De veiligheidssituatie van onlangs door Nederland uitgezette kinderen in Burundi |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Owen (4), Jessica (6) en hun moeder spoorloos in Burundi, advocaat en school weten niet waar ze zijn»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Bent u bekend met het bericht «Burundi geteisterd door aanhoudend geweld»?2
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Heeft u contact opgenomen met de plaatselijke autoriteiten om de veiligheid van het uitgezette gezin Ndikumana in het kader van de verslechtering van de veiligheidssituatie in Burundi, en de daarop door u aangekondigde uitzettingsstop voor Burundi3, te verifiëren? Zo nee, waarom niet?
Ja. De ambassade in Bujumbura heeft in deze uitzonderlijke zaak contact gelegd met het gezin. Uit de gesprekken blijkt dat de veiligheid van de moeder en haar kinderen niet in het geding is.
Zijn er in 2016 naast het gezin Ndikumana meer personen uitgezet naar Burundi? Zo ja, hoeveel personen betreft het en wat is er bekend over hun veiligheid?
Het gezin is het enige dat dit jaar is uitgezet naar Burundi. Zoals uw Kamer bekend is, wordt niet gemonitord hoe het vreemdelingen vergaat als zij zijn uitgezet dan wel zelfstandig zijn vertrokken.
Deelt u de opvatting dat indien de veiligheidssituatie in een land van uitzetting wijzigt met als gevolg dat een uitzettingsmoratorium van kracht wordt, zoveel als mogelijk moet worden nagegaan of personen die recent door Nederland naar dit land zijn uitgezet, in veiligheid verkeren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord bij vraag 4.
Wanneer verwacht u dat een nieuw ambtsbericht voor Burundi wordt uitgebracht? Bent u bereid dit ambtsbericht naar de Kamer te zenden zodra het gereed is? Zo nee, waarom niet?
Ik heb uw Kamer vandaag geïnformeerd dat ik voor Burundi een besluit- en vertrekmoratorium afkondig voor de duur van zes maanden. Ik heb aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken een algemeen ambtsbericht over Burundi gevraagd dat voor het verstrijken van het besluit- en vertrekmoratorium zal verschijnen.
Zoals gebruikelijk worden zowel de vragen voor het ambtsbericht als het ambtsbericht altijd openbaar gemaakt op www.rijksoverheid.nl. Ik stuur de ambtsberichten daarnaast naar de Kamer als het toelatings- of terugkeerbeleid verandert naar aanleiding van een ambtsbericht.
Gevaarlijke stoffen op het spoor |
|
Eric Smaling (SP), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Veel meer gevaarlijke stoffen op het spoor dan toegestaan» en «Registratie spoorvervoer gevaarlijke stoffen ondermaats»?1 2
Ja.
Waarom zijn de rapporten die bij uw brief d.d. 26 mei 20163 gevoegd waren en waaruit blijkt dat de risicoplafonds uit de Wet basisnet zullen worden overschreden niet eerder aan de Kamer gezonden? Sinds wanneer zijn deze rapporten bij u bekend?
In mijn brief van 31 maart4 jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd dat voor de omleidingsroutes die worden gebruikt als gevolg van de aanleg van het Derde Spoor in Duitsland, per kwartaal over de vervoerscijfers zal worden gecommuniceerd. De twee kwartaalrapportages (i.c. Q3 2014 t/m Q2 2015, resp. Q4 2014 t/m Q3 2015) zijn op 15 april 2016 door een extern onderzoeksbureau opgeleverd. De periode vanaf half april is benut voor het formuleren van een beleidsreactie op de beide kwartaalrapportages, het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) over het treinongeval in Tilburg en de inspectieresultaten over de registratie van gevaarlijke stoffen. Tevens heeft afstemming plaatsgevonden met de spoorsector en de ILT om afspraken te maken over het vervolgproces, waarvan ik in mijn brief melding heb gemaakt.
Is het waar dat in Tilburg per jaar 3.650 wagons met LPG mogen passeren terwijl er in 2015 in negen maanden ruim 6.300 langs kwamen?
Is het waar dat voor Eindhoven de norm 2.150 wagons is terwijl er meer dan 8.000 wagons met LPG passeerden?
Is het waar dat op het traject Amersfoort-Apeldoorn maximaal tien wagons brandbaar gas vervoerd mogen worden per jaar, terwijl er in negen maanden 1.900 wagons met LPG passeerden?
U geeft aan dat de overschrijdingen worden veroorzaakt door de werkzaamheden in Duitsland aan het derde spoor waardoor omleidingsroutes in Nederland plaatsvinden, hoe lang duren deze werkzaamheden nog? Bent u bereid daarover met uw Duitse collega in gesprek te gaan? Vindt u het ook niet zeer ernstig dat door Duitse werkzaamheden het risico op het Nederlandse spoor zeer verhoogd wordt?
De verwachting is dat de werkzaamheden samenhangend met de bouw van het Derde Spoor duren tot 2023; zie hierover ook mijn brief van 31 maart 20165.
Uit de analyse van het gerealiseerde goederenverkeer met gevaarlijke stoffen zal moeten blijken in hoeverre de werkzaamheden aan het Derde Spoor de oorzaak zijn van de overschrijdingen. Deze analyse wordt naar verwachting begin juli opgeleverd. Ik zal uw Kamer hierover informeren. Indien hieruit blijkt dat de werkzaamheden een belangrijke factor zijn, dan ben ik bereid om met mijn Duitse ambtgenoot te spreken over optimalisatie van het gebruik van onze wederzijdse spoornetten.
Kunt u nader verklaren hoe het komt dat de Inspectieresultaten laten zien dat de wettelijke plicht voor vervoerders om gevaarlijke stoffen te registreren onvoldoende wordt nageleefd?
Hieraan liggen verschillende factoren ten grondslag, die terug te leiden zijn naar de vervoerders, ProRail of de technische functionaliteit van het WLIS6-systeem. In het kader van de WLIS-stuurgroep worden alle mogelijke oorzaken geanalyseerd en van mitigerende maatregelen voorzien. In mijn brief van 26 mei jl. heb ik u meegedeeld welke maatregelen ik, samen met de sector, heb genomen om te komen tot een betere registratie en naleving. Onderdeel daarvan is uitbreiding van de handhavingsactiviteiten door de ILT.
Sinds wanneer en bij wie is die slechte naleving bekend?
De actuele cijfers over 2015 zijn op 26 april 2016 door de ILT gerapporteerd en vervolgens opgenomen in mijn brief van 26 mei jl.
Kan de Kamer een kwantitatieve en openbare lijst krijgen van de overtreders?
Tegen de overtreders van de wettelijke verplichting tot registratie van gevaarlijke stoffen loopt een strafrechtelijke vervolging waarbij dergelijke openbaarmaking niet tot de mogelijkheden behoort.
Wat is de rol en wettelijke plicht van ProRail in het kader van een correcte registratie van vervoer van gevaarlijke stoffen?
ProRail moet op grond van internationale regelgeving in geval van een calamiteit snel gegevens kunnen verstrekken aan overheidshulpdiensten over de samenstelling van een trein en de gevaarlijke goederen die daarmee worden vervoerd. ProRail is beheerder van het registratiesysteem voor gevaarlijke stoffen (WLIS). Dit registratiesysteem is geen wettelijke verplichting. De plicht beperkt zich tot het beschikbaar hebben van informatie, maar heeft niet betrekking op de wijze waarop deze voorhanden is. Op ProRail rust een resultaatsverplichting om informatie snel en te allen tijde te kunnen verstrekken aan de instanties voor de hulpverlening en de veiligheid, maar de verplichting om juiste en volledige informatie te verstrekken betreft een daarmee samenhangende inspanningsverplichting. ProRail dient, voor zover dat binnen haar mogelijkheden ligt, na te gaan of de verstrekte informatie juist en volledig kan zijn. Dit gebeurt onder andere door steekproefsgewijze controles. Voor het verstrekken van correcte informatie aan ProRail zijn de spoorwegondernemingen verantwoordelijk.
Hebben hulpdiensten aangedrongen op goede registratie om hun werkzaamheden in geval van calamiteiten op spooremplacementen zo veilig mogelijk kunnen verrichten?
Ja. Brandweer Nederland maakt onderdeel uit van de stuurgroep WLIS en daar hebben zij gewezen op de noodzaak van een goede registratie, omdat deze informatie voor hulpdiensten essentieel is.
Op basis van welke criteria wilt u vervoerders die de regels overtreden zwaarder sanctioneren en op basis van welke criteria wordt de toegang tot het spoor ontzegd?
Er geldt een wettelijke verplichting om gevaarlijke stoffen te registreren. Bij overtreding vindt handhaving plaats door de ILT. Het optreden van de ILT bestaat uit strafrechtelijk en bestuursrechtelijk optreden. Bij strafrechtelijk optreden worden de boete en het vervolg bepaald door het Openbaar Ministerie. Bij het bestuursrechtelijk handhaven zal de ILT bij het opleggen van een Last onder Dwangsom de hoogte van de dwangsom relateren aan het vergrijp en het economisch gewin in relatie tot de gemaakte overtreding(en).
Daarnaast rust op ProRail een inspanningsverplichting om, voor zover dat binnen haar mogelijkheden ligt, na te gaan of de verstrekte informatie juist en volledig kan zijn (zie ook het antwoord op vraag 10). Voor zover ProRail van spoorwegondernemingen afhankelijk is voor het naleven van de op haar rustende inspanningsverplichting, kan ProRail op grond van de toegangsovereenkomst spoorwegondernemingen een aanwijzing geven. Hieraan zijn overeengekomen boetebepalingen gekoppeld, met de verregaande mogelijkheid om de toegangsovereenkomst op te schorten of te ontbinden. Het betreffen afspraken tussen ProRail en spoorwegondernemingen waar binnen proportionaliteit, redelijkheid en billijkheid een beroep op gedaan kan worden door die partijen.
Op welke feiten baseert u uw stelling dat «er geen onverantwoorde situatie is ontstaan»?
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor is één van de veiligste manieren van transport. De huidige situatie is verantwoord, omdat voor alle woningen langs de omleidingsroutes geldt dat deze op veilige afstand van het spoor liggen.
Aan weerszijden van het spoor zijn risicocontouren bepaald. In de contour die voor omwonenden relevant is mogen geen huizen staan. Met de huidige overschrijdingen ligt deze contour weliswaar verder van het spoor dan is afgesproken in Basisnet, maar bevinden zich daarbinnen geen woningen. Overal langs de omleidingsroutes staan huizen dus op een zodanige afstand van het spoor, dat het risico voor de bewoners binnen de hiervoor in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm blijft.
Daarnaast worden er eisen gesteld aan de infrastructuur en het materieel om de veiligheid te borgen. Elk vervoer vindt plaats binnen het strikte kader van het RID en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Dit kader moet uiteraard wel worden nageleefd en daar zie ik dan ook streng op toe. De in mijn brief genoemde ontwikkelingen vragen om actie. Daarom heb ik maatregelen aangekondigd om de prestaties te verbeteren.
Wanneer kunt u inzicht geven in de vraag waarom de risicoplafonds worden overschreden? Is het acceptabel dat vooruitlopend daarop nu reeds overschrijdingen voorkomen?
Op dit moment wordt een analyse uitgevoerd naar de oorzaken van de overschrijdingen van de risicoplafonds op de omleidingsroutes die worden gebruikt als gevolg van de aanleg van het Derde Spoor in Duitsland. Ik verwacht de uitkomsten van deze analyse begin juli. Vervolgens zal ik uw Kamer hierover informeren en daarbij tevens ingaan op mogelijke oplossingsrichtingen om de overschrijdingen weg te nemen. De systematiek van Basisnet brengt met zich mee dat alleen achteraf kan worden vastgesteld of het vervoer dat gedurende een jaar heeft plaatsgevonden binnen de risicocontour is gebleven.
Hoe vaak en wanneer hebben de gemeenten Breda en Tilburg u om actie gevraagd op deze problematiek?
De gemeente Tilburg heeft mij op 28 april 2016 een brief gestuurd met daarin een aantal concrete vragen over spoorveiligheid. Deze brief heb ik tegelijk met mijn brief aan uw Kamer van 26 mei beantwoord. Op 6 juni jl. heb ik met onder andere de burgemeesters van beide gemeenten een overleg gevoerd over deze problematiek.
Kunt u toezeggen deze vragen vóór de derde termijn van het Algemeen overleg spoor te beantwoorden?
Ja
Zingeving in de zorg |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het ZonMw-signalement «Zingeving in zorg: de mens centraal», waarmee ZonMw het debat over zingevingsvraagstukken een extra impuls wil geven, en kennisontwikkeling wil stimuleren?1
Ja.
Deelt u de mening dat zingeving een wezenlijk aspect van het menselijk functioneren is, en een integraal onderdeel van goede, op de persoon afgestemde gezondheidszorg behoort te zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het met opstellers van het signalement eens dat, aangezien niet iedereen alle aspecten van zingeving (even) belangrijk vindt, het noodzakelijk is om individuele behoeften bespreekbaar te maken, waarmee een zorgaanbod ontstaat dat op maat is gesneden.
Wat is uw reactie op de bevindingen uit het NPCF-rapport (Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie) dat een ruime meerderheid (83%) van de patiënten het belangrijk vindt dat zorgverleners naast medisch handelen aandacht hebben voor zingeving, waarbij bijvoorbeeld aandacht wordt besteed aan het leren omgaan met de ziekte, aan het verwerken van het hebben van een ziekte, en aandacht gegeven wordt aan gevoelens van onzekerheid en angst?2
In het onderzoek van de NPCF wordt met zingeving in de zorg bedoeld «een zorgverlener die aandacht heeft voor zingeving kijkt niet alleen naar het medische deel. Deze zorgverlener heeft ook aandacht voor de mens. Bijvoorbeeld voor de gevolgen van een ziekte/aandoening op het leven, hoe mensen omgaan met een ziekte/aandoening en of hoe het leven zinvol ingericht kan worden ondanks een ziekte/aandoening.»
83 procent van alle deelnemers aan het onderzoek van de NPCF geeft aan het belangrijk te vinden dat een zorgverlener naast medisch handelen hiervoor ook aandacht heeft. Bijna de helft van de deelnemers aan het onderzoek van de NPCF, die in 2014 of 2015 bij een zorgverlener is geweest, heeft ervaring met zorgverleners die aandacht hadden voor zingeving. Dit betekent dat de andere helft van de deelnemers aan het onderzoek van de NPCF, die in 2014 of 2015 bij een zorgverlener is geweest, geen ervaring heeft gehad met zorgverleners die aandacht hadden voor zingeving3. Dit is jammer. Goede zorg betekent voor mij dat dokter en patiënt, op basis van alle relevante kenmerken van de patiënt, het samen zo veel mogelijk eens zijn over welke behandeling of welk onderzoek het meest passend is. Dit is voor elke patiënt anders.
Verder vind ik het belangrijk dat elke patiënt kan meebeslissen over zijn behandeling, op voet van gelijkwaardigheid. Dit betekent dus ook dat er naast de aandacht voor de medische aspecten, aandacht zou moeten zijn voor de begeleiding bij de verwerking en het omgaan met ziekte en behandeling, aangezien dit een onlosmakelijk onderdeel is van de behandeling. Dit zou dan ook in elke spreekkamer, behandelkamer of woonkamer door de huisarts, medisch specialist, (wijk)verpleegkundige of zorgprofessional, moeten worden meegenomen in de behandeling. Hier zie ik nog ruimte voor verbetering in de praktijk.
Deelt u de mening dat er op dit gebied nog ruimte voor verbetering is, aangezien minder dan de helft van de patiënten aangeeft daadwerkelijk ervaring te hebben met zorgverleners die aandacht hadden voor zingeving? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het ZonMw-signalement aanleiding geeft om in nauwe samenwerking met stakeholders uit onderzoek, onderwijs, praktijk en beleid, diverse waardevolle en wetenschappelijk kansrijke kennisvragen op het gebied van (impact van) zingeving in de zorg te adresseren?
Met het signalement hoopt ZonMw het debat over zingeving in de zorg een extra impuls te geven. Ik verwacht dat dit signalement allereerst zorgt voor een extra impuls bij de zorgaanbieders zelf, die vandaag al kunnen beginnen met meer aandacht voor zingeving in de dagelijkse zorgverlening. De praktijkverhalen die ZonMw heeft verzameld laten zien dat dit mogelijk is en bieden dus concrete handvatten hoe dit te doen.
In het ZonMw Programma «Palliantie. Meer dan Zorg» dat in 2014 van start is gegaan, wordt veel aandacht besteed aan kennisontwikkeling over zingeving in de zorg. Het programma gebruikt een programmatische aanpak met een breed en open karakter. Breed omdat er wordt geïnvesteerd in projecten waarin zorgpraktijk, onderwijs en onderzoek hand in hand gaan, waarbij er aandacht is voor het ontwikkelen van producten voor praktijk en onderwijs. Open, omdat in het programma mensen in de laatste levensfase, hun naasten, vrijwilligers en zorgverleners een belangrijke rol krijgen in het bepalen van prioriteiten in het programma en in het beoordelen van de maatschappelijke relevantie van aanvragen. In de subsidieronde voor 2016 zijn indieners specifiek uitgenodigd om projectideeën in te dienen die aanvullend zijn op de gehonoreerde projecten in 2015 en onderbelichte onderwerpen of doelgroepen. Zodoende is er extra aandacht gevraagd voor onder andere het spirituele en sociale domein.
Vorig jaar heb ik de wetenschapsagenda van de Vereniging voor Klinische Geriatrie (NVKG)4 in ontvangst genomen. Eén van de vragen die zij gaan onderzoeken is of «advanced life care planning» in de vorm van gezamenlijke besluitvorming in de diagnostische fase, leidt tot een betere kwaliteit van leven (gevoel van grip op eigen leven en/of stresservaringen) voor de patiënt, omdat hij/zij meer regisseur wordt van zijn/haar eigen leven in een fase dat dit nog redelijk mogelijk is. Ook dit vind ik onderdeel van zingeving, waarbij de zorgverlener aandacht heeft voor de mens achter de medische diagnose.
Op dit moment wordt er al op verschillende plaatsen extra aandacht besteed aan zingeving in de zorg en ik zal het belang hiervan waar dat nodig is blijven uitdragen.
Als uw antwoord op vraag 5 bevestigend is, bent u dan bereid in te zetten op kennisontwikkeling over zingeving in de zorg, waarbij wordt ingezet op: nader inzicht verkrijgen in het belang en de impact van zingeving voor gezondheid en zorg; nader inzicht krijgen in de hedendaagse denkbeelden en betekenissen van zingeving; explicitering, wetenschappelijke onderbouwing en toerusting van het professioneel handelen (met name van artsen en verpleegkundigen)?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid te bevorderen dat er een kennisagenda «Zingeving in zorg» komt, bijvoorbeeld gepositioneerd als onderdeel van, dan wel aansluitend bij een groter ZonMw-programma zoals Palliantie, Langdurige zorg, BeterOud of Kwaliteit van leven en gezondheid van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De boycot van een bedrijf door de gemeente Smallingerland |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de boycot van landbouwmechanisatiebedrijf De Boer door de gemeente Smallingerland?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat overheden bedrijven op deze wijze dubbel sanctioneren voor dezelfde overtreding, zolang regelgeving daartoe niet verplicht?
De uitsluitingsgronden hebben niet als doel om als punitieve sanctie te dienen. Het gaat er bij het stellen van uitsluitingsgronden om dat aanbestedende diensten (al dan niet verplicht) geen opdrachten verlenen met publieke middelen aan ondernemers die bepaalde wetten schenden.
Hoe waardeert u het feit dat nu en in eerdere procedures niet of nauwelijks overleg is geweest tussen de stagiair en het desbetreffende bedrijf alvorens overgegaan werd tot sanctionering of uitsluiting, hoewel het bedrijf daar wel open voor stond?
Bij een eventuele uitsluiting gaat het om de verhouding tussen de ondernemer en de aanbestedende dienst. Een eventueel overleg tussen stagiair en bedrijf is niet relevant voor de bevoegdheid van een gemeente om uit te sluiten.
Welke aanbestedings- en inkoopregels zijn van toepassing voor gemeentelijke inkopen, zoals in onderhavige casus, die de gemeente ook in dit geval zegt toe te willen passen?
Op gemeenten is, net als op de rijksoverheid, de Aanbestedingswet 2012 van toepassing. Het Aanbestedingsbesluit en daaronder hangende regelgeving – het Aanbestedingsreglement Werken (ARW) en de Gids proportionaliteit – zijn onderdeel van de geldende wet- en regelgeving. Daarnaast kan een gemeente eigen regels opstellen, die uiteraard niet in strijd mogen zijn met de wet.
Handelt de gemeente door een bedrijf op deze wijze uit te sluiten van inkoop- en aanbestedingsopdrachten conform hoofdstuk 1.3 en de overige bepalingen van de Aanbestedingswet?
Het is niet aan mij om dat te beoordelen. Het is ter beoordeling aan de rechter of een individuele aanbesteding die is gedaan op basis van het gemeentelijk beleid in strijd is met de Aanbestedingswet 2012.
Is het waar dat overheden alleen bedrijven uit kunnen sluiten indien sprake is van specifieke, vooraf vastgestelde uitsluitingsgronden? Is de veronderstelling juist dat hier in het onderhavige geval geen sprake van is?
Dat klopt voor zover het gaat om aanbestedingen boven de Europese drempel. Boven deze drempel zijn de uitsluitingsgronden limitatief en mogen slechts worden uitgebreid op nationaal niveau met gronden die conform de doelstellingen van het Europees recht zijn. In Nederland bestaan geen aanvullende uitsluitingsgronden boven de drempel. Onder de Europese drempel kan de aanbestedende dienst extra uitsluitingsgronden stellen, zolang deze gronden voldoen aan de beginselen van het aanbesteden en vooraf kenbaar worden gemaakt.
Acht u het wenselijk dat overheden bij hun aanbestedings- en inkoopbeleid transparant zijn en bedrijven gelijk behandelen, ook als het gaat om het hanteren van uitsluitingsgronden? Is hier in het onderhavige geval sprake van? Wordt elk bedrijf dat een overtreding heeft begaan per definitie uitgesloten?
Ook bij het toepassen van de uitsluitingsgronden moeten aanbestedende diensten ondernemers gelijk behandelen en transparant zijn. Dat betekent dat een gestelde uitsluitingsgrond voor alle ondernemers in de desbetreffende aanbestedingsprocedure moet gelden en voorafgaand aan de aanbestedingsprocedure bekend moet worden gemaakt. Ondernemers die een overtreding hebben begaan, worden niet per definitie uitgesloten, dat is onder meer afhankelijk van welke uitsluitingsgronden door de aanbestedende diensten zijn gesteld in een concrete procedure.
Deelt u de mening dat, mede gezien het feit dat de gemeente verwijst naar de regelgeving voor aanbestedingen, dat de algemene principes voor aanbesteding ook van toepassing zijn op het inkoopbeleid van de gemeente?
Ja. De wet regelt dat ook.
Deelt u de mening dat uitsluiting vanwege de genoemde overtreding niet in lijn zou zijn met voorschrift 3.5A van de Gids proportionaliteit waarin wordt bepaald dat de aanbestedende dienst slechts die facultatieve uitsluitingsgronden toepast die relevant zijn voor de betreffende opdracht? Deelt u de opvatting dat hiervan in dit geval geen sprake is?
Voorschrift 3.5A van de Gids proportionaliteit stelt dat terughoudend moet worden omgegaan met het stellen van de facultatieve uitsluitingsgronden en dat deze slechts zouden moeten worden toegepast als ze relevant zijn voor de desbetreffende opdracht. Het is niet aan mij om te beoordelen of dat in een concrete aanbesteding of in het aanbestedingsbeleid van een gemeente het geval is. Bij toepassing in een individueel geval is het oordeel aan de rechter.
Hoe waardeert u de handelwijze van de gemeente in het licht van het feit dat het genoemde bedrijf een boete van 1.600 euro is opgelegd, terwijl een gedragsverklaring aanbesteden pas geweigerd kan worden als sprake is van boetes boven de 35.000 euro?2 Is een dergelijke handelwijze van het gemeentebestuur niet disproportioneel?
Het is juist dat dit de ondergrens is voor het afgeven van een Gedragsverklaring aanbesteden. Dit houdt in dat een dergelijke verklaring zonder bezwaar kan worden afgegeven aan een ondernemer die een boete opgelegd heeft gekregen van minder dan 35.000 euro. Dit betekent niet dat daarmee vaststaat dat een ondernemer niet meer kan worden uitgesloten.
Bent u voornemens, indien sprake is van handelen tegen de (geest van de) Aanbestedingswet, om mogelijke ongewenste precedentwerking te voorkomen de gemeente Smallingerland aan te spreken op haar handelwijze?
Het is niet aan mij om een gemeente aan te spreken op haar handelwijze. Het betreft hier een vraag over juridische toelaatbaarheid van gemeentelijk beleid. Bij toepassing in een individueel geval is het oordeel aan de rechter.
Klopt het dat ten minste één school in de regio haar leerlingen verbiedt stage te lopen bij dit bedrijf? In hoeverre mag een school leerlingen tegen hun zin afhouden van een stageplek om andere redenen dan de inhoud en kwaliteit van de stageplek?
Het is niet duidelijk om welke school het gaat. Een onderwijsinstelling is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs, dus ook voor de kwaliteit van de stageplek. Instellingen zullen daarom goede redenen moeten hebben om de door de student aangedragen stageplek niet te honoreren. Ik kan me voorstellen dat dat gebeurt in gevallen waarin de kwaliteit of inhoud van de stageplek niet voldoende is of niet overeenkomt met de leerdoelen van de student en opleiding. Het is van belang dat de instelling altijd transparant communiceert over de reden dat een stageplek niet voldoet en hierover (ook) het gesprek aangaat met de student.
Als een (mbo-)instelling slechte ervaringen heeft met een erkend leerbedrijf, dan dient de instelling dit te melden aan de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB). Het is de wettelijke taak van de SBB om te zorgen dat de kwaliteit van de erkende leerbedrijven goed is. Het beoordelen of een stageplaats sociaal veilig is, is onderdeel van het erkenningstraject. Indien sprake is van een sociaal onveilige plek en/of discriminatie is dat een reden om de erkenning in te trekken.
Tot slot maak ik graag van de gelegenheid gebruik om aan te geven dat het kabinet met het actieplan arbeidsmarktdiscriminatie concreet werk maakt van het bestrijden en voorkomen van discriminatie op de arbeidsmarkt. Zo geeft de rijksoverheid onder meer het goede voorbeeld door geen zaken te doen met opdrachtgevers die onherroepelijk strafrechtelijk zijn veroordeeld voor arbeidsmarktdiscriminatie. Deze werkwijze wordt voor nieuwe contracten, daar waar dit proportioneel is, sinds oktober 2015 toegepast. Andere voorbeelden uit dit actieplan zijn de oprichting van een team arbeidsdiscriminatie bij de Inspectie SZW, de start van het zogeheten diversiteitscharter van de Stichting van de Arbeid en een voorlichtingscampagne over arbeidsmarktdiscriminatie die eind mei jl. is gestart.
Het bericht ’EU liet 113 miljard begrotingsboetes voorbij gaan' |
|
Mark Harbers (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «EU liet 113 miljard begrotingsboetes voorbij gaan» en «Het Europees Stabiliteitspact is gestorven zonder erfgenaam»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de Europese Commissie nog nooit een boete heeft opgelegd aan lidstaten die de regels van het Stabiliteits- en Groeipact overtraden, zelfs niet aan hardnekkige begrotingszondaars zoals Frankrijk dat in 12 jaar van de 16 jaar dat de euro bestaat de regels overtrad?
Een overschrijding van de 3%-norm kan op zichzelf geen aanleiding zijn om een boete op te leggen, zoals wordt gesuggereerd in het NRC-artikel dat dhr. Harbers aanhaalt. Lidstaten die op basis van een overschrijding van de 3%-norm in de correctieve arm worden geplaatst krijgen een aanbeveling om het buitensporig tekort terug te brengen. Tot 2011 was het opleggen van een boete pas mogelijk als uiteindelijke stap bij herhaaldelijke niet-naleving van een dergelijke aanbeveling, op grond van artikel 126(11) van het EU-Werkingsverdrag. Sinds de introductie van het six-pack in 2011 is het opleggen van een boete in een eerdere fase al mogelijk, namelijk na eerste vaststelling dat een lidstaat geen effectief gevolg heeft gegeven aan een aanbeveling.
Het feit dat er tot nu toe nog nooit een boete is opgelegd is deels een gevolg van het feit dat een groot aantal lidstaten als gevolg van de crisis weliswaar de 3%-grens heeft overschreden, maar erin is geslaagd om in naleving van de gestelde aanbeveling het feitelijk tekort succesvol onder de 3% te brengen. Hierdoor hebben zij de correctieve arm van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) verlaten. Daarnaast is de Commissie zelf tot nu toe terughoudend geweest om deze stap te zetten. Zie het antwoord op vraag 3 en 4 voor verdere toelichting daarover.
Wat vindt u van de conclusie uit beide artikelen dat de Europese Commissie veel te laks is in het naleven van haar, wellicht belangrijkste, taak, namelijk het toezicht op de begrotingen van de lidstaten?
De Commissie dient binnen de regels van het SGP te opereren. Toepassing van deze regels, zoals vastgelegd in artikel 126 VWEU en nader gespecificeerd in verordeningen, is echter geen automatisme. Vanaf het Verdrag van Maastricht in 1992 is er binnen de regels ruimte voor beoordeling geweest. Zo dient de Commissie bij de vaststelling of er sprake is van een buitensporig tekort (of een lidstaat in de correctieve arm moet worden geplaatst) rekening te houden met «relevante factoren», zoals vastgelegd in artikel 126(3) van het EU-Werkingsverdrag. Voorbeelden van relevante factoren zijn de begrotingspositie op de middellange termijn, de economische situatie, en de implementatie van structurele hervormingen. Ook de conclusie dat een lidstaat geen effectief gevolg aan een aanbeveling heeft gegeven en dus in aanmerking komt voor een sanctie volgt niet automatisch, maar kan alleen worden genomen op initiatief van de Commissie op basis van haar eigen analyse van de geleverde begrotingsinspanning.
Duidelijk is dat de flexibiliteit in de toepassing van de regels in recente jaren is toegenomen. Dit is mede een gevolg van een verzoek van de Europese Raad, die op 27 juni 2014 opriep tot «making best use of the flexibility that is built into the existing Stability and Growth Pact rules».2 Een voorbeeld hiervan is de substantiële rol die de Commissie in de beoordeling van lidstaten toekent aan omstandigheden die het behalen van begrotingsdoelstellingen bemoeilijken, zoals bijvoorbeeld lage groei en inflatie. Een ander voorbeeld is de recente toepassing van verschillende flexibiliteitsclausules, zoals de hervormingsclausule, de investeringsclausule en de clausule met betrekking tot migratiekosten.
Hoewel de Commissie een zekere mate van bewegingsruimte heeft bij de beoordeling van lidstaten, en er goede redenen kunnen zijn voor flexibiliteit, is het wel zaak dat de Commissie de regels consistent toepast en als objectieve scheidsrechter opereert. Het is essentieel voor de geloofwaardigheid van de regels dat de Commissie er niet voor terugdeinst stappen te zetten, indien de begrotingssituatie in lidstaten daar aanleiding toe geeft. De Commissie moet ervoor waken dat de uiteindelijke doelstelling van het SGP, houdbare overheidsfinanciën, niet in het geding komt.
Wat vindt u van de bewering dat het stabiliteitspact «niet meer functioneert» en dat van «gemeenschappelijke fiscale discipline in de eurozone geen sprake meer is?» Deelt u de mening dat als de Europese Commissie zo doorgaat het Stabiliteits- en Groeipact zijn betekenis verliest en daarmee een serieus risico is voor de euro?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u dat de recente oordelen van de Europese Commissie over de begrotingen van Spanje, Portugal en Italië deze beweringen bevestigen? Bent u steun bij andere lidstaten aan het verzamelen om het oordeel strenger te krijgen?
Er is een onderscheid tussen Spanje en Portugal enerzijds en Italië anderzijds. Ten aanzien van Italië heeft de Commissie op basis van artikel 126(3) van het EU-Werkingsverdrag onderzocht of Italië in de correctieve arm dient te worden geplaatst op basis van de overheidsschuld, die volgens de regels moet afnemen richting de 60% bbp.3 De Commissie heeft geconcludeerd dat Italië momenteel aan het schuldcriterium voldoet. Deze conclusie volgt na een analyse van de relevante factoren, waarbij de Commissie wijst op (1) ongunstige macro-economische omstandigheden, (2) de analyse dat Italië binnen de marges van de preventieve arm blijft, en (3) een ambitieuze agenda voor structurele hervormingen. Met betrekking tot naleving van de preventieve arm profiteert Italië van een substantiële toekenning van flexibiliteit door de Europese Commissie. De Commissie heeft hierbij wel aangegeven dit najaar de situatie opnieuw te beoordelen, en daarbij in het bijzonder te bezien of Italië maatregelen neemt om in 2017 te bewegen richting de middellangetermijndoelstelling (MTO). Daarom is het van belang dat Italië maatregelen neemt om in 2017 het structureel tekort terug te brengen en zo bij te dragen aan een afbouw van de schuld.
Portugal en Spanje bevinden zich nog in de correctieve arm van het SGP en de deadlines uit de lopende aanbevelingen om de buitensporige tekorten te corrigeren zijn respectievelijk 2015 en 2016. In haar voorstel voor de landenspecifieke aanbevelingen heeft de Commissie voorgesteld deze deadlines te verlengen met één jaar. Het voorstel van de Commissie is niet in lijn met de geldende procedures. Landenspecifieke aanbevelingen kunnen aanbevelingen in het kader van de buitensporigtekortprocedure (EDP) namelijk niet wijzigen. Hiervoor is een beslissing nodig in het kader van de buitensporigtekortprocedure, en daar heeft de Commissie nog geen voorstel toe gedaan. Tot die tijd blijven de bestaande deadlines dus geldig. De Commissie heeft bij de presentatie van de landenspecifieke aanbevelingen aangekondigd begin juli terug te komen op de situatie in Portugal en Spanje. De Commissie kan dan, na nadere analyse, vaststellen of deze lidstaten al dan niet effectief gevolg hebben gegeven aan de bestaande aanbevelingen. Indien wordt geconcludeerd dat dit niet het geval is, kan de Commissie voorstellen een sanctie op te leggen. Nederland zal de onderliggende analyse van een mogelijk Commissievoorstel afwachten alvorens een oordeel te vellen.
Erkent u dat er onwil bij de huidige Europese Commissie lijkt te bestaan om daadwerkelijk sancties op te leggen aan landen die zich structureel niet aan de begrotingsafspraken houden? Zo nee, hoe duidt u dan de uitspraak van Europees Commissaris Moscovici dat Spanje om de politieke reden van aanstaande verkiezingen geen sanctie is opgelegd? Deelt u de mening dat de huidige nadruk van de Europese Commissie op «flexibiliteit» ook in dit licht bezien moet worden?
Zoals reeds aangegeven in het antwoord op vraag 4 is het duidelijk dat de flexibiliteit in de toepassing van de regels in recente jaren is toegenomen. Dit dient steeds te gebeuren op basis van objectieve regels en feiten, op consistente wijze. Alleen zo behoudt het Pact zijn rol als «anker van vertrouwen».
Kunt u reageren op de opmerking van Commissievoorzitter Juncker tegen Reuters dat Frankrijk uitstel heeft gekregen «because it’s France»?2 Hoe valt een dergelijke houding te rijmen met het consequent toepassen van het Stabiliteits- en Groeipact?
Ik kan mij niet vinden in een dergelijke uitspraak. Voor de geloofwaardigheid van het SGP is een consistente bewaking van de afspraken van het SGP door de Commissie cruciaal.
Welke oplossingen ziet u voor zich om het Stabiliteits- en Groeipact, een belangrijk fundament onder de stabiliteit van de euro, geloofwaardiger te maken?
Ten eerste is het van belang dat de Commissie de benodigde stappen zet indien lidstaten hun begroting niet op orde brengen. Afgezien van de verantwoordelijkheid van de Commissie gaat hier ook een gedeelde verantwoordelijkheid uit naar alle lidstaten om het belang van het SGP en het gezag van de Commissie als onafhankelijke scheidsrechter te waarborgen. Voor effectieve begrotingsregels is draagvlak onder de lidstaten vereist.
Daarnaast is de geloofwaardigheid van het SGP gebaat bij minder complexiteit, meer transparantie en grotere voorspelbaarheid. In de kabinetsreactie op de mededeling die de Commissie op 21 oktober 2015 uitbracht in het kader van het Five Presidents» report geeft het kabinet aan voorstander te zijn van de stappen die de Commissie zet om het SGP transparanter te maken. Een voorbeeld hiervan is het initiatief van de Commissie om het zogenaamde Vademecum van het SGP jaarlijks te actualiseren. In dit document wordt de methodologie die de Commissie hanteert bij de beoordeling van lidstaten toegelicht. Daarnaast is het kabinet voorstander van vermindering van de complexiteit door de beoordeling van naleving van de begrotingsregels meer te laten afhangen van één praktische indicator. Dit geeft lidstaten een duidelijk anker om op te sturen en beperkt de interpretatieruimte in de beoordeling. Over dit onderwerp heeft tijdens de informele Ecofin op 23 april jl. een discussie tussen Ministers plaatsgevonden. De Ecofin komt in het najaar terug op deze discussie nadat nadere bespreking op technisch niveau heeft plaatsgevonden.
De voortgang van het openbaren van nieuwe categorieën overheidsinformatie |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging in uw brief van 15 december 2015 om begin 2016 het onderzoek over het openbaar stellen van nieuwe categorieën overheidsinformatie, begeleid van een kabinetsappreciatie, naar de Kamer te sturen?1
Ja.
Kunt u nader specificeren wanneer de Kamer dit onderzoek, inclusief een kabinetsappreciatie, kan verwachten, gelet op het feit dat het begrip «begin 2016» weliswaar geen vastomlijnde definitie kent, maar het in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijk is om de maand juni onder dit begrip te scharen?
Het rapport «Steen voor steen de rivier over» van Andersson Elffers Felix (AEF) en de kabinetsreactie op dat rapport, verzend ik voor het zomerreces aan de Tweede Kamer. In dit rapport geeft AEF de bevindingen weer van het onderzoek naar het openbaar maken van nieuwe categorieën overheidsinformatie.
Kunt u specificeren wat u in uw brief van 15 december 2015 bedoelt met de opmerking dat «de pilots actieve openbaarheid in het kader van de moties Voortman en Oosenbrug, en de pilot open spending op lokaal niveau, opgeschaald worden»? Op welke manier komt deze lokale «opschaling» tot uitdrukking?
De ministeries van Buitenlandse Zaken, Financiën en Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben zich op 1 oktober 2015 aangesloten bij de pilot die gericht is op het openbaar maken van onderzoeksrapporten. De ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap startten hier al eerder mee. In het najaar informeer ik de Kamer nader over de uitkomsten uit deze pilots. Bij een positieve uitkomst worden kaders ontwikkeld voor zowel het actief openbaar maken van rapporten als een rijksbrede implementatie van de ontwikkelde aanpak.
Hoewel het geen expliciete doelstelling is van deze pilots, die ook als actiepunt 4 opgenomen zijn in het actieplan 2016–2017 «Open overheid in actie», staat het andere bestuursorganen vrij om van deze kaders gebruik te maken. Het netwerk dat door het actieplan is ontstaan biedt overigens goede mogelijkheden voor kennisdeling, zodat ook andere bestuursorganen hiermee aan de slag kunnen gaan.
In de pilot «open spending», oftewel «Open over geld: open spending detaildata» (actiepunt 5 van het actieplan) werken onder andere gemeenten, provincies en de Open State Foundation niet alleen aan de kwaliteit van de data maar ook aan de verbreding van de pilot. Het is de bedoeling dat steeds meer decentrale overheden zich hierbij aansluiten. Ik merk daarbij op dat in de afgelopen periode enkele nieuwe gemeenten en provincies geïnteresseerd zijn geraakt in open spending detaildata. Hun data zal later dit jaar gepubliceerd worden op de website www.openspending.nl.
Het bericht ‘Grote zorgen over vernieuwing in vmbo’ |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Grote zorgen over vernieuwing in vmbo»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitkomsten van de enquête over de vernieuwing van het vmbo die is afgenomen onder ruim 1.100 mensen die werkzaam zijn op het vmbo en waaruit grote zorgen naar voren komen over knelpunten in de organisatie, bijscholing van docenten, het lesmateriaal en de aansluiting op vervolgopleidingen?
De enquête over de vernieuwing van het vmbo is in april 2015 voor het eerst uitgevoerd. In maart 2016 is de wet profielen vmbo aangenomen en is er voor scholen zekerheid gekomen dat de profielen vanaf augustus 2016 ingevoerd kunnen worden. In april 2016 is de enquête herhaald, dit is juist in de periode dat scholen voorbereidingen treffen voor het komende schooljaar. Dat zie ik ook duidelijk terug in de resultaten van de enquête: meer dan vorig jaar voorzien respondenten knelpunten bij de invoering van de profielen. Nu we aan de vooravond staan van de invoering worden leraren en schoolleiders zich steeds meer bewust van wat er nog moet gebeuren en de tijd die daarvoor nog beschikbaar is tot aan de invoering. Ik ga er vanuit dat met name de grotere urgentie die gevoeld wordt, de verklaring is voor het hogere percentage respondenten dat knelpunten voorziet.
De invoering van de profielen is geen kwestie van de knop omzetten. Het is een verandertraject en vraagt dan ook veel van scholen: keuzes maken in hun onderwijsaanbod, in combinaties van profielvakken en beroepsgerichte keuzevakken, examenprogramma’s vertalen naar onderwijsprogramma’s, nieuw lesmateriaal en toetsen zoeken of maken. Scholen die meer tijd nodig hebben kunnen ook kiezen voor invoering per 1 augustus 2017.
Om scholen te ondersteunen bij de invoering hebben we met behulp van de pilotscholen, een ondersteuningsinfrastructuur ingericht. Die bestaat uit professionaliseringsactiviteiten, voorlichtingsmateriaal en netwerkbijeenkomsten om kennis en informatie uit te wisselen. Zo is er een professionaliseringsaanbod rond schoolexamens: van programma's voor toetsing en afsluiting tot en met een schoolexamenbank. Voor gericht bekwaamheidsonderhoud is een gevalideerd cursusaanbod beschikbaar op www.bijscholingvmbo.nl. Netwerkbijeenkomsten worden georganiseerd: in werkateliers wisselen scholen ervaringen met elkaar uit. Daarnaast zijn sinds de start van het traject goede voorbeelden beschikbaar via www.vernieuwingvmbo.nl en zijn daar ook de antwoorden op veel gestelde vragen te vinden. De brochure «Kijk op keuzes» geeft voorbeelden van pilotscholen hoe zij het nieuwe onderwijs hebben georganiseerd. Er is een nieuwe editie gepubliceerd van «Wat moet en wat mag in het vmbo». Eind 2016 wordt deze editie geactualiseerd, met name de onderdelen over de keuzevakken bekwaam- en bevoegdheden. Tot slot zijn er handreikingen voor beroepsgerichte keuzevakken en loopbaanoriëntatie en beroepskeuze.
Wat is uw mening over het feit dat er scholen zijn die pas na invoering van het vernieuwde programma bekijken welke bijscholing van leraren nodig is, met als gevolg dat leraren on(der)bevoegd voor de klas staan?
De invoering van de profielen vraagt veel van de scholen en docenten. Ik heb er begrip voor dat scholen niet alles tegelijk kunnen. Daarom heb ik een overgangsmaatregel in voorbereiding die scholen de ruimte biedt tot 1 augustus 2021 de zittende docenten te scholen naar een passende bevoegdheid. Dat betekent niet dat scholen nu achterover kunnen leunen. Ik ga er vanuit dat scholen in kaart brengen wat aan scholing nodig is en er de komende jaren voor zorgen dat alle beroepsgerichte docenten in 2021 wel bevoegd zijn. Belangrijk daarbij is dat ondertussen het onderwijs aan de leerlingen kan doorgaan met bekwame docenten voor de klas.
Is het waar dat het bijscholingsbudget voor «sommige profielen» al is uitgeput? Klopt het dat u in gesprek bent met de VO-raad over een scholingsfonds voor docenten voor wie bijscholing verplicht is om hun bevoegdheid te houden? Op welke manier zorgt u ervoor dat leraren voor wie bijscholing nodig is vóór de start van het volgende schooljaar ook bijscholing kunnen volgen?
Ik heb een totaalbedrag van € 5,5 miljoen beschikbaar gesteld voor professionalisering. Hiervan is € 3 miljoen naar de vmbo-scholen gegaan om te besteden aan professionalisering. Alle vmbo-scholen met basis, kader en gemengde leerweg hebben € 5.000 ontvangen voor benodigde bijscholing. In de cao-VO is daarnaast vastgelegd dat een leraar per schooljaar binnen de voor hem geldende jaartaak recht heeft op ten minste 83 klokuren en € 600 ten behoeve van deskundigheidsbevordering en professionaliseringsactiviteiten.
De resterende € 2,5 miljoen is ingezet om een passend scholingsaanbod te laten ontwikkelen en dat tegen een geringe eigen bijdrage te kunnen aanbieden. In korte tijd zijn 3.790 inschrijvingen ontvangen van in totaal 2.334 docenten.
Veel gevolgde scholingen zijn bijvoorbeeld de workshop «Webshop beginnen» (E&O), de leergang «Schoolexaminering vmbo» (profieloverstijgend) en «Ondernemen(d) onderwijs arrangeren» (E&O). De trainingen worden deels ook door docenten vanuit de andere profielen gevolgd, bijvoorbeeld met het oog op het geven van keuzevakken. Van de docenten heeft 65 procent zich voor 1 cursus ingeschreven, de rest voor meerdere. Door het grote enthousiasme waren de beschikbare budgetten in korte tijd uitgeput en konden cursussen alleen tegen commercieel tarief worden gevolgd. Ook deze cursussen zijn volgens planning uitgevoerd.
Om meer beroepsgerichte docenten in staat te stellen van het gesubsidieerde scholingsaanbod gebruik te maken, heb ik in het AO vmbo van 9 juni jongstleden toegezegd dat ook komend schooljaar een cursusaanbod tegen gereduceerd tarief beschikbaar blijft. Inmiddels kan op www.bijscholingvmbo.nl weer worden ingeschreven op gesubsidieerde cursussen. Het oprichten van het door de VO-raad gesuggereerde scholingsfonds is dan ook niet nodig.2 Van de schoolleiders verwacht ik dat zij hun docenten faciliteren om scholing te volgen, zowel voor de scholing die is gericht op bekwaamheidsonderhoud als die voor het behalen van een bevoegdheid.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de lerarenopleidingen in relatie tot het vernieuwde vmbo? Is er reeds een sluitend en dekkend opleidingsaanbod van lerarenopleidingen waar nieuwe generaties leraren worden opgeleid voor alle profielen en vakken van het vernieuwde vmbo? Zo niet, op welke termijn wordt dit wél gerealiseerd en welke maatregelen neemt u in de tussentijd om recent afgestudeerden van de lerarenopleidingen en het al langer zittende personeel zich te laten bijscholen zodat zij zowel bekwaam als bevoegd zijn om les te geven in het vernieuwde vmbo?
De lerarenopleidingen zijn verantwoordelijk voor de aansluiting van hun aanbod bij de vraag van scholen. In verband met de vernieuwing van het vmbo wordt dan ook overlegd met de platforms vmbo, lerarenopleidingen en vmbo-scholen over de aansluiting van de lerarenopleidingen op de profielen en eventueel benodigde bijscholing van zittende docenten naar een passende bevoegdheid.
De lerarenopleidingen hebben al een slag gemaakt in de aanpassing van hun curriculum. Dat ziet u ook terug in de conversietabel waarin de bevoegdheden voor Bouwen, Wonen en Interieur, Economie & Ondernemen, Groen, Mobiliteit & Transport, Zorg & Welzijn, Produceren, Installeren & Energie en Horeca, Bakkerij & Recreatie zijn opgenomen.
Voor MVI en Maritiem en techniek zijn er geen lerarenopleidingen. Gezien het aantal benodigde docenten zijn er ook geen plannen om initiële lerarenopleidingen in te richten. Via de beleidsregel erkenning bekwaamheid wordt de route naar een bekwaamheidserkenning voor het lesgeven in deze profielvakken geregeld. Voor de andere vakken waarvoor geen lerarenopleiding is, is er altijd de mogelijkheid om een bekwaamheidserkenning aan te vragen, op grond van art. 33 lid 16 van de WVO.
Er is een minor in ontwikkeling die gevolgd kan worden door studenten die een andere tweedegraads lerarenopleiding volgen. Wie deze minor heeft gevolgd, wordt bevoegd voor D&P. Naar verwachting kan in het schooljaar 2016–2017 (vanaf januari 2017) een eerste cohort studenten deze minor volgen.
Op termijn kunnen zittende docenten D&P een assessment doen om te toetsen of zij beschikken over de kennis en vaardigheden om D&P te kunnen geven. De doelstellingen van de minor D&P zijn daarvoor de norm.
Voor Produceren, Installeren en Energie ben ik nog in gesprek met de platforms PIE, lerarenopleidingen en vmbo's over wat nodig is om te komen tot een lerarenopleiding PIE. Als tussenoplossing is in de conversietabel opgenomen dat PIE onder verantwoordelijkheid van een team kan worden gegeven. Dan moeten de bevoegdheden in het team dekkend zijn voor de verschillende onderdelen binnen het profiel PIE.
Voor alle beroepsgerichte docenten geldt dat deelname aan het cursusaanbod van www.bijscholingvmbo.nl mogelijk is. Het cursusaanbod richt zich vooral op nieuwe onderwerpen in de profielmodulen en soms ook keuzevakken. Schoolleider en docent bepalen in onderling overleg welke bijscholing noodzakelijk is gezien de lessen die de docent gaat geven.
De verhoging van de kinderopvangtoeslag |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de kinderopvangtoeslag fors verhoogd wordt?1
Ja
Hoeveel extra belastinginkomsten en hoeveel extra uitgaven verwacht de Minister te realiseren als gevolg van de verhoging van de kinderopvangtoeslag voor de inkomenscategorie van minstverdienende partners tot 20.000 euro? Klopt het dat er tot 20.000 euro geen belastinginkomsten worden gerealiseerd, maar wel extra overheidsuitgaven worden gedaan?
De verhoging van de kinderopvangtoeslag maakt werken meer lonend, wat een beperkt positief effect heeft op het arbeidsaanbod. De beperkte omvang van het effect maakt dat het niet mogelijk is om een kwantitatieve schatting te geven hoeveel extra belastinginkomsten als gevolg van de verhoging worden gerealiseerd voor de genoemde inkomenscategorieën. Tevens kan het totaal effect op de belastinginkomsten niet worden geschat. De extra overheidsuitgaven als gevolg van de verhoging van de kinderopvangtoeslag bedragen € 136 mln. structureel per jaar. In totaal wordt € 200 mln. structureel geïnvesteerd in de kinderopvang; een deel van het geld gaat onder andere naar de verhoging van de maximum uurprijs en kwaliteitsverhogende maatregelen.
Hoeveel extra belastinginkomsten en hoeveel extra uitgaven verwacht de Minister te realiseren als gevolg van de verhoging van de kinderopvangtoeslag voor de inkomenscategorie van minstverdienende partners boven de 20.000 euro?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat een verhoging van de kinderopvangtoeslag een verhoging van het arbeidsaanbod tot gevolg heeft? Zo ja, hoeveel?
De verhoging van de kinderopvangtoeslag maakt werken lonender, waardoor er een beperkt positief effect is op het arbeidsaanbod, mede door het beperkte budgettaire beslag2.Huishoudens ontvangen kinderopvangtoeslag als alle ouders in het gezin werken en het huishouden gebruik maakt van formele kinderopvang. Het is daarmee een subsidie op werk. De hogere kinderopvangtoeslag stimuleert daarom de arbeidsparticipatie.
Op lange termijn leidt de structurele stijging van het arbeidsaanbod ook tot meer banen (arbeidsvraag). De markt absorbeert dan het extra aanbod en gaat dan naar een nieuw, hoger evenwicht. Op dit moment is er nog geen sprake van een evenwichtssituatie. Op korte termijn zal het extra arbeidsaanbod dus niet leiden tot meer banen. Het CPB verwacht dat het tot 2023 duurt voordat de werkloosheid in de buurt komt van de evenwichtswerkloosheid3.
Deelt u de mening dat een stimulering van het arbeidsaanbod alleen een gelijke verhoging van de arbeidsvraag tot gevolg heeft in een lange termijn evenwichtssituatie en dat er geen sprake is van een evenwichtssituatie met 572.000 werkzoekende werklozen (cijfer april 2016)? Klopt het dat er dus op korte termijn geen extra banen bijkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het stimuleren van betaalde arbeid van ouders met kinderen, waarvan de partner al werkt, oneerlijke concurrentie veroorzaakt met werkzoekende alleenstaanden en eenverdieners (immers, de groep die gestimuleerd wordt kan door alle fiscale voordelen een lager loon accepteren, omdat hij/zij daar netto veel meer van overhoudt)?. Hoe rechtvaardigt u deze steeds verdergaande oneerlijke concurrentie veroorzaakt door de overheid?
Het verhogen van bijvoorbeeld de kinderopvangtoeslag heeft onder andere als doel om de arbeidsparticipatie van ouders te bevorderen. Zij hebben te maken met extra kosten als zij gaan werken ten opzichte van mensen zonder kinderen, in verband met de zorg voor hun kinderen. Om deze extra kosten te verlagen en te zorgen dat werken ook voor alle ouders voldoende lonend is, wordt de kinderopvangtoeslag, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de extra toeslag op het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders ingezet. Vanwege de extra kosten voor ouders door de zorg voor kinderen is er geen sprake van oneerlijke concurrentie met andere groepen. Werkende alleenstaande ouders kunnen in aanmerking komen voor de kinderopvangtoeslag en de extra toeslag op het kindgebonden budget. Voor huishoudens met kinderen waarvan een ouder niet werkt, zijn op het moment dat de niet-werkende partner toch gaat werken in principe de kinderopvangtoeslag en de inkomensafhankelijke combinatiekorting beschikbaar. Voor niet-werkenden zonder kinderen loont het ook om werk te aanvaarden; zij profiteren bijvoorbeeld van de arbeidskorting als zij gaan werken.
Kunt u een update geven van de tabellen 6.6.1. en 6.6.2. uit het eindrapport van Commissie Van Dijkhuizen,2 waarin de verhouding in materiele welvaart tussen alleenstaanden en tweeverdieners met kinderen wordt berekend? Kunt u deze tabellen uitbreiden met een kolom voor eenverdieners? Hoe heeft de materiele welvaart van tweeverdieners ten opzichte van alleenstaanden en eenverdieners zich ontwikkeld sinds het uitkomen van het rapport van de Commissie Van Dijkhuizen?
De tabellen zijn geactualiseerd naar het jaar 2016 omdat besluitvorming 2017 nog niet is afgerond, maar wel met de toeslagpercentages uit de kinderopvangtabel 2017. Daarnaast zijn de tabellen uitgebreid met de eenverdiener. Het gestandaardiseerde inkomen van de verschillende huishoudens is in verhouding tot het gestandaardiseerde inkomen van de alleenstaande nauwelijks gewijzigd sinds 2013. Huishoudens met kinderopvang hebben nog steeds een lager gestandaardiseerd inkomen dan huishoudens zonder kinderopvang, maar het verschil is sinds 2013 wel kleiner geworden. Dit komt door de intensivering van de kinderopvangtoeslag in 2014, 2016 en 2017. Deze intensivering is ook goed voor de arbeidsparticipatie.
Het gestandaardiseerde inkomen van de eenverdiener ligt lager dan voor de tweeverdiener en alleenstaande ouder. De verhoging van de kinderopvangtoeslag per 2017 heeft hierop vrijwel geen invloed. Het verschil ontstaat vooral door fiscale maatregelen waaronder het feit dat in een individueel belastingstelsel in een tweeverdienerhuishouden beide partners recht hebben op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Dit staat uitgebreider omschreven in de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 15 juni 2016 betreffende de kabinetsreactie op de CPB-notitie doorrekening standaardkoopkracht voorbeeldhuishoudens.
Alleenstaande
Alleenstaande ouder
Tweeverdiener met kinderen gelijk huishoudinkomen als alleenstaande (5/8–3/8)
Tweeverdiener met kinderen gelijk individueel inkomen als alleenstaande
Een-verdiener modaal met kinderen
met kinder-opvang
zonder kinder-opvang
met kinder-opvang
zonder kinder-opvang
met kinder-opvang
zonder kinder-opvang
Bruto inkomen
36.000
36.000
36.000
36.000
36.000
72.000
72.000
36.000
Pensioenpremie wn
1.479
1.662
1.662
929
929
3.323
3.323
1.479
Loon- en inkomstenbelasting
8.555
5.696
5.696
2.581
2.581
14.162
14.162
7.508
Netto inkomen
25.959
28.635
28.635
32.482
32.482
54.501
54.501
27.006
Ziektekosten
1.410
1.410
1.410
2.821
2.821
2.821
2.821
2.821
Zorgtoeslag
0
0
0
0
0
0
0
0
Kinderbijslag
0
1.932
1.932
1.932
1.932
1.932
1.932
1.932
Kindgebonden budget
0
3.948
3.948
833
833
0
0
870
Kosten kinderopvang
0
16.323
0
12.243
0
12.243
0
0
Kinderopvangtoeslag
0
13.845
0
10.338
0
8.701
0
0
Besteedbaar inkomen
24.548
30.626
33.105
30.522
32.426
50.070
53.612
26.987
Equivalentiefactor CBS
1
1,51
1,51
1,88
1,88
1,88
1,88
1,88
Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen
24.548
20.282
21.924
16.235
17.248
26.633
28.517
14.355
(a) Obv tabel 6.6.1 uit rapport commissie Van Dijkhuizen, hierin was de eenverdiener niet opgenomen en was bij tweeverdieners de inkomensverdeling niet 5/8–3/8 maar 2/3–1/3
Alleenstaande
Tweeverdiener gelijk huishoudinkomen als alleenstaande
Tweeverdiener met gelijk individueel inkomen
Eenverdiener modaal
zonder kinderen
met kinderen
zonder kinderen
met kinderen
zonder kinderen
met kinderen
1/2–1/2
5/8–3/8
1/2–1/2
1/2–1/2
5/8–3/8
1/2–1/2
Bruto inkomen
36.000
36.000
36.000
36.000
72.000
72.000
72.000
36.000
36.000
Pensioenpremie wn
1.479
734
929
929
2.957
3.323
3.323
1.479
1.479
Loon- en inkomstenbelasting
8.555
3.377
2.581
1.541
17.111
14.937
14.162
7.508
7.508
Netto inkomen
25.959
31.882
32.482
33.522
51.918
53.725
54.501
27.006
27.006
Ziektekosten
1.410
2.821
2.821
2.821
2.821
2.821
2.821
2.821
2.821
Zorgtoeslag
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Kinderbijslag
0
0
1.932
1.932
0
1.932
1.932
0
1.932
Kindgebonden budget
0
0
833
833
0
0
0
0
870
Kosten kinderopvang
0
0
12.243
12.243
0
12.243
12.243
0
0
Kinderopvangtoeslag
0
0
10338
10338
0
8701
8701
0
0
Besteedbaar inkomen
24.548
29.062
30.522
31.562
49.097
49.295
50.070
24.185
26.987
Equivalentiefactor CBS
1
1,37
1,88
1,88
1,37
1,88
1,88
1,37
1,88
Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen
24.548
21.213
16.235
16.788
35.837
26.221
26.633
17.653
14.355
(a) Obv tabel 6.6.2 uit rapport commissie Van Dijkhuizen, hierin was de eenverdiener niet opgenomen en was bij tweeverdieners de inkomensverdeling niet 5/8–3/8 maar 2/3–1/3
Hoe heeft de koopkracht van alleenstaanden, eenverdieners en tweeverdieners zich de afgelopen jaren ontwikkeld en wat zijn de koopkrachtgevolgen van het verhogen van de kinderopvangtoeslag?
Sinds de aanvang van dit kabinet in 2013 is de mediane cumulatieve koopkrachtontwikkeling van de verschillende huishoudtypes (t/m 2016 met in 2016 de toeslagpercentages uit de kinderopvangtabel 2017):
Huishoudtype
Cumulatieve koopkracht
Tweeverdiener
5,1%
Alleenstaande
3,2%
Alleenverdiener
1,3%
Het verhogen van de kinderopvangtoeslag per 2017 wijzigt de medianen niet, omdat maar een relatief klein deel van de verschillende huishoudtypes gebruik maakt van kinderopvang. Het achterblijven van de koopkracht van de alleenverdiener bij de andere huishoudtypes hangt, net als het lagere gestandaardiseerde inkomen uit vraag 7, samen met fiscale maatregelen die beschreven zijn in de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 15 juni 2016 betreffende de kabinetsreactie op de CPB-notitie doorrekening standaardkoopkracht voorbeeldhuishoudens. Deze maatregelen zijn erop gericht de arbeidsparticipatie te verhogen. Het kabinet streeft echter ook een evenwichtige ontwikkeling van de koopkracht voor alle groepen na. Daarom houdt het kabinet de koopkrachtontwikkeling van eenverdieners nauwgezet in de gaten.
Gezinshuizen in Gouda |
|
Joël Voordewind (CU), Loes Ypma (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe plek nodig voor uit huis geplaatste kinderen» in AD Groene hart van 30 mei 2016?1 Bent u daarnaast bekend met het bericht van een van de betrokken gezinshuisouders2, dat al na één dag 6.000 keer is gedeeld?
Ja, hier ben ik mee bekend.
Wat is uw reactie op het voornemen van Horizon Jeugdzorg om te stoppen met de woonvorm «Projectgezinnen» en de gevolgen hiervan voor de zorg continuïteit voor deze kwetsbare groep kinderen?
Ik heb kennis genomen van het voornemen van Horizon Jeugdzorg en Onderwijs om te stoppen met de woonvorm «projectgezinnen». Kennelijk is voor Horizon de combinatie van kwaliteit en kosten van de projectgezinnen onvoldoende duurzaam in de toekomst.
Horizon heeft in haar voorgenomen besluit aan de projectouders aangegeven dat er met hen wordt gezocht naar passende hulp voor de kinderen. Bij voorkeur wordt er een oplossing gevonden waarbij de huidige hulpverleners en de kinderen die zij opvangen bij elkaar kunnen blijven.
Deelt u de mening dat het wegvallen van de projectgezinnen haaks staat op het oogmerk van de Jeugdwet om kinderen juist in een gezinssituatie op te vangen?3
De Jeugdwet heeft inderdaad het oogmerk om kinderen zoveel mogelijk is een gezinssituatie op te vangen, indien zij niet meer thuis kunnen wonen. Projectgezinnen zijn niet de enige vorm waarin kinderen in een gezinssetting kunnen verblijven. Alternatieve vormen van hulp in gezinnen of in gezinsvormen, zijn gezinshuizen en pleegzorg.
Hoe ziet u het voornemen van Horizon Jeugdzorg in het licht van de sterke toenemende behoefte aan pleeggezinnen4, temeer omdat het hier gaat om kinderen die niet tot hun recht komen in een pleeggezin of een jeugdinstelling?
Ik zie niet een direct verband tussen het voorgenomen besluit van Horizon en de toename in behoefte aan pleeggezinnen. Pleeggezinnen zijn voor het ene kind passend, voor het andere niet. Horizon zal, samen met gemeenten, een passende oplossing vinden voor de kinderen die het hier betreft.
Deelt u de mening dat hulpverlening in een gezinsvervangende situatie iets anders is dan het alternatief binnen Horizon Jeugdzorg; het begeleiden van acht jongeren onder begeleiding van één hulpverlener in een locatie op het terrein van de zorgaanbieder?
Er is uiteraard verschil in residentiële opvang en opvang in een gezinssituatie. Residentiële opvang is één van de alternatieven wat betreft hulp aan een kind. Zoals eerder gezegd: voor ieder kind wordt passende hulp gezocht.
Deelt u de mening dat overplaatsing voor deze kinderen grote gevolgen heeft, dat langdurige relaties worden verbroken en dit ingaat tegen hun behoefte aan stabiliteit en een veilige plek?
Deelt u de mening dat de zorg die aan kinderen in gezinshuizen wordt gegeven een duidelijk ander zorgaanbod is dan die in de reguliere pleegzorg? Is de Staatssecretaris tevens van mening dat aan deze kinderen, die een complexe hulpvraag hebben, in een regulier pleeggezin onvoldoende professionele hulp kan worden geboden?
Ik deel de mening dat de hulp aan kinderen in een gezinshuis anders is dan het zorgaanbod in een pleeggezin, wat veelal met de complexiteit van de hulpvraag te maken heeft. Het voornaamste verschil zit hem in de professionele hulp van de gezinshuisouders versus de vrijwillige hulp van pleegouders. Ik ken de individuele specifieke casuïstiek van de kinderen die in de projectgezinnen worden opgevangen niet. Horizon zal per kind en per projectgezin passende overwegingen maken.
Bent u bereid in gesprek te treden met de gemeente Gouda, alsook met andere gemeenten waar soortgelijke problemen spelen, en de bestuurders van Horizon Jeugdzorg, om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om deze vorm van jeugdhulp te behouden?
Het voorgenomen besluit van Horizon om te stoppen met projectgezinnen is onderdeel van een bredere exercitie waarin Horizon haar totale jeugdhulpaanbod tegen het licht houdt. Horizon geeft aan dat dit niet alleen ten doel heeft om een afdeling af te stoten, maar ook om te komen tot nieuwe zorgvormen die beter aansluiten bij de huidige praktijk.
Horizon is bekend met de mogelijkheid dat de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) ondersteuning kan bieden bij het ombouwen van het jeugdhulpaanbod zodat het aanbod inhoudelijk aansluit bij de passende zorg voor de kinderen en de wensen van gemeenten. Verder heb ik Horizon op de mogelijkheid gewezen dat de TAJ kan bemiddelen tussen gemeenten en jeugdhulporganisaties indien er sprake is van een impasse bij de inkoop van de jeugdhulp. Zelf zie ik geen aanleiding om in gesprek te gaan met de gemeente Gouda of andere betreffende gemeenten.
Kunt u in samenspraak met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) inventariseren of dit een probleem betreft wat breder speelt?
Ik heb hierover contact opgenomen met de VNG. De VNG is bereid om samen met VWS te inventariseren of dit probleem breder speelt.
De opgenomen doelen en streefcijfers van de veiligheidsagenda 2015-2018 |
|
Anouchka van Miltenburg (VVD) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op welke wijze de aanpak van geweld tegen Lesbiennes, Homo's, Biseksuelen en Transgenders (LHBT’s) ook wel homofoob geweld genoemd, op dit moment vorm wordt gegeven?
Aan de hand van diverse consultaties, zoals een door mijn ministerie georganiseerde expertsessie (met COC, Transgender Netwerk Nederland, RADAR/art.1, politie, OM, bestuur), een publieksdebat in het kader van het inhoudelijke programma van de Amsterdam Gay Pride, en deelname door mijn ministerie en het COC aan een internationaal seminar georganiseerd door de International Lesbian and Gay Association (ILGA Europe), is in 2015 een uitwerking gemaakt van de versterking van de aanpak van homofoob geweld. Het resultaat hiervan is integraal verwerkt in het «Nationaal Actieprogramma tegen Discriminatie» dat op 22 januari jl. aan uw Kamer is gezonden1. Met het COC zal ik jaarlijks spreken over de voortgang van de uitwerking van de versterking van de aanpak van homofoob geweld en over andere actuele zaken.
Daarnaast heeft de NCTV contact gehad met het COC over hun zorgen naar aanleiding van de aanslagen in Orlando.
Er is (en wordt) in het kader van het actieprogramma een verdere impuls gegeven aan deskundigheidsbevordering (onderwijs, netwerken), registratie/rapportage en opsporing (zoals een convenant met samenwerkingsafspraken tussen ketenpartners en een reactieprotocol voor de politie als handvat voor een goede opvolging van aangiften en meldingen).
Het door de korpsleiding in september 2015 vastgestelde visiedocument «De Kracht van het Verschil» voorziet in een kader voor de acties uit het actieprogramma ten aanzien van de politie. Hiertoe is een programmatische aanpak van start gegaan.
Uiteraard is tevens het lokale beleid van gemeenten van groot belang. Een veelbelovend voorbeeld hiervan is de alliantie LHBT-veiligheid die is opgericht in Noord-Nederland naar aanleiding van de mishandeling van een lesbisch stel in Groningen.
In het geval homofoob geweld tot een strafzaak komt geldt de Aanwijzing Discriminatie. In gevallen van commune delicten, bijvoorbeeld overtreding van de artikelen 141, 157, 266, 300 en 350 Wetboek van Strafrecht, waarvan bij «homofoob geweld» sprake is, dient een discriminatoir aspect ex artikel 137c Wetboek van Strafrecht in het requisitoir te worden benadrukt en als strafverzwarende omstandigheid in de eis te worden betrokken.
De strafeis moet met 50% of 100% worden verzwaard en dit dient in het requisitoir uiteengezet te worden.
Kunt u aangeven op welke wijze de aanpak van homofoob geweld is versterkt, zoals door u aangemerkt als topprioriteit in de veiligheidsagenda 2015–2018? Hoe ziet deze aanpak er in de praktijk uit en zijn er al resultaten bekend van de versterkte aanpak?
De aanpak homofoob (discriminatoir) geweld is in de Veiligheidsagenda 2015–2018 opgenomen onder de prioriteit High Impact Crime. Via het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP) worden halfjaarlijks de afspraken gemonitord die de politie, het Openbaar Ministerie, de regioburgemeesters en het Ministerie van Veiligheid en Justitie hebben gemaakt.
In het Nationaal Actieprogramma Discriminatie 2016 – 2020 geeft het kabinet aan welke maatregelen een nieuwe impuls geven om de doelstellingen van het discriminatiebeleid te behalen en tevens welk lopend beleid in belangrijke mate bijdraagt aan het realiseren van deze doelstellingen. Deze maatregelen vormen het kader van en een aanvulling op (lopende) departementale beleidstrajecten gericht op specifieke doelgroepen (waaronder LHBT’s), zoals uiteengezet in bijlage II van het actieprogramma.
De basisstructuur met contactpersonen discriminatie in de regionale eenheden en een discriminatieofficier (bijgestaan door juridische/beleidsmatige ondersteuning) in ieder parket wordt voortgezet, evenals de regionale discriminatieoverleggen waar ook anti-discriminatievoorzieningen in zijn vertegenwoordigd. Het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (LECD) is als het kennispunt bij het OM speciaal belast met het onderwerp discriminatie. Doel van het LECD is het optimaliseren van de strafrechtelijke handhaving inzake discriminatie, dat wil zeggen beleidsvorming, opsporing, vervolging, rapportage. Het LECD voert op periodieke basis (zaaks)overleg met (onder andere) het COC en het politienetwerk Roze in Blauw (Amsterdam).
Sinds 1 augustus jl. bestaat het politienetwerk Roze in Blauw Nederland. De realisatie van een landelijke dekking is een eerste resultaat van de versterkte aanpak en dit heeft een sterke impuls gegeven aan de activiteiten van de Roze in Blauw-netwerken in de eenheden.
Er wordt (door het Ministerie van VenJ) in 2016 een campagne gehouden in LHBT-media met als doel het vergroten van de aangifte- en meldingsbereidheid. Met hetzelfde doel zal mijn ministerie deelnemen aan de Amsterdam Gay Pride. De Nationale Politie organiseert in de week van de Gay Pride tevens de eerste LHBT wereldconferentie voor strafrechtprofessionals.
Naast de genoemde versterkte aanpak van homofoob geweld kunnen ook slachtoffers van homofoob geweld uiteraard gebruik maken van de rechten die slachtoffers hebben gekregen in het strafproces. Deze rechten zijn vastgelegd in Titel IIIA van Boek 1 van het Wetboek van Strafvordering. In aanvulling hierop treedt de Wet van 14 april 2016 inzake aanvulling van het spreekrecht en wijziging van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven2 op 1 juli 2016 in werking3.
Bovendien is het wetsvoorstel voor de implementatie van de EU-richtlijn 2012/29/EU inmiddels aanhangig bij de Eerste Kamer4. Dit wetsvoorstel voorziet onder meer in het recht op slachtofferzorg, op informatie bij het eerste contact met autoriteiten (veelal opsporingsambtenaren), taalkundige assistentie bij aangifte, bijstand in verschillende fasen van het strafproces, vertaling van processtukken en een individuele beoordeling van slachtoffers met het oog op zijn of haar behoefte aan beschermingsmaatregelen.
Bent u bereid in de begroting van Veiligheid en Justitie die in september 2016 wordt gepresenteerd in te gaan op de versterkte aanpak van homofoob geweld en daarbij de doelen en de indicatoren te formuleren, zodat het beleid meetbaar wordt?
Nee. Ik zie geen reden ten aanzien van de aanpak van homofoob geweld af te wijken van de afspraken die ik met Uw Kamer heb gemaakt over de wijze van rapporteren over de prioriteiten die gemeld staan in de Veiligheidsagenda. Hetzelfde geldt ten aanzien van het Actieprogramma Discriminatie.
De moord en inbraak bij een Oegandese mensenrechtenorganisatie |
|
Roelof van Laar (PvdA), Michiel Servaes (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ontzetting over moord en inbraak bij Oegandese mensenrechtenorganisatie»?1 Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ja. Ik ben uiteraard geschokt over deze zeer zorgelijke gebeurtenis.
Kunt u bevestigen dat de daders van de moord en de inbraak nog niet zijn opgepakt door de Oegandese autoriteiten?
Ja.
Deelt u de oproep in het persbericht van het Human Rights Awareness and Promotion Forum en andere Oegandese mensenrechtenorganisaties dat de Oegandese overheid zich meer moet inzetten om de daders te pakken en het patroon van inbraken bij mensenrechtenorganisaties te doorbreken?2 Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u bereid om deze specifieke kwestie aan de orde te stellen bij de Oegandese autoriteiten en hierbij expliciet aan te dringen op vervolging van de daders en op te roepen tot het voorkomen en bestrijden van gewelddadige inbraken bij mensenrechtenorganisaties in de toekomst, in lijn met de oproep in het genoemde persbericht? Zo nee, waarom niet?
Ja, later deze maand vindt een politieke dialoog plaats tussen de Ugandese autoriteiten en de EU, in het kader van Artikel 8 van het verdrag van Cotonou. Tijdens deze dialoog zal de EU de gewelddadige inbraak aan de orde stellen en aandringen op maatregelen om mensenrechtenorganisaties beter te beschermen tegen dergelijke inbraken.
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen over de omstreden NGO Bill waarin u aangaf dat «afgewacht moet worden hoe het uiteindelijke voorstel eruit ziet en wanneer het wordt aangenomen. Pas dan kunnen de mogelijke effecten van de nieuwe wet worden beoordeeld»?3 Klopt het dat de genoemde wetgeving in maart jl. door president Museveni is ondertekend en in werking is getreden. Kunt u dat bevestigen? Zo ja, kunt u een beoordeling geven van de effecten van de wet?
De wet wordt de facto nog niet toegepast en er zijn daarom nog geen zichtbare effecten. President Museveni ondertekende weliswaar de ngo wet in maart en deze trad toen in werking. De Ugandese NGO Board is echter verantwoordelijk voor de implementatie van de wet, maar tot op heden ontving deze organisatie nog geen additioneel budget en is het reglement voor de uitvoering van de wet nog niet vastgelegd. De NGO Board is een Ugandese overheidsinstelling die ngo» s registreert, reguleert en coördineert en daarover de regering adviseert. De Board werkt op dit gebied samen met twee vertegenwoordigers van het platform van Oegandese ngo’s (NGO Forum).
Herinnert u zich uw antwoord op de hierboven genoemde vragen waarin u aangaf dat «de dialoog over het wetsvoorstel wordt gevoerd in EU-verband. De overige JLOS donoren (Justice, Law and Order Sector) zijn lidstaten van de EU en hebben dezelfde zorgen als Nederland»? Kunt u aangeven hoe deze dialoog in EU-verband sindsdien verlopen is? Bent u bereid te pleiten voor maatregelen, in reactie op bovengenoemde ontwikkelingen, bijvoorbeeld tegen de negatieve gevolgen van de NGO Bill voor de gemeenschap van Lesbische, Homo-, Biseksuelen en Transgenders (LHBT)?
Tijdens de consultaties met het maatschappelijk middenveld over de ngo wet kwam de EU met een schriftelijke verklaring over het wetsvoorstel. De EU kaartte het belang aan van een transparant registratieproces voor ngo» s, met aandacht voor een competente en eerlijke rechtsgang tijdens het registratieproces. Daarnaast kon de wet beter erkennen dat de grote meerderheid van de ngo» s in Uganda waardevol werk levert. De Ugandese parlementaire adviescommissie, belast met deze consultaties, verwerkte de zorgpunten van de EU in een advies. Het wetsvoorstel onderkent in lijn met dit advies expliciet dat het werk van ngo» s verder reikt dan alleen het leveren van diensten. Het maatschappelijk middenveld in Uganda ziet het proces dat heeft geleid tot deze wet als een goed voorbeeld van een effectieve en constructieve beleidsdialoog. Op dit moment is er geen aanleiding om te pleiten voor maatregelen.
Bent u bereid additionele steun te verlenen aan de Oegandese LHBT-gemeenschap, bijvoorbeeld voor beveiligingsmaatregelen?
Nederland ondersteunt actief de LHBT gemeenschap in Oeganda. In het door HIVOS en Rutgers uitgevoerde programma «Right here, right now» staat de LHBT-gemeenschap centraal. Verder nemen alle door Nederland gefinancierde projecten op het gebied van Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR) aandacht voor de LHBT gemeenschap integraal op in de projectactiviteiten. Ook organiseerde de Nederlandse ambassade afgelopen maand als enige buitenlandse missie een evenement in samenwerking met de LHBT gemeenschap ter gelegenheid van de International Day Against Homophobia, Transphobia and Biphobia (IDAHOT). Indien additionele steun voor kwetsbare groepen, zoals de LHBT gemeenschap, noodzakelijk blijkt dan zal Nederland dit overwegen.
Het bericht dat de brandweer in Enkhuizen regelmatig buiten dienst is |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de brandweer in Enkhuizen vaak onderbezet is?1
Ja.
Deelt u de mening van de Veiligheidsregio dat, ondanks dat er vaak sprake is van onderbezetting, de veiligheid niet in het geding is? Zo ja, waarom wordt er dan gesproken over onderbezetting als dat blijkbaar een voldoende mate van bezetting is om de veiligheid te garanderen? Zo nee, wat gaat u daarop ondernemen?
De Veiligheidsregio Noord Holland-Noord heeft mij bericht maatregelen te nemen om lokale onderbezetting te voorkomen. Dat past binnen de verantwoordelijkheid van het bestuur van de veiligheidsregio om zorg te dragen voor een adequaat niveau van brandweerzorg. Het vaststellen en realiseren van de benodigde voertuigbezetting maken daarvan deel uit.
De Inspectie Veiligheid en Justitie zal dit jaar in alle veiligheidsregio’s een onderzoek uitvoeren naar de kwaliteit van de repressieve brandweerzorg. Hierbij worden onder andere (variabele) voertuigbezetting en opkomsttijden meegenomen. Voor een gesprek met de veiligheidsregio zie ik geen aanleiding. Specifieke informatie over de casus Hellevoetsluis treft u bijgevoegd2 aan in het door u gevraagde evaluatierapport van de veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond.
Vindt u de proef met de variabele voertuigbezetting in deze regio geoorloofd, ook al laat de casus in Hellevoetsluis zien dat het tweede voertuig later aanwezig was bij de woningbrand?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid met de Veiligheidsregio in gesprek te gaan om de veiligheid van de inwoners te garanderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de inspectie te vragen naar dit specifieke incident onderzoek te doen en de Kamer hierover te informeren?
De Inspectie heeft het onderzoeksrapport over de brand in Hellevoetsluis bestudeerd. De Inspectie zal het incident betrekken bij het onderzoek naar de kwaliteit van de repressieve brandweerzorg in Rotterdam-Rijnmond, zoals bedoeld bij de beantwoording van de vragen 2,3 en 4.
Bij de beantwoording van deze vragen houd ik me aan de afgesproken verantwoordelijkheidsverdeling binnen het onderhavige stelsel. Voor nadere informatie verwijs ik dan ook naar de veiligheidsregio’s in kwestie of de desbetreffende gemeenteraden.
Bent u bereid het onderzoek van de veiligheidsregio naar deze brand aan de Kamer te sturen?
Zie antwoord vraag 2.
De stand van zaken in de jeugdhulp |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de conclusies van het rapport van de samenwerkende inspecties naar aanleiding van de calamiteit in Rotterdam begin 2015?1
De samenwerkende inspecties constateren in het rapport dat de betrokken organisaties in Rotterdam geen passende zorg en ondersteuning hebben geleverd en niet goed hebben samen gewerkt om de kinderen in het gezin een veilige ontwikkeling te bieden. Deze vreselijk tragische gebeurtenis in Rotterdam laat eens te meer zien dat er goed oog moet zijn voor de veiligheid van kinderen in kwetsbare gezinnen.
De gemeente Rotterdam heeft aangegeven dat zij van de betreffende situatie wil leren en is samen met de professionals en de betrokken organisaties een traject gestart om verbetermaatregelen door te voeren. De samenwerkende inspecties zullen dit proces nauwlettend volgen.
Op mijn verzoek laat ik onderzoeken op welke wijze de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en de werkwijze van Veilig Thuis verbeterd kunnen worden om kindermishandeling en huiselijk geweld vroegtijdig te signaleren en te beëindigen. Oog voor veiligheid van kinderen is hierin een belangrijk onderdeel. Ik zal u hierover informeren in de Voortgangsrapportage Geweld in afhankelijkheidsrelaties die tijdig voor het geplande Algemeen Overleg op 15 september aan uw Kamer zal worden gezonden.
Acht u de inzet van niet gediplomeerde hulpverleners (studenten), zoals in Rotterdam gebeurd, een wenselijke invulling van de ruimte die er in de wettelijke kaders hiervoor is gelaten? Bent u bereid om in multi-probleem gezinnen enkel gediplomeerde hulpverleners in te zetten?2
Er zijn meerdere professionals en organisaties die dit gezin hebben ondersteund of begeleid in de afgelopen jaren. Vanaf maart 2014 tot januari 2015 heeft met name Bureau Frontlijn hulp geboden. Vanuit dit bureau is het gezin begeleid door een vaste medewerker in dienst van Bureau Frontlijn. Deze medewerker volgt daarnaast een studie. Dit feit speelt geen rol in het onderzoeksrapport van de gezamenlijk inspecties «Borgen van veiligheid in kwetsbare gezinnen, Casuïstiek Rotterdam uit 2016», bij de beoordeling van het handelen van deze medewerker.
De hulp van Bureau Frontlijn was gericht op het coachen en ondersteunen van gezinnen in achterstandssituaties. In dit gezin richtte de hulpverlening zich in eerste aanleg vooral op het aanpakken van de financiële problematiek en het voorkomen van een dreigende huisuitzetting en daarmee bood het geen jeugdhulp in de zin van de Jeugdwet.
Het verlenen van hulp aan multi-probleemgezinnen vereist veel inzet en deskundigheid van de betrokken medewerkers. Het is daarom belangrijk dat er gewerkt wordt met (of onder verantwoordelijkheid) van gekwalificeerde professionals. De Jeugdwet verplicht jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen om verantwoorde hulp te leveren; dat is in ieder geval hulp die van een goed niveau is (veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht) en is afgestemd op de reële behoefte van jeugdigen en ouders. Op grond van de Jeugdwet is ook de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing. Werken volgens die norm houdt in dat de juiste en gekwalificeerde professionals worden ingezet. Gemeenten hebben een taak om een kwalitatief toereikend aanbod van jeugdhulp in te kopen.
Wat is uw reactie op de dreigende opnamestop voor crisisopvang?3
Een eventuele opnamestop voor Rotterdamse cliënten van de jeugdhulpaanbieder Horizon is een zaak van deze aanbieder en de gemeente Rotterdam. Eerder hebben mij signalen bereikt van onder meer GGZ Nederland over toenemend beroep op de crisisopvang. In het kader van de benchmark beleidsinformatie jeugd hebben GGZNL en Jeugdzorg Nederland een nader onderzoek voorgesteld, dat onlangs van start is gegaan. Dit nader onderzoek bij vier vergelijkbare gemeenten naar achtergronden voor verschillend gebruik van de crisisopvang, zal nog vóór de publicatie van de halfjaarcijfers jeugdhulpgebruik 2016 op 30 oktober van dit jaar worden gepubliceerd. Gemeenten kunnen overigens zelf ook onderzoek doen met behulp van de benchmarkcijfers, om te bezien of zij meer of minder worden geconfronteerd met crisisplaatsingen en wat daarvoor de mogelijke achterliggende oorzaken kunnen zijn.
Onderschrijft u de analyse van de verschillende jeugdhulpinstellingen met betrekking tot de oorzaak van de toegenomen aanmeldingen voor acute crisiszorg, te weten het te lang in «eigen beheer» houden van jongeren en te laat doorverwijzen?
In het hierboven genoemde nader onderzoek naar achtergronden voor verschillende gebruik van de crisisopvang wordt ook hiernaar onderzoek gedaan.
Ziet u een relatie tussen de overhaast doorgevoerde transitie en de enorme bezuinigingen die u op de jeugdhulpsector heeft afgewenteld en het gebrekkig functioneren van de wijkteams in het algemeen, en de in het inspectierapport beschreven wijkteams in het bijzonder? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat de werkwijze van de wijkteams verbeterd? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Gemiddeld wordt het macrobudget Jeugdhulp de periode 2015–2017 met 4% gekort, waarbij het aantal jeugdigen per jaar met 1% daalt. Het doel van de jeugdwet is het investeren in het voorveld om zo het beroep op zwaardere vormen van hulp te verminderen. Het functioneren van wijkteams komt terug in het herhaald nader onderzoek naar de toegang jeugdhulp dat na de publicatie jaarcijfers beleidsinformatie op 30 oktober 2016 van start gaat. Verder ondersteun ik de ontwikkeling van wijkteams met het Nji programma Samenwerken in de Wijk. Hier bevindt zich kennis en een toolbox voor gemeenten en professionals. Zie: http://www.nji.nl/nl/Kennis/Dossier/Samenwerken-in-de-wijk
Hoe gaat u garanderen dat het tekort aan crisisopvangplekken, waar jeugdhulporganisatie Yulius voor vreest, niet zal plaatsvinden?
Zie antwoord op vraag 3.
Kunt u per crisisopvangorganisatie inzichtelijk maken wat de wachtlijst op dit moment is, wat de (over)bezetting op dit moment is en wat de prognoses voor zowel de wachtlijst als de (over)bezetting voor de rest van dit jaar zijn? Zo nee, bent u bereid om dit te onderzoeken en de resultaten van dit onderzoek aan de Kamer te sturen? Zo nee, hoe gaat u er dan voor zorgen dat het kind en de veiligheid ervan centraal blijven staan, en dat wat het kind en het gezin nodig hebben om deze veiligheid blijvend te garanderen?
Het is aan gemeenten om voldoende aanbod in te kopen en de gemeenteraad om hierop toe te zien. In een gedecentraliseerd systeem, met verschillende vormen van toewijzing, organisatie van de toegang, registratie van het moment waarop de hulp start, en uiteenlopende definities van hulpvormen, is het landelijk uniform bijhouden van wachttijden niet mogelijk.
Daarnaast is de onderliggende praktijk divers en de oplossing voor het beperken van wachttijden verschilt dan ook sterk per regio of gemeente.
Wat wel kan is dat instellingen hun wachttijden voor diverse vormen van hulp op hun websites kenbaar maken. Cliënten weten dan waar ze aan toe zijn en gemeenten kunnen deze informatie gebruiken bij de inkoop van Jeugdhulp.
Wat hierbij helpt is het ontwikkelen van Treeknormen voor verantwoord wachten. Dit zijn streefnormen die in de curatieve zorg zijn ontwikkeld door aanbieders en financiers. Ik heb uw Kamer in het debat over wachttijden in de jeugdpsychiatrie van 15 juni jl. toegezegd aanbieders en financiers in de gelegenheid te stellen deze Treeknormen voor jeugdhulp op te stellen voor 1 januari 2017.
Bent u bereid om wachtlijstinformatie toe te voegen aan de landelijke monitor jeugdhulpgebruik? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Is het toevoegen van wachtlijstinformatie als onderdeel van de landelijke monitor jeugdhulpgebruik niet gewoon de simpelste manier om «tien vingers aan de pols te houden» als het gaat om inzicht in de oplopende wachttijden en voor het verkrijgen van signalen waar de jeugdhulp mogelijk spaak loopt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Vindt u het voorstel van de heer Du Prie, om budget dat bedoeld is voor instellingen die in financiële problemen komen beschikbaar te stellen aan gemeenten en instellingen die aantonen dat ze het probleem te lijf gaan, een goed idee? Zo ja, wanneer gaat u de Kamer over de voortgang hiervan informeren? Zo nee, waarom niet en hoe gaat u dan het probleem met de oplopende wachtlijsten voor acute crisiszorg oplossen?
Op grond van de Beleidsregels subsidieverstrekking bijzondere transitiekosten Jeugdwet kan aan een jeugdhulporganisatie subsidie worden verstrekt ten behoeve van onvermijdbare kosten die een organisatie moet maken voor de afbouw van langdurige verplichtingen die de organisatie vóór 1 januari 2014 is aangegaan ten behoeve van een voorziening die door gemeenten op grond van de Jeugdwet niet of in mindere mate bekostigd wordt. De Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) brengt adviezen uit over de aanvragen die gedaan worden in het kader van deze subsidieregeling. Een van de punten waar de TAJ op toetst in haar advisering is of de instelling bedrijfseconomisch en zorginhoudelijk duurzaam levensvatbaar is. Hierbij wordt ook gekeken of de voorzieningen die door de betreffende jeugdhulporganisatie geleverd worden, kostendekkend zijn en of er in voldoende mate vraag is naar de betreffende hulpvormen.
Ten aanzien van crisishulp wijs ik er op dat de gemeenten op grond van de Jeugdwet, de plicht hebben om voor passende en tijdige hulp te zorgen. Voor wat betreft wachttijden en wachtlijsten verwijs ik naar het antwoord op de vragen 7, 8 en 9.
De bezuinigingen op projectgezinnen |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de blog van Judith Stoker over de bezuinigingen in de Jeugdzorg en haar ervaring in een projectgezin?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat dit tegen de uitgangspunten van de Jeugdwet in gaat en dat kinderen zoveel mogelijk in een gezinssituatie opgevangen moeten kunnen worden en dat daarbij niet de bezuinigingen maar de noodzakelijke zorg voorop moeten staan?
Ik deel de mening dat voor ieder kind passende hulp voorop moet staan. Bij kinderen die niet meer thuis kunnen wonen, bepaalt de Jeugdwet dat een inhuisplaatsing (verblijf in een gezinssituatie) te prefereren is boven verblijf in een instelling, tenzij dit vanwege de noodzakelijk te leveren zorg niet mogelijk is.
Projectgezinnen zijn niet de enige vorm waarin kinderen in een gezinssetting kunnen verblijven. Alternatieve vormen van hulp in gezinnen of in gezinsvormen, zijn gezinshuizen en pleegzorg.
Wat gebeurt er met de kinderen die vanwege bezuinigingen uit projectgezinnen worden geplaatst?
Horizon heeft in haar voorgenomen besluit aan de projectouders aangegeven dat er met hen wordt gezocht naar passende hulp voor de kinderen. Bij voorkeur wordt er een oplossing gevonden waarbij de huidige hulpverleners en de kinderen die zij opvangen bij elkaar kunnen blijven. Horizon is bekend met de mogelijkheid dat de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) ondersteuning kan bieden bij het ombouwen van het jeugdhulpaanbod zodat het aanbod inhoudelijk aansluit bij de passende zorg voor de kinderen en de wensen van gemeenten. Verder heb ik Horizon op de mogelijkheid gewezen dat de TAJ kan bemiddelen tussen gemeenten en jeugdhulporganisaties indien er sprake is van een impasse bij de inkoop van de jeugdhulp.
Zijn er meer situaties bekend waarbij jeugdzorg via projectgezinnen wordt geschrapt, omdat het binnen het budget niet meer mogelijk is?
Hierover is mij niets bekend.
Deelt u de mening dat pleegouders ondersteuning verdienen en horen te krijgen? Hoe kijkt u aan tegen het wegbezuinigen van de ondersteuning zoals bij Judith Stoker gebeurd is?
Er is een misverstand over deze vorm van jeugdhulp: projectgezinnen zijn géén pleegouders. In de projectgezinnen van Horizon is een dienstverband aangegaan met één of twee van de projectouders, afhankelijk van het aantal plaatsingen. Het is dan ook een professionele vorm van jeugdhulp, waarbij de ouders niet alleen een vergoeding voor de verzorgingskosten die ze voor de kinderen maken krijgen, maar ook voor de begeleiding en zorg die zij de kinderen bieden.
Horizon beraamt zich op passende hulp voor de kinderen. Aangezien er nog sprake is van een voorgenomen besluit, is over de individuele projectgezinnen nog niets te zeggen. Zeer afhankelijk van de ontwikkeling van het kind, wordt er gezocht naar alternatieven als een gezinshuisconstructie of naar opvang in een pleeggezin. Horizon weegt in de vorm van passende hulp het belang van de kinderen om ze bij voorkeur in een gezinsvorm te plaatsen. Indien mogelijk en gewenst worden de oorspronkelijke hulpverleners en het kind of de kinderen bij elkaar gehouden, waarbij de organisatorische constructie er anders uit zal zien.
De indirecte Nederlandse steun aan de Boycot, Desinvesteringen en Sancties (BDS)-beweging |
|
Han ten Broeke (VVD), Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het waar dat NGO’s (non-gouvernementele organisaties) die gesteund worden met Nederlands belastinggeld vervolgens andere NGO’s steunen met een uitgesproken BDS-agenda? Zo ja, hoe verhoudt deze steun zich tot de subsidiecriteria voor organisaties werkzaam in Israël en de Palestijnse gebieden?
Het kabinet financiert geen BDS-activiteiten tegen Israël en ondersteunt de internationaal georganiseerde oproep van de beweging niet. Het kabinet is tegenstander van een boycot van Israël en streeft naar versterking van de bilaterale economische betrekkingen met dit land binnen de grenzen van 1967. Het kabinet is voorstander van een onderhandelde twee-statenoplossing voor het Israëlisch-Palestijns conflict.
De beweging die oproept tot «Boycott, Divestment and Sanctions» (BDS-beweging) wordt door een groot aantal NGO’s ondersteund. Het feit dat zij dat doen is voor het kabinet geen afwijzingscriterium voor financiering, aangezien uitlatingen of bijeenkomsten van de beweging worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, zoals onder meer vervat in de Nederlandse Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Het kabinet is niet bekend met de genoemde uitspraak zonder bronvermelding die aan het Mensenrechtensecretariaat wordt toegeschreven. Het kabinet verwijst naar de antwoorden van 17 mei jl. op Kamervragen over Nederlandse subsidies aan de Israëlische NGO Breaking the Silence (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2573), waarin de voorwaarden en waarborgen worden uiteengezet bij financiering van organisaties door het secretariaat. Bij de beoordeling van financieringsaanvragen wordt gekeken of financiering van het donorconsortium niet gebruikt wordt voor activiteiten die in strijd zijn met internationaal recht. Ontvangers van financiering mogen zich niet schuldig maken aan discriminatie of aanzetten tot haat en/of geweld. Indien geconstateerd zou worden dat er sprake is van schending van de subsidievoorwaarden door een organisatie kunnen maatregelen worden getroffen, waaronder de mogelijkheid de bijdrage op te schorten of te beëindigen.
Acht u het wenselijk dat Nederlands belastinggeld indirect een bijdrage levert aan het bevorderen van de BDS-agenda? Deelt u de mening dat de BDS-agenda haaks staat op de Nederlandse beleid ten aanzien van Israël en de Palestijnse gebieden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich nog uw antwoorden op eerder gestelde vragen waarin u stelt dat de organisatie Human Rights and Humanitarian Law International Secretariat, gesteund door onder meer Nederland, «een zorgvuldige selectieprocedure hanteert» en dat betrokken organisaties «zich dienen te houden aan de strenge voorwaarden die het secretariaat stelt»?1 Is het waar dat deze organisatie Israël omschrijft als een «racistisch regime» en juridische acties tegen Israël ondersteunt en aanmoedigt? Klopt het tevens dat deze organisatie andere organisaties, zoals Badil, financieel ondersteunt terwijl deze organisaties een uitgesproken BDS-agenda propageren? Kunt u aangeven hoe dergelijke uitlatingen zich verhouden met een zorgvuldige selectieprocedures en strenge voorwaarden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u een overzicht verschaffen van de NGO’s die door Nederland gesteund worden en indirect of direct een bijdrage leveren aan de BDS-agenda?
Het kabinet stelt zeker dat het geen BDS-activiteiten tegen Israël financiert. Voor het overige houdt het kabinet geen overzicht bij van organisaties die al dan niet BDS onderschrijven, aangezien dit onder de vrijheid van meningsuiting valt, zoals aangegeven in het antwoord op vragen 1–3.
De vernietiging van Palestijnse waterbronnen door Israël |
|
Michiel Servaes (PvdA), Raymond Knops (CDA), Harry van Bommel (SP), Rik Grashoff (GL), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Palestine PMO: Israel’s destruction of Palestinian water infrastructure is atrocious»?1
Het betreft stop-work orders voor cisternen bij Kusra, waarmee Palestijnse boeren regenwater opvangen voor irrigatie van hun landbouwgrond in het droge seizoen.
De omgeving van Kusra is een gevoelig gebied, vanwege de nabijheid van nederzettingen. In de afgelopen jaren is het regelmatig onrustig geweest door aanvaringen tussen kolonisten en Palestijnse bewoners en door interventies van het Israëlische leger. In deze situatie probeert Nederland voor kwetsbare groepen op de Westelijke Jordaanoever economische ontwikkeling op gang te brengen. Dit gaat soms gepaard met risico’s, waarvan de recente Israëlische stop-work-orders een voorbeeld zijn.
Israël heeft als bezettende mogendheid op basis van het bezettingsrecht specifieke verplichtingen jegens de Palestijnse bevolking. Israël is onder meer verplicht zo min mogelijk in te grijpen in het openbare leven.
Nederland en de EU dringen bij Israël aan op transformatieve stappen waaronder het ontwikkelen van Area C ten behoeve van de Palestijnse bevolking. Het verbieden van de aanleg van cisternen staat daar haaks op.
Klopt het dat Israël voornemens is om waterbronnen in het dorp Kusra te vernietigen? Zo ja, hoe beoordeelt u dat?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat deze waterbronnen zijn gebouwd met behulp van financiële steun vanuit Nederland? Zo ja, kunt u aangeven om hoeveel geld het gaat?
De cisternen zijn inderdaad gebouwd met Nederlandse financiering, via het «Land and Water Resource Management». De eigenaren hebben protest aangetekend tegen deze orders. Dit betekent dat er een juridische procedure wordt gestart die vaak lange tijd kan duren. In de praktijk kunnen de eigenaren over het algemeen blijven werken op hun land en gebruik blijven maken van de voorzieningen. De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah heeft de dialoog met de verantwoordelijke Israëlische militaire autoriteiten over het «Land and Water Resource Management» geïntensiveerd, teneinde dergelijke stop-work orders en slooporders te voorkomen. In dit kader heeft de Vertegenwoordiging protest aangetekend tegen de laatste stop-work-orders en zal het de juridische ontwikkelingen zeer actief blijven volgen. Er is nog geen sprake van vernietiging, dus schadevergoeding is in dit stadium niet aan de orde.
Bent u bereid na te gaan of u de schade kunt verhalen op de Israëlische autoriteiten en het Nederlandse geld kunt terug claimen indien de waterbronnen inderdaad worden vernietigd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat het plenair debat naar aanleiding van het verslag van het Algemeen overleg (VAO) Midden-Oosten Vredespolitiek plaatsvindt?
Ja.
Sport en bewegen voor cliënten in de opvang |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre acht u sport- en beweegmogelijkheden voor cliënten in de opvang van belang? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind sport- en beweegmogelijkheden voor kwetsbare groepen belangrijk. Het programma Sport en bewegen in de buurt is voor iedereen in Nederland. Ook voor cliënten van de maatschappelijke opvang. Specifiek voor deze doelgroep is financiering beschikbaar gesteld voor twee langdurige projecten van de Federatie Opvang die expliciet beogen sporten en bewegen voor cliënten in de maatschappelijke opvang onderdeel te laten zijn van het opvangtraject. Het tweede project loopt nog tot december 2016. In het antwoord op vraag 3 beschrijf ik de geboekte resultaten.
Daarnaast heb ik voor verschillende kwetsbare doelgroepen middelen beschikbaar gesteld:
Ook voor vluchtelingen in COA locaties levert sport en bewegen een positieve bijdrage. Er zijn verschillende goede initiatieven door onder andere COA gestart om sporten en bewegen in COA locaties mogelijk te maken. Zo heeft COA op elke locatie een beweegcoach aangesteld. NOC*NSF is in samenwerking met gemeenten, COA en Vluchtelingenwerk aan het onderzoeken hoe vluchtelingen beter begeleid kunnen worden naar de sportvereniging. Dit kan zijn om daar zelf actief te sporten, maar ook om vrijwilligerswerk te doen binnen de sportvereniging.
Vanuit het beleid van VWS kan het programma Sport en bewegen in de buurt voor deze doelgroep worden ingezet. Dit gebeurt bijvoorbeeld in de gemeente Amersfoort waar buurtsportcoaches activiteiten organiseren voor vluchtelingen. Gemeenten bepalen echter zelf of zij de buurtsportcoach hiervoor inzetten, dit op basis van de behoefte in de gemeente.
Wat zijn uw inspanningen en geboekte resultaten voor beweegmogelijkheden voor de meest kwetsbaren, specifiek voor cliënten in de opvang? In hoeverre vindt u voldoende beweegmogelijkheden voor kwetsbare groepen in bijvoorbeeld COA-locaties (COA= Centraal Orgaan opvang asielzoekers) van even groot belang als beweegmogelijkheden voor mensen in de opvang? Op welke wijze draagt u dat uit met uw beleid en financiering van initiatieven? Hoe zorgt u voor voldoende beweegmogelijkheden voor kwetsbare groepen in maatschappelijke opvanglocaties?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre bent u tevreden over de resultaten die het programma Meedoen tot dusver heeft bereikt voor sport- en beweegmogelijkheden in de opvang?1
Van 2010 tot en met 2013 heeft het programma Meedoen! Sport en Bewegen plaatsgevonden. Dit programma kende verschillende resultaten. Er heeft deskundigheidsbevordering van professionals in de opvang plaatsgevonden op het gebied van sport en begeleiding, er is op basis van vijf pilots een digitale toolkit ontwikkeld met materialen die als handvat kunnen dienen voor het inzetten van sport en bewegen voor cliënten in de opvang. Naast lokale activiteiten zijn ook drie grote landelijke evenementen georganiseerd in 2010, 2011 en 2012 met sporttoernooien en -clinics.
Het succes van dit eerste programma heeft geleid tot het nieuwe programma Meedoen in beweging 2013–2016. Dit programma loopt nog tot eind 2016. Een aantal belangrijke resultaten binnen dit programma zijn al behaald. Er is voor professionals een module meedoen ontwikkeld gericht op activering en participatie in combinatie met sport, met als doel dit element nog meer te borgen in de begeleiding van cliënten in de opvang. Tevens zijn twee best practices aangaande participatie, gezonde leefstijl en zingeving en participatie en zingeving beschreven. Ten slotte is ook in dit programma tot nu toe drie keer de succesvolle landelijke Meedoen-dag georganiseerd, waarin 1000 deelnemers uit het hele land actief met sport, bewegen en creatieve activiteiten aan de slag gaan. Dit zijn resultaten waar ik zeer tevreden over ben. Er is zichtbaar meer aandacht voor het activeren en laten deelnemen van cliënten uit de opvang aan het gewone dagelijks leven, door middel van sport.
Bent u bereid om het programma Meedoen ook de komende jaren te continueren? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet en waaruit blijkt dat sport en bewegen in de opvang voldoende is ingebed in het begeleidingsaanbod om geboekte resultaten van Meedoen te behouden en uit te bouwen?
Zoals beschreven in het antwoord op de vragen twee en drie zijn twee langdurige trajecten gefinancierd die gericht waren op het inbedden van sporten en bewegen in de maatschappelijke opvang. De beoogde resultaten van deze projecten zijn of zullen volgens een recente verlengingsaanvraag van Federatie Opvang nog worden behaald. Er is kennis beschikbaar gesteld door middel van onder andere opleidingsmodules, trainingen en toolkits en relevante netwerken zijn opgebouwd. Hiermee is een impuls gegeven aan kennis en aandacht voor (onder andere) sporten binnen de sector maatschappelijke opvang. Het is nu aan gemeenten en instellingen om deze kennis en de opgebouwde netwerken te blijven benutten. Tevens kan het programma Sport en bewegen in de buurt mogelijkheden bieden voor cliënten in de maatschappelijk opvang. Zoals toegezegd in het AO sport van 30 juni jongstleden heb ik op uw verzoek gesproken met de Staatssecretaris om te bezien of sport en bewegen is ingebed. Hieruit volgt dat wij met de Federatie Opvang in overleg zullen gaan over slimme samenwerking en relevante initiatieven die behulpzaam kunnen zijn om deze resultaten vast te houden. Het reeds gevoerde gesprek in dit kader, zal op korte termijn worden voortgezet.
De mislukte overname van PostNL door Bpost |
|
Remco Bosma (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de recente berichten over de mislukte overname van PostNL door Bpost?1 2
Ja.
In hoeverre kunt u de uitspraak beamen dat Bpost een gepolitiseerd bedrijf is dat veel overheidsbescherming geniet, zoals het behouden van het monopolie op het bezorgen van kranten en tijdschriften tot 2020? In hoeverre handelt Bpost in strijd met EU-regelgeving?
De Belgische Staat is voor 51% aandeelhouder in Bpost. Ik heb geen inzage in hoe actief de Belgische Staat dit aandeelhouderschap invult.
Wat betreft de situatie op de Belgische postmarkt kan ik het volgende meedelen. In 2015 heeft het onderzoeksbureau WIK Consult in opdracht van de Belgische Post en Telecommunicatie Autoriteit (BIPT) de Belgische postmarkt in kaart gebracht.3 De mogelijkheden voor concurrentie op de zakelijke postmarkt worden volgens WIK mede bepaald door de bijkomende opdrachten van openbare dienst (diensten van algemeen economisch belang volgens de Europese terminologie) waar de Belgische wetgeving in voorziet. Dit betreft onder meer de bezorging van de dagbladen en tijdschriften die erkend zijn krachtens de Belgische regelgeving.
De Europese Commissie heeft recentelijk de Belgische overheidsplannen onderzocht om Bpost een compensatie van 1,3 miljard euro te geven voor het verrichten van postdiensten van algemeen economisch belang in de periode 2016–2020 (waaronder de bezorging van kranten en tijdschriften). Na onderzoek is de Commissie begin juni dit jaar tot de conclusie gekomen dat deze plannen voldoen aan de Europese staatssteunregels.4
Wat is uw reactie op deze passage in het Financieele Dagblad3: «Bpost is een ... t/m ... eens moeten proberen»? Bent u bereid om zo nodig deze strijdigheid met Europese regels aan te kaarten bij de Europese Commissie of andere autoriteiten?
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven is het aan bevoegde nationale of Europese instanties om op te treden tegen mogelijke inbreuken op het nationale of gemeenschapsrecht. Benadeelde marktpartijen kunnen zelfstandig een zaak aanhangig maken bij de relevante mededingingsautoriteiten als zij daar aanleiding toe zien.
Is het waar dat flexibiliteit van PostNL beperkt kan worden door buitenlandse overheidsinvloed bij bijvoorbeeld reorganisaties, zoals bij KLM op dit moment het geval is? In hoeverre kan een adequate uitvoering van de universele postdienst (UPD) lijden onder een dergelijke overname?
PostNL is een privaat beursgenoteerd bedrijf. Het is de verantwoordelijkheid van de Raad van Bestuur om het bedrijf te leiden en daarover verantwoording af te leggen aan de Raad van Commissarissen en de aandeelhouders. Voorts zijn de eisen aan transparantie van de aandeelhouder(s) en de wijze waarop deze via zeggenschap het gedrag van een onderneming kan beïnvloeden in Nederland geregeld via het ondernemingsrecht en financiële toezichtwetgeving.
De uitvoering van de UPD wordt geborgd in de Postwet 2009 en de nadere regelgeving. De eisen daaruit gelden onverkort voor elke partij die op wettelijke gronden door mij wordt aangewezen als UPD-verlener.
In hoeverre is er de kans dat een buitenlandse partij die direct en/of indirect door de eigen overheid wordt begunstigd PostNL overneemt? Hoe verhoudt zich dit tot het gelijke speelveld op de postmarkt? Wat zijn de kansen en risico’s voor de Nederlandse postmarkt?
De gesprekken tussen PostNL en Bpost zijn beëindigd. PostNL heeft inmiddels aangegeven dat zij niet op zoek is naar een koper en vertrouwen heeft in een zelfstandige en gezonde toekomst van het bedrijf. Een overname op korte termijn ligt daarom niet voor de hand, maar PostNL is hier als privaat bedrijf zelf verantwoordelijk voor. Het gelijke speelveld op de postmarkt wordt geborgd door goed mededingingstoezicht door de ACM.
Naar de stand van zaken en ontwikkelingen op de Nederlandse postmarkt, en dus eventuele kansen en risico’s, doe ik momenteel onderzoek, zoals eerder dit jaar in uw Kamer aangekondigd. Ik betrek daar ook het Europese speelveld bij. Op basis van deze bevindingen zal ik bezien of er aanleiding is om additionele maatregelen te treffen waarmee een bestendige en gezond concurrerende postmarkt op de lange termijn wordt geborgd.
Wat kunt u er aan doen om te zorgen dat er een gelijk speelveld is binnen de Europese postmarkt?
Het creëren van een level playing field in alle sectoren van de Europese interne markt is een belangrijk doel van zowel het kabinet als van de Europese Commissie. De Commissie stelt dat de Europese postregelgeving erop is gericht om eerlijke condities voor concurrentie te garanderen. Daarbij laat de Europese Postrichtlijn op meerdere gebieden relatief veel ruimte voor nationale invulling. Het kabinet zet zich op verschillende vlakken in om eerlijke concurrentieverhoudingen op de interne markt te waarborgen, onder meer als het gaat om het aanscherpen of opstellen van Europese regelgeving. De postmarkt is daar onderdeel van.
Het niet doorgaan van de overname van PostNL door Bpost |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Overname van PostNL door de Belgische Bpost van de baan»?1
Ja.
Klopt het dat PostNL openstaat voor een overname door een buitenlands bedrijf? Zo ja, waarom staat PostNL te koop?
Ik heb van PostNL begrepen dat zij enige maanden besprekingen heeft gevoerd met Bpost over een mogelijke overname. Deze gesprekken tussen PostNL en Bpost zijn beëindigd. PostNL heeft aangegeven zelfstandig verder te gaan. PostNL is een beursgenoteerd bedrijf. De achterliggende redenen voor deze besprekingen zijn een verantwoordelijkheid van het bestuur en de Raad van Commissarissen en het is aan hen om de aandeelhouders daarover te informeren en te adviseren.
Wat kunnen de gevolgen van een mogelijke overname van PostNL op de korte, middellange en lange termijn zijn voor de kwaliteit van de dienstverlening, de belangen van de werknemers en zelfstandige pakketbezorgers en de samenstelling en hoogte van de investeringen?
Eventuele gevolgen van een overname zijn afhankelijk van de afspraken die betrokken partijen met elkaar maken. In een dergelijk proces dienen de aandeelhouders een besluit te nemen op basis van een afweging van mogelijke gevolgen. In dit proces zal in relatie tot de mogelijke gevolgen voor het personeel ook de ondernemingsraad een rol hebben. In algemene zin kunnen dus geen uitspraken worden gedaan over mogelijke gevolgen van een overname van PostNL, dat hangt af van de specifieke situatie.
Wat betekent een overname van PostNL door een buitenlands bedrijf voor de Universele Postdienstverlening (UPD)?
De eisen ten aanzien van de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de universele dienstverlening zijn vastgelegd in de Postwet 2009 en nadere regelgeving. Deze eisen gelden onverkort voor elke partij die krachtens de Postwet door mij wordt aangewezen als de verlener van de universele postdienst.
Klopt het dat bij een mogelijke overname de verplichtingen van UPD onverkort van kracht blijven?
Ja.
Klopt het dat na een overname door een buitenlands bedrijf PostNL verandert van een onafhankelijk bedrijf met een versnipperd aandeelhouderschap, waarin de Raad van Bestuur het voor het zeggen heeft, naar een bedrijf dat een (afhankelijke) dochteronderneming wordt van buitenlands bedrijf?
In geval er sprake is van een voorgenomen overname, is de besluitvorming over de eigendomsstructuur een zaak van de aandeelhouders van de betrokken partijen. Verder is het is aan het bestuur en de Raad van Commissarissen om de aandeelhouders hierover te adviseren.
U heeft in 2013/2014 verklaard met een wetsvoorstel te komen voor Nederlandse bedrijven die een nationaal belang dienen te beschermen tegen ongewenste buitenlandse overnames; valt PostNL, die de UPD uitvoert, ook onder dit wetsvoorstel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In het Algemeen Overleg Telecom van 24 mei jl. heb ik aangegeven dat het proces om te komen met het genoemde wetsvoorstel, dat primair is gericht op de telecomsector, vertraging heeft opgelopen vanwege de complexiteit. Er is nog geen goede balans gevonden tussen enerzijds adequate maatregelen ter bescherming van belangrijke telecombedrijven tegen ongewenste overnames en anderzijds het niet afschrikken van gewenste investeringen. Naast het borgen van de nationale veiligheid is het behoud van een stabiel en aantrekkelijk investeringsklimaat voor mij een belangrijke wegingsfactor bij het toepassingsbereik van mogelijke maatregelen. Ik zal uw Kamer hierover na de zomer nader informeren en zal dan ook ingaan op de reikwijdte van de mogelijke maatregelen.
Wanneer verwacht u dat de beschermingswet voor Nederlandse bedrijven die een nationaal belang dienen tegen buitenlandse overnames aan de Kamer wordt voorgelegd? Waarom duurt de totstandkoming van deze beschermingswet zo lang?
Zie antwoord vraag 7.
De uitgave van de Skûtjsekrant 2016 |
|
Betty de Boer (VVD), Pieter Duisenberg (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitgave van de Skûtsjekrant 20161 over regelgeving? Wat vindt u van de berichtgeving? In hoeverre herkent u de daar geschetste problematiek en onduidelijkheid?
Ik heb kennisgenomen van het desbetreffende artikel. Om eerlijk te zijn heeft de berichtgeving mij enigszins verbaasd, aangezien de voorschriften voor skûtsjes al in de eerste versie van de Binnenvaartregeling uit 2009 waren opgenomen. Zoals in de toelichting daarbij werd opgemerkt, waren deze regels een voortzetting van de Regeling Skûtsjes uit 2003. De voorschriften zijn daarna niet meer gewijzigd en dit is ook in de toekomst niet aan de orde. Van enige onduidelijkheid was tot nu toe nooit sprake.
Zijn het Binnenvaartbesluit 2009 en de Binnenvaartregeling van juni 2015 van toepassing op historische zeilschepen, de bruine vloot, en skûtsjes? Zo ja, welke delen zijn dan van toepassing en welke niet? Wat zijn de gevolgen van deze regelgeving voor de genoemde scheepscategorieën? Waar zitten de onduidelijkheden? Waar knellen deze regels?
In principe zijn het Binnenvaartbesluit en de Binnenvaartregeling van toepassing op alle mogelijke categorieën van schepen; ook op de hiergenoemde categorieën. Waar specifieke regels gelden voor schepen als skûtsjes, is dit ook duidelijk aangegeven.
Van enige onduidelijkheid of knellende bepalingen was tot nu toe nooit sprake. Ik weet dan ook niet waar de regelgeving zou knellen en dat wordt mij uit het aangehaalde artikel uit de Skûtsjekrant ook niet duidelijk. Mocht de branche dat wensen, dan ga ik graag met hen in gesprek over mogelijke onduidelijkheden.
Klopt het dat de regeling van toepassing is op schepen groter dan 20 meter? Op welke categorie en welk type schepen (met welke kenmerken) zijn de regelingen wel en niet van toepassing? Mogen bijvoorbeeld skûtsjes langer dan 20 meter nog wel varen volgens deze regelgeving? Zo nee, waarom niet?
De Binnenvaartregeling dient ter implementatie van richtlijn 2006/87/EG. Die richtlijn is van toepassing op schepen vanaf 20 meter; ook op de eerder genoemde scheepscategorieën. Dit betekent dat zij vanaf 31 december 2018 een certificaat van onderzoek moeten hebben om aan te tonen dat zij aan de technische eisen van de richtlijn voldoen. Voor skûtsjes gold die verplichting echter al sinds 2003. Een skûtsje is daarbij gedefinieerd als een zeilend passagiersschip met een lengte van ten hoogste 22 meter en een breedte van ten hoogste 4 meter. Zij zijn gebouwd voor 1950 en hebben de kenmerken van hun eerdere bestemming als vrachtschip behouden.
Historische zeilschepen en de bruine vloot vallen onder artikel 8 van richtlijn 2006/87/EG. Zij kunnen, mits gecertificeerd voor 31 december 2018, een certificaat van onderzoek krijgen zonder dat aan de technische eisen wordt voldaan. Voorwaarde is wel dat zij geen klaarblijkelijk gevaar vormen. Als zij zich pas vanaf 31 december 2018 laten certificeren, moeten zij gewoon aan alle voor hen geldende technische eisen voldoen.
Artikel 8 van de richtlijn geldt ook voor schepen die dezelfde kenmerken hebben als skûtsjes, maar die langer zijn dan 22 meter. Volgens de Nederlandse regeling valt het schip dan weliswaar niet onder de regels voor skûtsjes, maar kunnen zij evenals historische zeilschepen en de bruine vloot een certificaat van onderzoek krijgen. Ook hier geldt dat zij geen klaarblijkelijk gevaar mogen vormen en dat zij zich voor 31 december 2018 moeten laten certificeren.
Skûtsjes, van welke maat dan ook, mogen dus gewoon blijven varen.
Is er overleg geweest met de eigenaren van schepen in de genoemde categorieën, met de Federatie Varend Erfgoed en/of met de Sintrale Kommisje Skûtsjesilen (SKS) en de Iepen Fryske Kampioenskippen Skutsjesilen (IFKS) over deze regelingen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is er uitgekomen? Bent u bereid om alsnog overleg te voeren met de betrokken organisaties?
Zoals ik onder mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven, was de bijlage voor skûtsjes een voortzetting van de Regeling Skûtsjes uit 2003. De daarin gestelde regels golden ook voor skûtsjes die met meer dan twaalf passagiers varen. Maar na het van kracht worden van bijlage VII bleek, dat met name het voorschrift dat passagiersschepen moeten zijn voorzien van een reling met een hoogte van 0,90 m. op grote bezwaren stuitte bij de skûtsje-organisaties en de bedrijfstak.
Met een beroep op het recht op behoud van het authentieke karakter van het skûtsje verzochten de betrokken bedrijfstak en organisaties om aanpassing van de eisen op een wijze die geen afbreuk zou doen aan het authentieke karakter van de skûtsjes, die als Fries erfgoed worden beschouwd. Als gevolg hiervan zijn voorschriften opgesteld waaronder skûtsjes met passagiers zonder reling kunnen varen. De voorschriften, waarmee de gehele bedrijfstak kon instemmen, voorzagen in voor een deel reeds bestaande compenserende maatregelen die rekening houden met het specifieke karakter en gebruik van de skûtsjes en de geringe mate van comfort aan boord voor de passagiers. Van een aantal artikelen van de Binnenvaartregeling is vrijstelling verleend en er zijn voorschriften gegeven voor skûtsjes die varen op de binnen de provincies Friesland, Groningen en Drenthe gelegen wateren van de zone 3 en 4, het oorspronkelijke vaar- en werkgebied van de skûtsjes.
Over de regelgeving voor skûtsjes is dus zeker overleg geweest met de branche. Mochten er vragen zijn over de regelgeving, dan kan men altijd bij mijn ministerie terecht.
Is de wet- en regelgeving die op deze scheepscategorieën van toepassing is, gecommuniceerd met de scheepseigenaren, SKS/IFKS, de Federatie Varend Erfgoed, et cetera? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Zijn er de afgelopen tijd al boetes uitgedeeld op basis van de onlangs van kracht geworden nieuwe regelgeving? Zo ja, waarvoor?
Zowel de Binnenvaartwet, het Binnenvaartbesluit als de Binnenvaartregeling zijn op 1 juli 2009 in werking getreden. Er zijn hierna geen wijzigingen geweest die specifiek betrekking hebben op skûtsjes.
Boetes die in de binnenvaart sinds 2009 zijn afgegeven zijn niet naar type schip te herleiden.
Welke Europese regelgeving en welke Nederlandse wet- en regelgeving zijn allemaal nog meer van toepassing op de genoemde scheepscategorieën in vraag 2? Wat zijn de gevolgen van deze regelingen voor deze categorieën schepen? Waar zitten onduidelijkheden? Waar knellen deze regelingen voor deze scheepscategorieën?
Alle regels die voor het scheepvaartverkeer van toepassing zijn, zoals met name de regels op basis van de Scheepvaartverkeerswet en de Binnenvaartwet, zijn al sinds jaar en dag op deze schepen van toepassing. Behoudens de plicht om per 31 december 2018 van een certificaat van onderzoek te zijn voorzien, staan geen veranderingen op stapel. Het is bovendien al bijna tien jaar bekend dat deze verplichting eraan komt. Zie ook mijn antwoord op vraag 4.