De kabinetsbrief over de Turkijedeal |
|
Norbert Klein (Klein), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Linda Voortman (GL) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wordt er een volgorde afgesproken van uitvoering van de verschillende elementen van het akkoord?1
Het EU-Turkije actieplan dat door de Europese Commissie aan de Europese Raad van 15 oktober jl. werd gepresenteerd, bevat geen specifieke volgorde van uitvoering van de verschillende elementen van het akkoord. Hetzelfde geldt voor de «Roadmap towards a visa-free regime with Turkey», waarop een belangrijk deel van de maatregelen in het actieplan is gebaseerd. Turkije zal wel aan alle strikte voorwaarden van de «Roadmap» moeten voldoen voordat visumvrijheid voor Turkse burgers kan worden ingevoerd.
Worden er voorwaarden gesteld aan de uitvoering van bepaalde elementen van het akkoord, bijvoorbeeld aan de uitkering van de financiële bijdrage van de EU aan vluchtelingenopvang?
Zal de genoemde extra bijdrage aan de opvang van vluchtelingen in Turkije vanuit de EU geheel ten laste komen van de EU-begroting of gefinancierd worden vanuit individuele lidstaten?
Waarom is nog geen hoogte vastgesteld voor deze bijdrage?
Als het om bijdragen gaat van individuele lidstaten, hoe gaat de Europese Commissie bewerkstelligen dat deze bijdragen aan het extra geld voor Turkije daadwerkelijk worden betaald?
Als het om bijdragen gaat van individuele lidstaten, welk bedrag heeft Nederland toegezegd en wanneer wordt dit overgemaakt?
Welke afspraken worden er met Turkije gemaakt over het besteden van het toegezegde geld?
Wordt dit budget toegevoegd aan de bestaande Turkse budgetten voor vluchtelingenopvang, of komt het in de plaats daarvan?
Welke afspraken zijn met Turkije gemaakt over de verantwoording van de bestedingen?
Gaat de in de brief genoemde extra bijdrage aan de opvang in Turkije ten laste van de bijdrage aan opvang in andere landen in de regio?
Zijn er met Turkije prestatieafspraken gemaakt over de toegang van vluchtelingen tot onderwijs, gezondheidszorg en de arbeidsmarkt en in algemene zin de kwaliteit van opvang? Zo nee, hoe wordt de voortgang hierop dan gewaarborgd en gecontroleerd?
Volgens het actieplan zoals gepresenteerd aan de ER van 15 oktober jl. heeft Turkije de intentie om beleid, wetgeving en programma’s aan te nemen en te implementeren om Syrische vluchtelingen toegang te geven tot onderwijs, gezondheidszorg en de arbeidsmarkt. Het concept-actieplan noemt geen verdere details. Turkije en de Commissie zullen de samenwerking de komende periode verder uitwerken. De implementatie van het actieplan zal gezamenlijk worden aangestuurd en overzien door de Commissie, de Hoge Vertegenwoordiger en de Turkse regering in de op te richten EU-Turkije high level werkgroep inzake migratie.
Welke gegevens zal Frontex precies met Turkije gaan wisselen in het kader van de grensbewaking?
Op basis van de bestaande samenwerkingsovereenkomst met Turkije werkt Frontex sinds enige tijd samen met dit land op het gebied van grensbewaking. Hieronder valt ook informatie-uitwisseling ten behoeve van risicoanalyse, bijvoorbeeld op het gebied van illegale grensoverschrijdingen, routes en grensweigeringen. Momenteel wordt bezien hoe deze informatie-uitwisseling met Turkije kan worden versterkt. Conform de Frontex-verordening vindt er geen uitwisseling van persoonsgegevens plaats.
Kunt u een nadere duiding geven van de betekenis van de «nieuwe energie» waarmee de toetredingsonderhandelingen met Turkije wordt hervat? Kunnen er extra hoofdstukken geopend worden? Zijn er specifieke gebieden waarover het gesprek hervat kan worden?
Er wordt al enige tijd op Raadswerkgroepniveau gesproken over het openen van hoofdstuk 17 (economisch en monetair beleid), na de opheffing van de Franse blokkade op dit hoofdstuk. De Commissie is van mening dat de Turkse wet- en regelgeving op dit terrein voldoende op orde is om onderhandelingen over de volledige overname van het EU-acquis te kunnen beginnen. Mochten de gesprekken met Turkije ertoe leiden dat naast hoofdstuk 17 ook andere hoofdstukken worden geopend, dan zet Nederland conform de Kamerbrief uit maart 2014 (Kamerstuk 23 987, nr. 143) in op behandeling van de rechtsstaatshoofdstukken 23 en 24, waarop op dit moment nog een unilaterale blokkade van Cyprus rust. Nederland wacht nadere voorstellen van de Commissie af voor eventuele opening van andere hoofdstukken. Er is daarbij overigens geen sprake van het opheffen van het embargo van de Raad van december 2006 op acht hoofdstukken vanwege het uitblijven van uitvoering door Turkije van het Ankara Protocol.
Op welke manier zal Turkije haar migratierecht specifiek gaan verbeteren, zoals u in uw brief stelt?
In het actieplan zoals gepresenteerd aan de Europese Raad van 15 oktober jl. staat dat Turkije zijn migratierecht zal verbeteren. Zoals in het concept-actieplan genoemd, is Turkije voornemens om zorg te dragen voor internationale bescherming en effectieve implementatie van de vreemdelingenwet, door middel van het aannemen van secundaire wetgeving en het informeren hierover van alle betrokken partijen. In dit kader moet dan worden gedacht aan dezelfde verbeterpunten zoals ook genoemd in de «Roadmap towards a visa-free regime with Turkey». Turkije en de Commissie zullen dit actieplan de komende periode verder uitwerken en dan zal ook duidelijk worden op welke punten Turkije specifiek zijn migratierecht zal verbeteren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het debat over de uitkomsten van de Europese top van 15 en 16 oktober jl., over de JBZ-raad op 9 november 2015 en over de inzet voor de migratietop van 11 en 12 november 2015, voorzien op donderdag 5 november? Zo nee, waarom niet?
Ja.
De door de Europese Commissie voorgestelde nieuwe handelsstrategie voor Europa |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de door de Europese Commissie voorgestelde handelsstrategie voor Europa «Trade for All: Towards a more responsible trade and investment policy»?1
Ja.
Wat wordt er volgens u bedoeld met de wens tot «modernisering van bestaande verdragen met Turkije, Mexico, Chili» uit de strategie?
Alle drie de genoemde verdragen bestaan al 12 jaar of langer. De bedoeling van de modernisering van deze verdragen is om het ambitieniveau te verhogen waardoor de economische potentie beter benut kan worden. Onderwerpen waarover in de huidige akkoorden nog onvoldoende of zelfs geen afspraken zijn gemaakt, zoals duurzame ontwikkeling, diensten, aanbestedingen en investeringen, zouden dan onderdeel uitmaken van de vernieuwde verdragen.
Hoe verhoudt volgens u het doel om meer handelsverdragen te sluiten met Latijns-Amerika en het Aziatisch-Pacifisch gebied zich tot het voornemen om duurzame ontwikkeling te bevorderen?
Deze doelstellingen versterken elkaar. Door handelsverdragen niet alleen bilateraal maar ook in een regionale context af te sluiten, wordt regionale integratie bevorderd. Regionale integratie bevordert stabiliteit en versterkt de economische structuur in een regio. De afspraken in het hoofdstuk over handel en duurzaamheid in de handels- en investeringsverdragen zullen hieraan bijdragen.
Hebben de versoepelde regels van herkomst in de «Generalised Scheme of Preferences» (GSP) volgens u invloed op de wijze waarop de EU omgaat met producten uit gebieden die in strijd met het internationaal recht bezet worden gehouden?
Nee. De versoepeling van regels van oorsprong in het Algemeen Preferentieel Stelsel heeft ten doel ontwikkelingslanden betere toegang tot de EU-markt te bieden. Op grond van Verordening (EU) nr. 978/2012 vallen momenteel 89 landen onder het Algemeen Preferentieel Systeem (APS). De lijst van APS-landen kan onder meer worden geraadpleegd op de website van de Douane in de rubriek «douane voor bedrijven».
Worden afspraken omtrent duurzame ontwikkeling, eerlijke handel en mensenrechten uit vrijhandelsakkoorden en het «Generalised Scheme of Preferences» (GSP) geïmplementeerd in het Nederlandse handelsbeleid? Zo ja, hoe gebeurt dit?
Nederland zet zich binnen Europa in om afspraken te maken over duurzame ontwikkeling, eerlijke handel en mensenrechten. Vrijhandels- en politieke akkoorden zijn daartoe een belangrijk middel. Afspraken over handel en duurzaamheid in handelsakkoorden betreffen veelal afspraken over samenwerking tussen de Europese Commissie en de partij waarmee het akkoord wordt afgesloten. Met de nieuwe handelsstrategie heeft de Commissie de ambitie neergezet om lidstaten meer te betrekken bij de implementatie van deze afspraken. Hoe deze verbeterde implementatie er uit gaat zien, is nog niet duidelijk. De Commissie werkt momenteel aan een plan van aanpak. Dit geldt ook voor afspraken over eerlijke handel.
Afspraken over duurzame ontwikkeling in vrijhandelsakkoorden bevatten doorgaans ook een bekrachtiging van de fundamentele arbeidsconventies van de ILO. Nederland ondersteunt deze afspraken door ook in bilaterale contacten met andere landen aan te dringen op ratificatie en implementatie van deze conventies. Hetzelfde geldt voor de mensenrechtenverdragen die onderdeel zijn van APS+.
Hoe gaat het voornemen uit de strategie om mensenrechten in het kader van handel te waarborgen wat u betreft invulling krijgen?
De invloed van handels- en investeringsakkoorden op mensenrechten zou moeten worden meegenomen in de impact assessments van deze akkoorden. Voor geïdentificeerde risico’s moeten geschikte maatregelen worden genomen. Deze maatregelen moeten in overleg met de EU lidstaten worden vastgesteld en zullen per handelsakkoord verschillend zijn.
Een belangrijk onderdeel van de duurzaamheidsafspraken die doorgaans in EU-handelsakkoorden worden opgenomen is het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij de monitoring, een praktijk die in de betreffende landen niet altijd gemeengoed is. Op het gebied van ASP+ is het voornemen van de EU (vastgelegd in het EU-actieplan voor Mensenrechten en Democratie2) om meer samen te gaan werken met internationale organisaties als de ILO voor implementatie en handhaving van de verdragen in kwestie. In hetzelfde plan is vastgelegd dat afspraken over duurzaamheid en MVO ook een plek moeten krijgen in investeringsovereenkomsten die door de EU worden onderhandeld of herzien.
Krijgen de voornemens tot beantwoording van de publieke verwachtingen over regulering en investering, en het beschermen van Europese standaarden omtrent consument, milieu en sociale rechten, concrete invulling in het Nederlandse handelsbeleid? Zo ja, hoe?
In de mededeling benadrukt de Commissie dat lidstaten eigen beleidsruimte blijven houden en dat handelsakkoorden niet zullen leiden tot een verlaging van standaarden op het gebied van consumentenbescherming, milieu en arbeidsvoorwaarden. Een wijziging in het beschermingsniveau in verband met een handelsakkoord kan volgens de Commissie alleen maar een bijstelling naar boven zijn. De Commissie zal zich inspannen om handel en andere beleidsterreinen, waarop handel van invloed kan zijn, zoals mensenrechten en sociale- en milieustandaarden, beter te integreren.
Het Nederlandse kabinet vraagt ook consequent aandacht voor het handhaven van het niveau van standaarden in handelsakkoorden. Er mag wat Nederland betreft niet ingeboet worden op EU-normen. Tevens wil het kabinet de beleidsvrijheid blijven behouden om wetgeving op te stellen op het gebied van veiligheid en bescherming van mens, dier, plant en milieu.
Wat betekent de genoemde waarde «transparantie» concreet voor het verdere onderhandelingsproces van TTIP en onderhandelingen van handelsverdragen in de toekomst?
Het kabinet is voorstander van maximale transparantie van onderhandelingen over handels- en investeringsakkoorden. Het is daarom positief dat de Commissie dit als belangrijke waarde heeft benoemd in de handelsstrategie. De Europese Commissie publiceert al veel informatie. Bij de onderhandelingen over TTIP worden EU-tekstvoorstellen online gepubliceerd, nadat een eerste versie met de VS is gedeeld. Ook is er voor elk hoofdstuk een toelichting van de inhoud en inzet van de EU en zijn er verschillende factsheets met verdere verdieping. Ook bij andere onderhandelingen laat de Commissie zien al invulling te geven aan het verzoek om meer transparantie. Zo staan voor de onderhandelingen over het plurilaterale dienstenakkoord (TiSA) het mandaat en de EU-tekstvoorstellen online en zijn de teksten voor de Economische Partnerschapsakkoorden met Westelijk, Zuidelijk en Oostelijk Afrika gepubliceerd. Deze transparantie wordt ook doorgezet in toekomstige onderhandelingen. Wel dient te worden bedacht dat iedere vorm van onderhandeling, of dit nu handelsakkoorden of cao-onderhandelingen betreft, gepaard gaat met enige mate van vertrouwelijkheid gedurende het proces.
Deelt u de mening dat de opname van geheime-arbitragevoorzieningen voor buitenlandse investeerders in door Nederland getekende of te tekenen handelsverdragen op gespannen voet staat met de verklaarde wens tot transparantie? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet wil het mechanisme van investeringsbescherming, waaronder de procedures voor beslechting van investeringsgeschillen, moderniseren. Een belangrijk onderdeel van die modernisering is het vergroten van transparantie in de geschillenbeslechtingsprocedure. In EU-kader is gewerkt aan een nieuwe standaard voor investeringsbescherming. Zoals u bekend, heeft Nederland hieraan een substantiële bijdrage geleverd. De bestaande bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomsten (IBO’s) van Nederland, die nog niet voorzien in die vergrote transparantie, zullen herzien worden in lijn met de nieuwe EU-standaard.
Wat zijn de vorderingen in het herzien van het model-IBO dat Nederland omtrent handel hanteert? Wanneer verwacht u deze te presenteren?
Naar aanleiding van de uitkomsten van het huidige debat over de herziening van het beleid ten aanzien van investeringsbescherming en geschillenbeslechting in investeringsbeschermingsovereenkomsten zal Nederland de modeltekst voor dergelijke akkoorden aanpassen. Dit zal in overleg gaan met alle stakeholders. Hierbij wordt aangesloten op de EU-standaard. Zo zal Nederland onder meer bedrijven zonder substantiële bedrijfsactiviteiten uitsluiten.
Kunt u deze vragen vóór 23 november a.s. beantwoorden?
Ja.
De kritiek van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op de inhoud van het programma Pauw |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de het bericht «Asscher hekelt gastenkeuze Pauw»?1
Ja.
Is het de taak van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid televisieprogramma’s te recenseren?
Neen.
Waarom spreekt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zich wel uit over de inhoud van programma’s, terwijl de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, met de portefeuille media, al jarenlang stelselmatig weigert in te gaan op kritiek op de programmering en de inhoud van programma’s?
De Minister van SZW deed zijn uitspraak tijdens een Kamerdebat met de commissie Sociale Zaken over integratie. Hij bracht zijn grote zorg onder woorden over de polarisatie van het maatschappelijk debat over de opvang van asielzoekers en veroordeelde het feit dat het programma Pauw (eerder die week) een podium bood aan de extreme opvattingen van de NVU. Tegelijkertijd voegde hij daaraan toe dat hij als politicus niet wil bepalen «wie er bij de publieke omroep mag komen opdraven».
Over dat laatste kan geen misverstand bestaan: de Mediawet bepaalt nadrukkelijk dat de omroepinstellingen zelf de vorm en inhoud van hun media-aanbod bepalen en daar verantwoordelijk voor zijn. Dat geldt zowel voor de publieke als voor de commerciële omroepinstellingen.
Deze zogeheten redactionele autonomie vormt een hoeksteen van het mediabeleid: het garandeert dat de nieuws- en informatievoorziening aan de burgers geschiedt in volstrekte onafhankelijkheid. Dat is van groot belang voor het goed functioneren van onze parlementaire democratie. Dat laat onverlet dat over de keuzes en afwegingen die nieuwsredacties maken – in dit geval de redactie van het programma Pauw – verschillend kan worden gedacht, in voorkomende gevallen ook door de Minister van SZW.
Deelt u de mening dat hiermee de eenheid van kabinetsbeleid wordt doorbroken?
Volstrekt niet. De Minister van SZW heeft juist de kern van het mediabeleid verwoord: de overheid bemoeit zich niet met de vorm en inhoud van het media-aanbod.
Bent u eindelijk bereid u uit te spreken over de inhoud van programma’s, in het bijzonder over de eenzijdige linksheid van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO)?
Ik kan u gerust stellen: ik blijf bij mijn bestendige gedragslijn en vel geen oordeel over de redactionele keuzes van programmamakers.
Het bericht ‘Bodem en water rond appel- en perenboomgaarden vol landbouwgif’ |
|
Rik Grashoff (GL) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Het appelgif valt ver van de boom» van Greenpeace?1
Ja.
Deelt u de zorgen van Greenpeace over de conclusie dat de afzet van pesticiden per hectare in Nederland het hoogst is in Europa? Zo ja, welke acties onderneemt u om dit te verminderen?
Nee. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is een randvoorwaarde om hoogwaardig, gezond en veilig voedsel te produceren. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt individuele middelen in een bepaalde teelt gedurende het teeltseizoen aan de hand van internationaal vigerende toetsingskaders. Deze beoordeling leidt alleen tot een toelating van individuele middelen als er geen onaanvaardbare risico’s zijn voor mens, dier en milieu. Bij goed landbouwkundig gebruik – voorgeschreven dosering en frequentie – zijn de risico’s van individuele middelen daarmee aanvaardbaar.
Mijn inzet, zowel nationaal als op Europees niveau, richt zich op het versnellen van de transitie naar een vergroening van gewasbeschermingsmiddelen en naar een voedselproductie die minder afhankelijk is van gewasbeschermingsmiddelen. Hierbij hoort ook het uitbreiden van het middelenpakket met meer biologische, natuurvriendelijke en alternatieve middelen en maatregelen. Ik verwijs u hiervoor naar de eerdere brieven hierover van 30 oktober 2014 (Kamerstuk 27 858, nr. 276), 2 december 2014 (Kamerstuk 27 858 nr. 279) en 30 oktober 2015 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 884).
Kan u de uitspraak van Greenpeace dat «de normen voor waterkwaliteit in meer dan helft van de meetpunten wordt overschreden» bevestigingen? Zo nee, waarom niet?
Dit beeld volgt ook uit de Bestrijdingsmiddelenatlas (www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl) en het landelijk meetnet gewasbeschermingsmiddelen land- en tuinbouw. In de nota «Gezonde Groei, Duurzame Oogst» staan daarom doelen om het aantal normoverschrijdingen in het oppervlaktewater te verminderen – met 50% in 2018 en 95% in 2023 – en maatregelen om dat te bereiken.
Deze maatregelen zijn het verbreden van de verplichte teeltvrije zone en het verhogen van het percentage driftreductie van 50% naar 75% in de open teelten en het verplichten van het zuiveren van afvalwater door de glastuinbouw. Daarnaast vindt er constructief overleg plaats met de fruitteelt over het uitvoeren van extra driftbeperkende maatregelen.
In het rapport stelt Greenpeace dat er sprake is van gebrekkige handhaving van milieuvoorschriften in de fruitteelt; heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) recent onderzoek naar de naleving in deze sector gedaan en wat was de conclusie van dit onderzoek? Is er tevens voldoende capaciteit bij de NVWA om op naleving te controleren?
De NVWA heeft – zoals in het rapport van Greenpeace-rapport staat – in de jaren 2008 en 2012 nalevingsonderzoek uitgevoerd in de fruitteelt. Dit onderzoek richtte zich onder andere op het gebruik en het op voorraad hebben van in Nederland toegelaten middelen en het gebruik van middelen volgens de voorschriften. In 2012 leefde 63% van de bedrijven alle regels na. Hierdoor is de fruitteelt één van de prioritaire doelgroepen.
Van de bedrijven overtraden 20% de regels onbewust (bijvoorbeeld niet goed reinigen van spuitapparatuur na een vorig gebruik) en 17% bewust (bijvoorbeeld gebruik niet in de teelt toegelaten middelen). De bewuste overtreders zijn beboet. De NVWA is voornemens in 2016 opnieuw in de fruitteelt een uitgebreid project uit te voeren gericht op het verbeteren van de naleving.
De NVWA handhaaft risicogebaseerd. Dit geldt ook voor handhaving op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het jaarplan van de NVWA bevat naast het nalevingsonderzoek in een aantal specifieke sectoren, controles op het juist toepassen van gewasbeschermingsmiddelen in alle sectoren, controles van de import en de kwaliteit van middelen en speciale projecten (bijvoorbeeld het voldoen aan de nieuwe voorschriften voor metam-natrium). Daarnaast worden er herinspecties uitgevoerd bij ernstige omissies. In het jaarplan 2016 wordt – naast het eerder genoemde uitgebreide project in de fruitteelt – ook een uitgebreid project gepland in de sierteelt onder glas.
Bent u voornemens om aanvullende maatregelen af te kondigen voor de fruitteelt, zodat er snel minder landbouwgif in de bodem en in het water rond appel- en perenboomgaarden terecht komt? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb vermeld, zijn in de fruitteelt al maatregelen verplicht om de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater te verminderen en vindt constructief overleg plaats met de sector over het uitvoeren van verdere driftbeperkende maatregelen.
Bent u tevens bereid om in gesprek te gaan met de sector over de resultaten van dit rapport en om de Kamer hiervan op de hoogte te stellen?
Ja, zie ook het antwoord op vraag 3.
Het verkrijgen van panda’s uit China |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat door de jaren heen drie Minister-Presidenten, te weten Wim Kok, Jan Peter Balkenende en Mark Rutte, brieven hebben geschreven aan de Chinese autoriteiten over de huur van pandaberen?1 Zo ja, wat was de strekking van deze brieven? Welke argumenten werden gebruikt richting China om de panda’s naar Nederland te krijgen? Kan de Kamer inzage krijgen alle brieven die vanuit het kabinet inzake de levering van panda’s zijn geschreven? Zo nee, waarom niet?
De komst van de panda’s is onderdeel van een uitgebreid natuurbeschermingsproject waaraan Ouwehands Dierenpark gaat deelnemen. De dierentuin heeft zich de afgelopen 15 jaar ingezet om te kunnen participeren in het Chinese natuurbeschermingsprogramma ter bescherming van de reuzenpanda. In de afgelopen jaren heeft het kabinet op verschillende niveaus en manieren met de Chinese autoriteiten gesproken over bilaterale samenwerking tussen China en Nederland ter bescherming van de reuzenpanda en heeft aangegeven de inzet van Ouwehands Dierenpark richting de Chinese autoriteiten te ondersteunen.
Het uitgebreide natuurbeschermingsproject waaraan Ouwehands Dierenpark gaat deelnemen omvat naast de panda-uitleen ook andere elementen. Hiermee worden onderzoek, fokprogramma’s en programma’s om de reuzenpanda weer terug te brengen in het wild gefinancierd. Ook zal Ouwehands Dierenpark in Nederland onderzoek doen in samenwerking met Wageningen Universiteit. Verder biedt de samenwerking op het gebied van panda’s een goede basis om ook rond andere dierenbeschermingsprogramma’s samen te werken met China. Het biedt de kans om expertise en ervaring uit te wisselen en bij te dragen aan onderzoek, fokprogramma’s en programma’s om de reuzenpanda weer terug te brengen in het wild.
Deelt u de mening dat de Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken zich met belangrijkere zaken bezig zouden moeten houden dan met het verkrijgen van pandaberen voor een dierentuin?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het ethisch acceptabel dat dieren in het algemeen, en panda’s in het bijzonder, inzet zijn van diplomatieke en economische relaties? Zo ja, waarom vindt u dat?
Dat China deze panda’s uitleent aan Nederland is een reflectie van de bijzondere en brede relaties die Nederland en China met elkaar hebben. Zoals hierboven staat beschreven is de uitleen onderdeel van een breder programma dat zich richt op bescherming van de reuzenpanda.
Vindt u het maatschappelijk en ethisch acceptabel om, door het accepteren van de panda’s, ja te zeggen tegen een innigere handelsrelatie met een land dat op grote schaal mensen- en dierenrechten schendt? Zo ja, hoe rechtvaardigt u een nauwere handelsrelatie met China? Zo nee, bent u bereid af te zien van het «pandageschenk»?
Economische diplomatie en aandacht voor mensenrechten zijn geen gescheiden trajecten. Rechtszekerheid, respect voor de rechtsstaat en mensenrechten maken een land economisch aantrekkelijker en sterker. Nederland zal ook daarom in de toekomst de dialoog met China blijven aangaan over deze onderwerpen.
Kunt u uiteenzetten hoe de aantasting van het welzijn van deze pandaberen, vanwege het langdurige transport en verandering van leefomgeving, zich verhoudt tot het doel van het Ouwehands Dierenpark om met de panda’s extra publiek te trekken?
Het vervoer van de pandaberen zal geschieden conform de normen van de internationale luchtvaartorganisatie IATA en de eisen die hiervoor in het kader van CITES (Convention on International Trade in Endangered Species of wild fauna and flora) worden gesteld. Er is de Chinese overheid en de ontvangende dierentuin alles aan gelegen om het vervoer vanuit het fokcentrum in China naar de Nederlandse dierentuin zo goed mogelijk te laten verlopen, zonder nadelige gevolgen voor het welzijn van de panda’s. Ouwehands Dierenpark heeft aangegeven deze bijzondere, bedreigde diersoort graag te willen huisvesten en hoopt dat de panda’s voor nageslacht zullen zorgen. Op die wijze kan Ouwehands Dierenpark bijdragen aan het behoud van deze diersoort. Aangezien de panda’s bij het grote publiek een bekende en geliefde diersoort zijn, hoopt de dierentuin op extra bezoekers om daarmee ook de kosten van huisvesting en verzorging van deze panda’s te kunnen bekostigen.
Hoe kunt u garanderen dat de driemaandelijkse cursus over de verzorging van pandaberen voldoende is om borg te dragen voor de intensieve zorg die deze kwetsbare soort nodig heeft?
De Chinese overheid zorgt ervoor dat de kennis, die in het fokcentrum in China is opgedaan met betrekking tot een optimale verzorging, huisvesting en voeding van de pandaberen, wordt overgedragen op de Nederlandse verzorgers. Hiervoor is een overeenkomst gesloten tussen het Chinese fokcentrum en Ouwehands Dierenpark, waarin garanties zijn opgenomen voor het welzijn van de panda’s.
Hoeveel huur wordt jaarlijks voor de pandaberen betaald? Kunt u garanderen dat er geen Nederlands belastinggeld gaat naar de huur voor de panda’s?
De dierentuin draagt de kosten van dit programma.
Is er geld door de Nederlandse overheid in het gehele traject geïnvesteerd in het naar Nederland halen van de panda’s? Zo ja, hoeveel?
De Nederlandse regering heeft de afgelopen jaren op diverse momenten de inzet van Ouwehands Dierenpark richting de Chinese autoriteiten ondersteund. De Nederlandse overheid heeft hier geen geld in geïnvesteerd.
Flexwerkers in dienst bij DUO, het UWV en de Belastingdienst |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven welk percentage van de medewerkers van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en de Belastingdienst via een uitzendbureau in dienst is? Zo ja, kunt u dat ook aangeven voor de callcentermedewerkers en vergelijkbaar personeel bij deze instanties?
Belastingdienst
6,4%
64,5%
3,4%
DUO
18%
46%
8%
UWV
6,7%
67,5%
3,7%
Het percentage is gebaseerd op het aantal uitzendkrachten in FTE en het totale aantal medewerkers bij de organisatie in FTE op 1 oktober 2015. Vanwege de specifieke vraagstelling zijn verschillende bronnen geraadpleegd en gecombineerd. Hierdoor kan enige afwijking mogelijk zijn met betrekking tot andere beschikbare informatie.
Voor de goede orde merk ik op dat bij het inlenen van uitzendkrachten sprake is van externe inhuur en dat uitzendkrachten in dienst zijn van het uitzendbureau en niet een dienstverband hebben bij de Belastingdienst, de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) of het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV).
Hoeveel van de medewerkers die via een uitzendbureau in dienst zijn bij deze instanties krijgt een vast contract? Kunt u dat ook aangeven voor de callcentermedewerkers en vergelijkbaar personeel?
Registratie van uitzendkrachten in het personeelsinformatiesysteem van de inlenende organisatie is geen standaard. Daarnaast vindt bij indiensttreding geen registratie plaats van de vorige werkgever. Alleen door een vergelijking van verschillende informatiebronnen, voor zover deze beschikbaar zijn, is het mogelijk aan te geven welke medewerkers via een uitzendbureau in dienst zijn gekomen bij de betreffende organisaties. Het al dan niet beschikbaar zijn van deze informatie is afhankelijk van de organisatie.
Bij de Belastingdienst is instroom van uitzendkrachten afhankelijk van het aantal vacatures en is geen vast jaarlijks gegeven. In 2014 zijn bijvoorbeeld bij de Belastingdienst in totaal 505 uitzendkrachten van de circa 2.500 uitzendkrachten in dienst genomen. Hiervan waren 260 uitzendkrachten werkzaam bij de Belastingtelefoon die bij diverse onderdelen van de Belastingdienst zijn ingestroomd.
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft 16 november jongstleden met de vakbonden een convenant gesloten over de inzet van uitzendkrachten bij DUO. Het convenant houdt in het geleidelijk afbouwen van de huidige flexibele schil, het vervangen van externen door interne medewerkers en het openstellen van vacatures, waarop na het volgen van de normale procedure voor eigen- en rijkspersoneel uitzendkrachten kunnen solliciteren. De afspraken in het convenant leiden ertoe dat:
Bij het UWV zijn in de eerste drie kwartalen van 2015 133 van de circa 1.400 uitzendkrachten in dienst genomen op tijdelijke dan wel vaste basis. In deze periode zijn bij de divisie Klant en Service (callcenter) 16 van de circa 700 uitzendkrachten op vaste basis in dienst genomen. Het in dienst nemen van uitzendkrachten bij de divisie Klant en Service is een lopende ontwikkeling om toe te groeien naar een verhouding vast/tijdelijk van 40/60. Na het derde kwartaal zijn nog 164 uitzendkrachten op vaste basis in dienst genomen.
Uiteraard geeft de sector Rijk uitvoering aan artikel 8b van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). Met inachtneming van de geldende rechtspositieregelgeving en vacaturebeleid, zoals voorrangspositie voor Van-Werk-Naar-Werk-kandidaten, kunnen uitzendkrachten op dezelfde wijze als ambtenaren zonder voorrangspositie kennis nemen van een vacaturemelding op de Mobiliteitsbank, zodat uitzendkrachten dezelfde kansen hebben op een vaste aanstelling.
Vindt u dat de instanties, met name voor de callcentermedewerkers en vergelijkbaar personeel, het goede voorbeeld geven dat flexwerkers «gewoon weer in dienst worden genomen», zoals uitgesproken in het regeerakkoord?1
In mijn brief van 11 oktober 2013 aan uw Kamer2 is uiteengezet op welke wijze invulling wordt gegeven aan de afspraken uit het regeerakkoord over de inzet van medewerkers in lage loonschalen bij het Rijk. Gelet op het beloningsniveau van de werkzaamheden horen callcentermedewerkers niet tot deze doelgroep.
Als uitwerking van de kabinetsreactie op de motie Van Weyenberg, Heerma en Mulder over op welke wijze de rijksoverheid handelt in de geest van de Wet werk en zekerheid (Wwz)3 is op 1 november 2015 de circulaire toepassing Wet werk en zekerheid bij de rijksoverheid in werking getreden4. Het uitgangspunt bij de rijksoverheid is dat de inzet van flexibele contractvormen zich beperkt tot tijdelijke werkzaamheden. Voor structurele werkzaamheden geldt dat deze werkzaamheden zullen worden verricht op basis van een aanstelling als ambtenaar.
Klopt het dat mensen die als uitzendkracht bij deze instanties werken andere arbeidsvoorwaarden hebben dan mensen die vergelijkbaar werk doen maar in vaste dienst zijn? Zo ja, vindt u het te rechtvaardigen dat mensen die hetzelfde werk doen bij de overheid, daar anders voor beloond worden?
Voor uitzendkrachten die werkzaam zijn bij de sector Rijk, zoals de Belastingdienst en DUO, geldt gedurende de gehele inhuurperiode de zogenaamde inlenersbeloning. Dit betekent dat de uitzendkracht wordt beloond volgens het beloningssysteem van de inlenende organisatie, in casu het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. Hierdoor ontvangt de uitzendkracht hetzelfde salaris en grotendeels dezelfde toeslagen en kostenvergoedingen als de ambtenaar, die is aangesteld bij de sector Rijk, en wordt de salarisontwikkeling van de sector Rijk gevolgd.
Het UWV is een zelfstandig bestuursorgaan dat niet tot de sector Rijk hoort. Bij het UWV geldt een vergelijkbare beloningssystematiek voor de uitzendkrachten, waarbij uiteraard wordt aangesloten bij de UWV cao.
Het systeem van arbeidsvoorwaarden en CAO’s brengt met zich mee dat er altijd verschillen zullen zijn tussen de rechtspositie en arbeidsvoorwaarden van uitzendkrachten enerzijds en werknemers en ambtenaren van overheidsorganisaties anderzijds. Een uitzendkracht heeft een andere werkgever en voor hem geldt een andere cao. Daarnaast geldt in het bijzonder voor de rijksambtenaren het ambtenarenrecht en voor de uitzendkracht het civiele arbeidsrecht.
Bent u bereid te onderzoeken of een flexpool voor callcentermedewerkers bij de overheid tot de mogelijkheden behoort om deze mensen meer zekerheid te bieden?
Het inrichten van een flexpool voor callcentermedewerkers ligt niet voor de hand. De callcentermedewerkers krijgen een uitgebreide inhoudelijke opleiding op het vakgebied of een deel van het vakgebied van de betreffende organisatie. Aangezien de vakgebieden van de Belastingdienst, DUO en het UWV nagenoeg geen overlap hebben, heeft de inhoudelijke kennis van een medewerker van één van de organisaties geen meerwaarde voor de andere organisaties en omgekeerd.
Hoe gaat u voorkomen dat er in de toekomst wederom misstanden kunnen ontstaan, zoals bij DUO nu al meerdere keren is voorgekomen?2
Zie hiervoor het antwoord van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eerder uw Kamer antwoord gegeven op vragen van het lid van Raak (SP)6 en het lid Voortman (GroenLinks)7 over de inzet van uitzendkrachten bij DUO.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de plenaire behandeling van de begroting 2016 van Binnenlandse Zaken?
Het verkrijgen van de benodigde informatie voor beantwoording van de vragen vergde enige tijd en maakte het niet mogelijk de antwoorden aan uw Kamer te sturen voor de plenaire behandeling van de begroting 2016 van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
De inval van de Turkse politie bij een mediaconcern in Turkije |
|
Marit Maij (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bestorming door de Turkse politie van een mediaconcern in Istanbul?1
Welke precieze informatie heeft u over deze gebeurtenis en wat is uw reactie erop?
Op welke wijze bent u bereid deze gebeurtenis scherp te veroordelen en de Turkse ambassadeur bij u op het matje te roepen?
Deelt u de opvatting dat dit optreden van de Turkse regering een forse schending van de persvrijheid in Turkije oplevert? Zo ja, op welke wijze kunt u in Europees verband aandacht vragen voor de persvrijheid in Turkije en eraan bijdragen dat dit namens de EU richting Turkije geadresseerd wordt?
Deelt u de opvatting dat deze inval tevens een inbreuk op de democratische rechtsorde in Turkije inhoudt, nu deze plaatsvindt vlak voor de parlementsverkiezingen? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhouden zulke inbreuken op de persvrijheid en de democratische rechtsorde zich met de ambities van Turkije om lid te worden van de Europese Unie? Deelt u de mening dat Turkije geen lid kan worden van de EU als dit soort inbreuken op de persvrijheid niet volledig wordt uitgebannen?
Hoe beoordeelt u het gegeven dat een jaar geleden ook al tientallen journalisten werden gearresteerd en er blijkbaar geen enkele veranderde houding in het optreden van de Turkse regering is te bespeuren? Welke instrumenten heeft de EU om hier in het belang van de persvrijheid in Turkije toch vooruitgang op te kunnen stimuleren?2
Het artikel “Eumedion vreest uitbuiting kleine aandeelhouders” |
|
Jeroen van Wijngaarden (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Eumedion vreest uitbuiting kleine aandeelhouders»?1
Ja. Ik heb ook kennis genomen van het concept position paper van Eumedion hierover.
Ziet u net als institutionele beleggers risico’s in de toegenomen concentratie van macht en zeggenschap van controlerende aandeelhouders bij Nederlandse beursvennootschappen?
Alvorens deze vraag te beantwoorden, hecht ik eraan nader in te gaan op de gegevens uit het concept position paper. Eumedion stelt dat het aantal Nederlandse beursvennootschappen met een controlerend aandeelhouder (gedefinieerd als een partij die meer dan 30% van de stemrechten houdt) bijna verdubbeld is in vergelijking met tien jaar geleden. In 2005 kende 23% van de beursvennootschappen met statutaire zetel in Nederland een controlerend aandeelhouder, terwijl dit percentage in 2015 44% bedraagt, aldus Eumedion. Ik wil dit geschetste beeld van «verdubbeling» van het aantal vennootschappen met controlerende aandeelhouders nuanceren en er tevens op wijzen dat het aantal aan Euronext Amsterdam genoteerde vennootschappen met statutaire zetel in Nederland tussen 2005 en 2015 is afgenomen. Het percentage van 23% komt uit het onderzoek van Van der Elst, De Jong en Raaijmakers, Een overzicht van juridische en economische dimensies van de kwetsbaarheid van Nederlandse beursvennootschappen, ten behoeve van de SER Commissie Evenwichtig Ondernemingsbestuur. In tabel 39 op p. 52 van het onderzoek wordt over een aantal jaren de concentratie van het aandelenbezit geschetst in vennootschappen met een beursnotering aan Euronext Amsterdam en statutaire vestiging in Nederland (p. 46). Dat waren er in 2005 129 (tabel 35, p. 47), waarvan circa 30 vennootschappen met een controlerend aandeelhouder. Eumedion komt in 2015 tot een percentage van 44% van Nederlandse beursvennootschappen, inclusief vennootschappen die buiten Nederland aan de beurs genoteerd zijn, exclusief administratiekantoren. Dat zijn in totaal 154 (excl. buitenlands genoteerde vennootschappen 99). Het gaat dan om 68 vennootschappen met een controlerende aandeelhouder, waarvan 32 in Nederland aan de beurs genoteerd. Of de concentratie van macht en zeggenschap van controlerende aandeelhouders bij Nederlandse beursvennootschappen is toegenomen, kan ik op basis van deze gegevens niet beoordelen. Ik signaleer – in vogelvlucht – dat aandeelhouders sinds 2005 meer rechten hebben gekregen en actiever zijn geworden, dat vennootschappen meer aandacht hebben voor hun aandeelhouders en dat zowel vennootschappen als aandeelhouders nadrukkelijker worden aangesproken op hun langetermijnbetrokkenheid. In dat licht acht ik het voorstelbaar dat vennootschappen, wellicht meer dan voorheen, op zoek zijn naar stabiele aandeelhouders die zich voor langere tijd aan de vennootschap verbinden. Een controlerend aandeelhouder is doorgaans voor de langere termijn betrokken bij de vennootschap, maar er kunnen ook risico’s kleven aan concentratie van zeggenschap bij een grootaandeelhouder. Ik zal hierop nader ingaan bij de beantwoording van vragen 3, 4 en 5.
Bent u van mening dat minderheidsaandeelhouders van Nederlandse beursvennootschappen met een controlerend aandeelhouder beter beschermd moeten worden tegen deze risico’s? Zo nee, waarom niet?
Eumedion is van mening dat de bescherming van de minderheidsaandeelhouders bij vennootschappen die worden gekenmerkt door een controlerend aandeelhouder achterloopt op die van de minderheidsaandeelhouder na gestanddoening van een openbaar bod. Eumedion meent dat de bescherming van minderheidsaandeelhouders in going concern situaties ten minste gelijk dient te zijn aan die in een post-bidsituatie. Eumedion meent verder dat de bijzondere zorgplicht van meerderheidsaandeelhouders jegens minderheidsaandeelhouders nadere invulling behoeft. Daartoe doet Eumedion een aantal voorstellen. Eumedion meent voorts dat de Nederlandse corporate governance code een te «licht» instrument is voor vennootschappen met een controlerende aandeelhouder die ook gelieerd is aan het bestuur of de raad van commissarissen. De algemene vergadering kan de rol als ultieme «waakhond» van de code niet waarmaken wanneer de vergadering wordt gedomineerd door een dergelijke controlerende aandeelhouder, aldus Eumedion.
Het Nederlandse vennootschapsrecht strekt er enerzijds toe om ondernemers een juridische infrastructuur te bieden die hen in staat stelt hun activiteiten ten volle te ontplooien en anderzijds om de bij de vennootschap betrokkenen, waaronder aandeelhouders en crediteuren, voldoende bescherming te bieden tegen (machts)misbruik. Tussen beide doelstellingen dient een zeker evenwicht te bestaan. Het vennootschapsrecht kent waarborgen ter bescherming van de belangen van minderheidsaandeelhouders in de wet en de Nederlandse corporate governance code. Voor alle bij de vennootschappelijke organisatie betrokkenen geldt de verplichting om zich jegens elkaar te gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. De Hoge Raad overwoog dat de in art. 2:8 BW neergelegde regel onder meer mee brengt dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders. De uitwerking van deze zorgvuldigheidsplicht zal mede afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer in aanmerking mag worden genomen dat sprake is van minderheidsaandeelhouders en meerderheidsaandeelhouders (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145). Het bestuur en de raad van commissarissen hebben het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming als richtsnoer en zijn gebonden aan normen voor behoorlijke taakvervulling en voor het omgaan met tegenstrijdige belangen. Daarnaast hebben aandeelhouders die een bepaald deel van het geplaatst kapitaal vertegenwoordigen het recht om een rechterlijke machtiging te verzoeken tot bijeenroeping van een algemene vergadering, een onderwerp op de algemene vergadering te agenderen, en om een enquête te verzoeken. Voorts dient het bestuur de algemene vergadering inlichtingen te verschaffen en alle besluiten omtrent een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming ter goedkeuring voor te leggen. Aandeelhouders met een redelijk belang kunnen ook vernietiging van een besluit van een orgaan vorderen. Daarnaast worden beleggers beschermd door wet- en regelgeving op basis van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Zo is een aandeelhouder wanneer deze overwegende zeggenschap (30% of meer van de stemrechten in de algemene vergadering) in een beursvennootschap verkrijgt, op grond van art. 5:70 van de Wft verplicht om een openbaar bod uit te brengen op alle overige aandelen. Dit biedt beleggers met een minderheidsbelang de mogelijkheid om hun aandelen van de hand te doen. Het verplichte openbaar bod moet plaatsvinden tegen een billijke prijs. Het vennootschaps- en effectenrecht vloeien voor een deel voort uit Europese regelgeving.
Het risico dat een meerderheidsaandeelhouder zijn invloed in de vennootschap aanwendt ten koste van het belang van de vennootschap, inclusief belangen van minderheidsaandeelhouders, wordt mede door bovenstaande normen tegengegaan. Daarbij is er een samenstel van materiële normen en procedurevoorschriften. Procedurevoorschriften zijn bijvoorbeeld gekwalificeerde meerderheids- of quorumeisen aan bepaalde besluiten, of een goedkeuringsrecht van een orgaan van de vennootschap. Dergelijke voorschriften stellen bepaalde drempels aan de besluitvorming. Dit biedt minderheidsaandeelhouders een hogere mate van bescherming, ten koste van een verminderde slagvaardigheid van de vennootschap. Voor procedurevoorschriften speelt rechtszekerheid een grote rol, omdat een besluit niet tot stand komt of niet wordt uitgevoerd indien niet aan de eisen wordt voldaan. De materiële, open normen vloeien bijvoorbeeld voort uit het recht om vernietiging van een besluit te vorderen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid, uit het enquêterecht wegens gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, of uit de aansprakelijkstelling van een bestuurder wegens onbehoorlijke taakvervulling. Deze normen spelen een rol bij de afweging die organen van de vennootschap maken bij hun handelen en besluitvorming, maar belemmeren deze niet op voorhand. Wel zijn kosten verbonden aan het starten van een procedure en is de toegang tot procedures beperkt tot wettelijk afgebakende belanghebbenden.
Eumedion stelt verschillende procedurevoorschriften voor (bijvoorbeeld quorumeisen aan bepaalde besluiten en het bij bepaalde besluiten niet meetellen van stemrecht van controlerende aandeelhouders). Mede in het licht van bovenstaande, ligt het in de rede om terughoudend te zijn om nieuwe procedurevoorschriften te introduceren.
Eumedion kwalificeert haar concept position paper als discussiestuk en nodigt uit tot commentaar. Ik vind het prijzenswaardig dat Eumedion actief inspringt op recente ontwikkelingen en eerst een discussie met belanghebbenden over haar voorstellen wil voeren. Ik wacht de definitieve voorstellen van Eumedion – en de onderbouwing ervan – met belangstelling af.
Wat vindt u van de door Eumedion gepresenteerde voorstellen om minderheidsaandeelhouders beter te beschermen?2
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om, in navolging van de voorstellen van Eumedion, wettelijke maatregelen te treffen om de bescherming van minderheidsaandeelhouders beter te borgen? Zo ja, welke maatregelen gaat u concreet nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe bent u van plan de genoemde toezeggingen uit het position paper in te vullen? (Het gaat hierbij om de toezeggingen van het kabinet om i) «de wijze waarop na het uitbrengen van een openbaar bod «uitstoting» van, en verkoop door, minderheidsaandeelhouders in Nederlandse doelvennootschappen plaatsvindt en de positie van minderheidsaandeelhouders in algemene zin, zoals neergelegd in het Burgerlijk Wetboek nader te bezien en ii) de Wet bestuur en toezicht in 2016 te evalueren»).
In het kader van de consultatie van het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit openbare biedingen Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en het Besluit artikel 10 overnamerichtlijn is door diverse betrokkenen een aantal aandachtspunten naar voren gebracht die van belang zijn voor het verloop en de uitkomst van openbare overnamebiedingen. Dit betreft onder meer de wijze waarop na het uitbrengen van een openbaar bod «uitstoting» van, en verkoop door, minderheidsaandeelhouders in Nederlandse doelvennootschappen plaatsvindt en de positie van minderheidsaandeelhouders in algemene zin, zoals neergelegd in het Burgerlijk Wetboek. In de nota van toelichting bij dit Besluit van 9 maart 2012 (Stb. 2012, 196) is vermeld dat dit separaat zal worden bezien in overleg met de Minister van Veiligheid en Justitie. Het position paper van Eumedion vormt een goede aanleiding om aan deze toezegging vervolg te geven. Ook om die reden wacht ik de definitieve voorstellen van Eumedion met belangstelling af.
Bij de parlementaire behandeling van de Wet bestuur en toezicht heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd de wet na drie jaar te evalueren. De evaluatie staat gepland voor 2016, drie jaar na de inwerkingtreding van de wet. De evaluatie heeft betrekking op de volgende onderdelen van de wet: aansprakelijkheid van bestuurders (artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek); belang van de vennootschap als richtsnoer voor bestuurders (artikel 2:129/239 lid 5 BW); tegenstrijdig belang bestuurders (artikel 2:129/239 lid 6 BW); monistisch bestuursmodel (2:129a/239a, 132/242 lid 1, 134/244 en 164a/274a BW); overeenkomst met bestuurder geen arbeidsovereenkomst (2:132 lid 3); beperking combinatie aantal bestuurs- en toezichtsfuncties (2:132a/242a/297a BW); bindende voordracht (2:133 BW); tegenstrijdig belang commissarissen (2:140/250 lid 5 BW); beperking aantal commissariaten (2:142a/252a/297b BW) en evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen (artikel 2:166/276 BW). Doel van de evaluatie is om na te gaan of de doelstellingen van de wet zijn bereikt en of de wet werkt zoals beoogd.
De uitspraken van de voorzitter van de Regiegroep Vitale Varkenshouderij, waarin hij stelt dat hij geen heil ziet in het verkleinen van de varkensstapel. |
|
Sjoera Dikkers (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Mes niet in varkensstapel»?1
Ja.
Kunt u reageren op de uitspraken van de heer Rosenthal (voorzitter van de Regiegroep Vitale Varkenshouderij), waarin hij stelt dat hij geen heil ziet in het verkleinen van de varkensstapel om daarmee de malaise in de sector te lijf te gaan?
Het huidige ondernemersmodel waarbij de varkenshouderij sterk afhankelijk is van export naar derde landen en moeite heeft om te concurreren vanwege gebrek aan onderscheidend vermogen, biedt op termijn weinig perspectief. De slechte marktsituatie in de varkenshouderij onderstreept de noodzaak om te komen tot een versnelde vitalisering van de sector. De Regiegroep vitale varkenshouderij onder leiding van de heer Rosenthal zet zich in op het versterken van de marktoriëntatie en marktpositie van de Nederlandse varkenssector met onderscheidende kwaliteitsproducten binnen de wettelijke kaders en de gemaakte afspraken over duurzaamheid. De nadruk ligt hierbij primair op de Europese markt. De omvang van de varkensstapel kan een resultante zijn van dit proces. Het is aan de Regiegroep vitale varkenshouderij om zich te buigen over noodzakelijke maatregelen, de gevolgen hiervan voor de varkenshouders, mogelijke flankerende maatregelen en de gevolgen voor de omvang van de varkensstapel. De regiegroep zal begin 2016 een plan van aanpak presenteren.
Deelt u de mening dat het verkleinen van de varkensstapel juist wel nodig is, niet alleen om de crisis in de varkenssector te stoppen maar ook om het milieu en de omgeving van deze bedrijven te ontzien?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het zowel onrealistisch als ongewenst is dat vanuit Nederland grote delen van de wereld van varkensvlees worden voorzien, en dat deze varkens beter lokaal kunnen worden gehouden om zowel de omwonenden als het milieu in Nederland te ontzien?
Circa 80% van de Nederlandse export van varkensvlees vindt plaats naar de Europese markt, de overige export vindt plaats naar naburige landen en overige derde landen. De opmerking van de heer Rosenthal over het versterken van de exportstrategie naar de wereldmarkt heeft vooral betrekking op neven- en restproducten van het varken die niet in Europa geconsumeerd worden. Het optimaal verwaarden van alle onderdelen van het varken is belangrijk voor het rendement van de varkenshouderij. Dit geldt zowel voor het gangbaar als het onder duurzame concepten geproduceerde varkensvlees zoals Beter Leven kenmerk en biologisch.
Bent u bereid om u in te blijven zetten voor een inkrimping en extensivering van de varkenshouderij? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 2 en 3.
De sociale kloof in de EU |
|
Marit Maij (PvdA), Keklik Yücel (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Sociale kloof in de EU neemt toe»?1 Bent u op de hoogte van het genoemde rapport van de Bertelsmann Stichting?2
Ja en ja.
Wat is uw reactie op het rapport van de Bertelsmann Stichting waaruit blijkt dat de sociale kloof in de EU is toegenomen? Hoe verhouden de uitkomsten van het rapport over werkloosheid en armoede in de EU zich tot de cijfers van de Europese Commissie die hierover officieel beschikbaar zijn? Hoe verhouden de uitkomsten wat betreft Nederland zich tot de officiële Nederlandse cijfers?
Het rapport van de Bertelsmann Stichting laat zien dat Europa nog voor grote uitdagingen staat, ondanks de voorzichtige eerste tekenen van economisch herstel. Het rapport laat ook zien dat hoewel de financieel-economische crisis alle lidstaten geraakt heeft, sommige lidstaten harder getroffen zijn dan anderen. Ook het economisch herstel is niet in alle landen even robuust. De urgentie van de strijd tegen werkloosheid en armoede is groot. Structurele hervormingen in de lidstaten zijn noodzakelijk om de economische groei te bevorderen en de werkgelegenheid te stimuleren. Nederland benadrukt daarom in EU-verband het belang van structurele hervormingen door lidstaten. Armoedebestrijding is bovendien één van de prioriteiten tijdens het Nederlandse voorzitterschap. Hoewel armoedebestrijding in de eerste plaats de verantwoordelijkheid is van de lidstaten zelf, kunnen lidstaten wel van elkaar leren door kennis en ervaringen uit te wisselen. Tijdens het voorzitterschap zal Nederland zich ervoor inzetten om de uitwisseling van «best practices» op het gebied van armoedebestrijding te bevorderen.
De cijfers over armoede en werkloosheid die in het rapport van de Bertelmann Stichting gebruikt worden, komen van Eurostat. Eurostat is het statistische bureau van de Europese Unie. De Europese Commissie maakt net als de Bertelmann Stichting gebruik van deze Eurostat cijfers. De Nederlandse cijfers worden door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) aangeleverd aan Eurostat. De Eurostat cijfers en de officiële Nederlandse cijfers van het CBS zijn dus gelijk aan elkaar.
Wat is uw reactie op de uitkomst van het rapport dat het aantal EU-burgers tussen de 20 en 24 jaar dat geen werk heeft en ook geen opleiding volgt in 25 van de 28 lidstaten is toegenomen en dat alleen in Duitsland en Zweden het perspectief voor deze leeftijdsgroep verbeterd is? Wat zegt deze uitkomst volgens u over de effectiviteit van de Europese Jeugdgarantie? Moet de effectiviteit van de Jeugdgarantie volgens u vergroot worden? Zo ja, op welke wijze?
Het baart mij zorgen dat – ondanks dat het herstel van de financiële crisis is ingezet – het aantal jongeren in Europa tussen de 20 en 24 jaar dat geen baan heeft of opleiding volgt in de meeste lidstaten niet is verminderd. Dit geldt overigens niet voor de totale doelgroep van de Jeugdgarantie, 15 tot 24-jarigen. Daar is er juist verbetering te constateren voor de EU als geheel en ook voor een meerderheid van de afzonderlijke lidstaten3.
De Jeugdgarantie is medio 2014 van start gegaan met als doel de bestrijding van jeugdwerkloosheid. De eerste activiteiten op het gebied van de Jeugdgarantie in verschillende lidstaten zijn volgens een recente analyse van de Europese Commissie4 bemoedigend. Zo zijn o.a. het instrumentarium en het institutionele raamwerk om jongeren aan een baan te helpen in de Europese lidstaten versterkt. Wel bestaan er verschillen tussen lidstaten in de mate van waarin deze verbeteringen zijn doorgevoerd. Maar het is in mijn ogen nog te vroeg om op basis daarvan (in samenhang met dit rapport) conclusies te trekken over de effectiviteit van dit instrument. Ik kan daarom in dit stadium niet oordelen of en hoe de effectiviteit van de Jeugdgarantie vergroot zou moeten worden.
Hoe brengt Nederland het er vanaf wat betreft armoede en werkloosheid onder jongeren in vergelijking met de andere Europese lidstaten? Welke redenen liggen eraan ten grondslag dat het perspectief voor deze groep de afgelopen periode in Nederland niet verbeterd is? Welke maatregelen voorziet u om armoede onder jongeren terug te dringen en hun kansen op werk en een opleiding te vergroten?
In het tweede kwartaal 2015 lag de jeugdwerkloosheid in Nederland op 11%. Internationaal gezien is dat erg goed. Alleen Oostenrijk, Denemarken en Duitsland hebben iets lagere percentages5. Als we kijken naar de indicator voor risico op armoede en sociale uitsluiting zoals ook gehanteerd in de Europa 2020 strategie, zien we dat Nederland het ook goed doet. Het aantal personen met risico op armoede of sociale uitsluiting in de groep 18–25-jarigen is lager dan het EU gemiddelde, en ook lager dan in landen als Zweden, Denemarken en Noorwegen6.
De jeugdwerkloosheid in Nederland laat weliswaar een voorzichtig herstel zien, maar we zijn er nog niet. Ondanks de aantrekkende economie is een deel van de jongeren onnodig (lang) werkloos. Zij kunnen wel werken, maar hebben ondersteuning nodig voor het vinden van werk. Dat deze jongeren onnodig werkloos blijven kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een verkeerde studiekeuze, matig ontwikkelde werknemersvaardigheden, weinig effectief zoekgedrag, het ontbreken van een startkwalificatie en/of van discriminatie. Met de brief van 31 maart 2015 heb ik aangegeven dat het kabinet daarom ook de komende jaren zich blijft inzetten om de kansen op werk voor jongeren te vergroten. Immers, het onbenut laten van jong talent nu en in de toekomst is sociaal en economisch onwenselijk. Zoals eerder toegezegd ontvangt u voor de begrotingsbehandeling van SZW de nadere uitwerking van de plannen.
De veiligheid van LHBT asielzoekers in opvanglocaties |
|
Attje Kuiken (PvdA), Keklik Yücel (PvdA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van 23 oktober 2015 van het COC over de brandbrief aangaande de veiligheid van LHBT asielzoekers in AZC's?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat er vanuit verschillende hoeken signalen komen over asielzoekers die zich vanwege hun geaardheid niet veilig voelen in de opvang en dat er gedreigd wordt met verkrachting en fysieke mishandeling? Zo ja, kunt u aangeven om welke schaal het gaat?
Ik ben ervan op de hoogte dat zowel het COA als het COC signalen hebben ontvangen over LHBT asielzoekers die in de opvang te maken kregen met een onveilige situatie. In de afgelopen periode, waarin er sprake was van een ongekend hoge instroom, heeft zich een tiental meldingen voorgedaan, afkomstig van acht verschillende opvanglocaties. Daaraan voorafgaand was het aantal signalen zeer gering.
Kunt u verklaren hoe het kan dat de problematiek van deze groep asielzoekers wel bij het Centraal Opvang Asielzoekers (COA) wordt gemeld maar dat dit niet heeft geleid tot oplossingen zodat het pesten en de bedreigingen gewoon door gaan?
Het handhaven van de veiligheid in opvanglocaties is een van de prioriteiten van het COA. Het COA is er voorts mee bekend dat een aantal groepen in de opvanglocaties kwetsbaar zijn. Daarom wordt er extra aandacht besteed aan de veiligheid van deze groepen, mede op basis van aanbevelingen uit het in 2012 verschenen rapport inzake het bevorderen van de veiligheid van kwetsbare groepen in de opvang, meer specifiek LHBT’s en christenen. Het aantal signalen omtrent incidenten waarbij LHBT’s betrokken waren was tot voor kort dan ook minimaal. Evenals in de maatschappij buiten de opvanglocaties is het helaas niet mogelijk om volledige veiligheid te garanderen.
Deelt u de mening dat bovenstaande onacceptabel is en de hoge instroom en zware werkdruk voor de COA medewerkers niet ten koste gaat van de veiligheid van deze kwetsbare groep?
Er was de afgelopen periode sprake van een ongekend hoge instroom die tevens gepaard ging met de inzet van noodopvanglocaties. In deze locaties zijn de opvangvoorzieningen zodanig dat de privacy minder dan in de reguliere opvangvoorzieningen geboden kan worden.
Ik ben het met uw Kamer eens dat de hoge instroom en de daaruit voortvloeiende hoge werkdruk voor COA medewerkers niet ten koste mogen gaan van de veiligheid in de opvanglocaties. De COA medewerkers doen er alles aan om ook in deze onorthodoxe situatie veiligheid te blijven bieden, ook in de noodopvanglocaties. Ook hier geldt echter dat volledige veiligheid helaas niet gegarandeerd kan worden.
Bent u bereid passende maatregelen te nemen ter bescherming van de LHBT asielzoekers in de opvang? Zo ja, hoe staat u tegenover gedane voorstellen zoals een aparte categoriale opvang voor LHBT asielzoekers en het instellen van een vertrouwenspersoon?
Zoals in het antwoord op vraag 3 al is aangegeven, heeft het COA veel aandacht voor de veiligheid van kwetsbare groepen in de opvang. Het aantal incidenten, voorafgaand aan de situatie van de hoge instroom, was zeer gering. COA medewerkers zijn getraind om signalen dat er sprake is van een onveilige situatie te herkennen en om hierover in gesprek te gaan. Gesprekken met (potentiele) slachtoffers zijn er mede op gericht om vertrouwen te scheppen en aan te geven dat de bewoner bij de COA medewerkers terecht kan voor hulp en ondersteuning. Tevens kan worden doorverwezen naar belangenorganisaties, in geval van LHBT’s, het COC.
Ik verwijs hierbij tevens naar het vorig jaar tussen het COA en het COC gesloten convenant, waarin is opgenomen dat het voor het gevoel van veiligheid van essentieel belang is dat bewoners met een vertrouwenspersoon kunnen praten over hun situatie en over hun angst. Het convenant vermeldt tevens dat bij het COA de medewerkers deze rol van vertrouwenspersoon hebben. Als medewerkers deze rol niet (voldoende) kunnen invullen ondersteunt het COA hen door middel van voorlichting en training. Ik vind het van belang dat alle COA medewerkers in de opvang voldoende vaardigheden hebben om als vertrouwenspersoon op te treden en zie daarmee geen meerwaarde in een afzonderlijke vertrouwenspersoon.
Categoriale opvang voor LHBT-asielzoekers acht ik niet wenselijk. Een aparte opvang is naar mijn mening stigmatiserend. Ook zou een dergelijke locatie nu juist voorwerp van bedreigingen kunnen worden.
De rookoverlast van houtkachels, haarden en vuurkorven |
|
Yasemin Çegerek (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de waarschuwing van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) voor schadelijke rook uit onder meer houtkachels?1
Ja.
Op welke wijze wordt het advies verspreid dat mensen de kachel niet als hoofdverwarming moeten gebruiken en niet moeten stoken bij windstil weer?
In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu is de handreiking «Houtstook door particulieren, hoe voorkom je overlast?» opgesteld, die onder andere de stoker adviseert over de beste stooktechniek, welke brandstoffen te gebruiken en wanneer beter niet kan worden gestookt. Deze brochure is thans beschikbaar via de link http://www.vvm.info/main.php?id=897, en zal binnenkort worden verspreid via de website van het Platform Houtstook (in oprichting). In dit Platform werkt een brede vertegenwoordiging van partijen uit het veld van onderzoek, maatschappelijke organisaties, ondernemers en overheden samen aan het verminderen en voorkomen van overlast en gezondheidseffecten van houtstook door particulieren. Ook MilieuCentraal geeft op haar website informatie over hoe overlast door houtstook kan worden voorkomen. MilieuCentraal wijst er op dat een toename van houtkachels en open haarden in woonwijken vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit en geurhinder niet gewenst is en adviseert de potentiële koper milieuvriendelijker alternatieven voor verwarming te overwegen. Daarnaast heeft MilieuCentraal een «modelpagina» over overlast door houtstook samengesteld die is gepubliceerd in huis-aan-huis bladen.
Bent u bekend met het rapport «Rookoverlast houtkachels, haarden en vuurkorven: burenruzie of milieuprobleem?» van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG)?2
Ja, het betreft hier een in 2006 verschenen rapport van de wetenschapswinkel van de Rijksuniversiteit Groningen.
Kunt u reageren op de conclusie op pagina 32 van dit rapport dat «De gemeenten aanmerkelijk minder (doen) dan zij kunnen bij het bestrijden van rookoverlast. Dat heeft deels te maken met een laag niveau van regelgeving, maar voor een belangrijk deel ook met mentaliteit: klachten worden bagatelliserend bestempeld als «burenruzies».»?
De in het antwoord op vraag 2 genoemde brochure bevat informatie over wat burgers die overlast ondervinden kunnen doen en hoe GGD-en en gemeenten met klachten van burgers kunnen omgaan. Het is verder aan gemeenten om te bepalen op welke wijze zij invulling geven aan hun bevoegdheden bij het bestrijden van rookoverlast.
Kunt u uw reactie geven op de aanbevelingen voor beleidsmakers die in dit rapport gedaan worden?
De aanbevelingen voor beleidsmakers in het rapport zijn deels gericht aan gemeenten en deels aan de rijksoverheid. Een aantal daarvan heeft betrekking op het verbeteren van de informatievoorziening en het vergroten van het bewustzijn van de overlast door houtrook en de mogelijke gezondheidseffecten daarvan. Hierin zijn door de rijksoverheid inmiddels stappen gezet, zoals is toegelicht bij de antwoorden op de vragen 2 en 4. In Europees verband is in 2014 een voorstel van de Europese Commissie aangenomen om in het kader van de Ecodesign richtlijn de typekeuringseisen eisen voor houtkachels aan te scherpen.
Het bericht dat jeugdzorg belang van het kind uit het oog verliest |
|
Loes Ypma (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jeugdzorg verliest belang kind uit het oog»?1
Ja.
Was u al op de hoogte van de situatie dat kinderen en hun behoeftes niet centraal staan bij de zorg die zij ontvangen? Zo ja, wat is uw aanpak om de situatie van deze kinderen te verbeteren? Zo nee, hoe kan het dat deze signalen u niet bereiken?
Zoals ik uw Kamer per brief van 10 november 2015 over de voortgang van het gedecentraliseerd jeugdstelsel heb aangegeven, herken ik de aandachtspunten in het rapport van de Kinderombudsman, zoals dat de toegang nog in ontwikkeling is, de communicatie naar cliënten beter kan, de wachttijden beperkt moeten zijn en dat de administratieve lasten omlaag moeten. Over al deze punten heb ik de afgelopen maanden overleg gevoerd met gemeenten en aanbieders. In mijn brief van 21 september 2015 aan de wethouders heb ik expliciet aandacht gevraagd voor de communicatie aan burgers, het omgaan met budgetplafonds en wachttijden en terugdringen administratieve lasten. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft in reactie op het rapport aan de aanbevelingen te herkennen en dat deze hoog op de agenda van gemeenten staan.
Hoe beoordeelt u de situatie dat ambtenaren op de stoel van de zorgprofessional gaan zitten, en van daaruit de zorg voor kinderen bepalen? Deelt u de mening dat alleen zorgprofessionals en het kind mogen aangeven wat voor zorg het kind behoeft? Welke stappen moeten ouders ondernemen die dit toch overkomen?
Tijdens het Wetgevingsoverleg van 16 november jl. heb ik met uw Kamer stil gestaan bij de zorgen die er bij uw Kamer leven rond de toegang tot jeugdhulp. Tijdens dit overleg heb ik aangegeven het met uw Kamer eens te zijn dat de belangen van kinderen niet ondergeschikt mogen raken aan de knelpunten rond inkoop, administratieve lasten en communicatie bij de toegang tot jeugdhulp. Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om voor kinderen en hun ouders een adequaat zorgaanbod te bieden. Net zo min als zorgverzekeraars mogen gemeenten niet op de stoel van zorgprofessionals gaan zitten. Hulpverleners hebben een autonome, professionele verantwoordelijkheid. Daarvoor zijn in de wet verschillende waarborgen opgenomen. Zoals kwaliteitseisen ten aanzien van de toegang en de hulpverlening.
Waar kunnen ouders terecht die signalen en klachten hebben dat er geen of niet passende zorg wordt geboden voor hun kind? Hoe gaat u bekend maken aan ouders waar zij terecht kunnen? Wat gaat u vervolgens ondernemen op basis van binnengekomen klachten? Gaat u gemeenten stimuleren deze of soortgelijke aanpakken in te voeren? Bent u bereid hierover overleg te voeren met de VNG?
Ouders kunnen met hun klachten terecht bij de gemeenten. Dat is wettelijk geregeld. Verder zijn er verschillende klacht- en meldpunten en de Kinderombudsman, waar ouders terecht kunnen. De cliëntenorganisaties verzamelen dergelijke signalen in de driemaandelijkse monitor over het jeugdstelsel. Ik heb de Kinderombudsman gevraagd om de voorbeelden waarin het met de toegang en kwaliteit van de jeugdhulp niet goed gaat, aan mij te melden, zodat ik een beeld krijg van de aard en omvang van de problemen. Ik zal de uitkomsten met de VNG bespreken en samen met de VNG bekijken hoe we gemeenten de komende periode kunnen ondersteunen om een duurzame kwaliteitslag in de toegang tot jeugdhulp te realiseren.
Het bericht 'Noorden laat zware misdaad liggen' |
|
Agnes Mulder (CDA), Peter Oskam (CDA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Noorden laat zware misdaad liggen»?1
Ja
Klopt het dat het team Ondermijning van de Dienst Regionale Recherche (DRR) zou worden uitgebreid van 12 tot 75 fte? Is het waar dat dit team nu 18 fte telt? Zo ja, wanneer zal de beoogde uitbreiding worden gerealiseerd?
Het team Opsporing Ondermijning van de Dienst Regionale Recherche heeft per 1 november 2015 een formele bezetting van 35,43 fte en wordt in de nieuwe formatie uitgebreid naar 69 fte.
Mede door de personele reorganisatie heeft het team Opsporing Ondermijning te maken met vacatures. In de Eenheid zijn tijdelijk 12 FTE extra vrijgemaakt die ingezet worden op ondermijning. In november wordt dit aantal nog eens uitgebreid met 12 fte tijdelijke tewerkstellingen en komt de inzet daarmee uit op 59 fte voor het team. Na de personele reorganisatie zullen deze tijdelijke mensen worden vervangen door vaste medewerkers. Uiteraard zijn er naast dit team meerdere medewerkers die zich bezighouden met de aanpak van Ondermijning.
Hoeveel grote onderzoeken, op eigen initiatief van de recherche in Noord-Nederland, zijn er de afgelopen vijf jaar gestart?
Op eigen initiatief zijn er in de jaren 2013, 2014 en 2015 respectievelijk 24, 21 en 26 (d.d. 9 november 2015) grote ondermijningsonderzoeken vanuit de recherche gestart. In de twee daaraan voorafgaande jaren zijn de cijfers niet eenduidig in verband met de overgang van de drie noordelijke korpsen naar de Nationale Politie.
Deelt u de vrees van het Openbaar Ministerie (OM), dat het tekortschieten van recherchecapaciteit Noord-Nederland het aantrekkelijk maakt voor criminelen? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit waterbedeffect te bestrijden?
In het krantenartikel waaraan de leden Oskam en Mulder refereren, blijkt dat de officier heeft gereageerd op een opmerking die de toenmalige burgemeester van Groningen in 2013 heeft gedaan. Hij heeft in algemene termen gesproken over mogelijke effecten van minder politie-inzet op de langere termijn. Hij heeft niet gezegd dat dit «waterbedeffect» nu reeds zichtbaar is.
Deelt u de constatering van het OM, dat de informatiepositie van de politie in Noord-Nederland ondermaats is? Zo ja, welke maatregelen neemt u teneinde die informatiepositie te versterken?
In afwachting van de personele reorganisatie zijn er op dit moment vacatures voor de nieuw in te richten Dienst Regionale Informatie Organisatie (DRIO). De capaciteit van de intelligence organisatie is daardoor nog niet op orde. Hoewel in de afgelopen drie jaar de informatiepositie naar een hoger niveau is gebracht, dient deze nog verder versterkt te worden. In afwachting van de personele reorganisatie is ten aanzien van de aanpak van ondermijning nog 8 fte tijdelijk toegevoegd aan de DRIO. Vanuit de informatiepositie wordt maandelijks een beeld gegeven van ondermijnende criminaliteit in de eenheidsbriefing. Samen met de partners in RIEC verband zijn dit jaar criminaliteitsbeelden verstrekt van ondermijnende criminaliteit op het terrein van hennep en OMG’s. Ook is begin 2015 gestart met een informatieplein ondermijnende criminaliteit.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór de plenaire behandeling van de begroting 2016 van het Ministerie van Veiligheid en Justitie?
Dat is helaas niet gelukt.
Het artikel Moslimrector opnieuw onder vuur, nu om haattweets |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Raad van Toezicht van de Islamitische Universiteit Rotterdam (hierna: IUR) weigert afstand te doen van de eerdere uitspraken en recente tweets van de rector die zoveel commotie veroorzaken?
Ik en ook de inspectie hebben er bij de Raad van Toezicht meerdere malen op aangedrongen te laten zien dat de IUR de principes van de Nederlandse rechtsstaat wel degelijk onderschrijft door afstand te nemen van de uitspraken van de rector, die zich hier niet toe verhouden. Dat is tot op heden niet gebeurd; noch door de Raad van Toezicht, noch door het Stichtingsbestuur. Daarmee geeft de IUR geen blijk van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef en daarom heb ik er tot dusver ook geen vertrouwen in dat de IUR invulling kan en wil geven aan de maatschappelijke opdracht.
Wat vindt u van de rol van de Raad van Toezicht in deze kwestie evenals in de vorige kwesties waarbij uitspraken van de rector van de IUR commotie veroorzaakten?
Tijdens het gesprek dat ik voor de zomer met de Raad van Toezicht en het stichtingsbestuur heb gevoerd over de uitspraken van de rector heb ik de Raad van Toezicht dringend verzocht om maatregelen te nemen. In antwoord daarop heeft de Raad van Toezicht laten weten dat de rector zijn facebookpagina, waarop hij zijn opvattingen verspreidde, zou sluiten. Ik heb toen al aangegeven dat dit een belangrijke stap is, maar nog niet voldoende omdat het niet gaat om het medium maar om de inhoud van zijn uitspraken. Uit de reactie van de Raad van Toezicht is niet gebleken dat de IUR ook daadwerkelijk vindt dat dergelijke uitingen niet passen bij het boegbeeld van een onderwijsinstelling die voor zichzelf een rol ziet in het integratieproces. Ik vind de reactie van de Raad van Toezicht op de uitlatingen van de rector en ook de communicatie hierover ontoereikend. De nieuwe uitlatingen veranderen dat beeld helaas niet.
Wat vindt u ervan dat de rector van de IUR een stemadvies geeft aan Turken in Nederland?
De rector heeft een verantwoordelijke en publieke positie binnen een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs die voor zichzelf een rol ziet in het integratieproces. Dat hij vanuit die positie stemadvies uitbrengt vind ik ongepast. De manier waarop hij zich uitlaat over politieke tegenstanders vind ik onacceptabel. Affiniteit met één van de partijen of opvattingen in de Turkse politiek mogen nooit leiden tot haatdragende uitingen van welke aard ook.
Het niet verlenen van een ontheffing aan Nederlandse kinderen woonachtig in Duitsland die onderwijs in Nederland willen volgen |
|
Karin Straus (VVD) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat kinderen die de Nederlandse nationaliteit hebben, maar woonachtig zijn in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen, geen ontheffing van de Duitse leerplicht meer krijgen om in Nederland hun onderwijs te volgen?
Nee, tot dusver was ik hier niet van de op de hoogte.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is wanneer kinderen die de Nederlandse nationaliteit hebben en woonachtig zijn in Duitsland, geen ontheffing krijgen om in Nederland onderwijs te volgen?
Ja. Om die reden zijn in 2010 daarover ook afspraken gemaakt met NordRhein-Westfalen (NRW).
Kunt u nader ingaan of, en op welke wijze, de houding van de Duitse deelstaat ingaat tegen de Europese afspraken in het kader van het vrije verkeer van goederen, diensten en personen?
Naar aanleiding van deze vraag heb ik contact opgenomen met de autoriteiten in NRW én met de school waar de concrete aanleiding tot het stellen van deze vraag speelt.
Rond 10 december heeft de school bericht ontvangen dat de leerplicht van betrokken leerling(en) toch in Nederland kan worden vervuld en dat dus alsnog ontheffing wordt verleend. Niet helder is of dit een incidentele beslissing is, en dat de betrokken decentrale autoriteit van mening blijft dat de leerplicht eigenlijk in Duitsland moet worden vervuld, óf dat het de correctie is van een éénmalig gemaakte onjuiste interpretatie van de geldende afspraken tussen Nederland en NRW.
Ik heb desgevraagd van het Ministerie van Onderwijs van NRW de verzekering gekregen dat er geen sprake is van een wijziging in het beleid. Dat betekent dat een lokale autoriteit mogelijk structureel of éénmalig de regelgeving onjuist interpreteert. Ik zal mijn collega van NRW vragen in overleg te treden met de betrokken lokale autoriteit, om herhaling te voorkomen.
Bent u van mening dat de onderwijskwaliteit in Nederland en Duitsland van hetzelfde niveau is en derhalve een ontheffing van de leerplicht gerechtvaardigd is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Reeds in 2010 zijn afspraken gemaakt over de erkenning van diploma's en de aansluiting van onderwijstypen bij het wisselen van school tussen Nederland en Duitsland. Een ontheffing van de leerplicht vanwege het volgen van onderwijs in Nederland sluit daarbij aan. Zo is een equivalentielijst opgesteld waarin de twee schoolsystemen van primair en voortgezet onderwijs in Nederland en NRW met elkaar worden vergeleken.
In hoeverre acht u het mogelijk dat de Duitse deelstaat geen ontheffing meer verleent in verband met het krimpend aantal scholieren in de regio? Acht u een dergelijke protectionistische handelwijze wenselijk? Zijn u andere motieven bekend waarom deze ontheffingen niet langer verleend worden?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u inventariseren of, en zo ja in welke omvang, deze problematiek zich ook bij andere aangrenzende (deel)staten voordoet en kunt u deze informatie zo spoedig mogelijk delen met de Kamer?
Zie het antwoord bij vraag 3.
Bent u bereid u in te zetten en bij de Duitse autoriteiten kenbaar te maken dat de Nederlandse overheid de huidige situatie onwenselijk acht en dat er van het weigeren van een ontheffing van de leerplicht geen sprake kan zijn wanneer een leerling onderwijs in Nederland wil volgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord bij vraag 3.
Kunt u de Kamer voor het kerstreces informeren over de uitkomsten van het overleg met de Duitse autoriteiten?
Het doen van navraag en het uitzoeken van deze specifieke casus heeft helaas meer tijd gevergd. Met de antwoorden die ik uw Kamer nu toezend vertrouw ik erop u voldoende te hebben geïnformeerd.
Medische claims over het middel Souvenaid en de handhaving door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) |
|
Henk van Gerven |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wanneer heeft de NVWA in haar rapport geconcludeerd dat Souvenaid niet voldoet aan de definitie van dieetvoeding voor medisch gebruik?1
In januari 2015 heeft de NVWA geconcludeerd dat Souvenaid niet voldoet aan de definitie van dieetvoeding voor medisch gebruik.
Wanneer heeft Nutricia hiervoor een waarschuwing ontvangen om de etikettering van Souvenaid aan te passen?
Nutricia heeft in januari 2015 een waarschuwing gekregen dat het product Souvenaid niet voldoet aan de definitie van dieetvoeding voor medisch gebruik.
Is de termijn die Nutricia heeft gekregen om haar etikettering aan te passen inmiddels verstreken? Zo ja, wanneer was dat? Zo nee, wanneer verloopt die termijn dan wel?
De termijn die Nutricia heeft gekregen om de positionering van het product Souvenaid in de markt aan te passen, is in september 2015 verstreken.
Hoe heeft Nutricia gereageerd op de waarschuwing? Zijn de etiketten aangepast? Welke maatregelen zijn er nog meer genomen?
De NVWA heeft in september 2015 een herinspectie uitgevoerd en geconstateerd dat Souvenaid nog steeds wordt verkocht als dieetvoeding voor medisch gebruik. De NVWA is vervolgens gestart met haar interventiebeleid en doorloopt deze consequent en zorgvuldig.
Dit betekent dat Nutricia het rapport van bevindingen van de NVWA heeft ontvangen. Hierop kan Nutricia reageren. Op een eventueel voornemen tot boeteoplegging zal Nutricia, overeenkomstig het interventiebeleid, de gelegenheid krijgen om te reageren.
Indien de termijn verstreken is en, indien de etikettering niet is aangepast, welke maatregelen heeft de NVWA Nutricia opgelegd?
Zie antwoord bij vraag 4, het interventiebeleid wordt toegepast.
Het bericht dat ziekenhuizen zich voorbereiden op het uitkeren van winst |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichtgeving rondom de IJsselmeerziekenhuizen in Lelystad en Emmeloord die hun rechtsvorm hebben veranderd van een stichting naar een besloten vennootschap (BV)?1
Ziekenhuizen zijn vrij om te kiezen voor de rechtsvorm die het best bij hen past. De Wet toelating zorginstellingen stelt geen beperkingen aan de rechtsvorm van een zorginstelling.
Klopt het dat de IJsselmeerziekenhuizen met deze wijziging een eerste stap richting winstuitkering zetten? Wat vindt u van de beslissing van de IJsselmeerziekenhuizen om deze stap te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
De IJsselmeerziekenhuizen hebben zelfstandig besloten om hun rechtsvorm te wijzigen naar een BV en zij hebben daar ook het recht toe. Zolang het wetsvoorstel Vergroten investeringsmogelijkheden in medisch-specialistische zorg niet is aangenomen, is winstuitkering in de medisch specialistische zorg niet toegestaan. In de media geeft een bestuurder van het ziekenhuis aan dat het ziekenhuis op dit moment niet bezig is met een mogelijke winstuitkering en zich aan de geldende regelgeving zal houden.2 Wel is het zo dat zij met deze wijziging voldoen aan één van de voorwaarden die in het wetsvoorstel worden gesteld aan winstuitkering, namelijk dat de instelling een rechtsvorm heeft van BV, NV of coöperatie.
Lopen de IJsselmeerziekenhuizen hiermee volgens u vooruit op de behandeling van het wetsvoorstel dat dit mogelijk maakt in de Eerste Kamer? Is dit volgens u een «ondernemersrisico», of zijn er redenen om aan te nemen dat het wetsvoorstel ongewijzigd wordt vastgesteld? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer wordt de behandeling van het wetsvoorstel Vergroten investeringsmogelijkheden in medisch-specialistische zorg eigenlijk voortgezet in de Eerste Kamer? Wanneer wordt het advies van de Raad van State verwacht? Waarop is het wachten?
Ik heb het advies van de Raad van State inmiddels ontvangen. Momenteel ben ik aan het bekijken welke gevolgen dit advies heeft voor het wetsvoorstel en zal vervolgens uw Kamer en de Eerste Kamer hierover informeren.
Deelt u de angst dat vanwege winstoogmerk de kosten voor medisch specialistische zorg explosief zullen stijgen, dan wel tot een verschraling van de zorg zal leiden? Zo ja, waarom? Zo neen, waarom niet?
Nee, ik deel uw angst niet. Allereerst kunnen de kosten voor medisch specialistische zorg helemaal niet explosief stijgen. Ziekenhuizen zijn gebonden aan afspraken met zorgverzekeraars en daarnaast is ook het macrobeheersinstrument nog steeds van kracht. Daarnaast denk ik dat het toestaan van het uitkeren van een vergoeding op risicodragend kapitaal juist zal leiden tot een stijging van kwaliteit en een prikkel tot efficiëntie geeft. Een ziekenhuis of kliniek zal zich namelijk willen onderscheiden van zijn concurrenten en is daarom gebaat bij het leveren van hoge kwaliteit tegen lage prijzen.
Onderschrijft u de uitspraak van uw ambtsvoorganger «Met winstuitkeringen gooi je er nog een extra prikkel bovenop om volume te draaien. Het geeft te veel risico's.»? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Nee, ik deel deze mening niet. Een ziekenhuis kan namelijk niet zomaar «meer volume draaien». Ziekenhuizen zijn gebonden aan de afspraken met zorgverzekeraars en het macrobeheersinstrument.
Hoeveel ziekenhuizen voldoen momenteel aan de eisen ten aanzien van solvabiliteit (20%) en positief resultaat (drie jaar op rij)? Hoe zal dat aantal zich naar verwachting de komende jaren gaan ontwikkelen? Hoeveel ziekenhuizen bereiden soortgelijke stappen voor als de IJsselmeerziekenhuizen?
De Nederlandse Zorgautoriteit constateert in haar marktscan medisch specialistische zorg 2015 dat het gewogen solvabiliteitspercentage voor algemene ziekenhuizen uitkomt op 20,6 procent. De rentabiliteit van algemene ziekenhuizen is 4,3. De NZa concludeert dat de gemiddelde financiële positie van de zorgaanbieders in de medisch specialistische zorg in de afgelopen jaren is verbeterd. Dit neemt niet weg dat er individuele zorgaanbieders kunnen zijn die er financieel minder goed voor staan. Ook zijn investeringen van ziekenhuizen in materiële vaste activa de afgelopen jaren afgenomen. Dit hangt samen met de financiële situatie van zorginstellingen zelf, en ook met de financieringsbereidheid van banken die mede als gevolg van de kapitaaleisen van Basel III is afgenomen. Het is de komende jaren belangrijk dat zorgaanbieders voldoende kunnen blijven investeren in bijvoorbeeld ICT en innovatie. Om al deze redenen acht ik het onverminderd nodig dat ziekenhuizen risicodragend kapitaal kunnen aantrekken.
Hoe denkt u tegemoet te gaan komen aan de vrees van veel partijen dat publiek opgebracht geld in zakken van private investeerders verdwijnt? Welke concrete maatregelen moeten dit gaan voorkomen?
Het wetsvoorstel vergroten investeringsmogelijkheden in de medisch specialistische zorg bevat uitgebreide waarborgen die ervoor zorgen dat een mogelijke winstuitkering op een verantwoorde wijze plaatsvindt. Deze zijn:
Wat is uw reactie op het gegeven dat voormalig mede-eigenaar van het Slotervaartziekenhuis tegen een rendement van 6% geld stak in het ziekenhuis, en zodoende € 1,5 miljoen per jaar opstrijkt? Vindt u dit zinnig en zuinig besteden van geld voor de zorg?3
In het algemeen geldt dat tegenover het beschikbaar stellen van risicodragend vermogen een vergoeding staat. Banken lenen al sinds jaar en dag geld uit aan ziekenhuizen en ontvangen daarover rente.
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de hoeveelheid publiek geld dat gestoken is in het voorkomen van een faillissement van de IJsselmeerziekenhuizen? Hoeveel is het totaal aan middelen dat er in is gestoken, en hoeveel heeft het ziekenhuis inmiddels afgelost?
Vanuit het Rijk is een kredietovereenkomst gesloten met de IJsselmeerziekenhuizen van € 12,5 miljoen. In de overeenkomst is opgenomen dat het uitstaande bedrag in twee tranches van € 6,25 miljoen, vermeerderd met de rente, wordt terugbetaald. Van deze kredietovereenkomst is inmiddels, op basis van een nader afgesproken aflossingsschema € 10,5 miljoen afgelost, plus de daarbij horende rente.
Het Rijk, de gemeente Lelystad en de provincie Flevoland hebben ieder een achtergestelde lening aan de IJsselmeerziekenhuizen verstrekt van € 2 miljoen. Over deze leningen is afgesproken dat de IJsselmeerziekenhuizen deze in drie gelijke tranches zou terugbetalen. Hierover is een clausule opgenomen dat als op dat moment de solvabiliteit van het ziekenhuis lager is dan 15%, de betreffende tranche van de terugbetaling komt te vervallen. Tot op heden is dit het geval en heeft het IJsselmeerziekenhuis dus nog geen terugbetaling hoeven te doen. Over de laatste tranche moet het formele besluit nog genomen worden. Op dat moment wordt de afboeking van de vordering op de VWS-begroting verwerkt.
Verder heeft de gemeente Lelystad een achtergestelde lening ten bedrage van € 3,6 miljoen kwijtgescholden.
Daarnaast heeft de NZa € 12 miljoen balanssteun verleend aan de IJsselmeerziekenhuizen in twee tranches van elk € 6 miljoen. Op verzoek van het ziekenhuis is de derde tranche van € 6 miljoen niet verleend en is het balanssteundossier in 2013 gesloten.
Wat is uw reactie op het gegeven dat de drie oprichters van de MC Groep die geld staken in de IJsselmeerziekenhuizen een rendement van 7% opstrijken? Vindt u dit zinnig en zuinig besteden van geld voor de zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Zie mijn antwoord op vraag 9.
Bent u bereid paal en perk te stellen aan de rendementen die private investeerders behalen bij het investeren in ziekenhuizen? Zo nee, hoe gaat u dan voorkomen dat premiegeld voor de verplichte zorgverzekering in de zakken van investeerders verdwijnt?
Zie mijn antwoord op vraag 8.
Is het niet in strijd met geldende nationale en internationale wet- en regelgeving dat publiek bijeengebracht geld, bestemd voor een verplichte verzekering zoals de zorgverzekering, verdwijnt in de zakken van private investeerders? Is dit al juridisch getoetst?
Het wetsvoorstel vergroten investeringsmogelijkheden in de medisch specialistische zorg voldoet aan nationale en internationale wet- en regelgeving.
Wat zegt u tegen al die 13,4 miljoen Nederlanders die komend jaar wederom met een premieverhoging voor hun zorgverzekering worden geconfronteerd, terwijl ondertussen door u de deur wagenwijd wordt opengezet voor graaiende investeerders?
Zie mijn antwoord op vraag 8.
De uitbreiding van de voorschotregeling voor slachtoffers van misdrijven per 1 januari 2016 |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat per 1 januari 2016 de voorschotregeling voor slachtoffers van zeden- en geweldsmisdrijven wordt uitgebreid naar slachtoffers van alle andere misdrijven, zoals voorzien in het betreffende uitvoeringsbesluit?1
Ja.
Wordt vanuit de betrokken organisaties, te weten de politie, het openbaar ministeri (OM), Slachtofferhulp Nederland, de rechtspraak en het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), deze uitbreiding vanaf 1 januari 2016 ook proactief gecommuniceerd naar slachtoffers van misdrijven? Kunt u het implementatieproces hiervan bij de betrokken organisaties beschrijven?
Het is zeker van belang dat slachtoffers, die op grond van voorschotregeling in aanmerking komen voor een voorschot, hierover worden geïnformeerd. De aangewezen partij om dit te doen is het CJIB, omdat het CJIB met het slachtoffer communiceert over de inning van een opgelegde schadevergoedingsmaatregel en het eventueel uitkeren van een voorschot. Dit doet het CJIB namens het OM.
Op dit moment komen alleen slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven in aanmerking voor een voorschot. Per 1 januari 2016 kunnen ook slachtoffers van alle overige misdrijven in aanmerking komen voor een voorschot. Het CJIB zal deze slachtoffers hierover informeren als in hun zaak door de rechter een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd aan de veroordeelde.
Momenteel bereidt het CJIB zich hierop voor. Het doet dit door medewerkers op te leiden om vragen over de uitbreiding van de voorschotregeling te kunnen beantwoorden en door de brieven aan te passen.
Slachtofferhulp Nederland en het OM zullen via hun website communiceren over de uitbreiding van de voorschotregeling. Intern zijn de medewerkers van Slachtofferhulp Nederland inmiddels geïnformeerd over de aanstaande uitbreiding.
De overige organisaties zijn op de hoogte van uitbreiding van de voorschotregeling. Zij zullen echter een minder actieve rol spelen met betrekking tot de communicatie over de voorschotregeling.
Herinnert u zich de ingevoerde beleidsregel voor oude, bij het CJIB nog openstaande, schadevergoedingsmaatregelen d.d. 27 november 2011?2
Ja.
Is het denkbaar dat evenals in 2011 bij de inwerkingtreding van de genoemde uitbreiding een ongelijkheid ontstaat in 2016 tussen de slachtoffers met een nog bij het CJIB openstaande schadevergoedingsmaatregel die wél voor een voorschot van het CJIB in aanmerking kunnen komen, en de slachtoffers met een nog bij het CJIB openstaande schadevergoedingsmaatregel die daarvoor nog niet in aanmerking komen, zoals door u aangegeven in de vorige vraag genoemde beleidsregel?
De uitbreiding van de voorschotregeling is alleen van toepassing op schadevergoedingsmaatregelen die zijn opgelegd bij rechterlijke uitspraken, die onherroepelijk zijn geworden na 1 januari 2016. In 2016 kan het dus nog voorkomen dat het CJIB schadevergoedingsmaatregelen int, waarbij slachtoffers geen aanspraak maken op een voorschot.
Zo ja, kunt u aangeven hoe u hierop anticipeert evenals in 2011 en of er tevens ruimte bestaat om de voorschotregeling te verruimen voor openstaande schadevergoedingsmaatregelen bij het CJIB, waarvan de uitspraak voor 1 januari 2016 onherroepelijk is geworden?
Er is geen ruimte om de voorschotregeling te verruimen voor openstaande schadevergoedingsmaatregelen waarvan de uitspraak voor 1 januari 2016 onherroepelijk is geworden.
Bij de invoering van de huidige voorschotregeling is er bewust voor gekozen deze in eerste instantie te beperken tot gewelds- en zedenmisdrijven en niet ook uit te breiden naar alle overige misdrijven. Die uitbreiding is destijds bij amendement ingevoegd in het wetsvoorstel.
De kosten van deze uitbreiding naar overige misdrijven werden in 2011 geraamd op circa € 5 miljoen per jaar.3 Daarvoor was geen geld gereserveerd. Een invoeringstermijn van 5 jaar voor de uitbreiding naar overige misdrijven werd als financieel noodzakelijk gezien en is vastgelegd in de voorschotregeling.
Het per 1 januari 2016 alsnog verruimen van de uitbreiding van de voorschotregeling naar openstaande schadevergoedingsmaatregelen zou haaks staan op het besluit van mijn ambtsvoorganger, Minister Hirsch Ballin, tot gefaseerde invoering. Daarbij geldt onverminderd dat een dergelijke verruiming aanzienlijke kosten met zich mee zou brengen, waarvoor de financiële middelen ontbreken.
Bent u er bekend mee dat het Slachtoffer Informatiepunt Schadevergoedingsmaatregelen slachtoffers van misdrijven schriftelijk een korte mededeling doet toekomen wanneer de dader zijn vervangende hechtenis heeft uitgezeten en er voor het CJIB geen wettelijke dwangmiddelen meer zijn om een schadevergoedingsmaatregel te innen?
Het Slachtoffer Informatiepunt Schadevergoedingsmaatregelen is onderdeel van het CJIB en informeert slachtoffers schriftelijk, als het CJIB geen wettelijke dwangmiddelen meer ter beschikking staan om de schadevergoedingsmaatregel te innen. Daarbij wordt uitgelegd dat de plicht tot betalen niet vervallen is en wat het slachtoffer zelf nog kan doen om de schadevergoeding te innen. Ten slotte wordt het slachtoffer de mogelijkheid geboden contact op te nemen met het CJIB, als het nog vragen heeft.
Kunt u zich voorstellen dat een dergelijke mededeling hard aankomt bij slachtoffers van misdrijven die nog een flink bedrag tegoed hebben van daders en deelt u de mening dat in dergelijke situaties een meer persoonlijke benadering door het Informatiepunt gewenst is, vergelijkbaar met de wijze waarop slachtoffers nabestaanden worden geïnformeerd over het vrijkomen van daders? Bent u bereid dit communicatieproces te verbeteren? Zo ja, op welke wijze?
Ik kan me voorstellen dat het bij een slachtoffer impact kan hebben als een schadevergoedingsmaatregel niet of niet volledig kan worden geïnd. Het CJIB past momenteel in afstemming met het OM de brieven aan voor de uitbreiding van de voorschotregeling per 1 januari 2016. Hierbij zal ook worden bezien of de toon en begrijpelijkheid van de brieven moet worden aangepast.
Het Informatiepunt Detentieverloop (IDV) van het OM informeert slachtoffers en nabestaanden desgewenst over verlof en invrijheidstelling. Dit gebeurt in principe alleen per brief. Sinds vorig jaar worden nabestaanden in geval van beëindiging van de detentie voorafgaande aan de brief ook gebeld.
Ik zie voor nu geen aanleiding het communicatieproces zo aan te passen, dat slachtoffers ook worden gebeld als een schadevergoedingsmaatregel niet meer kan worden geïnd. De impact van het niet kunnen innen van een schadevergoedingsmaatregel schat ik namelijk minder groot in dan van de invrijheidstelling van een dader. Daarbij zullen slachtoffers door de uitbreiding van de voorschotregeling straks in ruim 85% van de gevallen financieel volledig gecompenseerd worden, ongeacht of het CJIB de schadevergoedingsmaatregel kan innen.4
Hoeveel schadevergoedingsmaatregelen kunnen jaarlijks niet worden geïnd en (na het ondergaan van vervangende hechtenis door de dader) hoe vaak moet het CJIB aldus haar poging om een schadevergoedingsbedrag terug te krijgen, staken? Om wat voor bedragen gaat het precies en klopt het dat de enige wettelijke mogelijkheid er dan nog in bestaat voor het slachtoffer om zelf een deurwaarder in te schakelen?
In 2014 zijn 12.670 schadevergoedingsmaatregelen afgedaan (peildatum 8 februari 2015). Ruim 80% daarvan is afgesloten wegens volledige betaling door de veroordeelde. Ongeveer 16% van de zaken is afgesloten, omdat door de veroordeelde vervangende hechtenis is ondergaan. De overige zaken zijn om andere redenen afgesloten, bijvoorbeeld omdat de veroordeelde is overleden. Van de afgesloten zaken bleek in de periode 2010 tot en met 2014 gemiddeld een kleine € 10 miljoen per jaar niet inbaar.
Als de veroordeelde de vervangende hechtenis heeft ondergaan zijn voor het CJIB de wettelijke dwangmiddelen om de schadevergoedingsmaatregel te innen uitgeput. Het slachtoffer kan dan nog proberen het toegewezen schadebedrag zelf bij de veroordeelde te innen met de hulp van een deurwaarder.
Ziet u mogelijkheden om de uitbreiding van de voorschotregeling per 1 januari 2016 open te stellen voor de in de vorige drie vragen benoemde gevallen waarin zaken «afgerond zijn» voor het CJIB maar waarbij slachtoffers zelf vervolgens tevergeefs geprobeerd hebben via een deurwaarder de schadervergoedingsmaatregel te effectueren?
Dit speelt alleen bij slachtoffers van overige misdrijven, omdat slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven altijd een volledige compensatie uit het voorschotfonds ontvangen als de veroordeelde niet (volledig) betaalt.
Met de uitbreiding van de voorschotregeling zullen ook slachtoffers van overige misdrijven een voorschot ontvangen als de veroordeelde niet (volledig) betaalt. Dit voorschot bedraagt maximaal € 5.000.
Omdat slachtoffers door deze uitbreiding straks in ruim 85% van de gevallen financieel volledig gecompenseerd zullen worden, is het de verwachting dat zij nauwelijks nog een deurwaarder hoeven in te schakelen om hun schadevergoeding te krijgen.
Het altijd volledig compenseren van slachtoffers van overige misdrijven, nadat zij tevergeefs een deurwaarder hebben ingeschakeld, zou betekenen dat het maximale voorschot van € 5.000 moet worden losgelaten. Dit vind ik niet wenselijk.
Het bericht ‘Zieke niet meer aan het werk' |
|
Anoushka Schut-Welkzijn (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Herkent u het signaal uit het artikel «Zieke niet meer aan het werk» dat werkgevers het voor werknemers met een chronische ziekte of handicap lastig maken om terug te keren op de werkvloer? Zo ja, zijn er andere onderzoeken die dit beeld bevestigen?1
Sinds midden jaren ’90 is het beleid erop gericht om het ziekteverzuim terug te dringen en de instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen te verminderen. Sindsdien is er een reeks van maatregelen getroffen die werkgevers en werknemers hebben gestimuleerd om zich meer in te zetten voor preventie, herstel en werkhervatting. Dit beleid is onder meer neergelegd in de Wet verbetering Poortwachter (WVP), de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte (Wet VLZ) en de Wet WIA.
Dit beleid heeft zijn vruchten afgeworpen. Mede dankzij dit beleid is de instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen afgenomen en is zichtbaar dat het aantal werknemers dat een beroep doet op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO of Wet WIA) is gedaald.
Uit evaluatieonderzoek van het gevoerde beleid blijkt dat financiële prikkels voor werkgevers in belangrijke mate hebben bijgedragen aan het terugdringen van de instroom van werknemers in de Wet WIA.
Het beeld, dat werkgevers het onder het huidige regime hun werknemer met een chronische ziekte of handicap lastig zouden maken om terug te keren op de werkvloer, kan ik dan ook niet bevestigen, noch vanuit het gevoerde beleid, noch vanuit de verrichtte evaluatieonderzoeken.
Deelt u de mening dat werkgevers in Nederland maximaal gestimuleerd worden om zieke werknemers te re-integreren?
Kern van de WVP en de Wet VLZ is dat de werkgever gedurende de eerste twee jaar van ziekte verantwoordelijk is voor de loondoorbetaling en – met de deskundige ondersteuning van bedrijfsarts of arbodienst – voor de verzuimbegeleiding van zijn zieke werknemer. De werkgever betaalt gedurende deze periode het loon en ervaart zodoende een financiële prikkel om het ziekteverzuim zoveel mogelijk te beperken en werk te maken van de re-integratie van zijn zieke werknemer.
Gedurende de eerste twee ziektejaren dienen werkgever en werknemer zich maximaal n te spannen om langdurig ziekteverzuim te voorkomen. De WVP geeft hiervoor richtlijnen, onder meer in de vorm van voorgeschreven processtappen tijdens de eerste twee ziektejaren. Na twee jaar ziekte stellen werkgever en werknemer een re-integratieverslag op, waarin zij verantwoorden welke stappen zij hebben gezet om langdurig ziekteverzuim tegen te gaan. Het re-integratieverslag wordt – bij de WIA-aanvraag – beoordeeld door het UWV.
Als het UWV van oordeel is dat de werkgever of de werknemer onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, wordt een (loon)sanctie opgelegd.
Zowel de werknemer, als de werkgever, worden aldus gestimuleerd om werk te maken van re-integratie.
Zouden de re-integratiemethoden die worden voorgesteld in het verdiepingsonderzoek WGA 80-100 van APE naar uw mening het re-integratieperspectief van chronisch zieken werknemers kunnen verbeteren?
Het verdiepingsonderzoek WGA 80–100 is mede uitgevoerd om sociale partners te helpen bij het treffen van maatregelen. Ik zou sociale partners voor de voeten lopen als ik nu uitgebreid in zou ingaan op dit onderzoek en de re-integratiemethoden die daarin aan de orde zijn gekomen. Op dit moment ben ik nog in gesprek met de sociale partners over de maatregelen die zij willen nemen in het kader van het Sociaal akkoord.