Basisscholen die dreigen te verdwijnen uit de Gelderse dorpen Spijk en Lathum |
|
Michel Rog (CDA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat de St. Willibrordus basisschool in Spijk en de Ds. Jonkersschool in Lathum (beide in de gemeente Zevenaar) onder de gemeentelijke opheffingsnorm komen? Hoe beoordeelt u deze situatie?
Ja, deze situatie is mij bekend. De betrokken schoolbesturen hebben laten weten dat het leerlingenaantal van zowel de St. Willibrordusschool als de Ds. Jonkersschool al enkele jaren onder de gemeentelijke opheffingsnorm zit. Het sluiten van een school is in geen enkel geval een gemakkelijke beslissing, alleen al vanwege het feit dat dit altijd directe gevolgen heeft voor de leerlingen. Het is aan het schoolbestuur om, in afstemming met betrokken partijen de afweging te maken of een school open kan blijven of niet. Bij beide scholen hebben de schoolbesturen na intensief overleg met betrokkenen (ouders, dorpsraden, gemeente) besloten om op termijn de scholen te sluiten. Ik heb geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming.
Deelt u de mening dat kleine dorpsscholen bestaansrecht hebben omdat zij invulling geven aan de sociale verbondenheid in kleinere leefgemeenschappen, mits de kwaliteit van het onderwijs voldoende is gewaarborgd?
Ik hecht veel waarde aan thuisnabij en pluriform onderwijs en ik deel de mening dat kleine scholen een cruciale functie kunnen vervullen in kleine gemeenschappen. Daarom heb ik in mijn brief van 13 maart (Kamerstuk 31 293, nr. 388) aangekondigd dat de kleinescholentoeslag structureel verhoogd zal worden om zo kleine scholen te ondersteunen.
Bent u op de hoogte van het experiment van Westerbroek waarbij kleine scholen, die op de nominatie stonden om te worden gesloten, zich hebben afgescheiden van hun toenmalige schoolbestuur en zich aansloten bij de Verenigde Zelfstandige Dorpsscholen, die kringen vormden van zeven scholen met een eigen rijksbekostigd bestuur?
Ja, ik ben bekend met het experiment. Het betreft overigens een experiment met één school en niet meerdere scholen. Daarnaast is het zo dat de Verenigde Zelfstandige Dorpsscholen (VZD) wel het initiatief voor dit experiment heeft genomen, maar er geen sprake van is dat de school zich bij de VZD heeft aangesloten. Er is een nieuwe stichting opgericht die het bestuur van de school in Westerbroek vormt. Enkele leden van de VZD zitten in de Raad van Toezicht.
Ziet u mogelijkheden om het experiment van de Verenigde Zelfstandige Dorpsscholen uit te breiden, opdat de scholen in Spijk en Lathum kunnen worden gered? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer dan informeren over het resultaat? Zo nee, waarom niet?
Dit experiment is gestart in augustus 2017 en loopt vijf jaar, dus tot 2022. In een brief van mijn voorganger is uw Kamer geïnformeerd dat gedurende deze vijf jaar het experiment niet wordt uitgebreid, omdat het van belang is om eerst de resultaten op de Jan Ligthartschool te monitoren. Daarbij betreft het een onderwijskundig experiment dat niet als doel heeft om scholen open te houden, maar om een onderwijsconcept te toetsen. Het experiment biedt dan ook geen mogelijkheid om de scholen in Spijk en Lathum open te houden. Het experiment wordt door de Erasmus Universiteit Rotterdam gevolgd voor wetenschappelijk onderzoek. In 2020 volgt er een tussenevaluatie waarover ik uw Kamer zal informeren.
Ik vertrouw op het besluitvormingsproces dat door beide schoolbesturen zorgvuldig is doorlopen.
Het bericht dat asbest is vrijgekomen uit een vrachtwagen |
|
Cem Laçin |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
Bent u bekend met het bericht over het afsluiten van de A4 tussen Hoogmade en Roelofarendsveen vanwege de verspreiding van een lading asbest?1
Ja.
Welke regels gelden op basis van de huidige wet- en regelgeving voor het transport van asbest voor zowel particulieren als professionals? Deelt u de mening dat deze informatie moeilijk of niet te achterhalen is op de website van de rijksoverheid?
Particulieren mogen asbesthoudend afval zelf vervoeren naar de milieustraat in hun gemeente. Het asbest moet op een degelijke manier verpakt zijn zodat er geen vezels vrijkomen. Milieustraten nemen het asbesthoudend afval alleen aan als dit op een deugdelijke wijze is verpakt (vaak een dubbele plastic zak die luchtdicht is afgesloten). De gemeentelijke websites geven informatie over hoe particulieren asbesthoudend afval kunnen afgeven bij milieustraten. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg door professionals is geregeld in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS), het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs) en de Regeling vervoer over land van gevaarlijk stoffen (VLG). Daarnaast is de Arbeidsomstandighedenregeling, Bijlage XIIIa behorend bij artikel 4.27 ook van toepassing. Artikel 46 van deze bijlage stelt regels aan het vervoer van asbesthoudend afval. Op de website van de rijksoverheid is voldoende informatie te vinden over het vervoer van gevaarlijke stoffen2. Ik deel uw mening niet dat de informatie hierover niet of moeilijk te vinden is op deze website.
Voldeed het betreffende transport aan de geldende regelgeving?
Op het moment dat de melding binnenkwam bij Rijkswaterstaat was niet meer te achterhalen van welk voertuig het asbest afkomstig was. Het is zodoende niet vast te stellen of het transport particulier of professioneel was en of het aan de geldende regelgeving voldeed. Het afval was wel verpakt in het juiste type folie.
Welke soort asbest is bij het ongeval op de A4 geconstateerd? Hoe lang heeft het geduurd voordat de omgeving asbestveilig of asbestvrij is verklaard?
Het betrof een golfplaat van asbestcement en bevatte de asbestsoort chrysotiel. Vanaf het moment dat de melding binnenkwam tot het moment dat de weg weer volledig opengesteld werd, zijn ca. negen uur verstreken. Dit was van 15:15 tot 00:30 uur.
Bent u van mening dat niet-luchtdoorlatende folie een afdoende verpakking is voor het vervoeren van verwijderde asbest?
Ja. Bij normaal gebruik van deze folies is de kwaliteit voldoende om emissie van asbestvezels naar het milieu te voorkomen. Asbest dient verpakt te worden in lucht- en vezeldicht materiaal van deugdelijk, stoot- en scheurbestendige folie (polyethyleen van minimaal 0,2 mm dik).
Foute overboekingen bij ING |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Drie miljoen dubbele afboekingen bij ING?»1
Ja.
Klopt het dat er steeds vaker fouten worden gemaakt bij banken met overboekingen? Hoe vaak kwam dit in het verleden voor en komt het nu nog voor?
Er worden geen statistieken bijgehouden over het aantal fouten dat bij banken wordt gemaakt met overboekingen. De indruk van banken is dat dergelijke fouten incidenteel voorkomen, en dat dergelijke fouten nu niet vaker worden gemaakt dan in het verleden.
Wat is de oorzaak van deze fout? Is deze fout menselijk of houdt deze verband met bijvoorbeeld DDoS-aanvallen of automatiseringsproblemen?
In het onderhavige geval was sprake van een menselijke fout, en niet van DDoS-aanvallen of automatiseringsproblemen. In de nacht van 20 op 21 maart heeft ING een aanpassing in haar betaalsystemen doorgevoerd. Als gevolg van die aanpassing trad een technisch incident op. Op het moment dat dit incident werd opgelost, is een bepaalde batch (een verzamelbetaling, ofwel een groot aantal betalingen dat in één keer wordt uitgevoerd) die al was verwerkt, per abuis nog een keer verwerkt. Hierdoor werden de in deze batchopgenomen betalingen op woensdag 21 maart twee keer van de betaalrekening van de betreffende klanten afgeschreven. In de loop van woensdagmiddag is de fout door ING hersteld.
Hoe lang kunnen mensen niet bij hun geld? Als mensen vanwege een dubbele afschrijving ineens niet kunnen betalen, bijvoorbeeld bij een tankstation, hoe wordt dit dan opgelost? Worden klanten dan gecompenseerd?
Voor het onderhavige incident geldt dat alle dubbele afboekingen die in de nacht van dinsdag 20 op woensdag 21 maar zijn uitgevoerd op woensdagmiddag 21 maart om kwart voor 4 waren gecorrigeerd: toen waren alle teveel afgeschreven bedragen weer teruggeboekt op de betaalrekeningen van de gedupeerde klanten. Tot die tijd hebben de dubbele afboekingen invloed gehad op het saldo op de betaalrekeningen van deze klanten: gedurende enkele uren hadden zij minder bestedingsruimte of kampten zij met roodstand. Bij klanten die door de dubbele
afboekingen gedurende die uren in de problemen kwamen met betalingen en contact zochten met ING, heeft ING handmatige correctieboekingen doorgevoerd. Hierdoor hebben zij toch kunnen betalen.
Toonbankinstellingen, horecagelegenheden en (bemande) tankstations bieden soms de zogeheten SEPA Eenmalige Machtiging Pinnen (EMP) als alternatief voor pinbetalingen aan. De EMP houdt in dat de klant een formulier invult waarmee hij de winkelier of (horeca- of tankstation)uitbater machtigt om het verschuldigde bedrag eenmalig af te laten schrijven van zijn betaalrekening. Daarnaast zijn maatwerkafspraken denkbaar: de winkelier of uitbater zou met de betreffende klant kunnen afspreken om op een later tijdstip terug te komen om te betalen, of zou de klant een factuur mee kunnen geven die hij elders en op een later tijdstip kan voldoen.
Is er verschil tussen banken in gemaakte fouten? Scoren ABN en ING bijvoorbeeld slechter dan ASN of Triodos op dit gebied?
Ik heb geen signalen ontvangen over verschillen tussen banken op dit punt. In het algemeen geldt dat hoe groter een bank is en hoe meer klanten een bank bedient, hoe sterker een dergelijk incident voelbaar zal zijn in de maatschappij. Een vergelijkbaar incident bij een relatief kleine bank, zal minder impact hebben. De Betaalvereniging Nederland publiceert cijfers over de beschikbaarheid van het elektronisch betalingsverkeer, waaronder de pinbetaalketen en het internet- en mobielbankieren in Nederland per bank.2 Die cijfers zeggen echter niets over de aard van gemaakte fouten.
Hoe vaak viel de dienstverlening bij banken uit door respectievelijk technische storingen, DDoS-aanvallen en menselijke fouten?
Bij incidenten waar sprake is van dubbele afboekingen, zoals het onderhavige incident, is geen sprake van uitval van dienstverlening. De betaalsystemen voor het elektronisch betalingsverkeer blijven dan beschikbaar, en zowel pinbetalingen als betalingen via internet- en mobielbankieren kunnen doorgaan voor zover het saldo en de bestedingsruimte op de betaalrekening van betreffende klanten toereikend is. Hoe vaak de dienstverlening uitviel en wat de oorzaak per incident is geweest, is niet bekend. Voor de beschikbaarheid van het elektronisch betalingsverkeer verwijs ik naar de cijfers die door de Betaalvereniging Nederland worden gepubliceerd. Uit het Jaarverslag 2016 van de Betaalvereniging blijkt dat de feitelijke beschikbaarheid van de pinketen in 2016 ruim 99,8% was, en die van het internet- en mobielbankieren in dat jaar rond de 99,7% lag.3 De Betaalvereniging heeft aangegeven dat de beschikbaarheid van de pinketen over 2017 ruim 99,9% betrof.
Deelt u de mening dat ontslagen en heel geringe salarisstijging van medewerkers, duurdere betalingspakketten voor klanten en storingen, tot het inzicht moeten leiden dat ING moet afzien van verdere voorstellen voor hogere beloningen van de top met weer een nieuwe «competitive remuneration policy», zoals vorige week aangekondigd?
Het voorstel van de raad van commissarissen van ING was – in mijn ogen – buitensporig en deed daardoor afbreuk aan het proces van herwinnen van het vertrouwen in de financiële sector. Ik vind het verstandig dat de raad van commissarissen gevoelig is geweest voor het moreel appel vanuit de samenleving, het kabinet en uw Kamer.
In het persbericht van 13 maart 2018 heeft ING ook aangegeven te onderzoeken hoe ING tot een duurzaam en concurrerend beloningsvoorstel kan komen. De voorzitter van de raad van commissarissen van ING heeft op 28 maart 2018 in uw Kamer aangegeven hierover in gesprek te gaan met stakeholders. Tijdens de aandeelhoudersvergadering van 23 april 2018 heeft de raad van commissarissen nogmaals aangegeven uitgebreid de tijd te zullen nemen voor analyse en voor overleg met betrokken partijen. Daarbij werd ook aangegeven dat er op dit moment geen nieuw voorstel in de pijplijn zit. De raad van commissarissen en in het verlengde daarvan de aandeelhouders zijn verantwoordelijk voor het beloningsbeleid en beloningen van bestuurders van financiële ondernemingen. Het is aan de raad van commissarissen van ING om zich daarover te verantwoorden en maatschappelijk draagvlak voor het beloningsbeleid te creëren.
Als een bank drie miljoen fouten maakt, zou u dat dan kwalificeren als een prestatie op «Eredivisie» niveau?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘Mbo'ers lossen tekorten arbeidsmarkt niet op’ |
|
Vera Bergkamp (D66), Pia Dijkstra (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Mbo'ers lossen tekorten arbeidsmarkt niet op»?1
Ja
Hoe groot is het deel zij-instromers en herintreders binnen de sector zorg en welzijn, zowel in absolute aantallen als relatief gezien, ten opzichte van de totale instroom? Kunt u aangeven hoe deze aantallen zijn veranderd, zowel absoluut als relatief, sinds 2010?
80.400
96.900
119.200
30,8 (38%)
37,2 (38%)
42,4 (36%)
27,7 (34%)
34,8 (36%)
44,4 (37%)
Bron: Pensioenfonds Zorg en Welzijn
De totale instroom betreft de instroom van buiten de sector zorg en welzijn. Herintreders zijn hierbij gedefinieerd als medewerkers die ooit in de zorg en welzijn sector werkzaam waren, daarna deze sector hebben verlaten en nu opnieuw instromen binnen zorg en welzijn. Zij-instromers zijn gedefinieerd als personen die instromen, nog nooit in de zorg en welzijn sector werkzaam waren en boven de 25 jaar zijn. De instroom van onder de 25 jaar, wordt gezien als instroom vanuit het initiële onderwijs. Wij beschikken alleen over cijfers voor de periode 2015 t/m 2017.
Deelt u de mening dat zowel herintreders als zij-instromers van groot belang zijn in het licht van de uitdagingen voor de arbeidsmarkt in de zorg? Welke maatregelen onderneemt u om de instroom van herintreders en om de hoeveelheid zij-instroom te vergroten?
Ja, ik deel deze mening. Vanuit het Zorgpact zien we al veel mooie initiatieven in de regio om het aantal herintreders en zij-instromers te vergroten. Het Zorgpact geeft deze initiatieven een podium en een netwerk waardoor initiatieven nu ook op meerder locaties worden uitgerold.
Daarnaast zetten we met het actieprogramma Werken in de Zorg, naast het vergroten van de instroom van jongeren vanuit het voortgezet onderwijs, ook in op het aantrekken van herintreders en zij-instromers. Mensen die voorheen al in zorg en welzijn hebben gewerkt, zijn relatief snel inzetbaar en kunnen op korte
termijn een bijdrage leveren aan het oplossen van personeelstekorten. Bij zij-instroom gaat het om mensen die nu nog werkzaam zijn in een andere sector, maar liever in de zorg zouden werken. Ook kan het gaan om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt of die net hun baan zijn verloren bij een faillissement of reorganisatie. Het is zaak dat we deze mensen naar de zorg toe- en terugleiden, ze aantrekkelijke banen aanbieden – al dan niet in combinatie met scholing – en ze geschikt maken voor een functie binnen de zorg.
In de regio’s worden hierover door ondermeer werkgevers en onderwijsinstellingen afspraken gemaakt. Via de regionale actieplannen tekorten wordt een belangrijke impuls gegeven aan de instroom van herintreders en zij-instromers. VWS ondersteunt dit financieel ondermeer via het project «Sterk in je werk» en SectorplanPlus. Via het project «Sterk in je werk» is ruimte voor 25.000 persoonlijke loopbaangesprekken om mensen die een stap richting de zorg overwegen, verder te helpen. Daarnaast is vaak extra scholing nodig om nieuwe medewerkers te laten starten of goed te laten functioneren. De scholingsimpuls Sectorplanplus levert hier een belangrijke bijdrage aan. Vanuit VWS stellen we in totaal 320 miljoen euro beschikbaar voor om-, her- en bijscholing van vooral nieuwe medewerkers. Hiermee kunnen naar verwachting ongeveer 170 duizend scholingstrajecten worden ingezet voor met name nieuw personeel. Sinds augustus 2017 zijn de instellingen en hun medewerkers al aan de slag gegaan met ongeveer 58,5 duizend trajecten.
Op hoeveel plaatsen in het land worden opleidingen aangeboden voor zij-instromers in de zorg?
Alle ROC’s bieden opleidingen aan binnen zorg en welzijn waar ook zij-instromers aan deelnemen. Het gaat om 41 ROC’s die op één of meerdere locaties, verdeeld over het land onderwijs aanbieden. Zij-instromers kunnen er daarnaast ook nog voor kiezen om scholing te volgen bij een particuliere onderwijsaanbieder.
Op hoeveel plaatsen in het land worden opleidingen aangeboden voor de herregistratie Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG) voor verpleegkundigen?
Het scholingsprogramma voor verpleegkundigen voor herregistratie in het BIG-register wordt op meerdere plaatsen in vier regio’s (Noord-Oost, Noord-West, Zuid-Oost en Zuid-West) in Nederland aangeboden2.
Klopt het dat er geen openbaar oefenmateriaal beschikbaar is voor het examen herregistratie BIG? Deelt u de mening dat dit kan leiden tot onduidelijkheid over de vraagstelling van het examen? Bent u bereid oefenmaterialen beschikbaar te stellen? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat er op dit moment nog geen openbaar oefenmateriaal beschikbaar is. De huidige werkwijze is dat tijdens het scholingsprogramma van ongeveer 10 lesdagen de lesstof wordt behandeld, de deelnemers worden dan ook voorbereid op examinering. De docenten van de opleiding zijn in de gelegenheid gesteld om de gehele batch te bekijken waaruit de toetsen worden samengesteld om het algemene toetsbeeld over te kunnen brengen op de deelnemer van de scholing.
Bovendien wordt op dit moment oefenmateriaal ontwikkeld in opdracht van de MBO Raad. Dit zal gaan om generieke voorbeeldvragen en voor elk specialisme ook een voorbeeld van een casustoets.
Welke kosten zijn er verbonden aan de scholing voor het examen BIG Herregistratie voor de mensen die deze scholing volgen? En welke kosten zijn er verbonden aan de deelname aan het examen BIG Herregistratie voor de mensen die dit examen maken? Kunnen deze kosten, volgens u, een barrière vormen voor herregistratie? Zo ja, wat kunt u hieraan doen?
De kosten voor deelname aan het scholingsprogramma zijn € 1.550,–. De kosten voor het examen zijn € 450,–. De verpleegkundige kan er voor kiezen om alleen deel te nemen aan het examen en de voorbereiding middels zelfstudie te doen. Werkgevers kiezen er regelmatig voor om de scholingskosten te vergoeden. Ook de scholingimpuls SectorPlanPlus, waarin in totaal 320 miljoen beschikbaar wordt gesteld voor om-, her- en bijscholing kan hier een bijdrage aan leveren.
Is het waar dat slagingspercentages van het examen BIG Herregistratie niet openbaar zijn? Wanneer dit het geval is, bent u bereid deze slaginspercentages toch openbaar te maken?
Het klopt dat de slagingspercentages op dit moment niet openbaar zijn. De MBO Raad is bereid deze slagingspercentages openbaar te maken, ik zal daartoe contact opnemen met de MBO Raad.
Is het waar dat het examen BIG Herregistratie maar een aantal keer per jaar op één locatie in Nederland wordt afgenomen? Kunt u uitleggen waarom daarvoor gekozen is?
Dat klopt, het examen wordt zesmaal per jaar aangeboden in Utrecht. De samenwerkende scholen die de opleiding en het examen aanbieden hebben, na een evaluatie met de MBO bedrijfstakgroep Zorg, Welzijn en Sport van het scholingsmodel tot januari 2014, voor dit model gekozen om het examen op een zo efficiënt mogelijke manier aan te bieden. Door het examen op een centrale locatie aan te bieden, hebben herintredende verpleegkundigen onafhankelijk van hun woonplaats, zesmaal per jaar de mogelijkheid deel te nemen aan het examen.
Bent u bereid naar het aantal examens per jaar te kijken met het oog op een uitbreiding van de examendata? Zo nee, waarom niet?
De MBO Raad heeft de mogelijkheden verkend om het examen te digitaliseren. Door digitalisering zou het mogelijk kunnen worden het examen op meerdere plekken in het land aan te bieden en ook vaker. Hier is al een pilot voor gedraaid, die goed is bevallen bij zowel de uitvoerende partij als de deelnemende cursisten. De MBO Raad zal in het najaar een keuze maken hoe verder te gaan met het traject rondom digitalisering van de examens.
Bent u bereid naar het aantal examenlocaties te kijken met het oog op een uitbreiding van de examenlocaties? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht ‘Brandweer smijt met miljoenen’ |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Brandweer smijt met miljoenen»?1
Ja.
Klopt het bericht dat er in totaal 3,9 miljoen euro onrechtmatig is uitgekeerd aan brandweerlieden?
De veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland is volgens de Wet veiligheidsregio’s werkgever van het brandweerpersoneel. Het algemeen bestuur van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland legt over haar personeelsbeleid en financiën verantwoording af aan de gemeenteraden in de regio. Dit geldt ook voor de uitkomsten van de twee onderzoeken die hebben plaats gevonden op verzoek van de veiligheidsregio en de opvolging hiervan.
Bent u bekend met het aanvullend onderzoek door een in arbeidsrecht gespecialiseerd advocatenkantoor, waaruit blijt dat het bedrag van 3,9 miljoen euro niet meer terug te vorderen zou zijn? Zo ja, op welke gronden is het betreffende bedrag niet meer terug te vorderen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe is het mogelijk dat de vorige brandweercommandant nimmer heeft ingegrepen toen hem onderhavige praktijken ten gehore kwamen?
De handelwijze zoals geschetst in het media artikel past volstrekt niet bij de manier waarop we met publieke middelen moeten omgaan.
Sinds de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s op 1 oktober 2010 ben ik als Minister van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk voor de inrichting en werking van het stelsel van veiligheidsregio’s en zijn de besturen van de veiligheidsregio’s verantwoordelijk voor de organisatie en uitvoering van de taken van de veiligheidsregio. Dit houdt onder andere in dat zij de werkgever zijn van het personeel dat in dienst is van hun regio, zoals ook het brandweerpersoneel. Het functioneren van een brandweercommandant is, daarop aansluitend, een interne regionale aangelegenheid.
De regelingen, zoals het Functioneel leeftijdsontslag (FLO), zijn de verantwoordelijkheid van de werkgevers, in afstemming met de vakbonden. De werkgever, toen de gemeentes, werden ten tijde van het opstellen van de regeling vertegenwoordigd door de VNG. Inmiddels is dit werkgeverschap overgegaan naar de veiligheidsregio.
Bovendien is ook de cultuur binnen de brandweerorganisatie een verantwoordelijkheid van het bestuur van de regio. De leden van het algemeen bestuur leggen over het gevoerde beleid op onder andere dit soort onderwerpen verantwoording af aan de gemeenteraden in hun eigen regio.
Ik ondersteun het feit dat de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland onderzoek heeft laten doen naar onrechtmatige uitkeringen en dat het algemeen bestuur van de veiligheidsregio maatregelen neemt. De regelingen zijn inmiddels gestopt. Ook vind ik het positief dat de plaatsvervangend voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland besloten heeft de uitkomsten van de onderzoeken met de overige 24 regio’s te delen.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat het beleid bij de brandweer zodanig wordt gevoerd c.q. aangepast dat dit soort praktijken niet meer voorkomen en de zogeheten foute bedrijfscultuur de kop in wordt gedrukt?
Zie antwoord vraag 4.
Wat gaat u doen met de opmerking van burgemeester Eenhoorn dat de regeling omtrent het Functioneel Leeftijds Ontslag dermate ingewikkeld is dat het hem niets zou verbazen als er in andere korpsen ook afwijkingen zijn?
Zie antwoord vraag 4.
De aanbesteding van de Afsluitdijk |
|
Maurits von Martels (CDA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Investering in sluis in Afsluitdijk moet economische kansen bieden voor Overijssel»1?
Ja.
Bent u het eens met de conclusie dat de betrouwbaarheid van de bruggen bij Kornwerderzand, ondanks de uitgevoerde en geplande onderhoudsinspanningen, niet gegarandeerd kan worden voor de resterende levensduur?
Zoals ik u op eerdere Kamervragen heb geantwoord, worden de komende jaren werkzaamheden uitgevoerd aan de bruggen bij Den Oever en bij Kornwerderzand. Zo vindt in 2020 groot onderhoud aan het rijdek plaats en is rond 2025 de vervanging van het bovendek (inclusief de bewegende delen) voorzien. De investering in de bestaande infrastructuur is van belang om de betrouwbaarheid en de beschikbaarheid van (vaar)wegen op peil te houden. Deze aanpak betekent niet dat storingen aan de bruggen en/of sluizen helemaal kunnen worden uitgesloten.
Ziet u kansen om het gezamenlijke projectvoorstel van het Rijk en de regio voor de verbreding van de sluis bij Kornwerderzand en een totale vernieuwing van de bruggen op korte termijn alsnog mee te nemen binnen het project Afsluitdijk, nu hier sprake is van een meevaller van € 81 miljoen en wetende dat dit ook tot financiële synergie zal leiden?
Het project Afsluitdijk is onlangs gegund. Het vervangen van de bruggen (en verbreding van de sluis) maakt geen onderdeel uit van deze aanbesteding. Wel is er, door de ligging en grootte van de keersluis (stormvloedkering), rekening gehouden met het niet onmogelijk maken van vervangen van de bruggen en verbreden van de sluis. Het nu toevoegen van vervanging van de bruggen en/ of de sluis aan project Afsluitdijk is om verschillende redenen niet mogelijk: het is strijdig met de aanbestedingswet, er is geen financiële dekking en het zou leiden tot vertraging van de versterking van de Afsluitdijk.
Op dit moment is er nog geen zicht op of er in het project Afsluitdijk sprake is van een eventuele aanbestedingsmeevaller. Dit wordt duidelijker na Contract Close, Financial Close en financiële inpassing in de begroting. Het project Afsluitdijk wordt uit het Deltafonds gefinancierd en eventuele aanbestedingsmeevallers zullen in beginsel toevallen aan de investeringsruimte van het Deltafonds.
De vervanging de bruggen en sluis dragen strikt genomen niet bij aan de doelen van het Deltafonds en kunnen daarom niet uit het Deltafonds gefinancierd worden. Het Deltafonds heeft immers een wettelijk vastgelegde scope, namelijk waterveiligheid, waterkwaliteit en zoetwater.
Kunt u, gelet op de motie-van de Graaf c.s. (Kamerstuk 34 775-A, nr. 34), de Kamer drie weken voor de presentatie van de voorjaarsnota informeren over de hoofdlijnen van het gezamenlijke projectvoorstel van het Rijk en de regio voor de verbreding van de sluis bij Kornwerderzand inclusief, rekening houdend met de mogelijke vrijval van € 81 miljoen na de aanbesteding van de nieuwe Afsluitdijk, een financieringsvoorstel? Kunt u hierin de noodzaak tot versnelde vervanging van de bruggen meenemen?
Overeenkomstig de motie-van de Graaf c.s. (Kamerstuk 34 775 A, nr. 34) werkt de regio met ondersteuning van het rijk momenteel aan een financieringsvoorstel voor een bredere sluis bij Kornwerderzand. Veel onderdelen van het financieringsvoorstel worden door regio en rijk nu nog inhoudelijk uitgezocht, waaronder het (technisch) ontwerp en financieringsbronnen voor een nieuwe sluis, de hierboven geschetste conclusies over de bruggen worden hierin meegenomen zoals hierboven vermeld in het antwoord bij vraag 2. Het is daarom nog niet mogelijk voorafgaand aan de voorjaarsnota een algemene stand van zaken te geven over het financieringsvoorstel. In algemeen overleg met Uw Kamer op 13 maart j.l. heb ik aangegeven dat ik u medio dit jaar in het kader van het MIRT-overleg nader zal informeren over de stand van zaken ten aanzien van het financieringsvoorstel van de regio.
Het bericht ‘Van Engelshoven stelt 17 miljoen euro beschikbaar voor Gronings erfgoed’ |
|
Sandra Beckerman (SP), Henk Nijboer (PvdA), Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Van Engelshoven stelt 17 miljoen euro beschikbaar voor Gronings erfgoed»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Rijksmonumenten, ongeacht de ligging, van groot belang zijn voor de identiteit van een gebied en er alles aan moet worden gedaan om deze gebouwen te behouden?
Ja.
Deelt u de mening dat Rijksmonumenten die getroffen zijn door mijnbouwschade, ongeacht waar in Nederland het Rijksmonument zich bevindt, moeten worden onderhouden en behouden voor de toekomst?
Ja, die mening deelt het kabinet. Tegelijkertijd geldt dat álle rijksmonumenten goed moeten worden onderhouden en behouden voor de toekomst. Daar is de bescherming van rijksmonumenten op gericht. In de Erfgoedwet is daarom een instandhoudingsplicht voor rijksmonumenten opgenomen. Van een eigenaar wordt verwacht dat hij of zij het monument zodanig onderhoudt dat behoud gewaarborgd is.
Klopt het dat Rijksmonumenten die zijn getroffen door mijnbouwschade, maar buiten de tien aangewezen aardbevingsgemeenten liggen, niet in aanmerking komen voor de regelingen die in het bericht worden genoemd? Deelt u de mening dat dit niet rechtvaardig is en schadelijk voor de identiteit van het betreffende gebied? Bent u bereid er zorg voor te dragen dat ook Rijksmonumenten die buiten deze aardbevingsgemeenten liggen in aanmerking komen voor deze regeling?
Het klopt dat deze rijksmonumenten niet in aanmerking komen voor de betreffende subsidieregelingen. Dit is opgenomen in het Erfgoedprogramma, dat ik in de zomer van 2017 mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) naar uw Kamer heb gestuurd, en dat tot stand is gekomen door samenwerking van de NCG, provincie Groningen, OCW en de tien aardbevingsgemeenten. Dit laat overigens onverlet dat het herstel van schade aan monumenten (en andere gebouwen) als gevolg van mijnbouwactiviteiten te allen tijde vergoed behoort te worden, ongeacht de ligging. De subsidieregelingen zijn bedoeld voor aanvullend onderhoud, niet voor schadeherstel.
De mening dat dit niet rechtvaardig is, deelt het kabinet niet. Bij de tien aangewezen bevingsgemeenten is de urgentie en prioriteit het grootst. Buiten de aardbevingsgemeenten kunnen eigenaren van rijksmonumenten gebruik maken van andere regelingen. Voor eigenaren van niet-woonhuis rijksmonumenten bestaan bijvoorbeeld de Subsidieregeling Instandhouding Monumenten van het Rijk en de restauratieregeling van de provincie Groningen. Eigenaren van rijkswoonhuismonumenten kunnen onder meer gebruik maken van de laagrentende leningen van het Nationaal Restauratiefonds.
Bent u bekend met de klachten van eigenaren van monumentale panden over het feit dat de NAM in haar schadeaanbod geen rekening houdt met de bijzondere waarde van monumentale panden, het advies van Monumentenwacht terzijde wordt geschoven en Rijksmonumenten op niet-specialistische wijze dreigen te worden opgeknapt, waardoor de historische waarde van deze gebouwen wordt aangetast?
Dit soort klachten is bekend. In het Erfgoedprogramma is onder meer vastgelegd dat schadeopname en schadeherstel bij monumenten op deskundige wijze moet plaatsvinden. In de schadeafhandeling door de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG) blijft dit uitgangspunt onverminderd van kracht.
Deelt u de mening dat er rekening moet worden gehouden met de monumentale status van gebouwen en er alles aan moet worden gedaan om hun historische en culturele waarde te behouden? Wat bent u van plan te doen om hiervoor zorg te dragen?
Ja, het kabinet deelt deze mening. Hiervoor is onder andere het Erfgoedprogramma opgesteld en is extra geld beschikbaar gekomen voor rijksmonumenten. De provincie heeft het Cultuurfonds voor monumenten aangevuld, dat tot doel heeft het behoud van gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden binnen beschermde stads-en dorpsgezichten. Een andere actie uit dit programma is de inventarisatie en bescherming van karakteristieke panden, die de tien gemeenten uitvoeren.
De aanhoudende problemen rondom de afschaffing van de ANW-compensatie bij het ABP, zoals de fouten in de pensioencommunicatie, de beperking tot 5 jaar van de coulanceregeling en de zorgplicht van een pensioenfonds |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Lenny Geluk-Poortvliet (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) in februari op haar website heeft gezet dat er in sommige gevallen alsnog recht bestaat op een gedeeltelijke Algemene Nabestaandenwet (ANW)-compensatie? 1
Ja. Voor deelnemers die pensioen hebben opgebouwd voor 1996 kan er een aanvulling op het nabestaandenpensioen bestaan. De betreffende rechten uit bijlage K van het pensioenreglement zijn gaan herleven, doordat de ANW-compensatieregeling bij het ABP vervalt. De rechten uit de bijlage waren sinds de invoering van de ANW-compensatie niet leidend bij het bepalen van de uitkering, maar komen nu dus weer in beeld. Dit element is in een laat stadium van de discussie over de ANW-compensatieregeling naar boven gekomen, waarmee de complexiteit van de ABP-regeling nog eens wordt onderstreept.
Sinds wanneer bent u ervan op de hoogte dat deze gedeeltelijke ANW-compensatie bestaat voor mensen die voor 1996 dienstjaren bij het ABP hebben opgebouwd?
Op 19 februari 2018 zijn de sociale partners, waaronder de sector Rijk als werkgever, in de Pensioenkamer er op gewezen dat deze bepaling uit 1996 weer betekenis krijgt door de afschaffing van de ANW-compensatieregeling.
Bent u ervan op de hoogte dat het ABP niets over deze aanvullende regeling gecommuniceerd heeft in de brieven die naar alle deelnemers gestuurd zijn?
Ja.
Bent u ervan op de hoogt dat het ABP niets over deze aanvullende regeling gecommuniceerd heeft in de uniforme pensioenoverzichten en niets communiceert in het online pensioenoverzicht mijnABP.nl?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het ABP bij geen enkele officiële woordvoering tijdens de ANW-onrust over deze aanvulling communiceerde?
Ja.
Herinnert u zich dat u bij antwoorden op eerdere Kamervragen2, een eerdere Kamerbrief3 en bij antwoorden op mondelinge vragen4 deze aanvullende regeling niet heeft gemeld?
Ja.
Denkt u dat het ABP-bestuur en de sociale partners bekend waren met dit onderdeel van de pensioenregeling, toen zij besloten de ANW-compensatie in een keer abrupt af te schaffen?
Ik acht het gezien de gevoerde gesprekken en de complexiteit van de ABP-pensioenregeling onwaarschijnlijk dat de sociale partners en de leden van het ABP-bestuur zich destijds bewust waren van het feit dat de betreffende bepaling weer betekenis kreeg met het vervallen van de ANW-compensatieregeling.
Indien u ook maar het vermoeden heeft dat zij wel bekend waren met deze regeling, zijn zij dan zwaar nalatig geweten in het op geen enkele manier hierover communiceren?
Zie antwoord op vraag 7.
Indien het ABP-bestuur en de sociale partners niet bekend waren met dit onderdeel van de pensioenregeling, hoe beoordeelt u dan hun functioneren in hun verantwoordelijke functies?
De casus illustreert dat de ABP-pensioenregeling, waar onder andere verschillende onderdelen van de regeling op elkaar ingrijpen, complex is. Het akkoord van juli 2017 tussen werknemers en werkgevers heeft de complexiteit binnen de regeling verminderd. Een van de stappen die in dat kader is genomen was het afschaffen van de ANW-compensatieregeling. Deze stap was mede ingegeven door het signaal van het ABP-bestuur dat de regeling niet meer verantwoord uitvoerbaar was.
Bent u van mening dat een pensioenfonds en in dit geval het ABP, gewoon fatsoenlijk moet communiceren over haar regeling?
Ja.
Heeft het pensioenfonds ABP fatsoenlijk gecommuniceerd en communiceert het fatsoenlijk over dit onderdeel van de regeling?
Ik kom – zoals in vergelijkbare bewoording aangegeven in de schriftelijke beantwoording van eerdere kamervragen5, en het mondeling overleg met de Kamer van 30 januari 2018 – tot de conclusie dat de berichtgeving en de communicatie rondom het vervallen van de ANW-compensatieregeling ronduit ongelukkig en onvoldoende is geweest. Dit geldt ook voor de zeer late communicatie omtrent de betreffende aanvulling op het nabestaandenpensioen dat kan bestaan voor deelnemers die pensioen hebben opgebouwd voor 1996. De rechten kunnen immers leiden tot een aanvulling op het nabestaandenpensioen (bovenop de extra rechten die voortkomen uit de verruiming van het partner- en wezenpensioen per 2018).
Herinnert u zich dat u aan de Kamer heeft meegedeeld dat artikel 7:977, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is op de ANW-compensatie van het ABP omdat de Anw-compensatieregeling bij het ABP geen risicoverzekering is in de zin van artikel 7:977, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek? (Kamerstuk 31 490 nr. 238)
Ja.
Waarom staat in artikel 5 van de pensioenwet «De artikelen 929, 935, eerste lid, 936, tweede tot en met zesde lid, 941, vijfde lid, 969, 972, 977, tweede lid, 978, 979, 980, tweede lid en 983 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in verband met een pensioenovereenkomst als bedoeld in deze wet of verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in verband met een rechtsbetrekking die op grond van deze wet is gelijkgesteld met een pensioenovereenkomst»?
In artikel 5, eerste t/m derde lid, van de Pensioenwet is een aantal bepalingen uit boek 7 van het Burgerlijk Wetboek met name genoemd, omdat het onwenselijk is dat deze bepalingen van toepassing zijn op een verzekeringsovereenkomst die is gesloten in het kader van een pensioenovereenkomst. Dit heeft te maken met het bijzondere karakter van pensioenverplichtingen. Werkgever en werknemer sluiten een pensioenovereenkomst, welke zijn uitwerking krijgt in een uitvoeringsovereenkomst die tussen werkgever en pensioenuitvoerder wordt gesloten. Er is derhalve geen directe relatie tussen de werknemer en de pensioenuitvoerder in de zin van een overeenkomst. Daarnaast is in artikel 5, vierde lid, van de Pensioenwet bepaald dat bepalingen uit titel 17 en 18 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek buiten toepassing blijven als zij strijd opleveren met bepalingen in de Pensioenwet. Artikel 5, vierde lid, van de Pensioenwet is derhalve een restbepaling en voorkomt dat de regels van de Pensioenwet, ook al zijn ze niet genoemd in de eerste drie leden van artikel 5 van de Pensioenwet, doorkruist worden door bepalingen uit de titel 17 en 18 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Betekent artikel 5 dat artikel 7:977, eerste lid, dat niet uitgezonderd wordt in artikel 5 van de Pensioenwet, wel van toepassing is op de ANW-compensatie die in haar aard gewoon een risicoverzekering is?
In onderhavig geval zijn door werkgevers en werknemers gezamenlijk afspraken gemaakt over de ANW-compensatie. Deze afspraken in het kader van de arbeidsovereenkomst, hebben geresulteerd in afspraken tussen de werkgever en het ABP. De overeenkomst waarin dit resultaat is neergelegd, is een collectieve regeling van de werkgever met het ABP en geen klassieke levensverzekering. De ANW-compensatieregeling is afgeschaft door sociale partners, terwijl tegelijkertijd het nabestaandenpensioen is verruimd. De wijziging van ANW-compensatie in een hoger nabestaandenpensioen is geen eenzijdige actie van een verzekeraar als bedoeld in artikel 7:977, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, en ziet niet op deze situatie waarin werkgevers en werknemers gezamenlijk afspraken hebben gemaakt over (de wijzigingen van) het nabestaandenpensioen. Van een (eenzijdige) opzegging van een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:977, eerste lid, BW is in het geval van de ANW-compensatie bij ABP dan ook geen sprake.
Betekent artikel 5 dat artikel 7:977, eerste lid, dat niet uitgezonderd wordt in artikel 5 van de Pensioenwet, wel van toepassing is op een collectieve ANW-compensatie die nu door koepels wordt afgesloten en die in haar aard gewoon een risicoverzekering is?
Zie het antwoord op vraag 14.
Kunt u heel precies uiteenzetten welke wettelijke waarborgen van toepassing zijn op risicodekkingen die in een pensioenovereenkomst zitten?
Nee, «heel precies» is het lastig te beantwoorden gezien de ruime vraagstelling in combinatie met een brede wet als de Pensioenwet. In zijn algemeenheid kan met betrekking tot regels voor een partnerpensioen op risicobasis worden verwezen naar artikel 55, vijfde lid, van de Pensioenwet (doorlopende aanspraak op partnerpensioen bij werkloosheid), artikel 56 (behoud aanspraak op partnerpensioen bij onbetaald verlof), en artikel 61, zevende lid en tiende lid, van de Pensioenwet (keuzerecht uitruil ouderdomspensioen in partnerpensioen).
Kan een nabestaandenpensioen op risicobasis van de een op de andere dag opgezegd worden in een pensioenregeling zonder dat het individu een passend alternatief heeft?
In het geval van de Anw-compensatieregeling uitgevoerd door het ABP is geen sprake van een «opzegging» van het recht op nabestaandenpensioen. Er is door sociale partners andere invulling gegeven aan het recht op nabestaandenpensioen. Daarmee is de situatie van deze vraag niet aan de orde.
Welke toezichthouder houdt toezicht op de correcte uitvoering van risicoverzekeringen?
Artikel 151 Pensioenwet regelt de verdeling van de toezichttaken van toezichthouders DNB en AFM. De AFM is belast met het gedragstoezicht en DNB met prudentieel en materieel toezicht bij pensioenuitvoerders. De expliciete taakafbakening is nader uitgewerkt in artikel 36 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. Deze verdeling van toezichtstaken geldt ook voor regelingen met betrekking tot het nabestaandenpensioen, waaronder ANW-compensatie.
Is er een zorgplicht bij riscoverzekeringen? Zo ja, wie houdt daar toezicht op?
De wetgever beoogt een gedeelde verantwoordelijkheid bij de wijziging van een pensioenregeling. De werkgever dient de pensioenuitvoerder te informeren over iedere wijziging in de pensioenovereenkomst. De pensioenuitvoerder informeert de deelnemer binnen drie maanden na een wijziging in de pensioenovereenkomst over de wijziging. Op deze informatieverplichting zijn de algemene wettelijke verplichte communicatievereisten van toepassing, waarop de AFM toezicht houdt.
Acht u de bescherming van de deelnemer bij wie een deel van het pensioen op risicobasis verzekerd is afdoende, nu het in een keer eenzijdig opgezegd kan worden?
Zie het antwoord op vraag 17: sociale partners komen de arbeidsvoorwaarde pensioen, inclusief het nabestaandenpensioen, overeen. Er is dus geen sprake van een eenzijdige opzegging.
Kunt u aangeven welke sectoren bij het ABP een contract hebben afgesloten waar deelnemers wel of niet onder kunnen vallen voor een ANW-hiaatverzekering?
Sectoren kunnen geen contract voor een ANW-hiaatverzekering bij het ABP afsluiten, maar zich desgewenst tot de markt richten. De verantwoordelijkheid om al dan niet een ANW-hiaatverzekering aan te bieden ligt bij de werkgevers in de sectoren. Er bestaan daarbij verschillende situaties, mede afhankelijk hoe de betreffende sector georganiseerd is. Zo hebben sommige sectoren een overeenkomst afgesloten waar aangesloten werkgevers gebruik van kunnen maken. De individuele deelnemer heeft vervolgens de keuze om daar – afhankelijk van de persoonlijke situatie en voorkeuren – al dan niet op in te tekenen als de werkgever dit aanbiedt. Andere sectoren hebben er voor gekozen de aangesloten werkgevers vooral te informeren over de aanvullende verzekeringsmogelijkheden. Wanneer de sector slechts 1 werkgever heeft, kan een aanvullende verzekering direct aan de werknemers van de sector worden aangeboden. Sommige sectoren hebben (nog) geen aanvullende verzekering gefaciliteerd.
Wat vindt u zelf een redelijke termijn die mensen nodig hebben om een keuze te kunnen maken voor een dekking of niet onder een ANW-hiaatverzekering? Wanneer zouden zij dus duidelijkheid moeten hebben of hun sector wel of geen collectief contract heeft?
Met het verlengen van de coulanceregeling, hebben de deelnemers tot 1 mei 2018 de tijd gekregen wanneer zij zelf een aanvullend verzekeringsproduct willen afsluiten. Dit acht ik een redelijke termijn. Een eventueel verzekeringsaanbod via de werkgever kan bij die keuze worden betrokken.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het ABP een regeling heeft voor ongeneeslijk zieken die zichzelf niet of tegen torenhoge kosten kunnen verzekeren, zolang zij maar binnen vijf jaar overlijden?
Ja. Voor deelnemers die vóór 1 mei 2018 ongeneeslijk ziek zijn en zich daardoor voor 1 mei 2018 niet, of alleen tegen meer dan twee maal de basispremie, aanvullend kunnen verzekeren (en dit tijdig aantonen bij het ABP), geldt een uitzondering in vorm van de zogenoemde coulanceregeling. In dat geval kan voor de partner ook na 1 mei 2018 het recht op ANW-compensatie blijven bestaan volgens de oude voorwaarden. De looptijd van deze coulanceregeling is beperkt tot 1 mei 2023. Dit betekent dat de partner alleen recht kan hebben op ANW-compensatie als de deelnemer overlijdt voor 1 mei 2023. Op 1 mei 2023 wordt de coulanceregeling beëindigd, maar is er mogelijk wel recht op een aanvulling op het nabestaandenpensioen voor deelnemers die pensioen hebben opgebouwd voor 1996.
Denkt u dat een ongeneeslijk zieke, die niet binnen vijf jaar overlijdt, over 4,5 jaar wel een verzekering kan afsluiten voor zijn/haar nabestaanden of zelfs een verzekering tegen redelijke kosten?
Normaliter kan een ongeneeslijk zieke geen overlijdensrisicoverzekering afsluiten. Dat zal ook over vijf jaar niet het geval zijn. De situatie is dan wel anders. Tegenover het afschaffen van de ANW-compensatieregeling staat immers een verbetering van het partner- en het wezenpensioen per 2018.
Deelt u de mening dat deze regeling over vijf jaar tot totale wanhoop zal leiden bij een aantal mensen? Bent u bereid het ABP te verzoeken deze vijfjaarstermijn onmiddellijk te schrappen?
Ik begrijp uw zorg maar deel uw mening niet. Ik ben ook niet bereid het ABP te verzoeken deze vijfjaarstermijn te schrappen. De ANW-compensatieregeling bij ABP ontstond toen de overheid in 1996 de Algemene Weduwen- en Wezenwet verving door de beperktere dekking in de Algemene Nabestaandenwet. Deze wetswijziging werd onder andere ingegeven door veranderende maatschappelijke en politieke opvattingen. De ANW-compensatieregeling bij het ABP bood nog een gedeeltelijke compensatie indien geen of verminderd recht op een ANW-uitkering vanuit de overheid bestond. Circa twee decennia later, waarin maatschappelijke ontwikkelingen verder zijn voortgeschreden, hebben werkgevers en werknemers bij het ABP in gezamenlijkheid besloten de ANW-compensatieregeling te beëindigen. Door de coulanceregeling blijft de instroom in de ANW-compensatieregeling de facto nog vijf jaar in stand, zij het voor een zeer beperkte groep (d.w.z. voor ongeneeslijk zieken/niet-verzekerbare deelnemers).
Met het oog op de gewenste uitvoerbaarheid van de ABP-regeling (zie antwoord op vraag 9), moet de instroom in de ANW-compensatieregeling op termijn worden beëindigd. Tegen deze achtergrond heeft het ABP-bestuur er voor gekozen om de termijn voor de coulanceregeling te beperken tot 5 jaar, waarbij er een evaluatie zal plaatsvinden in 2019. Kabinetswerkgevers zullen bij deze evaluatie vinger aan de pols houden. Zoals aangegeven bij vraag 24, staat tegenover het afschaffen van de ANW-compensatieregeling een verbetering van het partner- en wezenpensioen.
Hebben gepensioneerden die een partner jonger dan de AOW-leeftijd hebben, een werkelijk alternatief gekregen voor de ANW-hiaatverzekering van het ABP?
Deelnemers (dus ook gepensioneerden die een partner hebben jonger dan de AOW-leeftijd) die voor 1 mei 2018 door een verzekeraar geweigerd worden, of alleen verzekerbaar zijn tegen een premie die gelijk of hoger is dan 2x de basispremie van een verzekeraar kunnen aanspraak maken op de coulanceregeling. Daarnaast geldt dat gepensioneerden vaak opbouwjaren zullen hebben van voor 1996 waarmee recht op een aanvulling op het nabestaandenpensioen kan bestaan.
Bent u alsnog bereid de Autoriteit Financiële Markten (AFM) te vragen onderzoek in te stellen naar de gang van zaken rond de afschaffing van de ANW-compensatie bij het ABP nu volstrekt duidelijk is dat:
Nee. De AFM is een onafhankelijk toezichthouder die haar eigen afwegingen maakt in de inzet van de toezichtcapaciteit. De AFM is ook van deze casus op de hoogte en zal deze wegen in de gehanteerde toezichtstrategie.
Bij een wijziging van de pensioenovereenkomst ziet de AFM erop toe dat deelnemers binnen drie maanden na een wijziging in de pensioenovereenkomst door de pensioenuitvoerder worden geïnformeerd (zie antwoord bij vraag 19). Het pensioen is een ketenverantwoordelijkheid waarbij meerdere partijen betrokken zijn. De sociale partners hebben hun verantwoordelijkheid en rol bij het vormgeven van een nieuw pensioencontract en bij de wijzigingen van pensioenregeling. Pensioenuitvoerders zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de (gewijzigde) regeling en de informatieverstrekking over de wijziging na het genomen besluit door sociale partners. De AFM kijkt in haar beoordeling van de informatieverstrekking naar alle informatiemiddelen: brieven, website(s), nieuwsberichten etc. Over onderzoeken en resultaten daarvan bij individuele instellingen doet de AFM echter geen uitspraak.
Hoe beoordeelt u de totale gang van zaken bij het ABP van de afgelopen maanden?
Het is goed dat werknemers en werkgevers in juli 2017 een breed akkoord hebben gesloten over de ABP-pensioenregeling, waarbij onder andere de complexiteit binnen de pensioenregeling is verminderd. Niettemin zijn de berichtgeving en de communicatie rondom het vervallen van de ANW-compensatieregeling ronduit ongelukkig en onvoldoende geweest. Dit geldt, helaas, ook voor de rechten op aanvulling op het nabestaandenpensioen, waarover het ABP pas in februari een bericht op de website heeft geplaatst. Het ABP-bestuur is momenteel bezig met een evaluatie, waarbij ook de sociale partners worden betrokken. Het is van belang hier lering uit te trekken met het oog op mogelijke toekomstige wijzigingen in de pensioenregeling.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen twee weken beantwoorden, vooral in verband met de keuzemogelijkheid die mensen nog hebben voor 1 mei, de vraag over BW artikel 7:977 en de vraag of het ABP de vijfjaarstermijn tenminste wil laten vervallen?
De antwoorden zijn één voor één beantwoord en zo spoedig mogelijk toegestuurd.
Het gebruik van werkbakken aan hijskranen bij asbestsanering |
|
Erik Ziengs (VVD), Roelof Bisschop (SGP), Eppo Bruins (CU), Maurits von Martels (CDA), Roy van Aalst (PVV), Thierry Baudet (FVD) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de door sectororganisaties ontwikkelde beslissystematiek voor het in uitzonderingssituaties inzetten van een hijskraan met werkbak bij de sanering van asbestdaken en van het ondersteunende onderzoeksrapport van Aboma?1
Ja.
Hoe waardeert u de constatering van Aboma dat in Nederland de voorwaarden voor gebruik van hijskranen met werkbakken in uitzonderingssituaties (artikel 7.23d, eerste lid, Arbeidsomstandighedenbesluit) veel strenger zijn dan in omliggende Europese lidstaten, waar bijvoorbeeld geen tijdsrestrictie van toepassing is?
Net als voor Nederland geldt voor omliggende Europese lidstaten de richtlijn 2009/104/EG waar in het onderzoeksrapport van Aboma naar wordt verwezen. Artikel 7.18 geeft uitvoering aan de richtlijn 2009/104/EG over het gebruik van arbeidsmiddelen. Hieruit volgt dat het uitvoeren van werkzaamheden door personen vanuit een werkbak die aan een hijskraan hangt, in beginsel niet is toegestaan. De richtlijn laat in artikel 3.1.2 van bijlage II op onderdelen ruimte aan lidstaten om naar eigen inzichten invulling te geven aan het bovenbedoelde verbod. Dat heeft geleid tot artikel 7.23d van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De invulling in Nederland van de richtlijn 2009/104/EG is in het verleden tot stand gekomen na raadpleging van sociale partners.
Omdat het saneren van asbest bijzonder risicovol werk is, waarbij een goede bescherming van werknemers belangrijk is, is een zorgvuldige afweging van feiten van belang. Asbestsaneerders hebben aangegeven dat voor een deel van de daken geen veiligere alternatieven zijn voor het gebruik van een hijskraan met een werkbak. Ik neem de signalen van de sector serieus. Ik laat, zoals aan uw Kamer is toegezegd, een onafhankelijk onderzoek uitvoeren naar de problematiek die de asbestsaneerders aangeven. Het onderzoek zal in kaart brengen in welke situaties problemen ontstaan bij de inzet van werkmethoden die voldoen aan de huidige regelgeving en welke veilige oplossingen voor deze problemen mogelijk zijn. In het geval er veilige oplossingen zijn waarbij de huidige regelgeving te beperkend is, dan zal op basis van het onderzoek bezien worden of aanpassing mogelijk is. De verwachting is dat de resultaten van het onderzoek voor de zomer van 2018 beschikbaar komen.
Deelt u de constatering van Aboma dat asbestdaken in verband met de leeftijd vaak een verzwakte of onbetrouwbare draagconstructie hebben en het daarom onwenselijk is om tijdens asbestsanering het dak als werkplatform te gebruiken?
De constatering is juist dat asbesthoudende golfplaten door erosie aan draagkracht kunnen verliezen. Voor de onderliggende draagconstructie geldt dit veelal niet. De meest passende methode kan daardoor per situatie verschillen. Het is primair de taak van de werkgever om een methode voor het uitvoeren van werkzaamheden te bepalen die voldoet aan de geldende regelgeving. De regelgeving biedt daartoe ook de ruimte. De Inspectie SZW houdt toezicht op naleving van de wet en beoordeelt of werkmethoden aan de wettelijke regels voldoen.
Deelt u de constateringen van Aboma dat specifieke machines als alternatief voor de hijskraan met werkbak in uitzonderingssituaties op korte termijn niet beschikbaar zijn en dat hoogwerkers met een groot bereik in zijwaartse richting onvoldoende veilig zijn?
Het onderzoek dat ik aan uw Kamer heb toegezegd moet hier duidelijkheid over geven.
Deelt u de conclusie van Aboma dat de door de sectororganisaties opgestelde beslissystematiek een goede methode is om in uitzonderingssituaties te komen tot een afweging voor het gebruik van een kraan met werkbak, zeker na in achtneming van de gegeven aanbevelingen?
Ik waardeer de activiteiten die de sector heeft ondernomen om tot een oplossing te komen voor de ontstane situatie. Een oplossing waarin zij net als ik een goede bescherming van werknemers voorop stelt. Het saneren van asbest is namelijk bijzonder risicovol werk.
Ik heb de partij die het onderzoek voor SZW gaat uitvoeren de rapportage van Aboma aangeboden en wil de sector graag betrekken bij de uitvoering van dit onderzoek.
Bent u bereid, gelet op de aangenomen motie-Bisschop c.s. (Kamerstuk 25 883, nr. 308) en de urgentie van de asbestsaneringsopgave, op basis van de door de sectororganisaties opgestelde beslissystematiek op korte termijn in ieder geval tijdelijk ruimte te bieden voor het gebruik van hijskranen met werkbakken bij sanering van grote en moeilijk bereikbare dakoppervlakten en met een structurele oplossing te komen als het door u geïnitieerde onderzoek afgerond is?
Ik deel het gevoel van urgentie dat hier zo spoedig mogelijk eenduidige oplossing op moet komen. Pas na het toegezegde onderzoek kan ik een gefundeerde beslissing nemen of een eventuele aanpassing van de wettelijke voorschriften noodzakelijk is. Ik zal u mijn standpunt snel, na ontvangst van het in antwoord op uw tweede vraag bedoelde onderzoek, laten weten.
Het bericht ‘Gezellig. Cursussen koran voorlezen op de Vrije Universiteit gescheiden voor mannen en vrouwen’ |
|
Geert Wilders (PVV), Harm Beertema (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gezellig. Cursussen koran voorlezen op de Vrije Universiteit gescheiden voor mannen en vrouwen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is dat er in de hoofdvestiging van de Vrije Universiteit, de Boelelaan, cursussen worden gegeven waarbij de vrouwen (door de islam gedwongen) worden gescheiden van de mannen?
In Nederland zijn mannen en vrouwen gelijkwaardig en dienen zij ook als dusdanig behandeld te worden. Al eerder heeft de VU te kennen gegeven dat segregatie tussen mannen en vrouwen tegen haar interne regels is en dat ze voor bijeenkomsten waar sprake is van segregatie tussen mannen en vrouwen geen ruimte beschikbaar stelt (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 54 en Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 812).
In dit geval organiseerde de Islamitische studentenvereniging Amsterdam (ISA) cursussen Tajwid op de VU, waarbij de mannen en vrouwen in aparte zalen zaten. Zodra de VU hier signalen over ontving, zijn ze in gesprek gegaan met de studentenvereniging en is aangegeven dat dergelijke segregatie op de VU niet is toegestaan. Aan de betreffende studentenvereniging is de keuze voorgelegd om de groepen samen te voegen, conform de reglementen van de VU. Er is toen door de studentenvereniging besloten om de cursussen op een externe locatie verder te laten gaan. Ik zie dus ook geen reden om hier met de VU verder over in gesprek te gaan.
Bent u bereid de VU te bewegen deze facilitering van islamitische sekse-apartheid te stoppen en ervoor zorg te dragen dat dit in Nederland niet meer voorkomt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat de zaak van Jannie Knot nog altijd niet is afgehandeld |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Jannie Knot, ondanks dat zij op 31 oktober 2017 in het gelijk is gesteld door de Arbiter Bodembeweging en ondanks een toezegging van het Centrum Veilig Wonen (CVW) op 15 december 2017, nog steeds wacht op schadeloosstelling van haar gaswinningsschade?1
Ja.
Deelt u de mening dat het ronduit schandalig is dat Jannie Knot zo lang moet wachten op de schadeloosstelling waar zij recht op heeft?
Zoals ik steeds benadruk sta ik op het standpunt dat schade als gevolg van gaswinning moet worden vergoed, en wel op een manier die de benadeelde niet onnodig opzadelt met juridisch of administratief gedoe. Daarbij merk ik op dat de actie van de hongerstakers aantoont dat er gevoelens van angst, frustratie en onzekerheid zijn bij de inwoners van Groningen als gevolg van de schadelijke gevolgen van de gaswinning. Het kabinet zet zich daarom in om de veiligheid in het gebied te herstellen en de schade te vergoeden. We brengen de gaswinning zo snel mogelijk terug, verbeteren de schadeafhandeling en werken aan toekomstperspectief van Groningen.
Ten aanzien van de oude schademeldingen, waar de hongerstakers met hun actie aandacht voor vragen, heb ik met NAM afgesproken dat zij een ultieme poging doet om al deze schadegevallen vóór 1 juli 2018 naar tevredenheid van bewoners af te handelen. In mijn brief van 9 maart 2018 (Kamerstuk 33 529, nr. 455) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de wijze waarop NAM invulling geeft aan deze afspraak. De commissaris van de Koning van Groningen en ik volgen dit en hebben hierover contact met de NAM.
Over de specifieke zaak waar uw vragen over gaan heb ik me door de NAM laten informeren. Omdat het hier over een individuele casus gaat en over de persoonlijke situatie van een bewoonster met schade wil ik hier niet in detail op ingaan. Het betreft in ieder geval een ingewikkelde schadezaak die de Arbiter Bodembeweging, op voorspraak van de NCG, met voorrang in behandeling heeft genomen. De afhandeling van deze schade heeft naar mijn mening veel langer geduurd dan nodig en gepast was, gezien de situatie van de bewoonster en haar gezin.
NAM en de zaakwaarnemer van de bewoonster zijn met elkaar in overleg om zo spoedig mogelijk tot een oplossing te komen. NAM heeft toegezegd vooruitlopend daarop een voorschot te verstrekken zodat zij in haar persoonlijk levensonderhoud kan voorzien.
Wat is de reden dat de uitspraak van de Arbiter Bodembeweging van ruim vier maanden geleden nog steeds niet is uitgevoerd? Kan zij de aan haar verschuldigde schadeloosstelling zo spoedig mogelijk ontvangen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, gezien de ernst van de situatie, deze zaak zelf op te pakken? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen, gezien de urgentie, binnen een week beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Mariniers Vlissingen niet zien zitten en massaal weglopen |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Leegloop bij Korps Mariniers: militairen zien verhuizing van Doorn naar Vlissingen niet zitten»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe groot de leegloop in uw ogen moet zijn voordat de gevechtskracht en/of operaties wel in gevaar komen? Bij welke aantallen is dat?
Irreguliere uitstroom van personeel heeft gevolgen voor de organisatie en voor de operationele gereedheid. Maar de gevolgen kunnen verschillen al naar gelang de personeelscategorieën die het betreft. Algemene uitspraken zijn dan ook niet goed mogelijk. Maar het Korps Mariniers blijft in staat aan zijn huidige inzetverplichting te voldoen. Ik zie geen reden om met militaire missies te stoppen als gevolg van het personeelsverloop. Om hier ook in de toekomst aan te kunnen blijven voldoen, is het van belang de eenheden weer volledig te vullen.
Kunt u aangeven wat er destijds nodig was om de kazerne in Doorn te behouden? Zo nee, waarom niet?
Al eerder, in Kamerstuk 32 733, nr. 70 van 22 juni 2012, is met de Kamer gedeeld dat de jarenlange contacten met de gemeente niet hebben geleid tot een oplossing voor het ruimtegebrek op de kazerne, ingeklemd tussen de bebouwing van Doorn en de natuur: «Een oplossing door aankoop van het golfterrein (2 ha) stuitte op verzet van de golfclub. Een oplossing in de vorm van een bestemmingswijziging van het Stamerbos ten zuiden van de kazerne bood geen soelaas. De gemeente werkte hieraan niet mee, omdat het een belangrijk natuurgebied betrof en schadeclaims dreigden.»
In dit Kamerstuk werd ook verwezen naar de eveneens met de Kamer gedeelde Massastudie naar aanleiding van de businesscasevan de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Hierin concludeerde Defensie dat de gerenoveerde Van Braam Houckgeestkazerne alleen onder voorwaarden aan de gestelde ruimtelijke eisen kon voldoen en er vervolgens geen ontwikkelingsmogelijkheden meer zouden zijn.
Deelt u de mening dat de veiligheid van Nederland gebaat is bij een sterke Korps Mariniers? Zo ja, kunt u aangeven wat u gaat doen om deze maritieme helden te behouden en deze leegloop te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zoals ik op 6 april jl. schreef in antwoord op de eerdere vragen over het bericht dat Defensie gevechtsonderdelen opheft wegens personeelstekort, is het behoud van personeel bij Defensie een prioriteit de komende jaren. Niet voor niets staat het personeel voorop in de recent uitgegeven Defensienota.
In het plan van aanpak Behoud en Werving en de Defensienota staan maatregelen die zijn gericht op zowel de werving als het behoud van personeel. Zo krijgen commandanten meer mogelijkheden om maatwerk te leveren en hiermee tegemoet te komen aan de loopbaanwensen van militairen, wordt de legering verbeterd, het toelagensysteem aangepast, kan personeel langer op een functie blijven, wordt het personeelssysteem aangepast en worden behoudspremies uitgekeerd. Ook het concept van de adaptieve krijgsmacht moet bijdragen aan het op orde krijgen van de personele gereedheid, bijvoorbeeld door de inzet van reservisten.
Het bericht ‘Videodiensten moeten kinderen beschermen tegen gewelddadige porno’ |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Videodiensten moeten kinderen beschermen tegen gewelddadige porno»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het oordeel van het Commissariaat voor de Media dat de morele ontwikkeling bij jongeren rond de 16 jaar nog onvoldoende ontwikkeld is?2 Wat betekent dit oordeel voor de bescherming van minderjarigen tegen online pornografie? Worden minderjarigen momenteel voldoende beschermd, in aanmerking nemende dat de wettelijke bepalingen zich hoofdzakelijk beperken tot het voorkomen van ernstige schade?
Online pornografie kent verschillende verschijningsvormen. Als het gaat om video’s aangeboden in een commerciële mediadienst op aanvraag (cmoa), afkomstig van een in Nederland gevestigde aanbieder, dan is de Mediawet 2008 van toepassing. De Mediawet 2008 verlangt van aanbieders van cmoa’s dat zij media-aanbod dat ernstige schade kan toebrengen aan de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van jongeren onder de 16 jaar, afschermen. Voor aanbieders van cmoa’s stelt de Mediawet op dit moment nog geen vereisten voor de bescherming van minderjarigen tegen voor hen schadelijke beelden.3 Een gemiddelde pornografische video zal doorgaans in deze categorie vallen. Overigens hebben een aantal aanbieders van cmoa’s zich al vrijwillig aangesloten bij het NICAM, de organisatie achter Kijkwijzer, om hun aanbod op basis van Kijkwijzer te classificeren en van pictogrammen te voorzien (o.a. Pathé Thuis en HBO).
Het Commissariaat heeft er in zijn rapportage metatoezicht 2016 op gewezen dat het voor de bescherming van minderjarigen, die in toenemende mate gebruik maken van online en on demand content, noodzakelijk is dat leeftijdsclassificaties ook in het online domein worden toegepast.4 In 2015 is een hiertoe strekkende motie aangenomen, ingediend door het lid Heerma.5 Mijn ambtsvoorganger heeft hierop aangegeven dit verzoek te willen bezien in samenhang met het voorstel van de Europese Commissie tot herziening van de Europese Audiovisuele Mediadiensten (AVMD) Richtlijn. De verwachting is dat deze medio 2018 zal worden afgerond. Hoewel de uitkomst van de onderhandelingen tussen Europees parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie nog niet vaststaat, ziet het ernaar uit dat de Richtlijn het belang van classificatie en afscherming ook binnen het online domein zal onderstrepen.
Deelt u de mening dat het moeilijk is om de mate waarin pornografie schadelijk is scherp te onderscheiden en dat het wenselijk is minderjarigen zoveel mogelijk bescherming te bieden tegen ongewenste invloeden? Bent u bereid te verkennen op welke wijze de Britse Digital Economy Act Nederland ten voorbeeld kan dienen, onder meer ten aanzien van de verplichte leeftijdsverificatie voor online pornografie?
Ik vind het van groot belang dat minderjarigen ook online zoveel mogelijk beschermd worden tegen voor hen mogelijk schadelijke beelden. Ik ben er dan ook voorstander van dat het beschermingsniveau dat het NICAM de afgelopen jaren met de Kijkwijzer heeft bereikt voor de lineaire diensten doorgetrokken wordt naar het online media-aanbod. Zodra de herziening van de AVMD is vastgesteld, ga ik aan de slag met de implementatie daarvan. Dit krijgt zijn beslag in de Mediawet.
De uitzending van EenVandaag ‘Meer homogeweld en veel zaken komen niet bij Openbaar Ministerie terecht’ |
|
Maarten Groothuizen (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van EenVandaag «Meer homogeweld en veel zaken komen niet bij Openbaar Ministerie terecht»?1
Ja.
Hoeveel melding van geweld tegen en bedreiging, belediging en/of discriminatie van homoseksuelen zijn er in 2016 en 2017 gedaan?
In Nederland is iedereen gelijkwaardig en heeft men de vrijheid om te houden van wie men wil en om zichtbaar zichzelf te zijn. Daar waar die vrijheid wordt ingeperkt, er sprake is van discriminatie, of mensen zelfs onveilig zijn, treedt de overheid actief op.
Een melding van homodiscriminatie kan worden gedaan bij de politie, bij een anti-discriminatievoorziening (ADV), bij het College voor de Rechten van de Mens, bij het Meldpunt internetdiscriminatie (MiND), bij een aantal belangenorganisaties en/of bij enkele particuliere initiatieven. Bij discriminatie in combinatie met geweld ligt het doen van aangifte het meest voor de hand.
De politie registreerde op basis van het totale aantal aangiftes in 2017 954 incidenten van discriminatie op grond van seksuele gerichtheid. Dat zijn 341 incidenten minder dan in 2016. Van de registraties van discriminatie in 2017 had 27% betrekking op de discriminatiegrond seksuele gerichtheid; dat was in 2016 30%. Hiervan was 90% gerelateerd aan homoseksualiteit. De meeste incidenten speelden zich af in de directe woonomgeving of op de openbare weg. Vaak ging het om een discriminerende uitlating; soms ging dit gepaard met fysiek geweld. Een deel van de registraties had betrekking op incidenten waarbij het woord «homo» als algemeen scheldwoord werd gebruikt, zonder dat bij de daders (of bij de politie) bekend was wat de seksuele gerichtheid van het slachtoffer was. Andere incidenten waren wel expliciet gericht op de seksuele gerichtheid van het slachtoffer.2
Bij ADV’s zijn in 2017 duidelijk minder meldingen over discriminatie op grond van seksuele gerichtheid gedaan dan in 2016: de ADV’s registreerden 195 meldingen in 2017 tegenover 380 in 2016. Het niveau van meldingen in 2017 is in lijn met de jaren voor 2016. Terwijl ADV’s veel minder meldingen van discriminatie op grond van seksuele gerichtheid registreerden dan de politie, ging het bij deze meldingen in de meeste gevallen wel om gerichte discriminatie, in de zin dat melders zich gediscrimineerd voelden op grond van hun seksuele gerichtheid. Bij twee op de drie ADV-meldingen op grond van seksuele gerichtheid ging het om een belediging of schelden. De meldingen gingen vooral over discriminatie van homoseksuele mannen.
Bij het Meldpunt internetdiscriminatie (MiND) werden in 2017 67 meldingen van de discriminatie op grond van seksuele gerichtheid geregistreerd. Met ingang van 1 januari 2017 is het niet meer mogelijk om discriminatie op het internet bij het Meldpunt Discriminatie op Internet (MDI) te melden. Het MDI heeft het afhandelen van de meldingen overgedragen aan MiND en richt zich nu uitsluitend op onderzoek. De afbouw van het meldpunt van het MDI is al in de loop van 2016 begonnen. Bij MiND en MDI kwamen in 2016 54 meldingen binnen over discriminatie op grond van seksuele gerichtheid.3
Het College voor de Rechten van de Mens (CRM) ontving in 2017 zes verzoeken om een oordeel te geven dat is gerelateerd aan de discriminatiegrond seksuele gerichtheid. Het jaar ervoor waren dat er zeven.4
Bij welke instanties worden deze meldingen gedaan? Hoe verloopt de registratie?
Zie antwoord vraag 2.
Welke trends ziet u in deze meldingen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel aangiftes van geweld tegen en bedreiging, belediging of discriminatie van homoseksuelen zijn er in 2016 en 2017 gedaan bij de politie?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeveel van de onder vraag 5. genoemde zaken heeft de politie een proces-verbaal ingestuurd naar het openbaar ministerie (OM)?
In 2017 zijn bij het Openbaar Ministerie 144 specifieke discriminatiefeiten ingestroomd, behorend tot 138 verschillende zaken. Bij 8% ging het daarbij om de discriminatiegrond «seksuele gerichtheid».5 Daarnaast stroomden er 187 CODIS6-feiten in, behorend tot 154 verschillende zaken. Bij 29% van de gronden was het discriminatie-aspect gericht op de discriminatiegrond «seksuele gerichtheid».
In 2016 ging het om 163 specifieke discriminatiefeiten, waarbij het in 10% de seksuele gerichtheid betrof. In 2016 waren er 232 CODIS-feiten, waarbij het in 9% seksuele gerichtheid betrof.
Daarbij moet aangetekend worden dat de cijfers uit de antwoorden 2 tot en met 5 en bovenstaande cijfers niet een op een met elkaar te vergelijken zijn. Zo kan het zijn dat meerdere aangiftes over één geval van discriminatie leiden tot de instroom van één enkel discriminatiefeit. Ook is het mogelijk dat één zaak meerdere feiten omvat: een verdachte in één zaak, met één parketnummer, kan immers verdacht worden van meerdere feiten.
In hoeveel van de onder vraag 6. genoemde zaken heeft het OM de zaak zelf afgedaan?
In 2017 heeft het Openbaar Ministerie 182 discriminatiefeiten afgedaan. In 79 gevallen (44%) werd besloten de verdachte voor de rechter te brengen; in acht gevallen (4%) werd het feit afgedaan met een transactie; in 32 gevallen (17%) met een OM-strafbeschikking; in 12 gevallen (7%) met een voorwaardelijk sepot; in 36 gevallen (19%) met een onvoorwaardelijk sepot; in 10 gevallen (6%) met een oproep ter terechtzitting naar aanleiding van verzet. In vijf gevallen (3%) volgde een andere afdoening.
Ten aanzien van de onvoorwaardelijke sepots geldt dat 26 sepots een beleidssepot betreffen. Zeven betreffen een technisch sepot en drie onvoorwaardelijke sepots zijn administratieve sepots.
De categorie «oproep ter terechtzitting naar aanleiding van verzet» houdt in dat een verdachte een OM-strafbeschikking heeft geweigerd, en dat hij daarna alsnog is gedagvaard om voor een rechter te verschijnen.
In 2016 werd bij 159 discriminatiefeiten een beslissing over de afdoening genomen. Deze 159 feiten hoorden bij 150 zaken. Bij 53% van de discriminatiefeiten werd besloten om te dagvaarden. Bij 3% van de afgedane feiten werd besloten tot een transactie. Bij 11% van de feiten werd een OM-strafbeschikking uitgevaardigd. 23% van de feiten werd geseponeerd. Van alle geseponeerde feiten kreeg 59% een technisch sepot en 41% een beleidssepot. 20% werd onvoorwaardelijk, en 3% werd voorwaardelijk geseponeerd.7
Daarbij moet worden aangetekend dat het aantal ingestroomde feiten kan verschillen van het aantal feiten dat in een bepaald jaar wordt afgedaan. Het gaat daarbij ook niet per se om dezelfde feiten. Een feit kan immers in het ene jaar instromen en in het daaropvolgende jaar worden afgedaan.
Hoeveel van de onder vraag 5. genoemde zaken zijn door het OM geseponeerd? Wat waren daarvoor de redenen?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeveel van de onder vraag 5. genoemde zaken is door het OM een verdachte gedagvaard? Hoe zijn deze zaken door de rechter afgedaan?
In 2017 waren er 87 rechterlijke beslissingen in zaken waarin een specifiek discriminatieartikel ten laste was gelegd, tegenover 77 beslissingen in 2016. Het betreft uitspraken van de rechter die zien op zaken als geheel, en dus niet enkel op het specifieke discriminatiefeit. De weergegeven uitspraak kan daarom andere, niet aan discriminatie gerelateerde, delicten betreffen, die geheel los staan van het discriminatiefeit. Aangezien een veroordeling geen betrekking hoeft te hebben op alle tenlastegelegde feiten kan het ook zijn dat het discriminatiefeit niet bewezen is verklaard. In 62 van de 87 gevallen kwam het tot een veroordeling.8 Ook bij deze cijfers moet worden aangetekend dat het aantal ingestroomde feiten kan verschillen van het aantal feiten dat in een bepaald jaar wordt afgedaan. Het gaat daarbij ook niet per se om dezelfde feiten. Een feit kan immers in het ene jaar instromen en in het daaropvolgende jaar worden afgedaan. Zie voor het overige mijn antwoord op de vragen 7 en 8.
Hoe beoordeelt u bovengenoemde uitkomsten? Welke maatregelen kunt u nemen om de aanpak van geweld tegen en belediging van homoseksuelen te verbeteren?
Uit de rapportages van politie en Openbaar Ministerie over discriminatie kan niet worden afgeleid dat er sprake is van een toename van homogeweld, zoals EenVandaag stelt. Tegelijkertijd wil het kabinet zich niet blindstaren op statistieken: de geringe meldings- en aangiftebereidheid van de LHBTI-community blijft een punt van zorg. Het kabinet zal mede daarom uitvoering geven aan het onderdeel van de motie van de leden Van den Hul en Sjoerdsma9 dat oproept een actieplan op te stellen om geweld tegen LHBTI’s tegen te gaan.
Onveiligheid in een woonwijk in Rosmalen |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Schoten in woonwijk Rosmalen verbazen buurtbewoners niet: «We zagen dit aankomen»»1?
Ja.
Beschikte de politie eerder over signalen dat er in de genoemde wijk of bij het pand waar het schietincident plaatsvond sprake was van (verdenking van) strafbare feiten? Zo ja, wat is er met die signalen gedaan?
Ten aanzien van de in de berichtgeving genoemde casus is sprake van een lopend (strafrechtelijk) onderzoek. Ik moet daarom – zoals gebruikelijk – terughoudend zijn in mijn beantwoording op vragen over deze specifieke zaak en kan geen uitspraken hierover doen.
Was het bij de politie eerder bekend dat sommige buurtbewoners zich zorgen maakten over de situatie rondom het genoemde pand? Zo ja, wat was er dan bekend?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze worden bewoners in Rosmalen of andere steden betrokken bij de lokale aanpak van criminaliteit?
Vanuit hun verantwoordelijkheid voor de lokale veiligheid, is het aan de gemeenten zelf hoe zij invulling geven aan de lokale aanpak van criminaliteit en de betrokkenheid van burgers daarbij. Op deze wijze kan ook lokaal maatwerk worden geboden, omdat de omstandigheden per gemeente kunnen verschillen. Hieruit kunnen zij onder meer putten uit landelijke voorzieningen.
De burgemeester van ’s-Hertogenbosch heeft mij geïnformeerd dat bewoners in Rosmalen de mogelijkheid hebben bij te dragen aan veiligheid door o.a. het project Samen zien we meer. Helpt u ook mee? Dit project is er op gericht om de veiligheid binnen de gemeente te verbeteren.
Ik vind de betrokkenheid van burgers bij de aanpak van ondermijnende criminaliteit belangrijk. Er zijn landelijke mogelijkheden/voorzieningen voor burgers om bij te dragen aan de aanpak van (lokale) criminaliteit, zoals «Burgernet». Een ander voorbeeld is de Taskforce Brabant Zeeland die streeft naar het vergroten van het vertrouwen in de overheid en het vergroten van de meldingsbereidheid en het handelingsperspectief bij burgers/ondernemers. Het gaat hierbij dus om enerzijds het actief informeren en betrekken van bewoners, maar ook om het vergroten van het aantal burgers dat missstanden meldt, bijvoorbeeld via «Meld Misdaad Anoniem». De Taskforce is actief op sociale media (twitterende wijkagenten), in bewonersbrieven en persberichten, waarbij zij wijzen op de mogelijkheid en het belang van meldingen bij «Meld Misdaad Anoniem». Daarnaast zijn er initiatieven zoals de «Waaksamen appgroep» waardoor buurtgroepen op WhatsApp gemakkelijker verdachte situaties kunnen melden aan de juiste instantie.
Deelt u de mening dat het betrekken van bewoners bij de lokale aanpak van criminaliteit verbeterd dient te worden? Zo ja, hoe gaat u daar voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre zijn bewoners bekend met het feit dat zij signalen van criminaliteit ook anoniem kunnen melden?
Op de website van de politie, Slachtofferhulp en Meld Misdaad Anoniem zijn de mogelijkheden van anoniem melden kenbaar gemaakt. Zo heeft Meld Misdaad Anoniem op jaarbasis tussen de 55.000 en 70.000 contacten met burgers.
Deelt u de mening dat bij veel inwoners het beeld bestaat dat het doen van een melding of aangifte geen zin heeft omdat dat er daarna niets mee zou worden gedaan? Zo ja, is dat beeld terecht en wat gaat u doen om dat weg te nemen? Zo nee, waarom niet en hoe komt het dan dat bij tal van misdrijven de meldings- en aangiftebereidheid zo laag is? Hoe gaat u uw voornemen uit het regeerakkoord om de aangiftebereidheid te vergroten concreet maken?
Het doen van aangifte of melding is van essentieel belang voor het politiewerk, daarom staat ook opgenomen in het regeerakkoord dat de inzet is de aangiftebereidheid te vergroten. Mijn beleid is gericht op het bevorderen van laagdrempelige aangiftemogelijkheden. Dit zal per type delict bekeken moeten worden. De politie richt zich hierbij op een multichannel-aanpak zodat slachtoffers via het kanaal dat bij diegene past aangifte of melding kunnen doen.
Het CBS rapporteert in de veiligheidsmonitor 2017 dat de aangiftebereidheid van burgers in 2017 nagenoeg gelijk is gebleven ten opzichte van 2016. Ondanks dat aangifte doen op laagdrempelige wijze vorm wordt gegeven maken burgers hun eigen afwegingen ten aanzien van de schade die zij hebben geleden, de gepercipieerde ernst van het delict en de mogelijkheid om de schade te verhalen. Deze kosten-batenafweging maakt dat dé aangiftebereidheid ook niet bestaat.
Het bericht dat Brussel een kenniscentrum opricht voor bestrijding van voedselfraude en het bevorderen van voedselkwaliteit |
|
Frank Futselaar (SP), Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over het door de Europese Commissie aangekondigde kenniscentrum dat zich gaat bezighouden met voedselkwaliteit en bestrijding van voedselfraude?1 2
Ja.
Kunt u in detail aangeven welke taken het centrum gaat uitvoeren en welke experts daarvoor worden ingezet?
Het Europese Kenniscentrum voor Voedselfraude en Voedselkwaliteit is een netwerk van deskundigen van de Europese Commissie en daarbuiten, dat beleidsmakers en autoriteiten in de lidstaten en de EU zal ondersteunen door toegang te bieden tot actuele wetenschappelijke informatie over voedselauthenticiteit en voedselkwaliteit in Europa. In deze functie zal het centrum ondersteunend zijn aan de werkzaamheden van het Europese Voedselfraudenetwerk (Food Fraud Network FFNW), waaraan de Ministeries van VWS en LNV, en de NVWA deelnemen.
Concrete taken van het kenniscentrum zullen zijn:
Voor dit netwerk worden deskundigen van de Europese Commissie en van daarbuiten ingezet. Dit zullen de deskundigen zijn die nu ook al meer op ad hoc basis voor de afstemming van die activiteiten op dit gebied worden ingezet.
Hoeveel fulltime-equivalent (fte) worden voor het kenniscentrum ingezet en in hoeverre zijn dit nieuwe of reeds bestaande banen van Europese onderzoeksinstellingen?
Het is mij onbekend hoeveel fte zullen worden ingezet voor het kenniscentrum en hoeveel daarvan binnen de bestaande formatie van het Joint Research Centre van de Europese Commissie worden gevonden.
Welke budget heeft de Europese Commissie vrijgemaakt voor het nieuwe kenniscentrum en waar wordt het centrum gehuisvest?
Het is mij niet bekend of de Europese Commissie voor dit nieuwe kenniscentrum voor voedselfraude en voedselkwaliteit extra financiële middelen vrijmaakt.
Het kenniscentrum wordt ingericht binnen het bestaande Joint Research Centre (JRC). Het belangrijkste laboratorium van het JRC voor voedselonderzoek bevindt zich in Geel (België).
Wat betekent het kenniscentrum voor de positie van de voedselautoriteiten van de lidstaten en het EU-netwerk voedselfraude in het algemeen en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in het bijzonder, zeker wat betreft taken als het coördineren van toezicht op de voedselkwaliteit en het informeren van burgers?
De inrichting van dit kenniscentrum heeft geen consequenties voor de positie van de voedselautoriteiten in de lidstaten. De handhavende autoriteiten prioriteren hun eigen handhaving en blijven dit – nu ondersteund door het kenniscentrum – ook in de toekomst doen. Hetzelfde geldt voor het Europese Food Fraud Network (FFNW).
Het kenniscentrum zal de beschikbare kennis, waar mogelijk, toegankelijk maken voor het brede publiek. Dit heeft geen invloed op de taken die nationale autoriteiten, zoals de NVWA, hebben bij het informeren van de burgers.
Op welke (Europees)wettelijke grondslag is de stichting van dit centrum gebaseerd?
Het kenniscentrum is ingericht bij het Joint Research Centre (JRC) dat in 1957 bij de oprichting van de Europese Gemeenschappen is ingesteld. Het oprichten van het centrum is een organisatorische beslissing waarvoor geen aanvullende specifieke (Europees)wettelijke grondslag nodig is.
Kunt u aangeven op verzoek van welke actoren het kenniscentrum in het leven is geroepen? Wat was de positie en de rol van Nederland in dit proces? Hoe heeft de besluitvorming over de Nederlandse positie in deze kwestie eruit gezien?
De beslissing om een Kenniscentrum voor voedselfraude en voedselkwaliteit in het leven te roepen is door de Europese Commissie zelf genomen. Nederland (en andere lidstaten) heeft geen rol gehad in de besluitvorming hierover.
De aangenomen resolutie van de parlementaire assemblee van de Raad van Europa “Prosecuting and punishing the crimes against humanity or even possible genocide committed by Daesh” |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Martijn van Helvert (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de unaniem aangenomen resolutie van de parlementaire assemblee van de Raad van Europa (2190/2017) «Prosecuting and punishing the crimes against humanity or even possible genocide committed by Daesh», die Europese staten oproept formeel te erkennen dat IS genocide pleegt op yezidi’s, christenen en niet-Soenitische moslim en de genocide conventie van toepassing te verklaren?
Ja.
Herinnert u zich dat de Nederlandse regering op 22 december 2017 schreef: «Het Kabinet is van oordeel dat voldoende feiten zijn vastgesteld om te oordelen dat IS zich hoogstwaarschijnlijk schuldig heeft gemaakt aan genocide en misdrijven tegen de menselijkheid: de verplichtingen uit het Genocideverdrag zijn in deze casus van toepassing»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de op 22 februari 2018 aangenomen motie-Van Helvert c.s. die de regering opdraagt een voorstel te doen in VN-Veiligheidsraad voor een mechanisme ter vervolging en berechting van ISIS-strijders?2
Ja.
Herkent u ook dat steeds meer informatie over te individualiseren casus van genocide bekend wordt en dat daarbij behorende informatie beschikbaar komt? Deelt u de mening dat er ook in Nederland een punt of een functionaris moet komen waarheen die informatie z’n weg kan vinden?
Zoals uiteengezet in de brief die gelijktijdig met de beantwoording van deze Kamervragen aan uw Kamer is verzonden, werkt het Internationale Misdrijven-cluster (IM-cluster) van het Landelijk Parket samen met het Team Internationale Misdrijven van de Dienst Landelijke Recherche om daders van internationale misdrijven op te sporen en te laten berechten, waar ze zich ook bevinden en ongeacht hun nationaliteit. Het Team Internationale Misdrijven verkrijgt via verschillende kanalen informatie over mogelijke daders van internationale misdrijven in relatie tot ISIS, waaronder ook van burgers.
Tevens zal ik, zoals ik heb aangegeven in bovengenoemde brief, samen met politie en OM onderzoeken welke extra inspanningen mogelijk zijn om expertise op het gebied van genocide in relatie tot ISIS verder uit te bouwen. Bij dat onderzoek zal ik tevens het voorstel van de Kamerleden Van Helvert, Van Dam en Omtzigt betrekken om een gespecialiseerd officier aan te stellen. Daarbij wordt de vraag meegenomen in hoeverre een gespecialiseerde officier van justitie op het gebied van internationale misdrijven die zich specifiek gaat richten op genocide in relatie tot ISIS-verdachten van toegevoegde waarde kan zijn. Over de resultaten van dit onderzoek zal ik uw Kamer informeren.
Bent u bereid een speciale officier van justitie aan te stellen, om informatie te verzamelen, om te beoordelen of opsporingsonderzoeken gestart moeten worden, om mensen die betrokken zijn bij ISIS te vervolgen voor genocide of medeplichtigheid aan genocide?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om het mogelijk te maken dat mensen die bewijsmateriaal bezitten over misdrijven begaan door ISIS, deze aan de officier van justitie kunnen overhandigen zodat het in rechtszaken hier en elders gebruikt kan worden?
Zie antwoord vraag 4.
Regeldruk voor kleine evenementen en festivals zoals de Lauwersland Fietsvierdaagse |
|
Harry van der Molen (CDA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere Kamervragen over onnodige regeldruk voor kleine evenementen en festivals naar aanleiding van het rapport van Actal (heden: Adviescollege Toetsing Regeldruk) die ertoe leidt dat het steeds lastiger is voor vrijwilligers om kleine evenementen en festivals te organiseren?1
Ja.
Welke landelijke regelgeving leidt ertoe dat de Lauwersland Fietsvierdaagse voor het eerst in zeventien jaar een vergunning bij de gemeenten moest aanvragen waar de routes doorheen gaan? Wat is de reden van deze landelijke regelgeving?2
Anders dan wordt verondersteld betreft het hier gemeentelijke regelgeving. De Lauwersland Fietsvierdaagse is op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Kollumerland c.a. een evenement waarvoor een vergunning vereist is. Deze fietsvierdaagse werd al enige jaren georganiseerd, maar in het verleden werd de vereiste vergunning niet aangevraagd. De organisatie is nu er nu door het gemeentebestuur op gewezen, dat de vereiste vergunning moest worden aangevraagd.
Omdat de route van de fietsvierdaagse door meerdere gemeenten gaat, heeft de gemeente Kollummerland c.a. aan de evenementenvergunning de voorwaarde verbonden dat de desbetreffende andere gemeenten een verklaring van geen bezwaar verlenen om wegen en paden te gebruiken.
Behalve de leges voor de evenementenvergunning van de gemeente Kollumerland c.a., brengen gemeenten ook voor het afgeven van een verklaring van geen bezwaar leges in rekening. Deze legesheffing vormde voor de organisatie van de fietsvierdaagse een probleem. Overigens zal de fietsvierdaagse in 2018 gewoon doorgaan.
Erkent u het belang dat bij lokale en landelijke regelgeving en uitvoering vooral uit wordt gegaan van de vrijwilligersorganisaties en verenigingen, zoals Oranje-, scouting-, carnavals-, sport- en andere verenigingen, omdat zij 95% van het aantal te organiseren evenementen uitmaakt? Bent u bereid om samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) te verkennen hoe meer eenvoud (of regelvrije ruimte) in de regelgeving kan worden gebracht zodat buurtfeesten, festivals of de activiteiten van de Oranjevereniging makkelijker te organiseren zijn?
Ik onderschrijf het maatschappelijk belang van vrijwilligersorganisaties en verenigingen, zoals Oranje-, scouting-, carnavals-, sport- en andere verenigingen. Gemeenten zien ook dit belang. Juist daarom zijn gemeentelijke organisaties en
– werkwijzen er steeds meer op ingericht om de genoemde organisaties zo goed mogelijk te faciliteren, ook bij het organiseren van evenementen. Bij het opstellen van een evenementenvergunning maken gemeenten een evenwichtige afweging tussen het belang van het evenement en het belang van het voorkomen van overlast (bijvoorbeeld geluidsoverlast), het handhaven van de openbare orde, enz. Juist op het niveau van de gemeente kan in die afweging lokaal maatwerk worden geboden.
Daarbij houden de gemeenten samen met de VNG en het Ministerie van BZK de vinger aan de pols om te bezien of regeldruk bij (kleine) evenementen nog verder kan worden verminderd. Hierover vindt ook overleg plaats met vertegenwoordigers van relevante organisaties, zoals bijvoorbeeld de Bond van Oranjeverenigingen. De uitkomsten van dat overleg kunnen voor gemeentebesturen aanleiding zijn tot aanpassing van de plaatselijke verordeningen.
Bent u bereid om samen met de VNG te verkennen welke regelgeving in de praktijk tot hoge kosten leidt voor vrijwilligers en organisatoren van kleine evenementen en festivals en hoe dit aangepast kan worden?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening van het toenmalige Actal om bijvoorbeeld in het geval van geluidsnormen een maximum te stellen waarna lokale overheden binnen een bandbreedte hiervan mogen afwijken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe gaat u de ervaren regeldruk die zich uit in bijvoorbeeld relatief hoge kennismakingskosten (min. € 1,7 miljoen) bij het bereiken van overeenstemming met alle betrokken organisaties (gemeenten, provincies, vervoersbedrijven, e.d.) voor organisatoren van kleine evenementen en festivals verkleinen?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat veel organisatoren van kleine evenementen en festivals te maken hebben met een tijdelijk bouwwerk (circa 80%) en dat de vereisten die worden gesteld in het Bouwbesluit zijn gebaseerd op bouwwerken met een blijvend karakter?
Organisatoren van kleine evenementen en festivals hebben vaak te maken met regelgeving voor tijdelijke constructies. Tijdelijke podia, tribunes en andere bouwconstructies bij kortdurende evenementen en festivals zijn geen bouwwerk in de zin van het Bouwbesluit 2012; de eisen van dat besluit zijn dus niet van toepassing. Voor tijdelijke constructies bij kortdurende evenementen is sinds 1 januari jl. het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen van toepassing. In dit besluit zijn aan de constructie van deze bouwsels voorwaarden verbonden om de veiligheid van de gebruikers te garanderen. Het besluit beperkt zich tot brandveiligheid en hulpverlening voor die bouwsels. Voor overige aspecten van dit soort bouwsels, zoals de zogenaamde constructieve veiligheid, kan de gemeente nadere eisen stellen.
Heeft de evaluatie over het gebruik van de «Richtlijn voor constructieve toetsingscriteria bij een aanvraag voor een evenementenvergunning» van het Centraal overleg bouwconstructies (COBc) al plaatsgevonden? Bent u het met het toenmalige Actal eens dat bij een positieve evaluatie van de richtlijn dit omgezet dient te worden in een algemene maatregel van bestuur? Zo nee, waarom niet?
Er heeft tot op heden geen evaluatie plaatsgevonden van het gebruik van de «Richtlijn voor constructieve toetsingscriteria bij een aanvraag voor een evenementenvergunning» van het Centraal overleg bouwconstructies (COBc). De constructieve veiligheid van evenementenaanvragen valt overigens, zoals hiervoor is aangegeven, niet onder de landelijke bouwregelgeving. De aanbeveling van het toenmalige Actal over de betreffende richtlijn van het Centraal overleg bouwconstructies (COBc) was daarom in de eerste plaats gericht aan de VNG. Zonder een nadere standpuntbepaling van de VNG ter zake acht ik het niet opportuun om de wenselijkheid van een dergelijke algemene maatregel van bestuur te overwegen.
Zijn er mogelijkheden onderzocht om op landelijk niveau tot een eenduidige classificatie te komen voor de types A-, B- of C-evenement, omdat door ontbrekende criteria gemeenten hier verschillend invulling aan geven waardoor organisatoren van kleine evenementen en festivals rechtsongelijkheid ervaren?
In het verleden is geprobeerd tot een eenduidige classificatie te komen. Politie, brandweer, gezondheidsdiensten en andere betrokken diensten hanteren echter verschillende invalshoeken met betrekking tot de classificatie van evenementen. Wat voor de ene dienst een zeer risicovol evenement is, hoeft dat niet te zijn voor de andere dienst. Dat maakt het moeilijk om tot een eenduidige classificatie te komen. Gemeenten proberen in de praktijk in gezamenlijk overleg met hulpdiensten de juiste voorwaarden te bepalen waaronder een specifiek evenement kan plaatsvinden. Dit vertaalt zich vervolgens in voorschriften in de evenementenvergunning.
Zijn er al oplossingen gekomen voor het tot een goed einde brengen van meldings- en vergunningprocedures die laten zien dat er eindeloze afstemming tussen afdelingen, diensten en organisaties plaatsvindt? Heeft u al overleg gepleegd met gemeenten over bijvoorbeeld het instellen van een evenementenloket, zodat het makkelijker wordt voor vrijwilligers om kleine evenementen en festivals te organiseren?3
Gemeenten nemen al veel initiatieven ter verbetering van de klantgerichtheid en vermindering van administratieve lasten voor organisatoren van evenementen. Er zijn goede gemeentelijke ervaringen opgedaan met een coördinatiepunt of vaste coördinator voor evenementen. Gemeentebesturen zijn goed in staat om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, te beslissen of dergelijke «best practices» worden overgenomen en zo ja, in welke vorm. Wel zal ik de VNG om aandacht te vragen voor mogelijkheden tot vermindering van de administratieve lasten voor organisatoren bij evenementen die het grondgebied van meerdere gemeenten betreffen.
Op welke wijze gaat u de aanbevelingen uit het evaluatieonderzoek Handreiking Evenementenveiligheid uitvoeren?4
De Handreiking Evenementenveiligheid wordt momenteel in opdracht van het Veiligheidsberaad herzien, waarbij de aanbevelingen van het evaluatieonderzoek worden betrokken. Naar verwachting is de bijgestelde handreiking in de loop van dit jaar gereed. Een dergelijke handreiking geldt als richtinggevend advies voor de gemeentebesturen.
Welke gemeenten zijn samen met evenementenorganisatoren aan het werken aan een ander Handboek Evenementenveiligheid dan de bestaande Handreiking Evenementenveiligheid?
Er bestaan verscheidene instrumenten om de veiligheid van evenementen lokaal te borgen. Daarbij verwijs ik naar de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie aan de Tweede Kamer d.d. 17 maart 2016 (vergaderjaar 2015–2016, 28 684, nr. 463). Naast de eigen verantwoordelijkheid van de organisator van een evenement verbindt de gemeente voorwaarden en/of voorschriften aan een evenementenvergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening. In aanvulling op de Handreiking Evenementenveiligheid – gericht op advisering van gemeenten door veiligheidsregio’s – is het Handboek Evenementenveiligheid gemeenten gericht op het verschaffen van praktische inzichten en tips geven bij het zorgen voor een veilig evenement. Tezamen bieden beide documenten voor overheden een waardevolle basis, om de veiligheidszorg rond evenementen op een effectieve wijze te kunnen borgen. Het staat gemeenten vrij om zelf, of in samenwerking met andere partners een handboek naar eigen keuze te hanteren.
Hoe zorgt u ervoor dat er niet twee regimes ontstaan voor de evenementenveiligheid? Welke mogelijkheden ziet u om ervoor te zorgen dat deze trajecten afgestemd dan wel samengevoegd worden? Hoe wordt voorkomen dat in het nieuwe door gemeenten vastgestelde Handboek Evenementenveiligheid de norm teveel uitgaat van professionele evenementenorganisaties en niet van vrijwilligersorganisaties?
Zie antwoord vraag 12.
De overname chipbedrijf NXP door Qualcomm |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Tom van der Lee (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «U.S. Calls Broadcom’s Bid for Qualcomm a National Security Risk»?1
Ja.
Wat is de reden dat de regering van de Verenigde Staten de vijandige overname van chipfabrikant Qualcomm door Broadcom blokkeert in verband met risico voor de nationale veiligheid? Bent u het eens met deze beslissing?
De President van de VS heeft op 12 maart de door Broadcom Limited (gevestigd in Singapore) nagestreefde overname van het Amerikaanse bedrijf Qualcomm Incorporated verboden op basis van overwegingen van nationale veiligheid. De President van de VS heeft deze beslissing genomen op basis van een vertrouwelijk advies van het Committee on Foreign Investment in the United States (CFIUS). Vanwege de vertrouwelijkheid van het CFIUS-rapport is niet bekend op welke gronden CFIUS tot het advies aan de President is gekomen. Ik heb om die reden geen oordeel over deze beslissing.
Zijn er elementen in het besluit van de Verenigde Staten die ook aanleiding kunnen geven om extra onderzoek te laten doen naar de overname van het chipbedrijf NXP door Qualcomm, bijvoorbeeld op het gebied van nationale veiligheid en vitale infrastructuur?
Kunt u aangeven wat precies de verschillen zijn tussen de overnamepoging van chipfabrikant Qualcomm door Broadcom en de overnamepoging van NXP door Qualcomm op het gebied van nationale veiligheid en vitale infrastructuur?
Kan worden gesteld dat er sprake is van vitale infrastructuur, omdat NXP 5G-technologie ontwikkelt die nodig is voor bijvoorbeeld zelfrijdende auto’s en zich ook bezig houdt met chips om bijvoorbeeld paspoorten te kunnen lezen?
Ziet u negatieve consequenties die kunnen ontstaan door de overname van NXP door Qualcomm? Zo ja, welke?
Vindt u het een belangrijk element dat Clarivate Analytics het bedrijf NXP in de top 100 heeft opgenomen van de Global Innovators? Zo ja, neemt u dit mee in uw afweging voor wat betreft de overname?
Bent u bereid om voorwaarden te stellen aan de overname van chipbedrijf NXP door Qualcomm?
Wat vindt u ervan dat Qualcomm toestemming krijgt van de Europese Commissie om NXP over te nemen, terwijl tegelijkertijd het bedrijf een boete van 997 miljoen euro opgelegd krijgt door de Europese Commissie omdat het bedrijf van 2011 tot 2016 de Europese antikartelwetten heeft overtreden?
Indien een mededingingsautoriteit een overtreding van de mededingingsregels heeft vastgesteld kan een sanctie worden opgelegd in de vorm van een boete. In het geval van Qualcomm heeft de Europese Commissie een boete opgelegd voor een overtreding van het verbod op misbruik van een economische machtspositie. Bij beoordelingen door mededingingsautoriteiten van voorgenomen concentraties worden de risico’s voor de mededinging als gevolg van de voorgenomen concentratie onderzocht en meegewogen. Eventuele overtredingen van de wet, waaronder de mededingingswetgeving, worden niet opnieuw gesanctioneerd.
Maakt u zich zorgen om geheel afhankelijk te worden van bedrijven in de Verenigde Staten of China met betrekking tot autobatterijen bij elektrisch rijden? Zo nee, waarom niet?
Eurocommissaris Maros Šefčovic (Energie Unie) heeft initiatieven genomen die de ontwikkeling van een batterij-industrie in Europa stimuleren. De Nederlandse industrie heeft goede kansen hierop aan te haken en economische kansen te verzilveren. Ik maak me geen zorgen.
Waarom maakt de Europese Commissie zich wel zorgen over het aandeel van Europa van batterijen voor elektrische auto’s, maar lijkt de Europese Commissie zich geen zorgen te maken over het aandeel 5G-technologie in Europa voor zelfrijdende auto’s?2
5G-technologie is relevant voor de ontwikkeling van nieuwe diensten en dienstverleningsconcepten, waaronder toepassing daarvan in zelfrijdende auto’s. De Europese Commissie ondersteunt de ontwikkeling en uitrol van 5G. Dit gebeurt onder meer via het publiek-private samenwerkingsprogramma 5GPPP3, het harmoniseren van frequentiebanden voor de uitrol van 5G, en het door de lidstaten beschikbaar stellen van die frequenties.4 Dit moet er aan bijdragen dat de EU een leidende positie verkrijgt met betrekking tot 5G.
Woningbouwplannen in grote stedelijke regio’s |
|
Erik Ronnes (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Minister: «meer bouwplannen graag»»?1
Ja.
Kunt u aangeven waarop de conclusie uit dit artikel is gebaseerd dat er een chronisch gebrek aan plannen zou zijn? Wilt u die informatie delen met de Kamer?
Het artikel stelt «Er zou ook een chronisch gebrek aan plannen zijn, maar daarover zijn de meningen verdeeld.» Er worden bij deze stelling geen bronnen vermeld. Ik heb in mijn brief aangegeven dat ik verwacht dat decentrale overheden realistisch zijn over de groei van de regionale woningbehoefte, en dat ik met de grote stedelijke regio’s waar ook op de langere termijn de woningbehoefte hoog blijft het gesprek aanga over het tijdig beschikbaar stellen van voldoende passende plancapaciteit voor woningbouw. Daarbij heb ik tevens aangegeven dat ook wanneer de plancapaciteit op papier voldoende is om te voorzien in de regionale woningbehoefte, regio’s tijdig na moeten denken over alternatieven voor wanneer bestaande plannen uitvallen of vertraging oplopen, om zo te voorkomen dat het terugdringen van het woningtekort onnodige vertraging oploopt.
Kunt u aangeven waarom gesprekken worden gestart in Groningen, de Metropoolregio Amsterdam, de regio Utrecht en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag?2 Waarop is de keuze voor die gemeente/regio’s gebaseerd? Waarom wordt niet nu reeds gesproken met bijvoorbeeld Eindhoven, Tilburg, Amersfoort, Haarlem of Breda? Bent u voornemens ook met andere regio’s in gesprek te gaan waar omvangrijke woningtekorten bestaan? Zo ja, welke en op welke termijn?
In de genoemde regio’s ben ik de gesprekken over het versnellen en vergroten van de woningbouw gestart, omdat deze regio’s zowel in absolute aantallen woningen als in relatieve zin de komende jaren voor een omvangrijke uitdaging staan om in de woningbehoefte te voorzien, waarbij ook op de langere termijn een groot woningtekort wordt verwacht. Bovendien is de ruimtelijke invulling van de woningbehoefte in deze regio’s complex, omdat juist in grote stedelijke gebieden de beschikbare ruimte schaars is, en diverse ruimtelijke belangen samenkomen. Het gezamenlijk oppakken van de bouwambitie vergt een intensieve samenwerking met betrokken stakeholders in de regio, waardoor ik genoodzaakt ben om hier keuzes in te maken.
Ook voor veel andere stedelijke regio’s zijn er uitdagingen om te voorzien in de woningbehoefte, en kan ondersteuning vanuit het Rijk daarbij wenselijk zijn. Middels de inzet van het expertteam woningbouw bied ik daarom landsbreed ondersteuning aan regio’s die tegen knelpunten aanlopen. Dit expertteam zal ik ook proactief inzetten wanneer ik signalen krijg dat dit in specifieke regio’s wenselijk is. Daarnaast zal ik het belang van voldoende woningbouw, ook in de bredere ruimtelijke afweging, steeds benadrukken in de verschillende regio’s. Dat doe ik bijvoorbeeld in de strategische BO’s MIRT die verdeeld over 5 regio’s in het hele land plaatsvinden. Overigens was Haarlem als onderdeel van de Metropoolregio Amsterdam aanwezig bij het gesprek dat ik in deze regio gevoerd heb, en was Amersfoort betrokken bij het gesprek dat ik in Utrecht op provinciaal niveau heb gevoerd.
Kunt u aangeven in welke grote stedelijke regio’s nu al duidelijk is dat het niet mogelijk is om de grote behoefte aan nieuwe woningen op termijn volledig binnen bestaand stedelijk gebied op te vangen? Waarop is die conclusie gebaseerd?
Het is mijn inzet om in constructieve samenwerking met de regionale partijen te bezien hoe zij de komende jaren invulling gaan geven aan de woningbehoefte, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. Het is daarbij niet mijn intentie om eenzijdig te bepalen wat per regio binnen bestaand bebouwd gebied mogelijk is. Er zijn recent diverse studies (PBL 2016, Brink 2017 en Brink 2018) verschenen die ingaan op de mogelijkheid om de behoefte aan woningen binnenstedelijk op te vangen. De uitkomsten lopen uiteen, afhankelijk van de tijdshorizon, de verwachte groeiscenario’s, de gebruikte definitie van binnenstedelijk en het mogelijke aanbod dat wordt meegenomen in het betreffende onderzoek (leegstaande objecten, gebieden, onderbenutte terreinen, of alle bodemgebruiksbestemmingen waarop woningbouw is te realiseren). Een terugkerende conclusie is dat de potentie voor binnenstedelijk bouwen in de komende jaren nog steeds groot is, maar dat op termijn de woningbehoefte waarschijnlijk niet overal binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen.
Zal de gesuggereerde voorfinanciering om de transformatie van binnenstedelijke gebieden, zoals oude industrie- en havengebieden, tot woningbouwlocaties «om te katten» voor specifieke steden/regio’s gaan gelden of kunnen alle steden/regio’s daar een beroep op gaan doen?
Met het transformeren van binnenstedelijke locaties naar woningbouw kunnen hoge kosten gemoeid gaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om de kosten van bodemsanering, ontsluiting en het versneld uitplaatsen van bedrijven. In gespannen regio’s zijn door stijgende woningprijzen steeds meer van dergelijke locaties rendabel te ontwikkelen. Desondanks kan de beschikbaarheid van financiering in de voorfase een knelpunt voor ontwikkeling zijn. Momenteel bezie ik hoe voorfinanciering de transformatie van deze rendabele binnenstedelijke locaties kan versnellen en hoe private partijen kunnen bijdragen aan een fonds voor dergelijke projecten. Op basis hiervan wordt de verdere invulling en reikwijdte van het fonds bepaald.