Antwoorden op eerdere vragen inzake de situatie van de heer Van Laarhoven |
|
Vera Bergkamp (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u zich uw antwoord op eerdere vragen van de leden Bergkamp en Sjoerdsma herinneren, waarin u stelt dat in oktober jl. en marge van uw bezoek aan Thailand op directeursniveau contact is geweest met het Thaise Ministerie van Buitenlandse Zaken over de situatie van de heer Van Laarhoven?1
Ja.
Op welke datum vond het in vraag 1 aangehaalde «contact op directeursniveau» plaats? Is er op andere momenten contact op directeursniveau geweest met het Thaise Ministerie van Buitenlandse Zaken over de situatie van de heer Van Laarhoven?
Er vonden twee contacten plaats op directeursniveau. Op 14 oktober 2016 en 26 oktober 2016.
Wat bedoelt u met het in vraag 1 aangehaalde «contact»? Was dit telefonisch, waren gesprekspartners fysiek aanwezig of vond dit plaats op een andere manier?
Het contact op 14 oktober 2016 was telefonisch. Het contact op 26 oktober 2016 was een ontmoeting in Seoul en marge van het Global Consular Forum.
Waarop baseert u de stelling dat zolang de Thaise rechtsgang nog niet geheel is doorlopen, geen sprake kan zijn van eventuele overbrenging naar Nederland? Hoe verhoudt die stelling zich tot de Thaise wetgeving, specifiek tot Section 4 van de Thaise Act on Mutual Assistance in Criminal Matters? Biedt die wet niet de ruimte om een verdachte die zich in Thailand in hechtenis bevindt, uit te leveren naar een andere staat op verzoek van die staat, ook al is de rechtsgang nog in de onderzoeksfase? Is deze mogelijkheid onderzocht? Zo ja, wat was de uitkomst? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Artikel 3 onder f. van het Verdrag tussen Nederland en Thailand inzake de overbrenging van gevonniste personen en de samenwerking bij de tenuitvoerlegging van strafvonnissen (Trb. 2004, 216) stelt de voorwaarde dat het vonnis onherroepelijk is en dat in de overdragende Staat geen gerechtelijke procedures in verband met het strafbare feit aanhangig zijn. Voor uitlevering kent Thailand, voor zover mij bekend, een afzonderlijke wet (de Extradition Act 2008). De door de vraagsteller genoemde «Section 4» ziet op vormen van wederzijdse hulp bij strafrechtelijke onderzoeken en heeft dan ook geen betrekking op uitlevering. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 5.
Klopt het dat het u als Minister van Buitenlandse Zaken te allen tijde vrij staat om de Thaise autoriteiten te verzoeken de heer Van Laarhoven aan Nederland uit te leveren? Is er ooit een dergelijke formeel of informeel verzoek gedaan? Zo ja, kunt u omschrijven wanneer en op welke wijze een verzoek is gedaan en wat de reactie hierop is geweest? Zo nee, waarom niet?
Uitleveringsverzoeken worden gedaan door de Minister van Veiligheid en Justitie, op verzoek van het Openbaar Ministerie (OM). Ik verwijs hiervoor naar het antwoord van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 13 september 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 3457) op vraag 4 van de leden Bergkamp en Sjoerdsma (beiden D66) over de brief van een Nederlandse politieliaison in Thailand aan de Thaise autoriteiten getiteld «Request for initiating an investigation in Thailand» (ingezonden 14 juni 2016). Het is aan het OM om de afweging te maken welke instrumenten het wanneer nodig acht in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek. Ook het oordeel over de wenselijkheid van een uitleveringsverzoek is in de eerste plaats aan het OM. De Minister van Veiligheid en Justitie kan niet uit eigen beweging en zonder onderliggend verzoek van het OM een uitleveringsverzoek aan een andere staat doen. Tot op heden heeft het OM de Minister van Veiligheid en Justitie niet gevraagd om een uitleveringsverzoek aan Thailand te doen.
Klopt het dat de heer Van Laarhoven naar een andere gevangenis of een ander deel van de gevangenis wordt overgeplaatst? Bent u bekend met de reden hiertoe? Zo ja, kunt u deze toelichten?
De heer Van Laarhoven is in december 2016 naar een ander verblijf binnen de penitentiaire instelling overgebracht. Het verblijf waar hij aanvankelijk verbleef, betrof een aankomstverblijf. In de betreffende gevangenis is het de gebruikelijke procedure dat gedetineerden vanuit het aankomstverblijf op een gegeven moment worden overgebracht naar een ander verblijf. De Nederlandse ambassade in Bangkok heeft de gevangenisdirectie op 8 december 2016 gevraagd of de heer Van Laarhoven langer in het aankomstverblijf kon blijven. De gevangenisdirectie heeft evenwel besloten de heer Van Laarhoven toch over te plaatsen.
Hoe beoordeelt u de omstandigheden in deze nieuwe omgeving ten opzichte van de omstandigheden in de huidige omgeving van de heer Van Laarhoven? Zijn deze slechter? Zo ja, welke stappen bent u voornemens te nemen om deze overplaatsing, ook met het oog op de gezondheid van de heer Van Laarhoven, te voorkomen? Waarom wel of waarom niet?
Thaise gevangenissen hebben elk een eigen regime waardoor ook de leefomstandigheden voor gedetineerden kunnen verschillen. Het gevangenisregime in het huidige verblijf van de heer Van Laarhoven is strikter dan in het eerdere aankomstverblijf. Naast het huidige verblijf van de heer Van Laarhoven zijn er in de betreffende gevangenis afdelingen met nog striktere gevangenisregimes en navenante zwaardere leefomstandigheden.
De Thaise autoriteiten beslissen waar de heer Van Laarhoven wordt ondergebracht en zij hebben in december besloten de heer Van Laarhoven naar een ander verblijf over te brengen, dit ondanks het Nederlandse verzoek om de heer Van Laarhoven langer in het aankomstverblijf te houden.
Bent u bereid deze vragen elk afzonderlijk te beantwoorden?
Ja.
Het stopzetten van internationaal draagmoederschap |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Vera Bergkamp (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de signalen dat internationaal draagmoederschap in een aantal Aziatische landen, waaronder bijvoorbeeld Cambodja, wordt stopgezet?
Ik beschik niet over een overzicht van landen waar internationaal draagmoederschap bestaat, dreigt te worden stopgezet of is stopgezet. Het is de verantwoordelijkheid van wensouders die besluiten naar het buitenland te gaan om zichzelf te laten informeren over de te volgen (juridische) procedures in het betreffende land, alsook over de problemen waar ze tegen aan kunnen lopen wanneer ze het kind naar Nederland willen halen. De website van rijksoverheid.nl wijst hierop.
Mij is evenmin bekend hoeveel Nederlanders op dit moment gebruik maken van een draagmoeder. Het vermoeden bestaat dat (internationaal) draagmoederschap voor een deel buiten het zicht van (overheids)instanties plaatsvindt. Dit wordt geconcludeerd in het rapport «Draagmoederschap en illegale opneming van kinderen» van het Utrecht Centre for European Research into Family Law (UCERF) uit 2011.1 Een soortgelijke conclusie wordt ook getrokken in het rapport van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht van maart 2014, genaamd «A study of legal parentage and the issues arising from international surrogacy arrangements».2 Dit maakt het niet mogelijk om (aanvullend) onderzoek te doen.
Beschikt u over een overzicht van de landen waar internationaal draagmoederschap dreigt te worden stopgezet, of al is stopgezet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier worden mogelijke wensouders hierover geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 1.
Is het u bekend hoeveel Nederlanders op dit moment gebruik maken van een draagmoeder in een van de landen waar het (mogelijk) wordt stopgezet? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met situaties waarbij Nederlandse ouders het risico lopen dat hun kind, door de veranderde wetgeving, niet naar Nederland kan komen? Zo ja, welke ondersteuning kan de Nederlandse ambassade ter plekke verlenen?
Uit berichtgeving leidt ik af dat de Cambodjaanse regering heeft besloten een verbod op draagmoederschap in te stellen, terwijl de betreffende Nederlandse wensouders gebruik maken van een draagmoeder in dat land. Ik ben anders dan deze berichtgeving niet bekend met dergelijke situaties.
Het gebruik maken van een draagmoeder in het buitenland kan problemen opleveren. Zo worden in een aantal landen waar draagmoederschap mogelijk is, de wensouders meteen als juridische ouders op de geboorteakte vermeld. Dit is in strijd met de Nederlandse wet. In Nederland is de moeder van een kind de vrouw uit wie het kind wordt geboren (artikel 1:198 BW, mater semper certa est).
In ieder afzonderlijk geval dient aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden te worden vastgesteld of naar Nederlands recht bij of na de geboorte familierechtelijke betrekkingen zijn ontstaan tussen de Nederlandse wensouders en het kind (bijvoorbeeld door erkenning van de ongeboren vrucht, erkenning van de minderjarige of door adoptie) en het kind bij of na de geboorte het Nederlanderschap heeft verkregen. Indien dit het geval is kan een Nederlands reisdocument worden afgegeven en kan het kind naar Nederland reizen.
Mocht door gewijzigde lokale wetgeving uitreis van een Nederlands kind onmogelijk zijn geworden dan zal de ambassade waar mogelijk bijstand verlenen om uitreis binnen het wettelijke kader te faciliteren.
Kunt u toelichten wat de juridische positie is van de biologische ouders van een kind dat met behulp van het draagmoederschap in het buitenland, en in dit geval Aziatische landen, is verwekt?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van mening dat er een overgangstermijn voor deze regeling moet komen zodat reeds verwekte kinderen hier geen slachtoffer van kunnen worden? Zo ja, hoe gaat u uzelf inspannen voor een internationale overgangsregeling waardoor ouders, die nu in een lopend traject zitten, niet gedupeerd zullen worden? Zo nee, waarom niet?
In de kabinetsreactie op het rapport van de Staatscommissie Herijking Ouderschap van 7 december jl.3 heb ik aangegeven positief te staan tegenover het (onder strikte voorwaarden) instellen van een regeling voor draagmoederschap in Nederland. De Staatscommissie beveelt ook aan om internationaal draagmoederschap dat onder dezelfde voorwaarden tot stand is gekomen in aanmerking te laten komen voor erkenning in Nederland.
De voorwaarden die de Staatscommissie aanbeveelt zijn onder meer:
Graag wissel ik met uw Kamer van gedachten over deze aanbevelingen en mijn eerste reactie hierop.
Wanneer een regeling bestaat voor draagmoederschap met duidelijke voorwaarden, kan vervolgens bepaald worden hoe Nederland zich internationaal positioneert. Tot die tijd geldt dat per geval dient te worden bekeken of het kind bij of na geboorte het Nederlanderschap heeft verkregen.
Kunt u deze vragen gezien de urgentie van dit onderwerp binnen twee weken in plaats binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
De verzochte termijn van twee weken is, vanwege onder meer het kerstreces, niet gehaald.
De arrestatie van een Nederlandse journalist in Panama |
|
Raymond Knops (CDA), Han ten Broeke (VVD), Michiel Servaes (PvdA), Harry van Bommel (SP), Joël Voordewind (CU), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de arrestatie van de Nederlandse journalist Okke Ornstein in Panama?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de heer Ornstein is opgepakt vanwege het blootleggen van corruptieschandalen, zoals beweerd door Transparency International en andere niet-gouvernementele organisaties?2
Journalist Okke Ornstein werd in Panama gearresteerd onder beschuldiging van smaad en laster. In totaal had de heer Ornstein in Panama te maken met vijf strafaanklachten wegens smaad en laster. Voor twee daarvan werd de heer Ornstein, ook in hoger beroep, veroordeeld. Het proces voor de andere drie aanklachten had nog geen aanvang genomen. Smaad en laster zijn in Panama strafbaar en worden door Panamese rechters vrij snel bewezen geacht en bestraft. Veel artikelen van de heer Ornstein gaan over fraude en corruptie. Omdat het journalistieke werk van de heer Ornstein aanleiding was voor zijn arrestatie en detentie raakte zijn zaak aan de persvrijheid.
Heeft uw ministerie reeds contact gehad met de Panamese autoriteiten? Zo ja, hoe? Heeft dat contact nog iets opgeleverd?
Nederland maakt zich overal in de wereld sterk voor persvrijheid. Sinds de arrestatie van de heer Ornstein heeft Nederland op hoog niveau actief en veelvuldig in diplomatieke contacten met de Panamese autoriteiten onmiddellijk aandacht gevraagd voor de zaak van de heer Ornstein en gewezen op het belang van persvrijheid in Panama. Op mijn verzoek sprak de Nederlandse ambassadeur met verschillende ministers van de Panamese regering en met president Varela. De Nederlandse ambassade in Panama zette zich met succes in voor de overbrenging van de heer Ornstein naar een gevangenis met betere omstandigheden.
Zelf vroeg ik op 29 november 2016 in een telefonisch gesprek met mijn Panamese ambtgenoot aandacht voor de zaak van de heer Ornstein en verzocht ik hem om de persvrijheid in Panama te waarborgen.
Naast de bilaterale inzet werd ook in internationaal en EU-verband proactief ingezet op het verhogen van de internationale druk op Panama om de persvrijheid te garanderen. Zo werden op 2 december de zaak van de heer Ornstein en de persvrijheid in Panama aan de orde gesteld in een bijeenkomst van de EU-ambassadeurs met president Varela. Verschillende journalistenorganisaties stelden de zaak van de heer Ornstein aan de orde bij de Panamese autoriteiten.
Op 20 december hebben de Panamese autoriteiten bekend gemaakt dat president Varela aan de heer Ornstein gratie zal verlenen. Naar verwachting komt de heer Ornstein binnen enkele dagen vrij.
Is de heer Ornstein reeds bezocht door Nederlandse diplomaten ter plaatse?
Ja, medewerkers van de Nederlandse ambassade in Panama hebben de heer Ornstein sinds zijn arrestatie op 15 november jl. meerdere malen in detentie bezocht. Ook heeft de ambassade gefaciliteerd bij het bezoek van familieleden aan de heer Ornstein. Met de partner en de familie van de heer Ornstein werd intensief contact onderhouden.
Kunt u de Kamer op de hoogte houden van de ontwikkelingen rondom deze zaak?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 komt de heer Ornstein naar verwachting op korte termijn vrij.
Het bericht dat het bed, bad en brood overleg is geklapt |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u van mening dat de discussie rondom de Bed, Bad en Brood opvang een stuk overzichtelijker zou zijn geweest als duidelijk werd welke uitgeprocedeerde vreemdelingen buiten hun schuld niet terug kunnen keren naar hun land van herkomst en zodoende vast zitten in deze gemeentelijke Bed, Bad en Brood opvang?1
Deze mening deel ik niet. In de praktijk blijkt dat vreemdelingen die terug willen keren over het algemeen ook terug kunnen keren. Er zijn geen landen bekend die structureel weigeren onderdanen terug te nemen wanneer deze onderdanen zelf terug willen keren. Bij vreemdelingen die in beeld zijn bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) wordt getoetst of er sprake is van een situatie dat de vreemdeling buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten. Een vreemdeling die niet in beeld is bij de DT&V kan altijd een bemiddelingsverzoek indienen bij de DT&V voor ondersteuning bij het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten. Als vastgesteld wordt dat er sprake is van een buitenschuldsituatie, kan de vreemdeling, behoudens contra-indicaties als bijvoorbeeld openbare orde aspecten, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid. De stelling dat de vreemdelingen die in gemeentelijke bed, bad, brood opvang zitten niet terug kunnen keren naar hun land van herkomst is niet in lijn met de praktijkervaringen van de DT&V.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel mensen in 2014, 2015 en 2016 aanspraak hebben gemaakt op een buitenschuldverklaring, op welke gronden deze zijn afgewezen en hoeveel mensen wel een buitenschuldverklaring hebben gekregen en op welke gronden?
2014
2015
2016 t/m okt
80
50
50
Inwilligingen
201
10
102
Afwijzingen
50
20
20
Overig
30
30
20
Bron: IND. Cijfers zijn afgerond op 10-tallen.1 2
In de beantwoording van de schriftelijke vragen voor het verantwoordingsdebat van juni 2016 (34 475-VI) is gemeld dat het aantal ingewilligde aanvragen voor een vergunning op grond van het «buiten schuld-beleid» afgerond 30 was. Dit was vermoedelijk een typefout, het aantal is afgerond 20.
In de beantwoording van de schriftelijke vragen voor deze begrotingsbehandeling is het aantal ingewilligde eerste aanvragen voor een vergunning op grond van het «buiten schuld-beleid» en het aantal verlengde vergunningen voor dit doel over 2016 gemeld. Dit waren er in totaal 30. In de huidige beantwoording melden we alleen het aantal ingewilligde eerste aanvragen.
De inwilligings- of afwijzingsgronden kunnen niet uit de geautomatiseerde systemen van de IND worden uitgehaald.
Een aanvraag voor een buitenschuldverklaring kan afgedaan worden in een ander jaar dan het jaar van aanvraag. Hierdoor kan er een verschil ontstaan tussen het aantal aanvragen en het aantal beslissingen in een jaar.
Hoe wordt momenteel vastgesteld dat iemand aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan? Zijn hier standaard voorwaarden voor opgesteld? Zo nee, waarom niet?
Op 13 september 2013 (Kamerstuk 19 637, nr.1721) heeft mijn voorganger Staatssecretaris Teeven uw Kamer geschreven over Toezeggingen op Rapporten en adviezen vreemdelingenbeleid. Het in die brief in onderdeel D beschreven buitenschuldbeleid is, met de daarin aangekondigde wijzigingen, nog steeds van kracht. Een volledige beschrijving van het beleid is te vinden in de Vreemdelingencirculaire, paragraaf B8/4.
In de Vreemdelingencirculaire is opgenomen dat de vreemdeling, om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid, zelfstandig moet hebben geprobeerd zijn vertrek te realiseren. Hij moet aantonen of aannemelijk maken dat hij zich heeft gewend tot de vertegenwoordiging van het land of van de landen waarvan hij de nationaliteit heeft, dan wel tot het land of de landen waar hij als staatloze vreemdeling eerder zijn gewone verblijfsplaats had, en/of tot andere landen waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat hem aldaar de toegang zal worden verleend.
De DT&V stelt, op grond van objectieve, verifieerbare feiten en omstandigheden die zien op de persoon van betrokkene en die in beginsel zijn onderbouwd met bescheiden, vast dat sprake is van een samenhangend geheel van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat betrokkene buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten.
Van de vreemdeling wordt verwacht dat hij:
Indien het de vreemdeling niet lukt zelfstandig documenten te verkrijgen bij de vertegenwoordiging van zijn land van herkomst, wordt van hem verwacht dat hij de DT&V verzoekt om ten behoeve van hem een aanvraag voor een (vervangend) reisdocument in te dienen bij de autoriteiten van zijn land van herkomst of een ander land waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat hem daar toegang zal worden verleend. Tot slot is van belang dat ook bij de Nederlandse autoriteiten geen redelijke twijfel over de nationaliteit en identiteit van de vreemdeling bestaat.
Indien het antwoord bij vraag drie ontkennend is, erkent u dat wanneer er geen vaste criteria zijn om de inspanningsplicht te toetsen, dit in de praktijk ertoe kan leiden dat de Dienst Terugkeer en Vertrek steeds nieuwe eisen aan iemand kan stellen teneinde de benodigde documenten te verkrijgen, zonder dat duidelijk is wat er nog meer kan worden gedaan en wanneer de inspanningen genoeg zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Wat gebeurt er momenteel met een vreemdeling wanneer de autoriteiten van het land van herkomst een jaar na een aanvraag voor een vervangend reisdocument niet hebben gereageerd, de vreemdeling niet uitgezet kan worden maar ook nog niet rechtmatig in Nederland kan verblijven? Waar kan deze vreemdeling dan naartoe?
In voornoemde brief van 13 september 2013 (Kamerstuk 19 637, nr.1721) heeft het Kabinet reeds aangegeven dat het niet wenselijk is dat vreemdelingen voor onbepaalde tijd in onzekerheid blijven over de aanvraag voor een (vervangend) reisdocument die de DT&V ten behoeve van hen heeft ingediend bij de autoriteiten van het land van herkomst of eerder verblijf (en daarmee over de buitenschuldaanvraag). Wanneer er geen sprake is van verwijtbaar gedrag van de vreemdeling moet het uitblijven van een reactie van de vertegenwoordiging op een aanvraag voor een (vervangend) reisdocument niet langer voor rekening en risico van de vreemdeling komen. Wanneer deze situatie zich voordoet, kan dit aanleiding zijn voor een beoordeling of betrokkene voldoet aan de verleningsvoorwaarden.
Daarbij is wel aangetekend dat juist de beoordeling, of de vreemdeling onvoldoende of onjuiste identificerende gegevens heeft verschaft, in veel gevallen moeilijk te maken is. Het zou onwenselijk zijn als een vreemdeling op den duur een buitenschuldvergunning zou kunnen bemachtigen door op verholen wijze onvoldoende of onjuiste gegevens aan de diplomatieke vertegenwoordiging te verschaffen. Vereist is dus dat de vreemdeling eventuele twijfel hierover wegneemt. Die twijfel kan worden weggenomen door het verstekken van een (kopie) van een identiteitsdocument. Het laten bestaan van twijfel door de vreemdeling zal onverkort leiden tot het afwijzen van de buitenschuldaanvraag.
Bent u bereid te overwegen een buitenschuldvergunning te verstrekken als het land van herkomst een jaar na een aanvraag voor een vervangend reisdocument nog niet heeft gereageerd, de vreemdeling niet uitgezet kan worden maar ook nog niet rechtmatig in Nederland kan verblijven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zou er volgens u verbeterd kunnen worden aan de buitenschuldprocedure zodat mensen die echt niet terug kunnen keren naar het land van herkomst, hier daadwerkelijk aanspraak op kunnen maken in plaats van in de Bed, Bad en Brood opvang in de steden vast komen te zitten?
Het buitenschuldbeleid is in 2013 geëvalueerd na een advies van de ACVZ4, waarin ook de situatie was meegenomen van de vreemdelingen die destijds in de zogeheten «Vluchtflat» en de «Vluchtkerk» verbleven. De ACVZ onderschrijft in haar rapport van 2013 het uitgangspunt van het terugkeerbeleid en de kern van het buitenschuldbeleid. Een belangrijke constatering is dat de ACVZ geen aanwijzingen heeft gevonden dat het voorkomt dat aan vreemdelingen die daadwerkelijk buiten hun schuld niet kunnen vertrekken uiteindelijk géén buitenschuldvergunning wordt verleend. Daar waar het de uitkomsten van de gevoerde procedures betreft, is de toepassing van het beleid naar de mening van de ACVZ in lijn met de doelstelling van de wettelijke regeling.
Ik ben van oordeel dat dit beleid na de aanpassingen van 2013 een goed uitgebalanceerd geheel vormt en heb daarom niet het voornemen het aan te passen.
Bent u bereid deze vragen vóór de plenaire behandeling van de begroting Veiligheid en Justitie voor het jaar 2017 te beantwoorden?
Ja.
De verdwenen oorlogsgraven van Nederlanders in de Javazee |
|
Salima Belhaj (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u naar aanleiding van eerdere vragen heeft gesteld dat een internationaal verdrag voor het beschermen van oorlogsgraven in de zee en voor het internationaal strafbaar stellen van schendingen van zulke oorlogsgraven niet noodzakelijk is?1
Zoals wij in eerdere antwoorden op schriftelijke vragen stelden, zijn de wrakken van Staatsschepen, waaronder oorlogsschepen, al beschermd op basis van bestaande verdragen. Onder het internationaal recht genieten dergelijke schepen, ook nadat ze zijn gezonken, volledige immuniteit en blijven zij eigendom van de vlagstaat. Daarnaast beschermt het humanitair oorlogsrecht oorlogsgraven, ook op zee. In overeenstemming met de mede op initiatief van Nederland opgenomen paragraaf 314 van Resolutie A/RES/70/235 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties wordt gezocht naar nadere samenwerking met alle betrokken landen om te komen tot betere bescherming van alle oorlogsgraven ter zee.
Bent u, na het verdwijnen van de zeebodem van de Nederlandse oorlogsgraven voor de kust van Indonesië en de daarmee gepaard gaande schending van oorlogsgraven, daar nog steeds van overtuigd? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u nu wel bereid om gezamenlijk met landen als Australië, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, die eveneens met de problematiek van verdwijningen van oorlogsgraven kampen, u in te zetten voor een internationaal verdrag voor bescherming van deze oorlogsgraven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich dat u naar aanleiding van de eerdere vragen heeft gesteld navraag te doen bij landen als Australië, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten welke acties deze landen hebben ondernomen bij vlagstaten van de bergingsvaartuigen en/of kuststaten na de constatering van een (mogelijke) schending van een scheepswrak met de status van een oorlogsgraf?2 Kunt u toelichten wat deze navraag heeft opgeleverd en wat u daarmee heeft gedaan?
Het is helaas niet de eerste keer dat wrakken van (Nederlandse) oorlogsschepen worden verstoord. Zoals ook gemeld in de Kamerbrief van 15 november jl., gaven eerdere incidenten reeds aanleiding tot grote zorg (Kamerstuk 32 156, nr. 77). De ministeries van Defensie en Buitenlandse Zaken hebben met vlagstaten van andere oorlogsgraven ter zee in de omgeving van Nederlandse schepen, waaronder Australië, Duitsland, Japan, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, contact over de bescherming van deze oorlogsgraven. Ook met de staten onder wier rechtsmacht illegale verstoringen werden ontdekt, is er contact geweest.
De uitdagingen voor de bescherming van oorlogsgraven ter zee zijn echter groot. Het is onmogelijk om de graven permanent fysiek te beveiligen. Met het oog op het vergroten van het bewustzijn en ter preventie is samenwerking met de betrokken staten van groot belang.
Kunt u de berichtgeving bevestigen dat de wrakken van de gezonken oorlogsschepen naar de haven van Surabaya zijn versleept en daar als oud ijzer zijn verkocht?3
In afwachting van nader onderzoek kunnen we hierover geen uitspraken doen.
Wanneer zal het onderzoek naar het verdwijnen van de oorlogsgraven in de Javazee zijn afgerond? Bent u bereid het onderzoek na verschijning naar de Kamer te sturen?
Nederland is in gesprek met Indonesië over onderzoek en de toekomstige samenwerking als het gaat om scheepswrakken. Dit is een complex dossier en een onderzoek moet dan ook zorgvuldig worden voorbereid. Ook andere landen zijn betrokken bij het dossier. Het is nog te vroeg voor een concreet tijdschema. Uiteraard zullen wij u informeren over de uitkomst van het onderzoek.
Uitlevering van verdachten aan Rwanda |
|
Linda Voortman (GL), Kees van der Staaij (SGP), Marianne Thieme (PvdD), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Sharon Gesthuizen (SP), Joël Voordewind (CU), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Naar aanleiding van uw antwoorden op eerdere vragen: bent u het, afgezien van de beoordeling van de schriftelijke verklaringen van de heer Witteveen door de voorzieningenrechter en het gerechtshof, ermee eens dat de heer Witteveen wegens zijn ervaringen in Rwanda uniek gepositioneerd is om het rechtssysteem in Rwanda te beoordelen? Klopt het dat de heer Witteveen nog niet eerder door de betrokken ambtenaren op het Ministerie van Veiligheid en Justitie is bevraagd? Acht u het niet wenselijk dat de ervaringen van Witteveen worden betrokken bij uw beoordeling over deze zaak? Zo nee, waarom niet?1
Ik zie geen aanleiding om de beslissing ten aanzien van de uitlevering te herzien. De heer Witteveen heeft in de schriftelijke stukken die zijn ingebracht in de uitleveringsprocedure uitgebreid uiteen gezet wat zijn bevindingen waren. Hierbij is ook de «Bandora-zaak» behandeld. Deze ervaringen en bevindingen van de heer Witteveen zijn door de betrokken ambtenaren van mijn ministerie al meegenomen in de beoordeling over de uitleveringszaak. Er is regelmatig informeel contact geweest tussen de betrokken ambtenaren en de heer Witteveen, waarin de heer Witteveen zijn bevindingen naar voren heeft gebracht. De bevindingen van de heer Witteveen heb ik bij mijn oordeel betrokken, maar hebben mijn conclusie niet gewijzigd. Ook het Gerechtshof concludeert dat het niet aannemelijk is dat de betrokken personen een reëel risico lopen op inbreuken op het recht op een eerlijk proces die in de weg zouden staan aan uitlevering.
Is de observatie van de heer Witteveen over de uitleveringszaak die onder de Transfer Law is berecht en die bekend staat als de Bandora-zaak, reden om uw eerdere conclusie in antwoord op de eerdere vragen, namelijk dat u het niet aannemelijk vindt dat de opgeëiste personen risico lopen op inbreuken op het recht op een eerlijk proces die uitlevering in de weg zouden staan te herzien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is een uitgebreider uitleveringsonderzoek uit te voeren naar model van de Bandora-zaak? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid, gelet op de bevindingen van de heer Witteveen dat getuigen a décharge hoofdzakelijk buiten Rwanda verblijven en daarbij dat de getuigen in Rwanda zelf niet voor de verdediging durven te verklaren, een nieuwe overweging te maken of berechting in Nederland niet mogelijk dan wel meer wenselijk zou zijn?
Nee. Dit is reeds meegewogen in de uitleveringsprocedure.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat u tot uitzetting overgaat?
De voorzieningenrechter heeft in kort geding van 11 november jl. bevestigd dat het gerechtshof Den Haag reeds een uitspraak heeft gedaan in deze zaken en dat de vragen van Uw Kamer en de bevraging van Witteveen door de Vaste Kamercommissie van Veiligheid en Justitie op 10 november jl. geen nieuwe feiten bevatten, die aan de uitlevering van deze twee personen met de Rwandese nationaliteit in de weg zouden staan. De heren Iyamuremye en Mugimba zijn op 12 november 2016 uitgeleverd aan de Rwandese autoriteiten.
Speelt het een rol dat Nederland gastland is geweest voor het Rwanda tribunaal?
Nee. Overigens is Nederland geen gastland geweest voor het Rwandatribunaal. Dit tribunaal was gevestigd in Arusha, Tanzania.
Kunt u nagaan wanneer in de Engelse uitleveringszaak naar Rwanda uitspraak in hoger beroep wordt verwacht?
Ja, de Britse zaak wordt deze maand voorgezet in Groot-Brittannië. Op 8 december wordt het onderzoek ter zitting naar verwachting gesloten. De uitspraak wordt in het voorjaar van 2017 verwacht.
Het bericht dat Rusland een Nederlandse onderzeeër op de Middellandse Zee verjaagt |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Rusland verjaagt Nederlandse onderzeeër op Middellandse Zee»?1
We hebben kennisgenomen van de uitlatingen van de woordvoerder van het Russische Ministerie van Defensie op 9 november 2016 en de weergave daarvan in verschillende media.
Klopt het dat een Nederlandse onderzeeër is verjaagd door Russische intimidatie en wat is uw oordeel daarover?
Was de Nederlandse onderzeeër in internationale wateren op het moment dat hij werd verjaagd?
Op welke recht beriep Rusland zich bij deze militaire manoeuvre?
Is er diplomatiek en politiek contact geweest tussen Nederland en Rusland naar aanleiding van dit incident? Zo ja, waaruit bestond dit contact?
Deelt u de mening dat deze intimidatie van Russische zijde zorgelijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welk passend antwoord stelt u tegenover deze Russische dreiging?
Met welke doeleinden was de Nederlandse onderzeeër aanwezig in het Middellandse Zeegebied?
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de behandeling van de begroting Buitenlandse Zaken?
Ja.
Het bericht 'Exodus dreigt bij Internationaal Strafhof' |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat verschillende Afrikaanse landen hebben aangekondigd het Internationaal Strafhof te verlaten?1
Het kabinet betreurt het dat een aantal Afrikaanse landen zich wil terugtrekken uit het Strafhof en vindt dit een zorgwekkende ontwikkeling.
Bent u voornemens naar aanleiding van dit bericht verdere stappen te ondernemen, naast «het onderwerp opbrengen in EU-verband» en contact te hebben met de voorzitter van de Vergadering van Statenpartijen zoals genoemd in uw persbericht?
Nederland voelt zich, als verdragspartij en gastland, bijzonder verbonden met het Internationaal Strafhof. De bestrijding van straffeloosheid voor de ernstigste internationale misdrijvende is een prioriteit voor het kabinet.
Het kabinet voert de motie Servaes/Sjoerdsma onverkort uit. Het behouden en versterken van draagvlak voor het Strafhof in het algemeen, en onder Afrikaanse staten in het bijzonder, is daarbij van groot belang. Nederland zet zich daarvoor in, bijvoorbeeld via de financiering van diverse maatschappelijke organisaties, zoals de African Group for Justice and Accountability, of van seminars in Afrikaanse landen over het Internationaal Strafhof. Gedurende het voorzitterschap van de EU heeft Nederland aandacht gevraagd voor de zorgelijke ontwikkelingen binnen de AU, waar door sommige landen werd aangestuurd op collectieve terugtrekking uit het Strafhof. De EU en EU-lidstaten hebben voorafgaand aan de AU-top in juli 2016 gedemarcheerd bij zowel kritische als gematigde Afrikaanse verdragspartijen van het Strafhof om een massale terugtrekking te voorkomen. Nederland heeft zich daar ook en marge van de ministeriële week van de 71ste Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) in september voor ingespannen.
Naar aanleiding van de aangekondigde uittreding van Zuid-Afrika, Burundi en Gambia heeft Nederland intensief contact gehad met de autoriteiten van betrokken landen, maatschappelijke organisaties en opiniemakers, het Strafhof en de Voorzitter van de Vergadering van Verdragspartijen. Nederland heeft er met succes op aangedrongen dat de EU een zeer stevige verklaring aannam op 21 oktober om het belang van het strafhof te onderstrepen3.
Nederland heeft ook intensief contact gehouden met de Voorzitter van de Vergadering van Verdragspartijen, de Senegalese Minister Sidiki Kaba. Dat heeft er mede in geresulteerd dat Sidiki Kaba op 23 oktober jl. een verklaring heeft doen uitgaan waarin hij het besluit van Zuid-Afrika betreurt.
In de AVVN heeft Nederland onlangs steun uitgesproken voor het Strafhof en gepleit voor universaliteit. Met de Voorzitter van de Vergadering van Verdragspartijen en een aantal gelijkgezinde verdragspartijen wordt getracht steun te mobiliseren van Afrikaanse verdragspartijen, met als doel de uittredende verdragspartijen te bewegen hun beslissing te heroverwegen en andere kritische verdragspartijen aan boord te houden.
De actieve betrokkenheid en rol van Nederland hierbij zal ook tijdens de komende Vergadering van Verdragspartijen worden voortgezet. En marge van de Vergadering zal ik een ministeriële bijeenkomst organiseren om met Afrikaanse en andere Ministers de dialoog aan te gaan. Ook zal ik tijdens de Vergadering van Verdragspartijen bilateraal verder spreken met een aantal Ministers en daarbij luisteren naar zorgen en kritiek en het belang van het Strafhof onderstrepen.
Tijdens de Vergadering van Verdragspartijen faciliteert Buitenlandse Zaken ook de komst van een groep Afrikaanse journalisten naar Den Haag om kennis te maken met het werk van het Strafhof en de Vergadering van Verdragspartijen bij te wonen.
Bent u van mening dat Nederland als gastland een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor het Internationaal Strafhof? Zo ja, bent u bereid naar deze bijzondere verantwoordelijkheid te handelen door zowel bilateraal als via de Afrikaanse Unie in gesprek te gaan met deze vertrekkende Statenpartijen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de aankomende Vergadering van Statenpartijen volledig in het teken te zetten van het aangekondigde vertrek en aldaar in gesprek te treden met deze landen?
De genoemde ontwikkelingen zullen ongetwijfeld van grote invloed zijn op de aankomende Vergadering van Verdragspartijen. De impact van de aangekondigde uittreding van een beperkt aantal landen moet echter niet worden overschat. Van een massale, gecoördineerde terugtrekking is geen sprake. Het is belangrijk om als internationale gemeenschap in dialoog te blijven en tegelijk initiatieven te ontplooien die het draagvlak voor het Strafhof onder alle verdragspartijen versterken. Nederland zal deze Vergadering hiervoor zeker gebruiken.
Wat is volgens u de precieze aanleiding en reden dat na Burundi en Zuid-Afrika nu ook Gambia het lidmaatschap van het Internationaal Strafhof wilt opzeggen? In hoeverre speelt de druk op Zuid-Afrika over het ontvangen van Al-Bashir een rol?
Nederland kan niet met zekerheid zeggen wat de precieze aanleiding is geweest voor Gambia om zich uit het Strafhof te willen terugtrekken. Volgens de president van Gambia, Jammeh, zou het Strafhof in het leven zijn geroepen om Afrikanen, specifiek Afrikaanse leiders, te vervolgen. Het kabinet beschikt niet over informatie welke rol de discussie over het ontvangen van de Soedanese President Al-Bashir door Zuid-Afrika een rol heeft gespeeld in de besluitvorming in Gambia.
Welke andere Afrikaanse landen hebben aangekondigd hetzelfde te zullen doen? Hoe waarschijnlijk acht u dit?
Het kabinet heeft geen eenduidige signalen ontvangen die erop wijzen dat naast Burundi, Zuid-Afrika en Gambia ook andere Afrikaanse landen formele stappen hebben gezet tot uittreding.
Wat is het actuele standpunt van de Afrikaanse Unie over de wenselijkheid van lidmaatschap van het Internationaal Strafhof en de reactie van de Afrikaanse Unie op het aangekondigde vertrek van Burundi, Zuid- Afrika en Gambia?
De Afrikaanse Unie (AU) heeft zich sinds 2008 steeds kritischer uitgelaten over het Strafhof. Echter, bij monde van AU Commissievoorzitter mevrouw Zuma neemt de AU officieel geen standpunt over het Strafhof in. Het staat landen volgens haar vrij toe te treden tot het Statuut van Rome, of uit te treden.
Welke gevolgen heeft het vertrek van Afrikaanse landen voor het Internationaal Strafhof?
Terugtrekking van een aantal Afrikaanse landen resulteert in een beperktere territoriale jurisdictie. Het Strafhof kan – zonder doorverwijzing van de VN-Veiligheidsraad – geen onderzoek of vervolging starten naar vermeende misdrijven in deze landen. Het voorbereidend onderzoek in Burundi dat in april 2015 gestart is kan wel voortgezet worden en resulteren in strafvervolging.
Wat voor consequenties heeft het aangekondigde vertrek van Gambia voor de positie van Fatou Bensouda als Aanklager van het Internationaal Strafhof?
In beginsel heeft dit geen gevolgen voor de positie van de Aanklager van het Internationaal Strafhof. Zij is in 2011 bij consensus verkozen voor een periode van negen jaar. De Aanklager vertegenwoordigt niet haar land, maar is als Aanklager van het Internationaal Strafhof gebonden aan het Statuut van Rome en handelt bij de uitvoering van haar taken onafhankelijk en onpartijdig.
Hoe wordt voorkomen dat landen zich uit het Internationaal Strafhof terugtrekken en zijn er concessies die aan landen worden geboden om toch lid te blijven? Zo ja, welke concessies?
Door middel van dialoog probeert Nederland samen met gelijkgezinde landen te voorkomen dat andere verdragspartijen terugtreden. Mogelijkheden voor concessies zijn beperkt omdat de meest gehoorde kritiek raakt aan fundamentele beginselen van het Statuut van Rome. Het kabinet is niet bereid concessies te doen die de integriteit van het Strafhof aantasten.
In hoeverre speelt de uitbreiding van de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof naar het misdrijf agressie een rol bij het voornemen van Afrikaanse landen om het lidmaatschap op te zeggen?
Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat ontwikkelingen richting uitbreiding van de rechtsmacht van het Strafhof met het misdrijf agressie een rol heeft gespeeld bij de beslissing van Burundi, Zuid-Afrika en Gambia terug te treden uit het Statuut van Rome.
Welke stappen heeft u afgelopen jaar actief gezet om de geloofwaardigheid en het draagvlak van het Internationaal Strafhof onder Afrikaanse statenpartijen te verhogen conform de motie Servaes/Sjoerdsma?2
Zie antwoord vraag 2.
Wat voor mogelijkheden ziet u om via de Nederlandse zetel in de VN-Veiligheidsraad samenwerking met en draagvlak voor het Internationaal Strafhof te verbeteren?
De Veiligheidsraad heeft een unieke bevoegdheid en verantwoordelijkheid doordat het situaties waar het Strafhof geen rechtsmacht heeft kan doorverwijzen. Ook na een doorverwijzing is daadkrachtige opvolging vereist door de VN-Veiligheidsraad in het geval dat het betreffende land (of andere landen) niet meewerkt met het Strafhof. Zonder steun van de VN-Veiligheidsraad voor onderzoek en vervolging heeft dat veel minder kans van slagen. Accountability is één van de Nederlandse prioriteiten in de VN-Veiligheidsraad. Nederland zal zich dan ook tijdens zijn lidmaatschap van de Veiligheidsraad maximaal inspannen voor effectieve opvolging van doorverwijzingen naar het Strafhof. Tevens zal het Koninkrijk tijdens het lidmaatschap van de Raad blijven pleiten voor universeel lidmaatschap van het Strafhof en diverse Raadsleden hierop aanspreken.
Bent u bereid deze vragen voorafgaand aan de aankomende Vergadering van Statenpartijen te beantwoorden?
Ja.
Deelname aan onderhandelingen over een internationaal verbod op kernwapens |
|
Harry van Bommel (SP), Marianne Thieme (PvdD), Selçuk Öztürk (GrKÖ), Michiel Servaes (PvdA), Rik Grashoff (GL), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de motie van het lid Servaes c.s. over «doeltreffende maatregelen, waaronder de start van onderhandelingen over een internationaal verbod op nucleaire wapens»1 en de motie van het lid Sjoerdsma c.s. over inhoudelijk deelnemen aan internationale besprekingen over een dergelijk verdrag?2
De schriftelijke vragen van de leden Sjoerdsma (D66), Servaes (PvdA), Van Bommel (SP), Voordewind (ChristenUnie), Grashoff (GroenLinks), Thieme (PvdD) en Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk), vraagnummer 2016Z19120, zijn beantwoord middels de brief «Onderhandelingen over een internationaal verbod op kernwapens» (Kamerstuk 33 783, nr. 23).
Begrijpt u dat een meerderheid van de Tweede Kamer, gezien de aangenomen moties, een vóórstem had verwacht bij de stemmingen over het rapport van de Open Ended Working Group (OEWG) over nucleaire ontwapening waarin onder meer de aanbeveling is opgenomen om in 2017 te starten met onderhandelen over een nieuw juridisch instrument om kernwapens te verbieden en te elimineren?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u specifiek toelichten waarom Nederland niet in kon stemmen met paragraaf 67 van het OEWG-rapport waarin deze aanbeveling is opgenomen? Kunt u aangeven waarom deze paragraaf «afbreuk deed aan jaren werk» en «zowel het gehele NPV-acquis als het Nederlands beleid van de laatste 25 jaar» ondermijnde, zoals u stelt in het recente Schriftelijk Overleg over de Algemene Vergadering van de Verenigde Natioes (AVVN)?3
Zie antwoord vraag 1.
Is het niet juist zo dat in het eindrapport bewust ruimte is gelaten voor verschillen van inzicht tussen de deelnemende landen aan de OEWG over de waarde van andere maatregelen voor non-proliferatie en nucleaire ontwapening?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u meer inzicht geven in het verloop van de discussie over dit thema binnen de NAVO? Op welke wijze heeft Nederland getracht om bruggen te bouwen tussen NAVO-landen en overige deelnemers aan de OEWG?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u er zich van bewust dat er op dit moment in de AVVN een resolutie voorligt van Oostenrijk, Ierland, Mexico, Brazilië, Zuid-Afrika en Nigeria om in 2017 in VN-verband te gaan onderhandelen over een internationaal verbod op kernwapens? Bent u bereid deze resolutie mede te ondertekenen? Zo nee, waarom niet, en hoe verhoudt zich dit dan tot de aangenomen motie Servaes c.s?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om bij de stemmingsronde over de ingediende resoluties bij de AVVN vóór de resolutie van Oostenrijk, Ierland, Mexico, Brazilië, Zuid Afrika en Nigeria, om in 2017 in VN-verband te gaan onderhandelen over een internationaal verbod op kernwapens, te stemmen? Zo nee, waarom niet, en hoe verhoudt zich dit dan tot de aangenomen motie Servaes c.s?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de inschatting dat de resolutie zeer waarschijnlijk aangenomen zal worden door een meerderheid van landen binnen de AVVN?
Zie antwoord vraag 1.
Indien dit inderdaad het geval is en er daadwerkelijk een conferentie in 2017 zal plaatsvinden over een verdrag voor een verbod op nucleaire wapens, bent u dan nog altijd voornemens om conform de motie Sjoerdsma c.s. deel te nemen aan deze internationale bijeenkomst?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 21 oktober te beantwoorden, dus nog voordat de daadwerkelijke stemming plaatsvindt over de resolutie waarin wordt voorgesteld om in 2017 te gaan onderhandelen over een internationaal verbod op kernwapens?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht over Johan van Laarhoven en zijn vrouw Tukta |
|
Vera Bergkamp (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Onzekere Tijd voor Thailand»?1
Ja.
Waarop baseert u de stelling dat het niet in het voordeel van Van Laarhoven is om nu over zijn situatie te beginnen?
Het moment betrof 14 oktober jl., de dag nadat de Thaise Koning Bhumibol Adulyadej overleed en Thailand de eerste dag van een lange periode van rouw was ingegaan.
Van welke omstandigheden moet er sprake zijn voordat u het in het voordeel van Van Laarhoven acht om over zijn situatie te beginnen?
Ik ben goed bekend met de medische situatie en de detentieomstandigheden van de heer Van Laarhoven. Zoals in de antwoorden op eerdere Kamervragen over de situatie van de heer Van Laarhoven in september van dit jaar is aangegeven, onderhoudt de Nederlandse ambassade in Bangkok over zaken betreffende de detentieomstandigheden en gezondheid van de heer Van Laarhoven, mede op aangeven van de heer Van Laarhoven zelf, regelmatig contact met de penitentiaire instelling waar hij verblijft.
Omdat Thailand een land is waar de detentie-omstandigheden in het algemeen tekort schieten, komt de heer Van Laarhoven, net als alle andere Nederlandse gedetineerden in Thailand die hebben aangegeven consulaire bijstand te wensen, in aanmerking voor het «aanvullend maatwerkpakket» in het kader van het met de Tweede Kamer in 2014 afgesproken beleid voor Nederlandse gedetineerden in het buitenland 2). Zo krijgt ook de heer Van Laarhoven bezoeken van ambassademedewerkers, een maandelijkse gift, indien noodzakelijk medicijnen alsook extra zorg en socialisatie via Reclassering Nederland. De frequentie van de bezoeken door de ambassade in het kader van consulaire bijstand is afhankelijk van de situatie van de gedetineerde en de omstandigheden in de gevangenis. De ambassade in Bangkok heeft regelmatig en frequent contact gehad met de heer Van Laarhoven sinds zijn arrestatie, zowel tijdens bezoeken als per brief. In 2016 is de heer Van Laarhoven vijf keer door een medewerker van de ambassade bezocht, waavan één keer met een aan de ambassade verbonden arts. Verder werd de heer Van Laarhoven twee keer bezocht door een vrijwilliger van Reclassering Nederland alsook door een medewerker van Epafras.
De Nederlandse ambassade in Thailand onderhoudt proactief contact met de penitentiaire inrichting waar de heer Van Laarhoven verblijft. Na afloop van bezoeken aan hem door ambassademedewerkers wordt gesproken met de gevangenisleiding over het welzijn van de heer Van Laarhoven. Eventuele zorgen of misstanden worden in deze gesprekken aan de orde gesteld. De verantwoordelijkheid voor de detentieomstandigheden van heer Van Laarhoven ligt immers bij de lokale autoriteiten. In die gesprekken is onder andere de medische toestand van de heer Van Laarhoven onder de aandacht gebracht.
De situatie van de heer Van Laarhoven wordt ook proactief opgebracht bij elk contact met de relevante Thaise autoriteiten. Zo is in oktober jl. en marge van mijn bezoek op directeursniveau contact geweest met het Thaise Ministerie van Buitenlandse Zaken met de boodschap dat Nederland het van belang acht dat de Thaise autoriteiten de zaak van de heer Van Laarhoven goed in de gaten houden, in het bijzonder is aangedrongen op goede omstandigheden in de gevangenis en een spoedige rechtsgang. Ook is in oktober jl. de zaak van de heer Van Laarhoven op directeursniveau opgebracht tijdens het Global Consular Forum in Seoul, met dezelfde boodschap en bijzondere aandacht voor de benodigde medische zorg.
De heer Van Laarhoven heeft hoger beroep ingesteld tegen zijn veroordeling. In contacten met de Thaise overheid dringt het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan op een spoedige rechtsgang.
In het antwoord van 7 april 2016 (nr. 2218) op vragen van uw Kamer gaf ik aan dat Nederland geen consulaire bijstand kan verlenen aan de partner van de heer Van Laarhoven, omdat die niet de Nederlandse maar de Thaise nationaliteit heeft. Het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen maakt alleen de toegang tot gedetineerden met de nationaliteit van de zendstaat mogelijk.
Zolang de rechtsgang in Thailand nog niet geheel is doorlopen, kan nog geen sprake zijn van eventuele overbrenging naar Nederland. Mocht deze situatie zich voordoen, dan zal ik hiervoor vanzelfsprekend aandacht vragen.
Wat bent u te weten gekomen over de situatie van Johan van Laarhoven en zijn vrouw in uw gesprekken met ambassademedewerkers?
Zie antwoord vraag 3.
Hebben de ambassademedewerkers advies gegeven over hoe en wanneer u de Thaise autoriteiten aan kan spreken over de situatie van Van Laarhoven en zijn vrouw? Zo nee, waarom niet en waarom heeft u hier niet om gevraagd? Zo ja, hoe luidde dit advies?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u nog van andere instanties of medewerkers advies gekregen over hoe en wanneer u het beste in gesprek kan treden met de Thaise autoriteiten over Johan van Laarhoven en zijn vrouw? Zo ja, hoe luidde dit advies? Zo nee, waarom niet en waarom heeft u hier niet om gevraagd?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u Johan van Laarhoven en zijn vrouw Tukta bezocht? Zo ja, waarover heeft u gesproken tijdens dit bezoek? Zo nee, waarom heeft u hen niet bezocht?
Zie antwoord vraag 3.
Wat bedoelt u met uw uitspraak dat het van belang is dat het hoger beroep van Van Laarhoven niet te lang duurt? Wanneer duurt het hoger beroep volgens u te lang?
Zie antwoord vraag 3.
Spant u zich op enigerlei wijze in om de omstandigheden waarin Johan van Laarhoven en zijn vrouw Tukta zich bevinden te verbeteren? Zo ja, op wat voor wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u zich in verleden ingespannen om de omstandigheden waarin Johan van Laarhoven en zijn vrouw Tukta zich bevinden te verbeteren? Zo ja, op wat voor wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Spant u zich op enigerlei wijze in om Johan van Laarhoven en zijn vrouw Tukta naar Nederland te krijgen? Zo ja, op wat voor wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u ooit met uw Thaise ambtscollega’s gesproken over Van Laarhoven en zijn vrouw? Zo ja, waarover heeft u gesproken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wilt u in de toekomst in gesprek gaan met uw Thaise ambtscollega’s om zo Van Laarhoven en zijn vrouw naar Nederland te halen? Zo ja, hoe wilt u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het gebruik van chemische wapens in Darfur |
|
Jasper van Dijk (SP), Joël Voordewind (CU), Han ten Broeke (VVD), Michiel Servaes (PvdA), Kees van der Staaij (SGP), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Rik Grashoff (GL), Raymond Knops (CDA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het vandaag gepresenteerde schokkende rapport «Scorched earth, poisoned air» van Amnesty International, waarin wordt geconcludeerd dat sinds januari 2016 ten minste 30 aanvallen met mogelijke chemische wapens hebben plaatsgevonden in Darfur (Soedan) door voornamelijk de Soedanese luchtmacht, waarvan de laatste op 9 september jongstleden?
Ja.
Wat is uw reactie op de verschrikkelijke bevindingen in dit rapport, waarin wordt gesproken over een schatting van tussen de 200 en 250 doden door chemische wapens, onder wie veel kinderen, maar ook over andere schendingen van mensenrechten zoals verkrachtingen, het vernielen van dorpen en het bewust aanvallen van burgers?
De schendingen van de mensenrechten die genoemd worden in het rapport zijn afschuwelijk. Veel van de genoemde schendingen zijn al eerder gerapporteerd. Ook andere mensenrechtenorganisaties hebben bijvoorbeeld gewezen op het bombarderen van burgers en civiele doelen, verkrachting en ontvoering van vrouwen, vernietiging van hele dorpen en gedwongen ontheemding. Nieuw en bijzonder ernstig zijn de in het rapport beschreven aanvallen met chemische wapens. Deze bevindingen moeten onmiddellijk nader worden onderzocht door de daartoe geëigende internationale instanties. Als het gebruik van chemische wapens, zoals gedefinieerd in het Chemische Wapensverdrag, wordt bevestigd dan is dit volstrekt onaanvaardbaar.
Kunt u bevestigen dat de gezamenlijke vredesmissie van de VN en de Afrikaanse Unie in Darfur, UNAMID, geen toegang heeft gekregen van de Soedanese autoriteiten tot het getroffen gebied Jebel Marra en dat ditzelfde geldt voor hulporganisaties? Zo ja, op welke manier wordt geprobeerd om in VN-verband af te dwingen dat deze toegang zo snel mogelijk wel wordt verleend en ook in de toekomst blijvend zal worden verleend?
De vredesmissie UNAMID en hulporganisaties hebben geen toegang tot grote delen van het Jebel Marra gebied. Onbelemmerde toegang tot Jebel Marra en andere conflictgebieden in Sudan staat voortdurend op de agenda in gesprekken tussen de VN en de Sudanese overheid. Ook Nederland benadrukt, bilateraal en in EU-verband, in alle contacten met de Sudanese overheid het belang van toegang tot dit gebied en zal hier aandacht voor blijven vragen.
Bent u bereid om volgens Artikel IX van de Chemische Wapens Conventie, die is geratificeerd door zowel Nederland als Soedan, de Uitvoerende Raad van de Conventie zo snel mogelijk te verzoeken om Soedan om opheldering te vragen over de in het rapport genoemde zaken? Bent u vervolgens ook bereid om, volgens lid 8 van Artikel IX, een inspectie ter plaatse te laten uitvoeren indien Soedan niet met adequate opheldering komt? Zo nee, waarom niet?
Direct na publicatie van het rapport heeft Nederland aangedrongen op nader onderzoek door de OPCW. De OPCW heeft het rapport van Amnesty International inmiddels bestudeerd en aangegeven dat het, zonder nadere informatie en bewijs, op basis van de inhoud van het rapport nog geen definitieve conclusie kan trekken. De Directeur-Generaal OPCW zal de kwestie blijven onderzoeken en heeft Sudan met spoed om nadere informatie verzocht. Het kabinet volgt de ontwikkelingen nauwgezet en onderhoudt contacten met de OPCW en gelijkgezinde landen. Tijdens de Uitvoerende Raad van de OPCW heeft de Nederlandse delegatie de kwestie aan de orde gesteld. Nederland heeft de OPCW verzocht om proactief optreden en de Staten Partijen actief over de bevindingen te informeren.
Op welke manier bent u bereid om in samenwerking met internationale partners in EU- en VN-verband alles op alles te zetten om, indien blijkt dat Soedan daadwerkelijk chemische wapens heeft ingezet, te zorgen dat dit niet onbestraft blijft?
Indien wordt bevestigd dat Sudan chemische wapens heeft ingezet is dat een onaanvaardbare schending van het internationaal humanitair recht en van Sudan’s verplichtingen als partij bij het Chemische Wapensverdrag. Nederland zal er in dat geval, uiteraard in nauwe samenwerking met EU-partners en andere gelijkgezinde landen, alles aan doen om de entiteiten en/of personen die hiervoor verantwoordelijk zijn geweest te identificeren en verantwoording voor hun daden te laten afleggen. Het ligt in de rede dat in dat geval deze kwestie ook aan de orde wordt gesteld in de VN-Veiligheidsraad.
Radardata m.b.t de MH17 |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat er in Rusland ruwe primaire radardata gevonden zouden zijn van 17 juli 2014 van het gebied waar de MH17 werd neergehaald?1
Ja.
Hebben de Russische autoriteiten op enig moment contact opgenomen met de Nederlandse autoriteiten en hen medegedeeld dat deze data beschikbaar zijn? Kunt u aangeven waar, wanneer en onder welke voorwaarden Rusland deze data heeft aangeboden?
De viceminister van het Russisch Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft op 3 oktober in het gesprek met de Nederlandse ambassadeur toegezegd dat de informatie met het JIT zal worden gedeeld.
Hebben de Russische autoriteiten enige uitleg gegeven waar de radar stond die deze beelden heeft opgenomen en waarom die data meer dan 2 jaar lang niet beschikbaar zijn gesteld?
Nee.
Op welke wijze zal worden vastgesteld of deze data authentiek zijn of niet?
De data zijn nog niet aan het Openbaar Ministerie overgedragen. Zodra de Russische Federatie de data heeft overgedragen zal deze informatie, evenals andere informatie in het strafrechtelijk onderzoek, door het JIT worden bestudeerd en beoordeeld.
Wanneer en hoe heeft de Nederlands regering bij de Russische regering geïnformeerd of de Russische overheid bereid en in staat is om primaire radardata van de MH17 beschikbaar te stellen aan de onderzoekers? Wat was de reactie elk van deze keren?
Het kabinet heeft bij Rusland meerdere malen aangedrongen volledige medewerking te verlenen aan het strafrechtelijk onderzoek, in lijn met VN Veiligheidsraad resolutie 2166 (2014). Minister-President Rutte heeft dit bijvoorbeeld in zijn gesprek met Minister-President Medvedev, en marge van de ASEM-top in juli dit jaar, uitgebreid aan de orde gesteld. Deze boodschap wordt tevens consequent aan Rusland en andere landen overgebracht in gesprekken op hoog ambtelijk niveau en in diplomatieke contacten. Zo ook recent bij de ontbieding van de Russische ambassadeur door de Minister van Buitenlandse Zaken en het daarop volgende gesprek in Moskou van de Nederlandse ambassadeur met de viceminister van het Russische Ministerie van Buitenlandse Zaken. De Russische Federatie heeft gezegd bereid te zijn volledig mee te werken en gesteld dat het de meest recente radardata met het JIT zal delen.
De bewijsgaring en daarop gerichte (rechtshulp) verzoeken zijn naar hun aard vertrouwelijk. Openbaring daarvan zou inzicht geven in de loop van het onderzoek en lopende besprekingen met aangezochte staten onder druk kunnen zetten. Om die reden kunnen wij uw Kamer niet in detail melden welke informatie van welke partij is gevraagd of gekregen.
Hoe beoordeelt de Nederlandse regering de samenwerking met Rusland bij het beschikbaar stellen van de radardata MH17?
Het Nederlandse Openbaar Ministerie heeft in oktober 2014 het eerste rechtshulpverzoek gedaan in deze zaak en nadien verschillende malen nadere vragen gesteld. De Russische autoriteiten hebben eerder informatie verstrekt, maar nog niet alle vragen beantwoord.
Over de openstaande vragen is recent overlegd, zoals aan uw Kamer gemeld bij de beantwoording van Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 3308). De Russische autoriteiten hebben hun wens om mee te werken herhaald en zeggen zich bewust te zijn van de noodzaak dat de nu nog openstaande verzoeken voortvarend moeten worden beantwoord.
De radardata die door de Russische Federatie op de persconferentie van het Russische Ministerie van Defensie van maandag 26 september 2016 zijn gepresenteerd, zijn nog niet overgedragen aan het Openbaar Ministerie, maar zijn wel toegezegd door het Russische Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Herinnert u zich dat u op 20 september samen met de andere JIT-landen een bericht naar buiten gebracht heeft over de samenwerking in het JIT (Joint Investigation Team)?2
Ja. De ministers van Buitenlandse Zaken van Australië, België, Maleisië, Oekraïne en Nederland zijn op 20 september jongstleden in New York bijeengekomen. De ministers spraken opnieuw hun vastberadenheid uit gehoor te geven aan VN Veiligheidsraad resolutie 2166 en de verantwoordelijken voor het neerhalen van vlucht MH17 ter verantwoording te roepen. De ministers hebben in dit verband ook opnieuw hun krachtige steun geuit voor het internationaal en onafhankelijk onderzoek dat door het Joint Investigation Team wordt uitgevoerd.
Is er binnen het JIT al overeenstemming bereikt over de vervolgingsstrategie, die de regering aanvankelijk had toegezegd voor de herfst van 2014?
De JIT-landen zijn gecommitteerd aan het tot stand brengen van het meest effectieve vervolgingsmechanisme. De JIT-landen hebben het afgelopen jaar gewerkt aan twee verschillende opties: (1) een ad hoc internationaal tribunaal, opgericht door de JIT-landen en (2) nationale vervolging door één van de JIT-landen. In dit stadium is het verstandig beide opties nader uit te werken en de keus open te houden. Het kabinet rekent op steun en medewerking van de internationale gemeenschap bij welke vorm van vervolging dan ook.
Deelt u de mening dat er noodzaak is om die overeenstemming te hebben, wanneer concrete verdachten, die als verdachten opgespoord en verhoord moeten worden, in beeld komen?
Voor het kabinet blijft de hoogste prioriteit het strafrechtelijk onderzoek en de vervolging en berechting van de daders. Het strafrechtelijk onderzoek is nog gaande en het is van het grootste belang dat dit onderzoek zorgvuldig, onafhankelijk en grondig kan worden uitgevoerd. Er wordt naar gestreefd dat er duidelijkheid bestaat over een vervolgings- en berechtingsmechanisme voordat het strafrechtelijk onderzoek is afgerond.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De uitlevering van verdachten aan Rwanda |
|
Joël Voordewind (CU), Sharon Gesthuizen (SP), Jeroen Recourt (PvdA), Linda Voortman (GL), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het waar dat Nederland medewerking verleent aan de uitlevering van twee verdachten van (indirecte) betrokkenheid bij de genocide aan Rwanda nu er geen juridisch beroep tegen de uitlevering meer openstaat?1
Ja.
Wat is uw reactie op de deskundige adviezen van mr. M.R. Witteveen, die als expert door het Ministerie van Buitenlandse Zaken uitgezonden is geweest als adviseur voor de Rwandese autoriteiten en die onlangs heeft opgetreden als expert getuige te Londen in een vergelijkbare uitleveringszaak, die stelt dat Rwandese verdachten in Rwanda geen kans hebben op een eerlijk proces omdat er geen sprake is van adequate verdediging die voldoet aan de meest elementaire internationale standaarden?2
De verzoeken tot uitlevering zijn getoetst door de rechtbank en Hoge Raad alvorens is besloten de uitlevering toe te staan. In het kort geding dat daarop volgde zijn de rapporten van de heer mr. M.R. Witteveen uitvoerig aan de orde gekomen, zowel bij de voorzieningenrechter als in hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag. De voorzieningenrechter in eerste aanleg concludeerde mede op basis van het advies van dhr. Witteveen dat uitlevering naar Rwanda een schending van artikel 6 EVRM zou opleveren, wegens – kort gezegd – gebrek aan capabele rechtsbijstand. Tegen deze uitspraak heeft de Staat hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof oordeelde in hoger beroep dat van schending van het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) geen sprake is. Het gerechtshof heeft de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd, waardoor de beslissing om de opgeëiste personen uit te leveren doorgang kan vinden. De uitspraak van het gerechtshof is inmiddels onherroepelijk.
Het gerechtshof is, in tegenstelling tot de heer Witteveen, van oordeel dat er geen goede grond is voor de vrees dat de opgeëiste personen in Rwanda geen gebruik zullen kunnen maken van adequate rechtsbijstand door een advocaat. Het hof is in zijn uitspraak uitvoerig ingegaan op de verschillende zaken die de heer Witteveen onder de aandacht heeft gebracht. Zo heeft het hof de verschillende observaties die de heer Witteveen in Rwanda tijdens de zittingen, die hebben plaatsgevonden onder de Transfer Law, heeft gedaan, gewogen. De conclusie van het hof was dat uit deze observaties, die het hof op zichzelf voor juist aannam, niet valt af te leiden dat bij uitlevering van de opgeëiste personen aan Rwanda een reëel risico bestaat op een flagrante schending van 6 EVRM. Hierbij neemt het hof onder meer in ogenschouw dat de conclusies van de heer Witteveen op belangrijke punten worden weersproken door een rapport van de heer Arguin, voormalig aanklager bij het VN tribunaal voor Rwanda en bij de rechtsopvolger van het tribunaal, het MICT3. Bovendien overwoog het hof dat het advies van de heer Witteveen evenmin voor de rechters van het MICT aanleiding was om de zaak Uwinkindi, eveneens verdacht van betrokkenheid bij de genocide, over te nemen van Rwanda. Het MICT concludeerde namelijk in oktober 2015 dat de procesgang in Rwanda ten aanzien van Uwinkindi voldeed aan de eisen die gesteld worden aan een eerlijk proces. Daarnaast overweegt het hof dat er geen aanwijzingen zijn dat de opgeëiste personen in Rwanda moeten vrezen voor hun leven of een onmenselijke behandeling. Ook acht het hof onvoldoende aannemelijk dat de opgeëiste personen door de Rwandese autoriteiten als politiek tegenstander van het huidige regime worden beschouwd en daarom een politiek proces zullen krijgen. Voor de uitspraak van het gerechtshof verwijs ik u naar http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:1924 en http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:1925.
De opgeëiste personen zullen in Rwanda worden berecht volgens een speciale procedure, die meer waarborgen kent dan de normale strafzaken in Rwanda. Bovendien zal het strafproces in Rwanda na de daadwerkelijke uitlevering worden gemonitord.
Nederland staat niet alleen in het uitleveren van genocideverdachten naar Rwanda. Het VN tribunaal voor Rwanda en diens opvolger (het MICT) hebben sinds 2009 verschillende verdachten overgedragen aan Rwanda ten behoeve van berechting aldaar. De processen die het VN tribunaal voor Rwanda heeft overgedragen, worden gemonitord en beoordeeld door de rechters van het VN tribunaal voor Rwanda respectievelijk het MICT. Tot op heden is geen schending van het recht op een eerlijk proces geconstateerd. Ook het EHRM heeft in 2011 geoordeeld dat de beslissing van Zweden om uitlevering van een genocideverdachte naar Rwanda toe te staan niet in strijd was met het EVRM. Denemarken en Noorwegen hebben reeds verdachten van genocide uitgeleverd aan Rwanda. Canada en de Verenigde Staten hebben door Rwanda gezochte personen uitgezet naar Rwanda.
Hoe verhoudt de voorgenomen uitlevering zich tot de constatering in het ambtsbericht dat verschillende bronnen suggereren dat de rechtspraak slechts «in theorie onafhankelijk» is terwijl er sprake is van «politieke invloed op processen waarbij militairen, leden van de politieke oppositie of vermogende zakenlieden zijn betrokken»?3
In elke uitleveringsprocedure wordt getoetst of het betrokken individu een reëel risico loopt op schending van (onder meer) het recht op een eerlijk proces, waaronder het risico op een politiek proces. In onderhavige zaak heeft het gerechtshof geconcludeerd dat uitlevering uitsluitend is toegestaan voor de berechting van genocide, niet van enig politiek delict. Het gerechtshof is er niet van overtuigd dat de opgeëiste personen door Rwanda worden gezien als politiek tegenstander van het regime. Het gerechtshof heeft derhalve geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat de opgeëiste personen risico lopen op een politiek proces.
Bent u op basis van het voorgaande ook van mening dat het in ieders belang is en daarom verre de voorkeur verdient als van genocide verdachte personen in Nederland worden berecht, waar de onafhankelijke waarheidsvinding is gegarandeerd en de kennis en ervaring voorhanden is en dat dat belang veel zwaarder weegt dan dat de feiten worden berecht daar waar ze gepleegd zijn?
Nu het gerechtshof heeft geoordeeld dat uitlevering naar Rwanda plaats kan vinden, verdient het de voorkeur dat de opgeëiste personen in Rwanda worden berecht. Uitgangspunt bij ernstige misdrijven blijft dat de vervolging en berechting zoveel mogelijk plaatsvindt in het land waar zij zijn gepleegd. Daar is de rechtsorde het meest geschokt, het bewijs bevindt zich daar, men kent de taal en cultuur en slachtoffers, nabestaanden, getuigen en landgenoten kunnen met eigen ogen zien dat en hoe er recht wordt gedaan. Artikel VI en VII van het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide geven duidelijk het belang weer van de berechting in het land waar de feiten zijn gepleegd en de daarmee samenhangende uitlevering (zie ook Kamerstuk 33 750 VI, nr. 108). Bovendien is er zeer veel kennis en ervaring op dit gebied voorhanden in Rwanda, nu tal van verdachten van genocide eerder in dat land vervolgd zijn.
Bent u bereid om uitleveringen aan Rwanda op te schorten zolang er in Rwanda geen sprake is van een eerlijke rechtsgang en/of tot de uitleveringsrechter in Londen een definitief oordeel heeft gegeven? Bent u bereid verder onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de rechtspleging in Rwanda in genocidezaken, omdat er op zijn minst gerede twijfel is over de eerlijkheid daarvan?
De uitlevering naar Rwanda is door verschillende gerechtelijke instanties getoetst. De conclusie is dat het niet aannemelijk is dat de opgeëiste personen risico lopen op inbreuken op het recht op een eerlijk proces die in de weg zouden staan aan uitlevering. Bovendien wordt het proces in Rwanda gemonitord op dit punt door een onafhankelijke NGO die dit ook doet voor de overgedragen strafzaken door het VN tribunaal voor Rwanda. Ik ben dan ook niet bereid de uitlevering op te schorten.
Het landarrest van een Nederlander in India |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat de heer De Bruijn, een Nederlands staatsburger, landarrest heeft in India sinds september 2014?
Ja, het Ministerie van Buitenlandse Zaken verleent hem sinds zijn arrestatie in september 2014 consulaire bijstand.
Welke ondersteuning heeft u tot dusver geboden aan deze Nederlander?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de heer De Bruijn wordt gechanteerd door de Indiase politie? Zo nee, waarom niet?
Het tijdsverloop in de zaak van de heer De Bruijn is voor Indiase begrippen niet uitzonderlijk. Nagenoeg alle rechtszaken in India verlopen traag. Deze traagheid betreft niet alleen de rechtszaken van buitenlanders, maar ook die van de eigen onderdanen. In de zaak van de heer De Bruijn zijn zittingen meerdere malen uitgesteld. Ik heb geen concrete aanwijzingen dat de heer De Bruijn door de Indiase politie zou worden gechanteerd.
Het landarrest van de heer De Bruijn en de trage voortgang van zijn rechtsgang zijn redenen voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken om het verloop van de rechtsgang van de heer De Bruijn op de voet te volgen. Nederland mag zich evenwel niet inhoudelijk mengen in de Indiase rechtsgang. Doel van het volgen van de rechtsgang is dan ook om vast te kunnen stellen of betrokkene in India een proces krijgt dat volgens de daar vigerende regels correct verloopt. Naast het zelf volgen van de rechtsgang heeft het ministerie onlangs een lokale vertrouwensadvocaat opdracht gegeven te onderzoeken hoe de rechtsgang van de heer De Bruijn is verlopen. Daarbij zal onder meer worden gekeken of er sprake is overschrijding van wettelijke termijnen. Dit onderzoek is gaande.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze Nederlander al bijna twee jaar landarrest heeft in India op basis van een aanklacht, waarbij nauwelijks zicht is op enige voortgang in het rechtsproces als gevolg van deze aanklacht?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de rechtszittingen inmiddels minstens zes maal verzet dan wel uitgesteld zijn? Klopt het dat de redelijke termijn hiermee is overschreden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe vaak hebt u bij de Indiase autoriteiten aangedrongen op bespoediging van het rechtsproces? Welk resultaat heeft dit opgeleverd?
Net als in Nederland is de rechterlijke macht in India onafhankelijk. Vanwege deze onafhankelijkheid is het in de eerste plaats aan de heer de Bruijn en zijn advocaat om gepaste actie te ondernemen als de Indiase rechtsgang niet correct verloopt of is verlopen, bijvoorbeeld omdat er wettelijke termijnen zouden zijn overschreden. Gezien de zorg over de trage rechtsgang heeft het ministerie wel besloten om de rechtsgang van de heer De Bruijn op de voet te volgen en een lokale onafhankelijke vertrouwensadvocaat opdracht te geven de rechtsgang te onderzoeken (zie het antwoord op de vragen 3, 4 en 5). De advocaat van de heer De Bruijn kan de bevindingen uit het onderzoek, mits die daartoe aanleiding geven, gebruiken voor zijn verweer.
Consulaire en diplomatieke vertegenwoordigers van het ministerie kaarten regelmatig de situatie van de heer De Bruijn bij vertegenwoordigers van de Indiase autoriteiten aan. Dit gebeurt op lokaal en nationaal niveau, mondeling en schriftelijk. Daarbij wordt de zorg over de trage rechtsgang geuit, wordt toegelicht dat de situatie een zware impact heeft op betrokkene en wordt aangedrongen op een spoedig verloop van de rechtsgang. Het ministerie zal de bevindingen van de vertrouwensadvocaat, mits die daartoe aanleiding geven, inzetten bij de dialoog met de Indiase autoriteiten over de voortgang in de rechtsgang.
Op politiek niveau kan aandacht worden gevraagd voor een lopende rechtszaak maar politieke bemoeienis zou inbreuk maken op de scheiding der machten en kan voor betrokkene zelfs contraproductief werken. Uiteraard is het wel van belang dat een rechtssysteem naar een minimaal behoren en volgens de eigen regels functioneert. Om die reden zal ik op basis van de bevindingen van de vertrouwensadvocaat beoordelen of er aanleiding is, naast de acties die tot nu toe zijn ondernomen, tot het op andere wijze aan de orde stellen bij de Indiase autoriteiten van aspecten betreffende de rechtsgang van de heer De Bruijn. Wanneer hiertoe aanleiding is in het belang van betrokkene zal ik eventuele andere interventies niet schuwen.
Op de meest recente zitting van 5 oktober 2016 verschenen alle drie getuigen die door de rechtbank waren opgeroepen. Eén van de getuigen liet weten ondanks zijn drukke werkzaamheden te zijn verschenen omdat hij naast door de rechter ook door het Nederlandse consulaat-generaal in Mumbai daartoe was opgeroepen. Een vertegenwoordiger van het Nederlandse consulaat-generaal in Mumbai zal aanwezig zijn bij de eerstvolgende zitting.
Klopt het dat de Nederlandse ambassadeur in India en de Nederlandse consul-generaal in Mumbai ondanks herhaalde verzoeken tot een gesprek over de zaak van de heer De Bruijn genegeerd worden door betrokken Indiase ministers en de plaatselijke politiecommissaris? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid deze zaak te bespreken met uw Indiase ambtsgenoot en te pleiten voor zeer spoedige voortgang van het rechtsproces? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Welke mogelijkheden zijn er voor deze Nederlander om zijn paspoort terug kan krijgen, alvorens het rechtsproces volledig is afgerond?
Met de Indiase autoriteiten is gesproken over de teruggave van het reisdocument. Daar bestaan gedurende de rechtsgang evenwel geen mogelijkheid voor.
De brand het vreemdelingendetentiecentrum Rotterdam |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Linda Voortman (GL), Attje Kuiken (PvdA), Joël Voordewind (CU), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Brand in het detentiecentrum Rotterdam» van Amnesty International, Stichting LOS en Dokters van de Wereld?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie dat het optreden tegen de brand van 25 mei jl. en de nazorg voor de vreemdelingen in detentie ernstig tekort is geschoten?
De Inspectie Veiligheid en Justitie (hierna: Inspectie VenJ) zal onderzoek verrichten naar de gang van zaken rond de brand. De Inspectie VenJ streeft er naar om het onderzoek eind november 2016 te hebben afgerond. Ik wil op de uitkomsten van dit onderzoek niet vooruitlopen en zal uw Kamer hierover informeren zodra het onderzoek is afgerond.
Hoe kon het gebeuren dat tijdens de brand de deuren niet centraal werden ontgrendeld? Bent u van mening dat de vreemdelingen hierdoor onnodig risico hebben gelopen? Hoe heeft het kunnen gebeuren dat de vreemdelingen naar buiten zijn gebracht zonder adequate kleding, dekens of andere verzorging bij een buitentemperatuur van 8 graden?
De Inspectie VenJ zal onderzoek doen naar de precieze toedracht van dit incident. Op het punt van de centrale deurontgrendeling is in de kabinetsreactie op het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over de Schipholbrand3 aan uw Kamer gemeld dat het kabinet een centrale deurontgrendeling binnen justitiële inrichtingen heeft overwogen, maar besloten heeft ervan af te zien. In mijn beleidsreactie op voornoemd rapport van de Inspectie VenJ zal ik nader ingaan op de overige onderdelen van deze vraag.
Is het waar dat de vreemdelingen na de brand geen nazorg hebben ontvangen? Wat is tevens de reden dat vijf vreemdelingen in isolatie zijn geplaatst? Is het waar dat deze vreemdelingen daarvoor zijn gevisiteerd onder meer in het bijzijn van vrouwelijke bewakers? Hoe verhoudt dit zich tot de motie waardoor het visitatiebeleid tot het verleden behoort?2
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre wijkt het gevoerde beleid ten tijde van de brand af van de aanbevelingen van het rapport «Brand cellencomplex Schiphol-Oost» van de Onderzoeksraad voor Veiligheid?3 Waarom heeft de Inspectie Veiligheid en Justitie destijds geen onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen rondom en na de brand? Bent u bereid alsnog een onderzoek te laten doen naar de gebeurtenissen rondom en na de brand? Bent u bereid om na een brand van een dergelijke omvang standaard een onderzoek te laten plaatsvinden naar het gevoerde beleid rondom en na de brand? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven reeds gemeld zal de Inspectie VenJ onderzoek doen naar de gang van zaken rondom de brand. De Inspectie VenJ heeft naar aanleiding van berichten in de media over de brand eerder informatie van de Dienst Justitiële Inrichtingen opgevraagd, gekregen en beoordeeld. De Inspectie VenJ zag, na een interne multidisciplinaire afweging, geen aanleiding om een onderzoek in te stellen naar het incident. Nu het rapport van Amnesty van een ander feitencomplex lijkt uit te gaan dan de feiten die de Inspectie eerder heeft beoordeeld, heeft de Inspectie besloten alsnog nader onderzoek in te stellen. Vooralsnog zie ik geen aanleiding om standaard onderzoek te laten doen na een celbrand.
Geheime beïnvloedingsoperaties door Rusland |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «U.S. investigating potential covert Russian plan to disrupt November elections»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over het bericht dat Rusland de Nederlandse politiek financieel beïnvloedt?2 Herinnert u zich daarbij ook het antwoord dat het u «niet bekend» is dat een onderzoek plaatsvindt, door de «Director of National Intelligence» van de VS, naar Russische beïnvloeding van Europese politieke partijen en dat u daarom geen reden ziet tot navraag doen?3 Volhardt u in dat antwoord of bent u nu, mede gezien het nieuwsbericht van The Washington Post, wel bereid om na te gaan of dit onderzoek plaatsvindt en is afgerond? Bent u tevens bereid om de Kamer, al dan niet vertrouwelijk, te informeren over de uitkomsten van dit onderzoek? Zo niet, kunt u daar een goede reden voor geven?
De Nederlandse ambassade in Washington heeft navraag gedaan bij de autoriteiten van de Verenigde Staten. De autoriteiten van de Verenigde Staten gaven aan geen publieke mededelingen te kunnen doen over lopende activiteiten of onderzoeken van de Amerikaanse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het kabinet heeft begrip voor dit Amerikaanse standpunt, aangezien ook in Nederland het kabinet geen publieke uitspraken kan doen over lopende activiteiten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Wat is u bekend over (geheime) activiteiten van Rusland teneinde de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten (VS) te beïnvloeden? Kunt u zo volledig mogelijk zijn in uw antwoord?
Het kabinet kan geen publieke uitspraken doen over (vermeende) activiteiten van Rusland teneinde de presidentsverkiezingen in de VS te beïnvloeden.
Zijn er signalen dat ook sprake is van Russische beïnvloedingsoperaties in Nederland met betrekking tot de politiek? Zo ja, waar gaat het dan om?
Het kabinet heeft geen kennis van concrete gegevens of feiten met betrekking tot actieve beïnvloeding dan wel financiële ondersteuning van politieke partijen in Nederland vanuit Rusland.
Sluit u uit dat politieke partijen in Nederland actief worden beïnvloed dan wel financieel worden ondersteund vanuit Rusland?
Het kabinet heeft geen kennis van concrete gegevens of feiten met betrekking tot actieve beïnvloeding dan wel financiële ondersteuning van politieke partijen in Nederland vanuit Rusland. Hoewel er geen concrete aanwijzingen zijn, kan het kabinet niet uitsluiten dat (financiële) beïnvloeding plaatsvindt.
Kunt u aangeven welke online activiteiten vanuit Rusland worden ondernomen om het politieke en maatschappelijke debat in Nederland te beïnvloeden?
Zoals vermeld in het AIVD jaarverslag 2015, zijn Russische inlichtingendiensten op permanente basis heimelijk aanwezig en actief in Nederland, net als in andere westerse landen. Deze diensten en hun medewerkers zijn buitengewoon professioneel en beschikken daarbij over een grote operationele slagkracht. Russische inlichtingenoperaties tegen het Westen vormen een wezenlijke bedreiging voor de veiligheid van Nederland en zijn EU-partners en NAVO-bondgenoten. In het afgelopen jaar is wederom vastgesteld dat Russische inlichtingendiensten in Nederland jagen op politieke, wetenschappelijke en technologische inlichtingen. De Russische Federatie is bovendien zeer bedreven in het opzetten van beïnvloedingsoperaties en het gebruik van propaganda. Hierbij worden ook digitale middelen ingezet. Over de specifieke aard en reikwijdte van Russische spionage- en beïnvloedingsactiviteiten in Nederland doet het kabinet geen uitspraken.
Kunt u toelichten of er signalen zijn dat vanuit Rusland pogingen zijn ondernomen om de maatschappelijke en politieke discussie in West-Europa over de vluchtelingencrisis te beïnvloeden? Zo ja, kunt u toelichten welke (geheime) activiteiten zijn ondernomen vanuit Rusland?
Over de specifieke aard en reikwijdte van Russische spionage- en beïnvloedingsactiviteiten in Nederland kan het kabinet in het openbaar geen uitspraken doen.
Hebt u kennisgenomen van het feit dat dat in het nieuwsbericht van The Washington Post wordt gemeld dat inlichtingendiensten van de VS politici in de VS hebben geïnformeerd over Russische beïnvloedingsoperaties in Europa? Bent u bereid na te gaan om welke beïnvloedingsoperaties het hier gaat en de Kamer daarover te informeren? Zo niet, kunt u daar een goede reden voor geven?
De Nederlandse ambassade in Washington heeft navraag gedaan bij de autoriteiten van de Verenigde Staten. De autoriteiten van de Verenigde Staten gaven aan geen publieke mededelingen te kunnen doen over lopende activiteiten of onderzoeken van de Amerikaanse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het kabinet heeft begrip voor dit Amerikaanse standpunt, aangezien ook in Nederland het kabinet geen publieke uitspraken kan doen over lopende activiteiten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Kunt u toelichten hoe, volgens u, de pogingen van Rusland om verkiezingen in het buitenland te beïnvloeden zich verhouden tot de opbouw van het Russische militair vermogen in het digitale domein en het toegenomen assertief Russisch buitenland- en veiligheidsbeleid, zoals gemeld in het jaarverslag van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) 2015?4
Over de specifieke aard en reikwijdte van Russische spionage- en beïnvloedingsactiviteiten in Nederland kan het kabinet in het openbaar geen uitspraken doen.
Acht u het normaal dat Rusland pogingen onderneemt, al dan niet clandestien, om standpunten in andere landen te beïnvloeden? Vindt u het eveneens normaal dat andere landen verkiezingen in Nederland proberen te beïnvloeden? Hoort dit bij het gangbare diplomatieke proces?
Het is gangbaar dat staten door middel van publieksdiplomatie en reguliere diplomatieke contacten proberen om beeldvorming en standpunten in andere landen te beïnvloeden. Dit dient echter niet over te gaan in clandestiene activiteiten danwel in het op oneigenlijke wijze beïnvloeden van een verkiezingsproces.
Hebt u kennisgenomen van het feit dat in het nieuwsbericht van The Washington Post wordt gemeld dat de autoriteiten in de VS een grootschalig onderzoek doen naar Russische beïnvloeding in de VS, onder leiding van de «Director of National Intelligence» van de VS? Bent u bereid bij de autoriteiten in de VS na te gaan of zij inderdaad onderzoek doen naar beïnvloeding van de presidentsverkiezingen in hun land door Rusland en de Kamer daarover te informeren? Ziet u mogelijkheid om aan te sluiten bij dit onderzoek? Zo niet, kunt u daar een goede reden voor geven?
De Nederlandse ambassade in Washington heeft navraag gedaan bij de autoriteiten van de Verenigde Staten. De autoriteiten van de Verenigde Staten gaven aan geen publieke mededelingen te kunnen doen over lopende activiteiten of onderzoeken van de Amerikaanse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het kabinet heeft begrip voor dit Amerikaanse standpunt, aangezien ook in Nederland het kabinet geen publieke uitspraken kan doen over lopende activiteiten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Bent u bereid alle vragen afzonderlijk te beantwoorden?
Ja.
Het uitoefenen van internationale druk op Noord-Korea |
|
Raymond Knops (CDA), Kees van der Staaij (SGP), Han ten Broeke (VVD), Harry van Bommel (SP), Louis Bontes (GrBvK), Michiel Servaes (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Noord-Korea vuurt drie raketten af tijdens G20-top China»?1
Ja.
Hoe duidt u de achtergronden van deze raketlanceringen, de achterliggende motieven en de doelen die de verantwoordelijken hopen te bereiken? Hoe verhouden deze acties zich tot de regelmatige nucleaire proeven in het land?
De raketlanceringen van 5 september jl. passen binnen een serie van lanceringen in de afgelopen twee jaar. Dit betreffen zowel raketlanceringen van operationele ballistische raketten als ballistische raketten die nog in ontwikkeling zijn. Tevens maakt Noord-Korea vorderingen om raketten te lanceren vanaf onderzeeboten. Nederland acht zowel de operationele als de nog in ontwikkeling zijnde ballistische raketten in principe in staat om een nucleaire lading over te kunnen brengen. Noord-Korea werkt intensief aan de ontwikkeling van een dergelijke nucleaire lading omwille van een inzetbare nucleaire capaciteit. Het maximale bereik van de operationele ballistische raketten wordt geschat op 1.300 km. Daarnaast ontwikkelt Noord-Korea ballistische raketten met een bereik groter dan 1.300 km., waarbij het maximale bereik wordt geschat in de intercontinentale klasse (groter dan 5.500 km.).
Hoe ziet u de invloed van de Noord-Koreaanse raketlanceringen en kernproeven op de huidige regionale (geo)politieke verhoudingen en stabiliteit tussen Noord-Korea enerzijds en China, Rusland, Japan, de Verenigde Staten en andere regionale machten anderzijds?
Het kabinet maakt zich grote zorgen over de gevolgen van raketlanceringen en kernproeven op de regionale stabiliteit en over de flagrante schending van VN-Veiligheidsraad-resoluties. Hiermee isoleert het regime in Pyongyang zich nog verder. Nederland heeft deze zorgen bij herhaling uitgesproken en de activiteiten van Noord-Korea veroordeeld, ook via de Europese Unie en het Non-proliferation and Disarmament Initiative (NPDI). Eveneens benadrukt Nederland in dit verband het belang van de inwerkingtreding van het kernstopverdrag (Comprehensive Nuclear Test Ban Treaty (CTBT)). Het kabinet deed dit bijvoorbeeld tijdens de Group of Friends bijeenkomst van het CTBT op 21 september jongstleden, waarbij het ook de Noord-Koreaanse kernproef veroordeelde. China, Rusland, Japan, de Verenigde Staten en Zuid-Korea hebben net als Nederland bij herhaling hun zorgen uitgesproken over eerdergenoemde activiteiten van Noord-Korea. De Chinese regering sprak van schendingen van internationale afspraken en riep op via diplomatieke kanalen een oplossing te zoeken. Japan, Zuid-Korea en de Verenigde Staten hebben zich in sterkere bewoordingen uitgedrukt en zouden graag een krachtige reactie van de internationale gemeenschap zien.
Welke mogelijkheden biedt volgens u het diplomatieke overleg tussen genoemde landen, onder meer in G20-verband, om de misstanden in Noord-Korea aan de kaak te stellen, niet alleen op het gebied van (nucleaire) veiligheid, maar ook wat betreft de grove en grootschalige mensenrechtenschendingen in Noord-Korea? Welke mogelijkheden zijn er voor de Nederlandse regering om positief betrokken te zijn bij dit diplomatieke proces, bijvoorbeeld via onderzoek, het benoemen van misstanden in internationale gremia, of het helpen faciliteren van internationaal overleg?
Noord-Korea heeft meermaals VNVR-resoluties overtreden door het houden van kernproeven en rakettesten en wordt daar door Nederland in bilateraal en multilateraal verband op aangesproken. Nederland is via de VN en de EU betrokken bij internationaal overleg om Noord-Korea zijn eerdergenoemde activiteiten te laten staken en terug te keren naar de onderhandelingstafel. De VN geniet hierbij de voorkeur boven de EU vanwege de mondiale reikwijdte van de VN.
Nederland zet zich in internationaal verband in voor een strikte en nauwgezette naleving en uitvoering van de geldende sanctiemaatregelen. Een constructieve rol van de regionale grootmachten en omliggende landen is hierbij essentieel.
Ook via het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) zet Nederland zich in. Op 30 september jongstleden namen de lidstaten een resolutie aan die Noord-Korea oproept zijn nucleaire installaties opnieuw onder safeguards te stellen, om zeker te zijn dat de nucleaire activiteiten enkel een vreedzaam doel hebben.
Het kabinet is eveneens zeer bezorgd over de systematiek en ernst van de mensenrechtenschendingen van het Noord-Koreaanse regime. Nederland zal – net als in afgelopen jaren – zowel bilateraal als in relevante internationale fora aandacht blijven vragen voor mensenrechtenschendingen. Tijdens de 71ste AVVN zal Nederland zich wederom hardmaken voor een stevige resolutie over de mensenrechtensituatie in Noord-Korea die de EU samen met Japan indient. Het kabinet zal zich daarbij in het bijzonder inzetten voor het ter verantwoording roepen van mensenrechtenschenders en de aanpak van dwangarbeid.
Voorts ondersteunde Nederland afgelopen jaar diverse projecten specifiek gericht op de verbetering van de mensenrechtensituatie in Noord-Korea. Nederland zal dat in de toekomst blijven doen. Zo werd afgelopen jaar o.m. een project ondersteund dat de politieke-gevangenenkampen in Noord-Korea opnieuw in kaart bracht, als ook een vertaling van het jaarlijkse rapport over godsdienstvrijheid in Noord-Korea.
Wat heeft u gedaan, wat doet u, en wat gaat u doen om bilateraal, maar ook in internationale gremia als de Europese Unie en de Verenigde Naties, bij de Chinese overheid aan te dringen op het uitoefenen van effectieve druk op de Noord-Koreaanse overheid met het oog op de regionale en internationale vrede en veiligheid, maar tevens met betrekking tot de afschuwelijke mensenrechtensituatie in het land?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre, en hoe, bereiden Nederland en de internationale gemeenschap zich voor op een scenario waarbij de Noord-Koreaanse overheid de greep op het land verliest en het land in zorgelijke mate destabiliseert? Wat is dan de strategie?
Er zijn geen concrete aanwijzingen dat de Noord-Koreaanse overheid de grip op het land verliest. Niettemin volgt het kabinet de ontwikkelingen in Noord-Korea nauwgezet en voert het hierover bilateraal en in relevante internationale fora overleg. Het doel van de inspanningen van de internationale gemeenschap blijft een Noord-Koreaanse overheid die zich houdt aan de internationale verplichtingen en een constructieve bijdrage levert aan de stabiliteit in de regio.
De situatie in Jemen |
|
Harry van Bommel (SP), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Jemen is niet wat u denkt»?1
Ja.
Kunt u een beeld schetsen van de feitelijke controle die de internationaal erkende regering-Hadi op dit moment heeft over Jemen? Moet geconcludeerd worden dat die controle zeer gering is?
De aan de regering gelieerde troepen, gesteund door de door Saoedi-Arabië geleide coalitie, hebben grote delen van het zuiden en oosten van Jemen onder hun controle. De legeronderdelen en milities die meevechten aan de kant van de regering vormen echter geen homogeen geheel. Hierdoor is er in de gebieden waaruit de Houthi’s en Saleh zijn verdreven niet overal sprake van effectieve controle van de Jemenitische regering. Daarnaast draagt de aanwezigheid van terroristische groeperingen zoals Al Qaida en ISIS bij aan de instabiliteit in deze gebieden.
Hoe verklaart u dat het de Houthi rebellen en oud-president Saleh onlangs lukte om in hoofdstad Sanaa vele honderdduizenden mensen op de been te krijgen om steun te betuigen aan hun bewind? Is dit naar uw oordeel een illustratie van de relatief grote steun die zij onder Jemenieten hebben en tegelijk van de afkeer onder de bevolking van de regering-Hadi en van Saudi-Arabië, dat een verwoestende militaire interventie tegen Jemen leidt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Naar schatting waren bij de demonstratie in de hoofdstad Sana’a van 20 augustus enkele tienduizenden betogers aanwezig. De afgelopen jaren hebben zowel de Houthi’s, de zuidelijke afscheidingsbeweging als de Jemenitische regering meerdere malen betogingen in vergelijkbare getalen weten te mobiliseren. De demonstratie van 20 augustus is in de Jemenitische context geen uitzondering. Tegelijkertijd duurt het conflict inmiddels achttien maanden en heeft de bevolking van Sana’a sinds 26 maart 2015 bijna dagelijks te maken met bombardementen. Hierdoor is het goed mogelijk dat gedurende het conflict de Houthi’s en het aan voormalig president Saleh gelieerde deel van de General People’s Congress aan steun hebben gewonnen in de hoofdstad.
Is het waar dat was afgesproken dat Hadi’s termijn eigenlijk begin vorig jaar zou aflopen? Waarom is het zover niet gekomen?
Na afloop van de Nationale Dialoog in januari 2014 is de termijn van president Hadi met een jaar verlengd in afwachting van verkiezingen. De Houthi’s hebben vervolgens, gesteund door voormalig president Saleh, president Hadi met geweld uit de hoofdstad Sana’a verdreven in de periode tussen september 2014 en januari 2015. Het politieke transitieproces kwam met deze staatsgreep feitelijk ten einde. Het instellen van revolutionaire comités door de Houthi’s in februari 2015 was ongrondwettelijk en is door de internationale gemeenschap veroordeeld. VN Veiligheidsraadresolutie 2216 van 14 april 2015 heeft het presidentschap van Hadi bevestigd en roept op tot een terugkeer naar het transitieproces. Er zijn geen landen die de regering van president Hadi niet erkennen.
Al voor de staatsgreep door de Houthi’s en voormalig president Saleh was Jemen een zeer verdeeld land. De scheidslijnen in de samenleving zijn als gevolg van het conflict verder zichtbaar geworden. Het kabinet maakt zich daarom sterk voor een inclusieve politieke oplossing waar alle partijen zich in kunnen vinden. Het kabinet zet, naast de steun aan het VN kantoor van Ismael Ould Cheikh Ahmed, ook in op vredesopbouw in Jemenitische gemeenschappen op regionaal, en lokaal niveau.
Kan naar uw opvatting gesteld worden dat de legitimiteit van de regering-Hadi vooral gebaseerd is op de internationale steun die deze krijgt van andere regeringen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven in welke mate de internationale gemeenschap de regering-Hadi erkent als de legitieme vertegenwoordiger van Jemen? Is hier internationaal discussie over? Zijn er ook landen die de regering-Hadi niet erkennen? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de scepsis van de auteur van het bij vraag 1 genoemde artikel over VN-Veiligheidsraadresolutie 2216, waarin Hadi de legitieme president van Jemen wordt genoemd en van de Houthi’s geëist wordt onmiddellijk en onvoorwaardelijk eenzijdig hun wapens neer te leggen en alle veroverde gebieden en staatsinstellingen te verlaten? Kan gesteld worden dat de inhoud van de resolutie niet aansluit op de opvatting van veel Jemenitische burgers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u verder de opvatting van de auteur dat de houding van de internationale gemeenschap, die in feite neerkomt op steun voor de militaire campagne en politieke strategie van Saudi-Arabië, een oplossing van het conflict in Jemen in de weg kan staan? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft van begin af aan gesteld dat alleen een inclusief politiek proces voor een duurzame oplossing van het conflict kan zorgen. Bovendien is het kabinet zeer kritisch over tijdens het conflict begane schendingen van mensenrechten en het humanitair oorlogsrecht door alle partijen. Het kabinet heeft geen steun uitgesproken voor de interventie van de door Saoedi-Arabië geleide coalitie in Jemen, in tegenstelling tot enkele andere westerse landen, zoals de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk.
Het uitgangspunt van de VN-geleide onderhandelingen is het bewerkstelligen van een inclusief en alomvattend akkoord, waarin alle partijen zich kunnen vinden. VN Veiligheidsraadresolutie 2216 biedt volgens het kabinet voldoende aanknopingspunten om een dergelijk akkoord te realiseren. Naar aanleiding van het initiatief van de Amerikaanse Minister van Buitenlands Zaken, Kerry, worden momenteel voorbereidingen getroffen om de onderhandelingen binnen het kader van resolutie 2216 weer voort te zetten. Of de door de VN geleide onderhandelingen zullen slagen zal in grote mate afhangen van de politieke wil om tot een oplossing te komen bij alle betrokken partijen.
Acht u het zinvol om in EU- en VN-verband de discussie aan te gaan over de uitgangspunten van VN-vredesonderhandelingen over Jemen, opdat deze meer een afspiegeling worden van de wensen van de inwoners van dat land? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
De tientallen miljoenen die Assad krijgt van de Verenigde Naties |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «UN pays tens of millions to Assad regime under Syria aid programme»?1
Volgens de laatste schattingen van de VN (d.d. september 2016) ten aanzien van de situatie in Syrië woont ongeveer de helft van alle mensen die dringend hulp nodig hebben in een door het Syrische regime gecontroleerd gebied. Deze mensen worden geholpen door de VN, NGO’s en andere humanitaire partners die hoofdzakelijk vanuit Damascus opereren. Daarnaast leveren de VN en andere partners in Damascus essentiële hulp vanuit regimegebied aan oppositiegebied, zoals naar Talbiseh, Moadamiyeh, Al Waer en de Four Towns. Ook de voedseldroppings in Deir ezZor en de luchtbrug naar Quamishli worden vanuit Damascus uitgevoerd.
De VN kan in regimegebied alleen met toestemming van het regime werken. Het regime bepaalt met welke organisaties de VN wel of niet mag samenwerken. Zodoende zijn er veel beperkingen die de VN worden opgelegd. Mensen in oppositiegebieden worden bereikt met humanitaire hulp vanuit Damascus maar ook met cross border steun vanuit Turkije, Libanon, Jordanië of Irak.
Het dilemma dat zich voordoet bij hulpverlening vanuit regimegebied is dat zonder contact met het regime de VN geen toegang meer zal krijgen tot miljoenen burgers in Syrië. Voor de VN heeft in deze zeer onwenselijke situatie het redden van mensenlevens prioriteit. De VN maakt dagelijks moeilijke keuzes om in deze zeer uitdagende omstandigheden binnen de juridische en ethische kaders van de VN te kunnen blijven werken.
Hoe kan het dat mensen van het regime Assad contracten hebben gekregen van de Verenigde Naties (VN) ter waarde van tientallen miljoenen dollars?
Het is belangrijk onderscheid te maken tussen enerzijds samenwerking met de Syrische overheid op basis van «Memoranda of Understanding» voor uitvoering van humanitaire hulp en anderzijds private contracten voor services die Syrische bedrijven verlenen aan de VN (hotelkamers, telefoon services etc,).
De VN is gebonden aan de humanitaire principes van humaniteit, neutraliteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid voor wat betreft uitvoering van humanitaire hulp. Deze principes staan onder druk in Syrië, want de Syrische overheid kan niet gepasseerd worden door de VN omdat zij door de VN als legitieme overheid van Syrië wordt erkend. Dit betekent dat onderwijsprogramma’s, waterinstallaties en vele andere hulpprogramma’s voorgelegd moeten worden aan de betreffende ministeries, vaak in de vorm van een «Memorandum of Understanding». De VN werkt alleen in die gebieden waar ze zelf objectief hebben kunnen vaststellen dat hulp ook noodzakelijk is.
De VN heeft lokale partners nodig voor het uitvoeren van humanitaire programma’s. Deze uitvoerende partners worden zorgvuldig geselecteerd op basis van de humanitaire principes en de VN houdt toezicht op de uitvoering van de projecten. Dit gebeurt met speciaal daarvoor aangestelde monitoringsstaf die vaak onder zeer gevaarlijke omstandigheden projecten in het veld bezoekt en resultaten evalueert. Dat de Syrische overheid het aantal partners waarmee mag worden samengewerkt sterk heeft beperkt is een doorn in het oog van de VN. Er wordt intensief gelobbyd om de keuzevrijheid uit te breiden.
Ondertussen moet de VN blijven opereren onder de huidige voorwaarden. Dus wordt ook nauw samen gewerkt met de Syrische Rode Halve Maan en heeft onder andere NGO The Syria Trust for Development geld ontvangen uit het Humanitarian Fund van OCHA. Het is bekend dat in deze organisaties mensen werken die banden hebben met het regime. Echter, ook deze organisaties werken volgens de humanitaire principes en moeten voldoen aan de scherpe eisen die de VN stelt op het gebied van financiële (transparante) administratie en inhoudelijke resultaten.
Om te kunnen functioneren vanuit Damascus en andere door de overheid gecontroleerde steden heeft de VN operationele steun nodig zoals kantoorruimte, telefoonlijnen en andere goederen die via lokale private contracten gekocht moeten worden. Dat de bedrijven waar zaken mee worden gedaan mensen in dienst hebben die banden hebben met het regime is onvermijdelijk in een land waarin elke organisatie onder scherpe controle staat van het regime. De VN heeft geen sancties ingesteld tegen het Syrische regime en is dan ook niet gebonden aan een verbod op het direct of indirect beschikbaar stellen van tegoeden aan het regime.
Vindt u het ook verwerpelijk dat het regime Assad, dat verantwoordelijk is voor vele burgerslachtoffers en uithongering van de bevolking, lucratieve contracten voor humanitaire hulpverlening van de VN krijgt?
Nederland maakt zich grote zorgen om de situatie in Syrië waar door alle strijdende partijen in het conflict het humanitair recht wordt geschonden en waar sprake is van onmenselijk leed voor de Syrische bevolking in zowel overheids-, oppositie-, als IS gebied.
Er is geen sprake van dat het Syrische regime direct financieel ondersteund wordt door de VN. Dat het regime indirect baat heeft bij bepaalde private contracten, bijvoorbeeld via belastingen, en politiek baat heeft bij het overeind houden van dienstverlening aan de eigen bevolking is in de politieke context waarin de VN gedwongen is te opereren in Syrië helaas een feit. Gezien de humanitaire ramp die zich in Syrië voltrekt, is dit echter onvoldoende reden om de levensreddende hulp vanuit Damascus stop te zetten. De bevolking in Syrië die verstoken is van de meest basale levensbehoeften mag niet gestraft worden voor de daden van haar overheid.
Hoeveel geld heeft Nederland aan de VN overgemaakt ten behoeve van (humanitaire) hulp en (weder)opbouw in Syrië? Kunt u nagaan hoeveel van dat geld terecht is gekomen bij het regime Assad door middel van deze contracten?
Ten behoeve van humanitaire hulp in Syrië heeft NL sinds 2.012 EUR 178.5 mln. besteed via VN organisaties. Hieronder vallen bijdragen aan de VN die alleen in Syrië worden ingezet, maar daarnaast ook de Nederlandse ongeoormerkte bijdragen aan het VN Regional Refugee and Resilience Planvoor de Syrië regio. Een deel van deze regionale fondsen wordt ook in Syrië ingezet. Van deze bijdragen wordt maximaal 7% ingezet voor overheadkosten. Uit deze overheadkosten voor kantoorruimte, telefoonkosten, etc. kunnen bijvoorbeeld de in het antwoord op vraag 2 genoemde private contracten voor operationele ondersteuning in Damascus worden betaald. De Nederlandse bijdragen aan de VN pooled funds in Gaziantep en Damascus worden geheel besteed aan hulpactiviteiten, waar vervolgens de lokale uitvoerende organisaties wel overheadkosten voor mogen rekenen.
Voor wederopbouwactiviteiten in Syrië wordt vooralsnog niet samengewerkt met VN instellingen.
Hoe verhouden de door de VN gesloten contracten zich tot de diverse sancties die de Europese Unie en de Verenigde Staten hebben ingesteld tegen het regime Assad? Zijn de contracten van de VN en deze sancties met elkaar verenigbaar? Kunt u uw antwoord toelichten?
In verband met de situatie in Syrië hebben de EU en de VS sancties ingesteld tegen het Syrische regime. Het gaat daarbij om de plaatsing van personen, groepen, bedrijven en organisaties op een sanctielijst en om sectorale sancties, waaronder een wapenembargo. De EU-sanctielijst omvat reisbeperkingen, bevriezingen van tegoeden en een verbod op het verstrekken van economische middelen. EU-sancties zijn van toepassing binnen de EU of op EU-onderdanen of EU-rechtspersonen die opereren buiten de EU. De transacties van de VN in Syrië vallen niet onder de EU en VS sancties. De VN heeft zelf geen sancties tegen het Syrische regime, omdat zij hun onpartijdigheid willen bewaken. Hierdoor is het voor de VN niet verboden om contracten te sluiten met aan het regime gelieerde personen of entiteiten.
Denkt u dat met de contracten die de VN heeft afgesloten met het regime Assad de bevolking nu wel de humanitaire hulp krijgt die zij zo hard nodig hebben? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het regime Assad wordt door de VN erkend als de legitieme overheid van Syrië. Het leveren van humanitaire hulp moet worden afgestemd met de overheid van een land en in Syrië dus met het regime Assad.
Niet afstemmen met het regime is onmogelijk omdat daarmee de toestemming voor transport uitblijft. De VN rapporteert maandelijks over de problemen in de samenwerking met het Syrische regime aan de VN Veiligheidsraad en wekelijks aan de humanitaire werkgroep van deInternational Syria Support Group (ISSG).
Om humanitaire toegang te verbeteren levert de VN maandelijks een lijst aan het regime met bestemmingen die ze vanuit Damascus met hulp willen bereiken, geprioriteerd op basis van de noden zoals vastgesteld door de VN. Via de ISSG, waar Nederland deel van uit maakt, wordt met internationale druk geprobeerd die toestemming op tijd te verkrijgen. Dit heeft een aantal maanden goede resultaten opgeleverd maar sinds augustus kwamen veel operaties niet van de grond. Dit komt omdat, naast gebrek aan toestemming voor het plan op papier, ook de veiligheidssituatie en de tegenwerking van de Syrische overheid bij de praktische uitvoering de daadwerkelijke hulpverlening beperken. Zo houdt het regime veiligheidscontroles bij het laden van konvooien, waarbij vaak medische goederen worden verwijderd, en worden «facilitation letters» die noodzakelijk zijn om militaire checkpoints te passeren steeds vaker niet geleverd door het regime. Nederland blijft zich samen met andere landen inzetten voor het versoepelen van de zeer bureaucratische procedures in Damascus en het aanspreken van het regime en zijn bondgenoten op hun verantwoordelijkheden onder internationaal humanitair recht, waaronder het recht op humanitaire hulp aan de getroffen bevolking.
Hoe wilt u er voor zorgen dat het vele geld dat de VN beschikbaar stelt wél op de juiste plek van bestemming komt?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat personeel van de VN in het Four Seasons Hotel in Damascus verbleef in 2014 en 2015? Klopt het dat de VN daar $ 9.296.325,59 voor betaalde? Klopt het eveneens dat dit hotel voor 1/3 eigendom is van het Syrische Ministerie van Toerisme, terwijl dit ministerie valt onder de EU ingestelde sancties tegen het Assad regime? Zo ja, wat vindt u hier van?
Veiligheid van hulpverleners is van het allergrootste belang. Vanwege de snel veranderende veiligheidssituatie is het Four Seasons hotel in Damascus door de VN aangewezen als de enige voldoende veilige plek om te overnachten in Damascus. VN personeel en de meeste andere diplomaten verblijven daarom in dit hotel.
De VN hanteert bij het aangaan van verplichtingen, zoals het afsluiten van inkoopcontracten, strikte standaardprocedures gebaseerd op transparantie, eerlijkheid en competitie. In conflictgebieden zoals in Syrië is dit een uitdaging voor de VN, waarbij bijvoorbeeld ten behoeve van accommodatie noodzakelijkerwijs gekozen moest worden voor het Four Seasonshotel. Wel zoekt de VN continu naar alternatieve locaties in Damascus die kosteneffectief zijn en de veiligheid van de medewerkers kan garanderen. Nederland onderschrijft de keuze van de VN om de veiligheid van de medewerkers voorop te stellen.
Deelt u de mening dat met deze contracten en werkwijze van de VN, waarbij dus nauw wordt samengewerkt met het Assad regime, de onafhankelijkheid van de VN in gevaar brengt? Kunt u uw antwoord toelichten?
De onafhankelijkheid van VN is van groot belang in hun humanitaire respons in Syrië. Om deze onafhankelijkheid zo goed mogelijk te bewaken coördineert de VN alle hulp in Syria door de «Whole of Syria» benadering en heeft dankzij VNVR resoluties de mogelijkheid de meest effectieve aanpak te kiezen voor het beantwoorden van de noden die zij aantreft, ofwel vanuit Damascus ofwel vanuit een buurland. In regimegebeid heeft het regime invloed op de hulpverlening, omdat zij bepalen met welke lokale organisaties gewerkt mag worden en tot welke gebieden toegang is. Bij grensoverschrijdende hulp in oppositiegebieden is de VN niet afhankelijk, omdat daar geen toestemming van het regime voor nodig is.
Bent u bereid deze gang van zaken te bespreken met uw collega’s in de EU en met de Hoge Vertegenwoordiger van de EU, om vervolgens gezamenlijk krachtig op te treden tegen deze gang van zaken? Zo nee, waarom niet?
De moeilijke situatie waarin de VN opereert wordt reeds besproken tijdens de wekelijkse werkgroep van ISSG in Genève waarbij zowel de VN als EU aanwezig zijn. Ook tijdens een regionaal overleg tussen donoren en VN vertegenwoordigers uit Damascus is dit onderwerp besproken. Nederland heeft begrip uitgesproken voor de moeilijke situatie waarin de VN opereert, maar heeft de VN ook opgeroepen serieus te luisteren naar de zorgen die NGOs hadden geuit over de rol van de VN in Syrië. Nederland benadrukt in de discussie het belang van dialoog tussen humanitaire organisaties werkzaam in Syrië, en pleit voor behoud van ruimte om kritiek te uiten. De EU en de VN onderkennen de noodzaak hiervan.
De VN is in de persoon John Ging, directeur operaties van OCHA, het gesprek aangegaan met Syrische NGO’s die vooral werkzaam zijn in oppositiegebied. Die dialoog heeft tot meer begrip geleid aan beide kanten, maar maakte ook duidelijk dat de VN zich in de toekomst nog actiever moet opstellen in het betrekken van Syrische NGO’s bij de planning en uitvoering van humanitaire hulp in Syrië.
Het bericht “Meer uitkeringen door Syriërs en Wajongeren |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Paul van Meenen (D66) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meer uitkeringen door Syriërs en Wajongeren»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht «Meer uitkeringen door Syriërs en Wajongeren».
Heeft u inzicht in de populatie Syriërs die in de bijstand zit? Uit welke leeftijden en opleidingsniveaus bestaat deze groep?
Het CBS heeft de per saldo instroom in de bijstand in 2015 in kaart gebracht en daarover gerapporteerd in het persbericht «Bijstand groeit in eerste kwartaal 2016». In dat bericht staat dat er in 2015 per saldo ruim 15 duizend bijstandsontvangers bijkwamen, van wie ruim 10 duizend geboren waren in Syrië. Ook meldt het CBS dat van de Syriërs die in de periode 2013–2015 in de bevolking zijn ingeschreven, nu ongeveer driekwart bijstand ontvangt. De gerealiseerde kosten van toegenomen bijstand door Syriërs worden niet afzonderlijk geregistreerd. Er is hierbij geen onderscheid gemaakt naar leeftijd en opleidingsniveau.
Er wordt veel geïnvesteerd om deze asielzoekers aan een baan te helpen. Tijdens de opvang bij COA krijgen vergunninghouders leefgeld. Bijstand ontvangen vergunninghouders pas als ze zelfstandig wonen in een gemeente en (nog) niet in staat zijn om te werken en zo in hun eigen onderhoud te voorzien. Tijdens de opvang door COA wordt er al wel van alles gedaan om de afhankelijkheid van bijstand later te voorkomen of te beperken. Zo werkt COA samen met Divosa, VNG en de ministeries van SZW, V&J en OCW aan een vroege screening van vergunninghouders. Daarin wordt gekeken naar de werkervaring en opleiding(en) van een vergunninghouder om zo een kansrijke koppeling voor vergunninghouders aan een gemeente te realiseren.
Om de stap naar werk te maken en de kans op een baan te vergroten, zijn enkele randvoorwaarden van belang. Het beheersen van de Nederlandse taal is een van deze randvoorwaarden. Daarom biedt ieder AZC een programma voorinburgering (taalcursus, Kennis van de Nederlandse Maatschappij en een start met Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt, waaronder ook diplomawaardering) aan alle vergunninghouders. Ook het kennen van de Nederlandse normen en waarden is een randvoorwaarde. Via het participatieverklaringstraject in de gemeente wordt daaraan voldaan. Al deze stappen dragen er aan bij om iemand aan het werk te helpen. Vanaf het moment dat vergunninghouders in een gemeente wonen en bijstand krijgen zijn gemeenten verantwoordelijk om hen te bemiddelen naar werk. Veel gemeenten zijn daar actief mee aan de slag. Ook zijn er veel initiatieven van werkgevers om de groep vergunninghouders naar werk te bemiddelen.
Van vergunninghouders die in een gemeente wonen wordt verwacht dat zij binnen drie jaar hun inburgeringsexamen halen. Een van de onderdelen van het inburgeringsexamen sinds 2015 is oriëntatie Nederlandse arbeidsmarkt. Ook binnen deze module kunnen inburgeraars die hier tijdens hun verblijf in het AZC nog niet aan waren toegekomen bij het Informatiecentrum Diplomawaardering (IcDW) gratis een diplomawaardering of een indicatie onderwijsniveau (ION) van het buitenlandse diploma of de opleiding aanvragen. Dit helpt de inburgeraar bij het vinden van werk in Nederland.
De kosten van een inburgeringscursus variëren per doelgroep en zijn ook afhankelijk van het taalniveau waarmee de deelnemer begint. Zo zullen asielgerechtigden in het algemeen langer over hun inburgering doen omdat zij met een lager taalniveau starten dan de gezinsvormers en -herenigers. Deze laatste groep heeft immers in het land van herkomst al het basisexamen inburgering op niveau A1 gehaald.
In de kamerbrief van 8 februari 2016 (Kamerstuk 32 824, nr. 121) is uitgebreid ingegaan op het cursusaanbod en de cursuskosten. In oktober zal Blik op Werk een richtlijn voor de cursuskosten publiceren, waarbij ook specifieke aandacht is voor de verschillende doelgroepen en uurtarieven.
Wat is er al gedaan om deze vluchtelingen aan een baan te helpen zodat zij kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud? Is er bij al deze vluchtelingen in de bijstand al werk gemaakt van erkenning van hun diploma’s uit het land van herkomst, conform de motie-Pechtold/Roemer2?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau uit 2011 dat concludeert dat migranten met een goede taalbeheersing twee tot drie keer zoveel kans hebben op een baan?
Ja, ik ben bekend met het onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau uit 2011.
Bent u bekend met het onderzoek van de Wetenschappelijk Raad voor Regeringsbeleid «Geen tijd te verliezen» dat stelt dat er zo snel mogelijk werk gemaakt moet worden van taal en werk voor asielzoekers en statushouders?
Ja, ik ben bekend met het onderzoek van de Wetenschappelijk Raad voor Regeringsbeleid «Geen tijd verliezen».
Wat zijn de kosten van deze toegenomen bijstand door Syriërs per jaar? Wat zijn de vooruitzichten voor mensen om als ze eenmaal in de bijstand zitten zelf een baan te vinden? Wat zijn de kosten van een goede taalcursus op NT2-niveau?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel statushouders in de asielzoekerscentra (azc’s) hebben sinds juli 2015 gebruik gemaakt van de voorinburgeringscursussen? Hoe zien deze cursussen eruit en hoeveel uur taalonderwijs zit hierin? Welk niveau hadden statushouders na het volgen van deze pre-inburgeringscursus? Wanneer krijgt de Kamer een evaluatie van deze voorinburgeringscursussen?
Volgens de rapportages van het COA hebben in de tweede helft van 2015 (juli t/m december) 5558 statushouders in asielzoekerscentra gebruik gemaakt van voorinburgeringscurssussen. In de eerste helft van 2016 (januari t/m juni) hebben reeds 7550 statushouders gebruik gemaakt van de mogelijkheid om deel te nemen aan voorinburgeringscursussen.
De voorinburgering is een programma dat vergunninghouder voorbereid op het wonen en leven in de gemeente. De voorinburgering bestaat uit de volgende onderdelen:
In 2016 is het aantal uren taalles in de voorinburgering opgehoogd van 81 naar 121 uur. De nadruk in het programma ligt op de beheersing van het spreken op A1min-niveau en wordt aangeboden op drie niveaus: analfabeten, lager opgeleiden en middelbaar/hoogopgeleiden.
Op halfjaarlijkse basis hebben het Ministerie van SZW en het COA voortgangsgangsgesprekken over het voorinburgeringsprogramma.
Wat is de voortgang van de beloofde training aan 450 vrijwilligers voor het ondersteunen van asielzoekers die de Nederlandse taal willen leren? Hoeveel asielzoekers kan een groep van 450 vrijwilligers bereiken?
Er zijn 16 trainingen ingepland. Er hebben inmiddels 11 trainingen plaats gevonden die succesvol zijn verlopen. Er zijn inmiddels 109 vrijwilligers getraind, van het voorgenomen aantal van 450. Om het bereik van vrijwilligers te vergroten zal de training – naast COA-vrijwilligers – ook voor vrijwilligers van Het Begint met Taal worden opengesteld.
Over hoeveel asielzoekers bereikt worden met dit aantal vrijwilligers kan ik geen uitspraken doen. Dit is afhankelijk van de vraag van asielzoekers naar de taaltraining en het aanbod (aantal en hun tijdsinspanning) van vrijwilligers per locatie.
Met ingang van wanneer zal de NT2-taalles uit de voorinburgering ook voorafgaand aan het moment van vergunningverlening voor kansrijke asielzoekers aangeboden worden?
U ontvangt, zoals tijdens de APB is toegezegd, voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van V&J (welke gepland staat op 27 november 2016) een brief waarin de uitvoering van deze motie verder wordt toegelicht.
Hoe staat het met de uitvoering van motie-Sjoerdsma om asielzoekers vanaf dag één taallessen aan te bieden? Bent u bereid om de toegezegde brief hierover vóór het Algemeen overleg over vreemdelingen en asielbeleid voorzien op 8 september 2016 naar de Kamer te sturen3?
Zie antwoord vraag 9.