Ziekenhuisverplaatste zorg voor kinderen |
|
Linda Voortman (GL) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht over overheveling van ziekenhuisverplaatste zorg voor kinderen vanuit de AWBZ naar zorgverzekeraars?1
Het bericht klopt niet.
Er bestaat op grond van de Zvw aanspraak op ziekenhuisverplaatste zorg aan ernstig zieke kinderen (0–18 jr). Het gaat hierbij om zorg waarvoor de verantwoordelijkheid bij de medisch specialist uit het ziekenhuis ligt, terwijl de uitvoering van de zorg door een (kinder)verpleegkundige plaatsvindt.
Na het advies van de commissie Bekostiging Intensieve Kindzorg (BIKZ), waarover de minister van VWS uw Kamer op 29 april 2010 heeft geïnformeerd2, wordt de bekostiging in de Zvw thans vormgegeven. Dat zal niet eerder zijn dan 1 januari 2014 . In het najaar zal de minister van VWS u berichten over de positionering van de ziekenhuisverplaatste zorg en de bekostiging daarvan, het tijdpad en de te ondernemen stappen. De bekostiging van de ziekenhuisverplaatste zorg aan ernstig zieke kinderen blijft tot die tijd nog via de AWBZ lopen.
Een groot aantal kinderen ontvangt zorg voor de functie begeleiding (al of niet in kinderhospices/verpleegkundige dagverblijven). Het is belangrijk dat dit type zorg voor deze kinderen beschikbaar blijft. De meeste zorg aan deze kinderen wordt op dit moment bekostigd vanuit pgb’s. Voor deze groep mensen met een persoonsgebonden budget blijft de budgetgarantie bestaan, in ieder geval totdat de reguliere bekostiging via de Zvw is vormgegeven (dus in ieder geval tot 1 januari 2014).
Is over de overheveling van ziekenhuisverplaatste zorg voor kinderen al een definitief besluit genomen? Zo ja, wanneer is dit besluit genomen en hoe is de Kamer daarover geïnformeerd? Zo nee, wanneer denkt u hierover een besluit te gaan nemen, en bent u bereid hierover de Kamer te informeren alvorens u dit besluit door gaat zetten?
Zie antwoord vraag 1.
Is u bekend hoeveel kinderen gebruik maken van ziekenhuisverplaatste zorg? Hoeveel van deze kinderen maken daarvoor gebruik van een persoonsgebonden budget?
Naar schatting van de in 2009 door de Minister van VWS ingestelde adviescommissie «Bekostiging Intensieve Kindzorg» (BIKZ) gaat het in Nederland om circa 1 000 kinderen. De meeste zorg aan deze kinderen wordt op dit moment bekostigd vanuit pgb’s.
Wat is uw reactie op de stelling in het bericht dat deze kinderen en hun ouders de regie over deze zorg verliezen, mede doordat zij na overheveling geen gebruik meer kunnen maken van een persoonsgebonden budget? Was u zich van deze gevolgen van overheveling bewust? Zo ja, welke maatregelen heeft u genomen of wilt u nemen om ervoor te zorgen dat deze kinderen en hun ouders regie over hun zorg kunnen behouden?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, zal de bekostiging van de intensieve kindzorg niet per 1 januari 2013 overgaan naar de Zvw. Thans wordt de positionering van de zorg in de Zvw en de bijbehorende bekostiging vormgegeven. Daarbij zal nadrukkelijk ook worden bezien op welke manier kan worden geborgd dat de zorg aan het kind zo goed mogelijk tot stand komt en het gezin adequaat wordt ondersteund.
Op welke manier is maatwerk na eventuele overheveling van ziekenhuisverplaatste zorg voor kinderen gewaarborgd?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verhoudt deze overheveling of het voornemen daartoe zich tot de budgetgarantie tot 2014 voor mensen die op dit moment een persoonsgebonden budget voor AWBZ-zorg hebben? Blijft die budgetgarantie, ook na eventuele overheveling, nog gegarandeerd tot 2014?
De budgetgarantie blijft in ieder geval bestaan, totdat de reguliere bekostiging via de Zvw is vormgegeven.
Bent u voornemens om de overheveling van ziekenhuisverplaatste zorg te monitoren?
Nadat de bekostiging via de Zvw tot stand is gekomen, zal ik deze zorg tezamen en in overleg met ZN, de NZa, het CIZ, het CVZ en veldpartijen gaan monitoren.
Het bericht dat drie homoseksuele Afrikanen uit Senegal, Oeganda en Sierra Leone een asielvergunning wordt geweigerd |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Leers |
|
|
|
|
Is het waar dat u heeft gesuggereerd dat mensen hun geaardheid verborgen moeten houden om vervolging in hun land van herkomst te voorkomen?1
Op basis van het in paragraaf C2/2.10.2 van de Vc 2000 neergelegde beleid wordt van een vreemdeling niet verwacht dat hij zijn gerichtheid in het land van herkomst verborgen houdt. Indien betrokkene aannemelijk heeft gemaakt homoseksueel te zijn, wordt, op grond van de door betrokkene naar voren gebrachte verklaringen en de situatie blijkens de openbare bronnen, beoordeeld in welke mate aan de homoseksuele vreemdeling in het land van herkomst beperkingen worden opgelegd ten aanzien van de beleving van de seksuele geaardheid.
Indien aannemelijk is dat bij het bekend zijn of worden van de seksuele geaardheid in de directe (leef)omgeving van de asielzoeker de opgelegde beperkingen zo ernstig zijn dat er sprake is van vervolging, zal de vreemdeling in beginsel in aanmerking komen voor bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag. Ik zal het beleid hierover verder verduidelijken in de Vreemdelingencirculaire.
Zoals uw Kamer bekend is, ga ik in de beantwoording van Kamervragen in beginsel niet in op het verloop van individuele zaken. Wel kan ik u meedelen dat in de door u genoemde drie zaken het asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden. De gestelde seksuele geaardheid in deze zaken wordt geloofwaardig geacht. Echter, de informatie over de positie van de homoseksuelen in de genoemde landen geeft onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat de enkele omstandigheid dat betrokkenen homoseksueel zijn, leidt tot vergunningverlening. Uitgangspunt is dat de asielzoeker zijn verklaringen betreffende het asielrelaas, ook met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid en de daaraan gerelateerde problemen, aannemelijk moet maken.
Als er sprake is van een actief vervolgingsbeleid naar aanleiding van de strafbaarstelling, waarbij er ook sprake moet zijn van een bestraffingsmaatregel van een zeker gewicht, wordt overgegaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning.
De enkele strafbaarstelling is echter niet voldoende.
Is het waar dat u asielaanvragen ongegrond heeft geacht, omdat de geaardheid van de aanvrager best door hem of haar geheim kan worden gehouden? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot artikel 2.10.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000? Zo nee, waarom worden deze drie homoseksuele asielzoekers teruggestuurd naar een land waar homoseksualiteit strafbaar is gesteld?
Zie antwoord vraag 1.
Volgt uit deze redenering dat als homoseksuelen hun geaardheid kunnen verbergen als vervolging dreigt, ook gelovigen in zulke gevallen hun overtuiging kunnen verbergen? Geldt tevens voor mensen van een bepaalde cultuur of etniciteit dat zij kunnen proberen deze zo goed mogelijk te verbergen en dat zij dientengevolge teruggestuurd kunnen worden naar hun land van herkomst ondanks het risico op vervolging aldaar als de waarheid aan het licht komt?
Zoals ik in mijn antwoord op de vragen 1 en 2 heb aangegeven zal, indien aannemelijk is dat bij het bekend zijn of worden van de seksuele geaardheid in de directe (leef)omgeving van de asielzoeker gegronde vrees bestaat voor vervolging, dan wel een reëel risico op een onmenselijke behandeling, de vreemdeling in beginsel in aanmerking kan komen voor bescherming. Dit geldt evenzeer waar het gaat om vervolging wegens religieuze overtuiging of culturele of etnische achtergrond. Dat van een vreemdeling wordt verlangd dit bij terugkeer verborgen te houden, is dan ook niet aan de orde.
Hoeveel Afrikanen hebben in recente jaren asiel aangevraagd wegens hun homoseksualiteit? Welk aantal daarvan is teruggestuurd om de reden dat van vervolging geen sprake zal zijn als zij hun geaardheid geheim houden?
Door de IND wordt niet in de geautomatiseerde systemen geregistreerd of een asielzoeker asiel aanvraagt wegens gestelde homoseksualiteit. Een dergelijke registratie acht ik ook in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens.
Wat is uw reactie op het feit dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gezien artikel 2.10.2 Vreemdelingencirculaire 2000, in diverse beoordelingen toch betoogt dat lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender asielzoekers (LHBT-asielzoekers) in het land van herkomst niet te vrezen hebben voor vervolging zolang zij discretie betrachten ten aanzien van hun seksuele geaardheid en genderidentiteit? Wat is uw reactie op het feit dat de IND in diverse gevallen zelfs over deze kwestie in beroep ging?2 Hoe kan worden voorkomen dat iets dergelijks in de toekomst nog gebeurt? Bent u bereid paragraaf C2/2.10.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 nog verder aan te scherpen en te expliciteren dan u nu voorstelt in uw reactie op het rapport «Fleeing Homophobia»?3
Mijn uitgangspunt is dat van vreemdelingen met een homoseksuele gerichtheid niet kan worden verwacht dat zij hun geaardheid verbergen. Wat betreft het betrachten van terughoudendheid, wil ik benadrukken dat Nederland niet aan een vreemdeling voorschrijft om terughoudendheid te betrachten bij het uiting geven aan zijn homoseksuele geaardheid. Die terughoudendheid kan onder omstandigheden voortvloeien uit de situatie in het land van herkomst.
Het asielbeleid is niet bedoeld om te garanderen dat personen hun seksuele geaardheid elders op dezelfde wijze kunnen uiten als zij in Nederland zouden kunnen doen. Bij de beoordeling van een asielaanvraag van een homoseksuele vreemdeling wordt door mij beoordeeld of de beperkingen, die in landen van herkomst worden opgelegd, als daad van vervolging moet worden aangemerkt.
Mij is bekend dat in ieder geval in een zaak die betrekking had op een asielzoekster uit Sierra Leone aan de vreemdeling is gesteld dat zij haar leven na terugkeer voort zou kunnen zetten, zoals zij dat eerder gedaan had. Uit haar relaas bleek dat zij haar geaardheid verborgen had gehouden voor haar omgeving. Dit strookt niet met het huidige beleid. Ik beoog met de ook in uw vraag aangehaalde verdere verduidelijking van de Vreemdelingencirculaire te voorkomen dat een dergelijke situatie zich in de toekomst nog voor zal doen.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Somaliërs kunnen voorlopig blijven en krijgen schadevergoeding»?1
Ja.
Is het waar dat u de hoger beroepszaken van zestien Somalische afgewezen asielzoekers heeft stopgezet omdat uitzetting praktisch moeilijk realiseerbaar is? Kunt u nader toelichten waarom daarvan sprake is?
Vreemdelingen afkomstig uit Somalië die niet in aanmerking komen voor een asielvergunning kunnen terugkeren naar hun land van herkomst, en dit wordt ook van hen verwacht. Voordat de verplichting wordt opgelegd om Nederland te verlaten wordt op zorgvuldige wijze getoetst of iemand bescherming behoeft en of iemand risico loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Vreemdelingen uit Mogadishu en overige delen van Zuid- en Centraal-Somalië zullen in veel gevallen in aanmerking komen voor bescherming.
Vreemdelingen afkomstig uit Zuid en Centraal-Somalië die niet in aanmerking komen voor bescherming, kunnen terugkeren via de internationale luchthaven van Mogadishu. Vanaf daar kan verder gereisd worden over land. Diverse luchtvaartmaatschappijen onderhouden vluchten op de luchthaven van Mogadishu, welke overigens buiten de stad Mogadishu ligt. Onlangs heeft zich Turkish Airlines daarbij gevoegd met een regelmatige verbinding en van deze mogelijkheden wordt ook in de praktijk gebruik gemaakt.
Terugkeer naar Noord-Somalië is eveneens mogelijk. Vanaf de luchthaven in Mogadishu kan worden doorgevlogen naar een luchthaven in Noord-Somalië. Door tussenkomst van de DT&V zijn al eerder enkele vreemdelingen op vrijwillige basis teruggekeerd naar Noord-Somalië, inclusief Puntland. Zoals gezegd is er een zeer regelmatige reizigersstroom en terugkeer is derhalve wel degelijk mogelijk.
Bij de voorbereiding van de gedwongen terugkeer van Somalische vreemdelingen die niet zelfstandig zijn vertrokken, heb ik geoordeeld dat het op dit moment niet mogelijk is om te komen tot een wijze van gedwongen terugkeer naar Noord-Somalië die ik verantwoord acht. Daarom zijn de hoger beroepen ingetrokken.
Volgde niet al automatisch uit uw beleid dat de uitzettingen van Somaliërs amper realiseerbaar waren, aangezien de hoofdstad Mogadishu, waar het enige vliegveld is gelegen, een oorlogsgebied is en slechts enkele gedeelten van Somalië nog als enigszins veilig kunnen worden beschouwd? Welke nieuwe ontwikkelingen zijn er? Op welke veilige wijze over land of via de lucht kan volgens u via Mogadishu het relatief veilige Zuid- en Centraal Somalië worden bereikt?
Zie antwoord vraag 2.
Kan uit uw intrekkingen van de hoger beroepszaken worden opgemaakt dat u de uitzettingen van alle Somaliërs opschort totdat de veiligheidssituatie in het land is verbeterd?
Neen. Die conclusie is onjuist. Zoals aangegeven verzet de algehele veiligheidssituatie zich niet tegen de terugkeer van vreemdelingen naar Noord-Somalië en de reden van het intrekken van de beroepen is dan ook niet hierin gelegen. De inzet blijft dan ook gericht op het zoeken naar verantwoorde mogelijkheden voor gedwongen terugkeer naar Noord-Somalië.
Welke gevolgen heeft dit voor de Somaliërs die momenteel in vreemdelingenbewaring zitten?
De vreemdelingenbewaring van Somaliërs die in vreemdelingenbewaring zaten met het oog op terugkeer naar Noord-Somalië, is opgeheven.
Op welke wijze wordt voor afgewezen Somalische asielzoekers die niet uitgezet kunnen worden, in onderdak voorzien?
Vreemdelingen die kunnen terugkeren maar dat niet doen, krijgen geen door de Staat bekostigde opvang, behalve de gebruikelijke uitzonderingssituaties: alleenstaande minderjarige vreemdelingen, gezinnen met minderjarige kinderen. Indien zij niet zelfstandig terugkeren, hoewel dat wel mogelijk is, eventueel met ondersteuning van de overheid, bestaat in beginsel geen verplichting tot, noch ben ik bereid om in onderdak te voorzien.
Bent u bereid om in elk geval ten aanzien van de Somalische gezinnen met minderjarige kinderen ruimhartig te bezien of aan hen alsnog asiel verleend kan worden, met het oog op de nog immer slechte veiligheidssituatie in Somalië en de mogelijke worteling van de kinderen in Nederland?
In het staande beleid wordt rekening gehouden met de bijzonder precaire veiligheidssituatie in met name Zuid- en Centraal-Somalië, inclusief Mogadishu. Dit beleid is nog recent gewijzigd aan de hand van de situatie aldaar. Ik houd dan ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, waaronder uiteraard ook zijn gezinssituatie valt.
Het bericht dat opnieuw een proefvaart van de nieuwe Frisc-rubberboten compleet is mislukt |
|
Marcial Hernandez (PVV) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Test nieuwe boot mariniers debacle»?1
Ja. Het bericht in De Telegraaf verwijst naar beproevingen met het snelle vaartuig (Fast Raiding, Interception and Special Forces Craft, FRISC) van het type Support Craft Caribbean (SCC).
In hoeverre staat u nog steeds achter uw antwoord op eerdere vragen, waarin u de opmerkingen van een Britse marineofficier ontkracht, die stelde dat de vaartuigen «ondeugdelijk» en «levensgevaarlijk» zijn en dat zowel het ontwerp, de productie als de constructie volledig ontoereikend zijn voor militaire doeleinden?2
De antwoorden op de vragen van 4 november 2011 (vergaderjaar 2011–2012, Aanhangsel Handelingen, nr. 563) hebben betrekking op beproevingen met andere types van het snelle vaartuig, een demonstrator, een lichte civiele uitvoering van het snelle vaartuig (Fast Raiding, Interception and Special Forces Craft, FRISC) en beproevingen van het FRISC-type Boarding Craft (BC). Naar aanleiding van deze beproevingen worden technische aanpassingen verricht om te voldoen aan de eisen van Defensie. Het antwoord op vraag 5 bevat een overzicht van deze aanpassingen.
Het bericht in De Telegraaf doet geen afbreuk aan mijn antwoorden op uw vragen van 4 november. Dit bericht verwijst naar beproevingen met het snelle vaartuig van het type Support Craft Caribbean (SCC). Het betreft een ander type FRISC met andere mogelijkheden tot manoeuvreren dan de demonstrator en de Boarding Craft (BC). Vanwege de verschillen tussen de FRISC’s wordt ieder type afzonderlijk beproefd. Eind 2012 wordt nog een type beproefd, de Raiding Craft (RC).
Kunt u nader toelichten wat er precies fout is gegaan tijdens deze (opnieuw) compleet mislukte proefvaart op de Noordzee? Hoe kan het dat de stoelen en het windscherm compleet afbreken tijdens het «dwarsgooien» bij hoge snelheid?
Het doel van de beproevingen in de Ierse Zee was vast te stellen of het FRISC van het type Support Craft Caribbean (SCC) voldoet aan de eisen van Defensie en welke veiligheidsvoorschriften, zoals limieten om te manoeuvreren, moeten worden toegepast. Het maken van een scherpe bocht bij de maximale snelheid van ongeveer 70 kilometer (km) per uur maakte deel uit van deze beproevingen. Bij deze extreme koersverandering op maximale snelheid is een stoel van het dek losgeraakt en zijn de bevestigingsrails aan het dek verbogen, is van twee stoelen de bekleding gescheurd en is een klein deel van het windscherm gebroken. Op grond van de beproeving worden technische aanpassingen gedaan (zie het overzicht in het antwoord op vraag 5) en worden de veiligheidsvoorschriften aangepast. Het vaartuig voldoet met deze aanpassingen aan de eisen van Defensie en kan veilig operationeel worden ingezet.
Hoe beoordeelt u het feit dat er nu al drie (bij ons bekende) testen zijn gedaan die compleet zijn mislukt, achtereenvolgens de test op Curaçao, waarbij de neus van het voertuig volledig is afgescheurd, de test nabij Den Helder waarbij de versterkte neus compleet werd afgescheurd en er vele problemen ontstonden met het drijflichaam van het vaartuig en nu de bovenstaande rampzalige proefvaart?
Het doel van de beproevingen is het vaststellen van de eigenschappen van het vaartuig, waaronder de veiligheidslimieten. Ook wordt vastgesteld of het vaartuig voldoet aan de eisen van Defensie. De doelstellingen zijn gehaald en de beproevingen zijn geslaagd. De knelpunten die tijdens de beproevingen zijn geconstateerd worden momenteel opgelost. Zie ook het antwoord op de vragen 3 en 5.
Kunt u specifieker aangeven welke verbeteringen nodig zijn om deze vaartuigen met de bijnaam «drijvende doodskisten» veilig en volledig operationeel te maken? Is de mogelijkheid aanwezig dat er fundamentele fouten in het ontwerp en de constructie van deze vaartuigen zitten en dat nieuwe verbeteringen ontoereikend zullen zijn? Zo nee, waarom niet?
Uit de beproevingen met de snelle vaartuigen zijn geen fundamentele fouten in het ontwerp of de constructie gebleken. Op grond van de beproevingen worden aanpassingen gedaan om de veilige operationele inzet van het FRISC te waarborgen. De onderstaande tabel biedt een overzicht van de belangrijkste aanpassingen.
Resultaten beproeving
Aanpassingen
Scheuren in de bevestiging van het voorste drijflichaam (type BC).
De bevestiging van het drijflichaam is verbeterd door onder meer een verzwaring van de constructie en het aanbrengen van een extra beschermende laag op de neus van het vaartuig.
Scheurtjes in het navigatieframe (type BC).
Het navigatieframe is opnieuw ontworpen en de constructie is verzwaard.
Onvoldoende oprichtend vermogen van het keerzaksysteem (type BC en SCC).
Het keerzaksysteem is aangepast en beschikt nu over voldoende oprichtend vermogen. In mei 2012 zal bij het derde SCC opnieuw een volledige test worden uitgevoerd.
Het losraken van de bevestiging van de stoelen aan het vaartuig (type SCC).
De boutverbindingen van de stoelen zullen worden voorzien van een verstevigingsplaat.
Afbreken van een klein deel van het windscherm (type SCC). Dit betreft geen structureel probleem,
Het windscherm wordt hersteld.
Speling in de lagers van de schroefas (type BC en SCC).
De lagers worden door de fabrikant aangepast. Bij twee vaartuigen is speling tijdelijk verholpen zodat deze operationeel inzetbaar zijn.
Luchtbelletjes in kunststof delen aan de onderzijde van drie vaartuigen (type BC).
Dit knelpunt wordt hersteld door de leverancier en bij de resterende vaartuigen worden tijdens de productie extra kwaliteitscontroles uitgevoerd.
Was de Frisc-boot bij deze test op de Noordzee al inzetgereed? Zo nee, in welke status bevond deze boot zich? Klopt het dat het vaartuig bij de eerdere mislukte test nabij Den Helder geen prototype was, zoals u eerder aangaf in antwoorden, maar dat deze boot de eerste in productie was en al werd geacht gereed te zijn voor operationele inzet?
Nee, het vaartuig van het type SCC dat in de Ierse Zee is gebruikt was nog eigendom van de leverancier. Met dit vaartuig zijn alleen beproevingen uitgevoerd en het is gebruikt voor opleidingen. De types waaraan wordt gerefereerd in mijn antwoorden op de vragen van 4 november 2011 waren eveneens eigendom van de leverancier. De operationele ingebruikneming van het eerste FRISC bij Defensie is voorzien na de zomer van 2012.
Is het waar dat Defensie Materieel Organisatie (DMO) en de Britse leverancier Marine Specialised Technology Ltd (MST) overeen zijn gekomen om bepaalde militaire specificaties te veranderen voor de vaartuigen om zodoende kosten te besparen, bijvoorbeeld het vervangen van de stoelen (military seats) door leisure seats en het vervangen van militaire navigatie- en communicatiesystemen door navigatie- en communicatiesystemen die doorgaans bij plezierboten worden gebruikt?
Nee. Defensie heeft haar eisen niet aangepast.
Is het ook waar dat civiele navigatie- en communicatiesystemen niet door de testfase zijn gekomen en geen interoperabiliteit hebben met andere militair/maritieme systemen van Defensie? Zo nee, waarom niet?
Nee, tijdens de beproeving is gebleken dat alle navigatie- en communicatiesystemen van de leverancier voldoen aan de eisen van Defensie. Ten behoeve van de interoperabiliteit met andere militaire systemen worden de vaartuigen door Defensie uitgerust met het NIMCIS (Nieuw Mariniers Communicatie en Informatie Systeem). Het NIMCIS op een FRISC is in een eerder stadium succesvol beproefd.
In hoeverre hebben de vervangende leisure seats een desastreus effect op de ruggen van mariniers als zij op een ruige zee in hun Frisc-boten zitten? Heeft het afbreken van de stoelen bij de laatste proefvaart te maken met de vervanging van de military seats door de leisure seats?
Nee, de oorzaak van het afbreken van de stoel is een onvoldoende sterke bevestiging van de stoel aan het vaartuig. Deze bevestiging wordt momenteel versterkt. Bij het bepalen van het type stoel is rekening gehouden met de belasting van de gebruiker, onder meer van de rug. Hierbij zijn vijf type stoelen beproefd, onder andere door het meten van trillingen. Defensie heeft gekozen voor de stoel die als beste uit de beproevingen is gekomen.
Kunt u aangeven hoeveel van de prototypen Frisc-vaartuigen met positief resultaat de testfase hebben afgelegd? Zijn alle essentiële functies van de vaartuigen in het testprogramma grondig en met positief resultaat getest? Klopt het dat Defensie vaartuigen in ontvangst heeft genomen zonder dat zij het testprogramma hebben afgerond?
Inmiddels zijn alle functionaliteiten met succes beproefd en zijn elf snelle vaartuigen van het type BC geaccepteerd. Defensie accepteert geen vaartuigen die niet zijn getest. In geval van knelpunten worden deze door de leverancier opgelost. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Kunt u aangeven welke verwervingscriteria Defensie heeft gehanteerd in 2008? Klopt het dat er toentertijd gekozen is voor de Britse leverancier MST in plaats van twee Nederlandse aanbieders TP Marine en Madera Ribs? Zo ja, waarom?
De verwervingscriteria die Defensie heeft gebruikt betreffen kostprijs, prestatie-eisen (zoals snelheid, gewicht, omvang, stabiliteit en flexibiliteit) en logistieke eisen (zoals de wijze waarop in het ontwerp rekening is gehouden met de instandhouding en met levertijden). Defensie heeft gekozen voor de vaartuigen van de Britse leverancier omdat deze als enige aan de criteria voldeden.
Tegen welke specifieke voorwaarden kan Defensie het contract met de leverancier opzeggen en de gemaakte kosten wegens wanprestatie terugvorderen?
Defensie kan in geval van wanprestatie het contract met de leverancier ontbinden. De knelpunten die bij de beproevingen zijn geconstateerd worden volgens het contract op kosten van de leverancier opgelost, zowel bij de geleverde als bij de nog te leveren vaartuigen.
Bent u bereid om dit project (tijdelijk) stil te leggen en een groot onderzoek te starten naar deze Frisc-boten voordat er verdere ongelukken gebeuren en de veiligheid van militairen in gevaar komt? Zo nee, waarom niet?
Defensie stelt hoge eisen aan het materieel dat zij aanschaft met het oog op de operationele inzet hiervan, vaak onder extreme omstandigheden. Bij de beproevingen van de snelle vaartuigen staan de veiligheidslimieten en de intensieve opleiding van het personeel centraal. Ik zie geen aanleiding het project stil te leggen of een onderzoek te beginnen. De vaartuigen voldoen aan de eisen zoals Defensie die heeft gesteld.
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Oud-topambtenaar wordt tijdelijk boegbeeld IGZ' |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oud-topambtenaar wordt tijdelijk boegbeeld IGZ»?1
Ja
Hoe strookt het bericht dat de heer Weck per 1 juli a.s. ad interim de functie van Inspecteur-generaal voor de Gezondheidszorg gaat vervullen met uw eerdere mededeling dat de heer Van der Wal zou aanblijven tot er een opvolger bekend is?
De Inspecteur-generaal, de heer Van der Wal, bereikt deze zomer de pensioengerechtigde leeftijd. Aanvankelijk zou de heer Van der Wal op mijn verzoek aanblijven tot in zijn opvolging was voorzien. Daar ziet de IG van af.
Hoe verhoudt het aanstellen van deze interim-bestuurder zich tot het voornemen van het kabinet om een einde te maken aan het inhuren van dure experts van buitenaf?
ABDTOPConsult is een onderdeel van de Algemene Bestuursdienst van het ministerie van BZK. Het feit dat deze interim-positie op deze manier kan worden vervuld is juist volledig in lijn met de afspraken binnen de rijksdienst om externe inhuur terug te brengen en daarmee de kosten te verminderen. Zie ook het antwoord op vraag 6 van Kamerlid Leijten (SP) over de vervanging van de hoofdinspecteur van de IGZ (2012Z08585, zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 2406).
Komt het aantrekken van de zo broodnodige extra inspecteurs en de inzet van de Mystery Guest, zoals in het Gedoogakkoord afgesproken, in het geding, omdat nu een dure interimmer voor wie weet hoe lang moet worden betaald?
Nee, het aantrekken van extra inspecteurs en de inzet van de mystery guests komen niet in het geding door de inzet van de heer Weck. Zie ook het antwoord op vraag 6 van Kamerlid Leijten (SP) over de vervanging van de hoofdinspecteur van de IGZ (2012Z08585, zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 2406).
Een jager die een auto op de A15 raakt met een kogel |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jager raakt per ongeluk auto op snelweg»?1
Ja.
Is het waar dat geen proces-verbaal van het voorval is opgemaakt en dat ter plaatse is geconcludeerd dat de jager vrij uit ging? Zo ja, wie heeft dit geconcludeerd, op basis waarvan is dat geconcludeerd en is dat geen voorbarige conclusie? Zo nee, is de zaak nog in onderzoek en bij wie?
Door de politie is een opsporingsonderzoek ingesteld, waarvan proces-verbaal wordt opgemaakt. Geweer en munitie zijn in beslag genomen en worden thans onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut. Het OM beslist op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken over eventuele vervolging.
Is de jachtakte van de jager inmiddels ingetrokken? Zo ja, per welke datum en tot welke datum? Zo nee, waarom niet?
De jager beschikte over een jachtakte die recent is verlengd. Het onderhavige incident kan leiden tot intrekking van de jachtakte. Ook dit wordt nog nader onderzocht.
Is het waar dat de politie een jachtopziener heeft geraadpleegd om te achterhalen welke jagers in het bezit waren van een dergelijk wapen? Zo ja, was die informatie niet bekend bij de politie of de korpschef die verantwoordelijk is voor het bijschrijven van jachtwapens op de jachtakte? Zo nee, in welk opzicht klopt deze berichtgeving niet?
Nee, uit de berichtgeving blijkt dat de politie een jachtopziener geraadpleegd heeft om te achterhalen welke jagers in dat gebied actief waren. Dit was naar het oordeel van de politie de snelste manier om de mogelijke schutter te traceren.
Hoeveel jagers in Nederland zijn in het bezit van een kogelgeweer? Zo ja, kunt u dit specificeren naar kaliber en aangeven wat de reikwijdte van deze wapens is? Zo nee, bent u bereid om dit te inventariseren?
Er is geen centrale databank waarin de wapens van jagers zijn geregistreerd. Elk korps heeft zijn eigen registratiesysteem. Ik zie geen nut van of noodzaak tot een nadere specificatie. In de Flora- en faunawet en in het jachtbesluit is voorgeschreven met welke geweren uitvoering gegeven kan worden aan het bepaalde in deze wet cq dit besluit en aan welke eisen deze geweren dienen te voldoen. Kogelgeweren met getrokken loop mogen worden gebruikt bij de uitoefening van de jacht, beheer en schadebestrijding.
Weet u hoe groot de afstand was tussen de jager en de auto op het moment dat hij op de gans schoot en de kogel door de voorruit van de auto ging? Zo nee, waarom niet?
In het belang van het onderzoek kunnen daarover geen mededelingen worden gedaan.
Welk type kogel (bijvoorbeeld rond, spits, «hollow-point», «round-nose» ) werd gebruikt door de ganzenjager langs de A15 en uit welke materialen bestond deze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Wordt in de munitie waarmee gejaagd wordt nog steeds gebruik gemaakt van lood, bijvoorbeeld als loodkern of als «lead-round-nose»? Zo nee, waarom niet?
Er is geen totaalverbod op loodhoudende munitie in Nederland en ik overweeg dat ook niet. Naast jagers gebruiken o.a. militairen, politie en sportschutters genoemde munitie. Zij zijn allemaal gehouden aan de wettelijke bepalingen die gelden ten aanzien van gebruik en soort munitie.
Is er andere munitie, die in Nederland gebruikt wordt, waarin lood worden toegepast? Zo ja, hoeveel lood komt hierdoor in het milieu terecht? Bent u bereid een totaalverbod in te stellen op het gebruik en de verkoop van loodhoudende munitie in Nederland? Zo nee, is er een totaalverbod in Nederland voor het gebruik en de verkoop en gebruik van munitie die lood bevat?
Zie antwoord vraag 8.
Welke maatregelen dienen jagers te treffen om te voorkomen dat burgers ongewild doelwit worden van hun jachtactiviteiten? Vindt u de huidige voorzorgsmaatregelen en regels toereikend om de openbare veiligheid te waarborgen? Zo ja, waarom?
Jagers volgen een wettelijk verplichte opleiding die bijna een jaar duurt met theorie en praktijk. In deze opleiding wordt veel aandacht besteed aan de veiligheid en dit wordt tijdens een specifiek praktijkexamenonderdeel (Jachtpraktijk) ook getoetst. Uit het feit dat er zeer weinig incidenten gemeld worden met betrekking tot de veiligheid rond de jacht leid ik af dat voor die veiligheid over het algemeen goed zorg wordt gedragen en dat nieuwe maatregelen niet nodig zijn.
Deelt u de mening dat er sprake is van onzorgvuldig, onachtzaam en roekeloos handelen, wanneer in de nabijheid van openbare wegen in onoverzichtelijk terrein een kogelgeweer wordt afgevuurd met een reikwijdte die strekt tot aan die openbare weg of verder? Zo ja, bent u bereid om jagers en burgers hiertegen te beschermen door het jagen langs openbare wegen te verbieden? Op welke wijze en op welke termijn gaat u vorm geven aan een dergelijk verbod? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Is het waar dat de jager die in 2007 nabij de Bavelse berg bij Breda een wandelaar dodelijk verwondde met een vergelijkbaar kaliber kogelgeweer (.222, 7 mm) op duiven schoot? Zo nee, in welk opzicht klopt deze berichtgeving niet?
Uit tactisch onderzoek in genoemde zaak is gebleken dat verdachte een .222 Remington kogelgeweer heeft gebruikt. De verdachte beweerde op een duif te hebben gemikt, maar dat is niet vastgesteld.
Is het waar dat de jager die in 2007 bij Breda een wandelaar dodelijk verwondde toen hij met een kogelgeweer op duiven schoot door de rechtbank in Den Bosch veroordeeld is voor dood door schuld, omdat hij met een vuurwapen met een bereik van 1 500 meter in de richting van een onoverzichtelijk en openbaar terrein schoot? Zo ja, bent u bereid om het gebruik van kogelgeweren in een straal van ten minste 1 500 meter rond openbare wegen te verbieden?
Op 6 april 2010 wees het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch arrest in hoger beroep inzake het dodelijk schietincident op een jachtterrein bij Breda. De 73-jarige verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 337 dagen voorwaardelijk, voor dood door schuld. Het hof was van oordeel dat verdachte zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen door te schieten met een vuurwapen met een groot bereik in de richting van een onoverzichtelijk terrein.
Verder verwijs ik naar het antwoord op vragen 10 en 11. Vaak wordt er afschot gepleegd juist omwille van de (verkeers)veiligheid. Dit vindt daarom soms plaats nabij openbare wegen.
Is het waar dat er ook kogelgeweren door jagers gebruikt worden die veel grotere kalibers hebben? Zo ja, wat is het maximum kaliber dat in Nederland is toegestaan? Met welk doel wordt er gebruik gemaakt van groot kaliber?
Zie het antwoord op vraag 5. De Flora- en faunawet kent normering ten aanzien van het gebruik van jachtwapens, waaronder kogelgeweren. In deze normering is een minimum benoemd van energie-afgifte (om dierenleed te voorkomen), maar geen maximum.
Is het waar dat tijdens jacht op grote hoefdieren openbare wegen, paden en terreinen langdurig worden afgesloten voor het publiek in verband met de onveilige situatie die door de jacht ontstaat? Zo ja, bent u bereid de jacht in de nabijheid van deze wegen te verbieden? Bent u in geval dit onverhoopt niet gerealiseerd kan worden, bereid afsluiting van alle openbare wegen, paden en terreinen verplicht stellen wanneer er met groot kaliber wapens op dieren geschoten wordt?
In het kader van beheer en schadebestrijding, bijvoorbeeld als het gaat om de afschot van wilde zwijnen, kan voorgesteld worden dat de openbare veiligheid vergt dat terreinen tijdelijk worden afgesloten voor het publiek. Dat is een afweging die provincies en grondgebruikers moeten maken per individueel geval.
Is het waar dat de jager afkomstig was uit de omgeving en derhalve goed op de hoogte was van de aanwezigheid van de drukke A15? Zo ja, wat zegt dat volgens u over het vermogen van de persoon in kwestie om de gevolgen van zijn handelen te beoordelen?
Hierover kan ik geen mededelingen doen zolang de zaak in onderzoek is. Het Openbaar Ministerie beslist over de vervolging.
Deelt u, gelet op voorgaande vraag, de mening dat hier sprake is van een persoon die willens en wetens de openbare veiligheid in gevaar brengt? Zo ja, deelt u de mening dat dit moet leiden tot intrekking van de jachtakte? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 16.
Deelt u de mening dat, waar de rechter in een soortgelijk voorval met dodelijke afloop heeft geoordeeld dat sprake is van dood door schuld, justitieel onderzoek nodig is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 16.
Kunt u bevestigen dat de gans is geraakt? Zo ja, heeft de kogel het dier doorboord en dodelijk verwond of is het dier slechts gewond geraakt bij het incident en moet worden aangenomen dat het crepeert in de natuur? Om wat voor gans ging het eigenlijk?
Ja, de gans is dodelijk geraakt. Het betrof een grauwe gans.
De financiële verliezen die het Wellantcollege voor zijn rekening neemt voor het IPC Groene Ruimte B.V. |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA), Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het Jaarverslag 2010 van het Wellantcollege?1
Ja
Hoe beoordeelt u ten aanzien van de staat van baten en lasten het negatieve resultaat van het Wellantcollege over 2010 in samenhang met het negatieve resultaat van het IPC Groene Ruimte B.V. van € 0,6 miljoen in datzelfde jaar, waar een positief resultaat van € 0,1 miljoen was begroot?1
De Inspectie van het Onderwijs heeft het Wellant College een basisarrangement toegekend. Dit betekent dat de financiële positie van het Wellant College geen aanleiding geeft tot nader onderzoek danwel te nemen maatregelen. Een afwijking in negatieve zin van het geprosnosticeerd resultaat zoals bij IPC Groene Ruimte B.V. het geval was, is op zich geen aanleiding voor mij om hier nader onderzoek te verrichten.
Hoeveel bedraagt het resultaat van het Wellantcollege over 2011 en hoeveel gaat het bedragen over 2012? Voor welk deel heeft dit te maken met tegenvallers bij IPC Groene Ruimte B.V.?
De jaarrekening over 2011 van het Wellant College is nog niet beschikbaar. Conform de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs (RJO) dienen de bekostigde onderwijsinstellingen vóór 1 juli in het jaar volgend op het verslagjaar de jaarstukken in bij DUO. Derhalve is het gerealiseerd resultaat over 2011 en het begrote resultaat over 2012 nog niet beschikbaar.
Kunt u bevestigen dat er krachtens de wet noch krachtens de branchecode Goed bestuur in de bve-sector een juridische of morele verplichting voor een bve-instelling is om jaarcijfers binnen een redelijke termijn openbaar te maken, zodat het risico wordt geschapen op een financieel debacle dat de buitenwereld onmogelijk kan zien aankomen?2 3
Zoals gesteld dienen de bekostigde onderwijsinstellingen zich te houden aan de RJO. Hierin is opgenomen binnen welk termijn de jaarstukken voorzien van een controleverklaring moeten worden ingediend bij DUO (zie antwoord bij vraag 3). Die termijn is zorgvuldig afgestemd met het onderwijsveld, de accountancy en de overheid.
Acht u het toelaatbaar dat een bve-instelling op deze manier publieke onderwijsmiddelen aanwendt om met verlies een private markt te bedienen? Zo ja, waarom? Zo neen, wat gaat u daartegen dan ondernemen?
In de RJO is een handreiking opgenomen inzake publiek en private samenwerking. Hierin zijn de regels opgenomen hoe hiermee dient te worden omgegaan binnen het onderwijsveld. In de kern gaat het er hierbij om dat instellingen een zuiver onderscheid dienen te maken tussen het inzetten van publieke middelen voor publieke onderwijsdoelen versus private middelen voor private onderwijsactiviteiten. De toepassing van deze regels vormt een onderdeel van de controleverklaring.
Het negatief resultaat van € 0,6 mln bij IPC Groene Ruimte B.V. over 2010 is conform de regelgeving en handreiking onttrokken aan de private bestemmingsreserve. Hiermee is dus geen sprake van het aanwenden van publieke onderwijsmiddelen om een verlies op de private marktactiviteiten te dekken.
De brandveiligheid in GGZ-instellingen |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat de brandveiligheid in GGZ-instellingen nog niet voldoende is, en dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid zelfs spreekt van een acuut probleem?1
Ja, daarvan ben ik op de hoogte.
Deelt u de conclusie van de Onderzoeksraad dat de brandveiligheid in instellingen nog niet voldoende is afgestemd op de patiënten die in de instellingen worden verzorgd, maar dat instellingen teveel varen op wet- en regelgeving, waardoor zorgverleners op de vloer in geval van een brand voor situaties komen te staan waar ze niet voldoende op voorbereid zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u aan deze situatie doen?
Ik deel de conclusie van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid dat de brandveiligheid in instellingen onvoldoende is afgestemd op de patiënten en cliënten. Ook deel ik de mening dat bestuurders van zorginstellingen (mede daardoor) niet altijd de juiste sturing geven aan hun organisatie op dit terrein. Naast het rapport van de Onderzoeksraad is door de samenwerkende rijksinspecties het rapport «Brandveiligheid van zorginstellingen» uitgebracht. Dit rapport is door mij op 23 december 2011 (vergaderjaar 2011–2012, 32 757 nr. 32) aan uw Kamer gezonden. De centrale boodschap uit beide rapporten is dat brandveiligheid- zowel op de afzonderlijke onderdelen (gebouw, gebruik, organisatie en beleid) als brandveiligheidsbeleid in den brede vraagt om een integraal risicomanagement.
Door de onvoldoende afstemming op de patiënten en cliënten, gaat de bestuurder uit van onjuiste uitgangspunten, waardoor tekort wordt geschoten bij het in kaart brengen van «restrisico’s» op basis van de op te stellen risico inventarisatie en evaluatie (RI&E). Concreet gaat het daarbij bijvoorbeeld om het onvoorspelbare gedrag van de patiënten op de locatie.
In de kabinetsbrief van 7 februari 2012 (vergaderjaar 2011–2012, 32 757 nr. 34) en de antwoorden op vragen van uw Kamer (vergaderjaar 2011–2012, 32 757 nr. 34) is beschreven welke maatregelen het kabinet neemt. Ik benadruk graag dat het de primaire verantwoordelijkheid van de bestuurder van de instelling is de brandveiligheid bij de instelling op orde te brengen en te houden. Wij zullen de bestuurder zoveel mogelijk ondersteunen bij het invullen van die rol. Het bevoegd gezag houdt daarop vervolgens toezicht.
Deelt u de mening dat, ondanks de grote hoeveelheid wetten en regelgeving de bestuurders van zorginstellingen toch niet de juiste sturing geven aan hun medewerkers hoe op het moment van een calamiteit, zoals brand, moet worden gehandeld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de conclusie van de Onderzoeksraad, die hij trekt na het voeren van gesprekken met bestuurders van zorginstellingen, die vaak nog zonder onderbouwing verwijzen naar de afweging tussen het investeren in veiligheid en het investeren in de kwaliteit van zorg en leefbaarheid, dat randveiligheid in dit soort instellingen nog altijd een structureel veiligheidsprobleem vormt? Deelt u de mening dat de afweging die bestuurders maken geen juiste afweging is, maar veiligheid een onderdeel van zorg zou moeten zijn, waar bestuurders heel duidelijk van doorgedrongen moeten zijn? Zo ja, wat gaat u doen om dit te sturen en te controleren? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening dat (brand)veiligheid onderdeel uitmaakt van verantwoorde zorg. Over de wijze waarop ik de bestuurders daarop – indien opportuun – aanspreek en ondersteun verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Kent u de conclusies uit onderzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, de Arbeidsinspectie, de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de Inspectie Jeugdzorg dat niet elke instelling voldoende bedrijfshulpverleners heeft? Heeft de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) genoeg mogelijkheden en middelen om personeel op te leiden en in te zetten?
Ja, ik ken deze conclusies. Mij hebben geen signalen bereikt dat GGZ-instellingen over onvoldoende financiële middelen beschikken om de bedrijfshulpverlening op orde te brengen en te houden. Aanvullend merk ik op dat bij de opzet van de tarieven rekening is gehouden met het opleiden en inzetten van de bedrijfshulpverlening. Het rapport van de Onderzoeksraad geeft ook aan dat de instelling Rivierduinen voldoende mogelijkheden had om zijn bedrijfshulpverlening afdoende in te vullen.
Zijn de forse bezuinigingen op de GGZ een belemmering voor investering in brandveiligheid?
Bij de invulling van bezuinigingen is het aan de bestuurder van de instelling afwegingen te maken op welke wijze hij de opgelegde budgetkortingen verwerkt, binnen de kaders van verantwoorde zorg.
Deelt u de mening van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, de Arbeidsinspectie, de IGZ en de Inspectie Jeugdzorg dat het toezicht op de bouwkundige, gebruiks- en organisatorische brandveiligheidsaspecten bij één toezichthouder geconcentreerd zou moeten worden om zo inzicht te verwerven in de kwaliteit van alle relevante factoren van het brandveiligheidsconcept en in de samenhang daarvan, inclusief aanvullende maatregelen en eisen voor de veiligheid van deze kwetsbare patiëntengroep? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om dit te bewerkstelligen?
Zoals in de antwoorden op uw Kamervraag 46 van 2 maart 2012 (Kamerstuk-nummer 32 757-34 antwoord) is aangegeven, zijn de betrokken toezichthouders en beleidsverantwoordelijke departementen daarover nog in gesprek. Wanneer daar duidelijkheid over is wordt uw Kamer daarover geïnformeerd.
Hoe gaat u erop toezien dat de aanbevelingen van de Onderzoeksraad ook daadwerkelijk worden opgepakt in een integrale aanpak van brandpreventie in GGZ- instellingen?
Voor de aanpak om de brandveiligheid in de zorg snel op orde te krijgen, verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2.
Wat is uw mening over het voorstel van de brancheorganisatie in het wegtransport VERN om buitenlandse vrachtwagenchauffeurs te laten registreren als ze ritten in Nederland rijden?1
Met het voorstel beoogt de VERN de regels omtrent cabotage makkelijker controleerbaar te maken. De regels met betrekking tot cabotage zijn opgenomen in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet wegvervoer goederen (WWG) ter implementatie van verordeningen 1071/2009 en 1072/2009 (Voorstel van Wet, Kamerstukken II, 2011/2012, 33 184, nr. 2), dat nu ter goedkeuring bij de Tweede Kamer voorligt. In dit voorstel is ook de mogelijkheid tot sanctionering van overtreding van de regels opgenomen. Het is op dit moment nog niet mogelijk uitspraken te doen of een registratieplicht aan een goede controle van cabotageregels kan bijdragen. Zodra de regels omtrent cabotage in werking zijn getreden, voert de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een inventariserend onderzoek uit naar cabotagevervoer in Nederland en overtreding van de voorschriften op dit terrein. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt het handhavingsbeleid van de ILT ten aanzien van cabotage bepaald.
Met het onderzoek van de ILT wordt tevens invulling gegeven aan de motie van het lid De Jong van 23 november 2011, waarin de regering verzocht wordt binnen het huidige budget prioriteit te laten stellen in de handhaving op de cabotageregeling.
Deelt u de mening dat een registratie van buitenlandse vrachtwagenchauffeurs het makkelijker maakt om de cabotageregels te controleren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1
Bent u bereid om te onderzoeken of het mogelijk is buitenlandse chauffeurs te registeren door middel van een meldingsplicht? Zo ja, op welke termijn gaat u de Kamer informeren over de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Na afronding van het onderzoek van de ILT, genoemd in het antwoord op vraag 1, zal ik bezien of een onderzoek naar de mogelijkheden van een registratieplicht wenselijk is. De termijn waarop dit kan is afhankelijk van het in werking treden van de wijziging van de WWG (zie het antwoord op vraag 1).
Is het waar dat de Belgische staatssecretaris voor Bestrijding van de sociale en de fiscale fraude, de heer Crombez, een groot voorstander is van de meldplicht?
In het Belgisch recht bestaat al een algemene meldingsplicht wanneer buitenlandse werknemers of zelfstandigen tijdelijk arbeidsprestaties komen leveren op het Belgisch grondgebied, de zogenaamde LIMOSA-melding. Ook een buitenlandse vervoersonderneming die in België een binnenlandse rit laat verrichten (cabotagerit) dient vanaf de eerste rit een melding te doen van de werknemer en alle gegevens betreffende de plaats en duur van de tewerkstelling van de betrokken werknemer. De meldplicht geldt voor cabotage, maar niet voor het internationaal transport van goederen. Op dit moment is een zaak hangende voor het Europese Hof van Justitie over de vraag of de LIMOSA-melding voor wat betreft zelfstandigen in overeenstemming is met het vrij verkeer van diensten.
Volgens de Belgische overheid kan een meldingsplicht een goed instrument zijn om de naleving van het Belgisch arbeidsrecht bij internationaal transport en cabotage te kunnen controleren, maar is dit niet het enige instrument dat mogelijk is. Zo kan volgens de Belgische overheid een koppeling van de tachograaf aan de GPS wellicht ook een doeltreffend controle-instrument worden. Over deze koppeling wordt in Europees verband nog gesproken.
Is het waar dat de Nederlandse belastingdienst miljoenen euro's per jaar misloopt door ontduiking van de EU-regels voor internationaal transport? Zo ja, in hoeverre is dit volgens u te ondervangen door het invoeren van een meldplicht voor buitenlandse chauffeurs?
Op dit moment is niet bekend in hoeverre er overtreding plaatsvindt van regels omtrent cabotage. Hierover ontstaat meer duidelijkheid, als de ILT het inventariserend onderzoek heeft uitgevoerd. Het is daarom niet te zeggen hoeveel de Nederlandse Belastingdienst aan inkomsten misloopt en in hoeverre een meldplicht van chauffeurs dit zou kunnen ondervangen.
Het reddingsplan van de scholen van het Amarantis schoolbestuur |
|
Jasper van Dijk |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Bent u bereid de Kamer het volledige «reddingsplan» rond de scholen van onderwijskoepel Amarantis te sturen? Zo neen, waarom mag de Kamer niet beschikken over informatie rond publiek bekostigde scholen?1
Het volledig «reddingsplan» van de Amarantis Groep deel ik niet met de Tweede Kamer, want het is er nog niet. De heer Wintels is op dit moment bezig om met alle direct betrokken partijen een oplossing te zoeken voor de situatie bij Amarantis. Een aantal betrokken partijen heeft aangegeven financieel een bijdrage te willen leveren. Het proces van de verdere uitwerking van het reddingsplan is delicaat en wil ik niet verstoren.
Deelt u de mening dat de 250 banen die mogelijk verdwijnen bij Amarantis, zo min mogelijk uit onderwijzend personeel moeten bestaan en zo veel mogelijk uit management? Zo neen, waarom worden fouten van het management afgewenteld op onderwijzers die geen blaam treft?
Op basis van de reddingsplannen zal het interim-bestuur van Amarantis bezien waar de ontslagen moeten vallen. 50 medewerkers hebben inmiddels een andere baan gevonden. Dit betreft onderwijsgevend personeel. Bij de overige 200 medewerkers gaat het om onderwijsondersteunend personeel, waaronder 35 tot 40 leidinggevenden. De helft van deze 200 medewerkers heeft inmiddels ook een andere baan gevonden. Deze informatie is afkomstig van het interim-bestuur van Amarantis.
Waarom heeft u zich de afgelopen weken compleet afzijdig gehouden rond de kwestie Amarantis, terwijl de financiële problemen enorm zijn en betrekking hebben op 30 000 leerlingen en vele scholen? U bent toch eindverantwoordelijk voor het onderwijs?
Dit is niet juist. Ik ben natuurlijk betrokken vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het onderwijsbestel en zal, zoals eerder toegezegd, de continuïteit voor de 30 000 leerlingen waarborgen. Daartoe heb ik een continuïteitsgarantie toegezegd.
Hoe wordt de «redding» van de scholen van Amarantis gefinancierd? Waar komt de 10 miljoen euro vandaan die uw ministerie bijdraagt als continuïteitsgarantie?2
OCW dekt de continuïteitsgarantie binnen haar eigen begroting. Bij Voorjaarsnota zal ik u daarover nader informeren.
Waarom heeft u de Kamer niet vooraf geïnformeerd over deze 10 miljoen euro aan Amarantis?
Zodra de inzet van de diverse partijen bekend was, heb ik de Tweede Kamer direct geïnformeerd over de continuïteitsgarantie die ik overweeg te bieden. De dekking hiervan zal plaatsvinden binnen de begroting van OCW. Daarover zal ik u bij Voorjaarsnota informeren.
Waarom heeft u niet eerder ingegrepen bij Amarantis, terwijl de problemen al zo lang bekend waren? Erkent u dat het toezicht heeft gefaald?
Deze loopt vooruit op het onafhankelijke onderzoek. Het lijkt mij verstandig dat uw vragen aan de orde komen in dat onderzoek. Ik zal u binnen twee weken informeren over de opzet ervan.
Ontvangt de Kamer zo snel mogelijk (uiterlijk binnen een maand) een voorstel voor een onderzoekscommissie die onderzoek gaat doen naar het ontstaan van de wantoestanden bij Amarantis? Zo neen, op welke manier gaat u uw toezegging waarmaken, zoals gedaan in het debat naar aanleiding van het verslag van het algemeen overleg Voortgezet onderwijs op 29 maart en in het algemeen overleg Middelbaar beroepsonderwijs van 11 april?
Ja. Zie ook vraag 6.
Erkent u dat dit onderzoek grondig en onafhankelijk moet zijn, aangezien ook de rol van uw eigen ministerie wordt onderzocht? Kan de Kamer wijzigingsvoorstellen doen voor leden van de onderzoekscommissie indien twijfels bestaan over de onafhankelijkheid? Krijgt de Kamer inspraak aangaande de onderzoeksvragen?
Ja. Ik onderken dat dit onderzoek grondig en onafhankelijk moet zijn. De leden van de onderzoekscommissie dienen zo onafhankelijk mogelijk te kunnen kijken naar de thematiek. Ik zal u hierover schriftelijk informeren binnen twee weken. Zie ook vraag 6.
Wat is uw reactie op het artikel «Scholen willen niet opdraaien voor reddingsplan Amarantis»?3
Ik heb kennis genomen van het artikel en begrijp heel goed dat sommige bestuurders emotioneel reageren, zodra hen wordt gevraagd financieel bij te dragen aan het oplossen van de problematiek van één school. Ze wensen niet op te draaien voor fouten die elders zijn gemaakt.
Hoe oordeelt u over de bezwaren van de scholen tegen de «solidariteitsbijdrage» van 5 miljoen euro?
Het solidariteitsverzoek heeft weerstand opgeleverd, vooral aan de zijde van de VO-Raad. Ik verwacht op korte termijn uitsluitsel hierover.
Deelt u de mening van de voorzitter van ROC Midden Nederland dat de concurrentie tussen verschillende ROC’s slecht is voor de onderwijskwaliteit? Zo neen, waarom niet? Zo ja, bent u bereid onderzoek te doen naar een onderwijsmodel waarbij deze concurrentie wordt uitgebannen?
In het kader van het Actieplan «Focus op Vakmanschap» is een beleidsagenda voor het mbo opgesteld op het punt van macrodoelmatigheid. Mantra daarin is niet «elkaar beconcurreren», maar een samenhangend regionaal en landelijk aanbod van opleidingen. Hieruit vloeit ook nieuwe wetgeving voort die thans wordt voorbereid.
Deelt u de mening dat publiek geld naar het onderwijs moet gaan en niet naar marketing en reclame? Zo ja, hoe gaat u voorkomen dat hieraan grote bedragen worden uitgegeven?
In het kader van horizontale en verticale verantwoording moet het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling kunnen verantwoorden dat publieke middelen aan marketing en reclame worden besteed. Anders gezegd: het bevoegd gezag moet kunnen uitleggen dat deze middelen ten goede komen aan kwalitatief goed onderwijs en het plaatsen van leerlingen en studenten in opleidingen die perspectief bieden voor vervolgonderwijs en arbeidsmarkt. Voor het mbo geldt bovendien de Notitie Helderheid (Kamerstuk 24 248, nr. 72).
Deelt u de mening dat het opsplitsen van Amarantis in vijf kleinere scholengroepen een primeur is voor het Nederlandse onderwijs? Wat leert u van deze ontwikkeling richting schaalverkleining?
In het kader van een goede ordening van het onderwijsaanbod hebben zich eerder splitsingen voorgedaan in de vo-sector. In die zin is Amarantis geen primeur. Splitsingen zijn overigens niet per definitie te prefereren: schaalgrootte is namelijk niet één op één gecorreleerd aan onderwijskwaliteit. De recent ingestelde Commissie Fusietoets ziet toe op een goede toetsing van voorgenomen fusies in het onderwijs.
Kwaliteitsproblemen in verpleeghuizen |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Wat vindt u van het bericht dat ongeschoolde medewerkers medicijnen zouden uitdelen in verpleeghuizen?1
Uit het in september 2010 uitgebrachte rapport over de medicatieveiligheid binnen de langdurige zorg, heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) geconstateerd dat er binnen de langdurige zorg over de hele linie hoog tot zeer hoog risico werd gelopen. Uw Kamer is na het verschijnen van dit rapport over deze uitkomsten geïnformeerd2. De IGZ heeft na een jaar een vervolgrapport uitgebracht en geconstateerd dat de zorginstellingen veel in gang hebben gezet om de medicatieveiligheid te verhogen. In een jaar tijd hebben de zorginstellingen een enorme verbeterslag gemaakt. Ook over deze verbetering is uw Kamer geïnformeerd3. Na de uitkomst van het IGZ rapport in 2010, hebben de betrokken veldpartijen met elkaar de veilige principes ontwikkeld, waarin ieders rol en verantwoordelijkheid rondom medicatieveiligheid wordt beschreven. Deze principes worden ingezet om een structurele verbetering rondom medicatieveiligheid door te voeren. Binnen deze kaders dient de zorg te worden uitgevoerd.
Was u daarvan op de hoogte? Was de Inspectie ervan op de hoogte?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar wat de beroepsvereniging Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN) stelt, namelijk dat er amper nog verpleegkundigen op HBO- niveau in verpleeghuizen werken?
Kijkend naar de cijfers over het aantal HBO verpleegkundigen in de verpleging, verzorging en thuiszorg, kan over de afgelopen jaren een stijgende lijn worden geconstateerd. Ik benadruk dat dat een gunstige ontwikkeling is. Tegelijk is een groot deel van de zorg in verpleeghuizen het domein van andere professionals met name ziekenverzorgenden, die 24 uur per dag rond de cliënten aanwezig zijn. Waar het uiteindelijk om gaat, is de kwaliteit van zorg. Die moet goed zijn evenals de tevredenheid van de cliënten en medewerkers.
Wat vindt u van het verhaal van de medewerker die in dezelfde krant vertelt dat de bewoners in het verpleeghuis in het westen van Nederland geen activiteiten krijgen aangeboden? Is dat eigenlijk verplicht? Moet dat alleen groepsgewijs of ook individueel als mensen niet aan groepsactiviteiten kunnen meedoen?
Ik lees in het betreffend artikel niet dat bewoners in een verpleeghuis in het westen van Nederland geen activiteiten krijgen aangeboden. Als medewerkers signalen geven in de krant die zorgelijk zijn vraag ik de krant, indien nodig, altijd om het signaal bij de IGZ te melden.
Het aanbieden van activiteiten/dagbesteding is een integraal onderdeel van de zorgzwaartepakketten. De zorgkantoren contracteren de zorginstellingen en hebben primair de plicht om goede kwaliteit van zorg in te kopen. Daarbij hebben de zorgkantoren de mogelijkheid om te controleren of de activiteiten die geleverd worden voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Voor de levering van dagbesteding is de zorginstelling zelf verantwoordelijk. Activiteiten/dagbesteding kunnen in groepsverband of individueel worden aangeboden. Dit is afhankelijk van de behoefte van en de gemaakte afspraken met de cliënt.
Denkt u dat de Beginselenwet Zorg iets zal veranderen aan deze wantoestanden of is er in dergelijke verpleeghuizen iets anders aan de hand, bijvoorbeeld gebrek aan goede leidinggevende capaciteit?
Mensen die in een zorginstelling wonen, moeten het recht hebben om hun leven zoveel mogelijk te kunnen inrichten zoals ze dat zelf willen. Om dat te bereiken, geeft de Beginselenwet Zorg de cliënt een stem. De relatie tussen de cliënt en de zorgaanbieder kan er één zijn van grote afstand en grote afhankelijkheid, waardoor cliënten al gauw concessies doen. Het wetsvoorstel biedt cliënten een steun in de rug, als zij bijvoorbeeld willen aankaarten dat zij vaker willen douchen of willen zorgen dat de afspraken over douchen worden nageleefd. Cliënten staan daarmee sterker ten opzichte van de zorgaanbieder. Zorgmedewerkers op hun beurt staan met het wetsvoorstel sterker binnen hun organisatie. Dit wetsvoorstel steunt verzorgenden om het gesprek met hun leidinggevenden aan te gaan als zij geen tijd hebben om de door of namens de zorgaanbieder met de cliënt gemaakte afspraken over bijvoorbeeld douchen na te komen. Ook bij de door u vermelde managementproblemen is het dus een goed instrument.
Heeft u er kennis van genomen dat in bet artikel wederom melding wordt gemaakt van incontinentiemateriaal dat niet verwisseld zou mogen worden? Kan een bewoner straks zonder bij te hoeven betalen via de Beginselenwet Zorg afdwingen zo vaak verschoond te willen worden als menselijkerwijs gezien gewenst is (dus vaker dan 2 keer per etmaal bijvoorbeeld)?
In de tweede nota van wijziging van het voorstel Beginselenwet AWBZ-zorg (Kamerstukken II, 33 109, nr. 8), zoals uw Kamer die op 18 april 2012 heeft ontvangen, wordt gesteld dat incontinentiemateriaal tijdig verwisseld moet worden. Met «tijdig» wordt bedoeld, tijdig voor de individuele cliënt in zijn specifieke situatie. Als het verwisselen van incontinentiemateriaal vaker dan 2 keer per etmaal gewenst is, dan zou dit dus vaker dan 2 keer per etmaal moeten gebeuren.
Hoe kan het gebeuren dat medicatiefouten zo weinig worden gemeld? Is dat ook een gevolg van gebrek aan kennis?
De melding moet geborgd zijn in het systeem van zorgverlening. Daarbinnen dienen medicatiefouten gemeld te worden in de eigen zorgorganisatie. Hiervoor zijn de zogenaamde MIC (Melding Incident Cliënt) commissies ingesteld. Dit is een verantwoordelijkheid van de zorginstelling. De IGZ toetst bij een bezoek of de zorginstelling een dergelijke commissie heeft. En controleert hierbij ook de meldingen en de acties die hierop genomen zijn.
Maatregelen naar aanleiding van het gebleken graaigedrag van COA-directeur Albayrak |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Leers |
|
|
|
|
Bent u, nu de feiten over het te hoge salaris van mevrouw Albayrak en de door haar verstrekte onjuiste informatie hierover onomstotelijk vast zijn komen te staan, bereid om over te gaan tot onmiddellijke en volledige terugvordering van het te veel aan haar uitbetaalde salaris, één en ander conform uw toezegging gedaan tijdens het algemeen overleg over het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) op 12 oktober 2011?1 Zo neen, waarom niet?2
Bent u tevens voornemens om aangifte te doen van fraude tegen mevrouw Albayrak, onder meer omdat zij privé gebruik van haar dure dienstauto probeerde te verdoezelen middels het met terugwerkende kracht veranderen van afspraken in haar agenda? Zo neen, waarom niet?
Het bericht 'Tijdelijk verhuren strop huizenbezitters' |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Tijdelijk verhuren strop huizenbezitters»?1
Ja
Bent u bekend met het fenomeen dat eigenaren in toenemende mate hun tweede, te koop staande woning verhuren zonder dat hiervoor de benodigde leegstandsvergunning is verleend? Zo ja, hoe vaak komt dit voor en wat is hiervan de oorzaak? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken hoe groot het probleem van illegale verhuur van de tweede woning is en wat de oorzaak hiervan is en zo nee, waarom niet? Wat zijn de gevolgen van illegale verhuur voor de eigenaren van de woning?
Het staat een eigenaar wettelijk gezien vrij zijn tweede woning te verhuren zonder te gebruik te maken van de mogelijkheid die de Leegstandwet biedt voor tijdelijke verhuur met beperkte huurbescherming. Hiervoor is geen gemeentelijke vergunning vereist en dergelijke reguliere verhuur is geenszins illegaal. De huurder geniet in dat geval wel volledige huurbescherming.
Aangezien er geen registratie van deze reguliere verhuur van (voormalige) koopwoningen plaatsvindt, is mij niet bekend hoe vaak dit voorkomt en waarom eigenaren hiervoor kiezen.
Het kan wel zijn dat de eigenaar bij dergelijke verhuur in strijd handelt met het huurbeding uit de hypotheekakte. Zo’n beding dient ter bescherming van de hypotheekbank, om te voorkomen dat de opbrengst bij executoriale verkoop te laag is om de hypotheekschuld te kunnen voldoen. Woningen in verhuurde staat brengen doorgaans minder op dan woningen in onverhuurde staat. Daarom geven hypotheekbanken doorgaans slechts toestemming voor tijdelijke verhuur van te koop staande woningen indien de eigenaar een vergunning heeft voor tijdelijke verhuur op grond van de Leegstandwet.
Uit navraag bij de Nederlandse Vereniging van Banken komen geen signalen naar voren dat eigenaren in toenemende mate hun woning verhuren zonder vergunning van de gemeente.
Waarom is het op basis van de Leegstandswet verlenen van een leegstandsvergunning door een gemeente van belang aangezien dit tijdrovend en in sommige gevallen zeer kostbaar kan zijn waarbij de legeskosten tot € 400 kunnen bedragen? Klopt het dat de gemeente zich moet inspannen om de voor de leegstandsvergunning noodzakelijke gegevens te achterhalen, terwijl die al bekend zijn bij de bank? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief d.d. 17 januari 2012 (II, 2011–2012, 27 926, nr. 178) en de debatten met de Tweede Kamer over deze brief heb ik reeds uitvoerig uiteengezet waarom ik belang hecht aan de gemeentelijke vergunning voor tijdelijke verhuur op grond van de Leegstandwet. Ook in mijn antwoord d.d. 18 april jl. op de vragen van mw. De Boer inzake Nationale Programma Herbestemming (2012Z06109, zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 2276) ben ik ingegaan op de wenselijkheid van de vergunningplicht.
Bij deze gelegenheden heb ik toegelicht dat het schrappen van de vergunningsplicht niet in het belang is van eigenaren met een te koop staande woning, noch in het belang van de betrokken huurders. Alleen met een vergunning op grond van de Leegstandwet weet de eigenaar van te voren dat de huurder maar een heel beperkte huurbescherming heeft en dat de huurovereenkomst daadwerkelijk eindigt na het verstrijken van de termijn van de vergunning. Ook de huurder weet dankzij de vergunning waar hij aan toe is en hoelang zijn huurovereenkomst loopt. Daarnaast helpt de vergunningverlening bij tegengaan van de illegale praktijken van huisjesmelkers.
Ik deel niet de opvatting dat het aanvragen van een vergunning tijdrovend is; het is zelfs zo dat de vergunning van rechtswege wordt verleend indien de gemeente niet binnen acht weken op de aanvraag heeft beslist.
Evenmin deel ik de mening dat de gemeente zich moet inspannen om de voor de leegstandsvergunning noodzakelijke gegevens te achterhalen, terwijl die al bekend zijn bij de bank. De aanvrager van de vergunning levert de voor de vergunning benodigde gegevens deels zelf aan, terwijl informatie over het leegstaan van de woning in de gemeentelijke basisadministratie beschikbaar is.
Wel zal ik, zoals toegezegd in de hiervoor genoemde brief, de Leegstandwet zodanig wijzigen dat de eis vervalt dat de gemeente een maximale huurprijs in de vergunning moet vermelden, indien de woning niet tegen een geliberaliseerde huurprijs kan worden verhuurd. Dit vergemakkelijkt de procedure voor de vergunning die daardoor ook sneller kan worden verleend.
Gemeenten hebben de bevoegdheid om voor het afgeven van een vergunning voor tijdelijke verhuur leges te vragen. Over het algemeen zal de leges voor een leegstandvergunning aanmerkelijk lager liggen dan de in de vragen genoemde € 400. Ik ben dan ook niet van mening het verkrijgen van een vergunning zeer kostbaar is.
Het feit dat de arbeidsparticipatie van 'pardonners' zwaar tegenvalt |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Leers |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het dat gebleken is dat de arbeidsparticipatie van pardonners slechts 40% bedraagt?1
Zie antwoord 2
Erkent u dat het vorige kabinet met het uitgangspunt van een arbeidsparticipatie van 60% de plank volledig heeft misgeslagen en een te rooskleurig beeld heeft geschetst van de (te verwachten) gevolgen van de pardonregeling?
De mate van arbeidsparticipatie van pardonners is achtergebleven bij de verwachtingen uitgesproken in 2008. Pardonners blijken net als vluchtelingen en andere migranten van de 1e generatie, moeilijker aan werk te komen dan autochtone Nederlanders.
Het is van belang dat pardonners hun positie weten te verbeteren. Zij zijn hiervoor zelf verantwoordelijk. Een deel van deze groep heeft ondersteuning nodig. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de gemeenten. Ook de werkgevers kunnen een belangrijke rol spelen. Zo zijn in de zorg en in de techniek in de komende jaren veel mensen nodig.
Wat betekent het gegeven van genoemde lage arbeidsparticipatie voor de totale kosten van uitkeringen en andere sociale voorzieningen als huurtoeslag voor de groep pardonners? Hoe verhoudt dit kostenoverzicht zich tot eerder verstrekte overzichten?
Een lagere arbeidsparticipatie van de groep pardonners betekent logischerwijs hogere kosten van uitkeringen en andere sociale voorzieningen voor deze groep. Overigens geldt dat het gebruik van de conjunctuurafhankelijke uitkeringsregelingen vanwege de economische crisis over de gehele linie hoger is dan op het moment dat deze raming is opgesteld. Een kostenoverzicht voor de specifieke groep pardonners is echter niet beschikbaar.
Deelt u de mening dat er nooit meer een pardonregeling mag komen? Zo neen, waarom niet?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de brief die ik op 17 april jl. aan uw Kamer heb gestuurd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 018, nr. 58).
Het forensisch psychiatrisch centrum De Oostvaarderskliniek |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over de angstcultuur in De Oostvaarderskliniek in Almere ?1
Ja.
Is het waar dat er een gebrekkig alarmsysteem is in De Oostvaarderskliniek? Zo ja, hoe lang al? Is ooit overwogen om deze te vervangen? Zijn er andere tbs-instellingen, justitiële jeugdinrichtingen en penitentiaire inrichtingen met een gebrekkig alarmsysteem?
Er is geen sprake van een gebrekkig alarmsysteem in FPC De Oostvaarderskliniek. Het betreft een gecertificeerd systeem dat betrouwbaar is. Vorig jaar hebben zich enkele storingen voorgedaan, die zijn verholpen. Er zijn mij op dit moment geen tbs-inrichtingen met een gebrekkig alarmsysteem bekend.
Hoe moet worden voorkomen dat personeelsleden uit angst voor de reactie van de directie problemen die op de afdelingen spelen niet melden?
In verschillende lagen van de forensisch psychiatrische centra (FPC’s) zijn mechanismen ingebouwd om een open communicatie te faciliteren. Zo hebben klinieken een vertrouwenspersoon voor medewerkers en bespreken collega’s en leidinggevenden tijdens intervisie en supervisie onder andere onregelmatigheden of fouten. Tevens vindt regelmatig overleg plaats tussen de ondernemingsraad en de bestuurders over dit soort aangelegenheden.
Is het denkbaar dat een kliniek conform het protocol handelt bij incidenten, maar dat het geen garantie is voor de positie van het personeel?
De FPC’s hebben een systeem voor het registeren van incidenten. Na de melding worden de incidenten geëvalueerd ter lering en ter voorkoming van toekomstige incidenten. In de evaluatie worden altijd de specifieke omstandigheden van het incident betrokken. Het handelen van het personeel, zoals de vraag of de relevante protocollen zijn gevolgd, maakt daar deel van uit. De evaluatie van de specifieke omstandigheden is bepalend voor verdere afhandeling en beoordeling van het incident.
Hoe beoordeelt u het verwijt dat gebrek aan transparantie kenmerkend is voor de hele sector? Welke gevolgen kunnen kleven aan het slecht of niet oppakken van een melding van incidenten?
Het niet melden van incidenten doet afbreuk aan de inspanningen gericht op verdere verbeteringen binnen de FPC’s. Door middel van doorlichtingen controleert de Inspectie voor de Sanctietoepassing (ISt) onder andere hoe de FPC’s presteren op het aspect interne communicatie. Uit het overall beeld van deze doorlichtingen ontstaat geen beeld van een kenmerkend probleem voor de gehele sector. Waar de ISt wel aanbevelingen deed gericht op de interne communicatie, zijn die door de betreffende FPC’s opgepakt.
Wist u dat cliënten incidenten niet durven te melden? Zo nee, bent u bereid onderzoek te doen onder cliënten en personeelsleden om te kijken of er een probleem is en hoe groot dat probleem is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wie zal dan het beste dat onderzoek kunnen verrichten, zodat zowel patiënten als personeelsleden zich vrij voelen om mee te werken aan dat onderzoek?
Tbs-gestelden in een FPC hebben de mogelijkheid om meldingen van diverse aard te doen bij de maandcommissaris. Deze persoon is lid van de commissie van toezicht en dus onafhankelijk ten opzichte van de directie. Voor het personeel zijn diverse mogelijkheden beschikbaar om werkgerelateerde zaken te bespreken met collega’s of leidinggevenden, zoals hierboven ook is aangegeven bij antwoord 3. Bovendien heeft recent een medewerkerstevredenheidsonderzoek in FPC de Oostvaarderskliniek plaatsgevonden en heeft de Arbeidsinspectie in 2011 een toezichtbezoek uitgevoerd. Hieruit is niet gebleken van problemen rond de communicatie van incidenten. Ik zie geen aanleiding voor nader onderzoek naar het melden van incidenten.
Duidelijke, eenduidige en vindbare informatie over tekortschietende behandelaren |
|
Lea Bouwmeester (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de berichtgeving door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) over wanpraktijken van een psychotherapeut en de uitspraak van de tuchtrechter in de zaak P. van Steijn?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat de heer Van Steijn nog steeds ingeschreven staat als gezondheidspsycholoog in het BIG-register (Beroepen Individuele Gezondheidszorg), terwijl hij uit het BIG-register is gehaald op last van de tuchtrechter in verband met zijn andere inschrijving als psychotherapeut?
Ja.
Bent u tevens op de hoogte dat bij de registratie van de heer Van Steijn als gezondheidspsycholoog nergens vermeld staat dat hij als psychotherapeut uit het register gehaald is vanwege wanpraktijken en het tuchtbevel dat hierop volgde?
Ja. Op de lijst met bevoegdheidsbeperkingen op www.bigregister.nl is vermeld dat de heer P. van Steijn per 11 april 2012 is doorgehaald in het register van psychotherapeuten. De doorhaling wordt ook gepubliceerd in een dagblad en in de Staatscourant.
Op 17 augustus 2011 heeft de IGZ de heer Van Steijn een bevel gegeven om zijn praktijken te sluiten en zijn werkzaamheden als psychotherapeut en gezondheidszorgpsycholoog neer te leggen. Dit bevel is openbaar gemaakt op www.igz.nl.
Indien een persoon is ingeschreven in meerdere registers (meerdere beroepen mag uitoefenen) en die persoon de bevoegdheid moet verliezen om al die beroepen uit te oefenen, dan moet het tuchtcollege voor de gezondheidszorg in de uitspraak uitdrukkelijk per beroep een bevoegdheidsbeperkende maatregel opleggen. De klacht die destijds door een patiënt is ingediend bij het tuchtcollege voor de gezondheidszorg had blijkbaar alleen betrekking op de beroepsuitoefening als psychotherapeut.
Deelt u de mening dat deze cruciale informatie wel zichtbaar zou moeten zijn voor patiënten? Zo ja, wat gaat u eraan doen om deze informatie beschikbaar te maken voor het BIG-register? Zo nee, wat zijn uw beweegredenen om deze informatie niet inzichtelijk te maken voor patiënten? Wat is in uw ogen dan het doel van het BIG- register voor patiënten?
Ik deel die mening. De Wet van 7 november 2011, houdende wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg onder andere in verband met de opneming van de mogelijkheid tot taakherschikking (Stb. 2011, 568) regelt dat per 1 juli 2012 bevoegdheidsbeperkende bevelen die de IGZ oplegt worden aangetekend in het BIG-register.
Hoe beoordeelt u de rol van ( IGZ ) in deze casus? Is het waar dat er al ernstige klachten waren in 2008 en dat de IGZ pas op 17 aan augustus 2011 aan beroepsbeoefenaar Van Steijn het bevel heeft gegeven zijn praktijken te sluiten en zijn werkzaamheden als psychotherapeut en gezondheidspsycholoog neer te leggen? Bent u van mening dat de IGZ in dit geval accuraat heeft gehandeld? Op welke datum is de klacht bij de tuchtcommissie ingediend tegen gezondheidspsycholoog Van Steijn? Bent u van mening dat de IGZ op dit punt accuraat gehandeld heeft?
Op 20 april jongstleden is de tuchtklacht van de IGZ jegens Van Steijn, voor zijn nog resterende BIG-titel, ingediend bij het Tuchtcollege. Met betrekking tot de rol van de IGZ in deze casus heb ik u in mijn brief van 16 april, met mijn reactie over de psychotherapeut Pieter van Steijn uit de uitzending van de Vijfde Dag2, aangegeven dat ik mevrouw Sorgdrager heb gevraagd om bij haar dossieronderzoek in ieder geval de zogenaamde 25 complexe zaken te betrekken. Het dossier Van Steijn is één van deze 25 zaken. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af. Die resultaten verwacht ik na de zomer.
Hoe beoordeelt u het feit dat er door twee organisaties, het CIBG (een uitvoeringsorganisatie van het ministerie van VWS, die gegevens verzamelt en verwerkt) en de IGZ, vallende onder uw ministeriële verantwoordelijkheid en voor patiënten duidelijk herkenbaar als overheidsinstantie, over dezelfde zaken geen eenduidige informatie verstrekt wordt? Deelt u de mening dat het handhaven van de inschrijving van beroepsbeoefenaar Van Steijn als gezondheidspsycholoog in het BIG-register de beroepsbeoefenaar ten onrechte de schijn van deskundigheid en veiligheid met zich mee brengt? Wat gaat u eraan doen om de informatieverstrekking door het CIBG en de IGZ, onder uw verantwoordelijkheid, goed te laten gebeuren om dit soort misverstanden, die verregaande gevolgen kunnen hebben, te voorkomen?
Ik verwijs naar de antwoorden op vragen 3 en 4.
Waar kunnen patiënten inzien welke praktijken er op bevel van de IGZ gesloten zijn en welke artsen en hulpverleners het bevel hebben gekregen hun werkzaamheden te staken? Hoe wordt deze informatie gekoppeld aan het BIG-register?
Ik verwijs naar de antwoorden op vragen 3 en 4.
Deelt u de mening dat informatie over het handelen van een behandelaar en medicus toegankelijk, duidelijk en eenduidig vermeld moet worden op uw overheidswebsites, in het belang van patiëntveiligheid? Zo ja, welke verbetermogelijkheden ziet u hierin?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 4.
Wilt u de beantwoording van deze specifieke vragen meenemen in de brief die de Kamer heeft gevraag als reactie op genoemde uitzending?
De door u gevraagde brief met een reactie op het item over de psychotherapeut Pieter van Steijn uit de uitzending van De Vijfde dag op 5 april 20122 heeft u al ontvangen op 16 april.
Het bericht 'Ongeschoold personeel deelt medicijnen uit in verpleeghuizen' |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ongeschoold personeel deelt medicijnen uit in verpleeghuizen»?1
Ja.
Is het waar dat de cursus medicatieverstrekking, gegeven door het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik, slechts een paar uur duurt? Deelt u de mening dat dit onvoldoende is om veilige medicatieverstrekking te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Allereerst wil ik aangeven dat het veilig verstrekken van geneesmiddelen onderdeel is van een aantal initiële opleidingen in de zorg, bijvoorbeeld de opleiding tot verzorgende individuele gezondheidszorg en verpleegkundige. Wat betreft de bij- en nascholing van beroepsbeoefenaren geldt dat de beroepsgroep zelf aan zet is. Zij bepalen de inhoud en de daarop afgestemde duur van de opleidingen. Dit wordt afgestemd met de vragen en wensen van de werkgevers. Op de vraag of een cursus medicatieverstrekking en een jaarlijkse opfriscursus voldoende is, dienen in eerste instantie de beroepsgroep en de werkgever een antwoord te geven vanuit hun verantwoordelijkheid voor het leveren van verantwoorde zorg.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg ziet toe op de kwaliteit van de zorg op het gebied van de ouderenzorg in het algemeen en de medicatieveiligheid in het bijzonder. De inspectie trof in 2009 bij bijna 200 instellingen in de langdurige zorg en zorg thuis hoge tot zeer hoge risico’s bij medicatie aan. Een vervolgonderzoek in 2011 van de inspectie toont aan dat de bezochte instellingen binnen één jaar tijd forse verbeteringen hebben bereikt. De inspectie heeft na haar bevindingen uit 2011 het veld opgeroepen om het voorbeeld van deze zorgaanbieders te volgen. De komende jaren zal de inspectie in haar regulier toezicht de vorderingen op dit gebied volgen. De risico’s rond medicatieveiligheid zijn in het veld bekend en cliënten-, beroeps- en brancheorganisaties hebben in oktober 2010 de taskforce medicatieveiligheid opgericht om de randvoorwaarden te creëren die de risico’s in de caresector verder kunnen doen afnemen. Onlangs heeft de taskforce de veilige principes uitgebracht. Dit is een compacte handleiding (A3-tje) waarin op eenvoudige en overzichtelijke wijze stap voor stap duidelijk wordt gemaakt wie waar verantwoordelijk voor is in het medicatieproces en waar elke partij op moet letten. Dat is goed voor een patiënt of zijn wettelijke vertegenwoordiger. Zo weten zij precies wanneer ze waar op moeten letten en welke vragen zij moeten stellen als zij medicatie krijgen. Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor de medewerkers in de zorg.
Deelt u de mening dat verzorgenden jaarlijks een opfriscursus medicatieverstrekking zouden moeten krijgen? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Is het u bekend dat hetInstituut voor Verantwoord Medicijngebruik beweert dat de kans op fouten enorm is, terwijl Actiz beweert dat medicijnen vaak zo geprepareerd worden dat er bijna geen fouten meer mee gemaakt kunnen worden? Is Actiz met deze stellingname niet medeverantwoordelijk voor gemaakte fouten met medicatie?
Het is mij bekend dat het Instituut voor Verantwoord medicijngebruik beweert dat fouten op de loer liggen als personeel dat geen medicijnen mag uitdelen, dat toch doet. Ook is mij bekend dat Actiz aangeeft dat de medicijnen vaak zo geprepareerd worden dat er bijna geen fouten meer mee gemaakt kunnen worden. Zij geven hierbij tevens aan dat mensen die geneesmiddelen uitdelen goed opgeleid dienen te worden.
Het is vreselijk indien er fouten worden gemaakt en er moet ook altijd getracht worden fouten te voorkomen. Partijen dienen ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid hiervoor acties te treffen. Ik zie niet in waarom Actiz met deze stellingname medeverantwoordelijk is voor gemaakte fouten. De inspectie ziet zoals hierboven gemeld toe op medicatieveiligheid, en zal hier op blijven toezien.
Bent u bereid koepelorganisatie Actiz aan te spreken over deze misstand, en te verzoeken hierop actie te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Homo-acceptatie in het voetbal |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het artikel van Huub ter Haar: «Voetbal is van iedereen, ook van homo’s»?1
Ja
Bent u met Huub ter Haar van de Alliantie Gelijkspelen van mening dat er nog veel verbeterd kan worden op het gebied van homo-acceptatie in het voetbal? Deelt u de mening dat het uitspreken dat iedereen welkom is onvoldoende is en dat je acceptatie actief moet organiseren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar blijkt dat uit? Kunt u een volledig overzicht geven van de activiteiten die u ontplooit?
Het kabinet streeft er naar om een veilig sportklimaat te creëren zodat iedereen veilig en met plezier kan sporten. Dit geldt voor alle sporters dus ook voor homoseksuele sporters. Om de sport veiliger te maken heb ik samen met de minister van V&J, NOC*NSF, de KNVB, de KNHB, de VNG en de MO-groep het Actieplan «Naar een veiliger sportklimaat» en de uitwerking hiervan opgesteld en aan u toegezonden (30 234, nr. 55). Hierin wordt ingezet op het bevorderen van gewenst gedrag bij of in de sport, het voorkomen van ongewenst gedrag en op een «zero tolerance» beleid van zaken die niet door de beugel kunnen. Ongewenst gedrag tegen lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender sporters valt daar ook onder.
Naast het genoemde actieplan steun ik samen met de minister van OCW de (Gay Straight) Alliantie Gelijkspelen. In deze alliantie werken verschillende maatschappelijke organisaties (NOC*NSF, Stichting GUTS, Movisie, de NSA, de John Blankenstein Foundation en het COC) samen aan het vergroten van de sociale acceptatie van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender sporters. De alliantie maakt afspraken met een aantal sportbonden (waaronder de KNVB), verenigingen en gemeenten om het klimaat voor deze sporters te verbeteren en richten zich op het vergroten van de zichtbaarheid en bespreekbaarheid en het verbeteren van de omgangsvormen zowel in de amateur- als in topsport. Dit gebeurt onder andere door inpassing in opleidingen.
Hoe beoordeelt u de oproep van de Alliantie Gelijkspelen aan «Meer dan Voetbal», de Vereniging van Contractspelers (VVCS) en de KNVB om een voortrekkersrol te gaan vervullen op het gebied van homo-acceptatie? Bent u in overleg met deze partijen over dit onderwerp?
Met zowel de partners uit het actieplan als de partners van de alliantie zit ik regelmatig om tafel, waaronder NOC*NSF en de KNVB. Deze partijen denken actief mee over acties die gevoerd kunnen worden om homoacceptatie in de sport te vergroten en de positie van homoseksuelen in ondermeer het voetbal te versterken.
Is het waar dat Engeland en Duitsland op dit vlak veel actiever zijn? Kunt u een overzicht geven van de activiteiten die in Engeland en Duitsland ontplooid worden? Zijn er activiteiten die u wilt overnemen en die u ook in Nederland wilt ontwikkelen en/of stimuleren?
Met belangstelling volg ik de ontwikkelingen op dit gebied in Engeland en Duitsland. Internationale uitwisseling van ervaringen en goede voorbeelden met betrekking tot homo-emancipatie is onderdeel van het beleid en werk van de Alliantie Gelijkspelen. Zo worden onder andere de verrichtingen van de FA (Football Association), die onlangs bijvoorbeeld een convenant met de Engelse voetbalclubs heeft gesloten, op de voet gevolgd door de Alliantie en hebben zij hier over contact. Dit najaar is Nederland in het kader van de European Partial Agreement on Sports (EPAS, Raad van Europa) gastland van een conferentie gericht op uitwisseling van good practices om homofobie in de sport tegen te gaan.
Deelt u de mening dat het tijd wordt voor een actieplan homo-acceptatie in het Voetbal? Bent u bereid het voortouw te nemen en met « Meer dan Voetbal», de VVCS, de KNVB en de Alliantie Gelijkspelen op korte termijn, uiterlijk voor het begin van het nieuwe voetbalseizoen 2012–2013, te komen met een plan van aanpak om homo-acceptatie in het amateur- en profvoetbal te stimuleren en waarin het «organiseren van homo-acceptatie» centraal staat?
Nee, de hierboven beschreven inzet is veelomvattend en neemt al het voortouw om sport voor iedereen ongeacht geaardheid leuk te houden en agressie tegen te gaan.
Heeft u kennisgenomen van het initiatief dat de gemeente Den Haag in 2008 heeft genomen voor een Haagse homo-emancipatieprijs: «de John Blankensteinprijs»? Deelt u de mening dat een dergelijk project landelijk navolging verdient? Wordt u de eerste minister van Sport die de landelijke John Blankensteinprijs uitreikt aan de persoon of organisatie die zich in 2012 het meest heeft ingezet voor homo-acceptatie in de sport?
Ja, hier heb ik kennis van genomen. Ik vind het belangrijk dat iedereen, ook homo’s veilig en met plezier kunnen sporten en voetballen. Mijn Actieplan «Naar een Veiliger Sportklimaat» biedt ruimte voor initiatieven en maatregelen ter bevordering van een veiliger sportklimaat en daarmee ook voor initiatieven die het gevoel van veiligheid voor homoseksuelen in de sport vergroten. Het instellen van een prijs is hiervan een goed voorbeeld. Het is aan de partijen zelf om dit soort initiatieven te ontplooien.
De ernstige vervuiling van het Gotomeer te Bonaire |
|
Ineke van Gent (GL) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat ten gevolge van de brand in het overslagstation Bopec op Bonaire het beschermde natuurgebied rond het Gotomeer ernstig is vervuild?
Ja, ik ken het bericht van vrijdag 13 april 2012 dat in het Antilliaans Dagblad is gepubliceerd.
Welke preventieve maatregelen ter bescherming van mens en milieu zijn vóór de brand op 8 september 2010 bij het overslagstation Bopec bedongen? Werden deze preventieve maatregelen ook daadwerkelijk door het overslagstation Bopec nageleefd? Is daarbij expliciet rekening gehouden met de directe aanwezigheid van het natuurgebied in de buurt van het overslagstation?
Tijdens het uitbreken van de tankbranden was Bonaire onderdeel van de Nederlandse Antillen. Het was aan het bevoegd gezag (nu openbaar lichaam Bonaire) om regels te stellen en toe te zien op de naleving daarvan. De Onderzoeksraad voor de Veiligheid heeft uitvoerig gerapporteerd over de tankbranden bij BOPEC (Tankbranden BOPEC Bonaire, augustus 2011 projectnummer M2010IN0908–02) en gaat in paragrafen 2.1 (achtergrondinformatie betrokken partijen) en 3.2 (brandpreventie) in op de preventieve maatregelen. De OvV concludeert dat geen regels aan BOPEC waren opgelegd, er geen toezicht was en het bedrijf haar verantwoordelijkheden voor het voorkomen van de brand en beperken van de gevolgen niet heeft genomen. Mij is bekend dat het openbaar lichaam Bonaire ter gelegenheid van de afsluiting van het erfpachtcontract (1974) voor het gebruik van het gebied ten behoeve van de opslag van olie en olieproducten erfpachtvoorwaarden heeft gedicteerd die ook zijn gericht op de bescherming van het gebied rondom BOPEC, waaronder het Gotomeer.
Hoe is tijdens het blussen van de brand rekening gehouden met het belang om te voorkomen dat ontoelaatbare concentraties chemische stoffen zouden vrijkomen?
Op verzoek van het bevoegd gezag (brandweer Bonaire) zijn enkele BOT-mi adviezen (Beleids Ondersteunend Team Milieu Incidenten) verzorgd. Daarbij zijn ook adviezen afgegeven die betrekking hadden op het voorkomen van bodem- en waterverontreiniging door olieproducten, verspreiding van bluswater en natte en droge depositie. Het was aan het bevoegd gezag – in casu de brandweer – om aan te geven of en in hoeverre deze adviezen ook werden toegepast. Gedetailleerde informatie over de brandbestrijding is in de onderzoeksrapportage van de OvV opgenomen. De normoverschrijding van PFOS die door het RIVM is vastgesteld (Compound depositions from the BOPEC-fires on Bonaire, RIVM-rapport 609022067/2011) is veroorzaakt door depositie. Overigens was de regelgeving betreffende het gebruik van bijvoorbeeld PFOS-houdend blusschuim ten tijde van de brand niet van toepassing. Deze regels gelden ook pas sinds medio 2011 voor blusmiddelen die in Nederland toegepast worden.
Deelt u de mening dat de bio-accumulatie van de brand in het overslagstation Bopec precies moet worden uitgezocht en dat de verdere gevolgen van de door de brand veroorzaakte milieuschade moeten worden beperkt? Zo ja, waarom wordt een onderzoeksvoorstel van Imare en Alterra om een preciezer ecotoxicologisch onderzoek naar de daadwerkelijke vervuiling en de mogelijke bestrijding ervan niet gehonoreerd?
Het RIVM heeft geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van PFOS, een bio-accumulerende stof. Het is mij bekend dat het bestuurscollege van het openbaar lichaam Bonaire voornemens is om – naar aanleiding van de geconstateerde feiten over het Gotomeer (afwezigheid flamingo’s) – een vervolgonderzoek te laten verrichten en daartoe een ondersteuningsverzoek bij de Ministeries van EL&I en I&M zal indienen. Ik overweeg om dit verzoek te honoreren en ben bereid om het RIVM op korte termijn in te schakelen om een vervolgonderzoek uit te voeren naar de verspreiding van chemische stoffen in en rond het Gotomeer en de risico’s daarvan. Het programma van eisen daarvoor zal in nauw overleg met het openbaar lichaam Bonaire worden opgesteld. Op basis van de uitkomsten van dit milieuhygiënische onderzoek is het aan het bestuurscollege om te beoordelen of verder (ecologisch en ecotoxicologisch) onderzoek noodzakelijk is en of mitigerende maatregelen moeten worden genomen.
Bent u bereid om onmiddellijke maatregelen te treffen om verdere schade voor mens en milieu te bestrijden? Zo ja, waaruit bestaan die precies? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit is prematuur want de exacte oorzaak van de afname van de populatie flamingo’s in het Gotomeer is nog niet bekend. Vervolgonderzoek moet aantonen in welke mate chemische stoffen in en rond het Gotomeer voorkomen en of er risico’s zijn. Op basis daarvan kan door het bestuurscollege van Bonaire worden bepaald of vervolgstappen noodzakelijk zijn, en zo ja, welke maatregelen tot de mogelijkheden behoren en wie daarvoor verantwoordelijk is.
Bent u bereid om te onderzoeken in hoeverre de exploitant PdVSA aansprakelijk gesteld kan worden voor de door de brand veroorzaakte schade? Zo nee, waarom niet?
Nee, onderzoeken zullen eerst moeten aantonen of de eigenaar van het BOPEC-terrein en van het Gotomeer en omgeving (Openbaar Lichaam Bonaire) schade heeft geleden.
Zelfverrijking door fondsenwerving kankeronderzoek |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Argos over het Wereld Kanker Onderzoek Fonds?1
Ja.
Wat is uw oordeel over het verwijt dat de oprichters van het Wereld Kanker Onderzoek Fonds zich schuldig maken aan zelfverrijking? Was u bekend met dit verwijt? Acht u het verwijt terecht?
De in Nederland gevestigde stichting Wereld Kanker Onderzoek Fonds is onderdeel van het internationaal samenwerkingsverband World Cancer Research Fund dat in Engeland is gevestigd. Het American Institute for Cancer Research maakt deel uit van dit samenwerkingsverband. Er zijn ook vestigingen in Engeland, Hongkong en Frankrijk.
Ik heb geen kennis kunnen nemen van feiten die wijzen op zelfverrijking van de in Nederland gevestigde stichting Wereld Kanker Onderzoek Fonds of diens bestuursleden. Ik beschik niet over informatie met betrekking tot de oprichters
Heeft u aanwijzingen dat een groot deel van de donaties opgaat aan fondsenwerving die wordt uitbesteed aan bedrijven waar medewerkers van het fonds dan weer eigenaar van blijken te zijn? Wat is uw oordeel daarover?
Nee.
Is het waar dat het stichtingsbestuur voor een deel bestaat uit bestuursleden die door het Amerikaanse Wereld Kanker Onderzoek Fonds zijn benoemd? Is het tevens waar dat deze bestuursleden fors betaald krijgen? Zo ja, deelt u de mening dat dit in strijd is met de Nederlandse regelgeving van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF)? Zo nee, waarom niet? Hoe wordt het bestuur dan samengesteld en wat zijn de inkomsten van deze bestuursleden?
Het bestuur van de Nederlandse stichting Wereld Kanker Onderzoek Fonds bestaat uit zes leden, waarvan twee worden voorgedragen door het World Cancer Research Fund International. Deze bestuursleden ontvangen geen salaris voor hun werkzaamheden. Zij krijgen hun redelijk gemaakte onkosten vergoed welke in de jaarrekening worden verantwoord.
Ziet u in de Argos-uitzending aanleiding om kritisch naar het Wereld Kanker Onderzoek Fonds te kijken en eventueel te overwegen het CBF-keurmerk in te trekken als daartoe redenen bestaan? Zo nee, waarom niet?
Het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) houdt als onafhankelijk toezichthouder toezicht op goede doeleninstellingen. Het CBF heeft op 25 mei 2012 besloten het keurmerk van het Wereld Kanker Onderzoek Fonds niet te verlengen, omdat de stichting niet langer keurmerkwaardig is.