De verbetering van het toezicht op belangrijke financiële benchmarks na berichtgeving over mogelijke manipulatie |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Oude Euribor amateuristisch» en «Toezichthouders vinden bewijs voor manipulatie derivatenmarkt» in het Financieele Dagblad van respectievelijk 10 juni en 5 augustus jongstleden?1
Ja.
Deelt u de mening dat een grondige hervorming van de vaststelling van belangrijke financiële indices, zoals de Libor, de Euribor en de ISDAfix nodig is, omdat deze indices de basis zijn voor duizenden miljarden aan financiële contracten, maar deze veelal worden vastgesteld op basis van inschattingen van bankiers bij een selecte groep van financiële instellingen die een direct belang kunnen hebben bij de ontwikkeling van diezelfde index?
Ik deel uw mening dat het belangrijk is dat financiële benchmarks op een integere en transparante wijze tot stand komen en dat manipulatie moet worden voorkomen. In dit licht steunt Nederland de verschillende initiatieven die in Europa en in internationaal verband worden genomen, zoals de Principles for Benchmark-Setting Processes in the EU van EBA/ESMA en de Principles for Financial Benchmarks van IOSCO. Deze initiatieven beogen de integriteit van financiële benchmarks te vergroten en bieden de verschillende actoren in het proces rondom de totstandkoming van benchmarks – zoals de samensteller van de benchmark, bijdragende partijen en degene die de benchmark publiceert – een gemeenschappelijk kader voor de wijze van totstandkoming. In navolging van bovengenoemde initiatieven is de Europese Commissie voornemens het samenstellen en gebruik van financiële benchmarks wettelijk te reguleren middels een verordening. Gezien de grote diversiteit aan benchmarks, acht Nederland het echter van belang dat eventuele regulering proportioneel is ten opzichte van het belang en de aard van de benchmark. Voor veelgebruikte benchmarks en met name benchmarks die discretionair tot stand komen op basis van inzendingen door marktpartijen zoals LIBOR en EURIBOR, lijkt vergaande regulering voor de hand te liggen, terwijl voor andere benchmarks beperkte vormen van regulering opportuun kunnen zijn.
Een van de aspecten waar de bovengenoemde initiatieven zich op richten, is het gebruik van meer transactiegegevens bij de berekening van benchmarks. Het kabinet steunt dit principe, maar plaatst daarbij wel de kanttekening dat het gebruik van transactiedata niet (altijd) bij iedere benchmark mogelijk of wenselijk is. In een illiquide markt kunnen bijvoorbeeld onvoldoende transactiegegevens voorhanden zijn, waardoor er geen benchmark vastgesteld zou kunnen worden, terwijl marktpartijen hier mogelijk wel behoefte aan hebben. Bovendien kan de verplichting om in een illiquide markt transactiegegevens te gebruiken er juist voor zorgen dat de benchmark makkelijker gemanipuleerd kan worden, aangezien een enkele transactie een groot effect zal hebben op de benchmark. Het kabinet is daarom voorstander van een aanpak waarbij het uitgangspunt is dat transactiegegevens gebruikt worden, maar waarbij – afhankelijk van de omstandigheden – ook andere gegevens gebruikt kunnen worden in de berekening. Hierbij is het echter wel van belang dat voor de verschillende actoren transparant is op basis van welke gegevens de benchmark tot stand is gekomen, zodat voor partijen duidelijk is of en in hoeverre de benchmark gebaseerd is op inschattingen van bijdragende instellingen in plaats van daadwerkelijke transacties. Het voordeel van een dergelijke aanpak, die ook wordt voorgestaan door IOSCO en EBA/ESMA, is dat rekening kan worden gehouden met de specifieke eigenschappen en het doel van een benchmark.
Een ander belangrijk aspect van de initiatieven om de integriteit van benchmarks te waarborgen, is het verbeteren van de governance van zowel de instanties die benchmarks samenstellen en/of publiceren als de instellingen die data aanleveren ten behoeve van de berekening van benchmarks. Daarbij kan gedacht worden aan eisen aan de bedrijfsvoering van deze partijen die belangenverstrengeling moeten voorkomen (zoals Chinese walls)en maatregelen om het interne toezicht op het totstandkomingsproces te verbeteren (zoals audit- en rapportageverplichtingen). Het kabinet beschouwt dergelijke maatregelen als een belangrijke stap om de integriteit en transparantie van financiële benchmarks op korte termijn te verbeteren.
Welke Nederlandse banken hebben in de afgelopen vijf jaar een bijdrage geleverd aan de vaststelling van de Libor, de Euribor en de ISDAfix? Is de Autoriteit Financiële Markten (AFM) bevoegd de rechtmatigheid van de bijdrage van Nederlandse banken aan buitenlands geregistreerde indices te onderzoeken?
De afgelopen vijf jaar hebben drie Nederlandse banken als bijdragende partij gefunctioneerd bij de vaststelling van de financiële benchmarks LIBOR en EURIBOR. De Nederlandse bank die tot op heden zitting heeft genomen in het panel van bijdragende banken voor de vaststelling van LIBOR is de Rabobank. Thans is binnen EURIBOR enkel ING Bank als Nederlandse partij actief. In het verleden zat ook ABN Amro in het panel van EURIBOR. Na de opsplitsing van ABN AMRO in 2007 is tot februari 2010 sprake geweest van een overgangsperiode, waarbij ABN AMRO verantwoordelijk was voor de bijdrage aan het EURIBOR panel. Na deze datum heeft RBS deze taak overgenomen. Naar mijn waarneming leveren Nederlandse banken op dit moment geen bijdrage aan de benchmark ISDAfix.
Op dit moment ligt de bevoegdheid om bestuursrechtelijk op te treden tegen eventuele manipulatie van benchmarks door in Nederland onder toezicht staande instellingen primair bij De Nederlandsche Bank (DNB), als vergunningverlenende toezichthouder. De grondslag voor die bevoegdheden is neergelegd in de Wet op het financieel toezicht (Wft), waarin is bepaald dat onder toezicht staande instellingen moeten voldoen aan de eisen met betrekking tot integere en beheerste bedrijfsvoering.
Benchmarks kwalificeren niet als financiële instrumenten en zijn op dit moment ook niet op andere wijze onder de reikwijdte van de regels ter voorkoming van marktmisbruik gebracht. Met de nieuwe Verordening marktmisbruik zal manipulatie van benchmarks wel onder de reikwijdte van de regels ter voorkoming van marktmisbruik worden gebracht. Deze uitbreiding van de mogelijkheden om manipulatie van benchmarks aan te pakken stelt de AFM in de toekomst in staat om manipulatie van benchmarks meer effectief aan te pakken en geeft de mogelijkheid om dergelijke manipulatie ook strafrechtelijk te vervolgen.
Kunt u een inschatting geven van de totale waarde van financiële contracten die gelinkt zijn aan de Libor en Euribor indices in 2012 en wat de absolute financiële impact van een afwijking met 1 basispunt zou betekenen omgeslagen over al deze contracten?
Hoewel de exacte omvang niet bekend is, wordt de totale waarde van financiële contracten die gebruik maken van de benchmark LIBOR geschat op minimaal USD 300 biljoen.4 Andere schattingen gaan zelfs tot USD 800 biljoen. Data over de totale waarde van de contracten die refereren naar EURIBOR is slechts beperkt voorhanden. Volgens informatie van de Bank for International Settlements van eind 2012 was de totale geschatte waarde van over-the-counter (OTC) rentederivaten die gebruik maakten van eurorentetarieven USD187 biljoen; het merendeel van deze contracten gebruikten naar verwachting EURIBOR als benchmark.5 De ECB schat de totale waarde van contracten die EURIBOR als benchmark gebruiken op enkele honderden biljoenen euro’s.6
Op de vraag wat de financiële impact is van een afwijking van bijvoorbeeld één basispunt kan ik geen antwoord geven, omdat dit inzicht vereist in de posities van alle marktpartijen. De vermenigvuldiging van de marktomvang met de afwijking van één basispunt geeft een onjuiste inschatting van de impact. Een deel van de marktpartijen zal namelijk profiteren van deze afwijking terwijl het andere deel van de markt wordt benadeeld.
Wat is uw opvatting over het in juli verschenen rapport van de International Organization of Securities Commissions (IOSCO) over de principes voor de vaststelling van financiële benchmarks? Kunt u de aanbevelingen uit het IOSCO rapport onderschrijven?2 Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is het kabinetsstandpunt over het door de Europese Commissie gepubliceerde consultatiedocument voor een verordening over de regulering van financiële indices?3 Steunt u de koers richting de vaststelling van benchmarks op basis van daadwerkelijke gedane markttransacties in plaats van inschattingen? Welke voor- en nadelen ziet u aan volledig op markttransacties gebaseerde indices?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u er voorstander van om de European Securities and Markets Authority (ESMA) toezicht te laten houden op de vaststelling van alle financiële indices in de Europese Unie? Zo ja, vindt u dan ook dat ESMA moet kunnen beschikken over een sanctionerend en dwingend instrumentarium? Zo nee, waarom niet?
Gezien het internationale karakter van financiële benchmarks ligt het de hand om ESMA een rol te geven in het toezicht op financiële benchmarks. Daarbij moet echter in overweging worden genomen dat het aantal benchmarks zeer omvangrijk is, waardoor het in de praktijk niet haalbaar lijkt dat ESMA direct toezicht uitoefent op alle financiële benchmarks in de Europese Unie. Wel kan gedacht worden aan een benadering waarbij het directe toezicht van ESMA zich beperkt tot «systeemrelevante» benchmarks. In dat geval is het ook wenselijk dat ESMA over een adequaat toezichtsinstrumentarium beschikt.
Hoe beziet u de door de voorzitter van ESMA gedane aanbeveling om financiële instellingen of andere bedrijven te verplichten deel te nemen aan panels die indices zoals de Libor en de Euribor vaststellen?4
De kwaliteit van een benchmark is mede afhankelijk van de mate van participatie van marktpartijen; het is van belang dat een representatief deel van de markt bijdraagt aan de totstandkoming van de benchmark. In dit opzicht is het belangrijk dat instellingen die tot dit deel van de markt behoren ook hun verantwoordelijk-heid nemen en bijdragen aan de totstandkoming van de benchmark. Er moet echter niet uit het oog worden verloren dat benchmarks in de kern marktgedreven zijn en op initiatief van marktpartijen tot stand komen. Het marktgedreven karakter van een benchmark betekent dat een benchmark ook moet kunnen verdwijnen wanneer deze niet langer voorziet in de behoefte van de markt. Het gebruik van een benchmark kan echter zo wijdverbreid zijn dat wanneer deze verdwijnt, dit grote gevolgen voor de financiële stabiliteit zou kunnen hebben. In dat geval kan het volgens het kabinet wenselijk zijn om marktpartijen alsnog te verplichten de benchmark in stand te houden, in ieder geval totdat een geschikt alternatief is gevonden voor de (verdwijnende) benchmark. Verder is het in dit opzicht ook belangrijk dat zowel de partij die de benchmark vaststelt als partijen die gebruik maken van benchmarks voorzieningen treffen voor het geval de benchmark (tijdelijk) niet beschikbaar is. Ook IOSCO en EBA/ESMA wijzen in hun aanbevelingen over financiële benchmarks op het belang van dit soort voorzieningen.
Deelt u de opvatting dat financiële instellingen of andere bedrijven die een bijdrage leveren aan de vaststelling van een financiële benchmark ook zelf in hun interne organisatie maatregelen moeten treffen om misbruik te voorkomen, zoals door het creëren van «Chinese walls» of een verplichte externe audit van de bijdrages ter vaststelling van een financiële benchmark?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘dat er nog altijd veel mis is in de gehandicaptenzorg’ |
|
Hanke Bruins Slot (CDA), Mona Keijzer (CDA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u de uitzending gezien waarin werd getoond dat er nog altijd veel mis is in de gehandicapten zorg?1
Ik heb de genoemde uitzending van Nieuwsuur gezien.
Klopt het dat het steeds vaker voorkomt dat ondeskundig personeel in risicovolle situaties wordt ingezet? Zo ja, wat kan hieraan worden gedaan? Zo nee, hoe komen deze geluiden dan toch de wereld in?
De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft geen signalen waaruit af te leiden is dat er steeds vaker ondeskundig personeel in risicovolle situaties wordt ingezet. Dit blijkt onder meer uit het inspectierapport over het terugdringen van vrijheidsbeperking in de langdurige zorg uit december 2012. Wel zitten er risico’s volgens de IGZ bij verloop en ziekteverzuim. Goed personeelsbeleid is een belangrijke factor om dat te voorkomen. De IGZ constateert dat er, om het aantal vrijheidsbeperkingen nog verder terug te dringen, structurele maatregelen nodig zijn. Met de uitvoering van de aanbevelingen van de «Denktank complexe zorg» in het Actieprogramma en wetsvoorstel Zorg en dwang wordt dit ter hand genomen.
Wat vindt u van de constatering van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) in het rapport over vrijheidsbeperking dat bijna in een kwart van de gevallen het personeel de regels omtrent vrijheidsbeperking in de gehandicaptenzorg niet kent? Hoe kan dit verholpen worden? Bij wie ligt deze verantwoordelijkheid?
In het inspectierapport «Extra inspanning noodzakelijk voor terugdringen vrijheidsbeperking in de langdurige zorg» (december 2012) wordt geconstateerd dat 77% van de medewerkers in de gehandicaptenzorg het beleid van hun werkgever kent omtrent het verminderen en afbouwen van vrijheidsbeperkende maatregelen. Bijna een kwart (23%) kent het beleid voor het verminderen en afbouwen van vrijheidsbeperkende maatregelen dus niet. Dit betekent echter niet dat 23% van de medewerkers onbekend is met de regels omtrent (het zorgvuldig toepassen van) vrijheidsbeperking.
In voornoemd rapport staat dat bijna negen op de tien (89%) van de zorgverleners waar de inspectie tijdens dit onderzoek mee heeft gesproken, bekend was met een algemene werkinstructie over het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen.
De zorgaanbieder dient er voor te zorgen dat het personeel op de hoogte is van de regels omtrent vrijheidsbeperkingen én van het beleid omtrent het afbouwen of voorkomen van vrijheidsbeperkingen. Met het Actieprogramma Onvrijwillige zorg stimuleer ik dat.
Hoe komt het dat 52% van de organisaties onvoldoende op personeel scoort, zoals aangegeven in genoemde uitzending? Waarom is dit de afgelopen jaren verslechterd?
Nieuwsuur constateert na eigen analyse dat de situatie in de gehandicaptenzorg sinds 2007 achteruit is gegaan. Het in de uitzending geschetste beeld is gebaseerd op een vergelijking van de uitkomsten van twee typen inspectieonderzoek, een in 2007 gepubliceerd rapport en de bevindingen uit 44 rapporten uit 2013.
Het in 2007 gepubliceerde rapport betrof de bevindingen van bezoeken aan een aantal willekeurig gekozen organisatorische eenheden in de gehandicaptenzorg. In de eerste helft van 2013 heeft de IGZ in het kader van het zogenoemde risicogestuurde toezicht 44 onaangekondigde bezoeken gebracht aan locaties in de gehandicaptenzorg. Deze bezochte locaties zijn geselecteerd op basis van vermoedens van (mogelijke) risico’s op onveilige zorg. In tegenstelling tot het onderzoek uit 2007 is bij het onderzoek in 2013 dus geen sprake van een dwarsdoorsnede van de gehandicaptenzorg, maar is expliciet gekeken naar locaties met vermoedens van risico’s. De bevindingen uit deze bezoeken zijn daarom zeker niet representatief voor de gehele gehandicaptenzorg. De cijfers uit de rapporten van 2007 en 2013 kunnen daarom niet met elkaar worden vergeleken.
Welke oorzaken liggen ten grondslag aan de constatering van de IGZ in het rapport over vrijheidsbeperking dat bij de bezochte instellingen 77% van de beslissingen om tot vrijheidsbeperking over te gaan minder zorgvuldig of onzorgvuldig is genomen, en dat de uitvoering voor 80% onzorgvuldig of minder zorgvuldig is (gehandicaptenzorg), en in de psychogeriatrische zorg deze getallen 74% en 84% zijn?
De in uw vraag genoemde aantallen zijn afkomstig uit het IGZ-rapport «Extra inspanning noodzakelijk voor terugdringen vrijheidsbeperking in de langdurige zorg». (december 2012). Volgens de IGZ liggen hier diverse oorzaken aan ten grondslag. Zo wordt onvoldoende gebruik gemaakt van de inzet van externe deskundigen, is de focus onvoldoende gericht op de afbouw van de vrijheidsbeperking en ontbreekt het aan een goede verslaglegging.
Waarom is het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) bij slechts 2% van de gevallen in de psychogeriatrische zorg betrokken? Hoe kunt u de bekendheid van het CCE bij deze zorginstellingen vergroten?
In de psychogeriatrische zorg wordt hard gewerkt aan het terugdringen van vrijheidsbeperkingen. Het CCE is beschikbaar voor die gevallen dat er sprake is van meer ingrijpende, frequente en/of langdurige vormen van vrijheidsbeperking. Soms adviseert de inspectie het CCE in te schakelen. Iedere aanmelding wordt bij het CCE in behandeling genomen.
De betrokkenheid van het CCE in de psychogeriatrische zorg is afhankelijk van de bereidheid van de sector advies te vragen en afhankelijk van de naamsbekendheid van het CCE. Hieraan wordt door het CCE al enige jaren gewerkt. Via programma’s als «Zorg voor beter» en thans het «Actieprogramma zorg en dwang» wil ik de inzet van beschikbare deskundigheid vergroten.
Hoe ondervangt het wetsvoorstel Zorg en dwang het gegeven, dat in de gehandicaptenzorg 60% en in de psychogeriatrische zorg 80% van de vrijheidsbeperking bij cliënten geen beëindigingsstrategie of afbouwschema voor de vrijheidsbeperking kent?
Eén van de eisen van het wetsvoorstel is dat bij het opnemen van onvrijwillige zorg in het zorgplan direct moet worden aangegeven op welke manier de onvrijwillige zorg weer wordt beëindigd. Lukt dat niet binnen de maximumtermijn, dan treedt de volgende stap van het stappenplan in werking. Onder meer door deze bepaling wordt in het wetsvoorstel Zorg en dwang, anders dan in de huidige wet Bopz, expliciet handen en voeten gegeven aan het principe «nee, tenzij».
Hoe komt het dat, ondanks programma’s zoals «Zorg voor beter» en «Maatregelen op maat», de cultuur van vrijheidsbeperking in een groot aantal instellingen onvoldoende veranderd is?
De programma’s «Zorg voor beter» en «Maatregelen op maat» waren succesvol bij een groot deel van de deelnemende instellingen. Lang niet alle instellingen hebben echter mee gedaan. Vandaar ook dat nu wordt ingezet op een vervolg in de vorm van het «Actieprogramma onvrijwillige zorg», wat mijns inziens hand in hand moet gaan met het van kracht worden van de wet Zorg en dwang om maximaal effect te bewerkstelligen.
Bij het terugdringen van vrijheidsbeperkingen gaat het, zo blijkt ook uit het rapport van de Denktank complexe zorg, om systematisch en methodisch werken en organisatorische context. De cultuur van een organisatie speelt indirect een belangrijke rol. Daarbij gaat het om zaken als visie op zorg, communicatie en gezagverhoudingen. Dergelijke cultuurveranderingen laten zich niet van de ene op de andere dag veranderen en vereisen bovendien heldere wetgeving (rond onvrijwillige zorg). Omdat er grote verschillen zijn in uitgangspositie tussen organisaties, zijn er nog steeds instellingen waar veranderingen onvoldoende zijn doorgevoerd.
Wat vindt u van de analyse dat duidelijke regelgeving en een cultuurverandering de belangrijkste factoren zullen zijn om vrijheidsbeperking terug te dringen? In hoeverre is nog onderzoek naar de problematiek van vrijheidsbeperking noodzakelijk, gezien de vele rapporten?
Met deze analyse ben ik het eens. Daarom richt mijn beleid zich zowel op wetgeving als op het bereiken van een mentaliteitsomslag. De inwerkingtreding van het wetsvoorstel Zorg en dwang zorgt voor een wettelijke verankering van het «nee, tenzij»-principe. Voorts beoog ik met de uitvoering van het Actieprogramma onvrijwillige zorg de benodigde verandering van cultuur en werkwijzen in de zorg te kunnen doorzetten.
Wat betreft onderzoek naar de problematiek: de door mijn voorganger ingestelde «Denktank complexe zorg» heeft de problematiek rond het omgaan met vrijheidsbeperkingen in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking uitgebreid onderzocht en in beeld gebracht. Vorig jaar juni heeft de denktank rapport uitgebracht. In dit rapport (Wegen naar vrijheid) staat een aantal praktische -integraal samenhangende- aanbevelingen waarmee de problematiek kan worden aangepakt. Het is nu zaak deze aanbevelingen uit te voeren. Tegen deze achtergrond zie ik geen aanleiding de problematiek rond vrijheidsbeperking (naast het onderzoek van de Inspectie) nog eens te laten onderzoeken. Wel zal conform de aanbevelingen van de Denktank nader onderzoek worden gedaan naar de beleving van onvrijwillige zorg door cliënten en naar hulpmiddelen voor hulpverleners om deze beleving van cliënten beter te kunnen beoordelen. Deze onderzoeken worden nu aanbesteed.
Hoe beoordeelt u de volgende constateringen uit het IGZ-rapport over vrijheidsbeperking?
Deze bevindingen ondersteunen mijn beleidsvoornemens. Via wetgeving en de uitvoering van het actieprogramma onvrijwillige zorg wil ik het veld ondersteunen de benodigde cultuurveranderingen en werkwijzen door te voeren.
Hoe gaat het actieprogramma onvrijwillige zorg aan bovenstaande constateringen een einde maken?
Het Actieprogramma gaat hand in hand met het wetsvoorstel. Daarbij is gekozen voor een brede, samenhangende aanpak die zich richt op álle lagen binnen de zorgorganisaties. Want alleen op deze manier is het mogelijk de gewenste omslag te maken. Daarom zijn niet alleen bestuurders en beroepsgroepen betrokken, maar ook de cliënten, cliëntenraden en naasten. Het terugdringen van vrijheidsbeperkingen, of leven in vrijheid, betekent soms ook dat er meer risico door een instelling of zorgverlener moet worden genomen, bijvoorbeeld door een cliënt alleen op pad te laten gaan. Daar kunnen zorgaanbieders huiverig voor zijn, omdat het soms ook mis kan gaan. Om die reden is betrokkenheid van bijvoorbeeld cliëntenraden en naasten gewenst.
Wat is de reden dat de organisatie van zorgondernemers Actiz en BTN hebben besloten zich niet aan het actieprogramma onvrijwillige zorg te verbinden? Wat is de slagingskans van een dergelijk actieprogramma als zulke belangrijke organisaties niet bereid zijn zich hiervoor in te zetten?
ActiZ en BTN zijn van mening dat het op onderdelen afwijzen van het wetsvoorstel niet samen kan gaan met het zich verbinden aan het actieprogramma onvrijwillige zorg. Zij maken zich zorgen om de brede definitie van onvrijwillige zorg in het wetsvoorstel en vrezen voor hogere administratieve lasten. Uiteraard is het bijzonder jammer dat deze koepelorganisaties zich niet aan het Actieprogramma willen verbinden. Gezien de afstemming met veel (praktijk)deskundigen over de inhoud van het Actieprogramma en het draagvlak bij andere organisaties (waaronder ook individuele zorgaanbieders in de ouderenzorg), ben ik er echter van overtuigd dat het Actieprogramma de juiste koers heeft.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat de achterblijvende instellingen op het gebied van dwang en drang in de gehandicaptenzorg en de psychogeriatrische zorg hun achterstand inlopen?
De door mijn voorganger ingestelde «Denktank complexe zorg» heeft de problematiek rond het omgaan met vrijheidsbeperkingen in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking uitgebreid onderzocht en in beeld gebracht. De bevindingen en aanbevelingen van de Denktank hebben een breder toepassingsdomein dan alleen de gehandicaptenzorg. Het gaat om methodisch werken, organisatorische context en cultuurveranderingen. Dit maakt dat het advies ook belangrijk is voor andere sectoren zoals de ouderenzorg en de (chronische) psychiatrie. Het is nu zaak deze aanbevelingen uit te voeren. Dat heb ik gedaan door enerzijds de aanbevelingen van de Denktank op te nemen in het wetsvoorstel Zorg en dwang, en anderzijds de regie te nemen bij het opstellen van het Actieprogramma Onvrijwillige zorg. Door de combinatie van beide, die elkaar versterken en aanvullen, verwacht ik dat achterblijvende instellingen via de wet duidelijkheid krijgen over wat een zorgvuldig besluitvormingsproces is. Via het Actieplan kunnen zij vervolgens ondersteuning krijgen bij het inrichten van dat proces in de eigen organisatie.
Bent u bereid voorgaande vragen te beantwoorden voor de voortzetting van de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Zorg en dwang?
Ja.
Aanvullende vragen over het overlijden van een verstandelijk beperkte vrouw |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Vind u de getoonde beelden en de reconstructie ook zo schokkend?1
De beelden en de reconstructie van deze uitermate betreurenswaardige gebeurtenis hebben diepe indruk op mij gemaakt.
Wat vindt u ervan dat zorginstelling NOVO per kort geding heeft geprobeerd te verhinderen dat de beelden van de beveiligingscamera voor openbare uitzending worden gebruikt? Wekt dit uw vertrouwen in het oplossend vermogen van de instelling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zorginstellingen hebben de mogelijkheid zich te verzetten tegen het openbaar vertonen van camerabeelden van cliënten en/of medewerkers wanneer zij dat aangewezen achten. Het is niet aan mij, maar aan de rechter om te beoordelen of een dergelijk verzet – in deze kwestie ingegeven uit overwegingen van privacy – gegrond is of niet. De rechter heeft uitzending niet verboden.
Is het waar dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) deze beveiligingsbeelden eerder heeft gezien? Zo ja, wat was haar oordeel? Zo nee, waarom zijn deze niet getoond aan de IGZ?
De IGZ heeft op het politiebureau de beelden eerder gezien, en men vond deze ernstig.
Zijn de beveiligingsbeelden in het onderzoek van de recherche betrokken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom oordeelde de recherche dat nader justitieel onderzoek niet nodig was?
De camerabeelden zijn in het strafrechtelijk onderzoek naar het overlijden betrokken. Voor de beweegredenen van het Openbaar Ministerie om de zaak te seponeren verwijs ik naar de antwoorden op de hiervoor genoemde eerdere vragen van het lid Leijten.
Waarom vindt u het niet nodig om de Kamervragen2 over het schokkende overlijden niet te beantwoorden binnen de gestelde termijn?
Er was meer tijd nodig om de vragen te beantwoorden.
Het versturen van een uitstelbrief tijdens het Kamerreces is niet gebruikelijk.
De aanhoudende berichten van geweld tegen Koptische christenen in Egypte |
|
Arie Slob (CU) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht van Human Rights Watch van 23 juli jongstleden: «Egypt: Sectarian Attacks Amid Political Crisis » over de verschillende ernstige aanvallen op Koptische christenen, vooral in het zuiden van Egypte?
Ja.
Bent u zich bewust van de urgentie en kunt u toelichten welke initiatieven u, ook in Europees verband, sindsdien hebt genomen om de Egyptische overgangsregering te bewegen tot adequate bescherming van al haar burgers?
Het kabinet is bezorgd over de positie van religieuze minderheden in Egypte en veroordeelt iedere vorm van sektarisch geweld. In gesprekken op 7 augustus jl. met president Mansour, premier Beblawi en andere politieke leiders heb ik aangedrongen op een democratisch en inclusief transitieproces, met respect voor rechtsstatelijke principes en mensenrechten.
Ook de EU vraagt consequent aandacht voor de positie van minderheden. EU Hoge Vertegenwoordiger Catherine Ashton heeft het recente geweld, en de aanvallen op kerken in het bijzonder, veroordeeld in een verklaring op 14 augustus jl. Op 21 augustus is de situatie in Egypte besproken in de Raad Buitenlandse Zaken. Tijdens die bijeenkomst is ook de situatie van de kopten aan de orde gekomen en zijn de zorgen van de EU neergelegd in de Raadsconclusies.
Welke mogelijkheden ziet u verder om – al dan niet met EU-collegae – de Egyptische autoriteiten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor de veiligheid van Koptische christenen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid deze vragen en eerdere vragen over dit aanhoudende geweld van de leden De Roon (d.d. 29 juli 2013) en Voordewind (d.d. 12 juli 2013) zo spoedig mogelijk te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat zorginstelling Aafje uit voorzorg ontslag heeft aangevraagd voor honderden thuiszorgmedewerkers |
|
Nine Kooiman , Renske Leijten (SP), Paul Ulenbelt (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Hoe oordeelt u over het bericht dat zorginstelling Aafje uit «voorzorg» ontslag heeft aangevraagd voor 350 vaste thuiszorgmedewerkers, en het contract van 200 tijdelijke medewerkers niet zal verlengen?1
Inmiddels heb ik begrepen dat de ontslagaanvraag er – in ieder geval voorlopig – niet gaat komen.
Hoeveel mensen dreigen hierdoor hun vertrouwde thuishulp te verliezen? Is dit naar uw mening acceptabel? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat dit ontslag voorbarig is, gezien het feit dat het geld en werk volgend jaar volledig beschikbaar blijven? Kunt u uw antwoord toelichten?
Allereerst wil ik ingaan op de terminologie «voorbarig ontslag». Ik versta onder «voorbarig ontslag» de situatie waarin een werknemer voor ontslag wordt voorgedragen omdat er voor een thuiszorginstelling onzekerheid bestaat over de uitkomst van een nieuwe aanbestedingsronde. In dat geval is de beleidslijn, op basis van de huidige regelgeving, dat UWV geen ontslagvergunning verleent omdat er geen zekerheid bestaat over het structureel vervallen van arbeidsplaatsen. Het gaat dan om gevallen waarin de thuiszorginstelling meedoet aan een aanbesteding. In het verlengde daarvan geldt dat evenmin een ontslagvergunning wordt verleend wanneer een thuiszorginstelling aangeeft het voornemen te hebben met een nieuwe aanbesteding mee te gaan doen of daarover geen duidelijkheid geeft in de ontslagprocedure. Ook in die gevallen kan (nog) niet geconcludeerd worden dat er sprake zal zijn van een structureel verval van arbeidsplaatsen. Deze situaties moeten wel worden onderscheiden van een situatie waarbij een nieuwe aanbesteding bijvoorbeeld beperkter is in omvang dan het huidige contract en de thuiszorginstelling daardoor het personeelsbestand zal moeten inkrimpen (werkvermindering). In dat geval zal er wel sprake zijn van een structureel verval van arbeidsplaatsen en kan een ontslagvergunning (voor de overtollige werknemers) worden verleend. De hiervoor geschetste lijn benadrukt het belang van een tijdige aanbesteding door gemeenten om daarmee thuiszorginstellingen en hun medewerkers niet onnodig in onzekerheid te laten. Daar waar een tijdige aanbesteding uitblijft en er geen zicht is op de inhoud daarvan kan het een legitieme aanleiding zijn voor een thuiszorginstelling om toch maatregelen te willen nemen als de financiële risico’s als te hoog worden ingeschat. In dat geval zal UWV bij de toetsing van een ontslagaanvraag mede betrekken of van het voorgaande sprake is in het licht van de afspraken die zijn gemaakt als het gaat om het overnemen van personeel en de beschikbare middelen voor de thuiszorg. Het budgettaire kader voor de huishoudelijke verzorging blijft in 2014 nagenoeg gelijk.
Het kan ook voorkomen dat een thuiszorginstelling besluit te stoppen met de bedrijfsactiviteiten en niet meedoet aan een nieuwe aanbesteding. Het stoppen met bepaalde bedrijfsactiviteiten is een keuze van de werkgever waar UWV niet in treedt. Er kunnen bij een gestelde bedrijfsbeëindiging echter aanwijzingen zijn dat de werkgever – al dan niet via een derde – de bedrijfsactiviteiten toch zal voortzetten. Als dat het geval is, zal UWV nadere vragen stellen en bij ontbreken van een bevredigend antwoord, de vergunning weigeren.
Is het waar dat wanneer een nieuwe partij de zorg gegund krijgt deze verplicht is het personeel over te nemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vervalt daarmee de grond voor ontslag bij Aafje? Kunt u uw antwoord toelichten?
Over het overnemen van personeel dat zich – in opdracht van een college van B&W – bezig houdt met huishoudelijke verzorging, staat op een aantal plekken het nodige geregeld:
Zie ook het antwoord op vraag 1.
Mag ervan worden uitgegaan dat het UWV geen vergunning zal afgeven voor dit ontslag? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 1.
Welke lering heeft u getrokken uit de situatie bij zorgaanbieder Sensire waar het UWV wel een ontslagvergunning heeft afgegeven? Betekent dit dat u gaat voorkomen dat in dit geval een ontslagvergunning wordt afgegeven?
Zie het antwoord op vraag 3.
De casus bij Sensire is uitgebreid aan de orde geweest in de antwoorden op de Kamervragen van zowel de SP (over het bericht dat thuiszorgmedewerkers massaal ontslagen worden) als van de PvdA (over het bericht dat het UWV een ontslagvergunning heeft verleend aan thuiszorgorganisatie Sensire om 1.100 thuiszorgmedewerkers te ontslaan), resp. Aanhangsel van de Handelingen 2012–2013, 2929 en 2030. Kortheidshalve verwijs ik naar die antwoorden.
Constateert u ook dat het uit voorzorg ontslaan van thuiszorgmedewerkers een trend lijkt te worden? Deelt u de mening dat dit zeer onwenselijk is? Wat gaat u doen om die trend te doorbreken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Die trend heb ik (nog) niet geconstateerd. Gezien de hiervoor geduide lijn (onder 3), als het gaat om de beoordeling van ontslagaanvragen in de thuiszorg, verwacht ik niet dat thuiszorginstellingen over zullen gaan tot voorbarige ontslagaanvragen, zoals daar gedefinieerd. Het is overigens de verantwoordelijkheid van de betrokken werkgevers zelf om met de talloze omgevingsfactoren rekening te houden en daar naar eigen inzicht zo goed mogelijk naar te handelen.
Bent u tevreden dat de thuiszorgbranche zo voortvarend te werk gaat met het preventief ruimen van personeel? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit het antwoord op vraag 3 en 7 blijkt dat er geen vergunning wordt verleend voor preventieve ontslagaanvragen als daar gedefinieerd.
Voor het overige verwijs ik kortheidshalve naar de antwoorden op uw eerdere Kamervragen en die van de PvdA, genoemd in het antwoord op vraag 6.
Is het waar dat de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk van plan zijn mensen die thuiszorg nodig hebben via een veilingsysteem aan te bieden aan de laagste bieder? Staat u hier ook afwijzend tegenover? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
De betreffende gemeenten hebben mij laten weten dat dit niet het geval is.
Wordt door de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk de Wet basistarieven gehanteerd? Zo nee, wat gaat u daartegen ondernemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De colleges van de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk hebben het voornemen om een voorstel tot het vaststellen van basistarieven, zoals genoemd in artikel 21a Wmo, voor te leggen aan de onderscheiden gemeenteraden. Dit met als doel de basistarieven vast te stellen voordat de aanbesteding van huishoudelijke verzorging start.
Kunt u garanderen dat alle gemeenten die op dit moment aanbesteden de Wet basistarieven hanteren? Zo nee, welke gemeenten niet, en wat gaat u hiertegen ondernemen?
In de Wmo is het lokale niveau als primair verantwoordelijke aangewezen. Het college van B&W legt over de uitvoering van de Wmo verantwoording af aan de gemeenteraad. Ook vindt horizontale verantwoording plaats doordat ingezetenen worden betrokken bij de voorbereiding van het beleid op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning en het opstellen van de verordening. Vanzelfsprekend ga ik er vanuit dat de colleges zich bij de uitvoering van de Wmo aan de wet houden en dat de gemeenteraden daar op toezien.
Een nieuw protocol voor de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de EU en Marokko |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Morocco, EU ink four-year fishing accord after 18-month hiatus»?1 Kunt u bevestigen dat het nieuwe protocol voor de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de EU en Marokko ook betrekking heeft op de wateren voor de kust van West-Sahara? Zo neen, wat zijn dan de feiten?
Ja. Het nieuwe protocol bevat, evenals voorgaande visserijprotocollen van de Europese Unie met Marokko, afspraken over de toegang van vaartuigen van de lidstaten (waaronder Nederlandse) tot de wateren van Marokko én de wateren onder Marokkaanse rechtsmacht. Zowel de Europese Unie als Nederland erkennen de soevereiniteit van Marokko over de Westelijke Sahara niet. Net als vorige visserijovereenkomsten prejudicieert deze overeenkomst niet op de Marokkaanse claim ten aanzien van de status van de Westelijke Sahara. De formulering van de geografische reikwijdte van het Protocol maakt duidelijk dat het feit dat Marokko onder dit Protocol vergunningen kan uitreiken voor visserij in de wateren van de Westelijke Sahara, waar Marokko de facto het beheer uitoefent, geen erkenning inhoudt van soevereiniteit.»
Bent u ermee bekend dat Polisario het nieuwe protocol voor de Partnerschapsovereenkomst heeft veroordeeld, onder andere omdat mensenrechtenbepalingen in het protocol niet effectief zouden zijn?2 Zijn u vertegenwoordigers van de oorspronkelijke bevolking van West-Sahara bekend die zich positief over het nieuwe protocol hebben geuit? Zo ja, kunt u hier voorbeelden van noemen?
Ja.
Is het waar dat Maria Damanaki, de Europese commissaris voor Maritieme Zaken en Visserij, met betrekking tot het nieuwe protocol heeft gezegd dat er respect voor het internationaal recht moet zijn en dat daarom de lokale bevolking profijt van de overeenkomst moet hebben? Zo neen, wat is er dan gezegd? Zo ja, is het niet zo dat het internationaal recht stelt dat juist de oorspronkelijke bevolking profijt ervan moet hebben? Kunt u uw antwoord toelichten?
De inzet van de Europese Commissie is er op gericht dat alle lokale bevolkingsgroepen van het akkoord moeten profiteren. Wanneer visserij (gedeeltelijk) plaatsvindt in de wateren voor de kust van de Westelijke Sahara moet dit ten goede komen aan de oorspronkelijke bevolking van de Westelijke Sahara.
Kunt u aangeven of Marokko bij het nieuwe protocol voor de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de EU en Marokko, net als bij het voorgaande protocol,3 de volledige beschikking («full discretion») heeft over de door ondertekening van het protocol te ontvangen financiële middelen? Zo nee, wat is er op dit punt dan overeengekomen? Hoe wordt gegarandeerd dat een deel van de financiële middelen ten goede komt aan de oorspronkelijke bevolking van West-Sahara?
Nee. De EU en de visserijsector betalen samen € 40 miljoen voor het protocol, hiervan is € 14 miljoen geoormerkt voor ondersteuning van de lokale visserijsector en aan de besteding ervan zijn voorwaarden verbonden. Dit deel ontvangt Marokko pas wanneer in het Gemengde Comité tussen Marokko en de EU overeenstemming is bereikt over de besteding ervan. Beide partijen moeten het eens worden over de te bereiken doelstellingen en de te verwachten impact van de projecten. In het Gemengde Comité worden ook de indicatoren vastgesteld die Marokko gebruikt bij de rapportage over de evaluatie van de projecten. Marokko moet zich daarmee vooraf, tijdens de looptijd van de projecten en achteraf verantwoorden over de besteding van de middelen, inclusief over de geografische verdeling hiervan.
Bent u bekend met het juridische advies van de New York City Bar Association uit 2011, waarin stevige kritiek wordt geuit op het vorige protocol voor de Partnerschapsovereenkomst en waarin voorwaarden worden genoemd waaraan een nieuw protocol moet voldoen zodat het in lijn is met het internationaal recht? Kunt u aangeven of u de opvattingen in dit juridische advies deelt? Kunt u daarbij ingaan op de verschillende punten die worden genoemd (zie het citaat bij de bronnen)?4
Ja. Het kabinet deelt de hoofdconclusie van het advies dat «treating Morocco as an administering power – Morocco may use the natural resources within the territory only in so far as such use is with the participation of and in the best interests and for the benefit of the Sahrawi people, any use by Morocco of these resources that is not in the benefit of the Sahrawi people constitutes a violation of international law».
Het kabinet is van mening dat de rechtmatigheid van het gebruik van de natuurlijke hulpbronnen afhangt van de wijze waarop deze verplichting door Marokko wordt geïmplementeerd. Het kabinet acht het niet opportuun om op alle onderdelen van publicaties te reageren.
Bent u van mening dat het nieuwe protocol in lijn is met het internationaal recht? Zo ja, hoe wordt dit naar uw mening gegarandeerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangeven in de brief van de ministers van Buitenlandse Zaken en voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 4 februari 2013 (TK, 2012–2013, 1307) die mede namens mij is verzonden, mogen economische activiteiten plaatsvinden in «non-self governing territories», indien de opbrengsten van deze activiteiten ten goede komen aan de oorspronkelijke bevolking van het gebied.
Het protocol bevat geen rechtstreekse verwijzing naar de Westelijke Sahara, maar maakt melding van de «geografische verdeling» van middelen voor sectorale steun. Deze formulering maakt het lastig om vooraf te beoordelen in hoeverre de projecten daadwerkelijk ten goede zullen komen aan de oorspronkelijke bevolking van de Westelijke Sahara. Daarnaast zullen de indicatoren die weergeven wat de sociale en economische impact is van de projecten worden uitgewerkt in het Gemengde Comité tussen Marokko en de Europese Unie. Daar kan ik nu nog geen oordeel over geven. Tot slot is in het protocol niet opgenomen hoe Marokko garandeert dat het haar internationale verplichtingen nakomt voor wat betreft de € 26 miljoen die de EU en de visserijsector jaarlijks voor toegang betalen.
Ik zal daarom de Europese Commissie na ontvangst van het voorstel aan de Landbouw en Visserijraad om nadere duiding en toelichting vragen. Mede op basis daarvan zal het kabinet een oordeel vellen.
Hoe en op welke termijn zal de besluitvorming over dit nieuwe protocol verlopen en bent u van plan ermee in te stemmen?
De Europese Commissie zal het protocol naar verwachting in september voorleggen aan de Landbouw en Visserijraad, waarna de Raad waarschijnlijk in oktober een besluit neemt. Een besluit tot sluiting van het protocol kan pas worden genomen na goedkeuring van het Europees Parlement.
Op dit moment mogen EU-vaartuigen overigens niet vissen in de wateren van Marokko en de Westelijke Sahara.
Om bevissing mogelijk te maken is niet alleen een besluit van de Raad nodig, maar ook de instemming van Marokko om het protocol voorlopig toe te passen in afwachting van het oordeel van het Europees Parlement. Marokko heeft echter al aangegeven geen voorlopige toepassing te willen. Dat betekent dat er niet kan worden gevist voordat ook het Europees Parlement het protocol heeft goedgekeurd.
Het kabinet streeft ernaar om mijn eindoordeel over het protocol in september aan de Kamer te zenden. Daarbij zal ik ook ingaan op de andere aspecten van het protocol, zoals de kosten, de technische voorwaarden en de duurzaamheid.
Berichten over de jeugdreclassering op Curaçao |
|
Roelof van Laar (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Overheid is afspraken niet nagekomen» en «Volwaardige jeugdreclassering ontbreekt»1, die beide gaan over het rapport van de Raad voor de Rechtshandhaving over de jeugdreclassering op Curaçao?
Ja.
Werkt de Nederlandse overheid op het gebied van jeugdreclassering samen met Curaçao om de situatie op het eiland te verbeteren? Zo ja, op welke wijze wordt er samengewerkt? Zo nee, wat is de reden waarom er niet wordt samengewerkt? Bent u bereid – eventueel na een verzoek daartoe vanuit Curaçao – om samenwerking aan te bieden aan Curaçao?
Nee. Mede namens de minister en staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, bericht ik u dat de overheid in Europees Nederland niet in structurele zin samenwerkt met het land Curaçao op het gebied van jeugdreclassering. Uitgangspunt is dat ieder land in het Koninkrijk primair zelf verantwoordelijk is om de situatie op het eiland te verbeteren. Wel zijn er incidenteel op casusniveau contacten tussen de Raad voor de Kinderbescherming in Europees Nederland en de respectievelijke landen Sint Maarten, Aruba en Curaçao.
Voorts zijn er recent contacten gelegd tussen de directeuren van de voogdijraden van de respectievelijke landen met de directeur van de voogdijraad BES in Caribisch Nederland om te bezien of en zo ja op welke terreinen van het justitieel jeugdbeleid (civielrechtelijk en strafrechtelijk) samenwerking mogelijk is. Van samenwerking in structurele zin op het terrein van jeugdreclassering is momenteel geen sprake. Ook een verzoek daartoe van het land Curaçao heeft mij niet bereikt.
Zoals ik in mijn beleidsreactie van 19 juni jl. (TK, 31 839, nr. 294) op het Unicef-onderzoek «Koninkrijkskinderen: Kinderrechten op de Nederlandse Cariben», reeds heb aangegeven, wil Nederland zich, samen met de landen in het Koninkrijk, blijven inzetten om de situatie van kinderen in het Caribisch deel van het Koninkrijk te verbeteren. Ook tijdens het Koninkrijksberaad begin juni zijn de Unicef-rapporten met de landen Curaçao, Aruba en Sint Maarten besproken. Afgesproken is dat de landen zoveel mogelijk samen gaan werken om de problematiek aan te pakken. Dit omvat wat mij betreft ook (de ontwikkeling van) jeugdreclassering. In dit verband verwijs ik graag naar de brief van de Minister en Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 14 juni jl. (TK, 29270, nr. 85) aan uw Kamer, naar aanleiding van een soortgelijk onderzoek door de Raad voor de Rechtshandhaving op het gebied van jeugdreclassering in Caribisch Nederland. De Raad voor de Rechtshandhaving constateert dat veel van de knelpunten die in 2006 door de commissie-Camelia-Römer waren gesignaleerd, in Caribisch Nederland zijn weggenomen. De Raad concludeert dat er in Caribisch Nederland de afgelopen twee jaar grote stappen voorwaarts zijn gezet. Dat is gebeurd met grote inzet van de medewerkers van de Voogdijraad BES. De directeur van de voogdijraad BES heeft – met instemming van de collega bewindspersonen van Veiligheid en Justitie – zijn bereidheid uitgesproken om desgewenst samen te werken met de voogdijraad op Curaçao, als het gaat om uitwisseling van expertise en ervaring op het gebied van jeugdreclassering.
Geldt uw opmerking tijdens het algemeen overleg van 26 juni 2013 over de Kinderrechten in het Caribisch deel van het Koninkrijk – «Door samenwerken, door van elkaar te leren, door het inzetten van expertise en door bepaalde onderwerpen te agenderen kunnen we er echter ook vanuit Nederland aan bijdragen dat vooruitgang wordt geboekt, ook in de andere landen van het Koninkrijk» – ook voor de jeugdreclassering in de andere landen in het Koninkrijk? Zo ja, is de jeugdreclassering een thema dat aandacht zal krijgen binnen één van de werkgroepen in aanloop naar de volgende Koninkrijksconferentie?
De landen Curaçao, Sint Maarten en Aruba blijven primair zelf verantwoordelijk om kinderleed te voorkomen en daartoe geëigende maatregelen te nemen. Dat neemt niet weg dat we als landen binnen het Koninkrijk samenwerken op die gebieden die voor kinderen en jongeren van belang zijn. Tijdens de volgende Koninkrijksconferentie in maart 2014 zullen onder andere de onderwerpen kinderrechten en jeugdwerkloosheid worden geagendeerd. Deze onderwerpen worden de komende periode in werkgroepen voorbereid. Hier zal tevens worden bezien of het onderwerp jeugdreclassering wordt besproken tijdens de Koninkrijksconferentie.
"besmet verklaren" van bezoek aan Australië |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennis genomen van de email d.d. 6 februari 2013 van de Nederlandse ambassadeur in Australië aan het diplomatiek personeel, inzake het bezoek van eerste vragensteller aan dat land1?
Ja.
Vindt u het ook een schande, dat de ambassadeur het diplomatiek personeel verbiedt om bijeenkomsten van eerste vragensteller bij te wonen? Hoe verhoudt zich dit naar uw oordeel met de vrije toegang van bedoelde personen tot informatie en de vrije meningsuiting?
Vanwege het onafhankelijke karakter van dit bezoek, waarbij de ambassade geen rol heeft gespeeld in de organisatie, en om niet de indruk te wekken dat het hier om een officieel bezoek van een parlementaire delegatie gaat, heeft de ambassadeur in Australië de honoraire consuls verzocht niet deel te nemen aan genoemde bijeenkomsten. De mail van de ambassadeur was er op gericht om de honoraire consuls, die zich voornamelijk richten op het assisteren van de ambassade op consulair en economisch gebied en dus geen professionele diplomaten zijn, te vrijwaren van politieke en veiligheidskwesties die gecompliceerd kunnen worden. Er was geen sprake van een verbod om als privépersoon of geïnteresseerde burger aanwezig te zijn, maar om het feit dat ze niet als officiële vertegenwoordiger van Nederland zouden deelnemen.
Vindt u het verantwoord dat aan eerste vragensteller geen consulaire bijstand mocht worden verleend dan na toestemming van de ambassadeur? Waarom werd eerste vragensteller de toegang tot onmiddellijke consulaire bijstand belemmerd, terwijl iedere Nederlander daar recht op heeft?
Elke Nederlander heeft recht op consulaire bijstand en eerste vraagsteller is daar géén uitzondering op. Vanwege de hoge categorie van beveiliging van eerste vragensteller en zijn positie als gekozen volksvertegenwoordiger is er voor gekozen de ambassade direct bij eventuele consulaire aangelegenheden te betrekken. De ambassade heeft de heer Wilders aan de vooravond van zijn bezoek per mail benaderd en contactgegevens gezonden, inclusief mobiele telefoonnummers, voor het geval hij behoefte had aan ondersteuning. Daarop is niet gereageerd. De ambassade heeft ook actief voor de heer Wilders bemiddeld bij de Australische autoriteiten voor zijn visumverlening en beveiliging.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat dergelijke oekazes in de toekomst nog aan Nederlands diplomatiek personeel worden gezonden?
Een wijziging van consulaire richtlijnen acht ik niet noodzakelijk. Zie de antwoorden op de vragen 2 en 3.
Studiereizen met privékarakter op kosten van de belastingbetaler |
|
Ed Groot (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Welke fiscale voordelen zijn in Nederland beschikbaar voor zowel particulieren als bedrijven om bepaalde scholingsuitgaven af te trekken van respectievelijk de aangifte inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting?
De fiscale behandeling van de kosten van scholing hangt af van het kader waarin deze uitgaven worden gedaan; in het kader van een onderneming, als werknemer of in de privé sfeer.
Voor bepaling van de winst van een ondernemer in de inkomstenbelasting (IB-ondernemer) of een bv in de vennootschapsbelasting zijn alle kosten aftrekbaar die gemaakt zijn met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. Dat geldt dus ook voor scholingskosten in het algemeen en de daarmee verband houdende kosten, zoals reis- en verblijfkosten. De zakelijkheidstoets is erop gericht om opleidingen die geen betrekking hebben op de onderneming en/of privéelementen binnen een opleiding uit het winstbegrip te elimineren. Bij reizen met een beperkt belang voor de onderneming zal de aftrekbaarheid derhalve beperkt zijn tot het deel van de kosten dat het belang van de onderneming dient.
Voorts kent de wet een aftrekbeperking voor de omvang van deze kosten. Voor de IB-ondernemer geldt dat als de kosten worden gemaakt voor het bezoeken van congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke inclusief de bijbehorende reis- en verblijfkosten, van die kosten de eerste € 4.400 niet ten laste van de winst kan worden gebracht1.
De IB-ondernemer kan in plaats van voor de genoemde drempel ook kiezen voor een aftrekbeperking van 26,5%. De bewuste kosten kunnen, indien hiervoor wordt gekozen, voor 73,5% ten laste van de winst worden gebracht. Wanneer de reis- en verblijfkosten voor bezoeken aan congressen en dergelijke betrekking hebben op de ondernemer zelf, zijn deze kosten aanvullend niet aftrekbaar voor zover ze meer bedragen dan € 1.5002. Dit is alleen anders in het geval de aard van de door de ondernemer verrichte werkzaamheden noodzaakt tot het bijwonen van het desbetreffende congres en dergelijke respectievelijk het maken van de desbetreffende studiereis.
Binnen de vennootschapsbelasting geldt in beginsel een aftrekbeperking voor de eerste € 4.400 aan kosten, maar geldt een aftrekbeperking tot een bedrag van 0,4% van het gezamenlijke bedrag van het door de desbetreffende werknemers in het jaar genoten belastbare loon indien de in dat geval resulterende aftrekbeperking hoger is dan € 4.400.
Verder gelden er vrijstellingen in de loonsfeer. Indien een werknemer in het kader van zijn dienstbetrekking een cursus of opleiding volgt kan de werkgever deze in de loonsfeer onbelast verstrekken of de kosten hiervan onbelast vergoeden. Hieronder kunnen ook de daarmee verband houdende reis- en verblijfkosten vallen.
Indien kosten voor scholing en opleiding van de werknemer niet voor rekening van de werkgever komen, of in het geval van de IB-ondernemer de kosten niet ten laste van de winst komen, kunnen deze kosten mogelijk in aanmerking worden genomen als scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting.
Particulieren en ondernemers die in privé met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning een opleiding volgen kunnen onder voorwaarden bepaalde limitatief omschreven scholingsuitgaven in aftrek brengen binnen de persoonsgebonden aftrekpost voor scholingsuitgaven. Binnen deze regeling geldt een drempel van € 250 en een aftrekplafond van € 15.0003. Aftrekbaar zijn uitgaven voor lesgeld, cursusgeld, collegegeld, examengeld en promotieonderzoek. Daarnaast zijn aftrekbaar door de onderwijsinstelling verplicht gestelde leermiddelen en beschermingsmiddelen. Bij deze regeling zijn de reis- en verblijfkosten niet aftrekbaar.
Uit het vorenstaande volgt dat een ondernemer en een werknemer op vergelijkbare wijze behandeld worden.
De kosten van opleiding die zich in de privésfeer voordoen zijn – zoals hiervoor is aangegeven – zowel voor de particulier als de ondernemer op gelijke wijze en onder dezelfde voorwaarden aftrekbaar binnen de aftrek voor scholingsuitgaven. Het kabinet acht de behandeling van de desbetreffende kosten dan ook voldoende evenwichtig en ziet geen noodzaak tot een verdergaande gelijke behandeling.
Welk budgettair beslag is met de fiscale aftrekbaarheid van scholingsuitgaven gemoeid? Welk deel daarvan betreft echte scholingsuitgaven en welk deel reis- en verblijfskosten?
Het budgettaire beslag van de persoonsgebonden aftrek voor scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting is voor 2013 geraamd op € 263 miljoen (Miljoenennota 2013). Reis- en verblijfkosten zijn van deze aftrek uitgesloten. Daarnaast is in de winstsfeer (beperkte) aftrek mogelijk van scholingskosten (zie antwoord op vraag 1 en 4). In de aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting zijn deze kosten echter niet afzonderlijk gespecificeerd. Het budgettaire beslag van de aftrek van dergelijke kosten, waaronder reis- en verblijfkosten, is derhalve op basis van aangiftegegevens niet te bepalen.
Hoe wordt momenteel gecontroleerd op de juistheid van als scholingsuitgaven opgevoerde aftrekposten? In hoeveel gevallen is, in relatie tot scholingsuitgaven, sprake van een foutieve aangifte?
De Belastingdienst kan geen informatie geven over zijn controlestrategie. Om toekomstig misbruik te voorkomen kunnen geen mededelingen worden gedaan over de werkwijze bij controle en over de controledichtheid. Ik kan daarom geen inzicht geven in het aantal gecontroleerde posten op het vlak van de scholingsuitgaven en in de daarbij gehanteerde werkwijze. Wel is het zo dat de Belastingdienst bij de controle gebruik maakt van risicoanalyse om onterecht gebruik van fiscale faciliteiten te signaleren.
Binnen de persoonsgebonden aftrek scholingsuitgaven bestaat geen recht op aftrek van reis- en verblijfkosten zoals blijkt uit het antwoord op vraag 1. Vanzelfsprekend wordt gecorrigeerd indien wordt geconstateerd dat onder de persoonsgebonden aftrek scholingsuitgaven wel reis- en verblijfskosten zijn opgevoerd.
Aftrek van reis- en verblijfkosten is slechts toegestaan in de winstsfeer en via vergoeding in de loonsfeer. Het toezicht op de aftrek en/of vergoeding van deze kosten vindt risicogericht plaats en kan deel uitmaken van een boekenonderzoek. Zoals eveneens bij het antwoord op vraag 1 is aangegeven zijn er vanuit de aangifte geen gegevens beschikbaar omtrent het budgettaire beslag van deze kosten, omdat deze niet als zodanig worden gespecificeerd. Daarmee ontbreken ook gegevens omtrent de hierop toegepaste correcties.
Klopt het dat voor de inkomstenbelasting een maximum geldt van 15.000 euro en dat alleen lesgeld mag worden afgetrokken, terwijl voor de vennootschapsbelasting lesgeld, reiskosten én verblijfkosten mogen worden afgetrokken en geen maximum geldt? Welke redenen zijn er voor deze verschillen? Deelt u de mening dat een meer gelijke behandeling van ondernemer en werknemer in loondienst wenselijk is?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat moet worden voorkomen dat van fiscale aftrekbaarheid van scholingsuitgaven oneigenlijk gebruik wordt gemaakt? Hoe beoordeelt u in dit verband het verschijnsel dat bijscholingscursussen nogal eens worden gehouden in exotische oorden ver buiten Nederland?
Vanzelfsprekend acht ik oneigenlijk gebruik niet gewenst. Het enkele feit dat een (bijscholings)cursus in het buitenland wordt gehouden kan niet per definitie tot de conclusie leiden dat de cursus daarmee een onzakelijk karakter heeft. Het is zeker bij grote ondernemingen met vestigingen verspreid over de wereld niet ongebruikelijk om een cursus voor (ook Nederlandse) werknemers in het buitenland te laten plaatsvinden.
Om kosten van scholing in aftrek van de winst te mogen brengen moet voldaan zijn aan de fiscale vereisten zoals in het antwoord op vraag 1 en 4 al is toegelicht. Verder moet de zakelijkheid van de uitgave beoordeeld worden. In het geval van kosten met een onzakelijk karakter heeft dat fiscale gevolgen. Voor de werknemer zal het voordeel als loon in natura worden belast, bij scholingskosten voor de ondernemer zelf zullen de kosten niet aftrekbaar zijn en bij de directeur grootaandeelhouder zal een winstuitdeling in aanmerking moeten worden genomen (tenzij sprake is van loon).
Wat zijn de mogelijkheden om de belastingvoordelen voor snoepreisjes te beperken? Is het mogelijk per dag een maximale aftrek vast te stellen, en de aftrek – zoals reeds bij de inkomstenbelasting het geval is – ook voor de vennootschapsbelasting te beperken tot lesgeld, collegegeld of instellingscollegegeld?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht aangaande de handhaving van de antihomowet tijdens de Olympische Spelen van Sotsji in 2014 |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Keklik Yücel (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Antihomowet geldt wel tijdens Spelen»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de uitspraken van de Russische minister voor sport, Vitali Moetko, inzake de handhaving van de antihomowet in Rusland tijdens de Olympische Spelen van Sotsji in 2014?
Deelnemers en bezoekers horen niet te worden belemmerd door deze wet tijdens de Spelen. Het Internationaal Olympisch Comité heeft op 22 augustus jl. bekendgemaakt de schriftelijke garantie te hebben ontvangen van de Russische autoriteiten dat Rusland zich strikt zal houden aan het Olympisch Handvest, dat discriminatie op elke grond verbiedt.
Hoe rijmt u de uitspraken van het NOC*NSF betreffende eerder door de Russen afgegeven garanties aan het IOC hierover met de recente uitspraken van de Russische minister voor sport?2
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de eventuele handhaving van de antihomowet tijdens de Olympische spelen in Soltjsi lijnrecht ingaat tegen de fundamentele principes van de Olympische gedachte, zoals verwoord in het Olympic charter van 8 juli 2011?3 Zo nee, waarom niet?
De Spelen moeten inderdaad openstaan voor iedereen, vrij van discriminatie, en dat geldt voor toeschouwers, officials, media en natuurlijk voor de sporters.
Bent u bereid het NOC*NSF op te roepen een krachtig signaal van afkeuring, in aanvulling op de reactie van de technische directeur van het NOC*NSF over deze uitspraken uit te doen gaan? Zo nee, waarom niet?4
Het kabinet heeft begrepen van NOC*NSF dat er doorlopend contact is met het IOC waarbij dit onderwerp ook besproken wordt. In navolging van het IOC vindt NOC*NSF dat sport een mensenrecht is en beschikbaar moet zijn voor iedereen, ongeacht ras, geslacht of seksuele geaardheid.
Bent u bereid het NOC*NSF op te roepen nogmaals in contact te treden met het IOC over de recente uitspraken van de Russische minister voor sport? Zo nee, waarom niet?
Het onderwerp heeft de voortdurende aandacht van het IOC. Het kabinet ziet dan ook geen reden om het NOC*NSF hiertoe op te roepen.
Ziet u kans, al dan niet in samenspraak met de minister van Buitenlandse Zaken, deze uitspraken aan te kaarten op Europees niveau? Zo nee, waarom niet?
De door de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) vastgestelde richtsnoeren voor gelijke rechten voor LHBT-personen («guidelines to promote and protect the enjoyment of all human rights by LGBTI persons») vormen het raamwerk voor de inzet van EU-delegaties en ambassades van de EU-lidstaten. De Hoge Vertegenwoordiger van de EU, mevrouw Ashton, heeft mede op verzoek van Nederland eerder dit jaar een verklaring afgegeven inzake de Russische anti-homopropagandawet. Binnen de RBZ wordt regelmatig gesproken over de ontwikkelingen in Rusland. De minister van Buitenlandse Zaken zal bij de eerstvolgende bespreking van de RBZ de mensenrechtensituatie in Rusland in brede zin aan de orde stellen en bevorderen dat over de anti-homopropagandawet een gezamenlijk EU-standpunt zal worden ingenomen.
Welke maatregelen ziet u voor zich om de veiligheid van de Nederlandse sporters, die door deze wet zouden kunnen worden geraakt, tijdens de Olympische Spelen te garanderen?
Een team bestaande uit vertegenwoordigers van de meest betrokken ministeries, NOC*NSF en bedrijfsleven is enkele maanden geleden begonnen om de Nederlandse deelname aan de Olympische Spelen in 2014 zo goed mogelijk te laten verlopen. In dat verband komt ook de anti-homopropagandawet aan de orde. Tijdens de Spelen zal het team ter plaatse zijn om Nederlanders eventueel bijstand te verlenen. Inmiddels is een notitie over de LHBT-situatie in Rusland, inclusief de nieuwe anti-homopropagandawet, opgenomen in het reisadvies voor Rusland.
De dreigende sluiting van de sociale werkplaats in Groningen |
|
John Kerstens (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennis genomen van de artikelen «Sluiting sociale werkplaats klap voor Oost-Groningen» en «Iedereen hier wil bij Wedeka horen»?1
Ja
In eerstgenoemd artikel wordt in het kader van de op stapel staande Participatiewet met betrekking tot de sociale werkvoorziening de term «sterfhuisconstructie» gebruikt; bent u het met die term eens? Deelt u de mening dat, zij het wellicht in aangepaste vorm, tegen de achtergrond van genoemde wet juist ook kansen biedt voor sociale werkplaatsen als schakel tussen mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en werkgevers? Indien dat laatste het geval is, bestaat dan ook bij u de bereidheid om een dergelijke overtuiging bij gelegenheid helder over het voetlicht te brengen?
Met mijn brief van 27 juni 2013 heb ik u geïnformeerd over de hoofdlijnen van de Participatiewet na de totstandkoming van het sociaal akkoord. Met de Participatiewet wordt de instroom van de Wsw met ingang van 1 januari 2015 afgesloten. Er kunnen dus geen nieuwe mensen meer op basis van de Wsw in de sw-bedrijven aan de slag gaan. Gelijktijdig krijgen gemeenten de beschikking over een nieuw instrumentarium (loonkostensubsidie en voorziening beschut werk) met bijbehorende middelen om mensen met een arbeidshandicap aan het werk te helpen. Het Rijk sluit daarbij geen sw-bedrijven. Gemeenten worden verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en hebben het voortouw in het samen met de sociale partners invullen van de Werkbedrijven in de Werkkamer. Gemeenten kunnen daarbij gebruik maken van de expertise van de sw-bedrijven. Daarom wordt bij de implementatie van de Participatiewet de koepel van de sw-bedrijven Cedris expliciet betrokken.
Gaat u uitvoering geven aan de onlangs aangenomen motie (Kamerstuk 29 817, nr. 124) waarin u werd verzocht bij de invoering van de Participatiewet rekening te houden met regionale verschillen? Zo ja, op welke wijze? Bent u van mening dat bedoelde motie in ieder geval ook betrekking heeft op de situatie in Oost-Groningen?
Ja. Zowel bij de huidige als bij de toekomstige verdeling van de middelen in het Participatiebudget wordt rekening gehouden met regionale verschillen. De lokale/regionale arbeidsmarkt, de samenstelling van de gemeentelijke doelgroep en de samenstelling van het werknemersbestand Wsw worden «meegewogen» bij de te ontwikkelen verdeelsystematiek. Op deze wijze wordt ook rekening gehouden met de specifieke omstandigheden in regio Oost-Groningen. Over de vormgeving van de toekomstige verdeling ben ik met de VNG, Cedris en Divosa in overleg.
Het bericht "Agent wil DNA niet afstaan voor databank" |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Agent wil DNA niet afstaan voor databank»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het opsporingsbelang bij ernstige misdrijven vergt dat alle agenten, maar in ieder geval alle forensisch rechercheurs, in de eliminatiedatabank zijn opgenomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u er aan doen om er voor te zorgen dat alle agenten, maar in ieder geval alle forensisch rechercheurs, zo spoedig mogelijk in de eliminatiedatabank zijn opgenomen?
Het is belangrijk dat zo veel mogelijk forensisch medewerkers in de databank worden opgenomen. Het is dan ook positief dat de vrijwillige lijn van de politie leidt tot een gestage groei van het aantal medewerkers in de databank.
De start van de Nationale Politie zal hier verder aan bijdragen. Zo ontwikkelt de politie een uniform landelijk privacy reglement. Op deze wijze kennen, in tegenstelling tot de 26 voormalige korpsen met hun eigen regelingen, alle eenheden straks hetzelfde privacyreglement. Ik heb er dan ook alle vertrouwen in dat de Nationale Politie zal zorgen voor afdoende registratie in de eliminatiedatabank. In het najaar zal ik, zoals toegezegd, een brief naar uw Kamer sturen waarin ik in de breedte zal ingaan op het toekomstig forensisch onderzoek.
Waarom is nog niet aan uw toezegging voldaan, gedaan tijdens het algemeen overleg forensisch onderzoek in december 2012, dat agenten in de eliminatiedatabank zullen worden opgenomen in het kader van de vorming van de Nationale Politie die per 1 januari 2013 is ingevoerd?
Zie antwoord vraag 2.
Het afluisteren van Kamerleden |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Weet u dat leden van de Tweede Kamer gebruik maken van telecombedrijf Vodafone?
Ja.
Is het waar dat de geheime diensten van Groot-Brittannië en van de Verenigde Staten via Vodafone op enigerlei wijze toegang hebben tot de telefoons van leden van de Tweede Kamer?1
Vanzelfsprekend mag Vodafone geen gegevens van gebruikers doorspelen aan derden, tenzij hieraan Nederlandse wet- en regelgeving ten grondslag ligt. Naar aanleiding van de berichtgeving zoals die in het artikel van de Volkskrant, heb ik Vodafone ter zake om informatie gevraagd. Vodafone heeft mij bevestigd dat gegevens alleen na formeel verzoek daartoe binnen de kaders van Nederlandse wet- en regelgeving aan Nederlandse opsporings- en veiligheidsdiensten worden versterkt.
Kan de Tweede Kamer nog veilig gebruik maken van de diensten van Vodafone, zonder het gevaar te lopen dat informatie wordt doorgespeeld naar buitenlandse geheime diensten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat u verzekeren dat Vodafone informatie van telefoongesprekken van Nederlandse kamerleden niet doorspeelt aan buitenlandse geheime diensten?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer gaat u eindelijk opheldering vragen bij de regering van de verenigde Staten over het massaal afluisteren van Nederlandse burgers?
De EU heeft de Amerikaanse autoriteiten reeds op hoog niveau en via verscheidene kanalen aangesproken. Zo heeft de EU Hoge Vertegenwoordiger de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken om opheldering gevraagd naar aanleiding van de berichtgeving. Europese en Amerikaanse experts buigen zich gezamenlijk over de problematiek van inlichtingenvergaring en dataprotectie. Nederland steunt deze aanpak.
Het stimuleren van 'reshoring' en de mogelijkheden daarbij in het kader van de Participatiewet |
|
Mariëtte Hamer (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennis genomen van het artikel «Steeds meer bedrijven halen hun productie terug uit lagelonenlanden»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Deelt u de mening met de in bedoeld artikel, in navolging van wat ook de Pvda-fractie eerder heeft gesteld, gedane bewering dat «reshoring» (het terughalen van werkzaamheden naar Nederland) kansen biedt in het kader van de door het kabinet aangekondigde Participatiewet in die zin dat het (vaak) om werkzaamheden gaat die geschikt zijn voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt? Zo nee, waarom niet?
Bij «offshoring» besteden bedrijven vaak eenvoudige activiteiten uit aan het buitenland, vanwege de lagere loonkosten daar. Omgekeerd betekent dat, dat door «reshoring» er in Nederland meer banen komen voor laaggeschoold werk. Ik ben het er dus zeker mee eens dat «reshoring» kansen biedt in het kader van de door het kabinet aangekondigde Participatiewet.
Het kabinet beoogt met de Participatiewet zoveel mogelijk burgers te laten participeren, bij voorkeur via een reguliere baan. In het bijzonder is het beleid erop gericht om mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt en een arbeidsbeperking volwaardig mee te laten doen in de maatschappij. Deze mensen zijn vaker aangewezen op laaggeschoolde arbeid.
Er is recent een aantal aansprekende voorbeelden in de media verschenen, waarbij mensen uit de Sociale Werkvoorziening worden ingezet voor productiewerk dat voorheen nog in het buitenland werd gedaan. Zoals het Rotterdams metaalbedrijf Ferro-Fix dat de productie van ondergrondse afvalcontainers uit Polen terughaalde naar Nederland. Dit werk wordt nu gedaan door ruim honderd mensen uit de Sociale Werkvoorziening. Het Tilburgse bedrijf Capi wil de productie van tuinsierpotten binnenkort terughalen uit China. Het afvalbedrijf Sort, ook uit Tilburg, heeft zijn Poolse werknemers vervangen door mensen uit de Sociale Werkvoorziening.
Indien u de hierboven onder 2. gestelde vraag positief beantwoordt, bent u dan bereid in het kader van dan wel tegen de achtergrond van de Participatiewet aandacht te besteden aan «reshoring» c.q. maatregelen te overwegen die het terughalen van werkzaamheden (met name ook ten gunste van mensen op wie de Participatiewet van toepassing is) stimuleren? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u dan?
De Participatiewet en «reshoring» versterken elkaar. De Participatiewet maakt het aantrekkelijk om productie in Nederland te laten plaatsvinden, door de loonkosten voor laaggeschoolde arbeid te verlagen. Hiertoe krijgen gemeenten met de Participatiewet instrumenten in handen om de arbeidsparticipatie van deze groep te bevorderen. De werkgever ontvangt een loonkostensubsidie om het verschil tussen de loonwaarde van de werknemer en het WML te compenseren. De werkgever betaalt het gewone loon (WML of het loon dat overeenkomstig de cao geldt). Andersom leidt «reshoring» tot betere kansen voor mensen die onder de Participatiewet vallen.
In het Sociaal Akkoord hebben werkgevers in de marktsector zich garant gesteld voor op termijn 100.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking. De overheid zal garant staan voor 25.000 extra banen voor deze doelgroep. «Reshoring» kan eraan bijdragen om deze extra banen te genereren.
De genoemde voorbeelden van «reshoring» tonen aan dat juist gemeentes dit soort initiatieven goed kunnen ondersteunen. Het is bemoedigend dat dergelijke bedrijven ervoor kiezen om hun productie in Nederland te laten uitvoeren door mensen met een arbeidsbeperking. Bij de implementatie van de participatiewet gaat de Staatssecretaris van Sociale Zaken expliciet uitdragen welke kansen «reshoring» biedt voor het creëren van werkgelegenheid, met name voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
Ook voordat de Participatiewet in werking is getreden zijn er voor bedrijven al mogelijkheden om loonkosten te reduceren voor laaggeschoolde arbeid. Naast het maatwerk in de Wsw uit de voorbeelden, biedt de Regeling Cofinanciering Sectorplannen mogelijkheden tot loonkostensubsidie van het in dienst nemen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Voor meer informatie hierover verwijs ik naar de antwoorden op Kamervragen van het CDA verderop in deze brief.
Natuurlijk is het zo dat de afweging van ondernemers om hun productie al dan niet in Nederland plaats te laten vinden, niet alleen afhankelijk is van de hoogte van loonkosten, maar van het vestigingsklimaat in het algemeen. Het kabinet wil zorg dragen voor een vestigingsklimaat dat kwalitatief tot de beste ter wereld behoort. Er wordt hard gewerkt aan het verbeteren van verschillende aspecten van het vestigingsklimaat, zoals de kwaliteit van de infrastructuur, de duurzame inzetbaarheid van de beroepsbevolking, het onderwijsniveau, het functioneren van de arbeidsmarkt en de kwaliteit van leven.
De totale afweging van kosten en baten van de vestigingslocatie kan worden berekend aan de hand van een «total cost of ownership» model. Voor meer informatie hierover verwijs ik naar de antwoorden op de Kamervragen van het CDA verderop in deze brief(Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 3202).
De gestegen tarieven voor bouwleges |
|
Manon Fokke (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Bouwleges weer hoger» (Telegraaf, 2 augustus 2013), «VEH: opnieuw stijging bouwleges met ruim 5%. Minister Plasterk moet ingrijpen in de gemeentelijke autonomie» (Persbericht Vereniging Eigen Huis, 2 augustus 20131 en herinnert u zich de motie-Heijnen (TK 32 123 B, nr. 9) waarin gevraagd werd om voor de leges voor een omgevingsvergunning tot afspraken met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) te komen?
Ja.
Is het waar dat de gemiddelde kosten voor een bouwvergunning in 2013 met ruim 5 procent zijn gestegen en dat de tarieven van deze leges per gemeente sterk variëren? Zo ja, wat is de reden van deze stijging en wat is uw mening hierover? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Ik ken het onderzoek van VEH. Daarin is gekeken naar procentuele tariefstijgingen, maar niet naar de opbrengsten of naar de grondslagen van de vergunningen.
Met de VNG en IPO heb ik afgesproken dat we bij de beoordeling van de lokale lasten uitgaan van de cijfers van het COELO bij de beoordeling van de cijfers op het gebied van de lokale lasten. Uit de Atlas Lokale heffingen 2013 van het COELO blijkt dat de gemeentelijke inkomsten uit bouwvergunningen dit jaar met € 27,9 miljoen teruglopen (– 6,4%). Het COELO geeft andere stijgingspercentages dan VEH. Het tarief voor een dakkapel stijgt in 2013 met 4,1% ten opzichte van 2012 en het tarief voor nieuwbouw met 3,9%. Wel is het waar dat er verschillen kunnen zijn tussen gemeenten onderling.
Als gevolg van het economische klimaat worden minder bouwvergunning-aanvragen ingediend. Ook wordt er meer onderhandeld over de bouwsom waardoor de grondslag voor de heffing lager wordt. Verder is met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in veel gevallen de vergunningaanvraag vervangen door een melding. Het ligt voor de hand dat als er minder bouwvergunningen worden verwacht dat de gemeenteraad dan ook de gemeentelijke organisatie daarop aanpast, waardoor de kosten van de vergunningverlening naar rato dalen. Als de (vaste) kosten over minder vergunningen worden omgeslagen kan dat leiden tot hogere tarieven. Gemeenten zijn bevoegd tot en verantwoordelijk voor de vaststelling van legestarieven. Zij voeren hun eigen tarievenbeleid en leggen daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Tegen de hoogte van het tarief staat bezwaar en beroep open, aangezien de hoogte van de leges wettelijk gemaximeerd zijn op honderd procent kostendekkendheid.
Deelt u de mening dat de onderlinge verschillen in bouwleges tussen gemeenten te groot zijn? Zo ja, over welke mogelijkheden beschikt u om deze tarieven transparanter en/of meer uniform te laten worden? Gaat u deze mogelijkheden gebruiken en op welke wijze? Zo nee, waarom deelt u deze mening niet?
De verschillen ontstaan door verschillen in afwegingen op decentraal niveau.
Ik vind dat gemeenten nog meer moeten doen aan het transparant maken van de keuzes, die ten grondslag liggen aan het tarievenbeleid, om zo meer draagvlak te creëren bij de aanvragers. In 2012 heeft Deloitte in opdracht van BZK een onderzoek uitgevoerd naar de mate van uniformiteit tussen gemeenten en de mate van transparantie in de opbouw van de leges voor de omgevingsvergunning. Daaruit bleek dat gemeenten wel de intentie hebben om te werken aan transparantie, maar dat zij er nog onvoldoende in slagen om een goede kostenonderbouwing op te zetten, ondanks de inspanningen van het Rijk samen met de VNG. Destijds zijn gemeenten daarop gewezen. Ik zal een dringend beroep doen op de VNG, om gemeenten aan te sporen vrijwillig de transparantie verder te vergroten, bijvoorbeeld langs digitale weg of in de fiscale paragraaf van de gemeentebegroting. Ik zal daarnaast ook de handreiking kostentoerekening leges en tarieven die in 2010 in opdracht van BZK is opgesteld, en die op de website van het ministerie van BZK is gepubliceerd, actualiseren. Ook recente rechterlijke uitspraken op het gebied van leges nopen daartoe.
Hoeveel gemeenten gebruikten in 2013 het uniforme kostentoerekeningsmodel van de VNG voor de bepaling van de hoogte van de bouwleges? Hoeveel gemeenten gebruikten dat model in 2012?
Het aantal gemeenten dat in 2013 het uniforme kostentoerekeningsmodel gebruikt is mij niet exact bekend, omdat dit niet regulier uitgevraagd wordt. Uit het onderzoek van Deloitte uit 2012 onder 223 gemeenten is gebleken dat ca 23% van de onderzochte gemeenten het model hanteert. Daarnaast hanteert 13% van die gemeenten het model «Activity based costing», dat ook onderdeel uitmaakt van de leidraad omgevingsvergunning. De overige gemeenten beschikken wel over een kostenonderbouwing (omdat dit nodig is vanwege de rechterlijke toets van de maximaal 100% kostendekkendheidnorm) maar maken deze niet openbaar. Om te achterhalen wat de progressie is met betrekking tot de transparantie ten opzichte van 2012 zal ik een nieuw onderzoek uitvoeren.
Gaat u gevolg geven aan de oproep van de Vereniging Eigen Huis om het kostenmodel van de VNG verplicht te stellen en een maximum te stellen aan het jaarlijkse stijgingspercentage «zodat excessieve en voor de burger onbegrijpelijke verhogingen kunnen worden voorkomen»? Zo ja, op welke wijze en welke termijn? Zo nee, waarom niet en wat gaat u dan wel doen om te zorgen dat er meer transparantie komt over de bouwleges?
Nee. De rechten van de burger en het bedrijfsleven zijn gewaarborgd doordat er bezwaar en beroep open staat tegen de legesheffing. De rechter bewaakt de norm van 100% kostendekkendheid, een extra wettelijke regeling is daarom niet aan de orde.
Indien een stijgingspercentage door het Rijk zou worden gemaximeerd kan het voorkomen dat er gerechtvaardigde kosten zijn, die niet kunnen worden doorberekend waardoor deze kosten onbedoeld moeten worden gedekt uit de algemene middelen. Op basis van het kostenveroorzakingsbeginsel en het profijtbeginsel hecht ik eraan dat de rekening wordt neergelegd bij de aanvrager van de dienst. Ook vind ik het belangrijk dat de discussie over de hoogte van de tarieven (en daarmee het jaarlijkse stijgingspercentage) plaatsvindt op lokaal niveau en niet bij het Rijk. Voor transparantie zie ook antwoord op vraag 3.
Gaat u gebruik maken van de mogelijkheid die het amendement-Vermeij/Koopmans (TK 30 844 nr. 36) in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft gecreëerd om bij Algemene Maatregel van Bestuur regels te stellen over de berekening en de maximale hoogte van de leges? Zo ja, op welke wijze en welke termijn? Zo nee, waarom niet en wat gaat u dan wel doen om te zorgen dat er meer transparantie komt over de bouwleges?
Ik ga geen gebruik maken van de genoemde mogelijkheid. Het huidige instrumentarium voldoet. Ik zal wel de VNG dringend verzoeken om er bij hun leden op aan te dringen om meer transparantie te bewerkstelligen over welke beleidskeuzes en kostenonderbouwing aan de tariefstelling ten grondslag liggen (ofwel online ofwel via de fiscale paragraaf in de begroting). Zie ook antwoord op vraag 3.
De uitspraken van de Russische minister van Sport |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van de Russische minister van Sport, Vitaly Moetko, dat sporters die meedoen met de Olympische Winterspelen in Sotsji volgend jaar onder de Russische antihomowetgeving vallen?
Ja.
Bent u van mening dat de Russische anti-homo wetgeving zeer onwenselijk is en dat deze de grondgedachte van de Olympische Spelen ondermijnt?
Het kabinet kan niet vaak genoeg herhalen dat deze Russische wet een discriminerende en stigmatiserende werking heeft die personen en organisaties met homofobe sentimenten sterkt in hun opvattingen en daarom onwenselijk is. De beginselen van de Olympische Spelen bepalen dat deze moeten openstaan voor iedereen, vrij van discriminatie, en dat geldt voor toeschouwers, officials, media en natuurlijk voor de atleten.
Vindt u ook dat Rusland keiharde garanties moet geven dat de desbetreffende wetgeving het bijwonen van of het deelnemen aan de Olympische Spelen niet mag belemmeren?
Deelnemers en bezoekers horen niet te worden belemmerd door deze wet tijdens de Spelen. Het IOC heeft op 22 augustus 2013 bekendgemaakt de schriftelijke garantie te hebben ontvangen van de Russische autoriteiten dat Rusland zich strikt zal houden aan het Olympisch Handvest, dat discriminatie op elke grond verbiedt.
In uw mensenrechtennota schrijft u over LHBT-rechten: «In Oost-Europa en Centraal Azië zal de nadruk op non-discriminatie en sociale acceptatie liggen, voornamelijk het verbeteren van het recht op vergadering en vereniging.» Bent u van mening dat de nieuwe anti-homo wetgeving in Rusland precies de verkeerde kant opgaat? Op welke wijze gaat u dit stuk van de mensenrechtennota operationeel maken?
In bredere zin dan alleen door onderhavige wet baart de ontwikkeling van de mensenrechtensituatie in Rusland het kabinet zorgen. Nog meer dan voorheen moet elke gelegenheid te baat worden genomen in gesprek met Rusland te treden om deze zorgen kenbaar te maken. Daarbij zal ook worden getracht het Russische publiek te bereiken. Juist in dit Nederland-Ruslandjaar wordt de mensenrechtensituatie voortdurend aan de orde gesteld. Tegelijkertijd zal voor dit onderwerp ook in multilateraal verband (EU, VN, RvE, OVSE) blijvende aandacht worden gevraagd.
Op welke wijze zult u ervoor zorgen dat er tijdens de Olympische Spelen geen enkele belemmering zal zijn voor sporters door deze wetten?
Nederland zal in internationaal verband er op blijven aandringen dat de anti-homopropagandawet tijdens de Winterspelen in 2014 niet op deelnemers en bezoekers wordt toegepast. Een team bestaande uit vertegenwoordigers van de meest betrokken ministeries, NOC*NSF en bedrijfsleven is enkele maanden geleden begonnen om de Nederlandse deelname aan de Olympische Spelen in 2014 zo goed mogelijk te laten verlopen. Tijdens de Spelen zal het team ter plaatse zijn om Nederlandse sporters, supporters en officials bij te staan.
Bent u van mening dat de Russische wetten onder de net aangenomen richtsnoeren voor gelijke behandeling van LHBTI van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen vallen en op grond daarvan (bijvoorbeeld artikel 17b) bestreden dienen te worden? Zo ja, bent u bereid om deze wetgeving, inclusief de wijze waarop deze van toepassing kan zijn bij de Olympische Spelen, te agenderen voor een van de komende RAZEB-vergaderingen met het doel een gemeenschappelijk standpunt in te nemen als EU?
Bent u van plan voorstellen te doen om de instrumenten in de richtsnoeren in EU-verband te gebruiken en dan met name:
Het terughalen van productie uit lagelonenlanden door Nederlandse bedrijven (reshoring) |
|
Pieter Heerma (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Steeds meer bedrijven halen hun productie terug uit lagelonenlanden»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Onderkent u de trend dat steeds meer bedrijven productie terug halen uit lagelonenlanden? Op welke wijze bent u voornemens om in te spelen op deze trend van reshoring?
Hoewel sommige bedrijven productie terughalen naar Nederland, is het nu nog te vroeg om te spreken over een trend. Uiteraard wordt door het kabinet gevolgd of «reshoring» zich op grotere schaal gaat voordoen.
Wanneer bedrijven besluiten om activiteiten terug te halen naar Nederland, wordt dit door het kabinet toegejuicht. Het kan verschillende voordelen opleveren buiten de directe werkgelegenheidscreatie, waaronder werk voor aanverwante dienstverleners en toeleveranciers. Daarom maakt het kabinet zich hard voor een vestigingsklimaat dat tot een van de aantrekkelijkste ter wereld behoort met een goed functionerende arbeidsmarkt en gezonde werknemers met een hoge arbeidsproductiviteit. Daarmee proberen we ondernemers te overtuigen dat in Nederland goed zaken te doen valt.
Het staat bedrijven vrij om in samenwerking met een werknemersvertegenwoordiging een sectorplan in te dienen. Plannen kunnen rekenen op steun vanuit de overheid wanneer ze passen binnen het kader van de Regeling Cofinanciering Sectorplannen, die op 14 augustus is gepubliceerd in de Staatscourant. Aanvragen kan per 1 oktober 2013. Wanneer een bedrijf besluit om additionele werkgelegenheid via «reshoring» te creëren in Nederland en daarbij arbeidsmarktknelpunten ervaart, kan het bedrijf in samenwerking met sociale partners een plan indienen om die arbeidsmarktknelpunten op te lossen.
De NFIA onderzoekt op dit moment de mogelijkheden om, vanuit hun netwerk van Nederlandse vestigingen van buitenlandse bedrijven, bedrijven proactief te benaderen, om te bezien hoe zij gebruik kunnen maken van de Regeling Cofinanciering Sectorplannen. Daarmee kan «reshoring» worden aangemoedigd en «offshoring» worden tegengegaan.
Deelt u de mening dat door het stimuleren van reshoring structureel banen kunnen worden gecreëerd? Op welke wijze bent u voornemens om de 600 miljoen euro voor sectorplannen in te zetten om het terughalen van productie uit lagelonenlanden te stimuleren? Bent u bereid om hiertoe in overleg te treden met brancheorganisaties en samen een offensief te ontwikkelen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat in opdracht van de gemeente Tilburg een «total cost of ownership» -model wordt ontwikkeld? Hoe bent u voornemens dit initiatief te betrekken bij de uitvoering van de motie Heerma Hamer over reshoring?2
Bedrijven maken hun vestigingsplaatsbeslissing niet louter op basis van de hoogte van de loonkosten in een land, maar kijken ook naar de indirecte en verborgen kosten, zoals transportkosten, nalevingskosten, de wisselkoers, economische stabiliteit, arbeidsomstandigheden en de mate van arbeidsrust. Dit is de essentie van het begrip «total costs of ownership» en past bij de filosofie van het kabinet om te zorgen voor een vestigingsklimaat dat kwalitatief tot de beste ter wereld behoort.
Door het kabinet wordt met veel interesse gekeken naar het initiatief van de gemeente Tilburg om samen met de Universiteit van Tilburg (UvT) een «total costs of ownership»-model te ontwikkelen voor hun regio. Deze zomer is hierover in de Tilburgse gemeenteraad door PvdA en SP een motie ingediend, die door het college van B&W is aangenomen. Voor de verdere uitwerking en implementatie zullen de UvT en de gemeente Tilburg zich laten inspireren door «The Reshoring Initiative» in de VS, waar een «total costs of ownership»-model al online door ondernemers te raadplegen is: zie www.reshorenow.org. Het kabinet zal op basis van de ontwikkelingen in Tilburg bezien of het mogelijk en wenselijk is om ook op landelijk niveau een «total costs of ownership»-model te ontwikkelen.
Hoewel ondernemers zelf beslissen waar ze hun productie laten plaatsvinden, is het een taak van de overheid om informatie voor ondernemers op een zo efficiënt en effectief mogelijke wijze te ontsluiten. Zo kunnen bedrijven altijd terecht voor advies over investeringen in Nederland of plannen om bedrijfsactiviteit terug te halen naar Nederland bij het Agentschap NL (www.antwoordvoorbedrijven.nl). Ook kan de NFIA in voorkomende gevallen een actieve rol hierin spelen.
De uitzetting van een zieke asielzoeker |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
In hoeverre was u op de hoogte van de situatie van de 6-jarige Renata?1
Graag verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen van het lid Van Hijum (CDA) over deze kwestie. In die antwoorden ga ik in op de procedurele gang van zaken, waaronder begrepen het aantal medische contactmomenten. Vanwege het medisch beroepsgeheim dat geldt voor medische dossiers en vanwege het door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ) aangekondigde onderzoek, kan ik op dit moment geen uitspraken doen over de inhoudelijke aspecten van het medisch handelen in deze zaak.
Kunt u een gedetailleerd feitenrelaas geven over de medische aanpak van dit meisje? Wie wist wat op welk moment?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u vervolgens aangeven hoe dit feitenrelaas zich verhoudt tot de gepresenteerde gegevens in het tv-programma De Vijfde Dag?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw definitie van «de menselijke maat» en in hoeverre bent u van mening dat deze werkwijze in dit geval van toepassing is geweest?
Zoals ik in het debat van 18 april 2013 over het rapport van de Inspectie Veiligheid en Justitie inzake een zelfmoord van een gedetineerde reeds uitvoerig met uw Kamer heb gewisseld, heb ik met de menselijke maat willen aangeven dat er bij de uitvoering van beleid oog dient te zijn voor de individuele vreemdeling. Die menselijke maat is nu reeds in de uitvoering aanwezig, maar het betreffende rapport van de IVenJ heeft duidelijk gemaakt dat het op een aantal plaatsen beter kan en moet. Ik heb tevens aangegeven met de term menselijke maat niet te doelen op een wijziging van het restrictieve uitgangspunt van het Nederlandse toelatingsbeleid of van de maatregelen uit het regeerakkoord. Voor alle duidelijkheid, de casus van Renata speelde in november vorig jaar (zij verbleef in Nederland van 13 juni 2012 tot en met 26 november 2012). De casus Dolmatov en de discussie daaromtrent vonden plaats in de periode februari-april 2013.
Zoals gemeld in mijn beantwoording van de vragen van het lid Van Hijum, hadden Renata en haar ouders toegang tot de medische zorg en wil ik voorts niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onderzoek van de IGZ en de IVenJ.
Bent u met het oog op de ernst van de zaak bereid deze vragen voor 9 augustus 2013 te beantwoorden?
Ja.
Het laffe Marokkaanse geweld tegen twee zusjes |
|
Joram van Klaveren (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Zusjes doodsbang na ruzie met Marokkaanse jongens»?1
Ja.
Wat is volgens u de reden dat Marokkanen liefst vijf keer vaker verdachte zijn van geweldsdelicten dan autochtonen?
Uit het Jaarrapport Integratie 2012 van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) blijkt dat bepaalde achtergrondkenmerken (zoals sekse, leeftijd, huishoudinkomen, gezinssituatie, het hebben van een uitkering, hoogst gevolgde opleiding en stedelijkheid) samen een deel van het verschil in verdachtencijfers tussen autochtone jongeren en Marokkaanse Nederlanders verklaren.
Deze achtergrondkenmerken verklaren niet volledig de oververtegenwoordiging van Marokkaanse Nederlanders. Deze oververtegenwoordiging kan het SCP op basis van de beschikbare cijfers niet verklaren. Het lijkt echter plausibel dat factoren zoals het te laat herkennen van problemen in de ontwikkeling, zoals taalachterstand of psychische problemen, het niet adequaat optreden van ouders bij grensoverschrijdend gedrag van kinderen, slechte huisvesting en schuldenproblematiek een rol spelen. Migratie-, groepsspecifieke en culturele factoren kunnen hierbij ook van invloed zijn.
Kunt u aangeven in hoeverre dit kabinet en de politieleiding het Marokkanenprobleem serieus nemen? Wanneer verwacht u dat het extreme geweld van deze groep stopt?
Het kabinet zet stevig in op het terugdringen van grensoverschrijdend gedrag van risicojongeren, individueel en in groepsverband. In deze aanpak wordt geen onderscheid naar etniciteit gemaakt, maar groepen die relatief vaker problemen veroorzaken zullen navenant meer met deze aanpak in aanraking komen. De aanpak van overlast op straat, of in dit geval in een recreatiegebied, is overigens in eerste instantie een lokale aangelegenheid. Gemeenten hebben daarbij een breed scala aan maatregelen tot hun beschikking.
Wanneer ziet u in dat de meest structurele aanpak van dit probleem het oppakken, straffen en waar mogelijk denaturaliseren en uitzetten van het Marokkaanse tuig is?
Het versterken van de veiligheid en leefbaarheid in de samenleving is zowel voor kabinet als gemeenten een speerpunt. Overlast en criminaliteit worden extra stevig aangepakt. Waar nodig zal daarbij een «zero tolerance»-beleid worden gevoerd. Een succesvol veiligheidsbeleid bestaat naar mijn overtuiging uit een goede combinatie van preventieve en repressieve maatregelen. De intrekking van de Nederlandse nationaliteit wegens een veroordeling voor commune misdrijven is niet mogelijk.
De uitzetting van een zesjarig meisje met acute leukemie |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op de uitzending van de Vijfde Dag d.d. 31 juli 2013 over de overdracht naar Polen van een zesjarige asielzoeker met acute leukemie?
In een schriftelijke reactie op de uitzending heb ik mijn medeleven betuigd met Renata en met haar ouders, zuster en grootmoeder. Uiteraard betreur ik het ten zeerste dat Renata momenteel ernstig ziek is.
Op welke manier is bij deze overdracht rekening gehouden met de verslechterende medische situatie van het meisje? Hoe wordt doorgaans vlak voor en tijdens de uitzetting rekening gehouden met de medische situatie van een (minderjarige) vreemdeling?
Graag verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen van het lid Van Hijum (CDA) over deze kwestie. In die antwoorden ga ik in op de procedurele gang van zaken. Vanwege het medische beroepsgeheim dat geldt voor medische dossiers en vanwege het door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ) aangekondigde onderzoek kan ik op dit moment geen uitspraken doen over de inhoudelijke aspecten van het medisch handelen in deze zaak.
Deelt u het standpunt van het Gezondheidscentrum Asielzoekers dat het protocol op correcte wijze is gevolgd? Zo ja, waarom? Betekent dit dat toekomstige gevallen als onderhavige nog steeds voor kunnen blijven komen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat vlak voor de overplaatsing naar Rotterdam door een huisarts een bloedonderzoek was voorgeschreven en dit advies niet is uitgevoerd? Zo nee, waarom dan niet? Op welke wijze wordt normaliter omgegaan met een dergelijk advies?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt door het Bureau Medische Advisering (BMA) standaard een bloedonderzoek gedaan als zij een medisch advies moeten geven? Zo nee, waarom niet?
Bloedonderzoeken kunnen in het kader van de diagnostiek gedaan worden door de behandelend artsen. BMA adviseert in het kader van vreemdelingrechtelijke procedures en diagnosticeert en behandelt niet. BMA baseert zich voor haar advies op de diagnose en medische behandeling door behandelend artsen. Deze informatie wordt bij de behandelaars opgevraagd. Conform KNMG-richtlijnen is medische advisering strikt gescheiden van medische behandeling.
Ik hecht eraan op te merken dat BMA op geen enkel moment heeft geadviseerd over de situatie van Renata. Voor haar is nooit een aanvraag om toepassing van artikel 64 Vw ingediend.
Kunt u toelichten welke medische onderzoeken en handelingen het BMA uitvoert ten behoeve van een medisch advies? Is dit volgens een standaardprotocol of hangt het af van de omstandigheden van het individuele geval?
BMA handelt overeenkomstig het protocol Bureau Medische Advisering 20101.
BMA vraagt schriftelijke gegevens op bij de behandelend artsen die op de toestemmingsverklaring staan vermeld. Deze toestemmingsverklaring wordt door de vreemdeling ingevuld en hiermee verleent deze de BMA-adviseurs onder meer toestemming om informatie over zijn gezondheidssituatie en behandeling op te vragen bij de in de verklaring genoemde behandelaars. Als de beschikbare medische informatie van de behandelaars daartoe aanleiding geeft, houdt BMA een spreekuur of wordt een expertise uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige (niet zijnde de behandelaar) op het desbetreffende vakgebied. Bij een spreekuur of expertise worden geen bloedonderzoeken in het kader van diagnostiek gedaan.
Als wordt geconcludeerd dat sprake is van acute leukemie, wordt dan doorgaans alsnog een fit-to-fly verklaring door een arts afgegeven? Zo ja, waarom? Wordt er dan ook door ofwel de arts ofwel de Nederlandse autoriteiten gekeken of de noodzakelijke medische zorg aanwezig is in het land waar de vreemdeling naartoe wordt teruggestuurd?
De fit to fly verklaring ziet op de vraag of de vreemdeling medisch gezien kan reizen. Een fit to fly test vindt alleen plaats als er een medische aanleiding toe is. De vraag daarbij is of iemand de komende uren kan vliegen. Onder meer een eerder BMA advies of twijfel van de medische dienst of de betrokkene vlieggeschikt is, kunnen voor de DT&V aanleiding zijn tot het vragen van een fit to fly verklaring. Ook opmerkingen van een advocaat in combinatie met medische bijzonderheden, die bekend zijn bij de medische dienst, kunnen aanleiding zijn voor een fit to fly onderzoek.
De fit to fly keuring vindt plaats op basis van richtlijnen van de International Air Transport Assocoation (IATA). Een fit to fly arts brengt zelfstandig een advies uit. De DT&V heeft geen invloed op de inhoud van het advies, maar organiseert uitsluitend dat uitvoering wordt gegeven aan eventuele, door BMA of de fit to fly arts, gestelde reisvoorwaarden.
Hoe ziek een (minderjarige) vreemdeling moet zijn om niet als fit to fly gekeurd te worden, is ter beoordeling van een onafhankelijk arts. Het gaat hier altijd om maatwerk. Tijdens het vertrekgesprek in een uitzetcentrum wordt ruimte geboden om in te gaan op eventuele medische bijzonderheden die dan gemeld worden aan de medische dienst, zodat een arts deze signalen op waarde kan schatten.
Hoe ziek moet een (minderjarige) vreemdeling zijn om niet als fit-to-fly te worden aangemerkt?
Zie antwoord vraag 7.
Wordt bij de aanvraag van een fit-to-fly verklaring gebruik gemaakt van het oordeel van onafhankelijke artsen? In hoeverre hebben zij een contract met een Nederlandse overheidsinstantie of zijn zij betrokken bij het BMA? Vindt er overleg plaats tussen deze artsen en bijvoorbeeld de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) alvorens een verklaring wordt afgegeven?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre is er overleg geweest tussen de familie en de DT&V over de medische situatie? Op welke wijze wordt normaliter gesproken over de medische situatie van vreemdelingen voordat zij worden uitgezet of overgedragen?
Zie antwoord vraag 7.
Welke omstandigheden kunnen leiden tot het vragen van een fit-to-fly verklaring? Wat houdt zo’n medisch onderzoek precies in? Kunt u toelichten hoe een dergelijke procedure in zijn werk gaat? Erkent u dat dit meisje niet had mogen worden overgedragen aan Polen en zij in Nederland sneller behandeld had moeten worden?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid een onderzoek te starten naar de gang van zaken en de Kamer hierover te berichten? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in mijn antwoorden op de vragen van het lid Van Hijum, gaan de IGZ en de IVenJ een onderzoek instellen, in het bijzonder naar het medisch handelen en de medische informatieoverdracht in de keten.