Het nog steeds vanuit publieke middelen financieren van megastallen in het buitenland |
|
Marianne Thieme (PvdD), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Henk Bleker (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek «Nederlands geld, Vreemd vlees»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er nog steeds geld van de Nederlandse belastingbetaler direct of indirect wordt gebruikt voor de financiering van megastallen in het buitenland? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de motie Ouwehand, waaruit volgt dat Nederland op geen enkele wijze meer mag bijdragen aan de financiering van megastallen in het buitenland?2
Het Nederlandse bedrijfsleven is zeer actief in het buitenland en speelt daarmee een belangrijke rol in de Nederlandse economie. Nederland ondersteunt Nederlandse bedrijven die exporteren en/of investeren op buitenlandse markten. Zo financieren (leningen) of verzekeren we vanuit de Nederlandse overheid ook Nederlandse bedrijven die hoogtechnologische producten en diensten leveren voor veehouderijsystemen in Oost Europa, maar ook in landen als Oekraïne, China en Vietnam. In het huidige Nederlandse beleid wordt per project een milieu en sociale beoordeling op maat uitgevoerd. Daarbij zijn de IFC performance standards leidend. Indien uit de beoordeling blijkt dat er onaanvaardbare milieu en/of sociale risico’s optreden zal geen steun worden gegeven. In een aantal gevallen gaat het om grote- of megastallen. De Nederlandse overheid voert generiek beleid ter ondersteuning van Nederlandse bedrijven die exporteren naar het buitenland en/of investeren op buitenlandse markten.
Nederland staat voor duurzame landbouw en veehouderij: maatschappelijk verantwoord met betrekking tot aspecten van dierenwelzijn, diergezondheid, arbeidsomstandigheden, volksgezondheid, landschap en milieu.
De overheid respecteert, voor alle vormen van ondersteuning en exportkredieten, daarbij de internationaal geldende normen voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, zoals vastgelegd in de IFC performance standards. Dierenwelzijn is onderdeel van deze normen. Het bedrijfsleven wordt daarbij actief gestimuleerd zich te houden aan de OECD-Guidelines. Ik verwijs daarbij naar de aangehouden motie van lid Van Ojik (33 400-V, nr. 46) ingediend bij het wetgevingsoverleg over de onderdelen Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken voor het jaar 2013. Ik zal in overleg met mijn collega’s van Economische Zaken de relatie stalomvang en dierenwelzijn bespreken en zal de Tweede Kamer daar zo spoedig mogelijk over informeren.
Kunt u aangeven op welke wijze deze motie is uitgevoerd en op welke wijze u garandeert dat geen publieke middelen worden ingezet voor de ondersteuning van de bouw van megastallen in het buitenland?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat exportkredietverzekeringen, welke namens en voor rekening van de Nederlandse staat worden verstrekt, een vorm van financiering zijn en dat het afgeven van deze verzekeringen aan megastallen in het buitenland dus tegen de wil van de Kamer ingaat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uitleggen hoe het heeft kunnen gebeuren dat er, na het aannemen van de motie, exportkredietverzekeringen zijn verstrekt aan het bedrijf Myronivsky Hliboproduct (MHP) in de Oekraïne, waar 17,8 miljoen kippen gehouden worden?
De exportkredietverzekeringfaciliteit stimuleert de export van Nederlandse goederen en diensten naar het buitenland. Exporteurs en banken kunnen een verzekering voor transacties aanvragen om zich te beschermen tegen het risico dat de buitenlandse debiteur niet betaalt. De verzekerde betaalt voor het dekken van deze risico’s een premie. De EKV faciliteit is in zijn geheel kostendekkend. Verzekeringen bieden we alleen aan wanneer de markt risico’s niet dekt. De buitenlandse debiteur, zoals Myronivsky Hliboproduct (MHP), treedt niet op als verzekerde partij. In het geval van Myronivsky is een verzekering afgegeven aan Nederlandse exporteurs, die hoogwaardige producten hebben geleverd voor het veehouderijsysteem van Myronivsky in Oekraïne. Op Myronivsky is in totaal EUR 174 miljoen aan polissen afgegeven (afgelopen 10 jaar). Hiervan heeft ongeveer EUR 80 miljoen betrekking op het Vinnytsa project (afgelopen 2 jaar). Bij de beoordeling van projecten wordt gekeken naar dierenwelzijn.
Kunt u aangeven welk Nederlands belang gediend is met het geven van een exportkrediet aan een megastal in de Oekraïne? Kunt u specifiek zijn in uw antwoord?
Het afgeven van verzekeringen aan Nederlandse exporteurs, die producten leveren aan Myronivsky, ondersteunt de ontwikkeling van een hoogwaardige, veelbelovende tak van onze agro-export. Het gaat hier specifiek om het afgeven van een exportkredietverzekering aan Nederlandse bedrijven voor de levering van stalinrichting voor pluimvee moederdieren alsmede supervisie op de montage. In het algemeen stimuleren exportkredietverzekeringen de Nederlandse export en werkgelegenheid.
Westerse en ook niet westerse landen hebben veelal vergelijkbare faciliteiten, waarbij niet marktbare risico’s voor rekening en risico van de betreffende Staat worden verzekerd.
Wordt er bij de beoordeling van steun voor transacties van Atradius DSB, de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) en/of de International Finance Corporation (IFC) gekeken naar mogelijke effecten op dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven hoe de beoordeling op dierenwelzijn in de praktijk van elk van deze instellingen plaatsvindt, en welke standaarden daarbij worden gehanteerd?
Bij de milieu en sociale beoordeling die Atradius DSB uitvoert wordt ook gekeken naar de mogelijke effecten op dierenwelzijn. Projecten worden beoordeeld ten opzichte van lokale wet- en regelgeving en internationale kaders. De internationale richtlijnen, die op exportkredietverzekeraars binnen de OESO van toepassing zijn, verwijzen niet expliciet naar dierenwelzijn. Voor het toetsen van de presentaties van Myronivsky op het gebied van dierenwelzijn zijn de richtlijnen van de IFC gehanteerd en is er aanvullend aan de Europese wet- en regelgeving getoetst.
IFC kijkt bij inspecties ook altijd naar dierenwelzijn. Dit gebeurt zowel door een zogenaamde Environmental en Social expert als door een engineer. IFC hanteert hierbij als standaard de IFC Good Practice Note: Animal welfare in Livestock Operations3. Deze standaard is ontwikkeld in overleg met Compassion In World Farming, en houdt rekening met de richtlijnen van de World Organisation for Animal Health.
Het aantal projecten bij de EBRD in de veehouderij- en pluimvee sector is tot nu toe zeer beperkt geweest. De zogenaamde Environmental and Social Impact Assessments van de EBRD worden door externen uitgevoerd en richten zich, ook in deze sectoren, op EU-standaarden. E.e.a. is voor deze sectoren nader uitgewerkt in guidance notes.
Kunt u aangeven waarom exportkredietverzekeringen voor exporttransacties aan Myronivsky Hliboproduct niet in alle gevallen een categorie A (sprake van potentieel grote nadelige milieu en sociale gevolgen) classificatie hebben ontvangen? Kunt u aangeven waarom de leningen van EBRD en IFC aan MHP zulke uiteenlopende classificaties hebben ontvangen?
Grootschalige pluimveehouderijen zoals de boerderijen van Myronivsky worden bij de milieu en sociale beoordeling in het kader van een exportkredietverzekering als A gecategoriseerd. De transacties van Myronivsky die met respectievelijk een B en C gecategoriseerd zijn betroffen echter geen pluimveeboerderijen.
IFC, dat onderdeel is van de Wereldbankgroep, heeft de lening aan Myronovsky op basis van haar Environmental en Social Review Procedures geclassificeerd als een categorie B project, omdat het naar hun inschatting slechts beperkt milieu en sociale gevolgen heeft. IFC concludeert ook dat MHP juist goed scoort op dierenwelzijn.
EBRD heeft nauw samengewerkt met IFC m.b.t. dit bedrijf en het project ook geclassificeerd als B.
Deelt u de mening dat nieuwbouw of uitbreiding van veehouderijen altijd in categorie A zouden moeten vallen, vanwege de vele nadelige gevolgen die zo’n bedrijf heeft voor omwonenden, het milieu, de natuur en het dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
Grootschalige nieuwbouw of uitbreidingen van bestaande pluimveehouderijen zullen, zoals nu ook al gebeurt, als een A categorie beschouwd worden in de milieu en sociale beoordeling van Atradius DSB.
Waarom krijgt een groot bedrijf als Myronivsky Hliboproduct in de Oekraïne, waar 17,8 miljoen kippen gehouden worden, vanuit Nederland een financiële ondersteuning via het Nederlandse export krediet agentschap Atradius DSB? Welke Nederlandse bedrijven zijn bij het project betrokken? Hoe beoordeelt u dit?
De exportkredietverzekering, die verstrekt wordt aan banken en exporteurs, maakt de export naar het buitenland mogelijk. Nederlandse bedrijven hebben een uitstekende marktpositie in de agrarische sector, ook buiten Nederland. In het verleden hebben meerdere Nederlandse exporteurs een exportkredietverzekering afgesloten voor een levering aan Myronivsky. Atradius DSB publiceert een lijst met afgegeven polissen op haar website. Zoals op die website aangegeven gaat het hier ondermeer om het afgeven van een exportkredietverzekering aan Nederlandse bedrijven voor de levering van stalinrichting voor pluimvee moederdieren alsmede supervisie op de montage.
Beoordeelt Nederland bij het verstrekken van exportkredietverzekeringen voor transacties ten behoeve van dezelfde debiteur het marktaandeel van zo’n bedrijf, en zo ja, worden daarbij bepaalde grenzen in acht genomen? Hoe rijmt u het steunen van zo’n naar monopolisme neigend bedrijf als MHP met het bevorderen van marktwerking?
Alle transacties waarvoor een kredietverzekering wordt verstrekt worden uitgebreid geanalyseerd en beoordeeld. Daarbij wordt ook de marktpositie van de afnemer meegewogen. MHP heeft een goede marktpositie in Oekraïne, maar is geen monopolist. Daar komt bij dat een groot deel van de nieuwe productie voor de export bedoeld is, dus voor markten waar MHP momenteel geen marktaandeel heeft.
Kunt u bevestigen dat de verplichte Milieueffectrapportage (MER) voor Myronivsky Hliboproduct niet correct is uitgevoerd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit, mede in het licht van de exportkredietverzekeringen die Nederland heeft afgegeven voor deze kippenfabriek? Zo nee, hoe verklaart u dan de conclusies in het onderzoek «Nederlands geld, Vreemd vlees», waaruit blijkt dat er onder andere geen informatie over de milieueffecten van de bouw is gegeven, er geen beoordeling van de cumulatieve effecten van alle faciliteiten is gemaakt, de effecten op flora, fauna en het grondwater niet goed zijn ingeschat en er geen analyse gedaan is naar dierenwelzijn, uitstoot van broeikasgassen, afvalbeheer en gezondheidseffecten?
Er zijn meerdere milieueffectrapportages uitgevoerd voor diverse activiteiten van Myronivksy binnen het Vinnytsa project. Deze rapportages zijn door een bevoegde partij uitgevoerd en door het bevoegd gezag goedgekeurd. Het klopt dat de kwaliteit van de rapportages op punten afweek van de standaard die wij verwachten. Om alle milieu en sociale effecten gedegen te kunnen beoordelen, hebben wij de debiteur om aanvullende informatie verzocht. Daarnaast hebben wij gebruik gemaakt van vergunninginformatie en informatie van een consultant van IFC die de milieu en sociale effecten beoordeeld.
Hoe worden de effecten van cumulatieve steun door verschillende publieke instellingen aan één bedrijf beoordeelt bij het afgeven van exportkredietverzekeringen?
Zoals ik hierboven heb toegelicht, verstrekt de Nederlandse Staat via de EKV geen financiële steun aan buitenlandse bedrijven zoals Myronivsky. Om het risico dat een buitenlandse debiteur niet kan betalen inzichtelijk te krijgen, wordt de kredietwaardigheid van de afnemer zorgvuldig beoordeeld. In deze analyse wordt rekening gehouden met de wijze waarop deze is gefinancierd, inclusief het al of niet aanwezig zijn van financiering door multi- of bilaterale instellingen.
Kunt u bevestigen dat Atradius DSB niet beschikt over een uitsluitingslijst van activiteiten waaraan Nederland op geen enkele manier bij wil dragen? Zo nee, welke criteria hanteert Atradius DSB dan? Zo ja, wat is hiervoor de reden en vindt u het aanvaardbaar dat met Nederlands belastinggeld zo allerlei activiteiten kunnen worden gefinancierd, zoals de bijvoorbeeld ook productie van wapens?
De Nederlandse Staat verstrekt aan Atradius Dutch State Business geen uitsluitingslijst met activiteiten voor de verzekeringen. Er is een procedure voor de milieu en sociale beoordeling waaraan de exporttransacties worden onderworpen. Toetsing vindt plaats aan internationaal overeengekomen normen en standaarden, waaronder de IFC performance standards. Als sprake is van onaanvaardbare milieu en sociale risico’s zal geen verzekeringspolis worden afgegeven. Op wapens is het exportcontrole instrumentarium van toepassing. Voor de uitvoer van militaire goederen is steeds een uitvoervergunning vereist. Of een vergunning verstrekt kan worden, hangt af van de uitkomst van de toetsing van een aanvraag aan de acht in Europees verband overeengekomen criteria, zoals opgenomen in het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB. Daarenboven zijn er op het terrein van wapens enkele bijzondere internationale verdragen, waarbij Nederland partij is (anti- personeelmijnen, clustermunitie). Vanzelfsprekend verzekert de Nederlandse Staat geen goederen of diensten die strijdig zijn met door Nederland geratificeerde internationale verdragen.
Bent u bereid op de kortst mogelijke termijn een uitgebreide uitsluitingslijst te eisen van Atradius DSB, waarbij in ieder geval ook elke nieuwbouw of uitbreiding van veehouderijen van meer dan 300 NGE (Nederlandse Grootte Eenheid) pertinent wordt uitgesloten van het verkrijgen van exportkredietverzekeringen? Zo nee, waarom niet? Op welke manier gaat u dan voor een correcte uitvoering van de motie Ouwehand zorgen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid zich ervoor in te spannen dat ook de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) en de International Finance Corporation (IFC) geen megastallen meer financieren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze? Bent u bereid de Kamer te informeren over uw inspanningen en de resultaten daarvan?
Zoals toegelicht in vraag 6, geldt voor de EBRD en IFC dat voor elk project een milieu en sociale beoordeling op maat wordt uitgevoerd. Waar relevant, vormt dierenwelzijn hier een onderdeel van. Ik zal met mijn collega van Financiën erop toe zien dat dit staande beleid gecontinueerd wordt.
Het bericht dat een dove studente haar diploma niet kan halen op de School voor Journalistiek |
|
Carola Schouten (CU) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Doof meisje kan geen journaliste worden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat instellingen geen onderscheid mogen maken op grond van een handicap (op basis van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte) en dat een onderwijsinstelling verplicht is aanpassingen te verrichten, voor zover dit in redelijkheid van de instelling kan worden gevraagd?
Ja.
Is het element van toegankelijkheid voor studenten met een functiebeperking expliciet meegewogen bij de opleidingsaccreditatie? Zo ja, voldoet deze opleiding aan de eis van toegankelijkheid voor studenten met een functiebeperking?
In het nieuwe accreditatiestelsel is een bepaling opgenomen over «voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid van het onderwijs voor studenten met een functiebeperking bevorderen». Dit betekent dat het één van de elementen is waarnaar de NVAO kijkt bij de instellingstoets of de uitgebreide opleidingsaccreditatie.
Het nieuwe accreditatiestelsel geldt vanaf 2011.
Voor de opleiding Journalistiek van de Hogeschool Utrecht geldt het volgende.
De huidige accreditatie loopt van 1 januari 2007 tot 31 december 2012 en is in maart 2006 afgegeven op basis van het vorige (oude) accreditatiestelsel, waarin de genoemde bepaling over studenten met een functiebeperking nog niet was opgenomen.
Dit najaar toetst de NVAO op instellingsniveau (instellingstoets) of en op welke wijze de Hogeschool Utrecht beleid ten aanzien van studenten met een functiebeperking heeft ingevoerd.
Heeft de betreffende opleiding voldaan aan de eis om doeltreffende aanpassingen te verrichten voor deze studente, zodat zij haar diploma kan halen?
De onderwijsinstelling dient in overleg met de student te bezien welke voorzieningen adequaat zijn. Dat hangt af van de aard van de functiebeperking, maar ook van de manier waarop de instelling het onderwijs heeft georganiseerd. Komen instelling en student hier niet uit, dan kunnen zij de Commissie Gelijke Behandeling inschakelen. Vanaf 1 oktober 2012 zijn de werkzaamheden van deze commissie opgegaan in het College voor de Rechten van de Mens. Dit college geeft niet alleen een oordeel in specifieke gevallen, maar geeft ook advies, biedt mediation aan en kan ook zelf een onderzoek instellen. Een instelling kan ook zelf de commissie vragen om een onderzoek te verrichten om te toetsen of haar (voorgenomen) besluit conform de WGBH/CZ is.
Bent u bereid om alsnog aan te dringen op een oplossing die voldoet aan de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte, zoals het verrichten van noodzakelijke aanpassingen of het aanbieden van een alternatief traject?
De studente is toegelaten tot de opleiding. De Hogeschool Utrecht dient in principe adequate aanpassingen te verrichten en in overleg met de studente te bezien welke voorzieningen adequaat zijn. Zie ook mijn antwoord op vraag 4. Het College voor de Rechten van de Mens kan worden ingeschakeld door belanghebbenden (in dit geval de studente en/of de instelling) of een belangenorganisatie.
De artikelen ’10 miljoen extra in rioleringsproject’ en ‘Atsma: “Bonaire niet alleen laten opdraaien voor energieprobleem”’ |
|
René Leegte (VVD), André Bosman (VVD) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de artikelen «10 miljoen extra in rioleringsproject» en «Atsma: «Bonaire niet alleen laten opdraaien voor energieprobleem»»?1
Ja. Ja, voor een uitgebreide toelichting verwijs over de energieprijzen verwijs ik naar de antwoorden van de Minister van EL&I op de Kamervragen van het lid Van Gent (kenmerk 2012Z15032), de leden Bosman en Leegte (kenmerk 2012Z15060) en het lid Hachchi (kenmerk 2012Z15066). Ik beperkt mij derhalve tot het beleidsterrein drinkwater en afvalwater waarvoor ik eindverantwoordelijk ben.
Als gevolg van diverse ontwikkelingen rond de tariefstelling van drinkwater en het achterwege blijven van kostendekkende indexering van de drinkwatertarieven zullen – zonder steun van EL&I en I&M – de energie- en drinkwatertarieven per omgaande respectievelijk met 50% en 60% stijgen. Dat zou betekenen dat huishoudens op Bonaire – waarvan het gemiddeld besteedbaar inkomen per huishouden al minder dan de helft van het Nederlandse niveau bedraagt – voor drinkwater per kuub meer dan 4 keer zoveel als een gezin in Nederland moeten betalen. Dit is voor de meeste huishoudens en bedrijven op Bonaire onbetaalbaar en zal ook risico’s voor de volksgezondheid met zich meebrengen. Ook een verhoging van de energiepriizen heeft directe gevolgen voor de exploitatiekosten van afvalwaterzuivering en de hoogte van de rioolheffing.
Door het bestuurscollege van Bonaire, Rijksvertegenwoordiger en het Ministerie van Binnenlandse Zaken is aan mijn collega van EL&I en mij verzocht om in de wet vast te leggen dat de energie- en drinkwatertarieven en rioolheffing op een efficiënte, kostendekkende en betaalbare wijze tot stand komen. Naar verwachting zal dit wetgevingstraject – dat door het Ministerie van Binnenlandse Zaken wordt gecoördineerd – enige tijd vergen. Vooruitlopend daarop zijn EL&I en I&M – onder strikte voorwaarden – bereid om een maximale overbruggingsbijdrage van respectievelijk € 5,5 miljoen en € 2,3 miljoen bij te dragen om de tariefstijging te beperken tot 15 – 20%. Deze bijdrage komt uit de eigen begroting van de ministeries (zie ook antwoord op vraag 6).
Is het waar dat u heeft aangekondigd dat Bonaire niet alleen zal opdraaien voor een oplossing van het energieprobleem op Bonaire? Zo ja, kunt u uitgebreid toelichten hoe u eventuele Nederlandse steun ziet en hoeveel geld dit gaat kosten? Uit welk fonds zal dit geld beschikbaar worden gesteld?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het energieprobleem geheel te wijten is aan wanbeleid bij het Bonairiaanse overheidsbedrijf WEB? Zo ja, deelt u de mening dat het bestuur van Bonaire als eerste verantwoordelijk is om het energieprobleem op te lossen? Zo nee, waarom niet?
Nee. WEB kon zich niet vinden in de manier waarop Ecopower de prijs van de elektriciteitsproductie berekende, onder andere ten aanzien van de doorberekening van (gestegen) kosten voor de inkoop van olie, en betaalde derhalve de door Ecopower gevraagde prijs maar ten dele. Dat was de kern van het geschil tussen beide partijen.
Op dit moment geldt de wet Elektriciteitsconcessies BES. Het bestuurscollege WEB is op grond van de wet bevoegd om de tarieven voor de levering van elektriciteit vast te stellen. Sinds juli 2010 zijn de tarieven niet meer aangepast. WEB verkeerde in de veronderstelling was dat het bedrijf niet het volledige tarief hoefde te betalen dat door Ecopower in rekening werd gebracht. Hierdoor ontstond een situatie van een tariefstelling die lager is dan de werkelijke kosten.
De bestuurscolleges van de BES-eilanden hebben daarom zelf aan het ministerie van EL&I gevraagd om medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een nieuw regulerend kader.
Is het waar dat Nederland € 10 miljoen extra beschikbaar stelt voor het Bonairiaanse rioleringsproject?
Ja. Het gaat hier overigens om een geanticipeerde bijdrage die in lijn is met de toezegging aan de Eerste Kamer, de garantstelling uit 2008 van Nederland voor het project en daaruit voortvloeiend de verwachtingen van de Europese Commissie inzake de Nederlandse rol.
Kunt u aangeven waarom er € 10 miljoen extra nodig is om het project af te ronden terwijl het project al ruim € 35 miljoen heeft gekost? Is deze uitgave verantwoord terwijl er in Nederland sprake is van grote bezuinigingen?
De totale kosten van het project in het kader van het 9de Europese Ontwikkelingsfonds bedragen € 24,5 miljoen, waarvan I&M € 5 miljoen bijdraagt en de Europese Commissie € 19,5 miljoen. Het betreft een project waarin – naast het behouden van het koraal en het lokale duiktoerisme – ook de eerste projectmatige samenwerking tussen de Europese Commissie en Nederland in Caribisch Nederland centraal staat. Nederland heeft zich in 2008 garant gesteld voor het project. Voor de oplevering van het project is het noodzakelijk dat tijdig aansluitingen worden gerealiseerd zodat afvalwater in het riool- en zuiveringsysteem komt.
Daar het hier gaat om bestaande bebouwing zijn de eenmalige aansluitkosten voor het bedrijfsleven en huishoudens onevenredig hoog. Deze kosten komen bovenop de tariefstijging voor energie en drinkwater, alsmede de rioolheffing die nog wordt ingevoerd (zie antwoord op vraag 2).
Voor vele huishoudens zijn deze kosten onbetaalbaar. In sommige gevallen zou dit investeringen van enkele tonnen vergen en tot faillissement van bedrijven leiden. In antwoord op vragen tijdens de behandeling van de Wet VROM BES in de Eerste Kamer heb ik daarom toegezegd mij – in samenwerking met andere verantwoordelijke departementen – ervoor in te spannen dat de rioolheffing en de aansluitkosten betaalbaar zullen zijn. Door deze bijdrage in de aansluitkosten wordt voorkomen dat financiële schade ontstaat aan het riool- en zuiveringssysteem. Deze schade kan oplopen tot € 24,5 miljoen als het systeem door het ontbreken van afvalwater begin 2013 letterlijk droog komt te staan. Bovendien wordt daarmee voldaan aan de garantstelling en verplichtingen jegens de EC die in het kader van de financieringsovereenkomst zijn aangegaan.
Kunt u aangeven uit welke fondsen de uitgave van € 10 miljoen euro beschikbaar wordt gesteld? Betekent deze uitgave dat er in Nederland extra bezuinigd zal moeten worden?
De uitgave ten behoeve van de aansluitingen wordt beschikbaar gesteld uit budgetten van programma’s die ten opzichte van de oorspronkelijke planning vertraagd zijn. Het betreft de dossiers «Basisregistratie Grootschalige Topografie» en «Nota Ruimte projecten». De betalingen van deze projecten zullen in de komende jaren plaatsvinden. Er hoeft vanwege de betaling voor het rioleringsproject niet extra bezuinigd te worden in Nederland.
Het bericht "Doof meisje kan geen journaliste worden" |
|
Linda Voortman (GL), Jesse Klaver (GL) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner , Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Doof meisje kan geen journaliste worden»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat Lisa vlak voor het begin van het studiejaar van de Hogeschool Utrecht heeft vernomen dat het niet zinvol is om aan haar studie te beginnen, omdat ze niet het hele curriculum kan volgen?
Zo is dat volgens de directeur van de opleiding Journalistiek van deze hogeschool niet gezegd. Volgens hem is de intentie uitgesproken de studente te helpen, maar is erop gewezen dat het voor haar wel moeilijk zou worden de verplichte vakken radio- en televisieonderwijs te halen.
De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) zegt dat een instelling geen onderscheid mag maken op grond van handicap of chronische ziekte. Het verbod van onderscheid houdt mede in dat de onderwijsinstelling verplicht is voor de betreffende student, indien nodig, doeltreffende aanpassingen te verrichten (tenzij deze voor de instelling een onevenredige belasting vormen). Door deze bepaling krijgen ook studenten met een functiebeperking (handicap of chronische ziekte) een eerlijke kans om een hoger onderwijsdiploma te behalen.
De studente is niet geweigerd, maar toegelaten op grond van een selectieprocedure. Zij kan de opleiding volgen en op grond van het bovenstaande de instelling vragen adequate aanpassingen te verrichten.
De onderwijsinstelling dient in overleg met de student te bezien welke voorzieningen adequaat zijn. Dat hangt af van de aard van de functiebeperking, maar ook van de manier waarop de instelling het onderwijs heeft georganiseerd. Komen instelling en student hier niet uit, dan kunnen zij de Commissie Gelijke Behandeling inschakelen. Vanaf 1 oktober 2012 gaan de werkzaamheden van deze commissie op in het College voor de Rechten van de Mens.
Wat vindt u ervan dat dit bericht haar zo kort van tevoren bereikt, terwijl ze wel ingeloot is voor de studie en op basis van de inloting (nummer 5 van 500) uitermate geschikt zou zijn voor de journalistiek?
Volgens de directeur van de opleiding Journalistiek zijn op 31 mei, 6 juli, 24 augustus en 27 augustus met de studente gesprekken gevoerd. Bij het laatste gesprek was de directeur zelf aanwezig. Zie ook mijn antwoord op vraag 2.
De studente was overigens niet ingeloot, maar geselecteerd.
Voor de opleiding Journalistiek van de Hogeschool Utrecht worden jaarlijks 360 studenten toegelaten: 180 via gewogen loting, 180 via een decentrale selectietoets. De betreffende studente is bij die selectietoets als vijfde geëindigd, inderdaad een hoge score. In de toets tellen taalprestaties (spelling, woordenschat, tekstopbouw, taalbegrip), persoonlijke kenmerken (zorgvuldigheid, contact leggen met anderen, vriendelijkheid, openstaan voor nieuwe ervaringen) en motivatieaspecten (extrinsiek, intrinsiek, prestatie en vertrouwen en zekerheid over studiekeuze en afloop ervan) zwaar mee. In de toets zaten geen auditieve onderdelen.
Wat vindt u van de reactie van de Hogeschool Utrecht dat het volgen van een aangepast programma «te veel tijd en geld zou kosten»?
Dat is volgens de directeur van de Hogeschool niet gezegd. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Om te bepalen of aanpassingen een onevenredige belasting vormen voor de instelling, kan de instelling en/of de student het College voor de Rechten van de Mens (voorheen de Commissie Gelijke Behandeling) inschakelen. Dit college geeft niet alleen een oordeel in specifieke gevallen, maar geeft ook advies, biedt mediation aan en kan ook zelf een onderzoek instellen. Een instelling kan ook zelf het college vragen om een onderzoek te verrichten om te toetsen of haar (voorgenomen) besluit conform de WGBH/CZ is. Mocht een onderwijsinstelling menen dat de kosten van het verrichten van doeltreffende aanpassingen een onevenredige belasting vormen, dan dient de instelling dit expliciet in relatie tot de concrete situatie aan te tonen.
Deelt u de mening dat een beperking geen reden kan zijn om iemand te weigeren voor de opleiding journalistiek en de Hogeschool Utrecht samen met Lisa dient te kijken hoe Lisa de opleiding wel kan volgen? Wat gaat u doen om dit alsnog te bereiken?
Ja, de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte verbiedt onderscheid te maken op grond van handicap of chronische ziekte. De studente is ook niet geweigerd. Zie ook mijn antwoord op vraag 2 en 4.
Deelt u de mening dat dit voorval wederom bevestigt dat het VN-verdrag voor de rechten van mensen met een beperking zo snel mogelijk geratificeerd moet worden door Nederland?
Wat het voorval in de eerste plaats duidelijk maakt, is dat het bewust zijn van de verplichting om mensen met een beperking gelijk te behandelen onze voortdurende aandacht moet blijven hebben. De Wgbh/cz vervult hierbij een hele belangrijke rol, omdat deze wet de verplichting wettelijk verankert. Vanuit dit perspectief werkt de Staatssecretaris van VWS aan de ratificatie van het VN Verdrag handicap en aan de uitbreiding van de Wgbh/cz met «goederen en diensten». Op 7 november 2011 bent u geïnformeerd over de stand van zaken in het ratificatieproces. Het onderzoek naar de financiële consequenties van ratificatie van het VN Verdrag Handicap en de uitbreiding van de Wgbh/cz met «goederen en diensten» heeft inmiddels twee rapporten van het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten van de Universiteit Utrecht opgeleverd. Deze geven een belangrijke juridische onderbouwing voor het afronden van de wetsvoorstellen voor ratificatie en uitbreiding van de Wgbh/cz. De opdracht voor een afzonderlijk onderzoek dat zich op de berekening van kosten en baten toespitst is inmiddels verstrekt. Na afronding van dit onderzoek wordt u over de resultaten geïnformeerd.
De nieuwe visserijovereenkomst die de Europese Commissie namens de Europese Unie op 26 juli jl. heeft gesloten met Mauritanië |
|
Ad Koppejan (CDA) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de nieuwe visserijovereenkomst die de Europese Commissie namens de Europese Unie op 26 juli jl. heeft gesloten met Mauritanië?
Ja.
Deelt u de mening van de Europese Commissie, die in het begeleidend persbericht spreekt van een akkoord dat duurzaam en ethisch is met een goede prijs-kwaliteit verhouding? Zo ja, kunt u dat toelichten aan de hand van de belangrijkste bepalingen van het akkoord? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik heb aangegeven in het algemeen overleg van 14 maart 2012 was mijn inzet gericht een duurzaam beheer van de visserijbestanden, de versterking van de lokale economie en de ontwikkeling van de lokale visserijsector, en het waarborgen dat het akkoord kan worden opgezegd in geval van schendingen van de mensenrechten. Het protocol moet zowel duurzaam zijn als waarde voor geld bieden. De pelagische sector heeft aangegeven graag visserijmogelijkheden te willen van 300 000 ton. Uit de beschikbare wetenschappelijke adviezen kwam naar voren dat dit alleen op een duurzame wijze mogelijk zou zijn als Mauritanië bereid zou zijn het beheer te verbeteren en de vangsten van derde landen te beperken. Ook is het noodzakelijk om de visserijdruk op sardinella te verminderen.
Het gesloten akkoord is een duidelijk compromis. Ik constateer dat met de overeenkomst op het gebied van duurzaamheid een aantal stappen vooruit is gezet. Zo is vastgelegd dat Mauritanië het surplus bepaalt in overeenstemming met artikel 62 van het verdrag van de Verenigde Naties in zake het Recht van de Zee. Het gemeenschappelijk wetenschappelijk comité van Mauritanië en de Europese Unie heeft daarbij een belangrijke adviserende rol. Ik verwijs in dit verband ook naar mijn antwoord op vraag 6. Het protocol kan daarmee een belangrijke stap zijn op weg naar de verduurzaming van de visserij in de regio. Hiervoor is het nodig dat ook op regionaal niveau goede afspraken worden gemaakt.
Teleurstellend is dat de Europese Commissie een aantal concessies heeft moeten doen op het gebied van de technische voorwaarden. Met name de eis dat de vaartuigen voortaan verder uit de kust moeten blijven stuit op bezwaren van de sector. Daar staat tegenover dat de nieuwe technische voorwaarden voor alle vaartuigen gelden. Mauritanië heeft dit reeds verankerd in de nationale wetgeving. Bovendien is vastgelegd dat de EU-vaartuigen recht hebben op een prioritair deel van het surplus.
De uitbreiding van de kustzone was een harde wens van Mauritanië. Deze maatregel vermindert onder meer de visserijdruk op sardinella. Echter het is naar de mening van Nederland, en ook van een beperkt aantal andere lidstaten, niet noodzakelijk om pelagische vaartuigen hiervoor het hele jaar 20 mijl uit de kust te houden. Immers sardinella is maar een aantal maanden per jaar in Mauritaanse wateren. Nederland heeft zich samen met andere lidstaten ingezet voor een minder vergaande uitbreiding van de kustzone (15 mijl), maar Mauritanië wilde op dit punt niet bewegen. Meerdere lidstaten, waaronder Nederland, hebben hun zorgen uitgesproken over de combinatie van de technische voorwaarden en de kosten van het protocol. Echter wel een meerderheid van de lidstaten heeft de Europese Commissie gesteund om dit compromis te bereiken.
Ik wil de komende periode benutten om, na overleg met alle partijen en andere lidstaten een oordeel te vellen over het protocol.
Wat is uw oordeel over het feit dat zowel de Europese Unie als de sector meer moeten betalen voor deze visserijovereenkomst ten opzichte van de vorige en dat daardoor – voordat er ook maar een vis gevangen is – de concurrentiepositie van de Europese vissers ernstig verslechtert?
De EU heeft voor het vorige protocol het eerste jaar € 86 miljoen betaald. Dit bedrag is geleidelijk afgebouwd tot € 70 miljoen in het vierde en laatste jaar. Volgens de nieuwe afspraken betaalt de EU jaarlijks € 67 miljoen voor toegang tot de wateren van Mauritanië en € 3 miljoen voor ondersteuning van duurzaam visserijbeleid.
De EU betaalt dus gemiddeld per jaar minder dan in de vorige periode. De bedragen zijn bovendien niet zonder meer te vergelijken, want de vangstmogelijkheden zijn veranderd. In het oude protocol waren de vangstmogelijkheden voor pelagische vis 250 000 ton. In het nieuwe protocol is dit 300 000 ton. In het nieuwe protocol zijn daarentegen geen inktvissen meer opgenomen.
De sector gaat inderdaad meer betalen voor de toegang tot de wateren. Dit is in lijn met de in maart aangenomen Raadsconclusies Extern Beleid. Ook de wijze van betaling is veranderd. In het verleden betaalde de sector voorafgaand aan de visserij, naar omvang van het vaartuig. Nu moet de sector achteraf € 123 per ton gevangen vis afrekenen. Vaartuigen uit derde landen moeten volgens de informatie van de Commissie per 1 september € 329 per ton gevangen vis afrekenen en moeten verder aan dezelfde technische voorwaarden voldoen als de vloot van de EU. De concurrentiepositie van de EU-vaartuigen is daarom mijns inziens verbeterd. Te meer omdat is vastgelegd dat EU-vaartuigen bij de verdeling van het beschikbare surplus een prioritair deel krijgen.
Kunt u instemmen met een visserijovereenkomst waar € 70 miljoen voor is betaald, maar waarvan de Europese sector al heeft aangegeven er geen gebruik van te kunnen maken omdat deze vanuit bedrijfsmatig oogpunt zeer onrendabel is? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Allereerst wil ik opmerken dat de EU pas betaalt nadat het protocol in voorlopige werking is getreden. Zoals ik heb aangegeven, heb ik mijn definitieve standpunt nog niet bepaald. Het is duidelijk dat de sector liever een andere uitkomst had gezien en hoopt dat de Landbouw en Visserijraad tegen inwerkingtreding zal stemmen. Op dit moment maken lidstaten hun eigen afweging.
Ik wil de komende periode benutten om nog eens met de sector van gedachten te wisselen, alsmede de standpuntbepaling van andere lidstaten in ogenschouw nemen Tot slot wil ik opmerken dat niemand belang heeft bij onderbenutting van de visserijmogelijkheden. Ook Mauritanië niet. Immers wanneer er geen gevangen vis wordt afgerekend, loopt Mauritanië enkele tientallen miljoenen aan inkomsten mis. Bovendien is op verzoek van de Europese Commissie een bepaling opgenomen dat de overeenkomst kan worden opgezegd, juist om te voorkomen dat de EU betaalt voor een overeenkomst die onvoldoende wordt benut.
Hoe beoordeelt u een dergelijk akkoord mede bezien in het licht van eerdere kritische rapporten opgesteld door de Europese Rekenkamer over de kosten van de visserijakkoorden in vergelijking met de benutting ervan?
De visserijmogelijkheden voor pelagische vis in Mauritanië zijn de afgelopen jaren volledig benut. De pelagische sector heeft voor de nieuwe periode gevraagd om 300 000 ton vis en gaf daarbij nadrukkelijk aan dat de EU-vloot voorrang zou moeten krijgen op de vloot van derde landen. Gebruik in het verleden geeft echter geen garanties voor de toekomst, zo heeft de ervaring geleerd. In het nieuwe akkoord heeft de Europese Commissie de mogelijkheid het protocol op te zeggen bij onvoldoende benutting er van. Dit lijkt mij mede gezien de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer verstandig.
Kunt u aangeven hoe u het akkoord beoordeelt op het gebied van duurzame visserij? Met welke bepalingen stimuleert de Europese Commissie de Mauritaanse overheid om te komen tot een effectief visserijbeheersysteem voor geheel Noordwest Afrika (CECAF gebied)?
Wat betreft duurzaamheid is in het nieuwe protocol een aantal stappen vooruit gezet. In het protocol is duidelijker dan in het verleden vastgelegd hoe beide partijen gaan samenwerken op het gebied van duurzame visserij. Zo staan in het protocol de belangrijkste elementen van het mandaat van het gezamenlijke wetenschappelijke comité. Het comité moet rapporteren over de toestand van alle vissoorten in het protocol. Ook moet het de vangsten van alle in Mauritanië aanwezige vloten bepalen, dus van zowel de lokale vloot, als ook de EU-vloten en die van derde landen. Op basis hiervan doet het comité aanbevelingen over aanpassing van de vangsthoeveelheden en andere beheermaatregelen. Daarbij kunnen indien gewenst ook waarnemers van derde partijen, zoals de regionale beheerorganisatie worden uitgenodigd.
Het beschikbare surplus moet worden bepaald conform artikel 62 van het VN-verdrag inzake het recht van de zee. Dat betekent dat Mauritanië bij het bepalen van het surplus het oordeel en de adviezen van de regionale beheersorganisaties moet meewegen. Ook kunnen waarnemers van regionale beheerorganisaties een stem krijgen in het wetenschappelijk comité.
Wat zijn volgens u de gevolgen voor de totstandkoming van duurzame visserij wanneer Europese visserij voor de kust van Mauritanië onmogelijk is? Wat betekent bijvoorbeeld het wegvallen van de datavoorziening voor het opzetten van regionale visserijbeheersystemen?
Vaartuigen uit derde landen moeten aan dezelfde technische voorwaarden voldoen als de EU-vloot. Bovendien moeten deze vaartuigen meer betalen voor de toegang dan ze nu doen. Van een scenario waarin alleen de EU-vaartuigen worden verdrongen lijkt me dan ook geen sprake. Het is evident dat het definitief wegvallen van de data van de Europese vaartuigen een stap terug zou betekenen in de totstandkoming van een duurzaam visserijbeheer in de wateren van Mauritanië.
Wat betekent het volgens u voor de toekomst van duurzame visserij in de Mauritaanse wateren als bijvoorbeeld Chinese en Russische vissers de positie van de Europese vloot overnemen?
Zie mijn antwoord op vraag 7.
Bent u bereid het huidige akkoord te verwerpen en – samen met uw Europese collega’s – een nieuw mandaat op te stellen op basis waarvan de Commissie opnieuw met Mauritanië in gesprek treedt om zo niet alleen een duurzaam visserijbeheer, maar ook een eerlijke concurrentiepositie van de Europese vissersvloot te garanderen?
Bent u bereid om ter voorbereiding hierop in contact te treden met Nederlandse reders die actief zijn voor de kust van Mauritanië?
Bent u bereid om deze vragen ruim voor 13 september – de inbrengdatum voor het schriftelijk overleg ten behoeve van de Landbouw- en Visserijraad – te beantwoorden?
De weigering van Rijkswaterstaat folders van stichting de Batavier ter inzage te leggen |
|
Rik Grashoff (GL) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat u en de aannemer, die de A4 door Midden Delfland gaat aanleggen, binnenkort een bezoekerscentrum openen?
Ja. Rijkswaterstaat (RWS) opent binnenkort een informatiecentrum voor de aanleg van de A4 Delft – Schiedam (A4DS).
Deelt u de mening dat in een dergelijk openbaar informatiecentrum, dat (mede) met publiek geld bekostigd wordt, ook ruimte zou moeten zijn voor informatie van burgerinitiatieven die deze aanleg op een positief kritische wijze volgen? Zo nee, waarom niet?
RWS heeft de plicht -net als elke andere overheidsinstantie- om informatie van de overheid actief en feitelijk over te brengen. Het moet voor de burger duidelijk zijn dat de aangeboden informatie van de overheid komt. Door informatie van andere partijen ook bij een overheidscentrum onder te brengen, kan er verwarring ontstaan over het afzenderschap. Daarom wordt daarvoor niet gekozen. Bij informatiebijeenkomsten die plaatsvinden in het informatiecentrum staat het andere partijen uiteraard vrij hun informatiemateriaal ter plekke uit te delen aan de bezoekers, zodat helder is dat deze informatie van een andere afzender afkomstig is.
Kunt u aangeven waarom foldermateriaal van het burgerinitiatief stichting Batavier (Bewaking Afspraken Tracébesluit/Bestuursovereenkomst A4 Delft-Schiedam) in dat informatiecentrum geweigerd is, terwijl deze stichting zich slechts richt op de bewaking van de gemaakte afspraken over de inpassing en de natuurcompensatie van dit project?
Zie antwoord bij vraag 2. RWS heeft regulier overleg met de Batavier. De Batavier kan zo monitoren of de gemaakte afspraken in het kader van IODS en het Tracébesluit A4 Delft – Schiedam nagekomen worden.
Hoe verhoudt deze gang van zaken zich met het door u omarmde advies van de commissie Elverding om bij grote infrastructurele projecten juist tot een open planproces te komen en burgers daarbij maximaal te laten participeren om draagvlak te verwerven en te houden?1
Het advies van de commissie Elverding is gevolgd. De inpassing van de A4 Delft – Schiedam is tot stand gekomen na intensief overleg tussen I&M, bestuurlijke IODS-partners en burgers. De wijze van inpassing is vervolgens vastgelegd in een bestuurlijke overeenkomst IODS en in het Tracébesluit. De gemaakte afspraken worden nageleefd. De afspraken worden ook bewaakt in klankbordgroepen waarbij ieder kwartaal betrokkenen uit de omgeving van de A4DS, de aannemerscombinatie A4All en RWS overleggen over de voortgang van het project, beperking van hinder en naleving van de afspraken.
Ketentransparantie, kinderarbeid en uitbuiting in de kledingindustrie |
|
Bruno Braakhuis (GL), Sharon Gesthuizen (SP), Arjan El Fassed (GL), Joël Voordewind (CU) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Knapen (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat u binnenkort een gesprek met de kledingbranche heeft over de uitvoering van de motie Braakhuis c.s. over volledige ketentransparantie en het uitbannen van kinderarbeid in de textielketen?1
Wanneer kan de Kamer een voorstel van de regering verwachten over de uitvoering van deze motie?
Is de regering van plan om naast de kledingbranche, ook relevante maatschappelijke organisaties bij de dialoog over uitvoering van de motie te betrekken?
Bent u van mening dat het onlangs vastgestelde beleidskader met betrekking tot internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) voor het OS-bedrijfsleveninstrumentarium een goed uitgangspunt is voor uitvoering van de motie?2 Overweegt u daarbij onder meer de volgende aspecten te betrekken: hernieuwde OESO-richtlijnen als basis, «due diligence» in de hele productieketen met focus op waar de risico’s zitten, onderzoek van meldingen van schendingen door een overheidsorganisatie, periodieke externe evaluatie en rapportage?
Hoe gaat de regering in dit geval invulling geven aan de «duty to protect» en «access to remedy» volgens de door de regering ondersteunde richtlijnen van de Verenigde Naties voor bedrijfsleven en mensenrechten? Is de regering in dit verband bereid de gevraagde inspanning van de kledingbranche op het gebied van ketentransparantie en het uitbannen van kinderarbeid te ondersteunen door onder meer: actieve IMVO-diplomatie in kledingexporterende landen waaronder versterkte inzet van ambassades, het zoeken van samenwerking in de EU om de problemen gezamenlijk aan te pakken, het systematisch onafhankelijk laten onderzoeken/monitoren van kinderarbeid en schending van arbeidsrechten in de kledingindustrie, samenwerking met en zo nodig financiering van lokale organisaties die zich inzetten voor het uitbannen van kinderarbeid en het ondersteunen van multi-stakeholder initiatieven, die zich willen committeren aan de uitvoering van de motie? Zo ja, welke van deze middelen of andere middelen wilt u inzetten?
Wanneer is het voor eind 2011 beloofde rapport van de Europese Commissie over kinderarbeid en handelsmaatregelen te verwachten? Heeft de Commissie op basis van de Raadconclusies over kinderarbeid van juni 2010 inmiddels een plan van aanpak ontwikkeld en in uitvoering? Zo nee, waarom niet?
Kent u de publicaties «Captured by Cotton», «Maid in India» en «Bonded (child) labour in the South Indian Garment Industry – Update of Debate and Action on the Sumangali Scheme»3 van SOMO (Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen) en de Landelijke India Werkgroep? Deelt u de daarin verwoorde opvatting dat er ondanks enkele beperkte verbeteringen, nog slechts een zeer bescheiden begin is gemaakt met het uitbannen van het Sumangali-systeem, de omvangrijke gedwongen (kinder-)arbeid en verwante schendingen van arbeidsrechten?
Wat zijn de resultaten van het gesprek van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie met zijn Indiase collega Singh van Corporate Affairs, als vervolg op de toezegging van laatstgenoemde dat hij bereid is tot samenwerking om bedrijven te ondersteunen bij het uitbannen van het Sumangali-systeem?4
Bent u bereid om bij de uitvoering van de motie met betrekking tot twee casussen, – namelijk het uitbannen van het Sumangali-systeem in India en het aanpakken van kinderarbeid, extreem lage lonen en vakbondrepressie in Bangladesh5 – met spoed aanvullende actie te ondernemen in samenwerking met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties, en daar waar mogelijk lessen uit te trekken voor de uitvoering van de motie in algemene zin?
De slachtoffer-dadergesprekken |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de aangenomen motie waarin de regering is verzocht de slachtoffer-dadergesprekken nadrukkelijker onder de aandacht te brengen in het gevangeniswezen en bij de reclasseringsorganisaties, zodat het aantal slachtoffer-dadergesprekken kan worden verhoogd?1 Bent u tevreden over het huidige aantal slachtoffer-dadergesprekken?
Ja. Slachtoffer in Beeld (SiB) is de organisatie die in Nederland sinds 2007 de slachtoffer-dader gesprekken uitvoert. Het aantal zaken laat een stijging zien: van 366 zaken in 2007, naar 1075 in 2010 tot 1211 afgesloten zaken in 2011. Ik zie dat als een positieve ontwikkeling.
Bent u er van op de hoogte dat er grote tevredenheid bestaat onder slachtoffers die hebben deelgenomen aan een gesprek met de dader onder professionele begeleiding, omdat dit direct effect heeft op de verwerking van het strafbaar feit bij het slachtoffer? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit onderzoek van Slachtoffer in Beeld2 blijkt dat deelnemers aan een slachtoffer-dader gesprek deelname hieraan als waardevol ervaren. Een slachtoffer-dader gesprek kan voor het slachtoffer zorgen voor een afname in angst- en woedegevoelens, het vergroten van de erkenning en verwerking van de gebeurtenis. Daarbij kan een gesprek het veiligheidsgevoel van het slachtoffer vergroten. Bij het aanbieden van een slachtoffer-dader gesprek moet altijd rekening worden gehouden met de belangen van het slachtoffer. Vrijwilligheid van deelname van het slachtoffer vind ik dan ook de belangrijkste voorwaarde bij een slachtoffer-dader gesprek.
Bent u tevreden over de wijze waarop en het aantal maal dat er vanuit het gevangeniswezen en reclasseringsorganisaties bij daders onder de aandacht wordt gebracht dat een gesprek met het slachtoffer zinnig kan zijn, met name ook voor de verwerking van het delict bij het slachtoffer? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het aantal slachtoffer-dader gesprekken is de afgelopen jaren steeds toegenomen. Alle betrokken partijen spannen zich in om dit nog verder te laten toenemen. SiB heeft afspraken gemaakt met de slachtofferloketten om slachtoffers beter te informeren over de mogelijkheid van een gesprek met de dader. Naar aanleiding van de motie Gerkens en Azough3 heeft SiB actief contact gezocht met penitentiaire inrichten en justitiële jeugdinrichtingen en heeft SiB diverse cursussen gegeven. Zo is een cursus voor gedetineerden ontwikkeld, waarbij schade en leed herstellen centraal staat. Deze cursus wordt in samenwerking met de geestelijke verzorging georganiseerd. DJI en SiB werken op dit moment aan een plan om verder invulling te geven aan herstelbemiddeling. Door de reclassering worden voorbereidingen getroffen om in samenwerking met SiB een congres te organiseren over de rol van het slachtoffer in het strafproces en de mogelijkheden voor slachtoffer-daderbemiddeling. Door al deze inspanningen verwacht ik een verdere toename in het aantal slachtoffer-dader gesprekken. Met bovenstaande toelichting beschouw ik de motie van Gerkens en Azough als afgedaan.
Deelt u de mening dat er nog steeds veel ruimte bestaat om het aantal slachtoffer-dadergesprekken te laten toenemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit te bewerkstelligen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om actief in het gevangeniswezen en bij reclasseringsorganisaties onder de aandacht te brengen dat daders in beginsel steeds gewezen zouden moeten worden op de mogelijkheid van een dergelijk gesprek? Bent u bereid de Kamer op de hoogte te brengen van de concrete acties die hieruit voortvloeien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met het feit dat het de organisatie Slachtoffer In Beeld vaak veel moeite kost om persoonsgegevens (naam en adres) van daders en slachtoffers te verkrijgen van de politie en het Openbaar Ministerie (OM), waardoor het organiseren van slachtoffer-dadergesprekken niet makkelijk is? Zo nee, bent u bereid navraag te doen naar dit probleem?
Het is mij bekend dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het verkrijgen van gegevens van slachtoffers en daders door SiB zonder dat het slachtoffer of dader daarvoor zelf toestemming heeft gegeven. SiB heeft werkafspraken gemaakt met het Openbaar Ministerie, waardoor in de praktijk op dit moment geen noemenswaardige problemen zijn met het verkrijgen van deze gegevens. Over het aanleveren van gegevens door de politie zijn op dit moment nog geen goede werkafspraken gemaakt. Ik laat op dit moment uitzoeken of er juridische belemmeringen zijn. De uitkomsten van dit onderzoek verwacht ik eind oktober 2012. Op basis daarvan zal ik bezien wat er nodig is om tot adequate gegevensuitwisseling te komen.
Waarom worden deze persoonsgegevens door politie en OM niet altijd zonder meer gedeeld met Slachtoffer In Beeld? Zou dat niet raadzaam zijn, zodat Slachtoffer In Beeld op eenvoudiger wijze haar werk kan doen en contact kan leggen met slachtoffer en dader?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid met voorstellen te komen, zo nodig door de wet te veranderen of een aanwijzing te geven, zodat politie en OM deze gegevens voortaan delen met Slachtoffer In Beeld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Oplichters werkzaam in de schuldsanering |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Steeds oplichters werkzaam in de schuldsanering»?1
Wist u dat het aantal malafide bewindvoerders en budgetcoaches zo snel toeneemt? Zo ja, wat heeft u daar tegen ondernomen? Zo nee, zal het wetsvoorstel dat nu in behandeling is een halt toeroepen aan deze ongebreidelde groei van oplichters binnen de schuldsanering? Zo nee, gaat u deze omissie herstellen?
Deelt u de mening van de voorzitter van de brancheorganisatie voor bewindvoerders en inkomensbeheer (BPI) dat door het massale aanbod de consument door de bomen het bos niet meer zien? Zo ja, wat gaat u doen om deze wildgroei definitief te stuiten?
Klopt de bewering dan financiële problemen vaak gepaard gaan met emotionele problemen en dat bewindvoeringsbureaus geen adequate hulp kunnen bieden? Zo ja, hoe kan bereikt worden dat mensen die financiële hulp nodig hebben, ook emotionele steun krijgen om de problemen het hoofd te bieden? Wordt in het wetsvoorstel aandacht besteed aan deze problematiek?
Het bericht dat het succesvolle Landelijk Team Transportcriminaliteit door de minister wordt opgeheven |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over de op handen zijnde opheffing van het Landelijk Team Transportcriminaliteit?1
Ja.
Is het bovenstaande bericht geheel dan wel gedeeltelijk waar? Zo nee, wat is er dan niet waar aan het bericht?
In het kader van de vorming van de Nationale Politie wordt de huidige organisatiestructuur van de politie herzien. Dit betekent echter niet dat bestaande succesvolle werkwijzen, zoals de inzet van de politie bij de aanpak van transportcriminaliteit, worden beëindigd. De samenwerking tussen het Landelijk Team Transportcriminaliteit (LTT) van het KLPD en het projectteam ladingdiefstal van het Bovenregionale Recherche Team Zuid-Nederland is succesvol gebleken. De opgedane kennis en expertise worden daarom geborgd binnen de Nationale Politie. Transportcriminaliteit zal vanuit de Landelijke Eenheid (LE) programmatisch worden aangepakt, in samenwerking met de regionale eenheden en de (keten)partners. Bij de LE wordt een gerichte informatiepositie rond transportcriminaliteit opgebouwd.
In de door u genoemde brief van 8 juni jl. heb ik antwoord gegeven op een specifieke vraag van het lid De Jong van uw Kamer over de beveiligde transportcorridor Secure Lane langs de A67, A58 en de A16, die in het Algemeen Overleg Verkeersveiligheid van 15 maart jl. was gesteld. Deze kwestie stond los van de borging van de aanpak van transportcriminaliteit binnen de Nationale Politie.
Had de Kamer dit nieuws eerder kunnen vernemen? Zo ja, hoe dan? Zo nee, hoe komt het dat de Kamer dit nieuws niet van u maar uit de krant moet vernemen terwijl doorgaans als u de aanpak van criminaliteit intensiveert, dit wel snel met de Kamer en de pers deelt? Waarom heeft u in uw brief van 8 juni 2012 (29 398, nr. 327) over onder andere maatregelen tegen ladingdiefstal (cameratoezicht) de Kamer hierover niet geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich de motie-Heerts/Teeven van 5 november 2008 (Kamerstuk 31 700-VI, nr. 48) waarin onder andere werd gevraagd om een landelijk projectteam ladingdiefstal bij de politie?
Ja.
Kent u ook de berichten «De KLPD-inzet in de strijd tegen ladingdiefstal» van nog maar juni 20122 en het bericht «Aanpak transportcriminaliteit werpt vruchten af» van maart 20123, waarin gewag wordt gemaakt van de grote successen van het team tegen ladingdiefstal? Is er inderdaad sprake van een succesvolle aanpak? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Ja. De halfjaarcijfers uit de «Criminaliteitsrapportage van ladingdiefstallen in de
wegtransportsector» van het KLPD (augustus 2012) laten een sterke daling zien in het aantal diefstallen in de transportsector: van 431 gevallen in de eerste helft van 2011 naar 176 in de eerste helft van 2012. Dit betekent een daling van 59%.
Het «zeilensnijden» is zelfs met 75% afgenomen. Het totale beeld van de diefstallen in het wegtransport – inclusief de voertuigen en containers – laat een daling zien van bijna 40%.
Is het waar dat ladingdieven per jaar maar liefst in totaal 350 miljoen euro schade aanrichten? Zo nee, hoeveel is dit bedrag dan wel?
De hoogte van de schade is afhankelijk van de definities die gehanteerd wordt.
De koepelorganisaties Transport Logistiek Nederland (TLN), de Stichting Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit (VbV) en de Eigen Vervoerders Organisaties (EVO), schatten de totale schade van transportcriminaliteit op minimaal 350 miljoen euro per jaar. Dit bedrag is gebaseerd op het rapport «Study on organized theft of commercial vehicles and their loads in the EU» (mei 2007). Hoewel de criminaliteitsrapportage ladingdiefstallen van het KLPD geen inzicht geeft in de hoogte van de aangerichte schade, is het aannemelijk dat de totale schade is afgenomen als gevolg van de daling van het aantal diefstallen in de transportsector.
Deelt u de mening dat ladingdiefstal een zeer ernstige vorm van gewetenloze georganiseerde misdaad betreft, waar naast vermogensdelicten ook zware geweldsdelicten mee gepaard gaan waarbij de gezondheid van chauffeurs of zelfs hun leven in het geding kan zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja. Een veilige werkomgeving en een optimaal ondernemersklimaat zijn voor de transportsector van groot belang. Criminaliteit – en met name gewelddadige criminaliteit – tegen chauffeurs en transportondernemers moet hard worden aangepakt.
Hoe is het mogelijk, mede gezien de bovenstaande vragen, dat u een dergelijk succesvolle aanpak van ladingdiefstal wilt staken? Welke overwegingen spelen mee bij uw beslissing om het team ladingdiefstal af te schaffen?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Hebt u hierover eerder met de transportbranche of met andere betrokken organisaties overleg gehad? Zo ja, wat waren hun reacties? Zo nee, waarom niet?
Op 9 december 2009 is een tweede convenant Aanpak Criminaliteit Transportsector gesloten door de betrokken publieke en private partijen. In het convenant, dat loopt tot eind 2013, zijn 38 maatregelen opgenomen om transportcriminaliteit terug te dringen. De inzet van de politie en OM maakt hiervan deel uit. Om de voortgang van de maatregelen te bewaken is voorzien in een stuurgroep, begeleidingsgroep en diverse werkgroepen waarin de convenantspartijen participeren en regelmatig met elkaar afstemmen. Deze vorm van publiek-private samenwerking heeft tot dusver tot uitstekende resultaten geleid. In dit verband wordt nu reeds nagedacht over de borging van deze aanpak van transportcriminaliteit na 2013.
Deelt u de mening dat de gebleken succesvolle aanpak ladingdiefstal er niet toe mag leiden dat u op dit punt op uw lauweren gaat rusten, maar dat juist nu het volhouden en het uitbreiden naar alle delen van het land van dit team de aangewezen weg is? Zo ja, hoe gaat u garanderen dat de succesvolle aanpak alsnog in stand blijft of uitgebreid wordt? Zo nee, gaat u nog meer succesvol gebleken methoden in de strijd tegen de misdaad staken op het moment dat er sprake is van succes en welke methoden dreigt u dan concreet te staken?
Zie antwoord vraag 9.
Tegenstrijdige kabinetsuitlatingen |
|
Frans Timmermans (PvdA), Arjan El Fassed (GL), Alexander Pechtold (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de volgende uitspraak van minister Leers over de positie van Nederland in de Europese Unie: «De scherpe toon van Wilders maakte meteen de bedoelingen van Nederland verdacht»?1
De uitspraak van minister Leers in Trouw had betrekking op zijn inzet in de EU, zowel bij de Commissie als andere lidstaten, ten aanzien van het regeringsbeleid op het terrein van migratie.
Wat is uw reactie op de stelling van minister Leers dat «de toon en misschien ook wel de ideeën» van de fractievoorzitter van de Partij voor de Vrijheid «contraproductief» werkten?
Minister Leers deed deze uitspraak in het licht van de opgedane indrukken uit overleggen die hij voerde in Brussel en met zijn collega’s in diverse Europese hoofdsteden.
Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de volgende uitspraak van minister Rosenthal op 5 april 2012 in de Kamer ten aanzien van het PVV-initiatief «Meldpunt Midden- en Oost-Europeanen»: «Ik zie geen reputatieschade of economische schade»?
De uitspraak van minister Rosenthal in de Kamer verwees naar diverse contacten met ambassadeurs uit Midden- en Oosteuropese lidstaten, ook naar aanleiding van de PVV-website. In die contacten werden de goede banden tussen Nederland en de Midden- en Oost-Europese lidstaten bevestigd; zowel politiek als economisch.
Hoe verhouden de uitspraken van minister Leers zich tot de volgende uitspraken van uzelf op 9 februari 2012 tijdens het debat over de Staat van de Europese Unie: «Op het terrein van Europa kan er ook geen misverstand zijn bij andere Europese lidstaten. Dit is een minderheidskabinet, met 52 zetels. Wij hebben geen 76 zetels, want op het terrein van Europa werken wij niet samen met de PVV»? Deelt u de mening dat de uitspraken van minister Leers en uzelf niet allebei tegelijkertijd correct kunnen zijn?
De minister-president heeft met deze uitspraak willen aangeven dat het kabinet voor vrijwel alle Europese en internationale dossiers voor een meerderheid in de Tweede Kamer afhankelijk is van andere partijen dan de PVV. Het migratiedossier vormt hierop een uitzondering.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat het kabinet tegenstrijdige uitspraken doet over de invloed van de Partij voor de Vrijheid op het kabinetsbeleid in de Europese Unie?
Ja, maar van tegenstrijdigheid is geen sprake.
De aanpak van transportbendes |
|
Arie Slob (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Transportbendes krijgen vrij spel»?1
Ja.
Waarom wordt het speciale team transportcriminaliteit met de komst van de nationale politie opgeheven en verdwijnt de aparte officier van justitie? De nationale politie is toch bij uitstek bedoeld voor nationale coördinatie van criminaliteit die het niveau van de politieregio's en zelfs de landsgrenzen overstijgt?
Zoals ik ook bij de beantwoording van de vragen van het lid Marcouch (kenmerk 312564) van uw Kamer heb aangegeven, worden de opgedane kennis en expertise van het landelijk team transportcriminaliteit geborgd binnen de Nationale Politie. Voorts is door de huidige officier van Justitie een evaluatie uitgevoerd en een advies gegeven ten behoeve van de borging van de benodigde taken van het OM ten behoeve van opsporing en vervolging. Hierover zal binnenkort een besluit worden genomen door het College van procureurs-generaal.
Ik zal erop toezien dat de beoogde doelstellingen van de instelling van het team transportcriminaliteit en de landelijk officier transportcriminaliteit en de door hen ontwikkelde aanpakken worden geborgd. Als Minister van Veiligheid en Justitie ben ik dan ook niet voornemens om de bijdrage aan de tot dusver succesvolle publiek-private aanpak van transportcriminelen uit binnen- of buitenland te staken.
Deelt u de mening van de grootste transportverzekeraar van Nederland dat door het opheffen van het landelijke team de wapenwedloop met Europese bendes verloren zal worden?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke manier wilt u de successen van het team transportcriminaliteit borgen?
Zie antwoord vraag 2.
Het misbruik door NS van gegevens van de OV-chipkaart |
|
Ton Elias (VVD), Ard van der Steur (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het persbericht van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) van 28 augustus jl over het misbruik dat NS heeft gemaakt van de reisgegevens van de OV Chipkaart1?
Ja.
Deelt u de mening van het CBP dat NS misbruik heeft gemaakt van gegevens van NS-passagiers, verkregen door middel van de OV-chipkaart?
Ik heb geen reden om het oordeel van het CBP in twijfel te trekken. Het CBP is belast met toezicht op de naleving en handhaving van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Het CBP heeft daarom ook een onderzoek bij NS uitgevoerd. Het CBP heeft in 2008 geformuleerd onder welke voorwaarden persoonsgegevens uit het OV-chipkaartsysteem, op een met de Wbp verenigbare wijze, voor marketingdoeleinden mogen worden gebruikt. Het CBP heeft onlangs geconstateerd dat NS gegevens heeft verzameld en gebruikt die niet in overeenstemming zijn met deze voorwaarden. NS heeft na deze constatering de onterecht bewaarde gegevens vernietigd en haar werkwijze aangepast.
Is het geconstateerde misbruik inderdaad in strijd met de daarover in 2008 gemaakte afspraken en wat zijn de consequenties van deze constatering?
Als het CBP een onderzoek doet stelt het eerst een rapport van voorlopige bevindingen op. In dit geval is bij het onderzoek ondermeer gekeken of de afspraken uit 2008 nagekomen zijn. Het rapport legt het CBP voor aan de onderzochte instantie. Deze geeft een zienswijze op de voorlopige bevindingen en vervolgens stelt CBP een rapport van definitieve bevindingen op.
Naar aanleiding van de voorlopige bevindingen van het CBP waarin geconcludeerd wordt dat NS in strijd met de Wbp handelde heeft NS haar werkwijze direct aangepast. In het rapport van definitieve bevindingen constateert het CBP dan ook dat er op dat moment geen overtredingen van de Wbp meer zijn. NS heeft haar werkwijze aangepast en de gegevens, die ze onterecht had verwerkt voor marketingdoeleinden, vernietigd.
Wat gaat u doen om vast te stellen dat het misbruik inmiddels geëindigd is, zoals het CBP stelt, en niet meer zal voorkomen?
Conform de Wbp mogen de vervoerders transactiegegevens alleen bewaren voor zover dat noodzakelijk is voor hun bedrijfsvoering. Het CBP ziet toe op de naleving hiervan door het uitvoeren van onderzoek, het maken van aanvullende afspraken en het zo nodig opleggen en innen van een dwangsom. Aangezien het CBP hier de bevoegde instantie is, kan ik hier verder geen afdwingbaar resultaat op bereiken. Ik ga ervan uit dat dit ook niet nodig is, aangezien met de gemaakte afspraken en het nauwgezette toezicht daarop door het CBP de persoonsgegevens van de reiziger goed gewaarborgd zijn.
De stand van zaken wat betreft Natura 2000 gebieden in Nederland |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de motie Koopmans – Van Veldhoven?1
Ja.
Hoeveel van de Nederlandse Natura 2000-gebieden zijn definitief aangewezen?
Er zijn 58 gebieden definitief aangewezen.
Heeft u in navolging van de kritiek van de Europese Commissie op het tempo van de aanwijzing van de Nederlandse Natura 2000-gebieden na april vorig jaar nader gecorrespondeerd met de Europese Commissie over de definitieve aanwijzing van de Nederlandse Natura 2000-gebieden? Zo ja, kunt u een afschrift van deze brieven openbaar maken?
Hierover heeft geen nadere correspondentie met de Europese Commissie plaatsgevonden. Wel is er op ambtelijk niveau recent gereageerd op een verzoek van de Europese Commissie aan de lidstaten om een stand van zaken van de voortgang rondom aanwijzingsbesluiten te geven.
Wat is op dit moment de stand van zaken voor wat betreft het afronden en vaststellen van de beheerplannen voor de Nederlandse Natura 2000-gebieden?
Momenteel zijn voor 3 gebieden de beheerplannen definitief vastgesteld. Daarnaast zijn voor 5 gebieden de ontwerpbeheerplannen vastgesteld en is de inspraakprocedure afgerond. Voor één beheerplan is het ontwerpbeheerplan vastgesteld en deze ligt momenteel ter inzage. De rest van de beheerplannen zijn in verschillende stadia van formele afronding. In de beheerplannen worden de maatregelen die voortvloeien uit de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) opgenomen.
Conform de motie Lodders / Koopmans (Kamerstuk 32 670, nr.2 heb ik de provincies opgeroepen om vaart te maken met de beheerplannen. Formele vaststelling van beheerplannen kan plaatsvinden nadat desbetreffende gebieden definitief zijn aangewezen.
Heeft u overleg gepleegd met de provincies voordat u de complementaire doelen voor Natura 2000-gebieden schrapte? Zijn er provincies of terreinbeherende organisaties die bezwaar hebben aangetekend tegen deze wijziging?
Het schrappen van complementaire doelen is kabinetsbeleid wat besproken is met uw Kamer en daarbij ook geaccordeerd is. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de aanwijzingsbesluiten heb ik de provincies op verschillende momenten in het proces betrokken.
Tot en met 13 september 2012 heeft het wijzigingsbesluit waarmee de complementaire doelen uit de reeds definitieve aanwijzingsbesluiten worden verwijderd ter inspraak gelegen. De inspraakreacties worden nu bezien.
Worden er maatregelen getroffen om het herstel van de soorten dieren en planten met een landelijke hersteldoelstelling waarvoor de complementaire doelen vervallen, zoals de Noordse woelmuis, buiten deze Natura 2000-gebieden te borgen, en wat zijn de extra kosten om deze doelen buiten deze Natura 2000-gebieden te realiseren?
Ook na het schrappen van deze complementaire doelen kunnen deze soorten en habitattypen meeliften op de maatregelen die in de Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld ten behoeve van andere Natura 2000-waarden, worden genomen.
De verplichting vanuit Natura 2000 om de gunstige staat van instandhouding te bereiken reikt sowieso verder dan alleen inspanning in de gebieden. De gebieden dragen voor de meeste soorten en habitattypen hier wel voor een groot deel aan bij. Ook buiten de Natura 2000-gebieden profiteren soorten van bijvoorbeeld EHS-beleid en agrarisch natuurbeheer.
Via het onderhandelingsakkoord Natuur is met provincies afgesproken dat zij binnen de EHS verantwoordelijk zijn voor het inzetten van de beschikbare financiële middelen ten behoeve van het realiseren van internationale doelstellingen.
Buiten de EHS ligt, voor zover deze waarden hier voorkomen, deze verantwoordelijkheid vanaf 2014 bij het Rijk. Ik breng momenteel dan ook in kaart wat de beleidsopgave hierin is, wat agrarisch natuurbeheer daar bijvoorbeeld aan bij kan dragen en of eventueel extra inzet noodzakelijk is.
Bij welke van de Natura 2000-gebieden is er sprake van stikstofknelpunten, en in welke van deze gebieden dreigt daardoor de komende jaren een significante verslechtering op te treden?
In 133 van de 163 Natura 2000-gebieden is er in enigerlei mate sprake van stikstofproblematiek, waarbij maatregelen nodig zijn. In de PAS is in beeld gebracht dat in ieder geval voor 128 van deze 133 gebieden maatregelen voorhanden zijn om deze verslechtering te stoppen en verbetering in gang te zetten. Voor 5 gebieden wordt nog naar een oplossing gezocht.
In het kader van de PAS worden afspraken over dekking en uitvoering van de maatregelen gemaakt waarmee verslechtering kan worden tegengegaan. Door het tijdig nemen en uitvoeren van alle benodigde emissiebeperkende maatregelen en inrichtings- en beheermaatregelen, wordt in de gebieden waar sprake is van een stikstofprobleem een verdere verslechtering tot staan gebracht. Hiervoor is ook de financiële dekking van maatregelen van belang. Afspraken hierover worden binnen de PAS gemaakt voor de eerste PAS-periode (6 jaar). Ook voor daarna is financiële borging van belang om ontwikkelingsruimte beschikbaar te kunnen blijven stellen. Voor verdere informatie over de financiering van Natura 2000 / PAS verwijs ik u naar mijn recente brief over dit onderwerp.
Bij welke van de Natura 2000-gebieden is er sprake van knelpunten op vlak van verdroging, en in welke van deze gebieden dreigt daardoor de komende jaren een significante verslechtering op te treden?
In het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof is samen met de provincies voor 133 van de Natura 2000-gebieden het benodigde maatregelenpakket om verslechtering te voorkomen in beeld gebracht. Er zijn ongeveer 100 Natura 2000-gebieden waar in het kader van de PAS ook hydrologische maatregelen genomen moeten worden. In het merendeel van die gebieden gaat het in eerste instantie om anti-verdrogingsmaatregelen. Voor de overige 30 Natura 2000-gebieden die niet in het kader van de PAS zijn bezien, is dit in ongeveer 20 gevallen aan de orde.
Wanneer de PAS-maatregelen en andere hydrologische maatregelen zoals opgenomen in de beheerplannen, worden genomen en uitgevoerd, voorzie ik geen verslechtering in deze gebieden.
De georganiseerde escorte van de begrafenisstoet van een lid van de motorclub Satudarah. |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat een begrafenisstoet van een lid van de motorclub Satudarah door de politie wordt begeleid?1
Van een politiële escorte is geen sprake geweest.
Gebeurt het vaker dat de politie een begrafenisstoet van een burger begeleidt? Zo ja, wanneer besluit de politie om een begrafenisstoet te begeleiden? Zo nee, waarom is er in dit geval wel voor gekozen?
Indien nodig kan de politie voor een juiste gang van zaken rond een uitvaartstoet maatregelen treffen. Zo is in dit geval het aantal Saturdarah-leden dat als motorrijder van de rouwstoet deel uit maakte beperkt. Het was de motorclub niet toegestaan de stoet te begeleiden. De politie heeft daarnaast algemeen toezicht gehouden op de naleving van de verkeersregels.
Waaruit bestaat de begeleiding van de politie en in hoeverre zullen de burgers van Amsterdam hinder ondervinden van de begrafenisstoet?
Er zijn geen meldingen van overlast met betrekking tot de begrafenisstoet bekend. Zie verder de beantwoording bij vraag 1 en 2.
Wat zijn de gevolgen of wat zouden de gevolgen zijn geweest voor de openbare orde en (verkeers)veiligheid wanneer deze begrafenisstoet niet begeleid zou worden door de politie?
Er zijn geen concrete gevolgen geweest voor de openbare orde noch is de verkeersveiligheid in gevaar geweest.
Hoe kunt u voorkomen dat de politie bij het begeleiden van motorclubs, waarvan eerder is gezegd dat deze clubs normoverschrijdend en crimineel gedrag vertonen, de indruk wekt dit gedrag te billijken?
De politie heeft handhavend en verbaliserend opgetreden. Zie verder de antwoorden op de vragen 1 en 2.
Nieuwe berichten over “middeleeuwse belastingheffing” |
|
Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Woerden mogelijk ook dupe van dertiende penning»?1
Ja.
Heeft de gemeente Woerden al een aanslag voor de dertiende penning gekregen? Zo ja, hoe hoog is die aanslag? Wat kan die aanslag de burgers van Woerden kosten? Kan een dergelijke aanslag nog wel opgelegd worden?
Uit informatie van de gemeente Woerden begrijp ik dat de gemeente tot op heden (28 september) zelf geen aanslag heeft ontvangen. Het recht van de dertiende penning is het recht op 1/13 van de waarde van de grond bij verkoop (7,7%). Bij de invoering in 1984 van de Wet regelen omtrent de opheffing van het recht van de dertiende penning (Stb. 443) is geregeld dat de heffing tot 2015 wordt verhoogd tot 11%.
Wist de gemeente Woerden bij de aankoop van de grond dat er mogelijk een dertiende penning zou moeten worden betaald? Had de gemeente Woerden dat kunnen weten? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom niet?
Van de gemeente Woerden begrijp ik dat de gemeente bij de aankoop van de grond bekend was met de mogelijkheid dat er een aanslag kon worden opgelegd op grond van de dertiende penning.
Kan de dertiende penning door de rechthebbende op ieder moment dat hem dat uitkomt worden opgelegd? Kan de rechthebbende naar eigen inzicht ervoor kiezen om wel burgers maar niet de gemeente een aanslag te sturen? Zo ja, deelt u de mening dat dit willekeur in de hand werkt en acht u dit geoorloofd? Zo nee, waarom niet?
De rechthebbende kan vanaf het moment van verkoop van de grond de dertiende penning innen. De dertiende penning kan door niet-gebruik (non-usus) teniet gaan. De Hoge Raad oordeelde in een zaak over de heffing van de dertiende penning tussen de Stichting Beheer Kasteel Renswoude en een inwoner van Kamerik (HR 20 juni 1997, NJ 1999, 302) dat wanneer een perceel grond is overgedragen en de dertiende penning gedurende dertig jaar na overdracht niet wordt geheven, het recht van de uitoefening van de dertiende penning is verjaard. Er zal moeten worden beoordeeld of dit ook geldt voor de gemeente Woerden, als die zou worden aangeslagen. Het is aan de rechter om te beoordelen of de wijze waarop de dertiende penning wordt geheven willekeur al dan niet in de hand werkt. Als de rechthebbende de Staat zelf is, dan is de Staat, ook wanneer zij privaatrechtelijk handelt, gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (HR 27 maart 1987, NJ 1987, 727, AB 1987, 273). Voor een deel van de gronden, gelegen in de omgeving van Abcoude en Vinkeveen, is het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) namens de Staat rechthebbende. Momenteel wordt de positie van de Staat in kaart gebracht en wordt onderzocht of het opportuun is dat de Staat haar rechten zal effectueren in de resterende periode dat het recht op de dertiende penning nog bestaat, en zo ja, hoe. De Staatssecretaris van Financiën zal de Kamer hier nader over informeren.
Kan het recht om bij een concrete transactie een dertiende penning te heffen verjaren indien er jarenlang geen gebruik is gemaakt van dat recht? Zo ja, wat is de verjaringstermijn? Zo nee, acht u het redelijk en billijk dat burgers en overheden pas tientallen jaren na een transactie alsnog geconfronteerd worden met een aanslag?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is de grondslag voor een aanslag op basis van de dertiende penning bij transacties die voor de inwerkingtreding van de Wet regelen omtrent de opheffing van het recht van de dertiende penning (1984) zijn gedaan?
Het recht om de dertiende penning te heffen is een oud-vaderlands zakelijk recht dat zijn oorsprong vindt in de Middeleeuwen. Dit betekent dat het recht van de dertiende penning al van toepassing was voordat het Burgerlijk Wetboek in 1838 werd ingevoerd. Deze rechten werden niet gecodificeerd in het Burgerlijk Wetboek, maar bleven wel gehandhaafd (Stb. 1829, 29). In 1969 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er nog steeds een grondslag bestond om de dertiende penning te innen (HR 25 april 1969, NJ1970, 3). Ingevolge artikel 69 onderdeel a Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek is het recht ook bij de invoering van het huidige Burgerlijk Wetboek in 1992 blijven bestaan. De wet van 1984 regelt dat de dertiende penning per 1 januari 2015 wordt afgeschaft.
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere schriftelijke vragen van het lid Heijnen (PvdA) over dit onderwerp, gesteld op 8 augustus 2012.
Het bericht ‘Anderhalf keer Balkenende-norm voor fusie-directeur’ |
|
Raymond Knops (CDA) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Anderhalf keer Balkenende-norm voor fusie-directeur»?1
Ja
Deelt u de mening dat dit salaris voor de directeur-bestuurder van de gefuseerde woningcorporatie in Landgraaf en Kerkrade buiten proportie is en niet conform de huidige moraal is, gezien de branchecode van Aedes en de wettelijke regeling die binnenkort van kracht zal zijn?
De corporaties Woningstichting Hestia (Woonmaatschappij Hestia groep), Woningstichting Land van Rode en Woningstichting Ubach over Worms zijn voornemens per 1 januari 2013 te fuseren. Het fusieproces is nog gaande. De fusiedragende corporatie Hestia geeft aan dat het bestuur van de nieuwe fusieorganisatie nog niet is benoemd en dat er ook nog niet over de arbeidsvoorwaarden van de directeurbestuurder na fusie is gesproken.
Het is niet duidelijk waarop het bedrag van ongeveer € 275 000 dat in het krantenbericht wordt genoemd, is gebaseerd. Een dergelijke beloning is in ieder geval niet conform de beloningscode van de Vereniging Toezichthouders in Woningcorporaties (VTW) en de Nederlandse Vereniging Bestuurders Woningcorporaties zijn. Ook is hij niet in lijn met de sobere en doelmatige bedrijfsvoering bij woningcorporaties die ik voorsta en niet in lijn met de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT), die na aanvaarding door de Eerste Kamer voor alle woningcorporaties zal gelden.
Welke middelen ziet u om ervoor te zorgen dat het salaris wordt vastgesteld conform de branchecodes en de regeling van de Wet normering en bezoldiging topfunctionarissen, die na behandeling door de Eerste Kamer voor alle woningcorporaties zal gelden?
Op grond van de Governancecode zijn leden van Aedes en de VTW verplicht de sectorbrede beloningscodes toe te passen. Handhaving van deze code is aan de branche zelf. Ik beschik niet over de formele wettelijke middelen om de toepassing van de sectorcodes af te dwingen. Wel zal ik bij het fusiebesluit aandringen op toepassing van de sectorcode, vooruitlopend op de WNT. Op grond van de WNT zal ik wel over het wettelijk instrumentarium beschikken om de naleving van de dan geldende sectorale regeling te handhaven. Daar zal ik dan uiteraard ook toepassing aan geven.
Bent u ook van mening dat de raden van toezicht op dit punt gefaald hebben om het salaris conform de moraal vast te stellen? Of zijn ze nog niet bekend met de al geldende branchecode en de toekomstige regelgeving? Bent u bereid om met de raad van toezicht indringend te spreken over dit te hoge salaris, zodat het salaris wel conform de nieuwe moraal wordt vastgesteld?
De fusiedirecteur is nog niet aangesteld en diens salaris nog niet vastgesteld. De vraag of de raden van toezicht van de drie fusiecorporaties hebben gefaald is daarom nog niet aan de orde. De raden behoren als eerst verantwoordelijke toezichthouders goed op de hoogte te zijn van de vigerende en de nieuwe regels en te zorgen voor de naleving ervan. Ik verwacht bovendien van hen dat zij toezien op een sobere en doelmatige bedrijfsvoering. In tweede instantie bewaken de VTW en Aedes de correcte toepassing van de beloningscodes. Zoals ik bij antwoord 3 heb aangegeven zal ik bij het fusiebesluit aandringen op toepassing van de sectorcode.
Kunt u aangeven op welke wijze het proces tot deze fusie is verlopen en wat uw oordeel hierover is? Is er bijvoorbeeld een fusietoets uitgevoerd, zijn de huurders voldoende betrokken bij dit proces en is het toekomstige salaris getoetst aan andere soortgelijke woningcorporaties, die met een krimpende bevolking en krimpende personeelsbezetting van doen hebben? Is bij de inrichting van de governance van deze woningcorporatie rekening gehouden met de nieuwe regels in de Woningwet, onder andere over de samenstelling van het bestuur? Vindt u het behoorlijk dat er wel duidelijkheid is over het salaris, maar het bestuur niet met de ondernemingsraad en vakbonden wil spreken over het sociaal plan?
Het verzoek om goedkeuring van de fusie van de drie woningcorporaties is onlangs naar mijn ministerie gestuurd. Het proces van toetsing is gaande. Nog niet alle stukken zijn aangeleverd. Over het al dan niet toepassen van de voorgenomen regels voor governance in de herziene Woningwet, alsmede over toetsing van salarissen, zoals bij vraag 3 is uitgelegd, kan ik op dit moment dan ook nog niet iets meedelen.
Uit de stukken die afgerond zijn toegezonden blijkt dat de huurdersorganisaties van de drie verschillende corporaties bij het fusieproces betrokken zijn. Zij staan achter de voortgang in het fusieproces.
Volgens informatie van woningcorporatie Hestia is er sinds enige maanden intensief overleg gaande met vakbonden en ondernemingsraden. Na een korte onderbreking is dit overleg voortgezet. Men geeft aan dat er geen sprake is van collectief ontslag, waardoor een sociaal plan niet aan de orde is.
Op welke wijze past deze overschrijding van de salarisnorm tot de oproep in de oordeelsbrief 2010 om nauwlettend te waken over de ontwikkeling van de bedrijfslasten? Deelt u de mening dat juist in deze regio het van groot belang is om de bedrijfslasten, inclusief het salaris van de bestuurder, zo laag als mogelijk te houden zodat optimaal geïnvesteerd wordt in de woningvoorraad teneinde de bevolkingsdaling op te vangen?
Zie antwoord op vraag 2.
Het bericht dat cannabis slecht is voor de ontwikkeling van de hersenen van jongeren |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Het blijkt waar: hasj schaadt puberbreinen»?1
Ja.
Deelt u, gezien dit onderzoek, nu wel de mening dat er een actieplan jeugd en genotsmiddelen moet komen gericht op effectieve preventie? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit plan tegemoet zien? Zo nee, waarom nog steeds niet?
Het ministerie van VWS investeert al geruime tijd in preventie van het gebruik van genotmiddelen onder jongeren. Zo financiert VWS al jaren het programma «De gezonde school en genotmiddelen», een integraal preventieprogramma dat wordt uitgevoerd op scholen en tot doel heeft jongeren te stimuleren het drinken van alcohol uit te stellen tot in ieder geval 16 jaar en geen tabak en cannabis te gebruiken. Het programma heeft een groot bereik. Ook kan worden gedacht aan de website «hoepakjijdataan.nl» gericht op ouders van kinderen tussen 12 en 18 jaar, waar aandacht wordt besteed aan de negatieve gevolgen van het gebruik van cannabis op jonge leeftijd. Een gezonde leefstijl van de jeugd is één van de prioriteiten van dit kabinet. Zo heeft het kabinet een bedrag van € 6 miljoen uitgetrokken voor een driejarig programma – de Jeugdimpuls – waarmee wordt ingezet op het bevorderen van een gezonde leefstijl van de jeugd (waaronder preventie van genotmiddelen) via scholen en social media. Ook komt er een extra contactmoment voor adolescenten binnen de jeugdgezondheidszorg, waar aandacht besteed kan worden aan preventie van drugs en andere genotmiddelen. Gezien de demissionaire status van het kabinet is het nu niet aan de orde allerlei nieuwe actieplannen te lanceren. Het besluit daarover laat ik aan mijn opvolger.
Bent u nu wel overtuigd van de noodzaak ouders en kinderen goed voor te lichten, om te zorgen dat ouders weten hoe ze hun kinderen van het blowen en andere genotsmiddelen moeten houden? Zo ja, hoe gaat u hier concreet gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent nog steeds van mening dat de namen van scholieren die softdrugs gebruiken bekend moeten worden gemaakt bij leraren, ouders en medescholieren,zoals u vorig jaar stelde? Zo ja, waarom denkt u dat dit helpt bij het tegengaan van cannabisgebruik? Zo nee, deelt u dan de mening dat het veel beter is om jongeren actief voor te lichten over de risico’s van cannabisgebruik in plaats van ze aan een schandpaal te nagelen?
Ik ben van mening dat drugsgebruik op scholen dient te worden ontmoedigd. Op 8 juli 2011 is het wetsvoorstel voor verplichte incidentenregistratie, waaronder incidenten met drugs, aan uw Kamer aangeboden. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 27 mei 2011 (TK 2010–2011, 24 077, nr. 259) is incidentenregistratie een goed aangrijpingspunt om drugsgebruik en -verkoop op scholen in beeld te krijgen en te ontmoedigen.
Indien de incidentenregistratie daartoe aanleiding geeft, gaan school en gemeente met elkaar in gesprek over veiligheid in en rond de school, waaronder de aanpak van eventuele drugsproblematiek. Meer specifiek zou hierbij bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan voorlichting en kluisjescontroles.
Wat hebt u de afgelopen twee jaar concreet gedaan, anders dan repressieve maatregelen aankondigen, om er voor te zorgen dat jongeren voorgelicht worden over de gevaren van cannabis en wat heeft u concreet gedaan om ze van cannabisgebruik te weerhouden?
In het kader van de Gezonde School en Genotmiddelen en de opvoedcampagne «hoepakjijdataan.nl» is de afgelopen jaren aandacht besteed aan de negatieve gevolgen van het gebruik van cannabis op jonge leeftijd. De financiële middelen zijn daartoe vergroot. Ook is er extra geld uitgetrokken in het begrotingsakkoord om deze programma’s versterkt door te zetten.
In hoeverre biedt het onderzoek u nieuwe inzichten over het al langer bestaande gegeven dat het gebruik van cannabis op jonge leeftijd nadelig is voor de gezondheid?
Het was al bekend dat veelvuldig gebruik van cannabis op jonge leeftijd negatieve gevolgen kan hebben op de ontwikkeling van de hersenen. De conclusies uit dit onderzoek bevestigen dit beeld en ondersteunen ons beleid.
Deelt u de mening dat coffeeshops zich doorgaans houden aan de zogenaamde AHOJG-criteria op grond waarvan jongeren de toegang wordt ontzegd en harddrugs uit het circuit van cannabisgebruikers blijven? Zo nee, over beschikt u dan over gegevens dat coffeeshops deze criteria niet navolgen en welke gegevens zijn dat dan?
Ik beschik niet over recente cijfers over de naleving door coffeeshops van de twee in uw vraag genoemde criteria, maar op korte termijn verwacht ik de uitkomsten te ontvangen van een onderzoek dat het bureau Intraval in mijn opdracht heeft uitgevoerd naar de aantallen coffeeshops en het gemeentelijk beleid in de periode 1999–2011. Ik zal dit ook onder de aandacht van uw Kamer brengen.
Deelt u de mening dat door het invoeren van de wietpas en het ten gevolge daarvan verschuiven van de handel naar de straat, het risico dat jongeren gemakkelijker aan soft- en zelfs harddrugs kunnen komen kan toenemen? Zo ja, waarom voert u dan toch die onzalige wietpas in? Zo nee, waarom niet?
In aanloop naar de invoering op 1 mei 2012 is een aantal maatregelen genomen om eventuele neveneffecten tijdig te signaleren en aan te pakken. Daar waar straathandel zich voordoet pakt de politie deze aan.
Ik ben in continu en intensief overleg met de driehoeken in Limburg, Noord-Brabant en Zeeland ten einde een compleet en gedetailleerd beeld van hun ervaringen in de uitvoering van het aangescherpte coffeeshopbeleid op tekenen. Dit gebeurt onder meer in de vorm van gesprekken met de driehoeken en in de vorm van door mij opgevraagde rapportages. Hoewel mijn beeld nog niet compleet is, is mij reeds gebleken dat het aantal drugstoeristen in de gemeenten waar het aangescherpte coffeeshopbeleid wordt gehandhaafd, sterk is afgenomen. Ik volg de operationele handhaving continue en nauwgezet. Daar waar staathandel wordt geconstateerd en drugsrunners worden gesignaleerd, wordt direct door de politie opgetreden.
Zoals bij brief van 12 juli jl. toegezegd zal ik uw Kamer in oktober 2012 rapporteren over de ervaringen in de coffeeshopgemeenten in Limburg, Noord-Brabant en Zeeland. Daarbij zal ik ook ingaan op de recente signalen uit gemeenten en op de landelijke handhaving van het aangescherpte beleid.
Een klimaatambassadeur voor stadslandbouw |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog dat u het idee, om een klimaatambassadeur aan te stellen die de stadslandbouw kan stimuleren, heeft omarmd tijdens de behandeling van de begroting van 2012 van het ministerie van Infrastructuur en Milieu?1
Ja, Alexandra van Huffelen, wethouder duurzaamheid, binnenstad en buitenruimte in Rotterdam en klimaatambassadeur duurzame bedrijven onder de Lokale Klimaatagenda (LKA), heeft het onderwerp stadslandbouw geadopteerd.
Kunt u aangeven wat er in de tussenliggende maanden met dit voorstel gebeurd is?
Zie antwoord vraag 1.
Is stadslandbouw nu een thema geworden in het overleg tussen decentrale overheden en het Rijk, dat gericht is op het wegnemen van belemmeringen en het creëren van kansen voor lokale initiatieven op het gebied van klimaat? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog op korte termijn te regelen?
Ja. Onder de LKA wordt een leergroep Stadslandbouw opgericht die zich zal richten op kennisuitwisseling, knelpunten en oplossingen. Momenteel wordt verkend welke knelpunten er zijn en wat de agenda en de vorm wordt van deze leergroep. Er wordt daarbij gekeken naar hoe er gebruik kan worden gemaakt van de bestaande kennis en infrastructuur (voor kennisuitwisseling) van het Stedennetwerk stadslandbouw. Dit stedennetwerk is een aantal jaren geleden door het ministerie van ELenI in het leven geroepen en ook daar wordt op reguliere basis, op locatie en aan de hand van een casus, over knelpunten, ervaringen en vorderingen met betrekking tot stadslandbouw in de diverse steden gesproken.
Deelt u de mening dat stadslandbouw voor duurzaam, lokaal en gezond voedsel kan zorgen en de verbinding tussen stad en platteland en tussen boer en burger kan herstellen?
Vele mooie stadslandbouwinitiatieven leveren een bijdrage aan de verbinding tussen stad en platteland en brengen de burger dichter bij de productie van haar voedsel. Het is echter nog onvoldoende duidelijk in hoeverre deze aansprekende trend tot een significante schaal van duurzame lokale voedselproductie kan leiden. Samen met de minister van ELenI heb ik in mei een Green Deal afgesloten met een aantal bedrijven en onderzoeksinstelling LEI. Dit consortium wil een aantal stappen zetten in de richting van professionalisering en opschaling van stads(gerichte) landbouw, onder andere door kennisdeling, aanpakken knelpunten wet- en regelgeving en het verbeteren van de financierbaarheid. Het consortium onderzoekt, met publieke en private financiering, de oprichting van een mogelijke Nationale Federatie Stadsgerichte Landbouw. De eerste stap is een SWOT-analyse naar de ruimtelijke aspecten, duurzaamheidsaspecten en niet in de laatste plaats: de businessmodellen van stadslandbouwbedrijven in en om de stad.
Deelt u de mening dat er in Rotterdam, maar ook in Nijmegen, rond Deventer en in Zutphen, vele mooie stadslandbouwinitiatieven zijn en dat het waardevol is om deze ervaringen te delen met andere gemeenten, die aan de slag zijn of willen gaan met stadslandbouw? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat een klimaatambassadeur voor dit thema deze kennisuitwisseling kan bevorderen?
Het is waardevol de kennis en ervaring die in de verschillende steden is opgedaan op het terrein van stadsgerichte landbouw te delen. De rol van de klimaatambassadeur bij de leergroep zal met haar worden besproken. Bestuurlijke inzet op kennisuitwisseling, maar ook bij het agenderen en oplossen van knelpunten is in mijn optiek van grote waarde.
Heeft u al zicht op eventuele belemmeringen die er zouden kunnen zijn voor stadslandbouw en of er regelgeving is die mogelijk in de weg staat om op daken in de stad of in stadstuinen te gaan stadslandbouwen? Zo ja, welke belemmeringen zijn dit en op welke manier kunnen deze weggenomen worden? Zo nee, bent u bereid hier nader onderzoek naar te doen, wellicht met behulp van een klimaatambassadeur voor stadslandbouw?
Ik heb slechts beperkt zicht op eventuele belemmeringen die initiatieven op het terrein van stadslandbouw in de weg staan. Om hier inzicht in te krijgen en oplossingen voor te creëren heb ik samen met mijn ELenI collega de Green Deal ondertekend en wordt er de leergroep Stadslandbouw onder de LKA opgericht.
Kent u boer Koekoek, die een deelgenotentuin heeft in Nijmegen, waar burgers in samenwerking met de boer biologische groente telen?2 Bent u enthousiast over de betrokkenheid van burgers bij duurzame voedselteelt, die hiermee tot stand wordt gebracht? Zo nee, waarom niet?
Ik ben zeer enthousiast over de betrokkenheid van burgers bij duurzame voedselteelt, zowel op het platteland als in een stedelijke omgeving en zie daar ook een meerwaarde als het gaat om bijvoorbeeld het verbeteren van de sociale cohesie in wijken en het realiseren van een groene en gezonde leefomgeving die uitnodigt tot buitenactiviteiten. Ik ben van plan om daar samen met andere betrokken ministeries van dichtbij kennis mee te maken. De specifieke problematiek die u hier noemt was mij onbekend, maar betreft,voor zover ik kan beoordelen, een vergunningsvraagstuk waarvan de gemeente bevoegd gezag is. Indien dit in meerdere gemeenten als knelpunt wordt ervaren dan kan dit opgepakt worden in de leergroep Stadslandbouw onder de LKA.
Bent u ervan op de hoogte dat de gemeente Nijmegen geen vergunning af wil geven voor de bouw van drie kleine opkweekkasjes in deze stadstuin3, waardoor het voor boer Koekoek onmogelijk is om gewassen te kweken? Hoe beoordeelt u dit? Deelt u de mening dat dit een voorbeeld is van regelgeving, die stadslandbouw in de weg zit en bent u bereid om met de gemeente in overleg te gaan om de bouw van de kasjes toe te staan?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat de inspecties van de Milieudienst Rijnmond fors zijn gedaald |
|
Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Inspecties Milieudienst Rijnmond fors gedaald»?1
Ja.
Is het waar dat de inspecties van de Milieudienst Rijnmond in de afgelopen tien jaar met tientallen procenten zijn afgenomen?
DCMR Milieudienst Rijnmond geeft aan dat de totale toezichtinspanning van de milieudienst in de afgelopen tien jaar heeft gefluctueerd. Er is geen sprake van een afname met tientallen procenten zoals in het bericht wordt vermeld. De daling in de cijfers in de jaarverslagen is onder andere te verklaren door de verandering van de definitie van de controles door de jaren heen. Zo werden de aantallen preventieve en repressieve controles tot 2010 als één categorie in de jaarverslagen opgenomen en vanaf 2010 zijn deze apart benoemd. In het bericht van de Volkskrant zijn de aantallen apart vermelde repressieve controles niet meegeteld. Daarnaast werden de administratieve controles tot 2011 meegeteld in het totaal aantal uitgevoerde controles. In 2011 is dat niet meer het geval.
Volgens de milieudienst zijn er vanaf 2007 bij de provincie Zuid-Holland en de 15 gemeenten in Rijnmond voor welke de DCMR werkt, bezuinigingen doorgevoerd. De bezuinigingen vanaf 2007 zijn toegepast op het aantal controles bij de categorieën bedrijven, die minder risico’s voor de omgeving vormen. De DCMR hanteert daarbij een risicobenadering voor het stellen van prioriteiten. Het aantal controles bij de bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen, meestal Brzo-bedrijven, is niet afgenomen. De middelen die hieraan zijn besteed, zijn iets gestegen.
De aantallen Brzo-inspecties in Rijnmond in de periode 2002 tot en met 2012 zijn:
2004:
29
2005:
29
2006:
37
2007:
38
2008:
70
2009:
67
2010:
81
2011:
79
2012:
112
Kunt u toelichten welke gevolgen dit voor de veiligheid van omwonenden en medewerkers van bedrijven in de Rijnmond heeft gehad, en nog steeds heeft?
De mate van veiligheid is van veel factoren afhankelijk. Aangezien er geen sprake is van een daling van het aantal controles bij de bedrijven met grootste risico’s, zal die factor geen negatieve invloed hebben.
Bent u van mening dat veiligheid altijd voorop dient te staan en dat het dus ontoelaatbaar is dat al dan niet noodzakelijke bezuinigingen leiden tot minder inspecties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Ja, veiligheid dient voorop te staan. BRZO-bedrijven zullen, naast het voldoen aan eisen in de vorm van voorschriften en maatregelen in de milieuvergunning, moeten aantonen dat het verplichte Veiligheidsbeheerssysteem (VBS) adequaat functioneert. Gezien de potentiële gevaren is het noodzakelijk dat de jaarlijkse controle hierop vanuit de overheid plaats vindt door een hoogwaardig systeem van toezicht en handhaving. In overeenstemming met het Brzo wordt daar alleen op basis van een risico-inschatting van afgeweken. Ook zo’n systeem dient natuurlijk efficiënt te worden ingericht. Dat kan betekenen dat in de loop der jaren één inspectie minder tijd kost.
Kunt u toelichten hoe dit bericht valt te rijmen met uw meermaals gedane uitspraken dat er zeker geen sprake is van inspectievakanties en dat bezuinigingen niet leiden tot minder inspecties?
Ik heb al meerdere keren aangegeven dat inspectievakanties voor risicovolle bedrijven niet aan de orde zijn. Voor wat betreft bezuinigingen geldt wat ik bij het antwoord op vraag 4 heb aangegeven. Het streven is om het werk efficiënter in te vullen maar niet om minder inspecties uit te voeren.