De OIC-veroordeling van een cartoonwedstrijd in Nederland |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de veroordeling door de Organization of Islamic Cooperation (OIC) van de in Nederland geplande Mohammed cartoonwedstrijd?1
Ja.
Vindt u het normaal dat de OIC, een organisatie die vooral bestaat uit onvrije islamitische landen waar men nog nooit gehoord heeft van het concept vrijheid van meningsuiting, zich bemoeit met de manier waarop in Nederland de vrijheid van meningsuiting wordt uitgeoefend?
De vrijheid van meningsuiting is een groot goed, dat nationaal en internationaal bescherming verdient. Een vruchtbaar maatschappelijk debat vereist dat kritiek op elkaars opvattingen mogelijk is. De vrijheid van meningsuiting geldt voor iedereen, ook voor de OIC.
Wat vindt u van artikel 22 (a) van de door de OIC aangenomen zogenaamde «Cairo Verklaring van de Mensenrechten in de Islam», waarin staat dat meningen alleen geuit mogen worden indien zij in overeenstemming zijn met de sharia?
Nederland is geen lid van de OIC en heeft de Cairo Verklaring van de Mensenrechten in de Islam niet onderschreven. De Cairo Verklaring staat op gespannen voet met delen uit de «Universele Verklaring van de Rechten van de Mens». In Nederland gelden de basiswaarden en grondprincipes van de democratische rechtsstaat, en het recht op vrijheid van meningsuiting wordt beschermd in de Nederlandse Grondwet.
Deelt u de mening dat de sharia verwerpelijk en barbaars is en haaks staat op vrijheid? Deelt u de mening dat landen die de sharia koesteren, net als organisaties die dat doen, zoals de OIC, niet serieus dienen te worden genomen en krachtig moeten worden bestreden? Zo nee, waarom niet?
Schendingen van mensenrechten zoals de vrijheid van meningsuiting keur ik af. Ik deel de mening niet dat OIC-landen niet serieus dienen te worden genomen. Nederland is voorstander van een vrij en open maatschappelijk debat, ook op internationaal niveau.
Nederland is geen lid van de OIC, maar onderhoudt wel relaties met de lidstaten van de OIC en heeft veel (wederzijdse) belangen met lidstaten van de OIC. Voor het vinden van oplossingen over vraagstukken als migratie, veiligheid en de bestrijding terrorisme is samenwerking met de OIC-landen van groot belang.
Deelt u de mening dat de vrijheid van meningsuiting, zoals wij die in Nederland kennen, nooit beperkt mag worden door de achterlijke sharia, ook en juist als dit betekent dat wij iets doen wat de sharia verbiedt? Zo nee, waarom niet?
Vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst behoren tot de kernwaarden van onze samenleving. Deze vrijheden worden alleen begrensd door de Nederlandse en Europese wetgeving. Wanneer sprake is van spanning tussen deze twee vrijheden, is het aan de rechter – niet aan het Kabinet – om te beoordelen of er sprake is van een overtreding van de wet. Islamitische wetgeving buiten de kaders van de Nederlandse rechtsorde is in de Nederlandse juridische context niet van toepassing.
Bent u bereid in de strengste bewoordingen duidelijk te maken aan deze sharia-club genaamd OIC en aan al haar lidstaten dat Nederland geen sharia-staat is maar een vrij land in tegenstelling tot de OIC-landen, dat Nederland de sharia ten strengste veroordeelt en dat Nederland maling heeft aan inmengende verklaringen? Zo nee, waarom niet?
Nederland is voorstander van een vrij en open maatschappelijk debat, ook op internationaal niveau. Het staat de OIC vrij om zich openbaar uit te spreken in dit debat. Ik heb de Secretaris-Generaal van de OIC, die de zorgen van zijn organisatie over de cartoon wedstrijd bij mij kenbaar maakte, geïnformeerd dat religieuze diversiteit en respect voor ieders levensovertuiging de kern is van ons beleid, dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst tot de kernwaarden van onze samenleving behoren, dat deze alleen worden begrensd door de Nederlandse en Europese wetgeving en dat wanneer sprake is van spanning tussen deze twee vrijheden, het aan de rechter – niet de regering – is om te beoordelen of er sprake is van een overtreding van de wet. Ook heb ik hem geïnformeerd dat de Nederlandse regering geen enkele bemoeienis heeft met deze wedstrijd en dat dit een initiatief is van een individueel lid van het parlement.
Het bericht ‘OM moet tienduizenden flitsboetes A29 terugbetalen’ |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «OM moet tienduizenden flitsboetes A29 terugbetalen?»1 Hoeveel mensen zijn dit jaar (2018) en vorig jaar (2017) ten onrechte bekeurd op de A29 bij Heinenoord?
Ja, ik ken dit bericht. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op de vragen 2 en 4.
Sinds wanneer wist het openbaar ministerie (OM) dat boetes mogelijk ten onrechte zijn uitgedeeld? Hoeveel flitscontroles hebben sindsdien plaatsgevonden? Indien deze nog hebben plaatsgevonden, waarom zijn nog boetes uitgedeeld als er twijfel bestond over de rechtsgeldigheid?
De controles met mobiele radarapparatuur op de A29 ter hoogte van hectometerpaal 14.7 vonden plaats in de periode van 1 maart 2017 tot 1 februari 2018. De controles hielden verband met het feit dat de locatie als een hoog risicolocatie was aangemerkt door Rijkswaterstaat en de politie. Eind april 2017 kwamen de eerste signalen, dat op de plek van de meting de weg een zodanige boogstraal zou bevatten dat mogelijk geen deugdelijke meting kan worden uitgevoerd. Naar aanleiding van die signalen hebben zowel de Landelijke Eenheid van de Nationale Politie als de leverancier van de radarapparatuur nadere berekeningen gedaan ten aanzien van de boogstraal en geconcludeerd dat op deze locatie met de radarsets een deugdelijke meting kan worden uitgevoerd. Daarmee was voor het Openbaar Ministerie (OM) en de politie de twijfel weggenomen.
Wordt er op dit moment nog geflitst op deze locatie? Zo ja, waarom?
Nee, er wordt niet meer geflitst op deze locatie.
Klopt het dat het vonnis nu tienduizenden bekeuringen ongeldig maakt? Wanneer gaat het OM onterechte boetes terugbetalen? Welk bedrag is hiermee gemoeid?
Op 16 juli 2018 oordeelde de rechtbank Rotterdam2 dat de boogstraal ter hoogte van de flitslocatie zodanig was dat de meting niet voldeed aan de vereisten voor een deugdelijke meting. De rechtbank baseerde dat op een meting die onder haar verantwoordelijkheid ter plaatse is uitgevoerd. Het gaat hier om een andere wijze van meten dan de meetmethodes die eerder zijn gebruikt. De uitkomst van die meting van de rechtbank, die verschilde van de uitkomsten van de eerdere metingen, en het feit dat het om een zeer specifieke situatie gaat waar slechts over een geringe afstand de boogstraal mogelijk groter is dan is toegestaan, waren voor het OM aanleiding om tegen de uitspraak in beroep te gaan. Tevens is een onafhankelijke instantie, het Nederlands Meetinstituut (NMi), gevraagd plaatselijk een meting te verrichten. De bevindingen van het NMi zullen door het OM worden ingebracht in het hoger beroep.
Wat kunt u zeggen over de kritiek die agenten al eerder hebben afgegeven over flitsen op deze specifieke locatie? In hoeverre is het handboek voor snelheidscontroles op deze locatie gevolgd? Wat is precies de aanleiding voor intensieve handhaving op deze locatie? Kunt u in uw antwoord aantonen dat de verkeersveiligheid in het geding was? Kunt u zich schrikreacties van automobilisten op flitsers voorstellen? Zou het kunnen dat gevaarlijke situaties ontstaan als men een flitser ziet? Zijn u ongevallen bekend die mogelijk veroorzaakt zijn door flitsers?
Bij het antwoord op vraag 2 is reeds aangegeven dat na signalen vanuit de politie over de kromming van de locatie nieuwe berekeningen zijn uitgevoerd. In geval van krommingen in de weg worden de instructies gevolgd die in het handboek voor snelheidscontroles staan vermeld.
De aanleiding van de intensieve handhaving op deze locatie is het feit dat het een risicolocatie betreft. Dit zijn locaties waar het risico op een ongeval groot is in combinatie met het overschrijden van de maximumsnelheid. Dat is ook de reden dat de maximumsnelheid ter plaatse 100 kilometer per uur is (in plaats van 130 kilometer per uur). Het aanpassen van de maximumsnelheid heeft primair tot doel om de automobilist te wijzen op de mogelijke gevaarlijke situatie en om te bewerkstelligen dat de automobilist zijn rijgedrag aanpast aan die situatie.
Het is niet aannemelijk dat automobilisten schrikken van flitsers, aangezien de huidige radarapparatuur niet meer zichtbaar flitst. Ook zijn hierover niet eerder signalen van automobilisten tot ons gekomen en zijn geen ongevallen of gevaarlijke situaties om die reden door ons waargenomen of bekend. Op deze locatie is tevens regelmatig een tekstkar ingezet waarbij werd gewezen op snelheidscontroles.
Zijn u andere locaties in Nederland bekend waarbij mogelijk hetzelfde zou kunnen spelen en boetes ongeldig kunnen worden verklaard?
Ik heb daarvoor geen aanwijzingen.
Deelt u de mening dat flitsen te allen tijde uiterst zorgvuldig dient te gebeuren om het vertrouwen van de automobilist in handhaving niet te schaden?
Ja, die mening deel ik.
Kunt u ervoor zorgen dat mensen hun geld spoedig terugkrijgen als de boete onterecht was? Kunt u ervoor zorgen dat mensen daarvoor niet zelf een procedure bij de rechter hoeven te starten? Wanneer krijgen de mensen duidelijkheid?
Het OM heeft hoger beroep ingesteld. De uitkomst hiervan zal eerst moeten worden afgewacht. Mocht het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordelen dat de snelheidsmeting onbetrouwbaar is geweest vanwege een te grote boogstraal, dan zal het OM bekijken wat die uitspraak betekent voor de lopende zaken en de eerder opgelegde boetes. Als besloten wordt boetes terug te betalen dan is het niet nodig dat burgers hiervoor zelf een procedure starten.
Deelt u de mening dat voor lichte vergrijpen, zoals met 1 t/m 5 km te hard rijden de boetes omlaag kunnen en voor zwaardere vergrijpen de boetes omhoog? Bent u bereid een voorstel hiervoor naar de Kamer te sturen? Op welke termijn kan de Kamer een dergelijk voorstel ontvangen?
In het regeerakkoord is opgenomen dat het boetesysteem wordt gewijzigd. Ik zal uw Kamer hier in het najaar over informeren. Ik zal het bovenstaande hierin mee nemen.
Bent u bereid voor de wegen met 130 km per uur weer een normale marge of ondergrens in te voeren voordat er een boete wordt uitgedeeld? Deelt u de mening dat het veel logischer zou zijn, aangezien dat bij andere snelheden wel het geval is?
Tijdens het Algemeen Overleg maximumsnelheden hoofdwegennet van
9 maart 2011 heeft een meerderheid van de Kamer duidelijk gemaakt graag kleinere flitsmarges te willen op 130 km/h wegen. De ondergrens van vervolging – de marge die het OM hanteert bij snelheidsovertredingen – is derhalve bij de maximumsnelheid van 130 km/h per 1 januari 2012 afgeschaft. In de praktijk betekent dit dat er vanaf dat moment een boete volgt vanaf een gemeten snelheid van 136 km/h.
Bij de overige maximumsnelheden is de ondergrens blijven bestaan. Aangezien de maximumsnelheid van 130 km/h de bovengrens vormt van het snelhedengebouw werd het voor de verkeersveiligheid verdedigbaar geacht om de ondergrens bij deze maximumsnelheid af te schaffen. Ik zie geen reden om dit besluit nu terug te draaien.
Wat vindt u van de uitspraken van de Nederlandse Politiebond dat het aantal kleine snelheidsovertredingen absurd hoog ligt? Deelt u de mening dat staandehoudingen en de aanpak van hufterig gedrag meer effect heeft dan een boete voor maximaal vijf km te hard?
Het aantal kleine snelheidsovertredingen ligt inderdaad hoog, maar verkeersveilig rijden dient voor iedere verkeersdeelnemer de norm te zijn. Te snel rijden past daar niet bij. Een te hoge snelheid vergroot de kans op verkeersongevallen en de kans op een ernstige afloop daarvan. Een kleine snelheidsovertreding lijkt onschuldig, maar kan ernstige gevolgen hebben. Ik acht het dan ook van belang dat er ook op kleine snelheidsovertredingen wordt gehandhaafd.
Voor een effectieve verkeershandhaving moet de gepercipieerde pakkans zo hoog mogelijk zijn. De pakkans wordt bepaald door de inzet van de politie en de verschillende handhavingsmiddelen, zoals flitspalen en trajectcontrolesystemen, gezamenlijk. Bij de handhaving door middel van digitale handhavingsmiddelen worden veel weggebruikers gecontroleerd, terwijl er geen tot nauwelijks inzet van de politie voor nodig is. Hierdoor blijft er bij de politie meer capaciteit over om (ook) op de overige feiten te richten. Ik ben van mening dat juist deze mix van enerzijds handhaving door de politie en anderzijds handhaving door middel van digitale handhavingsmiddelen bijdraagt aan de verkeersveiligheid.
De voortdurende onduidelijkheid voor examenleerlingen van het VMBO Maastricht |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «De chaos op het VMBO Maastricht blijft voortduren»1?
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de huidige manier van communiceren van de school richting ouders en leerlingen? Kunt u de in dit artikel geuite ontevredenheid hierover begrijpen? Zo ja, wat moet er volgens u beter? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat deze situatie bij leerlingen en ouders de afgelopen weken onduidelijkheid en onvrede heeft opgeroepen. Met de brief die de school in de week van 23 juli naar de leerlingen heeft gestuurd, hebben zij een totaalbeeld gekregen van hoe zij er per vak voor staan, en wat zij nog moeten inhalen. Ik ben blij dat de school voor nog resterende vragen op basis van deze brief een helpdesk heeft ingericht. Ik heb van de school begrepen dat deze hulplijn goed heeft gewerkt en vragen van ouders en leerlingen snel en adequaat zijn beantwoord.
Klopt het dat de school enkel per e-mail bereikbaar is voor vragen van leerlingen en ouders? Hoe verhoudt dit zich tot de ingestelde helpdesk?
Dit klopt niet. De school heeft aangegeven dat leerlingen en ouders bij specifieke vragen over het nieuwe cijferbeeld de school kunnen e-mailen. De school belde vervolgens de leerlingen terug met de relevante gegevens bij de hand. Iedere e-mail is zeker dezelfde dag, bijna steeds binnen een half uur en in veel gevallen zelfs binnen vijf minuten beantwoord, doordat ouders en leerlingen werden terug gebeld. Er zijn in die week 70 vragen beantwoord.
Deelt u de mening dat omwille van de tijd, nog amper een maand tot het nieuwe schooljaar, de school alles in het werk moet stellen vragen zo snel mogelijk te beantwoorden? Zo ja, bent u bereid de school hier per direct (nogmaals) toe aan te sporen? Zo nee, waarom niet?
Net als u hecht ik sterk aan een duidelijke communicatie richting ouders en leerlingen. Hierover heb ik, en bij mijn afwezigheid mijn collega van Engelshoven, de afgelopen weken veelvuldig contact gehad met de school. Zoals in het antwoord hierboven aangegeven beantwoordt de school de vragen van de ouders en leerlingen zo snel en goed mogelijk. Ik zal bij de school waar nodig blijven aandringen op goede en snelle communicatie met ouders en leerlingen.
Herkent u het beeld dat sommige leerlingen voortdurende onduidelijkheid ervaren over de lesstof die zij voor (inhaal)toetsen, bijvoorbeeld bij het vak economie, moeten leren? Zo ja, wat gaat u eraan doen deze duidelijkheid zo snel mogelijk te geven? Zo nee, waarom niet?
Ik herken het beeld dat er de afgelopen tijd bij een aantal leerlingen en ouders onduidelijkheid ervaren is over wat zij moeten inhalen. Omdat dit specifieke vragen van individuele leerlingen betreft ligt de verantwoordelijkheid voor de beantwoording hiervan bij de school. De school heeft mij verzekerd dat aan ouders en leerlingen duidelijk is gemaakt welke inhaaltoetsen moeten worden gemaakt en welke lesstof daarbij hoort. Dit is zowel in persoonlijke mails als via berichten op de website gecommuniceerd. Zoals ik in mijn antwoord hierboven heb aangegeven vertrouw ik er verder op dat door de helpdesk van de school de eventueel nog bestaande vragen zo snel en volledig als mogelijk zijn beantwoord.
Klopt het dat de in het artikel aangehaalde zomerschool voor het vak Frans meermaals niet doorging? Zo ja, hoe verklaart u dit?
De school heeft mij laten weten dat één leerling inderdaad tevergeefs naar school is gekomen voor lessen Frans op de zomerschool. De desbetreffende docent was zonder overleg vertrokken, nadat andere leerlingen niet waren verschenen voor de voorafgaande lessen. De school heeft bij navraag laten weten dat de docent, vanwege verdrietige privéomstandigheden, later niet meer beschikbaar was. De school heeft op die korte termijn geen vervanging kunnen vinden. De leerling heeft in de tweede periode van de zomerschool (13–17 augustus) opnieuw de kans gekregen om de lessen Frans te volgen en heeft daar ook gebruik van gemaakt.
De uitzonderlijke droogte en de gevolgen voor de landbouw |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Hittestress rechtvaardigt versoepeling van regels» en «LTO met aardappelindustrie om tafel»?1 2
Ja.
Deelt u de mening dat we niet meer kunnen spreken van een «normale» droogte maar dat we in een uitzonderlijke situatie zijn beland? Zo nee, waarom niet?
Het KNMI geeft aan dat de gemeten neerslagtekorten in Nederland hoger zijn dan de tot dit jaar gemeten hoogste waarden van de zomer van 1976. Daarmee kunnen we spreken over een uitzonderlijke situatie.
Deelt u de mening dat deze uitzonderlijke droogte en de weersvoorspellingen voor de komende weken invloed hebben op de werkzaamheden die volgens de regels voor een bepaalde datum moeten plaatsvinden, zoals het uitrijden van mest, het scheuren van grasland, het voldoen aan vergroeningsmaatregelen en andere activiteiten? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat de droogte en weersomstandigheden invloed hebben op de momenten waarop boeren en tuinders werkzaamheden op het land verrichten, ook op de genoemde werkzaamheden. Aangezien zowel de situatie per sector en per regio erg kan verschillen en sprake is van verschillende soorten regels, wordt dit per geval bezien. Gelet op de situatie bekijk ik welwillend en met voorrang of eventuele belemmeringen met het voldoen aan regelgeving, die in de praktijk worden geconstateerd, kunnen worden weggenomen. Dit is ook aangegeven in de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van donderdag 2 augustus jl. (Kamerstuk 27 625, nr. 450).
Deelt u de mening dat het vasthouden aan bestaande regels in deze uitzonderlijke situatie in schril contrast staat met een goede landbouwpraktijk, waar boeren willen en moeten kunnen anticiperen op de weersomstandigheden?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om in deze uitzonderlijke situatie de periode voor het uitrijden van mest met minimaal een maand te verlengen en dit voornemen zo spoedig mogelijk met de sector te delen?
Ik heb de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) advies gevraagd of een verlengde uitrijdperiode op grasland effectief is. Voor bouwland is mijn inzet om de uitrijdperiode conform het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn al in 2018 tot 15 september te laten lopen.
Ziet u het belang van een spoedig besluit, zodat boeren kunnen anticiperen op dit besluit en nu niet onnodig en onder slechte omstandigheden aan het werk gaan om te kunnen voldoen aan de momenteel geldende regels?
Ik zet mij ervoor in om zo snel mogelijk duidelijkheid te geven aan ondernemers met besluiten die voldoende onderbouwd zijn.
Deelt u de mening dat een goede landbouwpraktijk nu vraagt om meer ruimte en versoepeling van de regels en dat dit niet kan wachten tot een of twee weken voor de daadwerkelijke deadline? Ziet u het risico dat wanneer uitsluitsel te lang op zich laat wachten, de goede landbouwpraktijk het zal afleggen tegen de gestelde voorwaarden en deadlines? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u een toelichting geven op de versoepeling van regels die de Europese Commissie aan een aantal lidstaten heeft verleend? Welke maatregelen betreft het? Welke lidstaten hebben deze versoepeling aangevraagd? Wat zijn de verschillen qua weers- en bodemomstandigheden ten opzichte van Nederland en waarom heeft Nederland deze versoepeling nog niet aangevraagd?
Het gaat om het mogen laten begrazen van braakliggend land om zo een tekort aan veevoeder tegen te gaan. Deze derogatie is aangevraagd door Denemarken, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Portugal, Zweden en Finland. Nederland heeft hiervan geen gebruik gemaakt, omdat in ons land nagenoeg geen sprake is van braakliggend land. Deze versoepeling van de vergroeningsregels van het GLB biedt dan ook voor Nederland geen soelaas.
Bent u bereid om bij de Europese Commissie een versoepeling te vragen van de regels rond het scheuren van grasland in het kader van de derogatie? Zo nee, waarom niet?
Ik ben met de Europese Commissie in overleg over een dergelijke versoepeling.
Bent u bereid om in de huidige uitzonderlijke situatie een ontheffing aan de Europese Commissie te vragen in het kader van de ecologische focusgebieden en de vergroeningsmaatregelen? Zo nee, waarom niet?
Op 31 juli jl. heb ik een verzoek aan de Europese Commissie gericht om voor de landbouwers een vrijstelling te krijgen op de vergroeningseisen met betrekking tot vanggewassen in het kader van het GLB. In het verzoek aan de Europese Commissie is het dreigende tekort aan veevoeder ook expliciet als punt meegenomen.
Deelt u de mening dat er in de komende periode gezocht moet worden naar mogelijkheden voor voldoende ruwvoerwinning voor de veehouderij, nu we te maken hebben met deze uitzonderlijke droogte? Ziet u ruimte in het benutten van de ecologische focusgebieden dan wel het anders inzetten van de vergroeningsmaatregelen als mogelijkheid, wat ook heel goed te verantwoorden is in het zoeken naar ruwvoer dichtbij huis? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid om deze vragen zo snel mogelijk te beantwoorden en de gewenste duidelijkheid zo snel mogelijk aan de sector te communiceren?
Ja.
Het bericht ‘Voeding krijgt plek in opleiding geneeskunde Amsterdam’ |
|
Léonie Sazias (50PLUS), Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voeding krijgt plek in opleiding geneeskunde Amsterdam»?1
Ja.
Wat is uw visie op de rol van voeding binnen de gezondheidszorg?
Het belang van de rol van voeding binnen de gezondheidszorg staat voor mij buiten kijf. Voeding is een van de belangrijke leefstijlfactoren die invloed hebben op het risico op het ontstaan van met name chronische ziekten. Terecht neemt daarom de aandacht voor de rol van voeding in de gezondheidszorg toe. De afspraak in het regeerakkoord om te bevorderen dat bewezen effectieve interventies, onder andere op het gebied van voeding, een plek krijgen in medische opleidingen en richtlijnen, sluit hierbij aan.
Ik wijs ook op de bekende «Schijf van Vijf». De Schijf van Vijf is gebaseerd op de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad en richt zich op het voorkomen van (chronische) ziekten via voeding. Op verzoek van VWS heeft ZonMw de kennissynthese «Voeding als behandeling van chronische ziekten» opgesteld. De conclusie van deze kennissynthese is dat voeding een prominentere plaats bij de behandeling van chronische ziekten verdient en in belangrijke mate kan bijdragen aan gezondheidswinst. De grootste gezondheidswinst is te behalen bij de behandeling van cardio-metabole aandoeningen (cardiovasculaire ziekten, diabetes mellitus type 2 en nierziekten) en van diverse darmaandoeningen. Voedingsmaatregelen leiden vaak tot algemene, ziekteoverstijgende gezondheidseffecten en vormen hierdoor een belangrijke therapeutische optie wanneer er sprake is van multimorbiditeit.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de juiste voeding een grote bijdrage levert aan het voorkomen van aandoeningen, een beter herstel en/of verbetering van de levenskwaliteit? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het bericht dat uit een onderzoek blijkt dat studenten geneeskunde tijdens hun zesjarig curriculum gemiddeld nog geen 30 uur voedingsonderwijs krijgen? Vindt u dit in verhouding staan met de invloed van voeding op de gezondheid? Kunt u uw antwoord toelichten?
De eindkwalificaties van de Nederlandse geneeskunde-opleidingen zijn vastgelegd in het Raamplan Artsopleiding 2009 (het Raamplan), dat omschrijft aan welke eisen een beginnend arts minimaal moet voldoen. Het Raamplan geeft een duidelijke beschrijving van de academische en professionele doestellingen van de opleidingen geneeskunde. Het Raamplan wordt opgesteld door de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU). De eindtermen uit het Raamplan worden door de individuele medische faculteiten vertaald in het curriculum van de geneeskunde-opleidingen. De Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) ziet erop toe dat de opleidingen geneeskunde aan de eisen van het Raamplan voldoen. In het raamplan wordt onder preventie «voeding» en onder voedingsgerelateerde ziekten «voeding en gezondheid» genoemd. De geneeskunde-opleidingen voldoen daarmee aan de eisen die op dit punt worden gesteld. Opleidingen werken voortdurend aan het up-to-date houden van hun curriculum. Ik kan mij, gezien de toenemende aandacht voor het belang van voeding in de gezondheidszorg, voorstellen dat in de curricula van de verschillende geneeskunde-opleidingen (en andere zorgopleidingen) voeding en leefstijl een prominentere rol krijgen. Gelet op de in Nederland geldende vrijheid van onderwijs, kan de overheid echter niet voorschrijven wat in de curricula wordt opgenomen.
Daarnaast is het van belang dat artsen op de hoogte zijn van de verschillende verwijsmogelijkheden op het gebied van voeding en leefstijl zodat de patiënt zo nodig specialistische hulp krijgt. Dat kan bijvoorbeeld zijn van een diëtist en vanaf 1 januari 2019 ook de Gecombineerde Leefstijlinterventie (GLI), zoals aangekondigd in mijn brief van 1 juni jl. over het basispakket Zvw 2019.2
Deelt u de mening dat voeding als keuzevak een begin is, maar eigenlijk een vastomlijnd, substantieel deel van zorgopleidingen zou moeten uitmaken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat artsen moeten beschikken over een brede basiskennis inzake voeding om hun adviesrol goed en compleet in te kunnen vullen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid in nader overleg te gaan met betrokken partijen en bij hen aan te dringen op een prominentere, vastomlijnde plek voor voeding in deze opleiding?
Ik ben al in overleg met de betrokken partijen. In het hoofdlijnenakkoord medisch specialistische zorg dat ik eerder dit jaar met de sector heb gesloten, is namelijk afgesproken dat de beroepsgroepen zich inspannen om preventie (waaronder voeding en leefstijl) te verankeren in de medisch-specialistische en verpleegkundige (vervolg)opleidingen en in het reguliere werkproces.
Staatssecretaris Blokhuis is in het kader van het Nationaal Preventieakkoord in overleg met partijen of en op welke wijze voeding beter geborgd kan worden in zorg en welzijn.
Ook zal VWS betrokken zijn bij de herziening van het Raamplan, die naar verwachting in 2019 van start gaat. Dit biedt de gelegenheid om aandacht te vragen voor het opnemen van bewezen effectieve interventies op onder meer het gebied van voeding, in de geneeskunde-opleiding.
Het bericht dat de NPO gaat experimenteren met nasynchronisatie van buitenlandse series |
|
Joost Sneller (D66), Paul van Meenen (D66) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «NPO gaat experimenteren met nasynchronisatie»1 en «Nasynchronisatie: niet aan beginnen, zeggen taalexperts»?2
Ja.
Wat is uw betrokkenheid geweest bij de totstandkoming van dit experiment?
Ik ben niet betrokken bij dit experiment.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) gaat experimenteren met het nasynchroniseren van een Duitse serie?
De publieke omroep is onafhankelijk in de uitvoering van de publieke mediaopdracht en besluit zelf over vorm en inhoud van de programma’s. Volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Mediawet 2008 is onderdeel van de publieke mediaopdracht het stimuleren van innovatie ten aanzien van media-aanbod, het volgen en stimuleren van technologische ontwikkelingen en het benutten van de mogelijkheden om media-aanbod aan het publiek aan te bieden via nieuwe media- en verspreidingstechnieken. Overigens is nasynchronisatie bij de Nederlands publieke omroep niet helemaal nieuw. Er zijn kinderprogramma’s die al nagesynchroniseerd worden.
Klopt het dat de NPO van plan is meer buitenlandse series te voorzien van nasynchronisatie? Kunt u toelichten wat de omvang van deze experimenten zal zijn?
Met het experiment wil de NPO kijken hoe het publiek reageert en of een publiek bereikt kan worden dat vanwege gebrekkige taalbeheersing niet zo snel buitenlandse series kijkt die ondertiteld zijn. Afhankelijk van de uitkomsten van het experiment besluit de NPO of meer series worden nagesynchroniseerd. Zie ook mijn antwoord bij vraag 5 en 8.
Kunt u toelichten wat de meerwaarde van nasynchronisatie van series in andere talen zou zijn?
Er zijn in Nederland 1,9 miljoen mensen van 16 jaar en ouder die onvoldoende taalvaardigheid hebben. Deze groep kan daarom moeite hebben met het volgen van ondertiteling. Met dit experiment wil de NPO onderzoeken hoe groot de groep is die het soms lastig vindt om ondertiteling te volgen bij buitenlandse series en of nasynchronisatie voor die groep wellicht een oplossing biedt. Aan de hand van een Nederlands ingesproken versie van de serie Bad Banks wil de NPO bekijken of zo een ander publiek bereikt kan worden. Als het experiment aanslaat, wil de NPO in de toekomst vaker kiezen voor een nagesynchroniseerde versie, naast uitzending van de oorspronkelijke versie.
Wat is uw reactie op de kritiek van taal- en onderwijsdeskundigen op de experimenten, die stellen dat nasynchronisatie een negatief effect kan hebben op begrip van onbekende talen en haaks staat op de huidige ontwikkelingen in het onderwijs, waar kinderen juist zoveel mogelijk in aanraking gebracht worden met de te leren taal? In hoeverre bent u het eens met de stelling dat nasynchronisatie niet bijdraagt aan de kennis van buurtalen Frans en Duits?
De NPO biedt zowel de nagesynchroniseerde als de oorspronkelijke versie aan. De Nederlands ingesproken versie is te zien op NPO 1. Wie toch liever het ondertitelde origineel wil zien, kan terecht op het digitale kanaal NPO 1 Extra. Via de on-demand-dienst NPO Start worden beide varianten aangeboden. Hierdoor zie ik niet direct een nadeel in de zin van taalverarming bij buitenlandse talen.
In Europa worden in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Liechtenstein, Italië, Frankrijk, Spanje, Tsjechië en Hongarije programma’s volledig nagesynchroniseerd. In onder meer Portugal, Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Noorwegen, Zweden, Finland, IJsland, Bulgarije worden vooral kinderprogramma’s nagesynchroniseerd. Ook in Nederland bij de NPO is dit laatste het geval. Voor de voor- en nadelen van ondertiteling en nasynchronisatie verwijs ik naar een artikel van Cees Koolstra, Allerd Peeters en Herman Spinhof, «Argumenten voor en tegen ondertitelen en nasynchroniseren van televisieprogramma's», in het Tijdschrift voor Taalbeheersing, 23e jaargang, nr. 2, p. 84 e.v. Wat betreft taalontwikkeling stellen zij het volgende:
Welke effecten op het aanleren van andere talen zijn u bekend uit landen waar nasynchronisatie op grotere schaal wordt toegepast?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u nader uitleggen op basis van welke methode(s) en criteria dit experiment zal worden geëvalueerd, en wat uw betrokkenheid bij die evaluatie en de beslissing over een eventueel vervolg zal zijn?
De NPO wil ten eerste in algemene zin weten hoe groot de groep is die het soms lastig vindt om ondertiteling te volgen bij buitenlandse series. Ten tweede zal worden onderzocht of nasynchronisatie voor hen een passende oplossing biedt. Ten derde zal de NPO, in de context van Bad Banks, nagaan of er überhaupt behoefte is aan nasynchronisatie onder Nederlanders van 13 jaar en ouder. Onder de kijkers van Bad Banks zal aanvullend worden bekeken met welk kijkmotief zij de serie hebben gevolgd en hoe zij de nasynchronisatie ervaren hebben. Het experiment bevat bovendien een doelgroepanalyse en een vergelijking tussen lineair en online kijkgedrag.
Ik ben niet betrokken bij de evaluatie en beslissingen over een eventueel vervolg. Het experiment behoort tot de programma-autonomie van de NPO.
De herleidbare vermelding van het persoonlijke burgerservicenummer (BSN) op de voorzijde van het paspoort. |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat het persoonlijke burgerservicenummer (BSN) nog steeds op paspoorten van na 2014 zichtbaar en herleidbaar is in de verzameling gegevens onderaan de kunststof kaart (houderpagina) in het paspoort?
Ja, daarvan ben ik op de hoogte.
Deelt u de mening dat dit nog altijd het risico van identiteitsfraude met zich meebrengt, net zoals bij de vermelding van het BSN in het btw-identificatienummer, en dat de rijksoverheid identiteitsfraude zoveel mogelijk zou moeten voorkomen?
Identiteitsbewijzen bestaan uit een verzameling van persoonsgegevens. De gezamenlijke weergave van die persoonsgegevens draagt van zichzelf een risico op identiteitsfraude met zich mee. Dat geldt ook voor de vermelding van het BSN op het paspoort. Uit meldingen over identiteitsfraude blijkt dat het risico vooral ligt in het combineren van persoonsgegevens (zoals het BSN en naam) met persoonsgegevens uit andere bronnen (zoals bankgegevens); een BSN alleen geeft geen recht op voorzieningen. Ik deel uw mening dat de rijksoverheid zoveel mogelijk moet doen om identiteitsfraude te voorkomen, daar zijn dan ook maatregelen voor genomen.
Geeft u, door het aanbieden van tips tegen identiteitsfraude op de website van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het uitbrengen van een app waarmee digitaal het BSN op de voorzijde van het paspoort kan worden afgeschermd bij het maken van een kopie, al niet aan dat het huidige paspoort op dit punt te wensen overlaat?
Ook ik heb eerder geconstateerd dat de plaatsing van het BSN op de voorzijde van de houderpagina van het paspoort wellicht anders kan. De huidige plaatsing leidt tot extra handelingen voor de burger; die moet nu steeds het BSN doorstrepen wanneer een kopie van het paspoort moet worden ingeleverd bij een instantie die het BSN niet mag verwerken. Daarom heb ik in de afgelopen periode onderzocht welke oplossingen er zijn om het BSN op de achterzijde van de houderpagina van het paspoort automatisch uitleesbaar te maken en weg te halen uit de machine leesbare strook (MRZ) op de voorzijde van de houderpagina. Gebleken is dat het technisch mogelijk is om het BSN uit de MRZ te halen en automatisch uitleesbaar te maken op de achterzijde van het paspoort. Een dergelijke aanpassing voldoet aan internationaal geldende afspraken die per document gelden. Zie ook antwoord op vraag 4.
De plaatsing van het BSN is echter van belang voor veel instanties die het BSN mogen verwerken en daarom automatisch uitlezen. Het weghalen van het BSN uit de machine leesbare zone heeft grote implicaties voor operationele processen bij deze instanties wanneer er geen alternatief beschikbaar is. Ik ben dan ook al in gesprek met de betrokken instanties over de termijn waarop zij hun processen zodanig kunnen hebben aangepast dat zij ook het BSN geautomatiseerd kunnen uitlezen als dat op de achterzijde van de houderpagina staat vermeld.
Wat zijn de redenen dat het wel mogelijk is gebleken om op identiteitskaarten en op het rijbewijs de gegevens met daarin een herleidbaar BSN uitsluitend op de achterkant te plaatsen en bij het paspoort niet?
Om fouten bij het registreren van het BSN te voorkomen is het BSN opgenomen in de MRZ van identiteitskaarten en paspoorten; het BSN kan daardoor geautomatiseerd verwerkt worden. De plaatsing van de MRZ is gebonden aan internationale afspraken die per document anders zijn. Voor het paspoort gelden afspraken die vastgelegd zijn door de Internationale burgerluchtvaartorganisatie (ICAO). Die afspraken schrijven voor dat de MRZ op de voorzijde van de houderpagina van het paspoort staat, maar verplichten niet de opname van het BSN in de MRZ. Op een identiteitskaart staat de MRZ op de achterkant; bij het rijbewijs ontbreekt het BSN in de MRZ.
Verschillende controlerende instanties (zoals de Politie) hebben hun systemen en processen erop ingericht dat zij het BSN uit de MRZ kunnen uitlezen. Zolang er geen alternatief beschikbaar is, kan het BSN niet uit de MRZ van paspoorten. Het automatisch uitlezen verdient de voorkeur boven handmatig overnemen omdat dit snel en foutloos gebeurt. Daarom is het BSN op paspoorten nu nog steeds zichtbaar op de voorzijde van de houderpagina1.
Bent u bereid bij de eerstvolgende herziening van het paspoort, of zoveel eerder als mogelijk, alle naar een persoonlijk BSN herleidbare gegevens van de voorzijde van het paspoort te verwijderen?
Ja, ik ben voornemens het BSN uit de MRZ te halen en automatisch uitleesbaar te maken op de achterzijde van de houderpagina van paspoorten en identiteitskaarten. Hierdoor is het BSN niet meer aanwezig en kopieerbaar op de voorzijde van de houderpagina van het paspoort. Zoals ik beschreef bij vraag 3 vraagt dit om aanpassing van processen bij instanties die het BSN mogen verwerken. Met die instanties ben ik in gesprek om te bepalen wanneer zij er klaar voor zijn om het BSN op deze wijze te verwerken. Zodra ik meer weet over deze termijn informeer ik uw Kamer daarover.
De aantallen dieren die onbedwelmd worden geslacht |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u het aantal onbedwelmd aangesneden dieren uit het eerste kwartaal van 20181 uitsplitsen naar het aantal dieren dat direct na het aansnijden een bedwelming kreeg, het aantal dieren dat kort voor het verstrijken van de 40 seconden een bedwelming kreeg en het aantal dieren dat geen bedwelming kreeg omdat ze binnen 40 seconden na het aansnijden het bewustzijn hadden verloren? Kunt u bij deze drie categorieën onderscheid maken tussen de verschillende diersoorten?
Nee, ik kan deze nadere uitsplitsing niet maken. De NVWA houdt hier geen registratie van bij.
Kunt u uiteenzetten hoeveel slachterijen direct bedwelming toepassen bij het aansnijden, hoeveel slachterijen kort na het aansnijden bedwelming toepassen, hoeveel slachterijen alle dieren kort voor het verstrijken van de 40 seconden alsnog bedwelmen en hoeveel slachterijen alleen de dieren bedwelmen die kort voor het verstrijken van de 40 seconden nog tekenen van bewustzijn vertonen? Kunt u bij deze vier categorieën onderscheid maken tussen slachterijen die dieren slachten voor de halal of koosjere markt?
Nee, ik kan deze nadere uitsplitsing niet maken.
Bekend is wel dat ingeval onbedwelmd geslacht wordt ten behoeve van joods rituele slacht (koosjer) altijd gewacht wordt met het geven van een eventuele bedwelming tot kort voor het verstrijken van 40 seconden na aansnijden. In het geval van islamitisch rituele slacht (halal) kan dit variëren naar gelang de wensen van de afnemer/halal-certificerende instelling en het slachthuis.
Klopt het dat het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK) heeft bevestigd dat dieren die (alsnog) een bedwelming krijgen na het aansnijden niet om die reden worden afgekeurd voor afzet als koosjer vlees?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord in mijn brief van 28 juni jongstleden (Kamerstuk 31 571, nr. 32).
Hoeveel dieren zijn sinds 1 januari 2018 onbedwelmd aangesneden in de koosjere slacht en vervolgens afgekeurd voor afzet als koosjer vlees? Wat zijn hiervoor de redenen geweest? Wat is er vervolgens met het vlees van deze dieren gebeurd?
Hoeveel en op welke gronden onbedwelmd aangesneden dieren ten behoeve van koosjere slacht afgekeurd worden als koosjerwaardig is mij niet bekend. Hierop houdt de NVWA geen toezicht. Zoals ik schreef in mijn brief van 28 juni jongstleden is mij vanuit de slachterijen verzekerd dat vlees afkomstig van als koosjer onbedwelmd aangesneden dieren dat niet als koosjer afgezet wordt, als halal afgezet kan worden. Ik heb er geen zicht op of dit ook daadwerkelijk als halal afgezet wordt.
Kunt u bevestigen dat wanneer een dier onbedwelmd wordt aangesneden, maar waarvan het vlees vervolgens wordt afgekeurd voor afzet op de koosjere markt, er een nieuw dier onbedwelmd wordt aangesneden om te voorzien in de vraag naar koosjer vlees? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Nee, dat kan ik niet bevestigen. De NVWA houdt uitsluitend toezicht op de onbedwelmde slacht en niet op de criteria die organisaties, die de koosjer- dan wel halalwaardigheid beoordelen, hanteren.
Hoeveel dieren zijn sinds 1 januari 2018 onbedwelmd aangesneden in de halal slacht en vervolgens afgekeurd voor afzet als halal vlees? Wat zijn hiervoor de redenen geweest? Wat is er vervolgens met het vlees van deze dieren gebeurd?
De aantallen onbedwelmd aangesneden dieren, zoals gerapporteerd in mijn brief van 28 juni jongstleden, betreft het totale aantal voor joods én islamitisch rituele slacht. Het toezicht van en de registratie door de NVWA maakt geen onderscheid voor welke ritus dit geschiedt. Het is mij niet bekend of, en zo ja op welke gronden onbedwelmd aangesneden dieren ten behoeve van halalslacht afgekeurd zijn voor afzet als halalvlees.
Kunt u bevestigen dat wanneer een dier onbewelmd wordt aangesneden, maar waarvan het vlees vervolgens wordt afgekeurd voor afzet als halal vlees, er een nieuw dier onbedwelmd wordt aangesneden om te voorzien in de vraag naar halal vlees? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Is het waar dat slachterijen u hebben verzekerd dat wanneer een dier als koosjer wordt aangesneden, maar het vlees vervolgens wordt afgekeurd voor afzet op de koosjere markt, het vlees wel als halal vlees wordt geaccepteerd door de islamitische gemeenschap? Is het tevens waar dat er geen toezicht wordt gehouden op deze afzetstromen door de NVWA of een andere instantie? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord in mijn brief van 28 juni jongstleden.
Wordt afgekeurd koosjer vlees dat vervolgens als halal wordt afgezet als zodanig geëtiketteerd? Zo ja, wie draagt daar zorg voor en hoe vindt de controle daarop plaats?
Het is mij niet bekend óf, en zo ja hoe vlees dat niet als koosjerwaardig wordt beschouwd, als halalwaardig wordt geëtiketteerd. Er is geen wettelijke verplichting tot etikettering; een eventuele etikettering is een private aangelegenheid.
Kunt u bevestigen dat standaard niet alle onderdelen van onbedwelmd aangesneden dieren in de koosjere slacht ook daadwerkelijk als koosjer kunnen worden aangemerkt, en dat de andere onderdelen in reguliere (of halal-)kanalen worden afgezet? Zo ja, kunt u duidelijk maken hoeveel van het hier bedoelde vlees in Nederland buiten de koosjere kanalen wordt verkocht? Kunt u bevestigen dat dit vlees niet als zodanig is geëtiketteerd waardoor consumenten die vlees kopen mogelijk producten kopen die afkomstig zijn van onbedwelmd geslachte dieren uit de koosjere slacht, zonder dat te weten?
Hiervoor verwijs ik naar hetgeen Staatssecretaris Van Dam hierover geschreven heeft in zijn brief d.d. 9 juni 2017 (Kamerstuk 31 571, nr. 29). «Circa 65% van de runderen wordt, na volgens de shechita te zijn aangesneden, op basis van de beoordeling van interne organen tóch als niet-koosjer beoordeeld door de joods-religieuze autoriteit. Daarnaast wordt de «achterhand» van karkassen altijd als niet-koosjer beschouwd. De VSV heeft mij laten weten dat ook het vlees afkomstig van deze dieren, en deze karkasdelen, een bestemming als onbedwelmd aangesneden halal kan krijgen.»
Erkent u dat u er, als er überhaupt geen toezicht plaatsvindt op de afzet van vlees van onbedwelmde slacht en etikettering ontbreekt, voor zorgt dat vlees van onbedwelmd geslachte dieren, afkomstig uit ofwel de koosjere slacht ofwel de halal slacht, als regulier vlees aan nietsvermoedende consumenten wordt verkocht? Zo nee, kunt u uitsluiten dat dit gebeurt?
Het is niet uitgesloten dat vlees, afkomstig van onbedwelmd aangesneden dieren, niet als herkenbaar «halal» of «koosjer» verkocht wordt.
Wat is volgens u de onderliggende verklaring voor het afgenomen aantal onbedwelmde slachtingen sinds 1 januari 2018?
Er zijn geen gegevens bekend die het afgenomen aantal onbedwelmde slachtingen sinds 1 januari 2018 in vergelijking met 2017 verklaren.
Welke tekortkomingen, zoals door u worden genoemd in uw brief van 28 juni jongstleden, zijn er sinds 1 januari 2018 geconstateerd bij de onbedwelmde slacht?
Zoals genoemd in mijn brief van 28 juni 2018 betreffen de geconstateerde tekortkomingen veelal een niet correct uitgevoerde fixatie van het dier bij het onbedwelmd aansnijden. Daarnaast is geconstateerd dat de fixatie opgeheven werd vóór het intreden van bewusteloosheid werd vastgesteld, of dat geen controle op bewustzijnsverlies werd uitgevoerd. Ook is geconstateerd dat de halssnede niet correct in één vloeiende beweging werd uitgevoerd. In totaal zijn in het eerste kwartaal 80 overtredingen geconstateerd, waarop 41 keer aanwijzingen voor corrigerende maatregelen zijn gegeven en 3 rapporten van bevindingen zijn aangezegd. In het tweede kwartaal is de uitvoering al verbeterd; in het tweede kwartaal zijn 21 overtredingen geconstateerd, resulterend in 15 aanwijzingen voor corrigerende maatregelen, en zijn geen rapporten van bevindingen aangezegd.
Hoeveel en welke overtredingen zijn er geconstateerd sinds 1 januari 2018? Welke maatregelen zijn hierop genomen?
Zie antwoord vraag 13.
De bescherming van dieren tegen de hitte |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat veel van de maatregelen uit het Nationaal Hitteplan van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), zoals voldoende drinken, het opzoeken van de schaduw en het koel houden van de leefomgeving niet alleen voor mensen, maar ook voor dieren moeten gelden? Zo nee, kunt u dit toelichten?1
Vanzelfsprekend moeten ook voor dieren de nodige maatregelen worden genomen. De houder heeft de verplichting de dieren de nodige bescherming te bieden, ook bij bijzondere weeromstandigheden. Daarnaast heeft de houder de verplichting om voor goede ventilatie te zorgen bij dieren die in een stal verblijven, zoals vastgelegd in artikel 2.5 van het Besluit houders van dieren.
Kunt u helder uiteenzetten welke mogelijkheden de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft om op te treden en maatregelen te treffen wanneer zij dieren aantreffen die lijden door hittestress? Wat zijn de ervaringen van de inspecteurs met de wettelijke mogelijkheden, kunnen zij daadwerkelijk handhaven of betreft het open normen die het in de praktijk lastig maken om op te treden?
Als de NVWA bij inspecties welzijnsovertredingen aantreft in verband met onnodig lijden door hittestress, kan ze krachtens de Wet Dieren passende herstelmaatregelen opleggen. Bijvoorbeeld het laten bieden van beschutting of de dieren langs de kortst mogelijke weg laten verplaatsen naar een plek waar zij beschermd zijn tegen extreme weersomstandigheden, zoals hitte. Daarnaast kan de NVWA bestuursrechtelijke of strafrechtelijke sancties opleggen als de houder en/of de vervoerder in gebreke is gebleven.
Open normen in de regelgeving bieden de houder en/of vervoerder van de dieren ruimte voor flexibele maar onderbouwde invulling. Op grond van wetenschappelijke inzichten en feitelijke waarnemingen handhaven de inspecteurs van de NVWA deze open normen. Ter ondersteuning kunnen zij hun waarnemingen vastleggen op foto of video. Indien nodig kunnen inspecteurs advies van een dierenarts inwinnen.
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar door de NVWA gecontroleerd op hittestress en wat waren de bevindingen van die controles? Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk handhavend opgetreden tegen hittestress, op welke gronden is dat gebeurd en waar bestond de sanctie uit?
Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal controles in de afgelopen 5 jaar bij extreme warme weersomstandigheden. Zoals aangegeven moeten houders bescherming bieden tegen extreme weersomstandigheden en, als de dieren in een stal verblijven, voor goede ventilatie zorgen.
In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de maatregelen in relatie tot handhaving op onnodig lijden door extreme warme omstandigheden op veehouderijbedrijven en tijdens transporten. Deze controles kunnen ook uitgevoerd zijn naar aanleiding van meldingen.
Schapen niet geschoren met 30 graden
Mondelinge correctie
Schapen zonder beschutting bij 31 graden
Mondelinge correctie
Hijgende schapen in de zon zonder beschutting
Mondelinge correctie
Ongeschoren schapen zonder beschutting en water bij 35 graden
Bestuurlijke maatregel
Transport beëindigd en dieren opgevangen
Bestuurlijke maatregel
Veel dieren dood bij aankomst slachthuis
Bestuurlijke maatregel
Schapen sinds 2013 niet geschoren
Bestuurlijke maatregel en Proces verbaal
Kreupel rund in volle zon bij 25 graden
Ter plekke hersteld
Ram hijgend in de zon zonder beschutting
Ter plekke hersteld
Diertransport welzijn hitte
Rapport van bevindingen
Diertransporten welzijn hitte
7 maal een rapport van bevindingen aangezegd
Deelt u de mening dat dieren in weilanden beschutting moeten kunnen vinden tegen de zon? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt uw opvatting zich tot de uitgangspunten van de Wet dieren? Zo ja, bent u bereid om maatregelen te treffen om meer beschutting in en rond weilanden te realiseren, zoals bomen en houtwallen voor koeien?
Zoals vastgelegd in artikel 1.6 lid 3 van het Besluit houders van dieren moet een dier, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming worden geboden tegen slechte weersomstandigheden. (Permanente) beschutting aanbieden in weilanden is niet altijd mogelijk volgens de vigerende bestemmingsplannen van het gebied. De veehouder zal dan andere passende maatregelen moeten nemen om de dieren te beschermen, zoals het overdag opstallen van het vee. Daarnaast is er een toenemende belangstelling voor de toepassing van agroforestry, waarbij meer mogelijkheden ontstaan voor natuurlijke beschutting.
Is het u bekend dat mensen die hun (niet-commercieel gehouden) dieren buiten laten lopen, nogal eens worden tegengewerkt door hun gemeente als zij willen zorgen voor beschutting in hun weiland? Wat vindt u daarvan?
In Nederland is de bevoegdheid voor het opstellen van bestemmingsplannen bij gemeenten belegd, omdat zij meer zicht hebben op de lokale situatie dan de rijksoverheid. Een landelijk beleid ten aanzien van schuilstallen zou hiermee conflicteren. In bestemmingsplannen kunnen gemeenten de mogelijkheid opnemen om bebouwing toe te staan of om een ontheffing te verlenen voor het realiseren van een schuilstal. Om houder en gemeenten behulpzaam te zijn is er door de rijksoverheid ondersteuning verleend aan de brochure «Schuilstallen in het buitengebied» gepubliceerd door Stichting Levende Have. Hierin staan tips en handvatten hoe om te gaan met het houden van dieren in het buitengebied voor zowel de houder van dieren als gemeenten. Voor meer informatie verwijs ik u graag naar deze brochure: http://edepot.wur.nl/12687.
Hoeveel en welke gemeenten weigeren toestemming te geven voor het plaatsen van schuilgelegenheden of andere vormen van beschutting in de wei? Bent u bereid om, bijvoorbeeld via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), met deze gemeenten hierover in gesprek te gaan? Bent u bereid deze gemeenten te wijzen op het feit dat zij houders van dieren belemmeren bij het voldoen van de wettelijke plicht om dieren te vrijwaren van fysiek en fysiologisch ongerief? Zo nee, waarom niet?2
Ik heb geen inzicht in het aantal gemeenten dat weigert toestemming te geven voor het plaatsen van schuilgelegenheden of andere vormen van beschutting in de wei. Ik zal dit onderwerp met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten bespreken. Ik kan gemeenten echter niet dwingend voorschrijven om over te gaan tot het geven van toestemming voor schuilgelegenheden.
Hoe heet wordt het in varkensstallen en in pluimveestallen, gemiddeld en maximaal? Welke temperaturen worden gedurende deze hitte bereikt in de stallen?
De NVWA houdt hier geen gegevens over bij. Wel moet de ventilatie zodanig zijn dat de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier niet schadelijk zijn voor het dier.
Kunt u bevestigen dat bij varkens al bij 27 graden celsius hittestress optreedt, met een versnelde hartslag, stijgende bloeddruk en versnelde oppervlakkige ademhaling als gevolg?
Of een varken hittestress krijgt bij een bepaalde temperatuur is afhankelijk van meerdere factoren, zoals leeftijd van het dier en dracht. Voor net geboren biggen is de comforttemperatuur in het biggennest op bighoogte op de eerste dag 33 – 35 graden Celsius. Pas gespeende biggen worden in stallen gehuisvest met 26 graden Celsius. Voor (drachtige) zeugen en vleesvarkens ligt de comforttemperatuur lager. Wageningen University & Research (WUR) heeft richtlijnen voor klimaatinstellingen opgesteld3. De Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) geeft «diergezondheidstips bij warm weer» bij varkens4 en andere diersoorten.
Bij hoeveel varkensstallen komt de temperatuur boven de 27 graden celsius uit? Bij hoeveel (procent van de) varkensstallen worden adequate maatregelen genomen om te voorkomen dat de temperatuur in een varkensstal oploopt tot boven de 27 graden celsius?
Ik heb geen inzicht in het percentage stallen waar de temperatuur voor bepaalde dieren niet optimaal is.
Kunt u bevestigen dat bij kippen al bij 28 graden celsius hittestress kan optreden, wat kan leiden tot een afwijkende zuurgraad in het bloed en mogelijk zelfs tot de dood?3
Of pluimvee hittestress krijgt bij 28 graden Celsius is afhankelijk van meerdere factoren. Onder andere in combinatie met een relatieve hoge luchtvochtigheid heeft pluimvee sneller last van warmte, met alle consequenties van dien. Pluimvee heeft geen zweetklieren en kan dus slechts via uitademing lichaamswarmte kwijtraken. Pluimveehouders kunnen en moeten maatregelen nemen, zij hebben immers een zorgplicht. Bij warme dagen passen ze de bedrijfsvoering aan om hittestress en de gevolgen daarvan te voorkomen, zoals zorgen voor voldoende ventilatiecapaciteit en vers drinkwater.
Hoe houdt de NVWA toezicht op de temperatuur en de ventilatie in stallen en welke middelen zijn er om het nemen van adequate maatregelen af te dwingen?
De NVWA controleert tijdens inspecties op de volgende algemene aspecten: de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier. Als de gezondheid en het welzijn van een dier afhankelijk zijn van een kunstmatig ventilatiesysteem, dan moet dat voorzien zijn van een passende noodvoorziening, waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt. Handhaving vindt plaats middels het vigerende interventiebeleid van de NVWA. Houders kunnen een waarschuwing, bestuurlijke boete of proces-verbaal krijgen, al dan niet in combinatie met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom.
Hoe vaak heeft de NVWA de afgelopen vijf jaar gecontroleerd op temperatuur en ventilatie in stallen en wat waren de bevindingen van die controles? Hoe vaak is de NVWA de afgelopen vijf jaar overgegaan tot daadwerkelijke handhaving, op grond waarvan is dat gebeurd en welke sancties zijn er opgelegd?
De NVWA heeft in de jaren 2014 – 2017 in de zomerperiode (maanden mei tot en met september) 3.224 reguliere welzijnsinspecties uitgevoerd op primaire bedrijven. Het gaat om inspecties van zowel dieren die in de stal worden gehuisvest (zoals varkens, pluimvee, kalveren) als dieren die ook gedeeltelijk buiten zijn gehuisvest (bijvoorbeeld melkvee en schapen). Voor 2018 heeft de NVWA nog geen definitieve cijfers, omdat de zomerperiode (maanden mei tot en met september) nog loopt.
Jaar
Aantal inspecties
2014
562
2015
1.181
2016
803
2017
678
De NVWA controleert tijdens welzijnsinspecties de naleving van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. De volgende overtredingen zijn tijdens deze 3.224 inspecties vastgesteld met betrekking tot temperatuur en ventilatie. In de jaren 2014 en 2016 is geen maatregel opgelegd naar aanleiding van deze inspecties.
Te hoge concentratie CO2 in twee vleeskuikenstallen
Rapport van Bevindingen
Niet hebben alarmsysteem varkens
Mondelinge correctie
Geen noodvoorziening ventilatiesysteem varkens
Bestuurlijke maatregel en Bestuurlijk boete
Geen alarm op de ventilatie aanwezig, de onderhoudstoestand van de ventilatie is zeer slecht in de varkensstal
Bestuurlijke maatregel
Kunt u bevestigen dat kalveren al vanaf 20 graden celsius last kunnen hebben van hittestress?4 Kunt u bevestigen dat de iglo’s waarin piepjonge kalfjes in de melkveehouderij in hun eentje in worden gestopt, snel benauwd kunnen worden?5
Net als andere diersoorten kunnen ook kalveren last krijgen van hittestress. Dit is niet alleen afhankelijk van de temperatuur maar ook van andere factoren zoals de luchtvochtigheid. Rundveehouders kunnen en moeten maatregelen nemen om negatieve gevolgen van hoge temperaturen tegen te gaan. De Gezondheidsdienst voor Dieren heeft hiervoor een «draaiboek hittestress» voor runderen opgesteld.
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar door de NVWA gecontroleerd op hittestress bij kalfjes die na de geboorte bij hun moeder zijn weggehaald en alleen zijn gezet en wat waren de bevindingen van die controles? Hoe vaak is de NVWA de afgelopen vijf jaar overgegaan tot daadwerkelijke handhaving, op grond waarvan is dat gebeurd en welke sancties zijn er opgelegd?
De NVWA heeft in de jaren 2014 – 2017 in de zomerperiode (maanden mei t/m september) 248 reguliere welzijnsinspecties uitgevoerd op bedrijven met kalveren. Dit kunnen zowel kalveren op het melkveebedrijf zijn als vleeskalveren, het merendeel betreft inspecties op melkveebedrijven. De NVWA registreert niet of de kalveren met of zonder het moederdier zijn gehuisvest. Er zijn in die periode geen overtredingen geconstateerd met betrekking tot hittestress bij kalveren. Voor 2018 heeft de NVWA nog geen definitieve cijfers, omdat de zomerperiode (maanden mei tot en met september) nog loopt.
Jaar
Aantal inspecties
2014
50
2015
53
2016
55
2017
90
248
Erkent u dat varkens modder nodig hebben om hun temperatuur te reguleren? Bent u zich er van bewust dat varkens in hun eigen uitwerpselen gaan rollen om af te koelen, terwijl het zindelijke dieren zijn die een afkeer hebben van hun eigen poep? Zo ja, op welke wijze wilt u een adequate regulering van de temperatuur verplicht stellen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Meerdere factoren spelen een rol bij de thermoregulatie van varkens. In het Besluit houders van dieren wordt een aantal wettelijke eisen gesteld. De luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier mogen niet schadelijk zijn voor het dier. Indien de gezondheid en het welzijn van een dier afhankelijk zijn van een kunstmatig ventilatiesysteem, is dat voorzien van een passende noodvoorziening waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt. Indien het ventilatiesysteem uitvalt moet er een alarmsysteem in werking treden. Dit moet regelmatig getest worden.
Erkent u dat vrije uitloop, met beschutting en gelegenheid voor modderbaden, de meest effectieve manier is om hittestress bij varkens te voorkomen, aan hun behoefte aan het vertonen van hun natuurlijke gedrag tegemoet te komen en (daarmee) hun welzijn te dienen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid deze vorm van huisvesting tot doel te stellen en een transitieplan op te stellen waarin de varkenshouderij binnen een bepaalde termijn moet voldoen aan deze huisvestingsnormen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Op basis van goede klimaatsturing in veestallen en voldoende vers drinkwater kan hittestress bij varkens worden voorkomen. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 15.
Erkent u dat vrije uitloop, met beschutting en gelegenheid voor stofbaden, de meest effectieve manier is om hittestress bij kippen te voorkomen, aan hun behoefte aan het vertonen van hun natuurlijke gedrag tegemoet te komen en (daarmee) hun welzijn te dienen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid deze vorm van huisvesting tot doel te stellen en een transitieplan op te stellen waarin de pluimveehouderij binnen een bepaalde termijn moet voldoen aan deze huisvestingsnormen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit is afhankelijk van de (weers)omstandigheden. Bij hoge buitentemperaturen is het binnenklimaat in stallen, dat voldoet aan de wettelijke eisen, doorgaans beter voor de dieren dan het buitenklimaat.
Kunt u bevestigen dat het verlagen van de hokbezetting, waar de veehouderij door de sectororganisaties toe wordt opgeroepen, neerkomt op het vervroegd afvoeren van dieren naar de slacht? Zo nee, hoe zit het dan?
Ik ben niet bekend met een dergelijke oproep van de sectororganisaties.
Bent u bereid om preventief te zorgen voor een lagere hokbezetting om hittestress te voorkomen door af te kondigen dat in de zomer minder dieren in de Nederlandse stallen mogen staan en dat daartoe vóór de zomer beperkingen worden gesteld aan de fok van het aantal dieren? Zo nee, erkent u dat u door het achterwege laten van preventieve regels de dieren in de Nederlandse veehouderij welbewust extra risico laat lopen op hittestress en/of een vervroegde slacht?
Ik zie geen aanleiding voor dergelijke maatregelen. Een optimale klimaatsturing in stallen is van belang. Dit is onderdeel van de normale bedrijfsvoering van een veehouderijbedrijf. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 15.
Op welke wijze wordt gecontroleerd of de extra maatregelen bij extreme temperaturen, die worden beschreven in de standaard werkwijzen voor slachthuizen, daadwerkelijk worden uitgevoerd?
Tijdens de controles van de NVWA-toezichthouder bij de aanvoer van dieren op het slachthuis is dierenwelzijn een belangrijk punt van aandacht. In de beoordeling van het welzijn van de dieren wordt onder andere aandacht besteed aan verschijnselen van hitte – of koudestress. Indien de exploitant zijn standaardwerkwijze niet op een zodanige manier heeft ingevuld dat de dieren elke vorm van vermijdbare pijn, spanning of lijden wordt bespaard, wordt hiervan door de NVWA-toezichthouder een rapport van bevindingen opgesteld. Daarnaast voert de NVWA periodiek inspecties uit waarin de standaardwerkwijzen inhoudelijk beoordeeld worden.
Kunt u bevestigen dat door een storing of andere problemen in het slachtproces, dieren soms extra lang moeten wachten, of dat juist wordt gekozen voor het doorgaan met het slachtproces, terwijl dit vanuit dierenwelzijnsoogpunt eigenlijk stil zou moeten worden gelegd, vanwege de dieren die in de hitte staan te wachten? Hoeveel gevallen zijn hiervan bij u bekend?
Storingen kunnen zich voordoen en het is de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven om de wachttijden tot een minimum beperken. In het protocol van de slachthuizen in het Nationaal plan voor veetransport bij extreme temperaturen is expliciet opgenomen dat er bij hitte optimaal moet worden gepland, zodat er zo min mogelijk wachttijd is. Ook worden door de slachthuizen maatregelen getroffen om de problemen met hitte tijdens wachttijd tegen te gaan, bijvoorbeeld door extra ventilatie, schaduw en waterkoeling.
De NVWA-toezichthouder ziet er op toe dat de maatregelen afdoende zijn. Indien dit niet het geval is wordt er een rapport van bevindingen opgesteld. Tot nu toe zijn deze zomerperiode 4 rapporten opgemaakt in de slachthuizen in verband met hittestress. Op 10 augustus jl. heeft er een evaluatiegesprek plaatsgevonden met grote varkensslachterijen die in ploegendienst werken. Afgesproken is dat er varianten worden uitgewerkt om bij een volgende periode met hitte sneller te kunnen inspelen op de wens om met de slachturen te schuiven.
Bent u bereid het aantal dieren dat wordt vervoerd naar slachthuizen bij hoge temperaturen te beperken, om dergelijke situaties te voorkomen?
De Transportverordening stelt de eis dat bij de belading rekening gehouden moet worden met de weersomstandigheden. De veehouders, transporteurs en slachthuizen hebben daarnaast het Nationaal plan voor veetransport bij extreme temperaturen opgesteld, met onderliggende sectorprotocollen. Hierbij worden maatregelen genomen zoals het beperken van het aantal dieren per transportmiddel, vervoer tijdens de koelere uren van de dag, kortere wachttijden bij slachthuizen en geen vervoer bij een buitentemperatuur van 35 graden of meer. Een extra door de overheid opgelegde beperking van vervoer acht ik niet nodig bij goede naleving van deze protocollen door de sector.
Het afkeuren van gezonde groente en fruit door supermarkten |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat er weer eens een hele oogst fruit is afgekeurd voor verkoop, 60.000 kilo pruimen dit keer, omdat de pruimen niet voldeden aan de uiterlijke eisen die de supermarkten stellen aan groente en fruit?1
Het bericht hierover op NOS.nl heb ik gelezen.
Kunt u bevestigen dat de afkeuring in dit geval het gevolg is van de eisen die supermarkten zelf stellen, maar dat ook Europese handelsnormen de verkoop van goede producten in de weg kunnen staan en regelmatig zelfs verbieden?
In dit geval is de afkeuring inderdaad het gevolg van de eisen die supermarkten zelf aan pruimen stellen; er bestaan voor pruimen namelijk geen EU-handelsnormen. Ik vind de handelwijze van supermarkten in deze betreurenswaardig, omdat zo goede en gezonde producten verspild worden
De EU-handelsnormen voor groenten en fruit zijn bedoeld om kwaliteitsgaranties aan consumenten te bieden. Daarnaast zijn zij waardevol in het handelsverkeer en bij het optimaliseren van onder meer logistieke processen. De EU-handelsnormen verbieden de verkoop van voor menselijke consumptie geschikte producten niet.
Het is echter aan marktpartijen, zoals supermarkten, om te beslissen in welke kwaliteitsklasse zij producten te koop willen aanbieden.
Deelt u de mening dat groente en fruit dat geschikt is voor menselijke consumptie gewoon als zodanig moeten kunnen worden verkocht, en dat afkeuring om andere redenen een geval vormen van onnodige en zeer laakbare voedselverspilling?
Ja, met u ben ik van mening dat deze vorm van voedselverspilling laakbaar is, zoals ik eigenlijk iedere vorm van voedselverspilling laakbaar vind; het tegengaan van voedselverspilling is dan ook één van mijn prioriteiten.
Hoe staat het met de gesprekken die u met de supermarkten zou voeren over het aanpassen van verkoopnormen die niets te maken hebben met de geschiktheid van groente en fruit voor menselijke consumptie? Bent u bereid de supermarkten aan de hand van deze casus indringend tot de orde te roepen?
Tijdens het recente AO Voedsel (19 april 2018 en 15 juni 2018) heb ik uw Kamer toegezegd met supermarkten in gesprek te gaan over het hanteren van (aanvullende) cosmetische eisen aan groenten en fruit, waarbij ik mij gesteund weet door de motie die uw Kamer heeft aangenomen2.
De directies van diverse supermarkten zijn inmiddels uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek met mij en zij hebben deze uitnodiging aanvaard. Ik vind deze gesprekken van groot belang, omdat supermarkten, als schakel in de Nederlandse voedselketen een belangrijke rol en verantwoordelijkheid hebben bij het tegengaan van voedselverspilling.
Bent u bereid ten aanzien van de opvolging van de EU-handelsnormen een gedoogbeleid in te stellen dat erop neerkomt dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) niet handhavend zal optreden als groente en fruit dat geschikt is voor menselijke consumptie, maar slechts een afwijkend uiterlijk heeft of om andere redenen worden afgekeurd, toch gewoon te koop wordt aangeboden?
Het Kwaliteits-Controle-Bureau (KCB) en de NVWA zien als onafhankelijke toezichthouders toe op de naleving van de EU-handelsnormen en niet op het al dan niet te koop aanbieden van groente en fruit met een afwijkend uiterlijk. Het instellen van een gedoogbeleid is dan ook niet nodig. Bovendien heb ik in het debat met uw Kamer al aangegeven geen voorstander te zijn van een gedoogbeleid vanwege de precedentwerking die hiervan kan uitgaan voor andere dossiers.
Deelt u de mening dat de aankondiging van een gedoogbeleid door Nederland, voor gezond groente en fruit met een iets afwijkend uiterlijk, de Europese discussie over de handelsnormen een flinke en positieve impuls zou kunnen geven?
Ten aanzien van de EU-handelsnormen heb ik u tijdens het Algemeen Overleg Voedsel toegezegd te onderzoeken of en op welke punten er binnen de EU-handelsnormen sprake is van puur cosmetische eisen en welke actie ik kan ondernemen. Op basis van de uitkomsten zal ik dit bij de Europese Commissie in Brussel aan de orde stellen met als inzet het schrappen van cosmetische eisen in handelsnormen.
De bijdrage van 8 miljoen euro aan de nertsenhouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Frank Futselaar (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Wat is de reden voor uw besluit om 8 miljoen euro van het budget dat zou zijn bestemd voor de warme sanering van de varkenshouderij, te reserveren voor de flankerende maatregelen in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij1? Op welke wijze draagt dit bij aan het doel van de «transitie naar een vitale, robuuste, toekomstbestendige en duurzame varkenshouderijketen»?
In mijn brief van 7 juli 2018 heb ik aangekondigd dat 8 miljoen euro gereserveerd zal worden voor de verschillende flankerende maatregelen in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij, bovenop de al eerder gereserveerde middelen. Ten behoeve van deze reservering wordt het beschikbare bedrag voor de transitie naar een duurzame varkenshouderijketen met 8 miljoen euro verlaagd.
Op grond van het Besluit en de Regeling is het maximumbedrag voor sloop- en ombouwkosten, per locatie, inderdaad 95.000 euro of, indien bij het slopen of ombouwen asbest wordt verwijderd, 120.000 euro. In de komende periode zal ik onderzoeken hoe dit extra bedrag, in overeenstemming met de toepasselijke staatssteunrechtelijke randvoorwaarden, kan worden aangewend. Als dit leidt tot een wijziging van het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij, zal ik uw Kamer daarover informeren.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot uw eerdere uitspraak: «(o)p dit moment zie ik geen aanleiding om naast de in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij vastgestelde flankerende maatregelen aanvullende voorzieningen te treffen»?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat dit bedrag van 8 miljoen euro voor ingezet worden? Hoe staat dit in verhouding tot de eerder gereserveerde middelen van 28 miljoen euro?3
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat er nog 146 nertsenfokkerijen zijn in Nederland?4 Zo nee, wat is dan het correcte aantal?
Er zijn momenteel in Nederland 145 bedrijven waar edelpelsdieren worden gehouden. Uit gegevens van het CBS (2018) blijkt dat in alle jaren na 2013 sprake was van een lager aantal gehouden edelpelsdieren dan in 2013. In de link treft u de aantallen gehouden dieren per jaar aan6.
Kunt u bevestigen dat uit de Regeling en het Besluit subsidiering sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij voortvloeit dat het maximum bedrag voor de sloop- en ombouwkosten per locatie 95.000 euro bedraagt of 120.000 euro wanneer asbestsanering nodig is?5 Zo ja, waar gaat het resterende bedrag van 22,13 miljoen euro voor ingezet worden? Wordt de Kamer in de mogelijkheid gesteld hierover mee te beslissen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan de Kamer controleren of dit geld niet gaat naar frauderende bedrijven, zoals bedrijven die illegaal hebben uitgebreid de afgelopen jaren? Deelt u de mening dat dit zeer onwenselijk zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Bij brief van 20 januari 2017 (Kamerstuk 30 826, nr. 51) heb ik op een vergelijkbare vraag van de PvdD-fractie geantwoord dat, op grond van het Besluit, de Regeling, en het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, subsidie kan worden geweigerd indien deze is aangevraagd voor sloop of ombouw van stallen die zijn gebouwd en gebruikt in strijd met de Wet verbod pelsdierhouderij. Als Minister voer ik deze regelgeving uit en houd ik toezicht op de naleving ervan. De Tweede Kamer kan mij hierop controleren.
Wat zou het kosten als de overgangstermijn van het verbod op de pelsdierhouderij met een jaar zou worden ingekort? Deelt u de mening dat dit het risico op staatssteun zou verminderen?
De overgangstermijn is vastgelegd in de Wet verbod pelsdierhouderij. Een schatting van de kosten die verkorting van de overgangstermijn met zich mee zou brengen, is niet te maken. Bij de totstandkoming van de Nederlandse subsidieregeling voor sloop- en ombouwkosten van pelsdierhouderijen is aangesloten bij hetgeen daarover tijdens de parlementaire behandeling van de Wet verbod pelsdierhouderij is gewisseld en hetgeen door initiatiefnemers is beoogd. Het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten is een staatssteunmaatregel, die is aangemeld bij en goedgekeurd door de Europese Commissie. De duur van de overgangstermijn heeft als zodanig geen invloed op de kwalificatie van de subsidieregeling als staatssteun. Ik acht het onwenselijk en zie geen mogelijkheden om in de Nederlandse subsidieregeling een afnemende vergoeding toe te passen, omdat ondernemers anticiperen en besluiten hebben genomen op basis van de in deze vanaf 1 maart jongstleden opengestelde regeling.
Hoe kijkt u naar de aanpak van Vlaanderen, waar de hoogte van de compensatievergoeding voor nertsenhouders wordt gekoppeld aan het tijdstip dat zij stoppen met de nertsenfokkerij: hoe eerder zij stoppen, hoe hoger de compensatie?6 Welke mogelijkheden ziet u voor een dergelijke aanpak in Nederland, gelet op de extra investering van 8 miljoen voor de pelsdierhouderij?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u bevestigen dat het aantal nertsenfokkerijen sinds 2012 is afgenomen, terwijl het aantal nertsen, in ieder geval tussen 2012 en 2015, nagenoeg gelijk is gebleven? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het uitbreidingsverbod dat deel uitmaakt van het verbod op de pelsdierhouderij? Zo nee, wat zijn dan de correcte aantallen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat de NVWA zeer regelmatig niet tijdig beslist op verzoeken van niet-gouvernementele organisaties? Bent u bereid hierover met de NVWA in gesprek te gaan? Hoeveel geld heeft de NVWA de afgelopen tien jaar moeten betalen aan dwangsommen wegens niet tijdig beslissen? Hoeveel extra menskracht zou dit hebben opgeleverd, in fte omgerekend?
De NVWA moet binnen de haar beschikbare middelen werken, en net als bij andere werkzaamheden heb ik het vertrouwen dat bij handhavingsverzoeken de zorgvuldigheid voorop staat. Op de meeste handhavingsverzoeken wordt tijdig beslist. Vanaf 2016 is een toename van het aantal ingediende handhavingsverzoeken te zien. In 2012 werden twee verzoeken ingediend, in 2013 één verzoek, in 2014 twee verzoeken waarvan één niet tijdig afgehandeld (1.260 euro dwangsom), in 2015 drie verzoeken waarvan één niet tijdig afgehandeld (1.260 euro dwangsom), in 2016 zes verzoeken waarvan twee niet tijdig afgehandeld (1.260 euro dwangsom), in 2017 dertien verzoeken waarvan twee niet tijdig afgehandeld (1.340 euro dwangsom) en in 2018 tot nu toe negentien verzoeken waarvan vier niet tijdig afgehandeld (4.020 euro dwangsom). Voor zover kon worden nagegaan zijn in de jaren 2009 tot en met 2011 geen handhavingsverzoeken ingediend en zijn in 2012 en 2013 geen dwangsommen betaald wegens niet-tijdig beslissen. Uitgaande van kosten op jaarbasis van 100.000 euro voor 1 fte zouden de betaalde dwangsommen in de afgelopen jaren tussen de 0,01 en 0,04 extra menskracht in fte kunnen hebben opgeleverd.
Hoe gaat de NVWA om met het toezicht op de nertsenfokkerij tot 2024? Hoeveel capaciteit is hiervoor beschikbaar? Op basis van welke gegevens wordt het risicogericht toezicht in deze sector ingericht?
De afgelopen jaren heeft de NVWA geïnspecteerd op de Wet verbod pelsdierhouderij. De NVWA zet in de komende jaren de capaciteit die beschikbaar is voor toezicht, waaronder op de nertsenfokkerij, zo efficiënt mogelijk in en bepaalt jaarlijks risicogericht de prioriteiten bij het toezicht op de naleving. Bij de prioritering speelt het toezichtbeeld dat de NVWA van een sector heeft over de afgelopen jaren een belangrijke rol. In 2017 heeft de NVWA bij 40 nertsenfokkerijen een inspectie uitgevoerd. In 39 gevallen werden er geen overtredingen geconstateerd. In een geval werd geconstateerd dat er meer dieren werden gehouden dan toegestaan volgens de vergunning. Daarvoor is een proces-verbaal opgemaakt.
Waarom heeft de Centrale Commissie Dierproeven op 1 januari 2018 een vergunning voor vijf jaar verleend voor dierproeven op 300 nertsen en 36.100 muizen ten behoeve van vaccins in de nertsenhouderij? Bent u ervan op de hoogte dat deze dierproeven matig tot ernstig ongerief bij de proefdieren veroorzaken waaronder algehele verlammingsverschijnselen?7
De vergunning is verleend, rekening houdend met het gestelde in artikel 10, 10a en 10a2 van de Wet op de dierproeven. De CCD heeft een ethische afweging gemaakt of het matige tot ernstige ongerief van de proefdieren opweegt tegen de opbrengsten van het onderzoek, te weten veilige en werkzame vaccins voor pelsdieren. Op 1 april 2017 werden bijna 919.000 moederdieren gehouden bij nertsenfokkers (bron: CBS). Het totale aantal nertsen is tussen de werptijd in het voorjaar en de slacht in december 5–6x zo hoog (bron: CBS). De vaccins die getest worden onder de genoemde vergunning zijn dan ook vaccins tegen ernstige ziektes waar veel pelsdieren aan overlijden. Dat er nu nog veel pelsdieren worden gehouden, die zonder deze vaccins ernstig ziek kunnen worden, en dat het in Nederland houden van pelsdieren vanaf 1 januari 2024 niet meer is toegestaan, heeft de CCD meegewogen in haar besluit.
Vindt u het ethisch verantwoord om dierproeven in te zetten voor een commerciële dierhouderij die op 1 januari 2024 vanwege ethische redenen niet meer toegestaan zal zijn in Nederland?
Zie antwoord vraag 12.
Wie voert de proeven uit en wie draagt de kosten voor deze dierproeven?
Er wordt geen informatie verschaft over de partij die deze proeven uitvoert en wie de kosten voor deze dierproeven draagt. Wel worden over dierproeven niet-technische samenvattingen gepubliceerd om ervoor te zorgen dat het publiek wordt geïnformeerd9.
Er mag echter geen intellectuele eigendomsrecht worden geschonden noch vertrouwelijke informatie worden prijsgegeven. Dit staat vermeld in de memorie van toelichting bij de Wet op de dierproeven en volgt uit Artikel 43, eerste lid van de Europese richtlijn 2010/63/EU en Artikel 4, tweede lid van de Dierproevenregeling 2014.
De belofte dat mensen uit batch 1588 voor 19 juli duidelijkheid zouden hebben en de gevolgen voor de stressbeleving van mensen wanneer dit niet gebeurt |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Hebben alle bewoners van de woningen in batch 1588 de brief ontvangen die u in het debat van 5 juli 2018 heeft beloofd?
Ja, de betreffende brief is in de eerste helft van juli verstuurd aan alle adressen in deze groep.
Bent u op de hoogte dat in de brief gemeld wordt dat mensen (weer) moeten wachten op het zorgvuldig in kaart brengen van welke woningen zo snel mogelijk moeten worden versterkt en dat er dus pas in september duidelijkheid lijkt te komen? Kunt u dit toelichten?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer op 3 juli jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 502) hebben de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), de regiobestuurders en ik afgesproken dat de aanpak van de woningen in de groep van 1.588 door kan gaan op basis van de voorbereide versterkingsadviezen, ook als deze woningen volgens de laatste inzichten voldoen aan de veiligheidsnorm. Daarmee is de gewenste duidelijkheid voor deze bewoners gegeven. Hoe vervolgens het uitvoeringsproces eruit ziet, zal per woning verschillen, bijvoorbeeld afhankelijk van of het om corporatiebezit of een particuliere woning gaat, en vraagt daarom meer aandacht.
Deelt u de mening dat er dus nog steeds geen duidelijkheid bestaat? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u op de hoogte dat er mensen zijn die van verschillende mensen bij de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) hebben gehoord dat ze bij de batch 1588 horen, ineens niet meer bij deze batch blijken te horen en de beloofde brief niet hebben ontvangen en maar weer moeten wachten tot september, terwijl zij al wel een versterkingsadvies hebben ontvangen? Wat is hierop uw reactie?
Aan alle adressen die behoren tot de groep van 1.588 is, zoals eerder aangegeven, een brief verstuurd over het vervolg van de versterking, in navolging van eerdere schriftelijke communicatie over het verloop van het versterkingsproces voor deze groep. De samenstelling van deze groep is tussentijds niet gewijzigd. Bewoners met vragen over hun specifieke situatie kunnen hierover navraag doen bij de NCG.
Herinnert u zich dat u in februari 2018 in antwoord op Kamervragen schreef dat «het wegnemen van de oorzaken van stress en onzekerheid» de hoogste prioriteit had?1 Staat u daar nog achter?
Ja. Met het besluit om de gaswinning op een zo kort mogelijke termijn volledig te beëindigen heeft het kabinet er bewust voor gekozen om de aardbevingenproblematiek in Groningen bij de oorzaak aan te pakken.
Kunt u bevestigen dat op deze manier het wantrouwen steeds groter wordt en er van herstel van vertrouwen absoluut geen sprake is? Deelt u de mening dat het vergroten van wantrouwen leidt tot stress en daarmee tot grote gezondheidsrisico’s met mogelijk de dood tot gevolg? Wat gaat u doen om dat toch het vertrouwen te herstellen?
Deze mening deel ik niet. De problematiek die als gevolg van de gaswinning in de omgeving van het Groningenveld is ontstaan, is complex en heeft de afgelopen jaren veel losgemaakt in Groningen. Het herstel van het vertrouwen van de inwoners van Groningen zal begrijpelijkerwijs tijd nodig hebben, en ontstane psychische en andere gezondheidsproblemen die verband houden met de aardbevingenproblematiek vragen aandacht – zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag 8.
Dit laat onverlet dat in relatief korte tijd significante stappen zijn gezet: het kabinetsbesluit om de gaswinning versneld en volledig af te bouwen betekent een koerswijziging. De deskundigen stellen dat dit grote positieve impact zal hebben op de veiligheid in Groningen en dat hierdoor minder omvangrijke en ingrijpende versterking van woningen nodig zal zijn (Kamerstuk 33 529, nr. 498). Daarnaast is de afhandeling van schade inmiddels onafhankelijk van NAM georganiseerd en is een wetsvoorstel voor de verankering van de publieke schadeafhandeling onlangs in consultatie geweest. Samen met de Minister van BZK ben ik in overleg met de bestuurders in de regio over het vervolg van de versterkingsoperatie en over investeringen in een nieuw toekomstperspectief voor Groningen.
Hoeveel van de 50 mensen uit de groep «Heft in eigen hand» hebben inmiddels een veilig huis? Hoe gaat het met deze mensen? Ondervinden zij stressklachten? Hoe gaat het met de mensen die zich hebben aangemeld bij het vervolg »Eigen initiatief»? Wat is de stand van zaken op dit moment?
Op dit moment zijn er zes woningen uit de groep Heft in Eigen Hand opgeleverd en zijn er vier woningen opgekocht. Negen projecten zijn in uitvoering, waarvan er twee bestaan uit meerdere woningen. Voor de overige woningen zullen de werkzaamheden op korte termijn starten. De NCG laat weten dat de deelnemers aan Heft in Eigen Hand het proces over het algemeen als intensief ervaren, maar blij zijn met de mogelijkheden die het programma biedt.
Voor de woningen in het programma Eigen Initiatief geldt dat de versterking van de woningen waarvoor voor 24 april 2018 een versterkingsadvies was opgeleverd volgens dit advies wordt voortgezet. De versterking van de overige woningen wordt betrokken bij de implementatie van het Mijnraadadvies (Kamerstuk 33 529, nr. 502), waarover in september nadere besluitvorming plaatsvindt.
Bent u er van op de hoogte dat het door u in februari 2018 aangekondigde «plan van aanpak gezondheidsgevolgen» van het RIVM en de GGD er nog steeds niet is?2 Wat is daarop uw reactie? Bent u bereid te zorgen dat dit plan van aanpak zo snel mogelijk gereed is en in gebruik wordt genomen? Kunt u dat toelichten?
GGD Groningen heeft in opdracht van de NCG een plan van aanpak opgesteld. Dit plan is in juni geaccordeerd door de NCG en is in te zien via de website van GGD Groningen.3 GGD Groningen kiest met dit plan, in overleg met NCG, voor een nadere verkenning van al ontwikkelde of in ontwikkeling zijnde lokale initiatieven.
Het is zaak voor GGD Groningen om de uiteenlopende behoeften voor extra ondersteuning van gemeenten en andere regionale partners zodanig te expliciteren, dat zij hun expertise op gezondheidsbescherming en -bevordering kunnen omzetten in concrete activiteiten. In gesprekken tussen GGD Groningen en de verschillende gemeenten, professionals en burgerinitiatieven worden de wensen voor extra ondersteuning steeds helderder. Daardoor kunnen gerichte activiteiten op wijk- en dorpsniveau desgewenst worden ondersteund en waar nodig aangevuld. Het RIVM ondersteunt GGD en NCG met haar expertise en netwerk wanneer daar behoefte aan is.
Overigens kan ik berichten dat ik inmiddels, conform de motie-Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 34 957, nr. 38), een bedrag van € 100.000,– op jaarbasis beschikbaar heb gesteld voor de uitvoering van het in deze motie genoemde interlevensbeschouwelijk team van geestelijk verzorgers.
Het bericht dat de president van het Venezolaanse Hooggerechtshof in Nederland was |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Moreno en La Haya: El reto es una justicia imparcial»?1
Ja.
Klopt het dat Maikel Moreno, president van het Venezolaanse Hooggerechtshof, onlangs in Nederland was voor de viering van het twintigjarig bestaan van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof in Den Haag?
Ja, dit klopt.
Met welk doel was de heer Moreno uitgenodigd om bij deze viering te spreken?
De heer Moreno was aanwezig bij de viering van 20 jaar Statuut van Rome op het Internationaal Strafhof. Dit was formeel een bijeenkomst van de Assembly of States Partieswaarvoor alle verdragspartijen van het Internationaal Strafhof waren uitgenodigd. Iedere verdragspartij bepaalt zelf wie het als vertegenwoordiger naar een dergelijke bijeenkomst stuurt. De heer Moreno was dan ook niet persoonlijk uitgenodigd, maar door Venezuela aangewezen als vertegenwoordiger bij deze gelegenheid. Het Strafhof heeft vervolgens aan Nederland als gastland van het Internationaal Strafhof gevraagd een uitzondering te maken wegens de viering van 20 jaar Statuut.
Welke boodschap is door de heer Moreno uitgedragen tijdens deze viering en hoe verhoudt zich dit tot de huidige ontwikkelingen in Venezuela?
De heer Moreno heeft, net als andere aanwezige hoogwaardigheidsbekleders, gesproken tijdens de viering. Hierin heeft hij onder andere gemeld dat het Statuut van Rome niet gebruikt dient te worden voor binnenlandse aangelegenheden. Hiermee lijkt hij te doelen op het vooronderzoek dat gestart is door de aanklager van het Internationaal Strafhof naar de situatie in Venezuela. De beslissing om al dan niet een formeel onderzoek te openen naar de situatie in Venezuela wordt genomen door de Aanklager en getoetst door het Hof.
De heer Moreno sprak ook over de Venezolaanse Grondwet, waarin democratie, gelijkheid en mensenrechten gewaarborgd zijn. Het kabinet is echter van mening dat de democratie hersteld moet worden. Het Venezolaanse parlement is buitenspel gezet, de meest recente verkiezingen zijn niet vrij en eerlijk verlopen en mensenrechten staan zwaar onder druk.
Klopt het dat Nederland de aanwezigheid van de heer Moreno bij de betreffende viering van het Internationaal Strafhof gefaciliteerd heeft?
De Europese Unie heeft een sanctielijst opgesteld vanwege de ondermijning van de democratie en schending van mensenrechten in Venezuela. Op deze lijst staan achttien Venezolaanse hoogwaardigheidsbekleders, waaronder de heer Moreno. De lidstaten van de Europese Unie zijn overeengekomen dat reisbeperkingen een onderdeel zijn van het sanctiebeleid tegen deze Venezolaanse hoogwaardigheidsbekleders. In beginsel is Nederland daarmee gehouden aan het ontzeggen van toegang tot het grondgebied van Nederland, tenzij een van de uitzonderingen van toepassing is zoals genoemd in artikel 6 lid 3, lid 4 en lid 6 van Besluit (GBVB) 2017/2074 van de Raad van 13 november 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela.
Het Strafhof heeft aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd om een uitzondering te maken wegens de viering van 20 jaar Statuut.
Op grond van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Koninkrijk der Nederlanden, was Nederland als gastland verplicht om de heer Moreno toegang te verlenen tot Nederlands grondgebied. Deze uitzondering op grond van het internationaal recht is voorzien in artikel 6 lid 3 onder a van Besluit (GBVB) 2017/2074. De Europese Unie is over het besluit tot vrijstelling van de inreisbeperkingen van de betreffende persoon geïnformeerd.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in contact met de Venezolaanse autoriteiten uitdrukkelijk aangegeven de sancties te zullen handhaven en dat de heer Moreno alleen kon deelnemen aan activiteiten die door het Strafhof werden georganiseerd.
Klopt het dat de heer Moreno momenteel op de Europese sanctielijst staat? Zo ja, waarom staat hij op deze lijst? Waarom is zijn aanwezigheid door Nederland toegestaan dan wel gefaciliteerd?
Zie antwoord vraag 5.
De gevolgen van arbeidsmigratie |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van Nieuwsuur «Genoeg werk, maar geen slaapplaatsen voor arbeidsmigranten»?1 Wat is uw oordeel daarover?
Ja. Door de economische groei neemt de werkgelegenheid toe en in bepaalde sectoren leidt dit tot krapte op de arbeidsmarkt. De toename van arbeidsmigranten hangt hier mee samen. Tegelijkertijd is er een spanning op de woningmarkt. Deze groep arbeidsmigranten, die van belang zijn voor het functioneren van onze economie en maatschappij, hebben een goede plek nodig om te wonen.
Deelt u de verwachting van de uitzendbureaus, dat er op korte termijn onderdak moet komen voor ongeveer 100.000 arbeidsmigranten? Zo ja, deelt u de mening dat hun komst nogal onverantwoord is als er onvoldoende woningen beschikbaar zijn om fatsoenlijk onderdak te kunnen bieden?
De 100.000 huisvestingsplekken komen voort uit een onderzoek op eigen initiatief van het expertisecentrum Flexwonen. Voor dit onderzoek hebben zij gesprekken gevoerd met 40 uitzendbureaus en huisvesters. Dit cijfer is een grove schatting van het expertisecentrum Flexwonen. Dit cijfer geeft echter geen harde onderbouwing voor het precieze aantal benodigde plekken in Nederland en waar de huisvestingsplekken nodig zijn. Het geeft wel weer dat er een behoefte is aan passende huisvesting voor arbeidsmigranten en dat die behoefte gekoppeld is aan de groeiende economie.
De link tussen de komst van nieuwe structurele werkgelegenheid en huisvesting voor de werknemers die buiten Nederland worden aangetrokken zou automatisch gelegd moeten worden om te zorgen voor een goede landing van deze werknemers. Bij de komst van het EMA in Amsterdam is direct ook gekeken en gevraagd om mogelijkheden voor het huisvesten van de hoogopgeleide kenniswerkers. Ook bij de komst van een distributiecentrum of fruitkas, zou het logisch zijn dat deze link wordt gelegd. Deze werknemers spelen een belangrijke rol in onze huidige economie en maatschappij en hebben daarom – net als hoogopgeleide kenniswerkers – een goede plek nodig om te wonen.
Wat is de status van het onderzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hoe deze groep beter in beeld kan komen en meegenomen kan worden in rapportages over het woningtekort?2
De nieuwe benadering van het woningtekort zal onderdeel zijn van de jaarlijks rapportage «Staat van de Woningmarkt», die dit najaar door de Minister van BZK aan uw Kamer zal worden verstuurd.
Wat is de status van de handreiking die de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de zomer van 2018 zou opstellen voor gemeenten en hun partners om het gesprek aan te gaan over kwalitatieve huisvesting van arbeidsmigranten en de leefbaarheid in wijken?
U verwijst naar de ontwikkeling van het instrument voor gemeenten en hun partners om het gesprek over de huisvesting van arbeidsmigranten en andere specifieke doelgroepen te starten en te bespoedigen. Dit instrument is in concept gereed en zal de komende maanden in de praktijk getest en aangescherpt worden. De Minister van BZK verwacht dat het instrument aan het einde van het jaar voor alle gemeenten beschikbaar zal zijn.
Hoe vaak heeft de Inspectie SZW gecontroleerd op de rechtmatigheid van inhoudingen op het loon voor huisvesting en in hoeveel gevallen is een overtreding geconstateerd?
De Inspectie handhaaft de inhoudingen op het loon voor huisvesting mede op basis van de in oktober 2017 in werking getreden Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2017. In verband met deze recente inwerkingtreding is er op dit moment in de interne bestanden van de Inspectie geen informatie beschikbaar over afgeronde zaken. In het kader van de reguliere rapportage als bijvoorbeeld het jaarverslag informeer ik u nader.
Deelt u de mening dat huisvesting van een hoge concentratie van arbeidsmigranten in bijvoorbeeld portacabins ongewenst is? Zo ja, wat onderneemt u hiertegen?
Ik vind het van belang dat deze mensen goed worden gehuisvest met voldoende privacy en kwaliteit.
Het is aan gemeenten, uitzendbureaus, werkgevers en huisvesters om gezamenlijk hun verantwoordelijkheid te pakken en het gesprek aan te gaan over kwalitatieve huisvesting van arbeidsmigranten. Daarbij moeten zij ook oog hebben voor de leefbaarheid in wijken. Om de druk op reguliere woonwijken behapbaar te houden, heeft de gemeente instrumentarium tot haar beschikking om deze ongewenste situaties tegen te gaan. Daarbij kan gedacht worden aan het instellen van een splitsingsvergunning of een omzettingsvergunning bij kamergewijze bewoning in de huisvestingsverordening. Hoe zij dat doet is aan de gemeente zelf. Het woonbeleid is immers een lokale aangelegenheid.
Daarnaast kan er op onwenselijke en ongeoorloofde situaties worden gehandhaafd. De gemeente heeft daarin een rol wanneer het gaat om bouw- en woningtoezicht en ruimtelijke ordening. De Inspectie SZW controleert op de arbeidsomstandigheden en op de rechtmatigheid van de inhoudingen op het minimumloon. Verhuurders die een keurmerk hebben, bijvoorbeeld Stichting Normering Flexwonen (SNF), worden regelmatig gekeurd in het kader van de normenset voor het keurmerk.
Door het kabinet wordt verder breed ingezet op kwalitatief goede huisvesting voor arbeidsmigranten. Sinds 1 januari 2017 geldt het verbod op inhoudingen en verrekeningen op het Wettelijk minimumloon. Huisvesting vormt daar één van de uitzonderingen op. Er mag voor huisvesting maximaal 25% ingehouden worden op het wettelijk minimumloon onder strikte voorwaarden. Eén van de voorwaarden voor inhoudingen voor huisvesting is dat de huisvesting moet voldoen aan de kwaliteitseisen die zijn overeengekomen in de cao tussen sociale partners. Daarnaast dienen deze kwaliteitseisen te zijn gecontroleerd door een geaccrediteerde instelling. Een voorbeeld van een dergelijke normenset met geaccrediteerde controlerende instellingen is het keurmerk van de SNF.
Deelt u de mening dat huisvesting van werknemers op het bedrijventerrein van de werkgever kan leiden tot een ongewenste afhankelijkheidsrelatie tussen werkgever (tevens huurbaas) en werknemer, die verder strekt dan de afhankelijkheid van huisvesting?
Ik ben van mening dat het wenselijk is dat er een zekere afstand bestaat tussen de huisvesting van de arbeidsmigrant en het werk. Arbeidsmigranten komen vaak zonder netwerk naar Nederland op verzoek van de werkgever. Ik zie daarom wel een rol voor de werkgever om de werknemer te helpen bij het zoeken naar woonruimte of het faciliteren van deze woonruimte. Het faciliteren van deze huisvesting mag echter geen verdienmodel vormen voor de werkgever. Daarom is om onwenselijke situaties met betrekking tot inhoudingen te voorkomen per 1 januari 2017 een verbod op inhoudingen en verrekeningen op het Wettelijk minimumloon ingesteld. Huisvesting vormt daar één van de uitzonderingen op onder strikte voorwaarden over onder meer de hoogte van de inhouding en de kwaliteitseisen voor de huisvesting
Hoe wordt gecontroleerd of iedereen die langer dan vier maanden per half jaar in Nederland verblijft, zich ingeschreven heeft in de Basisregistratie Personen (BRP)?
Gemeenten controleren zelf niet specifiek of iemand langer dan vier maanden in Nederland verblijft. Om de kwaliteit van de BRP zo hoog mogelijk te houden worden wel veel adresonderzoeken uitgevoerd, zowel op eigen initiatief als onder de paraplu van de Landelijke Aanpak Adreskwaliteit. Bij deze onderzoeken zal de gemeente ook personen tegenkomen die langer dan vier maanden in Nederland zijn en nog als niet-ingezetene geregistreerd zijn. De gemeente kan deze persoon dan wijzen op hun plicht om aangifte te doen of de persoon ambtshalve als ingezetene inschrijven op het Nederlandse adres.
Deelt u de mening dat de plaatselijke bevolking niet beter wordt van de ongebreidelde groei van het aantal kassen, maar juist geconfronteerd wordt met steeds minder groen en steeds meer arbeidsmigranten waar zij niet of nauwelijks mee kunnen communiceren, waardoor de leefbaarheid afneemt?
De gemeenteraad stelt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer structuurvisies vast waarin de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid zijn vastgelegd. Dit beleid wordt vervolgens nader geconcretiseerd in één of meer bestemmingsplannen. De gemeente betrekt haar inwoners bij de totstandkoming van structuurvisie en bestemmingsplan.
Bij het opstellen van de bestemmingplannen dient de gemeente ook rekening te houden met de provinciale verordening. Als gemeenten dit niet doen, kan de provincie het bestemmingsplan via een «reactieve aanwijzing» geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen.
Provincies hebben daarnaast de taak om te zorgen voor voldoende groene ruimte om en in de steden.
Het is aan gemeenten en provincies om de juiste balans te vinden tussen voldoende groen, een sterke regionale economie en een goede en prettige leefomgeving.
Wat is uw oordeel over de opmerking dat inwoners zich weggejaagd voelen als ze meer Pools dan Nederlands horen in hun buurt?
Het kabinet acht het van belang dat nieuwkomers en mensen die hier komen werken en wonen de Nederlandse taal leren, ter bevordering van hun participatie en zelfredzaamheid in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Taalvaardigheid bevordert ook de oriëntatie op Nederland en contact met Nederlanders. Voor migranten van buiten de EU geldt een inburgeringsplicht, waaronder de verplichting om de taal te leren. Vanwege Europese regelgeving met betrekking tot vrij verkeer is het echter niet toegestaan om een taalverplichting op te leggen aan inwoners van de EU. Het is daarom uiteindelijk de eigen verantwoordelijkheid van de arbeidsmigrant om de Nederlandse taal en gebruiken te leren. Dit kan door vrijwillig deel te nemen aan een inburgeringscursus of een taalcursus te volgen.
Het Rijk attendeert Europese migranten op de verschillende mogelijkheden om de Nederlandse taal te leren in de brochure Nieuw in Nederland. EU-migranten die zich als niet-ingezetene bij een gemeente inschrijven worden gewezen op genoemde brochure. Er zijn vele mogelijkheden om de Nederlandse taal op vrijwillige wijze te leren. In het kader van het programma Tel mee met Taal is er een infrastructuur van taalhuizen en taalpunten ontwikkeld die laaggeletterden (laaggeletterd in de Nederlandse taal) helpt met het vinden van een geschikt taalaanbod. Het kabinet heeft met ingang van 2018 het budget voor de aanpak van laaggeletterdheid met € 5 miljoen per jaar verhoogd en de subsidieregeling Taal op de werkvloer – onderdeel van het programma Tel mee met Taal – verlengd. Ook zijn er verschillende gratis mogelijkheden online beschikbaar om de Nederlandse taal te leren. Voorbeelden hiervan zijn NT2taalmenu.nl of Oefenen.nl. Van deze laatste is bij ons bekend dat een groot gedeelte van de deelnemers hieraan van Poolse afkomst is.
Wat is uw oordeel over de uitspraak dat «we de landbouwindustrie niet in Nederland kunnen houden met de handjes die wij nog over hebben en met wat we willen betalen» en dat «Nederlanders te duur zijn»? Erkent u dat de lonen blijkbaar te laag zijn en dat dit precies de neerwaartse spiraal is waar u tegen moet optreden?
Er is door de groeiende economie op het moment sprake van krapte op de arbeidsmarkt in Nederland. De huidige economische conjunctuur zorgt voor veel kansen voor werkzoekenden. Bepaalde sectoren worstelen echter op het moment met het opvullen van vacatures en kijken daarom over de grenzen om arbeidsmigranten aan te trekken.
Er is in de Europese Unie een vrij verkeer van werknemers dus het staat werkgevers vrij om Oost-Europese arbeidskrachten aan te trekken. Deze hebben, net als Nederlandse werknemers, recht op in ieder geval het minimumloon of het cao-loon. Het vrij verkeer van werknemers zorgt ervoor dat een systeem van tewerkstellingsvergunningen voor Europese arbeidsmigranten niet mogelijk is.
Uit een onderzoek dat SEO Economisch Onderzoek in 2014 naar verdringing door arbeidsmigratie over de periode 2001–2011, volgt dat in veel sectoren het aantal Nederlandse werknemers is afgenomen terwijl het aantal arbeidsmigranten is toegenomen. Dit kan op individueel niveau effect hebben, maar op macroniveau is er geen sprake van verdringing geconstateerd. Op het moment lopen er twee onderzoeken3 naar verdringing en de positie van arbeidsmigranten in Nederland, die een actueler beeld kunnen geven.
Hoe kan het dat er in Nederland honderdduizenden werklozen zijn, maar dat er tegelijk (honderd)duizenden arbeidsmigranten naar Nederland worden gehaald?
Zie antwoord vraag 11.
Wat onderneemt u tegen verdringing, aangezien de instroom van Oost-Europese arbeidsmigranten ongebreideld is? Bent u bereid een systeem van werkvergunningen te overwegen, zodat Nederland alleen arbeidsmigranten toelaat voor functies waar beslist geen Nederlander voor te vinden is?
Zie antwoord vraag 11.
Deelt u de mening dat inburgering ook verplicht zou moeten worden voor Europese arbeidsmigranten, waarbij kennis van de taal de hoogste prioriteit heeft? Zo nee, wat onderneemt u tegen de vervreemding in buurten waar honderden Oost-Europese arbeidsmigranten komen wonen, terwijl zij geen woord Nederlands spreken?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht dat de nieuwe ontslagwet slecht is voor werknemers |
|
Jasper van Dijk (SP), Bart van Kent (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat de nieuwe ontslagwet slecht voor werknemers is?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht in dagblad Trouw van 19 juli 2018. Het is opgesteld naar aanleiding van het rapport van de Inspectie SZW «Ontslag aangevraagd en dan?», dat ik begin juli heb aangeboden aan uw Kamer1.
De Inspectie SZW heeft onderzocht hoe UWV de ontslagtoets op bedrijfseconomische gronden uitvoert, hoe deze toets wordt ervaren door werknemers en of er risico’s bestaan bij de uitvoering van die toets. Naast positieve bevindingen over de werkwijze van UWV is de Inspectie SZW op onderdelen ook kritisch. In het bericht worden de kritiekpunten besproken; het bericht dat de nieuwe (sedert 1 juli 2015) geldende wetgeving op het gebied van ontslag «slecht» zou zijn voor werknemers, deel ik niet.
Deelt u de mening van de Inspectie SZW dat het risico groot is dat werknemers met een vast dienstverband worden vervangen door goedkopere flexwerkers, terwijl dit niet is toegestaan?
Ik hecht er in zijn algemeenheid sterk aan te voorkomen dat (goedkopere) flexwerkers de plaats innemen van ontslagen werknemers.
Voorop staat dat het wettelijk verboden is om werknemers te ontslaan met als doel hen te vervangen door goedkopere (al dan niet flexibele) arbeidskrachten.
UWV toetst daar ook op en geeft geen toestemming voor ontslag wanneer aannemelijk is dat de werkgever de werkzaamheden wil uitbesteden met als enige doel om deze te laten verrichten door goedkopere (al dan niet flexibele) arbeidskrachten.
Als een werkgever binnen 26 weken na het ontslag vacatureruimte krijgt voor dezelfde werkzaamheden als de werkzaamheden die de ontslagen werknemer verrichtte, dan is hij verplicht de ontslagen werknemer aan te bieden het werk te hervatten. Wanneer de werkgever dat niet doet kan de werknemer de werkgever daarop aanspreken en via de civiele rechter afdwingen dat hij zijn oude functie terugkrijgt.
De Inspectie SZW heeft 711 werknemers voor wie een ontslagvergunning is aangevraagd ongeveer 1,5 jaar daarna gevraagd naar hun ervaring met de ontslagprocedure. Een deel van hen heeft aangegeven dat zij het gevoel hebben te zijn vervangen door flexwerkers. Het enkele vermoeden dat zij daarover hadden kan dus afwijken van de werkelijkheid. Dat is door de Inspectie SZW niet nader feitelijk onderzocht. In het rapport van de Inspectie SZW wordt daarom ook uitdrukkelijk gezegd dat deze conclusie is gebaseerd op «de perceptie van een deel van de ondervraagde werknemers».
Het is voor mij van groot belang dat zowel werkgevers als werknemers op de hoogte zijn en blijven van deze (wederindiensttredings-)voorwaarde en van de gevolgen die overtreding ervan met zich brengt. De voorwaarde zal daarom onveranderd worden opgenomen in de beschikking van het UWV.
Om werknemers beter te informeren over de wederindiensttredingsvoorwaarde heeft UWV de website werk.nl inmiddels op dit onderdeel uitgebreid. Voorts zal nader worden bezien hoe de digitale informatieverstrekking vanuit UWV nog verder kan worden verbeterd en geoptimaliseerd. Ook zal door de adviseurs van UWV tijdens klantencontacten in het kader van de WW (meer) aandacht worden besteed aan de wederindiensttredingsvoorwaarde. Zij zullen de ontslagen werknemers attenderen op eventuele vacatures bij hun voormalig werkgever.
Deelt u de mening dat het UWV niet in hoge mate mag afgaan op informatie van het bedrijf, zonder de werknemer te horen? Zo ja, wat is uw oordeel over de huidige werkwijze van het UWV bij de behandeling van ontslagaanvragen?
In iedere ontslagprocedure geldt het beginsel van hoor en wederhoor. Dat houdt in dat beide partijen zich over en weer moeten kunnen uitlaten over elkaars standpunten. Dat is ook wat in de praktijk gebeurt. Naar mijn oordeel is er een evenwichtige en zorgvuldige procedure ingericht die door het UWV wordt uitgevoerd. De Inspectie SZW oordeelt in haar rapport positief over de uitvoering door UWV van de wet- en regelgeving inzake het bedrijfseconomische ontslag. Dat oordeel deel ik.
Bij een ontslag wegens bedrijfseconomische redenen is het de werkgever die (schriftelijk) aannemelijk moet maken dat het voorgenomen ontslag een rechtsgeldig bedrijfseconomisch ontslag is. De werknemer krijgt op zijn beurt de gelegenheid zich (schriftelijk) tegen de ontslagaanvraag te verweren. Hij krijgt daartoe inzicht in alle door de werkgever aangeleverde informatie. Het UWV toetst of wat door de werkgever is aangevoerd het verzoek om toestemming voor het ontslag voldoende ondersteunt en of en in hoeverre het gevoerde verweer van de werknemer daar een ander licht op werpt en/of nadere vragen oproept. Dat leidt in sommige gevallen tot een of meer extra rondes van hoor en wederhoor. Mondeling horen van partijen, zoals in het bericht wordt aangegeven, is mogelijk. Als dit naar het oordeel van het UWV nodig is, gaat het UWV hiertoe over. Dat komt een enkele keer voor. De procedure bij UWV is een kortdurende procedure met streeftermijnen die variëren van vier tot acht weken. Daarbij teken ik aan dat altijd is benadrukt dat de beoogde korte doorlooptijd niet ten koste mag gaan van de zorgvuldigheid waarmee de procedure moet worden uitgevoerd. Het standaard toevoegen van een mondelinge ronde van hoor en wederhoor in deze procedure gaat ten koste van de snelheid ervan.
Wat is uw mening over de suggestie van arbeidsrechtadvocaten, dat een mondelinge ontslagprocedure waarbij de werknemer wordt gehoord, een oplossing kan bieden?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het UWV behoorlijk tekortschiet door het waarheidsgehalte van de informatie van de werkgever bij een ontslagaanvraag niet of nauwelijks te controleren?
Nee, deze mening in het bericht deel ik niet. Het UWV handelt zorgvuldig door de door de werkgever aangeleverde informatie te controleren op volledigheid en consistentie. Als de informatie onduidelijk is of als UWV twijfelt aan de juistheid van de informatie, worden door UWV nadere vragen gesteld aan de werkgever. In zijn verweer kan de werknemer de door de werkgever aangevoerde feiten en argumenten ter discussie stellen. Dat kan voor UWV aanleiding zijn om nadere vragen te stellen of gegevens uit te vragen in een tweede ronde van hoor en wederhoor. Blijft ook dan twijfel bestaan, dan geeft UWV geen toestemming voor ontslag.
Evenals de civiele rechter, baseert het UWV zich op de gegevens die door partijen in de procedure naar voren worden gebracht. Deze worden niet uit eigen hoofde geverifieerd.
De werkgever dient aan het UWV méér financiële gegevens aan te leveren dan het UWV elders zelf, bij bijvoorbeeld de Kamer van Koophandel, kan verifiëren. Ook een eventuele check in de polisadministratie van UWV, zoals de Inspectie SZW in haar rapport suggereert, levert niet méér informatie op dan de werkgever zelf aanlevert, aangezien de polisadministratie juist is gebaseerd op gegevens die van de werkgever afkomstig zijn. Eventuele verificatie uit eigen hoofde is dan ook niet zinvol en zou de procedure aanzienlijk en onnodig vertragen.
Deelt u de mening dat het schokkend is dat eenderde van de werknemers aangeeft dat hun werkgever feitelijk onjuiste bedrijfsinformatie verstrekte voor het ontslag? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen tegen werkgevers die zich hier schuldig aan maken? Zo nee, waarom niet?
Het verstrekken van onjuiste informatie aan UWV kan niet worden getolereerd en moet in voorkomende gevallen worden gesanctioneerd. De wet voorziet reeds in maatregelen. Als tijdens de procedure bij UWV aan het licht komt dat de werkgever onjuiste informatie verschaft, verkrijgt hij geen toestemming voor ontslag. Als achteraf mocht blijken dat de werkgever onder valse of voorgewende redenen toestemming heeft gekregen voor ontslag dan kan de werknemer zich tot de rechter wenden om herstel van de arbeidsovereenkomst te vorderen.
Echter, evenals bij de beantwoording van uw vragen 2 en 7, wil ik ook bij de beantwoording van deze vraag niet onvermeld laten dat het krantenbericht waarnaar wordt verwezen weliswaar stellig beweert dat een derde van de ontslagen werknemers die meededen aan het onderzoek aangeeft dat hun werkgever feitelijk onjuiste bedrijfsinformatie verstrekte voor het ontslag, maar dat de Inspectie SZW zelf in haar rapport uitdrukkelijk opmerkt dat het gaat om «percepties van werknemers, die kunnen afwijken van de werkelijkheid».
Deelt u de mening dat het schandalig is dat werkgevers ermee wegkomen wanneer ze werknemers ontslaan en even later flexwerkers inhuren voor dezelfde klus? Zo nee, welke kwalificatie geeft u aan het niet naleven van de wet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om de nalevering van de wet te garanderen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat doet u met de mededeling van de Inspectie SZW dat zij de wet «ter discussie stelt»?
Met de kanttekening dat het gaat om niet nader onderzochte percepties van een beperkte groep, en dat werkgevers niet afzonderlijk in het onderzoek zijn betrokken, neem ik het signaal dat met het rapport is afgegeven serieus. De Inspectie SZW heeft zich, naast positieve bevindingen, op onderdelen kritisch getoond. Het UWV heeft dan ook een aantal maatregelen genomen waardoor werknemers nog beter zullen worden voorzien van de benodigde informatie om hun rechten goed te kunnen uitoefenen, met name op het gebied van de wederindiensttredingsvoorwaarde en de mogelijkheid van een beroep op de rechter (als men het met de beslissing van UWV niet eens is). In aanvulling op de informatie op de website werk.nl en in klantbrieven tijdens de procedure, heeft UWV aangegeven nader te bezien of nog beter ingespeeld kan worden op de door de Inspectie SZW kenbaar gemaakte behoefte.
De Primarkpremie |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «FNV wil strengere regels voor lage-inkomensvoordeel»?1
Ik heb nog geen signalen ontvangen die de stelling van de FNV onderschrijven dat het LIV een loonsverhoging in de weg zou staan. In het eerste halfjaar van 2018 zijn de cao-lonen2 met 1,8 procent toegenomen. De cao-loonontwikkeling van de eerste maand in het derde kwartaal bedraagt 2,2 procent3. Bovendien stijgen de uurloongrenzen van het LIV elk jaar mee met de gemiddelde contractloonstijging van het minimumloon. Dus bij een dergelijke loonstijging blijft het recht op LIV bestaan. Aan de andere kant is de regeling pas recent ingevoerd en er zijn daarom nog geen harde cijfers bekend over de effecten op de loonvorming. Gedragseffecten rondom de uurloongrenzen zijn bovendien niet helemaal uit te sluiten. Voor mij staat het stimuleren van werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt voorop.
Herkent u de signalen die de vakbond krijgt, dat bedrijven de lonen met opzet laag houden om van de lage-inkomensvoordeel (LIV)-regeling te kunnen blijven profiteren?
Zie antwoord vraag 1.
Is er sprake van afname van werkgelegenheid in de loongroepen vlak boven de LIV-grens?
De werkgelegenheid neemt over de hele linie toe. In het tweede kwartaal van 2018 hadden ruim 8,7 miljoen mensen betaald werk. Ten opzichte van het eerste kwartaal van 2018 is het aantal werkenden met 51 duizend toegenomen4. Hoe de werkgelegenheidseffecten zijn verdeeld over de loongroepen kan worden betrokken bij de geplande evaluatie. De regeling is immers net nieuw en er zijn daarom nog geen harde cijfers beschikbaar over de werkgelegenheidseffecten.
Bent u bereid bijvoorbeeld het Centraal Planbureau (CPB) te laten onderzoeken of het LIV de loonontwikkeling aan de onderkant van de arbeidsmarkt afremt?
Een onderzoek door het CPB lijkt mij prematuur. Het LIV is pas afgelopen maand voor het eerst uitbetaald. Bovendien is in de vormgeving van het LIV al rekening gehouden met grenseffecten. Zo stijgen de uurloongrenzen van het LIV elk jaar mee met de gemiddelde contractloonstijging van het minimumloon, zodat bij een dergelijke loonstijging het recht op LIV blijft bestaan. Daarnaast is er, om grenseffecten te beperken, in de vormgeving voor gekozen om het LIV geleidelijk af te bouwen van € 2.000 voor lonen tussen 100% en 110% van het WML naar
€ 1.000 voor lonen tussen 110% en 125% van het WML.
Hoeveel LIV-subsidie kreeg Primark over het jaar 2017? Kunt u dit uitsplitsen naar jeugd-LIV en regulier LIV?
Eerder dit jaar heb ik uw Kamer onderstaand overzicht verstrekt van de verdeling van de LIV-gelden op sectorniveau.
33
Horeca algemeen
13%
17
Detailhandel en ambachten
12%
52
Uitzendbedrijven
7%
12
Metaal- en technische bedrijfstakken
6%
66
Overheid, overige instellingen
6%
42
Groothandel II
5%
45
Zakelijke dienstverlening III
5%
1
Agrarisch bedrijf
5%
35
Gezondheid
4%
20
Havenbedrijven
4%
19
Grootwinkelbedrijf
4%
18
Reiniging
3%
44
Zakelijke dienstverlening II
3%
51
Algemene industrie
3%
32
Overig goederenvervoer
2%
41
Groothandel I
2%
64
Overheid, provincies en gemeenten
2%
10
Metaalindustrie
1%
13
Bakkerijen
1%
16
Slagers overig
1%
43
Zakelijke dienstverlening I
1%
50
Voedingsindustrie
1%
55
Overige takken van bedrijf en beroep
1%
Overige sectoren
8%
100%
Voor de sectorindeling is aangesloten bij de sectorcode WGA.
Afgerond op een heel getal.
Uit dit overzicht blijkt dat de horeca en de detailhandel de grootste ontvangers zijn. Ik acht het, vanuit privacy overwegingen, niet wenselijk om dit soort bedrijfsvertrouwelijke informatie op werkgeversniveau te verstrekken.
Wilt u dit ook voor McDonalds, H&M, Zara, Jumbo en Albert Heijn aangeven?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zijn de tien grootste ontvangers van een LIV-subsidie?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe biedt u transparantie over wat met het belastinggeld via het LIV gebeurt?
Het LIV wordt verstrekt op basis van objectieve voorwaarden die in de wet zijn vastgelegd. Hiermee is de basis gelegd voor een rechtmatige uitvoering. Daarnaast worden de middelen die gemoeid zijn met het LIV via de begroting SZW verantwoord. Ik ben graag bereid met uw Kamer daarover in debat te gaan tijdens de begrotingsbehandeling.
In welke mate wordt het LIV ingezet voor subsidiëring van werknemers die vanuit andere Europese landen in Nederland aan het werk gaan?
In mijn brief van 18 februari jl. met daarin een overzicht van de verdeling van de LIV-gelden over de sectoren (zie ook vraag5, heb ik aangegeven dat dit naar verwachting een geringe fractie is van het totaal. Zoals ik in het AO Arbeidsmarktbeleid van 14 februari jl. heb toegezegd zal ik de vinger aan de pols houden met betrekking tot samenloop van LIV en de ET-regeling en uw Kamer daarover voor het einde van dit jaar informeren. UWV is bezig met de voorbereiding van een analyse op de beschikbare data in de polisadministratie. Ik verwacht u nog voor de begrotingsbehandeling over de uitkomsten te kunnen informeren.
Hoeveel procent van de LIV-subsidie wordt uitgekeerd voor personen voor wie ook gebruik wordt gemaakt van de extraterritoriale kostenvergoeding (ET-regeling), die dient voor aftrek van extra (huisvestings)kosten voor mensen van buiten Nederland die hier komen werken? Indien dit niet bekend is; bent u bereid dit te laten uitzoeken?
Zie antwoord vraag 9.
Hoeveel procent van het LIV wordt besteed aan mensen uit het doelgroepenregister?
De mensen met een arbeidsbeperking van de banenafspraak die geregistreerd zijn in het doelgroepregister, komen over het algemeen niet in aanmerking voor het LIV, omdat er specifiek voor deze groep een LKV doelgroep banenafspraak is
gekomen met ingang van 1 januari 2018. Daarbij wordt aangetekend dat het LIV en LKV niet kunnen samenlopen (alleen het hoogste bedrag van de twee regelingen wordt uitbetaald). Na afloop van het LKV, voor nieuwe gevallen voor het eerst vanaf 2021, kunnen deze mensen wel onder het LIV-regime vallen, omdat het LKV gemaximeerd is op drie jaar.
Is het midden- en kleinbedrijf (MKB) representatief vertegenwoordigd bij de uitkering van LIV-subsidies?
De grootte van het bedrijf is geen criterium voor toekenning van het LIV. In dit licht is het moeilijk cijfermatig te onderbouwen hoe groot het aandeel van het MKB is.
Onderkent u dat het feit dat toeslagen voor werknemers meegeteld worden bij het vaststellen van het totale loon, een perverse prikkel vormt voor werkgevers om zo min mogelijk toeslagen af te spreken in de CAO?
Het afsluiten van een CAO valt onder de verantwoordelijkheid van sociale partners. Beide partijen onderhandelen hierover om te komen tot een fatsoenlijke beloning. Dat hierbij rekening wordt gehouden met bestaande fiscale regelingen is onderdeel van het onderhandelingsproces.
Vindt u deze subsidie voor grote winstgevende bedrijven zoals Primark en Jumbo gerechtvaardigd? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
De grootte en/of de winstgevendheid van een bedrijf is geen criterium voor het recht op LIV. Het LIV beoogt met een gerichte lastenverlichting aan de onderkant van de arbeidsmarkt het voor werkgevers financieel aantrekkelijker te maken om mensen met een loon tussen 100% en 125% van het minimumloon in dienst te nemen en te houden. Op deze manier worden de lasten op arbeid lager en nemen de kansen op werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt toe zonder dat dit ten koste gaat van de inkomenszekerheid van werknemers. Dit geldt ook voor supermarkten en modeketens.
Het instellen van een bouwdepot voor gebouweigenaren in het Groningse aardbevingsgebied |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Liever afgekocht dan weggezakt in ’t moeras»?1
Ja.
Begrijpt u de hierin verwoorde kritiek dat de wijze van implementatie van het besluit om de gaswinning te stoppen ervaren wordt als een vlucht vooruit, waardoor alle deelstappen die de afgelopen jaren zijn gezet op het terrein van schadeafhandeling, versterking, dorpsvernieuwing en nieuw perspectief voor de regio (weer) op losse schroeven zijn komen te staan?
Het besluit om de gaswinning op afzienbare termijn volledig te beëindigen betekent een koerswijziging. De aardbevingsproblematiek die als gevolg van de gaswinning is ontstaan, wordt hiermee bij de oorzaak aangepakt. Dat vraagt om herbezinning op de versterkingsoperatie zoals die nu is ingericht, die nog uitgaat van een voortdurende gaswinning op een winningsniveau hoger dan dat van vandaag en geen rekening houdt met de versnelde en volledige afbouw van de gaswinning. Vanzelfsprekend is met dit besluit niet van de ene op de andere dag het risico op aardbevingen verdwenen. Zolang er woningen zijn die niet aan de veiligheidsnorm voldoen zal, versterking nodig zijn en blijven plaatsvinden. Alle inspanningen zijn erop gericht om ervoor te zorgen dat dit zowel snel als zorgvuldig en volgens de meest actuele inzichten gebeurt, zonder daarbij voorbij te gaan aan in de lopende versterkingsoperatie ontstane verwachtingen.
Het beeld dat alle deelstappen die de afgelopen jaren op verschillende terreinen zijn gezet op losse schroeven zijn komen te staan, herken ik niet. De schadeafhandeling is inmiddels publiek georganiseerd en een wetsvoorstel voor de wettelijke verankering hiervan is op 3 juli 2018 in consultatie gegaan. Daarnaast ben ik met de regio in gesprek over de invulling van een nieuw toekomstperspectief voor de regio. Hierbij koersen we op een gezamenlijke, ambitieuze meerjarige aanpak van Rijk en regio met daarbij passende investeringen, bijvoorbeeld in de vergroening van de industrie, het behoud van het Groningse erfgoed en dorp- en stadsvernieuwing. Ik verwacht uw Kamer dit najaar te informeren over de voortgang.
Wat is uw weerwoord op deze kritiek en welke stappen gaat u zetten (en wanneer) om de zorgen uit het artikel weg te nemen en de Groningers op alle vier de terreinen de duidelijkheid te geven die ze verdienen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten doen naar het voorstel dat Susan Top, secretaris van het Groninger Gasberaad en auteur van het artikel, doet om een bouwdepot in te stellen voor eigenaren van gebouwen in het aardbevingsgebied, dat eigenaren meer grip geeft op hun situatie doordat zij zelf – binnen een tijdsbestek van vijf jaar – kunnen kiezen om dit bouwdepot in te zetten bijvoorbeeld voor versterken, voor waarde vermeerderende ingrepen of (bij een zelfgekozen vertrek) voor het aflossen van hun restschuld op de hypotheek?
Op dit moment vindt een herijking van de versterkingsaanpak plaats aan de hand van het advies van de Mijnraad en de afspraken op hoofdlijnen die de regiobestuurders en ik naar aanleiding daarvan hebben gemaakt (Kamerstuk 33 529, nr. 502). In het kader van de ontwikkeling van een nieuwe aanpak worden verschillende mogelijkheden om invulling te geven aan het advies, waaronder ook de mogelijkheid van een bouwdepot, in samenhang verkend en afgewogen.
De maatschappelijke organisaties die tot nu toe betrokken zijn geweest bij de versterkingsoperatie, zullen ook in het proces om tot een nieuwe versterkingsaanpak te komen worden betrokken in aanloop naar bestuurlijke besluitvorming. Mijn streven is om uw Kamer op korte termijn te informeren over de voortgang.
Bent u middels dit onderzoek bereid de Kamer inzicht te bieden in de mogelijke voor- en nadelen van deze benadering en deze benadering ook te laten beoordelen in vergelijking met het op dit moment gevoerde beleid?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om het Groninger Gasberaad te laten deelnemen aan de begeleidingscommissie van dit onderzoek?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘basisscholen missen 1300 leraren, na de zomer dreigt lesuitval’ |
|
Rudmer Heerema (VVD), Dennis Wiersma (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Basisscholen missen 1.300 leraren, na de zomer dreigt lesuitval»1?
Ja.
Hoe wordt de verlenging van de verruiming van de ketenbepaling door scholen ervaren? Biedt deze verruiming voldoende soelaas of is er meer nodig dan de verruiming bij kortdurende vervangingen? Kunt u aangeven of verdere verruiming kan bijdragen aan het verminderen van het lerarentekort? Welke mogelijkheden zijn er en welke acht u wenselijk?
Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het verzoek van de werkgevers en werknemers om de uitzonderingsmogelijkheid van de ketenbepaling voor invalkrachten die invallen voor zieke leraren in het primair onderwijs positief beoordeeld. Deze uitzondering is onlangs vastgelegd in een ministeriële regeling van SZW. Dit is vooruitlopend op de door het kabinet beoogde inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans in 2020 waarmee deze uitzondering in de wet wordt vastgelegd.2 De algehele uitzondering op de ketenbepaling voor invalkrachten die invallen voor zieke leraren in het primair onderwijs geldt vanaf 1 augustus 2018. Hoe de algehele uitzondering op de ketenbepaling in de praktijk door scholen wordt ervaren is dus nog niet bekend.
Wel verwacht ik dat de uitzondering veel praktische problemen zal wegnemen die scholen tot voor kort ondervonden bij het vinden en tijdelijk aanstellen van invallers voor zieke leraren.
Verdere verruiming van de ketenbepaling is niet aan de orde en draagt niet bij aan het verder tegengaan van het lerarentekort aangezien de ketenbepaling met de algehele uitzondering reeds maximaal is opgerekt.
Hoeveel docenten in de bovenwettelijke regeling zijn er benaderd met het verzoek om weer in het onderwijs te gaan werken? Hoeveel van deze docenten in de bovenwettelijke regeling staan weer voor de klas?
De bovenwettelijke uitkeringen in het primair onderwijs worden uitgevoerd door WWplus BV.3 Op basis van de laatst bekende gegevens van WWplus (ultimo 1e kwartaal 2018) bedraagt het aantal lopende bovenwettelijke uitkeringsrechten 8.972 (5.185 aanvullingen op de WW uitkeringsrechten en 3.787 aansluitende uitkeringsrechten). Het Participatiefonds voert de taak uit om de uitkeringsgerechtigden te ondersteunen en begeleiden naar een betaalde betrekking, binnen of buiten het onderwijs.
Tot voor kort werden nauwelijks gegevens bijgehouden over de resultaten van het re-integratiebeleid. Hiermee ontbreken dus momenteel gegevens om de vraag feitelijk te kunnen beantwoorden hoeveel uitkeringsgerechtigden terug keren voor de klas.
Hierin komt met ingang van 1 september verandering. Het Participatiefonds voert namelijk vanaf het nieuwe schooljaar een vernieuwd re-integratiebeleid uit waarbij maatwerk centraal staat. Het fonds heeft een monitoringstool ontwikkeld op basis waarvan het resultaat van dit vernieuwde beleid wordt gevolgd. Hierover wordt met ingang van het jaarverslag 2018 jaarlijks gerapporteerd. Binnenkort informeer ik u hier verder over in een brief over de toekomst van het Vervangings- en Participatiefonds.
Heeft u reeds inzichtelijk kunnen maken welke fiscale belemmeringen er zijn voor parttimers om een extra dag te werken? Heeft u tevens het gesprek met de sector gevoerd om ervoor te zorgen dat parttimers, die bij ziekte van hun collega lesgeven aan hun eigen klas, volwaardig betaald worden?
In de brief over het lerarentekort, die ik recent naar uw Kamer heb gestuurd, staat een reactie op de motie Bruins waarin wordt gevraagd om de aantrekkelijkheid van een voltijdaanstelling of een grotere deeltijdaanstelling te stimuleren en onderwijsregels die dit lastig of onmogelijk maken te schrappen.4
Ik heb veel waardering voor leraren die extra werken om een zieke collega te vervangen. In de cao zijn afspraken gemaakt over de vergoeding. Op basis daarvan moet een extra dag werken volwaardig worden betaald. Het naleven van de cao-regels is aan werkgevers en werknemers.
Heeft u reeds onderzocht wat uw rol is om te zorgen dat de overstap van bedrijfsleven naar het onderwijs soepeler kan verlopen? Welke mogelijkheden zijn er om samen met werkgevers met gebruikmaking van de reeds beschikbare middelen om personeel van werk naar werk te begeleiden, de overstap naar het onderwijs voor zij-instromers niet alleen aantrekkelijker te maken, maar ook financieel haalbaar?
De overstap van geïnteresseerden vanuit het bedrijfsleven naar een baan in het primair onderwijs is vooral een kwestie van maatwerk in een regionale setting. Daarom heb ik ingestemd met een project waarbij door het Arbeidsmarktplatform PO regio’s met de grootste voorspelde tekorten worden ondersteund om zij-instromers (en mogelijk ook herintreders) uit met name het bedrijfsleven te werven. De rol van het platform is vooral verbinding tot stand te brengen tussen de scholen, de opleidingen en het (regionale) bedrijfsleven. Daarbij wordt aangesloten bij bestaande initiatieven zoals het project «van Rabo naar pabo». Voor de ondersteuning is door het platform een helpdesk ingericht. Dit alles leidt tot een toenemend aantal regionale activiteiten. In de voortgangsrapportage over het lerarentekort die ik u in het najaar stuur ga ik verder in op zijinstroom vanuit het bedrijfsleven.
Bedrijven kunnen budgetten voor outplacement beschikbaar stellen of transitievergoedingen bieden. Het ministerie stelt middelen beschikbaar via de subsidieregeling zijinstroom. Het budget van deze regeling is verhoogd omdat we zien dat de interesse in zijinstroom toeneemt.
Is het reeds mogelijk om zzp’ers (zelfstandigen zonder personeel), zoals bijvoorbeeld vakleerkrachten bewegingsonderwijs, muziek of cultuur, uit het Vervangingsfonds te bekostigen?
Het Vervangingsfonds keert aan de schoolbesturen die daarvoor vervangingspremie betalen, een normvergoeding uit voor de bekostiging van vervanging van ziek onderwijspersoneel waaronder (vak)leerkrachten. De hoogte van de normvergoeding is afgestemd op het salaris van de afwezige. De voorwaarden waaronder een vergoeding wordt toegekend zijn vastgelegd in het Vf-reglement dat het fonds als onafhankelijk zelfstandig bestuursorgaan jaarlijks vaststelt. Op basis van het vigerende reglement (artikel 29, lid 3) verstrekt het fonds momenteel geen vergoeding bij vervanging van een zieke (vak)leerkracht door een zzp-er met een vereiste lesbevoegdheid. Het fonds heeft ons gemeld dat het bestuur binnenkort beslist of het reglement op dit punt met ingang van 1 januari 2019 wordt aangepast. Ik zal uw Kamer informeren over de besluit van het bestuur.
Klopt het dat bevoegde, maar reeds gepensioneerde docenten die na hun pensionering een school uit de brand te willen helpen, daar financieel niets mee opschieten? Kunt u deze belemmeringen in beeld brengen en de Kamer daar binnen vijf weken over informeren?
De financiële gevolgen zijn afhankelijk van de afspraken die de werkgever en gepensioneerde met elkaar maken. Een werkgever kan een gepensioneerde docent na diens pensioen in dienst houden of (weer) in dienst nemen. Werkgever en werknemer maken dan afspraken over het salaris. Dit kan een aanvulling zijn op het pensioen. Er mag namelijk worden gewerkt naast het AOW-pensioen en het ABP-ouderdomspensioen. Meer geld verdienen kan wel gevolgen hebben voor de hoogte van de inkomstenbelasting. Dit geldt echter niet alleen voor het onderwijs. Ik zie dan ook geen reden om specifiek voor het onderwijs mogelijke belemmeringen in kaart te brengen.
Kunt u samen met uw collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de gemeenten verzoeken om in de groep van mensen met een uitkering te kijken of er mensen met een onderwijsbevoegdheid tussen zitten?
Een match tussen werkgever en werknemer wordt in de regio gemaakt. Vandaar dat het arbeidsmarktbeleid ook gedecentraliseerd is, met rollen voor UWV (WW) en de gemeenten (bijstand). Onderwijswerkgevers kunnen met vragen naar werkzoekenden met een onderwijsbevoegdheid terecht bij één van de 35 regionale werkgeversservicepunten. De werkgeverservicepunten zullen dan in hun bestanden kijken of daar nog kandidaten in zitten. Het is daarom in eerste instantie vooral belangrijk dat onderwijswerkgevers hun vacatures bij de regionale servicepunten neerleggen. Daarnaast kunnen werkgevers ook zelf op werk.nl zoeken naar geschikte kandidaten. Een centrale oproep aan gemeenten heeft wat ons betreft dan ook weinig meerwaarde.
Klopt het dat het wettelijk verankeren van een vakdocent bewegingsonderwijs ruim 5.000 nieuwe ALO-opgeleide2 docenten naar het primair onderwijs zal trekken? Klopt het dat dit een deel van de oplossing van het lerarentekort kan zijn? Deelt u de mening dat de inzet van vakleerkrachten leidt tot werkdrukverlaging bij de groepsleerkracht?
Ik heb geen informatie die deze veronderstelling ondersteunt. Zoals eerder per brief aan de Kamer is vermeld, wordt het aantrekken van voldoende leerkrachten mogelijk beperkt door het opleggen van aanvullende wettelijke verplichtingen. Hiermee is de wettelijke verankering van een vakleerkracht bewegingsonderwijs geen oplossing voor het lerarentekort.6 Dit neemt niet weg dat een vakleerkracht bewegingsonderwijs op sommige scholen wel degelijk een tekort aan leerkrachten kan wegnemen of de ervaren werkdruk kan beperken. Dit is ook een van de mogelijkheden voor scholen om de middelen in te zetten die beschikbaar zijn gekomen bij het gesloten werkdrukakkoord. Uit een peiling van de AVS blijkt dat 18% van de schoolleiders de middelen (deels) voor een vakdocent inzet, bijvoorbeeld voor bewegingsonderwijs. Ik merk wel op dat de ervaren werkdruk zich op elke school anders kan manifesteren en dus ook andere oplossingen kan hebben.
De Nederlandse Spoorwegen (NS) die breekt met de belofte om driekwart van het afval op stations te scheiden in 2020 |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «De reiziger wordt gefopt: afval op stations wordt niet gescheiden opgehaald»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de NS haar belofte niet nakomt om op stations en in treinen in 2020 driekwart van het afval gescheiden in te zamelen door enerzijds te weinig combinatiecontainers te plaatsen waarin reizigersafval gescheiden kan worden opgehaald en anderzijds door apart verzameld afval alsnog op een hoop te gooien?
In 2015 hebben het toenmalige Ministerie van Infrastructuur en Milieu en het Ministerie van Economische Zaken met ProRail en NS als initiërende partijen de Green Deal Afvalreductie en -recycling op treinstations en in treinen ondertekend. De Green Dealaanpak is bedoeld om knelpunten in kaart te brengen en samen innovatieve oplossingen te zoeken, waarbij de rijksoverheid een faciliterende rol heeft. Door middel van pilots is kennis en ervaring opgedaan over afvalscheiding op stations en in treinen, en boeken NS en ProRail voortgang als het gaat om het verminderen van afval en het scheiden van afval in treinen en op stations. Inmiddels kunnen reizigers op 12 grotere stations2 hun afval scheiden door het papieren afval in een van de ruim 600 geplaatste afvalbakken voor papier te deponeren. Voor deze stations geldt dat NS en ProRail pilots uitvoeren en zoeken naar optimalisatie om het proces van afval scheiden over de hele keten efficiënter en gemakkelijker te maken. NS en ProRail werken aan de realisatie van de ambities vastgelegd in de Green Deal en zij nemen daarbij de lessen mee over wat wel en niet werkt op stations en in treinen. Ik deel daarom niet uw conclusie dat de NS haar afspraken niet zou nakomen.
Deelt u de mening dat de NS zich te makkelijk ervan afmaakt door te zeggen dat afvalscheiding te duur is, te veel tijd kost en te moeilijk is, aangezien zij zich bewust was van mogelijke obstakels toen zij haar handtekening zette onder de ambities van de Green Deal in 2015? Zo nee, waarom niet?
NS en ProRail hebben zich de afgelopen jaren ingespannen om de ambities voor 2020 waar te maken. Stations hebben met specifieke omstandigheden en veiligheidsvoorschriften te maken. De Green Dealaanpak is juist bedoeld om deze knelpunten in kaart te brengen en samen op te lossen.
Deelt u de mening dat de NS zich te makkelijk ervan afmaakt door te zeggen dat het ontbreekt aan benodigd materiaal zoals combinatiecontainers, terwijl een voorman schoonmaak wél een dummy hiervoor weet te maken en operationeel op stations weet te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Op station Rotterdam Centraal zijn NS en ProRail begonnen met succesvol afval scheiden zonder combinatiecontainer. Station Amsterdam Centraal is groter en logistiek complexer. Daar is maatwerk nodig. De combinatiecontainer is hiervoor mogelijk een oplossing. NS onderzoekt op dit moment of deze versie van de combinatiecontainer ook op andere stations bruikbaar is en zal later bepalen of de container in productie kan worden genomen.
Deelt u de mening dat het «dodelijk» is voor de motivatie van mensen als ze zien dat gescheiden afval alsnog in een container wordt gekieperd? Deelt u de mening dat dit haaks staat op de ambitie in de Green Deal om consumentengedrag positief te beïnvloeden en reizigers te stimuleren om afval te scheiden? Zo nee, waarom niet?
Afval scheiden begint bij de bron. Reizigers moeten gemotiveerd zijn en gefaciliteerd worden om het afval goed gescheiden weg te gooien. Reizigers moeten er daarna op kunnen rekenen dat dit afval gescheiden wordt aangeboden aan de inzamelaar. Alle partijen binnen de Green Deal werken eraan om hier invulling aan te geven.
Heeft de NS de bekendheid van haar proef waarbij klanten die een eigen beker meebrengen 25 cent minder betalen voor koffie al weten te verbeteren? Vindt u dat de NS zich voldoende inspant om van deze proef – reeds toegezegd in 2015 als onderdeel van de Green Deal en gestart in 2016 – een succes te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waaruit blijkt dat?
Uit de praktijk blijkt dat reizende mensen moeilijk te verleiden zijn een eigen kop mee te nemen. Bij NS krijgen klanten korting als ze een eigen beker meenemen. Het gebruik is beperkt (<2%). Dit blijkt zowel uit de proef bij de Kiosk, als bij de Starbucks die de kortingspropositie op het station al meerdere jaren breed uitdraagt. Hiermee lijkt het geven van extra bekendheid aan de proef niet de enige oplossing die de problematiek wegneemt. NS zoekt daarom tevens naar andere mogelijkheden. Zo wordt een proef gestart om op station Zwolle koffiebekers als aparte stroom in te zamelen en te recyclen. Zie ook antwoord 12.
Heeft de NS geld gekregen voor de Green Deal (nr. 180, Afvalreductie en -recycling op stations en in treinen)? Zo ja, hoeveel? Zo nee, waarom niet?
De bijdrage van de rijksoverheid bestaat uit het delen van kennis, het doen van onderzoek en het oplossen van juridische belemmeringen die het scheiden van afval van stations in de weg staan. Bij de start is € 90.000 beschikbaar gesteld voor het doen van onderzoek. Alle investeringen die gedaan zijn voor afval scheiden op stations en in treinen zijn door NS en ProRail bekostigd.
Wat zijn de consequenties voor de NS nu zij haar afspraak uit de Green Deal niet weet waar te maken?
Bij de Green Deals is het de bedoeling dat er ambitieuze doelen worden gesteld en dat er tevens door de betrokken partijen wordt geëxperimenteerd en geleerd. ProRail en NS hebben in dit kader een koploperspositie ingenomen voor afvalscheiding in openbare ruimtes, waarbij ook andere sectoren kunnen profiteren van de lessen die uit de experimenten worden geleerd. Zij zetten zich bovendien onverminderd in voor de ambities uit de Green Deal. De afspraken uit de Green Deal hebben betrekking op het jaar 2020; een conclusie over de uiteindelijke realisatie kan nog niet worden getrokken.
Op welke wijze heeft u de vorderingen in deze Green Deal gemonitord en op welke wijze heeft u bijgestuurd?
Mijn ministerie is nauw betrokken bij de vorderingen van de Green Deal, hierover is regulier overleg. Vanuit het Rijksbrede Programma Circulaire Economie zijn diverse bijeenkomsten georganiseerd voor kennisdeling over afvalscheiding buitenshuis. Daarbij staan ook de knelpunten ten aanzien van afvalinzameling en -verwerking op de agenda.
Deelt u de mening dat u voldoende actief bent geweest in deze Green Deal? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke consequenties verbindt u hieraan?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe luiden uw plannen om de afgesproken ambities alsnog waar te maken? Wilt u die plannen toelichten?
De afgesproken ambities betreffen ambities van alle drie partijen die de Green Deal hebben ondertekend. Voor wat het Rijksaandeel betreft, geldt dat uit de Green Deal Afvalreductie en -recycling op treinstations en in treinen nu al belangrijke lessen getrokken kunnen worden. Zoals ik heb aangegeven in de kabinetsreactie op de transitieagenda’s zet ik mij in voor het verbeteren van de inzameling van bedrijfsafval. Ook werk ik met bedrijven zoals NS en ProRail aan mogelijkheden voor het scheiden en recyclen van verpakkingen en worden bedrijven en overheden ondersteund met projecten gericht op inkoop en innovatie van verpakkingen.
Hoe geeft u uitvoering aan de motie Van Brenk/Wassenberg2 waarin wordt verzocht afspraken te maken met grote koffieketens op stations om het aantal gebruikte koffiebekers terug te brengen?
Het kabinet is verheugd dat de Europese Commissie onlangs een conceptrichtlijn heeft gepubliceerd met betrekking tot de reductie van eenmalig te gebruiken plastic producten die na afdanking vaak in het zwerfvuil terechtkomen, zoals de koffiebekers voor eenmalig gebruik. In anticipatie op de Europese regelgeving maak ik afspraken met relevante partijen om het gebruik van de eenmalige plastic producten (waaronder de on-the-go koffiebekers) te reduceren, bijvoorbeeld door de eigen meeneembeker meer gangbaar te maken. NS start bovendien deze maand een proef met het inzamelen van koffiebekers op station Zwolle. Mijn streven is om grote horecaketens, die vaak op stations aanwezig zijn, hierin samen te laten werken, want opschaling is een belangrijke sleutel tot het succesvol sluiten van de kringloop.
Twee Nederlanders die om politieke redenen de toegang tot Israël geweigerd zijn |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat twee Nederlanders op het vliegveld in Tel Aviv om politieke redenen de toegang tot Israël geweigerd zijn? Wat zijn de precieze feiten?
Ja. Op vrijdag 20 juli 2018 werd twee Nederlanders toegang tot Israël ontzegd, nadat zij separaat van elkaar aankwamen op de luchthaven van Tel Aviv. Zij werden bij de douanecontrole terzijde genomen, waarna ze zijn ondervraagd. Gedurende de ondervraging hadden zij niet altijd toegang tot hun bagage, inclusief mobiele telefoon. Uiteindelijk zijn beiden uitgewezen en op een terugvlucht gezet naar de plaats van vertrek (Amsterdam en Londen). Eén van hen moest ongeveer 24 uur wachten op de terugvlucht.
Wat is de formele grond waarop zij zijn geweigerd?
De Nederlandse vrouwen zijn geweigerd op grond van de Entry into Israel-wet omdat ze zich in het verleden op persoonlijke titel positief zouden hebben uitgelaten over de internationale oproep tot Boycot, Desinvesteringen & Sancties (BDS) jegens Israël.
Kunt u bevestigen dat de Israëlische autoriteiten de Nederlanders toegang tot consulaire bijstand en contact met een advocaat hebben onthouden?
Op basis van de informatie die het kabinet heeft kan niet worden bevestigd dat consulaire bijstand expliciet is ontzegd. Wel kan worden vastgesteld dat er geen rechtstreeks contact is geweest tussen de ambassade in Tel Aviv en de twee vrouwen in kwestie. De ambassade heeft contact gehad met de bevoegde Israëlische autoriteiten, nadat via collega’s van de betrokkenen in Nederland melding was gemaakt van de weigering. De ambassade heeft daarbij vastgesteld wat er gaande was, waar de vrouwen zich bevonden en geïnformeerd naar de vervolgacties.
Hoe vaak komt het voor dat burgers uit landen van de Europese Unie Israël niet in komen om politieke redenen? Is dat het afgelopen jaar toegenomen?
Er zijn tot nu toe weinig gevallen bekend van burgers uit andere EU-landen die door Israël zijn geweigerd. Op 24 juli zou een Spaanse BDS-activiste zijn geweerd. Deze weigeringen zouden te maken kunnen hebben met de relatief recente wetgeving die het mogelijk maakt om toegang tot Israël te ontzeggen in verband met BDS. Voor zover bekend is dit de eerste keer dat Nederlandse staatsburgers toegang tot Israël is geweigerd op basis van hun vermeende BDS-standpunten.
Deelt u de mening dat het weigeren van toegang voor de Nederlanders veroordeeld dient te worden? Bent u bereid met de Israëlische autoriteiten contact op te nemen om dit te veroordelen en erop aan te dringen dat zij alsnog het land in kunnen? Zo nee, waarom niet?
Het is betreurenswaardig dat deze twee Nederlanders de toegang tot Israël is ontzegd. Nederland is het gesprek met de Israëlische autoriteiten over deze kwestie aangegaan. Tijdens dat gesprek zijn zorgen geuit over de berichten dat de betrokkenen niet goed zouden zijn behandeld, en werd onderstreept dat Nederland van Israël verwacht dat internationale regels omtrent consulaire bijstand worden nageleefd.
Het kabinet is tegen een boycot van Israël en streeft naar versterking van de economische relaties met Israël binnen de grenzen van 1967. Het kabinet hanteert de strikte lijn dat Nederland geen activiteiten financiert die BDS tegen Israël propageren. Dat laat onverlet dat uitlatingen of bijeenkomsten van de beweging worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, zoals onder meer vervat in de Nederlandse Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het blijft echter een Israëlisch prerogatief om mensen de toegang tot het land te onthouden: zoals elk ander land, gaat Israël over het eigen toelatingsbeleid.