Het instortingsgevaar van balkons en galerijen |
|
Eric Smaling , Farshad Bashir |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het luiden van de noodklok door de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland voor constructies van tientallen flats in de regio Den Haag?1
Het vraagstuk over de constructieve veiligheid van galerijflats is reeds eerder aan de orde geweest. Naar aanleiding van de instorting van een galerij in Leeuwarden op 23 mei 2011, heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie (BZK) in 2012 een infoblad en een onderzoeksprotocol gepubliceerd over de veiligheid van galerijen en balkons3. Begin 2013 zijn alle gemeenten door het Ministerie van BZK op de hoogte gebracht van deze documenten. De gemeenten zijn hierbij geadviseerd om de eigenaren van galerijflats onderzoek te laten uitvoeren overeenkomstig het infoblad en protocol. Deze actie heeft er toe geleid dat bij veel oude galerijflats in Nederland al onderzoek is uitgevoerd en maatregelen zijn genomen. Het onderzoeksprotocol is eind 2014 aangepast op basis van de ervaring die sinds 2013 is opgedaan bij 150 onderzochte flatgebouwen.
In het aangehaalde artikel wordt door de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht gepleit voor een verplichte APK voor gebouwen. Ik ben geen voorstander van een APK voor gebouwen, omdat dit leidt tot een lastenverzwaring voor gebouweigenaren. Wel heb ik sinds 1 januari 2015 de mogelijkheid gecreëerd om per ministeriele regeling een onderzoeksplicht in te voeren voor evidente veiligheidsproblemen bij gebouwen. Dit is geregeld met een wijziging van het zorgplichtartikel 1a in de Woningwet. Ik heb uw Kamer hier eerder over geïnformeerd (Kamerstuk 33 798, nr. 6). Toepassing van dit nieuwe instrument vergemakkelijkt de handhaving door gemeenten als een eigenaar niet zelf onderzoek wil uitvoeren. Mijn insteek is om dit nieuwe handhavingsinstrument in te zetten bij nieuwe veiligheidsproblemen en niet bij bestaande problemen waarbij in het verleden al acties in gang zijn gezet door eigenaren en gemeenten, zoals bij de onveilige galerijvloeren. Ik ben wel bereid om in overleg met de Vereniging Nederlandse Gemeenten te bezien of de inzet van dit nieuwe handhavingsinstrument een aanvulling kan zijn bij de aanpak van onveilige galerijen en balkons.
Wat is uw reactie op de berichten over problemen met de betonconstructie van de Escampflat in Den Haag?2
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat er meer problemen zijn met betonconstructies van balkons en galerijen? Zo ja, hoe groot is dit probleem?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de constructie van alle flatgebouwen uit de jaren »60 in Nederland gecontroleerd moet worden? Zo ja, hoe en op welke termijn gaat dit gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Ja, in het infoblad dat het Ministerie van BZK in 2012 heeft gepubliceerd (zie antwoord 1) worden gebouweigenaren ook opgeroepen op korte termijn onderzoek uit te voeren en worden gemeenten opgeroepen om hier op toe te zien. De verantwoordelijkheid voor een snelle aanpak ligt bij deze partijen. Indien uit het overleg met de Vereniging Nederlandse Gemeenten volgt dat inzet van het nieuwe handhavingsinstrument nodig is (zie antwoord 1), dan kan hieraan een termijn worden gekoppeld waarbinnen het onderzoek moet worden uitgevoerd.
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat bewoners, van zowel koop- als huureenheden, beschermd zijn tegen instortingsgevaar?
De verantwoordelijkheid voor de veiligheid ligt bij de gebouweigenaren en gemeenten. De gemeente heeft de mogelijkheid om, wanneer de veiligheid in het geding is, de betreffende eigenaren aan te schrijven. Ik heb hierbij geen betrokkenheid.
Hoe is het mogelijk dat de problemen niet eerder zijn geconstateerd, waardoor bewoners nu zijn geschrokken en worden geconfronteerd met extra kosten?
Sinds begin 2013 is het onderzoeksprotocol beschikbaar waarmee de veiligheid van galerijvloeren kan worden onderzocht (zie antwoord 1). Sinds 2013 is er dus de mogelijkheid de problemen te constateren en maatregelen te nemen. Het is vervolgens aan de eigenaar en gemeente geweest om snel onderzoek uit te voeren (zie antwoord 4).
Wat is uw reactie op de betalingsproblemen door de plotselinge kosten voor eigenaren als individu, en Verenigingen van Eigenenaren (VvE) als collectief, voor de reparatie?
Wanneer de VvE en de individuele leden de kosten van een reparatie niet kunnen dragen, kan de VvE een lening afsluiten bij een externe financier. De reparaties zullen immers moeten worden uitgevoerd. Bij het afsluiten van een lening kan de gemeente faciliteren zoals beschreven in antwoord 10.
Wat gebeurt er als de VvE of individuele bewoners de kosten voor een reparatie niet kunnen dragen en daardoor het instortingsgevaar wordt vergoot?
Zie antwoord vraag 7.
Op welke andere plaatsen in ons land zijn er betalingsproblemen bij VvE’s door extra kosten voor het onderhoud van betonconstructies? Wanneer u dit antwoord niet kan geven, bent u dan bereid deze betalingsproblemen in beeld te brengen?
Een dergelijk overzicht is niet beschikbaar. VvE Belang, de belangenorganisatie voor VvE’s, heeft aangekondigd een VvE-Barometer te zullen ontwikkelen. Ik heb VvE Belang een subsidie toegekend om de ontwikkeling van deze Barometer mogelijk te maken. Vragen over betalingsproblemen en onvoorziene kosten, zoals het onverwacht moeten herstellen van balkons of galerijen, krijgen hierin een plek.
Kan een overheid garant staan of de kosten voorschieten om op die manier ervoor te zorgen dat mensen niet in een onveilige woning hoeven te wonen?
Wanneer externe financiering nodig is, dan kan een gemeente de VvE hierin gericht ondersteunen en adviseren (bijvoorbeeld via een VvE-balie). Een gemeente kan indien nodig en wenselijk eventueel ook zelf laagrentende leningen aanbieden. De rente van dergelijke leningen voor het onderhoud en herstel van de balkons en/of galerijen zijn overigens fiscaal aftrekbaar, waarmee de nettolasten lager zijn dan de brutolasten. Ook bestaat voor appartementseigenaren de mogelijkheid om, voor zover passend binnen de leennormen, voor het benodigde herstel een NHG-geborgde lening aan te gaan.
Een gevaarlijke crimineel die vervroegd is vrijgelaten en ook nog zak geld heeft gekregen |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Gevaarlijke killer kreeg zak geld»?1
Ja.
Klopt het dat de levensgevaarlijke moordenaar Mehmet Y., een Turkse illegaal, die eerder werd veroordeeld voor de zogenaamde snelkookpanmoord, onlangs vervroegd is vrijgelaten uit de gevangenis en bij zijn uitzetting ook nog een zak belastinggeld en een identiteitskaart heeft meegekregen?
Allereerst merk ik op dat ik bij uitzondering inga op een individuele casus om te voorkomen dat er een onjuist beeld ontstaat.
Conform artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting is aan betrokkene strafonderbreking verleend. Strafonderbreking kan worden verleend aan een vreemdeling, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nadat – bij een vrijheidsstraf van drie jaar of meer – ten minste twee derde van de straf is ondergaan. Deze regeling is in de plaats gekomen van de mogelijkheid voor criminele vreemdelingen om in aanmerking te komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling.
Strafonderbreking is een instrument dat in het kader van het terugkeerbeleid in voorkomende gevallen wordt aangewend om criminele, verwijderbare vreemdelingen te kunnen uitzetten. Hiermee wordt beoogd uitzetting van criminele illegale vreemdelingen eerder en effectiever te realiseren. In plaats van uitzetting na het uitzitten van de gehele straf, wordt de vreemdeling nu immers uitgezet met behoud van een fors strafrestant (als stok achter de deur ingeval de betrokkene contrair aan de voorwaarden weer naar Nederland komt). Strafonderbreking wordt slechts verleend op het moment dat de vreemdeling Nederland daadwerkelijk verlaat. Vanaf dat moment krijgt de vreemdeling een inreisverbod of ongewenstverklaring opgelegd en worden zij (inter)nationaal gesignaleerd. Indien de vreemdeling toch in Nederland wordt aangetroffen, wordt de tenuitvoerlegging van de resterende straf hervat.
Strafonderbreking wordt enkel verleend indien de belangen van slachtoffers, nabestaanden en samenleving zich daar niet tegen verzetten. Op basis van een zorgvuldige afweging is in de onderhavige zaak besloten dat uitzetting met het behoud van een fors strafrestant en een inreisverbod, prevaleerde boven de situatie waarin de betreffende vreemdeling na afloop van zijn straf zou worden uitgezet.
Er bestaan diverse NGO’s en een IGO die vreemdelingen (financiële) ondersteuning bieden bij terugkeer naar het land van herkomst. Betrokkene is bij zijn vertrek uit Nederland ondersteund door de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). IOM biedt migranten met een ongewenstverklaring of inreisverbod bij vertrek uit Nederland ondersteuning in de vorm van goederen en diensten tot een maximumbedrag van € 1.500,–. Dit betreft ondersteuning in naturaen niet in contanten. Ik wil benadrukken dat IOM in haar taakuitvoering onafhankelijk is. De wijze waarop feitelijke invulling wordt gegeven aan ondersteuning aan vreemdelingen, is derhalve een zaak die mij niet aangaat en waarover ik normaliter niet word geïnformeerd. Een nieuw reis- en/of identiteitsdocument is afgegeven door de autoriteiten van het land van herkomst.
Waarom krijgt een illegale Turkse notoire vrouwenhandelaar, afperser en drugssmokkelaar, die tevens veroordeeld is voor een gruwelijke moord, verdachte is van de moord op zijn ex-vrouw, die de kroongetuige in zijn strafzaak meermalen heeft bezworen haar na vrijlating te zullen vermoorden en die politie en justitiemedewerkers dreigt met wraakacties, een derde korting op zijn celstraf?
Zie antwoord vraag 2.
Denkt u nu echt dat deze gevaarlijke illegaal zich laat tegenhouden door een voorwaarde dat hij niet meer naar Nederland mag komen? Waarom heeft hij niet gewoon zijn volledige straf uitgezeten en is hij daarna het land uitgezet?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom heeft u deze zware crimineel een zak belastinggeld meegegeven? Hoeveel geld heeft hij gekregen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het vervroegd vrijlaten van deze crimineel en het meegeven van een zak belastinggeld een klap is in het gezicht van zijn slachtoffers, hun nabestaanden en de samenleving? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat een Nederlandse politieliaison in Turkije is ingeschakeld om de situatie rond deze Turkse illegaal in de gaten te houden? Welke maatregelen gaat u nog meer nemen om ervoor te zorgen dat deze gevaarlijke crimineel nooit meer een voet op Nederlandse bodem zet? Welke maatregelen gaat u nemen om de veiligheid van de in vraag 3 genoemde personen te garanderen?
Ja, de Nederlandse politieliaison heeft de Turkse autoriteiten op de hoogte gesteld van de terugkeer van betrokkene. In het belang van de veiligheid van de in vraag 3 genoemde personen, kan ik geen mededelingen doen over eventueel getroffen maatregelen.
Deelt u de mening dat het eens afgelopen moet zijn met deze automatische invrijheidsstelling en bent u bereid de wet hiertoe aan te passen en de Initiatiefnota van het lid Helder over wijziging van de voorwaardelijke invrijheidstelling in het Wetboek van Strafrecht (Kamerstukken 33 938) te steunen en uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
In de onderhavige zaak is geen sprake geweest van voorwaardelijke invrijheidstelling, maar van strafonderbreking conform artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting.
Bij brief van 21 november 2014 heb ik het voorstel voor een nieuw stelsel voor detentiefasering, waarvan de voorwaardelijke invrijheidstelling als sluitstuk integraal onderdeel uitmaakt, nader toegelicht. In deze nieuwe vorm van detentiefasering is geen sprake meer van vrijblijvendheid: interne en externe vrijheden moeten worden verdiend op basis van goed gedrag. Ik zie thans geen aanleiding om te kiezen voor een andere vormgeving van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.
De veronderstellingen van het Centraal Planbureau (CPB) |
|
Arnold Merkies , Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Het CPB, machtig instituut met een tunnelvisie»?1
Ja.
Acht u het mogelijk dat bij een organisatie als het CPB tunnelvisie ontstaat?
Er zijn in de werkwijze van het CPB veel checks and balances aangebracht om het ontstaan te voorkomen van een eenzijdige, niet op wetenschappelijke consensus en op feiten gebaseerde visie. Dit begint bij de interne werkwijze, waarbij analyses in teams worden uitgevoerd. Deze worden in verschillende stadia aan een bredere kring critici voorgelegd in seminars. Hieraan nemen zowel CPB medewerkers en het CPB management deel, als externe deskundigen. Ten slotte wordt bij veel projecten gewerkt met een klankbordgroep waarin ook externe deskundigen zitting hebben.
Voor alle programma’s zijn academic partners aangesteld, 16 hoogleraren in totaal, met relevante expertise. Zij worden betrokken bij (beoordeling van) het onderzoek.
Het CPB presenteert zijn werk regelmatig op (inter)nationale conferenties en via het peer-review systeem worden de wetenschappelijke publicaties van het CPB voortdurend gecontroleerd.
Voorts wordt de directie bijgestaan door een permanente begeleidingscommissie, de Centrale Plancommissie.
Een ander belangrijk element in de kwaliteitscontrole zijn de periodieke visitaties door externe commissies, zowel op wetenschappelijke kwaliteit als op beleidsgerichtheid. In 2010 heeft de commissie Hellwig bijvoorbeeld expliciet gekeken naar de wetenschappelijke kwaliteit van het CPB en deze ruim in orde bevonden. In 2013 werd een zelfde oordeel geveld over de beleidsgerichtheid van het CPB, door de commissie Frijns. Deze en andere evaluatierapporten zijn beschikbaar op de website van het CPB.
Door deze manier van werken streeft het CPB er altijd naar om economische en beleidsmatige vraagstukken van verschillende kanten te beoordelen.
Kunt u uitleggen hoe het CPB te werk gaat bij het maken van een keuze over wetenschappelijk onderzoek dat wordt meegenomen bij de beoordeling en/of doorrekening van voorstellen?
Het CPB maakt in principe gebruik van zoveel mogelijk wetenschappelijk onderzoek. Daar waar keuzes gemaakt moeten worden, wordt uitgegaan van de huidige wetenschappelijke consensus of wordt op basis van beschikbare data en op basis van eigen expertise een weging gemaakt. Als de wetenschappelijke literatuur onvoldoende bewijs geeft voor een kwantitatieve beoordeling van een voorstel schroomt het CPB niet om dit expliciet te vermelden.
Onderschrijft u de conclusie van Storm en Naastepad dat onze achterblijvende productiviteit bijna helemaal is toe te schrijven aan loonmatiging?
De productiviteit is in Nederland internationaal gezien juist hoog. Volgens de meest recente cijfers van de Conference Board is de productiviteit per gewerkt uur in Nederland de 5e van de wereld, na Noorwegen, Luxemburg, de Verenigde Staten en België. Er kan dus moeilijk over een achterblijvende productiviteit worden gesproken.
In een recent kader in het Centraal Economisch Plan 2014 (Van verantwoorde loonontwikkeling naar loonmatiging?) laat het CPB bovendien zien dat de ontwikkeling van lonen en productiviteit sterk samenhangen. Er is dus geen sprake van lonen (om preciezer te zijn loonkosten) die achterblijven bij de productiviteit.
Sowieso moeten we de omvang van loonmatiging niet overschatten, de arbeidsinkomensquote is anno 2013 nagenoeg gelijk aan de quote in 1982.
Onderschrijft u de conclusie van Storm en Naastepad dat de investeringen in de jaren ’80 weliswaar aantrokken, maar dat dit niet dankzij – maar ondanks loonmatiging het geval was?
De econoom Schumpeter heeft er bijna een eeuw geleden al op gewezen dat bedrijven winst moeten maken om te kunnen investeren in innovatie waarvan de uitkomsten onzeker zijn. Dit suggereert dat loonmatiging ruimte vrij kan maken bij bedrijven om extra te investeren.
De investeringen zijn in Nederland in de vier jaar na het Wassenaar akkoord met percentages tussen de 6 en 8% stevig gegroeid, na enkele jaren te zijn gedaald. Waardoor deze stijging precies wordt gedreven is niet met zekerheid te zeggen. Wel zagen we direct na het Wassenaar akkoord de prijsconcurrentiepositie van Nederland verbeteren. Tegelijkertijd trok in die periode de consumptie van huishoudens significant aan en nam de uitvoer sterk toe. Deze factoren zorgden samen voor een toenemende vraag naar investeringen.
Data van de OESO laat tevens zien dat de investeringen in de eerste vier jaar na het Wassenaar akkoord in Nederland forser stegen dan in vergelijkbare landen zoals Finland, Frankrijk en België.
Kunt u bevestigen dat in de periode waarin de loonmatiging zijn werk deed het Nederlandse exportaandeel op de wereldmarkt is gedaald? Zo ja, wat is volgens u de oorzaak daarvan?
In de afgelopen decennia is op verschillende momenten sprake van een gematigde loonontwikkeling, waarbij de loonkosten minder sterk groeien dan de arbeidsproductiviteit en de arbeidsinkomensquote daalt. Zo is in de periode 1982–1986 de arbeidsinkomensquote met 5%-punten gedaald, maar het Nederlandse exportaandeel vrijwel stabiel gebleven op 3,5%. Over een langere periode van 1982 t/m 2013 zijn zowel de arbeidsinkomensquote als het Nederlands exportaandeel op de wereldmarkt nagenoeg stabiel gebleven. Volgens cijfers van de WTO is het Nederlandse aandeel in de totale goederenexport van de wereld gestegen van 3,5% in 1982 naar 3,6% in 2013. Dit ondanks de sterke opkomst van China die in dezelfde periode haar aandeel in de goederenexport zag groeien van 1,2% naar 11,7%.
Hoe verklaart u dat het exportaandeel op de wereldmarkt van Oostenrijk, Duitsland, Denemarken en Zweden, landen die juist veel minder op loonmatiging hebben ingezet, juist toenam in deze periode?
Dit beeld klopt niet. Volgens cijfers van de WTO is het aandeel van Oostenrijk in de wereldwijde goederenexport in de periode 1982–2013 gestegen van 0,8% naar 0,9%. Echter, het aandeel van Duitsland is gedaald van 9,4% naar 7,7%. Dat van Denemarken van 0,8% naar 0,6% en dat van Zweden van 1,4% naar 0,9%.
Welke onderzoeken neemt het CPB mee bij de beoordeling van de effecten van loonmatiging?
Loonmatiging is een complex en veelzijdig fenomeen. In het algemeen zijn de lonen de uitkomst van onderhandelingen tussen werkgevers en vakbonden. Bij hoge werkloosheid is een gematigde loonontwikkeling een logische uitkomst. Het is dan niet het resultaat van een expliciete beleidsmaatregel.
Voor de analyses van loonmatiging maakt het CPB gebruik van theoretische en empirische literatuur en verricht ook eigen empirische analyses. In 2004 heeft het CPB een – nog steeds relevante – studie2 gepubliceerd naar de effecten van loonmatiging op arbeidsproductiviteit, voornamelijk op basis van theoretische literatuur. De conclusie is dat een door een loongolf veroorzaakte hogere arbeidsproductiviteit tijdelijk van aard en inefficiënt is. Op lange termijn schaadt een loongolf de arbeidsproductiviteit eerder. Loonmatiging is wel effectief als middel om de werkloosheid te bestrijden, omdat het de opwaartse druk op lonen vanuit decentrale onderhandelingen tegengaat. Loonmatiging is hierbij een second-best instrument. Beter zou het zijn als bij het bepalen van de lonen en werkgelegenheid alle relevante effecten worden meegenomen, waaronder het negatieve effect van hoge lonen op de arbeidsvraag en daarmee op de werkloosheid.
Voor een kwantitatieve analyse van loonmatiging maakt het CPB gebruik van het empirisch macro-model Saffier. Hierin zijn bovengenoemde inzichten uit de theoretische literatuur verwerkt, waarbij de relaties zijn geschat op basis van Nederlandse data.
Hoe vaak wordt geëvalueerd of veronderstellingen die het CPB baseert op wetenschappelijk onderzoek moeten worden herzien, bijvoorbeeld vanwege het feit dat nieuw wetenschappelijk onderzoek een andere kant uit wijst? Wie is hierbij betrokken?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat de Duitse ministerraad heeft ingestemd met het tolplan |
|
Barbara Visser (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duitse ministerraad stemt in met tolplan»?1 en het artikel «Zwart rijden op Duitse Tolwegen zwaar beboet»?2
Ja.
Deelt u de mening dat het voorliggende tolplan nadelig is voor Nederland en het discriminatoir is gezien de compensatie voor Duitsers?
Zoals ik verschillende keren heb aangegeven, heb ik grote bezwaren tegen het voornemen van Minister Dobrindt een vignet in te stellen voor personenauto’s. Alle personenauto’s moeten straks een vignet hebben voor de snelwegen in Duitsland. Het onderliggend wegennet is nu uitgezonderd en buitenlanders zijn vrijgesteld voor de autowegen, terwijl Duitsers voor die autowegen wel een vignet moeten hebben. Ik ben tegen het Duitse plan, omdat daarmee feitelijk een nieuwe barrière wordt opgeworpen voor grensoverschrijdend verkeer. Het invoeren van een vignet betekent hoe dan ook een lastenverzwaring voor houders van een niet-Duits kenteken (buitenlanders), terwijl de Duitse burger de invoering van het vignet gecompenseerd ziet in een lagere wegenbelasting. Het is in eerste instantie aan de Europese Commissie om te bezien of de definitieve wetten om enerzijds het vignet in te voeren en anderzijds Duitse automobilisten daarbij te compenseren via de Duitse wegenbelasting (Kraftfahrzeug-Steuer), discriminerend zijn of in overeenstemming zijn met het EU-recht.
Bent u in overleg met uw Duitse ambtsgenoot over de gevolgen voor de Nederlandse bewoners in de grensstreek? Zo ja, hoe verlopen deze gesprekken? Hoe beoordeelt u de houding van Duitsland als het gaat om infrastructuur, gelet ook op de eerdere uitspraken van Duitsland dat ze voornemens zijn om ook tol te heffen op de vaarwegen en in de lucht? Bent u hierover in gesprek met Duitsland? Zo ja, wat zijn de uitkomsten?
Ik spreek met enige regelmaat mijn Duitse collega, Minister Dobrindt. Recent nog en marge van de Transportraad op 3 december 2014. Hoewel de gesprekken in goede sfeer verlopen, benadruk ik telkens mijn bezwaren bij het Duitse voornemen een vignet voor personenvoertuigen in te voeren. In het bijzonder heb ik aandacht gevraagd voor de gevolgen voor de bewoners van de grensregio’s.
Minister Dobrindt heeft mij laten weten dat naar aanleiding van mijn bezwaar de plannen zijn aangepast. Volgens eerdere uitgangspunten zou het gehele Duitse wegennet onder de vignetplicht vallen. In het wetsvoorstel, waarmee de Duitse ministerraad op 17 december heeft ingestemd, is het onderliggend wegennet uitgezonderd en zijn buitenlanders vrijgesteld voor de autowegen. Daarmee wordt het lokale en regionale verkeer in de grensregio’s enigszins ontzien.
Het is aan de Duitse regering hoe zij de Duitse infrastructuur financiert. Ik begrijp dat Minister Dobrindt vanuit het Duitse regeerakkoord de opdracht heeft om een vignet voor personenvoertuigen in te voeren.
De voornemens van Duitsland om ook tol te heffen op de vaarwegen zijn nog in stadium van voorbereiding en laten zich derhalve nu nog niet beoordelen. De Akte van Mannheim uit 1868 sluit overigens beprijzing op de Rijn uit. Hoewel de toepassing van heffingen op andere vaarwegen dan de Rijn een verantwoordelijkheid van de Duitse overheid is, ben ik daar geen voorstander van. Dit kan mogelijk leiden tot een ongewenste verschuiving van water naar andere modaliteiten.
Ik heb uw Kamer en mijn Duitse collega reeds mijn verontrusting laten blijken over de aanvankelijk geplande, aanzienlijke stijging van het Duitse en route tarief voor de kosten van luchtverkeersdienstverlening in het hogere luchtruim. Duitsland heeft stappen gezet om dit te verlagen. In Europees verband wordt hier in januari 2015 over gesproken.
Kunt u aangeven of u bereid bent juridische stappen te zetten, zoals de gang naar het Europese hof van Justitie? Zo ja, doet u dit samen met andere landen? Zo nee, waarom niet? Zal het nalaten van het betalen van tol voor het gebruik van Duitse snelwegen dan wel de verplichte jaarpas vallen onder de Cross Border Enforcement (CBE)-richtlijn of de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoering geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie?
Op dit moment is een gang naar het Europese Hof van Justitie niet aan de orde. Het is in eerste instantie aan de Europese Commissie om te bezien of de Duitse wetsvoorstellen om het vignet in te voeren en de Duitse wegenbelasting (Kfz-Steuer) te verlagen, in overeenstemming zijn met EU recht.
De CBE-richtlijn verplicht lidstaten om gegevens uit het kentekenregister te verstrekken aan andere lidstaten voor acht verkeersovertredingen (dus strafbare feiten), waaronder snelheidsovertredingen en door rood licht rijden. Tol valt hier niet onder. Pas op het moment dat het Duitse wetsvoorstel tot wet zal zijn verheven, kan worden bezien of de opgelegde sancties voldoen aan de voorwaarden die in het kaderbesluit en de implementatiewet Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie worden gesteld aan tenuitvoerlegging in Nederland.
Kunnen de gegevens van Nederlandse kentekenhouders die hiervoor beschikbaar gesteld zijn in het nationale kentekenregister actief door de Duitse regering worden geraadpleegd en daarmee gebruikt worden voor beboeting en inning?
De Duitse regering kan niet actief het Nederlandse kentekenregister raadplegen. Wel is in het Kentekenreglement opgenomen, dat de RDW op verzoek gegevens verstrekt aan buitenlandse bevoegde autoriteiten voor doeleinden in de taakuitoefening van die overheden. Hieronder valt ook de handhaving van heffingen inzake het gebruik van de weg (artikel 8a). Die gegevens kunnen daarmee gebruikt worden voor de mogelijke toekomstige handhaving van het voorgelegde Duitse wetsvoorstel om een vignet in te voeren. Onthouding van deze gegevens zou alleen kunnen na wijziging van het Kentekenreglement.
De langetermijncontracten en gasverkoop |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het volgens u zo dat laag- en hoogcalorisch gas onder het toeziend oog van Gasunie Transport Services (GTS) ingevoegd wordt op het landelijk gastransportnet, zodanig dat er een bepaalde calorische waarde is over het landelijke transportnet en daarmee ook de exitpunten van het landelijke gastransportnet?
Nederland kent twee gescheiden transportsystemen voor gas: één voor laagcalorisch gas en één voor hoogcalorisch gas. Laagcalorisch gas is gas waarbij de verbrandingswaarde lager ligt dan 46,5 MJ/m3. De verbrandingswaarde van hoogcalorisch gas ligt in de bandbreedte van 46,5 tot 57,5 MJ/m3.
Gasunie Transport Services (GTS) beschikt over mogelijkheden om door toevoeging van stikstof hoogcalorisch gas om te zetten naar laagcalorisch gas. Het fysiek omzetten van laagcalorisch gas naar hoogcalorisch gas is niet mogelijk.
Dit betekent dat nadrukkelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen exitpunten waarop hoogcalorisch gas moet worden afgeleverd en exitpunten waarop laagcalorisch moet worden afgeleverd. Verwisseling leidt namelijk tot problemen bij de achterliggende verbruikers.
Kunt u bevestigen dat er geen verschil is tussen laag- en hoogcalorisch gas nadat deze is ingevoegd op het landelijk transportnet en de wijze waarop het gas het land verlaat op de exitpunten?
Nee dat kan ik niet bevestigen. Zie het antwoord op vraag 1.
Bij de beantwoording van eerdere vragen over dit onderwerp is nooit eerder gesproken over laag calorisch gas uit Duitsland; kunt u toelichten wat de winning van gas in Duitsland te maken heeft met de levering van gas op de exitpunten van het Nederlands landelijke gastransportnet?1
De Duitse productie van laagcalorisch gas is de afgelopen jaren sterk afgenomen, van circa 20 miljard m3 in 2000 tot iets minder dan 10 miljard m3 in 2013, terwijl de Noordwest-Europese behoefte aan laagcalorisch gas gelijk is gebleven. Dit heeft geleid tot een hogere vraag naar laagcalorisch gas uit Nederland aangezien er geen andere bronnen van laagcalorisch gas voorhanden zijn. Deze toegenomen vraag heeft als gevolg dat er meer laagcalorisch gas is afgeleverd op de exitpunten van het Nederlandse landelijke gastransportnet en dan met name de exitpunten die zich op de grens bevinden.
Het verband tussen de Nederlandse en Duitse productie van laagcalorisch gas is eerder aan de orde gesteld in de onderzoeken die ik op 17 januari 2014 openbaar heb gemaakt met mijn brief aan de Tweede Kamer over de gaswinning in Groningen (Kamerstuk 33 529, nr. 28), alsmede in de bijlage bij mijn brief van 7 oktober 2014 over het aardgasbeleid (Kamerstuk 29 023, nr. 176).
In de beantwoording van de vragen lijkt gesuggereerd te worden dat er een apart landelijk gastransportnet voor laagcalorisch en voor hoogcalorisch gas is; kunt u bevestigen of dit zo is of niet?
Ja, dat kan ik bevestigen. Zie het antwoord op vraag 1.
In de beantwoording, tweede alinea van pagina twee van uw brief, wordt gesteld dat lange termijn exportcontracten ook via het TTF worden geleverd; kunt u toelichten of lange termijn contracten via het TTF zijn én worden geleverd? Is het niet zo dat of via TTF gas wordt verkocht of via (lange termijn) contracten?
De TTF is een (virtueel) afleverpunt van gas in het landelijk gastransportnet en als zodanig geen handelsplaats. Wel faciliteert de TTF de handel. Handelsplaatsen zijn bijvoorbeeld de gasbeurzen van Intercontinental Exchange Endex (ICE Endex) en European Energy eXchange (EEX).
Er zijn dan ook lange termijncontracten die zowel exitpunten op de grens als de TTF als afleverpunt hebben. Door aflevering op de TTF heeft de afnemer een grotere vrijheid ten aanzien van de verdere verhandelbaarheid van het gas hetgeen in lijn is met het beleid van de Europese Unie om gas beter verhandelbaar te maken door afstand te nemen van in contracten vastgelegde specifieke bestemmingsbepalingen.
Bent u bekend met de hoeveelheid gas (energie-eenheden of hoeveelheid) die via TTF wordt geleverd aan binnenlandse en aan buitenlandse afnemers?
Nee, dat is niet aan te geven. Gas dat via de TTF wordt geleverd wordt zowel geleverd aan binnen- als aan buitenlandse afnemers en datzelfde geldt voor gas dat buiten de TTF om, maar wel via dezelfde exitpunten, aan deze afnemers wordt geleverd.
Per exitpunt (voor hoog- respectievelijk laagcalorisch gas) is dus wel aan te geven hoeveel gas er is afgeleverd, maar daarbij is geen onderscheid te maken naar gas dat al dan niet via de TTF loopt.
Waarom geeft u in antwoord 1 aan dat er bijna 4 miljard m3 laagcalorisch gas is verkocht op de TTF terwijl u in antwoord 3 aangeeft dat u niet weet welke hoeveelheid laagcalorisch gas is verkocht via TTF?
Het antwoord op vraag 1 had alleen betrekking op de hoeveelheid gas die door GasTerra onder lange termijn contracten is geleverd. Daar is het onderscheid tussen hetgeen is geleverd op de TTF en hetgeen direct is geleverd op exitpunten te maken, omdat precies bekend is welke hoeveelheden onder deze contracten zijn geleverd en waar.
Het antwoord op vraag 3 had betrekking op de totale hoeveelheid laagcalorisch gas uit het Groningenveld die via de TTF is geleverd. Daarbij is het gevraagde onderscheid niet te maken omdat in de handel geen onderscheid wordt gemaakt tussen hoog- en laagcalorisch gas, dit in tegenstelling tot de fysieke levering.
Hierbij speelt mee dat het in Nederland bij laagcalorisch gas niet alleen gaat om Groningengas, maar ook om laagcalorisch gas dat wordt gewonnen uit een beperkt aantal kleine velden en om hoogcalorisch gas waaraan stikstof is toegevoegd. Dit betekent dat ook als alleen wordt gekeken naar de fysieke levering, het niet mogelijk is om aan te geven waar en in welke hoeveelheid Groningengas is geleverd.
In uw antwoorden geeft u aan dat nauwelijks hoogcalorisch gas is verdund met stikstof; hoeveel minder Groningengas had volgens u afgelopen jaar gewonnen hoeven te worden, indien de beschikbare conversie capaciteit maximaal gebruikt zou zijn?
In mijn brief van 17 januari 2014 (Kamerstuk 33 529, nr. 28) heb ik aangegeven dat een maximale inzet van de conversie-installaties het mogelijk maakt om de productie uit het Groningenveld terug te brengen tot 30 miljard m3 per jaar. Dit onder de voorwaarde dat de flexibiliteit van het Groningenveld volledig mag worden benut en er meer dan 30 miljard m3 mag worden geproduceerd indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Het is NAM toegestaan om die hoeveelheid Groningengas te produceren die ik heb vastgesteld met het winningsbesluit dat ik op basis van de Mijnbouwwet neem. Voor 2015 is dit een hoeveelheid van maximaal 39,4 miljard m3.
De redenen om te kiezen voor de in vraag 10 genoemde winningshoeveelheden heb ik toegelicht in mijn voornoemde brief van 17 januari 2014. Prioriteit daarbij had het drastisch terugbrengen van de productie in het gebied rond Loppersum. Dat heeft ertoe geleid dat de productie uit dit gebied met 80% is teruggebracht ten opzichte van de realisaties in voorgaande jaren. Omdat deze specifieke inperking gevolgen heeft voor de flexibiliteit die het Groningenveld kan leveren is er aanvullend voor gekozen om de totaal toegestane productie zodanig in te perken dat er geen problemen met de leveringszekerheid kunnen ontstaan.
Overigens heb ik de Tweede Kamer met mijn brief van 16 december 2014 (Kamerstuk 33 529, nr. 91) laten weten dat voor de jaren 2015 en 2016 de maximaal toegestane hoeveelheid wordt teruggebracht tot 39,4 miljard m3 per jaar.
Hoeveel minder Groningengas zou dit jaar gewonnen hoeven te worden, indien de beschikbare conversie capaciteit maximaal gebruikt wordt? Kunt u toelichten waarom niet meer hoogcalorisch gas verdund wordt met stikstof zodat minder Groningengas gewonnen hoeft te worden?
Zie antwoord vraag 8.
Uit de onafhankelijke studie die is uitgevoerd door Gasterra en Gasunie vorig jaar naar de minimale hoeveelheid Gronings gas die nodig is voor de leveringszekerheid kwam naar voren dat 30 miljard m3 nodig zou zijn, maar dat in het geval van een zeer koude winter meer vereist was om een zekere flexibiliteit te hebben; u hebt toen 42.5 miljard m3 voor 2014 en 2015 en 40 miljard m3 voor 2016 vastgelegd, wat betekent dat ook in een zeer milde winter de NAM gewoon deze hoeveelheden kan produceren en verkopen; waarom heeft u er niet voor gekozen om een lagere winningshoeveelheid aan te houden en de mogelijkheid te bieden om alleen in het geval van een daadwerkelijk zeer koude periode een hogere winning toe te laten?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht dat het aantal daklozen stijgt |
|
Henk Krol (50PLUS) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het aantal daklozen tussen 2010 en 2013 met tien procent is gestegen?
Ja, ik heb kennis genomen van het bericht over de jaarcijfers van de Federatie Opvang, waaruit blijkt dat het aantal personen dat geholpen is door de maatschappelijke opvang instellingen in 2013 met tien procent is gestegen ten opzichte van 2010.
Wat vindt u van het feit dat vooral het aantal jongere en oudere daklozen sterk is gestegen, tot maar liefst 43% onder 65-plusssers?
Tijdens het algemeen overleg maatschappelijke opvang op 17 december heb ik hier met uw Kamer over gesproken. Uiteraard is dakloosheid een probleem dat zoveel mogelijk voorkomen moet worden, ongeacht leeftijd. Indien het onverhoopt toch voorkomt, is het zaak zo snel mogelijk passende hulp en ondersteuning te bieden. Dat is ook wat steeds meer gebeurt. In de cijfers van de Federatie Opvang, waarop deze vraag is gebaseerd, gaat het om unieke cliënten die in 2013 door de leden van de Federatie Opvang zijn geholpen. Het gaat daarbij om totaalcijfers van verschillende hulpvormen: ambulante hulpverlening (bij gezinnen thuis), dagopvang waar mensen koffie kunnen drinken, preventie, nachtopvang, crisisopvang (24 uur per dag), maar ook beschermd wonen. Er worden ten opzichte van 2010 dus steeds meer mensen bereikt en ondersteund door de maatschappelijke opvang. Er zijn in 2013 dus geen 60.550 personen dakloos, maar voorzien van een hulpaanbod.
Uit de Monitor Stedelijk Kompas en de Monitor plan van aanpak maatschappelijke opvang van dit jaar1 2 blijkt dat gemeenten signaleren dat de groep mensen zonder OGGZ-problematiek die een beroep doen op de opvang, stijgt en een steeds groter deel lijkt uit te maken van het totaal. De cijfers over 2013 van Federatie Opvang laten een stijging zien van het aantal jongeren en ouderen dat een beroep doet op de maatschappelijke opvang. Navraag bij Federatie Opvang leert dat het daarbij gaat om diezelfde groep, waarbij geen of een plotseling verlies van inkomen en moeite met het (opnieuw) toegang krijgen tot de arbeidsmarkt een rol speelt bij het ontstaan van de problematiek. Het is belangrijk om voor deze groep in een vroeg stadium passende ondersteuning te bieden, zodat zoveel mogelijk voorkomen kan worden dat schulden zich opstapelen zonder dat er afloscapaciteit beschikbaar is. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ondersteunt gemeenten bij hun wettelijke taak om integrale schuldhulpverlening aan te bieden aan hun burgers. Preventie en vroegsignalering zijn hierbij belangrijke speerpunten. Zo heeft het Ministerie van SZW «business cases» preventie en vroegsignalering3 laten opstellen van drie gemeentelijke aanpakken, om andere gemeenten te stimuleren ook een aanpak te ontwikkelen. Het voorkomen van huisuitzettingen, door samen te werken met woningcorporaties, is vaak een belangrijk onderdeel van een aanpak preventie en vroegsignalering van een gemeente. De «Vroeg Eropaf» aanpak van Amsterdam is hiervan een goed voorbeeld.
Wat is uw reactie op de uitspraak van het Trimbos-instituut dat er signalen zijn dat de toename van het aantal daklozen vooral wordt veroorzaakt door de groei van «nieuwe daklozen», mensen die door schulden, werkloosheid en hypotheeklast dakloos zijn geworden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de Federatie Opvang dat «mensen onoplosbare schulden krijgen doordat de overheid automatisch geld van rekeningen afschrijft», en dat zij «ervoor moet zorgen dat de Belastingdienst controleert of mensen de huur kunnen blijven betalen, voordat ze de rekening leeghaalt om een schuld aan de overheid te innen»? Bent u van plan hierover in gesprek te gaan met de Staatssecretaris van Financiën?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de antwoordbrief van 13 januari 2015 van de Staatssecretaris van Financiën, waarin wordt ingegaan op de vragen van de leden Schouten, Karabulut en Yücel over het rekening houden met persoonlijke situaties en respecteren van de beslagvrije voet bij terugvorderingen van de belastingdienst.4
Kunt u verzekeren dat gemeenten, die hun takenpakket na 1 januari 2015 fors zien groeien, voldoende toegerust zijn om de zware taak van opvangen en begeleiden van het groeiende aantal daklozen goed uit te voeren?
Ja. Maatschappelijke opvang is al lange tijd een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Gemeenten hebben daarbij, zoals ook blijkt uit de evaluatie PvA G4 en mijn brief van 29 september 2014, goede resultaten behaald.5 De verbreding van het takenpakket van gemeenten als gevolg van de decentralisaties stelt hen in staat om snelle en op de persoon afgestemde ondersteuning te bieden over meerdere domeinen.
Kunt u aangeven hoeveel zelfstandig ondernemers dakloos zijn geworden ten gevolge van een faillissement van hun onderneming?
Nee, dit wordt niet geregistreerd.
Deelt u de mening dat zelfstandig ondernemers en het midden- en kleinbedrijf (MKB) de motor van de Nederlandse economie zijn?
Het MKB vervult inderdaad een belangrijke rol in de Nederlandse economie.
Bent u van mening dat te allen tijde voorkomen moet worden dat zij door omstandigheden vaak buiten hun schuld dakloos raken?
Voor een ieder die risico op dakloosheid loopt is het belangrijk te voorkomen dat hij of zij daadwerkelijk dakloos wordt. Hiervoor is het van belang dat de betrokkenen tijdig hulp zoekt wanneer hij er zelf niet meer uitkomt. Er is een breed palet aan interventies beschikbaar. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een passend ondersteuningsaanbod op het gebied van bijstand, schuldhulpverlening, toeleiding naar passende arbeid, huisvesting en ondersteuning in het kader van de Wmo.
In hoeverre worden ontwikkelingen als deze meegenomen bij de herziening van de faillissementswet?
Het programma herijking faillissementsrecht kent in essentie drie pijlers: fraudebestrijding, verbetering van doorstartmogelijkheden en modernisering. De eventuele opvang van individuele ondernemers na faillissement valt daar buiten.
Slavernij en de arrestatie van anti-slavernij activisten in Mauritanië |
|
Michiel Servaes (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Mauritania must end clamp down on anti-slavery activists» van Amnesty International en «Biram Dah Abeid Still Imprisoned: Latest Developments» van de UNPO?1 2
Ja.
Klopt het bericht dat anti-slaverij activist Biram Dah Abeid nog steeds gevangen zit in Mauritanië, nadat hij op 11 november gearresteerd was tijdens een vreedzame bijeenkomst over de moderne slavernij in het land?
Ja. De heer Biram Dah Abeid is inmiddels op 15 januari 2015 veroordeeld tot een gevangenschap van twee jaar. Naar verluidt, zou hij hoger beroep hiertegen willen aantekenen.
Bent u bereid uw zorgen te uiten, via bilaterale of multilaterale kanalen, bij de Mauritaanse autoriteiten over de intimidaties en arrestaties van Biram Dah Abeid en andere anti-slavernij activisten in Mauritanië en te pleiten voor vrijlating van gevangengenomen anti-slavernij activisten?
Zoals is aangegeven in reactie op vragen van de leden Smaling en Van Bommel, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 953, is gezamenlijk door de EU, de VN en de VS bij de Mauritaanse autoriteiten aangedrongen op een eerlijk proces. Ook is bij de Mauritaanse autoriteiten zorg uitgesproken over de intimidatie en repressie en aangedrongen op beëindiging.
Kent u de Global Slavery Index waarin Mauritanië bovenaan staat met naar schatting 150.000 mensen (4% van de bevolking) die werken als slaven en bent u bereid de Mauritaanse autoriteiten hierop aan te spreken?3
Ja. Slavernij is bij wet verboden in Mauritanië en de regering heeft zich gecommitteerd aan de uitbanning ervan. De voortgang is echter beperkt. Nederland treedt bij voorkeur op in EU-verband om deze kwestie aan de kaak te stellen. In de laatste «Artikel 8-dialoog» drong de EU er bij de Mauritaanse autoriteiten op aan meer werk te maken van de strijd tegen slavernij.
Bent u bereid om in internationale fora aandacht te vragen voor het mondiale probleem van moderne slavernij en de noodzaak van goed werk voor iedereen conform ILO standaarden en conventies? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in de brief «Respect en recht voor ieder mens», kamerbrief d.d 14 juni 2013(Kamerstuk 32 735, nr. 78), maakt Nederland zich sterk voor universele ratificatie en tenuitvoerlegging van de fundamentele arbeidsnormen van de ILO, inclusief het verbod op gedwongen arbeid. Hiervoor worden zowel bilaterale contacten benut als multilaterale fora zoals de Universal Periodic Review (UPR). In de UPR van vorig jaar drong Nederland er bijvoorbeeld bij Qatar op aan de ILO-conventies inzake gedwongen arbeid te ratificeren.4 5
Bent u op de hoogte van de bereidheid van de provincie Overijssel en de gemeente Raalte om zelf (mede) te investeren in de aanpak van het knelpunt in de N35 bij Raalte (kruispunt-Bos N35/N348), met het oog op een betere doorstroming en verkeersveiligheid van de N35 en leefbaarheid in de kern Raalte?
Ja.
Kent u dezelfde prioriteit toe aan de integrale aanpak van het kruispunt-Bos N35/N348 in het kader van de uitvoering van het MIRT-onderzoek Wijthmen-Nijverdal en de gezamenlijke Marsroute N35 als de regio?
Op 27 oktober 2014 is de bestuursovereenkomst N35 Wijthmen – Nijverdal ondertekend door alle betrokken partijen. Ik heb u daarover per brief geïnformeerd1. In de bestuursovereenkomst zijn afspraken gemaakt over een lijst met de te nemen maatregelen. Deze is in nauw overleg met alle betrokken partijen tot stand gekomen. Voor dit maatregelenpakket is totaal € 15 mln beschikbaar gesteld, € 10 mln door de provincie Overijssel en € 5 mln door het Rijk. De aanpak van het kruispunt Bos N35/N348 maakt onderdeel uit van dit maatregelenpakket.
Bent u bereid een financiële bijdrage te leveren aan de verdere uitvoering van de Marsroute N35 op het tracé Wijthmen-Nijverdal, gelet op het feit dat de N35 een rijksweg is? Staat voor u de ambitie uit de Mobiliteitsaanpak van 2008 nog steeds overeind om van de hele N35 een zogenaamde 2x2 doorstroomweg waar 100 km/u gereden mag worden te maken?
Op 13 februari 2013 heb ik u per brief2 geïnformeerd over de invulling van de taakstelling op het Infrastructuurfonds.
In deze brief heb ik aangeven de maatregelen en het daarvoor gereserveerde budget (van € 5 mln.) voor de N35 Wijthem-Nijverdal te schrappen.
Tijdens het debat over deze brief op 8 april 2013 is de motie Elias-Kuiken3 aangenomen. De motie vroeg om voor dit traject € 5 mln. beschikbaar te stellen ten laste van het programma Meer Veilig 3.
Deze motie is de basis voor de bestuursovereenkomst van 27 oktober 2014 (zie vraag 2). Ik zie geen reden om naast de reeds beschikbaar gestelde middelen, additionele middelen beschikbaar te stellen voor de N35 Wijthmen-Nijverdal.
Welke bijdrage kan uit het budget voor Spoorse doorsnijdingen en (aanvullend) het landelijk Verbeterprogramma Overwegen worden geleverd aan het realiseren van een ongelijkvloerse kruising van de spoorlijn Zwolle-Enschede met de N348? Kan de reeds teoegekende subsidie van 1,3 miljoen euro voor dit doel worden aangewend?
Het budget voor Spoorse doorsnijdingen is volledig juridisch verplicht en biedt daarmee geen ruimte voor een bijdrage aan het realiseren van een ongelijkvloerse kruising van de spoorlijn Zwolle-Enschede met de N348. Het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen (LVO) is gericht op de aanpak van de overwegen met een groot verbeterpotentieel voor de bereikbaarheid. Voor het LVO is een lijst opgesteld met de ca. 140 overwegen met een dergelijk groot verbeterpotentieel en is een aantal nadere criteria bepaald. De overweg in Raalte maakt geen deel uit van deze overwegen met een groot verbeterpotentieel.
De reeds toegekende subsidie van € 1,3 mln. heeft betrekking op de bijbehorende vastgestelde scope. Wanneer de gemeente daarvan wil afwijken is een nadere beoordeling vereist van de nieuwe projectscope. Dit is begin 2014 aan de gemeente Raalte bericht inclusief het verzoek de uiteindelijk gekozen projectscope ter beoordeling voor te leggen. Hier is door de gemeente nog niet op gereageerd.
Ziet u daarnaast nog mogelijkheden om een bijdrage te leveren aan een integrale aanpak van het kruispunt-Bos N35/N348 op de aspecten doorstroming, verkeersveiligheid en leefbaarheid?
Zie mijn antwoord op vraag 2 en 3.
Het verkopen van statiegeldloze flessen Coca-Cola door de winkel “Gekke Gerrit’ |
|
Eric Smaling |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
Bent u bekend met het bericht waarin de winkel «Gekke Gerrit» zich bekend maakt als dumpwinkel en zich daarbij profileert met het feit dat daarbij A-merken, liefst voor de helft van reguliere prijs, zullen worden aangeboden en daarnaast in de winkel adverteert met Poolse cola met daarbij de vermelding «geen statiegeld»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het aanbieden van PET-flessen cola voor een lagere prijs en zonder het in rekening brengen van statiegeld het statiegeldsysteem ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Ja, zonder het heffen van statiegeld, kan het systeem niet bestaan. Daarom heeft Stichting Afvalfonds Verpakkingen (StAV) een systematiek ontwikkeld waarmee het voor de producent of importeur van verpakkingen onaantrekkelijk wordt gemaakt om flessen zonder statiegeld op de markt te brengen.
StAV legt vanaf 1 januari 2015 aan haar leden die grote kunststofflessen voor frisdranken en waters zonder statiegeld verkopen, een tarief op van € 7,50/kg wat neerkomt op ongeveer € 0,25/fles. Dit is een aanzienlijk hoger bedrag dan het tarief voor de leden die wel statiegeld heffen, namelijk € 0,02/kg.
Hierdoor is er dus een sterke financiële prikkel voor de leden van StAV om uit eigen beweging hun flessen te laten deelnemen aan het statiegeldsysteem.
Dit hogere tarief geldt alleen voor de producenten en importeurs die meer dan 50 ton aan verpakkingsmateriaal op de markt brengen.
Deze grens volgt uit het Besluit beheer verpakkingen waarin de verplichtingen voor de producenten of importeurs zijn vastgelegd.
Als, zoals in dit voorbeeld, een producent of importeur uit bijvoorbeeld Polen frisdrank in PET-flessen van 1.5 liter importeert en deze zonder statiegeld op de markt brengt, heft StAV het tarief van € 7,50/kg als afvalbeheersbijdrage.
In dit voorbeeld koopt de consument die frisdrank en levert de lege flessen in bij een supermarkt. Deze consument ontvangt daarvoor € 0,25 statiegeld van die supermarkt (immers, het statiegeldapparaat heeft vanwege de vorm van de fles deze herkend als Nederlandse statiegeldfles). StAV heeft met Stichting Retourverpakkingen Nederland2 afspraken gemaakt over de verdere afhandeling ten behoeve van recycling van deze flessen.
Hiermee blijft het doel, namelijk zoveel mogelijk plastic verpakkingsmaterialen recyclen, overeind.
Er kan zich ook een situatie voordoen dat de consument de fles niet terugbrengt, omdat deze zonder statiegeld gekocht is. In dat geval kan de fles mee naar de Plastic Heroes bak.
Op welke wijze en door welke instantie wordt na 1 januari 2015 gecontroleerd dat niet-deelnemers aan de Stichting Afvalfonds Verpakkingen (StAV) inderdaad de in uw brief genoemde € 0,25 per grote frisdrankfles gaan afrekenen, waarmee de StAV stelt het statiegeldsysteem te borgen?2
StAV kan achterhalen welke producent of importeur geen statiegeld heft op basis van de aangiftes over de hoeveelheid verpakkingen die op de markt worden gebracht en op basis van signalen uit de markt. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Is er bij het verkopen van grote frisdrankflessen voor 1 januari 2015 waarbij geen statiegeld in rekening wordt gebracht, sprake van een economisch delict? Zo nee, waarom niet?
Ja. Tot 1 januari 2015 was er een productverordening voor het heffen van statiegeld van het Productschap Dranken. Tot die tijd kon dit Productschap in een situatie waarin zij wist dat een producent geen statiegeld heft, dit melden aan de Economische Controledienst. In dat geval was er namelijk sprake van een economisch delict en kon een boete worden geheven.
Vanaf 1 januari is er een nieuwe situatie die beschreven is in het antwoord op vraag 2 en waar geen sprake is van een economisch delict en waar in plaats van een boete een verhoogde bijdrage wordt geheven.
Indien er sprake is van een economisch delict, op welke wijze gaat in dit specifieke geval gehandeld worden?
Als er een melding wordt gemaakt, dan is het aan de Economische Controledienst om te bepalen hoe hiermee om te gaan.
Is er bij «Gekke Gerrit» sprake van een BV-constructie, waarmee mogelijk het deelnemerschap aan de StAV wordt vermeden, waardoor in de toekomst tot wel één miljoen flessen zonder statiegeld op de markt kunnen komen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het gaat er niet om wat voor constructie een bedrijf heeft, maar om het feit of het bedrijf verpakkingen op de markt brengt. Elke producent of importeur die verpakkingen op de markt brengt, valt namelijk onder het Besluit beheer verpakkingen (Besluit). Daarmee is elke producent of importeur gebonden aan de verplichtingen in dat Besluit. Een producent of importeur die meer dan 50 ton verpakkingsmateriaal op de markt brengt, betaalt een afvalbeheersbijdrage aan StAV. Deze verplichting is vastgelegd in de Afvalbeheersbijdrage overeenkomst (ABBO) van StAV die door mij Algemeen Verbindend is verklaard.
Bent u van mening dat het verder bevorderen dat ook onder niet-deelnemers aan de StAV het bedrag van € 0,25 per fles geïnd gaat worden, een nog steviger borging van het statiegeldsysteem is? Zo nee, waarom niet?
Elke producent of importeur die verpakkingen op de markt brengt valt onder het Besluit. StAV is een collectief dat namens alle producenten of importeurs uitvoering geeft aan de verplichtingen uit het Besluit. Dus alle producenten of importeurs die verpakkingen op de markt brengen, vallen onder StAV. In het Besluit beheer verpakkingen en daardoor in de ABBO van StAV zijn de producenten of importeurs die 50 ton en minder aan verpakkingen op de markt brengen, vrijgesteld van afvalbeheersbijdrage en verslaglegging in verband met administratieve lasten.
Ik heb geen exacte cijfers over hoeveelheden die hierdoor buiten het systeem van StAV vallen. Op basis van de informatie van StAV gaat het hier in kilo’s om relatief geringe hoeveelheden. Daarmee is het voor het overgrote deel in aantallen kilo’s voldoende geborgd dat statiegeld geheven zal worden en is het niet nodig om nu acties te ondernemen.
Dient het heffen van statiegeld voor grote PET-flessen niet te worden verplicht? Zo ja, hoe gaat u dit regelen?
Over statiegeld zijn afspraken gemaakt in de Raamovereenkomst Verpakkingen 2013–2022. Ik hecht er aan om naar die afspraken te handelen.
Voortdurende agressie tegen NS-personeel |
|
Duco Hoogland (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «NS-personeel steeds vaker fysiek belaagd»?1
Ja.
Komen de cijfers in het genoemde bericht en de enquête over agressie tegen NS-personeel overeen met andere cijfers ten aanzien van de veiligheid van NS-personeel? Zo ja, over welke cijfers beschikt u in deze? Zo nee, waaruit bestaan de verschillen?
De beoordeling van de veiligheid van het spoorwegpersoneel wordt enerzijds bepaald door de wijze waarop deze door het personeel zelf ervaren wordt en anderzijds door objectief meetbare factoren. Hier kan verschil tussen zitten.
Recent is door de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer de monitor Veilige Publieke Taak 20143 aangeboden. De monitor beschrijft de stand van zaken omtrent agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak – en dus niet specifiek tegen personeel van de Nederlandse Spoorwegen (NS) –, op basis van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA). Uit de monitor blijkt dat 55% van de medewerkers in het openbaar vervoer het afgelopen jaar slachtoffer is geworden van agressie en geweld. Dit percentage is sinds de eerste meting in 2007 nagenoeg gelijk gebleven. Op basis van dit onderzoek kunnen echter geen conclusies worden getrokken specifiek ten aanzien van NS-personeel.
Uit cijfers van de NS over 2014 blijkt dat 6,6% van het personeel (met klantcontact) te maken kreeg met lichamelijk geweld tijdens het werk. Er zijn in 2014 in totaal 774 meldingen van NS-personeel geweest ter zake van fysieke agressie. Over dezelfde periode in 2013 waren dat 777 meldingen.
Uit de VVMC-enquête – die vooral vraagt naar de beleving en ervaring van de sociale veiligheid – komt naar voren dat 64% van het treinpersoneel in 2014 te maken kreeg met fysiek geweld.
De cijfers uit de enquête, de monitor en de NS-registratie komen niet overeen, gelet op het feit dat beleving en ervaring kunnen verschillen van registratie-gegevens, alsmede gelet op een methodisch verschil van onderzoek.
Wat is uw mening over de uitkomst van de enquête dat 64 procent van het treinpersoneel het afgelopen jaar te maken heeft gehad met fysiek geweld?
De enquête geeft een belangrijk signaal over de zorgen van de VVMC-leden. De veiligheid van zowel de werknemers als reizigers in het openbaar vervoer is van groot belang. Agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak vind ik onacceptabel. Het is een maatschappelijk probleem dat om voortdurende aandacht vraagt. Ik zal me daarom stevig blijven inzetten voor de aanpak van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak.
In hoeveel gevallen van agressie tegen NS-personeel is er het afgelopen jaar melding of aangifte gedaan? In hoeveel gevallen heeft dit tot vervolging geleid?
In de justitiële systemen wordt agressie en geweld tegen NS-personeel niet apart geregistreerd, zij vallen onder de categorie gekwalificeerde slachtoffers.
De politie registreert geen specifieke doelgroepen bij aangiften VPT (Veilige Publieke Taak). Vanuit politie en Openbaar Ministerie (OM) is dan ook niet aan te geven in hoeveel van de gevallen van agressie, specifiek gericht tegen NS-personeel, het afgelopen jaar melding of aangifte is gedaan dan wel in hoeveel gevallen van agressie tegen NS-personeel strafrechtelijke vervolging is ingesteld.
Uit de registratie van de NS komt naar voren dat in 2014 ruim 500 maal aangifte van agressie en/of geweld is gedaan.
Hoe lang wordt er door u – bijvoorbeeld in het kader van een Veilige Publieke Taak – of door de NS al gewerkt aan het tegengaan van agressie tegen treinpersoneel?
Ik verwijs voor het antwoord op deze vragen tevens naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Madlener4 over hetzelfde bericht.
Sinds 2007 wordt vanuit het programma Veilige Publieke Taak de landelijke aanpak van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak gecoördineerd. Het betreft een gecombineerde aanpak van werkgeversmaatregelen (bijvoorbeeld melden/registreren van incidenten en het doen van aangifte), maatregelen gericht op regionale (keten)samenwerking en strafrechtelijke maatregelen: politie en OM geven hoge prioriteit aan de opsporing en vervolging van VPT-zaken en zorgen voor een snelle en voortvarende opsporing en vervolging, waarbij een zwaardere straf zal worden geëist.
Meer specifiek ten aanzien van agressie en geweld in het openbaar vervoer is in 2009 de Taskforce Veiliger Openbaar Vervoer ingesteld. Over de maatregelen en voortgang van het programma Veilige Publieke Taak en de Taskforce VOV wordt de Tweede Kamer regelmatig geïnformeerd.
De NS heeft concrete maatregelen genomen om agressie terug te dringen en te voorkomen. Deze maatregelen liggen onder andere op het gebied van opleiding en (weerbaarheids-)training van personeel, inzet van toezichthouders met BOA-bevoegdheid (Veiligheid- en Service-medewerkers), cameratoezicht op stations en in treinen en mediacampagnes. Ook de OV-chipkaart en de toegangspoortjes op stations helpen bij het terugdringen van agressie. Uit de praktijk blijkt namelijk dat agressie vaak begint als geconstateerd wordt dat een geldig vervoersbewijs ontbreekt.
700 Veiligheid- en Service-medewerkers worden ingezet op stations en in treinen en zijn oproepbaar om in gevallen van nood en agressie tegen NS-collega’s in te grijpen. In sommige gevallen zet de NS ’s avonds externe beveiligingsteams in voor toezicht en beveiliging op stations en NS-terreinen. Daarnaast is er continu een Veiligheidscentrale (meldkamer met camera’s) bemand, die in gevallen van agressie kan ingrijpen.
De NS werkt ook samen met de politie. Op trajecten waar vaak incidenten voorkomen, vinden gemeenschappelijke controles plaats, de zogenaamde Stop & Go-acties (100% controles). Er zijn tevens afspraken met de politie gemaakt over spoedassistentie in geval van geweld tegen NS-personeel. Tot slot zijn er in lokale veiligheidsconvenanten concrete afspraken met zowel politie als gemeenten gemaakt over de regionale samenwerking.
Op de stations zal de ingebruikname van toegangspoortjes verder worden uitgebreid. De NS gaat ook door met het aanbieden van de personeelstraining «De-escalerend Optreden», over hoe om te gaan met situaties waarin agressie zich voordoet. In overleg met experts worden in de komende periode aanvullende maatregelen onderzocht, waaronder maatregelen in de sfeer van gedragsbeïnvloeding. NS-personeel krijgt binnenkort nieuwe robuuste uniformen, die beter beschermen tegen agressie.
Genoemde maatregelen dragen allemaal bij aan het vergroten van de sociale veiligheid voor zowel reizigers als personeel. Ik hecht er aan te benadrukken dat het gaat om de samenhang van maatregelen in de keten. Elke individuele maatregel draagt bij aan de effectiviteit van het geheel aan maatregelen.
Welke maatregelen zijn er genomen om de agressie tegen treinpersoneel te verminderen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven welke maatregelen effectief zijn en in welke mate? Welke maatregelen worden er binnenkort nog genomen om de agressie tegen treinpersoneel terug te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
De gevaarlijke uitspraak van het Hof van Justitie van de EU dat Hamas van de terreurlijst af moet |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hof van Justitie EU bepaalt dat Hamas van terreurlijst moet»?1
Ja.
Deelt u de verbijstering dat het Hof tot zo'n bizarre uitspraak is gekomen? Zo neen, waarom niet?
Welke exacte gevolgen heeft het dat de islamitische terroristen van Hamas niet langer beschouwd zullen worden als terreurgroep? Graag een zo breed mogelijk overzicht van zaken (o.a. juridisch en financieel) die daardoor veranderen.
Welke stappen (o.a. in internationaal opzicht) bent u voornemens te zetten om ervoor te zorgen dat Hamas gewoon op de terreurlijst blijft staan?
Bent u bereid u zeer expliciet uit te spreken tegen deze gevaarlijke uitspraak van het Hof? Zo neen, waarom niet?
Het bericht ‘Reorganisatie politie kost honderden miljoenen extra’ |
|
Nine Kooiman , Magda Berndsen (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over het bericht dat de reorganisatie van de nationale politie veel meer gaat kosten dan begroot?1
Op 5 december jl. heeft de Centrale Ondernemingsraad (COR) advies aan de Korpschef uitgebracht over het reorganisatieplan. Daarin heeft de COR onder meer aangegeven zich zorgen te maken over het reorganisatiebudget. Dit zou ontoereikend zijn.
Uiteraard komt de politie als werkgever na wat er met bonden in het landelijk sociaal statuut aan faciliteiten is afgesproken. In de begroting van de nationale politie is voor frictiekosten bij de realisatie een budget van € 230 mln. voorzien. Het budget is bedoeld voor incidentele kosten die samenhangen met de realisatie van de nationale politie, zoals de personele reorganisatie. Daarbij valt te denken aan kosten van om- en bijscholing, incidentele verhuiskosten, tijdelijke extra reiskosten, kosten van outplacement en kosten van vertrekregelingen.
De daadwerkelijke kosten binnen dit incidentele budget hangen af van bijvoorbeeld het aantal herplaatsingskandidaten, precieze plaatsing van medewerkers en van het personeelsverloop in de komende jaren. Daarover zal in de loop van de tijd meer duidelijkheid ontstaan. In dit stadium is iedere berekening nog voor een fors deel gebaseerd op aannames. Ik heb er vertrouwen in dat het frictiekostenbudget voldoende is.
Hoeveel meer kan de reorganisatie kosten? Klopt het bericht dat de totale reorganisatiekosten meer dan 600 miljoen euro bedragen? Zo nee, wat is het correcte bedrag en hoeveel meer dan begroot is dit? Kunt u hierbij aangeven uit wanneer deze berekening dateert en of het bedrag nog toereikend is?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe gaat u financiële tegenvallers of onverwachte meerkosten dekken?
De realisatie van de Nationale Politie geschiedt binnen het budgettaire kader zoals vastgelegd in de meerjarenbegroting. Mocht in de loop van de tijd blijken dat het budget van 230 miljoen onvoldoende is om in de frictiekosten waarvoor dit budget was bedoeld te voorzien, dan zullen de extra kosten binnen dat budgettaire kader moeten worden opgevangen. Via de reguliere rapportages wordt de ontwikkeling van dit budget gevolgd.
De jaarrekening van de politie geeft een overzicht van de uitgaven voor de reorganisatie. Deze jaarrekening, die door een externe accountant wordt gecontroleerd, zend ik uw Kamer elk jaar toe. Ik zie geen reden om bovenop de accountantscontrole de Algemene Rekenkamer te vragen nog eens extra specifiek naar de uitgaven binnen het frictiekostenbudget te kijken.
Bent u bereid om de reorganisatiekosten en mogelijke extra kosten te laten berekenen of controleren door de Algemene Rekenkamer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre is rekening gehouden met de door de Centrale Ondernemingsraad aangegeven meerkosten zoals reiskosten, verhuiskosten en outplacementkosten? Als hier onvoldoende rekening mee gehouden is, hoe komt u politieagenten tegemoet in de extra kosten als gevolg van de reorganisatie?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre spelen onrealistische doelstellingen of een te hoog reorganisatie tempo een rol in de huidige onrust bij de politie?
De reorganisatie van de Nationale Politie is omvangrijk en complex. Onrust is hierbij niet te vermijden. Medewerkers hechten er bij iedere reorganisatie aan om zo snel mogelijk duidelijk te hebben over hun positie in de toekomstige organisatie. Daarom heb ik al in een zeer vroeg stadium toegezegd dat er geen gedwongen ontslagen vallen.
Iedere stap in de reorganisatie wordt zorgvuldig voorbereid. Ook wordt daarover nauw overleg met de COR en de politievakorganisaties gevoerd. Juist om onrustgevoelens weg te nemen gaat er veel aandacht uit naar het informeren van de politieambtenaren. Ik hecht eraan om de reorganisatie zo spoedig mogelijk en zorgvuldig af te ronden zodat de politiemedewerkers op de kortst mogelijke termijn duidelijkheid over hun (her)plaatsing krijgen.
Erkent u uw politieke verantwoordelijkheid voor het beheer en de leiding van de politie? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ingevolge artikel 27 van de Politiewet 2012 is de korpschef belast met de leiding en het beheer van de politie. De korpschef legt over de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden verantwoording af aan mij. Ik leg verantwoording af aan uw Kamer.
Waarom komt u uw voorwaarde dat de realisatie geschiedt binnen het vastgestelde budgettaire kader niet na?
Zie antwoord vraag 3.
Gaat u extra geld besteden aan de politie of schuift u de schuld door?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe gaat u de geplande besparingen als gevolg van de reorganisatie alsnog op tijd halen?
De geplande besparingen zijn in de begroting en de meerjarenraming opgenomen. De begroting en de meerjarenraming zijn sluitend.
Het bericht 'Rechter geeft AD gelijk in zaak topambtenaar Demmink' |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechter geeft AD gelijk in zaak topambtenaar Demmink»1
Ja. De uitspraak waarin de Rechtbank Rotterdam op 17 december 2014 heeft bepaald dat de desbetreffende publicaties van het Algemeen Dagblad niet onrechtmatig zijn, is mij bekend. De rechtbank heeft overwogen dat de belangen van het Algemeen Dagblad bij deze publicaties over dit onderwerp van maatschappelijk belang zwaarder moeten wegen dan die van oud-secretaris-generaal van mijn departement bij het achterwege laten hiervan.
Bent u voornemens de proceskosten voor deze zaak te laten betalen door het Ministerie van Veiligheid en Justitie? Zo ja, om welk bedrag zal dit gaan?
In hoeverre zal het Ministerie van Veiligheid en Justitie aanvullende kosten voor deze zaak betalen, mocht de heer Demmink besluiten in hoger beroep te gaan tegen deze uitspraak?
Deelt u de mening dat de proceskosten en de eventuele toekomstige kosten voor deze zaak voor de rekening van de heer Demmink zelf moeten komen? Zo nee, waarom niet?
De duurzame maatlat voor veehouderij |
|
Jan Vos (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat energiebesparende systemen als het ECO200 geen gebruikmaken van zware HFK’s (vanaf 2020 verboden), wat leidt tot winst voor het klimaat en de ozonlaag?
Volgens opgave van de leverancier werkt ECO200 zonder zware HFK koudemiddelen en gebruikt het een water/glycol mengsel als transportmiddel voor koeling.
HFK’s zijn broeikasgassen; het niet toepassen van deze middelen helpt bij het tegengaan van klimaatverandering.
Klopt het dat de Maatlat Duurzame Veehouderij het ECO200 en soortgelijke systemen uitsluit? Zo ja, waarom worden dergelijke systemen niet gestimuleerd via de Maatlat Duurzame Veehouderij?
De Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) sluit geen systemen uit. In de MDV worden echter geen systemen bij (merk)naam genoemd maar op basis van werkingsprincipes en deelmaatregelen gewaardeerd. Ook het ECO200 systeem is op onderdelen geanalyseerd en beoordeeld. Daarbij is nagegaan welke bijdrage de onderdelen van het systeem leveren op het gebied van energiebesparing c.q. duurzame energiebronnen. Deze analyse heeft er in geresulteerd dat de elementaire onderdelen van het ECO200 systeem een plaats hebben gekregen in de themamaatlat energie van de MDV.
Overigens is de directe reductie van broeikasgaseffecten door het niet toepassen van HFK’s geen thema binnen de MDV. De Maatlat Duurzame veehouderij stimuleert wél via de themamaatlat «energie» maatregelen die energie besparen en het gebruik van duurzamere energiebronnen. Hiermee wordt indirect wel een bijdrage geleverd aan de reductie van broeikasgassen.
Klopt de aanname dat op deze manier een verkeerde prikkel ontstaat, waardoor ondernemers geen gebruikmaken van dergelijke energiebesparende systemen, waardoor de facto meer schadelijke (broeikas)gassen worden uitgestoten? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord onder vraag 2. Energiebesparende systemen zoals ECO200 worden gewaardeerd voor hun energiebesparende effecten en de aanschaf en het gebruik ervan wordt gestimuleerd via de MDV. MDV is een voorwaarde om in aanmerking te komen voor de MIA\Vamil regeling.
Klopt het dat de bestaande fabrikanten van koelmachines op dit moment nog geen nieuwe innovaties c.q. initiatieven tonen om zware HFK’s uit te bannen? Zo ja, wat gaat u doen om deze sector te bewegen, zodat deze klaar is voor 2020?
Op 1 januari jl. is de nieuwe Europese F-gassenverordening in werking getreden. In deze verordening wordt onder andere geregeld dat de hoeveelheid HFK’s die tot 2030 op de markt kunnen worden gebracht sterk wordt gereduceerd en aan quota gebonden. Tevens wordt de toepassing van een aantal koudemiddelen in specifieke producten (waaronder koelinstallaties) in de loop van de komende jaren verboden. De bepalingen in deze Verordening vormen naar mijn idee een voldoende stimulans om de fabrikanten aan te zetten tot innovaties omdat zij anders geen markt meer hebben na 2020. In dit verband merk ik op dat er al koelinstallaties zijn die gebruik maken van natuurlijke koudemiddelen in plaats van HFK’s. Toepassen van natuurlijke koelmiddelen is in het algemeen ook energie-efficiënter.
Het functioneren van L1 als rampenzender tijdens de asbest-situatie in Roermond |
|
Ton Elias (VVD), Karin Straus (VVD) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Limburgse regionale omroep bij regionale rampen als rampenzender moet functioneren? Klopt het tevens dat noodmeldingen, zoals NL-Alert, voor nadere informatie in Limburg verwijzen naar L1?
Sinds 1991 fungeren de regionale radiozenders, zoals L1, formeel als calamiteitenzender. Dat wil zeggen dat de radiozenders van de regionale omroepen in geval van rampen of calamiteiten direct gebruikt moeten kunnen worden voor mededelingen aan burgers van het zogenoemde bevoegd gezag. Tijdens de brand in Roermond heeft de veiligheidsregio Limburg-Noord (radio) L1 niet formeel ingezet als calamiteitenzender.
De status van calamiteitenzender geldt alleen voor de radio, niet voor televisie en online media. De veiligheidsregio’s maken zelf afspraken met de regionale omroepen over hun inzet als calamiteitenzender. Daartoe stelt het Ministerie van Veiligheid en Justitie sinds januari 2010 een modelconvenant ter beschikking.
Noodmeldingen, zoals NL-Alert, kunnen verwijzen naar een andere bron zoals een calamiteitenzender waar op het moment van versturen meer informatie te vinden is. Dit is afhankelijk van de situatie en wordt door de veiligheidsregio bepaald.
Hoe snel na de eerste noodmelding via NL-Alert kwam de eerste berichtgeving via L1 tot stand?
L1 is formeel niet ingezet als calamiteitenzender tijdens de asbest-situatie. L1 was dus op dat moment net als overige media een nieuwszender die vanuit haar journalistieke functie berichtgeving plaatste over het incident. Voor de tijdlijn van de journalistieke verslaggeving van het incident op de verschillende platforms van omroep L1 en andere media, verwijs ik u naar de betreffende omroepen.
Hoe snel na de eerste noodmelding was via zowel radio, tv, teletekst en de website van L1 informatie over de asbest-situatie te raadplegen? Hoe verhoudt zich dit tot de snelheid van berichtgeving via (niet-rampenomroepen) als de NOS en RTL?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak werd de berichtgeving via zowel radio, tv als de website van L1 ververst gedurende de nacht en de ochtend van woensdag 17 december 2014?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een officiële rampenzender in geval van rampsituaties snelle en kwalitatief goede informatie moet bieden? Beoordeelt u alles bij elkaar genomen de snelheid en kwaliteit van de informatievoorziening door L1 tijdens de asbest-situatie in Roermond als adequaat? Zo nee, welke maatregelen en met welk tijdpad gaat u nemen om de berichtgeving en snelheid van L1 en andere regionale omroepen in geval van rampen te verbeteren?
De overheid hecht eraan in alle crisissituaties een duidelijk en eenduidig handelsperspectief te bieden aan burgers. De calamiteitenzender is een onderdeel van een pakket aan middelen dat het bevoegd gezag kan inzetten tijdens een noodsituatie. De inzet daarvan is een lokaal bestuurlijke afweging. De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft niet de calamiteitenzender maar verschillende andere middelen ingezet om mensen te informeren over de asbest-situatie, zoals NL-Alert, Twitter, berichtgeving door woordvoerders via de regionale en landelijke media en de website van de gemeente Roermond. Er zal binnenkort een evaluatie plaatsvinden tussen de provincie Limburg, de veiligheidsregio’s en L1, waarin de procedure van inzet van de calamiteitenzender aan bod zal komen.
Het bericht dat Hamas mogelijk van de Europese terreurlijst verdwijnt |
|
Joël Voordewind (CU), Han ten Broeke (VVD), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU Court Expected to Annul Hamas Terrorist Designation»?1
Ja.
Klopt het dat het Hof van Justitie van de Europese Unie voornemens is Hamas van de Europese terreurlijst te halen?
Het gaat om een arrest van het Gerecht van de Europese Unie. Het Gerecht is de eerste rechterlijke instantie in een vernietigingsprocedure tegen een plaatsing op de EU-terrorismelijst. Tegen een uitspraak van het Gerecht staat hogere voorziening open bij het Hof van Justitie van de EU. Het Gerecht heeft op 17 december jl. uitspraak gedaan in een zaak die Hamas heeft aangespannen tegen de Raad van de EU. Hamas vecht in dit beroep de plaatsing van Hamas op de EU-terrorismelijst aan.
Het Gerecht heeft besloten de plaatsing op de lijst nietig te verklaren, wegens procedurele gebreken. Het Gerecht benadrukt geen uitspraak te hebben gedaan over de vraag naar de kwalificatie van Hamas als terroristische groepering. Daarbij heeft het Gerecht ook besloten de gevolgen van de maatregel in stand te houden voor een periode van drie maanden. Momenteel staat Hamas derhalve nog steeds op de EU-terrorismelijst.
De Raad heeft binnen deze drie maanden de mogelijkheid een nieuwe maatregel vast te stellen, waardoor Hamas op de lijst blijft staan. De Raad heeft tevens de mogelijkheid binnen twee maanden hogere voorziening in te stellen bij het Hof van Justitie tegen de uitspraak van het Gerecht. In dat geval zou de huidige maatregel eveneens van kracht blijven voor de duur van die procedure.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van het Hof dat het besluit om Hamas op de terreurlijst te plaatsen, gegrondvest was op berichtgeving in de media en op het internet?
Het besluit om Hamas op de lijst te plaatsten is niet enkel gebaseerd op berichtgeving in de media en op het internet. Vereiste voor plaatsing op de EU-terrorismelijst is dat door een bevoegde instantie een beslissing is genomen ten aanzien van de bedoelde persoon, groep of entiteit (bijvoorbeeld de inleiding van een onderzoek, vervolging of veroordeling wegens een terroristische daad, dan wel een sanctiemaatregel op nationaal niveau). In het geval van Hamas is de beslissing van de Raad van de EU gebaseerd op besluiten van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.
De Raad heeft echter in de zogenoemde uiteenzetting van redenen (de motivering van de maatregel) ook feiten genoemd die niet binnen het bereik van de VS en VK besluiten vielen. Volgens het Gerecht moet de Raad elke terroristische daad die hij opneemt in de uiteenzetting van redenen, en die dient ter rechtvaardiging van de maatregel, ontlenen aan een besluit van bevoegde autoriteiten.
Het Gerecht heeft dit standpunt ook ingenomen in een eerder arrest (zaken T-208/11 en T-508/11, LTTE (Tamil Tijgers)/Raad van 16 oktober 2014). De Raad is het niet eens met dit oordeel en heeft besloten beroep in te stellen tegen de uitspraak van het Gerecht bij het Hof van Justitie van de EU. Nederland steunt de Raad in deze procedure.
Deelt u de mening dat er geen misverstand over kan bestaan dat Hamas, zeker tegen de achtergrond van de gebeurtenissen in de aanloop naar en tijdens de zomer, zich schuldig heeft gemaakt en vermoedelijk blijft maken aan terroristische activiteiten? Deelt u in dat licht de mening dat het derhalve ontoelaatbaar is dat Hamas van deze lijst verdwijnt?
Het kabinetsstandpunt ten aanzien van Hamas is niet veranderd.
Bent u bereid u tot het uiterste in te spannen om, al dan niet in samenwerking met andere Europese landen, zeker te stellen dat Hamas weer op de Europese terreurlijst komt te staan?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is toegelicht, is Hamas door de uitspraak van het Gerecht nu niet van de sanctielijst verwijderd. Momenteel bestudeert de Raad de uitspraak. Nederland zal zich met andere lidstaten inzetten om de door het Gerecht geconstateerde gebreken te adresseren.
Het bericht dat NS-personeel steeds vaker fysiek wordt belaagd |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NS-personeel steeds vaker fysiek belaagd»?1
Ja.
Wat heeft u als Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu de afgelopen jaren concreet gedaan om de veiligheid van spoorwegmedewerkers te verbeteren?
Deelt u de mening dat de enquête van de VVMC (vakbond voor rijdend personeel) aantoont dat dit onvoldoende heeft bijgedragen aan de veiligheid van de spoorwegmedewerkers? Zo nee, waarom niet?
De zorg voor de veiligheid van personeel en reizigers en de keuze voor specifieke maatregelen is primair de verantwoordelijkheid van de werkgever, dus de NS.
Vanuit beleid en wetgeving stel ik kaders en ondersteun de aanpak waar nodig en mogelijk. Wat betreft de maatregelen die u noemt is mijn reactie als volgt.
A
De afweging voor de inzet van personeel is in eerste instantie aan de NS als werkgever. De NS heeft mij laten weten dat zij werkt aan de blijvend gerichte inzet van meer personeel bij treinen, waaronder veiligheids- en service personeel zoals conducteurs. Zo wordt op basis van de dagelijkse veiligheidsinformatie bepaald waar aanvullende flexibele inzet van NS personeel nodig is. In mijn overleg met de vertegenwoordigers van de bonden, ProRail en NS zal ik dit onderwerp nader bespreken.
B
Elk geweldsincident dat door de NS wordt gemeld, wordt als «prioriteit 1-melding» door de politie aangemerkt. Agenten uit de betreffende regionale eenheid komen dan onmiddellijk. Met deze capaciteitsinzet uit robuuste basisteams is er bij geweldsincidenten voldoende capaciteitsinzet mogelijk voor noodhulp, toezicht en handhaving. Bovendien kan in voorkomende gevallen, wanneer er specifieke kennis of expertise benodigd is, een beroep worden gedaan op de medewerkers van de Landelijke Eenheid4. Er is derhalve geen noodzaak voor de vorming van een spoorwegpolitie.
C
Het huidige wettelijke kader biedt voldoende ruimte om agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak stevig aan te pakken. Politie en Openbaar Ministerie (OM) geven hoge prioriteit aan de opsporing en vervolging van deze Veilige Publieke Taak- zaken (VPT-zaken) en zorgen voor een snelle en voortvarende opsporing en vervolging. Er zijn hiervoor specifieke afspraken gemaakt door politie en OM (de Eenduidige Landelijke Afspraken). In geval van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak geldt een verhoging van de strafeis met 200%. Deze verhoging is standaard opgenomen in de daarvoor geldende richtlijn van het OM en wordt in de praktijk altijd toegepast en meegewogen bij de bepaling van de uiteindelijke strafeis. Daarnaast past het OM ook op andere wijze verzwaring toe. Zo kennen VPT-zaken een hoger dagvaardingspercentage (circa 80%). Verder wordt door het OM vaker een zwaardere strafvorm (bijvoorbeeld gevangenisstraf in plaats van taakstraf) en een schadevergoeding geëist in vergelijking met andere (niet-VPT) zaken.
D
Uit cijfers van NS blijkt dat in 2014 in 57% van de incidenten de controle op het vervoerbewijs de aanleiding was voor agressie. Door het in gebruik nemen van de toegangspoorten neemt het aantal zwartrijders af en neemt de sociale veiligheid toe. Sinds het afschaffen van het papieren treinkaartje op 9 juli 2014 zijn er in 2014 toegangspoortjes op 26 stations in gebruik genomen. In het belang van de reizigers en het personeel worden de poortjes gefaseerd in gebruik genomen, om reizigers te laten wennen en conflictsituaties zoveel mogelijk te voorkomen. Volgens de NS planning worden komend jaar de poortjes op wederom 26 stations in gebruik genomen. Deze stations zijn zo gekozen dat 90% van de reizigers minimaal één keer per reis door een poortje wordt gecontroleerd, waarvoor naar verwachting uiteindelijk poortjes moeten worden geplaatst op 82 van de 400 stations.
Bij de keuze voor het plaatsen van poortjes weegt naast het sociale veiligheidsaspect ook het gevolg mee voor de lokale bereikbaarheid. De plaatsing en ingebruikname gebeurt in zorgvuldige afstemming met de gemeenten.
Bent u bereid om de volgende vier maatregelen, die blijkens de enquête door spoorwegmedewerkers zijn aangedragen als manieren om de veiligheid te verbeteren, zo snel mogelijk in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Poolse werknemers uitgebuit; vakbond FNV Bouw meldt flinke reeks misstanden bij verbreding A15’ |
|
John Kerstens (PvdA), Duco Hoogland (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Poolse werknemers uitgebuit; vakbond FNV Bouw meldt flinke reeks misstanden bij verbreding A15»?1
Ja.
Kunt u ten aanzien van de hieronderstaande aantijgingen, per aantijging aangeven of deze juist is?
Nee, ik kan niet aangeven of deze aantijgingen juist zijn. Voor de volledigheid wijs ik u er op dat de naleving van de relevante wet- en regelgeving primair een verantwoordelijkheid is van de werkgever zelf. De Inspectie SZW is belast met de handhaving van arbeidswetten, zoals de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag (Wml) en de Arbeidstijdenwet (Atw). De sociale partners zien toe op de naleving van de bovenwettelijke cao-voorwaarden. De cao-partijen kunnen de Inspectie SZW verzoeken om een aanvullend onderzoek te doen naar naleving van de cao-voorwaarden op grond van artikel 10 van de Wet Avv. Met betrekking tot werkzaamheden bij de verbreding van de A15 heeft de Inspectie SZW in november 2014 vier verzoeken om ondersteuning bij de handhaving van cao-voorwaarden ontvangen van de paritaire toezichthouder in de Bouw. Deze zaken worden thans onderzocht door het speciale team van de Inspectie SZW dat belast is met de aanpak van schijnconstructies en de ondersteuning van sociale partners bij de handhaving van de cao-voorwaarden. De Inspectie is tevens in overleg met de FNV over de situatie bij de A15.
Betrokken werkgevers hebben met de FNV afgesproken elk een diepgaand onderzoek in te stellen en af te stemmen over te nemen maatregelen. Na dit onderzoek zijn werkgevers in staat om de juistheid van de beweerde aantijgingen te duiden.
Hoeveel inspecties heeft de Inspectie SZW de voorbije maanden uitgevoerd op de betreffende bouwlocatie bij de A15? Heeft de Inspectie SZW daar overtredingen geconstateerd? Zo ja, welke maatregelen zijn genomen om deze overtredingen zo snel mogelijk te beëindigen?
De Inspectie SZW heeft in april 2014 samen met de Belastingdienst een inspectie uitgevoerd op de bouwlocatie bij de A15. Hierbij is onder meer onderzocht of er sprake was van onderbetaling beneden het wettelijk minimumloon of van overtreding van de arbeidstijdenwet. Dit bleek niet het geval.
Welke acties worden daarnaast door welke overheidsinstanties op dit moment ondernomen om te verzekeren dat bij de aanleg- of het onderhoud van projecten waar Rijkswaterstaat opdrachtgever van is, volledig overeenkomstig de vigerende wet- en regelgeving en de geldende cao gehandeld wordt? Tot welke resultaten hebben deze acties tot op heden geleid?
De Inspectie SZW en de Belastingdienst maken bij grote infrastructurele projecten afspraken met de opdrachtgevers en hoofdaannemers, opdat zij hun verantwoordelijkheid nemen voor de naleving van fiscale- en arbeidswetgeving in de hele keten.
De uitvoering van aanleg- en onderhoudprojecten, waarvan Rijkswaterstaat hoofdopdrachtgever is, is langjarig en complex. Daarom is tussen IenM en SZW besproken hoe de nieuwe regels rond ketenaansprakelijkheid, zoals voorzien in het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies, deze uitvoering versterken. Zie ook het antwoord op vraag tien.
Welke voorwaarden heeft Rijkswaterstaat in deze casus op sociaal gebied aan opdrachtnemers gesteld? Op welke wijze verzekert Rijkswaterstaat het voldoen aan deze voorwaarden door (onder)aannemers?
Rijkswaterstaat verwacht van opdrachtnemers dat deze zich houden aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Zoals bij vraag twee aangegeven is de naleving van de relevante wet- en regelgeving voor arbeidsvoorwaarden primair een verantwoordelijkheid van de werkgever zelf. Daarnaast let Rijkswaterstaat op de arboveiligheid en de Wet arbeid vreemdelingen. Bij voorvallen bij deze regelgeving dragen opdrachtnemers de financiële consequenties.
Deelt u de mening dat het enkel «aanspreken op signalen» door Rijkswaterstaat in de richting van opdrachtnemers onvoldoende optreden inhoudt? Welke verdergaande stappen onderneemt u om te waarborgen dat één of meerdere (onder)opdrachtnemers hun verantwoordelijkheid nemen?
Het aanspreken op signalen is op dit moment wat Rijkswaterstaat in contractuele context kan en blijft doen. Zoals ik bij vraag 4 heb aangegeven, wordt tussen IenM en SZW besproken hoe de nieuwe regels, zoals voorzien in het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies, deze uitvoering versterken.
Wordt – op het moment van beantwoording van deze vragen – voldaan aan alle wet- en regelgeving en de geldende cao bij de verbreding van de A15 ter hoogte van de Botlekbrug?
Zoals in de antwoorden op de vragen 2 en 3 is vermeld, lopen er op dit moment diverse onderzoeken. De uitslag van deze onderzoeken moet afgewacht worden voordat beoordeeld kan worden in hoeverre aan de wet- en regelgeving wordt voldaan.
Welke lessen heeft u geleerd uit eerdere wetsovertredingen (bijvoorbeeld bij projecten bij de A2 en de A4) bij projecten waarvan Rijkswaterstaat opdrachtgever is?
Een les die geleerd is, is dat direct betrokken partijen snel de feiten moeten onderzoeken om daarna afspraken te maken. Dit is bij de projecten bij de A2 en de A4 dan ook gebeurd. Onderzoek van de feiten is nodig om goed vast te stellen of er sprake is van wetsovertredingen.
Heeft u of een andere overheidsinstantie inmiddels contact gehad met (vertegenwoordigers van) deze Poolse bouwvakkers? Zo ja, wat is er besproken en op welke wijze staat de overheid deze gedupeerde werknemers bij?
Nee, de (cao-)partijen A-Lanes en FNV Bouw hebben op 17 december 2014 met elkaar afgesproken dat zij elk afzonderlijk van elkaar een diepte onderzoek verrichten en daarna met elkaar in gesprek gaan om een passende oplossing te vinden.
Op welke wijze voorkomt de nieuwe Wet Aanpak Schijnconstructies praktijken zoals die in het bericht worden genoemd? Welke maatregelen heeft Rijkswaterstaat inmiddels genomen om zijn nieuwe rol – die volgt uit deze wet – volledig waar te kunnen maken?
Het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies is op vrijdag 12 december jongstleden aan uw Kamer aangeboden (Kamerstuk 34 108). Het wetsvoorstel voorziet onder meer in het invoeren van een ketenaansprakelijkheid voor loon. Daarmee worden alle schakels in een keten, inclusief de hoogste opdrachtgever, aansprakelijk voor het ten onrechte niet betaalde loon onderin een opdrachtketen. Door de ketenaansprakelijkheid worden opdrachtgevers in de keten geprikkeld om maatregelen te nemen om onderbetaling te voorkomen of, indien nodig, om een misstand rondom onderbetaling te laten opheffen. Van een opdrachtgever, opdrachtnemer en aannemer wordt verwacht dat hij de maatregelen treft die redelijkerwijs van hem mogen worden verwacht om te bevorderen dat de werkgever het aan zijn werknemer verschuldigde loon voldoet.
Rijkswaterstaat treft – als grote rijksopdrachtgever – voorbereidingen ter implementatie van de maatregelen uit het wetsvoorstel en treedt daarover in het voorjaar onder meer in overleg met de FNV.
Het bericht ‘Noodverordening in Roermond om asbest na grote brand’ |
|
Yasemin Çegerek (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Noodverordening in Roermond om asbest na grote brand»?1
Ja.
Is al duidelijk wat de oorzaak van de brand is?
Het politieonderzoek naar de brand loopt nog en hierover kunnen op dit moment geen mededelingen worden gedaan.
Hoeveel asbest is er vrijgekomen en wat zijn daarvan de gevolgen voor de volksgezondheid?
Op dit moment wordt in Roermond nog steeds asbest verwijderd door gespecialiseerde bedrijven. Het is daarom nog niet bekend hoeveel asbest er is vrijgekomen en wat de gevolgen voor de volksgezondheid zijn.
Is er door u en/of de Regionale uitvoeringsdiensten (RUD’s) een inventarisatie gemaakt van locaties waar dergelijke hoeveelheden asbest kunnen vrijkomen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen inventarisatie beschikbaar van alle locaties of gebouwen waar asbest kan vrijkomen. Asbest is tot 1993 toegepast, naar schatting bevat 70% van de gebouwen van voor 1994 asbest. Mede gezien de risico’s bij incidenten zoals in Roermond ben ik voornemens asbestdaken vanaf 2024 te verbieden. Dit betekent dat de asbestdaken voor 2024 gesaneerd moeten zijn. Ik heb uw Kamer hierover ingelicht, recent in antwoord op vragen van het lid Dik-Faber.2 In het kader van het voorgenomen verbod op asbestdaken heb ik in 2012 een algemene inventarisatie uitgevoerd naar het aantal vierkante meter asbestdaken in Nederland. Uw Kamer is hier in 2012 over ingelicht.3 De asbestsituatie van scholen en ziekenhuizen is zichtbaar op de Atlas Leefomgeving.4
Op lokaal of regionaal niveau kan door de gemeente, provincie of omgevingsdienst een inventarisatie worden gemaakt van locaties die asbest bevatten. Ik wijs in dit verband op de inspanningen van de provincie Overijssel en veel Overijsselse gemeenten om alle asbestdaken op bedrijventerreinen te saneren. Ik heb vorig jaar een bijdrage geleverd aan dit initiatief. Tevens werk ik samen met LTO-Nederland in het programma agro-asbestveilig, dat gericht is op het saneren van asbestdaken in de agrarische sector. In het kader van dit programma wordt ook de samenwerking gezocht met het lokale bevoegd gezag om locaties met asbestdaken te inventariseren, om vervolgens de eigenaren te benaderen om het asbest te saneren.
Criminele netwerken en hennepteelt in Zuid Nederland |
|
Nine Kooiman |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Hoeveel gemeenten zijn sinds 1 januari 2012 gestopt met het bestuurlijk ruimen van hennepplantages en het verhalen van de gemaakte kosten op de dader? Welke gemeenten betreft dit? Kunt u per gemeente die de bestuurlijke ruimingen hanteert of heeft gehanteerd aangeven wat het verhalingspercentage is of was? Wat vindt u ervan dat deze verhaling nu niet meer plaatsvindt?
Het lokale bestuur bepaalt welk beleid wordt gevoerd ten aanzien van de bestuurlijke aanpak van illegale hennepteelt en de lokale veiligheid, en welke afspraken daarover gemaakt worden binnen de driehoek. Het lokaal bestuur heeft de afgelopen jaren krachtige inspanningen geleverd ten aanzien van de (integrale) aanpak van georganiseerde hennepteelt. Ik verwijs hiervoor naar mijn brief aan uw Kamer van 16 juli 2014 over de resultaten van de aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit en het jaarverslag RIEC-LIEC 2013.1 Het is mij niet bekend of, en zo ja hoeveel gemeenten om welke reden sinds 2012 zouden zijn gestopt met het bestuurlijk ruimen van hennepplantages en het verhalen van gemaakte kosten op de dader. Ook is mij niet bekend in hoeverre gemeenten, die de kosten van het toepassen van bestuursdwang doorberekenen aan de overtreder, deze feitelijk verhalen.
Is het waar dat dit verband houdt met het gegeven dat ruimingen landelijk zijn aanbesteed door de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) waardoor er geen financiële prikkel is voor gemeenten omdat de hennepruimingen toch al worden betaald door de nationale politie en het Openbaar Ministerie (OM)? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn de jaarlijkse kosten van het ontruimen en vernietigen van hennepkwekerijen door DRZ? Op welke manier worden deze hennepruimingen bekostigd door de nationale politie en het OM?
De totale kosten voor strafrechtelijke ruimingen van hennepkwekerijen door DRZ zijn geschat op € 6,2 miljoen in 2011 oplopend naar € 7,1 miljoen in 2014. Deze stijging wordt veroorzaakt door een jaarlijkse indexatie van de kostprijs per ruiming. De politie en het Openbaar Ministerie (OM) betalen ieder een deel (50%) van de kosten.
Doet DRZ pogingen om de gemaakte kosten te verhalen op de dader? Zo ja, op welke wijze en wat is het verhaalpercentage? Zo nee, waarom niet?
Nee. DRZ voert in opdracht van het OM en de politie de landelijke logistieke coördinatie uit van de ontmanteling van hennepkwekerijen. Als opdrachtnemer heeft DRZ geen verhaalsrecht op een dader. In het kader van de hiervoor genoemde integrale aanpak wordt een breed scala aan sancties en maatregelen opgelegd, waarvan het verhalen van de kosten op de dader door de daartoe bevoegde instanties deel uitmaakt.
Bent u bereid te kijken hoe het voor zowel de nationale politie, het OM en de gemeenten weer financieel aantrekkelijk kan worden gemaakt om zelf bestuurlijk te ruimen en de gemaakte kosten te verhalen zodat gemeenten die dit middel succesvol toepasten deze aanpak kunnen voortzetten? Bent u bereid om te onderzoeken of er een verrekening kan plaatsvinden bij succesvol verhalen en een afdekking van de niet-verhaalbare of oninbare kosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is aan het lokaal bestuur om te bepalen in hoeverre het bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium, waar de inzet van spoedeisende bestuursdwang deel van uitmaakt, wordt ingezet in de strijd tegen hennepteelt en hoe het lokale bestuur dat financiert. Dat een gemeente bij inzet van het bestuurlijk instrumentarium niet alle gemaakte kosten kan verhalen op de overtreder, maakt dat niet anders. Ik zie dan ook geen aanleiding voor onderzoek naar het afdekken of verrekenen van kosten die gemeenten maken door het inzetten van het bestuurlijk instrumentarium.
Deelt u de mening dat een hennepplantage in een woonhuis in de meeste gevallen een gevaar voor de omwonenden oplevert en een bedreiging is voor de leefbaarheid? Kunt u uw antwoord toelichten? Deelt u voorts de mening dat dit de mogelijkheid rechtvaardigt om bij de eerste overtreding een bestuurlijke boete in het kader van de Woningwet op te leggen in plaats van bij een herhaalde overtreding? Zo ja, op welke termijn past u dit aan? Zo nee, waarom niet?
Hennepplantages in woonhuizen kunnen een gevaar opleveren voor de bewoners en omwonenden, bijvoorbeeld door elektrische installaties die niet voldoen aan de regels.
De Woningwet, zoals gewijzigd per 1 januari 2015, biedt, in combinatie met reeds bestaand instrumentarium zoals bestuursdwang, of in de ernstigste gevallen economisch strafrecht, voldoende mogelijkheden om op te treden. Het opleggen van een bestuurlijke boete bij een eerste overtreding is niet opportuun omdat het handhavingsinstrumentarium van de Woningwet in eerste instantie gericht is op herstel van de bouwkundige staat van bouwwerken en een veilig gebruik van bouwwerken. Gezien het doel van de Woningwet en de mogelijkheden die andere wetten bieden, zie ik geen aanleiding om de Woningwet, die dus recent is aangepast, nogmaals aan te passen.
Kunt u aangeven waarom u blijft inzetten op het in stand houden van de illegale hennepteelt en waarom u niet kiest voor het reguleren van deze teelt waarbij er ook toezicht gehouden kan worden op de veiligheid?
Zoals reeds eerder aangegeven erken ik het probleem van de georganiseerde hennepcriminaliteit. Regulering lost het probleem van de criminaliteit en de overlast echter niet op, onder meer omdat een zeer groot deel van de teelt voor de export is bedoeld. Regulering zal leiden tot hogere handhavingskosten en het zal een aanzuigende werking op criminelen hebben als Nederland het enige land in Europa is dat reguleert. Bovendien is regulering van hennepteelt voor dit doel naar internationaal recht niet toegestaan.
Kunt u aangeven welke werkzaamheden de in totaal 75 medewerkers van de drie politie-eenheden in Zuid-Nederland verrichtten voordat zij werden ingezet voor de intensivering van de aanpak van de ondermijnende en georganiseerde criminaliteit?1
Deze medewerkers die thans worden ingezet op de aanpak van de ondermijnende criminaliteit zijn geworven uit uiteenlopende disciplines, zoals tactische recherche, financiële recherche, analyse etc. Een deel van deze medewerkers hield zich al bezig met onderzoeken naar zware en georganiseerde criminaliteit, zij het soms op andere aandachtsgebieden.
Kunt u aangeven welke werkzaamheden de in totaal 50 medewerkers van de Landelijke Eenheid van de nationale politie verrichtten voordat zij werden ingezet voor de intensivering van de aanpak van de ondermijnende en georganiseerde criminaliteit in Zuid-Nederland?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u zich voorstellen dat de intensivering van de aanpak van de ondermijnende en georganiseerde criminaliteit door deze zogenaamde ondermijningsteams bij de politie in Zuid-Nederland wordt ervaren als een sigaar uit eigen doos aangezien deze mensen enkel een nieuwe taak krijgen, maar ander werk blijft liggen?
Het bevoegd gezag in Zuid-Nederland heeft aanleiding gezien om, na overleg met de voorzitter van het College van procureurs-generaal en de Korpschef van de Nationale Politie, binnen de bestaande sterkte meer politiecapaciteit in te gaan zetten op de aanpak van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit. Het is altijd helder geweest dat deze intensivering van de aanpak van ondermijning in Zuid-Nederland binnen de huidige sterkte van de Nationale Politie plaatsvindt.
Waarom heeft u ervoor gekozen de ondermijningsteams hoofdzakelijk in te zetten op «korte klappen»? Komt daarmee het doorrechercheren op de achterliggende criminele netwerken niet in het geding?
De weloverwogen herverdeling van capaciteit heeft geen gevolgen voor het doorrechercheren op criminelen die in samenwerkingsverbanden strafbare feiten plegen. De zogenaamde «korte klap»-interventies vanuit de ondermijningsteams zijn een aanvulling op de bestaande interventies zoals lang lopende onderzoeken. Het effect van alle interventies zal hiermee worden vergroot. De kortdurende strafrechtelijke interventies vanuit de intensivering zullen worden gericht op criminelen die in samenwerkingsverbanden strafbare feiten plegen.
Herkent u het beeld dat doorrechercheren na de ontmanteling van een hennepkwekerij in Zuid-Nederland veelal achterwege blijft of lang op zich laat wachten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Per situatie wordt de strategie bij de aanpak van hennepkwekerijen bepaald. Afhankelijk van de omstandigheden wordt soms alleen ingezet op ontmanteling en ruiming van een hennepkwekerij en in andere gevallen wordt een onderzoek ingesteld naar de achterliggende criminele organisatie. Het uitgangspunt is dat de samenwerkende organisaties bij de aanpak van o.a. hennep vooraf die strategie in gezamenlijkheid bepalen. Op die manier wordt de meest effectieve interventie(s) ingezet. Die interventies kunnen bestaan uit bestuurlijke maatregelen (zoals het bestuurlijk ruimen van de kwekerij of het sluiten van het pand op basis van artikel 13b van de Opiumwet), fiscale maatregelen (zoals het opleggen van een aanslag en/of boete) en strafrechtelijke maatregelen (zoals ontmanteling en instellen strafrechtelijk onderzoek).
Kunt u per eenheid in Zuid-Nederland aangeven hoe vaak doorrechercheren achterwege blijft? Hoeveel dossiers die zijn opgemaakt na het ontruimen van hennepkwekerijen liggen bij de politie-eenheden Zeeland-West-Brabant, Oost-Brabant en Limburg te wachten op verder onderzoek? Kunt u dit ook aangeven voor de eenheid Noord-Nederland?
De politie heeft mij meegedeeld op landelijk niveau niet over deze informatie te beschikken.
Kunt u voor de politie-eenheden Zeeland-West-Brabant, Oost-Brabant en Limburg per eenheid aangeven hoe lang het na een ontmanteling van een hennepkwekerij duurt voordat er wordt doorgerechercheerd op de achterliggende criminele netwerken? Kunt u dit ook aangeven voor de eenheid Noord-Nederland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 13.
Herkent u het beeld dat het ook in Noord-Nederland schort aan voldoende recherchecapaciteit waardoor de organisatie achter de hennepteelt ongemoeid wordt gelaten?2
De politie heeft mij meegedeeld zich niet in deze beelden te herkennen. Ook in Noord-Nederland is de aanpak van de hennepteelt geprioriteerd en in 2014 geïntensiveerd. Per casus wordt afhankelijk van de omstandigheden bepaald of er verder onderzoek wordt ingesteld naar het achterliggende criminele netwerk. Sinds mei 2014 is een maatwerkteam hennep operationeel. Dit team verricht onderzoeken met de focus op het ontmantelen van de criminele organisatie achter de hennepteelt en het afpakken van crimineel vermogen. In 2014 heeft dit team 1,8 miljoen Euro aan crimineel vermogen in beslag genomen. Onderzoeken die vanuit de eenheid Noord-Nederland worden doorgestuurd naar de landelijke unit worden niet teruggestuurd uit capaciteitsoverwegingen.
Hoe reageert u op de uitspraak van een rechercheur van de eenheid Noord-Nederland dat we gewoon onvoldoende weten wat er echt speelt aan criminaliteit?3
Kenmerk van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit is dat zij veelal ondergronds opereert. Desondanks hebben de opsporingsdiensten, het OM en de partners in de geïntegreerde aanpak van ondermijning wel degelijk een beeld van wat zich afspeelt. Dit blijkt uit verschillende rapportages zoals het Nationaal Dreigingsbeeld en de bestuurlijke criminaliteitsbeeldanalyses. Door informatiedeling wordt dit zicht steeds beter en breder: meer partners leveren puzzelstukjes om het informatiebeeld compleet te maken. Hierdoor komt de georganiseerde criminaliteit steeds beter in het vizier, zowel voor wat betreft de aard als de omvang.
Hoe reageert u op uitspraak van een rechercheur van de eenheid Noord-Nederland dat de moed hem in de schoenen zakt omdat onderzoek naar criminele netwerken achterwege blijft?4 Is het waar dat onderzoeken die worden doorgestuurd naar de landelijke unit worden teruggestuurd met de mededeling dat er geen capaciteit voor beschikbaar is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 15.
Herkent u het beeld dat er weinig zicht is op de achterliggende structuur van besloten vennootschappen en geldstromen? Is het waar dat dit een gevolg is van een tekort aan financieel rechercheurs? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb uw Kamer eerder bericht (Kamerstuk 32 608, nr. 4) over het belang van toezichthoudende en handhavende instanties om sneller te kunnen achterhalen wie zich schuilhoudt achter een besloten vennootschap of een constructie met meer rechtspersonen. Dit kost namelijk met de op dit moment beschikbare bronnen en ontsluitingsmogelijkheden daarvan veel tijd en legt een aanzienlijk beslag op schaarse capaciteit. Om deze redenen heeft het kabinet besloten tot de instelling van een centraal aandeelhoudersregister dat betrekking heeft op aandelen op naam in besloten of niet-beursgenoteerde naamloze vennootschappen. Dit register biedt de mogelijkheid eenvoudig vast te stellen wie de aandeelhouders van een BV zijn en welke aandelen (in welke rechtspersonen) bepaalde personen hebben. Het aandeelhoudersregister is ook van belang voor het beter kunnen rechercheren op geldstromen. Immers, zonder inzicht in de vennootschapsconstructies en de betrokken natuurlijke personen is het lastig om te rechercheren op de mogelijk verdachte geldstromen.
Herkent u het beeld dat criminele netwerken zich hierdoor vrijelijk kunnen begeven in de vastgoedhandel, horeca en andere bovengrondse activiteiten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik herken het beeld dat criminelen vrij spel zouden hebben in bovengrondse activiteiten niet. OM, politie en partners liggen goed op koers bij het verdubbelen van het aantal criminele samenwerkingsverbanden dat moet worden aangepakt. In de Veiligheidsagenda 2015–2018 heb ik met OM, regioburgemeesters en politie afgesproken dat in 2015 verder wordt geïnvesteerd in de (geïntegreerde) aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Er wordt gericht ingezet op effectievere interventies door sleutelfiguren en facilitators aan te pakken. Criminele bedrijfsprocessen worden verstoord en er worden meer barrières opgeworpen ter voorkoming van ondermijning. Het afpakken van crimineel vermogen blijft uiteraard een belangrijk onderdeel van deze aanpak. Wel is het zo dat er de komende jaren nog werk verzet moet worden. Het gaat hier om een hardnekkig probleem waarvoor geen gemakkelijke oplossingen voorhanden zijn. Het gaat om doorzetten en om vasthoudend optreden als één overheid.
Kunt u voor de politie-eenheden Zeeland-West-Brabant, Oost-Brabant en Limburg per eenheid aangeven hoeveel fte aan financieel rechercheurs beschikbaar is? Kunt u dit ook aangeven voor de eenheid Noord-Nederland?
Voor de eenheid Zeeland-West-Brabant gaat het om 49 fte, voor Oost-Brabant om 28 fte, voor Limburg om 20 fte en voor Noord-Nederland om 49 fte.
Is het waar dat de dossiers zich na de ontmanteling van hennepkwekerijen opstapelen en dat het soms bijna twee jaar duurt voordat deze besproken worden in het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC)? Kunt u uw antwoord toelichten?
In het verleden is er initieel sprake geweest van langere doorlooptijden dan gewenst. Inmiddels zijn de werkprocessen zodanig verbeterd dat juist snel wordt gehandeld bij signalen van georganiseerde hennepteelt. Een van onderdelen van die verbetering is de oprichting van het Interventieplein Ondermijning (IPO).
Deelt u de vrees dat boven- en onderwereld zich mengen wanneer alleen «het laaghangend fruit» wordt aangepakt maar de achterliggende criminele netwerken in stand blijven? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik bestrijd dat bij de aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit alleen het laaghangend fruit wordt aangepakt. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 19.