De remmende werking van preventie op de stijging van de zorgkosten een het terughoudende beleid inzake overgewicht |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het onderzoek van Marc Pomp, waaruit blijkt dat investeren in preventie en gezond ouder worden de kostengroei in de zorg met 6% kan doen dalen?1
Ja.
Wat is uw mening over het feit dat Healthy Ageingbeleid de zorguitgaven in 2050 kan beperken tot 18% van het bruto binnenlands product, terwijl het Centraal Planbureau eerder becijferde dat deze kosten in 2050 24% van het bruto binnenlands product (BBP) zullen uitmaken?
Lang en gezond leven is voor iedereen belangrijk en het kabinet ondersteunt dit dan ook met beleid, los van de vraag tot hoeveel procent beheersing van de zorgkosten dit zou kunnen leiden. We moeten namelijk voorzichtig zijn met deze cijfers. De verwachtingen zijn gebaseerd op rekenmodellen waaraan verschillende aannames ten grondslag liggen. Zo beschrijft de heer Pomp zelf meerdere scenario’s. In de meeste daarvan dalen de zorguitgaven niet of nauwelijks. Slechts in het meest extreme scenario, met de minst waarschijnlijke aannames, wordt een substantieel lager groeipad ten opzichte van de scenario’s van het CPB berekend. Daar komt bij dat Pomp de kosten van (nieuwe) preventieve activiteiten niet in zijn berekeningen meeneemt.
Wat is uw mening over het feit dat Marc Pomp positiever is over de effecten van preventie dan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), omdat het RIVM een stijging van de zorguitgaven mee rekent ten gevolge van langer leven?
Zoals ik bij vraag 2 al heb aangegeven is er in één van de doorgerekende scenario’s, met de minst waarschijnlijke aannames, een substantieel effect van preventie op de stijging van de zorguitgaven. In de meeste andere scenario’s in zijn rapport wordt geconcludeerd dat de zorguitgaven niet zullen afnemen door preventie. Dit is in lijn met de analyses van het RIVM.
Daaruit blijkt dat meer gezondheid en meer ziekte vaak hand in hand gaan. Het gaat in de volksgezondheid om dynamische processen waarin epidemiologische trends, demografische ontwikkelingen en zorguitgaven op een complexe manier in elkaar grijpen. Om een goed beeld te vormen moeten al deze aspecten worden meegenomen dus ook de stijging van de zorgkosten ten gevolge van langer leven. Neem hart- en vaatziekten als voorbeeld. Door een daling van het aantal rokers, het gebruik van cholesterolverlagers en betere zorg is de sterfte aan hart- en vaatziekten in de achterliggende decennia spectaculair gedaald. Daardoor is ook de ziektelast enorm afgenomen. In dezelfde beweging is echter het aantal patiënten met chronisch hartfalen gestegen, evenals de zorguitgaven hieraan. En daar komt nog bij dat de bevolking als gevolg van de succesvolle behandeling van hart- en vaatziekten ouder is geworden, waardoor helaas ook het aantal mensen met typische ouderdomsziekten zoals dementie is gestegen.
Wat vindt u van de stelling dat het RIVM een te enge definitie van preventie hanteert, en dat maatregelen op het gebied van levensstijl een bredere werking hebben en kleinere aandoeningen, die tweederde van de zorguitgaven betreffen, voorkomen?
Ook hierbij gaat het om verschillen in de aannames die onder de rekenmodellen liggen. Pomp gaat er, in zijn meest extreme scenario, vanuit dat de uitgaven voor alle ziekten door het healthy ageing beleid met 20% zullen dalen. Het RIVM neemt in haar berekening alleen de ziekten mee waar een effect van preventie mag worden verwacht en waarvoor de omvang van dat effect wetenschappelijk is onderbouwd. Daarin wordt een breed scala van preventieve activiteiten, van collectieve preventie tot «personalized prevention», meegenomen. Dit betekent dus dat er minder ziekten worden meegenomen omdat dit, volgens de onderzoekers van het RIVM, een realistischere voorspelling oplevert.
Het tweederde deel van de zorguitgaven waar de heer Pomp over spreekt betreft niet zozeer kleinere aandoeningen (het gaat bijvoorbeeld ook om verstandelijke handicaps en aangeboren afwijkingen), maar zorguitgaven waarvoor geen relatie met preventie of healthy ageing bekend is. Het is evenmin zo dat kleinere aandoeningen bij elkaar tweederde deel van de zorguitgaven voor hun rekening nemen. Het overgrote deel van de zorguitgaven houdt verband met psychische stoornissen, verstandelijke handicaps, dementie, beroerte, hart- en vaatziekten, kanker, artrose en andere aandoeningen van het bewegingsstelsel (zie www.kostenvanziekten.nl). Dit zijn allerminst kleinere aandoeningen.
Bent u van mening dat uw huidige beleid ten aanzien van preventie de kostengroei met 6% kan doen dalen? Zo ja, hoe? Zo nee, welke beleidswijzigingen gaat u voorstellen om dit wel te bereiken?
Het is niet realistisch om te verwachten dat alleen met preventie een daling van de kostengroei met 6% kan worden gerealiseerd. Daarvoor zijn de aannamen van Pomp te onwaarschijnlijk. Uit andere onderzoeken en uit de meerderheid van de scenario’s van Pomp zelf leiden we af dat preventie geen grote effecten heeft op de zorgkosten. Het onderzoek van Pomp biedt geen aanknopingspunten voor beleidswijzigingen. Dit laat onverlet dat dit kabinet blijft investeren in preventie, ook in healthy ageing-onderzoek, omdat gezondheid de kwaliteit van leven verbetert, en omdat dat bijdraagt aan arbeidsparticipatie en voor ouderen die langer zelfstandig willen blijven functioneren.
Bent u op de hoogte van het promotieonderzoek de heer De Gouw, directeur GGD Hollands Midden, waaruit blijkt dat het beleid ten aanzien van de publieke gezondheid en met name inzake de bestrijding van overgewicht, onvoldoende werkt?2
Ja.
Bent u van mening dat er sprake is van een integraal beleid ten aanzien van het terugdringen van overgewicht? Vindt u dat er voldoende samenwerking bestaat tussen verschillende ministeries en gemeenten, en dat er sprake is van een integraal lange termijnbeleid?
Ja, vanuit de Rijksoverheid zetten we in op integraal lange termijn gezondheidsbeleid. Ons beleid gericht op het tegengaan en terugbrengen van overgewicht is hier onlosmakelijk onderdeel van. Overgewicht staat al jaren als speerpunt in onze preventienota’s. Met gebundelde krachten vanuit publieke en private sectoren werken we over de grenzen van kabinetsperiodes heen aan effectief gezond gewicht beleid. Denk bijvoorbeeld aan ons beleid gericht op de gezonde werkplek, de gezonde school(omgeving), kennis- en productinnovatie en betrouwbare informatie voor de consument.
We doen aanpassingen indien nodig; aan de hand van ontwikkelingen en nieuwe inzichten houden we oog voor verbetering en versterking van ons beleid. Overigens heb ik in mijn nieuwe leefstijlbeleid diverse thema’s gebundeld ten gunste van integraal beleid. Zo heb ik gezond gewicht, sporten en bewegen en letselpreventie meer met elkaar in lijn gebracht.
Lokaal gezondheidsbeleid kent vele uitdagingen. Ik zie daar mooie verbindingen tot stand komen en initiatieven ontstaan in en tussen sectoren. Centrale faciliteiten zoals die van de Buurtsportcoach en van het Convenant Gezond Gewicht kunnen hier een stimulerende rol in spelen.
Bent u bereid voorstellen te doen voor een meer integraal beleid, waarbij de verantwoordelijkheid voor preventie en het terugdringen van overgewicht bij het hele kabinet komt te liggen in plaats van alleen bij u? Op welke wijze zou een dergelijk beleid kunnen worden vormgegeven?
De Landelijke nota Gezondheidsbeleid is een kabinetsbrede nota en beschrijft reeds onze gezamenlijke inzet vanuit gedeelde verantwoordelijkheid en overeenkomstige doelen.
Weegt de keuze voor een terughoudend beleid, dat gebaseerd is op het principe van eigen verantwoordelijkheid en eigen keuze van mensen, op tegen de wetenschap dat daarmee overgewicht onvoldoende zal worden teruggedrongen, en daarmee samenhangend de kosten van de zorg zullen stijgen en de individuele kwaliteit van leven van mensen nadelig wordt beïnvloed?
Overgewicht is een complex maatschappelijk probleem dat niet door de overheid alleen is terug te dringen. Maar ik heb er vertrouwen in dat het beleid van dit kabinet de beste kansen biedt om hier goede stappen vooruit in te zetten samen met alle andere partijen in de samenleving die daarbij nodig zijn. Ik lever een extra inspanning om jongeren te beschermen en hen een gezonde basis te geven. Voor mijn gezond gewicht beleid maak ik zo veel mogelijk gebruik van effectieve interventies en aanpakken. De Gezonde Schoolkantine en JOGG (Jongeren op Gezond Gewicht) zijn hier mooie voorbeelden van die laten zien dat onze aanpak en inzet werkt. Doordat ik kennis over goede voorbeelden en effectieve aanpak verspreid, verbindingen leg met sport en bewegen, opensta voor initiatieven en de dialoog met private partijen aanga, geloof ik dat we een stevige positieve bijdrage leveren aan de volksgezondheid.
Bent u bereid schriftelijk een uitgebreide reactie op beide onderzoeken aan de Kamer te zenden, ruim vóór het geagendeerde nota-overleg publieke gezondheidsbeleid op 5 maart 2012?
Ja, bij deze.
Hypotheekverstrekking aan mensen met een studieschuld |
|
Jacques Monasch (PvdA), Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Studieschuld geeft moeilijkheden bij hypotheek»?1
Ja.
Bent u van mening dat lenen voor een studie een verantwoorde keuze is, gezien de kans op een hoger inkomen, en daarom niet beperkt moet worden door stroeve hypotheekverstrekking?
Ik vind het verantwoord dat studenten voor het volgen van een opleiding een studielening aangaan. Het is ook verstandig de maandelijkse lasten van een studieschuld – evenals de andere vaste lasten – te laten meenemen in de hypotheekbeoordeling. Oud-studenten kunnen het geld voor de terugbetaling van hun studieschuld immers niet gebruiken voor de aflossing van een hypotheek.
Studieleningen hebben wel een sociaal karakter, dat gekenmerkt wordt door een gunstige rente, een lange terugbetaalperiode, terugbetaling naar draagkracht en kwijtschelding van de restschuld. Dit om problemen bij het terugbetalen te voorkomen.
Bent u van mening dat het kopen van een huis voor starters op de arbeidsmarkt in principe mogelijk moet zijn?
Zoals volgt uit de Woonvisie die in juli 2011 aan de Tweede Kamer is gestuurd zijn startende huizenkopers van belang voor de woningmarkt. Zij zijn van belang voor een goede werking van de woningmarkt als geheel, dus niet alleen voor de starters zelf, maar ook voor de doorstroming tussen de huur- en koopsector en binnen de huursector. Dit laat echter onverlet, dat starters het advies moeten krijgen een verantwoorde hypotheek af te sluiten.
Is er sprake van een verandering in de eisen die banken hanteren om hypotheken aan mensen met een studieschuld te verstrekken? Zo ja, wat vindt u daarvan? Zo nee, wat veroorzaakt dan de in het bericht vermelde stroeve kredietverlening?
Van de Nederlandse Vereniging van Banken (NvB) heb ik vernomen, dat de normen ten aanzien van het verstrekken van een hypotheek aan mensen met een studieschuld niet strenger zijn geworden. Bij het verstrekken van een hypotheek werd altijd al gevraagd naar eventuele andere schulden (o.a. studieschuld). Dit gebeurt op grond van artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht. Daarin wordt gesteld dat aanbieders van krediet (waaronder hypothecair krediet) voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet informatie over de financiële positie van de consument dienen in te winnen om overkreditering van de consument te voorkomen. Bij het bepalen van de financiële positie van de consument worden de lasten van studieleningen meegenomen. De manier waarop de studieschuld wordt meegerekend verschilt per bank.
De NvB geeft aan dat de normen niet strikter zijn geworden, maar wel dat ze scherper worden toegepast. Door de economische crisis is de nadruk meer komen te liggen op verantwoord lenen en letten de banken bij de verstrekking van de hypotheek extra op de financiële positie van de consument.
De vergoeding van hulpmiddelen voor uitwendige elektrostimulatie ter behandeling van chronische pijn |
|
Henk van Gerven , Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat chronische pijn een ernstige aandoening is die in ieder geval niet als «lage ziektelast» kan worden aangemerkt? Zo nee, waarom niet?
Aan het College voor zorgverzekeringen (CVZ) heb ik op 7 maart 2011 gevraagd te adviseren over de toepassing van de lage-ziektelastbenadering. Ik verwacht dit advies binnen niet al te lange tijd van het CVZ te ontvangen. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het advies van het CVZ zal het kabinet een standpunt innemen en daarover de Kamer informeren.
Het advies dat CVZ gaat uitbrengen over de elektrostimulatie vloeit overigens niet voort uit het advies over de lage-ziektelastbenadering.
Deelt u de mening dat verlaging van de ziektelast bij chronische pijn uw aandacht verdient, gelet op de hoge prevalentie van rond de 20%, de aantasting van de kwaliteit van leven, het functioneren en de arbeidsproductiviteit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze onderneemt u actie om dit veelvoorkomende gezondheidsprobleem terug te dringen?
Het is mij bekend dat het CVZ voornemens is te adviseren over hulpmiddelen voor uitwendige elektrostimulatie. Betrokken partijen zijn inmiddels geconsulteerd over het conceptadvies. Ten behoeve van deze consultatie hebben deze partijen het conceptadvies strikt vertrouwelijk ontvangen. Op basis van de commentaren uit het veld en de beraadslagingen in de Duidingscommissie Pakket en de Adviescommissie Pakket kunnen er nog wijzigingen aangebracht worden. Er is dus nog geen openbaar advies van het CVZ waarop ik een standpunt kan innemen. Overigens zou ik het ook niet opportuun en zinvol achten een standpunt in te nemen op een conceptadvies dat nog – al dan niet in belangrijke mate – kan wijzigen.
Ik ga er vanuit dat het advies meeloopt in het pakketadvies 2012. Als dat zo is verwacht ik mijn oordeel mee te nemen bij mijn standpunt over het jaarlijkse pakketadvies. Dit standpunt ontvangt u uiterlijk begin juni.
Hoeveel patiënten in Nederland met chronische pijnklachten worden behandeld met Transcutaneous electrical nerve stimulation (TENS)? Voor hoeveel van deze patiënten is TENS, of een vergelijkbare therapie, de enige behandeling die nog verlichting brengt? Indien u niet over deze gegevens beschikt, bent u dan bereid dit te onderzoeken, alvorens te beslissen over het pakketadvies van het College voor zorgverzekeringen (CVZ)? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ervan op de hoogte dat het CVZ voornemens is te adviseren om uitwendige elektronische stimulatie ter behandeling van chronische pijn niet langer te vergoeden? Bent u van plan dit advies over te nemen?1
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de volgende passage uit het in opdracht van het CVZ uitgevoerde literatuuronderzoek naar de effectiviteit van uitwendige elektrostimulatie bij chronische pijn: «Het CVZ staat, als pakketbeheerder, voor de principiële keuze of het bereid is positief te adviseren over de vergoeding van een behandeling die in de praktijk aanzienlijke pijnverlichting kan bewerkstelligen, maar waarvan in onderzoek het effect voor een mogelijk belangrijk deel aspecifiek lijkt te zijn.»?2
Zie antwoord vraag 2.
Waarom geeft in de afweging van het CVZ de stand van de literatuur in dit geval de doorslag, en niet de stand van de praktijk, anders dan de bezuinigingsagenda van dit kabinet? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw oordeel over de opvatting van de onderzoekers dat vermindering van de ziektelast ten gevolge van chronische pijn een valide argument is om positief te adviseren over vergoeding van uitwendige elektrotherapie? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw oordeel over een gehanteerd argument vóór verwijdering uit het pakket, namelijk dat het de deur open zou zetten naar «vergoeding van allerlei interventies waarvan het effect vermoedelijk langs aspecifieke weg tot stand komt»? Kunt u concrete voorbeelden noemen van behandelingen waarop dit argument van toepassing zou zijn?2
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw oordeel over een ander genoemd argument vóór verwijdering uit het pakket, namelijk dat er steeds meer gezocht zal worden naar andere, meer effectieve interventies om de mechanismen waarlangs patiënten zelf controle kunnen uitoefenen over hun pijnsensatie, te activeren? Deelt u de mening dat het verstandig is eerst de ontwikkeling van die alternatieven af te wachten alvorens de huidige hulpmiddelen en behandelingen uit het pakket te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met de in de medische wetenschap gebezigde uitspraak «absence of evidence is not evidence for absence»? Hoe beoordeelt u in dit licht de opvatting van de onderzoekers dat, ondanks het gebrek aan eenduidigheid in de literatuur, patiënten in de praktijk wel degelijk baat kunnen hebben bij TENS en vergelijkbare behandelingen?3
Ik ben bekend met deze uitspraak. Voor de op grond van de Zorgverzekeringswet te verzekeren zorg geldt als uitgangspunt dat de zorg van bewezen waarde is.
Het is dus niet relevant of onderzoekers beweren dat mensen baat hebben bij een interventie, maar of de interventie voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. Deze voorwaarde geldt niet alleen bij chronische pijnklachten, maar voor alle klachten die complex zijn. Ik teken daarbij nog aan dat de verplichting om na te gaan wat werkt en wat niet, niet alleen voortkomt uit pakketbeheer, maar ook vanuit het perspectief van het leveren van verantwoorde zorg.
Deelt u de mening dat het gebrek aan eenduidigheid in de literatuur over de werkzaamheid van uitwendige elektrostimulatie voor een belangrijk deel kan worden verklaard door de complexiteit van chronische pijnklachten en de veelheid aan verschijningsvormen en oorzaken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Indien u de redenering van het CVZ overneemt, is dan niet de consequentie dat veel behandelingen voor complexe aandoeningen met een veelheid aan oorzaken zullen verdwijnen uit het basispakket vanwege gebrek aan eenduidigheid in de literatuur, terwijl de stand van de praktijk aantoont dat patiënten er baat bij hebben? Wilt u uw antwoord toelichten ?
Hiervoor verwijs ik naar mijn antwoord op de vragen 2 tot en met 9.
Deelt u de mening dat, indien de behandelende arts van oordeel is dat de patiënt is aangewezen op TENS of een vergelijkbare behandeling, deze behandeling vergoed dient te worden? Zo nee, waarom niet?
Nee die mening deel ik niet. Het is namelijk niet de behandelend arts die bepaalt of een behandeling in het pakket zit.
Het bericht dat het aantal onveilige abortussen wereldwijd is toegenomen |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Knapen (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Induced abortion: incidence and trends worldwide» van de World Health Organisation (WHO) en het Guttmacher Institute?1
Ja, ik ben bekend met deze, mede door Nederland gefinancierde studie.
Wat is uw reactie op de conclusie van het rapport dat het aantal onveilige abortussen in ontwikkelingslanden is gestegen, waardoor 50 000 vrouwen onnodig sterven en 8 500 000 vrouwen complicaties overhouden aan de onveilige abortus?
Deze cijfers zijn schokkend. Ze zijn des te schrijnender omdat, zoals de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) het omschrijft, «sterfte en blijvende schade als gevolg van onveilige abortus voorkomen kunnen worden».
Hoe beoordeelt u in het bijzonder de constatering dat de toename samenvalt met een vermindering in gebruik van voorbehoedsmiddelen?
Het rapport constateert naast de toename van het aantal onveilige abortussen een stagnatie in de stijging van het gebruik van anticonceptie. Dit is zeer zorgwekkend omdat achterblijvend gebruik van voorbehoedmiddelen leidt tot meer onbedoelde
zwangerschappen, waarvan vele eindigen in abortus – vaak onder onveilige omstandigheden uitgevoerd. Een belangrijke oorzaak van sterfte onder vrouwen en moeders wordt zo in stand gehouden.
Ik zie dit als een gevolg van jarenlang achterblijvende investeringen in programma´s voor seksuele voorlichting en gezinsplanning. Deze dienstverlening houdt geen gelijke tred met de stijgende behoefte – onder meer veroorzaakt door bevolkingsgroei, een toenemend aantal jongeren en een snel groeiende wens van vrouwen, paren en jongeren, om later kinderen te krijgen, geboortes beter te spreiden en het kindertal te verminderen. Daarnaast blijkt er helaas nog te weinig interesse bij het bedrijfsleven om te investeren in anticonceptie. Zo worden de MDG 5 doelstellingen niet behaald.
Wat is uw reactie op de conclusie dat strenge wetgeving die toegang tot veilige abortus verbiedt een tegenovergesteld effect heeft en dat er juist ingezet moet worden op anticonceptie en seksuele voorlichting?
Deze studie bevestigt onze visie dat wet- en regelgeving die toegang tot veilige abortus verbiedt of bemoeilijkt, niet de weg is om gezondheid van vrouwen en moeders te verbeteren en hun reproductieve rechten te beschermen en te vervullen.
Dit kwam ook duidelijk naar voren in het rapport van de Speciaal Rapporteur van de Mensenrechten Raad betreffende het recht op gezondheid, de heer Anand Grover, die zijn rapport op 24 oktober 2011 in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties presenteerde. Nederland heeft de conclusie van Grovers rapport – dat belemmerende wet- en regelgeving onverwijld moet worden opgeheven – van harte ondersteund. De realiteit is echter dat in vele landen reproductieve rechten op grove wijze worden geschonden en in sommige landen zelfs steeds meer onder druk staan.
Ik deel de visie dat inzet op anticonceptie en seksuele voorlichting de te bewandelen weg is, en niet strenge en restrictieve abortuswetgeving.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze Nederland precies bijdraagt aan de verwezenlijking van Millenniumdoel 5: Verbetering van de gezondheid van moeders?
De specifieke rol die Nederland speelt en blijft spelen heeft betrekking op die delen van de MDG 5 agenda die verwaarloosd zijn en die voor velen moeilijk bespreekbaar, taboe of verboden zijn. Dat betreft het bevorderen van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; seksuele voorlichting met name voor tieners en jongeren; verbeteren van de beschikbaarheid van en toegang tot anticonceptie, ook voor tieners; veilige(r) abortus; decriminalisering van abortus en het nastreven van minder restrictieve wet- en regelgeving.
Voor zorg rond zwangerschap, bevalling, in de kraamtijd (een kritieke periode voor zowel moeder als kind) en voor sommige anticonceptiemethoden is een goed functionerend gezondheidszorg systeem nodig, inclusief voldoende gekwalificeerd personeel. Ik ondersteun daartoe versterking van de beroepsgroep van vroedvrouwen, hun scholing en opleiding, bijvoorbeeld via het NICHE programma. Ook is er een focus op de inzet van particuliere zorgverleners. Met een mix van publieke en private dienstverlening kan de zorg uitgebreid worden, kunnen meer mensen bediend worden, en kunnen reproductieve rechten beter vervuld worden. Ik breid samenwerking met de private sector uit voor verbreding van het productenpakket en de dienstverlening. Zoals reeds toegezegd zal ik u in april 2012 uitgebreider informeren over mijn concrete beleidsvoornemens.
Welke specifieke rol is volgens u voor Nederland weggelegd ten aanzien van deze ontwikkelingen, in relatie tot Millenniumdoel 5?
Zie antwoord vraag 5.
Ziet u aanleiding om de Nederlandse inzet te intensiveren of anderszins te wijzigen naar aanleiding van dit rapport? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Dit rapport is voor mij aanleiding om te blijven bijdragen aan dit type onderzoek, en aan de publicatie en verspreiding van onderzoeksgegevens. Ook zet ik nadrukkelijker in op anticonceptie, gezinsplanning en seksuele voorlichting, onder andere via gerichte programma’s en voorlichtingscampagnes in onze partnerlanden. Met andere spelers op internationaal en landenniveau wordt in 2012 grotere aandacht gevraagd voor anticonceptie en andere benodigdheden voor MDG 5. Wat betreft het tegengaan van onveilige abortus zet ik in op betere verspreiding van medicijnen door een publiek-privaat partnerschap.
Het bericht ‘OPTA waarschuwt ondernemers voor ongewilde telefonie overstap’ |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Ad Koppejan (CDA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) «OPTA waarschuwt ondernemers voor ongewilde telefonie overstap»?1
Ja, met dit persbericht heeft OPTA zakelijke gebruikers willen waarschuwen voor een probleem waar OPTA veel klachten over ontvangt.
Hoeveel klachten heeft de OPTA gekregen over dit onderwerp in het afgelopen half jaar?
OPTA heeft klachten ontvangen over bedrijven die zich richten op de zakelijke markt. Op dit moment zijn er 162 klachten bekend. Van deze 162 schriftelijke klachten hebben 102 klachten betrekking op het afgelopen half jaar.
Herinnert u zich nog het antwoord op eerdere Kamervragen, waarin u over ongewilde overstappen meldde: «Wel vind ik alles overziend dat er ruimte is voor verbetering. Uitgangspunt moet zijn dat contracten willens en wetens worden afgesloten en dat met oog daarop klanten goed worden geïnformeerd door hun aanbieder. Ik vind dat voor de bestaande procedure die geldt voor overzettingen (en wordt gefaciliteerd door de Vereniging COIN) aanscherpingen wenselijk zijn. Ik heb de betrokken partijen daarom opgeroepen om de bestaande procedures te versterken om overzettingen zonder adequate wilsuiting te voorkomen dan wel er voor te zorgen dat dergelijke overzettingen op een voor de gebruiker simpele manier ongedaan kunnen worden gemaakt. De betrokken aanbieders hebben aangegeven dat zij bereid zijn om mee te werken aan een oplossing als het betrokken bedrijf aangeeft terug te willen naar zijn «oude» aanbieder. Dit zal ik blijven volgen en ik stel uw Kamer op de hoogte van de uitkomsten?2
Ja.
Kunt u aangeven of aanscherpingen hebben plaatsgevonden, of ongewenste oversluitingen fors zijn afgenomen?
De bestaande door aanbieders van telefoondiensten gehanteerde procedure voor overzettingen is onlangs aangescherpt. Als de oorspronkelijke aanbieder een redelijk vermoeden heeft van overzetting zonder instemming van de abonnee, dan kan deze partij de nieuwe aanbieder vragen om de wilsuiting te overleggen. Als deze wilsuiting niet kan worden overlegd, dan kan een boete aan het bedrijf worden opgelegd. Deze aanscherpte procedure biedt een uitkomst voor klachten waarbij er geen instemming is van de abonnee. Het zal echter niet alle problemen rondom ongewenste overzettingen kunnen oplossen, bijvoorbeeld in de gevallen waarin wel een wilsuiting kan worden overlegd maar deze niet op een rechtsgeldige manier is verkregen.
De vraag of het aantal ongewenste oversluitingen fors zijn afgenomen is lastig te beantwoorden. Feit is wel dat de klachten hierover niet zijn afgenomen, maar eerder zijn toegenomen. De klachten die sinds juni vorig jaar bij OPTA zijn binnengekomen zijn wel van karakter veranderd. In het begin hadden de klachten vooral betrekking op het overstappen zelf. Klagers waren in de veronderstelling dat zij een vernieuwd product van hun oorspronkelijke aanbieder gingen afnemen door het ondertekenen van een antwoordkaart, maar de aanbieding bleek echter van een nieuwe aanbieder te zijn. Veel van de klagers hebben aangegeven dat zij zich misleid voelen door deze wervingstechniek. Thans richten de klachten zich op de problemen die ontstaan bij het teruggaan van de nieuwe aanbieder naar de oude aanbieder. Het is bijvoorbeeld erg lastig om van het nieuwe contract af te komen.
Vindt u dat de telecomsector haar leven verbeterd heeft?
De klachten rondom ongewenste overzettingen bij zakelijke klanten doen zich thans voornamelijk voor bij ZakelijkeTelefonie.nl dat zich richt op zakelijke klanten. Voor zover mij bekend doen er zich bij andere bedrijven die zich richten op zakelijke klanten ongewenste oversluitingen veel minder voor.
Hoe beoordeelt u het feit dat het bedrijf, http://www.zakelijketelefonie.nl/home/, dat eerder aanleiding gaf tot de kamervragen, van de Reclame Code Commissie gehoord heeft dat haar uitingen strijdig zijn met de Nederlandse Reclame Code3 en dat het nog steeds klachten regent4?
In de uitspraak van de Reclame Code Commissie van 1 september 2011 (dossiernr. 2011/00584A) stelt de commissie dat de bestreden uiting van ZakelijkeTelefonie.nl in strijd in met de waarheid als bedoeld in artikel 2 van de Nederlandse Reclame Code. Het bedrijf heeft niet aannemelijk kunnen maken dat er door de klager verplichtingen zijn aangegaan jegens het bedrijf. In haar beslissing beveelt de Commissie ZakelijkeTelefonie.nl aan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken. Ik ben van mening dat de Commissie met deze uitspraak een duidelijk signaal afgeeft dat gebezigde reclame-uiting in strijd is met de Nederlandse Reclame Code.
Deelt u de mening dat het advies van de OPTA ondernemers niet veel verder helpt?5
Deze problemen kunnen niet met inzet van de bevoegdheden van OPTA worden opgelost. Binnen de wettelijke bevoegdheden die OPTA heeft moet OPTA zich dan ook beperken tot het geven van adviezen. Wel zullen ondernemers door deze adviezen extra alert zijn op ongewild overstappen.
Op welke wijze gaat u bevorderen dat kwalijke acquisitiepraktijken snel tot het verleden gaan behoren in de telecomsector?
Om de problemen op de korte termijn aan te pakken wijs ik op de verschillende mogelijkheden die erop zijn gericht om de klachten over ongewenste overzettingen te verminderen.
Ten eerste hebben de aanbieders van telefoondiensten recentelijk onderling een boeteregeling afgesproken (zie ook beantwoording op vraag 4). Deze aangescherpte procedure biedt alleen een uitkomst voor klachten waarbij er geen wilsuiting kan worden overlegd door de nieuwe aanbieder. Bij de oorspronkelijke partij kan dan een boete in rekening worden gebracht. In dat kader vraagt KPN naar aanleiding van de ontvangen klachten, de wilsuitingen van de zakelijke eindgebruiker op. Als deze wilsuiting niet kan worden overhandigd, heeft KPN het recht de overzetting naar de nieuwe aanbieder niet uit te voeren. Als de wilsuiting wel kan worden overhandigd dan gaat KPN na of uit de wilsuiting kan worden opgemaakt dat de zakelijke eindgebruiker daadwerkelijk heeft willen overstappen naar de nieuwe aanbieder.
Ten tweede kunnen ondernemers die menen dat zij zijn misleid door een verkeerde voorstelling van zaken, op grond van dwaling een beroep doen op de vernietigbaarheid van de overeenkomst (artikel 6:228 van het Burgerlijk Wetboek). Bij het bewust achterhouden van informatie door de aanbieder kan de overeenkomst worden vernietigd op grond van bedrog (artikel 3:44, tweede lid, BW). Als de ondernemer desondanks aanmaningen krijgt dan kan hij hiertegen bezwaar maken bij de nieuwe aanbieder en het incassobureau. Indien partijen onderling er niet uitkomen dan kan de ondernemer de zaak voorleggen aan de rechter.
Ten derde staat bij misleidende reclame gericht op zakelijke afnemers (artikel 6:194 BW en verder) de weg naar de rechter open. KPN heeft een kort geding procedure aangespannen tegen ZakelijkeTelefonie.nl waarin KPN eist dat de misleidende reclame wordt gestaakt. De zitting is op 28 maart jl. geweest; de uitspraak volgt nog.
Ten slotte is er meer bewustwording van dit probleem. Ondernemers worden via allerlei kanalen gewaarschuwd voor ongewenste overzettingen (bv. op de site van OPTA en de site van «Antwoord voor bedrijven»). Ook MKB Nederland is actief op dit dossier en wijst ondernemers erop dat ZakelijkeTelefonie.nl en KPN verschillende bedrijven zijn en geeft ook adviezen aan ondernemers wat te doen bij klachten.
Ik zal de ontwikkelingen volgen en mochten de problemen op korte termijn niet substantieel zijn verminderd dan is een meer structurele aanpak wenselijk. In dat kader wil ik wijzen op het voornemen van de Minister van Veiligheid en Justitie om voor kwalijke acquisitiepraktijken te onderzoeken of de wet- en regelgeving inzake oneerlijke handelspraktijken als voorbeeld kan dienen voor een eventueel op ondernemers toe te snijden maatregel (zie Kamerstukken II, 2011/12, nr. 337, p. 17). De uitwerking van dit voornemen dat tot doel heeft ondernemers beter te beschermen tegen kwalijke aquisitiepraktijken, zal ter hand worden genomen in samenwerking met mijn ministerie.
Het bericht dat er nog steeds te weinig hulp is voor zwaarst gehandicapten |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Een jaar na Brandon: nog steeds te weinig hulp»?1
Ja.
Herkent u de verhalen van ouders die geen kant uit kunnen met hun zwaar gehandicapte kinderen met gedragsproblemen, omdat er geen uitzicht is op passende zorg?
Ja, ik heb vaker ouders gesproken die uit onvrede met het bestaande zorgaanbod er voor kiezen hun kind thuis te verzorgen. Ik heb bijvoorbeeld ook met de ouders van één van de kinderen over wie het artikel gaat gesproken. Hun ervaringen zijn voor mij belangrijk, omdat zij een beeld geven van de handelingsverlegenheid die rond complexe zorg aanwezig kan zijn.
Hoe groot is de groep zwaarst gehandicapten waarvoor een-op-een-zorg nodig is? Welk deel van hen zit noodgedwongen thuis?
Uit de bestaande registraties is niet af te leiden hoeveel cliënten één op één begeleiding nodig hebben, noch hoeveel van hen noodgedwongen thuis zitten. Zoals uit het artikel naar voren komt, zijn er helaas ouders die, omdat zij geen geschikte (logeer)opvang voor hun kind kunnen vinden, hun kinderen thuis verzorgen. Ook zijn er ouders die om die reden een ouderinitiatief starten. Zoals vaker in complexe zorgsituaties is het niet uitsluitend een kwestie van één-op-één zorg, maar van een heel palet aan benodigde randvoorwaarden om geschikte, op de specifieke kenmerken van de cliënt afgestemde zorg te kunnen verlenen. Juist daarover heb ik de denktank complexe zorg gevraagd mij te adviseren.
Is het waar dat er geen, of onvoldoende, zorginstellingen zijn die een-op-een-zorg kunnen verlenen?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat er voor deze groep zwaarst gehandicapten ook geen, of onvoldoende, geschikte logeeropvang beschikbaar is?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het van groot belang is voor zowel de cliënten als de ouders of verzorgers dat er passende zorg beschikbaar is, zodat voorkomen kan worden dat de situatie voor alle betrokkenen escaleert, cliënten onnodig verder afglijden en verzorgenden overspannen raken, en dat gezinnen in deze situatie niet meer gedwongen zijn te «survivallen»?
Ja, ik vind dat elke cliënt recht heeft op de zorg die hij of zij nodig heeft. Waar deze zorg niet toereikend is, moet actie worden ondernomen om de cliënt wel de juiste zorg te kunnen bieden. Die zorg begint vaak in de thuissituatie. Ook daarover kan het CCE adviseren. Waar het gaat om instellingsgebonden zorg, heb ik onder andere de denktank complexe zorg ingesteld om mij (en de sector) te adviseren hoe om te gaan met complexe problematiek.
Deelt u de mening dat er nu gehandeld moet worden om deze zorg beschikbaar te maken en dat twee jaar wachten op de uitkomsten van een denktank alvorens tot actie over te gaan absoluut onverantwoord is?
Ik vind dat er zo snel als mogelijk gehandeld moet worden. Daarom heb ik de denktank gevraagd mij een tussenrapportage uit te brengen waarin de werkwijzen en organisatie van de complexe zorg beschouwd worden. Ik wil dat er zo snel mogelijk met de verbetervoorstellen aan de slag wordt gegaan. Ik zie geen reden om twee jaar met verbeterstappen te wachten. Ik wil mij op basis van de adviezen in de tussenrapportage beraden op de inrichting van de complexe zorg. Ik wil daarmee de zorg verbeteren gericht op de kwaliteit van leven van cliënten. Het gaat dan zowel om mensen die thans noodgedwongen thuis verblijven als mensen in een instelling.
De Amerikaanse actie tegen Megaupload en de arrestatie van een Nederlander |
|
Tofik Dibi (GL), Arjan El Fassed (GL) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten over het offline halen van Megaupload en de arrestatie van een Nederlander?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze door de FBI gecoordineerde internationale actie in het kader van internetvrijheid?
Nederland hecht veel waarde aan vrijheid van meningsuiting en internetvrijheid in het bijzonder. Internationaal maakt Nederland zich hier hard voor met de coalitie Freedom Online, opgericht in december 2011 tijdens de conferentie Freedom Online. Internetvrijheid kent echter beperkingen in het belang van de openbare orde en veiligheid en in het belang van de bescherming van de rechten van anderen. De Amerikaanse verdenking en het onderzoek daarnaar moet in dit kader worden bezien.
Krijgt de in Nieuw Zeeland gearresteerde Nederlander consulaire bijstand van het Nederlands consulaat-generaal in Auckland? Zo nee, waarom niet?
Hij ontvangt consulaire bijstand van de Nederlandse ambassade in Wellington.
Wat wordt hem precies tenlaste gelegd? Kunt u dit toelichten?
De gearresteerden worden verdacht van lidmaatschap van een criminele organisatie die zich op grote schaal bezighield met het schenden van auteursrechten en witwaspraktijken. De schade aan auteursrechteigenaren bedraagt naar schatting van de Amerikaanse autoriteiten $ 500 miljoen. De geschatte inkomsten van deze activiteiten bedragen $ 175 miljoen.
Klopt het dat de Nederlandse politie en het Openbaar Ministerie (OM) hebben meegewerkt aan deze zaak? Werd dat gedaan op verzoek van de FBI? Wanneer werd dat verzoek precies gedaan? Kunt u dit toelichten?
De medewerking van het OM en de FIOD vond plaats op grond van rechtshulpverzoeken. Deze zijn tussen eind 2011 en januari van dit jaar door het Amerikaanse Department of Justice gezonden naar het Ministerie van Veiligheid en Justitie.
Welke afspraken zijn er tussen Nederland en de Verenigde Staten gemaakt in dit soort zaken over samenwerking, informatieuitwisseling, opsporingsmethoden en mogelijke uitlevering? Kunt u dit toelichten?
Voor de genoemde vormen van samenwerking zijn van toepassing het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken (Trb. 2004, nr. 300) alsmede het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 2004, nr. 299). In deze verdragen worden de procedures omschreven voor het indienen van verzoeken en de gronden waaraan deze getoetst worden.
Is het waar dat Nederlandse servers in beslag zijn genomen? Door wie zijn die servers in beslag genomen en met welke redenen?
De servers zijn door het OM in beslag genomen op Amerikaans verzoek. Het is nu aan de Nederlandse rechter om het OM verlof te geven om het inbeslaggenomene aan de Amerikaanse justitiële autoriteiten te verstrekken. Over de achtergronden van de inbeslagname en over de inhoud van de servers kan ik verder geen mededelingen doen omdat het hier een lopend (buitenlands) onderzoek betreft.
Bent u bekend met Nederlandse journalisten en bloggers die veelvuldig gebruik hebben gemaakt van Megaupload om eigen beeldmateriaal op te slaan en te versturen? Deelt u de mening dat met deze door de FBI-gecoördineerde actie journalisten, bloggers en vele miljoenen internetgebruikers worden gecensureerd? Wat is er met het materiaal van deze journalisten en bloggers gebeurd? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat met het volledig offline halen van sites de persvrijheid en de vrijheid van informatievergaring wordt geschonden? Zo nee, waarom niet?
Zoals toegelicht in antwoord op vraag 2 kan internetvrijheid in bepaalde gevallen zoals boven aangegeven beperkt worden. Indien websites zich toeleggen op criminele activiteiten is het in het belang van de bescherming van de rechten van anderen om maatregelen te nemen.
Is dit de eerste zaak waarin de Nederlandse politie en het OM samenwerken met de Department of Justice Task Force on Intellectual Property? Hoe vaak heeft de Nederlandse politie en justitie met deze Amerikaanse taskforce samengewerkt?
Er zijn mij geen eerdere gevallen bekend waarin een Amerikaans rechtshulpverzoek was opgesteld ten behoeve van deze Task Force.
Over energiebesparing door innovatieve automatische zonwering |
|
Paulus Jansen |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Energiegebruik, comfort en zonwering»?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusie dat innovatieve vormen van automatisch geregelde buitenzonwering voor een groot aantal gebouwtypen2 een zeer groot energiebesparingspotentieel hebben3 voor verwarming, koeling en verlichting, zowel bij bestaande als nieuwe gebouwen?
Ja.
Is HR-zonwering4 al opgenomen in de standaardberekeningsmethode en -software voor het EPC/energielabel? Zo nee, wilt u bevorderen dat dit zo snel mogelijk gebeurt?
Voor utiliteitsgebouwen is HR-zonwering al opgenomen in de standaardberekeningsmethode en -software voor de EPC en het energielabel, voor woningen nog niet, maar ik zal dit bevorderen.
Komt HR-zonwering in aanmerking voor Energie Investerings Aftrek? Zo nee, wilt u bevorderen dat dit zo snel mogelijk gebeurt?
HR-zonwering staat niet als specifiek genoemde maatregel op de energielijst, waarin de maatregelen genoemd staan die voor de Energie Investerings Aftrek (EIA) in aanmerking komen. Er kan echter wel op twee manieren EIA worden aangevraagd bij toepassing van HR-zonwering bij utiliteitsgebouwen:
Voorstellen voor opname van HR-zonwering in de energielijst 2013 kunnen door iedere aanvrager worden ingediend, tot uiterlijk 1 september 2012, waarna deze worden beoordeeld door een commissie met een advies aan het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
Welke mogelijkheden ziet u om in het kader van het innovatiebeleid de doorontwikkeling van HR-zonwering via integratie in gevelsystemen, optimalisatie van de automatische besturing en integratie met (de besturing van) andere gebouwinstallaties te bevorderen?
De overheid stimuleert geen separate technieken, maar wel innovatie in het algemeen. Door stimuleren van een betere energetische kwaliteit van gebouwen, zowel bij nieuwbouw als bij bestaande bouw, wordt de doorontwikkeling van allerlei technieken, waaronder zonwering, geprikkeld.
Over het niet publiceren van verbeurde dwangsommen door overheden |
|
Ronald van Raak |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Waarom bieden veel ministeries en lagere overheden geen openheid over de omvang van de uitgekeerde dwangsommen wegens het overschrijden van beslistermijnen?1
Uit inventarisatie bleek dat niet voor alle ministeries helder was op welke wijze het aantal verbeurde dwangsommen moest worden gepubliceerd. Interdepartementaal is afgesproken dat voor de zomer van 2012 alle ministeries een overzicht via internet zullen publiceren van de verbeurde dwangsommen van zowel 2010 (voor zover dat nog niet gebeurd is) als 2011.
Kunt u een overzicht geven van de ministeries die geen overzicht publiceren en de ministeries die dat wel doen, met de bijbehorende bedragen van verbeurde dwangsommen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het belangrijk is dat ministeries en overheden zich houden aan beslistermijnen en dat het feitelijk verspilling van belastinggeld is wanneer er een financiële compensatie moet worden uitgekeerd vanwege het feit dat de overheid te laat was met het nemen van een besluit? Deelt u de mening dat er in ieder geval openheid moet zijn over de hoeveelheid geld die ministeries en lagere overheden jaarlijks kwijt zijn als gevolg van het niet tijdig nemen van besluiten?
Ja.
Bent u bereid er voor te zorgen dat in ieder geval alle ministeries jaarlijks op verantwoordingsdag in het jaarverslag opnemen welk bedrag zij kwijt zijn aan dwangsommen wegens niet tijdig beslissen? Kan die verantwoording voor alle ministeries al in de jaarverslagen over 2011 worden afgelegd? Zo nee, waarom niet?
In tegenstelling tot de publicatie via internet, zoals is toegezegd in het antwoord op vraag 1 en 2, is de verantwoording in de jaarverslagen over 2011 niet mogelijk, omdat de verantwoording over dwangsommen op dit moment niet is opgenomen in de voorschriften voor de rijksbegroting en verschillende ministeries al bezig zijn met de voorbereiding voor publicatie in andere rapportages of verslagen. Voor de verantwoording over 2012 zal in overleg met de minister van Financiën worden bezien of het mogelijk is de door een ministerie verbeurde dwangsommen mee te nemen in de verantwoording. Los daarvan kan ik u hierbij toezeggen, namens alle ministeries, dat in de toekomst de publicatie van dwangsommen jaarlijks zal plaatsvinden.
Hoe gaat u er voor zorgen dat ook lagere overheden jaarlijks de uitgekeerde dwangsommen publiceren?
Of lagere overheden wel of niet de verbeurde dwangsommen publiceren behoort tot de autonomie van lagere overheden. Er is geen verplichting tot publicatie opgenomen in de wet.
Vanaf wanneer kunnen we er op rekenen dat alle ministeries en alle lagere overheden jaarlijks een overzicht publiceren van verbeurde dwangsommen?
Voor wat betreft de ministeries verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 4.
Voor wat betreft de lagere overheden verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 5.
Het artikel “Uitbrander voor landmachtbaas” |
|
André Bosman (VVD) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Uitbrander voor landmachtbaas»?1
Ja.
Is het waar dat de Commandant Landstrijdkrachten door u «op de vingers is getikt» of op een andere wijze is teruggefloten naar aanleiding van zijn voornemen om bij personeelsreducties binnen de Landmacht bij uitstromers vooral te kijken naar kwaliteit? Zo ja, waarom vond u dit nodig?
Er is regelmatig contact met de commandanten van de defensieonderdelen. In een van de gesprekken is dit onderwerp aan de orde geweest.
Is het beleid om bij personeelsreducties binnen de Landmacht bij gedwongen uitstromers vooral te kijken naar kwaliteit teneinde het niveau van de organisatie zo veel mogelijk op peil te houden? Zo ja, hoe wordt dit vormgegeven? Zo nee, waarom niet?
Zoals uiteengezet in de brief van 20 mei 2011 (Kamerstuk 32 733, nr. 2) gebruiken commandanten bij de reorganisaties wel degelijk ook de criteria «kwaliteit» en «ervaring». In het antwoord op de vragen 4 en 7 wordt uiteengezet in welk kader de commandanten deze criteria toepassen.
Is het waar dat interne promoties bij de krijgsmachtonderdelen tijdelijk zijn bevroren? Zo ja, is dit om te voorkomen dat militairen in hun nieuwe rang een bedreiging vormen voor de collega’s met hetzelfde aantal strepen en zo nee, waarom dan? Deelt u de mening dat bij een moderne flexibele, organisatie promotie altijd een mogelijkheid moet zijn en zeker niet mag worden uitgesloten omdat dit een bedreiging zou zijn voor het hogere kader?
Ik heb de Secretaris-Generaal op 1 augustus 2011 de opdracht gegeven de maatregelen van de beleidsbrief uit te voeren. Met mijn brief van 1 augustus 2011 (Kamerstuk 32 733, nr. 37) heb ik de Kamer hierover geïnformeerd. De defensiebrede personeelsrichtlijnen aangaande de reorganisatie betreffen alle medewerkers. De commandanten van de defensieonderdelen hebben met de numerus fixuskaders gekregen voor hun personeelsbestand. Verder wordt het aantal bevorderingen beperkt met het oog op de gewenste verkleining van het aantal hogere officieren en onderofficieren, maar van een bevriezing is geen sprake.
De defensieonderdelen voeren zelf in hun domein de reorganisaties uit die voortkomen uit de beleidsbrief. Zij hebben daartoe de defensiebrede personeelsrichtlijnen verder uitgewerkt. De brief waarmee de commandant van het CLAS zijn personeel heeft geïnformeerd, heeft onbedoeld tot misverstanden geleid. De commandant van het CLAS zal in een nieuwe brief de misverstanden wegnemen.
Wat zijn de afspraken die met de bonden zijn gemaakt over de aanpak bij de reductie van tienduizend banen bij Defensie?
Met de vakbonden is overeenstemming bereikt over een Sociaal Beleidskader voor de periode 2012–2016,2 In bijlage ontvangt u een afschrift van dit beleidskader.
Bent u van mening dat bij de reducties het behoud van kwaliteit altijd voorop dient te staan?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening van de AFMP dat wanneer de afspraken met de bonden over de reducties ten koste gaan van de kwaliteit van de gehele organisatie dit maar voor lief genomen moet worden, of bent u het ermee eens dat een dergelijke instelling niet bijdraagt aan de ambitie om een moderne en hervormde krijgsmacht te hebben in 2014?
In de beleidsbrief Defensie na de kredietcrisis van 8 april 2011 (Kamerstuk 32 733, nr. 1) heb ik uiteengezet dat Defensie structureel moet bezuinigen en dat daardoor onder meer 12 000 functies komen te vervallen. Naast de vermindering van het aantal functies is het noodzakelijk de opbouw van het personeelsbestand aan te passen om de operationele gereedheid van de krijgsmacht en de betaalbaarheid van de defensieorganisatie structureel te waarborgen. Daartoe moet de gemiddelde leeftijd van het personeelsbestand worden verlaagd en moet het aantal militairen en burgers in hogere functies worden verkleind. Door deze maatregelen zal Defensie in 2014 beschikken over een kleinere krijgsmacht met goed personeel, gereed voor elke inzet binnen haar mogelijkheden.
Over oriënterende gesprekken die Shell voert in Zuid-Sudan |
|
Sjoera Dikkers (PvdA), Frans Timmermans (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Shell dat de mogelijkheid onderzoekt om actief te worden in Zuid-Sudan?1
Ja.
Kunt u bevestigen of Shell oriënterende gesprekken in Zuid-Sudan heeft gevoerd? Indien ja, wanneer bent u op de hoogte gebracht van deze gesprekken?
Overleg met Shell leverde de volgende informatie op. Shell verkent voortdurend mogelijkheden voor nieuwe activiteiten. Zo heeft het recentelijk ook een bezoek gebracht aan Zuid-Sudan. Dit betrof een algemene verkenning van de mogelijkheden in de nieuwe staat. Shell heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken en de ambassade in Juba hier van tevoren over geïnformeerd.
Kunt u bevestigen of Shell voornemens heeft om een pijpleiding van Zuid-Sudan naar Ethiopië aan te leggen?
Shell heeft laten weten dat het geen voornemens heeft om een pijpleiding van Zuid-Sudan naar Ethiopië aan te leggen.
Op welke wijze waarborgt u dat Shell open en transparant en op een maatschappelijk verantwoorde wijze zijn werk uitvoert in landen waar het mogelijk zaken wil gaan doen?
Met Shell wordt regelmatig gesproken over de invulling van maatschappelijk verantwoord ondernemen aan de hand van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en de daarin vervatte Ruggie Principles. Shell heeft verzekerd invulling te geven aan haar maatschappelijke verantwoordelijkheid en daarover transparant te communiceren.
Het bericht dat een kind in het buitenland bijna nooit naar een ouder mag reizen die al een verblijfsvergunning heeft |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Leers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Defence for children over de gevolgen van het verscherpte beleid voor kinderen in het buitenland die zich met een in Nederland toegelaten vluchtelingouder willen herenigen?1 Zo ja, wat was uw eerste reactie?
Wat is uw oordeel over het feit dat bijna ieder kind dat z’n ouder(s) (die reeds een vergunning heeft/hebben) wil nareizen naar Nederland is afgewezen in de eerste helft van 2011? Hoe verhoudt het Nederlandse beleid voor nareizende kinderen zich ten opzichte van de EU-richtlijn inzake gezinshereniging?
Deelt u de mening dat het strenge beleid voor deze groep kinderen niet past bij het uitgangspunt dat het gezin de hoeksteen is van de samenleving? Zo ja, bent u van plan het huidige beleid daarop aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u voorts de mening dat de bewijslast voor kinderen om de band met de ouders te bewijzen te streng is geworden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de bewijslast te versoepelen en hen met spoed en voorrang te behandelen?
Deelt u de mening dat de huidige hoorpraktijk – die soms uren achter elkaar duurt, waarbij vaak meerdere tolken vertalen, die niet is afgestemd op leeftijd- en ontwikkelingsniveau en waarbij geen rekening wordt gehouden met trauma’s – in strijd is met artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag en de aanbevelingen van het VN-Kinderrechtencomité? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke verbeteringen gaat u doorvoeren?
De jacht op illegale werksters door de vreemdelingenpolitie |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Leers , Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 dat de vreemdelingenpolitie jacht heeft gemaakt op illegale werksters door gekleurde vrouwen, die per bus reizen, te volgen naar hun werkgevers in de villawijken rond Haarlem vanuit de veronderstelling dat het ongebruikelijk is dat gekleurde vrouwen zich ophouden in plaatsen zoals Aerdenhout, Heemstede en Bloemendaal? Zo ja, klopt dit bericht?
Ja, ik ken het bericht. Het bericht mist echter enige nuance. De politie Kennemerland heeft in het kader van de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen naspeuringen verricht. Zij heeft zich hierbij gericht op personen die vermoedelijk niet rechtmatig in Nederland verbleven en werkzaam waren als huishoudelijke hulp. Daarbij is bij het algemene signalement geleund op de uiterlijke kenmerken van een deel van de doelgroep op een wijze die zich niet verhoudt met de daarvoor geldende bepalingen.
Deelt u de mening dat deze handelswijze generiek als onrechtmatig moet worden beschouwd na een eerdere rechterlijke uitspraak in een vergelijkbare zaak? Zo ja, waarom is deze onrechtmatige praktijk niet onmiddellijk gestaakt en blijkt uit onderzoek dat in 2011 nog 13 illegale werksters op vergelijkbare wijze zijn opgepakt?
Nadat er in de jurisprudentie in eerste aanleg verschillend mee om is gegaan, is door de hoogste rechter geoordeeld dat er in de voorbereiding van het vreemdelingentoezicht te veel nadruk is gelegd op de uiterlijke kenmerken. Om die reden is de staandehouding van deze personen – die overigens niet rechtmatig in Nederland verbleven en in strijd met de wetgeving arbeid verrichtten – onrechtmatig geacht. Dit oordeel van de hoogste rechter wordt uiteraard gevolgd en is leidend in vergelijkbare gevallen.
Wat vindt u ervan dat de politie deze handelswijze pas staakt als de Raad van State de werkwijze onrechtmatig verklaart? Wordt hiermee niet ernstig afbreuk gedaan aan de voorafgaande rechterlijke uitspraak waarin de onrechtmatigheid wordt uitgesproken?
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is gedaan nadat het inleidende beroep van de vreemdeling ongegrond is verklaard. Zoals gezegd werd in de jurisprudentie verschillend omgegaan met vergelijkbare zaken. Ik vind het te rechtvaardigen dat de Vreemdelingenpolitie haar handelswijze voortzet totdat de hoogste rechter een oordeel heeft gegeven, als in eerste aanleg verschillend is geoordeeld. De personen waarover het hier gaat zijn immers illegaal in Nederland en waren in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen aan het werk.
Bent u bereid om de vreemdelingenpolitie Kennemerland ogenblikkelijk te sommeren af te zien van verdere toepassing van deze onrechtmatige, discriminatoire handelswijze en de slachtoffers eenzelfde schadevergoeding toe te kennen als die de rechter in eerdere instantie ook al had toegekend? Zo nee, waarom niet?
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak is bekend bij de Politie Kennemerland. De politie houdt in haar handelswijze rekening met de grenzen die uit deze uitspraak volgen.
Ik zie geen reden voor een aanvullende regeling voor schadevergoeding. Door een vreemdeling kan beroep worden ingesteld tegen de maatregel van bewaring, welk beroep van rechtswege geldt als een verzoek om schadevergoeding. De vreemdeling kan eventueel tegen die uitspraak in hoger beroep gaan.
Ik verwijs verder naar de antwoorden op de vragen van de leden Karabulut en Ulenbelt (beiden SP), gesteld aan de ministers voor Immigratie, Integratie en Asiel en van Veiligheid en Justitie en aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de klopjacht op de negroïde werkster.
Het schip de Chariot dat naar verluidt munitie vervoerde met bestemming Syrië |
|
Jasper van Dijk , Angelien Eijsink (PvdA), Joël Voordewind (CU), Ad Koppejan (CDA), Kees Verhoeven (D66), Arjan El Fassed (GL) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving rond het schip de Chariot dat naar verluidt munitie vervoerde met bestemming Syrie?1
Ja.
Bent u bereid de Cypriotische regering om opheldering te vragen over de gang van zaken rond het transport dat enige tijd in Limassol lag aangemeerd? Wilt u daarbij vragen:
De doorvoer van wapens of munitie via een EU-lidstaat naar Syrië is in strijd met het EU wapenembargo tegen Syrië van 9 mei 2011. Mede op Nederlands initiatief is Cyprus hierover in EU context aangesproken.
Bent u bereid richting de Russische regering uw zorg uit te spreken, temeer daar de leverancier naar verluidt het staatsbedrijf Rosoboronexport zou zijn?
Ik zal mij ervoor inspannen dat de EU richting de Russische regering zorg uitspreekt en de Russische regering verzoekt wapenleveranties aan Syrië stop te zetten.
Kunt u aangeven welke status doorvoer heeft bij de naleving van wapenembargo's, meer in het bijzonder met betrekking tot dit transport?
Zie antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven hoe Nederland in een vergelijkbare situatie zou hebben opgetreden? Zou voor Nederland een rol hebben gespeeld dat geen overslag zou hebben plaatsgevonden (transit vs. transhipment)? Hoe waardeert u dit, in het licht van uitspraken van deze regering dat NAVO-bondgenoten en EU-landen op dezelfde wijze toetsen aan het Gemeenschappelijk Standpunt?
Export en doorvoer van wapens en munitie naar Syrië is sinds 9 mei 2011 verboden onder het EU wapenembargo. Het onderscheid tussen doorvoer met of zonder overlading is hier irrelevant. Op basis van het embargo zouden de Nederlandse autoriteiten elke aanvraag afwijzen voor doorvoer van militaire goederen via Nederland naar Syrië. Nederland verwacht dat alle EU-lidstaten zich houden aan EU wet- en regelgeving, inclusief door de EU ingestelde wapenembargo’s.
Bent u van mening dat het van belang is binnen Europa tot meer harmonisering te komen met betrekking tot wapendoorvoer en zo ja, bent u bereid al dan niet aan de hand van dit specifieke voorbeeld dit onderwerp binnen de COARM2 te agenderen?
Zowel in de COARM als in RELEX – de werkgroep die sanctieregelgeving opstelt – benadrukt Nederland dat controle op doorvoer vanuit de EU in alle lidstaten in ieder geval zo effectief dient te zijn dat geen Europese of internationale wapenembargo’s worden overtreden.
Bent u bereid u in internationaal verband in te zetten voor mogelijkheden tot strafrechtelijke vervolging van de kapitein en/of eigenaar van het schip en de lading in verband met het naar verluidt schenden van afspraken met Cyprus, dan wel het inschakelen van Europol/Interpol?
Het is primair aan de vlaggenstaat (Saint Vincent and the Grenadines) of de havenstaat (Cyprus) om waar mogelijk actie te ondernemen. De vlaggenstaat is in dit geval niet gebonden aan het EU wapenembargo tegen Syrië. Het is daarom in eerste instantie aan Cyprus te besluiten welk vervolg aan deze zaak te geven en te beoordelen of strafrechtelijke vervolging geboden is.
Toezicht op goede doelen |
|
Ewout Irrgang , Sharon Gesthuizen (SP), Farshad Bashir (SP) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de aflevering «Gift op drift» van het VPRO-programma Argos d.d. 14 januari 20121? Kunt u in uw reactie vooral ingaan op de resultaten uit het onderzoek van de Stichting Centraal Informatiepunt Goede Doelen (CIGD) dat veel organisaties niet aan alle voorwaarden voldoen om in het register van algemeen nut beogende instellingen (ANBI-register) te worden opgenomen, maar toch in het register zijn opgenomen?
Het onderzoeksrapport van de Stichting Centraal Informatiepunt Goede Doelen (CIGD) is opgevraagd. Het CIGD heeft ondanks herhaaldelijk aandringen om inzage in het volledige rapport er voor gekozen alleen een geanonimiseerd en geaggregeerd uittreksel van het onderzoek te verstrekken. Aan dit uittreksel kunnen geen inhoudelijke conclusies worden verbonden. Ik kan dus helaas geen oordeel geven over het onderzoeksrapport. In algemene zin is het zo dat bestuurders van instellingen die zijn opgenomen in het ANBI-register op het aanvraagformulier ANBI hebben verklaard dat deze instellingen voldoen aan alle voor ANBI's gestelde eisen. De Belastingdienst oefent toezicht uit op de feitelijke werkzaamheden van ANBI’s, waarbij onder meer wordt onderzocht of die werkzaamheden passen in de statutaire doelstelling en of aan de overige voorwaarden voor ANBI’s is voldaan. Indien mocht blijken dat een instelling niet voldoet aan één of meer voorwaarden, dan kan de Belastingdienst het bestuur van een instelling verzoeken om binnen een redelijke termijn de omissies te herstellen. Uiteindelijk kan de Belastingdienst ook de ANBI-status intrekken. Bij misbruik van de ANBI-status kan deze met terugwerkende kracht worden ingetrokken.
Hoe zorgelijk is het dat verschillende goededoelenorganisaties geen opvraagbaar beleidsplan hebben (19,6%), niet voldoen aan de complete bestuurseis (64%) en het toezicht helemaal niet gescheiden houden van de uitvoer (18%)?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat de Belastingdienst doen om iedere goededoelenorganisatie die is opgenomen in het ANBI-register wel aan alle voorwaarden te laten voldoen? Gaat de Belastingdienst bijvoorbeeld ANBI-statussen intrekken wanneer zij niet voldoen aan de voorwaarden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe gaat de u de aangenomen motie Omtzigt/Van Vliet3 uitvoeren, waarin wordt verzocht verschillende gegevens in het ANBI-register openbaar te maken? Wanneer verwacht u de aangevulde versie van het ANBI-register openbaar te maken?
Op dit moment heeft de Minister van Veiligheid en Justitie een wetsvoorstel in voorbereiding waarin de plicht voor ANBI’s om hun balans en staat van baten en lasten te publiceren zal worden geregeld. Het streven is dat dit wetsvoorstel voor de zomer kan worden aangeboden aan de Tweede Kamer.
Daarnaast werken de Ministers van Veiligheid en Justitie en van Financiën en de Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie samen om een gezamenlijke moderne visie op toezicht en transparantie te ontwikkelen. Dit is zo afgesproken in het convenant «Ruimte voor geven». In deze visie zal ook aandacht worden geschonken aan het openbaar maken van gegevens die betrekking hebben op ANBI’s.
De gang van zaken tussen het ministerie en het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Leers |
|
|
|
|
Herinnert u zich het algemeen overleg dat u met de Kamer heeft gevoerd op 12 oktober 2011 over de misstanden bij het COA?1
Ja.
Kunt u toelichten hoe de destijds door u geuite verontwaardiging over de bezoldiging van mevrouw Albayrak zich verhoudt tot de constateringen die op 10 januari 2012 door het Gerechtshof in Den Haag zijn gedaan, in het bijzonder ten aanzien van de zorgvuldigheid die in deze kwestie betracht had moeten worden door de werkgever en de verklaring voor het verschil in bezoldigingsgegevens, zoals weergegeven in rechtsoverwegingen 24 en 25 van het arrest?2
Kunt u nog eens helder uiteenzetten op welke wijze u als minister de afgelopen maanden en op welke momenten, contact hebt gehad met het COA en in het bijzonder met mevrouw Albayrak over haar bezoldiging? Indien nee, kunt u toezeggen dat dit punt expliciet wordt meegenomen in het reeds lopende onderzoek naar het COA?
Herinnert u zich dat u tijdens het algemeen overleg aangaf dat u heeft vastgesteld dat in ieder geval sprake was van een «inconsistentie in de informatie over de salarispositie van mevrouw Albayrak» zoals verstrekt door het COA omdat het salaris aanzienlijk boven de Balkenendenorm zou zijn en waarbij u aangaf achteraf verrast te zijn met «cijfers die volkomen anders blijken te zijn dan in eerste instantie is gezegd»?1
Hoe verhoudt uw uitspraak over »volkomen» onjuiste cijfers van het COA zich tot de vaststelling van de rechter dat uit rapportages van KPMG Advisory en de Rijksauditdienst blijkt dat de informatie van het COA zoals vermeld in de brief van 27 september 2011, aansluit op de administratie van het COA?
Hoe verhoudt uw uitspraak over «volkomen» onjuiste cijfers door het COA zich tot de vaststelling van de rechter dat het verschil tussen de bezoldigingsgegevens in de brief van het COA en het ontvangen salaris kan worden verklaard door het verschil in arbeidsuren te weten tussen 36 en 40 uur?3
Kunt u toelichten welke rol u precies heeft gehad bij het op non-actief stellen van mevrouw Albayrak, mede gezien uw uitspraak in de Kamer dat «de onduidelijkheid over de cijfers» voor u «de limit» was en dat dit voor u aanleiding was om mevrouw Albayrak op non-actief te stellen?1
Wat is de reden dat u gezien de «ongerustheid en verontwaardiging» over de vermeende gang van zaken bij het COA, uw ferme uitspraken over het hoge inkomen van mevrouw Albayrak en gezien de door u destijds geconstateerde «inconsistentie in informatie», alleen heeft aangestuurd op een op non-actief stelling van mevrouw Albayrak en niet tevens op een ontslagprocedure?
Kunt u toelichten hoe uw optreden ten aanzien van de Algemeen Directeur van het COA zich formeel verhoudt tot de taak van de Raad van Toezicht van het COA om als werkgever op te treden en tot maatregelen tegen een werknemer te besluiten?
Hoe verhoudt uw uitspraak dat u «achteraf bent verrast met cijfers die volkomen anders blijken te zijn dan in eerste instantie is gezegd» zich tot uw bewering in de Kamer dat u»vanaf het begin af aan bovenop de bezoldiging hebt gezeten» en dat negen maanden lang «uitgebreid overleg heeft plaatsgevonden over de vraag hoe de bezoldiging in overeenstemming kon worden gebracht» met de normering topinkomens?1
Hoe verhoudt uw uitspraak dat u «achteraf bent verrast met cijfers die volkomen anders blijken te zijn dan in eerste instantie is gezegd» zich tot de excuses van uw directeur-generaal die zij namens het ministerie op 23 september 2011 en daarmee reeds voorafgaande aan het overleg met de Kamer, aan de Raad van Toezicht van het COA heeft aangeboden in verband met de onjuiste informatie van het ministerie over het salaris van mevrouw Albayrak?4
Hoe verhoudt uw uitspraak dat u «achteraf bent verrast met cijfers die volkomen anders blijken te zijn dan in eerste instantie is gezegd» zich tot de e-mail van uw directeur-generaal waarin namens het ministerie wordt geadviseerd «communiceer naar buiten toe dat mevrouw Albayrak onder de voor de publieke sector geldende max inkomensnorm» zit?4
Hoe verhoudt uw uitspraak dat u «achteraf bent verrast met cijfers die volkomen anders blijken te zijn dan in eerste instantie is gezegd» zich tot de e-mail van uw directeur-generaal waarin door het ministerie wordt vastgesteld dat het inkomen van mevrouw Albayrak ongeveer tweeduizend euro hoger is dan de voor topmanagementgroep rijk gehanteerde norm, op basis waarvan voor aanpassing van het salaris, ondersteuning met advies wordt aangeboden door het ministerie?4
Herinnert u zich uw uitspraak in de Kamer dat zorgvuldig in deze kwestie aangaande het COA en mevrouw Albayrak moet worden opgetreden onder de stellingname «Eerst moeten de feiten op tafel liggen» en «Pas dan kun je tot een beoordeling komen en conclusies trekken»? Indien ja, kunt u toelichten waarom u dan niet terughoudender bent geweest in uw kwalificaties over de bezoldiging van mevrouw Albayrak, maar juist vooruitlopend op nader onderzoek of een gesprek met mevrouw Albayrak, met uw optreden en bewoordingen in de Kamer de schijn heeft gewekt dat de huidige bezoldiging van mevrouw Albayrak geheel niet conform afspraken met het ministerie zou zijn?
Kunt u aangeven wanneer de Kamer het door u tijdens het algemeen overleg van 12 oktober 2011 toegezegde overzicht, inclusief data, tegemoet kan zien waarin per datum precies wordt aangegeven waar en wanneer met u dan wel uw ambtenaren contact is geweest over de bezoldiging van mevrouw Albayrak en waarover precies is gesproken?
Kunt u toelichten welke «ingrijpende maatregelen», zoals verwoord in rechtsoverweging 31 van het arrest van het Gerechtshof Den Haag, door de ad interim bestuursvoorzitter van het COA per 1 januari 2012 zijn genomen?
Hoe verhoudt de positie van de ad interim bestuursvoorzitter van het COA zich tot de door de rechter gelaste terugkeer van mevrouw Albayrak in haar functie van Algemeen Directeur, nu de rechter constateert dat haar functie feitelijk hetzelfde is als de functie van Bestuursvoorzitter en de ad interim bestuurder dus feitelijk op de stoel van mevrouw Albayrak zit?5
Is de ad interim bestuursvoorzitter op enig moment dan wel in enige bewoordingen te verstaan gegeven dat hij waarschijnlijk voor ongeveer een jaar kan aanblijven en dat die tijd nodig is om een nieuwe bestuursvoorzitter te werven? Indien ja, bent u hiermee voornemens om mevrouw Albayrak niet haar werkzaamheden als Algemeen Directeur te laten hervatten? Indien nee, wat is uw reactie op de constatering van de rechter dat de verplichting om gedurende de op non-actiefstelling voorzieningen te treffen zodat werkzaamheden hervat kunnen worden, in dit geval bepaald onvoldoende zijn nageleefd door het COA?5
Op welke wijze zal de Raad van Toezicht van het COA bij de door de rechter gelaste hervatting van werkzaamheden door mevrouw Albayrak, waarborgen dat het lopende onderzoek naar de vermeende misstanden bij het COA onafhankelijk en onbelemmerde doorgang vindt?6
Deelt u de mening dat, in het licht van voorgaande vragen, uw informatie aan de Kamer over de bezoldiging van mevrouw Albayrak, inconsistent is gebleken? Indien nee, waarom niet?
Het artikel ‘KLM en Transavia in botsing met Schiphol’ |
|
Maarten Haverkamp (CDA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «KLM en Transavia in botsing met Schiphol»?1
Ja.
Kunt u aangeven of er iets veranderd is sinds de beantwoording van onze vragen ten aanzien van de botsing tussen KLM en Schiphol over de tarieven?2
De genoemde vragen aan de minister van Financiën hadden betrekking op een voorstel van Schiphol in 2010 om de transfertarieven te verhogen en de tarieven voor van Schiphol vertrekkende passagiers te verlagen. In het hierboven genoemde artikel in de Telegraaf gaat het om het besluit van Schiphol om alle tarieven met 4% te verhogen. De tariefregulering en de positie van de Staat als aandeelhouder die in de beantwoording van de hierboven vermelde vragen worden genoemd, is niet gewijzigd.
Gelden de conclusies uit het rapport van McKinsey & Company en Boston Consultancy Groep van april 2011 nog steeds?
Dit rapport, opgesteld in opdracht van Schiphol en KLM, gaat in op marktontwikkelingen en daarnaast specifiek op de consequenties van het voorstel van Schiphol uit 2010 om de transfertarieven te verhogen en de tarieven voor vertrekkende passagiers te verlagen. Zoals in het antwoord op vraag 1 genoemd, is een dergelijk tariefvoorstel thans niet aan de orde. De beschrijving van ontwikkelingen in de luchtvaartmarkt en kansen en bedreigingen voor de mainport Schiphol en KLM lijkt mij nog steeds actueel.
Hoe beoordeelt u het voornemen van Schiphol om, ondanks de passagiersgroei van het afgelopen jaar met de toezegging in 2009 om de tarieven niet te verhogen bij passagiersgroei, de prijzen te verhogen in het licht van de passage uit het Regeerakkoord waarmee toe wordt gezien op een concurrerend kostenniveau?3
De toezegging van Schiphol was dat men zich maximaal zou inspannen om een tariefsverlaging door te voeren op het moment dat het verkeer en vervoer weer substantieel is toegenomen tot het niveau van 2007. Schiphol heeft daarbij aangetekend dat noodzakelijke investeringen doorberekend moeten kunnen worden in de tarieven. Ik heb Schiphol gevraagd mij aan te geven hoe hier invulling aan wordt gegeven en wat dit betekent voor het tarievenbeleid. Schiphol heeft mij hierover nadere informatie toegezegd.
Kunt u aangeven of het huidige reguleringssysteem als transparant wordt geduid in de evaluatie van de Wet Luchtvaart? Zo ja, op welke manier is het systeem transparant? Zo nee, waarom niet?
Over de resultaten van de evaluatie van de Wet luchtvaart en het kabinetsstandpunt daarover zal ik u binnen enkele maanden informeren. Ik kan u al wel melden dat volgens onderzoeksbureau Ecorys de transparantie ten aanzien van de relatie tussen kwaliteit, investeringen en tarieven voor verbetering vatbaar is. In het kabinetsstandpunt zal worden aangegeven welke maatregelen hiertoe zullen worden genomen.
Wanneer is de evaluatie van de Wet Luchtvaart afgerond?
Het voor de evaluatie ingeschakelde onderzoeksbureau heeft inmiddels de werkzaamheden afgerond. Momenteel wordt mede op basis daarvan een kabinetsstandpunt voorbereid. Ik verwacht dat ik u de resultaten van de evaluatie en het kabinetsstandpunt begin april kan toesturen.
Bent u bekend met de plannen van Schiphol tot uitbreiden? Kunt u aangeven hoe wordt voorzien in het benodigde kapitaal?
Op dit moment heb ik hierover alleen globale informatie. De plannen zijn nog in ontwikkeling. Zo is Schiphol nog volop in gesprek met haar gebruikers over de plannen. De omvang van de investeringen en ook de financiering daarvan staan in dit stadium dus nog niet vast. Hoe dan ook is de staat als aandeelhouder van mening dat zijn deelnemingen in beginsel financieel onafhankelijk moeten opereren en dus geldt het uitgangspunt dat zij ook zelf in het benodigde kapitaal moeten voorzien voor de financiering van hun investeringen. Vandaar ook dat het van belang is dat deelnemingen hun investeringen kunnen terugverdienen.
Hoe verhouden de uitbreidingsplannen van Schiphol zich tot de eerder gedane toezegging niet grootschalig uit te breiden tot na 2014?3
Schiphol heeft destijds in 2009 aangegeven dat grote investeringen in de uitbreiding van het terminalgebouw op grond van de toenmalige marktverwachting in principe uitgesteld werden tot na 2014. Schiphol heeft toen tevens aangegeven dat men de marktontwikkeling nauwgezet volgt en dat investeringen al dan niet zullen worden heroverwogen afhankelijk van economische ontwikkelingen, de vraag van luchtvaartmaatschappijen naar piekuurcapaciteit, investeringsmogelijkheden en verwacht rendement. Ik heb van Schiphol begrepen dat het zwaartepunt van de investeringen van het zogenaamde masterplan na 2014 valt. Verder staat de fasering van dit plan nog niet vast.
Kunt u aangeven of Schiphol, gezien haar ambitie om uit breiden, investeringen in luchthaven Lelystad daarbij betrekt? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
De door Schiphol aangekondigde uitbreidingsplannen, die nog in ontwikkeling zijn, hebben betrekking op de mogelijke uitbreiding op de luchthaven Schiphol. Zoals u weet heb ik uw verzoek om nadere duiding te geven over de noodzakelijke investeringen in de luchthaven Lelystad en het bijbehorend tijdpad bij de heer Alders neergelegd en gevraagd om hier in zijn eindadvies over Lelystad aandacht aan te schenken.
Het hoogwater in Woltersum en andere plaatsen in de de provincies Groningen en Friesland en de roep om de aanleg van een extra gemaal in Lauwersoog |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de artikelen «Narrow Escape»1, «Verstevigen dijk begint dinsdag»2 en «Atsma: geen prioriteit aan nieuw gemaal Lauwersoog»?3
Ja, deze artikelen zijn mij bekend.
Waarom zijn er geen concrete en duurzame maatregelen genomen nadat al in 2004 bekend was dat van de 51 kilometer boezemkade 9,1 kilometer van het Eemskanaal niet voldeed aan alle vereiste normen voor stabiliteit en werd gekozen voor het slechts gedeeltelijk plaatsen van damwanden, terwijl in 2010 opnieuw grote problemen werden geconstateerd met de Groningse (zee)dijken?
De provincie Groningen heeft de normen voor de regionale waterkringen in 2005 vastgesteld. Daarna heeft het waterschap Noorderzijlvest de regionale waterkeringen getoetst. Hieruit is naar voren gekomen dat diverse trajecten verbeterd dienden te worden. Het waterschap geeft aan dat vrijwel alle werkzaamheden uitgevoerd zijn. Zo is een deel van de Eemskanaaldijk voorzien van een stalen damwand. Een ander deel van de verbetering maakt onderdeel uit van het project Dijkpark (Ten Boer).
De Groningse zeedijken maken onderdeel uit van het stelsel van primaire waterkeringen. Deze worden periodiek getoetst op basis van de Waterwet. Hierover heb ik u per brief van 29 november 2011 geïnformeerd in het kader van de derde landelijke rapportage toetsing primaire waterkeringen4. Verbetering van deze dijken maakt onderdeel uit van het nieuwe Hoogwaterbeschermingsprogramma (nHWBP).
Klopt het dat het nog 8 tot 10 jaar gaat duren voordat de Eemskanaaldijk tussen Garmerwolde en Woltersum verstevigd zal zijn (het Dijkpark)?
Het waterschap is al begonnen met het verbeteren van de Eemskanaaldijk te Woltersum. De huidige toplaag wordt verwijderd en vervangen door een nieuwe kleilaag. Hiermee wordt bereikt dat de opgetreden kwel door de dijk wordt gestopt. Maatregelen voor andere locaties worden parallel uitgewerkt. Voor 1 oktober 2012 zal het waterschap de kwaliteit van de Eemskanaaldijk verder verbeteren.
In het plan voor het Dijkpark (Ten Boer) wordt de Eemskanaaldijk ingepast in de lange termijn visie van deze regio. Met de realisatie van het Dijkpark, dat uit diverse (ruimtelijke) maatregelen bestaat, is, volgens de oorspronkelijke planning, circa 8 jaar gemoeid.
Klopt het dat de Eemskanaaldijk niet veilig wordt als er 16 meter gerijpte bagger aangeplakt zal worden, maar de dijk 46 meter breder moet worden zodat de veiligheid van mens en dier wel zou zijn gegarandeerd?
De verbetering van de Eemskanaaldijk bestaat uit twee fases. In de eerste fase, korte termijn, wordt de bestaande toplaag vervangen door een ondoorlatende kleilaag. In de tweede fase wordt voor 1 oktober 2012 de veiligheid verder verbeterd. Wat dit betekent voor de breedte van de dijk, is nu nog niet aan te geven, dat kan per locatie verschillend zijn, afhankelijk van de te kiezen wijze van versterken.
Daarnaast wordt gewerkt aan de lange termijn ontwikkeling in het kader van het Dijkpark Ten Boer. Daarbij wordt een dijkconcept uitgewerkt, waarbij het dijklichaam naast bescherming ook de mogelijkheid voor medegebruik krijgt. Daar hoort een dijkbreedte bij van circa 46 meter.
Waarom is het voor maatschappelijke organisaties en individuele burgers niet mogelijk om inzage te krijgen in het FUGRO-rapport waarin staat dat de Eemskanaaldijk met de huidige genomen en voorgestelde maatregelen nog steeds niet veilig is?
Het FUGRO-rapport, waarvan het waterschap de opdrachtgever is, dateert van december 2011 en is thans via de website van het waterschap beschikbaar.
Welke gevolgen zou een dijkdoorbraak bij Garmerwolde hebben voor twee risicovolle installaties: Swiss Combi, een slibverwerkingssysteem en de rioolwaterzuiveringsinstallatie Garmerwolde, beide liggend vlak achter de dijk?
Een dijkdoorbraak zou beteken dat het achterliggende gebied onder water komt te staan. Dit betekent dat ook de twee genoemde installaties onder water komen te staan. Om dit op voorhand te voorkomen heeft het waterschap noodmaatregelen getroffen, door het plaatsen van een tijdelijke waterkering bestaande uit zandzakken.
Welke concrete maatregelen gaat u treffen om de Eemskanaaldijk maar ook de andere zwakkere dijken in Groningen en Friesland daadwerkelijk aan te pakken en het zo daadwerkelijk veilig te maken voor inwoners van beider provincies?
Dit is een verantwoordelijkheid van de regionale waterkeringbeheerders, de waterschappen Fryslân en Noorderzijlvest. De provincie Friesland respectievelijk Groningen dient hierop toe te zien. Zie verder het antwoord op vraag vier van het lid Holtackers (CDA).
Is het waar dat u niet van plan bent de brede politieke en maatschappelijke oproep voor een extra gemaal in Lauwersoog te honoreren terwijl 800 inwoners van Woltersum en het Eemskanaal ternauwernood zijn ontsnapt aan een grote overstroming met enorme gevolgen voor mens en dier, huishoudens en veehouderijen?
Zie mijn antwoord op vraag 5 van de heer Holtackers (CDA).
Is het waar dat u van mening bent dat extra spuicapaciteit op het IJsselmeer een betere oplossing is voor hoogwater en wateroverlast voor de bescherming van mens en dier in Noord-Nederland dan het realiseren van een extra gemaal in Lauwersoog?
Rijk en regio hebben ieder hun eigen verantwoordelijkheid in de afvoer van overtollig water afkomstig uit Noord-Nederland. De noordelijke regio voert immers het overtollige water af naar het IJsselmeer, de Waddenzee en de Eems-Dollard. De mate van afvoer is afhankelijk van de waterstanden in deze drie gebieden.
Het peilbeheer van het IJsselmeer is een verantwoordelijkheid van het Rijk. Het realiseren van extra spuicapaciteit in de Afsluitdijk heeft effect op het beter handhaven van het waterpeil op het IJsselmeer. Dat is van belang voor delen van Friesland.
De regionale waterbeheerder is verantwoordelijk voor de aanvoer naar het Lauwersmeer en vervolgens de afvoer naar de Waddenzee, inclusief de keuze voor het realiseren en financieren van een extra gemaal in Lauwersoog.
Doorbehandelen ondanks niet-behandelverklaringen |
|
Anouchka van Miltenburg (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Doorbehandelende arts krijgt waarschuwing», dat ingaat op een casus waarin sprake was van doorbehandeling ondanks een niet-behandelverklaring?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe vaak deze situatie – doorbehandelen ondanks een niet-behandelverklaring – naar uw weten voorkomt?
Voor zover mij bekend, worden deze aantallen niet geregistreerd.
Wat is de juridische status van een niet-behandelverklaring? In hoeverre zijn artsen – onder andere via de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) – gebonden aan niet behandelen als de patiënt dit vast heeft laten leggen?
Ook in de zorg staat het zelfbeschikkingsrecht voorop. Met een niet-behandelverklaring kan de cliënt schriftelijk vastleggen dat hij geen toestemming geeft tot behandelen. In juridische zin is een niet-behandelverklaring een wilsverklaring. De grondslag voor de niet-behandelverklaring is artikel 7:450 van het Burgerlijk Wetboek. In dit artikel is bepaald dat toestemming door de cliënt of zijn vertegenwoordiger moet worden gegeven, voordat met de behandeling mag worden gestart. Het derde lid van artikel 7:450 BW ziet op verklaringen over de behandeling die de cliënt heeft afgelegd toen hij nog wilsbekwaam was, maar die eventueel gebruikt moeten worden in een situatie waarin de cliënt dat niet meer is. De zorgverlener heeft daarbij een eigen verantwoordelijkheid als hij meent dat sprake is van gegronde redenen, waardoor hij meent van de niet-behandelverklaring te moeten afwijken.
Een niet-behandelverklaring betreft een keuze van de cliënt betreffende behandelbeslissingen die grote gevolgen kunnen hebben. Deze beslissingen kunnen over leven en dood gaan. Daardoor is het een document waar cliënt en zorgverlener uiterst zorgvuldig mee moeten omgaan. Het is de verantwoordelijkheid van de cliënt om zo duidelijk mogelijk te zijn over zijn wil, maar ook de zorgverlener heeft een eigen verantwoordelijkheid. Uitgangspunt is dat de zorgverlener de wilsverklaring opvolgt en niet tot behandeling overgaat. Als eerder opgemerkt heeft de zorgverlener ook een eigen verantwoordelijkheid. Een zorgverlener mag niet zonder meer gevolg geven aan dit document. De zorgverlener moet zich ervan overtuigen dat de niet-behandelverklaring authentiek is en of de verklaring in de ogen van zorgverlener betrekking heeft op de aan de orde zijnde behandelingssituatie. De KNMG heeft in een handreiking «tijdig praten over overlijden» vastgelegd hoe om te gaan met de wens van de cliënt in geval van een niet-behandelverklaring. Als de zorgverlener meent dat de cliënt niet bedoeld heeft dat hij niet behandeld wil worden, kan hij gelet op bovenstaande, van de niet-behandelverklaring afwijken.
Is de niet-behandelverklaring blijvend geldig vanaf het moment van opstellen, of verloopt deze na enige tijd?
Een schriftelijke verklaring is van kracht zolang deze niet is ingetrokken of gewijzigd. Wel is het de professionele verantwoordelijkheid van de zorgverlener om conform de handreiking van de KNMG de wil van de betrokken cliënt te wegen. Daarbij moet de zorgverlener bekijken of betrokkene beoogd heeft in de aanwezige situatie niet te worden behandeld en op basis daarvan moet de zorgverlener besluiten wel of niet gevolg te geven aan de niet-behandelverklaring.
Kan de behandelende zorgverlener aansprakelijk worden gesteld voor medische schade of overlijden van de patiënt, wanneer hij zich aan de letter van de niet-behandelverklaring heeft gehouden? Kan eventueel ontstane medische letselschade door niet ingrijpen worden verhaald op de behandelende zorgverlener?
De wilsverklaring is het uitgangspunt, maar het is de professionele verantwoordelijkheid van de zorgverlener om conform de handreiking van de KNMG de wil van de betrokken cliënt te wegen en op basis daarvan te besluiten wel of niet gevolg te geven aan de niet-behandelverklaring. Wanneer een zorgverlener zijn handelwijze deugdelijk kan verantwoorden, ligt het niet in de lijn der verwachting dat deze zorgverlener aansprakelijk te stellen is voor zijn doen of nalaten. Medische letselschade uit dien hoofde is dan niet op hem te verhalen. De lijn als hiervoor geschetst, over hoe om te gaan met een niet-behandelverklaring, wordt bevestigd in tuchtrechtelijke uitspraken. Het is overigens niet aan mij, maar aan de rechter om te bepalen of de arts in een specifieke situatie correct heeft gehandeld en of schadevergoeding op zijn plaats is.
Kan de behandelende zorgverlener aansprakelijk worden gesteld voor medische schade of overlijden van de patiënt, wanneer hij in tegenstelling tot de niet-behandelverklaring toch heeft ingegrepen? Kan eventueel ontstane medische letselschade door dit ingrijpen worden verhaald op de behandelende zorgverlener?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt bij opname van patiënten in instellingen (ziekenhuizen en verpleeginstellingen) standaard aandacht besteed aan de vraag of de patiënt beschikt over een niet-behandelverklaring? Zo niet, vindt u dat dit wel onderdeel is van goed zorgverlenerschap?
Is de niet-behandelverklaring eenvoudig op te vragen voor behandelende artsen? Zo ja, waar? Zo nee, wiens verantwoordelijkheid is het dat de niet-behandelverklaring bekend is bij de behandelende zorgverleners?
Het is de verantwoordelijkheid van de cliënt ervoor te zorgen dat de zorgverlener op de hoogte is of kan zijn van zijn wilsverklaring. De meeste instellingen hebben een aanpak ontwikkeld zodat men, zeker in acute situaties, zo snel mogelijk kan achterhalen of er sprake is van een niet-behandelverklaring van cliënten.
Is voor zorgverleners voldoende helder wat precies verstaan moet worden onder een niet-behandelverklaring? Herkent u het beeld dat het vermoeden bestaat dat onder zorgverleners onduidelijkheid bestaat over wat in de praktijk precies verstaan moet worden onder niet-behandel beleid, waaronder niet-reanimeerbeleid? Bent u van mening dat het voor zorgverleners helder is hoe zij moeten handelen wanneer een bewoner van een instelling met een niet-reanimeer beleid dreigt te stikken in een stukje brood of een vergelijkbare situatie? Zo nee, kan hieruit geconcludeerd worden dat de huidige niet-behandelverklaring onvoldoende handvatten biedt voor zorgverleners om hier in de praktijk mee te werken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze kan deze situatie verbeterd worden?
Juridisch gezien is een niet-behandelverklaring goed te duiden. Het probleem is echter dat de niet-behandelverklaring in de praktijk niet altijd concreet genoeg is om alle onverwachte situaties op een adequate wijze te dekken. Het is voor de arts niet altijd duidelijk wat in het specifieke geval de status is van een niet-behandelverklaring en onder welke omstandigheden het behandelverbod al dan niet geldt. Ter ondersteuning van diens beslissing biedt de handreiking van de KNMG «tijdig praten over overlijden» professionals handvatten over hoe om te gaan met onder andere een niet-behandelverklaring.
De KNMG is op dit moment in gesprek met patiëntenorganisaties en ouderenbonden om ook een versie van deze handreiking voor cliënten te maken. Daarnaast is Verenso op dit moment samen met het Nederlands Huisartsen Genootschap en met subsidie van VWS, bezig met het ontwikkelen van een «Richtlijn reanimatiebeleid kwetsbare ouderen in verzorgingshuizen, verpleeghuizen en in de thuissituatie». In deze richtlijn zal ook worden ingegaan op het omgaan met niet-behandelverklaringen. Ik heb met Verenso afgesproken dat de richtlijn komend najaar zal worden opgeleverd.
De juridische houdbaarheid van de verplichting voor zorgverleners om mee te werken aan het Elektronisch Patiëntendossier |
|
Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op een artikel van Mr. A. van Eldijk, waarin hij betoogt dat de verplichting voor zorgverleners om mee te werken aan het Elektronisch Patiëntendossier juridisch onhoudbaar is?1
Voor alle helderheid, er is momenteel geen verplichting tot aansluiting op het landelijk schakelpunt.
Ik ben het oneens met de stelling van Mr. A. van Eldijk. Het artikel gaat voorbij aan het feit dat aanmelding van gegevens alleen is toegestaan met toestemming van de patiënt. Oftewel als de patiënt geen toestemming geeft mogen er geen gegevens beschikbaar worden gesteld. De zorgverlener blijft hiermee binnen de grenzen van het beroepsgeheim. De zorgverlener zal in het geval van een verplichting tot aansluiting op het Landelijk Schakelpunt, die er nu dus niet is, wel zijn systeem geschikt moeten maken voor het aanmelden en uitwisselen van gegevens. Op deze wijze krijgt de patiënt een recht op elektronische uitwisseling van zijn gegevens.
Deelt u de mening dat onder meer alle informatie die een patiënt aan de zorgverlener toevertrouwt en alle handelingen die de zorgverlener verricht, zoals het uitschrijven van recepten, de gekozen therapie en het aanhouden van een dossier van de patiënt, onder het beroepsgeheim vallen? Hoe verhoudt zich dit met de dwang om mee te werken aan het private EPD die zorgverzekeraars via hun contracteerbeleid uitoefenen? Wilt u uw antwoord toelichten?
Er bestaat op dit moment geen verplichting tot meewerken aan het EPD. Alle informatie die een patiënt aan de zorgverlener toevertrouwt en de handelingen die de zorgverlener verricht vallen onder het beroepsgeheim. Het deelnemen aan het private EPD conflicteert hier echter niet mee, zoals aangegeven bij antwoord 1. Zorgaanbieders mogen alleen gegevens beschikbaar stellen indien patiënten daarvoor toestemming geven.
Wat is uw reactie op de stelling dat het door zorgverzekeraars laten afdwingen van de aanlevering van behandelgegevens door zorgverleners doormiddel van het opnemen van bepalingen hierover in contracten juridisch niet mogelijk is? Wilt u uw antwoord toelichten?
Allereerst merk ik op dat, zoals door mij aan uw Kamer is gemeld bij brief van 18 januari 2012 (Tweede Kamer Vergaderjaar 2011–2012, 27 527 nr. 101), uit de door Zorgverzekeraars Nederland gegeven toelichting blijkt dat verzekeraars voor 2012 nog geen consequenties verbinden aan het niet aangesloten zijn op het LSP. Er geldt voor dit jaar dan ook nog geen verplichting voor zorgaanbieders om aangesloten te zijn.
Verzekeraars kunnen in de contracten afspraken maken over het, in voorkomende gevallen, op veilige en gestandaardiseerde wijze elektronisch communiceren tussen zorgaanbieders onderling. Zoals bij antwoord 1 is aangegeven geldt hierbij dat zorgaanbieders alleen gegevens beschikbaar stellen als er sprake is van toestemming van de patiënt.
Overigens verwijzen zorgverzekeraars bij hun contractering altijd naar de door de beroepsgroep gedragen standaarden en zien de koepels van de zorgaanbieders, die betrokken zijn bij de uitwisseling van medicatieberichten en berichten in het kader van de waarneming huisartsen, aansluiting op het LSP als kwaliteitsnorm voor de beroepsgroep. Het is dus uiteindelijk de beroepsgroep zelf die beslist of aansluiting op het LSP als kwaliteitsnorm voor die beroepsgroep geldt.
Hoe verhoudt het feit dat de opslag, uitwisseling en gebruik van de verplicht aangeleverde behandelgegevens niet meer plaatsvinden onder de controle van bij de behandeling betrokken zorgverleners zich tot het medisch beroepsgeheim? Wilt u uw antwoord toelichten?
Het medisch beroepsgeheim geldt onverkort. Zowel bij het verstrekken als raadplegen van medische gegevens geldt het beroepsgeheim voor zorgverleners. Uitwisseling van medische gegevens is toegestaan als er sprake is van toestemming van de patiënt. Met toestemming van de patiënt mag de zorgverlener gegevens beschikbaar stellen.
Kunt u uw bespiegeling geven over wat er met een huisarts gebeurt die via de inkoop van zorg gedwongen wordt tot gegevensuitwisseling via het EPD, terwijl hij van zijn patiënten het verzoek kan krijgen om geen gegevens uit te wisselen?
De huisarts zal, als zijn beroepsgroep aansluiting op het LSP tot kwaliteitsnorm heeft gemaakt, zijn systeem moeten aansluiten op het Landelijk Schakelpunt. De huisarts zal vervolgens gegevens beschikbaar moeten stellen van patiënten die daarvoor toestemming hebben gegeven. Van patiënten die geen toestemming hebben gegeven mogen geen gegevens beschikbaar worden gesteld, de patiënt bepaalt dus zelf of zijn gegevens mogen worden uitgewisseld.