Beschuldigingen van antisemitisme van vice-voorzitter van de Europese Commissie Frans Timmermans aan het adres van Hongarije. |
|
Vicky Maeijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hongarije: Timmermans moet weg na beschuldiging «antisemitisme»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de uitspraak van de Nederlandse eurocommissaris Timmermans «Ik heb de uitlating op precies dezelfde manier begrepen en was verontwaardigd. Het feit dat antisemitisme nog steeds bestaat in Europa is verschrikkelijk!» volstrekt onaanvaardbaar is? Zo ja, bent u voornemens om het aftreden van de heer Timmermans te eisen? Zo neen, waarom niet?
Het is aan de Europese Commissie en aan de Hongaarse regering om uitleg te geven over de aangehaalde uitspraken. Het kabinet steunt de inspanningen van eerste vicevoorzitter Timmermans om fundamentele waarden binnen de EU te verdedigen en ziet geen aanleiding voor de maatregelen die u voorstelt.
Indien het antwoord op vraag twee ontkennend is, betekent dit dan dat de Nederlandse regering achter de uitspraak van de heer Timmermans staat en daarmee van mening is dat er sprake is van antisemitisme bij de Hongaarse premier en de regering van Hongarije? Zo nee, bent u dan voornemens om afstand te nemen van deze uitspraken en de Hongaarse regering te laten weten dat Nederland de opvattingen van deze ongekozen eurocraat niet deelt?
Het kabinet is van mening dat de aandacht zich dient te richten op de zorgelijke ontwikkelingen in Hongarije ten aanzien van de Wet op Hoger Onderwijs en het wetsvoorstel dat betrekking heeft op non-gouvernementele organisaties en vraagt de betrokkenen om op constructieve wijze met elkaar in contact te treden.
Het bericht “TiSA and the threat to public banks” |
|
Renske Leijten , Maarten Hijink (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie «TiSA and the threat to public banks»?1
Ja
Deelt u de strekking van de publicatie, namelijk dat het Verdrag over de handel in diensten (Trade in Services Agreement – TiSA) mondiale financialisering zal versterken, privatisering van diensten zal stimuleren, en de mogelijkheden van overheden om grenzen te stellen aan marktwerking in de dienstensector verder inperkt? Kunt u uw antwoord onderbouwen?
Nee, het kabinet deelt de strekking van de publicatie niet. De financiële crisis heeft aangetoond dat stringente regelgeving noodzakelijk is. Op grond van mondiale afspraken hebben de meeste deelnemende landen aan de onderhandelingen over het Verdrag over de handel in diensten (Trade in Services Agreement, hierna: TiSA) hun eisen voor financiële instellingen in recente jaren verhoogd. TiSA heeft geen invloed op deze, of in de toekomst nog te leveren, inspanningen.
De onderhandelingsteksten van TiSA roepen de deelnemende partijen niet op tot het privatiseren van diensten. Indien overheden eigenstandig – op basis van hun interne democratische besluitvorming – besluiten private partijen de mogelijkheid te geven bepaalde diensten aan te bieden, dienen overheden op grond van het non-discriminatieprincipe van TiSA zowel binnenlandse als buitenlandse partijen op de markt toe te laten. Dat is op dit moment reeds de praktijk in Nederland.
De conceptafspraken in TiSA worden vergezeld van een markttoegangsaanbod, waarin de verschillende partijen gedetailleerd aangeven voor welke economische sector zij wel of geen markttoegang wensen te verlenen aan de overige partijen, welke uitzonderingen zij op gelijke behandeling wensen te behouden en voor welke sectoren de partijen in de toekomst de beleidsvrijheid wensen te behouden om nieuwe discriminatoire eisen in te kunnen voeren. Hierin heeft de Europese Unie bijvoorbeeld uitzonderingen opgenomen voor publieke dienstverlening, drinkwaterzuivering, notarissen en deurwaarders, kredietwaardigheidsbeoordeling, uitzendbureaus, gokken, publiek onderwijs, (geestelijke) gezondheidszorg. Op grond van het voorbehoud voor publieke diensten kunnen Europese overheden geprivatiseerde diensten in de toekomst wederom nationaliseren of een private aanbieder een monopolie geven.
Daarnaast kennen de onderhandelingsteksten voor TiSA, een generieke bepaling die overheden het recht geeft maatregelen vast te stellen ter bescherming van het publieke belang (de zogenaamde right to regulate). Deze bepaling is vergelijkbaar met artikel XIV van het WTO-akkoord over de handel in diensten (General Agreement on Trade in Services, GATS). Hiermee wordt de beleidsvrijheid van overheden geborgd.
Kunt u een overzicht geven van alle publieke banken binnen de EU?
Er bestaat geen formeel overzicht van alle publieke banken binnen de EU. Graag verwijs ik de Kamer naar de vereniging European Association of Public Banks. Veel – doch niet alle – publieke banken die in de Europese Unie gevestigd zijn zijn lid van deze vereniging, waaronder de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) en de Nederlandse Waterschapsbank (NWB).
Deelt u de opvatting dat TiSA overheden legitimeert om de risico’s van competitief risicogedrag te socialiseren, omdat de grens tussen publieke en private diensten als gevolg van TiSA steeds meer verdwijnt?
Nee, die opvatting deelt het kabinet niet. TiSA schept de voorwaarden voor eerlijke en gereguleerde internationale handel in diensten. De sectorale hoofdstukken van TiSA bieden een internationaalrechtelijk kader voor overheden om regelgevend op te treden in het publieke belang, toegesneden op de specifieke risico’s van een bepaalde sector. Zo bevat het hoofdstuk over e-commerce de plicht voor overheden om een regelgevend kader vast te stellen ter bescherming van consumentenrechten. Ook staat in dit hoofdstuk dat maatregelen ter bescherming van persoonsgegevens gerechtvaardigd en noodzakelijk zijn. TiSA leidt niet tot het vervagen van het verschil tussen publieke en private diensten.
Kunt u toelichten in hoeverre volgens u de definitie van «prudentiële redenen» om van overheidswege beschermende maatregelen te treffen volstaat om te garanderen dat overheden hun diensten kunnen beschermen tegen potentieel schadelijke marktwerking van buitenlandse dienstverleners, en ingaan op de juridische haken en ogen die het Transnational Institute (TNI) identificeert?2
Het hoofdstuk over financiële dienstverlening in TiSA heeft onder meer als doel regels te stellen aan grensoverschrijdende betalingen, internationale (transport)verzekeringen en bancaire diensten. Voorgenomen afspraken regelen bijvoorbeeld de bescherming van persoonsgegevens bij het gebruik van een betaalkaart in het buitenland. Daarnaast krijgen financiële instellingen het recht om in andere landen een vestiging te openen, en een vergunning aan te vragen. Een buitenlandse financiële instellingen dient daarbij te allen tijde te voldoen aan alle geldende wet- en regelgeving die ook geldt voor binnenlandse financiële instellingen. Dit betekent dat buitenlandse bancaire instellingen in Nederland een bankvergunning bij De Nederlandsche Bank moeten aanvragen, en dat zij vallen onder het toezicht van De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten.
Op 13 juni 2014 heeft de Europese Commissie het EU-voorstel voor een hoofdstuk over financiële diensten gepubliceerd.3 Op grond van artikel 2 van het EU-voorstel behouden partijen de bevoegdheid om alle prudentiële maatregelen te nemen, onder andere om spaarders, investeerders en polishouders te beschermen, om de financiële soliditeit en integriteit van een financiële instelling te behouden en om de integriteit en stabiliteit van het financiële systeem te waarborgen. Hiermee geeft TiSA overheden expliciet de bevoegdheid om alle redelijke maatregelen te nemen om de solvabiliteit van individuele financiële instellingen en de stabiliteit van de financiële sector te waarborgen. Deze uitzonderingsbepaling is identiek aan de uitzonderingsbepaling voor prudentiële maatregelen in artikel 2 van de GATS-bijlage inzake financiële diensten (Annex on financial services) uit 1994. Deze bepaling is tot op heden geen belemmering voor overheden geweest om nieuwe eisen aan financiële instellingen te stellen, of – in uitzonderlijke situaties – financiële instellingen te nationaliseren. TiSA vormt derhalve geen belemmering voor toekomstige verdere regulering van de financiële sector of voor het nemen van andere noodzakelijke prudentiële maatregelen.
Deelt u de constatering uit de publicatie dat artikel X.4 van TiSA impliceert dat staatsbedrijven, waaronder publieke banken, alleen uitzonderingen kunnen bedingen op de markt als dat dat conform commerciële overwegingen is? Wat zijn de implicaties van dit artikel volgens u voor de discretionaire ruimte van staatsbedrijven? Kunt u uw antwoord onderbouwen?3
Het kabinet deelt de constatering niet. Publieke banken vallen niet onder de verplichtingen van het EU-voorstel voor een hoofdstuk over financiële diensten.
Op 13 juni 2014 heeft de Europese Commissie het EU-voorstel voor een hoofdstuk over financiële diensten gepubliceerd. Op grond van artikel 1, paragraaf 3, van het EU-voorstel worden «publieke entiteiten» uitgezonderd van de definitie van «financiële dienstenverlener». Het gaat hierbij om financiële instellingen die overheidsfuncties of activiteiten in opdracht van de overheid uitvoeren.
Daarnaast kent het EU-voorstel in artikel 1, paragraaf 5, een brede uitzondering voor financiële diensten die worden uitgevoerd onder overheidsverantwoordelijkheid, bijvoorbeeld indien een financiële instelling activiteiten ontplooit op basis van overheidsgeld, voor rekening van de overheid of op basis van een garantie van de overheid.
Klopt het dat op grond van artikel X.9 van TiSA reeds in een land gevestigde buitenlandse financiële dienstverleners altijd dezelfde nieuwe financiële diensten mogen aanbieden als binnenlandse financiële dienstverleners? Zo ja, deelt u de moral hazards die in de publicatie genoemd worden?
Het kabinet deelt de in de publicatie genoemde zorgen niet. Artikel 13 van het EU-voorstel voor een hoofdstuk over financiële diensten geeft reeds in een land gevestigde buitenlandse financiële dienstverleners de mogelijkheid om nieuwe financiële diensten aan te bieden. Deze bepaling is identiek aan de bepaling over nieuwe diensten uit het WTO-akkoord GATS Understanding on Commitments in financial services uit 1994.
In het EU-voorstel voor TiSA wordt aan deze bepaling bovendien een verduidelijkende paragraaf toegevoegd, waarin geëxpliciteerd wordt dat overheden mogen eisen dat financiële instellingen voor bepaalde activiteiten of handelingen voorafgaande toestemming, in de vorm van een vergunning of anderszins, van de bevoegde autoriteiten nodig hebben. Ook hebben overheden de mogelijkheid om een bepaalde juridische vorm te vereisen. Deze toevoeging verduidelijkt hiermee de right to regulate van de GATS.
Kunt u reageren op de volgende conclusie uit de publicatie: ««Transparency», as conceived of in the Financial Services Annex, will undermine governments’ capacity to choose how they would like to run and regulate their own public banks»?4
TiSA belemmert overheden niet in hun bewegingsvrijheid om te bepalen op welke wijze zij publieke banken willen inrichten of reguleren. Zoals reeds bij vraag 6 is aangegeven, vallen publieke entiteiten niet onder de definitie van financiële dienstenverlener. Daarnaast kent het EU-voorstel voor een hoofdstuk over financiële diensten voor TiSA een uitzondering voor financiële diensten die worden uitgevoerd onder overheidsverantwoordelijkheid. Publieke banken vallen derhalve niet onder de verplichtingen van het EU-voorstel voor een hoofdstuk over financiële diensten.
Artikel 12 van het EU-voorstel voor een hoofdstuk over financiële diensten roept overheden op informatie te verschaffen over toekomstige wet- en regelgeving en geïnteresseerde personen hierop te laten reageren. Geïnteresseerde personen kunnen zowel ngo’s, vakbonden, financiële instellingen of betrokken burgers omvatten. De bepaling behelst een inspanningsverplichting en vormt geen juridisch dwingend recht. Het kabinet verwelkomt een dergelijke inspanningsverplichting om een transparant en inclusief proces van regelgeving te waarborgen. Op dit moment is het vaak al gebruikelijk dat over nieuwe wetgevingsinitiatieven internetconsultaties plaatsvinden.
Wat zijn de gevolgen van het feit dat voor de in «Section A» opgesomde financiële diensten de standstill-bepaling en de ratchet-bepaling van toepassing zijn voor het in overheidshanden brengen of houden van publieke banken?5
De Europese Unie heeft in «Section B» een onvoorwaardelijk en breed voorbehoud voor publieke diensten opgenomen, waardoor Europese overheden geprivatiseerde diensten in de toekomst kunnen nationaliseren of een private aanbieder een monopolie geven. Dit voorbehoud is een horizontaal voorbehoud, dat van toepassing is voor alle economische sectoren. Het geldt derhalve ook voor financiële dienstverlening, inclusief publieke banken.
Betekent de unanieme steun in de EU voor het voorbehoud voor publieke diensten dat dit een breekpunt is voor de EU in de onderhandelingen?6
Ja. Het voorbehoud voor publieke diensten is voor het kabinet en de EU essentieel. Hierover valt niet te onderhandelen. Zonder dit voorbehoud zal Nederland geen steun kunnen uitspreken voor TiSA.
Welke inspanningen worden er verricht door Nederland om de ILO-conventies in TiSA te verankeren? Deelt u de opvatting dat in het kader van de door u aangekondigde reset van handelsverdragen geen enkel handelsverdrag meer getekend zou moeten worden als de naleving van de ILO-conventies daarin niet gewaarborgd is?7
De instelling van de TiSA-partijen is om zo veel mogelijk WTO-leden bij de uiteindelijke afspraken te laten aansluiten. Om een toekomstige multilateralisering van TiSA binnen de WTO mogelijk te maken is het nu nog niet mogelijk gebleken om internationale afspraken op het gebied van mensen- en werknemersrechten, zoals vastgelegd in de ILO-conventies, onderdeel te laten uitmaken van TiSA. Het kabinet acht dit – zo ver als mogelijk – wel wenselijk. Nederland zoekt hiervoor steun tijdens de besprekingen van de voortgang van de onderhandelingen in Brussel.
Kunt u preciseren wat u bedoelt met de zinsnede «Indien het akkoord daartoe concrete aanknopingspunten bevat, zal het kabinet zich uiteraard inspannen tot het kwalificeren van TiSA als een gemengd akkoord», en daarbij aangeven wanneer er volgens u sprake is van «concrete aanknopingspunten»?8
Op grond van artikel 207 van het EU-Werkingsverdrag behoort het sluiten van handelsakkoorden betreffende de handel in diensten tot de gemeenschappelijke handelspolitiek. Op grond van artikel 3, lid 1, van dat verdrag is dit een exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie. Enkel als een onderdeel van een handelsakkoord buiten de exclusieve EU-bevoegdheden valt, is het mogelijk dat akkoord als gemengd te kwalificeren. Het advies van het Europese Hof van Justitie over het karakter van het handelsakkoord tussen de EU en Singapore (Advies 2/15 van 16 mei 2017) geeft meer duidelijkheid over de bevoegdheden van de EU en de mogelijkheden om handelsakkoorden als gemengd te kwalificeren. De afspraken over diensten in het handelsakkoord met Singapore vallen volgens het EU-Hof volledig binnen de exclusieve bevoegdheden van de EU. Het kabinet bestudeert nog de gevolgen van de uitspraak van het EU-Hof.
Bent u bekend met het werk van econoom Dani Rodrik, waar uw ambtgenoot van Buitenlandse Zaken, regelmatig naar verwijst, en die indringend waarschuwt voor de risico’s van doorgeslagen liberalisering voor de mondiale financiële stabiliteit? Zo ja, kunt u beargumenteren waarom u alsnog pleitbezorger van TiSA bent?
Ja. Ik ben bekend met het werk van Dani Rodrik.
Het hoofdstuk over financiële diensten van TiSA geeft overheden ruime bevoegdheden om alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de stabiliteit en solvabiliteit van de financiële sector of individuele financiële instellingen te waarborgen. TiSA vormt hierdoor geen belemmering voor toekomstige verdere regulering van de financiële sector of voor het nemen van andere noodzakelijke prudentiële maatregelen.
De gedwongen verhuizing van ouderen bij zorginstelling Aafje |
|
Lilian Marijnissen (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Vindt u het ook zo schandalig dat 35 hoogbejaarde ouderen tussen de 90 en 102 jaar oud van de zorginstelling Aafje, vestiging Boekenrode, gedwongen worden te verhuizen?1
De cliënten van Aafje op wooncomplex Boekenrode (voor 2013 verzorgingshuis Zuidwijk) huren hun woning van woningcorporatie Vestia. Voor Boekenrode is een nieuwe huisvesting gebouwd, locatie Slinge. Een deel van de bewoners is in 2013 niet verhuisd naar de nieuwbouw, maar bleef liever op de oude locatie Boekenrode wonen. Zij maken gebruik van een restaurant en de 24-uurs aanwezigheid van Aafje. Per 1 oktober staakt Aafje deze diensten. Hiervoor in de plaats komen 24 uurs beschikbare zorg, personenalarmering en maaltijdverzorging.
Aafje verandert dus het dienstenpakket, omdat het aantal cliënten terugloopt en er weinig belangstelling is voor het ontmoetingsplein en restaurant (slechts 10 tot 15 bezoekers per dag). Het restaurant is daarmee niet de sociale schakel geworden die Aafje voor ogen stond. Tevens veranderde de leefomgeving op Boekenrode, omdat andere bewoners in het complex kwamen wonen. Volgens Aafje is het niet langer mogelijk een kwalitatief verantwoorde leef- en werkomgeving te bieden.
Aafje heeft de bewoners geïnformeerd en persoonlijke gesprekken met hen gevoerd. Gezien de verandering in het dienstenpakket en de veranderende woonomgeving, heeft Aafje met de bewoners besproken of de woonomgeving nog voldeed. Uit de gesprekken is gebleken dat vier bewoners willen blijven wonen met zorg en diensten van Aafje. De overige 25 bewoners willen liever verhuizen. De verhuisde bewoners zijn volgens Aafje tevreden met hun nieuwe huis. De wijze waarop bewoners worden geïnformeerd en de begeleiding bij de verhuizing door Aafje vindt het zorgkantoor zorgvuldig.
Een verhuizing kan verdrietig zijn en een bewoner kan daar tegen opzien, zeker als hij op leeftijd is. Verhuisbewegingen zijn echter ook in de ouderenzorg soms onvermijdelijk. Appartementen worden gerenoveerd, voor andere doeleinden gebruikt of er komen andere bewoners in de buurt te wonen, waardoor bewoners zich er niet meer thuis voelen.
Wat vindt u ervan dat zorginstelling Aafje er niet voor kiest om de 35 bewoners in hun appartement te laten blijven wonen met de benodigde 24-uurszorg en geen nieuwe mensen meer te huisvesten die langdurige zorg nodig hebben? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Acht u het bevorderlijk voor het welzijn van hoogbejaarde mensen tussen de 90 en 102 jaar dat ze uit hun vertrouwde omgeving worden gehaald, een verhuizing moeten doormaken en vervolgens in een nieuwe omgeving moeten aarden? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u uitleggen hoe het mogelijk is dat de directie van Aafje de langdurige zorg bij vestiging Boekenrode afstoot, omdat dit niet rendabel genoeg is? Mag een zorginstelling dit zomaar doen? Graag een toelichting.
Het is niet vreemd dat een zorginstelling haar dienstverlening verandert als deze niet aansluit op de vraag. Als een zorgaanbieder diensten of voorzieningen niet meer kan aanbieden, treedt hij van tevoren in overleg met de cliënt en/of het zorgkantoor en de gemeente. Aafje heeft de bewoners geïnformeerd en is met hen in gesprek gegaan over hun woonwensen. Aafje begeleidt de verhuizing.
De gemeente is door Aafje in april geïnformeerd over de stopzetting van de genoemde dienstverlening. Het zorgkantoor overlegt regelmatig met Aafje over de toekomst van locaties.
Vindt u het wenselijk dat door de bezuinigingen die u heeft ingezet, zorginstellingen langdurige zorg afstoten omdat ze de plekken niet opgevuld krijgen met het argument dat langdurige zorg niet rendabel is?
Het is verstandig het aanbod van dienstverlening aan te passen als er onvoldoende vraag naar is. Het is daarom begrijpelijk dat Aafje haar dienstenpakket wijzigt van 24-uurs aanwezigheid en een restaurant naar zorgdiensten met 24-uurs beschikbaarheid, personenalarmering en maaltijdverzorging.
Overigens kunnen bewoners voor woonzorg bij Aafje of een andere aanbieder terecht. De zorg wordt niet «afgestoten». Iemand met een indicatie blijft recht op zorg houden.
Is u bekend hoeveel zorginstellingen locaties van verzorgingshuizen hebben gesloten, omdat het verlenen van de de zorg volgens hen niet meer rendabel is? Zo ja, om hoeveel zorginstellingen gaat het? Zo neen, bent u bereid om dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Er wordt geen landelijke lijst bijgehouden van locaties van verzorgingshuizen die sluiten of een andere bestemming krijgen, al dan niet met zorg. Evenmin wordt bijgehouden wat de redenen daarvan zijn. In het onderhavige wooncomplex huren de bewoners sinds 2013 van de woningcorporatie Vestia. Tegelijkertijd is op een ander locatie, Slinge, nieuwbouw gekomen.
In zijn algemeenheid kan de reden voor de sluiting of verandering van de bestemming van een locatie zeer divers zijn. Het kan gaan om renovatie, nieuwbouw, een andere wijze van dienstverlening (thuiszorg met alarmering en maaltijdverzorging) of afstoting van een gebouw, al dan niet voor andere zorg. Gelet op het bovenstaande is er voor mij geen aanleiding hiernaar onderzoek te doen.
Overigens is sinds de jaren »80 de vraag naar het verzorgingshuis aanzienlijk gedaald, ondanks de sterke stijging van het aantal 80-plussers (zie onderstaande figuur). Mensen maken andere keuzes.
Gaat u ingrijpen om te voorkomen dat deze ouderen, die niet langer de benodigde zorg kunnen krijgen van Aafje op locatie Boekenrode, gedwongen moeten verhuizen?
Het belangrijkste vind ik dat Aafje en de bewoners in goed overleg afspraken maken over de toekomst. Van Aafje ontving ik de informatie dat 25 bewoners wilden verhuizen. Vier bewoners willen blijven wonen. Dat kan volgens Aafje met de 24-uurs bereikbaarheid, maaltijdservice en personenalarmering.
Op een verhuizing zit een deel van de bewoners niet te wachten en dat begrijp ik goed. Dat neemt niet weg dat het onvermijdelijk is dat een zorgaanbieder aanpassingen moet doen in geval van te weinig vraag naar zijn dienstverlening.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat er in toekomstige situaties op deze manier met ouderen in verpleeghuizen wordt omgegaan?
Verhuizen is ook in de ouderenzorg, van alle tijden. Renovatie, nieuwbouw of een veranderende omgeving kunnen verhuizing noodzakelijk maken. In dit geval verandert de woonomgeving. Daarom wilden 25 bewoners verhuizen en vier bewoners willen blijven.
Het zorgkantoor meldt mij verder dat zij regelmatig overlegt met Aafje over het perspectief op de lange termijn van de verschillende locaties. Het zorgkantoor vindt de opening van een nieuwe locatie Slinge in Charlois en de aanpassingen op de locatie van Boekenrode passend.
Hoe lang sluit u nog de ogen nog voor de tekortschietende zorg die Aafje biedt, gelet op de op handen zijnde gedwongen verhuizing en de forse kritiek die de Inspectie voor de gezondheidszorg recent heeft geuit? Wanneer is volgens u de grens bereikt?2
De IGZ heeft Aafje voor de locaties met cliënten die WLZ-zorg ontvangen op 10 februari 2017 een aanwijzing gegeven, vanwege structurele tekortkomingen binnen de thema’s cliëntdossier en sturen op kwaliteit en veiligheid.
De aanwijzing geldt zes maanden en de IGZ volgt de voortgang van de noodzakelijke verbeteringen gedurende die tijd nauwgezet. Zo nodig neemt zij aanvullende maatregelen.
Ontwikkelingen rondom de Road Package van de Europese Commissie |
|
Attje Kuiken (PvdA), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de kritische brief van het Europees parlement aan de Europese Commissie over de voortgang van het zogenoemde Road Package van de Commissie?1
Ja.
Herinnert u zich de eerdere mondelinge vragen in de Tweede Kamer over de Road Alliance en de Nederlandse opstelling daarbij?2
Ja.
Wat is de stand van zaken bij het pakket aan maatregelen waar de Europese Commissie in mei mee zal komen om sociale dumping en oneerlijke concurrentie in het wegvervoer tegen te gaan? Heeft u inzicht in de strekking van het pakket waar de Commissie mee zal gaan komen?
De Europese Commissie heeft aangekondigd op 31 mei voorstellen in het kader van het Mobility Package, voorheen Road Package genoemd, te zullen publiceren. De Europese Commissie heeft formeel nog geen uitspraken gedaan over de inhoud van de voorstellen. Ik kan u hier derhalve nog geen mededelingen over doen.
Deelt u de vrees van het Europees parlement zoals naar voren gebracht in de brief aan de Europese Commissie dat het Road Package zal leiden tot een verslechtering van de arbeidsvoorwaarden van vrachtwagenchauffeurs, korte rusttijden, oneerlijke concurrentie en neerwaartse druk op lonen? Wat is uw reactie op de stelling van de Europese vakbond van chauffeurs dat het Road Package in de huidige vorm een manier is om sociale dumping te legaliseren en dat de plannen de kwaliteit van het werk en de veiligheid op de weg ernstig in gevaar brengen?
De voorstellen van de Europese Commissie zullen naar verwachting op 31 mei a.s. worden gepubliceerd. Het is voor mij dan pas mogelijk om de inhoud van de voorstellen te beoordelen. Voor wat betreft mijn inzet bij de onderhandelingen over de komende voorstellen verwijs ik naar de in juli 2014 ook door mij ondertekende verklaring van een groot aantal Europese ministers van transport. In deze verklaring hebben wij de Europese Commissie opgeroepen tot een betere implementatie en consistente toepassing van de Europese wetgeving om zo de ontwikkeling van een sterke en duurzame wegtransport sector te verzekeren die bijdraagt aan zowel het sociale als het economische welzijn van de Europese Unie.
Deelt u de mening dat het Road Package juist het waarborgen en verbeteren van de arbeidsomstandigheden voor vrachtwagenchauffeurs tot doel zou moeten hebben? Deelt u de mening dat de Europese Commissie in dit kader werk zou moeten maken van aanscherping van de cabotageregels, de bestrijding van brievenbusmaatschappijen en het bevorderen van eerlijke concurrentie? Bent u bereid om u hier in de Europese Raad sterk voor te maken richting de Europese Commissie? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid in dit kader samenwerking te zoeken met de Road Alliance, waar in de Kamer al eerder op aangedrongen is?
Wat is de stand van zaken wat betreft de komende uitspraak van het Hof van Justitie over handhaving van het verbod op het doorbrengen van de weekendrust op parkeerplaatsen? Wanneer zal het Hof naar verwachting met zijn uitspraak komen? Kunt u bevestigen dat Nederland de uitspraak van het Hof zal volgen? Klopt het dat als het Hof besluit dat het verbod gehandhaafd moet worden het eerdere bezwaar van Nederland tegen de voorstellen van de Road Alliance om sociale dumping en oneerlijke concurrentie tegen te gaan, in het wegvervoer komt te vervallen?
Het is niet bekend wanneer het Hof van Justitie zal komen met een uitspraak over handhaving van het verbod op het doorbrengen van de weekendrust in de vrachtwagencabine. Zoals ik in mijn brief van 24 februari jl. (Kamerstuk 29 398, nr. 556)) heb aangegeven betekent een uitspraak van het Hof dat verordening 561/2006 een verbod zou bevatten, dat alle Europese lidstaten hiermee op dezelfde manier moeten omgaan en moeten gaan handhaven, dus ook de ILT.
Het boetebeleid voor onverzekerde auto's die buiten gebruik zijn |
|
Rob Jetten (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Het absurde Nederlandse boetebeleid: 18.733 celstraffen voor onverzekerde auto's (die in de garage staan)»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de meeste onverzekerde auto's ten aanzien waarvan een boete op grond van artikel 30 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen wordt opgelegd, al lang niet meer op de weg komen?
Als een voertuig onverzekerd de weg op gaat kan dit, na het veroorzaken van een ongeval, leiden tot niet verzekerde schade van slachtoffers. Om te voorkomen dat onverzekerde voertuigen de weg op gaan is het in artikel 30, tweede lid van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (Wam) strafbaar gesteld om voor een motorrijtuig dat in het kentekenregister is ingeschreven en tenaamgesteld geen verzekering af te sluiten, of de verzekering niet in stand te houden. Het gaat hierbij om een voertuigverplichting: alle voertuigen waarvoor een kenteken is afgegeven en tenaam zijn gesteld moeten verzekerd zijn. Het maakt daarbij niet uit of een voertuig al dan niet gebruik maakt van de openbare weg. Het rijden zonder verzekering is daarnaast in artikel 30, vierde lid van de Wam, met een zwaardere straf, apart strafbaar gesteld.
Er wordt niet bijgehouden of de voertuigen waarvoor een boete wordt opgelegd wegens overtreding van artikel 30, tweede lid van de Wam niet meer op de weg komen. Het is namelijk de verantwoordelijkheid van de eigenaar om het voertuig te schorsen of uit het kentekenregister te laten halen als een voertuig stilstaat en niet meer de openbare weg op gaat, of de tenaamstelling zou moeten komen te vervallen. Als een voertuig wordt geschorst, dan stopt gedurende de termijn van de schorsing de Wam-verplichting.
In opdracht van het Openbaar Ministerie (OM) vergelijkt de Dienst Wegverkeer (RDW) periodiek het kentekenregister met het verzekeringenregister2 (CRWAM) om te zien voor welke voertuigen geen verzekering staat geregistreerd, de zogenoemde registervergelijking. Verzekeraars dienen verzekeringen die bij hen worden afgesloten aan te melden bij dat verzekeringsregister. Als uit de registervergelijking blijkt dat een motorrijtuig wel in het kentekenregister maar niet in het verzekeringsregister staat, stuurt de RDW eerst een vorderingsbrief waarin de kentekenhouder wordt gewezen op de wettelijke verplichting en de strafbaarheid bij het niet naleven van die verplichting. In de vorderingsbrief wordt de mogelijkheid gegeven om met een geschrift van een verzekeraar te laten blijken dat het voertuig wel verzekerd is, maar kennelijk niet in het register is aangemeld. Als blijkt dat een voertuig toch niet verzekerd is, dan volgt een administratiefrechtelijke boete op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Een voertuig wordt maximaal drie keer per jaar middels de registervergelijking gecontroleerd. Als er gedurende een langere periode geen verzekering is afgesloten kan dus maximaal drie keer per jaar een boete worden opgelegd voor het niet hebben van een verzekering (herhaalde constatering). Er wordt meerdere keren per jaar gecontroleerd omdat het, zoals hierboven beschreven, van belang is dat alle voertuigen een verzekering hebben en het niet mag lonen om geen verzekering af te sluiten. Ook dient voorkomen te worden dat er na het betalen van een boete geen prikkel meer is om alsnog een verzekering af te sluiten.
In mijn brief van 16 februari 20173 ben ik ingegaan op het onderzoek naar het onder het toepassingsbereik brengen van de Wahv van artikel 30, tweede lid, van de Wam. Voorheen werden die zaken via het strafrecht afgedaan. Door de bestuursrechtelijke afdoening werd het mogelijk de handhavingsdruk te vergroten (er konden meer registercontroles worden gedaan met dezelfde capaciteit). Daarbij is gebleken dat bepaalde groepen voertuigen vaker onverzekerd zijn en bepaalde kentekenhouders artikel 30, tweede lid, Wam vaker overtreden. Zoals ik in die brief heb aangegeven zijn er al verschillende maatregelen in gang gezet om te voorkomen dat voertuigen onverzekerd zijn; die moeten voorkomen dat voertuigen bij herhaling nog steeds onverzekerd blijven. Preventieve maatregelen, die moeten voorkomen dat voertuigen onverzekerd zijn, staan daarbij voorop en pas als die niet tot het beoogde doel leiden is handhaving het sluitstuk. Over het voorkomen van onverzekerde voertuigen die wel verzekerd moeten zijn ben ik met de ketenpartners in overleg getreden om meerdere preventieve maatregelen uit te werken. Daarnaast is er een pilot (Betekenisvolle Interventie Registervergelijking; BIR) gedaan waarin door de RDW, bij een nieuwe constatering na twee eerdere boetes die niet hebben geleid tot het verzekeren van het voertuig, contact wordt gezocht met deze kentekenhouders. Omdat deze pilot een succesvolle bijdrage levert aan het voorkomen van herhaalde constateringen wordt de werkwijze van deze pilot in 2017 structureel toegepast. Als laatste worden bij het onderzoek naar het progressief boetestelsel ook het overbrengen van de afdoening van artikel 30, tweede lid, Wam naar het strafrecht en de afdoening van de herhaalde constatering in het strafrecht meegenomen.
Hoe beoordeelt u de stelling dat veel mensen worden geconfronteerd met stapelingen van boetes, terwijl de voertuigen waar het om gaat niet meer op de weg (kunnen) komen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid het stapelen van boetes tegen te gaan? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de Dienst Wegverkeer (RDW) is begonnen met een programma «maatschappelijk verantwoord handhaven»? Zo ja, hoe beoordeelt u dat programma? Bent u bereid dat programma aan te passen, bijvoorbeeld door eerder contact op te nemen met mensen die een boete krijgen en/of versterking van de aanpak van schrijnende gevallen?
Ja, het klopt dat er een programma «maatschappelijk verantwoord handhaven» is. Het programma richt zich vooral op preventie. Dit betekent dat er meer wordt geïnvesteerd in informeren en waarschuwen en dat handhaving gezien wordt als een (repressief) sluitstuk in plaats van een doel op zich. Binnen het programma «maatschappelijk verantwoord handhaven» wordt actief contact gelegd met mensen en kunnen eventuele mogelijke schrijnende situaties eerder worden gesignaleerd (vroeg signalering) en voorkomen. Onderdeel van het programma is de in antwoord 4 genoemde pilot (BIR).
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft recent het rapport «Weten is nog geen doen; Een realistisch perspectief op redzaamheid 4» gepubliceerd, waarin wordt gerefereerd aan de toegenomen tevredenheid van kentekenhouders als gevolg van het programma Maatschappelijk Verantwoord Handhaven.
Hoe beschouwt u de constatering in het artikel dat veel mensen niet, of onvoldoende, op de hoogte zijn van de geldende regels?
Er is een groep mensen die de geldende regels bewust of onbewust niet nakomt. Vanuit het rapport «Gegijzeld door het systeem»5, dat is gepresenteerd door de Nationale ombudsman, valt op te maken dat de stapeling van boetes voor een deel voortkomt uit onvoldoende kennis van de geldende regels.
Voorafgaand aan het verschijnen van het rapport zijn verschillende initiatieven gestart die een bijdrage leveren aan een versterkte voorlichting. Intensivering van het waarschuwingsmoment, verduidelijking van de schriftelijke correspondentie en meer persoonlijk contact zijn hier voorbeelden van. Begin dit jaar heeft de Nationale ombudsman in zijn Rapportbrief kenbaar gemaakt dat verschillende goede initiatieven vanuit de ketenpartners tot wasdom zijn gekomen. Hierin wordt positief gerefereerd aan de eerder genoemde pilot (BIR) binnen het programma Maatschappelijk Verantwoord Handhaven. De Ombudsman stelt dat «Door de BIR in het reguliere werkproces op te nemen, er vanuit de keten niet langer min of meer mechanisch wordt gehandeld, maar dat er een contactmoment is ingebouwd voordat een situatie van opeenstapeling van boetes kan ontstaan.» Door dit contactmoment is het mogelijk om betrokken burgers in toenemende mate op de hoogte te brengen van geldende regels, het doel van deze regels en wat er gedaan kan worden om weer aan de verplichtingen te voldoen.
Naast deze maatregelen zijn er nog een aantal andere maatregelen genomen op het gebied van voorlichting:
Bent u bereid de voorlichting te versterken? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Wat betekenen de constateringen in het artikel voor de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften op grond waarvan sinds 2011 strengere handhaving op onverzekerde voertuigen plaatsvindt?
Zoals ik al in mijn brief van 16 februari 2017 heb aangegeven worden bij het onderzoek naar het progressief boetestelsel ook het overbrengen van de afdoening van artikel 30, tweede lid, Wam naar het strafrecht (met een strafbeschikking, dus niet meer via de Wahv) en de afdoening van de herhaalde constatering in het strafrecht meegenomen.
Het bericht dat Hongaarse vrachtwagenchauffeurs die voor een Nederlands transportbedrijf rijden niet betaald hoeven te worden volgens de Nederlandse cao |
|
Cem Laçin , Jasper van Dijk |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op de uitspraak van het gerechtshof in Den Bosch dat Hongaarse vrachtwagenchauffeurs die voor het Nederlandse transportbedrijf Van den Bosch internationale transporten uitvoeren, niet betaald hoeven te krijgen volgens de Nederlandse cao?1
Wat is uw reactie op de uitspraak van het gerechtshof dat de zogenoemde «charterbepaling» niet van toepassing is waardoor de vanuit Hongarije ingevlogen chauffeurs niet onder de Nederlandse cao vallen?
Wat is uw reactie op de uitspraak van het gerechtshof dat ook de Europese detacheringsregel niet van toepassing is, wat erop neer komt dat de Hongaarse chauffeurs geen recht hebben op de in Nederland geldende arbeidsvoorwaarden?
Vindt u dat de wetgeving op dit punt – ondanks alle mooie woorden en intenties om schijnconstructies en verdringing aan te pakken – geen stand houdt voor de rechter? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wat is uw reactie op het argument dat de wet niet wordt overtreden omdat de ritten vanuit Nederland voor een groot deel in het buitenland plaats vinden? Op welke manier is de wetgeving hierover onvoldoende duidelijk?
Deelt u de mening dat met deze uitspraak ook de deur voor andere transportbedrijven wagenwijd wordt opengezet om met soortgelijke (schijn)constructies de Nederlandse arbeidsmarkt verder te ondermijnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. De uitspraak lijkt te gaan over een zeer specifieke situatie, waarin de werknemers van het Hongaarse bedrijf in Hongarije wonen, daar sociaal verzekerd zijn en ook voor andere opdrachtgevers rijden. Het gerechtshof Den Bosch komt daarom tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst van de chauffeurs nauwer is verbonden met Hongarije dan met Nederland. Het Nederlandse recht is daarom niet van toepassing. Door de specifieke kenmerken van deze zaak kunnen hier echter geen algemene conclusies aan worden verbonden; er is dus geen deur voor een schijnconstructie open gezet.
In algemene zin ben ik overigens van mening dat de duidelijkheid van de Europese regelgeving over bijvoorbeeld de toepasselijkheid van de detacheringsrichtlijn in het wegtransport te wensen over laat. Die onduidelijkheid werkt schijnconstructies in de hand.
Wat hebt u te bieden aan transportbedrijven die Nederlandse chauffeurs in dienst hebben tegen fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden, maar die vanwege oneerlijke concurrentie steeds vaker werk verliezen aan bedrijven als Van den Bosch?
Ik blijf mij hard maken voor gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plek.
Is de uitspraak van het gerechtshof voor u aanleiding om de wet aan te scherpen? Zo nee, hoe gaat u voorkomen dat Nederlandse en Hongaarse chauffeurs in een Europese race naar de bodem tegen elkaar worden uitgespeeld?
Het internationaal transport is bij uitstek een bedrijfsactiviteit die op Europees niveau gereguleerd moet worden. Ik kijk daarom uit naar de voorstellen die de Europese Commissie zal doen om een meer gelijk speelveld te creëren en de regels duidelijker te maken.
Het bericht dat ruim 300 studenten de Hogeschool Rotterdam hebben verlaten vanwege openstaande collegegeldschulden |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het uiterst zorgwekkend is dat afgelopen september maar liefst 306 studenten de Hogeschool Rotterdam verlieten vanwege een openstaande collegegeldschuld?1
Ja. Wanneer studenten door hun onderwijsinstelling vanwege een betalingsachterstand op het collegegeld worden uitgeschreven en hun studie moeten staken, dan verdient dat inderdaad de volle aandacht, op de eerste plaats van de instelling en de student zelf. Een inschrijving is volgens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) pas geldig indien het collegegeld is of wordt voldaan, dus als het betaald is of wanneer er een betalingsregeling is afgesproken (WHW, art. 7.37, lid 2). Een instellingsbestuur kan de inschrijving van de student beëindigen nadat hij is aangemaand en stelt hier regels voor op (WHW, art 7.42 leden 2 en 4). Wanneer een student niet wil betalen, dan is uitschrijving een optie.
Wanneer een student wel wil maar niet kan betalen, dan is er een andere situatie. Ik ga ervan uit dat de instelling en de student samen een oplossing vinden voor een betalingsachterstand en een betalingsregeling treffen, zeker wanneer er sprake is van bijzondere en persoonlijke omstandigheden. Studenten kunnen over voldoende middelen beschikken. Aan studiefinanciering kunnen zij inclusief het collegegeldkrediet nu € 1.033,01 per maand opnemen. Wanneer de student moeite heeft om zijn betalingsverplichtingen -aan de onderwijsinstelling en ook in bredere zin- te voldoen, kan de (gemeentelijke) schuldhulpverlening mogelijk een oplossing bieden, zodat de student zijn studie kan voortzetten.
Wat is er de oorzaak van dat dit aantal op de Hogeschool Rotterdam is verdubbeld ten opzichte van twee jaar geleden (toen het nog 151 studenten betrof) en dat het gemiddelde schuldbedrag is gestegen van € 1.203,– in 2014 naar € 1.560,– in 2016?
Ik heb navraag gedaan bij de Hogeschool Rotterdam. De precieze oorzaak van de stijging ten opzichte van twee jaar eerder is niet bekend. De oorzaak zou kunnen liggen in het feit dat aan deze instelling relatief veel studenten uit de lagere inkomenscategorie zijn ingeschreven en relatief veel studenten met een schuldenproblematiek. Decanen en docenten signaleren dat die problemen spelen. De Hogeschool Rotterdam ziet de schuldenproblematiek als een maatschappelijk probleem dat zij slechts ten dele kunnen helpen oplossen. Dat ben ik met hen eens.
Is u bekend hoeveel studenten in Nederland een hogeschool of universiteit verlaten vanwege collegegeldschuld? Zo nee, wilt u dat op zo kort mogelijke termijn onderzoeken? Zo ja, hoe beoordeelt u deze cijfers?
Nee, er zijn geen landelijke cijfers bekend. Onlangs is wel door het Hoger Onderwijs Persbureau een inventarisatie gemaakt. Dit levert een gedifferentieerd beeld op. Bij de groep studenten die wel willen maar niet kunnen betalen, gaat het veelal om studenten met serieuze schuldenproblemen. Mijn ambtenaren zullen samen met de collega’s van SZW in overleg treden met de NVVK, de branchevereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren, met als doel te bezien hoe we ervoor kunnen zorgen dat deze kwetsbare groep zo nodig de weg naar de schuldhulpverlening vindt en passende ondersteuning krijgt.
Deelt u de mening dat de hoge collegegelden mede een belangrijke oorzaak zijn van deze collegegeldschulden?
Nee, die mening deel ik niet. Dankzij het collegegeldkrediet kunnen studenten altijd over voldoende middelen beschikken om het collegegeld te voldoen. Dit lijkt vooral een probleem van onvoldoende financiële zelfredzaamheid van een specifieke groep studenten. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Acht u de schatting van de Hogeschool Rotterdam reëel dat het aantal studenten met financiële stress ongeveer tien procent is? Zo ja, deelt u de mening dat dit alarmerend is? Zo nee, op grond van welke feiten komt u tot deze andere inschatting?
Ja, deze inschatting is reëel. Uit de Monitor beleidsmaatregelen blijkt dat 13 procent van de Nederlandse studenten in 2015–2016 serieuze financiële moeilijkheden ervaart (figuur 8.42). Volgens Nibud heeft van alle huishoudens in Nederland een op de vijf huishoudens dusdanig ernstige betalingsachterstanden dat er sprake is van betalingsproblemen.
Bent u ermee bekend dat studiesucces afneemt als gevolg van financiële stress? In hoeverre bent u bereid aanvullende maatregelen te doen om deze problematiek onder studenten te helpen op te lossen?
Financiële stress is niet bevorderlijk voor studieprestaties. Samen met de onderwijsinstellingen en instanties als het Nibud blijf ik op zoek naar manieren om de financiële zelfredzaamheid van studenten verder te versterken. Dit is een weerbarstige problematiek waarvoor geen simpele, snelle oplossing voorhanden zijn. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) zo aan te passen dat het mogelijk wordt dat studenten met een collegegeldkrediet de mogelijkheid hebben om de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) te verzoeken het collegegeld rechtstreeks over te maken aan de onderwijsinstelling, om daarmee de studenten te ontlasten en het risico op uitval te verminderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben er niet van overtuigd dat juist deze jongeren, die hun financiële huishouding niet op orde hebben, gebruik zouden maken van deze mogelijkheid. Daarnaast zouden de administratieve lasten voor zowel de instellingen als DUO fors toenemen. In 2016 maakten gemiddeld circa 124.000 studenten gebruik van het collegegeldkrediet. Zoals gezegd in antwoord op vraag 3, is deze groep naar mijn overtuiging eerder gebaat bij ondersteuning door schuldhulpverleners en bij versterking van hun financiële vaardigheden.
De aanschaf van een Boeing 737 Business Jet als nieuw regeringsvliegtuig |
|
Rob Jetten (D66), Paul van Meenen (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de Kamer aangeven op grond van welke door de Staat gestelde voorwaarden alle vier de inschrijvingen in de aanbestedingsprocedure niet geldig zijn verklaard? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom u meent dat u deze informatie niet aan de Kamer kunt verschaffen zonder vermelding van specifieke inschrijvers?1
Bij beoordeling van de biedingen is conform het aanbestedingsrecht achtereenvolgens getoetst of:
Ieder onderdeel levert op zichzelf een ongeldige bieding op indien hieraan niet wordt voldaan. Pas indien alle vragen positief beantwoord worden, is er sprake van een geldige bieding. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld ging het om biedingen voor nieuwe en tweedehands vliegtuigen en had op basis van bovenstaande criteria geen van de vier inschrijvers een geldige inschrijving.
De beginselen van het aanbestedingsrecht beperken mij in het openbaar kunnen maken van informatie over de inschrijvingen. Op hoofdlijnen kan ik het volgende melden over de inschrijvingen van Boeing en Airbus, omdat hier de focus is op komen te liggen, mede naar aanleiding van mediaberichten waarin Airbus heeft bevestigd aan de aanbestedingsprocedure deelgenomen te hebben.
Airbus heeft aan geen van de genoemde onderdelen voldaan. Wat betreft onderdelen 1. en 2. is een groot deel van de gevraagde stukken niet aangeleverd door Airbus. Hierdoor was haar inschrijving niet compleet en werd ondermeer niet voldaan aan de geschiktheidseisen. Eén van die geschiktsheidseisen is dat aangetoond wordt dat de inschrijver ervaring heeft met het inbouwen van VIP of corporate vliegtuiginterieurs, zo nodig met gebruikmaking van een onderaannemer, hetgeen van groot belang was voor het turnkey concept van de aanbesteding.
Bij Boeing hield de ongeldigheid alleen verband met onderdeel 3.
Op grond van de Aanbestedingswet (artikel 2.28 lid 2) kan een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande aankondiging worden toegepast na ontvangst van uitsluitend ongeldige inschrijvingen indien één of meer inschrijvers aan de daaraan gestelde voorwaarden voldoen. Daarvoor moeten inschrijvers in ieder geval voldoen aan de vereisten uit onderdeel 1. en de geschiktheidseisen uit onderdeel 2. Boeing voldeed hieraan en Airbus niet.
Om welke redenen is ervoor gekozen om door te onderhandelen met enkel Boeing en niet met andere leveranciers, waardoor er is dooronderhandeld voor een toestel dat 18 miljoen euro duurder is uitgevallen? Waarom is niet gekozen voor het overdoen van de aanbesteding, zodat meerdere partijen wederom de kans hadden gekregen om onder de juiste voorwaarden een concurrerend bod uit te brengen?
Zoals hierboven aangegeven was Boeing de enige inschrijver die op grond van de bepalingen in de Aanbestedingswet uitgenodigd kon worden om te onderhandelen. Ik heb ervoor gekozen om dat traject in te gaan om te proberen alsnog tot gunning van de opdracht te komen. Dat is uiteindelijk na stevig onderhandelen met Boeing gelukt. Als het onderhandelingstraject niet tot een voor het kabinet aanvaardbare uitkomst zou hebben geleid, was ik alsnog overgegaan tot het houden van een nieuwe aanbesteding.
Ten aanzien van het vermeende prijsverschil is het van belang uw Kamer te wijzen op enkele feiten.
De kosten voor de Boeing Business Jet van 92,7 miljoen euro zoals gemeld aan de Kamer zijn inclusief de BTW die door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu rechtstreeks aan de belastingdienst afgedragen moet worden over de prijs van het vliegtuig2 (21%)). Dit laatste houdt verband met het feit dat het vliegtuig wordt gekocht van een in het buitenland gevestigde partij. Dit betekent dat het exclusief BTW om een bedrag van 76,9 miljoen euro gaat. De biedingen van de vier inschrijvers op 12 december 2016 waren exclusief belastingen die door de Staat afgedragen moeten worden («aanschafprijs»). Dit was bewust zo uitgevraagd in de aanbestedingsdocumenten.
Voor zover NRC stelt dat Airbus op 12 december 2016 een vliegtuig voor een bedrag van rond 75 miljoen euro inclusief alle belastingen heeft aangeboden is dat feitelijk onjuist, omdat dit bedrag geen rekening houdt met de door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu aan de belastingdienst af te dragen BTW hierover.
Wanneer rekening gehouden wordt met het bovenstaande bedraagt het verschil in prijs tussen Boeing en het in het NRC artikel genoemde bod van Airbus niet het vermeende verschil van 18 miljoen euro maar een bedrag minder dan € 2 miljoen. Hierbij wil ik graag aangeven dat deze bedragen niet te vergelijken zijn omdat het bod van Airbus gekoppeld is aan een ongeldige inschrijving en de aan uw Kamer gemelde kosten voor de Boeing Business Jet uitgaan van een door mij geaccepteerde bieding na onderhandelingen.
Toen de keuze werd gemaakt de aanbesteding niet over te doen, waarom voldeed alleen Boeing Company klaarblijkelijk aan de vereisten die worden gesteld in het aanbestedingsrecht voor het toepassen van een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande aankondiging?
Zie antwoord op vraag 1.
Kunt u aangeven hoe de Kamer zonder bovenstaande informatie goed kan beoordelen of de keuze om alleen met Boeing Company door te onderhandelen een juiste was? Zo nee, waarom niet?
Met mijn antwoorden op vraag 1 en 2 verschaf ik uw Kamer meer inzicht om zich dat oordeel te kunnen vormen, terwijl ik tegelijkertijd rekening heb te houden met het feit dat de beginselen van het aanbestedingsrecht mij beperken in het openbaar kunnen maken van informatie over de inschrijvingen.
Kunt u reageren op het bericht dat Airbus verrast zou zijn geweest door de keuze voor Boeing Company en u heeft verzocht de keuze te heroverwegen?2 Is dit überhaupt nog mogelijk?
Ik heb inderdaad 28 april een brief van Airbus ontvangen waarin mij is gevraagd de keuze te heroverwegen. Deze brief verraste mij omdat ik op 2 februari 2017 alle inschrijvers schriftelijk heb laten weten dat hun inschrijving ongeldig was. In dezelfde brief heb ik ook het besluit kenbaar gemaakt dat wij met 1 partij de onderhandelingen zouden starten. Airbus had tegen beide besluiten bezwaar kunnen indienen en de gang naar de rechter kunnen maken. Dit is door Airbus, noch door de andere afgevallen partijen, gedaan. Daarmee heeft Airbus haar rechten prijsgegeven. Verder merk ik op dat Airbus mij op 22 februari 2017 een brief heeft gestuurd waarin ze aangaf genoemde besluiten volledig te respecteren.
Het contract met Boeing is op 26 april jl. getekend.
Kunt u reageren op de mening dat het zeer ongebruikelijk is om in de specificatie van de aanbesteding de mogelijkheid open te stellen voor een tweedehands óf een nieuw vliegtuig?3 Indien dit inderdaad ongebruikelijk is, waarom is daar dan toch voor gekozen?
Het kabinet wilde nadrukkelijk naast fabrikanten van nieuwe vliegtuigen de tweedehands markt de gelegenheid bieden mee te doen met deze aanbesteding. Voor beide golden dezelfde functionele eisen en waren afgewogen beoordelingscriteria opgesteld om deze onderling te kunnen vergelijken.
Zoals eerder aan uw Kamer aangegeven, zijn ook zowel inschrijvingen voor tweedehands als voor nieuwe vliegtuigen ontvangen.
Kunt u aangeven of de keuze van de Koning voor het halen van een brevet voor de Boeing 737 een persoonlijke keuze betrof of dat deze beslissing door u genomen is dan wel in gezamenlijkheid met u genomen is? Zo nee, waarom niet?
Het gastvliegerschap van de Koning is een privé aangelegenheid en vindt niet plaats in het kader van de uitoefening van de koninklijke functie. Het besluit van KLM om de F70 te vervangen was voor de Koning aanleiding om zich om te scholen. De Koning wilde graag zijn gastvliegerschap bij KLM voortzetten. Dat kan binnen Europa op de Embraer en op de Boeing 737. Om de bestemmingen af te wisselen ten opzichte van de vluchten die hij met de F70 maakte, heeft hij toen de keuze gemaakt voor de Boeing. De omscholing gaat eind mei 2017 van start.
Hoe ziet binnen het kabinet de beslisboom omtrent de aanschaf van een nieuw regeringsvliegtuig er precies uit? Kunt u aangeven of de Koning daarbinnen een rol heeft en, zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Ter voorbereiding van de aanbesteding is gekeken naar de functionele eisen waaraan een toestel moet voldoen. Alle gebruikers inclusief het koninklijk huis als één van de gebruikers van het toestel, zijn gevraagd hiervoor een inbreng te leveren. Belangrijke functionele eisen waren uiteindelijk dat het toestel een gelijkwaardige capaciteit zou krijgen als de KBX, zonder tussenstop de overzeese Koninkrijksdelen moet kunnen bereiken en dat er een gepast en functioneel interieur in zou komen vergelijkbaar met de huidige KBX. Dit is in de aanbesteding zo uitgevraagd.
Het kabinet is verantwoordelijk en heeft besloten over de functionele eisen van het regeringsvliegtuig en de wijze waarop de aanbesteding ingericht moest worden (o.a. turn key aanpak). Het Koninklijk Huis heeft geen rol gehad in het besluitvormingstraject. De suggestie dat het kabinet «om de Koning» zou hebben besloten tot het gunnen van het contract aan Boeing is onjuist. De Kamer is voorafgaand aan de aanbesteding in de Kamerbrief van 8 juli 20165 geïnformeerd over de aanpak.
Kunt u de Kamer voorzien van een feitenrelaas inclusief tijdlijn waarin u aangeeft hoe de besluitvorming vanaf de keuze voor een nieuw vliegbrevet voor de Koning tot het daadwerkelijk zetten van een handtekening onder een koopcontract eruit heeft gezien? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat Israël het visum van NRC-correspondent Derk Walters niet wil verlengen |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u de Israëlische autoriteiten opheldering vragen over het verscherpte toezicht waaronder NRC-correspondent Walters kennelijk al langer stond?1 Kunt u daarbij vragen wat de bedoeling is van toezicht op journalisten in een democratische rechtstaat als Israël en of dit past bij een land als Israël? Kunt u hen vragen of Israël het belang van een vrije en kritische pers onderkent? Kunt u hen vragen of het de taak van het Government Press Office is de inhoud van journalistieke publicaties te beoordelen?
Het is het kabinet bekend dat de Israëlische autoriteiten berichtgeving over Israël door buitenlandse correspondenten, inclusief die van het NRC, kritisch volgen. De Israëlische Government Press Office heeft in een officiële reactie echter aangegeven dat de reden voor het besluit ten aanzien van het visum van NRC-correspondent Walters is gelegen in het feit dat hij de Israëlische wet heeft overtreden door gedurende enkele maanden werkzaam te zijn zonder visum. In deze reactie stelt de Government Press Office voorts dat de inhoud van de berichtgeving geen rol heeft gespeeld in de besluitvorming. Het is evenwel moeilijk aan de indruk te ontkomen dat dit laatste wel degelijk het geval is geweest.
Het kabinet heeft kennisgenomen van het besluit van de Israëlische autoriteiten. Israël is net als ieder ander land vrij zijn toelatingsbeleid te bepalen. Het kabinet betreurt evenwel dat het visum van de NRC-correspondent in Israël niet met een jaar wordt verlengd.
Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten de afgelopen tijd meermaals aangesproken op deze kwestie, in goed overleg met NRC. Nederland hecht aan de vrijheid van meningsuiting en vindt dat journalisten overal ongestoord hun werk moeten kunnen doen. Die boodschap draagt het kabinet wereldwijd uit, ook richting Israël. De Israëlische autoriteiten zijn volledig op de hoogte van het standpunt van het kabinet.
Kunt u de Israëlische ambassadeur vragen of hij inderdaad aan het Government Press Office heeft doorgegeven dat zijn ambassade «al jaren bezorgd is over de manier waarop NRC over Israël schrijft» en zo ja, waarom? Kunt u hem vragen of hij begrijpt dat deze kwestie Israël meer schade berokkent dan publicaties van NRC eventueel zouden doen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u opheldering vragen over de kwestie dat NRC volgens het Israëlische Government Press Office niet aan de eisen van een mediaorganisatie zou voldoen en vragen waarom deze foutieve beoordeling nu toch de consequentie krijgt dat het visum van Walters niet verlengd wordt? Kunt u aandringen op herstel van deze situatie zodat het visum gewoon met een jaar verlengd wordt zoals gebeurd was als niet het foutieve oordeel was gegeven dat NRC niet aan de eisen van een mediaorganisatie voldoet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de reactie van de Israëlische autoriteiten geweest toen u hen op deze kwestie aangesproken heeft, blijkens het bericht in NRC van 3 mei jl?2
Zie antwoord vraag 1.
De dagvaarding van het sociaal werkbedrijf Alescon door FNV Overheid vanwege het inzetten van werknemers via een schijnconstructie |
|
Jasper van Dijk |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat vindt u van het bericht dat FNV Overheid het sociaal werkbedrijf Alescon in Assen heeft gedagvaard omdat het bedrijf medewerkers via schijnconstructies laat werken?1
Ik heb hiervan kennisgenomen. Aangezien de zaak onder de rechter is, is het niet aan mij hierover een oordeel te vellen. Waar mogelijk zal ik wel een aantal feiten toelichten. Voor de beantwoording van de vragen heb ik informatie ingewonnen bij FNV en Alescon.
Deelt u de mening dat de constructie die door Alescon gehanteerd wordt om loonkosten uit te sparen in strijd is met de wet en de cao? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om deze schijnconstructie tegen te gaan? Zo nee, hoe typeert u de gehanteerde constructie dan wel?
Deze vraag maakt onderdeel uit van de dagvaarding die op dit moment onder de rechter is. Het is aan de rechter om te beoordelen of er conform wet- en regelgeving is gehandeld.
Is het u bekend welke juridische positie Alescon en AwerC-Flex ten opzichte van elkaar hebben? Kunt u in uw antwoord ingaan op hun rechtsvorm, bedrijfsactiviteiten en de wijze waarop deze twee bedrijven rechtspositioneel met elkaar verbonden zijn?
Desgevraagd is mij gemeld dat Alescon een Gemeenschappelijke Regeling (publiekrechtelijk lichaam) is van zes gemeenten. AwerC-Flex is een besloten vennootschap, waarvan de aandelen volledig in eigendom zijn van de besloten vennootschap Alescon Personeels Management. De aandelen van Alescon Personeelsmanagement zijn volledig in eigendom van Alescon.
Is het waar dat desbetreffende WSW-werknemers in het kader van de WSW ook steeds werk op locatie van Alescon onder aangepaste omstandigheden hebben verricht? Zo ja, wat is hierover uw mening?
Ja, ik begrijp van Alescon dat een deel van de medewerkers van AwerC-Flex onder aangepaste omstandigheden werkzaamheden hebben verricht op de locatie van Alescon. Het is aan de rechter om te beoordelen of er conform wet- en regelgeving is gehandeld.
Is het waar dat sinds 2011 werknemers bij Alescon een schriftelijke arbeidsovereenkomst hebben gesloten met AwerC-Flex op basis waarvan zij bij Alescon te werk werden gesteld? Zo ja, om hoeveel werknemers gaat het?
Ja, ik begrijp van Alescon dat dat eind 2016 in totaal 274 werknemers waren.
Welk contractvorm(-en) hebben de werknemers bij AwerC-Flex? Waarop is de beloning gebaseerd? In hoeverre verschilt deze van de cao SW?
Ik begrijp van Alescon dat de medewerkers een arbeidsovereenkomst hebben. AwerC-Flex is lid van de ABU. De cao voor uitzendkrachten is van toepassing. Deze cao gaat uit van inlenersbeloning. Dit betekent dat de uitzendkracht hetzelfde salaris verdient als de overige personeelsleden van de inlener die dezelfde werkzaamheden uitvoeren en volgens de cao van de inlener worden betaald. Verschillen tussen de cao’s zitten ondermeer in de eindejaarsuitkering, seniorenverlof, loondoorbetaling bij ziekte en vergoeding van de vakbondcontributie.
Gaat het bij de uitzending door AwerC-Flex aan Alescon om «begeleid werken», waarbij de werkende een reguliere arbeidsovereenkomst sluit met de betreffende werkgever, op basis van de binnen diens eigen bedrijf geldende arbeidsvoorwaarden? Zo nee, is hier sprake van een schijnconstructie? Indien dit het geval is, welke maatregelen gaat u hiertegen nemen?
Ik begrijp van Alescon dat de werknemers van AwerC-Flex met een Wsw-indicatie een arbeidsovereenkomst «begeleid werken» hebben zoals bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening. Het is verder aan de rechter om te beoordelen of er conform wet- en regelgeving is gehandeld.
Is het waar dat Alescon en AwerC-Flex door de bovengenoemde uitzendconstructie en de toepassing van de ABU-cao ten onrechte gebruik hebben gemaakt van de subsidieregeling? Zo ja, welke maatregelen gaat u hiertegen nemen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de betrokken werknemers, ongeacht de keuze van gedaagden voor een schriftelijke uitzendconstructie via AwerC-Flex, ook sinds 2011 en tot 2015 feitelijk steeds krachtens een arbeidsovereenkomst bij Alescon in dienst zijn getreden en gebleven? Zo ja, vindt u dat Alescon als werkgever verplicht is om de betreffende werknemers alle rechten toe te kennen die hen toekomen op basis van de cao SW?
Het is niet aan mij om hierover een oordeel uit te spreken. Het is aan de rechter om dit te beoordelen. In zijn algemeenheid geldt dat, in het geval sprake is van begeleid werken, niet de cao Sociale Werkvoorziening van toepassing is maar de arbeidsvoorwaarden waar de betrokkene in dienst is.
Wat is uw reactie op de brief van 1 november 2016 van Alescon-directeur Moorlag aan de FNV waarin hij het volgende zegt over de keuze voor de uitzendconstructie: «Deze werkwijze leidt tot lagere loonkosten en daardoor meer ruimte om werknemers te werk te stellen»? Deelt u de mening dat we deze «race tot the bottom» nu juist moeten bestrijden?
Doel van de Participatiewet is zoveel mogelijk mensen met een arbeidsbeperking bij reguliere werkgevers te laten werken, tegen de geldende arbeidsvoorwaarden van de sector. Daarbij vind ik het van belang dat er sprake is van een gelijk speelveld, dat wil zeggen zonder onderlinge concurrentie op loonkosten. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de wijze waarop de uitvoering van de Participatiewet georganiseerd wordt en de gemeenteraden hebben daarbij een controlerende rol. Cao-partijen zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van cao’s. Indien zij er niet uitkomen, kunnen ze – zoals nu gebeurt – de rechter vragen een uitspraak te doen.
De zorgelijke ontwikkelingen binnen de rechterlijke macht in Polen |
|
Michiel van Nispen |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Polen: De sloop van de onafhankelijke rechtspraak gaat in hoog tempo door»,1 alsmede op de brief van de Raad voor de rechtspraak waarin grote zorgen worden geuit over de onafhankelijkheid van rechters in Polen?2
Het kabinet is op de hoogte van de ontwikkelingen in Polen, volgt die op de voet en met zorg. Ondertussen blijft het kabinet zich inzetten om via verschillende kanalen en met partners in gesprek te blijven over dit onderwerp. In de antwoorden op de vragen 5 tot en met 7 wordt deze meer sporen-benadering via onder andere de Europese Unie, de Raad van Europa, de Verenigde Naties en via de bilaterale relatie uiteengezet en de vorderingen toegelicht die daarbij zijn gemaakt. Het kabinet heeft zijn standpunt inzake de rechtsstatelijke ontwikkelingen in Polen eerder toegelicht in de Kamerbrief ter voorbereiding op het AO EU Rechtsstaat en Mensenrechten van 19 januari jl. (Kamerstuk 34 648, nr. 2), in de antwoorden op eerdere vragen van uw fractie (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 1360) van 13 februari jl. en meer recentelijk in het schriftelijk overleg Raad Algemene Zaken van 16 mei jl. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1743).
Deelt u de mening dat de negatieve ontwikkelingen nu in rap tempo gaan en buitengewoon zorgelijk zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich eerdere vragen over dit onderwerp?3 Welke vorderingen zijn er sindsdien gemaakt in het aanspreken van Polen op het aanvallen en vrijwel om zeep helpen van de onafhankelijkheid van de rechtspraak? Is Polen volgens u afdoende duidelijk gemaakt dat dit niet zonder gevolgen kan en zal blijven?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u nog steeds dat eventuele tekortkomingen in de rechtsstaat, samenwerking met de betreffende lidstaat niet in de weg staan?4 Geldt volgens u het beginsel van vertrouwen in rechterlijke beslissingen onverkort, zelfs wanneer niet langer sprake zou zijn van onafhankelijke rechtspraak? Wanneer komt er volgens u een moment dat het vertrouwensbeginsel (de erkenning van Poolse rechterlijke beslissingen) in relatie tot Polen niet langer meer kan gelden?
Onverminderd de vaststelling dat de ontwikkeling in de rechtsstaat van Polen reden geeft tot zorgen, geldt in zaken van justitiële samenwerking het vertrouwensbeginsel. Het is aan de onafhankelijke rechter om in individuele gevallen te beoordelen of eventuele tekortkomingen in de rechtsstaat de concrete samenwerking met de rechterlijke macht van de betreffende lidstaat in de weg staan.
Welke vorderingen zijn er gemaakt door «de inzet van het kabinet blijft derhalve dat in Polen, door continue dialoog met de Commissie en ondersteund door de eerder genoemde andere partijen, een oplossing wordt gevonden die voor iedereen aanvaardbaar is»? Is die aanvaardbare oplossing inmiddels dichterbij gekomen of raakt deze verder weg?
Overtuigd door de noodzaak tot onderhoud aan de rechtsstaat in de EU, speelt Nederland een voortrekkersrol in de EU en tussen lidstaten om rechtsstatelijkheid bespreekbaar te maken, te beschermen en consequent op de agenda te houden. De instrumenten, die de afgelopen jaren zijn ingericht, met actieve betrokkenheid van Nederland, moeten zo goed mogelijk worden ingezet en bieden nog ruimte voor verbetering. Het kabinet staat een meer sporen-beleid voor en benut verschillende wegen om ontwikkelingen rond rechtsstatelijkheid te agenderen wanneer daar zorgen over zijn.
Wat het kabinet betreft is met de terugkoppeling van de Europese Commissie inzake de structurele dialoog met Polen tijdens de Raad Algemene Zaken op 16 mei 2017 een belangrijke stap gezet. Het is mede dankzij de inspanningen van dit kabinet dat het aantal lidstaten dat deze inzet steunt gestaag groter wordt. Door regelmatig contact in bilateraal verband en met gelijkgezinde lidstaten ontstaat steeds meer het vertrouwen om over gevoelige onderwerpen te spreken en elkaar aan te spreken op het beschermen en waarborgen van de waarden van de EU. Stap voor stap wordt zo de basis gelegd om naast de jaarlijkse thematische discussie over rechtsstatelijkheid, ook het taboe op een onderlinge bespreking van de situatie in lidstaten weg te nemen.
Tijdens het VN-landenexamen (Universal Periodic Review) van Polen op 9 mei jl., zijn door verschillende landen, waaronder Nederland, vragen gesteld over justitiële hervormingen in Polen en aanbevelingen gegeven om de onafhankelijke rechtspraak te waarborgen.
Ook in Benelux-verband stelt het kabinet zorgen over rechtsstatelijke ontwikkelingen aan de orde. Tijdens de ontmoeting van de Visegrád en Benelux ministers van Buitenlandse Zaken te Brussel op 5 maart jl. stond dit onderwerp op de agenda.
Voorts neemt het thema in de contacten van de Nederlandse ambassade in Warschau een prominente plek in. Nederland brengt het thema regelmatig op in besprekingen met de Poolse regering, ambassades van andere EU-lidstaten en de vertegenwoordiging van de Europese Commissie in Warschau en daarbuiten. Daarnaast wisselen Nederland en Polen kennis en ervaring uit tussen onderdelen van de justitiële keten, waaronder rechters en de raad voor de rechtspraak. Dit is behulpzaam om tot een constructieve discussie over rechtsstatelijkheid te komen. Op termijn en met de juiste middelen kan deze bilaterale samenwerking de dialoog over dit gevoelige onderwerp ondersteunen en rechtsstatelijke ontwikkelingen in Europa positief beïnvloeden.
In dat kader kan het recente bezoek op 20–21 april jl. aan Warschau worden genoemd van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, waarmee een verzoek van het Poolse Ministerie van Justitie werd ingewilligd om informatie te verkrijgen over het Nederlands rechtsbestel. Ook de vicepresident van de Nederlandse Raad voor de Rechtspraak bracht, op uitnodiging van de Poolse zusterorganisatie, een bezoek aan Warschau om een onderscheiding in ontvangst te nemen vanwege zijn inzet voor de rechtsstaat in Polen en voor het Europese Netwerk van Hoge Raden voor Justitie Europese (ENCJ).
Deze ontwikkelingen tonen aan dat langs meerdere sporen en op verschillende niveaus wordt gewerkt aan een cultuur van bespreekbaarheid en het vergroten van de kring van landen die zich willen inzetten voor de rechtsstaat in de EU. Het kabinet verwelkomt in dit verband de aankondiging dat het Europees parlement mogelijk al op korte termijn een interparlementaire vergadering over rechtsstatelijkheid zal organiseren (Ref. Besluitenlijst Procedurevergadering Commissie EUZA 11 mei jl.).
In hoeverre houdt het Comité van Ministers van de Raad van Europa de ontwikkelingen in Polen in de gaten? Spreekt de regering Polen ook aan op het feit dat Polen, als lid van de Raad van Europa, het EVRM heeft geratificeerd, waarin het recht op een eerlijk proces als een van de fundamentele rechten is vastgelegd?
Nederland beschouwt de Raad van Europa als een belangrijke hoeder van mensenrechten, democratie en rechtsstaat in heel Europa. De belangrijke rol die haar onafhankelijke expertise speelt bij het waarborgen en versterken van onze systemen kan niet genoeg benadrukt worden. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft tijdens de bijeenkomst van het Comité van Ministers op Cyprus aandacht gevraagd voor de waarde van de adviezen en rapportages van de Raad van Europa, meer specifiek de Venetië Commissie en de opvolging en publicatie daarvan door lidstaten, waarbij Polen expliciet werd genoemd. De Minister sprak deze interventie uit in de context van het jaarverslag van de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, dat gewijd is aan democratie, mensenrechten en rechtsstatelijkheid, het centrale thema van de bijeenkomst.
Welke nadere mogelijkheden heeft u om, zo mogelijk samen met uw Europese collega’s maar zo nodig individueel, opnieuw actie te ondernemen om bij te dragen aan het waarborgen van de onafhankelijke rechtspraak in Polen?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat het voor starters steeds moeilijker wordt een 'goedkoop' huis te krijgen |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Goedkope huizen voor starters «bijna uitverkocht»»?1
Ja.
Hoe groot is het tekort aan koophuizen tot € 200.000,= en wat is hier volgens u de oorzaak van?
Sinds 2013 laat de woningmarkt een sterk herstel zien. Het consumentenvertrouwen in de huizenmarkt is sterk gestegen en het lijkt aannemelijk dat we de afgelopen periode te maken gehad hebben met een inhaalvraag. De lage rente heeft geleid tot een verdere toename van de vraag. Woningbouw reageert vanzelfsprekend vertraagd op de toenemende vraag, zeker in een dichtbevolkt land zoals Nederland.
De verantwoordelijkheid om te zorgen dat het aanbod voldoende aansluit bij de vraag ligt op decentraal niveau. De bouwproductie is de afgelopen jaren flink toegenomen en zal naar verwachting (op basis van de bouwplannen van gemeenten) de komende jaren hoog blijven. Daarmee komt doorstroming op gang die ook voor starters kansen biedt.
Vanuit Primos 2016 (ABF Research) wordt het huidige woningtekort in Nederland geraamd op 134.000 woningen en is de verwachting dat dit oploopt naar 196.000 woningen in 2018 en dan weer daalt tot 171.000 woningen in 2025.2 Deze verwachting is gebaseerd op demografische ontwikkelingen, economische scenario’s en woonwensen van huishoudens. Het is niet bekend in welke mate het geschatte tekort betrekking heeft op het segment koophuizen tot € 200.000. Het achterblijvende aanbod (ongeacht het segment) vormde de aanleiding voor gesprekken met de woningmarktregio’s zoals ook in mijn brief van 21 februari 2017 (Kamerstuk 32 847, nr. 295) is geschetst.
Hoeveel koophuizen zijn door prijsstijgingen (vanaf 2014) onbereikbaar geworden voor starters?2
De bereikbaarheid van koophuizen voor starters is niet alleen afhankelijk van de huizenprijzen maar ook van onder andere de rente, de leennormen en de inkomensontwikkeling. Tegenover de recente stijging van de huizenprijzen staat dat huishoudens door de daling van de rente en groei van inkomens gemiddeld meer kunnen lenen dan voor de crisis.4 De prijsstijgingen verschillen bovendien per regio. In steden als Amsterdam en Utrecht ligt de prijs weer boven het precrisis niveau, terwijl de prijs landelijk nog steeds onder het precrisis niveau ligt. Gemiddeld lagen de huisprijzen in het eerste kwartaal van dit jaar circa 9% lager dan de piek in 2008.5
Wat bent u voornemens voor starters te doen?
Voor starters is een goede doorstroming op de woningmarkt van belang. Er bestaan reeds verschillende regelingen die gericht zijn op starters. Zo is er de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) die bijdraagt aan de beschikbaarheid van verantwoorde financiering en waarmee huishoudens een rentekorting kunnen krijgen. Deze garantie is momenteel beschikbaar voor de financiering van woningen met een aankoopwaarde tot € 245.000. Ook is sinds 1 januari van dit jaar de schenkingsvrijstelling voor de eigen woning verhoogd tot € 100.000. Daarnaast bieden diverse gemeenten startersleningen aan. Tot slot is er vanuit het Rijk aandacht voor het vergroten van het woningaanbod, met name in schaarsteregio’s. Meer aanbod maakt dat de druk op de woningmarkt (en prijzen) afneemt en huishoudens meer keuze hebben. Ik voer momenteel gesprekken met de woningmarktregio’s over de mate waarin in de woningbehoefte kan worden voorzien en of hierbij knelpunten optreden. Daarnaast is er in het bijzonder aandacht voor het vergoten van het aanbod aan huurwoningen in het middensegment voor huishoudens met een middeninkomen (inclusief starters). Een van de maatregelen is de oprichting van de samenwerkingtafel middenhuur. Aan deze tafel, onder voorzitterschap van Rob van Gijzel, worden lokale partijen en investeerders met elkaar in contact gebracht met als doel om te komen tot afspraken over extra aanbod van huurwoningen in het middensegment. Over de voortgang ontvangt uw Kamer voor de zomer een rapportage.
Hoe gaat u voorkomen dat de huizenmarkt «tot stilstand» komt met alle gevolgen van dien?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat er meer gebouwd dient te worden? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit deel ik. Bij mijn bezoeken aan de woningmarktregio’s met schaarste besteed ik hier expliciete aandacht aan.
De berichten dat Turkije Koerdische doelen in Noord-Syrië en Noord-Irak heeft aangevallen |
|
Joël Voordewind (CU), Han ten Broeke (VVD), Raymond de Roon (PVV), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de Turkse aanvallen op Koerdische doelen in Noord-Syrië en Noord-Irak?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze aanvallen, gezien het feit dat de getroffen groeperingen deel uitmaken van de anti-ISIS-coalitie en nauw samenwerken met NAVO-bondgenoot Amerika?
Net als andere landen heeft Turkije het recht op zelfverdediging tegen gewapende aanvallen, dus ook als dergelijke aanvallen worden uitgevoerd door Koerdische strijders. Tegelijkertijd is het kabinet van mening dat Turkije met zijn militaire optreden in de regio de internationale inzet in de strijd tegen ISIS niet dient te bemoeilijken, conform het internationaal recht dient te handelen en derhalve de beginselen van proportionaliteit in acht dient te nemen. Terughoudendheid van Turkije is daarom gepast.
Zijn er bewijzen voor de Turkse bewering dat het bij de aanvallen ging om PKK-strijders die wapens en explosieven naar Turkije wilden smokkelen?
Het kabinet beschikt niet over bewijzen die bovengenoemde Turkse bewering kunnen bevestigen of ontkrachten.
Bent u ervan op de hoogte dat organisaties van de Syrische Christelijke minderheid en de Iraakse Yazidi’s sterk geprotesteerd hebben tegen deze bombardementen omdat zij mede-slachtoffer zijn van de Turkse bombardementen?2 Welke informatie heeft u over slachtoffers onder deze groepen?
Open bronnen beweren dat meerdere stellingen in noordoost Syrië en noord Irak zijn aangevallen door Turkije. Daarbij zouden twee burgers en enkele tientallen Koerdische strijders en Yezidi’s zijn gedood. Nederland beschikt niet over eigenstandige inlichtingen op basis waarvan deze berichten bevestigd of ontkracht kunnen worden. Het kabinet heeft uit open bronnen kennisgenomen van het feit dat organisaties van de Syrische Christelijke minderheid en de Iraakse Yezidi’s hebben geprotesteerd tegen deze bombardementen.
Oost-Europese uitzendkrachten die worden ingezet bij sociale werkbedrijven |
|
Jasper van Dijk |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw oordeel over de uitzending van Nieuwsuur waarbij Oost-Europese uitzendkrachten ingezet worden bij sociale werkbedrijven?1
Het feit dat er in de reportage wordt gesproken over Oost-Europese uitzendkrachten werd veroorzaakt doordat de Tomingroep met een onderaannemer werkt die gespecialiseerd is in buitenlandse arbeidskrachten die op hun beurt weer gespecialiseerd zijn in groenwerk en productiewerk. Het is echter geen beleid van de Tomingroep om zich specifiek op die doelgroep te richten. Het is het jammer dat deze incidentele inzet van (Oost-Europese) uitzendkrachten het belangrijkste thema vormde voor deze uitzending, want oorspronkelijk was het manifest van de wethouders over de betaalbaarheid van de sociale werkvoorziening het belangrijkste onderwerp voor deze uitzending.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat Oost-Europese uitzendkrachten werken bij sociale werkbedrijven, terwijl arbeidsgehandicapten thuis op de bank zitten? Zo ja, wat gaat u ondernemen om hier een eind aan te maken? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het werk dat primair bedoeld is voor mensen met een arbeidsbeperking niet door (Oost-Europese) uitzendkrachten moet worden gedaan.
De werkzaamheden bij sw-bedrijven worden in uitgevoerd door mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt die tot de doelgroep van de Participatiewet horen. Als de opdrachten van werkgevers die aan een sw-bedrijf worden verstrekt echter niet op tijd kunnen worden uitgevoerd bij gebrek aan personeelscapaciteit vind ik het acceptabel bij wijze van uitzondering uitzendkrachten in te huren. Hiermee worden werkplekken die in de toekomst wel bezet kunnen worden door de doelgroep van de Participatiewet ook veilig gesteld.
Hoeveel sociale werkplaatsen maken gebruik van uitzendkrachten? Indien de cijfers niet voorhanden zijn, bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Over deze cijfers beschik ik niet. De koepelorganisatie van de sw-bedrijven Cedris heeft aangegeven dat er sprake is van incidentele inzet. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en maken daarover afspraken met de sw-bedrijven.
Welk percentage van de werknemers van sociale werkplaatsen bestaat momenteel uit uitzendkrachten en hoe verhoudt zich dat tot percentages in het verleden, voor invoering van de Participatiewet? Kunt u in uw antwoord tevens (in percentages) aangeven wat het land van herkomst is van de uitzendkrachten?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre schijnconstructies worden toegepast en in hoeverre de cao Sociale Werkplaatsen (SW) wordt ontdoken of ontweken bij werkvoorziening voor arbeidsbeperkten? Zo ja, wanneer wordt het resultaat hiervan naar de Kamer gestuurd? Welke maatregelen gaat u nemen om dit tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
De controle op de naleving van cao’s is primair de verantwoordelijkheid van sociale partners. Het is belangrijk dat zij de cao-naleving bevorderen en op de naleving toezien. Dat bevordert eerlijke concurrentie tussen bedrijven en werkt corrigerend indien werknemers worden onderbetaald door malafide bedrijven. In hoeverre de cao Sociale Werkplaatsen in de specifieke casus wordt ontdoken is niet aan mij om te beoordelen. De cao-partijen kunnen de Inspectie SZW verzoeken om een aanvullend onderzoek te doen naar naleving van de cao-voorwaarden. Wanneer het de naleving van de cao voor uitzendkrachten betreft, kan de Inspectie worden gevraagd een onderzoek in te stellen naar de naleving van artikel 8 van deze wet, de zogenaamde Loonverhoudingsnorm.
Hoeveel mensen met een arbeidsbeperking zitten momenteel thuis?
Eind 2016 behoren 79 duizend arbeidsgehandicapte mensen tot de werkloze beroepsbevolking (Bron: CBS).
Hoe verklaart u dat arbeidsbeperkten niet of onvoldoende via gemeenten aan de slag komen bij sociale werkbedrijven?
Sw-bedrijven spelen een belangrijke rol bij de uitvoering Participatiewet. Gemeenten organiseren het nieuw beschut werk veelal bij de sw-bedrijven. Onlangs heb ik uw Kamer geïnformeerd over de besteding van de middelen (30 miljoen euro) uit de motie Kerstens om de omvorming van de sw-bedrijven tot toekomst gerichte werkbedrijven te ondersteunen. De resultaten waren positief en veel gemeenten kiezen voor een brede uitvoering van de Participatiewet door de nieuwe werkbedrijven. Dat het nog beter kan blijkt uit het gegeven dat gemeenten de mensen uit de doelgroep onvoldoende kennen. Om de transparantie van de bestanden bij gemeenten te vergroten heb ik daarom extra middelen (3 miljoen euro) aan gemeenten beschikbaar gesteld om de kandidatenverkenner zoals ontwikkeld door UWV ook door gemeenten versneld te laten vullen. Daarnaast is per 1 januari 2017 de mogelijkheid geschapen om zichzelf te melden bij het UWV om voor beschut werk in aanmerking te komen, ook de «warme» overdracht van leerlingen van de VSO/PRO scholen aan gemeenten stimuleert de participatie van arbeidsbeperkten.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is als sociale werkbedrijven concurreren met het bedrijfsleven door opdrachten «voor dumpprijzen» uit de markt te halen? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
In het Cedris-rapport «Optimaliseren van het verdienvermogen», mede mogelijk gemaakt door ondersteuning vanuit SZW, zijn in 2014 thema’s benoemd waarvoor onderzocht kon worden of besparingen mogelijk zijn. Eén van de thema’s betrof de marktconformiteit. De levensvatbaarheid van het sw-bedrijf als geheel moet hierbij een rol spelen.
Het betreffende bedrijf uit de Nieuwsuur uitzending geeft aan dat zij absoluut niet tegen dumpprijzen werken. Het bedrijf is tot nu toe altijd winstgevend geweest. De Tomingroep weigert opdrachten die te ver onder het markttarief liggen. Sw-bedrijven hebben eenvoudige verpakkingswerkzaamheden echter wel nodig, omdat een aanzienlijk deel van de zittende sw-populatie (het zogenaamde beschutte deel van de Wsw, ca 30% van de totale sw-populatie) daarop is aangewezen.
Wat is uw reactie op de noodkreet van ruim 200 wethouders dat het gemeenten financieel onmogelijk wordt gemaakt werkzoekenden met een afstand tot de arbeidsmarkt naar betaald werk te begeleiden?2
Ik heb op 21 april 2017 per brief aan uw Kamer gereageerd op het Manifest van de wethouders waarnaar u verwijst. Samenvattend concludeerde ik in deze brief dat een duurzame en sluitende sociale infrastructuur in elke arbeidsregio essentieel is. Een goede samenwerking tussen gemeenten, sociale partners, UWV en sw-bedrijven is onontbeerlijk om de kansen die de huidige conjuncturele omstandigheden bieden om ook de kwetsbare groepen aan het werk te helpen te benutten. Dat vraagt forse inspanningen van alle betrokken partijen. Ik blijf de financiële condities waaronder dit gebeurt goed monitoren, zodat we zo nodig aanpassingen kunnen bewerkstelligen.
Onderschrijft u de analyse van de wethouders dat de in 2012 gemaakte prognoses over de uitstroom van werknemers vanuit de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) niet aansluiten bij de werkelijkheid? Kunt u in uw antwoord kwantificeren hoeveel de daadwerkelijke uitstroom is, van welke uitstroom werd uitgegaan en welke financiële tekorten uit het verschil voortkomen voor sociale werkbedrijven?
Deze analyse onderschrijf ik niet. In mijn brief van 21 april geef ik aan dat het gerealiseerde volume op basis van voorlopige cijfers circa 300 arbeidsjaren lager is dan de raming die destijds bij de invoering van de Participatiewet is gemaakt. Inmiddels zijn de definitieve cijfers beschikbaar. Deze bevestigen dat beeld. Het volume Wsw in arbeidsjaren in 2016 bedroeg 83.014. Dat ligt onder de prognose ten tijde van de invoering Participatiewet van 83.300 arbeidsjaren. Ook in 2015 was de volumerealisatie lager dan geraamd. De uitstroom over de afgelopen twee jaar is dus iets hoger en niet lager geweest dan de prognose. Er is daarmee geen sprake van financiële tekorten als gevolg van een hoger Wsw-volume dan verwacht. Het blijft echter zaak om goed de vinger aan de pols te houden op dit punt en dat doe ik ook jaarlijks.
In hoeverre is de door u toegezegde 3 miljoen «nieuw» geld?3 Wat is hierover eerder aan de Kamer gerapporteerd, waar dient dit geld precies voor en uit welk potje is het afkomstig?
Tijdens de behandeling van de begrotingsstaten van het ministerie voor het jaar 2017 is een zestal amendementen aangenomen die worden gefinancierd uit de onderbenutting van het budget voor de sectorplannen4. Het amendement van Kamerlid Van ’t Wout en voormalig Kamerlid Kerstens ten behoeve van het opstellen en beschikbaar maken van (gemeentelijke) klantprofielen, is daar één van5. Het bedrag wordt door middel van een decentralisatie-uitkering uitgekeerd en is in de meicirculaire 2017 meegenomen. Uw Kamer is hierover bij brief van 24 april 2017 (TK 29 544, nr. 779) geïnformeerd. De middelen zijn afkomstig uit de onderuitputting van de middelen voor de sectorplannen en er is daarom geen sprake van nieuw geld.
Erkent u dat de wethouders met 3 miljoen euro nog lang niet uit de problemen zijn, aangezien zij jaarlijks 420 miljoen euro nodig hebben? Bent u bereid aan hun eis tegemoet te komen?
zie antwoord op vraag 9.
Het bericht dat volgens de rechter een datavrije muziekbundel niet in strijd is met netneutraliteit |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uw zienswijze geven op de gevolgen van de uitspraak van de Rotterdamse rechter dat de datavrije muziekbundel die T-Mobile aanbiedt niet in strijd is met de netneutraliteit, zoals die in de Nederlandse wetgeving is vastgelegd?1
De rechtbank heeft geoordeeld dat de netneutraliteitsverordening «zonder twijfel geen categorisch verbod op prijsdiscriminatie («acte clair») bevat», waardoor de Telecommunicatiewet op dit punt onverbindend is. Concreet betekent dit dat zero-rating-aanbiedingen, zoals die van T-Mobile, niet op grond van strijd met de Telecommunicatiewet verboden zijn. Tevens volgt uit de uitspraak dat een aanbod als dat van T-Mobile niet zonder meer in strijd is met de netneutraliteitsverordening. Het oordeel van de rechtbank staat er echter niet aan in de weg dat in het geval van het aanbod van T-Mobile (of iedere andere concrete casus waarin sprake is van zero-rating) sprake kan zijn van omstandigheden die maken dat de geboden vorm van zero-rating strijdig is met de verordening. De rechtbank heeft zich in haar vonnis niet uitgelaten over de vraag of zich bij de dienst van T-Mobile zulke omstandigheden voordoen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) zou dit (alsnog) kunnen onderzoeken. De ACM heeft aangegeven een dergelijk onderzoek te zijn gestart.
Deelt u de mening dat een vrij en open internet gebaat is bij het voorkomen van alle vormen van discriminatie tussen soorten data die via het internet worden verstuurd?
Ja.
Op basis waarvan oordeelt de rechter dat u niet bevoegd bent geweest om «zero rating» in de Telecommunicatiewet uitdrukkelijk te verbieden?2
Naar het oordeel van de rechtbank biedt de verordening geen grondslag voor aanvullende wettelijke bepalingen met betrekking tot de reikwijdte en de omvang van het in de verordening neergelegde discriminatieverbod, dat volgens de rechtbank geen categorisch verbod op prijsdiscriminatie is.
Welke mogelijkheden heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) om dit besluit aan te vechten en bent u op de hoogte van een voornemen van de ACM om dit te doen?
De ACM kan in hoger beroep gaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Welke consequenties heeft deze uitspraak voor de huidige Telecommunicatiewet? Bent u bereid, indien dit grote gevolgen heeft voor het Nederlandse netneutraliteitsbeleid, hierover in overleg te treden met de Europese Commissie?
De consequentie is dat de Telecommunicatiewet op dit onderdeel door de rechtbank onverbindend is verklaard. Nu de ACM niet in hoger beroep gaat, ligt het in de rede om het categorische verbod op prijsdiscriminatie in de Telecommunicatiewet te schrappen. Hiertoe zal ik de voorbereidingen treffen. Overleg met de Europese Commissie op dit punt zal niet leiden tot wijzigingen. Nog afgezien van de opvattingen van de Europese Commissie in dezen is de Commissie niet bevoegd een rechterlijk oordeel ter zijde te stellen.
Bent u bereid met de Duitse Minister van Economische Zaken te overleggen over het toestaan van zero rating binnen de Europese netneutraliteitsverordening?3
De lidstaten hebben bij de totstandkoming van de verordening binnen de Europese Raad een belangrijke rol gespeeld. Echter de nationale wetgevers hebben geen formele rol bij de handhaving van de verordening. Dit is aan de nationale toezichthouders. De Duitse toezichthouder (Bundesnetzagentur) kan deze zero-rating dienst onderzoeken op basis van de verordening.
De uitspraak van de rechter beslecht een geschil tussen de ACM en T-Mobile over de vraag of prijsdiscriminatie op grond van de netneutraliteitsverordening en de Telecommunicatiewet zonder meer verboden is of niet. De rechter heeft hierbij de ACM in het ongelijk gesteld door te oordelen dat de netneutraliteitsverordening geen categorisch verbod op prijsdiscriminatie bevat en het artikel in de Telecommunicatiewet dat het (vermeende) categorische verbod nader uitwerkt onverbindend te verklaren. Tegen deze uitspraak van de rechter staat voor de bij het geschil betrokken partijen (ACM en T-Mobile) hoger beroep open. De ACM heeft besloten van deze mogelijkheid geen gebruik te maken. Ik respecteer die beslissing. Bij deze handhavingskwestie ligt het besluit om wel of niet in hoger beroep te gaan bij de ACM als onafhankelijk toezichthouder. Conform de Instellingswet ACM dient de Minister van Economische Zaken zich niet te mengen in individuele handhavingszaken van de ACM. Zoals aangegeven in bovenstaande beantwoording onderzoekt de ACM nu, uitgaande van het ontbreken van een categorisch verbod op prijsdiscriminatie, of er specifieke omstandigheden zijn die maken dat de datavrije muziekdienst van T-Mobile in strijd is met de netneutraliteitsverordening.
Het bericht ‘’Totale vernietiging van zeer groot oppervlakte gezond koraal’’. |
|
André Bosman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Totale vernietiging van zeer groot oppervlakte gezond koraal»?1
Ja.
Welke invloed heeft deze vernieling op de hoeveelheid koraal in het Caribisch gebied?
De gezondheid en populatie van koraal staat op veel plekken op de wereld onder druk, zo ook in het Caribisch gebied. Dat elk onnodige koraalvernieling dus ongewenst is staat buiten kijf. De precieze eenheidsafbakening van de schade aan het koraal is nog het onderwerp van onderzoek.
In hoeverre komt de vernieling van bijna 3,7 hectare gezond koraal overeen met de in de vergunning vermelde verplichting om zoveel mogelijk koraal-besparend te werken?
De schade naar aanleiding van de bouwwerkzaamheden, dat vooralsnog het onderwerp van onderzoek is, heeft een compromitterend karakter ten aanzien van de in de vergunning vermelde verplichting omtrent koraalbesparend werken.
Welke invloed heeft deze vernieling op het wetenschappelijke onderzoek naar het koraal op deze locatie?
Een mate van geplande schade aan het koraalrif wordt over het algemeen bij dit soort bouwwerkzaamheden van tevoren ingecalculeerd. Curaçao Ports Authority (CPA) had als compensatie dan ook een bedrag van 4 miljoen ANG beschikbaar gesteld voor het instellen en beheer van een onderwaterpark van 20 kilometer langs de kust. De uiteindelijke invloed van de niet ingecalculeerde schade aan het koraalrif op het wetenschappelijke onderzoek naar koraal is in dit stadium echter moeilijk om vast te stellen. De onderzoeken naar de schade en de gevolgen daarvan lopen nog.
In hoeverre heeft deze vernieling van het koraal invloed op het toerisme in de regio?
CPA heeft in het onderhavige geval de bouwwerkzaamheden kort stilgelegd. Bij het laten hervatten van de werkzaamheden verwees CPA juist op het belang van het toerisme. De pier moet volgens CPA gereed zijn voordat het cruiseseizoen medio oktober van start gaat en kan daarom geen vertraging oplopen. Op de lange termijn kan moeilijk vastgesteld worden wat voor effect het onderhavige geval kan hebben op het toerisme, omdat de onderzoeken naar de mate van schade nog lopen en er tegelijk met eventuele bouwwerkzaamheden compenserende maatregelen, zoals het instellen van een onderwaterpark, genomen kunnen worden. Het is over het algemeen erkend dat koraalriffen zowel natuurlijke als economische waarde hebben.
In hoeverre kan de ontwikkelaar aansprakelijk worden gesteld voor de aangerichte schade? In hoeverre kunnen de kosten voor het wetenschappelijke onderzoek en van de gemiste inkomsten van het toerisme worden verhaald?
De mate waarin aansprakelijkheid wel of niet wordt afgedwongen, alsmede de mate waarin eventuele gemiste inkomsten ten gevolge van de schade uit het toerisme verhaald kan worden, zijn vraagstukken die bij het land Curaçao liggen. Daarbij lopen de onderzoeken nog en zijn de precieze kosten van de schade vooralsnog ongedefinieerd.
In hoeverre kan het land Nederland het land Curaçao ondersteunen met onderzoek naar de aangerichte schade en het mogelijk beperken van gevolgschade?
CPA laat de schade zelf onderzoeken door milieu consultancybedrijf Ecovision en daarnaast doet Carmabi een eigen onderzoek. Deze onderzoeken lopen nog. Natuurbescherming is een verantwoordelijkheid van de landen. Desalniettemin is het mijn grondhouding om open te staan voor (verzoeken tot) samenwerking als het gaat om koraalbescherming en -herstel in Koninkrijksverband.
De website 'Alt Rechts' (altrechts.com) waar opgeroepen wordt om personen en organisaties op te geven die zich 'volksvijandig' zouden opstellen |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de website Alt Rechts en het «Joodse overzicht» en het «overzicht volksvijandig Nederland»?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de website actief Joden en «volksvijandige Nederlanders» inventariseert? Bent u er ook mee bekend dat volgens de website onder andere feministen, homoseksuelen en cultuur-afbrekers afgeschilderd worden als volksvijandige Nederlanders?
Ja.
Deelt u de mening dat deze website bedreigend en lasterlijk is voor mede-Nederlanders, discriminatie cultiveert en faciliteert en bewust haat en verdeeldheid zaait? Kunt u dit toelichten?
Dit zal moeten blijken uit het strafrechtelijk onderzoek dat wordt uitgevoerd onder leiding van het parket Oost-Nederland. Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een overleg tussen MiND (meldpunt internet discriminatie) en de regionale eenheid Oost-Nederland van de Nationale Politie in maart van dit jaar.
Zijn er aangiftes gedaan tegen deze website en de beheerders? Zo ja, hoeveel en waar bevinden deze zich in het proces?
De politie heeft laten weten dat -voor zover bekend – geen aangiften zijn gedaan tegen de beheerders van de website Altrechts.com.
Deelt u de opvatting van advocaat Alberdingk Thijm dat aangifte tot het aanpakken van deze website en beheerders kan leiden?2 Kunt u dit toelichten?
De site is direct door de provider offline gehaald. Om te kunnen beoordelen of de beheerders van de website strafrechtelijk kunnen worden aangepakt, is onderzoek noodzakelijk.
Dit onderzoek loopt op dit moment al. Aangiften zijn niet noodzakelijk voor het voortzetten van het onderzoek, maar het is uiteraard van belang dat een ieder die meent slachtoffer te zijn geweest van een strafbaar feit aangifte doet.
Loopt er momenteel een onderzoek naar de website en de beheerders door het openbaar ministerie (OM)? Zo ja, waar staat dit in het proces? Zo nee, bent u bereid deze website onder de aandacht te brengen van het OM?
Ja, de politie is gestart met een onderzoek onder leiding van het parket Oost-Nederland.
Tegen welke straf kunnen de beheerders en eigenaren van de host aanlopen als het tot een veroordeling komt voor discriminatie, aanzetten tot haat, laster en smaad?
De maximum op te leggen straf voor discriminatie of aanzetten tot haat is op grond van artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht (Sr) een gevangenisstraf voor de duur van een jaar of een geldboete van € 8.200,–. Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen kan een gevangenisstraf van maximaal twee jaar of een geldboete van € 20.500,– worden opgelegd. De maximum straf voor smaad is ingevolge artikel 261 Sr een gevangenisstraf voor de duur van een jaar of een geldboete van € 8.200,–. Voor laster is dit op grond van artikel 262 Sr een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar of een geldboete van € 20.500,–.
De VN Veiligheidsraad |
|
Raymond Knops (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bereid om aan de Kamer aan te geven wat de prioriteiten van Nederland zijn bij het lidmaatschap van de VN Veiligheidsraad, zoals de regering dat in 1999–2000, de laatste keer dat het in de VN veiligheidsraad zat, ook deed?1
Ik ben gaarne bereid om aan de Kamer aan te geven wat de prioriteiten voor het Koninkrijk zullen zijn als het lidmaatschap van de Veiligheidsraad voor 2018 formeel zal zijn bekrachtigd. Daartoe zal de Kamer in het najaar een brief toegaan, na rijksbrede afstemming.
Bent u bereid om de vervolging en berechting van de daders van het neerhalen van vlucht MH17 op 17 juli 2014 tot een van de prioriteiten te maken van het Nederlands lidmaatschap in de veiligheidsraad, aangezien dezelfde veiligheidsraad in resolutie 2166 alle landen heeft opgeroepen volledige medewerking te verlenen aan de onderzoeken?
Het vervolgen en berechten van degenen die verantwoordelijk zijn voor het neerhalen van vlucht MH17 blijft voor het kabinet de hoogste prioriteit. Zoals vermeld aan uw Kamer (beantwoording Kamervragen d.d. 16-02-2017, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 1217) heeft Nederland zich vanaf het begin ingezet voor betrokkenheid van de VN-Veiligheidsraad. Nederland zal het lidmaatschap uiteraard aangrijpen om zich sterk te blijven maken voor de uitvoering van VN-Veiligheidsraadresolutie 2166, waaronder de medewerking van alle betrokken landen bij vervolging en berechting, ongeacht het vervolgingsmechanisme waarvoor wordt gekozen.
Bent u bereid om de daadwerkelijke vervolging en berechting van de ISIS-strijders – die uit tientallen Lidstaten van de VN komen en genocide plegen – tot een van de prioriteiten van het Nederlandse lidmaatschap van de veiligheidsraad te maken?
Voortdurende inzet op de vervolging en berechting van alle personen die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige internationale misdrijven, waaronder genocide, is een belangrijk onderdeel van het Nederlandse beleid. Waar het ISIS-strijders betreft zal Nederland ook in internationale overlegorganen als de Veiligheidsraad blijven verkennen welke aanpak passend zou zijn en daadwerkelijk effect hebben in de huidige complexe situatie.
Kunt u de maandagenda van het roterende voorzitterschap alsmede het werkprogramma tijdig aan de Kamer doen toekomen, net als de regering dat deed toen Nederland de vorige keer lid was van de VN Veiligheidsraad?
Het ligt in de bedoeling om de Kamer iedere maand het werkprogramma toe te sturen zodra dit is aanvaard door de Veiligheidsraad.
Het bericht ´Cocaïnebaron knipt enkelband door en vlucht’ |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cocaïnebaron knipt enkelband door en vlucht»?1
Ja.
Uit het artikel komt het beeld naar voren dat de betrokkene reeds in december 2016 zijn enkelband heeft doorgeknipt en ontvlucht is aan het toezicht van justitie; kloppen deze feiten? Waarom komt dit nieuws nu pas naar buiten en wat is er in de tussentijd gedaan aan de opsporing van de betrokkene? Welke stappen in nationaal en internationaal verband zijn er ondernomen om Cetin G. op te sporen sinds het duidelijk werd dat hij zijn enkelband heeft doorgeknipt?
In november 2016 gaf de enkelband van betrokkene en signaal van bandsabotage door aan de meldkamer. In reactie hierop heeft de reclassering direct contact opgenomen met de politie en het OM. Betrokkene is onmiddellijk (inter)nationaal gesignaleerd en partijen zijn, zoals ik ook in de antwoorden op de vragen van het lid Helder vermeldde, gelijk gestart met het opsporen van betrokkene. Hierbij is het Team FAST NL ingeschakeld. Vanwege toekomstige opsporingsbelangen kan ik verder geen uitspraken doen over concrete opsporingshandelingen.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat de enkelband is doorgeknipt? Heeft dit geleid tot een directe signalering van het doorknippen aan politie of justitie? Waarom heeft dit niet geleid tot direct handelend optreden?
Zie antwoord vraag 2.
Uit het artikel wordt duidelijk dat het doorknippen van een enkelband vaker voorkomt; kunt u aangeven hoe vaak sinds de start van het werken met de enkelband het doorknippen/losmaken is voorgekomen? Kunt u duiden wat de kennelijke kwetsbaarheid van deze band betekent voor de inzet van de enkelband als betekenisvol middel?
Uit cijfers van de reclassering blijkt dat sinds begin 2016 35 enkelbanddragers (op ongeveer 2.700 dragers) moedwillig hun enkelband hebben verwijderd.
De enkelband is een effectief en voldoende robuust instrument om voorwaarden, zoals een locatiegebod te controleren, dit blijkt ook uit het onderzoek waarnaar ik verwijs in mijn antwoorden op vragen van het lid Helder. Per casus wordt zorgvuldig bekeken of een enkelband kan worden ingezet. De reclassering adviseert hierover. Vluchtgevaarlijkheid is een contra-indicatie voor het omleggen van de enkelband, maar ook voor het schorsen van de voorlopige hechtenis. Dit is de reden dat RN in deze casus negatief heeft geadviseerd over het gebruik van de enkelband en het OM zich heeft verzet tegen de schorsing. De onafhankelijke rechter die bevoegd is hierover te oordelen, heeft in deze zaak anders beslist.
Heeft u een verklaring voor het feit dat een verdachte van zeer zware strafbare feiten, reeds verdacht van zware nieuwe feiten, waartegen 14 jaar cel is geëist, thuis met een enkelband het onderzoek mocht afwachten? Vindt u het gepast dat bij dergelijke zware strafbare feiten en zwaar kaliber criminelen een licht middel als de enkelband wordt toegepast?
Ik verwijs naar mijn antwoord op de vragen 3, 8 en 9 van het lid Helder (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 1983). Voorts verwijs ik naar mijn brief aan uw Kamer over doorgeknipte enkelbanden. Deze brief, de antwoorden op de Kamervragen van het lid Helder en de beantwoording van deze vragen zijn gelijktijdig aan uw Kamer gezonden.
Deelt u de mening dat de regels aangepast dienen te worden zodat verdachten van zware criminaliteit hun berechting niet thuis met een enkelband, maar achter tralies afwachten?
Zie antwoord vraag 5.
De winning van hoog- en laagcalorisch gas |
|
Sandra Beckerman |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
Kunt u aangeven in welke verschillende velden/putten hoog calorisch en laag calorisch gas gewonnen wordt? Kunt u daarnaast per boorput aangeven of daar al gewonnen wordt en of er opsporingsboringen plaats (gaan) vinden?
Of gasvelden gas leveren aan het hoog- of aan het laagcalorische systeem wordt bepaald door de gasleiding waarmee het gas wordt afgevoerd van de winningslocatie naar het transportnet van Gasunie Transport Services (GTS; de beheerder van het landelijke gastransportnet). Daarbij geldt veelal dat gas uit meerdere velden via één gasleiding wordt afgevoerd. Dit gaat vooral op voor de op het continentaal plat gelegen gasvelden.
Momenteel zijn er op het continentaal plat 147 velden in productie. Het gas van negen van deze velden wordt via één gasleiding afgevoerd naar het laagcalorische transportnet van GTS. Het gas van de overige 138 velden wordt via meerdere gasleidingen afgevoerd naar het hoogcalorische transportnet van GTS. Daarbij kan het in een enkel geval voorkomen dat een veld waaruit laagcalorisch gas wordt gewonnen om logistieke redenen (nabijheid van de leiding) op een hoogcalorische gasleiding is aangesloten. Dit is mogelijk doordat het gas uit een dergelijk veld in de gasleiding wordt gemengd met ander, wel hoogcalorisch, gas dat vanuit andere op de gasleiding aangesloten gasvelden afkomstig is.
Op land zijn momenteel 105 kleine velden in productie. Van deze velden leveren er 15, al dan niet via het Groningensysteem, aan het laagcalorische systeem. De overige velden leveren hoogcalorisch gas.
Uit welke velden komt het «laag calorische gas» dat gebruikt gaat worden om de conversie-installaties gericht te voeden?
Hoogcalorisch gas heeft geen uniforme Wobbe-index (zie ook het antwoord op vraag 4). Ieder veld met hoogcalorisch gas heeft een andere Wobbe waarde. Waar ik in het debat van 20 april jl. op doelde is dat het hoogcalorische gas dat uit de Nederlandse kleine velden wordt gewonnen gemiddeld een lagere Wobbe-index heeft dan het hoogcalorische gas uit Noorwegen en Rusland en het hoogcalorische gas dat in de vorm van LNG wordt aangevoerd. Door nu eerst dit meest «laagcalorische» hoogcalorisch gas naar haar mengstations te sturen optimaliseert GTS het gebruik van deze installaties. Daardoor kan, gegeven de hoeveelheid stikstof, meer laagcalorisch gas worden gemaakt dan GTS aanvankelijk had geraamd op basis van de gemiddelde waarde van het in Nederland beschikbare hoogcalorisch gas.
In de mengstations wordt hoogcalorisch gas op twee manieren ingezet:
Verrijking heeft de voorkeur boven kwaliteitsconversie omdat de daarmee gemoeide kosten lager zijn en dit minder belastend voor het milieu is.
Op welk moment was bekend dat stikstoffabrieken permanent inzetbaar waren? Kunt u de Kamer informeren op welke wijze en op welke momenten de stikstoffabrieken in het verleden werden ingezet? Welke hoeveelheden van welk gas werden daar per jaar voor gebruikt?
De stikstofinstallaties zijn in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw gebouwd om een afzetmarkt te creëren voor het hoogcalorische gas dat werd gewonnen uit de Nederlandse kleine velden. Dat gas kende toen in Nederland nog geen eigen afzetmarkt omdat er in Nederland alleen laagcalorisch gas werd gebruikt. Deze situatie veranderde toen werd besloten om in Nederland ook een infrastructuur voor hoogcalorisch gas aan te leggen en met name elektriciteitscentrales en industriële grootverbruikers daarop aan te sluiten. Daarmee kreeg het hoogcalorisch gas uit de kleine velden een eigen afzetmarkt en werd er een minder groot beroep gedaan op de inzet van de stikstofinstallaties. Vanaf het begin van deze eeuw nam dit beroep verder af vanwege dalende productie uit de kleine velden (gedaald van 48 miljard m3 in 2000 tot 21,5 miljard m3 in 2015).
In de onderzoeken die naar aanleiding van de aardbeving in Huizinge in 2012 in mijn opdracht in 2013 zijn uitgevoerd heb ik GTS gevraagd om het volgende te onderzoeken: ga na hoeveel pseudo-laagcalorisch gas er geproduceerd kan worden door enerzijds gebruik te maken van de mogelijkheid tot verrijking en anderzijds de bestaande stikstofinstallaties voor kwaliteitsconversie te gebruiken, om daarmee de mogelijkheid te hebben de productie van gas uit het Groningenveld te verminderen. GTS heeft hierover in oktober 2013 gerapporteerd. De bevindingen van GTS zijn vervolgens betrokken bij de besluiten die het kabinet sindsdien heeft genomen over de toegestane hoogte van de winning uit het Groningenveld. Daarnaast heb ik GTS zowel in 2015 als in 2016 en nu zeer recent gevraagd om haar bevindingen te actualiseren
Het gebruik van de mengstations in de afgelopen jaren voor zowel verrijking als kwaliteitsconversie is als volgt (volumes in miljard m3):
Totaal H-gas naar mengstations
6,69
5,74
4,84
16,94
23,39
Hiervan ingezet voor verrijking
6,62
5,65
4,65
9,77
12,84
H-gas geconverteerd met stikstof
0,07
0,09
0,19
7,17
10,54
Maximale conversie capaciteit
21
21
21
21
21
Inzet conversie capaciteit met stikstof
N.B. Bovenstaande getallen zijn gebaseerd op kalenderjaren. In het lopende gasjaar (1 oktober 2016 – heden) is de inzet tot op heden ruim 60%.
Kunt u toelichten hoeveel van de kleine velden de door u genoemde Wobbe-factor1 hebben, en wat die factor per put bedraagt? Zo nee, waarom niet? Wat is precies die door u genoemde «bepaalde kwaliteit gas dat uit de kleine velden in Nederland afkomstig is»? Wat is precies die Wobbe-factor?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. De Wobbe-index is een maatstaf voor de verbrandingswaarde van het gas en wordt uitgedrukt in het aantal megajoules per kubieke meter (MJ/m3).
Binnen Nederland worden daarbij op hoofdlijnen de volgende bandbreedtes onderscheiden:
Hierbij geldt dat G-gas de bandbreedte is voor binnenlandse afleverpunten en L-gas de bandbreedte is die geldt op de exportpunten. Verder geldt dat het gas dat wordt gewonnen uit het Groningenveld een relatief stabiele Wobbe-index van 43,8 MJ/m3 heeft. Nadere details zijn te vinden in de Regeling Gaskwaliteit van 11 juli 2014 (Stcrt. 2014, 20452), meest recent gewijzigd op 16 februari 2016 (Stcr, 2016, 9333).
Op dit moment zijn er 228 kleine velden in productie waarvan gas in het hoogcalorische systeem wordt ingevoerd. De Wobbe-index van het gas uit deze velden varieert zeer sterk tussen circa 35 MJ/m3 en circa 57 MJ/m3. Het maken van een uitsplitsing naar de Wobbe-index per put heeft geen toegevoegde waarde. Het gas dat uit een klein veld komt heeft een stabiele Wobbe-index, wel hebben verschillende velden verschillende Wobbe-indexen.
Wat is de Wobbe – factor van het geïmporteerde gas uit Rusland en Nederland? Wat is het inzetpercentage van de conversie-installaties bij gebruik van dat Russische of Noorse gas?
De Wobbe-index van Russisch gas is gemiddeld 53,4 MJ/m3 en die van Noors gas is gemiddeld 52,8 MJ/m3. Indien uitsluitend Russisch of Noors gas in de stikstofinstallaties zou worden ingezet zou de theoretisch maximaal te produceren hoeveelheid pseudo-laagcalorisch gas afnemen van circa 21 miljard m3tot respectievelijk circa 16 en 18 miljard m3.
Hoeveel van dit «relatief laagst calorisch gas» is er beschikbaar, voor hoeveel jaar is dit voldoende om de conversie-installaties op 85% van het vermogen te laten draaien? Moeten daartoe nieuwe gasvelden geopend of heropend worden? Zo ja, welke?
Momenteel bedraagt de productie van hoogcalorisch gas uit de Nederlandse kleine velden circa 20 miljard m3. Deze hoeveelheid kan worden ingezet voor verrijking en voor kwaliteitsconversie, maar is onvoldoende om de stikstofinstallaties op 85% van de capaciteit te laten functioneren, daarvoor moet er eveneens geïmporteerd gas worden geconverteerd. In de toekomst zal het percentage import gas toenemen in verband met de afname van de productie uit de Nederlandse kleine velden
Wat betreft nieuwe en bestaande gasvelden wordt in de rapportage «Delfstoffen en aardwarmte in Nederland – Jaarverslag 2015» het volgende opgemerkt:
«Per 1 januari 2016 kende Nederland 477 ontdekte aardgasvoorkomens. Het grootste deel hiervan (253) is momenteel in productie. Daarnaast is een viertal gasvelden operationeel als gasopslagfaciliteit (plus nog één gasopslag in een zoutcaverne). Een totaal van 110 voorkomens is (nog) niet ontwikkeld. De verwachting is dat 33 hiervan binnen vijf jaar (periode 2016–2020) in productie zullen worden genomen. Terwijl van de overige 77 voorkomens het onzeker is of deze zullen worden ontwikkeld. Voor 110 voorkomens geldt, dat deze in het verleden aardgas hebben geproduceerd, maar dat de productie (tijdelijk) is gestaakt.»
De tendens is overigens dat de winning van gas uit de kleine velden de afgelopen jaren al sterk is teruggelopen en de komende jaren verder zal dalen.
Waarvan is het inzetpercentage van de conversie-installaties afhankelijk? Zijn er meer beperkende factoren dan de beschikbaarheid van gemakkelijk te converteren gas?
Naast de omvang van de markt die overblijft na het gelijkmatig inzetten van het Groningenveld is de Wobbe-index bepalend voor de hoeveelheid laagcalorisch gas die uiteindelijk kan worden geproduceerd. Hoe hoger de Wobbe-index, hoe minder laagcalorisch gas met de stikstofinstallaties geproduceerd kan worden.
In hoeverre kan de conversiecapaciteit worden ingezet om aan piekvraag te kunnen voldoen en om schommelingen in de gasvraag te dempen om plotselinge drukveranderingen in het Slochterenveld te voorkomen?
De stikstofinstallaties vormen de balans tussen het aanbod van laagcalorisch gas en de behoefte aan laagcalorisch gas. Naast gasopslagen en productie uit het Groningenveld, worden de stikstofinstallaties ingezet om te voldoen aan de piekvraag (de gasvraag bij een temperatuur van –17 °C). Daarnaast zorgen de stikstofinstallaties gezamenlijk met de bergingen bij een gelijkmatige inzet van het Groningenveld ook voor het opvangen van schommelingen in de marktvraag.
Ziet u meer of andere mogelijkheden om snelle veranderingen in de gasvraag te dempen, zoals het tijdelijk afschakelen van de vijf energiecentrales die op Gronings gas draaien en/of het afschakelen van andere industriële installaties? Wat was het verbruik van de vijf gascentrales in 2015 en 2016?
Er zijn geen andere mogelijkheden om snelle veranderingen in de gasvraag te dempen. Het (tijdelijk) afschakelen van bepaalde groepen van gebruikers is geen optie. Wat betreft de elektriciteitscentrales leidt dit mogelijk tot problemen met de elektriciteitsvoorziening en in een aantal gevallen ook tot problemen met de warmtevoorziening van huishoudens. Wat betreft de bedrijven zou dit kunnen leiden tot het stilleggen van de productieprocessen gevolgd door bedrijfssluiting.
Daarbij geldt verder dat snelle veranderingen in de gasvraag vooral temperatuur gestuurd zijn en daarmee vooral worden veroorzaakt door huishoudens die gas gebruiken voor verwarming (95% van de Nederlandse huishoudens, naast huishoudens in België, Duitsland en Frankrijk). De gasvraag vanuit de industrie is nauwelijks temperatuurafhankelijk.
Welke driehonderd industriële bedrijven zijn op laagcalorisch gas aangesloten?2 Is het mogelijk om deze bedrijven om te bouwen naar gebruik van hoogcalorisch gas? Wat is de reden dat deze driehonderd bedrijven destijds gekozen hebben voor een aansluiting op laagcalorisch gas? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de bijlage van mijn brief van 24 juni 2016 over het ontwerpinstemmingsbesluit gaswinning Groningen (Kamerstuk, 33 529, nr. 278) heb ik aangegeven dat GTS een drietal grote industriële grootverbruikers en een viertal elektriciteitscentrales heeft geïdentificeerd die thans laagcalorisch gas gebruiken maar relatief gunstig zijn gelegen ten opzichte van het hoogcalorische transportnet en dus zouden kunnen overschakelen naar deze kwaliteit. In mijn brief van 12 september 2016 heb ik vervolgens aangegeven dat het kabinet hierover in de loop van dit jaar een besluit zal nemen. Daarbij weegt mee dat de kosten aanzienlijk zijn. Deze worden geraamd op € 130 miljoen. De helft daarvan betreft het doen van aanpassingen in de gasinfrastructuur van GTS. De andere helft betreft het doen van aanpassingen bij en door de bedrijven en centrales om hun installaties en processen geschikt te maken voor hoogcalorisch gas.
Het ombouwen van de dan nog resterende industriële bedrijven is niet of nauwelijks mogelijk omdat zij zich niet in de nabijheid bevinden van een transportleiding voor hoogcalorisch gas, bovendien gaat het om relatief kleine volumes. Het omschakelen zou dus relatief hoge kosten met zich meebrengen, zowel wat betreft aanpassingen in de gasinfrastructuur als wat betreft aanpassingen bij en door de bedrijven en centrales zelf, terwijl de effecten pas over enkele jaren, als de vraag naar laagcalorisch gas al terugloopt door afnemende export, te merken zouden zijn.
De aansluiting op laagcalorisch gas is te verklaren uit het feit dat in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw laagcalorisch gas de gangbare gaskwaliteit was in Nederland. Het gebruik van hoogcalorisch gas begon in Nederland pas vanaf de jaren ’80 van de vorige eeuw van de grond te komen en dan met name door de grote industrie en centrales. De infrastructuur voor hoogcalorisch gas is dan ook veel minder fijnmazig dan die voor laagcalorisch gas en kent ook geen distributienetten.
Is de door u genoemde 5 miljard m3 voor de opslag in Norg3 de maximale opslagcapaciteit? Zo ja, over welke periode wordt deze opslag gevuld? Op welk moment wordt deze opslag aangewend voor gebruik?
De huidige opslagcapaciteit van de gasopslag Norg bedraagt 5,6 miljard m3. Het vullen vindt plaats in de maanden april tot en met september/oktober. Het gebruik vindt plaats in de overige maanden.