeenkomst dat de tarieven aangepast worden aan de inflatie. Daarnaast bepaalt de overeenkomst met Kiwa dat na drie jaar de tarieven gaan dalen. Momenteel investeert KIWA flink in efficiencyverbetering, waardoor een forse daling van de tarieven na 2012 valt te verwachten. Hierdoor is het voortbestaan van Nederlandse vervoersbedrijven naar mijn mening niet in gevaar.
Bent u bereid om onmiddellijk in overleg te gaan met Kiwa over deze tariefsverhogingen met de bedoeling deze terug te brengen naar een veel lagere verhoging in lijn met de inflatie en moeilijke omstandigheden van de bedrijven?
Er heeft overleg plaatsgevonden met Kiwa. Dit heeft geresulteerd in een overeenkomst, zoals ook aangeven in antwoord op vraag twee. De huidige aanpassing van de tarieven past binnen deze overeenkomst. Daarom is een nieuw overleg met het Kiwa niet aan de orde.
Bent u bereid bij een volgende aanbesteding van deze vergunningverlening en de afgifte van digitale tachograafkaarten de voorwaarden aan te scherpen zodat extreme tariefsverhogingen niet mogelijk zijn?
Een volgende aanbesteding is momenteel niet aan de orde.
Kunt u deze vragen, gezien de acute situatie, binnen twee weken beantwoorden?
Ja.
De besteding van Europese hulpgelden via de VN |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Europese Rekenkamer-rapport «De efficiëntie en doeltreffendheid van EU-bijdragen, verstrekt in door conflicten getroffen landen via organisaties van de Verenigde Naties»?
Ja.
Deelt u de negatieve oordelen van de Europese Rekenkamer als het gaat om de doeltreffendheid en efficiency van en het toezicht op de besteding van Europese ontwikkelingsgelden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de analyse van de Europese Rekenkamer en onderschrijf de aanbevelingen die worden gedaan. De kwalificatie dat het oordeel van de Rekenkamer negatief is, deel ik niet. In de onderzochte projecten in Soedan, Irak en Afghanistan zijn volgens de Rekenkamer ondanks de moeilijke omstandigheden de belangrijkste doelstellingen gerealiseerd. De Rekenkamer concludeert daarnaast dat er een goede kans bestaat dat deze resultaten duurzaam zullen zijn en dus blijvend de situatie in deze landen zullen verbeteren. In het rapport wordt daarnaast erkend dat door gebruik te maken van het VN-kanaal, afgelegen gebieden bereikt konden worden waar anders zeer moeilijk activiteiten van de EU zouden kunnen worden uitgevoerd.
De belangrijkste aanbevelingen van de Rekenkamer richten zich op de timing en monitoring van de projecten. De onderzochte projecten hadden een te ambitieuze planning gezien de fragiele omstandigheden in de betrokken landen. Hoewel hier enig begrip voor kan zijn, ben ik ook van mening dat de Commissie moet proberen om doelen in de tijd realistisch te formuleren. Met betrekking tot de monitoring van projecten herhaalt de Rekenkamer de bevindingen uit het eerste deel van het onderzoek naar EU uitgaven via de VN ( «Besluitvorming en monitoring van Europese bijdragen aan VN-instellingen» speciaal rapport 15, 2009). De Commissie heeft de aanbevelingen uit het eerste rapport inmiddels ter hand genomen en heeft onder andere de rapportage richtlijnen eind 2010 in samenspraak met de VN aangescherpt.
Deelt u gezien het feit dat «Palestina» niet bestaat de mening dat de Europese Rekenkamer in haar rapport de term «Palestina» beter niet had kunnen gebruiken? Zo nee, waarom niet?
In technische EU-documenten is het niet ongewoon om de begrippen «Palestina», «Palestijnse Gebieden» of «Bezette Palestijnse Gebieden» naast elkaar te hanteren. Het gebruik van de term «Palestina» impliceert op geen enkele wijze erkenning van de Palestijnse staat door de EU of door de afzonderlijke EU-lidstaten.
Deelt u de mening dat de Europese Unie zich niet met ontwikkelingshulp zou moeten bezighouden? Zo nee, waarom niet?
Nee. De EU heeft krachtens meerdere verdragen en in aanvulling op het beleid van de lidstaten een duidelijke rol te vervullen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Ik verwijs graag naar mijn uitgebreide antwoorden naar aanleiding van eerdere vragen van de leden van de PVV-fractie hierover in het schriftelijk overleg over de Informele OS-Raad van 21-22 oktober 2010 (uw kamerstuk 21 501–04 nr.117), de antwoorden op de Kamervragen van de PVV naar aanleiding van EU-hulp aan Egypte (d.d. 28 oktober 2010, aanhangselnummer 313) en de antwoorden op de Kamervragen van de PVV over ontwikkelingshulp van de Europese Unie aan Zimbabwe, Somalië, Libië, Syrië, Iran en Myanmar (d.d. 29 november 2010, aanhangselnummer 636).
Iraaks-Koerdische mensenrechtenactivist Karman Kamal |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht1 dat de Iraaks-Koerdische mensenrechtenactivist Karman Kamal recent is beschoten?
Ja.
Zo ja, deelt u de mening van the Federation of Civil Society Organizations dat een onafhankelijk onderzoek ingesteld moet worden naar de aanslag op Karman Kamal? Indien nee, waarom niet?
De Nederlandse ambassade in Bagdad heeft op 29 juni de Koerdische regionale overheid gevraagd om een onderzoek naar de beschieting van Karwan Kamal in te stellen. Nederland en de EU zijn bovendien met de Iraakse autoriteiten in gesprek over de manier waarop zij omgaan met de recente protesten. Ik zal zowel bilateraal als in EU-verband bij de Iraakse autoriteiten in Bagdad en in de Koerdische regio blijven aandringen op respect voor mensenrechten en op vervolging van degenen die deze rechten schenden.
Bent u bereid om rechtstreeks, alsmede via de EU, opheldering bij de Koerdische regionale overheid te vragen over deze zaak? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het raadsbesluit om in Zoetermeer 52 koopzondagen toe te staan |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP), Carola Schouten (CU), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het wegvloeien van koopkracht naar nabijgelegen gemeenten geen zelfstandig argument of aanleiding mag zijn om de toerismebepaling te benutten? Deelt u tevens de opvatting dat het vooral benadrukken van de economische aantrekkingskracht van een winkelcentrum elders een belangrijke aanwijzing is dat niet de ondersteuning van bestaand substantieel, autonoom toerisme, maar een vooral economische argumentatie de hoofdreden is om gebruik te maken van de toerismebepaling?
Indien gemeenten op grond van de toerismebepaling in de Winkeltijdenwet winkelopening op zondag willen toestaan, moeten zij vaststellen of er in de gemeente sprake is van toeristische aantrekkingskracht en of deze toeristische aantrekkingskracht autonoom en substantieel is. Indien een gemeente aan deze criteria voldoet, is de gemeenteraad bevoegd, maar niet verplicht, deze bepaling toe te passen. De concrete toepassing van de toerismebepaling vereist een afweging van de daarbij betrokken belangen. De gemeente die de toerismebepaling toepast, wordt verplicht in ieder geval de volgende belangen in zijn afweging te betrekken: de belangen van de lokale economische bedrijvigheid en de werkgelegenheid, waaronder mede wordt begrepen het belang van winkeliers met weinig of geen personeel en van winkelpersoneel, de zondagsrust, de leefbaarheid, de veiligheid en de openbare orde in de gemeente. De gemeente kan na afweging van alle belangen tot het oordeel komen dat een vrijstelling kan worden verleend. Het feit dat een gemeente voornamelijk economische belangen opvoert als reden om gebruik te maken van de toerismebepaling, doet daar niets aan af. Het staat een gemeente namelijk vrij verschillend gewicht toe te kennen aan genoemde belangen om te komen tot een afweging daarvan.
Deelt u de mening dat uw bevestiging dat toerisme en aantrekkingskracht strikt moeten worden geïnterpreteerd, ook op Zoetermeer van toepassing is? Kunt u nader onderbouwen waarom Zoetermeer zich op het gebied van toerisme «in betekenende mate onderscheidt van andere gemeenten», zoals het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) in diverse uitspraken als maatstaf heeft gegeven?
Het besluit van de gemeente Zoetermeer voldoet naar mijn mening aan de eisen die toepassing van de toerismebepaling stelt. Hierbij wordt wel aangetekend dat inmiddels bezwaar is ingediend tegen het besluit van de gemeente Zoetermeer. Tegen het besluit op dit bezwaar kan beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Hangende bezwaar en beroep kan een voorlopige voorziening worden gevraagd bij de voorzieningenrechter van dat college. De rechter heeft het laatste woord bij de beoordeling van de vraag of de gemeente Zoetermeer terecht gebruik heeft gemaakt van de toerismebepaling.
Deelt u de mening dat het CBb die strikte interpretatie uitdrukkelijk baseert op het uitgangspunt van de wet dat winkels op zondag in principe gesloten zijn en stelt dat «aangezien bij een andere benadering het verbod tot zondagsopenstelling zoals vervat in artikel 2, eerste lid, van de Wet, feitelijk illusoir zou worden gemaakt»? Kunt u aangeven op welke wijze de door de gemeente Zoetermeer gekozen benadering het verbod tot zondagsopenstelling niet feitelijk illusoir maakt?
Het uitgangspunt van de Winkeltijdenwet is inderdaad dat de winkels op zondag gesloten zijn. Naast de 12 koopzondagen die elke gemeente mag aanwijzen bestaan er echter nog een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel. Eén van deze uitzonderingen is de toerismebepaling. Indien een gemeente aan de vereisten van de toerismebepaling voldoet, mag de gemeente winkelopening op zondag toestaan. Het verbod tot zondagsopenstelling wordt alleen illusoir gemaakt als gemeenten ten onrechte gebruik maken van de toerismebepaling.
Deelt u de mening dat het op grond van wet en jurisprudentie niet voldoende is als vastgesteld wordt dat (een deel van) de bevolking van een gemeente tegen winkelopenstelling op zondag is, maar dat het eveneens vereist is dat een gemeente bij het gebruik maken van de toerismebepaling een zo beperkt mogelijke inbreuk op het verbod van winkelopenstelling op zondag doet om het wettelijk verbod niet uit te hollen? Kunt u aangeven hoe de gemeente Zoetermeer gekozen heeft voor een zo beperkt mogelijke inbreuk op dit wettelijk verbod en het uitzonderingskarakter van de toerismebepaling heeft laten meewegen?
Zoals hierboven reeds is aangegeven, mogen gemeenten niet zomaar winkelopening op zondag toestaan. Bij gebruikmaking van een vrijstelling op basis van toerisme moeten gemeenten voldoen aan de formele en inhoudelijke vereisten van de toerismebepaling. Indien een gemeente aan deze vereisten voldoet, mag de gemeente winkelopening op zondag toestaan.
Deelt u de mening dat de toeristische aantrekkingskracht, waar de gemeente Zoetermeer zich op beroept, geldt voor de gehele gemeente? Ligt het niet in de aard van de Winkeltijdenwet dat winkelopening als gevolg van autonoom toerisme ook binnen het toeristisch gebied moet begeven en dat er in ieder geval ook een aantoonbaar verband moet zijn tussen het in een gemeente voorkomende toerisme en de openstelling van winkels als ondersteuning van dat toerisme? Bent u met ons van mening dat artikel 3 van de Winkeltijdenwet dit verband uitdrukkelijk vraagt, gezien het feit dat de vrijstelling of ontheffing gegeven kan worden «ten behoeve van» het reeds bestaande toerisme?
Het is aan de gemeenten te bepalen of zij voldoen aan de toerismebepaling en om vervolgens de gebieden in de gemeente af te bakenen waarbinnen de winkelopening op zondag wordt toegestaan. Dat kunnen delen van de gemeente zijn of de gemeente in haar geheel. De Winkeltijdenwet verplicht gemeenten niet om, bij gebruikmaking van de toerismebepaling, alleen winkelopening op zondag toe te staan in dat gedeelte van de gemeente waar de toeristische aantrekkingskracht zich bevindt. Indien er sprake is van autonoom en substantieel toerisme in een deel van de gemeente, is de gemeente vrij om de winkelopening op zondag in de gehele gemeente toe te staan. Dit blijkt ook uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld Hof ’s-Gravenhage 3 augustus 2010, LJN: BN3217).
Deelt u de mening dat de in het kader van het door de gemeente Zoetermeer uitgevoerde onderzoek gehanteerde vraagstelling of winkeliers zelf mogen beslissen om open te gaan op zondag enigszins misleidend is, aangezien geen enkele ondernemer verplicht wil worden om open te gaan? Geeft het onderzoek wel een eerlijk beeld over het draagvlak onder ondernemers in de gehele gemeente voor het vrijgeven van 52 koopzondagen per jaar?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven, vereist de concrete toepassing van de toerismebepaling een afweging van belangen. Hoe deze belangen tegen elkaar worden afgewogen en welke onderzoeken de gemeente hiervoor verricht, is de verantwoordelijkheid van de gemeente.
De Winkeltijdenwet bevat geen specifieke vereisten waaraan onderzoeken moeten voldoen. In dit geval zat bij het vraag- en antwoordformulier dat naar de ondernemers in het Stadshart en het Woonhart is gestuurd, een begeleidende brief waarin het doel van het onderzoek wordt uitgelegd. In deze brief staat dat de gemeente graag de mening van de ondernemers wil weten. Zo wil de gemeente graag weten of de ondernemers en/of hun organisatie willen dat hun winkel(s) in Zoetermeer elke zondag open mag/mogen of dat zij de huidige regeling (14 koopzondagen per kalenderjaar) voldoende vinden. Ook wordt in het vraag- en antwoordformulier de vraag gesteld of de ondernemers voor of tegen het vrijgeven van de winkelopening op zondag zijn. Naar mijn mening wordt de strekking van het onderzoek hiermee voldoende duidelijk gemaakt en is van enige misleiding geen sprake.
Op welke wijze is door de gemeente Zoetermeer voldaan aan de voorwaarde in de wet dat het belang van werknemers en winkeliers met weinig of geen personeel om niet op zondag te hoeven werken moet worden meegewogen?1
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 al heb aangegeven, is er bezwaar ingediend tegen het besluit van de gemeente Zoetermeer. Tegen het besluit op dat bezwaar kan beroep bij de rechter worden ingesteld. De rechter heeft het laatste woord bij de beoordeling van de vraag of de gemeente Zoetermeer de belangen van de werknemers en winkeliers met weinig of geen personeel in voldoende mate heeft meegewogen.
Het onderzoek naar de vliegramp in Tripoli |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat volgens internationale regels het Bureau d'Enquête et d'Analyse (BEA) en de National Transport Safety Board niets mogen publiceren zonder uitdrukkelijke toestemming van de desbetreffende lidstaat, in dit geval Libië?
Het ICAO-verdrag kent geen mogelijkheid om zonder toestemming of zonder verzoek van de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat eigenstandig acties te ondernemen. De genoemde mogelijkheid om de deelrapporten van de bij het onderzoek betrokken instanties het Franse Bureau d'Enquête et d'Analyse (BEA) en de National Transport Safety Board te publiceren, bestaat, maar is dus afhankelijk van de instemming van de Libische autoriteiten en zal niet de gewenste integrale analyse over de toedracht op kunnen leveren. De ICAO heeft aangegeven eerst de verdere ontwikkelingen in Libië af te willen wachten.
Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de antwoorden die u op 8 juni 2011 naar de Kamer stuurde waarin u zegt «Een mogelijkheid zou zijn de deelrapporten van de bij het onderzoek betrokken instanties het Franse Bureau d'Enquête et d'Analyse (BEA) en de National Transport Safety Board te publiceren»?1
Zie antwoord vraag 1.
Is het correct dat nabestaanden van de vliegramp niets meer van Buitenlandse Zaken (en niets meer van de Onderzoeksraad voor veiligheid) hebben vernomen sinds uw toespraak op 12 mei 2011? Zo ja, waarom is er geen contact gezocht?
Ik ben doordrongen van het leed van de nabestaanden en van de grote behoefte die er bestaat om antwoord te krijgen op de vragen naar het onderzoek en afhandeling van de ramp. Om de nabestaanden niet vanuit diverse overheidsinstanties te benaderen, ligt de uitvoerende en coördinerende taak voor communicatie met de nabestaanden bij Slachtofferhulp Nederland. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland hebben in nauw overleg met het ministerie van Buitenlandse Zaken contact met de nabestaanden als daar aanleiding voor is of behoefte aan bestaat bij de nabestaanden. Vanzelfsprekend wordt alle relevante informatie met nabestaanden gedeeld via de zo afgesproken weg. Ik ben daarbij echter wel afhankelijk van de informatie die de onderzoekers kunnen en mogen verstrekken dan wel de facto verstrekken. Helaas zijn er sinds mijn toespraak op 12 mei nog geen gegevens beschikbaar gekomen om te delen met de nabestaanden.
Met Slachtofferhulp Nederland is afgesproken dat in samenwerking met het ministerie van Buitenlandse Zaken binnenkort een bijeenkomst zal worden georganiseerd voor nabestaanden om, voor zover beschikbaar, nadere informatie te delen over de gang van zaken met betrekking tot het onderzoek naar de oorzaken van de vliegramp.
Is het waar dat de nabestaanden in 2011 alleen op 21 april een bericht van de regering hebben gekregen en verder niets hebben gehoord (op uw toespraak na)? Zo ja, waarom heeft u er niet voor gekozen om hen vaker – en uitvoeriger – informatie te verstrekken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt dit zich tot uw belofte dat informatie «steeds» met nabestaanden zou worden gedeeld?1 Zult u in de toekomst meer van u laten horen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verklaart u de berichtgeving in NRC Handelsblad2 dat het ICAO «verbaasd» was over uitspraken van het ministerie, omdat deze «tegen alle procedures» in zouden gaan?
De in NRC Handelsblad genoteerde «verbazing» van de woordvoerder van ICAO heeft betrekking op mijn toezegging te onderzoeken of ICAO kan ingrijpen, bijvoorbeeld door het onderzoek over te nemen. De toezegging betrof niet de aankondiging van een ICAO-onderzoek. Aanleiding tot de toezegging waren schriftelijke vragen van de leden Pechtold en Van Veldhoven d.d. 12 mei 2011 aan de ministers van BZ en van I&M waarin gevraagd wordt te onderzoeken of de ICAO een onderzoek kan starten naar de ramp in Tripoli op 12 mei 2010. Op die vragen is op 29 juni jl. antwoord gegeven.
Wordt er momenteel op politiek of diplomatiek niveau geprobeerd meer informatie over de voortgang van het onderzoek in te winnen en/of het onderzoek te bespoedigen? Zo ja, op welke manier, en hoe wordt de Kamer in de procedure meegenomen?
Ik wijs op de beantwoording door staatsecretaris Atsma van Infrastructuur en Milieu d.d. 29 juli jl, waarin hij mede namens mij ingaat op de mogelijkheden informatie te verkrijgen en het onderzoek te bespoedigen. Hoezeer ik ook hecht aan een spoedige afwikkeling van dit onderzoek naar de ware toedracht, moet ik wijzen op de huidige omstandigheden in Libië. Veel zal afhangen van een verandering in een situatie in Libië. Ook onder deze moeilijke omstandigheden zal Nederland iedere gelegenheid aangrijpen om aan te dringen op een spoedige en zorgvuldige afronding van het onderzoek en de Kamer daarover informeren als daar aanleiding toe is.
Alhoewel de Libische autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het onderzoek zich in Tripoli bevinden, heb ik ook in contacten met de Nationale Overgangsraad (TNC) gewezen op het grote belang van spoedige afronding van het onderzoek.
NAVO-trainers in Afghanistan |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Is het waar dat sinds maart 2009 ten minste 36 NAVO-trainers in Afghanistan zijn gedood door rekruten of personen die zich voordeden als Afghaanse politieagent of soldaat?1
Betrouwbare cijfers hierover zijn niet voorhanden. Wel is het waarschijnlijk dat sinds maart 2009 enkele tientallen medewerkers van ISAF zijn gedood door personen die zich op enigerlei wijze voordeden als medewerker van de Afghaanse veiligheidsdiensten. Het betrof trainers en ander personeel. In vrijwel alle gevallen is overigens geen sprake van infiltratie in het Afghaanse leger of de politie, maar van opstandelingen die een uniform hebben bemachtigd of hebben laten namaken, of van getraumatiseerde Afghaanse militairen of agenten die door de Taliban zijn gedwongen tot gewelddadigheden. Er zijn geen bewijzen voor systematische infiltratie van de Taliban in het Afghaanse leger of de politie.
Hoe wilt u voorkomen dat er aan de Nederlandse trainingsmissie infiltranten deelnemen met als doel Nederlandse trainers te doden of verwonden?
De regering hecht er sterk aan – net als alle andere partijen die in Afghanistan actief zijn – veiligheidsrisico’s zo veel mogelijk te beperken. Dat geldt ook voor het risico van infiltratie bij de politie. In het selectieproces wordt getracht gemotiveerde rekruten te werven en het risico op infiltratie te verkleinen. Dit selectieproces is formeel in handen van het Afghaanse ministerie van Binnenlandse Zaken. Daarbij wordt intensief samengewerkt met de NATO Training Mission – Afghanistan. Bovendien heeft Nederland de bevoegdheid rekruten bij aanvang van de basisopleiding te weigeren. Uiteraard is onafgebroken oplettendheid geboden om vroegtijdig aanwijzingen van infiltratie te kunnen signaleren. Daarnaast monitoren Afghaanse contra-inlichtingeneenheden het leger en de politie op tekenen van compromittering en stress bij het personeel.
Deelt u de opvatting van de Nederlandse Politiebond (NPB) dat de veiligheidssituatie duidelijk is verslechterd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid een geactualiseerde veiligheidsanalyse naar de Kamer te sturen?
De veiligheidssituatie in Kunduz past in het beeld dat in januari met uw Kamer is besproken. De toename van het aantal geweldsincidenten van de afgelopen jaren, zoals gemeld in de brief aan de Kamer van 7 januari jl. (Kamerstuk 27 925 nr. 415), heeft zich dit jaar vooralsnog niet voorgedaan. Wel is een verschuiving zichtbaar van directe confrontaties naar een meer asymmetrisch optreden en opzienbarende aanslagen. Dat geldt ook voor de dreiging tegen de Nederlandse militairen en burgermedewerkers die in Kunduz worden ingezet. Dit beeld werd bevestigd in de contacten van minister Rosenthal tijdens zijn bezoek aan Kunduz op 6 juli.
De regering heeft er vertrouwen in dat de politietrainingsmissie haar activiteiten onder deze omstandigheden op een verantwoorde wijze kan uitvoeren. Zij houdt de algemene veiligheidssituatie nauwlettend in de gaten.
Is het waar dat de NPB overweegt agenten op te roepen niet deel te nemen aan de politietrainingsmissie in Afghanistan?
Op dit moment roept de NPB agenten niet op af te zien van deelneming aan de missie in Afghanistan.Zoals op de website van de NPB staat (www.politiebond.nl), houdt ook de NPB de ontwikkelingen goed in de gaten.
Welke minimale vrijwillige aanmelding van agenten is noodzakelijk om de missie op zinvolle wijze door te laten gaan?
Op dit moment zijn er voldoende politiefunctionarissen van het KLPD beschikbaar in de uitzendpool.
Komt er een nieuw afwegingsmoment alvorens de politietrainers eind dit jaar naar Kunduz gaan?
Zoals gemeld in de brief van 27 januari 2011 (Kamerstuk 27 925 nr. 419) zal de Nederlandse regering bij een structurele, ernstige verslechtering van de situatie de Nederlandse bijdrage nader bezien. Daarvoor is op dit moment geen aanleiding.
Wat is reden dat u de Kamer en andere betrokkenen pas vier dagen voorafgaand aan de ingangsdatum van de forse verhoging van leges voor verblijfsvergunningen regulier hierover informeert?1
Ik besef dat de Kamer en andere betrokkenen pas zeer kort van te voren zijn geïnformeerd over de legesverhoging.
De verhoging van de leges naar een hoger niveau van kostendekkendheid is een uitwerking van het regeerakkoord. In de voorjaarsnota is evenwel vastgelegd dat ik nog voor dit jaar € 9 mln. aan meeropbrengsten regulier leges zal realiseren. Om dit mogelijk te maken, dienden de leges op zeer korte termijn te worden verhoogd. Elke maand langer wachten zou nog meer verhoging van de leges betekenen om dat doel te kunnen bereiken. Een besluit tot een latere invoeringsdatum van de legesverhoging is dan ook niet wenselijk.
Om tegemoet te komen aan de problemen van de onderwijsinstellingen heb ik wel besloten, dat de IND coulant omgaat met die aanvragen waarbij de student reeds vóór 1 juli jl. de leges had betaald aan de onderwijsinstelling. In deze gevallen geldt dat ook al wordt de aanvraag ingediend op of na 1 juli met het oude legesbedrag genoegen wordt genomen. Ook zal voor wat betreft overige verblijfsdoelen in die gevallen waarin de aanvraag of adviesaanvraag voor 1 juli door de IND ontvangen is het oude legestarief van kracht blijven.
Deelt u de mening dat het niet van behoorlijk bestuur getuigt om leges voor een verblijfsvergunning, waar mensen soms tijden voor hebben gespaard, plotseling met tientallen procenten/honderden euro’s te verhogen? Waarom heeft u niet gekozen voor een fatsoenlijke overgangsregeling, of een latere ingangsdatum van de verhoging van de leges? Bent u daar alsnog toe bereid?
Zie antwoord vraag 1.
Welke kosten van de verschillende producten verblijfsvergunningen worden door u precies doorberekend aan de desbetreffende migrant? Waarom is dit niet in uw brief opgenomen? Kunt u garanderen dat er geen indirecte kosten aan de migrant worden doorberekend, conform de Handreiking Kostentoerekening «Leges en Tarieven» van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ?
In mijn brief van 27 juni jl., in het bijzonder in bijlage twee «Kostprijzen en legestarieven» is uiteengezet welke kosten worden doorberekend in de legestarieven.
Indirecte kosten, zoals gedefinieerd in de Handreiking Kostentoerekening Leges en Tarieven, worden niet doorberekend. Dit betekent dat de kosten van handhaving en van bezwaar- en beroepsprocedures niet worden doorberekend.
Tot slot wil ik benadrukken dat het meer kostendekkend maken van de leges niet alleen een verhoging van de leges inhoudt, maar dat ik ernaar streef om ook de kostprijs naar beneden te brengen.
Waar baseert u op, dat de leges van 1 250 euro voor een verblijfsvergunning vanwege gezinshereniging het «nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet beperken? Waarom acht u dat toelaatbaar en in overeenstemming met recht en jurisprudentie? Bent u bereid ten aanzien van deze verhoging van ruim 400 euro advies te vragen aan de Europese Commissie over de vraag of die in overeenstemming is met de Gezinsherenigingsrichtlijn?
Gelet op het inkomensvereiste dat geldt voor gezinshereniging ben ik van mening dat de legestarieven niet afdoen aan het «nuttig effect» van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Dit inkomen maakt het mogelijk om ook de verhoogde legestarieven te betalen. Tot nog toe is mij geen jurisprudentie bekend, waaruit blijkt dat hoge legestarieven strijdig zouden zijn met bovengenoemde richtlijn. In de richtlijn zelf is ook geen bepaling opgenomen ter zake van leges. Ik ben dan ook niet voornemens om advies te vragen aan de Europese Commissie over de vraag of de verhoging in overeenstemming is met deze richtlijn.
Waarom heeft u niet gekozen voor geleidelijke verhogingen van leges, in plaats van verhogingen met soms 30 tot 40%, die ook nog eens aanvullend zijn op recente andere forse verhogingen? Deelt u de mening dat de rechtszekerheid voor burgers ook een zekere betrouwbaarheid van de overheid vraagt, die onder meer inhoudt dat leges voor vergunningen niet binnen een te korte tijd met een te hoog percentage of fors bedrag worden verhoogd?
Zoals ik in het antwoord op de eerste en de tweede vraag heb weergegeven, was vanwege de financiële taakstelling een geleidelijker legesverhoging niet aan de orde.
Wat betreft de rechtszekerheid van de burger en de betrouwbaarheid van de overheid ben ik van mening dat deze niet in het geding zijn bij deze en volgende legesverhogingen, omdat de verhoging alleen ziet op nieuwe aanvragen.
Weliswaar is de legesverhoging fors, maar zeker zolang de leges niet kostendekkend zijn, is de legesverhoging niet als onbetrouwbaar overheidshandelen te kwalificeren.
Vindt u, nu u zelf verwijst naar het advies van de ACVZ «Leges voor (arbeids)migratie naar Nederland», dat de verhogingen (verdriedubbelingen) van de leges voor een verblijfsvergunning «medisch» en «buiten schuld» te rijmen zijn met de conclusie van de ACVZ in dat advies, dat de legestarieven voor reguliere gezinsmigranten een behoorlijke financiële druk vormen en de hoge legestarieven voor kwetsbare migrantengroepen een nog grotere belemmering zijn? Kunt u dit toelichten?
Wat betreft de legestarieven voor reguliere gezinsmigranten wil ik verwijzen naar het antwoord op vraag 4. Met betrekking tot kwetsbare migrantengroepen geldt dat de legeshoogte inderdaad als een behoorlijke financiële druk kan worden ervaren; vreemdelingen die legaal in Nederland verblijven, hebben evenwel een inkomen, dat het mogelijk maakt om ook de verhoogde leges te kunnen betalen.
Ik heb echter besloten de legesverhoging voor een beperkt aantal kwetsbare categorieën vreemdelingen minder te verhogen dan aangekondigd in de brief van 27 juni 2011 (Kamerstukken II 2010–2011, 30 573, nr. 73). Dit betreft personen die in het kader van huiselijk geweld, eergerelateerd geweld, achterlating of mensenhandel voortgezet verblijf aanvragen. Ook voor hen zijn de leges voor een aanvraag om voortgezet verblijf per 1 juli 2011 verhoogd van € 331 naar € 950. Bij de voorbereiding van dit voorstel is over het hoofd gezien dat de legesverhoging die categorieën op deze wijze zou treffen. Daarom heb ik besloten de leges voor voortgezet verblijf voor deze categorieën tot een minimum te beperken, namelijk € 350.
Waarop baseert u de aanname in uw brief dat de aanzienlijke tariefsverhoging van de leges bij verlenging van een verblijfsvergunning niet schadelijk is voor de positie van de Nederlandse kenniseconomie, maar dat een verhoging van het tarief voor de eerste toelating dat wel zou zijn? Deelt u de mening dat dit een scheve redenatie is aangezien de drempel weliswaar niet verhoogd wordt, maar dat deze verhoging mensen wel dwingt om tussentijds terug te keren door de enorm gestegen kosten voor verblijf? Heeft u onderzocht wat de effecten zullen zijn op de afweging van buitenlandse studenten en onderzoekers op hun komst naar Nederland als de tarieven voor verlenging enorm verhoogd worden? Heeft u in dit verband tevens kennis genomen van de kritiek van koepelorganisatie van Nederlandse universiteiten en van studentenorganisaties op de abrupte verhoging van leges voor verlenging van de verblijfsstatus van buitenlandse studenten? Zo ja, hoe beoordeelt u deze kritiek?
De tarieven voor de verlenging van de verblijfsvergunning voor kennismigranten zijn verhoogd. Ik ben van mening dat dit geen drempel vormt voor kennismigranten om het verblijf Nederland voort te zetten. Ik baseer dit op het feit dat kennismigranten beschikken over een inkomen, dat moet voldoen aan de criteria van de kennismigrantenregeling, waardoor deze verhoging financieel geen probleem hoeft te zijn.
Bovendien is het aantal verlengingen van verblijfsvergunningen door kennismigranten zeer beperkt, aangezien een verblijfsvergunning wordt afgegeven voor de duur van het verblijf, met een maximum van vijf jaar.
Het advies van de ACVZ «Leges voor (arbeids)migratie naar Nederland» van mei 2008 geeft evenmin aanleiding om te veronderstellen dat kennismigranten hun verblijf in Nederland af zouden breken vanwege de hoogte van het tarief voor de verlenging. Het tarief voor eerste toelating voor kennismigranten is niet verhoogd. Dit is een beleidsmatige keuze, gebaseerd op het belang dat het kabinet hecht aan de toelating van kennismigranten.
Wat betreft de verhoging van de leges voor verlenging van de verblijfsstatus van buitenlandse studenten, ben ik van mening dat deze verhoging geen onoverkomelijk probleem hoeft te vormen, aangezien deze kosten een zeer beperkt deel zijn van de totale kosten die studenten van buiten de EU in het kader van hun studie moeten maken.
Tenslotte zal wanneer het Modern Migratiebeleid in werking is getreden, een student direct een verblijfsvergunning krijgen voor de duur van de studie en is een verlenging van de vergunning vrijwel niet meer aan de orde.
Waarom verhoogt u de leges precies gedurende de piek in aanvragen voor studentenvisa, terwijl de betrokken instellingen en de IND de legesbedragen al hebben gecommuniceerd naar de studenten die in september starten, en die soms zelfs al geïnd zijn? Is de minister bereid deze verhogingen uit te stellen tot januari 2012 zodat de studenten en instellingen tijdig kunnen worden geïnformeerd?
Zoals ik in het antwoord op de vragen een en twee heb aangegeven, heb ik besloten dat studenten die de leges vóór 1 juli jl. al betaald hadden en pas daarna de aanvraag om de mvv c.q. verblijfsvergunning hebben ingediend, de verhoging niet hoeven bij te betalen.
Voor wat betreft het tijdstip van de verhoging verwijs ik u eveneens naar bovengenoemd antwoord op de eerste en tweede vraag.
Waarom liggen de leges voor kennismigranten en studentenvisa in Nederland zoveel hoger dan in buurlanden, waar eveneens van kostendekkendheid wordt uitgegaan?
De leges voor kennismigranten en studenten liggen in Nederland inderdaad hoger dan in omringende landen, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk.
Het ACVZ-onderzoek naar de leges voor (arbeids) migratie naar Nederland (mei 2008) stelt inderdaad dat in de omringende landen kostendekkendheid van de leges het uitgangspunt is. Uit het desbetreffende onderzoek wordt echter niet duidelijk in hoeverre dit uitgangspunt ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Wel laat het onderzoek zien dat in omringende landen, evenals in Nederland, niet alleen de kostprijs, maar ook het verblijfsdoel mede bepalend kan zijn voor de hoogte van de leges. Bij de vaststelling van de leges voor kennismigranten heeft in Nederland bijvoorbeeld het draagkrachtbeginsel mede een rol gespeeld.
Een internationale vergelijking naar de hoogte van leges is bovendien complex, omdat niet alleen de hoogte van de leges maar ook de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning bepalend is voor de totale legeskosten tijdens het verblijf van een kennismigrant of student. In tegenstelling tot omringende landen krijgt een kennismigrant in Nederland bijvoorbeeld een verblijfsvergunning voor de gehele duur van het verblijf (met een maximum van vijf jaar) en is een verlenging van de vergunning derhalve niet nodig.
Waarom worden de leges voor studenten en kennismigranten steeds hoger, terwijl de universiteiten en hogescholen, conform de Wet Modern Migratiebeleid, steeds meer taken van de IND hebben overgenomen?
Voor de verkorte procedure blijft een lager legestarief gelden dan voor de normale procedure, met uitzondering van de kennismigrantenregeling, waarvoor al eerder een hoger tarief gold. Bij vaststelling van de leges voor kennismigranten heeft het draagkrachtbeginsel mede een rol gespeeld.
Bent u bereid om deze verhoging te heroverwegen en hierover eerst met de Kamer in overleg te treden over noodzaak, alternatieven en nadelige effecten met betrekking tot de Nederlandse kenniseconomie?
Omdat de legesverhoging past binnen het afgesproken kabinetsbeleid om de leges regulier zoveel mogelijk kostendekkend te maken en binnen de financiële afspraken die zijn gemaakt, is het niet wenselijk om de legesverhoging van 1 juli jl. te heroverwegen.
Dit laat echter onverlet dat ik altijd bereid ben om in overleg te treden met de Kamer.
Het Nederlands Kinderoncologisch Centrum |
|
Eeke van der Veen (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het radioprogramma inzake de totstandkoming van één centrum voor kinderoncologische zorg?
Ja, ik heb daarvan kennis genomen.
Hoe beoordeelt u op basis van het programma de relatie tussen de initiatiefnemers van het Nationaal Kinderoncologisch Centrum (NKOC) en de Nederlandse Federatie van Univenitair medische centrum (NFU) inzake de voortgang van de concentratie van de kinderoncologische zorg?1
Ik laat mij door de betrokkenen zelf al geruime tijd informeren over de voortgang van de gesprekken die zij voeren. De beelden die ik heb van de relatie tussen de partijen en de vooruitgang die geboekt is, baseer ik vooral daar op. Mijn beeld is dat partijen moeizaam tot een vergelijk kunnen komen.
Hoe beoordeelt u de wijze waarop de NFU de eerste versie van het rapport van de interne onderzoekscommissie, waarin één centrum wordt geadviseerd, zonder instemming van een van de leden heeft gewijzigd in een tweede versie, waarin dit standpunt niet is terug te vinden?
Ik ben niet betrokken en heb ook geen kennis van de interne processen die doorlopen zijn. Ik heb er ook geen behoefte aan mij daarover enig oordeel aan te meten: wat voor mij telt zijn de publiek deelbare standpunten die partijen daarover betrekken en niet de wijze waarop zij daartoe komen.
Geeft genoemde uitzending u aanleiding uw antwoorden op mijn vragen dd 29 september 2010 te herzien, vooral betreffende de vragen 5 (in hoeverre de opstelling van de UMC’s in overeenkomst is met de aanbevelingen van de cie Borst) en 6 (De gevolgen van de opstelling van de UMC’s voor de kwaliteit en de kosten van de kinder oncologische zorg)?
Nee. Deze antwoorden zijn vanuit het perspectief waar ik voor sta en de op dat moment beschikbare kennis nog adequaat.
Herinnert u zich dat u in antwoord op mijn vragen stelde eind maart een gesprek te zullen hebben met de NOKC en de NFU? Heeft dit gesprek plaats gevonden? Zo ja, wat waren de uitkomsten?
Er is met de verschillende partijen op verschillende momenten contact geweest. Op 1 juni 2011 is er op mijn departement tripartiet overleg geweest met beide partijen. De uitkomst van het gesprek is naar mijn oordeel dat partijen onderling toen nog niet tot een vergelijk waren gekomen.
Klopt het dat de NFU opnieuw uitstel heeft gevraagd tot oktober 2011? Denkt u dat dit uitstel bij zal dragen aan een wijziging in het standpunt van de NFU?
De NFU heeft inderdaad aangegeven nog langere tijd nodig te hebben. Mijn indruk is dat dit voortkwam uit de wens plannen verder te concretiseren.
Hoe beoordeelt u de brief die door artsen van het Gronings Universitair Medisch Centrum aan ouders is gezonden, waarin het NKOC als niet nodig wordt bestempeld?
Deze visie van het UMCG komt overeen met het standpunt van de NFU. In dit licht vind ik de brief van het UMCG aan de ouders begrijpelijk. Anderzijds betreur ik het als onenigheid tussen partijen over de ruggen van patiënten en hun ouders wordt uitgevochten.
Vindt u het juist dat Raden van Bestuur een ontwikkeling die door kinderoncologen, financiers, Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), ouders en onderzoekers wordt bepleit, kunnen tegenhouden en vertragen? In hoeverre spelen naar uw mening puur financiële motieven hierbij een rol?
Zoals u de vraag stelt, zou ik dat ongewenst vinden. De feitelijke situatie is evenwel dat beide partijen een bundeling van expertise nastreven en dat de situatie in dat opzicht minder gepolariseerd is dan het lijkt. Geen enkele partij in de zorg kan het zich bij welke discussie dan ook overigens veroorloven om de financiële aspecten uit het oog te verliezen. Ingaand op uw tweede vraag is mijn analyse daarbij niet dat de standpuntbepaling van partijen enkel daar op gebaseerd is. Het NKOC is in dit geheel een nieuwe toetreder. In principe kan het NKOC de ontwikkelde plannen samen met het Nederlands kankerinstituut gewoon tot uitvoering brengen.
Hoe beoordeelt u het feit dat Raden van Bestuur kinderoncologen verboden hebben mee te werken aan het tot stand komen van het NKOC?
De Raden van bestuur zijn er zelf verantwoordelijk voor hoe zij de arbeidsrechtelijke relatie met hun medewerkers operationaliseren en zij hebben van die mogelijkheid in individuele situaties gebruik gemaakt. Het is vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid niet passend om daarover uitspraken te doen.
Wat is uw standpunt in deze, gezien het feit dat de IGZ, onderzoekers en kinderoncologen op inhoudelijke en wetenschappelijke gronden pleiten voor één centrum, maar u in uw antwoorden op eerdere vragen aangeeft volledige concentratie in één gebouw ook kwetsbaar te vinden en het niet onredelijk vindt om kinderoncologie daar te laten plaatsvinden waar ook andere kindergeneeskundige disciplines voorhanden zijn?
In mijn antwoord op uw eerdere vragen over de kinderoncologie kenmerk CZ-U-3025951, verzonden op 8 maart 2011, stelde ik: «Kinderoncologie is hoogcomplexe zorg en concentratie van hoogcomplexe zorg kan de kwaliteit van zorg verbeteren. Ik ben daarom van mening dat concentratie van kinderoncologie kwaliteitsverbetering tot gevolg kan hebben. Daarbij gaat het wat mij betreft vooral om bundeling van expertise.» Zie ook mijn antwoord op vraag 4. Op welke wijze die bundeling van expertise precies vorm krijgt, is vooral aan de professionals zelf om te operationaliseren. Volledige concentratie van de behandeling in één locatie, lijkt mij inderdaad kwetsbaar. De essentie van de kwaliteitsverbetering is er mijns inziens in gelegen dat expertise, diagnose én bepalen van een behandelplan met behulp van die expertise, centraal gebeuren. De behandeling zelf kan in een aantal gevallen ook plaatsvinden op plekken waar andere kindergeneeskundige disciplines aanwezig zijn.
Deelt u de mening dat het feit dat concentratie van kinderoncologische zorg leidt tot een betere overlevingskans voor kinderen met kanker, betekent dat overheidsingrijpen noodzakelijk is? Bent u bereid u in te zetten voor een spoedige oplossing van dit conflict dat het tot stand komen van een nationaal kinderoncologisch centrum vertraagt en ontmoedigt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
Ik heb thans geen reden tot ingrijpen. Er kan aanleiding zijn tot ingrijpen indien het gebrek aan samenwerking tussen kinderoncologen en NFU zou leiden tot een situatie die de patiëntveiligheid bedreigt of als de communicatie over problemen tussen deze groepen tot een onaanvaardbare belasting van ouders van patiënten zou leiden. Zo’n situatie voorzie ik echter niet.
Het bericht ‘Rouwterreur onbestraft, politie weigert aangifte’ |
|
Hero Brinkman (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Rouwterreur onbestraft, politie weigert aangifte»?1
Ja.
Klopt het dat een burger volgens een reportage van RTV Utrecht aangifte heeft willen doen van belediging en dat de politie deze aangifte heeft geweigerd op te nemen? Zo nee, hoe is het dan gegaan? Zo ja, wat is uw mening hierover?
Nee, dit is onjuist. De politie heeft met de betrokkene een gesprek gehad over de verstoring van de rouwstoet waarbij betrokkene is geadviseerd aangifte te doen van belediging. In afwachting van de maatregelen die de school zou nemen heeft betrokkene, in overleg met de wijkagent, besloten op dat moment geen aangifte te doen. Kort daarop heeft de betrokkene in een uitzending van RTV Utrecht aangegeven dat hij geen aangifte kon doen. De wijkagent heeft betrokkene er meerdere malen op gewezen dat hij alsnog aangifte kan doen.
Deelt u de mening dat van dergelijke soort feiten altijd aangifte moet worden opgenomen? Bent u bereid te initiëren dat deze aangifte alsnog wordt opgenomen, zodat de daders van deze grove belediging kunnen worden opgespoord en worden gestraft?
Ik deel uw mening dat van het verstoren van een rouwstoet aangifte moet kunnen worden gedaan. De wet schrijft voor dat opsporingsambtenaren verplicht zijn aangiften te ontvangen (artikel 163, vijfde lid, Sv). Alleen in gevallen waar evident geen sprake kan zijn van een strafbaar feit, kan aangifte worden geweigerd. Zoals bij het antwoord op vraag 2 al is aangegeven, is betrokkene meerdere malen door de politie benaderd over het al dan niet doen van aangifte. Het is aan de betrokkene(n) zelf om te beslissen aangifte te doen.
Een NCP-klacht tegen Nidera |
|
Sjoera Dikkers (PvdA), Pauline Smeets (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichtgeving over een Nationaal Centraal Punt (NCP)-klacht tegen Nidera?1
Ja.
Waarom heeft u bij de beantwoording van Kamervragen2 naar aanleiding van negatieve berichtgeving over Nidera alleen bij het bedrijf zelf informatie ingewonnen?
Bij beantwoording van de genoemde vragen1 is gebruik gemaakt van meerdere informatiebronnen. Zie het antwoord bij vraag 4.
Erkent u dat in het geval van negatieve berichtgeving over een Nederlandse bedrijf ook bij andere bronnen informatie ingewonnen moet worden dan bij het bedrijf zelf?
Bij negatieve berichtgeving of twijfel over maatschappelijk verantwoord ondernemen van Nederlandse bedrijven in het buitenland verwacht ik dat belanghebbenden of betrokken maatschappelijke organisaties in eerste instantie rechtstreeks het bedrijf om verantwoording vragen. Dit leidt idealiter tot een oplossingsgerichte dialoog. Wanneer mij de kwestie langs de weg van kamervragen wordt voorgelegd, vraag ik de ambassade om de berichten zoveel mogelijk te duiden in het krachtenveld van de lokale context. Vanwege het juridisch extraterritoriale karakter van de kwestie kan het hierbij niet gaan om daadwerkelijke naspeuring van ongeoorloofde handelingen door de ambassade. Tegelijkertijd wordt in Nederland door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie contact opgenomen met het bedrijf en andere belanghebbenden, zoals maatschappelijke organisaties in Nederland die onderzoek hebben gedaan naar de kwestie of door publieke uitlatingen hebben aangegeven in de dialoog te willen worden betrokken. Bij deze gesprekken gaat het vaak niet alleen om informatie die nodig is om de kamervragen te beantwoorden, maar, indien nodig, ook om het op gang brengen van dialoog gericht op het tot stand brengen of verbeteren van het MVO-beleid van het betreffende bedrijf. Wanneer daartoe bemiddeling nodig is, kunnen de betrokken partijen een melding doen bij het Nationaal Contact Punt voor de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen (NCP).
Welke andere bronnen heeft u in het geval van Nidera geraadpleegd? Zijn daaronder bronnen die in de media werden genoemd, of die anderszins voor de hand liggen zoals het Argentijnse ministerie van Arbeid, de inspectie voor gezondheidszorg en vakbonden? Zo nee, waarom heeft u die bronnen niet geraadpleegd?
Bij de beantwoording van kamervragen over het bedrijf Nidera Argentina SA is gebruik gemaakt van verschillende informatiebronnen zoals de berichtgeving in de Argentijnse media en gesprekken met netwerkcontacten, waaronder vertegenwoordigers van bedrijven in de sector, een deskundige NGO en journalisten. Vanwege het lopende juridische onderzoek tegen Nidera Argentina SA is geen contact opgenomen met de inspectiediensten. Contact met de in de vraag genoemde bronnen of andere bronnen die over aanvullende informatie beschikken kan aan de orde zijn op grond van een verzoek daartoe in het kader van de behandeling van een melding door het NCP. In Nederland is contact opgenomen met het hoofdkantoor van Nidera. Er waren in Nederland geen andere belanghebbenden bekend.
Beschikt u over het onderzoek dat FMO heeft laten uitvoeren, door een onafhankelijke consultant, naar aanleiding van de berichten in de media over Nidera? Kunt u dit onderzoek aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Ja, de minister van Buitenlandse Zaken zal u het onderzoeksrapport vertrouwelijk toesturen.2
Deelt u de mening dat de toetsing door FMO voor activiteiten van Nidera in Argentinië voldoende was als FMO als criterium hanteert dat een bedrijf aan bepaalde sociale en milieucriteria moet voldoen, maar Nidera geen geformaliseerd beleid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) heeft opgesteld, en alleen een MVO-verklaring heeft ondertekend voor een project in Rusland in 2001–2002? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat van bedrijven die steun ontvangen van FMO verwacht mag worden dat zij een geformaliseerd MVO-beleid hebben? Zo nee, waarom niet?
De FMO stelt bij een financiering van een bedrijf in een ontwikkelingsland de contractuele voorwaarde dat een dergelijk bedrijf aan de «IFC Performance Standards» voldoet. De «IFC Performance Standards» bieden voldoende waarborgen dat bij het bedrijf aan internationaal geaccepteerde en substantiële sociale en milieucriteria wordt voldaan. Hieraan dient het bedrijf dat de financiering krijgt een managementsysteem te koppelen. Bij financiering van een Nederlands bedrijf is een contractuele voorwaarde dat het Nederlandse bedrijf een geformaliseerd MVO-beleid heeft, dan wel bereid is dit op te stellen tijdens de looptijd van het project.
Voorafgaand aan het verstrekken van de financiering van een bedrijf in een ontwikkelingsland kan de FMO een eigen specialist of een consultant laten meten hoe dit bedrijf scoort op het gebied van sociale en milieu criteria. De resultaten worden afgezet tegen de «IFC Performance Standards». In het geval van tekortkomingen maakt de FMO contractuele afspraken met het bedrijf over de maatregelen die dit bedrijf moet nemen om aan deze standaarden te voldoen. Deze overeengekomen maatregelen moeten gedurende de looptijd van de financiering door het bedrijf worden geïmplementeerd. Het bedrijf moet toezicht houden op de vooruitgang en hierover aan de FMO rapporteren. De FMO houdt actief toezicht, bijvoorbeeld via de eigen specialisten, een partnerinstelling of een consultant. Het effect van deze werkwijze is dat een groeiend aantal bedrijven in ontwikkelingslanden voldoet aan de sociale en milieucriteria.
Bent u bereid uw standpunt dat het toetsingskader van FMO voldoende is en dat actiever toezicht niet nodig is te wijzigen? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen aanleiding tot wijziging van de voorwaarden waaronder FMO-leningen verstrekt. De FMO doet een substantieel onderzoek bij aanvang van een investering en houdt actief toezicht.
De vormgeving van de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u in navolging van de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging van 20 april 2011, nr. BJZ2011043268 de Kamer informeren over welke mogelijke stappen er momenteel in Europees verband besproken worden voor de nadere invulling van de richtlijn Brandstofkwaliteit (2009/30/EG)?
Op grond van de richtlijn Brandstofkwaliteit dient de Europese Commissie in ieder geval nadere invulling te geven aan (1) de berekeningsmethode voor de broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus van benzine, diesel en andere fossiele motorbrandstoffen, (2) de gemiddelde broeikasgasemissie over de levenscyclus per MJ in de EU in 2010, waartegen de reductieverplichting wordt afgezet, (3) de wijze waarop een groep leveranciers gezamenlijk aan de reductieverplichting kan voldoen en (4) de wijze waarop elektriciteit die wordt geleverd aan voertuigen kan bijdragen tot het halen van de reductieverplichting.
De Europese Commissie heeft deze uitvoeringsbepalingen nog niet gepubliceerd.
Toch is in grote lijnen bekend hoe de Europese Commissie een en ander wil vormgeven. Dit is vastgelegd in een document uit 2009 dat is gebruikt om belanghebbenden over de voorgenomen invulling te consulteren: Consultation paper on the measures necessary for the implementation of article 7a(9)1.
Daarom zijn in de Nederlandse implementatie van de richtlijn de voorstellen van de Europese Commissie op deze onderdelen overgenomen. Hiermee werd beoogd de kans dat de regelgeving moet worden aangepast zodra de uitvoeringsbepalingen worden gepubliceerd te verkleinen.
Klopt het dat de eerdergenoemde Regeling in de toelichting een tabel (tabel 1 Fossiele Brandstoffen, Toelichting) met waarden voor verschillende soorten fossiele brandstoffen bevat, maar dat in de vereiste rapportage rapportageplichtige oliebedrijven en importeurs bij fossiele brandstoffen slechts hoeven aan te geven of het diesel of benzine betreft?
Nee.
De bepaling dat rapportage conform de richtlijn moet plaatsvinden is opgenomen in artikel 2.9 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging. De eigenschappen van elke lading brandstof moeten op grond daarvan worden gerapporteerd. De details hiervan worden uitgewerkt in de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging.
Boven tabel 1 in de bijlage bij die regeling is aangegeven dat ladingen met dezelfde eigenschappen worden samengenomen. Dit betekent onder meer dat over brandstoffen met een verschillende herkomst – die zich uit in een verschillende GN-code – apart moet worden gerapporteerd. Zo mogen benzine of diesel verkregen uit ruwe aardolie in de rapportage niet worden samengevoegd met benzine of diesel verkregen via het GtL-procedé (Gas to Liquid) of uit teerzanden.
In grote lijnen komt deze wijze van rapporteren overeen met de rapportage-eisen die worden gesteld aan duurzame biobrandstoffen.
Met de gekozen aanpak wordt een reëel beeld gegeven van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van fossiele motorbrandstoffen, terwijl de administratieve lasten slechts beperkt stijgen.
Is hiermee feitelijk sprake van minder specifieke eisen ten aanzien van de rapportage over de kwaliteit van fossiele brandstoffen dan bij biobrandstoffen het geval is? Vertaalt dit zich in een grotere onzekerheid ten aanzien van de aan deze brandstoffen gerelateerde uitstoot van broeikasgassen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de mogelijkheden om de Regeling aan te scherpen, door voor oliebedrijven en importeurs de eis op te nemen om bij fossiele brandstoffen in de reeds vereiste rapportage te laten aangeven van welke waarden uit de in de regeling opgenomen tabel er sprake is? Klopt het dat hiermee geen sprake zou zijn van aanvullende administratieve lasten ten aanzien van de bestaande vormgeving van de regeling, terwijl een dergelijke aanscherping wel meer duidelijkheid zou geven over de met het gebruik van de fossiele brandstoffen gepaard gaande uitstoot van broeikasgassen?
Zoals ik in antwoord op de vragen 2 en 3 heb aangegeven, is reeds voorzien in de gevraagde rapportage-eisen en is een aanscherping van de regeling niet aan de orde.
Omdat in de regeling opgenomen tabel aparte waarden zijn opgenomen voor verschillende fossiele brandstoffen, bent u bereid om, in het belang van een gelijk speelveld, bij een eventuele aanscherping van deze regeling u ook in Europees verband in te spannen voor het verplicht stellen van het opnemen van vergelijkbare uitsplitsing van de waarden voor de luchtverontreiniging door fossiele brandstoffen?
Nee.
Het besluit en de regeling zijn een strikte implementatie van de richtlijn Brandstofkwaliteit. De milieuspecificaties van brandstoffen (waaronder eisen in verband met luchtverontreiniging) zijn op enkele punten (met name zwavel, stikstofoxide, fijn stof) met deze richtlijn aangescherpt.
Met artikel 7bis van de richtlijn wordt beoogd de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van motorbrandstoffen in kaart te brengen en te reduceren. Er is in Europees verband geen initiatief bekend om hieraan ook een rapportage van luchtverontreinigende emissies toe te voegen. Ik ben niet voornemens een dergelijk initiatief te starten, daar dit weinig toevoegt. Bij de huidige brandstofspecificatie van benzine en diesel hangt de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen vooral af van de technologie van het voertuig waarin de brandstof wordt gebruikt en minder van de brandstofketen.
Het bericht dat ouders hun kinderen bespioneren |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Spionage via iPhone» en «Bespioneer je kind»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht dat het mogelijk is met behulp van eenvoudig te verkrijgen software vanaf de iPhone of de iPad te spioneren op een computer?2
Ik wil vooropstellen dat kinderen het recht hebben op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid. Ouders dragen de eerste verantwoordelijkheid om dit recht van het kind te realiseren met inachtneming van de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van het kind. Kinderen hebben op dit terrein bepaalde rechten. Hier staat tegenover dat ouders ook de plicht hebben om hun kinderen te behoeden voor misstappen. De techniek is tegenwoordig zo ver gevorderd dat ook via speciale software het doen en laten van anderen op internet gevolgd kan worden. De vraag is hoe ouders daarmee omgaan. Het gaat om het vinden van een goede balans; het vinden van een evenwicht tussen privacy en veiligheid. De overheid dient de rechten en verantwoordelijkheden van de ouders voor de begeleiding van hun kinderen naar volwassenheid te respecteren. De overheid faciliteert de ouders daarbij door hen te informeren hoe zij met internet in relatie tot hun kinderen kunnen omgaan. Ik verwijs daarbij naar bijvoorbeeld de website www.mijndigitalewereld.nl.
De overheid is slechts gelegitimeerd om in te grijpen in een concrete situatie wanneer ouders hun verantwoordelijkheid niet (meer) naar behoren vervullen. De Raad voor de Kinderbescherming zal dan eerst deze situatie moeten onderzoeken.
Wat is uw reactie op het bericht dat ouders een scala aan mogelijkheden hebben om hun kinderen te bespioneren via mobiele telefoons en computers?3
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van het College bescherming persoonsgegevens dat artikel 16 van het Verdrag inzake de rechten van het kind ouders en voogden geen recht geeft om hun kinderen ongevraagd te bespioneren? Zo nee, waarom niet?4
Artikel 16 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) garandeert dat een kind niet mag worden onderworpen aan een willekeurige of onrechtmatige inmenging in, onder meer, zijn of haar privé-leven of zijn of haar correspondentie. Deze rechten zijn echter niet absoluut. Uit artikel 18 IVRK vloeit voort dat ouders ook de plicht en het recht hebben om hun kinderen te behoeden voor misstappen. Dat kan onder omstandigheden met zich brengen dat ouders een zekere supervisie kunnen of moeten uitoefenen op de manier waarop een kind communiceert met anderen, wanneer dat in het belang is van het kind. De manier waarop die supervisie plaatsvindt en de middelen waarvan ouders zich daarbij bedienen moeten voldoen aan de gebruikelijke eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Het is niet aan mij te beoordelen of het gebruik van bepaalde software in dat kader wel of niet geoorloofd is.
Deelt u tevens de mening van de Nationale Ombudsman dat kinderen recht hebben op briefgeheim? Zo nee, waarom niet?4
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze kunnen kinderen die bespioneerd worden bezwaar maken tegen deze activiteiten van ouders en voogden? Ziet u hier een rol voor de Kinderombudsman weggelegd? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Indien een kind van mening is dat zijn of haar recht op privacy geschonden wordt door deze activiteiten van ouders of voogden, dan is het belangrijk dat een kind zijn ongenoegen hierover kan bespreken met zijn ouders of voogden. Het verdient de voorkeur om meningsverschillen tussen ouders en kinderen op een laagdrempelige manier op te lossen binnen het gezin. Een familielid, leerkracht, hulpverlener of een andere vertrouwenspersoon kan daarbij zo nodig een rol spelen. Indien de meningsverschillen tussen het kind en ouders/voogden blijven bestaan en niet naar tevredenheid opgelost kunnen worden, heeft het kind de mogelijkheid om aan de rechtbank te verzoeken om een bijzonder curator te benoemen, die in en buiten rechte, een oplossing kan proberen te vinden voor de belangenstrijd tussen ouders/voogd en kind. De bijzonder curator kan het kind daarbij vertegenwoordigen en zijn of haar belangen behartigen. Er is in deze geen rol weggelegd voor de Kinderombudsman, omdat klachten van kinderen over ouders/voogden en de verzorging/opvoeding door ouders/voogden niet vallen binnen het terrein waarop de Kinderombudsman bevoegd is op te treden.
Bent u van plan stappen te ondernemen om ongewenste privacyschendingen van ouders ten opzichte van hun kinderen tegen te gaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete stappen neemt u?
Zie antwoord vraag 2.
De verstoorde rouwstoeten door islamitische jongeren |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Dreigmails voor uitgejouwde nabestaande in Amersfoort»?1
Ja.
In hoeverre acht u de uitspraak van de directeur van de basisschool dat de media-aandacht overtrokken zou zijn verwerpelijk, daar het lijkt alsof hij daarmee de ernst van het verstoren van rouwstoeten bagatelliseert?
Ik wil benadrukken dat ik verstoring van een rouwstoet ten zeerste afkeur. Het is niet overtrokken als aan een dergelijk incident aandacht wordt besteed. Anderzijds begrijp ik de zorgen van de school en de nabestaanden over de persoonlijke gevolgen van de media-aandacht in dit geval voor de betrokkenen goed.
De directeur heeft direct gereageerd op de verstoring van de rouwstoet en heeft te kennen gegeven dat dit ontoelaatbaar is. Hij heeft gesprekken gevoerd met de leerlingen, ook in aanwezigheid van een van de nabestaanden. De directeur zet in op het voorkomen van een soortgelijk incident in de toekomst. Hiertoe ontwikkelt de school een lesprogramma. Uit de maatregelen die de school neemt naar aanleiding van dit incident blijkt dat het incident niet wordt gebagatelliseerd.
Hoe duidt u de door een medewerkster van de betrokken uitvaartorganisatie dat gedane uitspraak in het televisieprogramma «Ochtendspits» op 31 mei 2011, dat jongeren voordat zij de rouwstoet lastigvallen, eerst vragen of de overledene een moslim is en pas bij een ontkennend antwoord overgaan tot ontoelaatbaar gedrag?
Laat ik voorop stellen dat ik gedrag dat op welke manier dan ook kwetsend of beledigend is, ten zeerste afkeur. De jongeren weten zelf welke gedachten en beweegredenen zij hadden bij hun woorden en daden. Het is voor mij niet mogelijk deze te duiden en ik ga daarover niet speculeren.
Ziet u een verband tussen het verstoren van meerdere rouwstoeten per jaar door islamitische jongeren en hun levensbeschouwelijke achtergrond? Zo nee, waarom niet?
Op basis van deze incidenten is het niet mogelijk dergelijke verbanden te leggen. Respect tegenover overledenen en hun nabestaanden is echter een waarde die binnen iedere religie en levensbeschouwing geldt.
In welke plaatsten en hoe vaak zijn er de afgelopen twee jaar rouwstoeten verstoord en wat is er bekend over de achtergrond van de daders?
Zie antwoord 2, Kamervragen 6 juni 2011 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 3339).
De export van clustermunitie en het gebruik in Libië |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Qaddafi Troops Fire Cluster Bombs Into Civilian Areas»?1
Ja.
Heeft Spanje in 2006 en 2007 exportvergunningen verleend voor de export van MAT-120 munitie aan Libië? Heeft de laatste export plaatsgevonden in maart 2008? Heeft Spanje in dezelfde periode exportvergunningen verleend voor dit type munitie aan andere landen? Zo ja, aan welke landen?
Spanje heeft het Clustermunitieverdrag geratificeerd op 17 juni 2009 en heeft zijn nationale voorraden clustermunitie al vernietigd. Voorafgaand hieraan heeft Spanje op 11 juli 2008 een nationaal moratorium aangenomen op productie, export en gebruik van clustermunitie.
Zijn er andere landen die in 2006 en 2008 en voorafgaand aan de ondertekening van de Conventie inzake Clustermunitie dit type munitie hebben geëxporteerd aan Libië?
Ik heb hierover geen informatie.
Klopt het dat de Spaanse producent Instalanza ontkent dat het dit type munitie heeft verkocht aan Libië?2
Navraag bij de Spaanse regering levert geen informatie op waaruit dit blijkt.
Zijn er NAVO-bondgenoten of andere betrokken landen, die de Conventie inzake Clustermunitie niet hebben getekend of geratificeerd, die dit type munitie in bezit hebben?
Er is een aantal NAVO-lidstaten dat de Conventie inzake Clustermunitie niet heeft getekend (Canada, Griekenland, Letland, Polen, Roemenië, Turkije en de VS). Deze landen hebben niet – zoals Nederland en de overige partijen bij de Conventie – de verplichting op zich genomen om af te zien van het gebruik en de ontwikkeling van clustermunitie.
Is het uitgesloten dat NAVO-bondgenoten of andere betrokken landen dit type munitie hebben gebruikt in Libië? Zo nee, waarom niet?
De NAVO voert in Operatie Unfied Protector luchtaanvallen uit op geselecteerde militaire doelen. Hierbij wordt alleen munitie gebruikt waarbij precisie zo veel mogelijk is gegarandeerd. De NAVO maakt, voor zover de Nederlandse regering bekend, in deze operatie geen gebruik van clustermunitie.
Heeft u garanties dat dit type munitie niet wordt gebruikt door NAVO-bondgenoten of andere betrokken landen bij Unified Protector?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat de politie geen uitvoering wil geven aan een vonnis dat is geveld door de rechterlijke macht |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat een orgaan als de politie geen uitvoering wil geven aan een vonnis dat is geveld door de rechterlijke macht?1
Ik stel voorop dat de korpsleiding gehouden is uitvoering te geven aan rechterlijke uitspraken. Daar kan geen misverstand over bestaan. Er is dus geen sprake van keuzevrijheid. Dwangsommen betalen als oplossing van een probleem kan niet aan de orde zijn.
Naar ik van de korpsbeheerder begreep was door de ernstig verstoorde werkverhoudingen binnen het arrestatieteam terugplaatsing in de functie van de agenten niet mogelijk.
Om de impasse te doorbreken heeft de korpsbeheerder het korps recent een mediation-traject laten starten om alsnog tot een bevredigende oplossing te komen. De korpsbeheerder heeft mij gemeld dat dit inmiddels heeft geleid tot een minnelijke schikking tussen de betrokken agenten en het korps. De korpsbeheerder heeft hierbij de kantonrechterformule toegepast.
Beide agenten zetten hun loopbaan buiten de politie voort.
Wat vindt u van de opmerking van de woordvoerder van de politie dat het erop neerkomt dat de verplichting die door de rechter is opgelegd op straffe van een dagelijks te verbeuren dwangsom wordt geïnterpreteerd als keuzevrijheid om het rechterlijk vonnis te negeren en al dan niet te betalen?
Zie antwoord vraag 1.
Uit welke middelen wordt de verbeurde dwangsom betaald?
De afhandeling van dit soort rechtspositionele zaken valt onder de verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder als werkgever. Zie overigens het antwoord op vraag 2.
Wat gaat u doen om aan deze situatie een einde te maken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe gaat u voorkomen dat uiteindelijk de belastingbetaler hiervoor gaat opdraaien?
Zie antwoord vraag 3.
Het onderzoek naar de vliegramp bij Tripoli |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Is het waar dat er geen (internationale)verplichting rust op Libië om binnen een jaar na de vliegramp in Tripoli met een rapport te komen over het onderzoek naar de oorzaak?1
In het verdrag en de regelgeving van de Internationale Burgerluchtvaart Organisatie (ICAO) is vastgelegd dat ICAO-lidstaten die verantwoordelijk zijn voor een onderzoek naar een ongeval, gehouden zijn zo spoedig mogelijk – en zo mogelijk binnen een jaar na het ongeval – een eindrapport over het onderzoek beschikbaar te stellen.
Helder is dat, indien die termijn niet gehaald wordt, in ieder geval elk jaar op de datum van het ongeval, een (tussen)rapportage moet worden opgesteld en gepubliceerd.
Klopt het dat het internationale burgerluchtverdrag slechts een «aanbeveling» doet wat betreft een rapport binnen een jaar en geen enkele verplichting oplegt?
Zie antwoord vraag 1.
Zo ja, waarom heeft u de Kamer dan verkeerd geïnformeerd door te zeggen dat er krachtens internationale afspraken wel een dergelijke verplichting op Libië rustte?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat u de nabestaanden van de slachtoffers op het verkeerde been heeft gezet door te zeggen dat u zou onderzoeken of de internationale organisatie voor burgerluchtvaart (ICAO) kon ingrijpen, vanwege het niet nakomen van verplichtingen door Libië?
De leden Pechtold en Van Veldhoven hebben op 12 mei 2011 aan de ministers van BZ en van I&M schriftelijk gevraagd te onderzoeken of de ICAO een onderzoek kan starten naar de ramp in Tripoli op 12 mei 2010. Op die vragen is op 29 juni jl. antwoord gegeven. De zolang voortdurende onzekerheid waarin de nabestaanden verkeren, is voor mij een punt van grote zorg en ik zal mij blijven inspannen om aan die onzekerheid een einde te maken.
Zo ja, bent u bereid hiervoor uw excuses aan te bieden aan de nabestaanden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De bekostiging van een museumdeel door het Sultanaat Oman |
|
Geert Wilders (PVV), Joram van Klaveren (PVV), André Elissen (PVV) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Bait Al Islam opened at Nijmegen city»1 en «Maxima bij heropening Arabisch dorp in Orientalis»?2
Ja.
Voor welk bedrag is (de uitbreiding van) het Islam House (Bait al Islam)/Arabisch dorp in het museum door het Sultanaat Oman gefinancierd?
Ik heb geen zicht op de bijdrage van het Sultanaat Oman voor het Arabisch dorp, anders dan een donatie in 2008 van € 500 000 voor de bouw van de museummoskee. Oriëntalis ontvangt sinds 2009 geen structurele rijkssubsidie meer, maar subsidie van de provincie Gelderland.
In hoeverre klopt het dat het museum na heropening een moskee kent waarover het Sultanaat Oman advies heeft uitgebracht?
Zie de antwoorden op vraag 2 en 4.
Deelt u de opvatting dat een land dat de barbaarse sharia als wetgeving kent en toepast en door een dictatoriale sultan wordt bestuurd, niet (mede)verantwoordelijk dient te zijn voor de financiering en vormgeving van Nederlandse musea? Zo nee, waarom niet?
Het Sultanaat Oman steunt een intercultureel museum dat sinds 2005 educatie biedt over drie wereldreligies (jodendom, christendom en islam), alwaar de bezoeker kennis kan nemen van de heilige geschriften van deze drie religies en de overeenkomsten en verschillen hiertussen. Het museum laat zien dat cultureel ondernemerschap vele gedaanten kent. Voor de realisatie van het «Arabisch dorp» maakt Oriëntalis ook gebruik van de (inhoudelijke) expertise van het Sultanaat Oman op dit terrein.
Was dit een formeel bezoek van de Omaanse zijde na het zogenaamd informele diner dat ons staatshoofd in maart met de Sultan van Oman in Oman had?
Het bezoek stond in het teken van het openen van het «Arabisch dorp». Het was geen formeel bezoek en had geen relatie met het diner van Hare Majesteit de Koningin met de Sultan van Oman in maart.
Hoe fraai is het dat een lid van het Koninklijk Huis, een land dat de barbaarse sharia kent en toepast en wordt bestuurd door een dictator, legitimeert door aanwezig te zijn bij de opening van een project dat (mede) gefinancierd is door dat betreffende land?
Eind mei heeft de RVD al meegedeeld dat Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Máxima der Nederlanden vrijdag 24 juni 2011 het deels gerestaureerde en gerenoveerde Museumpark Orientalis zou bezoeken. De heropening van het museumpark vond plaats na een sluiting van een jaar. Prinses Máxima kreeg een rondleiding langs onder meer christelijke bouwwerken en een joods dorp en was aanwezig bij de opening van het «Arabisch dorp». Dit vormde tevens de start van vier maanden weekendopenstelling van het park. Museumpark Orientalis wil de komende vijf jaar het museum laten uitgroeien tot een eigentijds themapark voor de vijf wereldreligies en spiritualiteit.
Ik acht het in lijn met het kabinetsbeleid wanneer een vooraanstaand lid van het Koninklijk Huis het belang onderstreept van het bieden van een plek waar mensen van verschillende culturen en levensbeschouwingen elkaar kunnen ontmoeten, kennis kunnen nemen van de heilige geschriften van het jodendom, christendom en de islam, en de overeenkomsten en verschillen hiertussen, waardoor het historisch besef en bewustwording hierover wordt bevorderd.
Ernstige welzijnsproblemen bij dolfijnen in gevangenschap en het overtreden van EU-richtlijnen door onder andere het Dolfinarium in Harderwijk |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met een nieuwe studie waaruit blijkt dat dolfinaria in veertien EU-lidstaten de vereisten uit de Europese richtlijn 1999/22/EG overtreden, waaronder het Dolfinarium in Harderwijk?1
Ik ken de genoemde studie. De Europese Richtlijn 1999/22/EG is via het Dierentuinenbesluit geïmplementeerd in de Nederlandse regelgeving. Het Dolfinarium in Harderwijk dient daarmee te voldoen aan de voorschriften van het Dierentuinenbesluit en dat is het geval.
Op welke wijze controleert u de naleving van het dolfinarium en andere dierentuinen aan de vereisten uit de richtlijn 1999/22/EG over het houden van wilde dieren? Hoe vaak heeft u de afgelopen vijf jaar overtredingen geconstateerd?
Voorafgaand aan de verstrekking van een vergunning op grond van het Dierentuinenbesluit worden de dierentuinen geïnspecteerd. Die inspectie wordt uitgevoerd door de visitatiecommissie dierentuinen. Ook in het geval er grote wijzigingen worden doorgevoerd, vindt een voorafgaande inspectie plaats.
Na de vergunningverlening controleert de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) de dierentuinen. Dienst Regelingen (DR) verzorgt een controleopdracht in overleg met de nVWA. Alle dierentuinen zijn de afgelopen vijf jaar gecontroleerd. Ieder jaar controleert de nVWA een aantal dierentuinen aan de hand van de voorschriften in het Dierentuinenbesluit en de voorwaarden in de verstrekte vergunning.
Bij deze controles zijn alleen administratieve overtredingen geconstateerd. Het Dolfinarium is in de periode 2006–2011 drie maal gecontroleerd.
Wat vindt u van de bevinding dat geen enkele dolfijn, gehouden in een Europees dolfinarium, de mogelijkheid blijkt te hebben om natuurlijk gedrag te vertonen? Wat vindt u van de waarneming dat stress en stereotiep gedrag algemene verschijnselen zijn bij in gevangenschap gehouden dolfijnen?
Ieder in gevangenschap levend dier leeft onder meer beperkingen dan een dier dat in de vrije natuur leeft. Daarom rust op de houder de plicht om de mogelijkheid te creëren dat het dier zoveel mogelijk het soorteigen gedrag kan vertonen, dan wel het dier op een andere verantwoorde wijze te houden met het oog op het welzijn en de gezondheid. Het Dolfinarium gaat op zeer verantwoorde wijze om met de dolfijnen, ook tijdens de trainingen. De dolfijnen worden gehouden in overeenstemming met de «husbandry guidelines» (internationale richtlijnen voor houden en huisvesten) voor deze soort. Ik verbind hier dan ook geen beleidsconsequenties aan.
Onderschrijft u de conclusie dat dolfijnen de mogelijkheid om normaal gedrag te vertonen ook nooit kunnen krijgen in gevangenschap, gezien zij complexe en hoog intelligente sociale dieren zijn die in het wild lange afstanden afleggen en leven in sociale groepen? Zo ja, welke beleidsconsequenties verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet en welke wetenschappelijke onderbouwing kunt u geven voor uw opvatting?
Zie antwoord vraag 3.
Onderschrijft u de bevinding dat dolfinaria de natuurlijke leefomgeving van dolfijnen niet kunnen nabootsen in gevangenschap? Zo nee, op welke wetenschappelijk inzichten baseert u dit?
Zie antwoord vraag 3.
Onderschrijft u de bevindingen van het rapport dat dolfijnenshows geen educatieve bijdrage blijken te leveren? Zo nee, waarom niet?
Nee. Op grond van het Dierentuinenbesluit biedt het dolfinarium een educatie- en informatieprogramma aan. Daarbij worden de dieren zoveel mogelijk binnen de biologische en ecologische context geplaatst. De visitatiecommissie beoordeelt dit educatief en informatief programma. Recreatie in dierentuinen biedt een lage drempel om met educatie in aanraking te komen.
Onderschrijft u de conclusie van recent wetenschappelijk onderzoek2 dat tot op heden er geen overtuigend of zelfs maar suggestief bewijs is voor de bewering dat dierentuinen en aquaria bijdragen aan de gedragsverandering, educatie of belangstelling voor bescherming van dieren bij de bezoekers? Zo nee, kunt u toelichten wat concreet de educatieve waarden zijn van deze parken en hoe dit is gekwantificeerd?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe beoordeelt u de gevonden gezondheids- en veiligheidsgevaren tussen directe interactie van bezoekers met dolfijnen? Welke conclusies verbindt u aan deze gevaren?
In Nederland bestaat in de regel geen directe interactie tussen publiek en dolfijn.
Bent u, gelet op de opnieuw aangetoonde negatieve gevolgen voor het dierenwelzijn en het ontbreken van educatieve waarden van het tentoonstellen van dieren, bereid om te komen tot een verbod op dolfijnenshows en het houden van dolfijnen voor commerciële doeleinden? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo nee, waarom wilt u zich niet aansluiten bij landen als Cyprus en Slovenië die hier al wel toe zijn overgegaan?
Ik zie erop toe dat het welzijn en de gezondheid van de dolfijnen in het Dolfinarium optimaal gewaarborgd zijn. Dolfijnen staan in de belangstelling bij het publiek en de shows worden daarom druk bezocht. De dolfijnenshow en het dierenpark bieden educatie en informatie. Ik ben niet bereid om dolfijnenshows te verbieden.
Bent u bereid ook bij andere lidstaten aan te dringen op navolging van de voorlopers Cyprus en Slovenië en te pleiten voor een Europees verbod op dolfijnenshows en een uitfasering van het houden van dolfijnen in gevangenschap? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u uiteenzetten welke acties uw ambtsvoorganger en uzelf hebben ondernomen op de aangenomen motie van de leden Ouwehand en Thieme3 voor een Europees import- en handelsverbod van in het wild gevangen dolfijnen? Wat is tot nu toe het resultaat geweest van deze inspanningen en welk vervolg gaat u geven aan de uitvoering van deze motie?
Alle soorten dolfijnen staan op Bijlage A van de Europese Verordening die het Internationale CITES-verdrag implementeert. Dit houdt in dat het niet mogelijk is voor commerciële doeleinden uit het wild gevangen dolfijnen in de EU te importeren.
Voor niet commerciële doeleinden is wildvang onder zeer strikte voorwaarden eventueel mogelijk. Van deze mogelijkheid wordt in de EU nauwelijks gebruik gemaakt. De meeste dolfijnen zijn in gevangenschap geboren. Ik ben van mening dat de motie uitgevoerd is en de regelgeving voldoende waarborgen voor wildvang stelt.
Bent u met ons geschrokken van de verwachting van de onderzoekers dat wanneer het aantal dolfinaria in Europa gelijk blijft of uitbreidt, er mogelijk nieuwe vangsten van dolfijnen uit het wild zullen plaatsvinden? Deelt u de mening dat het zaak is snel werk te maken van een import- en handelsverbod van in het wild gevangen dolfijnen en het instellen van een moratorium op nieuwvestiging of uitbreiding van dolfinaria?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid de Europese Commissie te vragen inbreukprocedures te starten tegen lidstaten die Richtlijn 1999/22/EG overtreden? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik zie geen aanleiding voor zo’n verzoek.
Deelt u de mening dat er in elk geval op korte termijn een openbare database zou moeten komen met informatie over het aantal walvisachtige soorten dat in de Europese Unie in gevangenschap wordt gehouden en op welke plaatsen? Zo ja, bent u bereid hiervoor te pleiten in Brussel? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt uw opvatting zich tot de uitspraak van uw adviesorgaan de Raad voor Dierenaangelegenheden dat er ten behoeve van het dierenwelzijn in elk geval zicht moet zijn op de dieren die in een samenleving gehouden worden?
Nee, een dergelijke Europese openbare database heeft niet mijn prioriteit om in Europa te bespreken.
Het bericht ‘Minister Cramer investeerde 50 miljoen in zichzelf’ |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Minister Cramer investeerde 50 miljoen in zichzelf»?1
Ja.
Kunt u aangeven op welke gronden deze 50 miljoen euro werd toegewezen?
In het bericht wordt gesproken over € 50 miljoen die door het rijk ter beschikking zou zijn gesteld aan de Universiteit van Utrecht ten behoeve van klimaatonderzoek.
Een dergelijke transactie is mij onbekend. Waarschijnlijk wordt gedoeld op de kabinetsbeslissing van juli 2007 waarmee het voorstel voor het programma «Kennis voor Klimaat» van de toenmalige minister van VROM door het toenmalige kabinet is aanvaard. Daarbij werd vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) een budget van € 50 miljoen beschikbaar gesteld met de bedoeling om – op basis van 50% cofinanciering – de inhoud en de omvang van dit programma zo vorm te geven, dat het de basis vormt voor locale, regionale, nationale en internationale klimaatadaptatie.
Kunt u aangeven of en in hoeverre de betrokken universiteit deze 50 miljoen euro gaat besteden aan klimaatonderzoeken?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is er geen sprake van een transactie van € 50 miljoen rijksbijdrage aan de Universiteit van Utrecht ten behoeve van klimaatonderzoek. In de uitvoering van het programma wordt in projecten door tientallen organisaties – overheden, bedrijven, kennisinstellingen – samengewerkt die met elkaar gezamenlijk, op het niveau van het totale programma, zelf € 50 miljoen dienen bij te dragen.
De eerste tranche van het programma richtte zich op de urgente kennisvragen van de «hot spots» en de Klimaat Kennis Faciliteit; de tweede tranche op een thematische verdieping en de derde tranche op het opstellen van regionale adaptatiestrategieën van de «hot spots».
De Universiteit Utrecht participeert in dit programma vanuit de inhoudelijke expertises op het gebied van de planologie, milieuwetenschappen, rechtswetenschappen en geowetenschappen. Het subsidiebedrag dat aan deze universiteit daarvoor tot dusver is toegekend bedraagt in orde van grootte € 1,2 miljoen, na vaststelling van eigen bijdrage aan cofinanciering van € 1,0 miljoen.
De uiteindelijke subsidie is afhankelijk van de gerealiseerde cofinanciering bij het eind van de looptijd van het programma (eind 2014).
Het artikel ‘Windpark slecht voor stabiliteit dijken’ |
|
Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD), René Leegte (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Windpark slecht voor stabiliteit dijken»?1
Ja.
Klopt de berichtgeving dat de stabiliteit van de dijken, als gevolg van de plaatsing van de windmolens, in gevaar komt?
De berichtgeving is gebaseerd op een deskundigenverslag van de adviseur van de Raad van State (StAB). Dit deskundigenverslag is een onderdeel van de gerechtelijke procedure zoals die thans bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aanhangig is. Zoals ik tijdens het Algemeen Overleg van 30 maart 2011 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 31 239, nr. 112 ) heb aangegeven, kan ik daarom op dit moment verder geen inhoudelijke uitspraken doen omdat deze zaak onder de rechter is. Het is nu aan de rechter om te spreken.
Wel wil ik benadrukken dat bij de vaststelling van het inpassingplan «Windenergie langs de dijken van de Noordoostpolder» de effecten op de drie dijken van de Noordoostpolder nadrukkelijk zijn beoordeeld. Het waterschap Zuiderzeeland, de verantwoordelijke voor het beheer en onderhoud van de dijken van de Noordoostpolder, is intensief betrokken geweest bij deze beoordeling. Er vinden geen bouwactiviteiten plaats in de kernzone of de binnenbeschermingszones van de dijk. Er zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar het mogelijk effect van het windpark op de stabiliteit van de drie dijken.
Tevens wordt in soortgelijke berichtgeving over stabiliteit van de dijken een deskundige van de TU-Delft aangehaald. In deze berichtgeving wordt aangegeven dat deze deskundige zou pleiten voor preventieve dijkversterking. Deze deskundige heeft zich naar aanleiding van deze berichtgeving gemeld bij mijn ministerie met de mededeling dat hij zich niet herkent in de weergave van zijn pleidooi.
Indien dit het geval is, welke maatregelen gaat u nemen om de instabiliteit tegen te gaan? Kunt u op dit moment de kosten ramen voor de benodigde aanpassingen? Wie zal voor deze kosten verantwoordelijk zijn?
Het is nu eerst aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een oordeel te geven over de rechtmatigheid van het inpassingsplan en de diverse uitvoeringsbesluiten. Daarbij zal ook het mogelijke effect van het windpark op de stabiliteit van de dijken in de Noordoostpolder betrokken worden. Ik wil daarop niet vooruitlopen.
Hoe gaat u om met de onrust die is ontstaan in de Noordoostpolder naar aanleiding van dit bericht?
Ik wil benadrukken dat er geen bouwactiviteiten zullen plaatsvinden en geen windmolens in gebruik worden genomen, voordat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak heeft gedaan.
Naar verwachting zal de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mede op basis van de diverse onderzoeken aangeven of het inpassingsplan uitgevoerd mag worden. Daarbij zal naar verwachting ook een rol spelen of de diverse onderzoeken deugdelijk zijn en ten grondslag mogen worden gelegd aan het inpassingsplan. Ik verwacht dat met die helderheid de onrust wordt weggenomen.