Het gevaar van plastic deeltjes in de lucht |
|
Yasemin Çegerek (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de schadelijkheid van plastic deeltjes die in de lucht zweven?1
Ja.
Kunt u reageren op de uitspraken in het artikel dat er amper onderzoek naar dit fenomeen is gedaan? Kloppen deze uitspraken?
Plastichoudende fijnstofdeeltjes kunnen in de lucht terechtkomen door slijtage van kunststof materialen. Er is veel onderzoek gedaan naar de schadelijkheid van fijnstof, maar er wordt daarbij niet afzonderlijk gekeken naar verschillende componenten van fijnstof, waaronder de plastic deeltjes. Het RIVM heeft berekend dat mensen in Nederland gemiddeld 9 maanden korter leven als gevolg van de huidige totale concentraties fijnstof2. Dit is voor mij aanleiding om mij te richten op de aanpak van fijnstof in de lucht en niet eerst nog meer langdurig onderzoek naar mogelijke gezondheidseffecten te doen. Van belang is dat we maatregelen treffen om de emissies van microplastics(houdende) fijnstof – en grotere microplasticdeeltjes – naar onze leefomgeving te reduceren, zodat de blootstelling van mens en milieu aan deze deeltjes verder beperkt wordt.
Is bekend welke impact deze deeltjes exact op de volksgezondheid en het milieu hebben? Zo ja, wat zijn deze effecten? Zo nee, is dit reden om hier nader onderzoek naar te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Welk beleid wordt er op dit moment gevoerd om de plastic deeltjes die in de lucht zweven aan te pakken? Is dit beleid afdoende? Zo ja, kunt u dit plaatsen in het licht van de uitspraken van deze onderzoekers dat er nog steeds plastic deeltjes in de lucht zweven? Zo nee, bent u bereid verdere actie te ondernemen en welke actie zou dit zijn?
(Micro)plastics horen niet thuis in het milieu. Ik zet mij daarom zowel in Europees (OSPAR) als in nationaal verband in om de emissies daarvan naar water, lucht en bodem te verminderen. Hierover heb ik uw Kamer nog recentelijk geïnformeerd in mijn brief van 11 juli 2016. Het RIVM doet op mijn verzoek nader onderzoek om beter inzicht te krijgen in de mogelijke maatregelen om emissies te beperken. Dit onderzoek richt zich op met name op de volgende bronnen van microplastics: verf, autobanden en schurende reinigingsmiddelen. Over de omvang van deze bronnen van microplastics heb ik uw Kamer reeds gerapporteerd. Momenteel laat ik een analyse uitvoeren naar de kosteneffectiviteit van de mogelijke maatregelen. In december zal ik u hierover nader berichten.
De vervuiling van supermarktproducten |
|
Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opnieuw vervuilende stoffen aangetroffen in voedsel supermarkten»?1
Ja.
Kunt u specificeren in welke producten de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) mineral oil aromatic hydrocarbons (MOAH) en/of mineral oil saturated hydrocarbons (MOSH) heeft gevonden? Kunt u hierbij ook aangeven welke hoeveelheden van deze stoffen zijn gevonden in de producten en welke gevaren dit voor de volksgezondheid oplevert? Indien dit niet mogelijk is, waarom niet?
Het bericht «Opnieuw vervuilende stoffen aangetroffen in voedsel supermarkten»2 is niet gebaseerd op gegevens van de NVWA maar op onderzoek van de niet-gouvernementele organisatie Foodwatch3.
In mijn antwoorden van 23 november 20154 op vragen van het lid Dik-Faber heb ik aangegeven dat de NVWA op dit moment niet op de aanwezigheid van de minerale oliën MOAH en MOSH in levensmiddelen controleert. De NVWA voert deze controles nu nog niet uit omdat er geen specifieke wettelijke limieten zijn en er vooralsnog onvoldoende wetenschappelijke duidelijkheid over het risico bestaat. Nederland zal, zoals ik in mijn antwoorden van 22 juni 20165 op aanvullende vragen van het lid Dik-Faber heb aangegeven, binnenkort deelnemen aan Europees monitoringsonderzoek naar minerale oliën in levensmiddelen. Dit onderzoek wordt nu voorbereid en zal in 2017 nog doorlopen.
Zoals ik in de antwoorden van 23 november 2015 heb aangegeven, ontbreken specifieke wettelijke limieten omdat het nog onduidelijk is welke schadelijke stoffen in de minerale oliën het precies betreft en in welke mate deze schadelijk zijn en omdat geschikte analysemethoden nog niet beschikbaar zijn. De nationale en Europese regelgeving schrijft wel voor dat verpakkingsmaterialen geen stoffen mogen afgeven in hoeveelheden die schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid. Omdat er vooralsnog onvoldoende wetenschappelijke duidelijkheid over het risico bestaat, heeft de NVWA geen basis om op te treden. In mijn antwoord van 22 juni 2016 heb ik aangegeven dat van het vaststellen van wettelijke normen pas sprake kan zijn als de resultaten van het Europese onderzoek bekend zijn. Op basis van die resultaten zal bezien worden of maatregelen noodzakelijk zijn en welke maatregelen dan het meest geschikt zijn om de gevonden risico’s te borgen.
Tot slot wil ik benadrukken dat bedrijven (producenten en supermarkten) de verantwoordelijkheid hebben te zorgen dat de producten die zij op de markt brengen veilig zijn. Zoals ik in mijn antwoord van 22 juni jl. heb aangegeven onderneemt de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) actie en zal ik de ontwikkelde instrumenten laten toetsen op volledigheid en effectiviteit. Recent hebben enkele supermarkten aangegeven normen te gaan stellen aan de aanwezigheid van minerale oliën in producten.
Is het gebruik van MOAH en/of MOSH in voedselverpakkingen verboden? Zo ja, welke straf staat hierop en welke straf is er opgelegd aan de supermarkten waar deze stoffen werden aangetroffen en aan de producenten van deze producten? Zo nee, waarom niet en zou hierin een wijziging moeten komen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke actie heeft de NVWA ondernomen naar aanleiding van haar ontdekkingen? Worden de producten waarin MOAH en/of MOSH zijn aangetroffen teruggeroepen door de supermarkten? Zo ja, op welke termijn moeten alle producten uit de supermarkt zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Doet de NVWA vervolgonderzoek naar alle producten waarin mogelijk MOAH en/of MOSH zitten? Zo ja, wanneer zal dit onderzoek zijn afgerond? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke actie gaat u ondernemen naar aanleiding van de bevindingen van de NVWA, mede in het oog nemende dat u al eerder de supermarkten had opgeroepen om vervuiling van hun producten aan te pakken? Bent u bereid hardere actie te ondernemen dan opnieuw een oproep te doen, aangezien dit geen effect heeft gehad?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat Turkse Nederlanders en journalisten worden bedreigd |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de toenemende spanningen in Nederland als gevolg van dat de situatie in Turkije?1 2
Het is onwenselijk wanneer spanningen in het buitenland geïmporteerd worden naar Nederland en het is onacceptabel wanneer deze spanningen leiden tot bedreigingen, intimidatie of erger. Met betrekking tot de reactie van het Kabinet over de toenemende spanningen in Nederland als gevolg van de situatie in Turkije, verwijzen wij u kortheidshalve naar de Kamerbrief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 21 juli 2016 (Kamerstuk 34 300-V, nr. 76) betreffende «reactie op verzoek van de vaste commissies voor Buitenlandse Zaken en voor Europese Zaken om een brief over de situatie in Turkije» alsmede naar de Kamerbrief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 september 2016 (Kamerstuk 32 824, nr. 148) betreffende «Spanningen Turks Nederlandse gemeenschap». Het recht van demonstratie is net als de vrijheid van meningsuiting een cruciaal onderdeel van onze democratische rechtsstaat. Deze vrijheden zijn er voor iedereen, ook voor mensen die meningen uiten die sommigen van ons verbazend of zelf schokkend vinden.
Deelt u de mening dat het recht op demonstratie een groot goed is, evenals de persvrijheid maar intimidatie, bedreiging en belaging van journalisten en andersdenkenden hier geweld aan doen? Zo ja, welke maatregelen zijn getroffen?3
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw oordeel over bedreigingen via de sociale media en de recente vernielingen bij Turks-Nederlandse organisaties in Rotterdam en Zaanstad? Ziet u een verband tussen de vernielingen en de opvattingen van deze organisaties over het Turkse regime? Zijn er berichten over soortgelijke vernielingen in andere steden? Zo ja, in welke? Welke acties hebben de lokale autoriteiten ondernomen om slachtoffers te beschermen en daders te stoppen?4 5 6 7
Bedreigingen en vernielingen zijn ontoelaatbaar. Na de couppoging in Turkije van 15 juli jl. heeft zich een piek voorgedaan in het aantal aangiften en meldingen van Turkse Nederlanders. De meerderheid van de aangiften is in de eenheid Rotterdam gedaan. Onder andere de eenheden Amsterdam, Oost-Nederland en Noord-Holland maken eveneens melding van aangiften die duiden op onrust binnen de Turks-Nederlandse gemeenschap. Slachtoffers zijn nadrukkelijk opgeroepen om melding en/ of aangifte te doen. Het lokaal gezag heeft een mix aan instrumenten ter beschikking om de situatie aan te pakken en waar nodig wordt deze integrale aanpak ook toegepast.
Klopt het bericht over dat er boycotlijsten circuleren met namen van Turks-Nederlandse ondernemers die kritisch staan tegenover het regime van Erdoĝan? Zo ja, in welke steden zijn dergelijke lijsten opgesteld, door wie, verloopt dit via dezelfde kanalen als de Turkse kliklijn? Wat is uw reactie hierop?8
Het kabinet keurt het ten zeerste af dat er lijsten circuleren, in welke vorm en samenstelling dan ook, en door wie dan ook. Nederland kent geen «guilt by association». Vooralsnog hebben de Turkse autoriteiten geen bewijs van directe betrokkenheid van genoemde Nederlandse organisaties bij de gebeurtenissen van 15 juli in Turkije overhandigd.
Bij de Turkse autoriteiten is meermaals gewezen op de zorgen over de effecten van de coup en de nasleep ervan in Turkije zelf, en in Nederland. Het kabinet heeft er in deze contacten aangedrongen ervoor te zorgen dat spanningen uit Turkije niet in Nederland worden geïmporteerd.
Klopt het dat het Turks consulaat in Rotterdam, Turkse Nederlanders heeft opgeroepen om het Turkse regime actief te steunen en de straat op te gaan? Wat is uw reactie hierop?9
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze is er afgelopen dagen contact geweest met Turkse Nederlanders? Hoe verloopt het overleg met uw «bondgenoten» van de Turkse Religieuze Stromingen en Organisaties (TRSO’s), respecteren zij de mening van andersdenkenden en wordt dat ook door hen uitgedragen?10
Voor de beantwoording van deze vraag verwijzen wij u naar het verslag van een schriftelijk overleg verzonden aan de Tweede Kamer op 26 juli 2016 (Kamerstuk 34 300-V, nr. 77) betreffende «de reactie van de Minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in Turkije».
Wat is reactie op het feit dat binnenlandse ontwikkelingen in Turkije in Nederland herhaaldelijk hebben geleid tot oplopende spanningen, bedreigingen en vernielingen? Vindt u dit een wenselijke ontwikkeling? Welke concrete resultaten heeft uw overleg met de vier Turkse organisaties en Turks-Koerdische, Alevitische en Armeense organisaties in Nederland het afgelopen jaar opgeleverd? Op welke wijze heeft uw «bondgenootschap» er toe bijgedragen dat de spanningen tussen de verschillende groepen Turkse Nederlanders zijn afgenomen? Ziet u aanleiding om uw integratiebeleid te herzien?
De bevindingen van het SCP onderzoek «Werelden van Verschil» van december 2015 laten zien dat ten aanzien van de integratie en participatie van een deel van de Turkse Nederlanders, zij zich beperkt identificeren met de Nederlandse samenleving en daar op relatief grote culturele afstand van staan. Wij vinden het wenselijk dat migrantenorganisaties zich hier ook druk over maken en daarom is het belangrijk om hier met de gemeenschappen en hun organisaties over in gesprek te blijven. In 2016 en 2017 wordt, zoals aangekondigd in de Kabinetsreactie op het SCP-rapport (Kamerstuk 32 824, nr. 117), een brede dialoog georganiseerd. Tijdens deze brede dialoog staat het stimuleren van concrete ideeën en oplossingen die kunnen bijdragen aan het daadwerkelijk tegengaan van scheidslijnen in onze samenleving centraal. Daarnaast wordt gezocht naar mogelijkheden om de Turks Nederlandse gemeenschap te binden aan de Nederlandse samenleving. Om die reden vinden er met regelmaat overleggen plaats tussen verschillende Turks Nederlandse organisaties en de rijksoverheid.
Met betrekking tot het overleg met de vier Turkse organisaties en Turks-Koerdische, Alevitische en Armeense organisaties in Nederland verwijzen wij u naar het verslag van een schriftelijk overleg verzonden aan de Tweede Kamer op 26 juli 2016 (Kamerstuk 34 300-V, nr. 77) betreffende «de reactie van de Minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in Turkije». In overleg met deze organisaties, maar ook met anderen, wordt gezocht naar mogelijkheden om de Turks Nederlandse gemeenschap te binden aan de Nederlandse samenleving.
De contracten van bestuurders |
|
Henk van Gerven , Renske Leijten |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
Hoe oordeelt u over de contracten van de voorzitter en de leden van de Raad van Bestuur van Amstelring die een deeltijdfactor van 111% hebben? Is dit legitiem in dit geval? Wordt de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) niet overtreden?1
Er is in dit geval geen sprake van overtreding van de WNT. Volgens de WNT mag de totale bezoldiging (ook al werkt men meer dan 100%) niet meer bedragen dan het voor die bestuurder geldende bezoldigingsmaximum op basis van een dienstverband van 100%.
Uit het jaarverslag van Amstelring over 2015 blijkt dat de voorzitter en leden van de Raad van Bestuur een deeltijdfactor van 111% hebben voor hun functie. Echter, hun uiteindelijke salaris ligt onder de voor hen geldende maximum norm op basis van de voor 2015 geldende regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg- en welzijnssector. Voor deze instelling geldt klasse G (maximum bezoldiging € 188.660,00).
Is de deeltijdfactor ingedeeld op 111% vanwege meer gewerkte uren of is hiervoor een andere verklaring?
Een bestuurder kan een dienstverband hebben dat boven de 100 procent uitkomt indien er meer uren worden gewerkt. Dit is het geval als: de instelling aantoonbaar heeft ingestemd met deze uren én aantoonbaar is dat een prestatie is geleverd voor deze uren én door de instelling beloning is uitbetaald voor deze uren.
Echter, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1, voor de maximum bezoldiging die verdiend mag worden heeft dit geen gevolgen.
Is de deeltijdfactor conform de voorwaarden bepaald, dus heeft Amstelring hiermee ingestemd, is er een prestatie geleverd en is dit als beloning uitbetaald?2
De accountant ziet hier op toe bij de controle van het jaarverslag.
Vindt u het acceptabel dat deze bestuurders zichzelf hoog (laten) inschalen, terwijl Amstelring op de lijst staat met verpleeghuizen die onder verscherpt toezicht zijn gesteld door de Inspectie voor de Gezondheidszorg? Zo ja, waarom? Zo neen, welke maatregelen gaat u treffen?3
Zie het antwoord op vraag 1 en 2.
Is u bekend hoeveel bestuurders een contract hebben van meer dan 100%? Zo ja, welke bestuurders zijn dit? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Het is niet zinvol een dergelijk overzicht te maken, want de bezoldigingsmaxima (voor bestuurders met een dienstverband van meer dan 100%) mogen de bezoldigingsmaxima die zijn vastgesteld op basis van een dienstverband van 100% niet overschrijden. Wel doet het CIBG doorlopend onderzoek naar naleving van de WNT door zorginstellingen. Indien er sprake is van een overtreding van deze norm bij een instelling, dan zal het CIBG handhavend optreden.
De ophanden zijnde sluiting van het Psycho Trauma Centrum (PTC) van Rivierduinen in Leiden |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat zwaar getraumatiseerde volwassenen de dupe dreigen te worden van de ophanden zijnde sluiting van het PTC van ggz-instelling Rivierduinen in Leiden?1
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving in het Leidsch Dagblad. Bij navraag heeft Rivierduinen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport laten weten dat er sprake is van een organisatorische en een zorginhoudelijke wijziging in hun manier van werken, waarbij de behandeling van psychotrauma overigens gewoon beschikbaar blijft. Deze verdwijnt dus niet.
Organisatorisch is er voor gekozen om verschillende teams die nu aandoeninggericht werken samen te voegen en om te vormen naar teams die poliklinisch werken. Zorginhoudelijk is ervoor gekozen om de intensieve en langdurige behandeling («deeltijd») voor psychotrauma te veranderen in poliklinisch aanbod (individueel en in groepen) en het aanbod de komende periode af te stemmen op nieuwe inzichten in de behandeling van psychotrauma. Zowel afname van vraag naar intensieve en langdurige deeltijdbehandeling, als zorginhoudelijke overwegingen liggen aan deze verandering ten grondslag. Volgens Rivierduinen sluit deze wijziging van behandelvorm namelijk aan bij de laatste inzichten over de behandeling van psychotrauma die bewezen effectief is en van kortere duur.
Rivierduinen heeft laten weten dat met de huidige patiënten individuele afspraken zijn gemaakt over hoe, via het individuele behandelplan, de overgang gemaakt wordt van deeltijdbehandeling naar poliklinische behandeling. Maatwerk staat hierbij voorop. Voor de behandeling van heel specifiek psychotrauma en specifieke posttraumatische stressstoornis (PTSS) wordt, mede naar aanleiding van overleg met cliënten en medewerkers, nog nader doorgesproken hoe ook de behandeling van deze aandoeningen verbeterd kan worden.
Ik vind het van belang dat mensen met een trauma op tijd de juiste hulp en zorg krijgen, bewezen effectief, ambulant waar het kan, klinisch als het moet, en niet langer dan noodzakelijk. Hoe daar organisatorisch of zorginhoudelijk invulling aan wordt gegeven, is niet aan mij. Wel kan ik me voorstellen dat verandering van behandeling of behandelaar moeilijk kan zijn voor cliënten die al in behandeling zijn. Daarom vind ik het goed dat de betrokken GGZ-instelling hierover op individueel niveau afspraken heeft gemaakt.
Wat is de reden dat onder andere de langdurige maar bewezen effectieve therapie voor mensen met een Post Traumatisch Stress Stoornis (PTSS) wordt beëindigd?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat de sluiting van het PTC volgens het bestuur van Rivierduinen nodig is omdat er geen vraag zou zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Is de werkelijke reden van sluiting wellicht niet dat er geen vraag is maar omdat deze vorm van zorg onrendabel is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat een langdurige behandeling in een gespecialiseerde instelling op een verantwoorde wijze vervangen kan worden door een poliklinische behandeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is niet aan mij om een oordeel te hebben over wat een juiste behandeling is. Daar zijn zorgstandaarden en behandelrichtlijnen voor die de sector zelf opstelt. Van belang is dat elke patiënt een op de eigen situatie afgestemde behandeling krijgt. In algemene zin geldt dat zorg die vergoed wordt vanuit de basisverzekering bewezen effectief moet zijn en moet voldoen aan stand van wetenschap en praktijk. Inzichten daaromtrent kunnen wijzigen in de loop van de tijd. Ik vind het belangrijk dat zorgaanbieders en professionals die nieuwe kennis en inzichten ook verwerken en toepassen.
Deelt u de mening dat uitwijken naar Centrum ’45 in Oegstgeest geen optie is voor deze veelal kwetsbare vrouwen, omdat deze instelling – zoals de naam al doet vermoeden – vooral gericht is op veteranen?
Indien sprake is van PTSS kan iemand, afhankelijk van de zwaarte van de aandoening, bij tal van aanbieders terecht, zowel in de generalistische basis ggz, als de gespecialiseerde ggz of bij zeer gespecialiseerde aanbieders. De eigen huisarts en de eigen zorgverzekeraar kunnen helpen met het vinden van een juiste aanbieder.
Om de beste individuele oplossing te vinden voor huidige patiënten van Rivierduinen waarbij verandering van de behandeling aan de orde is, zijn waar nodig ook contacten gelegd met Centrum »45. Deze instelling heeft inderdaad veel kennis en expertise op het gebied van zorg voor veteranen, maar zet zijn kennis en expertise rond psychotrauma inmiddels veel breder in. Ook mensen die om andere redenen dan oorlog getraumatiseerd zijn geraakt, kunnen er worden behandeld.
Zijn er in de regio naast Centrum ’45 nog andere ggz-instellingen waar mensen met een PTSS terechtkunnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Is er inderdaad sprake van een wachtlijst bij ggz-instelling Rivierduinen? Zo ja, hoe valt dit te rijmen met de bewering dat er geen vraag zou zijn?
Conform de verplichting per 1 april 2016 publiceert Rivierduinen de wachttijden voor alle vormen van ggz op de website2. Daaruit is op te maken dat voor de locatie Leiden de aanmeldwachttijd hoger en de behandelwachttijd lager is dan de Treeknorm. Rivierduinen heeft laten weten dat indien de wachttijd voor een individuele patiënt te lang is, er wordt gekeken of behandeling op een andere locatie mogelijk is. Ook wordt een patiënt geadviseerd contact op te nemen met de eigen verzekeraar voor eventuele wachtlijstbemiddeling.
Zorgverzekeraars moeten voldoende zorg inkopen voor al hun verzekerden. Verzekeraars kunnen bemiddelen in geval er sprake is van gebrek aan plaatsen of eventuele wachttijden, door een patiënt naar een geschikte aanbieder te verwijzen waar nog plaats is, of door aanvullende (contract)afspraken te maken met een specifieke aanbieder waar geen plaats meer is.
Te lange wachttijden in de ggz zijn onwenselijk en ik heb u voor de zomer geïnformeerd over de acties die ik met partijen onderneem om die tegen te gaan3. Naast de verplichting voor aanbieders om alle wachttijden van alle vormen van ggz te publiceren, beziet de NZa op dit moment met voorrang of de geldende Treeknormen nog actueel zijn. Tevens hebben alle verzekeraars bij de NZa verbeterplannen moeten indienen die meer inzicht in wachttijden moet geven voor hun verzekerden.
Hebben zorgverzekeraars wel voldoende zorg ingekocht voor deze vorm van zorg in de desbetreffende regio? Zo ja, hoe verklaart u dan de wachtlijsten?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid zorgverzekeraars aan te spreken op hun zorgplicht om voldoende gespecialiseerde zorg in te kopen? Zo nee, hoe zorgt u dan voor de continuïteit van zorg in de regio?
Zie antwoord vraag 8.
Hoeveel mensen dreigen hun baan te verliezen? Worden gedwongen ontslagen uitgesloten? Is er contact met de vakbond over een sociaal plan?
Rivierduinen heeft laten weten dat circa 2 FTE van de behandelaren met expertise op het gebied van psychotrauma boventallig kunnen worden en dat gedwongen ontslagen niet zijn uit te sluiten. Daarnaast heeft Rivierduinen aangegeven reeds over een sociaal plan te beschikken, conform hetgeen daarover gesteld is in de geldende CAO voor de GGZ-sector.
Zijn de cliëntenraad, ondernemingsraad en familieraad betrokken bij het besluit van de Raad van Bestuur om het PTC te sluiten? Kunt u uw antwoord toelichten?
De medezeggenschaporganen van Rivierduinen zijn begin juni gevraagd te reageren op het voorgenomen besluit van de directie van het centrum waar het psychotraumateam onder valt. Mede naar aanleiding van de reacties is geconstateerd dat wat betreft de zorg voor specifieke PTTS nader overleg plaats moet vinden over de vraag hoe deze zorg op een goede manier verbeterd kan worden. Inmiddels heeft de Raad van Bestuur eind juli een definitief besluit genomen.
Doodsbedreigingen aan adres Nederturken door Erdogan-aanhangers |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennis genomen van het bericht «Nederturken bedreigd en geboycot»?1
Ja.
Deelt u onze zorgen over de intimidatie, boycotlijsten, vernielingen en zelfs doodsbedreigingen door Erdogan-aanhangers aan het adres van kritische Nederturken? En welke stappen gaat u hiertegen zetten?
Wij delen deze zorgen en keuren elke vorm van intimidatie af. In de Kamerbrief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 21 juli 2016 (Kamerstuk 34 300-V, nr. 76) betreffende «reactie op verzoek van de vaste commissies voor Buitenlandse Zaken en voor Europese Zaken om een brief over de situatie in Turkije», in het verslag van een schriftelijk overleg verzonden aan de Tweede Kamer op 26 juli 2016 (Kamerstuk 34 300-V, nr. 77) betreffende «de reactie van de Minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in Turkije» en in de Kamerbrief van 12 september 2016 betreffende «Spanningen Turks Nederlandse gemeenschap» (Kamerstuk 32 824, nr. 148) wordt ingegaan op de stappen die het Kabinet heeft genomen.
Hoe oordeelt u over de bizarre pro-Erdogan-demonstraties in verschillende Europese steden, waaronder Rotterdam, en welke rol hebben Turkse diplomatieke vertegenwoordigers gespeeld in de organisatie daarvan?
Het recht van demonstratie is een groot goed dat onvoorwaardelijk in Nederland wordt verdedigd, net als de vrijheid van meningsuiting. Deze vrijheid is er voor iedereen, ook voor mensen die meningen uiten die sommigen van ons verbazend of zelf schokkend vinden. Dat hoort bij de vrijheid van meningsuiting en ook bij het recht van demonstratie. Deze vrijheden kennen wel grenzen. Indien voldoende aanknopingspunten bestaan, wordt door de politie een strafrechtelijk onderzoek gestart onder leiding van het Openbaar Ministerie.
Er is bij de Turkse autoriteiten meermaals gewezen op onze zorgen over de gevolgen van de couppoging en de nasleep ervan in Turkije zelf en in Nederland. Het kabinet dringt er in deze contacten steeds op aan te zorgen dat spanningen uit Turkije niet naar Nederland worden geëxporteerd. In de eerder genoemde brieven is verder ingegaan op stappen die zijn gezet om de veiligheid van alle Turken in Nederland te waarborgen.
Op welke wijze gaat u de enorme inmenging van Erdogan in Nederland stoppen en daarmee tevens de veiligheid van hen die kritisch zijn op het Erdogan-regime, beschermen?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre bent u in dat kader tevens bereid te zorgen dat de buitenlandse financiering van o.a. Turkse moskeeën in Nederland (middels Diyanet) beëindigd wordt?
Nederland kent geen verbod op buitenlandse financiering van moskeeverenigingen, algemene religieuze verenigingen of instellingen. Buitenlandse financiering, zoals bijvoorbeeld in het geval van Diyanet die bekostigd wordt door de Turkse overheid, valt binnen de vrijheid die religieuze instellingen hebben om zich te organiseren. Wel waken wij er scherp voor dat dergelijke financiering niet gepaard gaat met zaken als ongewenste beïnvloeding of invloed die een gevaar vormt voor onze democratische rechtsstaat of de integratie in de weg staat. Voor verdere informatie hierover verwijzen wij u graag naar de Kamerbrief inzake Buitenlandse Financiering verzonden aan de Tweede Kamer op 5 juli 2016 (Kamerstuk 29 614, nr. 50) en de brief die uw Kamer voor het herfstreces is toegezegd.
Kunt u aangeven waarom u in vredesnaam het regime van Erdogan bestempeld heeft als democratisch, terwijl het de vrije pers de nek om heeft gedraaid, de rechterlijke macht ontmantelt en een interne oorlog voert tegen de Koerden?
Het kabinet veroordeelt de actie van een deel van het leger tegen de democratische instituties van Turkije. Hervormingen en het adresseren van onvrede moeten te allen tijde binnen het democratisch bestel plaatsvinden. Het kabinet vindt het van groot belang dat de afwikkeling van de poging tot staatsgreep zorgvuldig gebeurt, binnen de kaders van rechtsstatelijkheid.
Erkent u dat de massale pro-Erdogan-demonstraties in onder meer Rotterdam, de mishandeling van journalisten aldaar en het enorme anti-westerse sentiment, het bewijs zijn van de mislukte integratie en dat dit inmiddels een gevaar vormt voor de openbare orde en veiligheid? Graag een toelichting.
Dit sentiment bevestigt het beeld dat een deel van de Turkse Nederlanders zich in hun verbondenheid met Turkije sterk identificeert met de Turkse regering. Dit wil nog niet zeggen dat zij zich bewust afwenden van de Nederlandse samenleving. Zoals de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zijn antwoorden op de Kamervragen van het lid Azmani (VVD) over «de blijdschap over de arrestatie van Ebru Umar in Turkije» (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2897) heeft geschreven, laten de bevindingen van het SCP onderzoek «Werelden van Verschil» van december 2015 ten aanzien van de integratie en participatie van een deel van de Turkse Nederlanders zien, dat die zich beperkt identificeert met de Nederlandse samenleving en daar op relatief grote culturele afstand van staat. Wij maken ons hier zorgen over en vinden het wenselijk dat migrantenorganisaties zich hier ook druk over maken. De toekomst van deze mensen ligt in Nederland en er is momenteel voor een deel van de jongeren te weinig aansluiting met onze samenleving. Het is belangrijk hier met de gemeenschappen en hun organisaties over in gesprek te blijven.
In de Kamerbrief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 september 2016 betreffende «Spanningen Turks Nederlandse gemeenschap» wordt hierop verder ingegaan.
Het bericht dat er kritiek is op de hulpverlening na drama Stieltjenskanaal |
|
Nine Kooiman |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van éénvandaag over het ongeluk in Stieltjenskanaal?1
Ja.
Klopt het dat sommige veiligheidsregio’s ervoor kiezen geen duikteam in te stellen bij de brandweer?
Ja.
Vindt u het wenselijk dat er brandweerkorpsen zijn zonder duikteam? Zo ja, waarom?
In de wet Veiligheidsregio’s is vastgelegd dat tot de brandweerzorg behoort «het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand» (Wvr, art.3). Het is aan het bestuur van een veiligheidsregio om te bepalen op welke wijze, binnen het vigerend kader van wet- en regelgeving, daaraan invulling wordt gegeven. Regio-specifieke omstandigheden en afwegingen spelen daarbij dan voor het bestuur een rol. Veiligheidsregio’s zijn om die reden niet verplicht te beschikken over een duikteam. Ik zie, gegeven het belang van die regionale afweging, ook geen reden dat te wijzigen. Evenmin zie ik een reden daarover in gesprek te gaan. Indien wordt gewerkt met een duikteam moet dat gebeuren geheel overeenkomstig de specifieke eisen die daarvoor gelden. Overigens merk ik op dat de veiligheidsregio Drenthe beschikt over meerdere duikteams.
De Inspectie Veiligheid en Justitie houdt toezicht op de kwaliteit van de taakuitvoering en de naleving van wet- en regelgeving door de veiligheidsregio.
Als er een auto te water raakt in een regio zonder duikteam, neemt volgens u dan de gemiddelde aanrijtijd toe? Vindt u dit wenselijk?
Elke casus staat op zich. Een algemeen geldende reactie op deze vraag is niet te geven. Als een regio zonder duikteam afspraken heeft met een andere regio of organisatie over de inzet van een duikteam kan de aanrijtijd ook korter zijn dan wanneer sprake zou zijn geweest van een eigen duikteam. Een en ander is onder meer afhankelijk van de te overbruggen afstand.
Als er een auto te water komt in een regio zonder duikteam, zijn andere hulpverleningsdiensten volgens u dan verantwoordelijk om in te grijpen? Zo ja, vindt u dit wenselijk?
Snel handelen is van levensbelang ingeval van inzittenden in een te water geraakte auto. Elke aanwezige hulpverleningsdienst zal dan binnen de eigen mogelijkheden en met de noodzakelijke afweging van de eigen veiligheid trachten de gewenste hulp te verlenen.
Bent u bereid met de veiligheidsregio’s waar geen duikteam is hierover in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid te kijken of een wettelijke verplichting mogelijk is waarbij brandweerkorpsen over een duikteam moeten beschikken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat agenten een spijkermat willen |
|
Nine Kooiman |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat agenten een spijkermat willen maar dat de politietop dit te duur vindt?1
De uitrusting van de politie wordt met grote zorg door het politiekorps samengesteld. Zoals ik in mijn brief van 13 juni jl. heb aangegeven, worden bij de beoordeling van de behoefte aan een nieuw wapensysteem (externe) onderzoeken, testen en ervaringen van medewerkers betrokken. Ook worden hierbij de investeringen betrokken die een verandering in de bewapening vergen in geld maar bijvoorbeeld ook in beschikbare trainings- en opleidingstijd. Politiemedewerkers moeten immers getraind worden in het gebruik van nieuwe of aangepaste bewapening. Al deze overwegingen tezamen leiden vervolgens tot de keuze bepaalde wapens al dan niet aan te schaffen. Uitgangspunt daarbij is voortdurend het gegeven dat politiemedewerkers hun taak met adequate middelen kunnen uitvoeren. Hiervoor zijn binnen de politiebegroting dan ook middelen beschikbaar. Uit de pilot met de spijkermat, die gelopen heeft van juli 2012 tot juli 2013, is gebleken dat gedurende dit jaar slechts tien keer voor de spijkermat als voertuigstoppend middel is gekozen. In deze gevallen was de inzet van de spijkermat negen van de tien keer succesvol. In de overige situaties – naar schatting 100 – bleken andere voertuigstoppende methoden meer passend. De keuze tijdens de pilot werd gebaseerd op zorgvuldige afweging van het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit ten aanzien van achtervolgen of volgen. De resultaten van deze pilot hebben de korpschef doen besluiten vooralsnog niet over te gaan tot aanschaf van de spijkermat. De politie geeft prioriteit aan middelen die vaker worden ingezet en daarmee een groter effect hebben, zoals bijvoorbeeld de uitschuifbare wapenstok.
Was u op de hoogte van de wens van agenten toen u schreef in uw brief dat er ook met blokkades gewerkt kan worden? Zo ja, waarom heeft u er toch voor gekozen het oordeel van de politietop te volgen?2
De korpschef heeft mij op de hoogte gesteld van de relevante overwegingen bij zijn besluit en ik onderschrijf deze.
Deelt u de mening dat het beter is voor de veiligheid om met een spijkermat te werken dan met een blokkade?
Zoals ik in mijn brief van 13 juni jl. heb aangegeven dienen politiemedewerkers over adequate middelen te beschikken om hun werk te kunnen doen. Ik heb daarbij aangegeven hoe de politie invulling geeft aan wat «adequaat» is. Wat «adequaat» is, wordt door de politie in een continu proces beoordeeld op basis van onder meer de opgaven en mogelijke dreigingen waarvoor de politie zich gesteld ziet, praktijkervaring en marktontwikkelingen op het terrein van bewapening. Dat geldt ook in het onderhavige geval de spijkermat op dit moment niet aan te schaffen. De keuze om de spijkermat niet aan te schaffen is met name gebaseerd op de resultaten van de pilot, waaruit bleek dat in het overgrote deel van de situaties andere middelen worden gekozen om voertuigen te stoppen. In individuele gevallen kan de inzet van de spijkermat beter zijn voor de veiligheid, maar de inzet van de spijkermat is te gering voor een groot effect.
Bent u bereid met de politietop hierover in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Aangezien de keuze om op dit moment niet over te gaan tot aanschaf van een spijkermat gebaseerd is op een weloverwogen afweging, zie ik geen reden om hierover opnieuw met de korpschef in gesprek te gaan.
Het niet openbaar maken van het Thyrax rapport door de Inspectie voor de Gezondheidszorg |
|
Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Welke partij heeft bezwaar gemaakt tegen het openbaar maken van het Thyrax rapport? Is het waar dat dit de firma Aspen betreft?1 2
De inspectie is voornemens dit rapport openbaar te maken. De inspectie is op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), bij actieve openbaarmaking van documenten gehouden aan het in acht nemen van belangen van de betrokkenen. Eén van de betrokken partijen heeft bedenkingen geuit tegen de actieve openbaarmaking van het toezichtsrapport. Zodoende dat op dit moment de aangevoerde bedenkingen worden gewogen en dat ik hier vervolgens een besluit over zal nemen. Zoals gebruikelijk doe ik geen uitlatingen zolang dit proces nog loopt.
Ik zal uw Kamer op de hoogte houden van het verloop van de verdere procedure.
Sinds wanneer kunnen partijen de openbaarmaking van een rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) tegenhouden? Is dit legitiem? En indien dit legitiem is, wat vindt u van een dergelijke houding van de bezwaarmaker? Hoe vaak komt het voor dat geprobeerd wordt de openbaarmaking van een rapport van de IGZ tegen te houden?
Op basis van het bepaalde in artikel 8 van de Wob kan de IGZ een inspectierapport actief openbaar maken. Openbaarmaking op grond van de Wob dient het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering. Wel is hierbij een nadere afweging van belangen geboden. Deze nadere afweging houdt in dit geval in dat het algemeen belang dat door onverkorte openbaarmaking wordt gediend, wordt afgewogen tegen de door de geïnspecteerde aangevoerde belangen. In 2016 hebben tot nu toe zestien geïnspecteerden bezwaren geuit tegen openbaarmaking van een inspectierapport.
Wilt u de IGZ verzoeken het rapport per direct openbaar te maken? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bedreigingen en geweld tegen de Hizmet gemeenschap in Nederland |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 waarin wordt bevestigd dat dit weekend in Nederland culturele centra en mensen doelwit zijn geweest van geweld door Erdogan aanhangers?
Ja.
Herkent u de signalen dat dit het werk zou zijn van «Turkse nationalisten uit het kamp van Erdogan» en heeft u meldingen gekregen uit Rotterdam, Deventer en Zaandam of andere regio's? Wat heeft u tot nu toe hier tegen gedaan?
Kortheidshalve verwijzen wij u naar de Kamerbrief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 21 juli 2016 (Kamerstuk 34 300-V, nr. 76) betreffende «reactie op verzoek van de vaste commissies voor Buitenlandse Zaken en voor Europese Zaken om een brief over de situatie in Turkije», het verslag van een schriftelijk overleg verzonden aan de Tweede Kamer op 26 juli 2016 2016 (Kamerstuk 34 300-V, nr. 77) en de Kamerbrief van 12 september 2016 (Kamerstuk 32 824, nr. 148) betreffende «Spanningen Turks Nederlandse gemeenschap».
Herinnert u zich mijn vragen over de stand van het onderzoek naar de toedracht over de aanval op de Turkse moskee in Dordrecht juni 2016, waarin ondermeer is gevraagd naar patronen van groeperingen, in plaats van incidenten verricht door enkelingen?
Ja.
Heeft u intussen georganiseerd dat organisaties en individuen die doelwit zijn van dergelijke geweldplegers en geweld melding en aangifte doen en u deze meldingen centraal verzamelt? Bijvoorbeeld met een specifieke registratiecode?
Na de couppoging in Turkije heeft zich een piek voorgedaan in het aantal aangiften en meldingen van Turkse Nederlanders van bedreiging, intimidatie en geweld. Slachtoffers worden nadrukkelijk opgeroepen om melding en/of aangifte te doen. De meldingen die niet direct strafrechtelijke aanknopingspunten bieden, versterken niettemin de informatiepositie van de politie. Gezien de grote concentratie van aangiften in de eenheid Rotterdam is besloten om hiervoor tijdelijk een speciaal team in het leven te roepen bij de politie. Het team richt zich op de opsporing en verzamelt daarvoor kennis en inlichtingen.
Heeft u intussen regulier overleg georganiseerd met Turkse, Koerdische en Alevitische organisaties en hoe steunt u lokale initiatieven daartoe, zoals die van de gemeente Rotterdam? En gaat u, gelet op de ontwikkelingen in Turkije en de effecten op onze wijken, met de Hizmet gemeenschap in overleg over de verslechterde veiligheidssituatie in Nederland? Hoe en welke bescherming kunt u vanuit de overheid bieden?
Lokale bestuurders dragen in de eerste plaats verantwoordelijkheid voor de lokale veiligheidssituatie en kunnen maatregelen nemen indien daar aanleiding voor bestaat. Wanneer lokale bestuurders behoefte hebben aan ondersteuning, dan kan de Expertise unit Sociale Stabiliteit van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hierin voorzien. Wel wordt vanuit de nationale overheid nauw contact onderhouden met Turks-Nederlandse maatschappelijke organisaties en gemeenten waar spanningen spelen of dreigen.
Met betrekking tot het overleg met Turkse, Koerdische, Alevitische en aan de Gülen-beweging gelieerde organisaties verwijzen wij u naar het verslag van een schriftelijk overleg verzonden aan de Tweede Kamer op 26 juli 2016 (Kamerstuk 34 300-V, nr. 77) en naar de Kamerbrief van 30 september j.l. (Kamerstuk 32 824, nr. 160) inzake het laatste spanningenoverleg van 14 september j.l.
Wat gaat u doen om om deze daders van geweldsdelicten op te sporen?
Indien er voldoende aanknopingspunten bestaan, wordt door de politie een strafrechtelijk onderzoek gestart onder leiding van het Openbaar Ministerie.
Zowel op nationaal niveau als op EU-niveau heeft het afgelopen jaar een dialoog plaatsgevonden met de sociaal-media bedrijven. Na een expertmeeting over online hate speech, eind vorig jaar, op het Ministerie van SZW, met Twitter, Facebook en Youtube, zijn er afspraken gemaakt over een betere samenwerking van deze bedrijven met het Meldpunt internetdiscriminatie MiND. Onlangs hebben de Europese Commissie en Facebook, Twitter en Youtube een Code of Conduct voor het tegengaan van online hate speech afgesloten.
Hoe beschermt u de instellingen die bedreigd worden door onder meer op Facebook Turkstalige samenstellers van adreslijsten van onderwijsorganisaties en culturele instellingen die gelieerd zijn aan de Hizmetbeweging en hoe steunt u daarbij gemeentelijke inspanningen als die in Rotterdam?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe gaat u optreden tegen het haatzaaien, oproepen tot geweld en het plegen van intimidatie en bedreigingen op sociaal-media zoals Facebook en twitter? Bent u bereid om de sociaal-media bedrijven aan te spreken op hun verantwoordelijkheid?
Zie antwoord vraag 6.
Het rapport van Amnesty International aangaande ontvoeringen en martelingen door de Egyptische veiligheidsdiensten |
|
Michiel Servaes (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente rapport van Amnesty International genaamd «Egypt: «Officially you do not exist»: Disappeared and tortured in the name of counter-terrorism»1, waarin melding wordt gemaakt van ontvoeringen en martelingen door de Egyptische veiligheidsdienst NSA? Zo ja, wat is uw reactie op de schokkende bevindingen van dit rapport?
Het rapport van Amnesty International levert verontrustende nieuwe getuigenissen op van gedwongen verdwijningen en martelingen in Egyptische gevangenissen. In het rapport wordt een toename hiervan geconstateerd sinds begin 2015. Het kabinet kan de bevindingen over de aantallen en het moment van toename niet op basis van eigen bronnen bevestigen, maar beschouwt het rapport van Amnesty International als een gezaghebbende bron. De bevindingen van Amnesty zijn onder andere gebaseerd op inschattingen en gedocumenteerde gevallen van verschillende Egyptische lokale NGO’s. Door gebrek aan medewerking van de Egyptische autoriteiten is het niet mogelijk voor Egyptische en internationale NGO’s om de precieze aantallen van martelingen en gedwongen verdwijningen vast te stellen.
Het kabinet ziet de in het rapport beschreven praktijk als in strijd met de Egyptische Grondwet en met internationale verdragen die Egypte ook heeft ondertekend.
Kunt u de bevindingen bevestigen uit het genoemde rapport, waarin wordt gesproken over duizenden ontvoeringen door de NSA, waarbij de ontvoerden, waaronder minderjarigen, geen aanspraak kunnen maken op basisrechten zoals contact met een advocaat en bovendien worden blootgesteld aan martelingen? Zo ja, kunt u bevestigen dat Egypte hiermee handelt in strijd met haar eigen wetgeving en internationale verdragen zoals de UN Convention against Torture?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de – reeds eerder bekritiseerde – antiterrorismewetgeving wordt misbruikt om kritische tegengeluiden van het bewind van president Sisi de mond te snoeren?
Mede door de strenge antiterreurwetgeving is de vrijheid van meningsuiting verslechterd in Egypte.
Herkent u het beeld dat het aantal ontvoeringen en martelingen alsmede andere vormen van mensenrechtenschendingen is toegenomen sinds de aanstelling van Magdy Abd el-Ghaffar als Minister van Binnenlandse Zaken in maart 2015?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 10 februari 20142, waarin wordt gesteld dat de EU zeer bezorgd is over «selective justice» tegen de politieke oppositie en waarin wordt opgeroepen om de basisrechten van verdachten te waarborgen? Welke inspanningen zijn sindsdien in EU-verband gedaan om de situatie aan de kaak te stellen? Bent u bereid om naar aanleiding van het genoemde rapport de praktijken van het Egyptische regime opnieuw te bespreken met uw Europese collega's?
De mensenrechtensituatie in Egypte wordt door de EU doorlopend aan de orde gesteld in contacten met de Egyptische autoriteiten. Dit gebeurde onder meer tijdens bezoeken aan Caïro van EU Hoge Vertegenwoordiger Mogherini (november 2015), de voorzitter van de Europese Raad Tusk (september 2015) en de EU Speciaal Gezant voor Mensenrechten Stavros Lambrinidis (oktober 2014). Zorgen over mensenrechtenschendingen zijn ook uitgesproken tijdens het EU – Egypte Subcomité Mensenrechten en Democratie (november 2015), in persverklaringen van Mogherini en haar woordvoerder, tijdens de Universal Periodic Review van Egypte (november 2014) en in overige zittingen van de Mensenrechtenraad en de Derde Commissie van de VN.3
Met actieve steun van Nederland heeft de EU tijdens zittingen van de Mensenrechtenraad in 2015 en 2016 onder andere zorgen uitgesproken over gedwongen verdwijningen en martelingen in Egyptische gevangenissen.
Uw verzoek voor agendering tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 18 juli jl. is niet op tijd ontvangen om in overweging te kunnen worden genomen. Nederland zal de mensenrechtensituatie in Egypte in EU-verband blijven aankaarten en de noodzaak van verbeteringen onderstrepen. In dit kader dringt Nederland binnen de EU onder andere aan op een spoedig vervolgbezoek van de EU Speciaal Gezant voor Mensenrechten aan Caïro.
Bent u bekend met Artikel 2 uit het EU Associatieverdrag met Egypte3, waarin respect voor democratische principes en fundamentele mensenrechten als essentieel element voor de relatie tussen de EU en Egypte wordt benoemd? Zo ja, deelt u de mening dat het Egyptische regime momenteel het Associatieverdrag schendt gezien de verslechterende mensenrechtensituatie in het land?
Maatregelen door de Egyptische regering die leiden tot een verslechtering van de mensenrechtensituatie zijn in tegenspraak met het feit dat Egypte zich heeft gecommitteerd aan het bevorderen en respecteren van mensenrechten en fundamentele vrijheden, zoals verankerd in de Egyptische Grondwet en opgenomen in het EU-Egypte Associatieakkoord.
Bent u bereid om tijdens de aankomende Raad Buitenlandse Zaken (18 juli) het Amnesty-rapport ter sprake te brengen en te bepleiten om de druk op Egypte op te voeren om te komen tot een onafhankelijk onderzoek in Egypte naar de genoemde ontvoeringen en martelingen en onmiddellijke erkenning en stopzettingen van deze praktijken?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat bedienden van diplomaten uitbuiting op ambassades in Nederland melden |
|
Sadet Karabulut , Harry van Bommel (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Bedienden van diplomaten melden uitbuiting op ambassades in Nederland»1?
Alle in Nederland gevestigde buitenlandse diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen dienen de Nederlandse wet, inclusief de dwingende bepalingen van het Nederlandse arbeidsrecht, te respecteren. Dit geldt, afhankelijk van het bepaalde in het zetelverdrag, ook voor in Nederland gevestigde internationale organisaties. Het is dus onacceptabel als particuliere bedienden worden uitgebuit.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat particuliere bedienden van diplomaten bij ambassades en internationale organisaties gevestigd in Nederland uitgebuit worden, waarbij het gaat om onderbetaling, slechte arbeidsomstandigheden en «ongewenste omgangsvormen»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat diplomaten die zich hieraan schuldig maken hun status onwaardig zijn?
Zie het antwoord bij vraag 1.
Bent u bereid om nader onderzoek te doen bij welke ambassades en organisaties er nog meer – naast de in het artikel genoemde – sprake is van uitbuiting en/of slechte arbeidsomstandigheden? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het Verdrag van Wenen inzake Diplomatiek Verkeer, het Verdrag van Wenen inzake Consulaire Betrekkingen en zetelverdragen tussen hier gevestigde internationale organisaties en Nederland hebben Nederlandse inspectie- en opsporingsdiensten geen wettelijke bevoegdheid om onderzoek te doen op het terrein van ambassades, consulaten en/of internationale organisaties of om daar handhavend op te treden.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken hanteert met betrekking tot huispersoneel een uitgebreid systeem van monitoring van arbeidsomstandigheden, gericht op preventie van misbruik en het voorkomen van schijnconstructies. Huispersoneel in persoonlijke dienst van diplomaten wordt iedere zes maanden uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek op het ministerie. Om in aanmerking te komen voor een nieuwe identiteitskaart of verlenging van een bestaande identiteitskaart moet huispersoneel gehoor geven aan de uitnodiging en halfjaarlijks op gesprek komen. Dit maakt dat het belang bij het gesprek voor zowel de werkgever als de werknemer groot is. Tijdens zo’n gesprek wordt aandacht besteed aan werktijden, leefomstandigheden en correcte betaling van salaris. Huispersoneel dat voor het eerst bij BZ op gesprek komt wordt uitgebreid voorgelicht over rechten en plichten, en over mogelijkheden om hulp te vragen bij misstanden. Vorig jaar heeft het ministerie als extra maatregel de verplichting ingevoerd dat het salaris uitbetaald moet worden op een lokale bankrekening, opdat stelselmatig kan worden geverifieerd of salaris volledig en tijdig wordt uitbetaald. Middels het voorgenoemde systeem houdt het ministerie toezicht op de arbeidsomstandigheden van het huispersoneel.
Welke criteria liggen ten grondslag aan het door Buitenlandse Zaken kunnen opleggen van de sanctie van het ontnemen van het privilege huispersoneel in dienst te nemen? Is het opleggen van een sanctie eerder overwogen? Zo ja, hoe vaak is dit overwogen en waarom is deze niet opgelegd? Welke andere sancties zijn denkbaar om uitbuiting te voorkomen?
Onder het Verdrag van Wenen inzake Diplomatiek Verkeer en het Verdrag van Wenen inzake Consulaire Betrekkingen bestaat er geen recht op het in dienst nemen van huispersoneel en kan Nederland dit dus verbieden. In sommige zetelverdragen is het recht op het in dienst nemen van huispersoneel echter onvoorwaardelijk toegekend. Indien het juridisch mogelijk is het in dienst nemen van huispersoneel te verbieden, dan is het belangrijkste criterium om daartoe over te gaan de ernst van eventuele misstanden, en de wijze waarop er door de werkgever wordt gereageerd op een interventie door Buitenlandse Zaken.
Het is tot dusver één maal voorgekomen dat het betreffende privilege werd ingetrokken, nadat de betreffende werkgever bij herhaling in gebreke bleef ten aanzien van betaling van het minimumloon.
Bent u bereid om in contact te treden met het Internationaal Strafhof, het Europees Octrooibureau en de ambassades van Saoedi-Arabië, Jordanië, Koeweit, Kameroen, Verenigde Arabische Emiraten, Qatar, Libanon, Oman, Qatar, India, Somalië, Suriname, Bolivia en Ghana om hen te wijzen op de Nederlandse wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden en indien nodig een sanctie op te leggen? Zo nee, waarom niet?
Indien er duidelijke en concrete aanwijzingen zijn voor misstanden, wordt in contact getreden met de desbetreffende ambassade, consulaat of internationale organisatie.
Zie tevens de antwoorden op vragen 3 en 4.
In hoeverre wordt er gehoor gegeven aan de halfjaarlijkse uitnodiging voor een gesprek op het ministerie?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat het informeren van deze groep werknemers in een persoonlijk gesprek over de rechten in Nederland, waaronder het minimumloon, een werkweek van vijf dagen van maximaal 40 uur, vakantiedagen en uitbetaling van overuren, alsmede het halfjaarlijks uitnodigen voor een persoonlijk gesprek, onvoldoende is om misstanden en uitbuiting te voorkomen? Zo ja, bent u bereid om Nederlandse ambassades, werknemers die van plan zijn bij een buitenlandse diplomaat in Nederland in particuliere dienst te treden, voor vertrek zorgvuldig te informeren over hun rechten?
Neen, deze mening deel ik niet. Bij aankomst van huispersoneel wordt deze informatie verstrekt in een persoonlijk en vertrouwelijk gesprek op het ministerie. Daarbij wordt het huispersoneel voorgelicht over rechten en plichten, en wordt (contact) informatie verstrekt van relevante organisaties die behulpzaam kunnen zijn in geval van nood of misstanden. Ook krijgen zij contactgegevens van de BZ-medewerkers die verantwoordelijk zijn voor het monitoren van hun arbeidsomstandigheden. Op deze manier heeft huispersoneel de mogelijkheid misstanden direct te melden. Daarnaast worden ambassades, consulaten en internationale organisaties op de hoogte gehouden van het Nederlandse arbeidsrecht.
Is de berichtgeving juist dat de noodzaak van een arbitragecommissie door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt onderzocht? Zo ja, wanneer kunt u het resultaat van dit onderzoek naar de Kamer sturen?
De werkwijze van het interventieteam Onderwijs en Zorg |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Op basis van welke criteria mag het interventieteam Onderwijs en Zorg ingrijpen als het gaat om leerlingen die langdurig thuiszitten?1 2
In de achtste voortgangsrapportage passend onderwijs heb ik, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bericht dat wij gezamenlijk een tijdelijk Interventieteam Onderwijs en Zorg (hierna: interventieteam) inrichten. Dit interventieteam kan als ultimum remedium worden betrokken om te komen tot een oplossing voor kinderen en jongeren met een zeer complexe onderwijszorgproblematiek die langdurig thuis zitten. Ook heeft dit team als opdracht om van de ervaringen van ouders, onderwijs en zorg te leren en zo leereffecten voor de thuiszittersaanpak op te halen en te benutten om de effectiviteit van deze aanpak te vergroten.
Het inhoudelijke uitgangspunt voor de betrokkenheid van het interventieteam zijn de wettelijke kaders voor onderwijs en zorg en de ruimte die deze bieden. Het interventieteam heeft daarbij geen extra bevoegdheden, maar brengt het probleem in kaart met informatie van alle betrokken partijen, bespreekt vervolgens met hen de casus, spreekt partijen indien nodig aan op hun verantwoordelijkheid en maakt vervolgafspraken.
Welke procedure doorloopt het interventieteam Onderwijs en Zorg wanneer zij een aanmelding van een leerling, die langdurig thuis zit en waar geen passende oplossing voor is gevonden, behandelt? Is deze werkwijze ergens vastgelegd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vanwege de diversiteit van de problematiek, de gestelde vraag en de betrokken partijen is altijd een aanpak op maat nodig. Dat betekent ook dat de werkwijze per casus kan verschillen. Wel kent het interventieteam een intakeprocedure waarbij contact opgenomen wordt met de indiener en deze wordt geïnformeerd over werkwijze, waaronder de voorwaarde dat ouders (of andere indieners) toestemming geven om informatie op te halen bij partijen. Besproken wordt welk probleem er precies speelt en welke partijen reeds betrokken zijn zodat ook bij hen informatie kan worden nagevraagd. Vervolgens wordt een analyse gemaakt van de situatie en het betrokken netwerk en wordt een voorstel gedaan voor een vervolgstap.
Heeft het interventieteam Onderwijs en Zorg in alle 25 behandelde situaties contact opgenomen met de ouders – dan wel de persoon die gezag heeft over een leerling? Zo nee, waarom niet?3
In alle casussen is er contact geweest met ouder(s) en of de jongere. Een aantal casussen is via ouder(s) bij het interventieteam terecht gekomen, waarmee het contact meteen gelegd is.
Heeft het interventieteam Onderwijs en Zorg doorzettingsmacht in een situatie waarin een leerling langdurig thuis zit en er geen passende onderwijsoplossing is gevonden? Zo ja, in hoeveel situaties heeft het interventieteam deze doorzettingsmacht «gebruikt»?
Nee. Het interventieteam heeft geen doorzettingsbevoegdheid.
Welke redenen liggen eraan ten grondslag dat niet alle 25 behandelde situaties door het interventieteam Onderwijs en Zorg succesvol zijn afgerond?
De casussen die bij het interventieteam terecht komen, hebben vaak een lange voorgeschiedenis en er zijn meerdere partijen betrokken. Er is vaak geen simpele oplossing en komt het voor dat het nodig is om de gezinssituatie te betrekken bij de aanpak van de onderwijszorgbehoefte van een kind of jongere. Soms loopt er op het moment van het verzoek al een andere interventie en staat er bijvoorbeeld een jeugdbeschermingstafel in de planning waarmee rekening gehouden moet worden. Een aantal casussen is daarom nog in behandeling. In de tiende voortgangsrapportage passend onderwijs wordt over de ervaringen en resultaten van deze complexe casussen gerapporteerd.
In hoeverre worden de ouders/verzorgers van leerlingen die thuiszitten bij de behandeling van een situatie door het interventieteam Onderwijs en Zorg betrokken? Bestaan hiervoor vastgestelde procedures?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Op welke wijze mag/kan het interventieteam Onderwijs en Zorg ingrijpen als het gaat om leerlingen die langdurig thuiszitten en waar in eerdere stadia geen passende oplossingen voor zijn gevonden?
Het interventieteam heeft verschillende mogelijkheden om alle betrokken partijen te helpen om uit een impasse te komen. De betrokkenheid varieert van het volgen van de voortgang tot het daadwerkelijk interveniëren door overleg te organiseren of in de regio te stimuleren dat men een afspraak maakt welke professional of organisatie de verantwoordelijkheid neemt voor een goede oplossing.
Zie ook het antwoord op vraag 4.
Uit welke personen (functies) of instanties bestaat het interventieteam Onderwijs en Zorg en wie van hen heeft uiteindelijk doorzettingsmacht om beslissingen te maken en uit te voeren?
Het interventieteam bestaat uit beleidsmedewerkers van de ministeries van VWS en OCW als ondersteuningsteam. Daarnaast worden managers van deze ministeries of een extern lid betrokken (casusadoptie). Ook wordt er deskundigheid ingezet vanuit Gedragswerk en Bureau Onderwijsconsulenten. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, heeft het interventieteam geen doorzettingsbevoegdheid.
In hoeverre hebben ouders/verzorgers van leerlingen die thuiszitten en aangemeld zijn bij het interventieteam Onderwijs en Zorg inspraak in de werkwijze van het interventieteam?
Met ouders en andere betrokken partijen wordt overlegd welke vervolgstappen worden gezet. Na afloop van een traject wordt de betrokkenheid van het interventieteam met de ouders, onderwijs- en zorgprofessionals geëvalueerd.
In hoeveel situaties heeft interventie door het interventieteam Onderwijs en Zorg al geleid tot een succesvolle uitkomst waarbij de leerling in kwestie uiteindelijk weer onderwijs op maat kreeg al dan niet in combinatie met de zorg die hij of zij nodig heeft? Kunt u hierbij omschrijven wat de werkwijze van het interventieteam Onderwijs en Zorg in deze situaties was?
Er zijn diverse casussen waar een oplossing is gerealiseerd en de leerling een aanbod voor zowel zorg als onderwijs heeft. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, verschilt de werkwijze bij de casussen. Graag ga ik hier nader op in in de tiende voortgangsrapportage passend onderwijs.
Wat is de reden dat er slechts 25 leerlingen zijn aangemeld bij het interventieteam Onderwijs en Zorg, terwijl duizenden leerlingen in Nederland geen onderwijs ontvangen en thuiszitten? Zijn alle situaties – waarin de combinatie onderwijs en zorg reden zijn waarom de leerling geen onderwijs ontvangt – wel voldoende in beeld?
Ik deel met u dat er voor alle leerlingen die langdurig thuiszitten zonder onderwijs of zorg, zo snel mogelijk een passend aanbod moet worden geboden. Daarom is met passend onderwijs een zorgplicht ingevoerd voor scholen en zijn samenwerkingsverbanden ingericht zodat scholen de zorgplicht ook waar kunnen maken. Ook gemeenten en zorgverzekeraars hebben een zorgplicht. Zoals in de achtste voortgangsrapportage is aangegeven, is het interventieteam een uiterste middel voor complexe casuïstiek. Er zijn verschillende organisaties waar ouders en leerlingen terecht kunnen als het niet lukt om met de school en de zorgaanbieders tot een passend onderwijszorgtraject te komen. Zo kan beroep worden gedaan op onafhankelijke cliëntondersteuning, kan een onderwijszorgconsulent worden betrokken en is er voor geschillen over toelating tot het onderwijs een geschillencommissie. Ook kunnen thuiszitters zich melden bij de onderwijsinspectie. In veel gevallen kan met behulp van deze organisaties een oplossing worden bereikt.
De marktverstorende bestedingen van netwerkbedrijven |
|
Roland van Vliet (Van Vliet) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over de marktverstorende bestedingen van netwerkbedrijven?1
Ja.
Vindt u het niet zorgelijk dat, zoals op basis van het jaarverslag 2015 van Alliander2 is af te leiden, er in dat jaar € 280 miljoen aan dividend van netbeheerder Liander is afgeroomd door het netwerkbedrijf Alliander (terwijl er slechts € 85 miljoen werd uitgekeerd aan de aandeelhouders van Alliander), maar dat onduidelijk is wat er met dit geld gebeurd is?
Een netbeheerder die winst maakt heeft twee mogelijkheden om deze winst aan te wenden. De netbeheerder kan de winst herinvesteren in het bedrijf of uitkeren als dividend aan haar aandeelhouders. In het Besluit financieel beheer netbeheerder worden eisen gesteld aan het financieel beheer van een netbeheerder om hiermee te verzekeren dat een netbeheerder niet te grote financiële risico’s loopt en zodoende altijd zijn wettelijke taken kan uitvoeren. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op de naleving van de regels in dit besluit. Binnen deze grenzen is het aan de netbeheerder en de publieke aandeelhouders hoe zij omgaan met de winst. In de context waarin de netbeheerder is afgescheiden van productie, handel en levering en eventuele overige commerciële activiteiten van het netwerkbedrijf waar een netbeheerder onderdeel van uit maakt zijn begrensd, acht ik deze waarborgen voor de bescherming van de netten en de netbeheerder voldoende. Daarom zie ik geen reden om mij zorgen te maken over financiële risico’s voor de netbeheerder Liander. Overigens ga ik ervan uit dat een publiek bedrijf zoals Alliander zo transparant mogelijk is in de verslaglegging.
In hoeverre is deze constructie in strijd is met het streven naar het creëren van een vette netbeheerder? Deelt u de mening dat op deze manier een vet netwerkbedrijf wordt gecreëerd en in hoeverre acht u dat in het licht van de oorspronkelijke doelstellingen van de Wet Onafhankelijk Netbeheer wenselijk?
In de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet is bepaald dat de netbeheerders zogenoemde «vette netbeheerders» moeten zijn. Meer concreet gaat het erom dat de netbeheerder een belangrijk deel van zijn wettelijke taken zelf uitvoert en ook over de (financiële) middelen moet beschikken om dit goed te doen. Door het creëren van een «vette netbeheerder» wordt het financiële beheer bij de netbeheerder transparanter en wordt de regulering van de efficiëntie en kwaliteit van het netbeheer eenvoudiger en effectiever. Ik heb geen signalen dat netbeheerder Liander niet aan deze eisen voldoet.
Bent u het ermee eens dat het er, op basis van ditzelfde jaarverslag van 2015, op lijkt dat met de dividenden van netbeheerders aan de holdings verliezen in het commerciële domein afgedekt worden? Bent u ook van mening dat dit geen wenselijke ontwikkeling is omdat er sprake is van gemeenschapsgeld?
Op basis van de huidige wet- en regelgeving (artikel 17, tweede en derde lid, Elektriciteitswet en artikel 10b, tweede en derde lid, Gaswet) hebben netbeheerders beperkte ruimte om nevenactiviteiten te verrichten. Het uitgangspunt in de wet- en regelgeving is dat netbeheerders zich focussen op hun kerntaak. Nevenactiviteiten dienen naar aard en omvang ondergeschikt te zijn aan de activiteiten ingevolge de kerntaak. Daarom is de ruimte voor nevenactiviteiten beperkt tot handelingen en activiteiten die op enigerlei wijze betrekking hebben of verband houden met infrastructurele voorzieningen of aanverwante activiteiten.
De netbeheerder mag de winst herinvesteren in de eigen onderneming of uitkeren als dividend aan haar aandeelhouders. Kosten van het netwerkbedrijf mogen echter niet worden toegerekend aan de netbeheerder. Heldere boekhoudkundige eisen in de wet voorkomen dat kosten van het netwerkbedrijf aan de netbeheerder worden toegekend, waardoor deze kosten in de nettarieven terecht zouden komen en er sprake zou zijn van rechtstreekse kruissubsidiëring. Een netbeheerder krijgt alleen tariefruimte voor zijn eigen taken. Het is in eerste instantie aan de accountant en vervolgens aan de ACM om hier toezicht op te houden. De efficiëntiebeoordeling van de netbeheerders binnen de tariefregulering voorkomt ook het significant toerekenen van kosten van het netwerkbedrijf aan de netbeheerder. Immers, indien kosten van het netwerkbedrijf aan de netbeheerder worden toegerekend zal de netbeheerder minder efficiënt uit de vergelijking met andere netbeheerders komen en daardoor geen of beperkt tariefruimte krijgen voor deze extra kosten.
Naast rechtstreekse kruissubsidiëring kan sprake zijn van indirecte kruissubsidiëring. Van indirecte kruissubsidiëring kan sprake zijn indien structureel dividenden uit het netbeheer in het netwerkbedrijf worden gehouden ter bekostiging van de (commerciële) activiteiten binnen het netwerkbedrijf. Ik zie het als de primaire verantwoordelijkheid van de publieke aandeelhouders van netwerkbedrijven om dit in het oog te houden. Graag ga ik met de aandeelhouders van de netwerkbedrijven in gesprek over de afwegingen die zij maken, de effecten die de afwegingen op de energiemarkt kunnen hebben en hoe ik de aandeelhouders eventueel kan ondersteunen om hun rol beter in te kunnen vullen.
Kunt u een overzicht geven van de commerciële activiteiten die door Alliander worden ontplooid en in hoeverre worden die activiteiten gefinancierd vanuit de holding?
Het jaarverslag van Alliander bevat een volledig overzicht van de dochterondernemingen en deelnemingen van Alliander. Daar kan het volgende overzicht van activiteiten aan worden ontleend3:
De externe financiering van alle activiteiten van Alliander vindt centraal plaats door de Holding (Alliander N.V.). De financiering van groepsmaatschappijen vindt intern plaats via een rekening-courant verhouding, waarbij overeenkomsten worden afgesloten tussen Alliander N.V. en de betreffende groepsmaatschappij(en). De voorwaarden en rentecondities worden jaarlijks bepaald op marktconforme condities.
Bent u het ermee eens dat door dit soort praktijken sprake is van kruissubsidiëring van commerciële activiteiten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Onderkent u het feit dat aandeelhoudende gemeenten en provincies totaal geen zicht hebben op de vraag waar netwerkbedrijven hun geld in steken en wat zij hierdoor aan dividend mislopen? Zo ja, wat gaat u eraan doen om meer «awareness» hieromtrent te creëren? Zo nee, hoe kunnen deze aandeelhouders dan toestaan dat zij zoveel dividend mislopen?
De Nederlandse regionale netwerkbedrijven zijn in handen van Nederlandse decentrale overheden. Als aandeelhouders hebben zij een belangrijke rol in het toezien op de activiteiten van het netwerkbedrijf en van de netbeheerder die daar onderdeel van uitmaakt. De aandeelhouders maken een eigenstandige afweging waar en waarin het best geïnvesteerd kan worden, rekening houdend met de wettelijke kaders, publieke belangen (zoals waardebehoud, de kwaliteit van de netwerken en werkgelegenheid) en de financiële risico’s van investeringen. Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven, ga ik graag met de aandeelhouders van netwerkbedrijven in gesprek.
Wat gaat u doen aan het feit dat er geen gevolg wordt gegeven aan de oproep van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aan de netwerkbedrijven «om transparant te zijn over hun activiteiten»?3
De huidige wet- en regelgeving biedt een kader om commerciële activiteiten van netwerkbedrijven, die niet verwant zijn aan netbeheer of infrastructurele activiteiten, te voorkomen. In het wetsvoorstel Voortgang Energietransitie wordt daarnaast een verbetering voorgesteld voor de afbakening van activiteiten van netwerkbedrijven ten opzichte van andere bedrijven enerzijds en binnen een netwerkbedrijf ten opzichte van de werkzaamheden van de netbeheerder anderzijds. Dit draagt bij aan een goede voedingsbodem voor de energietransitie en voorkomt marktverstorend gedrag. De kern van de afbakening is dat de activiteiten van netwerkbedrijven zich beperken tot infrastructurele activiteiten. Hiermee kan de expertise en ervaring van netwerkbedrijven goed worden benut en is tegelijkertijd helder dat andere activiteiten, zoals energiediensten en besparingsadviezen, aan de markt zijn. Door sommige partijen wordt een grote rol van netwerkbedrijven in de energietransitie geopperd, omdat de netwerkbedrijven een solide financiële positie hebben en mogelijk genoegen zouden nemen met een lager rendement. De keerzijde is dat wanneer marktpartijen vrezen voor concurrentie van een dergelijke partij, zij terughoudend zullen zijn met investeringen. Een grotere rol voor netwerkbedrijven kan dan averechts werken en de energietransitie afremmen. Het wetsvoorstel Voortgang Energietransitie zal binnenkort bij uw Kamer worden ingediend.
Hoe gaat u, in voorbereiding op het wetsvoorstel Voortgang Energietransitie, volledig tegemoetkomen aan het advies van de ACM «om activiteiten door netwerkbedrijven te beperken, die net zo goed of nog beter door de markt zouden kunnen worden uitgevoerd»?4
Zie antwoord vraag 8.
Ziet u gelijkenis van deze marktverstorende, risicovolle commerciële investeringen van deze semi-publieke netwerkbedrijven met de werkwijze van woningcorporaties voordat de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties werd ingesteld?
Voor de netbeheerders zie ik geen vergelijkbare situatie. Netbeheerders zijn afgescheiden van productie, handel en levering en ook andere commerciële activiteiten binnen de groep zijn begrensd. Kosten van het netwerkbedrijf mogen niet worden toegerekend aan de netbeheerder en er zijn maatregelen getroffen om risicovolle commerciële investeringen niet te laten terugslaan op de netbeheerder. Om financiële risico’s te voorkomen zijn in het Besluit financieel beheer netbeheerder eisen gesteld aan het financieel beheer van een netbeheerder om hiermee te verzekeren dat een netbeheerder niet te grote financiële risico’s loopt en zodoende altijd zijn wettelijke taken kan uitvoeren.
Het bericht dat aanbieders van wijkverpleging nu al op budgetplafonds stuiten |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aanbieders stuiten nu al op budgetplafond»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de helft van de leden van de brancheorganisatie voor thuiszorg, BTN, aangeeft problemen te hebben met het jaarbudget voor wijkverpleging?
Ik betreur het ten zeerste dat er nu al weer discussie is ontstaan over de budgetten voor wijkverpleging. Vooral omdat dit tot onrust bij patiënten kan leiden. Ik vind de continuïteit van zorg van groot belang. Er is in 2016 € 180 miljoen meer beschikbaar gesteld dan in 2015. Ik ga er daarmee van uit dat er voldoende budget voor de wijkverpleging beschikbaar is.
Bij hoeveel van deze organisaties dreigt een cliëntenstop?
Ik heb geen zicht op het aantal cliëntenstops dan wel het aantal instellingen waar wachtlijsten dreigen te ontstaan. Voor patiënten kan een patiëntenstop bij een instelling niet tot gevolg hebben dat zij verstoken blijven van zorg. De zorgverzekeraar moet voor voldoende toegang tot zorg bij de patiënt in de buurt zorgen, ook als het gaat om palliatief terminale zorg.
Bij hoeveel van deze organisaties gaat het om cliëntenstops in de palliatief terminale thuiszorg?
Zie antwoord vraag 3.
Bij hoeveel van deze organisaties dreigt een wachtlijst te ontstaan?
Zie antwoord vraag 3.
Bij hoeveel van deze organisaties dreigen ontslagen te vallen?
Ik beschik niet over informatie over arbeidsplaatsen bij individuele organisaties.
Bij hoeveel van deze organisaties dreigt faillisement en dus discontinuïteit van zorg te ontstaan?
Ik beschik niet over informatie over dreigende faillissementen bij individuele organisaties. Ook bij een faillissement dient de zorgverzekeraar ervoor te zorgen dat er voldoende aanbod is van wijkverpleging in de regio.
Wat vindt u ervan dat cliënten door zorgverzekeraars worden doorverwezen naar zorgorganisaties waar nog wel ruimte in het budget is? Hoe rijmt u dit met de keuzevrijheid van cliënten?
In principe kan iedereen kiezen voor de voorkeurszorgaanbieder. Op het moment dat deze zorgaanbieder het budgetplafond met desbetreffende zorgverzekeraar heeft bereikt kan een aanbieder er niet bij voorbaat van uitgaan dat de zorgverzekeraar deze zorg vergoedt. Er dient in zo’n situatie overleg plaats te vinden met de zorgverzekeraar over mogelijke bijcontractering. Dat proces heeft in 2015 ook plaatsgevonden. De zorgverzekeraar dient hierbij een alternatief aan te bieden wanneer het budgetplafond is bereikt. Het is dus mogelijk dat een cliënt zorg zal ontvangen van een andere aanbieder in de regio.
Deelt u de mening dat ondanks dat er doelmatiger gewerkt wordt en er minder inzet van zorg is het budget voor de wijkverpleging gewoonweg niet afdoende is?
Ik deel deze mening niet. De voorlopige overschrijding van budgettair kader voor de wijkverpleging in 2015 was met 37,7 miljoen euro beperkt en er zijn nog geen tekenen dat er een overschrijdingen van het het kader in 2016 zal plaatsvinden.
Waarom is bijstelling van de contracten en budgetafspraken niet mogelijk? Wat kan uw rol hierin zijn?
Bijstellen van contracten en budgetafspraken is mogelijk, wanneer verzekeraars en aanbieders hier afspraken over maken. Mijn rol is om er op toe te zien dat verzekeraars voldoen aan hun zorgplicht. Daarnaast spreek ik regelmatig met zowel zorgaanbieders als zorgverzekeraars waarin ook de contracteringsperikelen aan de orde komen. Ik heb ook al met zorgverzekeraars en zorgaanbieders afgesproken om vanaf september regionaal periodieke overleggen te beleggen tussen zorginkopers en zorgaanbieders. Deze overleggen hebben als doel om de stand van zaken rond de wijkverpleging in de regio te peilen. Hierbij moet aandacht zijn voor de problemen die er zijn, maar vooral voor hoe we dingen oplossen. De goede voorbeelden zullen hierbij als uitgangspunt worden gehanteerd. Ook de wijkverpleegkundigen zullen hieraan deel nemen, zodat vanuit de praktijk gewerkt wordt aan oplossingen voor de patiënten die zorg nodig hebben.
Bent u nog steeds van mening dat de megabezuiniging dit jaar van 600 miljoen euro op het budget voor verpleging en verzorging niet van invloed is op de genoemde problematiek? Zo ja, wilt u dit uitgebreid toelichten?
Zie mijn antwoord op vraag 8 van het lid Agema (PVV) over het bericht dat de continuïteit van zorg in gedrang komt door krappe budgetten wijkverpleging (2016Z14566).
Denkt u dit jaar weer te kunnen gokken, nadat u vorig jaar erop gokte dat de zorgaanbieders hun tekorten door de bezuiniging van 400 miljoen euro konden aanvullen vanuit hun reserves? Zo ja, wilt u dit toelichten?.
Zie mijn antwoord op vraag 15 van het lid Agema (PVV) over de brandbrief van Actiz over de wijkverpleging (2016Z15106).
De verwaarlozing van dieren in Caribisch Nederland (Herdruk) |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de sterfte van veel dieren door aanhoudende droogte op het eiland Sint Eustatius?
Ja.
Is het waar dat zowel het rondzwervende vee (roaming animals) als het vee dat gehouden wordt binnen omheiningen dikwijls sterk vermagerd is en onvoldoende verzorgd wordt door hun eigenaren?
Er zijn gevallen waarbij eigenaren van vee onvoldoende zorg dragen voor hun dieren. De lokale overheid probeert onvoldoende verzorging te voorkomen. Dierenwelzijnsorganisaties bieden hulp bij het opvangen van ezels. De lokale overheid en dierenwelzijnsorganisaties doen hun best om het welzijn van dieren op Sint Eustatius te verbeteren. Zie verder het antwoord bij vraag 4.
Bent u op de hoogte van de petitie die is ingediend door 500 lokale bewoners, waarin de lokale overheid wordt verzocht om hierop te handhaven? Is het waar dat de lokale overheid heeft verzuimd om in actie te komen?
Het is mij bekend dat een petitie is aangeboden waarin de regering wordt gevraagd om een einde te maken aan het rondzwerven van dieren vanwege de ongelukken en de vernielingen door dieren, de onhygiënische situatie en de slechte conditie van de dieren. Het probleem van de loslopende dieren speelt al enkele decennia. Sinds 2010 tracht de lokale overheid een einde te maken aan deze situatie en zijn verscheidene acties ondernomen door de lokale overheid. Zie verder het antwoord bij vraag 4.
Kunt u aangeven welke stappen de lokale overheid onderneemt om verwaarlozing van dieren tegen te gaan? Is dit naar uw opvatting voldoende? Zo nee, waarom niet?
In 2014 heeft het Ministerie van Economische Zaken het project «Roaming animals Sint Eustatius» gefinancierd in het kader van de «Bijzondere uitkering natuur Caribisch Nederland». Dit project moet een einde maken aan de loslopende dieren op het eiland. Binnen dit project zijn er verschillende stappen gezet.
Een belangrijke stap bestaat uit de recente (juli 2016) aanpassingen van een tweetal eilandsverordeningen:
Tevens heeft de lokale overheid preventieve maatregelen genomen die verwaarlozing moeten voorkomen:
Dit zijn goede stappen om tot verbetering van het dierenwelzijn te komen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de lokale overheid van Sint Eustatius om verwaarlozing van dieren tegen te gaan? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Verwaarlozing van dieren is primair de verantwoordelijkheid van het Openbaar Lichaam Sint Eustatius en gezien de stappen die de lokale overheid heeft gezet, is een gesprek nu niet aan de orde.
De deprivatisering van sportaccommodaties |
|
Michiel van Nispen |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het artikel over de recente deprivatisering van een sportcentrum?1
Sportaccommodatie beleid is een verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. Ik vertrouw erop dat zij het eigen beleid optimaal inrichten op het behalen van de eigen beleidsdoelstellingen. Recent onderzoek door het Mulier Instituut naar gemeentelijke collegeakkoorden2 toont aan dat privatisering bij veel gemeenten hoog op de agenda staat. Deprivatisering in slechts enkele gevallen. Kostenbesparing wordt daarbij door de ondervraagden als belangrijk argument aangedragen, naast verbeteren van de efficiency en de vraag vanuit verenigingen zelf.
Wat zegt het volgens u dat uit onderzoek blijkt dat voor de privatisering van sportaccommodaties de afgelopen decennia in veel gemeenten voornamelijk of zelfs uitsluitend financiële argumenten een rol hebben gespeeld en dat van ideologische gedrevenheid veel minder vaak sprake was?
Zie antwoord vraag 1.
Beschikt u over cijfers over de exploitatie van zwembaden? Van hoeveel zwembaden is de exploitatie uit handen gegeven aan een commerciële exploitant, en in hoeveel van die gevallen is de gemeente eigenaar gebleven van het gebouw? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen de verschillende vormen van privatisering, namelijk verzelfstandiging in een stichtingsvorm (zonder winstoogmerk) en de privatisering richting een commerciële exploitant?
Uit het Brancherapport Zwemmen in Nederland3 blijkt dat er in 2012 1.537 zwembaden waren, waarvan 691 openbare zwembaden. Van de openbare baden werd 68 procent particulier en 32 procent gemeentelijk geëxploiteerd. Daarnaast wordt in de Zwemmonitor onderscheid gemaakt tussen diverse vormen van particuliere exploitanten. Van de openbare zwembaden in Nederland werd 28 procent geëxploiteerd door een besloten vennootschap (bv) maar ook een stichtingsvorm wordt met 26 procent vaak gehanteerd in de exploitatie van openbare zwembaden. Andere vormen van particuliere exploitatie waren een NV(6%), een eenmanszaak, vof of cv (2%), een vereniging (2%) en participanten (2%). In de overige 2 procent van de gevallen kwam een andere exploitatievorm voor.
Drie kwart van de openbare zwembaden was in 2012 eigendom van de gemeente. Daarnaast was 12 procent van de openbare zwembaden eigendom van een bv en is 11 procent in handen van een stichting. Naamloze vennootschappen (nv)(2%), een eenmanszaak, vennootschap onder firma (vof) of commanditaire vennootschap (cv)(1%), participanten (1%) en verenigingen (0%) speelden nauwelijks een rol bij het eigendom van zwembaden. 1 procent had een andere eigendomsvorm.
Begin 2017 verwacht ik nieuwe cijfers (over 2015) over de verhouding gemeentelijke / particuliere exploitatie.
Deelt u de mening dat er ook evidente nadelen aan privatisering van sportaccommodaties zitten, bijvoorbeeld het feit dat commerciële belangen eerder de doorslag zullen geven boven andere, maatschappelijke belangen? Kunt u daarbij eveneens onderscheid maken tussen de verschillende vormen van privatisering, nu bij de stichting zonder winstoogmerk (evenals bij de exploitatie door de gemeente zelf) het algemeen belang (bijvoorbeeld het belang van een gezonde samenleving) veel eerder voorop zal worden gesteld dan bij de privatisering richting een commerciële exploitant, waarbij het commerciële belang eerder de doorslag zal geven?
Zoals in de beantwoording op de eerste vragen is aangegeven is het accommodatie beleid een verantwoordelijkheid van de gemeenten. Zij maken hierbij de afweging tussen de gekozen financiering en beheersvorm en de doelen die zij hiermee willen behalen. Dat is een ingewikkelde afweging, waarin meerdere modellen en mogelijkheden een rol spelen. Er kan niet op voorhand worden gesteld dat de ene beheersvorm tot meer maatschappelijke winst leidt dan de andere. Bij privatisering wordt door de gemeente doorgaans duidelijke afspraken gemaakt over openstelling én tariefstelling voor maatschappelijke activiteiten. Daarnaast wordt voldoende ruimte geboden om commerciële activiteiten te ontplooien zonder dat dit ten koste gaat van de maatschappelijke functie. Alles staat en valt wel bij een goed evenwicht tussen beide belangen. Aan hen is het dan ook om de voor- en nadelen af te wegen van de keuzes die zij maken.
Hoe kan er in gevallen waarin een commerciële exploitant de exploitatie meerjarig gegund krijgt, maar het vastgoed bij de gemeente blijft, voor worden gezorgd dat de exploitant in het gebouw blijft investeren en er na afloop van het contract geen achterstallig onderhoud blijkt met kosten voor de gemeenschap als gevolg? Bent u bekend met het feit dat dit in de praktijk wel eens problemen geeft? Hoe kan dit worden voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe kan worden voorkomen dat geld dat bestemd is voor sport, volksgezondheid en/of onderwijs, weglekt naar de commerciële exploitant en eventuele aandeelhouders? Hoe kan er voor worden gezorgd dat de middelen ten gunste komen van het zwembad en de zwemsport? Is dit niet eenvoudiger te bewerkstelligen indien de overheid of een stichting zonder winstoogmerk het zwembad exploiteert?
Gemeenten zijn vrij om de middelen die zij krijgen voor sport, volksgezondheid en/of onderwijs te besteden naar eigen inzicht zolang de bestedingen bijdragen aan het behalen van de doelen. Ik heb er het volste vertrouwen in dat gemeenten hier voldoende kennis en kunde voor in huis hebben. Onder andere de Vereniging Sport en gemeente en het Kenniscentrum Sport ondersteunt gemeenten hierin actief.
Deelt u de mening dat de argumenten voor deprivatisering aan belang aan het winnen zijn, omdat het beheer van sportaccommodaties zoals zwembaden betekent dat gemeenten meer grip krijgen op activiteiten die in het sportcentrum plaatsvinden, wat vooral voordelen kan hebben voor activiteiten met een maatschappelijk karakter?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het eens met de veronderstelling dat er wel eens veel meer gemeenten zouden kunnen zijn dan de gemeente Oldenzaal, genoemd in het artikel, waarin het zwembad niet optimaal benut wordt, zeker nu door de transitie van zorgtaken van de rijksoverheid naar de gemeenten het zwembad een belangrijk instrument is geworden om zorgtaken uit te voeren, hetgeen door een gemeente makkelijker is uit te voeren dan voor een (externe) marktpartij omdat er dan apart voor zal moeten worden betaald? Welke kansen biedt dit voor deze zorgtaken volgens u en de verbinding met sport en bewegen als middel om de gezondheid te bevorderen van allerlei doelgroepen?
Zie antwoord vraag 4.
Wat zou deprivatisering van sportaccommodaties kunnen betekenen voor de toegankelijkheid van sportvoorzieningen, zoals zwembaden, zodra het evenwicht tussen de maatschappelijke en commerciële belangen niet langer overhelt naar de commerciële belangen bij geprivatiseerde zwembaden?
Zoals eerder gesteld kan niet op voorhand worden gesteld dat de ene of de andere beheersvorm tot meer of minder maatschappelijk rendement leidt. Veel hangt af van de lokale situatie, de voorwaarden waaronder een en ander plaatsvindt en de wijze waarop activiteiten worden vormgegeven. Ik heb geen indicaties dat het evenwicht momenteel naar één kant overhelt.
In hoeveel gemeenten wordt nog schoolzwemmen aangeboden?
In 2012 werd in 43% van de gemeenten schoolzwemmen aangeboden4. Het aandeel scholen dat schoolzwemmen aanbiedt bedroeg in 2013 34%5 (57% in 2005). Via het programma NL Zwemveilig worden dit najaar nieuwe cijfers over schoolzwemmen verzameld. Er zal onder andere gekeken worden naar hoe het gemeentelijk beleid zich heeft ontwikkeld ten opzichte van de geuite voornemens6.
Er is geen beeld over of in deze gemeenten meer verbindingen tussen zwembaden en onderwijs gemaakt worden dan in gemeenten waar schoolzwemmen niet via de gemeente wordt aangeboden, maar waar scholen dit zelf ter hand kunnen nemen. In een stad als Rotterdam participeren ook de baden van commerciële exploitanten in het gemeentelijke schoolzwemprogramma. Het is dan ook niet te zeggen of wanneer gemeenten meer zwembaden in eigen beheer hebben of nemen er meer verbindingen met onderwijs zijn of worden gelegd.
Ziet u ook kansen om het schoolzwemmen in de toekomst weer te laten toenemen zodra gemeenten meer zwembaden in eigen beheer zouden hebben, omdat dit slimme verbindingen met het onderwijs mogelijk maakt? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Welke belemmeringen zijn er volgens u voor gemeenten indien zij voornemens zijn sportaccommodaties te deprivatiseren?
Zoals aangegeven zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de beheersvormen die zij kiezen voor de sportaccommodaties. De momenten van wijziging worden meestal natuurlijk ingegeven door bijvoorbeeld het aflopen van een contract met een commerciële exploitant. Wanneer wordt gekozen om te deprivatiseren op zo’n natuurlijk moment zijn er geen grote belemmeringen voor gemeenten.
Welke mogelijkheden zijn er vanuit het ministerie gemeenten hierbij ondersteuning te bieden, geredeneerd vanuit het belang van een toegankelijke sport en het bevorderen van het gebruik van sportaccommodaties ten behoeve van de volksgezondheid en andere maatschappelijke doelen?
Ziet u mogelijkheden om gemeenten te ondersteunen bij de zware lasten van het bezit, beheer en exploitatie van zwembaden? Bijvoorbeeld door als rijksoverheid een gedeelte (bijvoorbeeld 40%) van de loonkosten van de maatschappelijke activiteiten van zwembaden, al dan niet via de Buurtsportcoachregeling, te co-financieren?
Kunt u scenario’s schetsen met bijbehorende kostenplaatjes?
Grote onrust bij Tata Steel |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat een fusie tussen Tata Steel Nederland en het Duitse Thyssen-Krupp tot een groot verlies aan werkgelegenheid kan leiden?1
Tata Steel heeft op vrijdag 8 juli jl. in haar persbericht aangegeven dat door de gewijzigde omstandigheden in het Verenigd Koninkrijk gesprekken zijn aangegaan met strategische partijen in de Europese staalindustrie, waaronder ThyssenKrupp AG, over mogelijke strategische allianties of joint ventures. Het is op dit moment nog onduidelijk wat de uitkomst van deze gesprekken zal zijn. Daarom is evenmin duidelijk of en, zo ja, welke personele gevolgen dit mogelijk heeft.
Deelt u de zorgen van de vakbonden en het personeel? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat u ondernemen om de werkgelegenheid te behouden en hoogovens als wezenlijk onderdeel van de basisindustrie in stand te houden? Gaat u met dat doel in gesprek met de directie van Tata Steel Nederland? Zo nee, waarom niet?
Voorop staat dat iedere onderneming verantwoordelijk is voor zijn bedrijfsvoering en personeelsbeleid. Ik hecht zeer aan een goede verstandhouding met Tata Steel Nederland vanwege het grote belang, onder andere voor de hoogwaardige werkgelegenheid, van het bedrijf voor Nederland en in het bijzonder de regio IJmuiden. Om die reden is er regelmatig contact met Tata Steel Nederland over de situatie. De communicatie tussen Tata Steel Nederland en de Nederlandse overheid is altijd zeer open en constructief. Gezien de huidige stand van zaken treedt het Ministerie van Economische Zaken op als gesprekspartner namens de Nederlandse overheid. Het Ministerie van Economische Zaken is direct op de hoogte gesteld van de gesprekken met strategische partners in de staalindustrie en er is regelmatig contact over eventuele verdere ontwikkelingen.
De controle van biologische bedrijven met het Skal-keurmerk |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op welke wijze Stichting Skal (hierna: Skal) na de certificering van een biologisch bedrijf de controle en hercertificering van dergelijke bedrijven uitvoert/laat uitvoeren en welke private bedrijven hierbij betrokken zijn?
Skal voert de eerste certificering (het toelatingsonderzoek) en de hercertificering (eens per 3 jaar) van de bedrijven altijd zelf uit. Een deel van de andere inspecties wordt uitbesteed aan Control Union (CU), zoals de wettelijk verplichte jaarlijkse inspecties.
Is het waar dat deze controles veelal plaatsvinden door inspecteurs van ingehuurde bedrijven en niet door inspecteurs van Skal zelf? Kunt u aangeven welk percentages van deze controles door ingehuurde inspecteurs plaatsvindt?
Volgens het jaarplan 2016 doet Skal 57% van de inspecties zelf en voert CU de resterende 43% van de inspecties uit. In de loop van 2016 is de controlecapaciteit van Skal fors uitgebreid, zodat het percentage inspecties dat Skal zelf uitvoert in 2017 toeneemt tot circa 70%.
Op welke wijze worden deze ingehuurde bedrijven uitbetaald door Skal? Hoe worden de tarieven voor deze controles vastgesteld?
Aan de geregistreerden bij Skal worden de inspecties doorberekend volgens vaste tarieven, die jaarlijks worden vastgesteld en door mij worden goedgekeurd. De onderlinge verrekening door Skal met CU vindt plaats op basis van daadwerkelijke inspectietijd en een voorrijdtarief.
Kunt u aangeven welk bedrag jaarlijks gemoeid is met de controle van biologische bedrijven en hoeveel door Skal wordt doorbetaald voor de diensten van private bedrijven?
De totale begroting van Skal 2016 bedraagt € 3,7 miljoen. In deze begroting is € 800.000,-- gereserveerd voor de kosten van de door CU uitgevoerde inspecties.
Is het waar dat Skal voor de controles voornamelijk gebruik maakt van één bedrijf, namelijk Control Union?
Voor de inspecties maakt Skal gebruik van de diensten van CU. Voor overige controles, zoals monsternames, worden ook andere bedrijven ingehuurd. Ook wordt gebruik gemaakt van verschillende laboratoria.
Hebben andere certificeringsinstanties ook de mogelijkheid om inspecties, controles en certificeringen uit te voeren namens Skal? Zo ja, hoe verklaart u dan dat één bedrijf een dergelijk groot deel van de markt in handen heeft? Zo nee, waarom niet?
In het verleden hebben andere private partijen ook inspecties voor Skal uitgevoerd. Momenteel is CU echter de enige partij die namens Skal inspecties uitvoert. Om meerdere redenen is het efficiënter om met een beperkt aantal partijen samen te werken:
Kennis en ervaring worden op deze wijze gebundeld. Indien gebruik gemaakt wordt van meerdere controle-instanties, zal er sprake zijn van meer versnippering. Momenteel werkt Skal aan een toekomstplan om de inspectiestructuur anders te organiseren, waarbij een steeds groter deel van de inspecties door Skal-inspecteurs zal worden uitgevoerd om de bundeling van kennis en ervaring nog meer te versterken.
Bent u er zich van bewust dat bedrijven in de landbouwsector die (gedeeltelijk) willen overstappen op biologische landbouw genoodzaakt zijn om zaken te doen met één specifieke certificeringsinstantie, waardoor zij geneigd zijn om de controle en certificering van andere producten ook door deze instantie te laten uitvoeren, waardoor andere certificeringsinstanties als het ware uit de markt gedrukt worden? Wat is uw reactie hierop?
Ja, Nederland heeft bewust gekozen voor een eenduidige structuur van controles, vanwege het voordeel van een effectieve aansturing door de bevoegde autoriteit (Ministerie van Economische Zaken), het belang van continuïteit van de controles en het bundelen van kennis en ervaring. De Europese verordening voor biologische productie en etikettering (VO 834/2007) geeft lidstaten de keuze in de structuur van het controleregime. Nederland heeft om voornoemde redenen gekozen voor één controleautoriteit (Skal), die verantwoordelijk is voor alle wettelijke controletaken binnen de biologische productie. Als privaatrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan heeft Skal ook de bevoegdheid zelf keuzes te maken bij de uitvoering van de controletaken en het daarbij inschakelen van andere controle-organisaties. Deze organisatiestructuur staat ook garant voor een snelle uitwisseling van informatie en kennis tussen de bevoegde autoriteit en de controle-autoriteit in geval van calamiteiten. Dit is ook van belang voor de communicatie met de Europese Commissie.
Hoe verhoudt de relatie tussen Skal en Control Union zich volgens u met artikel 27, lid 5, onderdeel b, punt iii van EG-verordening 834/2007?
Skal is te allen tijde verantwoordelijk voor de werkzaamheden en aansturing van CU, ook voor wat betreft de onpartijdigheid van de ingehuurde inspecteurs en het ontbreken van belangenconflicten, zoals is aangegeven in artikel 27, lid 5, onderdeel b, punt iii van EG-verordening 834/2007.
Bent u bereid in overleg te treden met Skal om het mogelijk te maken dat meerdere certificeringsinstanties in staat worden gesteld om in opdracht van Skal de controles van biologische bedrijven uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Nee, aangezien de gekozen structuur van het controleregime effectief en efficiënt functioneert, zie ik geen aanleiding om in overleg te treden met Skal om deze structuur te wijzigen. Zie ook antwoord op vraag 7.
Nieuwe misstanden op Vliegbasis Eindhoven |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Is het juist dat u een intern onderzoek gaat doen naar misstanden op Vliegbasis Eindhoven?1
Op advies van de Koninklijke Marechaussee heeft de commandant van de Vliegbasis Eindhoven een onderzoek gelast naar (financiële) integriteitschendingen op de vliegbasis. Op grond van de uitkomsten hiervan zal de commandant bepalen of strafrechtelijke aangifte dan wel nader intern onderzoek gerechtvaardigd is.
Wat voor misstanden worden onderzocht? Is het juist dat het om tien incidenten gaat (twee gevallen van alcoholmisbruik en acht gevallen van fraude)?
Zie antwoord vraag 1.
Wie gaat dit onderzoek uitvoeren? Kunt u de exacte onderzoeksopdracht aan de Kamer doen toekomen?
Het onderzoek wordt verricht door een commissie van medewerkers die niet werkzaam zijn op de vliegbasis Eindhoven en op geen enkele wijze betrokken zijn bij de vermeende misdragingen. Voorzitter van de commissie is een kolonel buiten dienst. Ook functionarissen van de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) nemen deel aan het onderzoek. Deze aanpak strookt met het protocol voor intern onderzoek dat wordt toegepast. Dit protocol bevat voorschriften die zorgvuldig en objectief onderzoek waarborgen.
Waarom laat u geen extern onderzoek doen, zodat wordt voorkomen dat de slager zijn eigen vlees keurt?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe voorkomt u de schijn van belangenverstrengeling als uw eigen mensen misstanden binnen uw eigen organisatie gaan onderzoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verklaart u dat opnieuw sprake is van misstanden op Vliegbasis Eindhoven, aangezien u eerder had gezegd dat er schoon schip was gemaakt?2
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u destijds wel afdoende maatregelen genomen? Zo ja, hoe kan het dat er nu opnieuw misstanden zijn gemeld?3
Aangezien we in afwachting zijn van de onderzoeksresultaten, kan ik hierover op dit moment geen uitspraken doen.
Klopt het dat er naar aanleiding van de eerdere misstanden «geen disciplinaire maatregelen waren genomen»? Zo ja, is het mogelijk dat dezelfde mensen verantwoordelijk zijn voor de huidige misstanden? Zo ja, bent u bereid deze mensen te schorsen totdat alle zaken volledig zijn opgehelderd?
Zie antwoord vraag 7.