Het bericht dat de NPO gaat experimenteren met nasynchronisatie van buitenlandse series |
|
Joost Sneller (D66), Paul van Meenen (D66) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «NPO gaat experimenteren met nasynchronisatie»1 en «Nasynchronisatie: niet aan beginnen, zeggen taalexperts»?2
Ja.
Wat is uw betrokkenheid geweest bij de totstandkoming van dit experiment?
Ik ben niet betrokken bij dit experiment.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) gaat experimenteren met het nasynchroniseren van een Duitse serie?
De publieke omroep is onafhankelijk in de uitvoering van de publieke mediaopdracht en besluit zelf over vorm en inhoud van de programma’s. Volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Mediawet 2008 is onderdeel van de publieke mediaopdracht het stimuleren van innovatie ten aanzien van media-aanbod, het volgen en stimuleren van technologische ontwikkelingen en het benutten van de mogelijkheden om media-aanbod aan het publiek aan te bieden via nieuwe media- en verspreidingstechnieken. Overigens is nasynchronisatie bij de Nederlands publieke omroep niet helemaal nieuw. Er zijn kinderprogramma’s die al nagesynchroniseerd worden.
Klopt het dat de NPO van plan is meer buitenlandse series te voorzien van nasynchronisatie? Kunt u toelichten wat de omvang van deze experimenten zal zijn?
Met het experiment wil de NPO kijken hoe het publiek reageert en of een publiek bereikt kan worden dat vanwege gebrekkige taalbeheersing niet zo snel buitenlandse series kijkt die ondertiteld zijn. Afhankelijk van de uitkomsten van het experiment besluit de NPO of meer series worden nagesynchroniseerd. Zie ook mijn antwoord bij vraag 5 en 8.
Kunt u toelichten wat de meerwaarde van nasynchronisatie van series in andere talen zou zijn?
Er zijn in Nederland 1,9 miljoen mensen van 16 jaar en ouder die onvoldoende taalvaardigheid hebben. Deze groep kan daarom moeite hebben met het volgen van ondertiteling. Met dit experiment wil de NPO onderzoeken hoe groot de groep is die het soms lastig vindt om ondertiteling te volgen bij buitenlandse series en of nasynchronisatie voor die groep wellicht een oplossing biedt. Aan de hand van een Nederlands ingesproken versie van de serie Bad Banks wil de NPO bekijken of zo een ander publiek bereikt kan worden. Als het experiment aanslaat, wil de NPO in de toekomst vaker kiezen voor een nagesynchroniseerde versie, naast uitzending van de oorspronkelijke versie.
Wat is uw reactie op de kritiek van taal- en onderwijsdeskundigen op de experimenten, die stellen dat nasynchronisatie een negatief effect kan hebben op begrip van onbekende talen en haaks staat op de huidige ontwikkelingen in het onderwijs, waar kinderen juist zoveel mogelijk in aanraking gebracht worden met de te leren taal? In hoeverre bent u het eens met de stelling dat nasynchronisatie niet bijdraagt aan de kennis van buurtalen Frans en Duits?
De NPO biedt zowel de nagesynchroniseerde als de oorspronkelijke versie aan. De Nederlands ingesproken versie is te zien op NPO 1. Wie toch liever het ondertitelde origineel wil zien, kan terecht op het digitale kanaal NPO 1 Extra. Via de on-demand-dienst NPO Start worden beide varianten aangeboden. Hierdoor zie ik niet direct een nadeel in de zin van taalverarming bij buitenlandse talen.
In Europa worden in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Liechtenstein, Italië, Frankrijk, Spanje, Tsjechië en Hongarije programma’s volledig nagesynchroniseerd. In onder meer Portugal, Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Noorwegen, Zweden, Finland, IJsland, Bulgarije worden vooral kinderprogramma’s nagesynchroniseerd. Ook in Nederland bij de NPO is dit laatste het geval. Voor de voor- en nadelen van ondertiteling en nasynchronisatie verwijs ik naar een artikel van Cees Koolstra, Allerd Peeters en Herman Spinhof, «Argumenten voor en tegen ondertitelen en nasynchroniseren van televisieprogramma's», in het Tijdschrift voor Taalbeheersing, 23e jaargang, nr. 2, p. 84 e.v. Wat betreft taalontwikkeling stellen zij het volgende:
Welke effecten op het aanleren van andere talen zijn u bekend uit landen waar nasynchronisatie op grotere schaal wordt toegepast?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u nader uitleggen op basis van welke methode(s) en criteria dit experiment zal worden geëvalueerd, en wat uw betrokkenheid bij die evaluatie en de beslissing over een eventueel vervolg zal zijn?
De NPO wil ten eerste in algemene zin weten hoe groot de groep is die het soms lastig vindt om ondertiteling te volgen bij buitenlandse series. Ten tweede zal worden onderzocht of nasynchronisatie voor hen een passende oplossing biedt. Ten derde zal de NPO, in de context van Bad Banks, nagaan of er überhaupt behoefte is aan nasynchronisatie onder Nederlanders van 13 jaar en ouder. Onder de kijkers van Bad Banks zal aanvullend worden bekeken met welk kijkmotief zij de serie hebben gevolgd en hoe zij de nasynchronisatie ervaren hebben. Het experiment bevat bovendien een doelgroepanalyse en een vergelijking tussen lineair en online kijkgedrag.
Ik ben niet betrokken bij de evaluatie en beslissingen over een eventueel vervolg. Het experiment behoort tot de programma-autonomie van de NPO.
De alarmerende omvang van het lerarentekort |
|
Peter Kwint (SP), Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat er scholen zijn die nog steeds niet voldoende leraren hebben voor aankomend schooljaar?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. Het lerarentekort is in een aantal regio’s al goed merkbaar. In de brief over het lerarentekort die u recent heeft ontvangen zijn daarom extra acties aangekondigd, waaronder de inzet van aanjagers in de regio.
Hoeveel scholen, uitgesplitst naar primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs, hebben op dit moment nog vacatures openstaan voor aankomend schooljaar en komen dus leraren tekort? Indien u deze cijfers niet heeft, bent u dan bereid dit te onderzoeken gezien de urgentie van het probleem en om het lerarentekort op dit moment in kaart te brengen? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie heeft geen actueel vacatureoverzicht. Dat is ook niet mogelijk, want vacatures komen en gaan en daarmee verandert de stand elke dag. Het monitoren hiervan zou een hoge administratieve druk bij scholen opleveren. Bovendien worden niet alle vacatures openbaar gemaakt.
We monitoren met de Arbeidsmarktbarometer wel het aantal online vacatures op jaarbasis. Daarnaast kijken we hoelang het duurt totdat vacatures worden vervuld. Bovendien worden we frequent op de hoogte gehouden van de stand van zaken door de verschillende onderwijsorganisaties.
Afgelopen november hebben wij de laatste jaarrapportage van de Arbeidsmarktbarometer naar uw Kamer gestuurd.2 Komend najaar zullen wij dat opnieuw doen.
Acht u het wenselijk dat scholen noodzakelijkerwijs uitwijken naar uitzendbureaus, die het lerarentekort als gat in de markt zien, en daarmee kostbaar onderwijsgeld niet naar het onderwijs zelf gaat, maar naar de bankrekening van deze dure uitzendbureaus? Zo nee, waarom doet u hier dan niets aan?
Zoals wij hebben geantwoord op de Kamervragen van het lid Van der Hul (ingezonden 9 juli), de leden Kwint en Westerveld (ingezonden 9 juli) en eerder gestelde Kamervragen over commerciële organisaties3, is het aan scholen zelf of zij gebruik maken van uitzendbureaus. Wat zich nu lijkt voor te doen is dat er uitzendbureaus zijn die de schaarste op de arbeidsmarkt voor primair onderwijs aangrijpen om de tarieven te verhogen. Dat is wat ons betreft niet wenselijk. Wij hebben niet precies inzicht in hoeveel geld besturen de laatste vijf jaar hebben uitgegeven aan uitzendbureaus. Het ministerie gaat hier wel meer volledige en betrouwbare gegevens over verzamelen.
Hoeveel onderwijsgeld is er in de afgelopen vijf jaar terechtgekomen op de bankrekening van uitzendbureaus, dat dus niet aan extra handen in de klas of aan kleinere klassen kon worden besteed? Indien u deze cijfers niet heeft, bent u dan bereid dit te onderzoeken gezien de urgentie van dit probleem? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw reactie op het bericht dat het onderwijzend personeel als enige beroepsgroep het overwerk al vier jaar achter elkaar ziet toenemen en dat inmiddels 45% van de leraren zegt dat ze regelmatig moeten overwerken? Acht u dit wenselijk? En hoe verhoudt dit hoge percentage overwerken in het onderwijs zich tot het aantrekkelijker maken van het beroep van leraar om het lerarentekort in te dammen?2
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de werkdruk in het onderwijs hoog is. Dat is niet wenselijk. Bestuurders en schoolleiders hebben een belangrijke rol bij het verlagen van de werkdruk. Zij zijn verantwoordelijk voor de organisatie van het onderwijs en goed personeelsbeleid. Het ministerie en de sociale partners hebben hiertoe onlangs het werkdrukakkoord gesloten waarmee invulling wordt gegeven aan de investering van het Kabinet om de werkdruk in het po te verlagen.
Daarnaast zijn wij positief over de afspraak in de nieuwe cao voor het voortgezet onderwijs dat leraren vanaf 1 augustus 2019 per jaar 50 uur ontwikkeltijd krijgen. Ook dit zal bijdragen aan de aantrekkelijkheid van het beroep.
Hoe kijkt u aan tegen de organisatie van het onderwijs, waarin een leraar zo’n 900 uur bezig is met zijn leerlingen, terwijl dat in Finland bijvoorbeeld maar 600 uur is? Welke mogelijkheden ziet u om leraren meer tijd te geven naast het geven van hun lessen?
In overleg met het team kunnen scholen bekijken hoe zij het onderwijs zo organiseren om meer tijd te creëren voor docenten. Bijvoorbeeld door een aanpassing van de dagindeling, vakdocenten, meer taakdifferentiatie binnen een divers(er) team of een bepaalde inzet van de werkdrukakkoordmiddelen. Scholen maken hierin eigen keuzes, zodat het voor hen het beste werkt.
Wij bezien dit vraagstuk daarom in relatie tot werkdruk, het lerarentekort en de ruimte voor ontwikkeltijd. In overleg met de verschillende partijen in het veld bekijken wij ook de samenhang met (de vernieuwing van) het curriculum. Het curriculum hangt immers samen met de omvang van de onderwijstijd.
Het aantal onderwijsuren in Nederland en Finland is niet één op één met elkaar te vergelijken gezien de verschillen tussen beide landen. Zo verschillen bijvoorbeeld de startleeftijd en het curriculum. Wel maken wij gebruik van ervaringen in het buitenland, bijvoorbeeld bij het nadenken over de invulling van de onderwijstijd.
Welke actie(s) gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat leraren minder moeten overwerken, zodat het percentage leraren dat aangeeft regelmatig te moeten overwerken juist daalt in plaats van stijgt?
Zie het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat studenten extra collegegeld moeten betalen als zij een tweede bachelor of tweede master in de zorg of in het onderwijs willen volgen en al een diploma behaald hebben in een van deze twee richtingen? Zo ja, wat is de gedachte hierachter? En waarom is ervoor gekozen deze twee richtingen samen te pakken?3
Ja, dit klopt. Wij verwijzen u naar de brief over lerarentekort die wij recent aan uw Kamer hebben gestuurd. Wij reageren in deze brief op de toezegging aan het lid Özdil over de kosten voor een tweede studie in de sectoren zorg en onderwijs.
Welke mogelijkheden ziet u om in ieder geval de instroom naar de Pabo en de lerarenopleidingen voor de tekortvakken voor mensen die al een bachelor in de zorg of het onderwijs hebben toegankelijker te maken, bijvoorbeeld door het verlagen van collegegeld?
In aanvulling op het antwoord op vraag 8, willen wij aangeven dat er wel alternatieve mogelijkheden zijn. Voor personen die eerder een ho-opleiding hebben afgerond en die al over voldoende kennis en vaardigheden beschikken om direct voor de klas te staan, bestaat de mogelijkheid tot zijinstroom. Per zijinstromer kunnen schoolbesturen in aanmerking komen voor een subsidie van € 20.000,– voor de begeleiding en scholings- en vervangingskosten. Personen die al in het bezit zijn van een onderwijsbevoegdheid en die een lerarenopleiding willen volgen voor een andere onderwijssector, kunnen hiervoor de Lerarenbeurs aanvragen. Omdat zij al een onderwijsopleiding hebben gevolgd komen zij in aanmerking voor instellingscollegegeld. Hier wordt in de lerarenbeurs rekening mee gehouden.
Wanneer kan de Kamer uw reactie op de brandbrief van de Onderwijsraad ontvangen met het plan om het lerarentekort zo snel mogelijk op te lossen en escalatie tegen te gaan, gezien de omvang en grote urgentie van het probleem dat ook blijkt uit de berichtgeving van de afgelopen weken?
Wij hebben u recent een brief over het lerarentekort gestuurd waarin wij onder andere een reactie geven op het betreffende advies van de Onderwijsraad.
De voortdurende onduidelijkheid voor examenleerlingen van het VMBO Maastricht |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «De chaos op het VMBO Maastricht blijft voortduren»1?
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de huidige manier van communiceren van de school richting ouders en leerlingen? Kunt u de in dit artikel geuite ontevredenheid hierover begrijpen? Zo ja, wat moet er volgens u beter? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat deze situatie bij leerlingen en ouders de afgelopen weken onduidelijkheid en onvrede heeft opgeroepen. Met de brief die de school in de week van 23 juli naar de leerlingen heeft gestuurd, hebben zij een totaalbeeld gekregen van hoe zij er per vak voor staan, en wat zij nog moeten inhalen. Ik ben blij dat de school voor nog resterende vragen op basis van deze brief een helpdesk heeft ingericht. Ik heb van de school begrepen dat deze hulplijn goed heeft gewerkt en vragen van ouders en leerlingen snel en adequaat zijn beantwoord.
Klopt het dat de school enkel per e-mail bereikbaar is voor vragen van leerlingen en ouders? Hoe verhoudt dit zich tot de ingestelde helpdesk?
Dit klopt niet. De school heeft aangegeven dat leerlingen en ouders bij specifieke vragen over het nieuwe cijferbeeld de school kunnen e-mailen. De school belde vervolgens de leerlingen terug met de relevante gegevens bij de hand. Iedere e-mail is zeker dezelfde dag, bijna steeds binnen een half uur en in veel gevallen zelfs binnen vijf minuten beantwoord, doordat ouders en leerlingen werden terug gebeld. Er zijn in die week 70 vragen beantwoord.
Deelt u de mening dat omwille van de tijd, nog amper een maand tot het nieuwe schooljaar, de school alles in het werk moet stellen vragen zo snel mogelijk te beantwoorden? Zo ja, bent u bereid de school hier per direct (nogmaals) toe aan te sporen? Zo nee, waarom niet?
Net als u hecht ik sterk aan een duidelijke communicatie richting ouders en leerlingen. Hierover heb ik, en bij mijn afwezigheid mijn collega van Engelshoven, de afgelopen weken veelvuldig contact gehad met de school. Zoals in het antwoord hierboven aangegeven beantwoordt de school de vragen van de ouders en leerlingen zo snel en goed mogelijk. Ik zal bij de school waar nodig blijven aandringen op goede en snelle communicatie met ouders en leerlingen.
Herkent u het beeld dat sommige leerlingen voortdurende onduidelijkheid ervaren over de lesstof die zij voor (inhaal)toetsen, bijvoorbeeld bij het vak economie, moeten leren? Zo ja, wat gaat u eraan doen deze duidelijkheid zo snel mogelijk te geven? Zo nee, waarom niet?
Ik herken het beeld dat er de afgelopen tijd bij een aantal leerlingen en ouders onduidelijkheid ervaren is over wat zij moeten inhalen. Omdat dit specifieke vragen van individuele leerlingen betreft ligt de verantwoordelijkheid voor de beantwoording hiervan bij de school. De school heeft mij verzekerd dat aan ouders en leerlingen duidelijk is gemaakt welke inhaaltoetsen moeten worden gemaakt en welke lesstof daarbij hoort. Dit is zowel in persoonlijke mails als via berichten op de website gecommuniceerd. Zoals ik in mijn antwoord hierboven heb aangegeven vertrouw ik er verder op dat door de helpdesk van de school de eventueel nog bestaande vragen zo snel en volledig als mogelijk zijn beantwoord.
Klopt het dat de in het artikel aangehaalde zomerschool voor het vak Frans meermaals niet doorging? Zo ja, hoe verklaart u dit?
De school heeft mij laten weten dat één leerling inderdaad tevergeefs naar school is gekomen voor lessen Frans op de zomerschool. De desbetreffende docent was zonder overleg vertrokken, nadat andere leerlingen niet waren verschenen voor de voorafgaande lessen. De school heeft bij navraag laten weten dat de docent, vanwege verdrietige privéomstandigheden, later niet meer beschikbaar was. De school heeft op die korte termijn geen vervanging kunnen vinden. De leerling heeft in de tweede periode van de zomerschool (13–17 augustus) opnieuw de kans gekregen om de lessen Frans te volgen en heeft daar ook gebruik van gemaakt.
De tekorten aan wijkverpleegkundigen in de zomer |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wijkzorg zet kantoorpersoneel in tegen gaten zomerroosters»1?
Ja
Kunt u bevestigen dat een op de drie wijkverplegingsorganisaties met tekorten kampt deze zomerperiode? Wat vindt u hiervan?
Dat getal kan ik niet bevestigen. Ik kan wel bevestigen dat iedere zomer blijkt dat zorgorganisaties moeite hebben met het inzetten van voldoende personeel. Dat zijn overigens niet alleen wijkverplegingsorganisaties; ook bijvoorbeeld ziekenhuizen kampen hier mee. Het tekort aan medewerkers in de zorg is één van de belangrijkste uitdagingen waarvoor we staan.
Heeft u deze tekorten onderschat ondanks de, vooraf in onder meer de media en debatten, aangehaalde signalen? Zo ja, wat had u kunnen doen om deze situatie te voorkomen? Zo nee, hoe heeft deze situatie alsnog kunnen ontstaan?
Voor geheel zorg en welzijn geldt dat er sprake is van personeelstekorten. Als gevolg van de zomerperiode kunnen organisaties tijdelijk extra moeite ondervinden om voldoende personeel in te zetten. De personeelstekorten in de wijk en breder in de gehele sector zorg en welzijn zijn niet op korte termijn opgelost. DeDaarom heb ik, samen met de Minister voor Medische Zorg en Sport en de Staatssecretaris van VWS, mede namens ministeries OCW en SZW, het Actieprogramma Werken in de Zorg gepresenteerd in maart van dit jaar. Hierin werken wij samen met landelijke en regionale partners in zorg en welzijn aan het terugdringen van de personeelstekorten in geheel zorg en welzijn. Dit gebeurt langs drie actielijnen: meer kiezen voor de zorg; beter leren in de zorg en anders werken in de zorg. Aan de hand van regionale analyses en gezamenlijke ambities zijn in elke regio regionale actieplannen aanpak tekorten (RAATs) gemaakt en worden concrete acties uitgevoerd om de personeelstekorten terug te dringen.
aanpak hiervan heeft mijn aandacht en vraagt een structurele gezamenlijke inspanning van alle betrokken partijen.
In het Hoofdlijnenakkoord Wijkverpleging 2018–2021 dat ik onlangs heb afgesloten met de partijen in de wijkverpleging, zijn daarnaast afspraken gemaakt over de arbeidsmarkt. Vanwege de stijging van de zorgvraag is er naast aandacht voor het aantrekken van meer personeel ook aandacht nodig voor het (duurzaam) behouden van het huidige personeel in de wijkverpleging. De partijen die het akkoord hebben ondertekend onderschrijven dat een integrale aanpak van het arbeidsmarktvraagstuk noodzakelijk is om werkgelegenheid te behouden en voldoende gekwalificeerd personeel in de wijkverpleging te kunnen blijven inzetten. Het akkoord betekent onder meer dat er € 435 miljoen extra beschikbaar gesteld wordt voor de wijkverpleging voor de periode 2019–2022.
Kunt u bevestigen dat alle cliënten die zorg zouden moeten ontvangen, deze zomer alsnog door bevoegde medewerkers verleende zorg ontvangen? Hoe verhoudt zich dit tot het, volgens het artikel, nog altijd openstaande aantal zorgvacatures van 277 fte?
Het is belangrijk dat zorg alleen wordt verleend door ter zake deskundige personen. Verpleegkundigen en verzorgende zijn opgeleid in het uitvoeren van verpleegkundigen en verzorgende handelingen. Er zijn echter ook handelingen of niet-zorgtaken die door ander personeel kunnen worden uitgevoerd. Ik vind het positief dat instellingen kijken naar andere mogelijkheden als zij kampen met een tekort aan personeel als gevolg van de zomerperiode. De inzet van niet voor de zorg geschoold personeel op niet-zorgtaken kan daarbij een oplossing bieden.
De instelling dient te allen tijde te voldoen aan de verplichtingen van de Wet kwaliteit klachten geschillen zorg (Wkkgz). De Wkkgz bepaalt dat de zorgaanbieder goede zorg moet leveren. De zorgaanbieder dient de zorgverlening op dusdanige wijze te organiseren, ook wat personele en materiële middelen betreft, dat een en ander redelijkerwijze moet leiden tot goede zorg.
Het in het artikel genoemde aantal openstaande zorgvacatures kan ik niet bevestigen. Wel is bekend dat de arbeidsmarkt voor verpleegkundigen (en ook specifiek die voor wijkverpleegkundigen) zeer krap is momenteel2 en dat naar verwachting veel van de vacatures moeilijk vervulbaar zijn.
Cliënten moeten er op kunnen rekenen dat zij zorg ontvangen van deskundig personeel. Goede zorg, zoals omschreven in de Wkkgz, is immers zorg van goede kwaliteit en van goed niveau. Dit is ook een belangrijk uitgangspunt in het Kwaliteitskader Wijkverpleging waar ActiZ, Branchebelang Thuiszorg Nederland (BTN), Patiëntenfederatie Nederland (PN), V&VN en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) zich aan hebben gecommitteerd. Indien mensen signalen hebben over de geleverde zorg, kunnen zij zich bij het Landelijk Meldpunt Zorg melden. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) kan naar aanleiding van deze signalen onderzoek (laten) doen en/of de signalen in haar risicogestuurde toezicht meenemen. De IGJ heeft deze zomer geen meldingen over de inzet van kantoorpersoneel in de thuiszorg ontvangen. Incidenteel krijgt zij meldingen over ondeskundig personeel, maar zij ziet hierin momenteel geen opvallende stijging.
Kunt u bevestigen dat kantoorpersoneel, dat wordt ingezet gedurende de zomerperiode om tekorten op te vangen, geen zorgtaken gaat verlenen waar zij niet voor is opgeleid? Op welke wijze wordt hierop toegezien?
Zie antwoord vraag 4.
Wat gaat u doen om het aantal mensen dat wil werken in de wijkverpleging te vergroten, zodat gedurende het hele jaar, maar zeker gedurende prangende hete zomerperiodes, er voldoende gekwalificeerde zorgverleners zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer wilt u inzichtelijk hebben of aangekondigde acties daadwerkelijk het tekort afdoende terugdringen? Bent u, indien het tekort blijft bestaan, bereid alternatieve maatregelen en/of extra financiële middelen in te zetten?
Met het Actieprogramma Werken in de Zorg werken landelijke en regionale partners in zorg en welzijn samen aan het terugdringen van de personeelstekorten in zorg en welzijn. Hiervoor stelt het Ministerie van VWS 350 miljoen euro beschikbaar voor scholing van nieuw personeel, loopbaanoriëntatie en
– begeleiding voor mensen die een stap naar of binnen zorg overwegen, waarbinnen 320 miljoen voor de scholingsimpuls SectorplanPlus. Daarnaast gaat dit najaar een landelijke wervingscampagne dit jaar van start die met het veld is ontwikkeld om ervoor te zorgen dat meer mensen (weer) kiezen voor de zorg. Dit naast tal van andere maatregelen die in het kader van het Actieprogramma worden ingezet om de aantrekkelijkheid van het werken in de zorg te vergroten en de arbeidsmarktsituatie te verbeteren.
Tussentijds informeer ik de Tweede Kamer tweemaal per jaar over de voortgang van het Actieprogramma.
De uitzonderlijke droogte en de gevolgen voor de landbouw |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Hittestress rechtvaardigt versoepeling van regels» en «LTO met aardappelindustrie om tafel»?1 2
Ja.
Deelt u de mening dat we niet meer kunnen spreken van een «normale» droogte maar dat we in een uitzonderlijke situatie zijn beland? Zo nee, waarom niet?
Het KNMI geeft aan dat de gemeten neerslagtekorten in Nederland hoger zijn dan de tot dit jaar gemeten hoogste waarden van de zomer van 1976. Daarmee kunnen we spreken over een uitzonderlijke situatie.
Deelt u de mening dat deze uitzonderlijke droogte en de weersvoorspellingen voor de komende weken invloed hebben op de werkzaamheden die volgens de regels voor een bepaalde datum moeten plaatsvinden, zoals het uitrijden van mest, het scheuren van grasland, het voldoen aan vergroeningsmaatregelen en andere activiteiten? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat de droogte en weersomstandigheden invloed hebben op de momenten waarop boeren en tuinders werkzaamheden op het land verrichten, ook op de genoemde werkzaamheden. Aangezien zowel de situatie per sector en per regio erg kan verschillen en sprake is van verschillende soorten regels, wordt dit per geval bezien. Gelet op de situatie bekijk ik welwillend en met voorrang of eventuele belemmeringen met het voldoen aan regelgeving, die in de praktijk worden geconstateerd, kunnen worden weggenomen. Dit is ook aangegeven in de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van donderdag 2 augustus jl. (Kamerstuk 27 625, nr. 450).
Deelt u de mening dat het vasthouden aan bestaande regels in deze uitzonderlijke situatie in schril contrast staat met een goede landbouwpraktijk, waar boeren willen en moeten kunnen anticiperen op de weersomstandigheden?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om in deze uitzonderlijke situatie de periode voor het uitrijden van mest met minimaal een maand te verlengen en dit voornemen zo spoedig mogelijk met de sector te delen?
Ik heb de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) advies gevraagd of een verlengde uitrijdperiode op grasland effectief is. Voor bouwland is mijn inzet om de uitrijdperiode conform het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn al in 2018 tot 15 september te laten lopen.
Ziet u het belang van een spoedig besluit, zodat boeren kunnen anticiperen op dit besluit en nu niet onnodig en onder slechte omstandigheden aan het werk gaan om te kunnen voldoen aan de momenteel geldende regels?
Ik zet mij ervoor in om zo snel mogelijk duidelijkheid te geven aan ondernemers met besluiten die voldoende onderbouwd zijn.
Deelt u de mening dat een goede landbouwpraktijk nu vraagt om meer ruimte en versoepeling van de regels en dat dit niet kan wachten tot een of twee weken voor de daadwerkelijke deadline? Ziet u het risico dat wanneer uitsluitsel te lang op zich laat wachten, de goede landbouwpraktijk het zal afleggen tegen de gestelde voorwaarden en deadlines? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u een toelichting geven op de versoepeling van regels die de Europese Commissie aan een aantal lidstaten heeft verleend? Welke maatregelen betreft het? Welke lidstaten hebben deze versoepeling aangevraagd? Wat zijn de verschillen qua weers- en bodemomstandigheden ten opzichte van Nederland en waarom heeft Nederland deze versoepeling nog niet aangevraagd?
Het gaat om het mogen laten begrazen van braakliggend land om zo een tekort aan veevoeder tegen te gaan. Deze derogatie is aangevraagd door Denemarken, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Portugal, Zweden en Finland. Nederland heeft hiervan geen gebruik gemaakt, omdat in ons land nagenoeg geen sprake is van braakliggend land. Deze versoepeling van de vergroeningsregels van het GLB biedt dan ook voor Nederland geen soelaas.
Bent u bereid om bij de Europese Commissie een versoepeling te vragen van de regels rond het scheuren van grasland in het kader van de derogatie? Zo nee, waarom niet?
Ik ben met de Europese Commissie in overleg over een dergelijke versoepeling.
Bent u bereid om in de huidige uitzonderlijke situatie een ontheffing aan de Europese Commissie te vragen in het kader van de ecologische focusgebieden en de vergroeningsmaatregelen? Zo nee, waarom niet?
Op 31 juli jl. heb ik een verzoek aan de Europese Commissie gericht om voor de landbouwers een vrijstelling te krijgen op de vergroeningseisen met betrekking tot vanggewassen in het kader van het GLB. In het verzoek aan de Europese Commissie is het dreigende tekort aan veevoeder ook expliciet als punt meegenomen.
Deelt u de mening dat er in de komende periode gezocht moet worden naar mogelijkheden voor voldoende ruwvoerwinning voor de veehouderij, nu we te maken hebben met deze uitzonderlijke droogte? Ziet u ruimte in het benutten van de ecologische focusgebieden dan wel het anders inzetten van de vergroeningsmaatregelen als mogelijkheid, wat ook heel goed te verantwoorden is in het zoeken naar ruwvoer dichtbij huis? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid om deze vragen zo snel mogelijk te beantwoorden en de gewenste duidelijkheid zo snel mogelijk aan de sector te communiceren?
Ja.
Het bericht ‘Voeding krijgt plek in opleiding geneeskunde Amsterdam’ |
|
Léonie Sazias (50PLUS), Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voeding krijgt plek in opleiding geneeskunde Amsterdam»?1
Ja.
Wat is uw visie op de rol van voeding binnen de gezondheidszorg?
Het belang van de rol van voeding binnen de gezondheidszorg staat voor mij buiten kijf. Voeding is een van de belangrijke leefstijlfactoren die invloed hebben op het risico op het ontstaan van met name chronische ziekten. Terecht neemt daarom de aandacht voor de rol van voeding in de gezondheidszorg toe. De afspraak in het regeerakkoord om te bevorderen dat bewezen effectieve interventies, onder andere op het gebied van voeding, een plek krijgen in medische opleidingen en richtlijnen, sluit hierbij aan.
Ik wijs ook op de bekende «Schijf van Vijf». De Schijf van Vijf is gebaseerd op de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad en richt zich op het voorkomen van (chronische) ziekten via voeding. Op verzoek van VWS heeft ZonMw de kennissynthese «Voeding als behandeling van chronische ziekten» opgesteld. De conclusie van deze kennissynthese is dat voeding een prominentere plaats bij de behandeling van chronische ziekten verdient en in belangrijke mate kan bijdragen aan gezondheidswinst. De grootste gezondheidswinst is te behalen bij de behandeling van cardio-metabole aandoeningen (cardiovasculaire ziekten, diabetes mellitus type 2 en nierziekten) en van diverse darmaandoeningen. Voedingsmaatregelen leiden vaak tot algemene, ziekteoverstijgende gezondheidseffecten en vormen hierdoor een belangrijke therapeutische optie wanneer er sprake is van multimorbiditeit.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de juiste voeding een grote bijdrage levert aan het voorkomen van aandoeningen, een beter herstel en/of verbetering van de levenskwaliteit? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het bericht dat uit een onderzoek blijkt dat studenten geneeskunde tijdens hun zesjarig curriculum gemiddeld nog geen 30 uur voedingsonderwijs krijgen? Vindt u dit in verhouding staan met de invloed van voeding op de gezondheid? Kunt u uw antwoord toelichten?
De eindkwalificaties van de Nederlandse geneeskunde-opleidingen zijn vastgelegd in het Raamplan Artsopleiding 2009 (het Raamplan), dat omschrijft aan welke eisen een beginnend arts minimaal moet voldoen. Het Raamplan geeft een duidelijke beschrijving van de academische en professionele doestellingen van de opleidingen geneeskunde. Het Raamplan wordt opgesteld door de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU). De eindtermen uit het Raamplan worden door de individuele medische faculteiten vertaald in het curriculum van de geneeskunde-opleidingen. De Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) ziet erop toe dat de opleidingen geneeskunde aan de eisen van het Raamplan voldoen. In het raamplan wordt onder preventie «voeding» en onder voedingsgerelateerde ziekten «voeding en gezondheid» genoemd. De geneeskunde-opleidingen voldoen daarmee aan de eisen die op dit punt worden gesteld. Opleidingen werken voortdurend aan het up-to-date houden van hun curriculum. Ik kan mij, gezien de toenemende aandacht voor het belang van voeding in de gezondheidszorg, voorstellen dat in de curricula van de verschillende geneeskunde-opleidingen (en andere zorgopleidingen) voeding en leefstijl een prominentere rol krijgen. Gelet op de in Nederland geldende vrijheid van onderwijs, kan de overheid echter niet voorschrijven wat in de curricula wordt opgenomen.
Daarnaast is het van belang dat artsen op de hoogte zijn van de verschillende verwijsmogelijkheden op het gebied van voeding en leefstijl zodat de patiënt zo nodig specialistische hulp krijgt. Dat kan bijvoorbeeld zijn van een diëtist en vanaf 1 januari 2019 ook de Gecombineerde Leefstijlinterventie (GLI), zoals aangekondigd in mijn brief van 1 juni jl. over het basispakket Zvw 2019.2
Deelt u de mening dat voeding als keuzevak een begin is, maar eigenlijk een vastomlijnd, substantieel deel van zorgopleidingen zou moeten uitmaken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat artsen moeten beschikken over een brede basiskennis inzake voeding om hun adviesrol goed en compleet in te kunnen vullen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid in nader overleg te gaan met betrokken partijen en bij hen aan te dringen op een prominentere, vastomlijnde plek voor voeding in deze opleiding?
Ik ben al in overleg met de betrokken partijen. In het hoofdlijnenakkoord medisch specialistische zorg dat ik eerder dit jaar met de sector heb gesloten, is namelijk afgesproken dat de beroepsgroepen zich inspannen om preventie (waaronder voeding en leefstijl) te verankeren in de medisch-specialistische en verpleegkundige (vervolg)opleidingen en in het reguliere werkproces.
Staatssecretaris Blokhuis is in het kader van het Nationaal Preventieakkoord in overleg met partijen of en op welke wijze voeding beter geborgd kan worden in zorg en welzijn.
Ook zal VWS betrokken zijn bij de herziening van het Raamplan, die naar verwachting in 2019 van start gaat. Dit biedt de gelegenheid om aandacht te vragen voor het opnemen van bewezen effectieve interventies op onder meer het gebied van voeding, in de geneeskunde-opleiding.
Het bericht dat de sanering van tritium gelukt is |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de berichten dat het saneren van tritium in Petten het einde nadert?1 2
Ja.
Is het waar dat u het plan van aanpak hebt goedgekeurd waarin het saneren afgebouwd wordt en er in de toekomst maandelijkse en halfjaarlijkse controles zullen plaatsvinden?
Op 15 juni 2018 heb ik het nieuwe Plan van Aanpak van de Nuclear Research and consultancy Group (NRG) voor de sanering van de tritiumverontreiniging in de bodem van de Onderzoekslocatie Petten (OLP) goedgekeurd. Een nieuw Plan van Aanpak was nodig, vanwege de vorig jaar gewijzigde interventiebeschikking over de tritiumsanering, waarin een saneringsnorm van 5000 Bq/L in het grondwater is opgenomen. In het nieuwe plan wordt beschreven hoe deze saneringsnorm bereikt en gemonitord wordt.
Op dit moment is de sanering gaande en vinden er maandelijks metingen plaats. Wanneer in het grondwater gedurende een jaar uitsluitend concentraties lager dan het niveau van de operationele saneringslimiet (3000 Bq/L) worden gemeten, zal NRG de uitvoering van de sanering stopzetten. Tot 1 jaar na beëindiging van de sanering zal NRG maandelijks metingen blijven verrichten. Daarna zullen relevante meetlocaties worden toegevoegd aan het reguliere grondwatermonitoringsprogramma van NRG. NRG rapporteert deze waarden op halfjaarlijkse basis aan de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming. Buiten de OLP zal NRG ieder kwartaal op drie relevante locaties de tritiumconcentratie meten van nabijgelegen slootwater.
Is het waar dat verder saneren onnodig is omdat de norm van 100 tot 5.000 becquerel (x 50!) per liter drinkwater is verhoogd? Wat is daarop uw reactie?
Allereerst merk ik op dat het gaat om een aanpassing van de saneringsnorm van de concentratie tritium in grondwater en niet in drinkwater. In de omgeving van het OLP bevinden zich geen drinkwater inlaatpunten.
Zoals eerder aan de Kamer is medegedeeld, was de in 2014 gestelde saneringsnorm (100 Bq/L) gebaseerd op de toenmalige verwachting van de effectiviteit van de sanering.3 De saneringsnorm is afgeleid van richtlijn 98/83/EG, betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (drinkwater). Dit betreft een zogenoemde signaleringswaarde. Vanaf deze signaleringswaarde dient een lidstaat na te gaan of de aanwezigheid van radioactieve stoffen in drinkwater een risico voor de gezondheid met zich meebrengt. Destijds is ervoor gekozen om deze signaleringswaarde als saneringsnorm aan te houden voor het grondwater.
De saneringsmaatregelen bleken na verloop van tijd ondanks alle inspanningen minder effectief te zijn dan verwacht. Omdat sanering wel verstoring veroorzaakt van het watersysteem in de duinen en de agrarische gebieden in de omgeving als gevolg van onttrekking van grondwater, heeft de overheid aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) gevraagd om een saneringsnorm voor grondwater gebaseerd op een risico-inschatting. Het RIVM heeft een gedetailleerde analyse gemaakt van de eventuele radiologische risico’s voor de bevolking.4 De nieuwe saneringsnorm (5000 Bq/L) is gebaseerd op de resultaten van deze analyse van het RIVM en leidt tot een onbeduidend risico voor de bevolking.
Bent u op de hoogte van het feit dat het grondwater dan in sloten terecht zal komen en vervolgens in de akkers waarop voedsel wordt verbouwd? Wat is daarop uw reactie?
Zoals is vermeld in het antwoord op vraag 3, heeft het RIVM een analyse gemaakt van verschillende scenario’s voor verspreiding en gebruik van het verontreinigde water. In haar analyse hanteert het RIVM scenario’s waarin iemand een jaar lang gewassen of melk consumeert, uitsluitend geïrrigeerd met verontreinigd water dan wel afkomstig van koeien die uitsluitend verontreinigd gras eten. Het RIVM concludeert dat deze conservatieve/ongunstige scenario’s voor een lid van de bevolking niet leiden tot overschrijding van een stralingsdosis van 10 microsievert per jaar. Deze dosis wordt door het RIVM als onbeduidend aangemerkt. Ter vergelijking: als gevolg van blootstelling aan natuurlijke radioactiviteit en achtergrondstraling ontvangt iedereen in Nederland een dosis van 1600 microsievert per jaar.
Kunt u onderbouwd weergeven wat de gevolgen zijn voor de natuur, dieren in de omgeving en de mensen die zullen eten van de gewassen?
Zie antwoord vraag 4.
De OIC-veroordeling van een cartoonwedstrijd in Nederland |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de veroordeling door de Organization of Islamic Cooperation (OIC) van de in Nederland geplande Mohammed cartoonwedstrijd?1
Ja.
Vindt u het normaal dat de OIC, een organisatie die vooral bestaat uit onvrije islamitische landen waar men nog nooit gehoord heeft van het concept vrijheid van meningsuiting, zich bemoeit met de manier waarop in Nederland de vrijheid van meningsuiting wordt uitgeoefend?
De vrijheid van meningsuiting is een groot goed, dat nationaal en internationaal bescherming verdient. Een vruchtbaar maatschappelijk debat vereist dat kritiek op elkaars opvattingen mogelijk is. De vrijheid van meningsuiting geldt voor iedereen, ook voor de OIC.
Wat vindt u van artikel 22 (a) van de door de OIC aangenomen zogenaamde «Cairo Verklaring van de Mensenrechten in de Islam», waarin staat dat meningen alleen geuit mogen worden indien zij in overeenstemming zijn met de sharia?
Nederland is geen lid van de OIC en heeft de Cairo Verklaring van de Mensenrechten in de Islam niet onderschreven. De Cairo Verklaring staat op gespannen voet met delen uit de «Universele Verklaring van de Rechten van de Mens». In Nederland gelden de basiswaarden en grondprincipes van de democratische rechtsstaat, en het recht op vrijheid van meningsuiting wordt beschermd in de Nederlandse Grondwet.
Deelt u de mening dat de sharia verwerpelijk en barbaars is en haaks staat op vrijheid? Deelt u de mening dat landen die de sharia koesteren, net als organisaties die dat doen, zoals de OIC, niet serieus dienen te worden genomen en krachtig moeten worden bestreden? Zo nee, waarom niet?
Schendingen van mensenrechten zoals de vrijheid van meningsuiting keur ik af. Ik deel de mening niet dat OIC-landen niet serieus dienen te worden genomen. Nederland is voorstander van een vrij en open maatschappelijk debat, ook op internationaal niveau.
Nederland is geen lid van de OIC, maar onderhoudt wel relaties met de lidstaten van de OIC en heeft veel (wederzijdse) belangen met lidstaten van de OIC. Voor het vinden van oplossingen over vraagstukken als migratie, veiligheid en de bestrijding terrorisme is samenwerking met de OIC-landen van groot belang.
Deelt u de mening dat de vrijheid van meningsuiting, zoals wij die in Nederland kennen, nooit beperkt mag worden door de achterlijke sharia, ook en juist als dit betekent dat wij iets doen wat de sharia verbiedt? Zo nee, waarom niet?
Vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst behoren tot de kernwaarden van onze samenleving. Deze vrijheden worden alleen begrensd door de Nederlandse en Europese wetgeving. Wanneer sprake is van spanning tussen deze twee vrijheden, is het aan de rechter – niet aan het Kabinet – om te beoordelen of er sprake is van een overtreding van de wet. Islamitische wetgeving buiten de kaders van de Nederlandse rechtsorde is in de Nederlandse juridische context niet van toepassing.
Bent u bereid in de strengste bewoordingen duidelijk te maken aan deze sharia-club genaamd OIC en aan al haar lidstaten dat Nederland geen sharia-staat is maar een vrij land in tegenstelling tot de OIC-landen, dat Nederland de sharia ten strengste veroordeelt en dat Nederland maling heeft aan inmengende verklaringen? Zo nee, waarom niet?
Nederland is voorstander van een vrij en open maatschappelijk debat, ook op internationaal niveau. Het staat de OIC vrij om zich openbaar uit te spreken in dit debat. Ik heb de Secretaris-Generaal van de OIC, die de zorgen van zijn organisatie over de cartoon wedstrijd bij mij kenbaar maakte, geïnformeerd dat religieuze diversiteit en respect voor ieders levensovertuiging de kern is van ons beleid, dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst tot de kernwaarden van onze samenleving behoren, dat deze alleen worden begrensd door de Nederlandse en Europese wetgeving en dat wanneer sprake is van spanning tussen deze twee vrijheden, het aan de rechter – niet de regering – is om te beoordelen of er sprake is van een overtreding van de wet. Ook heb ik hem geïnformeerd dat de Nederlandse regering geen enkele bemoeienis heeft met deze wedstrijd en dat dit een initiatief is van een individueel lid van het parlement.
Achterstelling van vrouwen bij NWO-beurzen |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Bijna moeder? Vergeet dat onderzoeksgeld dan maar?»1
Ja.
Hoe duidt u de conclusies die getrokken worden in dit stuk dat vrouwelijke onderzoekers die voor of gedurende hun aanvraag voor een onderzoeksbeurs van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) zwanger zijn hierdoor een duidelijk nadeel hebben bij de kans dat deze aanvraag gehonoreerd wordt?
Ik vind het belangrijk dat de kans op het verwerven van subsidies voor wetenschappelijk onderzoek (en daarmee de kans op een wetenschappelijke carrière) even groot is voor vrouwen als voor mannen. NWO streeft hier ook naar en stelt zich als doel te zorgen dat de beperkte middelen terecht komen bij de beste onderzoekers met de beste onderzoeksvoorstellen, waarbij de honoreringspercentages voor vrouwelijke aanvragers gemiddeld en in meerjarig perspectief tenminste even hoog zijn als die van mannelijke aanvragers. NWO zet zich hiervoor in door het voeren van genderdiversiteitsbeleid.
NWO wil geen vrouwen benadelen vanwege hun zwangerschap bij een aanvraag voor onderzoeksfinanciering. In dit soort situaties is flexibiliteit in deadlines en procedures noodzakelijk, evenals dit het geval is bij ziekte of andere persoonlijke omstandigheden. NWO heeft specifiek beleid om vrouwen die zwanger zijn tijdens hun subsidieaanvraag tegemoet te komen, zie antwoord 4.
Zijn u cijfers bekend over de mate waarin zwangerschap werkt als negatieve factor bij het aanvragen van onderzoeksbeurzen? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Op basis van de bezwaarschriften die NWO ontvangt gaat het over enkele gevallen per jaar op vele duizenden aanvragen. Ik acht het dan ook niet noodzakelijk om een onderzoek in te stellen.
Hoe duidt u de conclusie dat de NWO maar beperkte regels heeft o, zwangere vrouwen tegemoet te komen bij hun aanvraag en dat bovendien de bestaande regels maar beperkt bekend blijken bij programmacoördinatoren van NWO?
Ik ben van mening dat NWO op de goede weg is op het gebied van genderbeleid. NWO heeft aangegeven maatwerk te leveren in gevallen waarin flexibiliteit in deadlines en procedures gewenst is, zoals ingeval van zwangerschap. Het is onwenselijk dat de mogelijkheid om een beroep te doen op flexibiliteit in procedures of deadlines bij de aanvraag voor onderzoeksfinanciering niet of onvoldoende bekend is bij de indieners. Ik ben dan ook blij dat NWO heeft aangegeven hier op korte termijn aandacht aan te besteden op de NWO-website en in de aanvraagformulieren. Daarnaast zullen de programmacoördinatoren over de mogelijkheden voor maatwerk in geval van zwangerschap (en andere gevallen waarin flexibiliteit is gewenst) helder worden geïnstrueerd. Op deze wijze is voor iedereen, zowel aanvragers als programmacoördinatoren, helder welke aanpassingen in procedures en deadlines mogelijk zijn.
NWO zet zich al jaren in voor een betere genderbalans, zowel in de wetenschap als binnen de eigen organisatie, alsmede het bieden van gelijke kansen aan vrouwen en mannen voor het verwerven van subsidies voor wetenschappelijk onderzoek. Zo heeft NWO in 2015 onderzoek2 laten doen naar verschillen in honoreringspercentages tussen vrouwen en mannen in de NWO-competitie. Naar aanleiding van de aanbevelingen uit dit onderzoek is NWO een pilot gestart met trainingen voor beoordelaars in de Veni-ronde om hen bewust te maken van gender bias. Daarnaast is een vervolgonderzoek opgezet naar genderneutrale woorden om kwaliteit te duiden. De rapportage hierover wordt in september 2018 verwacht.
Daarnaast richt NWO procedures voor toekenning van onderzoeksfinanciering zo in dat vrouwen – en mannen die werk en zorg willen combineren – niet benadeeld worden door invloed hiervan op hun carrièrepad of cv, zie de NWO-extensieregel.3 Ook wordt bijvoorbeeld bij de Vernieuwingsimpuls, terugkerend aandacht gegeven aan gelijke kansen en het voorkomen van bias.
Deelt u de mening dat maatwerkoplossingen in principe onvoldoende rechtszekerheid bieden, zeker in een zo competitieve omgeving als de aanvragen van NWO-onderzoeksgelden?
Iedereen is anders en de impact van een zwangerschap verschilt van persoon tot persoon, zoals dat ook het geval is bij andere persoonlijke omstandigheden. Daarom is maatwerk juist in deze gevallen zeer belangrijk. Een standaardaanpak is in dit geval dus onwenselijk. Wel ben ik er voorstander van dat NWO transparant is over haar beleid, inclusief de verschillende mogelijkheden en processtappen voor maatwerk. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid met de NWO in overleg te treden met als doel regels op te stellen zodat zwangere vrouwen hiervan geen nadeel meer kunnen ondervinden bij het aanvragen van onderzoeksgeld? Zo ja, wilt u de Kamer op de hoogte stellen van de uitkomsten?
Ik onderhoud nauwe contacten met NWO en vind het belangrijk dat zij de ruimte krijgt om een goede aanpak voor maatwerk bij zwangerschap te ontwikkelen en te communiceren. NWO zal mij informeren over de uitkomsten van hun inspanningen voor een betere genderbalans. Uiteraard stel ik uw Kamer daar graag van op de hoogte.
Het bericht ‘OM moet tienduizenden flitsboetes A29 terugbetalen’ |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «OM moet tienduizenden flitsboetes A29 terugbetalen?»1 Hoeveel mensen zijn dit jaar (2018) en vorig jaar (2017) ten onrechte bekeurd op de A29 bij Heinenoord?
Ja, ik ken dit bericht. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op de vragen 2 en 4.
Sinds wanneer wist het openbaar ministerie (OM) dat boetes mogelijk ten onrechte zijn uitgedeeld? Hoeveel flitscontroles hebben sindsdien plaatsgevonden? Indien deze nog hebben plaatsgevonden, waarom zijn nog boetes uitgedeeld als er twijfel bestond over de rechtsgeldigheid?
De controles met mobiele radarapparatuur op de A29 ter hoogte van hectometerpaal 14.7 vonden plaats in de periode van 1 maart 2017 tot 1 februari 2018. De controles hielden verband met het feit dat de locatie als een hoog risicolocatie was aangemerkt door Rijkswaterstaat en de politie. Eind april 2017 kwamen de eerste signalen, dat op de plek van de meting de weg een zodanige boogstraal zou bevatten dat mogelijk geen deugdelijke meting kan worden uitgevoerd. Naar aanleiding van die signalen hebben zowel de Landelijke Eenheid van de Nationale Politie als de leverancier van de radarapparatuur nadere berekeningen gedaan ten aanzien van de boogstraal en geconcludeerd dat op deze locatie met de radarsets een deugdelijke meting kan worden uitgevoerd. Daarmee was voor het Openbaar Ministerie (OM) en de politie de twijfel weggenomen.
Wordt er op dit moment nog geflitst op deze locatie? Zo ja, waarom?
Nee, er wordt niet meer geflitst op deze locatie.
Klopt het dat het vonnis nu tienduizenden bekeuringen ongeldig maakt? Wanneer gaat het OM onterechte boetes terugbetalen? Welk bedrag is hiermee gemoeid?
Op 16 juli 2018 oordeelde de rechtbank Rotterdam2 dat de boogstraal ter hoogte van de flitslocatie zodanig was dat de meting niet voldeed aan de vereisten voor een deugdelijke meting. De rechtbank baseerde dat op een meting die onder haar verantwoordelijkheid ter plaatse is uitgevoerd. Het gaat hier om een andere wijze van meten dan de meetmethodes die eerder zijn gebruikt. De uitkomst van die meting van de rechtbank, die verschilde van de uitkomsten van de eerdere metingen, en het feit dat het om een zeer specifieke situatie gaat waar slechts over een geringe afstand de boogstraal mogelijk groter is dan is toegestaan, waren voor het OM aanleiding om tegen de uitspraak in beroep te gaan. Tevens is een onafhankelijke instantie, het Nederlands Meetinstituut (NMi), gevraagd plaatselijk een meting te verrichten. De bevindingen van het NMi zullen door het OM worden ingebracht in het hoger beroep.
Wat kunt u zeggen over de kritiek die agenten al eerder hebben afgegeven over flitsen op deze specifieke locatie? In hoeverre is het handboek voor snelheidscontroles op deze locatie gevolgd? Wat is precies de aanleiding voor intensieve handhaving op deze locatie? Kunt u in uw antwoord aantonen dat de verkeersveiligheid in het geding was? Kunt u zich schrikreacties van automobilisten op flitsers voorstellen? Zou het kunnen dat gevaarlijke situaties ontstaan als men een flitser ziet? Zijn u ongevallen bekend die mogelijk veroorzaakt zijn door flitsers?
Bij het antwoord op vraag 2 is reeds aangegeven dat na signalen vanuit de politie over de kromming van de locatie nieuwe berekeningen zijn uitgevoerd. In geval van krommingen in de weg worden de instructies gevolgd die in het handboek voor snelheidscontroles staan vermeld.
De aanleiding van de intensieve handhaving op deze locatie is het feit dat het een risicolocatie betreft. Dit zijn locaties waar het risico op een ongeval groot is in combinatie met het overschrijden van de maximumsnelheid. Dat is ook de reden dat de maximumsnelheid ter plaatse 100 kilometer per uur is (in plaats van 130 kilometer per uur). Het aanpassen van de maximumsnelheid heeft primair tot doel om de automobilist te wijzen op de mogelijke gevaarlijke situatie en om te bewerkstelligen dat de automobilist zijn rijgedrag aanpast aan die situatie.
Het is niet aannemelijk dat automobilisten schrikken van flitsers, aangezien de huidige radarapparatuur niet meer zichtbaar flitst. Ook zijn hierover niet eerder signalen van automobilisten tot ons gekomen en zijn geen ongevallen of gevaarlijke situaties om die reden door ons waargenomen of bekend. Op deze locatie is tevens regelmatig een tekstkar ingezet waarbij werd gewezen op snelheidscontroles.
Zijn u andere locaties in Nederland bekend waarbij mogelijk hetzelfde zou kunnen spelen en boetes ongeldig kunnen worden verklaard?
Ik heb daarvoor geen aanwijzingen.
Deelt u de mening dat flitsen te allen tijde uiterst zorgvuldig dient te gebeuren om het vertrouwen van de automobilist in handhaving niet te schaden?
Ja, die mening deel ik.
Kunt u ervoor zorgen dat mensen hun geld spoedig terugkrijgen als de boete onterecht was? Kunt u ervoor zorgen dat mensen daarvoor niet zelf een procedure bij de rechter hoeven te starten? Wanneer krijgen de mensen duidelijkheid?
Het OM heeft hoger beroep ingesteld. De uitkomst hiervan zal eerst moeten worden afgewacht. Mocht het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordelen dat de snelheidsmeting onbetrouwbaar is geweest vanwege een te grote boogstraal, dan zal het OM bekijken wat die uitspraak betekent voor de lopende zaken en de eerder opgelegde boetes. Als besloten wordt boetes terug te betalen dan is het niet nodig dat burgers hiervoor zelf een procedure starten.
Deelt u de mening dat voor lichte vergrijpen, zoals met 1 t/m 5 km te hard rijden de boetes omlaag kunnen en voor zwaardere vergrijpen de boetes omhoog? Bent u bereid een voorstel hiervoor naar de Kamer te sturen? Op welke termijn kan de Kamer een dergelijk voorstel ontvangen?
In het regeerakkoord is opgenomen dat het boetesysteem wordt gewijzigd. Ik zal uw Kamer hier in het najaar over informeren. Ik zal het bovenstaande hierin mee nemen.
Bent u bereid voor de wegen met 130 km per uur weer een normale marge of ondergrens in te voeren voordat er een boete wordt uitgedeeld? Deelt u de mening dat het veel logischer zou zijn, aangezien dat bij andere snelheden wel het geval is?
Tijdens het Algemeen Overleg maximumsnelheden hoofdwegennet van
9 maart 2011 heeft een meerderheid van de Kamer duidelijk gemaakt graag kleinere flitsmarges te willen op 130 km/h wegen. De ondergrens van vervolging – de marge die het OM hanteert bij snelheidsovertredingen – is derhalve bij de maximumsnelheid van 130 km/h per 1 januari 2012 afgeschaft. In de praktijk betekent dit dat er vanaf dat moment een boete volgt vanaf een gemeten snelheid van 136 km/h.
Bij de overige maximumsnelheden is de ondergrens blijven bestaan. Aangezien de maximumsnelheid van 130 km/h de bovengrens vormt van het snelhedengebouw werd het voor de verkeersveiligheid verdedigbaar geacht om de ondergrens bij deze maximumsnelheid af te schaffen. Ik zie geen reden om dit besluit nu terug te draaien.
Wat vindt u van de uitspraken van de Nederlandse Politiebond dat het aantal kleine snelheidsovertredingen absurd hoog ligt? Deelt u de mening dat staandehoudingen en de aanpak van hufterig gedrag meer effect heeft dan een boete voor maximaal vijf km te hard?
Het aantal kleine snelheidsovertredingen ligt inderdaad hoog, maar verkeersveilig rijden dient voor iedere verkeersdeelnemer de norm te zijn. Te snel rijden past daar niet bij. Een te hoge snelheid vergroot de kans op verkeersongevallen en de kans op een ernstige afloop daarvan. Een kleine snelheidsovertreding lijkt onschuldig, maar kan ernstige gevolgen hebben. Ik acht het dan ook van belang dat er ook op kleine snelheidsovertredingen wordt gehandhaafd.
Voor een effectieve verkeershandhaving moet de gepercipieerde pakkans zo hoog mogelijk zijn. De pakkans wordt bepaald door de inzet van de politie en de verschillende handhavingsmiddelen, zoals flitspalen en trajectcontrolesystemen, gezamenlijk. Bij de handhaving door middel van digitale handhavingsmiddelen worden veel weggebruikers gecontroleerd, terwijl er geen tot nauwelijks inzet van de politie voor nodig is. Hierdoor blijft er bij de politie meer capaciteit over om (ook) op de overige feiten te richten. Ik ben van mening dat juist deze mix van enerzijds handhaving door de politie en anderzijds handhaving door middel van digitale handhavingsmiddelen bijdraagt aan de verkeersveiligheid.
Het afkeuren van gezonde groente en fruit door supermarkten |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat er weer eens een hele oogst fruit is afgekeurd voor verkoop, 60.000 kilo pruimen dit keer, omdat de pruimen niet voldeden aan de uiterlijke eisen die de supermarkten stellen aan groente en fruit?1
Het bericht hierover op NOS.nl heb ik gelezen.
Kunt u bevestigen dat de afkeuring in dit geval het gevolg is van de eisen die supermarkten zelf stellen, maar dat ook Europese handelsnormen de verkoop van goede producten in de weg kunnen staan en regelmatig zelfs verbieden?
In dit geval is de afkeuring inderdaad het gevolg van de eisen die supermarkten zelf aan pruimen stellen; er bestaan voor pruimen namelijk geen EU-handelsnormen. Ik vind de handelwijze van supermarkten in deze betreurenswaardig, omdat zo goede en gezonde producten verspild worden
De EU-handelsnormen voor groenten en fruit zijn bedoeld om kwaliteitsgaranties aan consumenten te bieden. Daarnaast zijn zij waardevol in het handelsverkeer en bij het optimaliseren van onder meer logistieke processen. De EU-handelsnormen verbieden de verkoop van voor menselijke consumptie geschikte producten niet.
Het is echter aan marktpartijen, zoals supermarkten, om te beslissen in welke kwaliteitsklasse zij producten te koop willen aanbieden.
Deelt u de mening dat groente en fruit dat geschikt is voor menselijke consumptie gewoon als zodanig moeten kunnen worden verkocht, en dat afkeuring om andere redenen een geval vormen van onnodige en zeer laakbare voedselverspilling?
Ja, met u ben ik van mening dat deze vorm van voedselverspilling laakbaar is, zoals ik eigenlijk iedere vorm van voedselverspilling laakbaar vind; het tegengaan van voedselverspilling is dan ook één van mijn prioriteiten.
Hoe staat het met de gesprekken die u met de supermarkten zou voeren over het aanpassen van verkoopnormen die niets te maken hebben met de geschiktheid van groente en fruit voor menselijke consumptie? Bent u bereid de supermarkten aan de hand van deze casus indringend tot de orde te roepen?
Tijdens het recente AO Voedsel (19 april 2018 en 15 juni 2018) heb ik uw Kamer toegezegd met supermarkten in gesprek te gaan over het hanteren van (aanvullende) cosmetische eisen aan groenten en fruit, waarbij ik mij gesteund weet door de motie die uw Kamer heeft aangenomen2.
De directies van diverse supermarkten zijn inmiddels uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek met mij en zij hebben deze uitnodiging aanvaard. Ik vind deze gesprekken van groot belang, omdat supermarkten, als schakel in de Nederlandse voedselketen een belangrijke rol en verantwoordelijkheid hebben bij het tegengaan van voedselverspilling.
Bent u bereid ten aanzien van de opvolging van de EU-handelsnormen een gedoogbeleid in te stellen dat erop neerkomt dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) niet handhavend zal optreden als groente en fruit dat geschikt is voor menselijke consumptie, maar slechts een afwijkend uiterlijk heeft of om andere redenen worden afgekeurd, toch gewoon te koop wordt aangeboden?
Het Kwaliteits-Controle-Bureau (KCB) en de NVWA zien als onafhankelijke toezichthouders toe op de naleving van de EU-handelsnormen en niet op het al dan niet te koop aanbieden van groente en fruit met een afwijkend uiterlijk. Het instellen van een gedoogbeleid is dan ook niet nodig. Bovendien heb ik in het debat met uw Kamer al aangegeven geen voorstander te zijn van een gedoogbeleid vanwege de precedentwerking die hiervan kan uitgaan voor andere dossiers.
Deelt u de mening dat de aankondiging van een gedoogbeleid door Nederland, voor gezond groente en fruit met een iets afwijkend uiterlijk, de Europese discussie over de handelsnormen een flinke en positieve impuls zou kunnen geven?
Ten aanzien van de EU-handelsnormen heb ik u tijdens het Algemeen Overleg Voedsel toegezegd te onderzoeken of en op welke punten er binnen de EU-handelsnormen sprake is van puur cosmetische eisen en welke actie ik kan ondernemen. Op basis van de uitkomsten zal ik dit bij de Europese Commissie in Brussel aan de orde stellen met als inzet het schrappen van cosmetische eisen in handelsnormen.
De bescherming van dieren tegen de hitte |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat veel van de maatregelen uit het Nationaal Hitteplan van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), zoals voldoende drinken, het opzoeken van de schaduw en het koel houden van de leefomgeving niet alleen voor mensen, maar ook voor dieren moeten gelden? Zo nee, kunt u dit toelichten?1
Vanzelfsprekend moeten ook voor dieren de nodige maatregelen worden genomen. De houder heeft de verplichting de dieren de nodige bescherming te bieden, ook bij bijzondere weeromstandigheden. Daarnaast heeft de houder de verplichting om voor goede ventilatie te zorgen bij dieren die in een stal verblijven, zoals vastgelegd in artikel 2.5 van het Besluit houders van dieren.
Kunt u helder uiteenzetten welke mogelijkheden de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft om op te treden en maatregelen te treffen wanneer zij dieren aantreffen die lijden door hittestress? Wat zijn de ervaringen van de inspecteurs met de wettelijke mogelijkheden, kunnen zij daadwerkelijk handhaven of betreft het open normen die het in de praktijk lastig maken om op te treden?
Als de NVWA bij inspecties welzijnsovertredingen aantreft in verband met onnodig lijden door hittestress, kan ze krachtens de Wet Dieren passende herstelmaatregelen opleggen. Bijvoorbeeld het laten bieden van beschutting of de dieren langs de kortst mogelijke weg laten verplaatsen naar een plek waar zij beschermd zijn tegen extreme weersomstandigheden, zoals hitte. Daarnaast kan de NVWA bestuursrechtelijke of strafrechtelijke sancties opleggen als de houder en/of de vervoerder in gebreke is gebleven.
Open normen in de regelgeving bieden de houder en/of vervoerder van de dieren ruimte voor flexibele maar onderbouwde invulling. Op grond van wetenschappelijke inzichten en feitelijke waarnemingen handhaven de inspecteurs van de NVWA deze open normen. Ter ondersteuning kunnen zij hun waarnemingen vastleggen op foto of video. Indien nodig kunnen inspecteurs advies van een dierenarts inwinnen.
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar door de NVWA gecontroleerd op hittestress en wat waren de bevindingen van die controles? Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk handhavend opgetreden tegen hittestress, op welke gronden is dat gebeurd en waar bestond de sanctie uit?
Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal controles in de afgelopen 5 jaar bij extreme warme weersomstandigheden. Zoals aangegeven moeten houders bescherming bieden tegen extreme weersomstandigheden en, als de dieren in een stal verblijven, voor goede ventilatie zorgen.
In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de maatregelen in relatie tot handhaving op onnodig lijden door extreme warme omstandigheden op veehouderijbedrijven en tijdens transporten. Deze controles kunnen ook uitgevoerd zijn naar aanleiding van meldingen.
Schapen niet geschoren met 30 graden
Mondelinge correctie
Schapen zonder beschutting bij 31 graden
Mondelinge correctie
Hijgende schapen in de zon zonder beschutting
Mondelinge correctie
Ongeschoren schapen zonder beschutting en water bij 35 graden
Bestuurlijke maatregel
Transport beëindigd en dieren opgevangen
Bestuurlijke maatregel
Veel dieren dood bij aankomst slachthuis
Bestuurlijke maatregel
Schapen sinds 2013 niet geschoren
Bestuurlijke maatregel en Proces verbaal
Kreupel rund in volle zon bij 25 graden
Ter plekke hersteld
Ram hijgend in de zon zonder beschutting
Ter plekke hersteld
Diertransport welzijn hitte
Rapport van bevindingen
Diertransporten welzijn hitte
7 maal een rapport van bevindingen aangezegd
Deelt u de mening dat dieren in weilanden beschutting moeten kunnen vinden tegen de zon? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt uw opvatting zich tot de uitgangspunten van de Wet dieren? Zo ja, bent u bereid om maatregelen te treffen om meer beschutting in en rond weilanden te realiseren, zoals bomen en houtwallen voor koeien?
Zoals vastgelegd in artikel 1.6 lid 3 van het Besluit houders van dieren moet een dier, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming worden geboden tegen slechte weersomstandigheden. (Permanente) beschutting aanbieden in weilanden is niet altijd mogelijk volgens de vigerende bestemmingsplannen van het gebied. De veehouder zal dan andere passende maatregelen moeten nemen om de dieren te beschermen, zoals het overdag opstallen van het vee. Daarnaast is er een toenemende belangstelling voor de toepassing van agroforestry, waarbij meer mogelijkheden ontstaan voor natuurlijke beschutting.
Is het u bekend dat mensen die hun (niet-commercieel gehouden) dieren buiten laten lopen, nogal eens worden tegengewerkt door hun gemeente als zij willen zorgen voor beschutting in hun weiland? Wat vindt u daarvan?
In Nederland is de bevoegdheid voor het opstellen van bestemmingsplannen bij gemeenten belegd, omdat zij meer zicht hebben op de lokale situatie dan de rijksoverheid. Een landelijk beleid ten aanzien van schuilstallen zou hiermee conflicteren. In bestemmingsplannen kunnen gemeenten de mogelijkheid opnemen om bebouwing toe te staan of om een ontheffing te verlenen voor het realiseren van een schuilstal. Om houder en gemeenten behulpzaam te zijn is er door de rijksoverheid ondersteuning verleend aan de brochure «Schuilstallen in het buitengebied» gepubliceerd door Stichting Levende Have. Hierin staan tips en handvatten hoe om te gaan met het houden van dieren in het buitengebied voor zowel de houder van dieren als gemeenten. Voor meer informatie verwijs ik u graag naar deze brochure: http://edepot.wur.nl/12687.
Hoeveel en welke gemeenten weigeren toestemming te geven voor het plaatsen van schuilgelegenheden of andere vormen van beschutting in de wei? Bent u bereid om, bijvoorbeeld via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), met deze gemeenten hierover in gesprek te gaan? Bent u bereid deze gemeenten te wijzen op het feit dat zij houders van dieren belemmeren bij het voldoen van de wettelijke plicht om dieren te vrijwaren van fysiek en fysiologisch ongerief? Zo nee, waarom niet?2
Ik heb geen inzicht in het aantal gemeenten dat weigert toestemming te geven voor het plaatsen van schuilgelegenheden of andere vormen van beschutting in de wei. Ik zal dit onderwerp met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten bespreken. Ik kan gemeenten echter niet dwingend voorschrijven om over te gaan tot het geven van toestemming voor schuilgelegenheden.
Hoe heet wordt het in varkensstallen en in pluimveestallen, gemiddeld en maximaal? Welke temperaturen worden gedurende deze hitte bereikt in de stallen?
De NVWA houdt hier geen gegevens over bij. Wel moet de ventilatie zodanig zijn dat de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier niet schadelijk zijn voor het dier.
Kunt u bevestigen dat bij varkens al bij 27 graden celsius hittestress optreedt, met een versnelde hartslag, stijgende bloeddruk en versnelde oppervlakkige ademhaling als gevolg?
Of een varken hittestress krijgt bij een bepaalde temperatuur is afhankelijk van meerdere factoren, zoals leeftijd van het dier en dracht. Voor net geboren biggen is de comforttemperatuur in het biggennest op bighoogte op de eerste dag 33 – 35 graden Celsius. Pas gespeende biggen worden in stallen gehuisvest met 26 graden Celsius. Voor (drachtige) zeugen en vleesvarkens ligt de comforttemperatuur lager. Wageningen University & Research (WUR) heeft richtlijnen voor klimaatinstellingen opgesteld3. De Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) geeft «diergezondheidstips bij warm weer» bij varkens4 en andere diersoorten.
Bij hoeveel varkensstallen komt de temperatuur boven de 27 graden celsius uit? Bij hoeveel (procent van de) varkensstallen worden adequate maatregelen genomen om te voorkomen dat de temperatuur in een varkensstal oploopt tot boven de 27 graden celsius?
Ik heb geen inzicht in het percentage stallen waar de temperatuur voor bepaalde dieren niet optimaal is.
Kunt u bevestigen dat bij kippen al bij 28 graden celsius hittestress kan optreden, wat kan leiden tot een afwijkende zuurgraad in het bloed en mogelijk zelfs tot de dood?3
Of pluimvee hittestress krijgt bij 28 graden Celsius is afhankelijk van meerdere factoren. Onder andere in combinatie met een relatieve hoge luchtvochtigheid heeft pluimvee sneller last van warmte, met alle consequenties van dien. Pluimvee heeft geen zweetklieren en kan dus slechts via uitademing lichaamswarmte kwijtraken. Pluimveehouders kunnen en moeten maatregelen nemen, zij hebben immers een zorgplicht. Bij warme dagen passen ze de bedrijfsvoering aan om hittestress en de gevolgen daarvan te voorkomen, zoals zorgen voor voldoende ventilatiecapaciteit en vers drinkwater.
Hoe houdt de NVWA toezicht op de temperatuur en de ventilatie in stallen en welke middelen zijn er om het nemen van adequate maatregelen af te dwingen?
De NVWA controleert tijdens inspecties op de volgende algemene aspecten: de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier. Als de gezondheid en het welzijn van een dier afhankelijk zijn van een kunstmatig ventilatiesysteem, dan moet dat voorzien zijn van een passende noodvoorziening, waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt. Handhaving vindt plaats middels het vigerende interventiebeleid van de NVWA. Houders kunnen een waarschuwing, bestuurlijke boete of proces-verbaal krijgen, al dan niet in combinatie met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom.
Hoe vaak heeft de NVWA de afgelopen vijf jaar gecontroleerd op temperatuur en ventilatie in stallen en wat waren de bevindingen van die controles? Hoe vaak is de NVWA de afgelopen vijf jaar overgegaan tot daadwerkelijke handhaving, op grond waarvan is dat gebeurd en welke sancties zijn er opgelegd?
De NVWA heeft in de jaren 2014 – 2017 in de zomerperiode (maanden mei tot en met september) 3.224 reguliere welzijnsinspecties uitgevoerd op primaire bedrijven. Het gaat om inspecties van zowel dieren die in de stal worden gehuisvest (zoals varkens, pluimvee, kalveren) als dieren die ook gedeeltelijk buiten zijn gehuisvest (bijvoorbeeld melkvee en schapen). Voor 2018 heeft de NVWA nog geen definitieve cijfers, omdat de zomerperiode (maanden mei tot en met september) nog loopt.
Jaar
Aantal inspecties
2014
562
2015
1.181
2016
803
2017
678
De NVWA controleert tijdens welzijnsinspecties de naleving van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. De volgende overtredingen zijn tijdens deze 3.224 inspecties vastgesteld met betrekking tot temperatuur en ventilatie. In de jaren 2014 en 2016 is geen maatregel opgelegd naar aanleiding van deze inspecties.
Te hoge concentratie CO2 in twee vleeskuikenstallen
Rapport van Bevindingen
Niet hebben alarmsysteem varkens
Mondelinge correctie
Geen noodvoorziening ventilatiesysteem varkens
Bestuurlijke maatregel en Bestuurlijk boete
Geen alarm op de ventilatie aanwezig, de onderhoudstoestand van de ventilatie is zeer slecht in de varkensstal
Bestuurlijke maatregel
Kunt u bevestigen dat kalveren al vanaf 20 graden celsius last kunnen hebben van hittestress?4 Kunt u bevestigen dat de iglo’s waarin piepjonge kalfjes in de melkveehouderij in hun eentje in worden gestopt, snel benauwd kunnen worden?5
Net als andere diersoorten kunnen ook kalveren last krijgen van hittestress. Dit is niet alleen afhankelijk van de temperatuur maar ook van andere factoren zoals de luchtvochtigheid. Rundveehouders kunnen en moeten maatregelen nemen om negatieve gevolgen van hoge temperaturen tegen te gaan. De Gezondheidsdienst voor Dieren heeft hiervoor een «draaiboek hittestress» voor runderen opgesteld.
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar door de NVWA gecontroleerd op hittestress bij kalfjes die na de geboorte bij hun moeder zijn weggehaald en alleen zijn gezet en wat waren de bevindingen van die controles? Hoe vaak is de NVWA de afgelopen vijf jaar overgegaan tot daadwerkelijke handhaving, op grond waarvan is dat gebeurd en welke sancties zijn er opgelegd?
De NVWA heeft in de jaren 2014 – 2017 in de zomerperiode (maanden mei t/m september) 248 reguliere welzijnsinspecties uitgevoerd op bedrijven met kalveren. Dit kunnen zowel kalveren op het melkveebedrijf zijn als vleeskalveren, het merendeel betreft inspecties op melkveebedrijven. De NVWA registreert niet of de kalveren met of zonder het moederdier zijn gehuisvest. Er zijn in die periode geen overtredingen geconstateerd met betrekking tot hittestress bij kalveren. Voor 2018 heeft de NVWA nog geen definitieve cijfers, omdat de zomerperiode (maanden mei tot en met september) nog loopt.
Jaar
Aantal inspecties
2014
50
2015
53
2016
55
2017
90
248
Erkent u dat varkens modder nodig hebben om hun temperatuur te reguleren? Bent u zich er van bewust dat varkens in hun eigen uitwerpselen gaan rollen om af te koelen, terwijl het zindelijke dieren zijn die een afkeer hebben van hun eigen poep? Zo ja, op welke wijze wilt u een adequate regulering van de temperatuur verplicht stellen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Meerdere factoren spelen een rol bij de thermoregulatie van varkens. In het Besluit houders van dieren wordt een aantal wettelijke eisen gesteld. De luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier mogen niet schadelijk zijn voor het dier. Indien de gezondheid en het welzijn van een dier afhankelijk zijn van een kunstmatig ventilatiesysteem, is dat voorzien van een passende noodvoorziening waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt. Indien het ventilatiesysteem uitvalt moet er een alarmsysteem in werking treden. Dit moet regelmatig getest worden.
Erkent u dat vrije uitloop, met beschutting en gelegenheid voor modderbaden, de meest effectieve manier is om hittestress bij varkens te voorkomen, aan hun behoefte aan het vertonen van hun natuurlijke gedrag tegemoet te komen en (daarmee) hun welzijn te dienen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid deze vorm van huisvesting tot doel te stellen en een transitieplan op te stellen waarin de varkenshouderij binnen een bepaalde termijn moet voldoen aan deze huisvestingsnormen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Op basis van goede klimaatsturing in veestallen en voldoende vers drinkwater kan hittestress bij varkens worden voorkomen. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 15.
Erkent u dat vrije uitloop, met beschutting en gelegenheid voor stofbaden, de meest effectieve manier is om hittestress bij kippen te voorkomen, aan hun behoefte aan het vertonen van hun natuurlijke gedrag tegemoet te komen en (daarmee) hun welzijn te dienen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid deze vorm van huisvesting tot doel te stellen en een transitieplan op te stellen waarin de pluimveehouderij binnen een bepaalde termijn moet voldoen aan deze huisvestingsnormen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit is afhankelijk van de (weers)omstandigheden. Bij hoge buitentemperaturen is het binnenklimaat in stallen, dat voldoet aan de wettelijke eisen, doorgaans beter voor de dieren dan het buitenklimaat.
Kunt u bevestigen dat het verlagen van de hokbezetting, waar de veehouderij door de sectororganisaties toe wordt opgeroepen, neerkomt op het vervroegd afvoeren van dieren naar de slacht? Zo nee, hoe zit het dan?
Ik ben niet bekend met een dergelijke oproep van de sectororganisaties.
Bent u bereid om preventief te zorgen voor een lagere hokbezetting om hittestress te voorkomen door af te kondigen dat in de zomer minder dieren in de Nederlandse stallen mogen staan en dat daartoe vóór de zomer beperkingen worden gesteld aan de fok van het aantal dieren? Zo nee, erkent u dat u door het achterwege laten van preventieve regels de dieren in de Nederlandse veehouderij welbewust extra risico laat lopen op hittestress en/of een vervroegde slacht?
Ik zie geen aanleiding voor dergelijke maatregelen. Een optimale klimaatsturing in stallen is van belang. Dit is onderdeel van de normale bedrijfsvoering van een veehouderijbedrijf. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 15.
Op welke wijze wordt gecontroleerd of de extra maatregelen bij extreme temperaturen, die worden beschreven in de standaard werkwijzen voor slachthuizen, daadwerkelijk worden uitgevoerd?
Tijdens de controles van de NVWA-toezichthouder bij de aanvoer van dieren op het slachthuis is dierenwelzijn een belangrijk punt van aandacht. In de beoordeling van het welzijn van de dieren wordt onder andere aandacht besteed aan verschijnselen van hitte – of koudestress. Indien de exploitant zijn standaardwerkwijze niet op een zodanige manier heeft ingevuld dat de dieren elke vorm van vermijdbare pijn, spanning of lijden wordt bespaard, wordt hiervan door de NVWA-toezichthouder een rapport van bevindingen opgesteld. Daarnaast voert de NVWA periodiek inspecties uit waarin de standaardwerkwijzen inhoudelijk beoordeeld worden.
Kunt u bevestigen dat door een storing of andere problemen in het slachtproces, dieren soms extra lang moeten wachten, of dat juist wordt gekozen voor het doorgaan met het slachtproces, terwijl dit vanuit dierenwelzijnsoogpunt eigenlijk stil zou moeten worden gelegd, vanwege de dieren die in de hitte staan te wachten? Hoeveel gevallen zijn hiervan bij u bekend?
Storingen kunnen zich voordoen en het is de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven om de wachttijden tot een minimum beperken. In het protocol van de slachthuizen in het Nationaal plan voor veetransport bij extreme temperaturen is expliciet opgenomen dat er bij hitte optimaal moet worden gepland, zodat er zo min mogelijk wachttijd is. Ook worden door de slachthuizen maatregelen getroffen om de problemen met hitte tijdens wachttijd tegen te gaan, bijvoorbeeld door extra ventilatie, schaduw en waterkoeling.
De NVWA-toezichthouder ziet er op toe dat de maatregelen afdoende zijn. Indien dit niet het geval is wordt er een rapport van bevindingen opgesteld. Tot nu toe zijn deze zomerperiode 4 rapporten opgemaakt in de slachthuizen in verband met hittestress. Op 10 augustus jl. heeft er een evaluatiegesprek plaatsgevonden met grote varkensslachterijen die in ploegendienst werken. Afgesproken is dat er varianten worden uitgewerkt om bij een volgende periode met hitte sneller te kunnen inspelen op de wens om met de slachturen te schuiven.
Bent u bereid het aantal dieren dat wordt vervoerd naar slachthuizen bij hoge temperaturen te beperken, om dergelijke situaties te voorkomen?
De Transportverordening stelt de eis dat bij de belading rekening gehouden moet worden met de weersomstandigheden. De veehouders, transporteurs en slachthuizen hebben daarnaast het Nationaal plan voor veetransport bij extreme temperaturen opgesteld, met onderliggende sectorprotocollen. Hierbij worden maatregelen genomen zoals het beperken van het aantal dieren per transportmiddel, vervoer tijdens de koelere uren van de dag, kortere wachttijden bij slachthuizen en geen vervoer bij een buitentemperatuur van 35 graden of meer. Een extra door de overheid opgelegde beperking van vervoer acht ik niet nodig bij goede naleving van deze protocollen door de sector.
De aantallen dieren die onbedwelmd worden geslacht |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u het aantal onbedwelmd aangesneden dieren uit het eerste kwartaal van 20181 uitsplitsen naar het aantal dieren dat direct na het aansnijden een bedwelming kreeg, het aantal dieren dat kort voor het verstrijken van de 40 seconden een bedwelming kreeg en het aantal dieren dat geen bedwelming kreeg omdat ze binnen 40 seconden na het aansnijden het bewustzijn hadden verloren? Kunt u bij deze drie categorieën onderscheid maken tussen de verschillende diersoorten?
Nee, ik kan deze nadere uitsplitsing niet maken. De NVWA houdt hier geen registratie van bij.
Kunt u uiteenzetten hoeveel slachterijen direct bedwelming toepassen bij het aansnijden, hoeveel slachterijen kort na het aansnijden bedwelming toepassen, hoeveel slachterijen alle dieren kort voor het verstrijken van de 40 seconden alsnog bedwelmen en hoeveel slachterijen alleen de dieren bedwelmen die kort voor het verstrijken van de 40 seconden nog tekenen van bewustzijn vertonen? Kunt u bij deze vier categorieën onderscheid maken tussen slachterijen die dieren slachten voor de halal of koosjere markt?
Nee, ik kan deze nadere uitsplitsing niet maken.
Bekend is wel dat ingeval onbedwelmd geslacht wordt ten behoeve van joods rituele slacht (koosjer) altijd gewacht wordt met het geven van een eventuele bedwelming tot kort voor het verstrijken van 40 seconden na aansnijden. In het geval van islamitisch rituele slacht (halal) kan dit variëren naar gelang de wensen van de afnemer/halal-certificerende instelling en het slachthuis.
Klopt het dat het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK) heeft bevestigd dat dieren die (alsnog) een bedwelming krijgen na het aansnijden niet om die reden worden afgekeurd voor afzet als koosjer vlees?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord in mijn brief van 28 juni jongstleden (Kamerstuk 31 571, nr. 32).
Hoeveel dieren zijn sinds 1 januari 2018 onbedwelmd aangesneden in de koosjere slacht en vervolgens afgekeurd voor afzet als koosjer vlees? Wat zijn hiervoor de redenen geweest? Wat is er vervolgens met het vlees van deze dieren gebeurd?
Hoeveel en op welke gronden onbedwelmd aangesneden dieren ten behoeve van koosjere slacht afgekeurd worden als koosjerwaardig is mij niet bekend. Hierop houdt de NVWA geen toezicht. Zoals ik schreef in mijn brief van 28 juni jongstleden is mij vanuit de slachterijen verzekerd dat vlees afkomstig van als koosjer onbedwelmd aangesneden dieren dat niet als koosjer afgezet wordt, als halal afgezet kan worden. Ik heb er geen zicht op of dit ook daadwerkelijk als halal afgezet wordt.
Kunt u bevestigen dat wanneer een dier onbedwelmd wordt aangesneden, maar waarvan het vlees vervolgens wordt afgekeurd voor afzet op de koosjere markt, er een nieuw dier onbedwelmd wordt aangesneden om te voorzien in de vraag naar koosjer vlees? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Nee, dat kan ik niet bevestigen. De NVWA houdt uitsluitend toezicht op de onbedwelmde slacht en niet op de criteria die organisaties, die de koosjer- dan wel halalwaardigheid beoordelen, hanteren.
Hoeveel dieren zijn sinds 1 januari 2018 onbedwelmd aangesneden in de halal slacht en vervolgens afgekeurd voor afzet als halal vlees? Wat zijn hiervoor de redenen geweest? Wat is er vervolgens met het vlees van deze dieren gebeurd?
De aantallen onbedwelmd aangesneden dieren, zoals gerapporteerd in mijn brief van 28 juni jongstleden, betreft het totale aantal voor joods én islamitisch rituele slacht. Het toezicht van en de registratie door de NVWA maakt geen onderscheid voor welke ritus dit geschiedt. Het is mij niet bekend of, en zo ja op welke gronden onbedwelmd aangesneden dieren ten behoeve van halalslacht afgekeurd zijn voor afzet als halalvlees.
Kunt u bevestigen dat wanneer een dier onbewelmd wordt aangesneden, maar waarvan het vlees vervolgens wordt afgekeurd voor afzet als halal vlees, er een nieuw dier onbedwelmd wordt aangesneden om te voorzien in de vraag naar halal vlees? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Is het waar dat slachterijen u hebben verzekerd dat wanneer een dier als koosjer wordt aangesneden, maar het vlees vervolgens wordt afgekeurd voor afzet op de koosjere markt, het vlees wel als halal vlees wordt geaccepteerd door de islamitische gemeenschap? Is het tevens waar dat er geen toezicht wordt gehouden op deze afzetstromen door de NVWA of een andere instantie? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord in mijn brief van 28 juni jongstleden.
Wordt afgekeurd koosjer vlees dat vervolgens als halal wordt afgezet als zodanig geëtiketteerd? Zo ja, wie draagt daar zorg voor en hoe vindt de controle daarop plaats?
Het is mij niet bekend óf, en zo ja hoe vlees dat niet als koosjerwaardig wordt beschouwd, als halalwaardig wordt geëtiketteerd. Er is geen wettelijke verplichting tot etikettering; een eventuele etikettering is een private aangelegenheid.
Kunt u bevestigen dat standaard niet alle onderdelen van onbedwelmd aangesneden dieren in de koosjere slacht ook daadwerkelijk als koosjer kunnen worden aangemerkt, en dat de andere onderdelen in reguliere (of halal-)kanalen worden afgezet? Zo ja, kunt u duidelijk maken hoeveel van het hier bedoelde vlees in Nederland buiten de koosjere kanalen wordt verkocht? Kunt u bevestigen dat dit vlees niet als zodanig is geëtiketteerd waardoor consumenten die vlees kopen mogelijk producten kopen die afkomstig zijn van onbedwelmd geslachte dieren uit de koosjere slacht, zonder dat te weten?
Hiervoor verwijs ik naar hetgeen Staatssecretaris Van Dam hierover geschreven heeft in zijn brief d.d. 9 juni 2017 (Kamerstuk 31 571, nr. 29). «Circa 65% van de runderen wordt, na volgens de shechita te zijn aangesneden, op basis van de beoordeling van interne organen tóch als niet-koosjer beoordeeld door de joods-religieuze autoriteit. Daarnaast wordt de «achterhand» van karkassen altijd als niet-koosjer beschouwd. De VSV heeft mij laten weten dat ook het vlees afkomstig van deze dieren, en deze karkasdelen, een bestemming als onbedwelmd aangesneden halal kan krijgen.»
Erkent u dat u er, als er überhaupt geen toezicht plaatsvindt op de afzet van vlees van onbedwelmde slacht en etikettering ontbreekt, voor zorgt dat vlees van onbedwelmd geslachte dieren, afkomstig uit ofwel de koosjere slacht ofwel de halal slacht, als regulier vlees aan nietsvermoedende consumenten wordt verkocht? Zo nee, kunt u uitsluiten dat dit gebeurt?
Het is niet uitgesloten dat vlees, afkomstig van onbedwelmd aangesneden dieren, niet als herkenbaar «halal» of «koosjer» verkocht wordt.
Wat is volgens u de onderliggende verklaring voor het afgenomen aantal onbedwelmde slachtingen sinds 1 januari 2018?
Er zijn geen gegevens bekend die het afgenomen aantal onbedwelmde slachtingen sinds 1 januari 2018 in vergelijking met 2017 verklaren.
Welke tekortkomingen, zoals door u worden genoemd in uw brief van 28 juni jongstleden, zijn er sinds 1 januari 2018 geconstateerd bij de onbedwelmde slacht?
Zoals genoemd in mijn brief van 28 juni 2018 betreffen de geconstateerde tekortkomingen veelal een niet correct uitgevoerde fixatie van het dier bij het onbedwelmd aansnijden. Daarnaast is geconstateerd dat de fixatie opgeheven werd vóór het intreden van bewusteloosheid werd vastgesteld, of dat geen controle op bewustzijnsverlies werd uitgevoerd. Ook is geconstateerd dat de halssnede niet correct in één vloeiende beweging werd uitgevoerd. In totaal zijn in het eerste kwartaal 80 overtredingen geconstateerd, waarop 41 keer aanwijzingen voor corrigerende maatregelen zijn gegeven en 3 rapporten van bevindingen zijn aangezegd. In het tweede kwartaal is de uitvoering al verbeterd; in het tweede kwartaal zijn 21 overtredingen geconstateerd, resulterend in 15 aanwijzingen voor corrigerende maatregelen, en zijn geen rapporten van bevindingen aangezegd.
Hoeveel en welke overtredingen zijn er geconstateerd sinds 1 januari 2018? Welke maatregelen zijn hierop genomen?
Zie antwoord vraag 13.
Het bericht dat de president van het Venezolaanse Hooggerechtshof in Nederland was |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Moreno en La Haya: El reto es una justicia imparcial»?1
Ja.
Klopt het dat Maikel Moreno, president van het Venezolaanse Hooggerechtshof, onlangs in Nederland was voor de viering van het twintigjarig bestaan van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof in Den Haag?
Ja, dit klopt.
Met welk doel was de heer Moreno uitgenodigd om bij deze viering te spreken?
De heer Moreno was aanwezig bij de viering van 20 jaar Statuut van Rome op het Internationaal Strafhof. Dit was formeel een bijeenkomst van de Assembly of States Partieswaarvoor alle verdragspartijen van het Internationaal Strafhof waren uitgenodigd. Iedere verdragspartij bepaalt zelf wie het als vertegenwoordiger naar een dergelijke bijeenkomst stuurt. De heer Moreno was dan ook niet persoonlijk uitgenodigd, maar door Venezuela aangewezen als vertegenwoordiger bij deze gelegenheid. Het Strafhof heeft vervolgens aan Nederland als gastland van het Internationaal Strafhof gevraagd een uitzondering te maken wegens de viering van 20 jaar Statuut.
Welke boodschap is door de heer Moreno uitgedragen tijdens deze viering en hoe verhoudt zich dit tot de huidige ontwikkelingen in Venezuela?
De heer Moreno heeft, net als andere aanwezige hoogwaardigheidsbekleders, gesproken tijdens de viering. Hierin heeft hij onder andere gemeld dat het Statuut van Rome niet gebruikt dient te worden voor binnenlandse aangelegenheden. Hiermee lijkt hij te doelen op het vooronderzoek dat gestart is door de aanklager van het Internationaal Strafhof naar de situatie in Venezuela. De beslissing om al dan niet een formeel onderzoek te openen naar de situatie in Venezuela wordt genomen door de Aanklager en getoetst door het Hof.
De heer Moreno sprak ook over de Venezolaanse Grondwet, waarin democratie, gelijkheid en mensenrechten gewaarborgd zijn. Het kabinet is echter van mening dat de democratie hersteld moet worden. Het Venezolaanse parlement is buitenspel gezet, de meest recente verkiezingen zijn niet vrij en eerlijk verlopen en mensenrechten staan zwaar onder druk.
Klopt het dat Nederland de aanwezigheid van de heer Moreno bij de betreffende viering van het Internationaal Strafhof gefaciliteerd heeft?
De Europese Unie heeft een sanctielijst opgesteld vanwege de ondermijning van de democratie en schending van mensenrechten in Venezuela. Op deze lijst staan achttien Venezolaanse hoogwaardigheidsbekleders, waaronder de heer Moreno. De lidstaten van de Europese Unie zijn overeengekomen dat reisbeperkingen een onderdeel zijn van het sanctiebeleid tegen deze Venezolaanse hoogwaardigheidsbekleders. In beginsel is Nederland daarmee gehouden aan het ontzeggen van toegang tot het grondgebied van Nederland, tenzij een van de uitzonderingen van toepassing is zoals genoemd in artikel 6 lid 3, lid 4 en lid 6 van Besluit (GBVB) 2017/2074 van de Raad van 13 november 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela.
Het Strafhof heeft aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd om een uitzondering te maken wegens de viering van 20 jaar Statuut.
Op grond van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Koninkrijk der Nederlanden, was Nederland als gastland verplicht om de heer Moreno toegang te verlenen tot Nederlands grondgebied. Deze uitzondering op grond van het internationaal recht is voorzien in artikel 6 lid 3 onder a van Besluit (GBVB) 2017/2074. De Europese Unie is over het besluit tot vrijstelling van de inreisbeperkingen van de betreffende persoon geïnformeerd.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in contact met de Venezolaanse autoriteiten uitdrukkelijk aangegeven de sancties te zullen handhaven en dat de heer Moreno alleen kon deelnemen aan activiteiten die door het Strafhof werden georganiseerd.
Klopt het dat de heer Moreno momenteel op de Europese sanctielijst staat? Zo ja, waarom staat hij op deze lijst? Waarom is zijn aanwezigheid door Nederland toegestaan dan wel gefaciliteerd?
Zie antwoord vraag 5.
De belofte dat mensen uit batch 1588 voor 19 juli duidelijkheid zouden hebben en de gevolgen voor de stressbeleving van mensen wanneer dit niet gebeurt |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Hebben alle bewoners van de woningen in batch 1588 de brief ontvangen die u in het debat van 5 juli 2018 heeft beloofd?
Ja, de betreffende brief is in de eerste helft van juli verstuurd aan alle adressen in deze groep.
Bent u op de hoogte dat in de brief gemeld wordt dat mensen (weer) moeten wachten op het zorgvuldig in kaart brengen van welke woningen zo snel mogelijk moeten worden versterkt en dat er dus pas in september duidelijkheid lijkt te komen? Kunt u dit toelichten?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer op 3 juli jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 502) hebben de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), de regiobestuurders en ik afgesproken dat de aanpak van de woningen in de groep van 1.588 door kan gaan op basis van de voorbereide versterkingsadviezen, ook als deze woningen volgens de laatste inzichten voldoen aan de veiligheidsnorm. Daarmee is de gewenste duidelijkheid voor deze bewoners gegeven. Hoe vervolgens het uitvoeringsproces eruit ziet, zal per woning verschillen, bijvoorbeeld afhankelijk van of het om corporatiebezit of een particuliere woning gaat, en vraagt daarom meer aandacht.
Deelt u de mening dat er dus nog steeds geen duidelijkheid bestaat? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u op de hoogte dat er mensen zijn die van verschillende mensen bij de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) hebben gehoord dat ze bij de batch 1588 horen, ineens niet meer bij deze batch blijken te horen en de beloofde brief niet hebben ontvangen en maar weer moeten wachten tot september, terwijl zij al wel een versterkingsadvies hebben ontvangen? Wat is hierop uw reactie?
Aan alle adressen die behoren tot de groep van 1.588 is, zoals eerder aangegeven, een brief verstuurd over het vervolg van de versterking, in navolging van eerdere schriftelijke communicatie over het verloop van het versterkingsproces voor deze groep. De samenstelling van deze groep is tussentijds niet gewijzigd. Bewoners met vragen over hun specifieke situatie kunnen hierover navraag doen bij de NCG.
Herinnert u zich dat u in februari 2018 in antwoord op Kamervragen schreef dat «het wegnemen van de oorzaken van stress en onzekerheid» de hoogste prioriteit had?1 Staat u daar nog achter?
Ja. Met het besluit om de gaswinning op een zo kort mogelijke termijn volledig te beëindigen heeft het kabinet er bewust voor gekozen om de aardbevingenproblematiek in Groningen bij de oorzaak aan te pakken.
Kunt u bevestigen dat op deze manier het wantrouwen steeds groter wordt en er van herstel van vertrouwen absoluut geen sprake is? Deelt u de mening dat het vergroten van wantrouwen leidt tot stress en daarmee tot grote gezondheidsrisico’s met mogelijk de dood tot gevolg? Wat gaat u doen om dat toch het vertrouwen te herstellen?
Deze mening deel ik niet. De problematiek die als gevolg van de gaswinning in de omgeving van het Groningenveld is ontstaan, is complex en heeft de afgelopen jaren veel losgemaakt in Groningen. Het herstel van het vertrouwen van de inwoners van Groningen zal begrijpelijkerwijs tijd nodig hebben, en ontstane psychische en andere gezondheidsproblemen die verband houden met de aardbevingenproblematiek vragen aandacht – zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag 8.
Dit laat onverlet dat in relatief korte tijd significante stappen zijn gezet: het kabinetsbesluit om de gaswinning versneld en volledig af te bouwen betekent een koerswijziging. De deskundigen stellen dat dit grote positieve impact zal hebben op de veiligheid in Groningen en dat hierdoor minder omvangrijke en ingrijpende versterking van woningen nodig zal zijn (Kamerstuk 33 529, nr. 498). Daarnaast is de afhandeling van schade inmiddels onafhankelijk van NAM georganiseerd en is een wetsvoorstel voor de verankering van de publieke schadeafhandeling onlangs in consultatie geweest. Samen met de Minister van BZK ben ik in overleg met de bestuurders in de regio over het vervolg van de versterkingsoperatie en over investeringen in een nieuw toekomstperspectief voor Groningen.
Hoeveel van de 50 mensen uit de groep «Heft in eigen hand» hebben inmiddels een veilig huis? Hoe gaat het met deze mensen? Ondervinden zij stressklachten? Hoe gaat het met de mensen die zich hebben aangemeld bij het vervolg »Eigen initiatief»? Wat is de stand van zaken op dit moment?
Op dit moment zijn er zes woningen uit de groep Heft in Eigen Hand opgeleverd en zijn er vier woningen opgekocht. Negen projecten zijn in uitvoering, waarvan er twee bestaan uit meerdere woningen. Voor de overige woningen zullen de werkzaamheden op korte termijn starten. De NCG laat weten dat de deelnemers aan Heft in Eigen Hand het proces over het algemeen als intensief ervaren, maar blij zijn met de mogelijkheden die het programma biedt.
Voor de woningen in het programma Eigen Initiatief geldt dat de versterking van de woningen waarvoor voor 24 april 2018 een versterkingsadvies was opgeleverd volgens dit advies wordt voortgezet. De versterking van de overige woningen wordt betrokken bij de implementatie van het Mijnraadadvies (Kamerstuk 33 529, nr. 502), waarover in september nadere besluitvorming plaatsvindt.
Bent u er van op de hoogte dat het door u in februari 2018 aangekondigde «plan van aanpak gezondheidsgevolgen» van het RIVM en de GGD er nog steeds niet is?2 Wat is daarop uw reactie? Bent u bereid te zorgen dat dit plan van aanpak zo snel mogelijk gereed is en in gebruik wordt genomen? Kunt u dat toelichten?
GGD Groningen heeft in opdracht van de NCG een plan van aanpak opgesteld. Dit plan is in juni geaccordeerd door de NCG en is in te zien via de website van GGD Groningen.3 GGD Groningen kiest met dit plan, in overleg met NCG, voor een nadere verkenning van al ontwikkelde of in ontwikkeling zijnde lokale initiatieven.
Het is zaak voor GGD Groningen om de uiteenlopende behoeften voor extra ondersteuning van gemeenten en andere regionale partners zodanig te expliciteren, dat zij hun expertise op gezondheidsbescherming en -bevordering kunnen omzetten in concrete activiteiten. In gesprekken tussen GGD Groningen en de verschillende gemeenten, professionals en burgerinitiatieven worden de wensen voor extra ondersteuning steeds helderder. Daardoor kunnen gerichte activiteiten op wijk- en dorpsniveau desgewenst worden ondersteund en waar nodig aangevuld. Het RIVM ondersteunt GGD en NCG met haar expertise en netwerk wanneer daar behoefte aan is.
Overigens kan ik berichten dat ik inmiddels, conform de motie-Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 34 957, nr. 38), een bedrag van € 100.000,– op jaarbasis beschikbaar heb gesteld voor de uitvoering van het in deze motie genoemde interlevensbeschouwelijk team van geestelijk verzorgers.
De bijdrage van 8 miljoen euro aan de nertsenhouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Frank Futselaar (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Wat is de reden voor uw besluit om 8 miljoen euro van het budget dat zou zijn bestemd voor de warme sanering van de varkenshouderij, te reserveren voor de flankerende maatregelen in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij1? Op welke wijze draagt dit bij aan het doel van de «transitie naar een vitale, robuuste, toekomstbestendige en duurzame varkenshouderijketen»?
In mijn brief van 7 juli 2018 heb ik aangekondigd dat 8 miljoen euro gereserveerd zal worden voor de verschillende flankerende maatregelen in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij, bovenop de al eerder gereserveerde middelen. Ten behoeve van deze reservering wordt het beschikbare bedrag voor de transitie naar een duurzame varkenshouderijketen met 8 miljoen euro verlaagd.
Op grond van het Besluit en de Regeling is het maximumbedrag voor sloop- en ombouwkosten, per locatie, inderdaad 95.000 euro of, indien bij het slopen of ombouwen asbest wordt verwijderd, 120.000 euro. In de komende periode zal ik onderzoeken hoe dit extra bedrag, in overeenstemming met de toepasselijke staatssteunrechtelijke randvoorwaarden, kan worden aangewend. Als dit leidt tot een wijziging van het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij, zal ik uw Kamer daarover informeren.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot uw eerdere uitspraak: «(o)p dit moment zie ik geen aanleiding om naast de in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij vastgestelde flankerende maatregelen aanvullende voorzieningen te treffen»?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat dit bedrag van 8 miljoen euro voor ingezet worden? Hoe staat dit in verhouding tot de eerder gereserveerde middelen van 28 miljoen euro?3
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat er nog 146 nertsenfokkerijen zijn in Nederland?4 Zo nee, wat is dan het correcte aantal?
Er zijn momenteel in Nederland 145 bedrijven waar edelpelsdieren worden gehouden. Uit gegevens van het CBS (2018) blijkt dat in alle jaren na 2013 sprake was van een lager aantal gehouden edelpelsdieren dan in 2013. In de link treft u de aantallen gehouden dieren per jaar aan6.
Kunt u bevestigen dat uit de Regeling en het Besluit subsidiering sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij voortvloeit dat het maximum bedrag voor de sloop- en ombouwkosten per locatie 95.000 euro bedraagt of 120.000 euro wanneer asbestsanering nodig is?5 Zo ja, waar gaat het resterende bedrag van 22,13 miljoen euro voor ingezet worden? Wordt de Kamer in de mogelijkheid gesteld hierover mee te beslissen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan de Kamer controleren of dit geld niet gaat naar frauderende bedrijven, zoals bedrijven die illegaal hebben uitgebreid de afgelopen jaren? Deelt u de mening dat dit zeer onwenselijk zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Bij brief van 20 januari 2017 (Kamerstuk 30 826, nr. 51) heb ik op een vergelijkbare vraag van de PvdD-fractie geantwoord dat, op grond van het Besluit, de Regeling, en het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, subsidie kan worden geweigerd indien deze is aangevraagd voor sloop of ombouw van stallen die zijn gebouwd en gebruikt in strijd met de Wet verbod pelsdierhouderij. Als Minister voer ik deze regelgeving uit en houd ik toezicht op de naleving ervan. De Tweede Kamer kan mij hierop controleren.
Wat zou het kosten als de overgangstermijn van het verbod op de pelsdierhouderij met een jaar zou worden ingekort? Deelt u de mening dat dit het risico op staatssteun zou verminderen?
De overgangstermijn is vastgelegd in de Wet verbod pelsdierhouderij. Een schatting van de kosten die verkorting van de overgangstermijn met zich mee zou brengen, is niet te maken. Bij de totstandkoming van de Nederlandse subsidieregeling voor sloop- en ombouwkosten van pelsdierhouderijen is aangesloten bij hetgeen daarover tijdens de parlementaire behandeling van de Wet verbod pelsdierhouderij is gewisseld en hetgeen door initiatiefnemers is beoogd. Het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten is een staatssteunmaatregel, die is aangemeld bij en goedgekeurd door de Europese Commissie. De duur van de overgangstermijn heeft als zodanig geen invloed op de kwalificatie van de subsidieregeling als staatssteun. Ik acht het onwenselijk en zie geen mogelijkheden om in de Nederlandse subsidieregeling een afnemende vergoeding toe te passen, omdat ondernemers anticiperen en besluiten hebben genomen op basis van de in deze vanaf 1 maart jongstleden opengestelde regeling.
Hoe kijkt u naar de aanpak van Vlaanderen, waar de hoogte van de compensatievergoeding voor nertsenhouders wordt gekoppeld aan het tijdstip dat zij stoppen met de nertsenfokkerij: hoe eerder zij stoppen, hoe hoger de compensatie?6 Welke mogelijkheden ziet u voor een dergelijke aanpak in Nederland, gelet op de extra investering van 8 miljoen voor de pelsdierhouderij?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u bevestigen dat het aantal nertsenfokkerijen sinds 2012 is afgenomen, terwijl het aantal nertsen, in ieder geval tussen 2012 en 2015, nagenoeg gelijk is gebleven? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het uitbreidingsverbod dat deel uitmaakt van het verbod op de pelsdierhouderij? Zo nee, wat zijn dan de correcte aantallen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat de NVWA zeer regelmatig niet tijdig beslist op verzoeken van niet-gouvernementele organisaties? Bent u bereid hierover met de NVWA in gesprek te gaan? Hoeveel geld heeft de NVWA de afgelopen tien jaar moeten betalen aan dwangsommen wegens niet tijdig beslissen? Hoeveel extra menskracht zou dit hebben opgeleverd, in fte omgerekend?
De NVWA moet binnen de haar beschikbare middelen werken, en net als bij andere werkzaamheden heb ik het vertrouwen dat bij handhavingsverzoeken de zorgvuldigheid voorop staat. Op de meeste handhavingsverzoeken wordt tijdig beslist. Vanaf 2016 is een toename van het aantal ingediende handhavingsverzoeken te zien. In 2012 werden twee verzoeken ingediend, in 2013 één verzoek, in 2014 twee verzoeken waarvan één niet tijdig afgehandeld (1.260 euro dwangsom), in 2015 drie verzoeken waarvan één niet tijdig afgehandeld (1.260 euro dwangsom), in 2016 zes verzoeken waarvan twee niet tijdig afgehandeld (1.260 euro dwangsom), in 2017 dertien verzoeken waarvan twee niet tijdig afgehandeld (1.340 euro dwangsom) en in 2018 tot nu toe negentien verzoeken waarvan vier niet tijdig afgehandeld (4.020 euro dwangsom). Voor zover kon worden nagegaan zijn in de jaren 2009 tot en met 2011 geen handhavingsverzoeken ingediend en zijn in 2012 en 2013 geen dwangsommen betaald wegens niet-tijdig beslissen. Uitgaande van kosten op jaarbasis van 100.000 euro voor 1 fte zouden de betaalde dwangsommen in de afgelopen jaren tussen de 0,01 en 0,04 extra menskracht in fte kunnen hebben opgeleverd.
Hoe gaat de NVWA om met het toezicht op de nertsenfokkerij tot 2024? Hoeveel capaciteit is hiervoor beschikbaar? Op basis van welke gegevens wordt het risicogericht toezicht in deze sector ingericht?
De afgelopen jaren heeft de NVWA geïnspecteerd op de Wet verbod pelsdierhouderij. De NVWA zet in de komende jaren de capaciteit die beschikbaar is voor toezicht, waaronder op de nertsenfokkerij, zo efficiënt mogelijk in en bepaalt jaarlijks risicogericht de prioriteiten bij het toezicht op de naleving. Bij de prioritering speelt het toezichtbeeld dat de NVWA van een sector heeft over de afgelopen jaren een belangrijke rol. In 2017 heeft de NVWA bij 40 nertsenfokkerijen een inspectie uitgevoerd. In 39 gevallen werden er geen overtredingen geconstateerd. In een geval werd geconstateerd dat er meer dieren werden gehouden dan toegestaan volgens de vergunning. Daarvoor is een proces-verbaal opgemaakt.
Waarom heeft de Centrale Commissie Dierproeven op 1 januari 2018 een vergunning voor vijf jaar verleend voor dierproeven op 300 nertsen en 36.100 muizen ten behoeve van vaccins in de nertsenhouderij? Bent u ervan op de hoogte dat deze dierproeven matig tot ernstig ongerief bij de proefdieren veroorzaken waaronder algehele verlammingsverschijnselen?7
De vergunning is verleend, rekening houdend met het gestelde in artikel 10, 10a en 10a2 van de Wet op de dierproeven. De CCD heeft een ethische afweging gemaakt of het matige tot ernstige ongerief van de proefdieren opweegt tegen de opbrengsten van het onderzoek, te weten veilige en werkzame vaccins voor pelsdieren. Op 1 april 2017 werden bijna 919.000 moederdieren gehouden bij nertsenfokkers (bron: CBS). Het totale aantal nertsen is tussen de werptijd in het voorjaar en de slacht in december 5–6x zo hoog (bron: CBS). De vaccins die getest worden onder de genoemde vergunning zijn dan ook vaccins tegen ernstige ziektes waar veel pelsdieren aan overlijden. Dat er nu nog veel pelsdieren worden gehouden, die zonder deze vaccins ernstig ziek kunnen worden, en dat het in Nederland houden van pelsdieren vanaf 1 januari 2024 niet meer is toegestaan, heeft de CCD meegewogen in haar besluit.
Vindt u het ethisch verantwoord om dierproeven in te zetten voor een commerciële dierhouderij die op 1 januari 2024 vanwege ethische redenen niet meer toegestaan zal zijn in Nederland?
Zie antwoord vraag 12.
Wie voert de proeven uit en wie draagt de kosten voor deze dierproeven?
Er wordt geen informatie verschaft over de partij die deze proeven uitvoert en wie de kosten voor deze dierproeven draagt. Wel worden over dierproeven niet-technische samenvattingen gepubliceerd om ervoor te zorgen dat het publiek wordt geïnformeerd9.
Er mag echter geen intellectuele eigendomsrecht worden geschonden noch vertrouwelijke informatie worden prijsgegeven. Dit staat vermeld in de memorie van toelichting bij de Wet op de dierproeven en volgt uit Artikel 43, eerste lid van de Europese richtlijn 2010/63/EU en Artikel 4, tweede lid van de Dierproevenregeling 2014.
Een onbeantwoorde brief over Palestijnse kinderen in Israëlische detentie |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat de organisatie Military Court Watch in december 2015 een brief heeft gestuurd naar onder andere de Nederlandse ambassade in Tel Aviv, waarin wordt aangedrongen op het nemen van stappen opdat Israël stopt met het overbrengen van Palestijnen naar gevangenissen in Israël, wat in strijd is met het internationaal recht?1
Klopt het dat deze brief, ondanks herhaaldelijk aandringen, nog steeds niet is beantwoord? Zo ja, waarom is dat het geval? Bent u bereid ervoor te zorgen dat deze brief alsnog beantwoord wordt en de Kamer van het antwoord op de hoogte wordt gebracht?
Het bericht ‘basisscholen missen 1300 leraren, na de zomer dreigt lesuitval’ |
|
Dennis Wiersma (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Basisscholen missen 1.300 leraren, na de zomer dreigt lesuitval»1?
Ja.
Hoe wordt de verlenging van de verruiming van de ketenbepaling door scholen ervaren? Biedt deze verruiming voldoende soelaas of is er meer nodig dan de verruiming bij kortdurende vervangingen? Kunt u aangeven of verdere verruiming kan bijdragen aan het verminderen van het lerarentekort? Welke mogelijkheden zijn er en welke acht u wenselijk?
Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het verzoek van de werkgevers en werknemers om de uitzonderingsmogelijkheid van de ketenbepaling voor invalkrachten die invallen voor zieke leraren in het primair onderwijs positief beoordeeld. Deze uitzondering is onlangs vastgelegd in een ministeriële regeling van SZW. Dit is vooruitlopend op de door het kabinet beoogde inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans in 2020 waarmee deze uitzondering in de wet wordt vastgelegd.2 De algehele uitzondering op de ketenbepaling voor invalkrachten die invallen voor zieke leraren in het primair onderwijs geldt vanaf 1 augustus 2018. Hoe de algehele uitzondering op de ketenbepaling in de praktijk door scholen wordt ervaren is dus nog niet bekend.
Wel verwacht ik dat de uitzondering veel praktische problemen zal wegnemen die scholen tot voor kort ondervonden bij het vinden en tijdelijk aanstellen van invallers voor zieke leraren.
Verdere verruiming van de ketenbepaling is niet aan de orde en draagt niet bij aan het verder tegengaan van het lerarentekort aangezien de ketenbepaling met de algehele uitzondering reeds maximaal is opgerekt.
Hoeveel docenten in de bovenwettelijke regeling zijn er benaderd met het verzoek om weer in het onderwijs te gaan werken? Hoeveel van deze docenten in de bovenwettelijke regeling staan weer voor de klas?
De bovenwettelijke uitkeringen in het primair onderwijs worden uitgevoerd door WWplus BV.3 Op basis van de laatst bekende gegevens van WWplus (ultimo 1e kwartaal 2018) bedraagt het aantal lopende bovenwettelijke uitkeringsrechten 8.972 (5.185 aanvullingen op de WW uitkeringsrechten en 3.787 aansluitende uitkeringsrechten). Het Participatiefonds voert de taak uit om de uitkeringsgerechtigden te ondersteunen en begeleiden naar een betaalde betrekking, binnen of buiten het onderwijs.
Tot voor kort werden nauwelijks gegevens bijgehouden over de resultaten van het re-integratiebeleid. Hiermee ontbreken dus momenteel gegevens om de vraag feitelijk te kunnen beantwoorden hoeveel uitkeringsgerechtigden terug keren voor de klas.
Hierin komt met ingang van 1 september verandering. Het Participatiefonds voert namelijk vanaf het nieuwe schooljaar een vernieuwd re-integratiebeleid uit waarbij maatwerk centraal staat. Het fonds heeft een monitoringstool ontwikkeld op basis waarvan het resultaat van dit vernieuwde beleid wordt gevolgd. Hierover wordt met ingang van het jaarverslag 2018 jaarlijks gerapporteerd. Binnenkort informeer ik u hier verder over in een brief over de toekomst van het Vervangings- en Participatiefonds.
Heeft u reeds inzichtelijk kunnen maken welke fiscale belemmeringen er zijn voor parttimers om een extra dag te werken? Heeft u tevens het gesprek met de sector gevoerd om ervoor te zorgen dat parttimers, die bij ziekte van hun collega lesgeven aan hun eigen klas, volwaardig betaald worden?
In de brief over het lerarentekort, die ik recent naar uw Kamer heb gestuurd, staat een reactie op de motie Bruins waarin wordt gevraagd om de aantrekkelijkheid van een voltijdaanstelling of een grotere deeltijdaanstelling te stimuleren en onderwijsregels die dit lastig of onmogelijk maken te schrappen.4
Ik heb veel waardering voor leraren die extra werken om een zieke collega te vervangen. In de cao zijn afspraken gemaakt over de vergoeding. Op basis daarvan moet een extra dag werken volwaardig worden betaald. Het naleven van de cao-regels is aan werkgevers en werknemers.
Heeft u reeds onderzocht wat uw rol is om te zorgen dat de overstap van bedrijfsleven naar het onderwijs soepeler kan verlopen? Welke mogelijkheden zijn er om samen met werkgevers met gebruikmaking van de reeds beschikbare middelen om personeel van werk naar werk te begeleiden, de overstap naar het onderwijs voor zij-instromers niet alleen aantrekkelijker te maken, maar ook financieel haalbaar?
De overstap van geïnteresseerden vanuit het bedrijfsleven naar een baan in het primair onderwijs is vooral een kwestie van maatwerk in een regionale setting. Daarom heb ik ingestemd met een project waarbij door het Arbeidsmarktplatform PO regio’s met de grootste voorspelde tekorten worden ondersteund om zij-instromers (en mogelijk ook herintreders) uit met name het bedrijfsleven te werven. De rol van het platform is vooral verbinding tot stand te brengen tussen de scholen, de opleidingen en het (regionale) bedrijfsleven. Daarbij wordt aangesloten bij bestaande initiatieven zoals het project «van Rabo naar pabo». Voor de ondersteuning is door het platform een helpdesk ingericht. Dit alles leidt tot een toenemend aantal regionale activiteiten. In de voortgangsrapportage over het lerarentekort die ik u in het najaar stuur ga ik verder in op zijinstroom vanuit het bedrijfsleven.
Bedrijven kunnen budgetten voor outplacement beschikbaar stellen of transitievergoedingen bieden. Het ministerie stelt middelen beschikbaar via de subsidieregeling zijinstroom. Het budget van deze regeling is verhoogd omdat we zien dat de interesse in zijinstroom toeneemt.
Is het reeds mogelijk om zzp’ers (zelfstandigen zonder personeel), zoals bijvoorbeeld vakleerkrachten bewegingsonderwijs, muziek of cultuur, uit het Vervangingsfonds te bekostigen?
Het Vervangingsfonds keert aan de schoolbesturen die daarvoor vervangingspremie betalen, een normvergoeding uit voor de bekostiging van vervanging van ziek onderwijspersoneel waaronder (vak)leerkrachten. De hoogte van de normvergoeding is afgestemd op het salaris van de afwezige. De voorwaarden waaronder een vergoeding wordt toegekend zijn vastgelegd in het Vf-reglement dat het fonds als onafhankelijk zelfstandig bestuursorgaan jaarlijks vaststelt. Op basis van het vigerende reglement (artikel 29, lid 3) verstrekt het fonds momenteel geen vergoeding bij vervanging van een zieke (vak)leerkracht door een zzp-er met een vereiste lesbevoegdheid. Het fonds heeft ons gemeld dat het bestuur binnenkort beslist of het reglement op dit punt met ingang van 1 januari 2019 wordt aangepast. Ik zal uw Kamer informeren over de besluit van het bestuur.
Klopt het dat bevoegde, maar reeds gepensioneerde docenten die na hun pensionering een school uit de brand te willen helpen, daar financieel niets mee opschieten? Kunt u deze belemmeringen in beeld brengen en de Kamer daar binnen vijf weken over informeren?
De financiële gevolgen zijn afhankelijk van de afspraken die de werkgever en gepensioneerde met elkaar maken. Een werkgever kan een gepensioneerde docent na diens pensioen in dienst houden of (weer) in dienst nemen. Werkgever en werknemer maken dan afspraken over het salaris. Dit kan een aanvulling zijn op het pensioen. Er mag namelijk worden gewerkt naast het AOW-pensioen en het ABP-ouderdomspensioen. Meer geld verdienen kan wel gevolgen hebben voor de hoogte van de inkomstenbelasting. Dit geldt echter niet alleen voor het onderwijs. Ik zie dan ook geen reden om specifiek voor het onderwijs mogelijke belemmeringen in kaart te brengen.
Kunt u samen met uw collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de gemeenten verzoeken om in de groep van mensen met een uitkering te kijken of er mensen met een onderwijsbevoegdheid tussen zitten?
Een match tussen werkgever en werknemer wordt in de regio gemaakt. Vandaar dat het arbeidsmarktbeleid ook gedecentraliseerd is, met rollen voor UWV (WW) en de gemeenten (bijstand). Onderwijswerkgevers kunnen met vragen naar werkzoekenden met een onderwijsbevoegdheid terecht bij één van de 35 regionale werkgeversservicepunten. De werkgeverservicepunten zullen dan in hun bestanden kijken of daar nog kandidaten in zitten. Het is daarom in eerste instantie vooral belangrijk dat onderwijswerkgevers hun vacatures bij de regionale servicepunten neerleggen. Daarnaast kunnen werkgevers ook zelf op werk.nl zoeken naar geschikte kandidaten. Een centrale oproep aan gemeenten heeft wat ons betreft dan ook weinig meerwaarde.
Klopt het dat het wettelijk verankeren van een vakdocent bewegingsonderwijs ruim 5.000 nieuwe ALO-opgeleide2 docenten naar het primair onderwijs zal trekken? Klopt het dat dit een deel van de oplossing van het lerarentekort kan zijn? Deelt u de mening dat de inzet van vakleerkrachten leidt tot werkdrukverlaging bij de groepsleerkracht?
Ik heb geen informatie die deze veronderstelling ondersteunt. Zoals eerder per brief aan de Kamer is vermeld, wordt het aantrekken van voldoende leerkrachten mogelijk beperkt door het opleggen van aanvullende wettelijke verplichtingen. Hiermee is de wettelijke verankering van een vakleerkracht bewegingsonderwijs geen oplossing voor het lerarentekort.6 Dit neemt niet weg dat een vakleerkracht bewegingsonderwijs op sommige scholen wel degelijk een tekort aan leerkrachten kan wegnemen of de ervaren werkdruk kan beperken. Dit is ook een van de mogelijkheden voor scholen om de middelen in te zetten die beschikbaar zijn gekomen bij het gesloten werkdrukakkoord. Uit een peiling van de AVS blijkt dat 18% van de schoolleiders de middelen (deels) voor een vakdocent inzet, bijvoorbeeld voor bewegingsonderwijs. Ik merk wel op dat de ervaren werkdruk zich op elke school anders kan manifesteren en dus ook andere oplossingen kan hebben.
Een vacaturesite die mogelijk discriminatie in de hand werkt |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vacaturesite biedt mogelijkheid te filteren op geloof en uiterlijk»?1 Wat is uw oordeel daarover?
Ja. Het kabinet zet stevig in op het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie, onder andere door te stimuleren dat bedrijven en organisaties selecteren zonder vooroordelen en op basis van objectieve criteria. Dit om te bewerkstelligen dat kenmerken als culturele achtergrond, geslacht en geloof geen grond vormen voor uitsluiting. Dit is een prominent onderdeel van het vernieuwde Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie 2018–2021. De wijze van matching als beschreven in het bericht staat hier haaks op.
Deelt u de mening dat bij vacatures het gebruik van zoekfilters zoals onder andere uiterlijk, geloofsovertuiging en politieke voorkeur, neerkomt op discriminatie? Zo nee, waarom niet?
Arbeidsmarktdiscriminatie is niet toegestaan. We vragen alle Nederlanders om zoveel mogelijk duurzaam te participeren op de arbeidsmarkt, daartoe moeten zij dan ook gelijke kansen krijgen. Niet ter zake doende persoonskenmerken mogen niet gebruikt worden om mensen te weren uit de sollicitatieprocedure. Onderscheid maken tussen kandidaten op basis van bijvoorbeeld geloof of politieke voorkeur is niet in alle gevallen discriminatie. Zo kan het voor een instelling op bijvoorbeeld godsdienstige of politieke grondslag noodzakelijk zijn dat een sollicitant een bepaalde godsdienst of politieke gezindheid heeft om goed invulling te geven aan de functie. De godsdienst of de politieke gezindheid kan in die gevallen een wezenlijke, legitieme en gerechtvaardigde beroepsvereiste zijn. Ook mag in bepaalde situaties onderscheid gemaakt worden tussen kandidaten in sollicitatieprocedures, bijvoorbeeld wanneer vrouwen onvoldoende zijn vertegenwoordigd of als een kandidaat aan bepaalde zeer specifieke eisen moet voldoen om de functie goed uit te kunnen voeren. Dit onder voorwaarden, welke zijn vastgelegd in de gelijkebehandelingswetgeving.
Deelt u de mening dat een werkgever pas tijdens een sollicitatiegesprek kan bepalen of een kandidate voldoet aan de functie-eisen, of ze nu een hoofddoek draagt of niet?
Of iemand geschikt is voor een functie hangt af van de kennis en vaardigheden van de sollicitant en niet van persoonskenmerken die niet relevant zijn voor de uitvoering van de functie.
Bent u bereid onderzoek te doen naar mogelijk strafbaar handelen, wanneer sprake is van het selecteren van personeel op afkomst, huidskleur, geslacht, geloofsovertuiging of politieke voorkeur? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de Algemene wet gelijke behandeling is arbeidsdiscriminatie in vacatures ontoelaatbaar. De beoordeling of er in een concreet geval sprake is geweest van verboden onderscheid, is aan de rechter of het College voor de Rechten van de Mens. De oordelen van het College zijn niet bindend, maar worden wel op zijn website gepubliceerd en worden in de meeste gevallen opgevolgd. Daarnaast hechten rechters in civiele procedures doorgaans grote waarde aan een uitspraak van het College. Arbeidsdiscriminatie is strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht, vervat in de artikelen 137g Sr en 429quater Sr. Het is aan het Openbaar Ministerie om in eerste instantie te bepalen of mogelijk sprake is van een strafbaar feit dat aan de rechter kan worden voorgelegd.
Momenteel wordt een verkenning uitgevoerd naar onder meer de mogelijkheden om de handhavende rol van de Inspectie SZW, met betrekking tot toezicht op discriminatie bij werving en selectie te versterken.
Deelt u de mening dat deze selectiemethode zeer ongewenst is? Zo ja, bent u bereid met deze onderneming in gesprek te gaan om deze werkwijze te schrappen? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zet zich in voor een eerlijke en inclusieve arbeidsmarkt waar bedrijven en organisaties selecteren zonder vooroordelen en op basis van objectieve criteria. De invloed van algoritmen en geautomatiseerde systemen om werkgevers en sollicitanten te matchen zal groter worden in de aankomende jaren. Ik ben voornemens hier onderzoek naar te doen om te bezien wat de impact kan zijn wat betreft discriminatie en hoe hier op geanticipeerd moet worden in de toekomst. Deze casus neem ik hierin mee.
De Primarkpremie |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «FNV wil strengere regels voor lage-inkomensvoordeel»?1
Ik heb nog geen signalen ontvangen die de stelling van de FNV onderschrijven dat het LIV een loonsverhoging in de weg zou staan. In het eerste halfjaar van 2018 zijn de cao-lonen2 met 1,8 procent toegenomen. De cao-loonontwikkeling van de eerste maand in het derde kwartaal bedraagt 2,2 procent3. Bovendien stijgen de uurloongrenzen van het LIV elk jaar mee met de gemiddelde contractloonstijging van het minimumloon. Dus bij een dergelijke loonstijging blijft het recht op LIV bestaan. Aan de andere kant is de regeling pas recent ingevoerd en er zijn daarom nog geen harde cijfers bekend over de effecten op de loonvorming. Gedragseffecten rondom de uurloongrenzen zijn bovendien niet helemaal uit te sluiten. Voor mij staat het stimuleren van werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt voorop.
Herkent u de signalen die de vakbond krijgt, dat bedrijven de lonen met opzet laag houden om van de lage-inkomensvoordeel (LIV)-regeling te kunnen blijven profiteren?
Zie antwoord vraag 1.
Is er sprake van afname van werkgelegenheid in de loongroepen vlak boven de LIV-grens?
De werkgelegenheid neemt over de hele linie toe. In het tweede kwartaal van 2018 hadden ruim 8,7 miljoen mensen betaald werk. Ten opzichte van het eerste kwartaal van 2018 is het aantal werkenden met 51 duizend toegenomen4. Hoe de werkgelegenheidseffecten zijn verdeeld over de loongroepen kan worden betrokken bij de geplande evaluatie. De regeling is immers net nieuw en er zijn daarom nog geen harde cijfers beschikbaar over de werkgelegenheidseffecten.
Bent u bereid bijvoorbeeld het Centraal Planbureau (CPB) te laten onderzoeken of het LIV de loonontwikkeling aan de onderkant van de arbeidsmarkt afremt?
Een onderzoek door het CPB lijkt mij prematuur. Het LIV is pas afgelopen maand voor het eerst uitbetaald. Bovendien is in de vormgeving van het LIV al rekening gehouden met grenseffecten. Zo stijgen de uurloongrenzen van het LIV elk jaar mee met de gemiddelde contractloonstijging van het minimumloon, zodat bij een dergelijke loonstijging het recht op LIV blijft bestaan. Daarnaast is er, om grenseffecten te beperken, in de vormgeving voor gekozen om het LIV geleidelijk af te bouwen van € 2.000 voor lonen tussen 100% en 110% van het WML naar
€ 1.000 voor lonen tussen 110% en 125% van het WML.
Hoeveel LIV-subsidie kreeg Primark over het jaar 2017? Kunt u dit uitsplitsen naar jeugd-LIV en regulier LIV?
Eerder dit jaar heb ik uw Kamer onderstaand overzicht verstrekt van de verdeling van de LIV-gelden op sectorniveau.
33
Horeca algemeen
13%
17
Detailhandel en ambachten
12%
52
Uitzendbedrijven
7%
12
Metaal- en technische bedrijfstakken
6%
66
Overheid, overige instellingen
6%
42
Groothandel II
5%
45
Zakelijke dienstverlening III
5%
1
Agrarisch bedrijf
5%
35
Gezondheid
4%
20
Havenbedrijven
4%
19
Grootwinkelbedrijf
4%
18
Reiniging
3%
44
Zakelijke dienstverlening II
3%
51
Algemene industrie
3%
32
Overig goederenvervoer
2%
41
Groothandel I
2%
64
Overheid, provincies en gemeenten
2%
10
Metaalindustrie
1%
13
Bakkerijen
1%
16
Slagers overig
1%
43
Zakelijke dienstverlening I
1%
50
Voedingsindustrie
1%
55
Overige takken van bedrijf en beroep
1%
Overige sectoren
8%
100%
Voor de sectorindeling is aangesloten bij de sectorcode WGA.
Afgerond op een heel getal.
Uit dit overzicht blijkt dat de horeca en de detailhandel de grootste ontvangers zijn. Ik acht het, vanuit privacy overwegingen, niet wenselijk om dit soort bedrijfsvertrouwelijke informatie op werkgeversniveau te verstrekken.
Wilt u dit ook voor McDonalds, H&M, Zara, Jumbo en Albert Heijn aangeven?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zijn de tien grootste ontvangers van een LIV-subsidie?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe biedt u transparantie over wat met het belastinggeld via het LIV gebeurt?
Het LIV wordt verstrekt op basis van objectieve voorwaarden die in de wet zijn vastgelegd. Hiermee is de basis gelegd voor een rechtmatige uitvoering. Daarnaast worden de middelen die gemoeid zijn met het LIV via de begroting SZW verantwoord. Ik ben graag bereid met uw Kamer daarover in debat te gaan tijdens de begrotingsbehandeling.
In welke mate wordt het LIV ingezet voor subsidiëring van werknemers die vanuit andere Europese landen in Nederland aan het werk gaan?
In mijn brief van 18 februari jl. met daarin een overzicht van de verdeling van de LIV-gelden over de sectoren (zie ook vraag5, heb ik aangegeven dat dit naar verwachting een geringe fractie is van het totaal. Zoals ik in het AO Arbeidsmarktbeleid van 14 februari jl. heb toegezegd zal ik de vinger aan de pols houden met betrekking tot samenloop van LIV en de ET-regeling en uw Kamer daarover voor het einde van dit jaar informeren. UWV is bezig met de voorbereiding van een analyse op de beschikbare data in de polisadministratie. Ik verwacht u nog voor de begrotingsbehandeling over de uitkomsten te kunnen informeren.
Hoeveel procent van de LIV-subsidie wordt uitgekeerd voor personen voor wie ook gebruik wordt gemaakt van de extraterritoriale kostenvergoeding (ET-regeling), die dient voor aftrek van extra (huisvestings)kosten voor mensen van buiten Nederland die hier komen werken? Indien dit niet bekend is; bent u bereid dit te laten uitzoeken?
Zie antwoord vraag 9.
Hoeveel procent van het LIV wordt besteed aan mensen uit het doelgroepenregister?
De mensen met een arbeidsbeperking van de banenafspraak die geregistreerd zijn in het doelgroepregister, komen over het algemeen niet in aanmerking voor het LIV, omdat er specifiek voor deze groep een LKV doelgroep banenafspraak is
gekomen met ingang van 1 januari 2018. Daarbij wordt aangetekend dat het LIV en LKV niet kunnen samenlopen (alleen het hoogste bedrag van de twee regelingen wordt uitbetaald). Na afloop van het LKV, voor nieuwe gevallen voor het eerst vanaf 2021, kunnen deze mensen wel onder het LIV-regime vallen, omdat het LKV gemaximeerd is op drie jaar.
Is het midden- en kleinbedrijf (MKB) representatief vertegenwoordigd bij de uitkering van LIV-subsidies?
De grootte van het bedrijf is geen criterium voor toekenning van het LIV. In dit licht is het moeilijk cijfermatig te onderbouwen hoe groot het aandeel van het MKB is.
Onderkent u dat het feit dat toeslagen voor werknemers meegeteld worden bij het vaststellen van het totale loon, een perverse prikkel vormt voor werkgevers om zo min mogelijk toeslagen af te spreken in de CAO?
Het afsluiten van een CAO valt onder de verantwoordelijkheid van sociale partners. Beide partijen onderhandelen hierover om te komen tot een fatsoenlijke beloning. Dat hierbij rekening wordt gehouden met bestaande fiscale regelingen is onderdeel van het onderhandelingsproces.
Vindt u deze subsidie voor grote winstgevende bedrijven zoals Primark en Jumbo gerechtvaardigd? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
De grootte en/of de winstgevendheid van een bedrijf is geen criterium voor het recht op LIV. Het LIV beoogt met een gerichte lastenverlichting aan de onderkant van de arbeidsmarkt het voor werkgevers financieel aantrekkelijker te maken om mensen met een loon tussen 100% en 125% van het minimumloon in dienst te nemen en te houden. Op deze manier worden de lasten op arbeid lager en nemen de kansen op werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt toe zonder dat dit ten koste gaat van de inkomenszekerheid van werknemers. Dit geldt ook voor supermarkten en modeketens.