De arbeidsmarktkansen van onderwijsassistenten en lerarenondersteuners |
|
Loes Ypma (PvdA), Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Minister: scholen beslissen zelf over budget onderwijsassistent»?1
Ja, dat bericht ken ik.
Hoeveel studenten zijn er in de afgelopen vijf studiejaren afgestudeerd als onderwijsassistent en hoeveel van hen zijn er per studiejaar doorgestroomd naar een andere mbo- of hbo-opleiding, de pabo in het bijzonder?
In tabel 1 staat het aantal afgestudeerde c.q. gediplomeerde onderwijsassistenten in de afgelopen vijf studiejaren. Per studiejaar is aangegeven hoeveel studenten zijn doorgestroomd naar de pabo, naar andere hbo-opleidingen, naar andere mbo-opleidingen of zijn uitgestroomd naar de arbeidsmarkt. De door- en uitstroomcijfers hebben betrekking op de door- en uitstroom direct na afronding van de opleiding tot onderwijsassistent.
Uit de tabel blijkt dat het totaal aantal afgestudeerde onderwijsassistenten is gedaald: van 3.349 in 2009/2010 tot 2.669 in 2014/2015. Dit is een daling van 20%. Voorts is de doorstroom naar de pabo in deze periode meer dan gehalveerd en de doorstroom naar andere hbo-opleidingen juist toegenomen.
De uitstroom naar de arbeidsmarkt is in deze periode licht gedaald en de doorstroom naar een andere mbo-opleiding is licht toegenomen. Bij deze laatste categorie gaat het echter om kleine aantallen. In het studiejaar 2014/2015 is «hbo opleiding – overig» de belangrijkste bestemmingscategorie voor gediplomeerde onderwijsassistenten. In de jaren daarvóór stroomden de meeste onderwijsassistenten nog door naar de pabo.
2009/10
2010/11
2011/12
2012/13
2013/14
2014/15
pabo
1.413
1.212
1.136
1.194
1.167
622
hbo opleiding – overig
874
741
859
1.071
1.052
1.003
mbo opleiding
47
52
67
84
71
75
uitstroom
1.015
1.010
995
889
858
969
Bron: DUO
Fungeert de associate degree opleiding tot lerarenondersteuner in de praktijk als een brug tussen het mbo en hbo? Hoeveel studenten zijn de afgelopen vijf studiejaren afgestudeerd als lerarenondersteuner en hoeveel van hen hebben daarna doorgestudeerd om hun bevoegdheid als leraar te halen?
Het jaarlijks aantal afgestudeerden aan een associate degree onderwijsondersteuner schommelt in de studiejaren 2010/2011 tot en met 2014/2015 tussen 40 en 70. Het aantal afgestudeerden van deze associate degrees dat direct of na een wachtperiode instroomt in een tweedegraads lerarenopleiding ligt de afgelopen vijf studiejaren tussen de 30 en de 75. Ruim de helft van deze instromers in een tweedegraads lerarenopleiding heeft een mbo-opleiding gedaan voorafgaand aan de associate degree en in die zin is er dus sprake van doorstroom van mbo via de associate degree naar een hbo-bachelor die leidt tot een bevoegdheid als leraar.
Hoe verhoudt het aantal afgestudeerde onderwijsassistenten en lerarenondersteuners zich tot het aantal onderwijsassistenten en lerarenondersteuners dat in het onderwijs werkzaam is en het aantal vacatures dat er jaarlijks voor hen is? Wat zijn de arbeidsmarktkansen van afgestudeerde onderwijsassistenten en lerarenondersteuners? Kunt u een overzicht geven van hoe deze arbeidsmarktkansen zich de afgelopen vijf jaar hebben ontwikkeld en kunt u een prognose geven van de arbeidsmarktkansen in de komende drie jaar?
Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal onderwijsassistenten en lerarenondersteuners dat werkzaam is in het onderwijs. Op basis van gegevens die worden aangeleverd bij DUO door de (salarisadministrateurs van de) onderwijsinstellingen, zijn wel cijfers beschikbaar voor de gehele categorie ondersteunend personeel. Hieronder valt zowel het onderwijsondersteunend personeel (onder andere klassenassistenten, (technisch) onderwijsassistenten, instructeurs en lerarenondersteuners) en ondersteunend en beheerspersoneel (onder andere conciërges, administratief medewerkers, stafpersoneel). Tabel 2 laat zien hoeveel ondersteunend personeel er werkzaam is in het po, vo en mbo (in fte) in de jaren 2010–2014. Uit tabel 2 blijkt dat er met name in het mbo sprake is geweest van een daling van het aantal fte ondersteunend personeel. Ook in het primair onderwijs zien we een behoorlijke daling. In het voortgezet onderwijs is de afname beperkt geweest. De daling is vooral veroorzaakt door de dalende leerlingaantallen en de daarmee gepaard gaande daling van de werkgelegenheid.
2010
2011
2012
2013
2014
po; fte
22,3
21,5
20,4
20,2
19,8
vo; fte
20,4
20,2
19,9
20,0
19,9
mbo; fte
17,1
16,3
14,7
14,2
14,5
Bron: DUO
Specifieke gegevens over vacatures voor onderwijsassistenten en lerarenondersteuners zijn vrijwel niet beschikbaar. Er zijn alleen gegevens beschikbaar over de schooljaren 2007/2008 tot en met 2011/2012 voor onderwijsassistenten en klassenassistenten in het po (Arbeidsmarktbarometer 2011/2012, ResearchNed, Ecorys, 2012). Dit betreft populatieschattingen. Uit deze gegevens blijkt dat in het po het aantal vacatures voor onderwijs- en klassenassistenten is gedaald van 1331 in het schooljaar 2007/2008 tot 628 in het schooljaar 2011/2012. Voorts zijn er schattingen beschikbaar over het aantal vacatures voor onderwijs- en klassenassistenten in de drie sectoren in het schooljaar 2014/2015. In dat schooljaar waren er in het po circa 100 vacatures, in het vo circa 75 vacatures en in het mbo circa 55 vacatures voor onderwijsassistenten en klassenassistenten (Arbeidsmarktbarometer 2014/2015, ITS, 2015). Bij bovenstaande vacaturecijfers dient opgemerkt te worden dat ze slechts een globale indicatie geven van het werkelijke aantal vacatures.
Voor wat betreft de arbeidsmarktkansen van onderwijsassistenten in het onderwijs: tabel 3 laat voor een aantal cohorten van gediplomeerde onderwijsassistenten zien of zij direct na afstuderen aan het werk waren in het onderwijs. Het grootste gedeelte van de gediplomeerde onderwijsassistenten, gemiddeld zo’n 2 op de 3, gaat direct door met studeren.2 Ongeveer een derde stroomt uit naar de arbeidsmarkt en een deel van deze uitstromers gaat meteen werken in het onderwijs. Uit de tabel blijkt dat het aantal afgestudeerde onderwijsassistenten dat direct in het onderwijs gaat werken, sterk is afgenomen in de afgelopen jaren.
Diplomajaar
Aantal gediplomeerden
Directe uitstroom
Werkend in onderwijs direct na afstuderen
Aandeel van uitstroom
2009/2010
3.349
1.015
310
31%
2010/2011
3.015
1.010
209
21%
2011/2012
3.057
995
175
18%
2012/2013
3.238
889
100
11%
2013/2014
3.148
858
33
4%
Bron: DUO.
Bovenstaande tabel geeft echter alleen de situatie direct na afstuderen weer. Er zijn ook onderwijsassistenten die langere tijd na hun afstuderen alsnog in het onderwijs aan de slag gaan. Als we een groep van gediplomeerde onderwijsassistenten langer volgen, blijkt dat het aantal in het onderwijs werkenden met de jaren na afstuderen toeneemt. Zo waren van de 3630 afgestudeerde onderwijsassistenten in 2008/2009 er 5 jaar later 1099 aan het werk in het onderwijs.
Voor de opleiding tot lerarenondersteuner geldt dat er nog weinig afgestudeerden zijn. In tabel 4 staat het aantal gediplomeerde lerarenondersteuners in de afgelopen jaren en het aantal gediplomeerden dat direct in het onderwijs is gaan werken.
Diplomajaar
aantal gediplomeerden
werkend in het onderwijs direct na afstuderen
2009/2010
20
11
2010/2011
41
26
2011/2012
62
29
2012/2013
66
38
2013/2014
71
32
Bron: DUO
De werkloosheidscijfers onder gediplomeerde onderwijsassistenten geven een beeld van hoe het aantal beschikbare vacatures zich verhoudt tot het aantal werkzoekenden. Uit cijfers van het Research Centrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt 2014, ROA, 2015) blijkt dat de werkloosheid onder gediplomeerde onderwijsassistenten de afgelopen jaren is toegenomen van 3,4% in 2010 naar 12,8% in 2014. Hierbij speelt de economische crisis ook een rol, gezien de algehele stijging van de werkloosheid in deze periode onder gediplomeerde schoolverlaters uit het mbo. Naast het oplopen van de werkloosheid in deze periode, zien we ook dat gediplomeerde onderwijsassistenten minder vaak in een verwante richting werkzaam zijn en minder vaak op eigen niveau werken. Vanwege het lage aantal gediplomeerde lerarenondersteuners zijn er voor hen geen vergelijkbare cijfers beschikbaar.
Tot slot de toekomstige arbeidsmarktkansen van onderwijsassistenten en lerarenondersteuners. Hierover zijn geen specifieke prognoses beschikbaar. Mogelijk zou een aantal ontwikkelingen in het onderwijs de vraag naar onderwijsondersteunend personeel – waaronder onderwijsassistenten – kunnen doen toenemen. Daarbij kan gedacht worden aan passend onderwijs, gepersonaliseerd leren en keuzewerktijd en digitalisering en automatisering.
Door de SBB wordt de kans op werk voor onderwijsassistenten echter getypeerd als gering. Het gaat hierbij om de kans op werk in het verlengde van de opleiding als nu gestart zou worden met de opleiding. Het ROA heeft prognoses opgesteld
over de toekomstige werkgelegenheid, maar die gaan over een bredere opleidingscategorie dan enkel de onderwijsassistent of de lerarenondersteuner (De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2020, ROA, 2015). Op basis van de algemene prognoses van het ROA is de voorspelling voor 2020 dat voor de onderwijsassistent en de praktijkopleiders de arbeidsmarktkansen slecht zijn; gediplomeerden zullen moeilijk in hun vak aan het werk komen. Gediplomeerden in «hbo leraar beroepsgerichte vakken» zullen naar verwachting de komende jaren wel een goede kans hebben om aan het werk te komen in hun vakgebied. Gezien het kleine aandeel van de gediplomeerde lerarenondersteuners binnen deze groep is het wel de vraag in hoeverre de prognose ook voor deze opleiding opgaat
Voor welk deel is de daling van 32% van het aantal eerstejaars pabostudenten in het studiejaar 2015–2016 het gevolg van een lagere instroom van studenten met een mbo-vooropleiding? Op welke manier is dit van invloed op de arbeidsmarktkansen van afgestudeerden om als onderwijsassistent een baan te vinden in het onderwijs?
Het aantal eerstejaars pabostudenten met een mbo-vooropleiding is in het studiejaar 2015–2016 met 53% gedaald ten opzichte van het voorgaande studiejaar. Het is nog niet goed te zeggen op welke manier dit van invloed is op de arbeidsmarktkansen van de onderwijsassistent, omdat meerdere factoren een rol spelen. Zo stroomt mogelijk een deel van deze groep op een later tijdstip alsnog door naar een andere hbo-opleiding. Ook zal er vermoedelijk minder uitval zijn gedurende de pabo, waardoor er minder studenten dan voorheen tussentijds uitstromen naar de arbeidsmarkt
Acht u het werkelijk de taak van studenten om met schoolbestuurders te overleggen over het aantal onderwijsassistenten dat zij in dienst nemen om zo bij te dragen aan het vergroten van hun arbeidsmarktkansen? Welke verantwoordelijkheid hebben de sectorraden, de schoolbesturen en u als bewindspersoon hier zelf in?
De beslissing om al dan niet onderwijsassistenten in dienst te nemen, ligt in de eerste plaats bij de schoolbesturen. Ik kan mij in dit kader overigens voorstellen dat mbo-instellingen die onderwijsassistenten opleiden, in de regio contacten onderhouden met po- en vo-scholen over de arbeidsmarktmogelijkheden van onderwijsassistenten.
Werkgevers- en werknemersorganisaties regelen in de cao de arbeidsrechtelijke positie van de onderwijsassistent en de loopbaanmogelijkheden. OCW heeft geen werkgeversrol en gaat niet over het personeelsbeleid van onderwijsinstellingen.
In het kader van het Herfstakkoord van 2014 heeft het kabinet € 50 miljoen extra geïnvesteerd om het voor schoolbesturen mogelijk te maken om conciërges en onderwijsassistenten in dienst te nemen. Er zijn in dat Herfstakkoord met de sectororganisaties geen afspraken gemaakt over het aantal conciërges en klassenassistenten dat met deze € 50 miljoen aangesteld zal worden. Wel zijn daarin met de sectororganisaties afspraken gemaakt over de doelen die met het totaal aan investeringen bereikt moeten worden. Bij de inzet van de € 50 miljoen voor conciërges en klassenassistenten zijn de afspraken die zijn gemaakt over meer tijd, geld en ruimte voor professionele ontwikkeling van leraren, over minder werkdruk en over het versterken van de werkgelegenheid relevant.
Deelt u de zorgen van mbo-studenten over hun kansen om een baan als onderwijsassistent te vinden nadat zij hun opleiding hebben afgerond? Welke maatregelen kunt u nemen om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk afgestudeerde onderwijsassistenten na hun opleiding ook daadwerkelijk perspectief hebben op een passende baan?
Ik begrijp de zorgen van mbo-studenten over hun kansen op een baan als onderwijsassistent. Maatregelen die ik kan nemen om de kansen op een passende baan voor hen te vergroten liggen enerzijds in de sfeer van beïnvloeding van de vraag (zie mijn antwoord op vraag 6), anderzijds in de sfeer van voorlichting en loopbaanbegeleiding (zie mijn antwoord op vraag 8).
Bent u van mening dat studiekiezers in voldoende mate en op de juiste wijze door de mbo-instellingen worden voorgelicht over de arbeidsmarktkansen van de afgestudeerde onderwijsassistent in het onderwijs? Op welke wijze kan worden voorkomen dat studenten worden opgeleid voor een vak waarin zij geen werk kunnen vinden?
Ik vind het belangrijk dat instellingen hun aanstaande studenten op een goede wijze en zo objectief mogelijk informeren over de kwaliteit van de opleiding én een realistisch beeld geven van de arbeidsmarktkansen. Tegelijkertijd besef ik dat ontwikkelingen en kansen op de (regionale) arbeidsmarkt moeilijk te voorspellen zijn. Arbeidsmarktgegevens hebben dus maar een beperkte houdbaarheidsduur.
Niettemin vind ik dat de voorlichting door mbo-instellingen voor verbetering vatbaar is. De instellingen zelf zijn zich overigens bewust van het belang van eerlijke voorlichting en bezig met het verbeteren van voorlichtingsactiviteiten en intake.
Op verschillende manieren stimuleer en faciliteer ik instellingen om deze verbetering te realiseren. Met de wet macrodoelmatigheid is deze zorgplicht voor mbo-instellingen van kracht geworden en via het Stimuleringsproject LOB (Loopbaan Ondersteuning en Begeleiding) worden instellingen in deze taak ondersteund met een aantal informatieve websites («mbo stad», «beroepen in beeld») en de studiebijsluiter «studie in cijfers» met bijbehorende toolkit voor (v)mbo-docenten, maar ook door lesbrieven voor decanen in het voortgezet onderwijs. Verder is onlangs Start Studeren in het mbo gelanceerd door DUO waar de aanstaande mbo student via één kanaal alle relevante informatie en links over studeren in het mbo kan vinden. Het Stimuleringsproject LOB in het mbo krijgt in 2016 een vervolg in de vorm van een servicepunt LOB voor alle mbo-scholen. Ook wordt toegewerkt naar nog betere informatie voor de student via een LOB-portal mbo dat ook de mogelijkheid biedt om opleidingen te vergelijken op bijvoorbeeld kwaliteit en het arbeidsmarktperspectief.
Door de onvoorspelbaarheid van de (regionale) arbeidsmarkt – met name op de langere termijn – kan niet geheel worden voorkomen dat studenten worden opgeleid voor een vak of beroep met geringe arbeidsmarktkansen. Voorlichting op basis van up-to-date gegevens en intensieve begeleiding door scholen blijft echter een belangrijk instrument om verkeerde keuzes zoveel mogelijk te voorkomen.
Tevens kennen we in het mbo de zorgplicht arbeidsmarktperspectief. Deze zorgplicht stelt onder andere dat onderwijsinstellingen zich voldoende rekenschap dienen te geven van de verwachte behoefte van de (regionale) arbeidsmarkt en oog moeten hebben voor de bijdrage van een beroepsopleiding aan de doorstroom naar een hoger opleidingsniveau. Indien een instelling hier onvoldoende oog voor heeft heb ik, op basis van de adviezen van de Commissie Macrodoelmatigheid MBO (CM MBO), de mogelijkheid instellingen hier op aan te spreken en eventueel een (bekostigings)sanctie op te leggen.
Hiermee is het arbeidsmarktperspectief van studenten ook wettelijk geborgd. Ik wil er echter op wijzen dat het arbeidsmarktperspectief wel altijd gewogen dient te worden binnen de bredere context waarbinnen onderwijs wordt aangeboden door een instelling. Zo kunnen er ook andere zwaarwegende redenen zijn voor het verzorgen van onderwijs met een beperkt arbeidsmarktperspectief, zoals de toegankelijkheid van het onderwijs voor bepaalde groepen deelnemers.
Het bericht 'Regering negeert referendumstem vanuit het buitenland' |
|
Kees Verhoeven (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «regering negeert referendumstem vanuit het buitenland»?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten wat de Nederlandse regering doet om Nederlanders in het buitenland te activeren te gaan stemmen bij verkiezingen in het algemeen, en bij het referendum over het associatieakkoord met Oekraïne op 6 april in het bijzonder?
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft voor het referendum dezelfde informatie verstrekt als die welke ook voorafgaand aan «reguliere» verkiezingen wordt verschaft. Kort nadat bekend was dat een referendum zou worden gehouden, is de website stemmenvanuithetbuitenland.nl geactualiseerd. Daarop staat uitgebreide informatie over hoe kiezers buiten Nederland zich kunnen registeren om te kunnen stemmen. Medio december 2015 zijn banners gepubliceerd op diverse (nieuws)sites. De banners zijn zichtbaar voor personen die buiten Nederland de site bezoeken en de taalinstelling in hun browser hebben ingeschakeld op «Nederlands». Op een aantal populaire Nederlandse (nieuws)sites worden de banners ook getoond, ongeacht de taalinstelling. Daarnaast is informatie dat men zich voor het komende referendum kan registreren gepubliceerd op Twitter, Facebook en LinkedIn. Voor deze social media geldt ook dat de informatie alleen zichtbaar is voor personen die buiten Nederland zijn en hun taalinstelling op «Nederlands» hebben ingesteld. Twitter en Facebook beperken de zichtbaarheid van de informatie tot 25 landen. Er is daarom voor gekozen de informatie zichtbaar te laten zijn als genoemde netwerken worden bezocht vanuit een land waarnaar de afgelopen jaren volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek veel Nederlanders zijn geëmigreerd.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag is verantwoordelijk voor de registratie van de kiesgerechtigdheid van Nederlanders die buiten het Koninkrijk wonen. Het houdt daartoe, op grond van de Kieswet, een zogenaamd semi-permanent register bij, met daarin de gegevens van Nederlanders die zich eerder voor een verkiezing hebben geregistreerd. Bij een volgende verkiezing krijgen zij, zonder dat zij daar iets voor hoeven te doen, een formulier toegestuurd waarmee zij zich voor de betreffende verkiezing kunnen registeren. De gemeente Den Haag heeft mij laten weten dat aan de kiezers die in dit semi-permanente register zijn opgenomen, als van hen een e-mailadres bekend was én de kiezer had laten weten voor het registratieformulier per e-mail benaderd te mogen worden, begin november 2015 een e-mail met het formulier is gezonden. Aan de overige kiezers die zijn opgenomen in het register is half november een registratieformulier per post naar het bij de gemeente Den Haag bekende adres toegestuurd. Zowel per e-mail als per post is een herinnering verstuurd.
Ik ben, als Minister van BZK, verantwoordelijk voor de registratie van de kiesgerechtigdheid van Nederlanders die in Curaçao, Aruba of Sint Maarten wonen. Daartoe wordt eveneens een semi-permanent register bijgehouden. Aan de kiezers die daarin zijn opgenomen is in september 2015 een registratieformulier toegestuurd.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft op de websites van alle ambassades en consulaten-generaal informatie opgenomen over het raadgevend referendum. De posten zijn daarnaast gevraagd het referendum bij kiezers in hun ressort onder de aandacht te brengen door informatie op te hangen naast balies of in wachtruimtes. Deze informatie verwijst naar de website van de gemeente Den Haag, waar ook het online registratieformulier kan worden gevonden. De posten zijn daarnaast geïnstrueerd voor kiezers die niet van internet en/of een printer gebruik kunnen maken, het registratieformulier af te drukken. Inmiddels zijn alle ambassades en consulaten-generaal hier nogmaals op gewezen. Het registratieformulier kan digitaal worden verstuurd naar de gemeente Den Haag, maar alle ambassades en consulaten kunnen desgewenst ook optreden als postadres.
Deelt u de mening dat stemmen per papieren post omslachtig is en niet meer van deze tijd? Zo nee, waarom niet?
De Kieswet bepaalt dat kiezers die buiten Nederland woonachtig zijn in beginsel per brief stemmen. Ook is het mogelijk dat er een volmacht wordt gegeven aan een andere kiezer. Het stemmen per post voor kiezers in het buitenland is, in de landen die toestaan dat kiezers vanuit het buitenland stemmen, de meest gangbare vorm van stemmen.
Nederland heeft in 2004 (verkiezing van de leden van het Europees parlement) en in 2006 (verkiezing van de leden van de Tweede Kamer) op basis van de Tijdelijke Experimentenwet kiezen op afstand experimenten gehouden met het stemmen per internet voor kiezers in het buitenland. Na deze twee experimenten is besloten daar niet mee verder te gaan, vanwege de beveiligingsrisico’s die verbonden zijn aan deze vorm van stemmen en vanwege de kosten.
In 2013 heeft het Ministerie van BZK een onderzoek laten uitvoeren naar het stemmen per internet voor de kiezers in het buitenland. De Tweede Kamer heeft op 31 januari 2014 het rapport hierover ontvangen2. Het kabinet heeft in maart 2014 een standpunt geformuleerd over (onder meer) de uitkomsten van dit onderzoek. Het kabinet heeft geconcludeerd dat voor het stemmen per internet de tijd (nog) niet rijp is. Er kleven te veel risico’s aan deze vorm van stemmen. Risico’s die niet of in onvoldoende mate kunnen worden afgedekt. Daarnaast is het kostbaar. Over dit standpunt is met de Tweede Kamer gesproken.
Omdat niet is uit te sluiten dat in de toekomst internetstemmen voor de kiezers in het buitenland wel betrouwbaar genoeg en betaalbaar zal zijn (de techniek ontwikkelt zich immers verder), heb ik de Tweede Kamer toegezegd een test voor te bereiden met internetstemmen. Ik heb daarbij concreet uiteen gezet waarop de test betrekking zal hebben, namelijk op de betrouwbaarheid van stemdiensten. Dat wil zeggen dat het testen van de beveiliging centraal staat. Ik verwijs hiervoor naar de brieven die de Tweede Kamer hierover heeft gekregen op 21 maart 20143, 17 september 20144 en 19 mei 2015 en de beantwoording van schriftelijke vragen op 12 november 20155.
Deelt u de mening dat stemmen per papieren post ongewenste neveneffecten heeft, omdat brieven vaak erg lang onderweg zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat stemgerechtigde Nederlanders in het buitenland hun stem daardoor feitelijk al moeten bepalen voordat de campagnes en de daarmee gepaard gaande informatievoorziening over de verschillende standpunten begonnen zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de datum om je actief te registreren om te mogen stemmen niet al zes weken voor de verkiezingsdatum hoeft te liggen als moderner communicatiemiddelen worden gebruikt dan de papieren post? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid het systeem van internetstemmen dat in Frankrijk wordt gebruikt ook in Nederland in te voeren?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het bureaucratisch en omslachtig is dat stemgerechtigde Nederlandse kiezers in het buitenland zich elke verkiezing opnieuw moeten registreren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid het systeem zo aan te passen dat stemgerechtigde Nederlanders in het buitenland zich maar eenmaal hoeven te registeren per land waarin zij woonachtig zijn?
Ja, daar ben ik het mee eens. Daarom is er een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend om een permanente registratie mogelijk te maken6. Het betreft een wijziging van de Kieswet. Als de permanente registratie is ingevoerd, is een eenmalige registratie voldoende. Daarna krijgt de betreffende kiezer voorafgaand aan elke verkiezing een oproep om te stemmen.
Bent u bekend met het feit dat Nederlandse overheidswebsites, die veel bezocht worden door Nederlanders in het buitenland zoals bijvoorbeeld www.the-netherlands.org, weinig tot geen informatie geven over de aanstaande registratie-deadline van 24 februari? Zo ja, waarom gebeurt dit niet?
Op de website www.the-netherlands.org is, in een slideshow, een verwijzing opgenomen naar de deadline voor de registratie (onder de kop «Ukraine referendum, Register now to cast your vote»). Zoals opgemerkt in mijn antwoord op vraag 2, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken op de websites van alle ambassades en consulaten-generaal informatie opgenomen over het raadgevend referendum.
Deelt u, de vorige vragen in ogenschouw nemende, de mening dat er veel meer gedaan kan worden om stemgerechtigde Nederlanders in het buitenland te activeren te gaan stemmen? Deelt u voorts de mening dat er veel drempels kunnen worden weggenomen om het stemmen voor Nederlanders in het buitenland gemakkelijker te maken?
Ik ben van oordeel dat al het nodige wordt gedaan om stemgerechtigde Nederlanders in het buitenland in de gelegenheid te stellen om te gaan stemmen. Ik verwijs daarbij naar mijn antwoorden op vraag 2.
In antwoord op de vraag of er veel drempels kunnen worden weggenomen om het stemmen voor Nederlanders in het buitenland makkelijker te maken, merk ik op dat het kabinet in het regeerakkoord heeft aangekondigd stemmen vanuit het buitenland makkelijker te maken7. Daartoe zijn al verschillende maatregelen geëffectueerd, te weten:
Zoals opgemerkt bij mijn antwoord op vraag 7, ligt er thans een wetsvoorstel bij uw Kamer voor dat voorziet in de mogelijkheid van een permanente registratie van kiezers buiten Nederland.
Bent u bereid tot 24 februari alles op alles te zetten om zoveel mogelijk Nederlanders in het buitenland te bewegen te gaan stemmen? Zo ja, welke instrumenten en middelen zet u daartoe in? Zo nee, waarom niet?
Voor de informatie die aan kiezers in het buitenland is verstrekt, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2. Naar mijn overtuiging wordt daarmee al het nodige gedaan om zoveel mogelijk Nederlanders in het buitenland te attenderen op het aanstaande referendum.
Bent u bereid deze vragen binnen een week te beantwoorden, zodat een en ander duidelijk is ruim voor de registratiedeadline op 24 februari?
Ja.
Nertsenhouderijen |
|
Henk van Gerven (SP), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meer nertsen mag wel»?1
Ja.
Kunt u reageren op de uitspraak van de gedeputeerde staten van Zeeland dat de nertsenfokkerij wel mag uitbreiden, ondanks de uitspraak van het gerechtshof dat het verbod op nertsenfokkerijen rechtsgeldig is?
Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is er voor de gemeente geen mogelijkheid om een vergunning te weigeren met het oog op de Wet verbod pelsdierhouderij. Dit geldt voor milieu en bouwaspecten. Ik verwijs u voor nadere uitleg naar de beantwoording van eerdere Kamervragen door u ontvangen op 18 februari 2013 (Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, aanhangselnummer 1333). Ook de vergunningverlening op grond van de Natuurbeschermingswet staat los van de Wet verbod pelsdierhouderij. Dit laat onverlet dat de Wet verbod pelsdierhouderij wel van kracht is. De Wet verbod pelsdierhouderij verhindert het starten of uitbreiden van een nertsenhouderij met de eventueel verkregen omgevingsvergunning. Slechts als aan de voorwaarden van de Wet verbod pelsdierhouderij wordt voldaan, kunnen bestaande nertsenhouders tot 1 januari 2024 nertsen houden.
In mijn brief van 11 februari jl. (Kamerstukken II 2015/16, 30 826, nr. 43) geef ik dit ook aan. Ook als er sinds 15 januari 2013 een omgevingsvergunning is verkregen voor een nieuwe nertsenhouderij of een uitbreiding van een bestaande nertsenhouderij is de opstart of uitbreiding verboden. Zoals aangegeven komen alle overtredingen voor eigen risico van de ondernemer (Kamerstuk II, 2013/14, 30 826, nr. 36).
In hoeverre licht u de nertsenhouders en het publiek voor dat nertsenhouders ondanks de afgegeven vergunning geen nertsen mogen houden vanwege het verbod op de pelsdierhouderij?
De nertsenhouders zijn op de hoogte van het feit dat de Wet verbod pelsdierhouderij in werking is. Deze wet staat het benutten van de nieuw verkregen vergunning niet toe. Daar is deze wet duidelijk over omdat er sinds 15 januari 2013 een uitbreidingsverbod geldt. Gemeenten zijn op de hoogte van vigerende regelgeving en zullen over het algemeen de pelsdierhouder voorlichten op het moment dat hij of zij een omgevingsvergunning voor een uitbreiding aanvraagt. Via infomil.nl is informatie voor het publiek beschikbaar.
Kunt u toelichten hoe wordt gehandhaafd, nu de juridische situatie zo is dat een vergunning wel afgegeven mag worden maar niet meer mag worden geëffectueerd door daadwerkelijk de nertsen te houden? Wordt bijvoorbeeld standaard bij het afgeven van een vergunning de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ingeseind om zich ervan te vergewissen dat de vergunning niet wordt geëffectueerd?
De NVWA wordt niet standaard ingeseind door gemeenten. Meldingen van gemeenten zullen op initiatief van die gemeente plaatsvinden. Indien de melding voldoende aanwijzing bevat dan zal NVWA daar actie op ondernemen.
Ik verwijs u hierbij ook naar mijn brief van 11 februari jl. (Kamerstukken II 2015/16, 30 826, nr. 43). Daarin geef ik aan hoe de Wet verbod pelsdierhouderij wordt gehandhaafd nu er cassatie is ingesteld tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Haag.
Hoe gaat u in dit specifieke geval handhavend optreden en zich er van verzekeren dat de betreffende vergunning niet wordt geëffectueerd?
Deze zaak wordt meegenomen in de geschetste handhavingsaanpak, zoals beschreven in de brief aan uw Kamer van 11 februari jl.
In uw beantwoording van eerdere vragen gaf u aan dat u op dit moment nog in overleg bent met het Openbaar Ministerie over de gevolgen van de gerechtelijke uitspraak voor de handhaving; kunt u deze en soortgelijke zaken hierbij betrekken?2
In mijn brief van 11 december 2015 (Kamerstukken II, 2015/16, 30 826, nr. 42) gaf ik aan in overleg te zijn getreden met het Openbaar Ministerie. In mijn brief van 11 februari 2016 (Kamerstukken 2015/16, 30 826, nr. 43) heb ik u van de uitkomsten op de hoogte gesteld en geef ik aan hoe de Wet verbod pelsdierhouderij wordt gehandhaafd nu er cassatie is ingesteld tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Haag.
Hoe beoordeelt u het feit dat veel consumenten niet weten of het bont op hun kraag van dierlijke of synthetische afkomst, zoals bleek uit de uitzending van Kassa op 8 januari jl.?
Zie hiervoor de antwoorden op de Kamervragen van de leden Thieme (PvdD) en Van Gerven (SP) d.d. 2 maart 2016 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, Aanhangsel 1688).
Onderschrijft u dat een consument die bont koopt, moet kunnen weten dat hij bont koopt en dat dit dus op het label moet staan?
Ja. Ik vind het belangrijk dat consumenten zich bewust zijn van wat ze kopen en in staat worden gesteld om zelf bewust keuzes te maken. Dit geldt niet alleen voor bont in kleding, maar ook voor andere producten van dierlijke oorsprong die in kleding of textiel worden verwerkt. In het geval van bont dient de retailer de consument te informeren over echt of imitatie-bont in kleding. Die informatie dient ook direct en duidelijk zichtbaar te zijn voor de consument bij aankoop van een kledingstuk. Dit kan door een direct zichtbaar en duidelijk label aan het kledingstuk in de winkel en door vermelding bij online verkoop. Voor de consument moet daarbij ook duidelijk zijn welke diersoort in het kledingstuk is verwerkt en hoe het bont is geproduceerd.
Dit is ook mijn inzet geweest bij de totstandkoming van de tekst van het convenant Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen in de kleding- en textielsector dat op 9 maart jl. door de SER openbaar is gemaakt.
In bijlage 1 van het convenant vindt u de tekst die partijen met elkaar zijn overeengekomen over het thema dierenwelzijn Zie https://www.ser.nl/nl/publicaties/overige/2010–2019/2016/convenant-duurzame-kleding-textiel.aspx
Hoe kan een consument die leren schoenen of een leren jas koopt met een bontrandje achterhalen of het om nepbont of echt bont gaat?
De consument kan dit bij de door u genoemde producten die uit meerdere dierlijke producten zijn samengesteld op grond van de huidige etiketteringsverplichtingen voor schoeisel, textiel en kleding niet achterhalen.
Richtlijn 94/11/EG is van toepassing op de etikettering van materialen die worden verwerkt in de belangrijkste onderdelen van voor verkoop aan de verbruiker bestemd schoeisel. De richtlijn verplicht dat het etiket bij de schoen informatie bevat over de samenstelling van het schoeisel. Daarbij gaat het om informatie over materialen die zijn gebruikt in het bovendeel, de voering en de inlegzool en de buitenzool. Nepbont of echt bont dat dient ter versiering van een leren schoen hoeft op grond van richtlijn 94/11/EG niet te worden geëtiketteerd. Een consument kan wanneer hij of zij een leren schoen met een bontrandje koopt op grond van het etiket van de schoen niet achterhalen of het om nepbont of echt bont gaat. De Textielverordening 1007/2011 is niet van toepassing op schoenen.
Leren jassen bevatten minder dan 80 gewichtsprocent textielvezels en hoeven op grond van de Textielverordening niet te worden geëtiketteerd. Wanneer een jas met ten minste 80 gewichtsprocent textielvezels zowel leer als bont bevat moet er op het etiket staan «Bevat niet uit textiel bestaande delen van dierlijke oorsprong». Er is geen verplichting om specifiek in het etiket te vermelden dat de jas bont bevat en/of leer bevat. Een consument die een jas met leer en een bontrandje koopt die ten minste 80 gewichtsprocent textielvezels bevat, kan uit de verplichte zinsnede op het etiket «Bevat niet uit textiel bestaande delen van dierlijke oorsprong» dus niet opmaken of deze zinsnede betrekking heeft op het leer in de jas of op het bontrandje dat er aan is bevestigd.
Op welke manier kan een consument onderscheiden of er bont aan zijn jas zit of dat er dons in gebruikt is?
Op grond van de Textielverordening is een fabrikant niet verplicht om op het etiket van een kledingstuk met bont en/of dons specifiek te vermelden dat dit bont en/of dons bevat. De Textielverordening verplicht de fabrikant bij bont en/of dons in kleding alleen om de zinsnede «Bevat niet uit textiel bestaande delen van dierlijke oorsprong» op het etiket te vermelden. De precieze oorsprong hoeft niet te worden vermeld. Een consument krijgt op grond van het etiket dus alleen informatie dat er niet uit textiel bestaande delen van dierlijke oorsprong in het kledingstuk zitten, maar weet bij een kledingstuk dat is samengesteld uit bont en dons niet precies op welk deel van het kledingstuk dit betrekking heeft. Sommige fabrikanten geven op eigen initiatief op het etiket wel aan wat de precieze oorsprong is en vermelden vrijwillig dat het om bont en/of dons gaat.
Op welke manier gaat u tijdens het Nederlands Voorzitterschap correcte etikettering van bont in de Europese Unie op de agenda te zetten? Gaat u pleiten voor aanscherping door bont als «bont» te labelen? Gaat u om evaluatie vragen? Gaat u voorstellen om middels een consumentenonderzoek te achterhalen of de huidige labels helder zijn?
Vanuit Nederland is in 2014 bij de evaluatie van de Textielverordening 1007/2011 door de Europese Commissie reeds ingebracht dat de labelling begrijpelijker zou moeten zijn voor de consument en dat op kleding en textielproducten waarin bont is verwerkt moet komen te staan «bevat bont». De Commissie heeft echter besloten om de verordening niet te wijzigen. Gezien de recente evaluatie is mijn verwachting dat de Commissie daar ook de komende tijd niet toe bereid is. Een consumentenonderzoek acht ik niet noodzakelijk.
Hoe en op welke termijn gaat u de motie Gerkens c.s. (Kamerstuk 30 826, nr. 766) onder de aandacht brengen bij de Commissie en in de Raad?
Zie hiervoor mijn antwoorden op de Kamervragen van de leden Thieme (PvdD) en Van Gerven (SP) d.d. 2 maart 2016 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, Aanhangsel 1688).
Wat doet u om te zorgen dat er geen bont van levend geplukte of gevilde dieren op de Nederlandse markt verschijnt, zoals eerder met de Kamer besproken?
Mijn uitgangspunt is dat de textiel- en kledingsector zelf eerst verantwoordelijk is om de geconstateerde problematiek rond angorawol en wasbeerhondenbont, maar ook ander dierenleed rondom het gebruik van dierlijke producten in kleding en textiel aan te pakken. In december 2014 zijn daartoe met de sector een aantal afspraken gemaakt (Kamerstuk 28 286, nr. 777, d.d. 18 december 2014).
In het Convenant Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen in de kleding- en textielsector dat op 9 maart jl. is verschenen geven de textiel- en kledingsector, Stichting Viervoeters en de overheid aan zich samen te willen inzetten om dierenleed in de productie- of toeleveringsketen te voorkomen, verminderen en uitbannen en te streven naar het realiseren van garanties voor dierenwelzijn bij gebruik van producten van dierlijke oorsprong.
In bijlage 1 van de convenanttekst is opgenomen wat van bedrijven wordt verwacht op het gebied van dierenwelzijn wanneer zij het convenant ondertekenen. Hierin staat onder andere dat van bedrijven wordt verwacht dat zij hun collecties screenen op het gebruik van dierlijke materialen met een risico op het schenden van dierenwelzijn en adequate actie ondernemen om dit soort materiaal te weren uit de collectie, of in te kopen bij leveranciers met strengere dierenwelzijnsnormen.
Wat doet u ter uitvoering van de motie Van Gerven/Thieme (Kamerstuk 28 286, nr. 766) die de regering verzoekt zich sterk te maken voor een Europees handels- en importverbod op wasbeerhondenbont?
Zoals aangegeven in eerdere Kamerbrieven zijn deze verzoeken meegenomen in de aanpak die er op gericht is op het voorkomen dat er kleding in de winkels komt waarin angorawol of wasbeerhondenbont is verwerkt dat is verkregen van dieren waarvan het dierenwelzijn niet is of kan worden gegarandeerd (Kamerstuk 28 286, nr. 769, dd. 27 oktober 2014). Een Europees handels- en importverbod op wasbeerhondenbont of angorawol is op basis van het vrij verkeer van goederen binnen de EU, richtlijn 98/58/EG voor geharmoniseerde dierenwelzijnsnormen inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren en op basis van de huidige regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) niet haalbaar.
Ik heb het verzoek van de kamer daarom ook ingebracht voor het convenant Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen in de kleding- en textielsector. Hierin is nu opgenomen dat partijen die het convenant ondertekenen zich inspannen om tot een (vrijwillige) afschaffing van het gebruik en de verkoop van bont, angora en huiden van exotische soorten zoals slangen en krokodillen en beschermde soorten te komen, en ervoor zorg te dragen dat dit soort producten niet voor textiel, kleding of schoenen gebruikt is in hun collecties.
Wat doet u ter uitvoering van de motie Thieme/Van Gerven (Kamerstuk 28 286, nr. 753) die de regering verzoekt zich in te zetten voor een Europees importverbod op angorawol?
Zie antwoord vraag 14.
Het gebrek aan autoafzetplaatsen langs de Rijn in Duitsland |
|
Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Autosteigers langs de Rijn: hot item!», alsook de open brief van de Binnenvaartkrant aan de directeur van het Bundesanstalt für Wasserbau (BAW)?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de strekking van het artikel en de open brief, waarin uiteengezet wordt dat het steeds verder toenemende tekort aan autoafzetplaatsen voor de binnenvaart problemen met zich brengt voor de veiligheid aan boord, bemanningswisselingen, alsook het tijdig bedienen van bedrijven langs de Rijn?
Als de sector een toenemend tekort aan autoafzetplaatsen in Duitsland constateert, is het goed dat men zich tot de betreffende autoriteiten richt en met concrete voorbeelden komt.
In de Europese TEN-corridorstudies zijn geen specifieke Duitse ligplaatsknelpunten op de Rijn aangegeven, afgezien van Lobith op de Nederlands-Duitse grens. Navraag bij het Duitse ministerie leert dat men zich bewust is van het probleem.
Deelt u de mening dat het ontbreken van voldoende autoafzetplaatsen langs het Duitse deel van de Rijn de Nederlandse binnenvaart schade toebrengt, temeer daar veel Nederlandse binnenvaartschepen van de Rijn gebruikmaken?
Ik deel het belang van voldoende autoafzetplaatsen en ligplaatsen en pak geconstateerde ligplaatstekorten in Nederland in het MIRT aan.
Een tekort aan autoafzetplaatsen kan, zoals ook aangegeven in de open brief, voor bemanningswisseling of om sociale redenen een belemmering vormen voor de binnenvaart.
Bent u bereid om in overleg te treden met het BAW over het in het artikel geschetste probleem? Zo nee, waarom niet?
De aanleg van autoafzetplaatsen en ligplaatsen betreft een zaak van de Duitse deelstaten (de zgn. Länder) voor zo ver het plaatsen in binnenhavens betreft, en van de federale overheid als het om plaatsen daarbuiten gaat. Ik heb naar aanleiding van uw vragen de kwestie aan de orde gesteld in mijn reguliere contacten met de Duitse federale overheid. Men heeft mij meegedeeld dat er een programma loopt ter uitbreiding van het aantal ligplaatsen. Echter, de aanleg van dergelijke voorzieningen stuit vaak op bezwaren van omwonenden en gaat daarom langzamer dan gepland. Ik heb mijn contactpersoon bij de federale overheid ook gevraagd de signalen door te geleiden naar de verantwoordelijke regionale autoriteiten.
Daarnaast verwacht ik dat de binnenvaartsector het gesignaleerde tekort aan ligplaatsen ook zelf via de internationale binnenvaartbrancheorganisaties in Duitsland en bij de Europese Commissie in Brussel laat horen.
Voor wat betreft de in de ingezonden brief genoemde concrete locaties waar ligplaatstekorten zich voordoen, dient de sector zich te richten tot de betrokken Länder.
Welke andere mogelijkheden heeft u internationaal gezien om invloed uit te oefenen op Duitsland, teneinde tot meer autoafzetplaatsen voor Nederlandse binnenvaartschippers te komen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om er in internationaal verband voor te pleiten dat de wal op meer plaatsen langs de Rijn multimodaal toegankelijk wordt, waardoor ook de wisselwerking tussen het weg- en watertransport wordt gestimuleerd?
In internationaal verband wordt een multimodale corridoraanpak nagestreefd in TEN-T, waarbij ook aandacht is voor openbare binnenhavens. Ik ondersteun deze benadering en mijn nationale en internationale inzet sluit hier dan ook op aan.
Ik zal het belang van voldoende autoafzetplaatsen en ligplaatsen langs de Rijn in de CCR en de EU naar voren brengen.
De toegankelijkheid van kades en binnenhavens is primair wel een zaak voor gemeente en private eigenaren.
Bent u bereid om met de Nederlandse binnenvaartsector in overleg te treden en kennis te nemen van de zorgen en eventuele oplossingen met betrekking tot dit probleem? Zo nee, waarom niet?
Ik heb regelmatig overleg met de brancheorganisaties, op bestuurlijk niveau, maar ook in reguliere overleggen als het OTNB (waarin onder andere de CCR-vergaderingen voorbesproken worden). Het staat de organisaties uiteraard vrij om ook dit punt op te brengen.
Verder is het aan de binnenvaartsector zelf om het tekort aan autoafzetplaatsen helder te maken en via de internationale binnenvaartvertegenwoordigers bij de Duitse overheid onder de aandacht te brengen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het eerstvolgende Algemeen overleg Scheepvaart?
Ja.
Aanbesteding van software |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Protinus IT wint grote gunning EASP2015»?1
Ja.
Wat is het belang, zowel in operationele als strategische zin, van de EASP2015 en vooral van het perceel dat is gewonnen door Protinus IT en Comparex?
De rijksbrede Europese Aanbesteding voor Standaard Programmatuur (EASP) betrof 2 percelen:
De aanbesteding betrof de aanschaf van standaard software (en de daarmee samenhangende werkzaamheden als onderhoud, support, advies en installatie).
VenJ trad op als coördinerende partij, namens de deelnemers uit negen ministeries.
Perceel 1 is gegund aan SoftwareOne en omvat circa € 8 mln.
Perceel 2 is gewonnen door Protinus IT en Comparex Nederland. Dit perceel omvat circa € 32 mln.
Deelt u de mening dat het doorbreken van de leveranciersafhankelijkheid in de ICT voor de overheid van strategisch belang is om grip te krijgen op zowel de kosten als de kwaliteit van de dienstverlening? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan? Zo nee, waarom niet?
Ja. Met de wijze van inkopen op basis van de EASP 2015 overeenkomsten wordt bewerkstelligd dat software-resellers elkaar beconcurreren. Zij bieden vervolgens softwareoplossingen aan. Het gebruik van open standaarden en de mogelijkheid tot aanbieding van open source software is onderdeel van de aanbesteding. Door het gebruik van open standaarden en door de mogelijkheid tot aanbieden van open source software kan de leveranciersafhankelijkheid in de ICT worden beperkt.
Op welke wijze heeft u bij het gunnen van de aanbesteding van het perceel aan Protinus IT en Comparex meegewogen of deze bedrijven geloofwaardig kunnen opereren bij het aanbesteden van open source software? In hoeverre woog u de berichtgeving mee dat beide gegunde partijen niet kunnen wijzen naar succesvolle referenties met betrekking tot Open Source? https://www.computable.nl/artikel/nieuws/wie-gunt-wat/5260495/3152533/fraude-drechtsteden-treft-ook-comparex.html
In de aanbesteding EASP2015 is gevraagd naar kennis en ervaring op het gebied van standaard software (open source software en closed source software). In de aanbesteding is ook beschreven dat bij gelijke geschiktheid geldt dat open source software de voorkeur geniet. In de aanbesteding is gevraagd naar referentieopdrachten op het gebied van open source software. Daarnaast is gevraagd naar een verklaring omtrent het gedrag. Er mocht bij partijen geen sprake zijn van ernstige beroepsfouten. Aanbestedingsrechtelijk is het niet mogelijk om op basis van bijgevoegde berichtgeving vooraf een inschrijver uit te sluiten.
Deelt u de mening dat het niet wenselijk is om de inkoop van open source software uit te besteden aan ICT-leveranciers die voor het succes van hun verdienmodel belang hebben bij het in stand houden van de leveranciersafhankelijkheid of die afhankelijk zijn van de verkoop van licenties? Zo nee, waarom niet?
Middels de aanbesteding EASP2015 zijn raamovereenkomsten afgesloten met drie ICT-leveranciers. Voor perceel één is één partij en voor perceel twee zijn twee partijen geselecteerd. Via minicompetities tussen deze drie ICT-leveranciers /software-resellers worden zij uitgenodigd om de oplossing met de beste kwaliteit/prijsverhouding aan te bieden. Die oplossing kan zowel open source als closed source, dan wel een combinatie van die twee zijn.
Software-resellers zijn afhankelijk van de verkoop van licenties en de gerelateerde dienstverlening, zoals onderhoud en support. Ook voor open source producten is in een professionele ICT-omgeving onderhoud en support noodzakelijk.
Hoe gaat u toezicht houden op de correcte uitvoering van dit perceel? Welke meetbare resultaten kan de belastingbetaler verwachten voor de besteding van deze miljoenen euro’s?
Toezicht op de raamovereenkomsten EASP2015 vindt plaats door het contractmanagement binnen het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Ook zijn de departementale inkoopprocedures van toepassing. Het contractmanagement verkrijgt, via de deelnemende ministeries en Hoge Colleges van Staat, een gezamenlijk inzicht in de afnames onder de raamovereenkomsten. Ook wordt van de leveranciers zelf de contractinformatie over hun leveranties verkregen. Dit geeft periodiek een toetsbaar totaaloverzicht. Het totaaloverzicht op één plek levert verschillende voordelen voor de deelnemende organisaties. Voorbeelden van deze voordelen zijn: bundeling van kennis, mogelijkheid tot specialisatie en lagere kosten. Bij de keuze van het type software door het Rijk is altijd een bedrijfseconomische overweging aan de orde zoals is aangegeven in de kamerbrief over het eindrapport commissie ICT-projecten2.
Hoe verhoudt zich deze aanbesteding tot de door de Kamer in zowel de motie-Vendrik2 als de motie Oosenbrug/Gesthuizen3 geuite wens om ruimte te creëren voor open source?
Het gebruik van open standaarden en open source software, zoals bedoeld in de motie Vendrik en de motie Oosenbrug/Gesthuizen maakt uitdrukkelijk onderdeel uit van de aanbesteding. Zie ook de beantwoording van vraag 3 en 5 en de brief van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 februari 2016 aan uw kamer5.
Het bericht Turkse journalisten bedreigd met levenslang vanwege 'Adana-gate' |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Raymond Knops (CDA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving1 dat het Turkse Openbaar Ministerie levenslange gevangenisstraffen eist tegen twee journalisten vanwege het onthullen van wapentransporten door de Turkse geheime dienst naar jihadisten in Syrië?
Ja. Het kabinet heeft over deze zaak ook al vragen beantwoord van de leden Van Bommel, Maij en Yucel op 9 februari 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 1473 en Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 1474)
Klopt het dat hoofdredacteur Can Dündar en redacteur Erdem Gül van de krant Cumhuriyet worden vervolgd voor spionage, poging tot omverwerping van de regering en steun aan een terroristische organisatie? Hebben zij kennis kunnen nemen van de aanklachten tegen hen?
Ja.
Klopt het dat beide journalisten, indien veroordeeld, een strenger regime opgelegd krijgen met zwaardere omstandigheden en beperktere vrijetijdsbesteding in de gevangenis?2
Op de aanklachten «spionage» en «omverwerping van de regering» staat volgens het Turkse strafrecht «verzwaard levenslang». Bij dit vonnis hoort een strenger gevangenisregime. Dit zal voor beide journalisten gelden indien zij op deze punten schuldig worden bevonden.
Hoe beoordeelt u het protest van 11 vooraanstaande organisaties3 die opkomen voor de persvrijheid en vrijheid van meningsuiting? Deelt u hun zorgen over de toenemende autoritaire trend in Turkije?
Nederland en de EU hechten aan vrijheid van meningsuiting en persvrijheid in Turkije. Dat is een punt waarop Turkije stevige verbetering moet laten zien. Nederland brengt dit telkens weer op, bilateraal en in EU-verband, in contacten met Turkije. Het kabinet onderstreept dat iedereen het recht heeft op een eerlijk en transparant proces.
De rechter zal zich moeten uitspreken, maar wat het kabinet betreft is dit een buitengewoon forse aanklacht. Beide journalisten worden beschuldigd van het samenzweren tegen de regering, lidmaatschap van een terroristische organisatie en militaire spionage vanwege hun berichtgeving over een rechtszaak betreffende vermeende wapentransporten van de Turkse veiligheidsdienst naar strijdende partijen in Syrië. Voor deze aanklachten hanteert Turkije zijn strenge terrorismewetgeving.
Het kabinet is er verheugd over dat beide journalisten voorlopig vrij zijn gelaten nadat het grondwettelijk hof op 25 februari oordeelde dat hun fundamenteel recht op uitoefening van journalistiek werk en van vrijheid geschonden waren.
Is het waar dat deze organisaties en andere journalisten Can Dündar en Erdem Gül niet mogen bezoeken in de gevangenis? Acht u dit strenge regime in strijd met de mensenrechten?
Volgens artikel 9 van de «by-law» die gevangenisbezoek reguleert, kunnen alleen familieleden en advocaten gevangenen bezoeken. Er is in het geval van beide journalisten wat dit betreft dan ook geen sprake van een strenger regime dan dat geldt voor andere gevangenen.
Deelt u de opvatting van Human Rights dat Can Dündar en Erdem Gül met het publiceren van foto’s van trucks vol wapens en munitie hun werk deden als journalisten, en niets meer dan dat?
Het kabinet onderschrijft het standpunt van Commissaris Hahn over de aanklacht. Zie verder ook het antwoord op vraag 4.
Vindt u de aanklachten proportioneel?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u net als Eurocommissaris voor Uitbreiding Hahn geschokt door deze vervolging?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting4 dat Can Dündar en Erdem Gül zijn uitgegroeid tot symbolen van de toenemende onderdrukking van de media door de Turkse regering?
Het is niet aan het kabinet om dit te beoordelen.
Hoe beoordeelt u de statements van de Amerikaanse vicepresident Biden bij diens bezoek aan Turkije, waaronder een ontmoeting met de vrouw van Can Dündar, als steunbetuiging aan beide journalisten? Bent u bereid tot een soortgelijk, publiekelijk statement namens Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vragen 6, 7 en 8.
Bent u bereid deze kwestie en de ernstig bedreigde persvrijheid in Turkije in het algemeen te adresseren in de EU en tot actie op te roepen om de journalisten onmiddellijk vrij te laten?
Zie het antwoord op vraag 4
Hoe geloofwaardig vindt u de eerdere uitleg van de Turkse regering over de trucks vol wapens en munitie waarover Cumhuriyet gepubliceerd heeft, namelijk dat deze hulpgoederen zouden vervoeren naar Turkmenen in Syrië? Hoe kan het vervoeren van hulpgoederen een staatsgeheim zijn en tot deze vervolging journalisten leiden?
Het kabinet is bekend met de berichtgeving over mogelijke steun vanuit Turks grondgebied aan jihadisten in Syrië en Irak. Het kabinet is ook bekend met de van het Kamerlid Omtzigt (CDA) ontvangen documenten waaruit zou blijken dat er Turkse trucks begin 2.014 jaar met wapens naar Syrië zijn gereden. Zoals toen ook aan uw Kamer gemeld, kan uit de genoemde documenten geen conclusie worden getrokken ten aanzien van de eindbestemming van de wapens.
Hoe beoordeelt u het dat Turkije in deze zaak, «Adana-gate», niet alleen tegen journalisten optreedt die erover publiceerden, maar ook tegen officieren van justitie en gendarmeries die destijds verantwoordelijk waren voor het aanhouden en doorzoeken van de trucks?
Zie antwoord vraag 12.
Herinnert u zich de geheime documenten over «Adana-gate» die het kabinet eerder uit de Kamer kreeg aangereikt?5 Vindt u het, ook basis van dit bewijsmateriaal, aannemelijk dat Cumhuriyet de waarheid gepubliceerd heeft?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid met dit bewijsmateriaal en de nieuwe, ernstige ontwikkelingen in «Adana-gate» opheldering te vragen bij Turkije en te pleiten voor onafhankelijk internationaal onderzoek naar deze zaak? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet blijft op dit punt bij zijn standpunt zoals vervat in eerdere antwoorden op vragen hiernaar: het kabinet ziet geen noodzaak voor een onafhankelijk internationaal onderzoek.
Aangezien u in uw brief over intensivering van de strijd tegen ISIS d.d. 29 januari jl. openlijk heeft toegegeven dat Turkije de gewapende Syrische oppositie steunt, bent u nu wel voorstander van een onafhankelijk internationaal onderzoek naar deze steun? Zo nee, waarom niet?
De implicatie dat Turkije jihadisten steunt is niet te baseren op de vaststelling in de brief van 29 januari 2016 dat de gewapende Syrische oppositie gesteund wordt door enkele Golfstaten en Turkije en Jordanië.
Vindt u steun aan jihadisten in Syrië passen bij een NAVO-bondgenoot? Waarom wel/niet?
Zie antwoord vraag 16.
Basisartsen die met een ‘spoedcursus’ bedrijfsarts kunnen worden |
|
Grace Tanamal (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kritiek op «spoedcursus» bedrijfsarts»?1
Ja.
Klopt het bericht dat Arbobutler werkloze basisartsen een verkorte opleiding bedrijfsarts aanbiedt en vervolgens detacheert? Zo ja, wat vindt u van dit plan van Arbobutler nu deze basisartsen geen officiële bevoegdheden hebben als bedrijfsarts?
Zoals ik aan de Tweede Kamer heb gemeld, dreigt er in de toekomst een tekort te ontstaan aan bedrijfsartsen. Het is dan ook zaak om alle mogelijkheden te verkennen en initiatieven te nemen om de instroom in de opleiding voor bedrijfsarts te verhogen. Arbobutler heeft basisartsen in opleiding en heeft het voornemen ze in te zetten in de ziekteverzuimbegeleiding. Het is echter van belang dat wordt voldaan aan de vereisten die gesteld worden aan de kwalificaties, kennis en kunde van de bedrijfsarts. Artikel 14 van de Arbowet verplicht de werkgever zich voor specifieke taken2 te laten bijstaan door een geregistreerd bedrijfsarts. Deze bedrijfsarts wordt na het behalen van de specialistenopleiding ingeschreven in een wettelijk erkend specialistenregister als bedoeld in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
De basisarts heeft niet dezelfde kwalificaties als de geregistreerde bedrijfsarts. Dat betekent dat de werkgever door inzet van een basisarts niet aan zijn verplichtingen voldoet om zich te laten bijstaan door een geregistreerde bedrijfsarts.
Bedrijfsartsen in opleiding dienen als zodanig ingeschreven te staan in het opleidingsregister van de Registratie Commissie Geneeskundig Specialisten (RGS). Dit register kan via contact met de RGS worden benaderd.
In hoeverre is het voor werkgevers duidelijk dat Arbobutler zich richt op verzuimbegeleiding, terwijl geregistreerde bedrijfsartsen een veel grote rol hebben, zoals op het gebied van arbeidsomstandigheden?
Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om zich ervan te vergewissen dat de arbodienst of bedrijfsarts voldoet aan de kwaliteitseisen zoals ik in mijn reactie op vraag 2 heb aangegeven. De werkgever kan daarvoor terecht op het Arboportaal3 of via de websites van gecertificeerde arbodiensten en beroepsgroepen in de bedrijfsgezondheidszorg.
Welke concrete initiatieven neemt u of gaat u nemen om de geringe instroom in de bedrijfsartsenopleiding te doorbreken?
Op 27 november 2015 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over mijn voornemens om de instroom in de opleiding voor bedrijfsarts te bevorderen4. Ik heb daarin aangegeven, de NVAB, de Organisatie voor Vitaliteit, Activering en Loopbaan (OVAL), de opleiders en alle andere betrokkenen op te roepen om een campagne op te zetten voor het bekender en aantrekkelijker maken van het vak van de bedrijfsarts zodat de instroom in de opleiding toeneemt. Gezien de urgentie heb ik mij bereid verklaart hieraan een bijdrage te verlenen.
In het algemeen overleg van 14 januari 2016 heb ik met de kamer van gedachten gewisseld over het dreigend tekort aan bedrijfsartsen. Ik heb daarin toegezegd dat ik een kwartiermaker/aanjager zal vragen in gesprek te gaan met alle relevante partijen om te komen tot een gedragen voorstel om de instroom in de opleiding voor bedrijfsarts te bevorderen.
De inzet van de Nederlandse regering bij de OESO Development Assistance Committee (DAC) High Level Meeting |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of en hoe Nederland vertegenwoordigd zal zijn bij de OESO-DAC High Level Meeting op 18 en 19 februari aanstaande?1
Nederland zal bij de High Level Meeting worden vertegenwoordigd door de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking en de Ambassadeur Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Kunt u toelichten wat het Nederlandse standpunt is in de discussie over de modernisering van de Official Development Assistance (ODA)? Kunt u hierbij ingaan op aspecten als opvang asielzoekers, militaire uitgaven en private sector uitgaven?
Het uitgangspunt voor de Nederlandse positie ten aanzien van modernisering ODA is neergelegd in de kabinetsreactie op het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Ontwikkelingssamenwerking (Kamerstuk 32 605, nr. 137, 17 februari 2014). Nederland acht het van belang dat ook nieuwe vormen van ontwikkelingsinzet onder ODA kunnen worden meegerekend.
Wat betreft militaire uitgaven stelt Nederland zich op het standpunt dat bepaalde elementen van een geïntegreerde benadering op veiligheid en ontwikkeling in de ODA-definitie dienen te worden opgenomen. Zo moeten activiteiten van defensieonderdelen die bijdragen aan humanitaire hulp en aan het uitvoeren van ontwikkelingsactiviteiten onder de ODA-definitie kunnen worden meegerekend, mits deze bijdrage in lijn is met humanitaire principes.
Wat betreft private sector uitgaven bepleit Nederland de erkenning dat innovatieve financieringsmechanismen van belang zijn voor ontwikkeling. Dergelijke instrumenten dragen bij aan het mobiliseren van privaat kapitaal voor de ontwikkelingsagenda. Budgettaire inspanningen die donoren hiertoe leveren, zoals garanties, dienen aan ODA toerekenbaar te zijn.
Van de kosten voor opvang van asielzoekers uit ontwikkelingslanden kunnen de eerste twaalf maanden van het verblijf in een donorland worden gerapporteerd als ODA-uitgaven. Dat is een internationale afspraak, gemaakt in OESO-DAC-verband. Er ligt geen voorstel voor om deze definitie te wijzigen.
Kunt u het Nederlandse standpunt met betrekking tot de modernisering van de criteria rondom vrede en veiligheid toelichten? Moeten activiteiten met als doel Countering Violent Extremism worden toegerekend aan ODA?
Het Nederlandse standpunt betreffende de modernisering van de criteria rondom vrede en veiligheid is toegelicht onder vraag twee. Wat betreft Countering Violent Extremism vindt Nederland het belangrijk om onderscheid te maken tussen (para-) militaire contraterrorisme activiteiten en activiteiten gericht op het voorkomen van gewelddadig extremisme. (Para-)militaire contraterrorisme activiteiten mogen niet aan ODA worden toegerekend. Nederland vindt dat het wel mogelijk dient te zijn om de kosten van ontwikkelingsprojecten toe te rekenen die kunnen bijdragen aan het voorkomen van gewelddadig extremisme. Te denken valt aan activiteiten op het gebied van beter onderwijs, het bevorderen van werkgelegenheid en het versterken van veiligheid en rechtsorde (bijvoorbeeld door de politie te versterken, gevangenissen te verbeteren en straffeloosheid aan te pakken).
Kunt u het Nederlandse standpunt met betrekking tot de modernisering van de kosten van de asielopvang toelichten?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de beantwoording van vraag twee.
Bent u nog steeds van mening, zoals eerder toegelicht in de kabinetsreactie van 2014 op het rapport van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) over dit onderwerp, dat «het effect op de economische ontwikkeling en welvaart van ontwikkelingslanden van het toerekenen van de opvang van vluchtelingen in een donorland niet evident is»? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat betekent dit voor het Nederlandse standpunt?
In de kabinetsreactie bij het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Ontwikkelingssamenwerking, heeft het kabinet aangegeven dat er uitgaven zijn, die wel meetellen, maar waarvan het effect op de economische ontwikkeling en welvaart van ontwikkelingslanden niet evident is. De opvang van vluchtelingen in een donorland is hierbij als voorbeeld genoemd. De kabinetsreactie is nog altijd het uitgangspunt voor de Nederlandse positie in deze kabinetsperiode.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat Nederland tot een minderheid in de OESO-DAC behoort die de kosten van eerstejaarsopvang van asielzoekers rapporteert als ODA? Hoe verhoudt zich dit tot de hoofddoelstelling van ODA: «the promotion of the economic development and welfare of developing countries»?
Binnen de OESO-DAC is afgesproken dat donorlanden die binnen eigen landsgrenzen asielzoekers uit ontwikkelingslanden opvangen, de hiervoor gemaakte kosten gedurende de eerste twaalf maanden van hun verblijf als ODA-uitgaven kunnen meetellen. In de praktijk rapporteren vrijwel alle OESO-DAC landen kosten voor het opvangen van asielzoekers als ODA.2
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 16 februari a.s. beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
De positie van de cliëntenraad bij de fusie van het Zuwe Hofpoort (Woerden) en Antonius Ziekenhuis (Nieuwegein) |
|
Loes Ypma (PvdA), Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de eerdere vragen over de voorgenomen fusie van het Zuwe Hofpoort en Antonius ziekenhuis?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de Raad van Bestuur van het Zuwe Hofpoort de huidige cliëntenraad met een eenzijdig besluit heeft opgeheven? Bestaat een dergelijke bevoegdheid? Op basis van welke bevoegdheden is dit door het bestuur eenzijdig gedaan? Hoe kan dit besluit worden teruggedraaid, indien dit onrechtmatig is? Wat zegt deze wijze van handelen van het bestuur volgens u over de bestuurscultuur?
De raad van bestuur van het Antonius Ziekenhuis heeft mij laten weten dat de wijziging van de medezeggenschapsstuctuur een gezamenlijk besluit is geweest dat is genomen in een vergadering op 14 mei 2015 waarbij de raden van bestuur van beide ziekenhuizen en de beide cliëntenraden aanwezig waren. De voormalige cliëntenraad van het Zuwe Hofpoort heeft vervolgens op 9 oktober 2015 via een persbericht en een artikel in een lokale krant aangegeven dat zij per 1 januari 2016 zou ophouden te bestaan. Het is niet aan mij om te oordelen over wat precies is voorgevallen tussen cliëntenraad en de raad van bestuur van het ziekenhuis. Wel kan de rechter op grond van de Wet medezeggenschap cliënten Zorginstellingen (Wmcz) de rechtmatigheid van dergelijke besluiten toetsen.
Wat is nu de status van de voorgenomen fusie? Hoe verhoudt de situatie dat de Raad van Bestuur lijkt te handelen alsof de fusie is afgerond zich tot de situatie dat de cliëntenraad nog wacht op een besluit van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) omtrent hun bezwaren hiertegen? Hoe wenselijk is het om de fusie door te voeren, terwijl patiënten en cliënten (uitgerekend de mensen om wie de zorg draait) nog bezwaren hiertegen hebben en zich bovendien niet gehoord voelen in het proces?
Ik heb van de NZa vernomen dat de fusie inmiddels geëffectueerd is. De NZa heeft mij toegelicht dat op onderhavige situatie de bestuursrechtelijke beginselen van toepassing zijn en dat daarom het bezwaar van de cliëntenraad geen schorsende werking heeft op het primair besluit. Ook heeft de NZa aangegeven dat de cliëntenraad geen voorlopige voorziening heeft aangevraagd om, aanhangend het bezwaar, de effectuering van de fusie tegen te houden. Dat betekent dat het de raad van bestuur in beginsel vrij stond om de fusie te effectueren. Inmiddels heeft de NZa een beslissing op bezwaar genomen en de bezwaren van de cliëntenraad ongegrond verklaard. Een eventuele vernietiging van het besluit van de NZa door de rechter naar aanleiding van een eventueel beroep van de cliëntenraad en de mogelijke gevolgen daarvan komen voor rekening en risico van de raad van bestuur.
Kunt u aangeven welk afwegingskader de NZa heeft gehanteerd, aangezien uit de beantwoording van de genoemde eerdere vragen over dit onderwerp blijkt dat de NZa van mening is dat de cliëntenraad «zorgvuldig is betrokken» bij het besluit tot de voorgenomen fusie, terwijl de cliëntenraad deze opvatting niet deelt? Zijn deze afweging en het besluit openbaar? Zo nee, waarom niet?
Het door de NZa gehanteerde afwegingskader is opgenomen in artikel 49c, tweede lid, Wmg. Zowel het besluit van de NZa als de fusie-effectrapportage, waar de goedkeuring van de NZa mede op is gebaseerd, zijn openbaar. Deze zijn te vinden op https://www.nza.nl/publicaties/Besluiten/Fusiebesluiten/. Zoals ik in antwoord op vraag 3 heb aangegeven, heeft de NZa inmiddels een beslissing op bezwaar genomen. Deze beslissing op bezwaar zal binnenkort te vinden zijn op https://www.nza.nl/publicaties/Besluiten/Beslissingenopbezwaar/.
Komen er in uw nieuwe voorstellen voor zeggenschap van cliënten en patiënten, naast zeggenschap over eigen behandeling, ook voorstellen om de positie van cliënten- en patiëntenraden te versterken, met als doel om vanuit hun wens en visie de zorg ook op instellings- en regioniveau samen in te vullen? Kunnen die voorstellen volgens u de ontevredenheid, die nu heerst bij de cliëntenraad van het Zuwe Hofpoort, voorkomen?
Zoals ik de Kamer ook heb toegelicht in mijn antwoorden op de eerdere Kamervragen over onderhavige casus (Aanhangsel Handelingen II 2015/16, 1276), ben ik voornemens maatregelen te nemen om de medezeggenschap van cliënten in zorginstellingen te verbeteren. Zoals ik in de tweede voortgangrapportage «Kwaliteit Loont» (Kamerstuk 31 765, nr. 172) heb aangegeven win ik momenteel advies in over de implicaties van de motie van de leden Bouwmeester en Dik-Faber (34 300 XVI, nr. 52) die bij de vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het jaar 2016 is aangenomen. Ik verwacht de uitkomsten hiervan samen met mijn reactie daarop voor de zomer van 2016 naar uw Kamer te kunnen sturen. Parallel aan het adviestraject over bovengenoemde motie, ga ik ook verder met sectorpartijen in gesprek om te komen tot passende maatregelen. Ik denk met dit proces samen met alle betrokkenen tot een evenwichtig pakket aan maatregelen te kunnen komen dat daadwerkelijk gaat bijdragen aan het verbeteren van de medezeggenschap van cliënten.
Daarmee wordt niet voorkomen dat een cliëntenraad nimmer ontevreden zal zijn over een specifieke situatie. Het is aan de rechter om in die individuele gevallen tot een oordeel te komen.
Het verloren gaan van 45 duizend gezonde levensjaren als gevolg van het VW-schandaal |
|
Duco Hoogland (PvdA), John Kerstens (PvdA), Grace Tanamal (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «VW-schandaal kost 45.000 gezonde levensjaren»?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusies van de onderzoekers, genoemd in het artikel, dat er 45.000 gezonde levensjaren verloren zijn gegaan door het VW-schandaal?
Nee. We weten sinds lange tijd dat dieselvoertuigen op de weg meer stikstofoxiden uitstoten dan in het laboratorium. Dit is ook meermalen met uw Kamer gedeeld. Dat verschil wordt niet uitsluitend veroorzaakt door fraude, maar bijvoorbeeld ook door andere instellingen van het motormanagement binnen de kaders van de Europese regelgeving. Rekening houdend met deze hogere uitstoot in de praktijk, blijkt dat in Nederland vrijwel overal aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Dit neemt niet weg dat het van belang is om met het oog op de gezondheid de lucht schoner te maken. Dit is ook verwoord in de Kamerbrief over het Actieplan Luchtkwaliteit van 26 november 20152, waarin is aangegeven welke maatregelen als onderdeel van dit Actieplan worden genomen.
Daarnaast maak ik me in Brussel al jarenlang sterk voor verdere verlaging van de emissies van stikstofoxiden. Daarbij wordt ingezet op effectievere emissienormen waarbij auto’s op de weg worden gemeten via de zogenaamde Real Driving Emissions testprocedure.
Wat vindt u ervan dat 45.000 gezonde levensjaren, door bijvoorbeeld het oplopen van longkanker, verloren gaan door deze extra uitstoot van stikstofmonoxide?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven welke gevolgen dit schandaal heeft voor de Nederlandse volksgezondheid?
Het is niet bekend hoeveel de emissie van stikstofoxiden toeneemt als gevolg van de softwarefraude zoals die bij Volkswagen is geconstateerd. Dit neemt niet weg dat ik het belangrijk vind dat de frauduleuze software zo snel mogelijk wordt verwijderd. Hiermee wordt voorkomen dat eventuele gevolgen voor de gezondheid als gevolg van de fraude blijven voortduren.
Herinnert u zich eerdere vragen met betrekking tot de schadelijkheid van dieselrook voor werknemers?2
Ja.
In hoeverre lopen automonteurs risico’s op een beroepsziekte door het inademen van stikstofmonoxide?
Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten heeft één melding van een beroepsluchtwegaandoening bij een automonteur als gevolg van uitlaatgassen ontvangen. Er zijn nooit meldingen gedaan van beroepsziekten bij automonteurs specifiek als gevolg van stikstofmonoxide. Dat wil niet zeggen dat er geen risico’s mogelijk zijn. Stikstofmonoxide kan aanwezig zijn in dieseluitlaatgassen, evenals andere schadelijke verbrandingsproducten uit motoren, zoals bijvoorbeeld stikstofdioxide en fijnstof. Stikstofmonoxide kan onder meer luchtwegaandoeningen, zoals astma, veroorzaken bij blootstelling boven de wettelijke grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling. Werkgevers moeten er voor zorgen dat de blootstelling beneden die grenswaarde blijft.
Het bericht 'Gedumpte hangbuikzwijntjes afgeschoten in Hoenderloo' |
|
Dion Graus (PVV) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van het artikel «Gedumpte hangbuikzwijntjes afgeschoten in Hoenderloo»?1 Zo ja, bent u bereid actie te ondernemen tegen het afschieten van weerloze, in dit geval zelfs gedumpte, dieren?
Ja. Zie verder antwoorden 4, 5 en 6.
Waarom zijn er geen terzake deskundigen inclusief de benodigde middelen ingeschakeld waarmee in het verleden hangbuikzwijntjes en andere dieren in korte tijd werden ingesloten en (op)gevangen?
In dit concrete geval is deskundigheid van de politie ingeschakeld. Het betreft een politiefunctionaris met taakaccent dierenwelzijn.
Wie diende het verzoek in en wie gaf toestemming om de dieren te doden?
Het verzoek tot afschot werd ingediend door het Staatsbosbeheer, eigenaar van het terrein waar de hangbuikzwijntjes waren losgelaten. Toestemming is gegeven door de dienstdoende politiefunctionaris.
Staatsbosbeheer beweert dat «niemand de dieren wil hebben», terwijl tal van hulpdiensten en opvangcentra nimmer een verzoek hebben ontvangen; wat is uw reactie hierop? Wat zijn de gevolgen voor de mensen (hun eventuele jachtakte en wapenvergunning) die direct verantwoordelijk zijn voor de geopperde onzin en de dood van onschuldige dieren?
Het Staatsbosbeheer werd op donderdag 4 februari geconfronteerd met 5 hangbuikzwijntjes die op haar terreinen waren losgelaten. De aanwezigheid van deze zwijntjes brengt mogelijk risico’s met zich mee voor de verkeersveiligheid, de volksgezondheid en het welzijn van de zwijntjes zelf. De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) heeft op verzoek van Staatsbosbeheer geadviseerd de dieren daarom zo spoedig mogelijk van het terrein te verwijderen. Drie zwijntjes konden worden gevangen en ondergebracht in een dierenopvangcentrum. Bij de twee andere zwijntjes lukte het vangen niet. Daarop heeft de politie toestemming verleend om de twee overgebleven dieren af te schieten.
Hoe verenigt u het gebeuren met de geldende zorgplicht voor deze, niet onder de Flora- en Faunawet vallende, gehouden dieren?
Zoals ik in antwoord 4 heb ik aangegeven is het besluit tot afschieten op een weloverwogen wijze tot stand gekomen. Opsporing en eventuele rechtsvervolging van de eigenaren van betreffende dieren is een zaak van de politie en het Openbaar Ministerie. In dit verband wijs ik u ook op de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 2 maart 2016 over het houdverbod van dieren (Tweede Kamer 2015–2016, 28 286 nr. 853).
Welke stappen gaat u zetten om dit soort hufterig gedrag jegens dieren in de toekomst te voorkomen en in accurate noodhulp te voorzien? Wat gaat u ondernemen om de «dumper(s)» op te sporen? Deelt u de mening dat er gevangenisstraf moet worden opgelegd inclusief een levenslang verbod op het houden van dieren?
Zie antwoord vraag 5.
Het kritische rapport van het Pentagon over de JSF |
|
Salima Belhaj (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «All the way the F-35 is screwed up, according to the Pentagon’s top weapon tester»?1
Op het rapport van de Director, Operational Test & Evaluation (DOT&E) reageer ik in een afzonderlijke brief.
Heeft u reeds kennisgenomen van het recente rapport van de Director, Operational Test & Evaluation (DOT&E) over de voortgang van de JSF in 2015?2
Ja
Wat is uw reactie op de kritiek die wordt geplaatst bij een eventuele «block buy» alvorens het testprogramma is afgerond? Deelt u de kritiek dat dit voorbarig is en risicovol kan zijn, aangezien het aannemelijk is dat er nog veel tekortkomingen zullen worden geconstateerd? Heeft deze kritiek consequenties voor een eventuele Nederlandse deelname aan een zogenaamde «block buy»?
De DOT&E stelt vragen bij de eventuele Block Buy, een manier om een lagere stuksprijs te realiseren door een meerjarige bestelling van toestellen. De voorbereidingen in de Verenigde Staten voor een dergelijke Block Buy zijn echter nog niet zover dat daarover nu al keuzes kunnen worden gemaakt. Vanzelfsprekend zullen de vragen van de DOT&E bij de betrokken worden afwegingen. Het JPO heeft de partners onlangs laten weten dat de Verenigde Staten een Block Buy wensen en daarvoor de voorbereidingen treffen, maar op zijn vroegst pas vanaf toestellen die in 2021 geleverd worden. Dit is een jaar later dan tot nu toe gedacht. Een Block Buy voor partnerlanden, waarbij de Verenigde Staten dan later aansluiten, kan nog steeds interessant zijn. Gegevens die nodig zijn voor deze afweging – onder andere over het aantal toestellen en de mogelijke besparingen – zijn echter nog niet beschikbaar. Tijdens de komende JSF Executive Steering Board (JESB) eind maart zal de Block Buy uitvoerig aan de orde komen. Zodra er meer duidelijkheid ontstaat, zal ik de Kamer vanzelfsprekend inlichten.
Klopt het dat er nog steeds structurele tekortkomingen zijn in het verzamelen van zogenaamde «mission data files», die noodzakelijk zijn voor de JSF om te kunnen opereren? Klopt het tevens dat deze structurele tekortkomingen leiden tot ernstige beperkingen voor het opereren van de JSF in gevechten tegen existentiële dreigingen? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Voor de operationele taakuitoefening heeft een F-35 zogeheten mission data files nodig. Deze gegevens worden ontwikkeld in een Reprogramming lab en zijn nodig om de sensoren en missiesystemen te laten functioneren. De DOT&E stelt dat het Amerikaanse laboratorium niet tijdig geschikt is gemaakt voor de Block 3F software waardoor de productie van Mission Data Files voor Amerikaanse eenheden onder druk staan. Generaal Bogdan van het JPO heeft laten weten dat het gaat om een capaciteitsvraagstuk en dat hij maatregelen heeft getroffen. Hij verwacht dat de Mission Data File tijdig beschikbaar zijn voor de operationele testfase van Block 3F.
Defensie gaat op termijn ook gebruikmaken van dit laboratorium. De eerste Nederlandse Mission Data File is echter pas in 2019 nodig. De levering daarvan staat niet onder druk.
Hoe verhoudt de conclusie over de structurele tekortkomingen in de zogenaamde «mission data files» zich tot uw eerdere opmerking in de laatste voortgangsrapportage over de JSF dat het Pentagon positief is over de tijdige beschikbaarheid van de «mission data files»?3
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u de conclusie over de onrealistische planning van het testen van de software? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het JPO doet er alles aan om de Block 3F software zo spoedig mogelijk beschikbaar te stellen. Het F-35 JPO gaat er inmiddels vanuit dat deze software eind 2017 beschikbaar komt. Het verschil met de DOT&E, die verwacht dat de software in januari 2018 beschikbaar komt, is dus beperkt.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de operationele geschiktheid van de JSF veel lager is dan gewenst? Kunt u daarbij tevens ingaan op de conclusie dat de prestaties van de JSF op nagenoeg alle punten waarop de voortgang wordt bijgehouden lager zijn dan de gestelde tussendoelen?
Het is in deze fase van het programma onvermijdelijk dat er kinderziektes en aanloopproblemen optreden. De DOT&E stelt vast dat vrijwel alle parameters voor de prestaties van het toestel in het afgelopen jaar zijn verbeterd, maar deze nog wel achterblijven bij de gestelde eisen. De inzetgereedheid van de toestellen was gemiddelde 51 procent terwijl 60 procent was beoogd. Het JPO analyseert de redenen daarom en treft maatregelen. Zo registreert en analyseert het JPO het faalgedrag van componenten en treft het verbeteringen om de betrouwbaarheid van componenten te verhogen.
Het is van belang dat de inzetgereedheid van de toestellen toeneemt. Defensie heeft de bedrijfszekerheid in de voortgangsrapportage als risico geïdentificeerd en houdt daarom rekening met de eventuele aanschaf van extra reserveonderdelen. Als dat inderdaad nodig mocht blijken, betaalt Defensie dat uit de risicoreservering.
Hoe beoordeelt u de analyse dat het aannemelijk is dat de JSF pas op zijn vroegst in 2022 volledig operationeel inzetbaar is? Kunt u uw antwoord toelichten?
In Nederland wordt de F-35 vanaf 2019 ingevoerd. Defensie verwacht de initiële operationele capaciteit eind 2021 te behalen. De toestellen zijn dan beperkt operationeel inzetbaar. Daarna zal Defensie toewerken naar de volledige inzetbaarheid met alle F-35’s. Volgens de huidige planning wordt die in 2024 behaald.
Het evacueren van reizigers uit gestrande treinen |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Reizigers 3,5 uur vast in trein»1, «Treinreizigers gestrand: drieënhalf uur zonder licht en frisse lucht»2 en «Ongeduldige reizigers breken uit defecte trein Zaltbommel»?3 Herinnert u zich de brief van uw voorganger over gestrande treinen op de HSL4 en de brief van uw voorganger over diesellocs en het bergen van gestrande treinen?5
Ja, ik ken de berichten en de brieven waar de vraagsteller naar verwijst. Dat deze incidenten zich hebben voorgedaan vind ik samen met NS en ProRail onacceptabel. Reizigers moeten er van op aan kunnen dat ze zo snel mogelijk uit een dergelijke benarde positie verlost worden zodat ze hun reis kunnen voortzetten. Ik heb NS en ProRail gevraagd om gezamenlijk een evaluatie te maken op basis van de strandingen op het hoofdrailnet en de HSL over de afgelopen jaren, gericht op verbeteringen. Ook het toezicht van Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) zal daar mede op gericht zijn. Ik zal u over de uitkomst van deze evaluatie nader informeren.
Heeft u een overzicht van het aantal gestrande treinen op zowel hoofdrailnet, HSL als regionaal spoor sinds 2011 en het oponthoud per gestrande trein?
ProRail meldt dat er tussen december 2013 en februari 2016 1.828 treinen twintig minuten of langer zijn gestrand. Er reden ongeveer 3,4 miljoen treinen, dus dit komt neer op 0,05% gestrande treinen. Op basis van deze cijfers is geen onderscheid te maken tussen het hoofdrailnet en HSL.
Kunt u verklaren waarom het woensdag 4 november drieënhalf uur duurde voordat gestrande reizigers tussen Den Bosch en Nijmegen werden geëvacueerd?
In dit geval bleef de trein aanvankelijk langs het perron staan, waardoor evacuatie niet nodig was: de reizigers konden desgewenst uitstappen. Nadat de trein weer verder kon rijden, strandde deze helaas alsnog. NS en ProRail hebben de afhandeling van gestrande treinen conform de procedures uitgevoerd, maar door praktische problemen duurde het langer dan verwacht.
De normale afhandeling is erop gericht om de hinder voor reizigers bij een stranding tot een minimum te beperken. De procedure is dat NS en ProRail maximaal een kwartier na een stranding, als zeker is dat de trein niet meer zelfstandig verder kan rijden, gezamenlijk de calamiteitenafhandeling beginnen. Ze hebben de ambitie om in 98% van de gevallen de reizigers binnen een uur hun weg te laten vervolgen. In de overige gevallen streven ze ernaar het oponthoud van de reizigers tot maximaal twee uur te beperken. In alle gevallen is het doel de reizigers binnen één uur zorg te bieden. Voor de evacuatie van de gestrande reizigers geldt een driesporenbeleid. NS en ProRail bereiden tegelijkertijd drie vormen van evacuatie voor:
Kunt u verklaren waarom dinsdag 24 november de gestrande trein niet werd weggesleept naar het dichtstbijzijnde station, maar er bussen werden ingezet terwijl deze de trein niet konden bereiken?
In dit geval zijn de procedures van NS en ProRail voor de afhandeling van gestrande treinen onvoldoende opgevolgd, waardoor niet meteen de evacuatie-methode werd gekozen die de beste bleek: het wegslepen van de trein. De bus die werd ingezet kon de trein in dit geval wel bereiken en is gebruikt om veertig reizigers naar Schiphol te vervoeren.
Kunt u verklaren waarom donderdag 28 januari pas na drie uur is besloten de reizigers in een gestrande trein op de HSL te evacueren?
Na een eerste stop meldde de machinist dat de trein weer kon rijden. Daarop zijn de acties in het kader van de calamiteitenafhandeling gestaakt. Even later is de trein opnieuw stil komen te staan en is de calamiteiten afhandeling opnieuw gestart. Een belemmerende factor bij de HSL is dat het spoor door ligging en afscherming voor hulpdiensten vaak minder eenvoudig te bereiken is en er strenge veiligheidsvoorschriften gelden zowel voor het inzetten van evacuatietreinen als het fysiek ontruimen van gestrande treinen. Ook in dit geval zijn de procedures van NS en ProRail voor de afhandeling van gestrande treinen onvoldoende opgevolgd.
Dit specifieke incident wordt door de ILT onderzocht. Dat onderzoek zal naar verwachting in maart zijn afgerond. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten.
Deelt u de mening dat genoemde langdurige evacuaties niet voldoen aan de in 2011 na een Veiligheidswaarschuwing van de inspectie uitgesproken ambitie om in 98% van de gevallen de reiziger binnen één uur zijn weg te laten vervolgen en in de overige gevallen er naar te streven het oponthoud van de reiziger tot maximaal twee uur te beperken?
Ja, die mening deel ik. De procedures van NS en ProRail voor de afhandeling van gestrande treinen (zie antwoord 3) zijn in twee van de drie in de vragen genoemde gevallen onvoldoende opgevolgd. Er was in de praktijk sprake van verkeerde keuzes en menselijke fouten. NS en ProRail laten mij weten dat ze het belangrijk vinden om de gang van zaken zo snel als redelijkerwijs mogelijk te verbeteren. Rolvastheid is daarbij van groot belang.
Ik heb NS en ProRail op dit alles nadrukkelijk aangesproken en hen verzocht om gezamenlijk een evaluatie te maken (zie antwoord 1). Deze evaluatie moet een beeld geven van wat er goed gaat en wat er beter moet.
Welke quick-wins zijn met betrekking tot gestrande treinen op de HSL genomen zoals aangekondigd in de brief van september 2014?
NS en ProRail hebben maatregelen met snelle verbeterkansen voor de Intercity direct, waarvan in de brief sprake is6, opgestart en ingevoerd:
Verder hebben NS en ProRail een projectleider aangesteld om de verbetermaatregelen voor strandingen en evacuaties aan te pakken. Deze maatregelen maken deel uit van een breder verbeterplan voor de Intercity direct gericht op het verbeteren van de prestaties.
Kunt u de evaluaties over gestrande treinen op de HSL die sinds begin 2014 zijn gemaakt naar de Kamer sturen? Welke maatregelen zijn er naar aanleiding van deze evaluaties genomen?
NS en ProRail leggen bij elk incident (zoals een stranding) intern vast wat er is gebeurd. Ik ontvang niet over elke gestrande trein een rapport en kan dat dus niet naar uw Kamer sturen. Wel heb ik NS en ProRail gevraagd om gezamenlijk een evaluatie te maken op basis van de strandingen in de afgelopen jaren (zie antwoord 1).
Voor de genomen maatregelen verwijs ik naar antwoord 7.
Is bij genoemde gestrande treinen de afspraak met de inspectie nagekomen dat voor de gestrande reizigers serviceteams worden ingezet, dat binnen één uur zorg op maat wordt geboden waaronder voedsel en drank en dat direct parallelle oplossingstrajecten worden opgestart, waarbij de oplossing die het snelst tot resultaat leidt, wordt uitgevoerd?
In twee van de drie genoemde gevallen was in strijd met de afgesproken procedure geen Veiligheid & Service team aanwezig.
Zijn er voor de HSL elektrische bergingslocomotieven beschikbaar om gestrande treinen te verslepen naar het dichtstbijzijnde station? Zijn er in geval van een stroomstoring voor de HSL diesel bergingslocomotieven beschikbaar?
Zie antwoord 7.
Herinnert u zich de bevindingen van de commissie Kuiken6 over de werkwijze van de inspectie in het algemeen en de melding van uw voorganger in de eerder genoemde brief uit 2011 dat de inspectie het verbeterproces rond gestrande treinen nauwlettend zou volgen?
Ja. Naar aanleiding daarvan heeft de ILT geparticipeerd in een projectgroep van NS en ProRail waarin partijen gezamenlijk werken aan het verbeteren van de berging van gestrande treinen. In deze projectgroep zijn afspraken gemaakt over diverse te nemen maatregelen en acties die erop gericht waren dat spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerder ervoor zorgen dat de risico’s verbonden aan het tijdig bergen van treinen worden beheerst. Daartoe behoort ook de veiligheid van de reizigers in alle weersomstandigheden.
Heeft de inspectie als vervolg op de genoemde Veiligheidswaarschuwing het versterkt toezicht op de geconstateerde knelpunten rond gestrande treinen inmiddels afgerond? Is hierbij door de inspectie getoetst of het afgesproken verbeterproces ook in de praktijk is uitgevoerd en of dit werkt?
In maart 2011 concludeerde de ILT dat er operationeel een aantoonbare verbetering had plaatsgevonden waarbij het bergen van gestrande treinen daadwerkelijk de juiste prioriteit had gekregen. Op 2 december 20138 heeft de ILT het verscherpte toezicht opgeheven, omdat er naar het oordeel van de ILT op dat moment sprake was van een verbeterproces dat voldoende bestendig was. De spoorsector had gezamenlijk een groot aantal voorgenomen maatregelen uit 2011 geëffectueerd en in 99% van de strandingen op het conventionele spoor werden de reizigers binnen twee uur geëvacueerd.
De gevallen die in deze brief aan de orde komen, zijn voor de ILT aanleiding om naast het onderzoek genoemd in antwoord 5 op korte termijn opnieuw met de betrokken spoorpartijen in gesprek te gaan.
Financiële ondersteuning voor volwassen scholieren |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u inzicht geven in de financiële ondersteuning die vanuit de overheid beschikbaar is voor volwassen scholieren? Klopt het dat zij na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar geen aanspraak meer maken op ondersteuning vanuit de kindregelingen en nog niet in aanmerking komen voor studiefinanciering? Klopt het dat zij in de huidige situatie tijdens de genoemde periode alleen aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming van de Dienst uitvoering onderwijs (DUO)? In hoeverre is deze tegemoetkoming toereikend?
Ouders van scholieren onder de 18 jaar hebben recht op kinderbijslag en kindgebondenbudget. Dit eindigt als de scholier 18 wordt. Scholieren van 18 jaar en ouder kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming voor scholieren via de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Deze tegemoetkoming geldt voor scholieren die een voltijdsopleiding doen in het voortgezet onderwijs. De tegemoetkoming voor scholieren bestaat uit een basistoelage en een inkomenafhankelijke bijdrage in de schoolkosten. De basistoelage is ca € 113,– per maand voor een thuiswonende scholier. Er is daarnaast een inkomensafhankelijke bijdrage in de schoolkosten mogelijk. Voor het voortgezet onderwijs (bovenbouw) bedraagt deze bijdrage in de schoolkosten maximaal ca. € 86,– per maand. In totaal ontvangen per ultimo 2015 33.244 scholieren een tegemoetkoming via de DUO (in het Vavo 2.363 scholieren, in het voortgezet onderwijs 28.161 scholieren en in het VSO 2.721 scholieren). De hoogte van de tegemoetkoming van DUO is in lijn met de bedragen van de kinderbijslag en het kindgebondenbudget, toen de scholier nog 17 jaar was.
Als de scholieren na het voortgezet onderwijs een vervolgopleiding gaan doen (mbo of ho), komen zij in aanmerking voor de studiefinanciering die daar geldt. Er bestaat geen recht op algemene bijstand.
Wat betreft het recht op bijstand voor jongeren vanaf 18 jaar die niet meer naar school gaan en ook geen vervolgopleiding volgen, geldt in beginsel het reguliere uitkeringsregime van de Participatiewet. Deze wet biedt ook voor hen een laatste vangnet voor wie niet zelf in het levensonderhoud kan voorzien. Met inachtneming van de overige voorwaarden die gelden voor het recht op bijstand – zoals de vier weken zoektermijn en het naar vermogen voldoen aan de arbeidsverplichtingen – kan de jongere in beginsel in aanmerking komen voor (aanvullende) bijstand.
De landelijke bijstandsnorm voor een alleenstaande van 18,19, en 20 jaar zonder kinderen, bedraagt ca € 240,– per maand. In dit verband is het van belang dat het college van burgemeester en wethouders met artikel 28 Participatiewet de mogelijkheid heeft om deze landelijke bijstandsnorm lager vast te stellen als de belanghebbende recent zijn scholing of beroepsopleiding heeft beëindigd. Het college heeft deze mogelijkheid gedurende 6 maanden na het tijdstip van beëindiging van de scholing of beroepsopleiding. De achterliggende gedachte hierbij is dat de belanghebbende tijdens de school/studieperiode de bestedingen heeft afgestemd op zijn beperkte inkomen en dat zijn noodzakelijke kosten niet onmiddellijk toenemen als hij of zij de studie beëindigt en als schoolverlater op bijstand aangewezen raakt. Het college heeft hiermee de bevoegd- en verantwoordelijkheid om in individuele gevallen maatwerk toe te passen. Hiermee kan worden voorkomen dat de jongere in een problematische financiële situatie geraakt.
Kunt u nader inzicht geven in hoeverre er voor deze volwassen scholieren sprake is van een problematische financiële situatie gedurende de periode dat zij nog op school zitten en nog niet aan een opleiding zijn begonnen? In hoeverre is er sprake van een inkomensachteruitgang wat betreft ondersteuning vanuit de overheid? Om welke bedragen gaat het hier precies? Hoeveel mensen hebben te maken met deze problematiek? In hoeverre kan deze inkomensachteruitgang het afronden van school of het beginnen van een opleiding bemoeilijken? Deelt u de mening dat dit voorkomen dient te worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u inzicht geven in hoe gemeenten omgaan met deze problematiek voor volwassen scholieren die nog niet aan een opleiding zijn begonnen? Is er sprake van verschillen tussen gemeenten? Wat zijn de verantwoordelijkheden en mogelijkheden voor gemeenten om financieel bij te springen in deze, bijvoorbeeld door middel van categoriale bijzondere bijstand of individuele bijzondere bijstand? Bent u bereid om bij gemeenten aan te dringen op actie om te voorkomen dat volwassen scholieren geconfronteerd worden met een grote inkomensachteruitgang? Zo ja, welke actie wilt u dat de gemeenten ondernemen? Zo niet, waarom niet?
Ik beschik niet over informatie hoe gemeenten omgaan met de volwassen scholieren die nog niet aan een opleiding zijn begonnen. Zoals hiervoor aangegeven betreft het hier individueel maatwerk.
Ten aanzien van de verlening van individuele bijzondere bijstand geldt dat dit een expliciete verantwoordelijkheid van de colleges is. Het verlenen van categoriale bijzondere bijstand is per 1 januari 2015, met uitzondering van de collectieve aanvullende zorgverzekering, niet meer mogelijk.
In de Participatiewet (artikel 12) geldt ten aanzien van jongeren van 18 tot 21 jaar overigens een specifieke regeling voor wat betreft de verlening van individuele bijzondere bijstand. Deze jongeren hebben namelijk alleen recht op bijzondere bijstand wanneer een financieel beroep op hun ouders niet mogelijk is. Dit heeft te maken met de onderhoudsplicht van de ouders voor kinderen tot 21 jaar. Indien de ouders kunnen aantonen dat zij over onvoldoende middelen beschikken om in de kosten van het bestaan van hun 18 tot 21 jarige kind te voorzien, bestaat er mogelijk een individueel recht op bijzondere bijstand voor de betreffende jongere. Eventuele verschillen tussen gemeenten in de verlening van bijzondere bijstand aan scholieren die nog niet aan een opleiding zijn begonnen, zijn een logisch gevolg van de decentrale uitvoering van de Participatiewet.
Het feit dat bij de hengstenkeuring van de KVTH bijna alleen maar paarden met gecoupeerde staarten meedoen, terwijl couperen sinds 2001 verboden is |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving rondom de laatste hengstenkeuring van de Koninklijke Vereniging «Het Nederlandse Trekpaard en De Haflinger» (KVTH) op 23 januari jl.?1
Ja.
Is het u ook opgevallen dat op het beeldmateriaal bijna alleen maar paarden met gecoupeerde staarten te zien zijn? Hoe verklaart u dit?
Het couperen van dieren (staarten, oren) is sinds 2001 een verboden lichamelijke ingreep in Nederland, tenzij de ingreep uit medische noodzaak wordt verricht. Ook verboden is de toelating tot een tentoonstelling of een keuring van dieren (als ook het deelnemen aan of toelaten tot wedstrijden van dieren) waarbij een verboden lichamelijke ingreep is verricht. Volgens een uitspraak uit 2002 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het CBb) evenwel, is de reikwijdte van het tentoonstellingsverbod beperkt. Indien een dier legaal in het buitenland is gecoupeerd, mag het volgens de uitspraak toch in Nederland worden tentoongesteld. Ik verwijs hiervoor ook naar eerdere brieven over dit onderwerp en beantwoorde vragen (Kamerstukken 28 286, nr. 76; Kamerstukken 31 389, nr. 3; Kamerstukken 31 389, nr. 5; Kamerstukken 28 286, nr. 246, Kamerstukken 31 389, nr. 125; Kamerstukken II 2012/13, Aanhangsel, nr. 2029; Kamerstukken II 2013/14, Aanhangsel, nr. 368; Kamerstukken II 2013/14, Aanhangsel, nr. 1043).
Ik vind dit uit het oogpunt van dierenwelzijn niet gewenst en vind dat het tentoonstellingsverbod uit Europeesrechtelijk perspectief bezien wel degelijk gerechtvaardigd kan worden.
Ik ben van mening dat dit tonen van gecoupeerde dieren op tentoonstellingen of keuringen, zeker als dergelijke dieren in de prijzen vallen, het couperen van dieren stimuleert. Het kan er toe leiden dat dieren illegaal in Nederland worden gecoupeerd of dat houders dieren laten couperen in landen waar couperen niet verboden is.
Gelet hierop ben ik voornemens de komende periode bestuursrechtelijk te gaan handhaven op het tentoonstellingsverbod. De verwachting is dat het tentoonstellingsverbod dan op termijn opnieuw bij de rechter aan de orde komt. Tegelijkertijd zal ik onderzoeken op welke wijze het verbod effectiever kan worden gehandhaafd. Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat er niet succesvol tot strafrechtelijke vervolging kan worden overgegaan in de gevallen waarop de genoemde uitspraak van het CBb van toepassing is.
Welke acties gaat u ondernemen tegen de KVTH?
Zie antwoord vraag 2.
Bij het algemeen overleg Paardenhouderij dd. 7 april 2015 zei u «In de rechtspraak hebben zich heel recentelijk ontwikkelingen voorgedaan met betrekking tot hondententoonstellingen. Daarom zie ik nu ook mogelijkheden om het tentoonstellingsverbod van gecoupeerde dieren beter te handhaven, ook voor dieren die legaal in het buitenland gecoupeerd zijn.»; op welke recente ontwikkelingen doelde u? Welke betere handhaafmogelijkheden zag u? Hoe heeft u deze verbeterde handhaafmogelijkheden in de praktijk gebracht en welke resultaten zijn hiervan te melden? Kunt u de motie (Kamerstuk 28 286, nr. 481) die vraagt om een tentoonstellingsverbod bij uw antwoord betrekken?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u dat de geïntensifieerde inspanningen bij de hengstenkeuring van de KVTH geen resultaten hebben opgeleverd?
Zie antwoord vraag 2.
Welke acties gaat u ondernemen die wel het gewenste resultaat zullen hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat als de KVTH in haar wedstrijdreglement zou opnemen dat paarden met geamputeerde staarten niet mogen meedoen, het probleem van couperen grotendeels opgelost is? Zo ja, wat gaat u doen om druk uit te oefenen op de KVTH om dit op te nemen in het wedstrijdreglement en wat heeft u reeds gedaan?
Ja. Ondanks diverse verzoeken heeft de KVTH niet de wil het couperen op vrijwillige basis uit te bannen. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op de vragen 2 t/m 6.
Vindt u dat de KVTH het predicaat koninklijk verdient?
Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen over het ontnemen van het predicaat «Koninklijke» van 28 augustus 2013 (2013–2014, nr. 368).
Bent u bereid een meldplicht voor dierenartsen in te voeren waarbij ze met foto’s en documenten de medische noodzaak van couperen moeten onderbouwen en centraal moeten melden om zo inzicht te krijgen bij welke stallen en bij welke dierenartsen opvallend veel staarten worden gecoupeerd?
Lichamelijke ingrepen bij dieren zijn verboden, tenzij de ingreep krachtens de wet is aangewezen of er een diergeneeskundige noodzaak bestaat om de ingreep toe te passen. Het couperen van staarten is een lichamelijke ingreep die alleen is toegestaan indien daar een diergeneeskundige noodzaak voor bestaat. De diergeneeskundige noodzaak dient door de dierenarts aangetoond te kunnen worden. Indien hij dat niet kan, is hij daarop tuchtrechtelijk aanspreekbaar. Een extra meldplicht heeft een zeer geringe toegevoegde waarde en leidt daarnaast tot een behoorlijke en onwenselijke lastenverzwaring.
Wilt u reageren op de volgende opmerking in Dagblad De Limburger: «Iemand zei tegen mij; «ik wil stoppen met couperen, maar dan maken mijn paarden geen schijn van kans tijdens de veulenkeuring». Het zijn altijd gecoupeerde paarden die winnen.»?2
Dit maakt dat het noodzakelijk is het bestaande verbod afdoende te kunnen handhaven. Ik verwijs u verder ook naar het antwoord op vragen 2 t/m 6.
Klopt het dat het recent in Frankrijk verboden is om een paard met een gecoupeerde staart te transporteren of tentoon te stellen? Zo ja, waarom kan in Frankrijk wel een tentoonstellingsverbod bewerkstelligd worden maar in Nederland niet? Zijn er in Nederland juridische obstakels om een transportverbod voor gecoupeerde paarden af te kondigen?
Het klopt dat in Frankrijk deelname van een paard met een gecoupeerde staart aan tentoonstellingen is verboden, een transportverbod is echter niet afgekondigd. Het instellen van een transportverbod zou in strijd zijn met de EU-bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen en diensten en is naar mijn oordeel om die reden juridisch gezien niet haalbaar. Ik verwijs u verder naar antwoord op vragen 2 t/m 6 waarin wordt verwezen naar een uitspraak van het CBb.
Minimumtarieven voor zelfstandigen zonder personeel (zzp'ers) in collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) |
|
Kees Verhoeven (D66), Steven van Weyenberg (D66) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Is hoofdstuk IIa van de cao voor architectenbureaus 2015–2017 in strijd met het kartelverbod uit de Mededingingswet? Zo nee, waarom niet?1
Het mededingingsbeleid en daarmee de mededingingsregels in Nederland vallen binnen de verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) is belast met het toezicht op de naleving van die mededingingsregels en is onafhankelijk waar het de beoordeling van individuele zaken betreft. Het is dan ook slechts aan de ACM om uitspraken te doen in individuele zaken. In het geval een afspraak in cao’s is opgenomen wordt er op dat moment met het oog op de avv-procedure een inschatting gemaakt over mogelijke strijdigheid van een dergelijke cao-afspraak met het mededingingsrecht door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Zie hiervoor ook de antwoorden op de vragen 7 en 8.
Heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderzoek gedaan naar de tariefafspraken voor zzp'ers in de cao voor architectenbureaus? Wat was de uitkomst van dit onderzoek?
Indien de ACM daartoe aanleiding ziet, dan zal een mededingingsrechtelijk onderzoek gestart worden. De ACM doet, in het belang van de opsporing, geen uitspraken over het wel of niet bestaan van een mededingingsrechtelijk onderzoek.
Als cao-bepalingen over tarieven voor zzp'ers die te kwalificeren zijn als ondernemer in de zin van het mededingingsrecht hoogstwaarschijnlijk onder het kartelverbod uit de Mededingingswet vallen, is er dan sprake van overtreding van het kartelverbod uit de Mededingingswet op het moment dat cao-partijen de betreffende cao-afspraken zijn gemaakt of op het moment dat tussen een individuele opdrachtgever en opdrachtnemer op basis van de cao een contract wordt afgesloten?
De inbreuk ontstaat op het moment dat de desbetreffende afspraak is gemaakt.
Waarom zijn voor schijnzelfstandigen tariefafspraken nodig in cao’s? Waarom zijn op schijnzelfstandigen niet de loontabellen voor werknemers van toepassing?
Het Hof van Justitie van de EU heeft in de zaak FNV KIEM/Nederlandse Staat in zijn uitspraak aangegeven dat dienstverleners wier situatie vergelijkbaar is met die van werknemers schijnzelfstandig zijn. Het begrip schijnzelfstandige is daarmee niet gelijk aan het begrip «werknemer» in arbeidsrechtelijke zin. De rechter heeft tot op heden niet geoordeeld dat schijnzelfstandigen (geen ondernemers in de zin van het mededingingsrecht) per definitie werknemers zijn. Om die reden kan niet zonder meer gesteld worden dat de loontabellen voor werknemers ook van toepassing zijn op schijnzelfstandigen. Ten aanzien van schijnzelfstandigen die zijn aan te merken als werknemers is het in principe niet nodig om afzonderlijke tariefafspraken te maken in de cao, omdat de integrale cao onverkort op hen van toepassing is.
Kunnen tariefafspraken voor zzp’ers in cao’s van toepassing zijn op zelfstandig ondernemers die conform een goedgekeurde modelovereenkomst op grond van de Wet Deregulering Arbeidsrelaties werken en derhalve geen schijnzelfstandige zijn?
Het werken conform een beoordeelde modelovereenkomst houdt in dat er fiscaal geen sprake is van werknemerschap en daarmee geen inhoudingsplicht voor de opdrachtgever. Dat doet niet af aan de beoordeling op grond van het mededingingsrecht. De Belastingdienst toetst niet of er volgens het mededingingsrecht sprake is van een onderneming. Het is dus niet uit te sluiten dat een tariefafspraak in een cao, zonder strijdigheid met de mededingingsregels, van toepassing is op een opdrachtnemer die met een modelovereenkomst werkt. Dit zou het geval kunnen zijn als er geen sprake is van een ondernemer in de zin van het mededingingsrecht maar er tegelijkertijd ook geen sprake is van een inhoudingsplicht voor de opdrachtgever.
Deelt u de mening dat tariefafspraken in cao’s voor zzp'ers, die alleen van toepassing kunnen zijn op schijnzelfstandigen en niet op zzp'ers die te kwalificeren zijn als ondernemer in de zin van het mededingingsrecht, tot onduidelijkheid leiden voor opdrachtgevers en opdrachtnemers? Acht u dit gewenst?
Duidelijkheid op het gebied van schijnzelfstandigheid kan wenselijk zijn voor opdrachtgevers en opdrachtnemers. Het is echter primair aan de partijen zelf om binnen de grenzen van de wet te bepalen wat de reikwijdte is van de afgesloten cao. Concreet ten aanzien van schijnzelfstandigheid betekent dat dat als er wordt gekozen voor een cao die ook ziet op zzp’ers, partijen dan zelf dienen te beoordelen of er sprake is van zzp’ers die vallen onder het ondernemingsbegrip uit het mededingingsrecht of niet.
Worden cao-bepalingen over tarieven voor zzp'ers – die hoogstwaarschijnlijk onder het kartelverbod uit de Mededingingswet vallen – algemeen verbindend verklaard? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot artikel 5.1 van het Toetsingskader Algemeen Verbindend Verklaring CAO-bepalingen (AVV) waarin is bepaald dat cao-bepalingen die kennelijk in strijd zijn met wet- en regelgeving niet voor het algemeen verbindend verklaren in aanmerking komen?
Nee, deze bepalingen worden thans niet algemeen verbindend verklaard, wegens een te groot risico op strijdigheid met het mededingingsrecht.
Zijn de bepalingen uit hoofdstuk IIa van de cao voor architectenbureaus 2015–2017 algemeen verbindend verklaard, of bent u voornemens om dit te gaan doen?
Omdat de avv-procedure nog loopt, kan ik hier niet op vooruitlopen.
Deelt u de mening dat het van belang is dat er meer duidelijkheid komt over de vraag wanneer er sprake is van schijnzelfstandigheid? Zijn er duidelijke beleidsregels of andere criteria op basis waarvan wordt uitgemaakt of er sprake is van schijnzelfstandigheid in de zin van de mededingingsregels, in de zin van het privaatrecht of in de zin van het fiscaal recht? Zo nee, bent u bereid deze op te stellen?
Het is Europeesrechtelijk vastgelegd wanneer sprake is van een ondernemer in zin van het mededingingsrecht.
Dit begrip en de daarbij behorende criteria zijn nader uitgewerkt in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. Zo heeft het Hof bijvoorbeeld in de uitspraak FNV KIEM/Nederlandse Staat bepaald dat schijnzelfstandigen dienstverleners zijn van wie de situatie vergelijkbaar is met die van werknemers. Indien de Autoriteit Consument en Markt (ACM) een mededingingsrechtelijk onderzoek start, dan zal zij beoordelen of bij de desbetreffende dienstverlener sprake is van een onderneming in de zin van artikel 101 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de Mededingingswet. Per geval kan zodoende onderzocht worden of sprake is van een ondernemer in de zin van het mededingingsrecht. Voor de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst zijn criteria opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Bij de beoordeling of er sprake is van een dienstbetrekking wordt door de Belastingdienst aangesloten bij de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek. Deze zijn nader ingevuld in de (fiscale en civielrechtelijke) jurisprudentie. Gezien de reeds aanwezige uitwerking is er op dit moment geen noodzaak tot het opstellen van beleidsregels.
Het voortdurende gesjoemel met de Cito-toets |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het voortdurende gesjoemel met de tussentijdse Cito-toetsen, zoals eerder al bleek door Cito-toetsen die te koop waren op Marktplaats en naar nu blijkt zelfs door een locatiedirecteur van een school?1 2
Het is mij bekend dat leerlingvolgsysteem-toetsen (hierna: lvs-toetsen) die door scholen worden gebruikt op Marktplaats te koop worden aangeboden. Ik ben daar niet blij mee en heb u daarover eerder geïnformeerd.3 Het bericht van begin februari dat een locatiedirecteur gedurende vijf jaar de resultaten van lvs-toetsen heeft opgehoogd door leerlingen foutieve vragen opnieuw te laten maken, verontrust mij. Ik keur dit uiteraard af. Er is adequaat opgetreden: het schoolbestuur heeft de locatiedirecteur op non-actief gesteld en heeft een onderzoek ingesteld naar het gedrag van de locatieleider. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) is geïnformeerd en wacht de resultaten van het onderzoek af.
Wat is volgens u de waarde van een tussentijdse toets, wanneer er zo makkelijk mee gefraudeerd kan worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Lvs-toetsen zijn bedoeld om leerkrachten inzicht te geven in het niveau van de leerling, zodat zij hun onderwijs daarop kunnen aanpassen (formatief toetsen). Gericht oefenen met lvs-toetsen of het laten overdoen van foutief gemaakte vragen, past hier niet bij. Hiermee worden de toetsresultaten wellicht beter, maar de vraag is of de vaardigheid van de leerling daadwerkelijk vooruit is gegaan. De lvs-toetsen verliezen hierdoor hun waarde als formatieve toets. Dat is niet in het belang van leerlingen.
Zijn er meer gevallen bekend met betrekking tot gesjoemel of fraude met Cito-toetsen bij de Inspectie van het Onderwijs? Kunt u deze situaties met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Er zijn geen andere gevallen bekend waarbij gesjoemel of fraude met Cito-toetsen is gebleken.
Waar komt volgens u de behoefte vandaan om een zo’n hoog mogelijke score te halen op een tussentijdse toets, waarbij fraude en valspelen door voorkennis kennelijk geoorloofd wordt gevonden door sommigen? Heeft dit in uw ogen te maken met het mede door u gevoerde beleid gericht op opbrengsten en rendement én de afrekencultuur door de inspectie?
De behoefte en ambitie om goede resultaten te behalen is van alle tijden. Het oneigenlijke gebruik van lvs-toetsen werd mogelijk mede veroorzaakt door het feit dat de inspectie de afgelopen jaren bij een deel van de scholen een oordeel uitsprak over de tussenresultaten, op basis van de lvs-toetsresultaten. Om dit ongewenste effect weg te nemen, verbindt de inspectie geen oordeel meer aan de lvs-resultaten van scholen. De inspectie kijkt wel hoe scholen de tussenresultaten gebruiken om zicht te krijgen op de ontwikkeling van de leerlingen.4
Bent u ervan op de hoogte dat de verkoop van leerlingvolgsysteem(lvs)-toetsen – maar bijvoorbeeld ook de verkoop van de Entreetoets – nog steeds doorgaat op Marktplaats? Hoe kan het dat er nog steeds – naar het lijkt – originele toetsen te koop staan en dat er feitelijk nog geen verbetering is ten opzichte van de situatie van afgelopen jaar?3
Zie het antwoord op vraag 6.
Wat is de stand van zaken rond het beter beschermen van de lvs-toetsen? Welke stappen heeft Cito BV al ondernomen om dit te verbeteren?4
Ik heb niet de indruk dat op grote schaal sprake is van het verkopen van deze tussentijdse toetsen. Cito BV (hierna: Cito) signaleert ongeveer 35 advertenties per jaar. Dat neemt echter niet weg dat het Cito uw zorgen deelt en daarom maatregelen neemt om correct gebruik van lvs-toetsen te bevorderen en de verkoop van (lvs-)toetsen te voorkomen.
Eind 2015 heeft Cito een brief gestuurd aan alle scholen die de Cito lvs-toetsen gebruiken. De brief benadrukte het belang van het zorgvuldig omgaan met lvs-toetsen en benadrukt dat scholen toetsen die niet meer worden gebruikt, kosteloos kunnen retourneren. Verder faciliteert Cito scholen in de communicatie naar ouders over het doel van het lvs.
Indien een adverteerder van (lvs-)toetsen wordt gesignaleerd, gaat het Cito na of het om origineel materiaal of om kopieën gaat. Wanneer het gaat om kopieën, dan wordt direct (juridische) actie ondernomen. Het aanbieden en verkopen van illegale kopieën is namelijk een directe schending van het auteursrecht. Daarover zijn ook afspraken gemaakt met partijen als Marktplaats. Wanneer wordt vastgesteld dat het om origineel materiaal gaat, heeft Cito minder mogelijkheden om daartegen juridisch op te treden. Originelen van oorspronkelijk aangekochte toetsen mogen worden doorverkocht aan derden. Dit is juridisch vergelijkbaar met het verkopen van een tweedehands boek. Dat is ook de reden dat originele versies nog steeds aangeboden worden via Marktplaats. Indien de aanbieder van originele producten kan worden getraceerd, neemt Cito daarmee contact op. De aanbieder wordt dan gewezen op het belang om de officiële toetsen uit het lvs-pakket niet buiten de school om te verspreiden. Wanneer uitgelegd wordt waarom dit onwenselijk is, zijn aanbieders in de meeste gevallen bereid de advertenties te verwijderen.
Deelt u de mening dat de tussentijdse toetsen op deze manier aan effect inboeten en te fraudegevoelig zijn om nog langer als een betrouwbare bron van informatie te zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, lvs-toetsen verliezen hierdoor hun waarde als formatieve toets. Dat is niet in het belang van leerlingen, zie ook het antwoord op vraag 2.
Wat zijn volgens u de verantwoordelijkheden van de overheid om gesjoemel met de (tussentijdse) toetsen te voorkomen? Hoe geeft u daar vorm aan?
Scholen zijn met ingang van schooljaar 2014/ 2015 wettelijk verplicht om gebruik te maken van een leerlingvolgsysteem, om de vorderingen van leerlingen systematisch te volgen, en om een eindtoets af te nemen. De inspectie controleert of scholen dit naar behoren doen. Wanneer er sprake is van fraude, treedt de inspectie daartegen op. Ik zie het als verantwoordelijkheid van de overheid om goed te volgen hoe uitvoering van de vernieuwde wetgeving loopt. Daartoe wordt een meerjarig evaluatieonderzoek uitgevoerd, waarover ik u in mijn brief d.d. 1 maart jl. uitgebreider heb geïnformeerd.7
De schokkende uitspraken van een Gemeenteraadslid |
|
Selçuk Öztürk (GrKÖ) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Haagse PVV’er: Islam mag weggevaagd worden»?1
Ja.
Heeft u al uw afschuw uitgesproken over deze uitspraken? Zo nee, waarom niet?
Vrijheid van godsdienst is een groot goed en wordt door de Nederlandse Grondwet gewaarborgd, als ook door mensenrechtenverdragen. Dat geldt evenzeer voor de vrijheid van meningsuiting. Binnen de grenzen van het recht heeft eenieder zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen, ook volksvertegenwoordigers. Daarbij worden soms meningen geuit die als onwelgevallig of als kwetsend kunnen worden ervaren. Onderhavige uitlatingen geven er naar mijn mening geen rekenschap van dat we mensen als individu behandelen, met een eigen identiteit, waarvan de godsdienst die zij aanhangen een onderdeel vormt.
Wat voor signaal gaat er naar uw mening uit naar groepen in onze samenleving door deze uitspraken?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat dergelijke uitspraken een vorm zijn van haat zaaien? Zo nee, waarom niet?
De vraag of de uitlatingen als «haat zaaien» of enig ander strafbaar feit moeten worden aangemerkt is niet aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; dat staat uitsluitend ter beoordeling van de strafrechter.
Bent u het eens dat volksvertegenwoordigers een voorbeeldfunctie hebben en dat dergelijke uitspraken het verkeerde signaal zijn jegens burgers? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om burgemeester Van Aartsen op te roepen om het betreffende raadslid bij hem op het matje te roepen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Dat is aan de burgemeester zelf.
Vindt u dat, na deze uitspraken, het betreffende raadslid haar functie zou moeten neerleggen? Zo nee, waarom niet?
Het lidmaatschap van de gemeenteraad eindigt alleen in een aantal in hoofdstuk X van de Kieswet limitatief genoemde gevallen. Beëindiging van het lidmaatschap anders dan door overlijden of (al dan niet tijdelijke) ontslagneming door het lid zelf, is uitsluitend mogelijk wanneer onherroepelijk is komen vast te staan dat een lid een van de vereisten voor het lidmaatschap niet bezit of dat hij een met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult, of ingeval de raad het lidmaatschap vervallen verklaart wegens handelen in strijd met artikel 15 van de Gemeentewet (verboden handelingen). Van enige bevoegdheid mijnerzijds het betreffende raadslid uit haar functie te ontheffen, is geen sprake. Voor het overige zij verwezen naar het antwoord gegeven op de vragen 2, 3, en 5.
Bent u bereid om het betreffende raadslid onmiddellijk uit haar functie te ontheffen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u een inhoudelijk en/of cijfermatig overzicht geven van de mogelijke oververtegenwoordiging van PVV-volksvertegenwoordigers bij uitingen van haatzaaierij en/of uitingen met een discriminatoir karakter? Zo nee, waarom niet?
Nee. Er zijn hieromtrent geen onderzoeksgegevens beschikbaar. Verder zij verwezen naar het antwoord dat op vraag 4 is gegeven.
Is het mogelijk om in de toekomst voor PVV-volksvertegenwoordigers voorlichtingsbijeenkomsten te organiseren over de thema’s verdraagzaamheid en het bestrijden van islamofobie? Zo nee, waarom niet?
Het staat eenieder vrij bijeenkomsten te organiseren. Een initiatief daartoe zal echter niet door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden genomen.
Bent u bereid om uitingen van PVV-volksvertegenwoordigers op social media aan een grondige analyse te onderwerpen, zodat het internet gevrijwaard wordt van PVV-haatzaaierij? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord dat op vraag 4 is gegeven.
Het inkomen van de algemeen directeur van energiebedrijf Delta |
|
Albert de Vries (PvdA), Joyce Vermue (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Personeel Delta boos over salarisverhoging algemeen directeur Kamerbeek»?1
Ja.
Is het waar dat Delta Energie zware verliezen maakt? Dreigt daardoor een verlies aan banen?
De marktomstandigheden in de Europese elektriciteitsmarkt zijn voor producenten relatief slecht. Dit komt door een sterk gedaalde elektriciteitsprijs, mede doordat de vraag naar elektriciteit is achtergebleven bij verwachtingen door de economische teruggang in 2008. Het gevolg is dat energiebedrijven dure centrales stilzetten en/of daarop versneld afschrijven. Ook Delta NV heeft hiermee te maken. Voor de effecten die de marktomstandigheden kunnen hebben, bijvoorbeeld ten aanzien van werkgelegenheid, heb ik nadrukkelijk oog. Dat geldt ook voor de provincie Zeeland, waar de commissie structuurversterking en werkgelegenheid Zeeland is ingesteld die als doel heeft om de Zeeuwse economie en daarmee de Zeeuwse werkgelegenheid impulsen te geven. Mijn ministerie is hierbij betrokken. Ik zal uw Kamer op de hoogte houden van de resultaten van deze Commissie.
Kunt u begrijpen dat een salarisverhoging van de algemeen directeur met name bij het personeel van Delta energie op onbegrip stuit? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Voor de normering van de bezoldiging van topfunctionarissen bij de (semi)overheid geldt de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). Delta NV is een 100% overheidsdeelneming. Overheidsdeelnemingen in NV’s en BV’s zijn door de wetgever (in algemene zin) buiten de WNT gehouden op grond van de overweging dat de overheid via de lijn van het aandeelhouderschap het beloningsbeleid voldoende zou kunnen beïnvloeden. Het beloningsbeleid van de directie is bij vennootschappen een aangelegenheid ten aanzien waarvan de aandeelhouders kaders kunnen bepalen. Van aandeelhouders op decentraal niveau mag een actieve opstelling worden verwacht in dezen. In dit verband kan ook worden verwezen naar het nader antwoord van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op de vragen van de leden Kerstens en Mei Li Vos (beiden PvdA) over het bericht «Netbeheerder Alliander gunt top een graaisalaris» (Handelingen II 2015/16, Aanhangselnummer 1284) en de ter zake door de Tweede Kamer aangenomen motie waarmee de regering wordt verzocht om in overleg te treden met de aandeelhouders van Alliander, met als inzet de vergoedingen meer in lijn te brengen met de normen van de WNT.
Ook in dit geval is het wenselijk dat de aandeelhouders van Delta NV zich op dit punt expliciet uitspreken, waarbij het heel wel voor te stellen is dat zij ervoor kiezen de bezoldiging van een Minister zoals uitgewerkt in de geldende WNT-normering voor de (semi)publieke sector als referentienorm te hanteren. Bekend is dat in dit specifieke geval de provincie Zeeland tegen de salarisverhoging is opgekomen. Op 5 februari 2016 is door provinciale staten van Zeeland een motie aangenomen waarmee werd beoogd om de salarisverhoging terug te draaien en is vervolgens een oproep aan Delta NV gedaan om de verhoging ongedaan te maken. Aan betrokkene is inmiddels ontslag verleend met anderhalf jaarsalaris als ontslagvergoeding. Het spreekt voor zich dat bovenstaande oproep mutatis mutandis evenzeer geldt voor de ontslagvergoeding.
In het kabinetsstandpunt over de evaluatie van de WNT (Kamerstukken II 2015/16, 34 366, nr. 1) is overigens aangegeven dat de institutionele reikwijdte van de WNT zal worden herzien. Zoals door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is aangegeven tijdens het voortgezet Algemeen Overleg over de Evaluatie van de WNT op 10 februari jl. en in antwoord op een vraag van de heer Kerstens tijdens het vragenuur van 8 maart jl., zullen daarbij nadrukkelijk ook deelnemingen waarbij gemeenten, provincies of waterschappen aandeelhouders zijn, zoals Delta NV, worden betrokken. Daarbij vormen de zogeheten Dijkstalcriteria inclusief de contra-indicatie, dat wil zeggen de mate waarin sprake is van commerciële concurrentie, het kader.
Deelt u de mening dat het geen pas geeft indien een algemeen directeur van een bedrijf dat verliezen maakt een hoger inkomen gaat verdienen, ook al is dat eerder afgesproken in tijden dat het beter met het bedrijf ging? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat een bedrijf waarvan de aandelen in overheidshanden (provincie en gemeenten) zijn en derhalve direct of indirect publiek gefinancierd is, extra terughoudend moet zijn met het verstrekken van topinkomens en het verhogen daarvan? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de aandeelhouders van Delta er goed aan zouden doen om er op aan te dringen dat de algemeen directeur afziet van de voorgenomen salarisverhoging? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat verandert er ten aanzien van de regelgeving van de beloning van topfunctionarissen van Delta op het moment dat het bedrijf wordt gesplitst in een netwerkbedrijf en een commercieel bedrijf?
Een netbeheerder (in dit geval Enduris) valt onder de toepassing van de WNT (bijlage 1 bij de WNT, onderdeel 7, onder het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie). Dat verandert niet door splitsing van Delta.
De schikking met NS-fraudeurs |
|
Martijn van Helvert (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over de schikking die getroffen is met NS-fraudeurs?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoe deze schikking te plaatsen is tegen de achtergrond van de belofte van de Minister van Financiën dat de NS-fraudeurs geen cent meer zouden krijgen bij hun vertrek?
In de Tweede Kamer ben ik eerder uitgebreid ingegaan op de ontslagprocedure van de voormalig president-directeur van NS. Daarbij heb ik in mijn brief van 5 augustus (Kamerstuk 28 165, nr. 220) aangegeven dat mijn eerdere belofte dat de voormalig president-directeur geen enkele vergoeding zou ontvangen, niet houdbaar bleek als gevolg van onzorgvuldigheden in de ontslagprocedure. In mijn brief van 31 augustus 2015(Kamerstuk 28 165, nr. 222), in antwoord op de vragen die de Kamer naar aanleiding van de schikking met de voormalige president-directeur heeft gesteld, ben ik ook ingegaan op de toenmalige stand van zaken rond de afwikkeling van het arbeidscontract van de vorige CEO van de NS-dochter Abellio. Ik heb uw Kamer toen geïnformeerd dat er op dat moment nog geen sprake was van beëindiging van het dienstverband, dat de afwikkeling van het dienstverband in handen is van de raad van bestuur van NS en dit binnen de reguliere wettelijke kaders van het arbeidsrecht plaatsvindt. In de afwikkeling van het arbeidscontract van de op non-actief gestelde medewerkers heeft een aantal van hen een rechtszaak aangespannen. De raad van bestuur heeft op basis van het advies van zijn advocaten en de opstelling van de rechter tijdens de hoorzittingen geconcludeerd dat de oorspronkelijke insteek van NS niet haalbaar bleek. De onderneming concludeerde onder andere dat er geen gronden waren voor een ontslag op staande voet, wat betekent dat de afwikkeling van de arbeidsovereenkomsten op grond van het reguliere ontslagrecht moesten plaatsvinden. NS heeft dan ook de afweging gemaakt dat de overeengekomen schikkingen met de betrokken medewerkers onontkoombaar waren om langdurige rechtszaken en bijbehorende kosten te voorkomen. Rechtszaken bovendien, met een aanzienlijke kans dat de uitkomsten nog minder gunstig voor NS zouden zijn. Binnen de grenzen van het arbeidsrecht heeft NS zich ingezet voor zo gunstig mogelijke uitkomsten voor NS. Ik ben niet op de hoogte van de afspraken die op individueel niveau zijn gemaakt. Dat is ook niet gebruikelijk, omdat het hier gaat om werknemers van de onderneming. De Nederlandse staat heeft als aandeelhouder alleen een rol bij de beloning, benoeming en het ontslag van de bestuurders van de raad van bestuur van NS zelf. De afwikkeling van het ontslag van de betrokken oud-medewerkers is een aangelegenheid van de raad van bestuur van NS.
Kunt u aangeven welke afspraken zijn gemaakt met de verschillende NS-medewerkers, zoals de voormalig directeur van NS-concurrent Veolia, de Abellio-directeur en de directeurs van Qbuzz, en wat de redenen zijn voor de schikking?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u zich vinden in de uitspraak van de advocaat van een van de betrokkenen dat er sprake is van een grote overwinning? Is het Rijk dan de verliezer?
Het Rijk is geen partij bij de getroffen schikking. Ik laat de uitspraak dan ook voor rekening van de betrokkene.
Herinnert u zich dat u aan de Kamer heeft geschreven: «NS zal de contracten van de drie betrokken statutaire Qbuzz-bestuurders ontbinden. Met twee van hen betreft het de huidige bestuursfunctie, met de derde betreft het de adviesrelatie die was aangegaan na zijn eerder vertrek als statutair bestuurder bij Qbuzz. Het arbeidscontract met de ex-Veolia-medewerker, dat zou ingaan op 1 mei a.s., zal eveneens worden ontbonden. Er worden geen vertrekvergoedingen betaald. Eerder toegekende variabele beloningen worden, indien relevant, teruggevorderd.»?2
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich dat u aan de Kamer heeft meegedeeld: «Vanzelfsprekend zal ik in nauw contact blijven met NS omtrent de opzet, voortgang en de uitkomsten van de analyse naar de interne regels en hun effectiviteit en de daaruit te treffen maatregelen»?3
Ja, zie daarvoor ook mijn brief van 15 januari 2016 met het onderzoek van Alvarez en Marsal naar de effectiviteit van interne procedures, risicobeheersing, compliance en controlemaatregelen in de NS-organisatie. Bij deze brief zit ook het verbeterplan van NS met maatregelen die NS gaat treffen. De raad van commissarissen zal tweemaal per jaar de voortgang monitoren en de aandeelhouder wordt hierover geïnformeerd.
Herinnert u zich dat u in uw brief van 28 april 2015 aan de Kamer schreef dat er geen vertrekvergoedingen worden betaald?4
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich de volgende woorden uit uw brief aan de Kamer van 5 juni jongstleden: «de inhuur van de voormalige medewerker van Veolia had mijns inziens in dat stadium van de aanbesteding niet moeten plaatsvinden. Dat dit bovendien onrechtmatig gebeurde en dat de medewerker vervolgens ongeoorloofd informatie deelde, gaat alle perken te buiten.»?5
Ja.
Kunt u aangeven hoe hoog de vertrekvergoeding is voor elk van de ontslagen medewerkers en hoe zich dat verhoudt tot uw eerdere belofte?
De staat is bij de afwikkeling van deze contracten niet betrokken geweest, omdat dit op grond van het in Nederland geldende vennootschapsrecht valt binnen het domein van de raad van bestuur van NS. Aandeelhouders hebben immers alleen een rol bij benoeming, ontslag en beloning van bestuurders. Formele instemming van de aandeelhouder bij ontslag van reguliere werknemers of bestuurders van een dochteronderneming is om die reden dan ook niet aan de orde. Ik kan u dan ook niet informeren over het exacte verloop en de inhoud van de overeengekomen schikkingen, omdat ik niet over die informatie beschik.
Kunt u aangeven hoeveel variabele vergoedingen zijn teruggevorderd bij elk van de drie medewerkers? Hoe verhoudt zich dat tot uw eerdere belofte?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u in nauw contact gebleven met de NS omtrent de maatregelen?
Zie antwoord vraag 6.
Wanneer heeft de NS u ervan op de hoogte gesteld dat er toch weer afkoopvergoedingen betaald zouden worden?
Het afwikkelen van de arbeidscontracten van werknemers is een aangelegenheid tussen de werkgever en werknemer. De staat als aandeelhouder is daar geen partij in. De accountingregels (IFRS) verplichten de vennootschap sinds dit jaar wel dat er tot op het niveau van het executive committee (eerste laag onder het bestuur) gerapporteerd wordt wat er in het betreffende jaar aan vergoedingen is betaald. Het jaarverslag 2015 van NS bevat deze gegevens. Het is niet aan de aandeelhouder om deze informatie publiek te maken. Dat is aan de onderneming zelf. De informatie hierover is eerder dan het publiceren van het jaarverslag van NS naar buiten gekomen, nadat De Telegraaf hier op 5 februari een artikel over heeft gepubliceerd. De bedragen die zijn betaald aan de andere betrokken medewerkers zijn mij niet bekend.
Wist u ten tijde van het AO Staatsdeelnemingen op 3 februari jongstleden dat deze bedragen betaald zouden worden?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u een precieze tijdslijn geven van de wijze waarop deze overeenkomsten tot stand gekomen zijn?
Zie antwoord vraag 9.
Heeft u overwogen om de Kamer te informeren over het feit dat u uw eerdere belofte niet kon nakomen of vond u het gepaster dat de Kamerleden dat in de krant zouden lezen, en wel twee dagen na het Algemeen overleg over staatsdeelnemingen?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u ingestemd met de vertrekvergoedingen?
Zie antwoord vraag 9.
Waarom is deze schikking nu getroffen, terwijl er nog een strafrechtelijk onderzoek van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) loopt en ook de Autoriteit Consument & Markt (ACM) de zaak in onderzoek heeft?
Los van de uitkomst van nog lopende onderzoeken, was het duidelijk dat de arbeidscontracten van de betrokken medewerkers niet voorgezet konden worden. Om die reden heeft de raad van bestuur van NS, binnen de kaders van het arbeidsrecht, gezocht naar de meest geschikte oplossing. NS heeft zich hierbij juridisch laten adviseren en is tot schikkingen gekomen die in lijn liggen met de verwachte uitkomst in eventuele gerechtelijke procedures. Dit heeft tevens bijgedragen aan het wederkeren van de rust binnen NS en de focus op de toekomst.
Is met de regering overleg gevoerd over het treffen van deze schikking? Zo nee, waarom niet, zo ja, wat waren de argumenten om met de schikking in te stemmen?