Het bericht ‘Zuid-Holland wil lozingen Chemours in Merwede verminderen’ |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zuid-Holland wil lozingen Chemours in Merwede verminderen» van de NOS van 14 april?1
Ja.
Wat zijn de tot nog toe behaalde resultaten van de acties die u in uw brief d.d. 14 december 2016 (Kamerstuk 28 089 nr.2 heeft toegezegd omtrent de GenX-technologie, waaronder het rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) op basis waarvan de richtwaarde van lozingen wordt afgeleid?
Tegelijk met deze brief stuur ik uw Kamer een brief met de voortgang van de acties waaraan wordt gerefereerd.
Hoe oordeelt u over de zienswijze van de Vereniging van Waterbedrijven in Nederland (VEWIN) als het gaat om risico’s voor de drinkwatervoorziening rondom de installatie van Chemours?
Oppervlaktewater wordt gebruikt voor de productie van drinkwater, en drinkwater is een primaire levensbehoefte en moet van goede kwaliteit zijn. De
drinkwaterbedrijven hebben een belangrijke rol in het monitoren van deze kwaliteit.
Ik waardeer het dat Vewin zich uitspreekt indien de bescherming van de drinkwatervoorziening hierom vraagt. Op basis van informatie over de richtwaarde, de ingediende zienswijze van het drinkwaterbedrijf en de adviezen van de waterbeheerders, waaronder Rijkswaterstaat, is de lozing van GenX-stoffen verder ingeperkt door de provincie (zie ook het antwoord bij vraag 7). Het is een goede zaak dat overheden en drinkwaterbedrijven samenwerken om de kwaliteit van ons oppervlaktewater en drinkwater te beschermen. Dit volgt ook uit de wetgeving en Europese verplichtingen. Op basis van het verdere onderzoek van het RIVM wordt bepaald of nadere aanscherping nodig is om toekomstige risico’s voor de drinkwaterkwaliteit te voorkomen.
Hoe oordeelt u over GenX als alternatief voor perfluoroctaanzuur (PFOA)? In hoeverre is er duidelijkheid over de risico’s van GenX voor de volksgezondheid? Waarom heeft het RIVM in Nederland extra onderzoek nodig en is er al wel een Amerikaans onderzoek dat concludeert dat GenX gevaarlijk is? Kunt u het Amerikaanse onderzoek duiden?
Een bedrijf is primair zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn producten en technieken. De overheid kan wel beperkingen opleggen indien vaststaat dat een stof intrinsiek gevaarlijk is («zeer zorgwekkende stof», hierna: zzs) of als bepaalde toepassingen van een stof onveilig zijn.
Voor de introductie van de GenX-techniek in de Verenigde Staten zijn door het bedrijf, in opdracht van de Amerikaanse milieudienst EPA, diverse onderzoeken gedaan naar de effecten die de GenX-stoffen veroorzaken. Deze onderzoeken zijn door het bedrijf ook gebruikt voor de registratie bij het Europees Agentschap voor Chemische stoffen (ECHA) en daardoor toegankelijk voor de Nederlandse overheid. In december heb ik de Kamer een RIVM-rapport toegestuurd waarin geconcludeerd werd dat de huidige emissie van GenX-stoffen naar de lucht naar verwachting geen risico voor omwonenden vormt3. Het RIVM heeft voor haar rapport – naast andere bronnen – gebruik gemaakt van de Amerikaanse studies die beschikbaar zijn in het registratiedossier bij ECHA.
Het RIVM stelt in haar rapport dat de GenX-stoffen, in tegenstelling tot PFOA, niet voldoen aan de criteria om als reprotoxisch (gevaarlijk voor de voortplanting) te worden aangemerkt. Onder meer vanwege dit effect was PFOA aangemerkt als zzs. Daarnaast stelt het RIVM dat niet uitgesloten kan worden dat de GenX-stoffen toch als zeer zorgwekkend moeten worden beschouwd omdat zij in het milieu niet afbreken en mogelijk ophopen in mens of dier (bioaccumulatie). Dit laatste aspect dient verder onderzocht te worden. Hiertoe is in de nieuwe vergunning van het bedrijf een onderzoeksverplichting opgenomen (zie ook het antwoord bij vragen 6 en 7).
Is er vanwege het feit dat GenX geen stof maar een technologie is, waarbij meerdere stoffen gebruikt worden, wel een realistische kans dat GenX als technologie op de Europese lijst van Zeer Zorgwekkende Stoffen komt te staan? Zo ja, wanneer? Zo nee, hoe wilt u hier dan mee omgaan en wat impliceert dat voor de werkwijze van het bedrijf?
Nee, de opzet van de REACH-verordening gaat uit van een beoordeling per stof of groep van stoffen en laat daarom geen ruimte voor het plaatsen van technieken op de zzs-lijst. Aan de andere kant is er ook geen limiet voor het aantal stoffen dat geplaatst wordt, zolang deze stoffen voldoen aan de criteria die voor zzs gelden. Stoffen die in de GenX-technologie worden gebruikt, en die blijken te kwalificeren als zzs, zullen dus onder REACH ook die kwalificatie krijgen.
Het is mijn streven dat bedrijven bij het vervangen van een zzs overstappen naar een stof die niet dan wel duidelijk minder gevaarlijk is. Zo wordt blootstelling aan schadelijke stoffen voorkomen in plaats van dat per geval achteraf oplossingen moeten worden gerealiseerd.
Ziet u (indien nodig) nog andere mogelijkheden voor de provincie Zuid-Holland of ander bevoegd gezag om beperkende maatregelen op te leggen zo lang de situatie over de GenX-technologie onduidelijk is?
De mogelijkheden voor de provincie om maatregelen op te leggen via de vergunning zijn afdoende. Zo kunnen in de vergunning naast lozingseisen ook onderzoeksverplichtingen worden opgenomen. In de definitieve beschikking4 die op 21 april jl. door de provincie is bekendgemaakt, is dat ook gebeurd.
Als systeemverantwoordelijke voor oppervlaktewaterkwaliteit en de openbare drinkwatervoorziening zal de Minister van Infrastructuur en Milieu in lijn met het eerdere advies van Rijkswaterstaat het bevoegd gezag ondersteunen.
Wat vindt u ervan dat de provincie Zuid-Holland, zo lang er nog onduidelijkheid is over de effecten van de GenX, de vergunning van chemiebedrijf Chemours wil aanpassen om de lozing van de hoeveelheid afvalwater met de stof GenX op de Merwede te verminderen? Bent u het eens met deze aanpassing?
Ik ondersteun die aanpassing. In algemene zin is het goed als bedrijven niet meer lozen dan strikt noodzakelijk is en dat steeds beoordeeld wordt of, naar de meest actuele kennis, er geen risico is voor de omgeving en voor de openbare drinkwatervoorziening. In dit geval heeft de provincie geoordeeld, na kennis genomen te hebben van het bij vraag 4 aangehaalde RIVM-rapport, dat het verstandig was om de vergunde emissie te beperken.
Ten behoeve van een nadere risicoduiding is aan het RIVM gevraagd een richtwaarde voor GenX-stoffen in drinkwater af te leiden. Deze is op 16 februari verschenen. Op basis van deze informatie heeft Rijkswaterstaat een advies gegeven aan de provincie om de jaarvracht van GenX-stoffen verder terug te brengen dan de provincie voornemens was te doen. Op 21 april jl. heeft de provincie bekendgemaakt dat zij dit advies overgenomen heeft. Daarnaast heeft Rijkswaterstaat geadviseerd aanvullende gegevens bij het bedrijf op te vragen over de GenX-stoffen, zodat deze gegevens meegenomen kunnen worden in verder wetenschappelijk onderzoek om tot een waterkwaliteitsnorm te komen. Ook dit advies heeft de provincie overgenomen.
In hoeverre is het mogelijk om op een alternatieve wijze, bijvoorbeeld door het opslaan van het afvalwater in tanks, risico’s te beperken in plaats van het wijzigen van de vergunning? Is het verlagen van de hoeveelheid volgens u genoeg om de zorgen van de omwonenden en belanghebbenden weg te nemen? Wat is hiervoor verder nodig?
De jaarvracht van enkele duizenden kilo’s zit in zeer lage concentraties opgelost in het afvalwater. Het gaat dus niet om enkele duizenden liters, maar om vele tienduizenden kubieke meters water. Opslag daarvan is in praktische zin niet uitvoerbaar.
Chemours heeft in de media gemeld te willen investeren in een proefinstallatie om de hoeveelheid GenX-stoffen in het afvalwater verder terug te brengen. Ik kijk uit naar de resultaten daarvan.
De situatie rond de bedrijven DuPont en Chemours blijft mijn volle aandacht houden. Ik heb waardering voor de inspanningen van alle betrokken instanties om de veiligheid van omwonenden te waarborgen en ik hoop dat dit ook de zorgen van omwonenden doet verminderen.
Vindt u het noodzakelijk om zelf verdere acties te ondernemen? Zo ja, welke acties en op welke termijn?
Zoals bij vraag 2 gemeld stuur ik Uw Kamer tegelijk met deze antwoorden een brief met de voortgang van de acties die lopen rond DuPont en Chemours.
In mijn brief van 31 oktober5 heb ik diverse acties aangekondigd omtrent het verder aanpakken van risico’s van chemische stoffen. Voor het AO Externe Veiligheid (geagendeerd voor 28 juni) stuur ik uw Kamer een overzicht van de voortgang daarvan.
Het verliezen van de SKAL-licentie door het innovatieve stalconcept de ‘Koeientuin’ op een biologisch melkveebedrijf in Groenlo |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het concept van de koeientuin in Groenlo, een innovatieve stal voor een biologisch melkveebedrijf?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat het melkveebedrijf de Skal-licentie dreigt te verliezen omdat in deze innovatieve stal – anders dan de Skal-regels voorschrijven – geen strooisel wordt gebruikt?
Zie het antwoord op vraag 3 van het lid Lodders.
Kunt u bevestigen dat Europese dan wel nationale regelgeving geen belemmering vormt om met dit stalconcept biologisch te produceren?
De Europese biologische productieregel inzake de verplichte aanwezigheid van strooisel bestaande uit stro of andere geschikte natuurlijke materialen vormt een belemmering om met dit stalconcept biologisch te produceren. Deze werkt rechtstreeks door in Nederland.
Bent u bereid om met Skal te overleggen over ontheffing van de Skal-regels conform artikel 3 van het Skal-Reglement ontheffingen? Zo nee, waarom niet?
Nee, want het gaat hier niet om de Skal-regels maar om een biologische productieregel uit een Europese verordening die rechtstreekse werking heeft in Nederland. Nederland heeft daarom bij de Europese Commissie verzocht om een individuele ontheffing maar dit verzoek is afgewezen. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 3 van het lid Lodders.
Deelt u de mening dat innovatieve stalconcepten de ruimte moeten krijgen en dat Europese en nationale regelgeving waar nodig hierop aangepast moeten worden? Zo ja, wat gaat u daarvoor ondernemen?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 3 van het lid Lodders.
De concentratiekampen voor homoseksuelen in Tsjetsjenië |
|
Sadet Karabulut (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten over martelkampen in Tsjetsjenië voor homoseksuelen?1
De berichten zijn zeer ernstig. Het kabinet veroordeelt deze grove schendingen van de rechten van mensen die homoseksueel zijn, of waarvan gedacht wordt dat zij homoseksueel zijn.
Om hoeveel gevangenen en doden gaat het? Zijn dit exclusief homoseksuele mannen?
Precieze cijfers zijn niet bekend maar verschillende media en ngo’s spreken van 160 personen die gevangen zijn gezet en minimaal 3 mannen die tijdens of na hun gevangenschap zijn overleden.
De mensenrechtensituatie in Tsjetsjenië is over het algemeen zeer zorgwekkend. Internationale mensenrechtenorganisaties zoals Human Rights Watch hebben in het verleden melding gemaakt van willekeurige arrestaties, slechte detentieomstandigheden en marteling. Niet alleen homoseksuele mannen of mannen waarvan gedacht wordt dat zij homoseksueel zijn, zijn hiervan slachtoffer.
Heeft u contact opgenomen met de Tsjetsjeense autoriteiten? Zo ja, hoe verliep dit gesprek? Welke maatregelen kunt u eventueel tegen Tsjetsjenië nemen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit zo snel mogelijk vanuit Nederland en in EU-verband te doen?
Nederland heeft de kwestie op verschillende manieren, bilateraal, in EU-verband en met de Equal Rights Coalition, aangekaart bij de autoriteiten van Rusland, waar Tsjetsjenië deel van uitmaakt. De EU heeft op 6 april haar zorgen uitgesproken over deze ontwikkelingen en heeft tijdens de Permanente Raad van de OVSE twee verklaringen uitgedaan, mede op aandringen van Nederland. Als covoorzitter van de Equal Rights Coalition heeft Nederland een verklaring van deze Coalitie gecoördineerd, die door 23 leden is ondertekend. De Equal Rights Coalition is opgericht tijdens een Nederlandse-Uruguayaanse conferentie die in het teken stond van gelijke rechten voor LHBTI-personen en bestaat uit 33 landen van over de hele wereld. Minister Koenders heeft de zaak, samen met zijn ambtsgenoten van Duitsland, Frankrijk, het VK en Zweden, tevens aan de orde gesteld bij de Russische Minister van Buitenlandse Zaken, Sergej Lavrov. Daarnaast heeft Minister Ploumen de zaak aan de orde gesteld in een gesprek met de secretaris-generaal van de VN Gutteres en de hoge commissaris voor de Mensenrechten Zeid.
Wat is uw reactie op de stelling van woordvoerder van de Tsjetsjeense president Ramzan Kadyrov, Alvi Karimov, dat er geen LHBTI'ers2 in Tsjetsjenië bestaan?
De uitspraken van de Tsjetsjeense autoriteiten geven blijk van een vijandige opstelling tegenover LHBTI’ers en worden door het kabinet sterk veroordeeld. Nederland is van mening dat iedereen in vrijheid en in veiligheid moet kunnen uitkomen voor zijn of haar genderidentiteit en seksuele geaardheid. Daarom zijn gelijke rechten voor LHBTI’ers één van de topprioriteiten van het Nederlandse mensenrechtenbeleid.
Wat is uw reactie op de uitspraken van het hoofd van de Tsjetsjeense Mensenrechtenraad dat mochten er wel lLHBTI'ers in Tsjetsjenië bestaan zij het beste opgesloten en vermoord worden, dat homoseksualiteit erger is dan oorlog en dat homoseksualiteit een kwaad is dat iedere Tsjetsjeen zal bestrijden?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u van het afschuiven van verantwoordelijkheid door Kremlin-woordvoerder Dimitri Peskov, die stelt dat dit geen kwestie voor het Kremlin, maar voor de lokale autoriteiten is?
Nederland is teleurgesteld over de reactie van de Russische autoriteiten. De Russische president Poetin heeft de kwestie weliswaar publiekelijk besproken met de Tsjetsjeense leider Kadyrov, maar dit heeft niet geleid tot verbeteringen in de situatie. Nederland heeft daarom op verschillende manieren, ondermeer via het statement van de 22 landen van de Equal Rights Coalition, opgeroepen de vervolgingen onmiddellijk te stoppen, de slachtoffers de juiste hulp te bieden, en de daders te vervolgen.
Hoe beoordeelt u de stelling van Kremlin-woordvoerder Peskov dat de slachtoffers klachten moeten indienen bij de lokale autoriteiten in het licht van de stelling van het hoofd van de Tsjetsjeense Mensenrechtenraad dat zij dergelijke klachten niet in behandeling zullen nemen? Deelt u de mening dat Peskov op deze manier weet dat hij mensen met een kluitje het riet instuurt?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe steunt Nederland onafhankelijke media in Tsjetsjenië waardoor zij ook over dergelijke kwesties kunnen berichten?
Nederland zet zich via het mensenrechtenfonds in voor de bevordering van vrijheid van meningsuiting en persvrijheid in Rusland.
Klopt het dat Nederland LHBTI-asielzoekers uit Tsjetsjenië als risicogroep behandelt en bent u gegeven de situatie en indien nodig bereid om een aantal Tsjetsjeense LHBTI'eers op uitnodiging in Nederland asiel te verlenen? Bent u bereid voor soortgelijke hervestigingsmogelijkheden te pleiten in andere EU-lidstaten? Zo nee, waarom niet?
Voor LHBTI’s afkomstig uit de Russische Federatie, waartoe ook Tsjetsjenië behoort, is het asielbeleid eind 2015 aangepast. Rekening houdend met de fragiele situatie van LHBTI’s in de Russische Federatie, zijn zij inderdaad benoemd tot risicogroep. Voor wat betreft de vraag om een aantal LHBTI»-ers in Nederland te hervestigen, is van belang dat hervestiging naar Nederland plaatsvindt op voordracht van de UNHCR vanuit een ander land dan het land van herkomst. Eerst wanneer een persoon zijn herkomstland heeft verlaten kan sprake zijn van vluchtelingschap. Alsdan selecteert UNHCR vanuit de totale vluchtelingenpopulatie personen die vanwege individuele kwetsbaarheden vallen binnen de zeven voordrachtcategorieën (o.a. legal and/or physical protection needs, survivors of violence and torture, lack of foreseeable alternative durable solutions) en in aanmerking komen om te worden voorgedragen voor hervestiging. In het algemeen kunnen LHBTI’s vallen binnen meerdere van deze categorieën. UNHCR beoordeelt daarnaast ook welk hervestigingsland gelet op de individuele omstandigheden het meest aangewezen is om een persoon aan voor te dragen. Nederland hecht eraan om de keuze welke zaken UNHCR voordraagt voor individuele dossierhervestiging te laten aan de UNHCR. UNHCR is ermee bekend dat Nederland in het algemeen LHBTI-zaken verwelkomt.
Op welke manier geeft u in deze kwestie invulling aan de Nederlandse voortrekkersrol op het gebied van LHBTI-rechten? Bent u bereid om in Europees verband als voortrekker deze kwestie blijvend te agenderen totdat de kampen gesloten zijn? Welke landen zijn hierbij medestander?
Als één van de topprioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid, stelt Nederland gelijke rechten voor LHBTI's wereldwijd aan de orde. Nederland zet zich in internationale fora, via het mensenrechtenfonds en in bilaterale relaties stelselmatig in voor de afschaffing van de strafbaarstelling van homoseksualiteit, het tegengaan van discriminatie en de bevordering van sociale acceptatie van LHBTI’s. Ten aanzien van de situatie in Tsjetsjenië heeft Nederland zich ingezet om in multilateraal verband de schendingen aan de orde te brengen. Belangrijke medestanders hierin zijn de lidstaten van de Europese Unie en de leden van de Equal Rights Coalition.
Het bericht dat het uitzendbureau Maandag het lerarentekort commercieel probeert te exploiteren |
|
Peter Kwint |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
Hoe beoordeelt u de werkwijze van uitzendbureau Maandag, die het gebrek aan leraren voor sommige vakken in het voortgezet onderwijs exploiteert door leraren leaseauto’s en vaste contracten met een LD-salaris aan te bieden, ook voor onbevoegde leraren?1
Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het aantrekken van voldoende bevoegde leraren. Aantrekkelijk werkgeverschap maakt daar een belangrijk onderdeel van uit. Ik zie dat steeds meer scholen vaste contracten aanbieden, soms door het samenvoegen van meerdere kleine vacatures tot een grotere baan. Ook bieden scholen steeds vaker LC- en LD-schalen aan. Leraren werven via uitzendbureaus kan een passende oplossing zijn, bijvoorbeeld voor een kortdurende vervanging.
Sluit u uit dat ook andere uitzendbureaus dezelfde werkwijze hanteren en dat het lerarentekort ook in andere sectoren voor commercieel gewin wordt geëxploiteerd? Deelt u de mening dat commerciële exploitatie in het onderwijs niet bijdraagt aan het oplossen van het lerarentekort en zoveel mogelijk voorkomen moet worden?
Ik ben niet bekend met de situatie zoals u die omschrijft. Het tekort aan leraren in bepaalde vakken, zoals wiskunde, is zorgelijk. Daarom heb ik samen met de Minister een plan van aanpak Lerarentekortnaar de Tweede Kamer gestuurd. Wij formuleren daarin maatregelen om het lerarentekort te bestrijden. In het najaar van 2017 rapporteren wij over de voortgang van het plan van aanpak.
Hoe beoordeelt u de advertentie van een school in Katwijk die met een bonus van 10.000 euro eerstegraads wiskundedocenten probeert aan te trekken?
Ik moedig schoolbesturen aan om daarover afspraken te maken met elkaar. Zo hoeven scholen niet tegen elkaar op te bieden. Ook is het wenselijk als de schoolbesturen met elkaar overleggen over de invulling van vacatures. Daar zie ik veel mooie voorbeelden van, bijvoorbeeld een gezamenlijke regionale vacaturewebsite.
Hoe gaat u voorkomen dat uitzendbureaus zoals Maandag en soortgelijke uitzendbureaus met actieve wervingscampagnes voor de tekortvakken een commerciële monopolypositie proberen te verkrijgen, met als gevolg dat scholen veel extra geld kwijt zijn aan de inhuur? Bent u bereid deze manier van werken van uitzendbureau Maandag (of andere uitzendbureaus) ter beoordeling voor te leggen aan de NMA (Nederlandse Mededingingsautoriteit)?
Schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk voor de werving van personeel. De keuze om vacatures in te vullen met personeel van een uitzendbureau is aan hen. Ik vind het te kort door de bocht om op basis van één geval te spreken van een monopolie. Wel houd ik de situatie goed in de gaten. Ik ga in gesprek met de VO-raad als vertegenwoordiger van de schoolbesturen over een centrale registratie van gedetacheerden in het onderwijs. Mocht daaruit blijken dat er sprake is van een monopoliepositie, dan is het mogelijk dit geval voor te leggen aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM).
In hoeverre kan de werkwijze een stimulans zijn voor leraren om het behalen van een diploma niet meer als prioriteit te stellen? Deelt u de mening dat dit zeer onwenselijk is?
Het uitgangspunt is dat elke les gegeven moet worden door een daartoe bevoegde docent. De vorm van het contract of de manier waarop de docent is geworven, doet niets af aan dat uitgangspunt. Jaarlijks wordt onderzocht hoe het percentage onbevoegd gegeven lessen zich ontwikkelt. Tot nu toe zien wij geen stijging van het aantal onbevoegd gegeven lessen. Mocht uw vrees gegrond zijn, dan zou dat zichtbaar moeten worden in de volgende meting die eind 2017 beschikbaar komt. Als het percentage onbevoegd gegeven lessen stijgt, zou ik dat zeer onwenselijk vinden.
Bent u voornemens om deze manier van werven een halt toe te roepen, onder andere door de mogelijkheden van schoolbesturen om onbevoegde leraren aan te stellen te verkleinen? Kunt u uw antwoord toelichten? Welke andere concrete beleidsvoornemens heeft u?
Een schoolbestuurder is verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat een daartoe bevoegde leraar voor de klas staat. Als dit niet lukt moet het schoolbestuur binnen de strikt omschreven uitzonderingen die de wet kent een oplossing zoeken. De inspectie onderzoekt momenteel bij 200 afdelingen van scholen of scholen binnen die uitzonderingen blijven. Ik heb niet het voornemen de wettelijke uitzonderingen aan te passen, omdat ik niet verwacht dat dit het probleem van onbevoegd gegeven lessen oplost. Primair is nodig dat meer leraren de juiste bevoegdheid halen en, meer in algemene zin, dat er meer leraren worden opgeleid. In het plan van aanpak Tegengaan onbevoegdheid lesgeven en het plan van aanpak Lerarentekort staan de acties die ik samen met partners onderneem. Zo worden scholen aangespoord om al hun leraren, die zij nieuw aannemen en die nog niet bevoegd zijn, de juiste opleiding te laten volgen en organiseert VOION regionale bijeenkomsten voor leraren die bevoegd willen worden.2 Tegelijkertijd wordt ingezet op maatwerk bij de lerarenopleiding en subsidieer ik opleidingstrajecten, zodat de drempel om bevoegd te worden zo laag mogelijk is.
Bent u het ermee eens dat de beste en meest structurele manier om het lerarentekort op te lossen is door het onderwijs aantrekkelijk te maken door middel van kleinere klassen, minder lesuren en een fatsoenlijk (beter) salaris? Zo ja, wat gaat u doen om daar vandaag nog een begin mee te maken?
Het tekort aan leraren in het po en voor bepaalde vakken in het vo en in het mbo, is een urgent probleem. De aantrekkelijkheid van een beroep speelt een belangrijke rol in de afweging om leraar te worden. Ik ben geen voorstander van een generieke maatregel om de klassen te verkleinen. Scholen en besturen zijn verantwoordelijk om de groepen in te delen. Binnen de ruimte die de bekostiging biedt, kunnen zij een afweging maken die past bij de visie van de school en de behoeftes van leraren en leerlingen.
Meer tijd creëren voor leraren om bezig te zijn met onderwijsverbetering kan positieve effecten hebben op de ervaren werkdruk en kan het beroep aantrekkelijker maken. Daarom heb ik op 23 februari 2017 een brief naar de Tweede Kamer gestuurd met een uitwerking van beleidsopties om meer tijd vrij te spelen voor leraren.3 Ik heb geconstateerd dat binnen de huidige wet- en regelgeving al veel mogelijkheden zijn om meer tijd voor leraren vrij te maken.
Beloning is medebepalend voor de aantrekkelijkheid van het beroep. In het eerdere plan van aanpak Lerarentekort heb ik daarom aangegeven dat de beloningspositie en de carrièreperspectieven van leraren blijvende aandacht vraagt.
De afhandeling van onrechtmatig afgegeven bindende studieadviezen |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving (AD, «Studenten na dreigen met hoge rechter terug op opleiding»1, ScienceGuide, «Onrechtmatig BSA frustreert studenten»2) over de aanhoudende problematiek van studenten die in beroep moeten gaan tegen een in het tweede studiejaar afgegeven bindend studieadvies (BSA), om terug te mogen keren naar hun studie»?
Ja.
Wat is uw zienswijze aangaande de door instellingen gekozen route om studenten tegen het verzoek tot her- inschrijving bij een onrechtmatig verstrekte BSA in beroep te laten gaan? Ligt bij het vaststellen van een onrechtmatigheid niet eerder de plicht tot herstel bij de instelling en niet bij de student?
In mijn brief aan uw Kamer van 9 september 20163 heb ik gezegd dat ik vind dat studenten onder geen beding de dupe mogen worden van regelingen binnen de instellingen die niet conform de wet zijn vormgegeven en dat instellingen richting de studenten conform de wet moeten handelen. Ik vind dat instellingen met studenten die als gevolg van een niet juiste toepassing van een negatief BSA de opleiding al hebben verlaten, ruimhartig moeten omgaan als deze studenten verzoeken om weer toegelaten te worden tot de opleiding.
Als een student desondanks niet wordt toegelaten en dat onterecht vindt, dan staat het hem vrij om tegen een afwijzing rechtsmiddelen aan te wenden. Studenten hebben daar gebruik van gemaakt. Ik treed niet in geschillen tussen instellingen en studenten.
Wat is uw mening over het feit dat studenten weer toegelaten zijn met beroep op artikel 7.8b lid 5 WHW, waardoor studenten uiteindelijk niet toegelaten werden als gevolg van het herstel van een onrechtmatigheid, maar op basis van een afweging dat de student de studie «met vrucht zouden kunnen vervolgen»? In hoeverre geven instellingen hiermee naar uw mening voldoende blijk van het herstellen van een door hen gemaakte fout?
Het is goed dat instellingen studenten weer toelaten als is geconstateerd dat jegens hen op onjuiste wijze het BSA is toegepast. Als de betreffende studenten menen dat een instelling aansprakelijkheid draagt wegens onrechtmatig handelen, dan kunnen zij hun instelling aansprakelijk stellen. Het is niet aan mij om hierover uitspraken te doen. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 2.
Welke consequentie dient uw zienswijze bij vragen 2 en 3 naar uw mening te hebben voor de afhandeling van nog lopende procedures van studenten? Hoe staat u tegenover het verder voorkomen van onnodige procedures?
Als een student binnen de daarvoor geldende termijnen geen bezwaar en beroep heeft ingesteld tegen een negatief BSA, dan heeft dat formele rechtskracht gekregen. Zoals uit voorgaande antwoorden blijkt, vind ik dat instellingen ruimhartig om moeten gaan bij het terugnemen van studenten jegens wie een onterecht BSA is afgegeven. Daarbij bedoel ik ook de studenten die geen beroep bij het College van beroep voor het hoger onderwijs (hierna: CBHO) hebben ingesteld. Instellingen waren op grond van de WHW niet verplicht om hun studenten actief te informeren; de uitspraken van het CBHO zijn openbaar. Of zij daartoe op grond van in het rechtsverkeer algemeen geldende normen juridisch waren gehouden staat ter beoordeling van de rechter. Daarover doe ik geen uitspraken. Wel ligt het in de rede dat de instellingen actieve betrokkenheid betonen.
Hoe schat u de positie in van studenten die, vanwege het niet kennen van de uitspraak van het College voor Beroep Hoger Onderwijs, niet (tijdig) een verzoek hebben kunnen indienen of in beroep hebben kunnen gaan, maar wel de consequenties ondervinden? Is het waar dat het accepteren van het onrechtmatige studieadvies deze rechtskracht heeft gekregen? Dienen instellingen, naar uw mening, deze groep gedupeerden actief te informeren?
Ik heb in september 2016 een brief gestuurd aan uw Kamer en aan alle instellingen over hoe het bindend studieadvies moet worden toegepast.
Ik vind het positief dat de instellingen, zoals de LSR meldt, sinds mijn brief van vorig jaar hun beleid hebben aangepast. Ik ga er dan ook vanuit dat er geen nieuwe gevallen meer bijkomen waarin studenten ten onrechte worden weg gestuurd.
Kunt u aangeven welke actieve stappen u in de richting van (betrokken) instellingen heeft ondernomen naar aanleiding van de brandbrief van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) en het Landelijk Studenten Rechtsbureau (LSR) d.d. 27 mei 2016?
Het bericht dat Siemens eigenaar is geworden van de operatiekamers van het Admiraal de Ruyter Ziekenhuis in Goes |
|
Lilian Marijnissen (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ook geschokt door het bericht dat Siemens eigenaar is geworden van de operatiekamers van het in noodlijdende Admiraal de Ruyter Ziekenhuis (ADRZ) in Goes?1 2
Ziekenhuizen zijn private instellingen en zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering. Het is aan de Raad van Bestuur om, met inbreng van de relevante betrokkenen, besluiten te nemen over wat nodig is om de kwaliteit, continuïteit en toegankelijkheid van zorg te borgen. De Raad van Toezicht van het ziekenhuis dient daar op toe te zien.
Het ziekenhuis blijft op grond van de Wet Kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) te allen tijde eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van zorg. De Inspectie voor de Gezondheidszorg ziet daarop toe.
Overigens heeft ADRZ mij laten weten dat er een onderscheid is tussen de eigenaar van het vastgoed en de apparatuur (Siemens) en de «eigenaar» van het klinische zorgproces (het ziekenhuis). ADRZ is en blijft verantwoordelijk voor de zorg en de kwaliteitsbewaking hiervan.
Wat zijn volgens u de risico’s van het feit dat het ADRZ niet langer eigenaar is van de kern van het ziekenhuis, de operatiekamer? Acht u dit een wenselijke ontwikkeling? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat wanneer een ander bedrijf dan het ziekenhuis de eigenaar is van de operatiekamer, de kans aanwezig is dat winst boven kwaliteit van zorg gaat? Hoe kijkt u hier tegen aan?
Nee, ik zie dat niet zo. Zoals ik in het bovenstaande antwoord reeds heb aangegeven, blijft het ziekenhuis te allen tijde eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van zorg. De Inspectie voor de Gezondheidszorg ziet daarop toe en spreekt hen daar op aan.
Verzekeraars zijn op basis van hun zorgplicht verantwoordelijk voor het inkopen van goede en betaalbare zorg.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, heeft ADRZ mij laten weten dat Siemens geen invloed heeft op de zorgverlening door ADRZ; Siemens is de eigenaar van het pand en de apparatuur die hiervoor door ADRZ worden gehuurd maar ADRZ is volledig verantwoordelijk voor (en heeft volledige zeggenschap over) het zorgproces.
Deelt u de mening dat ziekenhuizen een publieke functie hebben en commerciële belangen geen rol zouden mogen spelen?
Ziekenhuizen zijn als private instellingen zelf verantwoordelijk voor hun eigen bedrijfsvoering. Dat houdt ook in dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor de afspraken met toeleveranciers die de continuïteit, kwaliteit en betaalbaarheid van de dienstverlening aan patiënten kunnen waarborgen. Ik zie niet in waarom een dergelijke afspraak tot slechte zorg zou moeten leiden. Dat is immers niet in het belang van het ziekenhuis of de eigenaar van de operatiekamers. Daarnaast ziet de IGZ toe op de kwaliteit van de zorgverlening en grijpt in als deze in het geding is. Ook zijn verzekeraars op grond van hun zorgplicht verantwoordelijk voor de continuïteit en kwaliteit van zorg.
Overigens heeft het ADRZ mij laten weten dat er door de gekozen constructie (waarin Siemens borg staat voor het tot stand brengen en in stand houden van infrastructuur, die voldoet aan door ADRZ opgestelde specificaties en wordt geleased door het ziekenhuis) een modern en technisch hoogwaardig OK-complex is gerealiseerd waarin de zorg wordt verleend door de zorgprofessionals van ADRZ. Dit was volgens ADRZ anders niet mogelijk geweest.
Acht u de verwevenheid die tussen Siemens en het noodlijdende ADRZ ontstaan is, wenselijk? Op welke manier is dit in het voordeel van de patiënt? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Wat zijn volgens u de gevolgen van de overname van de nieuwbouw van het ADRZ door Siemens voor de kwaliteit en continuïteit van zorg die het ziekenhuis biedt?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe kan het ADRZ tegelijkertijd afhankelijk zijn van Siemens en ook met hen onderhandelen over de prijs van medische apparatuur? Komt dit volgens u ten goede aan de patiënt? Kunt u dit toelichten?
Het is aan partijen zelf om de afspraken die zij sluiten zo vorm te geven dat zij de continuïteit, kwaliteit en betaalbaarheid van de zorg aan patiënten kunnen waarborgen. Dat geldt zowel in de situatie dat een ziekenhuis apparatuur of gebouwen koopt of «huurt».
Is er volgens u sprake van een trend dat nieuwbouw van ziekenhuizen gefinancierd wordt door het bedrijfsleven? Zo ja, wat vindt u van deze ontwikkeling? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Ik heb hier geen overzicht van. Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering.
Ziekenhuizen moeten zich houden aan het convenant veilige toepassing van medische technologie in de medisch specialistische zorg (augustus 2016 tweede druk). De IGZ ziet hier op toe. Ik kan mij wel voorstellen dat leasecontracten voor medische apparatuur in meerdere ziekenhuizen voorkomen en wenselijk kunnen zijn. Het onderhoud van de apparatuur en training van professionals om de apparatuur veilig toe te passen kan onderdeel uitmaken van deze contracten en uitgevoerd worden door de betreffende leverancier. Na afschrijving van de apparatuur kan deze worden vervangen door een exemplaar dat voldoet aan de huidige stand van de wetenschap. Het is echter aan het ziekenhuis zelf om hier keuzes in te maken.
Bij hoeveel ziekenhuizen in Nederland wordt het vastgoed gefinancierd door het bedrijfsleven, zoals het geval is bij het ADRZ? Kunt u een overzicht geven?
Zie antwoord vraag 8.
Hoeveel ziekenhuizen hebben op dit moment verregaande samenwerkingsovereenkomsten, waarbij medische apparatuur voor meerdere jaren door een fabrikant wordt geleverd, zoals tussen het ADRZ en Siemens?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat ziekenhuizen in financiële problemen in het huidige stelsel worden gedwongen tot fusies of gedeeltelijke overname door het bedrijfsleven? Kunt u dit toelichten?
Het is aan ziekenhuizen zelf om in te spelen op de vele veranderingen die in de zorg gaande zijn. Dat kan door middel van fusies of overnames maar kan ook op andere manieren worden vormgegeven, bijvoorbeeld door een wijziging in de activiteiten waar een ziekenhuis zich primair op richt en/of via andere vormen van samenwerking.
Hoe is het mogelijk dat de financiële positie van het ADRZ nog steeds zo slecht is, dat het ziekenhuis dit soort maatregelen nodig acht?
Zoals ook in het FD-artikel wordt toegelicht, kan deze constructie een alternatief bieden voor financiering van investeringen door banken. Het ADRZ stelt dat zonder een dergelijke constructie zij een dergelijk OK-complex niet had kunnen realiseren op deze termijn.
Ziet u overname door het bedrijfsleven als structurele oplossing voor andere ziekenhuizen, die in financiële problemen verkeren? Kunt u dit toelichten?
Zie mijn antwoord op vraag 11.
Vindt u het wenselijk dat grote bedrijven profiteren van de financiële moeilijkheden van ziekenhuizen? Kunt u dit toelichten?
Ik vind het goed dat ziekenhuizen kijken naar de verschillende alternatieven die voor hen beschikbaar zijn voor de financiering van investeringen om de continuïteit en kwaliteit van zorg te kunnen waarborgen. Ziekenhuizen hebben daarbij een eigen verantwoordelijkheid om de voordelen en de risico’s af te wegen.
Acht u de afspraak dat Siemens de komende tien jaar de medische apparatuur levert voor het ADRZ in overeenstemming met de mededingingsregels? Kunt u dit toelichten?
Het is niet aan mij maar aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) om in concrete gevallen te beoordelen of afspraken verenigbaar zijn met de Mededingingswet. Ten algemene kan niet worden gesteld dat een dergelijke afspraak tussen twee partijen, die bovendien geen concurrenten van elkaar zijn, in strijd is met de Mededingingswet.
Hoe interpreteert u de clausule die in het contact tussen ADRZ en Siemens is opgenomen, waarin staat dat het ziekenhuis vrij is om apparaten van concurrenten te gebruiken? Zou dit niet te allen tijde de basis moeten zijn?
Het is aan partijen zelf om de afspraken die zij sluiten zo vorm te geven dat zij de continuïteit, kwaliteit en betaalbaarheid van de dienstverlening aan patiënten kunnen waarborgen. Een clausule om gebruik te kunnen maken van apparaten van concurrenten kan waarborgen dat de afhankelijkheid van één leverancier wordt beperkt.
De onafhankelijkheid van deurwaarders en de verwevenheid met incassobureaus |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat deurwaarders ruziën over concurrentieregels?1
Het geldend recht is duidelijk. Dat is de «Verordening Onafhankelijkheid van de Gerechtsdeurwaarder», d.d. 31 mei 2010, stcr. 8276. Daarover kan geen discussie bestaan. Deze verordening dient daarom ook te worden gehandhaafd. Voor zover gerechtsdeurwaarderskantoren ten tijde van de inwerkingtreding niet voldeden aan de daar gegeven vereisten, dienden zij via herstelplannen daaraan binnen een door het bestuur van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) te bepalen redelijke termijn alsnog te voldoen. Sinds 1 juli vorig jaar kan ook door het Bureau Financieel Toezicht (BFT) worden toegezien op de naleving van de verordening.
Wat is er uit het interne debat gekomen tussen de beroepsgroep en de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) over de ontstane situatie aangaande het niet goedkeuren van de gewijzigde verordening onafhankelijkheid deurwaarders?2
Ik heb van het bestuur van de KBvG vernomen dat de KBvG een nieuwe verordening zal voorbereiden.
Is daarbij ook bekend welke partijen stappen dienen te ondernemen om (geheel) te voldoen aan de huidige verordening?3
Ja, het bestuur heeft mij bericht dat dit bij de KBvG bekend is.
Deelt u de mening van Deurwaarders Belangen Nu dat door het Bureau Financieel Toezicht (BFT) en de KBvG actie moet worden ondernomen tegen deurwaarderskantoren die deels in eigendom zijn van incassobureaus en die tevens opdrachten krijgen van diezelfde bureaus? Zo nee, waarom niet?
De verordening onafhankelijkheid geldt voor alle deurwaarders. Ik ben van mening dat de verordening dient te worden gehandhaafd. Vanzelfsprekend dient een ongelijk speelveld door onvolkomen handhaving te worden voorkomen. In dit verband merk ik op dat het BFT de handhaving van de onafhankelijkheidsregels ook in zijn jaarplan voor dit jaar noemt.
Is er inderdaad sprake van oneerlijke concurrentie tussen deurwaarderskantoren die deels in eigendom zijn van incassobureaus en deurwaarderskantoren die zich aan de eisen van de verordening houden? Hoe wordt hiermee omgegaan door toezichthouders en de beroepsgroep?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is uw reactie op de uitspraak dat de KBvG niet controleert of incassobureaus tevens eigenaar en opdrachtgever zijn, omdat men vindt dat dat moet kunnen? Is dit volgens u wel of niet in strijd met de huidige verordening onafhankelijkheid deurwaarders? Kunt u uw antwoord toelichten?
Verordeningen dienen te worden gehandhaafd. Dat geldt uiteraard ook voor de huidige verordening onafhankelijkheid. Daarin heeft de KBvG blijkens diezelfde verordening ook een duidelijke rol. Ik zal het bestuur van de KBvG melden er vanuit te gaan dat zij die rol ook serieus nemen en uitvoeren.
Het bericht dat de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR wil dat Europese lidstaten stoppen met het terugsturen van asielzoekers naar Hongarije |
|
Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «UNHCR urges suspension of transfers of asylum-seekers to Hungary under Dublin»?1
Ja.
Stuurt Nederland nog mensen terug naar Hongarije onder de Dublin-akkoorden? Zo ja, waarom gebeurt dit nog?
Nederland draagt momenteel geen asielzoekers over aan Hongarije, in het kader van de Dublinverordening. Dat heeft onder andere te maken met een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State2, en de interpretatie van Hongarije van de artikelen in de Dublinverordening waarin staat omschreven welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Daarnaast roept de nieuwe Hongaarse wetgeving over de inrichting van asielprocedures, die op 28 maart 2017 in werking is getreden, vragen op over de verenigbaarheid met het Europese recht. De Europese Commissie is met Hongarije in gesprek om er voor te zorgen dat de Hongaarse wetgeving in lijn komt met het Europese asielrecht.3
Bent u bereid te stoppen met het toepassen van de Dublin-akkoorden met betrekking tot Hongarije zolang dit land niet voldoet aan de standaarden van het Europees- en internationaal recht? Zo ja, op wat voor termijn bent u bereid hiermee te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat Hongarije zich, ook in haar asielbeleid, aan Europees- en internationaal recht moet houden?
Ja.
Op welke wijze heeft Nederland zich in 2015/2016 in Europees- en bilateraal verband ingezet om ervoor te zorgen dat Hongarije haar beleid aanpaste, zodat het wel in overeenstemming zou zijn geweest met Europees- en internationaal recht?
Het is de taak van de Europese Commissie om toe te zien op naleving van het EU-recht door iedere lidstaat. Met betrekking tot de naleving van het EU-asielrecht door Hongarije heeft de Commissie inmiddels meerdere inbreukprocedures gestart, en is de Commissie met Hongarije in gesprek om er voor te zorgen dat de Hongaarse wetgeving in lijn komt met het Europese asielrecht.
Ook tijdens politieke en ambtelijke contacten met Hongarije komt dit onderwerp aan de orde. In deze contacten maakt Nederland duidelijk dat het meent dat Hongarije met dergelijke stappen niet handelt in de geest van fundamentele waarden van de Unie als rechtsstatelijkheid, eenheid en solidariteit. Meer specifiek sprak de Minister van Buitenlandse Zaken de Hongaren tijdens zijn bezoek in 2016 aan op hun Europese verplichtingen om vluchtelingen op te nemen. Eveneens wordt duidelijk gemaakt dat het kabinet zich blijft inzetten voor een constructieve en solidaire aanpak van het thema migratie en zich zal blijven uitspreken tegen initiatieven op migratieterrein die afbreuk doen aan genoemde fundamentele waarden.
Bent u bereid de inzet van Nederland in Europees- en bilateraal verband te vergroten om ervoor te zorgen dat Hongarije haar beleid aanpast, zodat het wel in overeenstemming is met Europees- en internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 5, is dit al de inzet van het kabinet.
Hoe beoordeelt u de voorstellen die de UNHCR in december presenteerde aan de Europese Unie, om het Europese asielsysteem te verbeteren?
Het kabinet vindt het huidige asielbeleid in de EU zeker voor verbetering vatbaar. Ook de Europese Commissie is zich bewust van de noodzaak hiervan. De Europese Commissie heeft daarom verschillende wetgevende voorstellen gepresenteerd tot herziening van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (GEAS). Bij de voorbereiding van deze voorstellen zijn ook partijen geconsulteerd die veel expertise hebben op dit vlak, zoals de UNHCR.
Net als de UNHCR is het kabinet van mening dat het migratievraagstuk een integrale aanpak vereist die zowel ziet op de interne dimensie van migratie (GEAS) als de externe dimensie van migratie (samenwerking met derde landen en opvang in de regio). Deze integrale aanpak heeft het kabinet uitgebreid beschreven in zijn brief aan de Tweede Kamer van 8 september 2015.4 De voorstellen van de UNHCR op het gebied van het GEAS bevatten elementen die onderdeel zijn van de inzet van het kabinet bij de bespreking van de Europese wetgevende voorstellen, zoals het streven naar efficiënte en gestroomlijnde asielprocedures. Met de UNHCR wordt ook van gedachten gewisseld over hun voorstellen en, daar waar standpunten in elkaars verlengde liggen, over een navenante vormgeving van het GEAS.
Deelt u de mening dat het huidige asielbeleid in de EU tekort schiet? Zo ja, in hoeverre bent u bereid serieus te kijken naar de alternatieven die door partijen met veel expertise, zoals de UNHCR, worden voorgesteld?
Zie antwoord vraag 7.
De geplande sluiting van Den Bongerd in Oss |
|
Peter Kwint , Lilian Marijnissen (SP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over de sluiting van Den Bongerd?1
Mijn beeld van de voorgenomen sluiting is dat het een weloverwogen besluit is, in lijn met de doelen van passend onderwijs. De inzet van de centrale directie van Het Hooghuis, waar Den Bongerd onder valt, en het samenwerkingsverband in de regio, is om meer leerlingen onderwijs te bieden op een reguliere school. Hiertoe wordt de expertise van Den Bongerd naar de scholen toegebracht, in plaats van dat de leerlingen naar de expertise gaan, zoals nu het geval is. Het voornemen is om Den Bongerd per augustus 2019 te sluiten. Dit tijdpad biedt ruimte voor een zorgvuldige overgang van de expertise van Den Bongerd naar de reguliere scholen. Bovendien heeft de sluiting met dit tijdpad geen gevolgen voor leerlingen die nu onderwijs volgen op Den Bongerd. Het gaat namelijk om een locatie waar leerlingen tijdelijk, maximaal twee jaar, naartoe gaan. Het zijn leerlingen die zijn ingeschreven bij een reguliere school en die in principe ook teruggaan naar die school.
Deelt u de mening dat sluiting onverantwoord is als er geen draagvlak is vanuit leerlingen, personeel en ouders? Wat vindt u ervan dat geen van de betrokken leerkrachten van deze school om hun mening is gevraagd? Wat vindt u ervan dat geen van de betrokken ouders en leerlingen om hun mening is gevraagd?
Met u ben ik van mening dat het belangrijk is om ouders, leerlingen en personeel in een vroeg stadium te betrekken bij het voornemen en de besluitvorming over de sluiting van een voorziening. In formele zin is dat ook gebeurd. Ouders, leerlingen en personeel van Het Hooghuis geven via de medezeggenschap advies bij de totstandkoming van het besluit. Een aantal gespecialiseerde docenten is daarnaast ook betrokken geweest bij de uitwerking. De MR-geledingen van de verschillende locaties van Hooghuis werden gedurende het proces geïnformeerd, net als de gemeente. De centrale directie van het Hooghuis heeft aangegeven deze communicatie met alle betrokken serieus te nemen.
Deelt u de mening dat de medezeggenschap instemmingsrecht moet hebben over een dergelijk ingrijpend besluit? Zo ja, deelt u de mening dat sluiting geen doorgang kan vinden indien de medezeggenschap niet instemt? Bent u bereid om na te gaan hoe dat, in het geval van Den Bongerd, al dan niet gebeurd is?
Zoals ik eerder heb toegelicht in de Kamerbrief over de voortgang van de uitvoering van de maatregelen leerlingendaling van 28 oktober 2016, zie ik geen aanleiding voor het gelijktrekken van het instemmingsrecht bij sluiting van een school. Op basis van de Wet medezeggenschap op scholen, heeft de medezeggenschap adviesrecht bij het sluiten van een school (artikel 11c, WMS), geen instemmingsrecht. Dat neemt niet weg dat ik het belangrijk vind dat leerlingen, ouders en personeel in een vroeg stadium worden betrokken bij dit type besluiten. Zoals in het antwoord op vraag 2 staat, zijn het bestuur en de medezeggenschapsraad in gesprek over het voorgenomen besluit.
Hoe verhoudt de aangekondigde sluiting van deze school zich tot het streven dat er voor elk kind passend onderwijs moet zijn?
Het samenwerkingsverband passend onderwijs dient een samenhangend geheel aan ondersteuningsvoorzieningen te bieden voor alle leerlingen in de regio. De invulling van deze voorzieningen kan verschillen en hierover wordt overleg gevoerd met de betrokken scholen, de ondersteuningsplanraad en de gemeente. De inzet is om de expertise van Den Bongerd te koppelen aan de reguliere scholen binnen het samenwerkingsverband. Dat biedt kansen om meer leerlingen en leerkrachten te laten profiteren van de expertise die beschikbaar is bij het personeel van Den Bongerd. Zoals de centrale directie en het samenwerkingsverband aangeven, gaat het om een herschikking van expertise en voorzieningen, niet om het schrappen daarvan. Dat neemt niet weg dat met het oog op het belang van individuele leerlingen een zorgvuldig traject nodig is. Het gekozen tijdpad, met het voornemen om in augustus 2019 te sluiten, biedt daar ruimte voor.
Deelt u de mening dat juist ook de kleinschaligheid van een gebouw veiligheid biedt voor kinderen die extra hulp en begeleiding nodig hebben, gezien in het licht dat Den Bongerd een kleinschalige school is, een locatie die het Hooghuis wil opheffen om op reguliere onderwijslocaties met zogenaamde «koersklassen» te gaan werken?
Ik ben van mening dat sommige leerlingen baat kunnen hebben bij een kleinschalige onderwijsomgeving. Dat betekent niet automatisch een apart en/of klein gebouw. Ook binnen grote scholen zijn mogelijkheden om een kleinschalige onderwijsomgeving te creëren voor leerlingen die daar baat bij hebben. Dat kan bijvoorbeeld door middel van het inrichten van speciale klassen in reguliere scholen. We zien dat op meer plekken gebeuren als een manier om meer leerlingen een passende plek te bieden op een reguliere school. Ook binnen het samenwerkingsverband in Oss en omgeving zijn al meer van deze speciale klassen, ook voor leerlingen met een auditieve- en communicatieve beperking. De ervaringen hiermee zijn positief.
Hoe oordeelt u over het feit dat het aangekondigde besluit tot sluiting tot zoveel commotie leidt, zoals de oprichting van een actiecomité, een aantal acties en duizenden handtekeningen via de website www.bongerdmoetblijven.nl?
De centrale directie van Het Hooghuis heeft aangegeven de communicatie met het personeel, ouders en leerling serieus te nemen. Een aantal personeelsleden van Den Bongerd is betrokken bij de uitwerking en voorbereiding van de inrichting van de koersklassen op reguliere scholen. Daarnaast is en wordt voorzien in informatie aan andere personeelsleden, ouders en leerlingen en worden medezeggenschap van de school en het samenwerkingsverband (ondersteuningsplanraad) betrokken. Ik ga ervan uit dat de onrust door deze gerichte communicatie zal afnemen en er begrip en draagvlak voor dit besluit zal ontstaan.
Bent u bereid om met het bestuur in gesprek te gaan, teneinde sluiting van Den Bongerd te voorkomen?
Daartoe zie ik, met het oog op wat ik u in voorgaande beantwoording heb toegelicht, geen aanleiding.
Signalen omtrent het stalsysteem ‘koeientuin’ |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het stalsysteem «koeientuin»?
Ja.
Is het waar dat in deze stal geen strooisel gebruikt wordt en dat dit stalsysteem daardoor niet gebruikt kan worden op een biologisch melkveebedrijf? Zo ja, waarom niet en kunt u een toelichting geven op de inhoudelijke argumenten waarom dit systeem niet geschikt zou zijn voor een biologisch melkveebedrijf? Zo nee, hoe komt het dat dit misverstand in de praktijk aan de orde is?
Ja, de koeientuin is een melkveestal zonder strooisel maar met een zachte kunststofvloer.
Gebleken is dat de koeientuin niet voldoet aan de huidige Europese biologische productieregels voor wat betreft de verplichte aanwezigheid van strooisel bestaande uit stro of andere geschikte natuurlijke materialen.
Wat vindt u van de situatie dat nieuwe stalconcepten, ontwikkeld vanuit de koe om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te hebben, tegengewerkt worden door bestaande regels? Wat wilt u hieraan doen? Is er mogelijkheid tot een proefstalstatus? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft aan de Europese Commissie verzocht om een individuele ontheffing van de verplichte aanwezigheid van strooisel. Daarbij heeft Nederland gewezen op de innovatieve aspecten van de koeientuin waarbij de ethologische behoeften van de dieren centraal staat en op het feit dat de Universiteit van Wageningen in de koeientuin onder meer onderzoek doet naar het gedrag van de dieren.
De Europese Commissie heeft dit verzoek echter afgewezen. Ze ziet in de huidige Europese verordening geen juridische grondslag om in dit geval een uitzondering op de biologische regels (tijdelijk) toe te staan, ook niet als proefstal. Ook vindt de Europese Commissie dat een kunststofvloer zonder strooisel van stro of andere geschikte natuurlijke materialen niet in overeenstemming is met de biologische principes.
In de voorstellen voor een herziening van de verordening voor de biologische landbouw waarover door de Raad, het Europees parlement en de Europese Commissie in triloog wordt onderhandeld, wordt voorzien in de mogelijkheid dat de Europese Commissie biologische productieregels kan wijzigen vanwege de aanpassing aan technische ontwikkelingen. Indien de triloog-onderhandelingen succesvol worden afgerond, zou deze bepaling voor de toekomst (na 2019) een mogelijke oplossing kunnen bieden. Ik betreur het dat een dergelijke innovatieve ontwikkeling in de biologische sector hierdoor wordt belemmerd.
Komt deze situatie alleen in de biologische sector voor of ook bij de gangbare bedrijven?
De Europese eis inzake verplichte aanwezigheid van strooisel bestaande uit stro of andere natuurlijke materialen heeft alleen betrekking op de biologische sector.
EU watertaxi's die 8500 migranten redden |
|
Geert Wilders (PVV), Sietse Fritsma (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «In drie dagen 8.500 migranten bij Libië gered»?1
Ja.
Hoeveel migranten zijn er de afgelopen drie dagen opgepikt door boten van respectievelijk Frontex, de Italiaanse kustwacht, particuliere hulporganisaties en vrachtschepen?
Uit gegevens die de Italiaanse overheid en Frontex openbaar hebben gemaakt, blijkt dat rond het paasweekend meer dan 8000 migranten zijn gered op de Middellandse Zee. Het aantal migranten dat is gered door schepen die zijn ingezet in Frontex operaties, bedraagt meer dan 1400. De rest van de migranten is gered door schepen van de Italiaanse autoriteiten, ngo’s en overige schepen in de buurt.
Hoe ver van de Libische kust werden de verschillende reddingsoperaties uitgevoerd?
Het kabinet beschikt niet over gedetailleerde informatie over alle reddingsoperaties die in het paasweekend door verschillende schepen zijn uitgevoerd. Het beeld van het afgelopen jaar is dat de meeste reddingsoperaties in de centraal Middellandse Zee uitgevoerd worden in het zoek- en reddingsgebied van Libië. Dit gebied beperkt zich niet tot de Libische territoriale wateren maar omvat voor een belangrijk deel ook internationale wateren. De Libische (reddings)autoriteiten hebben onvoldoende capaciteit om de migratieproblematiek het hoofd te bieden. De Libische kustwacht wordt daarom door de EU en individuele lidstaten ondersteund door middel van trainingen en capaciteitsopbouw.
Waar zijn de migranten aan land gebracht?
De migranten zijn aan wal gebracht in Italië.
Verblijven zij nu in besloten opvangcentra?
Migranten die aan land worden gebracht, worden volgens de hotspot-procedures geregistreerd, geïdentificeerd en opgevangen. In beginsel dient de identificatie, de registratie en een check op veiligheidsaspecten in nationale en internationale politiedatabases te hebben plaatsgevonden alvorens een migrant de hotspot verlaat. Na deze screening wordt dan bezien welk spoor de migrant moet volgen: instromen in de nationale asielprocedure, herplaatsingskandidaat naar een andere lidstaat of terugkeer, eventueel gepaard gaande met vreemdelingendetentie.
Kunt u uitsluiten dat er zich terroristen tussen deze migranten bevinden?
Er kan niet uitgesloten worden dat terroristen misbruik maken van illegale migratiestromen om de EU binnen te komen. Lidstaten nemen echter maatregelen om eventuele terroristen te identificeren. Migranten die de EU buitengrenzen illegaal oversteken en aan land komen, worden volgens de procedures in de hotspots geïdentificeerd en geregistreerd. Ook vinden er veiligheidschecks plaats. Lidstaten worden hierbij ondersteund door de Europese agentschappen. Zo heeft Europol medewerkers in de hotspots gestationeerd. Deze experts verzamelen in de uitvoering van hun werkzaamheden ook mogelijke signalen op terrein van terrorisme. In aanvulling op het werk van Frontex voeren de experts van Europol een tweede check uit op die migranten waarbij daar aanleiding toe bestaat. Tevens wordt geverifieerd of deze personen in de eigen database voorkomen.
Deelt u de mening dat dit EU-beleid een aanzuigende werking heeft omdat de migranten naar de EU worden gebracht in plaats van linea recta terug naar Libië te worden gestuurd?
Voor het kabinet is het evident dat mensen in nood op zee geholpen moeten worden in lijn met de verplichtingen onder het internationaal zeerecht. In de kern komt het er op neer dat alle schepen verplicht zijn mensen in nood aan boord te brengen en hen in de dichtstbijzijnde veilige haven aan wal te brengen. Dat kunnen havens in Italië zijn of aan de Noord-Afrikaanse kust. Zoals helaas blijkt, misbruiken de criminele mensensmokkelaars deze situatie door bijvoorbeeld bootjes met te weinig brandstof de zee op te sturen. Deze modus operandi brengt de levens van migranten ernstig in gevaar en leidt tot slachtoffers.
Op EU niveau wordt daarom op verschillenden kanalen inzet gepleegd om illegale migratie en smokkel vanuit Libië tegen te gaan. De samenwerking met Libië maakt onderdeel uit van een alomvattende aanpak die bestaat uit verschillende activiteiten en inspanningen langs de gehele migratieroute: in de herkomstlanden, transitlanden en de Noord-Afrikaanse landen van vertrek richting Europa. Activiteiten in Libië zijn vooral gericht op de versterking van de Libische autoriteiten en in het bijzonder de Kustwacht, versterking van het beheer van de zuidelijke grens, het verbeteren van de situatie van migranten in de Libische opvangcentra en het bevorderen van terugkeer vanuit Libië naar herkomstlanden. De Europese Commissie en EU-lidstaten werken hier nauw in samen met UNHCR en IOM.
Bent u voornemens om nu eindelijk de Nederlandse grenzen te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Afgezien de vraag of het hermetisch afsluiten van de Nederlandse grenzen praktisch en juridisch haalbaar is, vindt het kabinet dat deze schijnbaar simpele oplossing niet alle risico’s voor de samenleving zal wegnemen. In plaats daarvan neemt het kabinet, zowel bilateraal als in EU verband, een groot aantal maatregelen om de risico’s ten aanzien van de veiligheid in Nederland te beperken en waarbij Nederland, conform EU en internationale verplichtingen, ook bescherming kan bieden aan asielzoekers die deze bescherming daadwerkelijk nodig hebben.
Duurzaamheidscriteria voor biomassa |
|
Suzanne Kröger (GL), Tom van der Lee (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat exploitanten van kolencentrales en andere partijen in het Energieakkoord sinds de ondertekening van het akkoord nog geen overeenstemming hebben bereikt over de duurzaamheidscriteria voor biomassa (gelijkwaardig aan het houtkeurmerk FSC zoals afgesproken in het akkoord)?
Nee. Zoals ik heb gemeld in mijn brief van 18 maart 2015 (Kamerstuk 30 196, nr. 300) is er een akkoord bereikt tussen de partijen bij het Energieakkoord over de duurzaamheidscriteria voor vaste biomassa voor energietoepassingen. Er vindt alleen nog overleg plaats met de partijen bij het Energieakkoord over de implementatie van de duurzaamheidscriteria.
Klopt het dat energiebedrijf RWE spoedig zal beginnen met het bijstoken van biomassa in de AMER9-centrale? Zo ja, op welke termijn verwacht u dat RWE hiermee begint?
Ik verwacht dat deze centrale nog dit jaar hernieuwbare energie zal gaan produceren.
Klopt het dat energiebedrijven toestemming hebben gekregen om Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE)+ subsidie te gebruiken voor bijstook middels gebruik van de certificeringsschema’s Sustainable Biomass Partnership SBP en ket keurmerk voor duurzaam bosbeheer PEFC, waarvan bekend is dat ze niet gelijkwaardig zijn aan FSC?
Nee. In mijn brief van 18 maart 2016 (Kamerstuk 31 239, nr. 212) gaf ik aan dat tot de inwerkingtreding van het wettelijke systeem een overgangsregime van kracht is waarin voor de bedrijven een rapportageplicht geldt over de duurzaamheid van de gesubsidieerde biomassa. Bedrijven kunnen daarbij gebruik maken van de aanwezigheid van bepaalde certificaten en/of verificatie voor de criteria duurzaam bosbeheer en broeikasgasemissiereductie.
Een onafhankelijke adviescommissie zal mij gaan adviseren in hoeverre certificaten na het overgangsregime voldoen aan de Nederlandse duurzaamheidscriteria.
Acht u subsidie voor bijstook, zonder dat er overeenstemming tussen SER/Energieakkoord-partijen is over de afgesproken criteria, in lijn met het Energieakkoord?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 is er een akkoord bereikt over de afgesproken criteria.
Kunt u aangeven wanneer de commissie voor certificeringsschema’s, die u in aankondigde, wordt ingesteld en hoe de onafhankelijkheid van deze adviescommissie wordt gegarandeerd?
Op dit moment vinden gesprekken plaats met de beoogde leden. Ik zal uw Kamer binnenkort informeren over de samenstelling.
Deelt u de mening dat de kans op overeenstemming tussen exploitanten van kolencentrales en andere partijen in het Energieakkoord minimaal wordt, indien exploitanten van kolencentrales gesubsidieerd biomassa bij mogen stoken zonder dat overeenstemming is bereikt met de andere partijen uit het Energieakkoord?
Zoals aangegeven in de voorgaande antwoorden is er een akkoord bereikt.
Het bericht dat de boete voor NS en ProRail niet ten koste mag gaan van de reiziger |
|
Rob Jetten (D66) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de boete voor NS en ProRail vanwege het onderpresteren niet ten koste mag gaan van de reiziger?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoe u bewerkstelligt dat de treinreiziger uiteindelijk niet een dubbele rekening betaalt voor het onderpresteren?
De boetes die NS en ProRail betalen worden in samenspraak met de consumentenorganisaties ingezet in het belang van de reizigers. Op 7 april 2016 heeft IenM in het Landelijk Overleg Consumentenbelangen Openbaar Vervoer (Locov) met de consumentenorganisaties afgesproken dat het beschikbare bedrag niet per se meteen besteed hoeft te worden. Het zou ook opgenomen kunnen worden in een «spaarpot», een reizigersfonds. Boetes kunnen daarin opgespaard worden, zodat er mogelijkheden ontstaan om – in overleg met consumentenorganisaties – op enig moment grotere bedragen uit te geven aan nuttige zaken voor de reizigers. In de ontwerpbegroting 2018 is de boete van 2016 toegevoegd. In totaal zit nu € 2,8 miljoen in het reizigersfonds.
Om te waarborgen dat de reiziger niet de dupe wordt van de boete blijft het kwaliteitsniveau op alle prestatiegebieden gelijk. Bovendien zijn over de tariefswijziging voor tweede klas vervoersbewijzen en abonnementen strakke afspraken gemaakt, zodat de rekening van de boete niet bij de reizigers terecht komt.
Deelt u de mening dat de meerprijs voor een rit met de IC-direct niet op zijn plaats is zolang de reiziger geen waar voor zijn geld krijgt? Zo ja, bent u bereid de toeslag voor de IC-direct te schrappen zolang de onderprestatie voortduurt? Zo nee, waarom niet en hoe waarborgt u dan dat de rekening van het onderpresteren niet bij de reiziger terecht komt?
Ik deel deze mening. Om de reizigers op de IC direct tegemoet te komen ben ik voornemens om de toeslag op de IC direct in de daluren op werkdagen en het weekend dit najaar tijdelijk af te schaffen. Ook ben ik voornemens om de mensen die een abonnement «Altijd Toeslag-vrij» hebben, tegemoet te komen door een deel van hun abonnementskosten terug te geven.
De reden om de toeslag in de spits ongemoeid te laten is omdat dit naar verwachting tot grotere drukte in de spits leidt, met extra overlast voor de reizigers tot gevolg. Verder is het van belang om op te passen dat door het afschaffen van de toeslag de treinen in de randen van de spits niet te druk worden. In de overgang tussen spits en dal zou daarom een korting gelden op de toeslag. Het streven is om de maatregel in het najaar uit te voeren. Het is daarbij interessant om te zien of hiermee de spits kan worden ontlast. Het voorstel wordt deze zomer, in overleg met de consumentenorganisaties, verder uitgewerkt.
Omdat de maatregel betaald wordt uit het reizigersfonds is deze tijdelijk. Als het geld op is, houdt de maatregel op. De maatregel is geen oplossing voor de ondermaatse prestaties op de HSL-Zuid. Daarom blijf ik sturen op betere prestaties via de prestatieafspraken met NS en ProRail en door te investeren in de infrastructuur van de HSL-Zuid. Indien een trein uitvalt of significante vertraging oploopt kan de reiziger zijn geld terugvragen bij NS.
De toekomstige functie van toegepast onderzoek |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het pleidooi van de collegevoorzitter van de Technische Universiteit (TU) Eindhoven in onder meer Link Magazine over het verdelen van de toegepaste onderzoeksorganisaties TO2 over de (technische) universiteiten?1
Ja.
Hoe waardeert u dit voorstel en kunt u dit toelichten?
Ik waardeer het dat de heer Mengelers een bijdrage levert aan de discussie over de wijze waarop het kennisveld het best georganiseerd kan worden. Een optimale samenwerking van de belangrijke partners in het kennisveld (universiteiten, organisaties voor toegepast onderzoek (TO2), andere kennisinstituten en hogescholen) is immers van groot belang om tot nieuwe kennis en innovatie te komen.
Hoe verhoudt zich dit voorstel met het rapport evaluatie toegepaste onderzoeksorganisaties TO2 (Kamerstuk 32 637, nr. 274) dat u op 8 maart 2017 naar de Kamer stuurde? Op welke termijn verwacht u een reactie te geven op de evaluatie en op de nieuwe strategische plannen en het strategisch kader?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer op 8 maart jl. (Kamerstuk 32 637, nr. 274) zal ik, namens het kabinet, in een later stadium een reactie geven op de evaluatie, de nieuwe strategische plannen van de organisaties voor toegepast onderzoek (TO2) en het TO2 strategisch kader. Dit geldt ook voor het nog te ontvangen AWTI-advies over toepassingsgericht onderzoek.
Hoe verhoudt zich dit voorstel met het binnenkort te verschijnen rapport van de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) over de toekomstige functie van toegepast onderzoek en de rol van de overheid daarin? Op welke termijn verwacht u een reactie te geven op dit rapport?
Zie het antwoord bij vraag 3.
Is er volgens u een reden om te veronderstellen dat de universiteiten naar uw oordeel beter (effectiever en/of efficiënter) zijn dan de toegepaste kennisinstellingen in valorisatie en het overbruggen van de kloof tussen wetenschap en praktijk?
Zowel voor universiteiten als voor de organisaties voor toegepaste onderzoek (TO2), en ook voor de andere kennisinstituten en hogescholen is valorisatie een belangrijke opgave. De verschillende partijen zullen hier in samenhang met elkaar invulling aan geven. Een goede samenwerking tussen TO2 en de universiteiten heeft daarbij al langer de aandacht. Er zijn inmiddels ook mooie voorbeelden van grootschalige samenwerking tussen universiteiten, organisaties voor toegepast onderzoek en bedrijven zoals bij QuTech en Solliance.
Kunt u schetsen hoe het pleidooi van de collegevoorzitter van de TU Eindhoven zich verhoudt tot de governance van toegepast onderzoek in de landen om ons heen (met name het Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland, Frankrijk en de Scandinavische landen)? Wat is daar de positie van de toegepaste onderzoeksinstellingen en hoe ontwikkelt die positie zich structureel en financieel?
De AWTI heeft in de voorbereiding van haar advies over het toepassingsgericht onderzoek door Technopolis een verkenning laten doen naar de situatie in de omliggende landen. Ik zal hier in de kabinetsreactie op het AWTI-advies op ingaan.
Welke effecten zou u verwachten op het topsectorenbeleid indien de toegepaste onderzoeksinfrastructuur bij de universiteiten zou worden belegd? Kunt u dat toelichten?
Het topsectorenbeleid streeft naar een integrale benadering over de kennisketen en meer samenwerking tussen partijen. Een goed gebruik van de bestaande netwerken is daarbij belangrijk.
De organisaties voor toegepast onderzoek spelen hierbij een belangrijke rol. De beste vormgeving van de samenwerking is daarbij nog nader te bezien. In de kabinetsreactie op de evaluatie, de nieuwe strategische plannen van de organisaties voor toegepast onderzoek en het TO2 strategisch kader kom ik hier, zoals aangegeven bij antwoord 3, op terug.
Het bericht dat het LUMC zich inzet om vluchtelingen aan een baan te helpen |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «LUMC biedt vier vluchtelingen opleidingsplaats aan»?1
Het is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van opleidings- en zorginstellingen om ervoor te zorgen dat er met het oog op de toekomstige zorgvraag voldoende opleidingsplaatsen met bijbehorende praktijkplaatsen beschikbaar zijn.
Daarbij is er geen onderscheid tussen in Nederland geboren studenten en studenten met een verblijfsvergunning.
Van het LUMC hebben wij begrepen dat het hier een initiatief betreft om extra opleidingsplaatsen te creëren en in te vullen voor beroepen waar tekorten aan worden voorzien. Tevens beoogt het LUMC met dit initiatief mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt te helpen bij het vinden van een passende baan. Dit traject sluit aan bij het zogeheten «Participatieloket» waarvoor het LUMC samenwerkt met re-integratiebedrijf DZB Leiden en uitkeringsinstituut UWV. Ik waardeer de inspanning van het LUMC in dit verband.
Vindt u het de taak van een ziekenhuis om opleidingsplaatsen voor vluchtelingen te creëren?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel extra geld gaat er naar de taallessen, taalstages en begeleiding van deze vluchtelingen en waar komt dat geld vandaan?
Het LUMC geeft aan dat besloten is om voor zowel de opleiding tot verpleegkundige niveau 4 als voor de opleiding tot doktersassistent niveau 4 besloten twee extra praktijkplaatsen te creëren. In samenwerking met het ID-College gaat het LUMC deze studenten via een beroepsbegeleidende leerweg (bbl) opleiden. Deze bbl-opleidingen vallen onder de reguliere bekostiging. Deze praktijkplaatsen komen in aanmerking voor een vergoeding uit het stagefonds. De betreffende studenten krijgen een werknemersaanstelling en bijbehorend salaris bij het LUMC voor de duur van hun opleiding. Aangezien het maatwerktrajecten betreft is het op voorhand volgens partijen nog niet te zeggen wat de benodigde extra inspanningen en begeleiding zullen zijn. De eventuele kosten van deze extra inspanningen en begeleiding leveren het LUMC en het ID-College uit eigen middelen. Voor eventuele out of pocket kosten heeft het Participatieloket een klein budget.
Deelt u de mening dat opleidingsplaatsen voor alle mogelijke kandidaten beschikbaar dienen te zijn en niet alleen voor vluchtelingen? Zo ja, gaat u het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) hierop aanspreken? Zo nee, waarom niet?
Het betreft hier bbl-plekken, waarbij de studenten een arbeidscontract krijgen en waarbij de werkgever (in casu het LUMC) bepaalt wie zij aannemen en welk aannamebeleid zij hanteren. Vervolgens wordt in samenwerking met het ID-College een mbo-opleiding verpleegkunde verzorgd. Er is feitelijk geen sprake van een verdringingseffect doordat het gaat om extra opleidingsplekken.
Mbo-instellingen hebben een wettelijke taak om de toegankelijkheid van het onderwijs te borgen, in het bijzonder voor kansarme groepen. Dit traject past daar goed bij.
Wordt op deze manier de numerus fixus voor de verpleegkundigen-opleidingen omzeild? Zo ja, wat vindt u daarvan?
Het gaat hier om verpleegkundigen niveau 4. Hiervoor bestaat geen numerus fixus.
Wanneer gaat u een einde maken aan de voorrangsregelingen voor vluchtelingen?
Zie het antwoord op vraag 4
Het bericht dat klimaatlasten oneerlijk zijn verdeeld |
|
Sandra Beckerman |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat vooral de armste gezinnen relatief het meest bijdragen aan klimaatbeleid, terwijl het de hoogste inkomens zijn die de meeste schade aan het klimaat veroorzaken?1
In het rapport van CE Delft, dat in het bericht wordt aangehaald, is gekeken naar hoe de kosten van klimaatbeleid neerslaan bij huishoudens. Hieruit komt het beeld naar voren dat huishoudens met een hoger inkomen in absolute termen het meeste bijdragen aan energiebelasting, de Opslag Duurzame Energie, accijnzen op benzine en diesel en kosten van maatregelen om CO2 te besparen, maar dat huishoudens met een laag inkomen hier in relatieve termen meer aan kwijt zijn. Dit komt met name omdat lage inkomens in vergelijking met hogere inkomens een groter deel van hun inkomen besteden aan primaire behoeften, zoals in dit geval de afname van gas en elektriciteit.
Het is belangrijk om deze kosten in perspectief te zien van de totale verdeling van lasten tussen arm en rijk en de totale koopkrachtontwikkeling van huishoudens. Dit gebeurt in relatie tot het algehele koopkrachtbeeld. Het rapport van CE Delft wijst op het belang van een betaalbare klimaat- en energietransitie. Dat is ook één van de boodschappen van de Energieagenda die het kabinet op 7 december 2016 heeft gepresenteerd: de klimaat- en energietransitie kan alleen draagvlak genieten en slagen als deze ook betaalbaar is en blijft. Om die reden heeft het kabinet in de Energieagenda aangegeven een voorkeur te hebben om na afloop van het Energieakkoord te sturen op één doel (CO2-reductie) in plaats van drie doelen (CO2-reductie, energiebesparing en hernieuwbare energie). Door te sturen op CO2-reductie komt de meest optimale en kosteneffectieve mix van energiebesparing, hernieuwbare energie en andere CO2-arme opties in de markt tot stand.
Deelt u de mening van onder ander Milieudefensie dat om ambitieus klimaatbeleid mogelijk te maken het van essentieel belang is de lasten en lusten eerlijk te verdelen?
De klimaat- en energietransitie vraagt grote inspanningen van burgers, bedrijven en overheden, en daarnaast ook forse investeringen. Die komen er alleen als er voldoende zekerheid wordt geboden door middel van een helder langetermijnperspectief, met draagvlak in de samenleving. Een eerlijke verdeling van lasten en lusten speelt hierbij een belangrijke rol.
Hoe oordeelt u over de verwachting dat deze ongelijkheid in lastenverdeling alleen maar toe gaat nemen naarmate de kosten voor klimaatbeleid hoger worden? Ziet u hierin extra aanmoediging om zo snel mogelijk tot een duidelijk actieplan ten aanzien van klimaatbeleid te komen?
Deze verwachting gaat uit van een ongewijzigde systematiek in het beleid, terwijl deze in werkelijkheid aan verandering onderhevig is. Met het Energieakkoord is een eerste onomkeerbare stap gezet richting een CO2-arme economie. Hierbij is ook aandacht voor huishoudens met minder besteedbaar inkomen. Zo geeft de Minister voor Wonen en Rijksdienst met zijn brief van 11 november 2016 (Kamerstuk 30 196, nr. 483) aan dat nadere wettelijk maatregelen worden uitgewerkt gericht op het verbeteren van de energetische kwaliteit van de corporatiewoningen. De effecten op de woonlasten (huur en energie) zullen daarbij uitdrukkelijk worden betrokken.
Momenteel wordt door het kabinet gewerkt aan de verdere uitwerking van de Energieagenda. In dit kader worden onderzoeken uitgevoerd en worden per functionaliteit transitiepaden uitgewerkt naar een CO2-arme maatschappij in 2050. Dit gebeurt in samenspraak met alle betrokken partijen in de samenleving. Betaalbaarheid, maar ook thema’s als maatschappelijk draagvlak en ruimtelijke inpasbaarheid spelen in deze uitwerking een belangrijke rol. Deze transitiepaden kunnen een volgend kabinet helpen bij het nader vormgeven van de benodigde klimaat- en energietransitie en dienen als basis voor het Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan, dat Nederland uiterlijk op 1 januari 2018 in concept moet indienen bij de Europese Commissie.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat de kosten voor klimaatschade worden betaald door de grootste vervuilers, zoals de industrie?
Het is van belang dat er voor de industrie prikkels zijn om te investeren in CO2-reducerende maatregelen. Hiervoor zet het kabinet allereerst in op een versterkt Europees emissiehandelssysteem (ETS). Met de positie die de Europese bewindspersonen in de Milieuraad op 28 februari jl. zijn overeengekomen, wordt onder andere ingezet op versterking van het ETS door op Europees niveau, via de marktsstabiliteitsreserve, een surplus aan rechten te schrappen. Op 6 april jl. heb ik de Kamer tevens geïnformeerd over een voorstel van de energie-intensieve industrie voor energiebesparingsmaatregelen in het kader van het Energieakkoord (Kamerstuk 30 196, nr. 542). Het voorstel leidt ertoe dat bedrijven investeren in de vermindering van hun energieverbruik, en daarmee de CO2-uitstoot. Daarnaast worden als onderdeel van de uitwerking van de Energieagenda aanvullende beleidsmaatregelen verkend, die de transitie in de industrie verder kunnen ondersteunen.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat de lagere inkomens niet onevenredig hard worden belast door stijgende energierekeningen? Deelt u de mening dat oplossingen gezocht moeten worden in bijvoorbeeld investeringen in woningisolatie, zonder daarbij de huren te laten stijgen, zoals ook geopperd door Milieudefensie?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 1 en 3 is het van belang dat de klimaat- en energietransitie betaalbaar blijft en is er hierbij aandacht voor huishoudens met een lager inkomen, bijvoorbeeld via beleid gericht op energiebesparende maatregelen voor corporatiewoningen. Bij de uitwerking van een wettelijke verplichting voor woningcorporaties worden de effecten op de woonlasten (huur en energie) betrokken. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal uw Kamer voor de zomer informeren over de verdere uitwerking en de daarvoor benodigde investeringen van corporaties en de effecten daarvan.
Bent u bereid te onderzoeken op welke wijze ambitieus klimaatbeleid zo vormgegeven kan worden dat dit op het breedst mogelijke draagvlak kan rekenen onder de gehele bevolking?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is dit onderdeel van de uitwerking van de Energieagenda. Voorafgaand aan de Energieagenda is de Energiedialoog gehouden, waarbij iedereen – van grote multinationals tot individuele burgers – in de gelegenheid is gesteld om input te leveren voor het klimaat- en energiebeleid. Deze dialoog is sindsdien niet meer gestopt. We bekijken samen met lokale overheden hoe alle lagen van de bevolking ook in de toekomst bij het beleid betrokken kunnen blijven. Op deze manier kan een zo breed mogelijk draagvlak worden gerealiseerd.
RVO naar aanleiding van vele klachten van ondernemers |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat er veel klachten zijn over de registratie van grootvee-eenheden (GVE’s) bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)?
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) heeft zeven officiële klachten ontvangen, waarvan zes klachten over de registratie van gegevens. Daarnaast zijn er 18 telefonische klachten ontvangen bij RVO.nl, deze klachten gingen voornamelijk over de inhoud van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (hierna: de regeling).
Kunt u aangeven hoeveel klachten of bezwaren er zijn over de registratie van GVE’s?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u verklaren waarom er veel klachten zijn over afwijkende gegevens van RVO ten opzichte van het werkelijke aantal dieren dat veehouders op de referentiedatum van 2 juli 2015 hadden? Kunt u aangeven wat hiervan de belangrijkste oorzaken zijn?
Met een relatief zeer korte voorbereidingstermijn is in goede samenwerking met ZuivelNL de uitvoering van de complexe regeling vormgegeven en zijn daarvoor alle nodige organisatorische voorzieningen getroffen.
RVO.nl heeft extra capaciteit vrijgemaakt en geworven om op korte termijn alle veehouders te voorzien van de meest actuele en getoetste informatie over hun referentie.
De melkveehouders hebben via MijnRVO.nl toegang tot de I&R-gegevens. Ook via het webportaal van hun zuivelonderneming hebben zij toegang tot de geregistreerde gegevens. De gegevens worden sinds begin april 2017 wekelijks geactualiseerd op basis van de laatste verwerkingen.
De verzoeken tot wijzigingen in het doelstellingsaantal en de referentie zijn nog niet allemaal verwerkt. De reden hiervan is dat ondernemers tot 1 april jl. de tijd hadden om in de regeling omschreven knelgevallen en bedrijfsoverdrachten te melden; voor in- en uitschaarsituaties was de uiterste datum 15 april 2017.
Daarnaast is door veel ondernemers gereageerd op de servicemelding fosfaatrechten. Bij de behandeling van deze reacties wordt tevens beoordeeld of deze van invloed zijn op de uitvoering van deze regeling. Er zijn in totaal circa 5.500 dossiers ingediend bij RVO.nl die kunnen leiden tot aanpassing van het referentie- en/of doelstellingsaantal.
In antwoord op schriftelijke vragen geeft u aan dat het controleren en vaststellen van de referentie meer tijd kost en het streven is dit voor het opleggen van de eerste geldsom afgerond te hebben; kunt u aangeven of dit in alle gevallen gaat lukken?1
Ik heb uw Kamer op 21 april jl. aangegeven (Kamerstuk 33 037, nr. 197) dat voor naar schatting 1.000 bedrijven de behandeling van de dossiers nog tot half mei 2017 zou vergen. Op basis van de meest recente gegevens blijkt het volgende. Over de opgelegde geldsom over de maand april hebben ruim 14.200 melkveehouders op 27 mei jl. een brief ontvangen. Circa 2.450 bedrijven hebben op dit moment nog geen brief ontvangen. Bij 1.450 bedrijven komt dit door diverse omstandigheden, zoals onder andere geduid bij het antwoord op vraag 3. Bij de overige circa 1.000 bedrijven zijn de brieven nog niet verzonden door ZuivelNL. Dit komt voornamelijk omdat ZuivelNL bij deze bedrijven nog een laatste controle wil uitvoeren op haar berekeningen van de geldsom. De verwachting is dat eind juni alle bedrijven hun brief over de geldsom hebben ontvangen.
De laatste wijziging van de regeling is nog niet doorgevoerd in de gegevens van RVO, zo is bevestigd aan veehouders; bent u bereid om de inning van de boetes op te schorten tot het moment dat alle gegevens verwerkt zijn en het vaststellen van de referentie is afgerond? Zo nee, waarom niet?
De wijziging van de berekening van de grondgebondenheid op basis van de nieuwe definitie die is opgenomen in de wijziging van de regeling die op 30 maart 2017 is gepubliceerd in de Staatscourant (Staatscourant 2017 nr. 18602), is doorgevoerd en wordt meegenomen. Indien dit voor de bedrijven tot een wijziging van de grondgebondenheid heeft geleid, wordt dit getoond op de portal van de zuivelondernemingen.
Vindt u het verantwoord een geldsom op te leggen als de gegevens door RVO en/of ZuivelNL nog niet verwerkt zijn? Zo ja, waarom?
De geldsom voor deze groep bedrijven wordt, voor zover de meldingen tijdig en de zienswijzen uiterlijk op 21 april jl. zijn ingediend, pas opgelegd nadat de dossiers zijn beoordeeld. Zie verder mijn antwoord op vraag 4.
Zijn er voorbeelden bij u bekend waarbij er bijvoorbeeld voor 1 maart een verzoek is ingediend tot het overdragen van GVE’s en grond naar een nieuwe eigenaar en waarbij de grond is overgeschreven, maar de GVE’s tot op heden niet? Of het voorbeeld waarbij er naar aanleiding van een bezwaarschrift in januari telefonisch contact is geweest met RVO, maar tot op heden nog geen antwoord is gegeven aan de betreffende ondernemer? Wat vindt u hiervan en kunt u aangeven binnen welke termijn de problemen opgelost zijn?
De door u omschreven situatie is mij niet bekend.
Kunt u aangeven wanneer de in het antwoord op schriftelijke vragen aangekondigde wijziging van de regeling gereed is?2
De regeling is gewijzigd op 28 april jl. (Staatscourant 2017 nr. 25117).
Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden met de gevraagde gegevens voorafgaand aan het nog te plannen plenaire debat over het fosfaatreductieplan?
Ik heb uw Kamer op 11 mei jl. bericht (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 1828) dat deze vragen helaas niet binnen de gevraagde termijn konden worden beantwoord, omdat meer tijd nodig was voor het inwinnen van informatie en voor afstemming van de antwoorden. Het debat is op 18 mei jl. met uw Kamer gevoerd.
De verboden stille tocht van Christenen voor Israel in Rotterdam |
|
Martin Bosma (PVV), Han ten Broeke (VVD), Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP), Raymond Knops (CDA), Gert-Jan Segers (CU) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven waarom de stille tocht van Christenen voor Israel (CvI) vandaag in Rotterdam door B&W is verboden?
De handhaving van de openbare orde in Rotterdam is de verantwoordelijkheid van de burgemeester van Rotterdam. Hij legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Overigens heeft de organisatie uiteindelijk zelf besloten af te zien van een stille tocht.
Hoe verklaart u dat de veiligheid van 150 wandelaars niet gegarandeerd kon worden terwijl er voor een congres van het Palestinian Return Centre (PRC), met sprekers met connecties met de terroristische Hamas, deze inspanning wel geleverd kon worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven waarom er geen rekening is gehouden met de wens van de organisator van CvI om een stille en vreedzame wandeling te houden, zodat de joodse Rotterdammers – vanwege de sabbath is het hen niet toegestaan te demonstreren maar wel een stille wandeling te maken – ook in staat zouden zijn om mee te lopen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven en nagaan waarom er tijdens de Turkse demonstraties in Rotterdam, zoals o.a. op 16 juli vorig jaar, wel voldoende politiecapaciteit beschikbaar was?
Het handhaven van de openbare orde is de verantwoordelijkheid van de burgemeester. De burgemeester van Rotterdam heeft bij de genoemde manifestaties in nauw overleg met de politie een afweging gemaakt over de wijze waarop de openbare orde het beste kon worden gehandhaafd. Op basis van de door de burgemeester gemaakte afweging, heeft de organisatie besloten de tocht niet door te laten gaan. In soortgelijke toekomstige situaties zal een burgemeester ook steeds in overleg met de politie bezien op welke wijze de openbare orde het meest adequaat kan worden gehandhaafd. Ik zal niet treden in de bevoegdheden van burgemeesters.
Bent u bereid de volgende keer dat een soortgelijke situatie zich voordoet, er zorg voor te dragen dat wel voldoende politiecapaciteit beschikbaar gesteld wordt, uiteraard in samenwerking met de betreffende burgemeester?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht “Harde woorden over hoogleraren accountancy” |
|
Renske Leijten |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Harde woorden over hoogleraren accountancy», d.d. 14 maart 2017, waarin wordt aangekaart dat accountancy hoogleraren niet onafhankelijk en kritisch genoeg zijn?1
In het bericht wordt verwezen naar de discussie die is ontstaan op de website accountant.nl. In deze discussie heeft Marcel Pheijffer, hoogleraar accountancy aan de Nyenrode Business Universiteit, kritiek geleverd op zijn collega hoogleraren, die zich in zijn ogen te weinig mengen in het publieke debat over de sector. Naar het oordeel van Pheijffer is de belangrijkste verklaring hiervoor dat zij ook verbonden zijn (of waren) aan een groot accountantskantoor. Zijn vakgenoten hebben hem van repliek gediend. Zij geven aan dat als hoogleraren zich niet mengen in het publieke debat, dit niet betekent dat daarmee een conclusie kan worden getrokken over hun onafhankelijkheid en hun maatschappelijke bijdrage (onder andere in de vorm van onderwijs en onderzoek).
Voor zover het gaat om wetenschappelijk onderzoek is natuurlijk van belang dat de onafhankelijkheid is geborgd. De Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening van de VSNU biedt echter waarborgen voor hoogleraren om in voldoende mate onafhankelijk over de sector te spreken. Zoals ik in mijn brief heb aangegeven is het daarnaast vanuit het oogpunt van kenniscirculatie en het belang van het kunnen delen van ervaringen uit de praktijk wenselijk dat er hoogleraren zijn die nevenfuncties hebben in de beroepspraktijk, zoals bij een accountantsorganisatie. Dit zorgt ervoor dat onderwijs wordt gegeven door mensen met praktijkervaring en dat vragen uit de praktijk hun weg vinden naar de wetenschap. Dit geldt zeker voor een praktijkgerichte sector als de accountancysector.
Hoe beoordeelt u de kritische geluiden uit bovengenoemd bericht in het licht van uw eigen reactie op de motie van het lid Nijboer c.s. over meer hoogleraren zonder nevenfuncties in de sector?2 Welke gevolgen moeten deze kritische geluiden hebben voor de sector?
Zie antwoord vraag 1.
Acht u het gesprek dat u met de universiteiten en de sector heeft gehad afdoende om de onafhankelijkheid van hoogleraren accountancy, die vaak meerdere functies bekleden, te borgen? Zo ja, welke harde toezeggingen zijn er vanuit de universiteiten en de sector gekomen om u in dat geloof te sterken?
Uit de gesprekken die ik heb gevoerd met universiteiten blijkt dat er een groot aantal gedragscodes is opgesteld die zowel de onafhankelijkheid moeten waarborgen als belangenverstrengeling dienen te voorkomen. Dit wordt gedaan vanuit het oogmerk een zo groot mogelijke transparantie te creëren in en over het wetenschappelijke handelen. Met deze gedragscodes worden waarborgen gegeven voor hoogleraren om vanuit de wetenschappelijke discipline onafhankelijk te kunnen functioneren en daarover verantwoording af te leggen. De gedragscodes bieden universiteiten de mogelijkheid om toe te zien op mogelijke belangenverstrengeling. Hoogleraren die tevens registeraccountant zijn dienen zich bovendien te houden aan Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). Op grond van de VGBA mag een accountant zich, ook in zijn hoedanigheid als hoogleraar, niet ongepast laten beïnvloeden. De bestaande waarborgen sterken mij in de overtuiging dat de hoogleraren voldoende kritisch en onafhankelijk zouden moeten kunnen opereren en dat kan worden opgetreden tegen eventuele misstanden.
Bent u van mening dat er op dit moment sprake is van een voldoende kritische en onafhankelijke houding bij hoogleraren accountancy? Zo ja, op welke manier(en) uit dit zich volgens u? Zo nee, wat gaat u er aan doen om deze houding te veranderen?
Zie antwoord vraag 3.
U schrijft in uw reactie op de hierboven aangehaalde motie van het lid Nijboer c.s.: «Voor een sector in ontwikkeling, zoals de accountancysector, is onafhankelijk onderzoek van groot belang. [...] Het risico op belangenverstrengeling valt nooit volledig uit te sluiten.»; hoe rijmt u het eerste deel van die uitspraak met het laatste deel? Hoe bedoelt u dat belangenverstrengeling nooit volledig valt uit te sluiten? Kunnen hier geen afspraken over worden gemaakt?
Het risico op belangenverstrengeling is nooit volledig uit te sluiten. Ondanks de bestaande waarborgen zullen gevallen van belangenverstrengeling incidenteel kunnen voorkomen. Er zijn mij echter geen gevallen bekend waarin belangenverstrengeling recentelijk aan de orde is geweest.
Welke zaken van belangenverstrengeling zijn u bekend, waarbij de onafhankelijkheid van wetenschappers geschaad is of dat onderzoek de toets der wetenschap niet kon doorstaan door belangenverstrengeling?
Zie antwoord vraag 5.
Erkent u dat accountants een groot publiek belang dienen, en dat het in dat publieke belang is dat zij te allen tijde kritisch naar hun eigen sector zouden moeten (kunnen) kijken? Zo nee, waarom niet?
Accountants dienen inderdaad het publieke belang voornamelijk bij de uitvoering van hun controlewerkzaamheden. Bij een professionele beroepsgroep past ook zelfkritiek en reflectie. De afgelopen jaren hebben de accountants erkend dat zij hun voornaamste publieke taak niet goed hebben vervuld en hebben zij verbetermaatregelen voorgesteld en doorgevoerd.
Bent u bereid concrete afspraken te maken met de sector en universiteiten om de onafhankelijkheid van hoogleraren te garanderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De constructie van De Wit thuiszorgorganisatie |
|
Lilian Marijnissen (SP), Bart van Kent (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over thuiszorgorganisatie De Wit die au pairs uit Oost-Europese landen inzet voor zorg op basis van de Wet langdurige zorg (Wlz-zorg)?1
Het gaat in het geval van De Wit Thuiszorg niet om au pairs onder de au-pairregeling, maar om zorgverleners die arbeid verrichten en bij de zorgbehoevende inwonen. Door thuiszorgorganisatie De Wit worden deze zorgverleners «zorg-au pairs» genoemd.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft thuiszorgorganisatie De Wit meerdere malen bezocht in de periode 2015–2017. De inspectie constateert tijdens het laatste bezoek op 2 februari 2017 dat de door thuiszorgorganisatie De Wit geboden zorg niet voldoet aan 20 van de 21 normen en dat de geboden zorg daarmee zeer risicovol is. Het oordeel van de inspectie t.a.v. de kwaliteit en veiligheid van de zorgverlening is voor mij leidend. Zie in dit verband mijn antwoord op vraag 4.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft jarenlang aanwijzingen gegeven aan thuiszorgorganisatie De Wit over tekortschietende zorgverlening; waarom heeft het zo lang geduurd voordat de beslissing is genomen dat thuiszorgorganisatie De Wit gaat stoppen met het verlenen van zorg? Hoe is dit proces met de Inspectie precies gelopen?2
Het is de verantwoordelijkheid van een zorgbestuurder om kwalitatief goede en veilige zorg te leveren. De inspectie toetst zorgaanbieders aan een vaststaand kwaliteitskader welke volgt uit geldende wet- en regelgeving, richtlijnen en uit veldnormen. Gedurende het hele toezichttraject heeft de inspectie de bestuurder van De Wit Thuiszorg verzocht om verbetermaatregelen te nemen. Ondanks de door de bestuurder ingezette verbeteracties, concludeert de inspectie dat essentiële normen niet werden nageleefd. In eerste instantie was er vertrouwen in verbetering. Echter bleek er, gedurende het toezichttraject sprake van weinig verbetering en daadkracht. Zo namen begin 2017 het aantal niet nageleefde normen toe in plaats van af. Er was met andere woorden sprake van een verslechtering.
De inspectie heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de vereiste verbeteringen, zonder het geven van een maatregel door de inspectie, gerealiseerd en geborgd worden. Om deze redenen heeft de inspectie De Wit Thuiszorg op 23 maart 2017 een aanwijzing gegeven voor de duur van vier maanden.
Vindt u het wenselijk dat een thuiszorgorganisatie werkt met au pairs die uit het buitenland gehaald worden om hier zorg te komen verlenen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) verplicht de bestuurder van een zorgorganisatie om goede zorg aan te bieden. Zorg moet in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn, tijdig worden verleend en zijn afgestemd op de reële behoefte van de cliënt. Ook moeten de rechten van de cliënt zorgvuldig in acht worden genomen en moet de cliënt met respect worden behandeld. Het betekent voorts dat zijn medewerkers als zorgverlener bevoegd en voldoende bekwaam (gekwalificeerd) moeten zijn om die zorg te verlenen en dat zij moeten handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid voortvloeiende uit de professionele standaard. Dat geldt ongeacht of de zorgverlener uit Nederland afkomstig is dan wel alleen in Nederland werkzaam is. Ik heb geen oordeel over de achtergrond van de betrokken medewerkers, zolang de zorgaanbieder maar voldoet aan de vereisten uit de Wkkgz en de Wet Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG). De inspectie houdt hierop toezicht.
In hoeverre mogen au pairs Wlz-zorg verlenen, aangezien au pairs geen taken mogen verrichten voor mensen die bijzondere zorg nodig hebben, of zorg waarvoor een bijzondere vaardigheid nodig is? Hoe oordeelt u hierover en hoe oordeelt de Inspectie voor de Gezondheidszorg hierover?3
Au pairs mogen geen Wlz-zorg verlenen. De au pair mag geen taken verrichten voor mensen die een meer bijzondere zorg nodig hebben en die een specifieke vaardigheid vereisen. De au-pairregeling, onder meer in de Wet arbeid vreemdelingen vastgelegd, biedt buitenlandse personen in de leeftijd van 18 tot en met 30 jaar de gelegenheid om in een korte tijd (maximaal een jaar) kennis te maken met de Nederlandse cultuur en samenleving. Een au pair mag niet werken: hij/zij mag alleen, in ruil voor kost en inwoning, in het gastgezin lichte huishoudelijke werkzaamheden verrichten (maximaal 8 uur per dag en met een maximum van 30 uur per week).
Het gaat in het geval van De Wit Thuiszorg echter niet om au pairs onder de au-pairregeling, maar om zorgverleners die arbeid verrichten en bij de zorgbehoevende inwonen. Door thuiszorgorganisatie De Wit worden deze zorgverleners «zorg-au pairs» genoemd.
Indien deze «zorg-au pairs» bevoegd en voldoende bekwaam (gekwalificeerd) zijn om zorg te verlenen en zij handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid voortvloeiende uit de professionele standaard, dan mogen zij taken verrichten voor mensen die zorg nodig hebben of zorg waarvoor een bijzondere vaardigheid nodig is. De inspectie spreekt met betrekking tot deze casus dan ook niet van een zorg-au pair, maar van een zorgverlener. Het staat of valt met hoe de zorgaanbieder het organiseert. Bij De Wit Thuiszorg is dit op dit moment niet goed georganiseerd waardoor er risico’s bestaan voor de cliënt. Ingrijpen door de inspectie was dan ook noodzakelijk.
Wat vindt u ervan dat een thuiszorgorganisatie gericht zorgverleners uit Oost-Europese landen werft die de Nederlandse taal niet machtig zijn, terwijl in Nederland duizenden zorgverleners van niveau 1 en niveau 2 werkloos thuis zitten en heel graag willen werken? Kunt u uw antwoord toelichten?
De kwaliteit en veiligheid van de zorg moet altijd voorop staan. Dat betekent onder andere dat zorgverleners de Nederlandse taal voldoende moeten beheersen om te kunnen communiceren met de patiënten om goede en veilige zorg te kunnen verlenen. Specifiek voor beroepen in de individuele gezondheidszorg geldt daarbij een taalcontrole. Zie ook het antwoord op vraag 8 t/m 10.
Onder deze voorwaarden staat het thuiszorgorganisaties vrij om zorgverleners uit Oost-Europese EU-landen te werven. Dit maakt onderdeel uit van het vrij verkeer van personen en diensten binnen de Europese Unie. Daarbij moet (oneerlijke) concurrentie op arbeidsvoorwaarden wel worden bestreden. Daarom maakt het kabinet zich in Brussel hard voor aanpassing van de detacheringsrichtlijn. Zie hiervoor verder het antwoord op vragen 6 en 7.
Vindt u het wenselijk dat au pairs hun sociale lasten afdragen in hun geboorteland? Deelt u de mening dat werknemers in Nederland altijd moeten werken onder Nederlandse eisen, conform Nederlandse cao’s omdat er anders feitelijk sprake is van oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen? Zo neen, waarom niet?
Op grond van de detacheringsrichtlijn – in Nederland geïmplementeerd in de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de EU – hebben werknemers die tijdelijk in Nederland komen werken recht op de harde kern van de arbeidsvoorwaarden, zoals vastgelegd in de Nederlandse arbeidswetgeving en eventueel in een algemeen verbindend verklaarde cao. Indien de arbeidskrachten via een uitzendbureau in Nederland te werk worden gesteld, is de harde kern van de arbeidsvoorwaarden uit de algemeen verbindend verklaarde cao voor uitzendkrachten van toepassing. Daartoe behoort ook de inlenersbeloning. Voor een deel zijn de arbeidsvoorwaarden zoals die in Nederland gelden dus van toepassing. Maar het kabinet maakt zich in Brussel hard voor aanpassing van de detacheringsrichtlijn, zodat onder meer de harde kern van de arbeidsvoorwaarden uitgebreider wordt. De Kamer wordt van de vorderingen van de onderhandelingen op de hoogte gehouden.
Deelt u de mening dat deze situatie onwenselijk is en dat het introduceren van een werkvergunning hiervoor een oplossing kan bieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is van belang dat er aandacht is voor eventuele schaduwkanten van arbeidsmobiliteit binnen Europa die zich kunnen voordoen in de vorm van oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt. Zo moet concurrentie op arbeidsvoorwaarden worden bestreden. Zoals in antwoord op vraag 6 aangegeven, maakt het kabinet zich hard voor aanpassing van de detacheringsrichtlijn om te bewerkstelligen dat de harde kern van arbeidsvoorwaarden uitgebreid wordt. Hiermee wordt een gelijk speelveld bevorderd en worden ook verschillen in loonkosten tussen Nederlandse werknemers en gedetacheerde buitenlandse werknemers verkleind. Het introduceren van een werkvergunning voor onderdanen van andere EU-lidstaten is in strijd met het Europees recht.
Wat vindt u ervan dat thuiszorgorganisatie De Wit geen Nederlandse taaleisen oplegt aan hun au pairs, omdat ze niet mogen hechten aan hun cliënten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij zorgverlening moet de kwaliteit en veiligheid van de zorg altijd voorop staan. Dat betekent onder andere dat zorgverleners voldoende moeten kunnen communiceren met de patiënten om goede en veilige zorg te kunnen verlenen.
In de Wkkgz staat dat de zorgverlener goede zorg moet verlenen. Onderdeel daarvan is dat je je als zorgverlener goed verstaanbaar moet kunnen maken richting je cliënten.
In Nederland is daarbovenop wettelijk geregelde taalcontrole van toepassing op geregistreerde beroepen in de individuele gezondheidszorg. Het gaat dan om bijvoorbeeld artsen, tandartsen en verpleegkundigen. Zij dienen aan te tonen dat zij de Nederlandse taal voldoende beheersen voordat zij in het BIG-register kunnen worden ingeschreven en hun beroep mogen uitoefenen. Deze eis geldt dus niet voor alle zorgverleners.
Kunt u aangeven of de au pairs die thuiszorgorganisatie De Wit aantrekt, moeten voldoen aan de Nederlandse eisen voor taalvaardigheid voor zorgverleners of niet?4
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat het beheersen van een goede Nederlandse taalvaardigheid cruciaal is voor patiëntveiligheid en het onacceptabel is dat er in Nederland blijkbaar zorg verleend wordt door zorgverleners/au pairs die de taal volledig niet beheersen? Zo ja, welke maatregelen gaat u hieraan treffen? Zo neen, waarom niet?
Uiteraard deel ik de mening dat zorgverleners de Nederlandse taal voldoende moeten beheersen om met patiënten en collega’s te kunnen communiceren. De zorgwetgeving verplicht zorgverleners daar in het kader van goede en veilige zorg ook toe. Zoals bekend heeft de inspectie de nodige actie ondernomen.
Wat is de stand van zaken van de uitvoerbaarheidstoets van het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) en de Commissie Buitenslands Gediplomeerden Volksgezondheid (CBGV)? Kunt u uw antwoord toelichten?5
Bij brief van 29 oktober 2015 is de Kamer geïnformeerd over het onderzoek van Panteia over controle op de kennis van het Nederlands van buitenlands gediplomeerden bij inschrijving in het BIG register.
In vervolg op de uitvoerbaarheidstoets van het CIBG en de CBGV, geldt per 1 januari 2017 dat een ieder (zowel Nederlandse gediplomeerden als buitenlandse gediplomeerden) een bewijs van voldoende Nederlandse taalvaardigheid voor registratie in het BIG register dient te overleggen.
BIG registratie is verplicht voor de acht basisberoepen van artikel 3 van de Wet BIG, te weten arts, tandarts, apotheker, gz-psycholoog, psychotherapeut verloskundige, fysiotherapeut en verpleegkundige.
Kunt u toelichten waarom de directeur van thuiszorgorganisatie De Wit aangeeft dat het gaat om laag complexe zorg, maar tevens aangeeft dat mensen via een pgb Wlz-zorg ontvangen? Deelt u de mening dat hier dan dus geen sprake is van laag complexe zorg kan zijn, gezien een indicatie voor Wlz-zorg gebaseerd is op blijvend intensieve zorg of 24 uur per dag toezicht nodig hebben? Hoe oordeelt u hierover?
Cliënten met een indicatie voor Wlz-zorg hebben allen blijvend een zware of complexe zorgvraag en/of 24 uur per dag toezicht nodig.
Welke zorgopleiding hebben de au pairs die thuiszorgorganisatie De Wit inzet? Zijn deze au pairs opgeleid en gekwalificeerd om in Nederland Wlz-zorg te mogen bieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Wit Thuiszorg geeft aan dat de medewerkers een zorggerelateerde basisopleiding met een deskundigheidsniveau hebben dat vergelijkbaar is met het in Nederland geldende (minimaal) deskundigheidsniveau 2 in Nederland (Helpende Zorg & Welzijn). Vanwege het dienstverband en de bevoegd- en bekwaamheden van de medewerkers kunnen cliënten genoodzaakt zijn om extra zorg bij derden in te kopen en/of familie c.q. mantelzorgers in te zetten. Deze medewerkers zijn de Nederlandse taal qua spreek- en taalvaardigheid niet allen machtig. Als een verzorgende/verpleegkundige de Nederlandse taal niet beheerst en de cliënt beheerst alleen Nederlands dan is mijn inziens goede zorg in het geding. Dit betekent niet impliciet dat de verzorgende/verpleegkundige slecht is, dit betekent ook niet dat het niet mogelijk is om het op een manier te regelen c.q. te organiseren dat het wel mogelijk is/wordt. Het staat of valt met hoe de zorgaanbieder het organiseert. Zie ook vraag 4.
Waarom hoeven thuiszorginstellingen die Wlz-zorg leveren gefinancierd uit het pgb, geen WTZi-toelating te hebben? Waarom is hiertoe besloten? Vindt u ook dat het juist uit het oog van goede kwalitatieve zorg het noodzakelijk is dat deze organisaties ook onder de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) komen te vallen? Kunt u uw visie hierop geven?6
Onder de huidige regelgeving (Wet toelating zorginstellingen) zijn pgb-zorgaanbieders inderdaad uitgezonderd van de toelatingsplicht. Dit is gedaan om deze, veelal kleinschalige, zorgaanbieders te behoeden voor te zware administratieve lasten. Ik ben het met de vragensteller eens dat het vanuit het oogpunt van goede kwalitatieve zorg onwenselijk is om pgb-zorgaanbieders volledig uit te zonderen van de WTZi, vooral wanneer ze een grootschaliger karakter hebben. Ik heb dan ook een wetsvoorstel in voorbereiding waarin de kwaliteit van zorg centraal staat bij de toelatingsprocedure. Daarin zullen aanbieders van zorg die uit persoonsgebonden budgetten wordt betaald dezelfde wijze worden behandeld als overige aanbieders van zorg. Daarbij zal ik uiteraard waken voor administratieve overbelasting. Ik verwacht dit wetsvoorstel dit jaar te kunnen indienen.
Vindt u het wenselijk dat zorgorganisaties die niet onder de WTZi vallen, geen jaarverantwoording hoeven af te leggen? Vindt u het wenselijk dat hierdoor zorgorganisaties, zoals thuiszorgorganisatie De Wit niet gecontroleerd worden op hun jaarverslag/afrekening?7
Nee. Overigens is de stelling dat zorgorganisaties die niet onder de WTZi vallen, geen jaarverantwoording hoeven af te leggen en niet op hun jaarstukken worden gecontroleerd, onjuist. In Nederland zijn de wettelijke bepalingen omtrent externe jaarverantwoording vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek boek 2, titel 9. Die bepalingen gelden voor o.a. naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen en dus ook voor thuiszorgorganisatie De Wit, De Wit Thuiszorg B.V. De bepalingen van boek 2 BW bevatten de verplichting voor een onderneming om na afloop van het boekjaar verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde beleid door jaarstukken op te stellen inhoudende de jaarrekening, het jaarverslag(ook wel bestuurs- of directieverslag genoemd) en overige gegevens. De jaarstukken dienen opgesteld te worden op basis van normen, nader uitgewerkt in de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving. Aan de jaarrekening dient een controleverklaring van een openbaar accountant te worden toegevoegd. Na vaststelling dient de jaarrekening binnen 8 dagen openbaar te worden gemaakt door middel van deponering bij het handelsregister.
Nee. Overigens is de stelling dat zorgorganisaties die niet onder de WTZi vallen, geen jaarverantwoording hoeven af te leggen en niet op hun jaarstukken worden gecontroleerd, onjuist. In Nederland zijn de wettelijke bepalingen omtrent externe jaarverantwoording vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek boek 2, titel 9. Die bepalingen gelden voor o.a. naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen en dus ook voor thuiszorgorganisatie De Wit, De Wit Thuiszorg B.V. De bepalingen van boek 2 BW bevatten de verplichting voor een onderneming om na afloop van het boekjaar verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde beleid door jaarstukken op te stellen inhoudende de jaarrekening, het jaarverslag(ook wel bestuurs- of directieverslag genoemd) en overige gegevens. De jaarstukken dienen opgesteld te worden op basis van normen, nader uitgewerkt in de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving. Aan de jaarrekening dient een controleverklaring van een openbaar accountant te worden toegevoegd. Na vaststelling dient de jaarrekening binnen 8 dagen openbaar te worden gemaakt door middel van deponering bij het handelsregister.
Wat is de bezoldiging van de directeur van thuiszorgorganisatie De Wit? Ontvangt deze directeur nog andere inkomsten, zoals bonussen? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo neen, waarom niet?8
De bezoldigingen van de topfunctionarissen van thuiszorgorganisatie De Wit zijn niet openbaar. Omdat deze organisatie geen Wtzi-toelating heeft, valt zij buiten het bereik van de transparatieverplichtingen van de Wet Normering Topinkomens (WNT). Het is aan de instelling zelf of en hoe zij transparant wil zijn over bezoldigingen van haar topfunctionarissen.
Kunt u onderzoeken hoe de pgb-constructie precies is geregeld die thuiszorgorganisatie De Wit hanteert? Kunt u daarbij tevens aangeven of het juist is dat dat zorgbehoevende ouderen die zorg afnemen bij thuiszorgorganisatie De Wit gedwongen worden in een pgb-constructie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Mensen die 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig hebben, komen in aanmerking voor toelating tot de Wlz. Voor toegang tot de Wlz is een indicatie van het CIZ noodzakelijk. Deze indicatie wordt objectief en onafhankelijk gesteld. Het CIZ kan Wlz-indicaties stellen. Pgb-gefinancierde instellingen zijn daar niet toe bevoegd.
Na indicatiestelling door het CIZ kan een verzekerde kiezen voor één van de vier leveringsvormen, waaronder het pgb. Als iemand anders het pgb aanvraagt voor de verzekerde, dan is daar schriftelijke toestemming van de verzekerde voor nodig.
Het pgb-Wlz maakt het mogelijk om regie te voeren over de zorg en zelf de zorgverlener te kiezen. Om in aanmerking te komen voor het pgb-Wlz moet een verzekerde voldoen aan enkele voorwaarden. Dit wordt getoetst door het zorgkantoor tijdens een bewustekeuzegesprek. In dit gesprek beoordeelt het zorgkantoor ook of de verzekerde eigen regie heeft, al dan niet via vertegenwoordiging. Wanneer een verzekerde kiest voor een pgb-Wlz kan hij of zij zelf op zoek naar een verantwoorde en kwalitatief goede zorgaanbieder. Samen met de zorgaanbieder stelt de budgethouder een zorgovereenkomst en zorgbeschrijving op. Na goedkeuring hiervan door het zorgkantoor kan de SVB de zorgaanbieder uitbetalen. Thuiszorgorganisatie De Wit heeft geen contracten met zorgkantoren en werkt dus alleen met pgb’s. Het is de keuze van de budgethouder om te besluiten daar zorg af te nemen.
Is hier sprake van een schijnconstructie, aangezien thuiszorgorganisatie de Wit nauw samenwerkt met een ander bedrijf en via dit bedrijf de pgb-indicaties voor de cliënten van haar eigen organisatie laat verlopen?
Zie antwoord vraag 17.
Deelt u de mening dat een persoonsgebonden budget (pgb) is bedoeld voor individuele situaties en niet bedoeld is dat zorgorganisaties een ander bedrijf in de hand nemen om voor/in samenwerking met hen pgb-indicaties te verstrekken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 17.
Is u bekend of er andere zorgorganisaties zijn die werken volgens de constructie van thuiszorgorganisatie De Wit? Zo ja, welke zorgorganisaties zijn dit? Zo neen, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Er is geen registratie van het aantal organisaties dat pgb-zorg levert en au pairs inzet. Echter, ook deze organisaties moeten aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen. Hierop houdt de inspectie toezicht. Daarnaast controleren zorgkantoren via huisbezoeken of het pgb wordt ingezet zoals bedoeld. Op het moment dat er signalen zijn dat dit niet het geval is zal dit worden opgevolgd via onderzoek door het zorgkantoor. Als er vermoedens zijn van misstanden, kunnen de handhavingspartijen in de zorg bezien of verdere maatregelen noodzakelijk zijn.