Illegale besnijdenissen in Engeland |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht dat duizenden vrouwen in Groot-Brittannië verminkt worden door illegale besnijdenis?1
Ja.
Is het waar dat in Groot-Brittannië medisch personeel bereid was besnijdenis bij meisjes uit te voeren en dat het argument door medisch personeel werd gebruikt dat het beter is besnijdenis in Engeland uit te voeren dan in Afrika?
Ik kan niet bevestigen of deze berichtgeving klopt.
Bent u ervan op de hoogte dat een aantal gemeenschappen in Nederland waar meisjesbesnijdenis tot een traditie behoort vaak naar Engeland reizen of verhuizen? Zo ja, zouden deze gemeenschappen mogelijk hun dochters in Engeland laten besnijden? Zo nee, waarop baseert u dit?
Het is bekend dat veel zogenaamde risicogezinnen tijdens vakanties op bezoek gaan bij familie in het buitenland, waaronder Engeland. Ook verhuizen sommige van deze gezinnen naar het buitenland. Ik kan niet uitsluiten dat meisjes uit deze gezinnen in het buitenland worden besneden.
Bent u bereid met uw Britse collega van Volksgezondheid en in Europees verband een onderzoek te doen naar de mate waarin meisjesbesnijdenis in Europa zich voordoet en hoeveel mensen vanuit Nederland zich hieraan schuldig maken?
De International Centre for Reproductive Healthvan de universiteit van Gent verricht reeds een Europese studie naar de huidige situatie en trends op het terrein van vrouwelijke genitale verminking in de EU-lidstaten en Kroatië. Het onderzoek wordt gefinancierd door het European Institute for Gender Equality en verzamelt en analyseert de informatie over Vrouwelijke Genitale Verminking (VGV) die in de betreffende landen aanwezig is. Het rapport verschijnt naar verwachting eind 2012.
In Nederland wordt momenteel door Pharos een prevalentie-onderzoek verricht. Dit onderzoek moet meer duidelijkheid geven over het aantal besneden meisjes en vrouwen in Nederland. Ook het risico voor een in Nederland woonachtig meisje uit de doelgroep om besneden te worden, wordt onderzocht. De resultaten van het onderzoek worden in 2013 verwacht.
Kunt u aangeven wat de resultaten zijn van het gevoerde beleid in Nederland ten aanzien van het besnijden van meisjes? Heeft u een beeld van de omvang waarin meisjesbesnijdenis zich in Nederland voordoet? Heeft u actuele gegevens over het aantal meisjes dat de laatste 3 jaar is besneden?
Het Nederlandse beleid heeft ertoe geleid dat het onderwerp VGV in de betreffende doelgroepen bespreekbaar is geworden.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg concludeerde in november 2007 dat er geen aanwijzingen waren dat meisjesbesnijdenissen in Nederland werden uitgevoerd door medici, maar dat normen en richtlijnen op dit gebied ontbraken. Op verzoek van de IGZ hebben de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC) en de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) toen richtlijnen ontwikkeld. Deze zijn in april 2008 verschenen. Uit onderzoek van de IGZ in 2010 bleek dat Nederlandse klinieken het standpunt over het (niet) verrichten van VGV onderschrijven. Er waren ook in 2010 geen aanwijzingen dat VGV in Nederland door medici wordt verricht.
Kunt u aangeven hoeveel meldingen tot nu toe zijn gedaan over meisjesbesnijdenis door huisartsen, jeugdartsen, verloskundigen enz.? Zo nee, waarom niet?
Sinds 2007 registreert het AMK de aard van de mishandeling, waaronder een aparte categorie meisjesbesnijdenis. Vanaf 2007 tot en met 2010 zijn 61 onderzoeken verricht naar aanleiding van meldingen die met VGV te maken hebben. Het gaat met name over gevallen waarbij de angst bestaat dat meisjes besneden gaan worden.
Kunt u aangeven hoeveel mensen die zich schuldig hebben gemaakt aan meisjesbesnijdenis in Nederland zijn veroordeeld?
Er is in Nederland nog niemand veroordeeld voor meisjesbesnijdenis. Wel heeft het OM een aantal zaken in behandeling.
Bent u bereid in Europees verband met een gezamenlijke aanpak te komen om deze mensonterende praktijk te bestrijden? Zo ja, hoe?
Ja. De Europese commissie is voornemens te komen tot een Europese strategie over geweld tegen vrouwen. Hierin zal bijzondere aandacht worden geschonken aan VGV.
Wapenhandel tussen Defensie en de heer Joep van den Nieuwenhuyzen |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het interview van Jort Kelder met de heer Joep van den Nieuwenhuyzen?1
De bewering dat de heer Van den Nieuwenhuyzen is betrokken bij de verkoop van overtollige Nederlandse tanks aan het buitenland is onjuist; het ministerie van Defensie maakt op geen enkele wijze gebruik van zijn diensten. In reactie op het niet uitgezonden deel van het interview heeft een vertegenwoordiger van Defensie dit ook onder de aandacht van de heer Kelder gebracht.
Klopt de bewering dat Van den Nieuwenhuyzen betrokken is bij de verkoop van Nederlandse overtollige tanks aan het buitenland? Zo ja, welke rol speelt de heer Van den Nieuwenhuyzen hierbij?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt de bewering dat Van den Nieuwenhuyzen een commissie zou ontvangen voor zijn rol in de verkoop van de tanks? Zo ja, hoe hoog is deze commissie?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u op de hoogte van de betrokkenheid van Van den Nieuwenhuyzen bij een reeks bedenkelijke transacties, waaronder massale fraude?
Ja.
Vindt u het aanvaardbaar dat een wapenhandelaar, zoals de heer Van den Nieuwenhuyzen, een sleutelrol speelt bij de verkoop van Nederlandse wapens? Zo nee, wat heeft dit voor gevolgen?
Op basis van het wapenexportbeleid worden bij de verkoop van overtollig strategisch defensiematerieel in beginsel alleen zaken gedaan op basis van government-to-government afspraken. Verkoop aan gerenommeerde bedrijven is ook mogelijk, mits de eindbestemming van het materieel vooraf bekend is.
De voorgenomen sluiting van de afdeling acute verloskunde in Roosendaal |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op berichten dat de afdeling (acute) verloskunde van het Sint Franciscus Ziekenhuis in Roosendaal dreigt te worden gesloten? Heeft u reeds overlegd met de Raad van Bestuur? Zo nee, waarom niet?1
Ik heb mij door verschillende betrokken partijen laten informeren over de mogelijke concentratie van de acute verloskundige zorg van het Sint Franciscus Ziekenhuis in Roosendaal naar het Lievensberg Ziekenhuis in Bergen op Zoom. Naar ik heb begrepen wordt momenteel onderzocht wat de gevolgen zijn van een mogelijke concentratie en aan welke randvoorwaarden moet worden voldaan om concentratie op een verantwoorde wijze te laten plaatsvinden. Zo wordt er onder andere gekeken naar de bereikbaarheid van de acute verloskunde in de regio en worden gesprekken gevoerd met de diverse stakeholders. Pas nadat deze onderzoeken zijn afgerond zal een besluit over concentratie van de acute verloskunde worden genomen. Het College Perinatale Zorg (CPZ) is reeds betrokken en monitort het proces.
Hoe is de kwaliteit van de geboortezorg in het ziekenhuis in Roosendaal? Indien deze onder de maat is, waarom heeft u dan niet ingegrepen om de kwaliteit te verbeteren en komt nu de optie van sluiting in beeld? Wilt u uw antwoord toelichten?
Van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heb ik begrepen dat de kwaliteit van zorg op geen van beide locaties onder de maat is bevonden.
Onderschrijft u de stelling in het artikel dat ten aanzien van verloskunde «één seconde soms al te laat kan zijn»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat een toename van de reistijd in de regio als gevolg van sluiting van de locatie Roosendaal niet acceptabel is, zeker gelet op onderzoeken waaruit blijkt dat een langere reistijd de sterftekans vergroot?2
Ten aanzien van de bereikbaarheid van de acute (verloskundige) zorg is de 45 minuten norm leidend. Zoals in mijn brief (Kamerstuk 29 247, nr. 171) d.d. 1 maart 2012, heb geschreven heb ik ervoor gekozen om de drie bevallingsnormen van de stuurgroep zwangerschap en geboorte, te weten de 15-minutennorm en begeleidings- en bewakingsnormen, niet onverkort in te voeren. Dit zou er immers toe kunnen leiden dat de 45 minutennorm in sommige regio’s niet meer gehaald zou kunnen worden en dat vind ik zeer onwenselijk. Uit analyses van het RIVM blijkt overigens dat Roosendaal geen cruciaal ziekenhuis is voor de 45 minutennorm. Dat betekent dat concentratie van de verloskunde van Roosendaal naar Bergen op Zoom mogelijk is binnen de geldende bereikbaarheidsnormen. Ik heb begrepen dat wel wordt overlegd met de Regionale Ambulance Voorziening (RAV) over mogelijkheden tot het optimaliseren van de bereikbaarheid in geval van concentratie.
Wat is, in het licht van de situatie in Roosendaal, uw reactie op het rapport van de Samenwerkende Algemene Ziekenhuizen (SAZ) waaruit blijkt dat concentratie van verloskundige zorg in minder ziekenhuizen niet leidt tot een betere kwaliteit van de zorg? Wilt u uw antwoord toelichten?
Concentratie van zorg kan grofweg twee effecten hebben: een mogelijke vermindering van de sterfte omdat de verloskundige zorg kwalitatief beter wordt aangeboden, maar ook een mogelijke vergroting van de sterfte omdat de reistijd groter wordt. De vraag is wat, in geval van concentratie, de balans van deze effecten precies is. In het rapport zijn twee concentratiescenario’s uitgewerkt die verschillende resultaten laten zien. Het ene scenario leidt tot een toename van de sterfte, het andere tot een afname. Het rapport stelt dat: «Deze uitkomsten zijn gevoelig voor de gebleken grote individuele verschillen tussen ziekenhuizen». Dit betekent dat het, in de besluitvorming rond concentratie van verloskundige zorg, voor de betrokken partijen van belang is om een goede afweging te maken tussen de genoemde effecten voor hun specifieke ziekenhuis en regio. Voor mogelijke concentratie van verloskundige zorg van Roosendaal naar Bergen op Zoom is dat niet anders.
Onderschrijft u de aanbevelingen uit het SAZ-rapport, namelijk verkleinen van de reistijd, minder doorverwijzingen tijdens bevallingen en het verbeteren van de bereikbaarheid van centra voor acute verloskunde? Zo nee, met welke wetenschappelijke onderzoeken onderbouwt u dit? Zo ja, deelt u de mening dat het sluiten van de afdeling acute verloskunde in Roosendaal haaks staat op deze aanbevelingen? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik in antwoord op vraag 4 beschrijf is de duur van de reistijd slechts één van de factoren die de kwaliteit van zorg bepalen. Het is dan ook in ieder specifiek geval zaak om te zoeken naar de juiste balans tussen de het verkorten van de reistijd en het verbeteren van de kwaliteit door schaalvergroting.
Bent u ervan op de hoogte dat de gemeentebesturen in deze regio zich ernstige zorgen maken over het mogelijke verdwijnen van de acute verloskunde uit Roosendaal? Wat gaat u doen om deze zorgen weg te nemen?
Ik heb hierover geen signalen ontvangen. Het is aan de ziekenhuizen om alle stakeholders goed te betrekken bij eventuele besluiten die worden genomen om de zorg te concentreren.
Deelt u de mening van de heer Pal, gynaecoloog, dat er te weinig gynaecologen in Nederland zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze zorgt u voor een toereikend aantal gynaecologen en verloskundigen, zodat de kwaliteit van de verloskundige zorg niet in gevaar wordt gebracht door problemen in de personele bezetting?
De instroom gynaecologie zit op het maximum van het Capaciteitsadvies (66 opleidingsplaatsen in 2012). Dat komt overeen met de wens van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en dit aantal is tevens het maximum dat de opleiders aankunnen. Zoals ik in mijn brief (Kamerstuk nummer 29 247, nr. 171) d.d. 1 maart 2012, heb geschreven is het desondanks voor ziekenhuizen, met name in dunbevolkte gebieden, lastig om aan voldoende personeel te komen. Mede daarom heb ik ervoor gekozen om de drie bevallingsnormen, te weten de 15-minutennorm en begeleidings- en bewakingsnormen, niet onverkort in te voeren. Als gevolg daarvan kan ik melden dat er geen tekort aan gynaecologen wordt verwacht.
Bent u bereid zich in te zetten voor het behoud van een goede afdeling acute verloskunde in Roosendaal? Zo nee, waarom niet?
Nee, zo is de rolverdeling ook niet die we met elkaar hebben afgesproken. Het is aan de betrokken partijen om hier een weloverwogen besluit over te nemen binnen de randvoorwaarden die landelijk zijn gesteld met betrekking tot bereikbaarheid en kwaliteit.
De representativiteit bij verplichtstelling cao's |
|
Fatma Koşer Kaya (D66) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Verplichtstelling ABU CAO en uitzendpensioenfonds StiPP op basis van discutabele cijfers»?1
Ja.
Is het waar dat in de «Praktische handleiding voor het opstellen van representativiteitscijfers» wel de UWV-cijfers inzake het aantal werknemers worden genoemd, maar niet de CBS-cijfers inzake het aantal fte’s?
Nee, in deze handreiking wordt zowel het gebruik van UWV-cijfers als het gebruik van CBS-cijfers genoemd. De handreiking beschrijft onder andere hoe moet worden omgegaan met «afgeleide bronnen» die niet de aantallen werknemers registreren, maar een andere eenheid zoals fte-gegevens (voltijdsequivalenten), loonsomgegevens of omzetgegevens.
Is het waar dat de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (wet AVV), de Wet verplichte deelneming in een bedrijftakpensioenfonds (Wet BPF 20000), het Toetsingskader AVV en de Beleidsregels Toetsingskader Wet BPF 2000 betrekking hebben op het aantal werknemers en niet op het aantal fte’s?
Ja, de Wet AVV, het Toetsingskader AVV, de Wet Bpf 2000 en de Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000 gaan bij het meerderheidsvereiste uit van het aantal personen. In de Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000 wordt bij de beoordeling van de representativiteit ook gesproken over aantallen werknemers. Fte-gegevens kunnen worden gehanteerd om een goede indicatie te verkrijgen van het aantal werknemers.
Hoe verklaart u de verschillen tussen het aantal van circa 200 000 uitzendkrachten zoals genoemd in de representativiteitsgegevens en het aantal van 700 000 zoals genoemd op de website van de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU)? In welke mate beïnvloedt dit de representativiteit?
Op de website van de ABU staat een totaal aantal uitzendwerknemers van 734 000. In de representativiteitsopgave behorende bij het avv-verzoek van 5 april 2011 is door de ABU een opgave gedaan van het totaal aantal werknemers dat onder de werkingssfeer van de cao valt van 206 761 fte. Het aantal fte is berekend door middel van het standaard aantal uren per jaar dat het CBS hanteert voor een voltijdsequivalent, namelijk 2 080 uur per werknemer per jaar. Het verschil kan worden verklaard door uitzendkrachten die bijvoorbeeld een beperkt aantal weken of maar één of twee dagen per week worden uitgezonden. Het verschil tussen het aantal uitzendkrachten en het aantal fte’s heeft geen invloed op de representativiteit. Voor de berekening van de representativiteit wordt het aantal werknemers in dienst van werkgevers gebonden door de cao, uitgedrukt in een percentage van het totaal aantal werknemers dat binnen de werkingssfeer van de cao zou vallen. Als het aantal uitzendkrachten bij de ABU-leden wordt uitgedrukt in fte’s dan moet voor de berekening van de representativiteit ook het aantal uitzendkrachten in de branche worden uitgedrukt in fte’s. De opgave van de ABU voldoet hier aan.
Waarom is er bij de representativiteit van de in het artikel genoemde cao gerekend met CBS-cijfers inzake het aantal fte’s en niet met de UWV-cijfers inzake het aantal werknemers? Voldoen de aangeleverde representativiteitscijfers aan de wet- en regelgeving? Klopt het dat er niet voldaan wordt aan de representativiteitseis wanneer er gerekend wordt met de UWV-cijfers inzake het aantal werknemers?
Het is aan cao-partijen om bij een avv-verzoek de representativiteit te onderbouwen. De cao-partijen maken daarbij zelf een keuze voor de te hanteren bronnen zoals het UWV, een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds of gegevens uit sectoronderzoek. Het is mijn taak om op grond van de door partijen aangereikte gegevens (en eventueel daartegen ingediende bedenkingen) tot een oordeel te komen of aan het meerderheidsvereiste is voldaan. In het onderhavige geval voldoen de aangeleverde representativiteitscijfers aan de eisen die daaraan worden gesteld.
De gehanteerde bronnen zijn door mij als betrouwbaar beoordeeld. Naar aanleiding van bedenkingen die tegen het avv-verzoek zijn ingediend, hebben partijen bij de ABU-cao hun ingediende opgave van de representativiteitcijfers uit eigen beweging laten verifiëren door een registeraccountant. Op grond van de aangeleverde gegevens is het oordeel tot stand gekomen dat aan het meerderheidsvereiste is voldaan. De Rechtbank ’s-Gravenhage heeft zich in een rechtszaak over een niet-verleende dispensatie van de avv’de ABU-cao uitgesproken over het oordeel van de Minister over de representativiteitsopgave van een eerder avv-verzoek (AWB 10/2921 BESLU). De rechter heeft zich voor wat betreft de keuze van de gebruikte bronnen aangesloten bij de door mij gevolgde lijn. In zijn uitspraak heeft de rechter daarover opgemerkt dat het tellen van aantallen werknemers, gelet op de aard van de bedrijfstak – de uitzendbranche – minder eenvoudig is dan bij werknemers met een vast(er) dienstverband en dat daarbij gebruik van verschillende gegevensbronnen en methodieken denkbaar is. De Raad van State heeft bovengenoemde uitspraak van Rechtbank ’s-Gravenhage bevestigd (uitspraak 7 september 2011, reg. nr. AWB 201100212/1/H3).
Hoe beoordeelt u de verklaring van de Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten (StiPP), dat het door StiPP zelf gevoerde basispensioen een «dure regeling is die slechts in weinig gevallen leidt tot pensioenopbouw» in het licht van de doelstelling van StiPP (zie art. 3 lid 2 van de Statuten van StiPP)?2
Ik geef geen oordeel over hoe het bedrijfstakpensioenfonds StiPP het eigen basispensioen kwalificeert.
Hoe verhoudt de discussie over de aangeleverde representativiteitscijfers zich tot de verplichtstelling van StiPP?
Zowel bij het algemeen verbindend verklaren van de cao-bepalingen als bij het verplichtstellen van het bedrijfstakpensioenfonds is naar mijn oordeel aan het meerderheidsvereiste voldaan.
Is het waar dat uw ministerie aangeleverde representativiteitscijfers steekproefsgewijs toetst? In welk percentage van de gevallen gebeurt dit? Heeft er in deze casus toetsing plaatsgevonden?
Bij alle avv-verzoeken en verplichtstellingprocedures worden de aangeleverde representativiteitsopgaven getoetst. Daarnaast vind er steekproefsgewijs onderzoek plaats naar de kwaliteit van de representativiteitsgegevens. Cao-partijen dienen daartoe desgewenst de relevante gegevens beschikbaar te stellen. Door een onafhankelijk onderzoeksbureau is tussen 2003 en 2008 nagenoeg het totale bedrijfstakkenbestand ten aanzien van de kwaliteit van de representativiteitsgegevens onderzocht. U bent hierover laatstelijk geïnformeerd bij brief van 2 juli 2009 (Kamerstukken II, 2008/09, 29 544, nr. 199). In het kader van dit onderzoek is de representativiteitsopgave van de uitzendsector in 2008 onafhankelijk onderzocht. Daaruit is gebleken dat de representativiteitsopgave ten aanzien van de reproduceerbaarheid, validiteit, interne consistentie, onderzoekstechniek en actualiteit voldoende was. In het Toetsingskader Wet Bpf 2000 is opgenomen dat minstens éénmaal per vijf jaar zal worden beoordeeld of er voldoende draagvlak bestaat. Het bpf StiPP is nog niet in aanmerking gekomen voor deze periodieke representativiteitstoets. Dit zal naar verwachting in 2014 het geval zijn.
Deelt u de mening dat er duidelijke en objectieve maatstaven moeten zijn voor het vaststellen van de representativiteit? Zo ja, welke mogelijkheden tot verbetering ziet u op dit gebied?
Ja, ik deel die mening. Deze duidelijke en objectieve maatstaven zijn vastgelegd in de toepasselijke wetgeving en de hiervoor genoemde beleidsregels. Verzoeken waarbij de representativiteitsopgaven niet aan deze maatstaven voldoen worden niet in behandeling genomen. Om de kwaliteit en transparantie van deze opgaven te verbeteren stel ik voorlichtingsmateriaal en technische hulpmiddelen ter beschikking op de website cao.szw.nl, waaronder de genoemde praktische handreikingen. Daarnaast onderhoud ik contacten met instanties die belast zijn met het beheer van registraties van gegevens over werkgelegenheid per afzonderlijke bedrijfstak, waaronder het UWV. Het doel hiervan is om de beschikbaarheid van deze gegevens voor cao-partijen waar mogelijk te verbeteren.
Beschietingen van roofvogels |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «nesten van buizerds beschoten»?1
Ja.
Hoe vaak is in de afgelopen 5 jaar proces verbaal opgemaakt voor het vernielen van roofvogelnesten? Zo ja, in welk deel van de gevallen was er sprake van het doorzeven van roofvogelnesten met hagel of kogels uit jachtgeweren? Zo nee, waarom niet?
De overheid beschikt niet over databases waarmee tot op het niveau van modus operandi en/of bedreigde soorten onderscheid gemaakt kan worden bij overtredingen van de Flora- en faunawet.
Roofvogelvervolging is een zaak die aandacht verdient. Ik moet hierbij echter opmerken dat daders van roofvogelvervolging veelal bijzonder moeilijk te traceren zijn.
De handelingen die onder de noemer roofvogelvervolging vallen, zoals het verstoren en kapotmaken van nesten, het doodschieten van roofvogels, het wegvangen in kraaienvangkooien en het vergiftigen door middel van uitleggen van vergiftigd aas, laten over het algemeen namelijk weinig sporen na. Strafbare feiten worden vooral gepleegd in het landelijk gebied, waar daders zich goed kunnen verbergen en opsporingsambtenaren snel opvallen. Dat leidt ertoe dat slechts in een relatief klein aantal gevallen tot het aanhouden van verdachten kan worden overgegaan. Niettemin zijn er bij concrete aanwijzingen wel degelijk recherchemogelijkheden om de vermoedelijke daders op te sporen.
Kunt u aangeven in hoeveel procent van de gevallen waarin sprake was van het vernielen en/of doorzeven van roofvogelnesten de daders gepakt zijn in deze periode? Zo ja, wat zegt dat over de kwaliteit en mogelijkheden van het toezicht in de natuur? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u specificeren in hoeveel procent van de gevallen waarbij de daders van dergelijk wangedrag zijn getraceerd, de daders beschikten over een wapenvergunning en jachtakte? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw antwoord? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid het veldtoezicht te verscherpen rond roofvogelnesten en ook organisaties als Werkgroep Roofvogels Nederland subsidie te verlenen om hun vrijwilligerswerk ter bescherming van de roofvogels mogelijk te maken en uit te breiden?2 Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik meen dat het verstoren en vernietigen van roofvogelnesten streng bestraft moet worden.
Middels de Wet op de economische delicten kan voor het onrechtmatig versturen of vernietigen van nesten van beschermde vogelsoorten een geldboete opgelegd worden. Met betrekking tot de pakkans blijkt uit het antwoord op vraag 2, 3 en 4 dat de aard van het delict de opsporing van roofvogelvervolging vaak moeilijk maakt. Ingezet zal worden op het voorkomen van roofvogelvervolging door aanvullend beleid dat bestaat uit gerichte voorlichting naar mogelijke doelgroepen. Deze voorlichting heeft vooral ten doel de sociale controle binnen en rond (mogelijke) dadergroepen te versterken. Ten einde te komen tot een effectievere aanpak van het probleem van roofvogelvervolging heeft het OM enige jaren geleden, in samenwerking met de politie, de voormalige AID en het toenmalig ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een «Interventiestrategie Roofvogelvervolging» opgesteld. Hierin is een integraal pakket aan maatregelen opgenomen, waarin naast strafrechtelijk optreden een belangrijke rol is weggelegd voor bestuursrechtelijke handhaving, communicatie en voorlichting.
De Werkgroep Roofvogels Nederland ontvangt geen subsidie van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Zoals uit het bovenstaande blijkt is opsporing uitermate moeilijk. Subsidiëren van meer veldtoezicht zal naar verwachting niet meer resultaat opleveren.
Deelt u de mening dat het verstoren en vernielen van roofvogelnesten streng bestraft zou moeten worden en dat veroordeling voor deze feiten ten minste tot het permanent intrekken van de jachtakte voor de veroordeelde zou moeten leiden? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u dit realiseren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Een lijst van 200 gebouwen waarin op grote schaal spuitasbest is verwerkt |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen1 over spuitasbest en een lijst van 200 meest risicovolle gebouwen die behandeld zijn met spuitasbest, waarbij u de grote risico’s van spuitasbest onderstreept2 heeft, maar waarbij u tevens verklaarde dat u en «niemand van ons» deze lijst kende?
Ja
Herinnert u zich de «Rapportage inventariserend onderzoek spuitasbest»3 van de Arbeidsinspectie (1997)4, waaruit bleek dat in 100 van de 198 onderzochte gebouwen de spuitasbest nog aanwezig was, bij 39 door de Arbeidsinspectie beoordeelde situaties twintig keer de spuitasbest beschadigd was en in 28 gevallen de spuitasbest niet dan wel slechts gedeeltelijk was afgeschermd?
Ja. Genoemd rapport is naar aanleiding van uw vraag onder mijn aandacht gebracht.
Zijn de volgende voornemens5 uit het rapport van de Arbeidsinspectie uitgevoerd? Zo ja, wat zijn de resultaten van deze acties? Benaderen van de gebouweigenaren van gebouwen met goed afgeschermde spuitasbest ivm het treffen van aanvullende maatregelen om te voorkomen dat werkzaamheden in de buurt van afscheidingen plaats vinden of de afscherming kan worden aangeraakt of beschadigd; Het opsporen van andere gebouwen (dan de 198 reeds bekende) waarin spuitasbest is toegepast; Het volgen en tenminste eenmaal per twee jaar inspecteren van alle locaties waar spuitasbest aanwezig is. Indien de voornemens niet, of slechts gedeeltelijk zijn uitgevoerd: kan gemotiveerd worden waarom (gedeeltelijk) is afgeweken van de voorgenomen acties?
Het betreffende rapport dateert van 15 jaar geleden. De voornemens uit het rapport zijn opgenomen in de inspectieactiviteiten van de Arbeidsinspectie vanaf 1998. De betreffende acties zijn in de loop van 2001 afgerond. Uit de beschikbare verslagen van de Arbeidsinspectie blijkt dat gebouweigenaren zich bewust waren van mogelijk gevaarlijke situaties en maatregelen genomen hebben. Vanaf 2002 ligt de nadruk bij de Arbeidsinspectie voor asbest op inspectieprojecten gericht op saneringslocaties.
In hoeveel van genoemde gebouwen is anno 2012 nog steeds spuitasbest aanwezig? Is het waar dat een aantal van deze gebouwen een grootschalige publieksfunctie heeft? Kan een lijst van deze gebouwen aan de Kamer worden overlegd?
Zie ook het antwoord op vraag 3.
Inmiddels is het asbestbeleid er op gericht dat gebouweigenaren volledig zelf de verantwoordelijkheid nemen voor de aanwezigheid van asbest in hun gebouwen. Alle gebouwen van vóór 1994 moeten als asbestverdacht beschouwd worden. Er is niet overgegaan tot (al dan niet verplichte) inventarisatie van asbest in gebouwen in niet-sloopsituaties zodat de gevraagde lijst niet kan worden overgelegd van gebouwen met een grootschalige publieksfunctie waarin asbest aanwezig. Wel is op de website Atlasleefomgeving (https://www.atlasleefomgeving.nl/) te zien welke schoolgebouwen asbestverdacht zijn.
Het bericht dat opnieuw een proefvaart van de nieuwe Frisc-rubberboten compleet is mislukt |
|
Marcial Hernandez (PVV) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Test nieuwe boot mariniers debacle»?1
Ja. Het bericht in De Telegraaf verwijst naar beproevingen met het snelle vaartuig (Fast Raiding, Interception and Special Forces Craft, FRISC) van het type Support Craft Caribbean (SCC).
In hoeverre staat u nog steeds achter uw antwoord op eerdere vragen, waarin u de opmerkingen van een Britse marineofficier ontkracht, die stelde dat de vaartuigen «ondeugdelijk» en «levensgevaarlijk» zijn en dat zowel het ontwerp, de productie als de constructie volledig ontoereikend zijn voor militaire doeleinden?2
De antwoorden op de vragen van 4 november 2011 (vergaderjaar 2011–2012, Aanhangsel Handelingen, nr. 563) hebben betrekking op beproevingen met andere types van het snelle vaartuig, een demonstrator, een lichte civiele uitvoering van het snelle vaartuig (Fast Raiding, Interception and Special Forces Craft, FRISC) en beproevingen van het FRISC-type Boarding Craft (BC). Naar aanleiding van deze beproevingen worden technische aanpassingen verricht om te voldoen aan de eisen van Defensie. Het antwoord op vraag 5 bevat een overzicht van deze aanpassingen.
Het bericht in De Telegraaf doet geen afbreuk aan mijn antwoorden op uw vragen van 4 november. Dit bericht verwijst naar beproevingen met het snelle vaartuig van het type Support Craft Caribbean (SCC). Het betreft een ander type FRISC met andere mogelijkheden tot manoeuvreren dan de demonstrator en de Boarding Craft (BC). Vanwege de verschillen tussen de FRISC’s wordt ieder type afzonderlijk beproefd. Eind 2012 wordt nog een type beproefd, de Raiding Craft (RC).
Kunt u nader toelichten wat er precies fout is gegaan tijdens deze (opnieuw) compleet mislukte proefvaart op de Noordzee? Hoe kan het dat de stoelen en het windscherm compleet afbreken tijdens het «dwarsgooien» bij hoge snelheid?
Het doel van de beproevingen in de Ierse Zee was vast te stellen of het FRISC van het type Support Craft Caribbean (SCC) voldoet aan de eisen van Defensie en welke veiligheidsvoorschriften, zoals limieten om te manoeuvreren, moeten worden toegepast. Het maken van een scherpe bocht bij de maximale snelheid van ongeveer 70 kilometer (km) per uur maakte deel uit van deze beproevingen. Bij deze extreme koersverandering op maximale snelheid is een stoel van het dek losgeraakt en zijn de bevestigingsrails aan het dek verbogen, is van twee stoelen de bekleding gescheurd en is een klein deel van het windscherm gebroken. Op grond van de beproeving worden technische aanpassingen gedaan (zie het overzicht in het antwoord op vraag 5) en worden de veiligheidsvoorschriften aangepast. Het vaartuig voldoet met deze aanpassingen aan de eisen van Defensie en kan veilig operationeel worden ingezet.
Hoe beoordeelt u het feit dat er nu al drie (bij ons bekende) testen zijn gedaan die compleet zijn mislukt, achtereenvolgens de test op Curaçao, waarbij de neus van het voertuig volledig is afgescheurd, de test nabij Den Helder waarbij de versterkte neus compleet werd afgescheurd en er vele problemen ontstonden met het drijflichaam van het vaartuig en nu de bovenstaande rampzalige proefvaart?
Het doel van de beproevingen is het vaststellen van de eigenschappen van het vaartuig, waaronder de veiligheidslimieten. Ook wordt vastgesteld of het vaartuig voldoet aan de eisen van Defensie. De doelstellingen zijn gehaald en de beproevingen zijn geslaagd. De knelpunten die tijdens de beproevingen zijn geconstateerd worden momenteel opgelost. Zie ook het antwoord op de vragen 3 en 5.
Kunt u specifieker aangeven welke verbeteringen nodig zijn om deze vaartuigen met de bijnaam «drijvende doodskisten» veilig en volledig operationeel te maken? Is de mogelijkheid aanwezig dat er fundamentele fouten in het ontwerp en de constructie van deze vaartuigen zitten en dat nieuwe verbeteringen ontoereikend zullen zijn? Zo nee, waarom niet?
Uit de beproevingen met de snelle vaartuigen zijn geen fundamentele fouten in het ontwerp of de constructie gebleken. Op grond van de beproevingen worden aanpassingen gedaan om de veilige operationele inzet van het FRISC te waarborgen. De onderstaande tabel biedt een overzicht van de belangrijkste aanpassingen.
Resultaten beproeving
Aanpassingen
Scheuren in de bevestiging van het voorste drijflichaam (type BC).
De bevestiging van het drijflichaam is verbeterd door onder meer een verzwaring van de constructie en het aanbrengen van een extra beschermende laag op de neus van het vaartuig.
Scheurtjes in het navigatieframe (type BC).
Het navigatieframe is opnieuw ontworpen en de constructie is verzwaard.
Onvoldoende oprichtend vermogen van het keerzaksysteem (type BC en SCC).
Het keerzaksysteem is aangepast en beschikt nu over voldoende oprichtend vermogen. In mei 2012 zal bij het derde SCC opnieuw een volledige test worden uitgevoerd.
Het losraken van de bevestiging van de stoelen aan het vaartuig (type SCC).
De boutverbindingen van de stoelen zullen worden voorzien van een verstevigingsplaat.
Afbreken van een klein deel van het windscherm (type SCC). Dit betreft geen structureel probleem,
Het windscherm wordt hersteld.
Speling in de lagers van de schroefas (type BC en SCC).
De lagers worden door de fabrikant aangepast. Bij twee vaartuigen is speling tijdelijk verholpen zodat deze operationeel inzetbaar zijn.
Luchtbelletjes in kunststof delen aan de onderzijde van drie vaartuigen (type BC).
Dit knelpunt wordt hersteld door de leverancier en bij de resterende vaartuigen worden tijdens de productie extra kwaliteitscontroles uitgevoerd.
Was de Frisc-boot bij deze test op de Noordzee al inzetgereed? Zo nee, in welke status bevond deze boot zich? Klopt het dat het vaartuig bij de eerdere mislukte test nabij Den Helder geen prototype was, zoals u eerder aangaf in antwoorden, maar dat deze boot de eerste in productie was en al werd geacht gereed te zijn voor operationele inzet?
Nee, het vaartuig van het type SCC dat in de Ierse Zee is gebruikt was nog eigendom van de leverancier. Met dit vaartuig zijn alleen beproevingen uitgevoerd en het is gebruikt voor opleidingen. De types waaraan wordt gerefereerd in mijn antwoorden op de vragen van 4 november 2011 waren eveneens eigendom van de leverancier. De operationele ingebruikneming van het eerste FRISC bij Defensie is voorzien na de zomer van 2012.
Is het waar dat Defensie Materieel Organisatie (DMO) en de Britse leverancier Marine Specialised Technology Ltd (MST) overeen zijn gekomen om bepaalde militaire specificaties te veranderen voor de vaartuigen om zodoende kosten te besparen, bijvoorbeeld het vervangen van de stoelen (military seats) door leisure seats en het vervangen van militaire navigatie- en communicatiesystemen door navigatie- en communicatiesystemen die doorgaans bij plezierboten worden gebruikt?
Nee. Defensie heeft haar eisen niet aangepast.
Is het ook waar dat civiele navigatie- en communicatiesystemen niet door de testfase zijn gekomen en geen interoperabiliteit hebben met andere militair/maritieme systemen van Defensie? Zo nee, waarom niet?
Nee, tijdens de beproeving is gebleken dat alle navigatie- en communicatiesystemen van de leverancier voldoen aan de eisen van Defensie. Ten behoeve van de interoperabiliteit met andere militaire systemen worden de vaartuigen door Defensie uitgerust met het NIMCIS (Nieuw Mariniers Communicatie en Informatie Systeem). Het NIMCIS op een FRISC is in een eerder stadium succesvol beproefd.
In hoeverre hebben de vervangende leisure seats een desastreus effect op de ruggen van mariniers als zij op een ruige zee in hun Frisc-boten zitten? Heeft het afbreken van de stoelen bij de laatste proefvaart te maken met de vervanging van de military seats door de leisure seats?
Nee, de oorzaak van het afbreken van de stoel is een onvoldoende sterke bevestiging van de stoel aan het vaartuig. Deze bevestiging wordt momenteel versterkt. Bij het bepalen van het type stoel is rekening gehouden met de belasting van de gebruiker, onder meer van de rug. Hierbij zijn vijf type stoelen beproefd, onder andere door het meten van trillingen. Defensie heeft gekozen voor de stoel die als beste uit de beproevingen is gekomen.
Kunt u aangeven hoeveel van de prototypen Frisc-vaartuigen met positief resultaat de testfase hebben afgelegd? Zijn alle essentiële functies van de vaartuigen in het testprogramma grondig en met positief resultaat getest? Klopt het dat Defensie vaartuigen in ontvangst heeft genomen zonder dat zij het testprogramma hebben afgerond?
Inmiddels zijn alle functionaliteiten met succes beproefd en zijn elf snelle vaartuigen van het type BC geaccepteerd. Defensie accepteert geen vaartuigen die niet zijn getest. In geval van knelpunten worden deze door de leverancier opgelost. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Kunt u aangeven welke verwervingscriteria Defensie heeft gehanteerd in 2008? Klopt het dat er toentertijd gekozen is voor de Britse leverancier MST in plaats van twee Nederlandse aanbieders TP Marine en Madera Ribs? Zo ja, waarom?
De verwervingscriteria die Defensie heeft gebruikt betreffen kostprijs, prestatie-eisen (zoals snelheid, gewicht, omvang, stabiliteit en flexibiliteit) en logistieke eisen (zoals de wijze waarop in het ontwerp rekening is gehouden met de instandhouding en met levertijden). Defensie heeft gekozen voor de vaartuigen van de Britse leverancier omdat deze als enige aan de criteria voldeden.
Tegen welke specifieke voorwaarden kan Defensie het contract met de leverancier opzeggen en de gemaakte kosten wegens wanprestatie terugvorderen?
Defensie kan in geval van wanprestatie het contract met de leverancier ontbinden. De knelpunten die bij de beproevingen zijn geconstateerd worden volgens het contract op kosten van de leverancier opgelost, zowel bij de geleverde als bij de nog te leveren vaartuigen.
Bent u bereid om dit project (tijdelijk) stil te leggen en een groot onderzoek te starten naar deze Frisc-boten voordat er verdere ongelukken gebeuren en de veiligheid van militairen in gevaar komt? Zo nee, waarom niet?
Defensie stelt hoge eisen aan het materieel dat zij aanschaft met het oog op de operationele inzet hiervan, vaak onder extreme omstandigheden. Bij de beproevingen van de snelle vaartuigen staan de veiligheidslimieten en de intensieve opleiding van het personeel centraal. Ik zie geen aanleiding het project stil te leggen of een onderzoek te beginnen. De vaartuigen voldoen aan de eisen zoals Defensie die heeft gesteld.
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat ABN Amro kwijtschelding van leningen aan openbaar vervoerbedrijven in Griekenland weigert |
|
Ronald Plasterk (PvdA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat ABN Amro kwijtschelding op leningen aan openbaar vervoerbedrijven in Griekenland weigert?1
Ja.
Was de geschetste situatie u bekend ten tijde van de afspraken over de Griekse schuldafschrijvingen?
Er is op verschillende momenten in het afgelopen jaar in Europees verband gesproken over Griekse schuldafschrijvingen door private partijen. Sinds de zomer van 2011 is er tussen het ministerie van Financiën en ABN Amro ook regelmatig contact geweest hierover. De Griekse regering heeft op 25 augustus 2011 een informatieverzoek gedaan met daarin een voorstelde lijst obligaties die voor vrijwillige afschrijving in aanmerking zouden komen. Dit informatieverzoek is via het ministerie van Financiën aan de financiële instellingen verstuurd. Obligaties van de Griekse spoorwegmaatschappij (OSE) in het bezit van ABN Amro stonden op die lijst. Ten tijde van de Eurotop van 26 oktober 2011 waren er dan ook sterke indicaties dat de betreffende obligaties zouden worden meegenomen in de herstructurering en dat de ABN Amro niet genegen was om hierin te participeren. Wel moet benadrukt worden dat de definitieve lijst voor de obligatieomruil naar aanleiding van de Eurotop van 26 oktober 2011 pas op 24 februari 2012 bekend is geworden.
De Griekse staat onderhandelde met het Institute of International Finance (IIF) over de vrijwillige private schuldafschrijving, onderhandelde het IIF daar ook namens ABN Amro?
ABN Amro is lid van het IIF, maar heeft niet zoals sommige andere leden geparticipeerd in het onderhandelingsproces over de vrijwillige private schuldafschrijving met Griekenland. Ik kan echter geen uitspraken doen over het mandaat van het IIF om namens zijn leden te onderhandelen. Wel wijs ik op de publieke communicatie van het IIF dat uiteindelijk iedere obligatiehouder van Griekenland voor zichzelf moet besluiten om al dan niet aan de herstructurering deel te nemen.2
Waren u en het IIF op de hoogte van de mening van ABN Amro over de schuldafschrijvingen op leningen aan deze overheidsdeelnemingen? Zo ja, hoe is het dan mogelijk dat er maanden na het akkoord tussen Griekenland en het IIF onduidelijkheid is ontstaan over het wel of niet afschrijven op deze leningen?
Mede op aandringen van Nederland is op de Eurotop van 26 oktober 2011 er bewust voor gekozen om de verantwoordelijkheid voor de herstructurering bij Griekenland zelf te leggen. Dit betekent dat het aan Griekenland zelf was om met haar private crediteuren tot overeenstemming te komen over hoe de herstructurering zou worden vormgegeven binnen de randvoorwaarden die de regeringsleiders en staatshoofden daarvoor hadden gesteld. Dit is conform de gebruikelijke internationale praktijk waarbij een wijziging van de betalingscondities tot stand komt tussen contractspartijen onderling.
Alhoewel de mening van ABN Amro mij bekend was, is het niet aan mij om hier een oordeel over te hebben, aangezien het aan instellingen zelf is om te beslissen of zij aan vrijwillige schuldafschrijving meedoen. Ik heb van ABN Amro begrepen dat zij in de periode tussen 26 oktober 2011 en 24 februari 2012 slechts incidenteel contact heeft gehad met de Griekse regering. Ik heb ook begrepen dat er geen contact is geweest tussen ABN Amro en het IIF over de vrijwillige schuldafschrijving in die periode. Gevolg hiervan is dat ABN Amro voor 24 februari 2012 geen definitief uitsluitsel had verkregen over de vraag of «haar» OSE-obligaties op de lijst zouden voorkomen van obligaties die voor vrijwillige schuldafschrijving in aanmerking kwamen.
Is het waar dat andere leningen aan Griekse overheidsdeelnemingen geen onderdeel van de «haircut» zijn?
Ja. Griekenland telt een zeer grote hoeveelheid overheidsbedrijven, terwijl obligaties van drie overheidsbedrijven in de lijsten van de vrijwillige schuldafschrijving zijn meegenomen. Het is mij niet bekend in welke mate de andere Griekse overheidsbedrijven obligaties uitgeven danwel gebruik maken van andere vormen van leningen.
Vangrails die niet bestand zijn tegen zware vrachtwagens |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de oude vangrails in de middenberm niet meer bestand zijn tegen de moderne zware vrachtwagens?1
De vangrails op de autosnelwegen in Nederland voldoen aan de Europese norm (prestatieklasse H2)2. Rijkswaterstaat heeft dit als minimumniveau vastgesteld. Vangrails met een hoger kerend vermogen zijn in het algemeen minder veilig voor personenauto’s, omdat de kans groter is dat een personenauto bij botsing met de vangrail meer schade heeft dan wel weer op de rijbaan terecht komt. Alleen in uitzonderlijke situaties waarin een doorbraak extra risico’s met zich meebrengt (zoals bij fly-over en buisleidingen in de middenberm) wordt daarom gekozen voor een minder botsvriendelijke vangrail met een hoger kerend vermogen.
Ook de vangrails van oudere datum voldoen aan de Europese normen. De leeftijd is van de vangrails is niet bepalend voor het kerend vermogen. De vangrails worden regulier onderhouden en vervangen bij bijvoorbeeld verbreding van de weg of na beschadiging door een ongeval.
Hoe vaak is in het afgelopen jaar een vrachtwagen door één van de vangrails heen geschoten? Is het waar dat trucks gemiddeld eens per maand dwars door stalen vangrails op de autosnelwegen heen schieten? In hoeveel gevallen had dit (zware) gewonden of doden tot gevolg?
In het afgelopen jaar (2011) zijn er 8 ongevallen geregistreerd waarbij een vrachtwagen tegen, door of over de vangrail is gereden. Hierbij waren 3 doden en 3 ziekenhuisgewonden.
Wat vindt u van de oproep van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid om te onderzoeken of de vangrails nog wel voldoen? Bent u bereid om te onderzoeken waar de vangrails niet meer voldoen? Zo ja, wanneer kan de Kamer de uitkomsten hiervan verwachten? Zo nee, waarom niet?
Bij de keuze van de vangrail is de veiligheid van alle weggebruikers onder alle condities van belang. Daarom kiest Rijkswaterstaat standaard voor vangrails in de prestatieklasse H2. Ik heb dit in antwoord op vraag 1 toegelicht.
Ik acht het gevraagde onderzoek vooralsnog niet nodig gelet op het vigerende beleid ten aanzien van de toepassing en instandhouding van vangrails. Uiteraard zal Rijkswaterstaat in overleg treden met de SWOV om hun standpunt te bespreken.
Hoe ver bent u met het motorvriendelijk maken van de vangrails? Bent u bereid om de vangrails in de middenberm te vervangen door vangrails die én bestand zijn tegen zware vrachtwagens én motorvriendelijk zijn? Zo niet, waarom niet?
Conform de gemaakte afspraken met de Nederlandse verenigingen van motorrijders KNMV en MAG zijn de bestaande vangrails op de meest risicovolle plaatsen inmiddels van een motorvriendelijke afscherming voorzien. Ook bij nieuwe aanleg van vangrails wordt conform deze afspraken gehandeld. De keuze voor het type vangrail dat gebruikt wordt is toegelicht in het antwoord op vraag 1.
De vraag wie de handhaving van de wietpas voor zijn rekening neemt |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Handhaving wietpas Limburg nog onduidelijk»?1 Zo ja, klopt dit bericht?
Ja.
Waarom bestaat anderhalve week voor de invoering van de wietpas nog onduidelijkheid over de verantwoordelijkheid voor de handhaving daarvan? Welke afspraken heeft u gemaakt met de gemeenten, het Openbaar Ministerie, politie en ondernemers over de handhaving van de wietpas? Bent u bereid deze afspraken naar de Tweede Kamer toe te zenden? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van onduidelijkheid. Het aangescherpte coffeeshopbeleid brengt geen wijzigingen in de bestaande verantwoordelijkheden in de handhaving. De handhaving van de gedoogcriteria is primair een taak van de burgemeester. De burgemeester draagt zorg voor het realiseren van adequaat toezicht op de naleving van de gedoogcriteria. Het toezicht omvat het controleren of de gedoogcriteria, die zijn opgenomen in de Aanwijzing Opiumwet, worden nageleefd. Hierbij kan worden gedacht aan controle van en inzage in de ledenlijst, naleving van handels- en verkoopquota etc., al dan niet in het kader van een integraal toezicht (samenwerking gemeenten, politie, belastingdienst etc.).
Als vermeld in de Aanwijzing Opiumwet is de coffeeshophouder gehouden, het op de naleving van de criteria uit te oefenen toezicht te dulden en daaraan medewerking te verlenen. Het toezicht kan worden uitgeoefend door de politie. De aanwezigheid van een coffeeshop wordt namelijk gedoogd, hetgeen wil zeggen dat geldende strafbepalingen (artikel 2 en 3 van de Opiumwet) niet worden gehandhaafd, zolang aan de gestelde gedoogcriteria wordt voldaan. Indien een coffeeshop zich begeeft buiten deze criteria, dan zal er sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld, hetgeen politieambtenaren in beginsel bevoegd maakt (uit hoofde van artikel 141 strafvordering) om opsporingshandelingen te verrichten, bijvoorbeeld ter controle van de gedoogcriteria als opgenomen in de Aanwijzing Opiumwet. De strafrechtelijke handhaving komt pas aan de orde na de bestuurlijke handhaving.
Bij brief van 20 april 2012 zijn de coffeeshopgemeenten van Limburg, Noord-Brabant en Zeeland ter verheldering nog eens extra geïnformeerd over de handhaving.
Wanneer verschijnt het advies van het College bescherming persoonsgegevens over de privacyaspecten van de wietpas?
Op 18 april 2012 heeft het CBP hierover advies uitgebracht. Voor dit rapport en mijn reactie daarop wil ik graag verwijzen naar de brief van 27 april 2012, toegezonden aan de Tweede Kamer, betreffende het coffeeshopbeleid.
Bent u bereid invoering van de wereldvreemde wietpas op zijn minst uit te stellen tot er duidelijkheid bestaat over de handhaving en privacyaspecten? Zo nee, waarom niet?
Er is geen onduidelijkheid. Uitstel is dus niet noodzakelijk.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de invoering van de wietpas die gepland staat voor 1 mei 2012? Zo nee, waarom niet?
Ik wil graag naar de brief verwijzen die 27 april reeds naar de Tweede Kamer is toegezonden betreffende het coffeeshopbeleid waarin de antwoorden reeds zijn opgenomen.
Het bericht dat de wachtlijsten voor donororganen explosief zijn gestegen |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Wachtlijst donororganen explosief gestegen»?1
Ik heb kennis genomen van dit persbericht van de stichting 2 Miljoen Handtekeningen en ik heb geconstateerd dat het tendentieus is en onjuistheden bevat. Ik heb in de antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Dijkstra niet gezegd dat er «licht positieve resultaten waarneembaar zijn in de grafieken», waarmee ik zou hebben gedoeld op het aantal donaties. Ik heb geantwoord dat het aantal transplantaties in de afgelopen jaren licht is gestegen. Daarnaast stelt het persbericht dat een van de doelstellingen van het Masterplan Orgaandonatie 25 tot 50% meer donaties was ten opzichte van het gemiddelde van 2005–2007, ook hier ging het echter om transplantaties. Tenslotte stelt het persbericht dat ik ben vergeten te vermelden dat de lichte toename van het aantal donaties wordt veroorzaakt door donaties bij leven. Dat is onjuist, cijfers over donatie bij leven worden nooit meegenomen in de cijfers die betrekking hebben op postmortale orgaandonaties.
Is het waar dat het aantal transplantabele wachtenden dat op een wachtlijst staat om een orgaan te ontvangen met circa negentig tot honderd personen is toegenomen ten opzichte van voorgaande jaren? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Het klopt dat het aantal patiënten op de wachtlijst momenteel 1405 bedraagt ten opzichte van 1288 patiënten in april 2011. Voor mijn oordeel over ontwikkelingen op de wachtlijst verwijs ik naar mijn antwoorden op Kamervragen van het lid Dijkstra van 15 maart 2012 (102158-100360-GMT).
Is het waar dat u de lijst van geregistreerde wachtenden die tijdelijk niet transplantabel zijn niet meeneemt in uw berekeningen over het aantal wachtenden, en dat de totale groep geregistreerde wachtenden daarmee uit ruim 3 200 personen bestaat?2 Zo ja, denkt u niet dat het zinvol is dit ook te vermelden, zodat er een compleet beeld ontstaat van de problematiek?
Die berekeningen worden niet door mij gemaakt, het beheer van de wachtlijst is een taak van de Nederlandse Transplantatie Stichting, een zelfstandig bestuursorgaan. Zij plaatsen die mensen op de wachtlijst die aan de hand van door de transplantatiecentra opgestelde objectieve criteria als transplantabel kunnen worden aangemerkt en dus ook daadwerkelijk getransplanteerd kunnen worden. Ik vind het weinig zinvol om patiënten als wachtenden aan te merken als zij dat feitelijk niet zijn omdat ze geen transplantatie kunnen ondergaan.
Kunt u onderbouwen of uw beredenering ten aanzien van hoornvliestransplantaties, dat het aantal wachtenden op een donororgaan geen goede graadmeter is voor het aantal transplantaties, omdat een persoon gemakkelijker op een wachtlijst wordt geplaatst als de mogelijkheden voor transplantatie toenemen, ook van toepassing is op nier-, long- en levertransplantaties?
In mijn antwoorden op de eerder genoemde Kamervragen van het lid Dijkstra van 15 maart 2012 (102158-100360-GMT) heb ik proberen aan te geven dat er geen één op één relatie is tussen het aantal patiënten op de wachtlijst en het aantal transplantaties. Als dat zo zou zijn, zou het aantal patiënten op de wachtlijst moeten afnemen, het aantal transplantaties is in 2011 immers gestegen. De huidige toename op de wachtlijst moet dus een andere oorzaak hebben, die gelegen kan zijn in een toename van het aantal patiënten met orgaanfalen, maar ook in een versoepeling van de wachtlijstcriteria.
Wat is volgens u de reden dat het aantal transplantaties ondanks een lichte stijging nog steeds onder het aantal transplantaties uit 2007 ligt en de behaalde resultaten daarmee achterblijven bij de geformuleerde doelstellingen uit het Masterplan Orgaandonatie?
2007 Was een uitzonderlijk goed jaar, het is niet realistisch om dat jaar als uitgangspunt te nemen. Daarom ging de doelstelling van 25% meer transplantaties in 2013 uit het Masterplan ook uit van het gemiddelde van de jaren 2005–2007. Die doelstelling is nog niet gehaald, de stijging van het aantal percentages bedraagt momenteel 5,5%. De reden daarvoor is dat het aantal donaties niet is gestegen. Ik heb u in mijn brieven van 31 augustus 2011 (GMT/IB/3073386) en 21 december 2011 (GMT/IB 3095531) en de bijbehorende bijlagen aangegeven welke stappen ik ga nemen om het aantal transplantaties te laten toenemen.
Welke concrete stappen gaat u nemen om de wachtlijsten terug te dringen en het aantal transplantaties te bevorderen? Bent u bereid hier een stappenplan met concrete doelstellingen en meetmomenten aan te verbinden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u op basis van de teleurstellende resultaten bereid het zwaarwegende advies uit het masterplan, het invoeren van een Actief Donor Registratiesysteem, te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben daartoe niet bereid. De redenen daarvoor heb ik u in mijn brief van 8 februari 2011 (GMT/IB 3036648) uiteengezet.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Somaliërs kunnen voorlopig blijven en krijgen schadevergoeding»?1
Ja.
Is het waar dat u de hoger beroepszaken van zestien Somalische afgewezen asielzoekers heeft stopgezet omdat uitzetting praktisch moeilijk realiseerbaar is? Kunt u nader toelichten waarom daarvan sprake is?
Vreemdelingen afkomstig uit Somalië die niet in aanmerking komen voor een asielvergunning kunnen terugkeren naar hun land van herkomst, en dit wordt ook van hen verwacht. Voordat de verplichting wordt opgelegd om Nederland te verlaten wordt op zorgvuldige wijze getoetst of iemand bescherming behoeft en of iemand risico loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Vreemdelingen uit Mogadishu en overige delen van Zuid- en Centraal-Somalië zullen in veel gevallen in aanmerking komen voor bescherming.
Vreemdelingen afkomstig uit Zuid en Centraal-Somalië die niet in aanmerking komen voor bescherming, kunnen terugkeren via de internationale luchthaven van Mogadishu. Vanaf daar kan verder gereisd worden over land. Diverse luchtvaartmaatschappijen onderhouden vluchten op de luchthaven van Mogadishu, welke overigens buiten de stad Mogadishu ligt. Onlangs heeft zich Turkish Airlines daarbij gevoegd met een regelmatige verbinding en van deze mogelijkheden wordt ook in de praktijk gebruik gemaakt.
Terugkeer naar Noord-Somalië is eveneens mogelijk. Vanaf de luchthaven in Mogadishu kan worden doorgevlogen naar een luchthaven in Noord-Somalië. Door tussenkomst van de DT&V zijn al eerder enkele vreemdelingen op vrijwillige basis teruggekeerd naar Noord-Somalië, inclusief Puntland. Zoals gezegd is er een zeer regelmatige reizigersstroom en terugkeer is derhalve wel degelijk mogelijk.
Bij de voorbereiding van de gedwongen terugkeer van Somalische vreemdelingen die niet zelfstandig zijn vertrokken, heb ik geoordeeld dat het op dit moment niet mogelijk is om te komen tot een wijze van gedwongen terugkeer naar Noord-Somalië die ik verantwoord acht. Daarom zijn de hoger beroepen ingetrokken.
Volgde niet al automatisch uit uw beleid dat de uitzettingen van Somaliërs amper realiseerbaar waren, aangezien de hoofdstad Mogadishu, waar het enige vliegveld is gelegen, een oorlogsgebied is en slechts enkele gedeelten van Somalië nog als enigszins veilig kunnen worden beschouwd? Welke nieuwe ontwikkelingen zijn er? Op welke veilige wijze over land of via de lucht kan volgens u via Mogadishu het relatief veilige Zuid- en Centraal Somalië worden bereikt?
Zie antwoord vraag 2.
Kan uit uw intrekkingen van de hoger beroepszaken worden opgemaakt dat u de uitzettingen van alle Somaliërs opschort totdat de veiligheidssituatie in het land is verbeterd?
Neen. Die conclusie is onjuist. Zoals aangegeven verzet de algehele veiligheidssituatie zich niet tegen de terugkeer van vreemdelingen naar Noord-Somalië en de reden van het intrekken van de beroepen is dan ook niet hierin gelegen. De inzet blijft dan ook gericht op het zoeken naar verantwoorde mogelijkheden voor gedwongen terugkeer naar Noord-Somalië.
Welke gevolgen heeft dit voor de Somaliërs die momenteel in vreemdelingenbewaring zitten?
De vreemdelingenbewaring van Somaliërs die in vreemdelingenbewaring zaten met het oog op terugkeer naar Noord-Somalië, is opgeheven.
Op welke wijze wordt voor afgewezen Somalische asielzoekers die niet uitgezet kunnen worden, in onderdak voorzien?
Vreemdelingen die kunnen terugkeren maar dat niet doen, krijgen geen door de Staat bekostigde opvang, behalve de gebruikelijke uitzonderingssituaties: alleenstaande minderjarige vreemdelingen, gezinnen met minderjarige kinderen. Indien zij niet zelfstandig terugkeren, hoewel dat wel mogelijk is, eventueel met ondersteuning van de overheid, bestaat in beginsel geen verplichting tot, noch ben ik bereid om in onderdak te voorzien.
Bent u bereid om in elk geval ten aanzien van de Somalische gezinnen met minderjarige kinderen ruimhartig te bezien of aan hen alsnog asiel verleend kan worden, met het oog op de nog immer slechte veiligheidssituatie in Somalië en de mogelijke worteling van de kinderen in Nederland?
In het staande beleid wordt rekening gehouden met de bijzonder precaire veiligheidssituatie in met name Zuid- en Centraal-Somalië, inclusief Mogadishu. Dit beleid is nog recent gewijzigd aan de hand van de situatie aldaar. Ik houd dan ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, waaronder uiteraard ook zijn gezinssituatie valt.
Het concept VNG-model algemene inkoopvoorwaarden voor de levering van diensten |
|
Erik Ziengs (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de brief van NLingenieurs aan het bestuur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) met de titel «Brandbrief i.v.m. VNG model inkoopvoorwaarden voor levering en diensten»?1
Ja.
Is het waar dat het betreffende conceptmodel inkoopvoorwaarden voor levering en diensten uniforme algemene voorwaarden omvat voor de gehele contractuele relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer ten behoeve van integrale projecten?
Het inmiddels door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) vastgestelde Model Algemene Inkoopvoorwaarden (AIv) bevat algemene voorwaarden die gemeenten bij het sluiten van een overeenkomst kunnen hanteren. Het Model is alleen van toepassing op opdrachten voor diensten en leveringen en is niet van toepassing op opdrachten voor werken. In de toelichting bij het Model Algemene Inkoopvoorwaarden is opgenomen dat het Model minder geschikt is voor leveringen of diensten met betrekking tot informatie- en communicatietechnologie, het verrichten van verzekeringsdiensten en het verrichten van accountancydiensten.
Afwijking van de algemene inkoopvoorwaarden voor de punten die niet passend zijn voor dergelijke (of andere) opdrachten is mogelijk op basis van artikel 2.2.
Is het waar dat in het VNG-model van algemene voorwaarden ook voorwaarden staan die ingaan op aansprakelijkheid van de opdrachtnemer? Zo ja, kunt u aangeven hoe deze voorwaarden zich gaan verhouden tot de proportionaliteitsgids waar op dit moment door uw ministerie aan gewerkt wordt?
Het Model sluit aan bij het aansprakelijkheidsregime uit het Burgerlijk Wetboek op grond waarvan schade als gevolg van een toerekenbare onrechtmatige daad moet worden vergoed. Het Burgerlijk Wetboek kent een aantal bepalingen over matiging van de omvang van het recht op schadevergoeding voor het geval specifieke omstandigheden daartoe aanleiding geven.
In de toelichting op het Model Algemene Inkoopvoorwaarden is opgenomen dat het in bepaalde gevallen aanbevelenswaardig kan zijn om de aansprakelijkheid verder te beperken, waarbij wordt verwezen naar de Gids proportionaliteit. De toelichting op het Model bevat ook twee voorbeeldartikelen van de wijze waarop partijen in de overeenkomst het recht op schadevergoeding verder kunnen beperken.
Is het waar dat het in de meeste standaardvoorwaarden in de bouw gebruikelijk is om juist een evenwichtige risicoverdeling tussen opdrachtgever en opdrachtnemer te creëren? Zo ja, kunt u aangeven hoe het VNG-model van algemene voorwaarden zich hiermee verhoudt?
Het Model Algemene Inkoopvoorwaarden is expliciet niet van toepassing op de aanbesteding van opdrachten voor werken.
Is het waar dat het VNG-model van algemene voorwaarden uitgaat van overdracht van intellectueel eigendom naar de opdrachtgever? Zo ja, betekent dit dat partijen niet langer kunnen beschikken over het intellectuele eigendom en zij hun innovatie niet meer kunnen vermarkten?
Het Model Algemene Inkoopvoorwaarden hanteert als uitgangspunt dat intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit de overeenkomst berusten bij de opdrachtgever. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 kunnen partijen van de algemene inkoopvoorwaarden afwijken. De toelichting op het Model Algemene Inkoopvoorwaarden bevat een voorbeeldclausule die partijen hiertoe kunnen opnemen in de overeenkomst.
Is het waar dat opdrachtgevers ook gebruik kunnen maken van een licentiemodel in plaats van overdracht van het intellectueel eigendom? Zo nee, wat zijn de mogelijke problemen die kunnen voorkomen bij het gebruik van een licentiemodel?
Ja.
Deelt u de mening dat het VNG-model van inkoopvoorwaarden niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit zoals uitgewerkt in de Proportionaliteitsgids?
Het is mogelijk dat de inkoopvoorwaarden niet voor iedere specifieke opdracht in lijn zijn met de voorschriften in de Gids Proportionaliteit. Dat dit ook is onderkend, blijkt uit de toelichting bij het Model Algemene Inkoopvoorwaarden, waarin is opgenomen dat het Model minder geschikt is voor leveringen of diensten met betrekking tot informatie- en communicatietechnologie, het verrichten van verzekeringsdiensten en het verrichten van accountancydiensten. Dat is ook de reden dat het op grond van artikel 2.2 van de Inkoopvoorwaarden mogelijk is om voor dergelijke (of andere) opdrachten van de Inkoopvoorwaarden af te wijken. Hierdoor is het mogelijk dat een aanbestedende dienst iedere opdracht in lijn met de voorschriften in de Gids Proportionaliteit in de markt kan zetten.
Deelt u de mening dat u in lijn met de motie van het lid Ziengs c.s. over op te stellen contractvoorwaarden2 ervoor moet zorgen dat op te stellen contractvoorwaarden ook worden opgesteld aan de hand van de Proportionaliteitsgids? Zo ja, kunt u aangeven hoe u ervoor kunt zorgen dat onevenwichtige eisen en disproportionele contractvoorwaarden bij aanbestedende diensten worden voorkomen in de toekomst?
De Gids proportionaliteit zal bij inwerkingtreding van het voorstel voor een nieuwe Aanbestedingswet bij AMvB worden aangewezen als richtsnoer. Aanbestedende diensten zullen de Gids Proportionaliteit in acht moeten nemen. Indien een aanbestedende dienst van een specifiek voorschrift in de Gids af wil wijken, dient de aanbestedende dienst deze afwijking te motiveren.
De verkeersveiligheid op de A44 bij Kaagburg |
|
Arie Slob (CU) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «A44 afgesloten door kettingbotsing»1 en «Tien auto’s botsen op A44»?2
Ja.
Herkent u het beeld dat er relatief veel ongelukken plaatsvinden ter hoogte van de Kaagbrug?
Ter plaatse van het wegvak tussen de toerit Sassenheim en de Kaagbrug is in noordelijke richting een verhoogd aantal ongevallen geregistreerd. Het aantal ongevallen is echter niet zodanig dat er sprake is van een zogenaamde black spot3.
Deelt u de mening dat het grote aantal ongelukken op deze locatie mede kan worden veroorzaakt door hobbels in de weg waar de brug overgaat in de weg, het smalle wegprofiel ter plaatse en de laagstaande zon die automobilisten verrast als ze boven op de brug komen?
Er zijn geen hobbels in de weg geconstateerd. Op de Kaagbrug zijn geen vluchtstroken aanwezig en er is geen uitwijkruimte, noch aan de linker- noch aan rechterkant. Dit geeft voor de weggebruiker een versmald wegbeeld.
Op de plek waar het ongeval heeft plaatsgevonden is vermoedelijk geen sprake geweest van verblinding door de zon. Het is wel mogelijk dat de ongevallen mede worden veroorzaakt door de ligging van de toerit Sassenheim (vlak voor de brug) in combinatie met het smalle wegbeeld op de Kaagbrug.
Ziet u mogelijkheden om de verkeersveiligheid ter plekke op korte termijn te verbeteren, bijvoorbeeld door het instellen van een snelheidsbeperking, het plaatsen van extra waarschuwingsborden en het wegnemen van de hobbels?
Ik plaats op korte termijn waarschuwingsborden in verband met het versmalde wegbeeld en lokaal zal ik een snelheidsbeperking van 100 km/u instellen.
Rijkswaterstaat onderzoekt momenteel of en waar de A44 ter hoogte van de Kaagbrug structureel kan worden aangepast.
Ziekenhuisverplaatste zorg voor kinderen |
|
Linda Voortman (GL) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht over overheveling van ziekenhuisverplaatste zorg voor kinderen vanuit de AWBZ naar zorgverzekeraars?1
Het bericht klopt niet.
Er bestaat op grond van de Zvw aanspraak op ziekenhuisverplaatste zorg aan ernstig zieke kinderen (0–18 jr). Het gaat hierbij om zorg waarvoor de verantwoordelijkheid bij de medisch specialist uit het ziekenhuis ligt, terwijl de uitvoering van de zorg door een (kinder)verpleegkundige plaatsvindt.
Na het advies van de commissie Bekostiging Intensieve Kindzorg (BIKZ), waarover de minister van VWS uw Kamer op 29 april 2010 heeft geïnformeerd2, wordt de bekostiging in de Zvw thans vormgegeven. Dat zal niet eerder zijn dan 1 januari 2014 . In het najaar zal de minister van VWS u berichten over de positionering van de ziekenhuisverplaatste zorg en de bekostiging daarvan, het tijdpad en de te ondernemen stappen. De bekostiging van de ziekenhuisverplaatste zorg aan ernstig zieke kinderen blijft tot die tijd nog via de AWBZ lopen.
Een groot aantal kinderen ontvangt zorg voor de functie begeleiding (al of niet in kinderhospices/verpleegkundige dagverblijven). Het is belangrijk dat dit type zorg voor deze kinderen beschikbaar blijft. De meeste zorg aan deze kinderen wordt op dit moment bekostigd vanuit pgb’s. Voor deze groep mensen met een persoonsgebonden budget blijft de budgetgarantie bestaan, in ieder geval totdat de reguliere bekostiging via de Zvw is vormgegeven (dus in ieder geval tot 1 januari 2014).
Is over de overheveling van ziekenhuisverplaatste zorg voor kinderen al een definitief besluit genomen? Zo ja, wanneer is dit besluit genomen en hoe is de Kamer daarover geïnformeerd? Zo nee, wanneer denkt u hierover een besluit te gaan nemen, en bent u bereid hierover de Kamer te informeren alvorens u dit besluit door gaat zetten?
Zie antwoord vraag 1.
Is u bekend hoeveel kinderen gebruik maken van ziekenhuisverplaatste zorg? Hoeveel van deze kinderen maken daarvoor gebruik van een persoonsgebonden budget?
Naar schatting van de in 2009 door de Minister van VWS ingestelde adviescommissie «Bekostiging Intensieve Kindzorg» (BIKZ) gaat het in Nederland om circa 1 000 kinderen. De meeste zorg aan deze kinderen wordt op dit moment bekostigd vanuit pgb’s.
Wat is uw reactie op de stelling in het bericht dat deze kinderen en hun ouders de regie over deze zorg verliezen, mede doordat zij na overheveling geen gebruik meer kunnen maken van een persoonsgebonden budget? Was u zich van deze gevolgen van overheveling bewust? Zo ja, welke maatregelen heeft u genomen of wilt u nemen om ervoor te zorgen dat deze kinderen en hun ouders regie over hun zorg kunnen behouden?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, zal de bekostiging van de intensieve kindzorg niet per 1 januari 2013 overgaan naar de Zvw. Thans wordt de positionering van de zorg in de Zvw en de bijbehorende bekostiging vormgegeven. Daarbij zal nadrukkelijk ook worden bezien op welke manier kan worden geborgd dat de zorg aan het kind zo goed mogelijk tot stand komt en het gezin adequaat wordt ondersteund.
Op welke manier is maatwerk na eventuele overheveling van ziekenhuisverplaatste zorg voor kinderen gewaarborgd?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verhoudt deze overheveling of het voornemen daartoe zich tot de budgetgarantie tot 2014 voor mensen die op dit moment een persoonsgebonden budget voor AWBZ-zorg hebben? Blijft die budgetgarantie, ook na eventuele overheveling, nog gegarandeerd tot 2014?
De budgetgarantie blijft in ieder geval bestaan, totdat de reguliere bekostiging via de Zvw is vormgegeven.
Bent u voornemens om de overheveling van ziekenhuisverplaatste zorg te monitoren?
Nadat de bekostiging via de Zvw tot stand is gekomen, zal ik deze zorg tezamen en in overleg met ZN, de NZa, het CIZ, het CVZ en veldpartijen gaan monitoren.
De onbereikbaarheid van de minister president voor ondernemers |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het moment op 6 april 2011 dat u aan de op dat moment aldaar aanwezige ondernemers, en aan ondernemer Roel Bakker in het bijzonder, uw mobiele telefoonnummer gaf met de opmerking dat ondernemers u altijd konden bellen?
Ja.
Wat was het idee achter deze geste?
Bereikbaar zijn.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Belofte; Rutte: Bel me!»?1 Kunt u de inhoud van dit artikel bevestigen?
Ik heb ervan kennisgenomen.
Is het waar dat u uw telefoon meerdere malen niet heeft opgenomen toen de heer Bakker u probeerde te bellen?
Nee. Ik heb van dhr. Bakker vernomen dat hij wel een belpoging heeft gedaan, maar toen hij geen voicemail kreeg het nummer vervolgens heeft weggegooid. Wel heeft mijn ministerie een mail van dhr. Bakker ontvangen. Het probleem is direct inhoudelijk uitgezocht. Helaas is daarna verzuimd om dhr. Bakker hierover terug te bellen.
Is het waar dat ook uw ministerie, het ministerie van Algemene Zaken, onbereikbaar is voor ondernemers als de heer Bakker?
Nee. Ik kan u overigens melden dat ambtenaren van mijn ministerie inmiddels in contact zijn met dhr. Bakker.
Valt dit voorval aan te merken als opnieuw een gebroken belofte aan ondernemers?
Nee.
Wat gaat u doen om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen?
Zie mijn antwoord op vraag 4 en 5.
De gevolgen van drie uitspraken van de Raad van State voor homoseksuele asielzoekers |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Leers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in drie hoger beroepszaken van homoseksuele asielzoekers?1
Ja.
Is het waar dat de Raad in deze uitspraken prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie om meer duidelijkheid te verkrijgen over de bescherming die de Europese Definitierichtlijn vereist voor homoseksuele asielzoekers? Wat is uw opvatting over deze vragen?
Ja, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie. Ik ben van mening dat het Nederlandse beleid ten aanzien van homoseksuelen zorgvuldig is en ook door de IND zorgvuldig wordt uitgevoerd in lijn met het geldende Europese recht. De regering zal uiteraard alle medewerking verlenen aan het beantwoorden van de vragen.
Welk betoog heeft u in de drie zaken bij de Raad van State naar voren gebracht, ten aanzien van de vraag of (en in welke mate) van homoseksuele asielzoekers «terughoudendheid kan worden verwacht bij het geven van invulling» aan hun homoseksualiteit in het land van herkomst?
Uitgangspunt in het pleidooi dat namens mij in de drie genoemde zaken bij de Raad van State is gehouden was dat van vreemdelingen met een homoseksuele gerichtheid niet kan worden verwacht dat zij hun geaardheid verbergen. Wat betreft het betrachten van terughoudendheid wil ik benadrukken dat Nederland niet aan een vreemdeling voorschrijft om terughoudendheid te betrachten bij het uiting geven aan zijn homoseksuele geaardheid. Die terughoudendheid kan onder omstandigheden voortvloeien uit de situatie in het land van herkomst. Ter zitting is benadrukt dat bij de beoordeling van asielaanvragen bezien moet worden of het voor de vreemdeling mogelijk is om op betekenisvolle wijze invulling te geven aan de seksuele geaardheid. Dit wordt beoordeeld aan de hand van het individuele asielrelaas. Tenslotte wil ik u verwijzen naar de uitspraken van de Afdeling van 18 april 2012 waarin het standpunt, zoals ter zitting naar voren gebracht, is samengevat.
Deelt u de mening dat Nederland van homoseksuele asielzoekers, die afkomstig zijn uit onveilige en homo-onvriendelijke landen, die bescherming zoeken in Nederland, niet mag vragen om hun seksuele geaardheid in het land van herkomst verborgen te houden en die niet openlijk te tonen, waardoor zij risico’s lopen en hun identiteit moeten verloochenen?
Ja. Op basis van het Nederlandse beleid geldt dat, indien betrokkene aannemelijk heeft gemaakt homoseksueel te zijn, op grond van de door betrokkene naar voren gebrachte verklaringen en de situatie zoals die uit de openbare bronnen blijkt, wordt beoordeeld in welke mate in het land van herkomst beperkingen worden opgelegd aan de beleving van de seksuele geaardheid. Indien aannemelijk is dat bij het bekend zijn of worden van de seksuele geaardheid in de directe (leef)omgeving van de asielzoeker gegronde vrees bestaat voor vervolging, dan wel een reëel risico op een onmenselijke behandeling, zal de vreemdeling in beginsel in aanmerking komen voor bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM.
Deelt u de mening dat de Nederlandse overheid ten opzichte van de Europese verdragen en richtlijnen ook een eigen invulling kan geven aan het asielbeschermingsbeleid voor homoseksuele asielzoekers, en derhalve een beleid kan voeren dat ruimhartiger is voor homoseksuele asielzoekers? Bent u daartoe bereid, mede met het oog op de lange behandelduur van de prejudiciële vragen bij het Hof?
Het staat Lidstaten vrij om een beleid te voeren dat gunstiger is voor vreemdelingen, mits dit niet in strijd is met Europese wet- en regelgeving.
Ik ben van mening dat Nederland een zorgvuldig beleid voert ten aanzien van homoseksuelen. Indien uit de beantwoording van de prejudiciële vragen zou blijken dat Nederland een gunstiger beleid voert dan de relevante Europese richtlijnen voorschrijven, dan zal dat voor mij ook geen zelfstandige reden zijn om een restrictiever beleid te gaan voeren.
Wat zijn de gevolgen van deze uitspraken van de Raad van State voor alle lopende asielzaken van homoseksuele asielzoekers? Is het waar dat de antwoorden op de prejudiciële vragen niet binnen twee jaar verwacht worden? Deelt u de mening dat, nu over de essentie van het beschermingsbeleid voor homoseksuele asielzoekers bij de hoogste bestuursrechter juridische vragen zijn gerezen, het in afwachting van de antwoorden op die vragen, aangewezen is om lopende aanvragen van homoseksuele asielzoekers aan te houden en geen homoseksuele asielzoekers uit te zetten naar het land van herkomst? Kunt u dit toelichten?
Ik verwacht de antwoorden op de prejudiciële vragen op zijn vroegst in de loop van 2013. Mede gelet op het door mij gestelde in de beantwoording van vraag 2 zullen de prejudiciële vragen geen invloed hebben op de wijze waarop aanvragen worden behandeld en procedures in zaken van homoseksuele asielzoekers door mij worden gevoerd. Het is aan de rechter of procedures in (hoger) beroep zullen worden aangehouden.
Een jager die een auto op de A15 raakt met een kogel |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jager raakt per ongeluk auto op snelweg»?1
Ja.
Is het waar dat geen proces-verbaal van het voorval is opgemaakt en dat ter plaatse is geconcludeerd dat de jager vrij uit ging? Zo ja, wie heeft dit geconcludeerd, op basis waarvan is dat geconcludeerd en is dat geen voorbarige conclusie? Zo nee, is de zaak nog in onderzoek en bij wie?
Door de politie is een opsporingsonderzoek ingesteld, waarvan proces-verbaal wordt opgemaakt. Geweer en munitie zijn in beslag genomen en worden thans onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut. Het OM beslist op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken over eventuele vervolging.
Is de jachtakte van de jager inmiddels ingetrokken? Zo ja, per welke datum en tot welke datum? Zo nee, waarom niet?
De jager beschikte over een jachtakte die recent is verlengd. Het onderhavige incident kan leiden tot intrekking van de jachtakte. Ook dit wordt nog nader onderzocht.
Is het waar dat de politie een jachtopziener heeft geraadpleegd om te achterhalen welke jagers in het bezit waren van een dergelijk wapen? Zo ja, was die informatie niet bekend bij de politie of de korpschef die verantwoordelijk is voor het bijschrijven van jachtwapens op de jachtakte? Zo nee, in welk opzicht klopt deze berichtgeving niet?
Nee, uit de berichtgeving blijkt dat de politie een jachtopziener geraadpleegd heeft om te achterhalen welke jagers in dat gebied actief waren. Dit was naar het oordeel van de politie de snelste manier om de mogelijke schutter te traceren.
Hoeveel jagers in Nederland zijn in het bezit van een kogelgeweer? Zo ja, kunt u dit specificeren naar kaliber en aangeven wat de reikwijdte van deze wapens is? Zo nee, bent u bereid om dit te inventariseren?
Er is geen centrale databank waarin de wapens van jagers zijn geregistreerd. Elk korps heeft zijn eigen registratiesysteem. Ik zie geen nut van of noodzaak tot een nadere specificatie. In de Flora- en faunawet en in het jachtbesluit is voorgeschreven met welke geweren uitvoering gegeven kan worden aan het bepaalde in deze wet cq dit besluit en aan welke eisen deze geweren dienen te voldoen. Kogelgeweren met getrokken loop mogen worden gebruikt bij de uitoefening van de jacht, beheer en schadebestrijding.
Weet u hoe groot de afstand was tussen de jager en de auto op het moment dat hij op de gans schoot en de kogel door de voorruit van de auto ging? Zo nee, waarom niet?
In het belang van het onderzoek kunnen daarover geen mededelingen worden gedaan.
Welk type kogel (bijvoorbeeld rond, spits, «hollow-point», «round-nose» ) werd gebruikt door de ganzenjager langs de A15 en uit welke materialen bestond deze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Wordt in de munitie waarmee gejaagd wordt nog steeds gebruik gemaakt van lood, bijvoorbeeld als loodkern of als «lead-round-nose»? Zo nee, waarom niet?
Er is geen totaalverbod op loodhoudende munitie in Nederland en ik overweeg dat ook niet. Naast jagers gebruiken o.a. militairen, politie en sportschutters genoemde munitie. Zij zijn allemaal gehouden aan de wettelijke bepalingen die gelden ten aanzien van gebruik en soort munitie.
Is er andere munitie, die in Nederland gebruikt wordt, waarin lood worden toegepast? Zo ja, hoeveel lood komt hierdoor in het milieu terecht? Bent u bereid een totaalverbod in te stellen op het gebruik en de verkoop van loodhoudende munitie in Nederland? Zo nee, is er een totaalverbod in Nederland voor het gebruik en de verkoop en gebruik van munitie die lood bevat?
Zie antwoord vraag 8.
Welke maatregelen dienen jagers te treffen om te voorkomen dat burgers ongewild doelwit worden van hun jachtactiviteiten? Vindt u de huidige voorzorgsmaatregelen en regels toereikend om de openbare veiligheid te waarborgen? Zo ja, waarom?
Jagers volgen een wettelijk verplichte opleiding die bijna een jaar duurt met theorie en praktijk. In deze opleiding wordt veel aandacht besteed aan de veiligheid en dit wordt tijdens een specifiek praktijkexamenonderdeel (Jachtpraktijk) ook getoetst. Uit het feit dat er zeer weinig incidenten gemeld worden met betrekking tot de veiligheid rond de jacht leid ik af dat voor die veiligheid over het algemeen goed zorg wordt gedragen en dat nieuwe maatregelen niet nodig zijn.
Deelt u de mening dat er sprake is van onzorgvuldig, onachtzaam en roekeloos handelen, wanneer in de nabijheid van openbare wegen in onoverzichtelijk terrein een kogelgeweer wordt afgevuurd met een reikwijdte die strekt tot aan die openbare weg of verder? Zo ja, bent u bereid om jagers en burgers hiertegen te beschermen door het jagen langs openbare wegen te verbieden? Op welke wijze en op welke termijn gaat u vorm geven aan een dergelijk verbod? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Is het waar dat de jager die in 2007 nabij de Bavelse berg bij Breda een wandelaar dodelijk verwondde met een vergelijkbaar kaliber kogelgeweer (.222, 7 mm) op duiven schoot? Zo nee, in welk opzicht klopt deze berichtgeving niet?
Uit tactisch onderzoek in genoemde zaak is gebleken dat verdachte een .222 Remington kogelgeweer heeft gebruikt. De verdachte beweerde op een duif te hebben gemikt, maar dat is niet vastgesteld.
Is het waar dat de jager die in 2007 bij Breda een wandelaar dodelijk verwondde toen hij met een kogelgeweer op duiven schoot door de rechtbank in Den Bosch veroordeeld is voor dood door schuld, omdat hij met een vuurwapen met een bereik van 1 500 meter in de richting van een onoverzichtelijk en openbaar terrein schoot? Zo ja, bent u bereid om het gebruik van kogelgeweren in een straal van ten minste 1 500 meter rond openbare wegen te verbieden?
Op 6 april 2010 wees het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch arrest in hoger beroep inzake het dodelijk schietincident op een jachtterrein bij Breda. De 73-jarige verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 337 dagen voorwaardelijk, voor dood door schuld. Het hof was van oordeel dat verdachte zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen door te schieten met een vuurwapen met een groot bereik in de richting van een onoverzichtelijk terrein.
Verder verwijs ik naar het antwoord op vragen 10 en 11. Vaak wordt er afschot gepleegd juist omwille van de (verkeers)veiligheid. Dit vindt daarom soms plaats nabij openbare wegen.
Is het waar dat er ook kogelgeweren door jagers gebruikt worden die veel grotere kalibers hebben? Zo ja, wat is het maximum kaliber dat in Nederland is toegestaan? Met welk doel wordt er gebruik gemaakt van groot kaliber?
Zie het antwoord op vraag 5. De Flora- en faunawet kent normering ten aanzien van het gebruik van jachtwapens, waaronder kogelgeweren. In deze normering is een minimum benoemd van energie-afgifte (om dierenleed te voorkomen), maar geen maximum.
Is het waar dat tijdens jacht op grote hoefdieren openbare wegen, paden en terreinen langdurig worden afgesloten voor het publiek in verband met de onveilige situatie die door de jacht ontstaat? Zo ja, bent u bereid de jacht in de nabijheid van deze wegen te verbieden? Bent u in geval dit onverhoopt niet gerealiseerd kan worden, bereid afsluiting van alle openbare wegen, paden en terreinen verplicht stellen wanneer er met groot kaliber wapens op dieren geschoten wordt?
In het kader van beheer en schadebestrijding, bijvoorbeeld als het gaat om de afschot van wilde zwijnen, kan voorgesteld worden dat de openbare veiligheid vergt dat terreinen tijdelijk worden afgesloten voor het publiek. Dat is een afweging die provincies en grondgebruikers moeten maken per individueel geval.
Is het waar dat de jager afkomstig was uit de omgeving en derhalve goed op de hoogte was van de aanwezigheid van de drukke A15? Zo ja, wat zegt dat volgens u over het vermogen van de persoon in kwestie om de gevolgen van zijn handelen te beoordelen?
Hierover kan ik geen mededelingen doen zolang de zaak in onderzoek is. Het Openbaar Ministerie beslist over de vervolging.
Deelt u, gelet op voorgaande vraag, de mening dat hier sprake is van een persoon die willens en wetens de openbare veiligheid in gevaar brengt? Zo ja, deelt u de mening dat dit moet leiden tot intrekking van de jachtakte? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 16.
Deelt u de mening dat, waar de rechter in een soortgelijk voorval met dodelijke afloop heeft geoordeeld dat sprake is van dood door schuld, justitieel onderzoek nodig is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 16.
Kunt u bevestigen dat de gans is geraakt? Zo ja, heeft de kogel het dier doorboord en dodelijk verwond of is het dier slechts gewond geraakt bij het incident en moet worden aangenomen dat het crepeert in de natuur? Om wat voor gans ging het eigenlijk?
Ja, de gans is dodelijk geraakt. Het betrof een grauwe gans.
Het artikel 'Probleemgezin kost 40.000 euro' |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Probleemgezin kost 40 000 euro»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de kosten voor zorg voor een probleemgezin gemiddeld zeker 40 000 euro per jaar zijn, en dat bij een probleemgezin gemiddeld meer dan 10 instanties betrokken zijn? Beschikt u zelf over soortgelijke cijfers?
Wanneer verschillende gezinsleden kampen met problemen op meerdere leefgebieden, is het niet ondenkbaar dat de benodigde zorg en/ of ondersteuning op een dergelijk bedrag uit komt. Het bedrag van 40 duizend euro per jaar is een optelsom van verschillende voorzieningen, zoals een bijstandsuitkering, de kosten van maatschappelijk werk en jeugdzorg. Dergelijke cijfers zijn mij bekend (zie ook het antwoord op vraag 3).
Herkent u ook het beeld dat instanties soms relevante informatie niet delen, waardoor soms tegengestelde eisen gesteld worden aan gezinnen? Bent u het met de onderzoekers eens dat het aanwijzen van één verantwoordelijke die met het gezin een integraal hulpplan opstelt kan leiden tot een meer doelmatige werkwijze? Wat is uw visie op het realiseren van een meer doelmatige werkwijze, zonder dat er een nieuwe bureaucratische laag ontstaat?
Bij multiprobleemgezinnen is vaak sprake van ernstige, complexe meervoudige problematiek waarvoor een samenhangend en integraal hulpaanbod nodig is. Als voor ieder deelprobleem een aparte medewerker aan de gang is, versnippert de zorg. Het belang van integrale dienstverlening wordt door de gemeenten echt wel gevoeld. Zo blijkt de achter de voordeur aanpak zoals in een aantal gemeenten wordt gevoerd erg effectief. Uit een maatschappelijke kosten en baten analyse[1] blijkt dat de aanpak één gezin, één plan, één regisseur zich kenmerkt door de laagdrempelige aanmelding (door professionals). Hierdoor worden meer huishoudens met meervoudige problematiek eerder bereikt. Ook worden er huishoudens bereikt die anders geen traject aangeboden zouden krijgen. Eén gezin, één plan is in toenemende mate een leidend principe voor iedereen die werkt met jeugdigen en gezinnen. Het is de aanpak die leidt tot snelle, passende, effectieve en samenhangende hulp aan gezinnen met meerdere problemen. Coördinatie van zorg is een belangrijke pijler in deze aanpak. Met als doel het versterken van de kracht van het gezin en het verbeteren van de kwaliteit van leven van de gezinsleden.
Een van de aanbevelingen van het rapport, het ervaring opdoen met integrale aanpak en maatwerk per gezin toe te staan sluit goed aan bij de doelen van onder meer de stelselwijziging jeugd.
Een omslag (transformatie) is nodig naar meer preventie en eerdere ondersteuning, uitgaan van de eigen kracht van jongeren en hun ouders, problemen minder snel medicaliseren, betere samenwerking rond gezinnen en zorg op maat.
Ziet u de meerwaarde van het in kaart brengen van de kosten voor zorg voor probleemgezinnen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven wat deze meerwaarde voor gemeenten kan zijn?
Het artikel in de Volkskrant laat zien wat de kosten van probleemgezinnen zijn als optelsom van verschillende voorzieningen. Dit beschouw ik als een goede aanzet voor gemeenten om de voorzieningen meer integraal te organiseren, waarmee een efficiëntere levering bereikt kan worden. Het onderzoek van Stade is in lijn met evaluatie van de Wet op de jeugdzorg en de bevindingen van de parlementaire werkgroep. Veel gemeenten zijn al bezig met visievorming aan gaande het realiseren van een integrale aanpak.
Deelt u de mening dat deze onderzoeksgegevens opnieuw duidelijk maken dat middelen die besteed worden aan probleemgezinnen volledig ontschot moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u de volledige ontschotting borgen?
Ik ben er van overtuigd dat wanneer de financiering en de regie van zorg en ondersteuning op belangrijke leefgebieden bij één en dezelfde bestuurslaag belegd wordt, er efficiënter effectiever én doelmatiger kan worden samengewerkt door alle partijen. Met name kwetsbare groepen, zoals multiprobleemhuishoudens, worden hierdoor beter in staat gesteld naar vermogen te participeren in de samenleving. Dat was ook de reden dat het kabinet hervormingen voorstond in het sociale domein omdat deze sterk met elkaar samen hangen en elkaar in hun effect kunnen versterken.
Bent u bereid dit of soortgelijk onderzoek breder te laten uitvoeren of gemeenten op de mogelijkheid te wijzen om dit soort onderzoek te laten doen, zodat gemeenten een beter inzicht krijgen in de kosten voor probleemgezinnen?
Ja. Ik financier bijvoorbeeld de monitoring van het project «VOLG», het door de MO-groep en GGD Nederland geïnitieerde project, hetgeen staat voor Volledig Ontschotte Lokale Gezinsondersteuning. In 2012 is in een aantal regio’s een pilot gestart gericht op een integrale hulpverlening aan multiprobleemgezinnen. De essentie is dat in een aantal samenwerkings/experimentgebieden een «ontschotte» aanpak voor jeugd- en gezinsondersteuning wordt ontwikkeld en uitgevoerd in samenwerking met de partners in het preventieve en curatieve circuit. De VOLG-aanpak komt voort uit brede overeenstemming over de noodzaak om de bestaande kokers en schotten in de ondersteuning en dienstverlening aan kinderen en gezinnen te vervangen door een integrale aanpak volgens de principes van één gezin, één plan2.
Hoe staat het met uw toezegging, gedaan tijdens het wetgevingsoverleg Jeugdzorg op 19 december 2011, om het voorstel te onderzoeken om tot een gezinsondersteunend budget voor gemeenten te komen?
Het gezinsondersteunend budget is een van de vormen waarmee gemeenten de hulp aan gezinnen kunnen bekostigen. Gemeenten zijn vrij om na de decentralisatie vanuit hun eigen visie op de jeugdhulp passende bekostigingsmodellen in te voeren. Om gemeenten voor te bereiden op en te ondersteunen in de nieuwe situatie onderzoekt het T-bureau jeugd van het Rijk en de VNG hoe gemeenten gefaciliteerd kunnen worden in het denken over en de inrichting van een bekostigingsmodel. Deze aanpak houdt onder andere in dat de leerervaringen van goede voorbeelden verspreid worden over alle gemeenten. De gemeenten die ervaring hebben met het gezinsondersteunend budget zijn hierbij nadrukkelijk in beeld. Deze Kamervraag daaraan bij.
De op handenzijnde uitzetting van een Kosovaarse familie die al 18 jaar in Groesbeek woont |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Leers |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 dat het echtpaar Xhafa en hun vier in Nederland geboren kinderen na een verblijf van 18 jaar in Groesbeek volgende week zullen worden uitgezet naar Kosovo? Zo ja, klopt dit bericht?
Is het waar dat de heer Sejdi Xhafa in 2002 lopende zijn asielprocedure tevergeefs is uitgezet naar Kosovo? Zo ja, waarom is hij destijds uitgezet? Waarom wordt het verblijf van de heer Xhafa in Luxemburg aan het gehele gezin tegengeworpen bij de toepassing van het generaal pardon?
Wat vindt u van het bericht2 dat uit een recente UNICEF-publicatie blijkt dat de uitzetting van minderjarigen naar Kosovo ernstige risico’s op lichamelijke en psychische gezondheidsschade oplevert?
Deelt u de mening dat er in dit geval, gezien het langdurige verblijf van de familie in Nederland en de mate van inburgering in de Groesbeekse samenleving, voldoende argumenten bestaan om te berusten in het definitieve verblijf van deze familie in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om af te zien van onomkeerbare stappen rond de uitzetting totdat deze vragen zijn beantwoord?