Het bericht dat er een humanitaire crisis dreigt in Kobani |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de mogelijke humanitaire ramp die zich voltrekt in Kobani, nu deze stad is omsingeld door het Syrische leger en overspoeld is met gevluchte mensen?1
Bent u bekend met de signalen dat de Koerden zijn afgesloten van eten, elektriciteit en water in Kobani? Zo ja, hoe wilt u een escalatie hiervan voorkomen?
Kunt u onderschrijven dat de problemen in Kobani veroorzaakt zijn en worden door het regeringsleger of zijn er andere oorzaken? Kunt u dit toelichten?
Deelt u de mening dat de internationale gemeenschap hier niet van mag wegkijken? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Veroordeelt u het geweld en de oorlogsmisdaden die plaatsvinden in Syrië sinds de nieuwe regering aan de macht is?2 Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier bent u van plan om de druk op te voeren richting de Syrische regering om te zorgen voor directe toegang tot humanitaire hulp, en de blokkade en mensenrechtenschendingen tegen te gaan?
Hoe wordt op dit moment in kaart gebracht welke oorlogsmisdaden er worden gepleegd en op welke manier deze vervolgd kunnen worden, zoals bijvoorbeeld Amnesty International aangeeft?3
Op welke manier gaat u onderzoek ondersteunen dat de feiten op een rij zet, zodat vervolging van oorlogsmisdadigers mogelijk wordt gemaakt?
Het bericht ‘Zorgen in gemeente Zutphen over toegankelijkheid bevolkingsonderzoek’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Zorgen in gemeente Zutphen over toegankelijkheid bevolkingsonderzoek»?1
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat het aantal deelnemende vrouwen aan het bevolkingsonderzoek borstkanker aanzienlijk is afgenomen sinds vrouwen uit Zutphen hiervoor naar Deventer moeten?
Deelt u de mening dat bevolkingsonderzoek ontzettend belangrijk is voor vrouwen om borstkanker en het daardoor veroorzaakte leed te voorkomen, levens te redden en dat nabijheid van dat onderzoek daarin een belangrijke rol speelt?
Bent u bereid om de petitie vanuit Zutphen persoonlijk te ontvangen?
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat het weer mogelijk wordt om deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek borstkanker in Zutphen zelf? Zo ja, hoe gaat u dit regelen? Zo nee, hoe bent u dan van plan om de dalende trend aan deelname te keren?
Het bericht dat er aanhoudend agressie en geweld wordt gepleegd tegen verschillende minderheden in Syrië. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het aanhoudende geweld tegen minderheden zoals de Alawieten en de Koerden in Syrië door de regering?1
Bent u op de hoogte van het rapport van Amnesty International dat ingaat op de structurele ontvoering van Alawitische vrouwen en meisjes? Zo ja, gaat u mee in de oproep van Amnesty om het Syrische regime op te roepen onafhankelijk onderzoek te doen naar deze misstanden en te luisteren naar meldingen?2 Zo nee, waarom niet?
Is er naar aanleiding van de demonstratie in Den Haag door Druzen in juli jongstleden, contact gelegd tussen de Syrische diaspora, en specifiek de etnische minderheden, en het ministerie?3 Zo ja, wat is daaruit voortgekomen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Wat is uw reactie op de berichten dat de Syrische troepen mogelijk tracht IS-gevangenen te bevrijden, gezien de banden tussen de gevangenen en Ahmad Al-Sharaa?4 Hoe zorgt u ervoor dat dit geen effect heeft op het de veiligheid van zowel de Nederlandse als de internationale en Syrische veiligheid?
Hoe draagt u bij aan de bescherming van minderheden in Syrië? Ligt hier al een diplomatiek plan op klaar en zo ja, kunt u deze delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog te doen?
Wordt er overwogen om in EU-verband maatregelen tegen de ex-HTS groepen te nemen, zoals Reuters aangeeft dat wel gebeurd is bij andere terroristische groepen?5
Deelt u de mening dat hier sprake is van schending van het internationaal recht en mogelijke etnische zuivering? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen tegen het regime bent u bereid te nemen, zowel in nationaal als internationaal verband, om het aanhoudende geweld te stoppen? Ligt er een escalatieladder klaar die de Syrische bevolking en humanitaire organisaties ontziet? Zo ja, kan deze worden toegelicht? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier gaat u, samen met de internationale gemeenschap, ervoor zorgen dat het staakt-het-vuren standhoudt, nu we zien dat het bestand al meerdere keren geschonden is?
Het bericht dat tandartsketens ouderen als melkkoe gebruiken |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat tandartsketens ouderen als melkkoe gebruiken?1
Hoe kan het dat commerciële tandartsketens zonder duidelijke reden vijf mondzorgcontroles per jaar kunnen declareren?
Is het toegestaan om ouderen in een normale stoel aan de keukentafel een tandartscontrole te geven? Zo nee, waarom vindt dat dan alsnog plaats?
Bent u het ermee eens dat dit laat zien dat commerciële zorgbedrijven en de markt de zorg vaak duurder en slechter maken? Zo ja, bent u bereid om winstbejag in de hele zorg te verbieden?
Wat gaat u doen om de inzet van dit soort commerciële mondzorgketens uit de ouderenzorg te krijgen? Bent u bijvoorbeeld bereid om ouderenzorginstellingen hiervoor te waarschuwen?
De Gazaraad van Trump |
|
Sarah Dobbe (SP), Stephan van Baarle (DENK), Laurens Dassen (Volt), Hanneke van der Werf (D66), Kati Piri (PvdA), Derk Boswijk (CDA), Eric van der Burg (VVD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u voornemens om aanwezig te zijn bij de tekenceremonie van Trumps «Vredesraad» donderdag in Davos?
Het kabinet heeft op 17 januari jl. een uitnodiging ontvangen om deel te nemen aan de Board of Peace, en op 19 januari jl. een uitnodiging om het Handvest daarvan te ondertekenen.
Het kabinet heeft, samen met Europese partners, een aantal serieuze vragen gesteld over het voorgestelde mandaat van de Board of Peace aangezien dat verder gaat dan oorspronkelijk voorzien in VN-Veiligheidsraadresolutie 2803 en waarin de focus lag op Gaza. De vragen betreffen onder andere hoe het voorgestelde mandaat zich verhoudt tot de VN en het VN-Handvest, de besluitvormingsstructuur van de organisatie en de verhouding tot andere internationale organisaties. Het kabinet onderstreept het belang van zoveel als mogelijk gecoördineerd optrekken met andere beoogde deelnemers aan de Board of Peace, waaronder Europese partners. Daarom is het voor Nederland op dit moment te vroeg om op donderdag 22 januari a.s. deel te nemen aan de ondertekeningsceremonie die op die dag in Davos door de VS wordt georganiseerd.
Daarbij is het van belang dat de vragen over de oprichting van de Board of Peaceals een internationale organisatie, met een breder mandaat dan Gaza, niet doen afleiden van de urgente noodzaak voortgang te maken met het vredesplan van president Trump voor Gaza. De inspanningen van het kabinet blijven gericht op het in stand houden van het staakt-het-vuren en het laten slagen van dit vredesplan. Het kabinet steunt daarom ook de oprichting van een Executive Board voor Gaza, die ressorteert onder de Board of Peace. Alhoewel de Board of Peace een breed mandaat heeft volgens het voorgestelde Handvest, en daarom de nodige vragen oproept, wordt in de bijgaande aankondiging van het Witte Huis de specifieke link met Gaza wel degelijk gelegd. Ook dat zal voor het kabinet meegewogen moeten worden in de wijze waarop Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace.
Deelt u de mening van de indieners dat een «Vredesraad» met onder andere Putin en Lukashenko ongewenst is en een serieuze bedreiging vormt voor de positie van de Verenigde Naties op het gebied van vrede en veiligheid wereldwijd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze berichtgeving. De VS heeft, voor zover bekend, ongeveer 60 landen uitgenodigd. Op het moment van dit schrijven is, op een aantal landen na, nog niet duidelijk welke landen de uitnodiging zullen accepteren en daadwerkelijk zullen plaatsnemen in de Board of Peace. Voor Nederland blijft het VN-Handvest hoe dan ook leidend. Ook leden van de Board of Peace zullen moeten handelen in overeenstemming met het internationaal recht.
Bent u voornemens om het Franse voorbeeld te volgen en de uitnodiging af te wijzen? Zo nee, bent u van plan om één miljard euro te betalen om deel te nemen?
Voor het kabinet komt ondertekening van het Handvest van de Board of Peaceop dit moment te vroeg. Over de wijze of, en zo ja hoe Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace is nog geen besluit genomen. Daarvoor is ook nader overleg met Europese partners gewenst.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk en voor het einde van de dag beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het niet uitvoeren van de aangenomen motie over een campagne om mensen te werven om in de zorg te werken |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Waarom weigert u de aangenomen motie Dobbe1 uit te voeren, waarmee een tweederde meerderheid van de Kamer u verzocht om «om een wervingscampagne op te zetten, vergelijkbaar met de wervingscampagne van Defensie, om mensen te werven om in de zorg te werken, en de Kamer hier voor de begrotingsbehandeling over te informeren»?
Waarom bent u niet bereid om een wervingscampagne op te zetten voor de zorg, terwijl de personeelstekorten in de zorg één van de grootste problemen in Nederland is?
Erkent u dat het feit dat uw ministerie niet rechtstreeks de werkgever is van zorgverleners het niet onmogelijk maakt om een wervingscampagne op te zetten?2
Deelt u de mening dat het wel of niet opzetten van een wervingscampagne voor de zorg, terwijl er ook in andere sectoren personeelstekorten zijn, een politieke keuze is die een ruime meerderheid van de Kamer al heeft gemaakt? Zo ja, waarom maakt u deze weging dan eigenhandig opnieuw?
Vindt u ook niet dat het ondemocratisch is om als dubbeldemissionair Minister, namens een coalitie die rust op 17% van de Kamer, een heel duidelijke, simpele en uitvoerbare wens van 101 Kamerleden naast u neer te leggen?
Wat betekent een aangenomen motie voor u? Is dat enkel een suggestie die u alleen uitvoert als u het er toevallig mee eens bent? Of bent u ook bereid om voorstellen uit te voeren waar u zelf niet achter staat, als de Kamer u daartoe oproept?
Bent u bereid om alsnog een wervingscampagne op te zetten voor de zorg?
Het Israëlische besluit om humanitaire organisaties te weren uit Gaza en de Westelijke Jordaanoever. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het besluit van Israël om enkele tientallen hulporganisaties de toegang te ontzeggen in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever?1
Waarom heeft u niet meegedaan aan de gezamenlijke verklaring van de Ministers van Buitenlandse Zaken van Canada, Denemarken, Finland, Frankrijk, IJsland, Japan, Noorwegen, Zweden, Zwitserland en Groot-Brittannië, die het besluit onaanvaardbaar noemen? Bent u bereid deze verklaring openlijk en integraal mede te ondersteunen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Heeft u contact gehad met de humanitaire organisaties die geraakt worden door dit besluit en die ook vanuit Nederland werken, over de gevolgen die dit heeft en welke actie nodig is vanuit Nederland om ervoor te zorgen dat zij ongehinderd hun werk kunnen blijven doen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit met spoed te doen en de Kamer over de uitkomsten te informeren? Zo ja, wat was de uitkomst van deze gesprekken?
Hebt u kennisgenomen van cijfers van de Verenigde Naties dat Gaza door dit besluit van Israël de helft van de gezondheidsposten zal verliezen, een derde van de medische hulpgoederen van internationale hulporganisaties, en dat 90 procent van de mobiele medische teams zullen wegvallen? Wat is uw reactie?
Bent u het ermee eens dat het een oorlogsmisdaad is om een bevolking toegang tot medische hulp en humanitaire hulp te ontzeggen?
Bent u het ermee eens dat de humanitaire gevolgen van dit besluit absoluut onacceptabel zijn en dat alles gedaan moet worden om te zorgen voor vrije toegang van humanitaire hulp in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever?
Heeft u contact gehad met de Israëlische regering over dit besluit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer was dit, met wie was dit en wat waren daar de uitkomsten van?
Aangezien de Israëlische regering niet is teruggekomen op dit besluit, welke aanvullende acties gaat u ondernemen om de druk op te voeren, zodat dit wel gebeurt? Kunt u toelichten welke actie en maatregelen u neemt en wanneer u de Kamer over de uitkomsten hiervan zult informeren?
Wat heeft u gedaan om dit besluit van de Israëlische regering te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe effectief acht u de inspanningen die u verricht heeft en wat heeft u ondernomen toen duidelijk werd dat deze inspanning onvoldoende was om dit besluit te voorkomen?
Vindt u dat u alles heeft gedaan wat kon om dit besluit van de Israëlische regering te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid deze vragen een voor een en met spoed te beantwoorden?
Bufferzones tegen intimidatie bij abortusklinieken. |
|
Sarah Dobbe (SP), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Ines Kostić (PvdD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Toch geen bufferzone voor demonstranten rond abortusklinieken, Keijzer (BBB) wil het niet»?1
Ja.
Deelt u de mening dat iedereen altijd toegang zou moeten hebben tot zorg en zij hierin niet belemmerd zouden mogen worden door intimidatie? Zo ja, kunt u dit nader onderbouwen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat iedereen vrije en veilige toegang tot zorg, waaronder abortuszorg moet hebben. Het belemmeren van de toegang tot een kliniek of het intimideren van bezoekers of werknemers, is onacceptabel. Het is aan het lokale gezag om demonstraties in goede banen te leiden, en daarbij de toegang tot een abortuskliniek te waarborgen.
Deel u de mening dat iedereen vrij en veilig toegang zou moeten hebben tot abortuszorg en dat deze toegang onder druk wordt gezet door intimiderend gedrag bij de klinieken? Zo ja, kunt u dit nader onderbouwen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u nader toelichten op welk punt het demonstratierecht overschreden wordt rondom abortusklinieken en er sprake is van intimidatie, aan de hand van enkele illustrerende voorbeelden?
Of er een risico is op overschrijding van het demonstratierecht bij abortusdemonstraties moet lokaal en per casus worden ingeschat. De burgemeester kan voorschriften aan demonstranten opleggen, en handhaving is aan de politie. Als demonstranten geen gehoor geven aan voorschriften zijn zij mogelijk in overtreding.
Enkele burgemeesters hebben zich in het verleden uitgelaten over demonstraties bij abortusklinieken die als intimiderend werden ervaren door bezoekers. Het is echter niet aan mij om te oordelen over het al dan niet intimiderende karakter van specifieke demonstraties.
Hoe vaak komt het, naar schatting, voor dat er intimiderende demonstraties plaatsvinden bij abortusklinieken tegen zowel bezoekers als zorgverleners? Is ook bekend in hoeveel gevallen personen daardoor de zorg hebben uitgesteld of niet hebben ontvangen? Zo nee, bent u bereid hier nader onderzoek naar te laten doen, gelet op de signalen van uit de samenleving en zorgverleners?
Er is geen (landelijk) overzicht van het aantal demonstraties bij abortusklinieken, en er wordt ook niet bijgehouden hoeveel demonstraties «intimiderend» zouden zijn. Ik heb wel nauw contact met bestuurders van alle abortusklinieken in Nederland, en ook met het merendeel van de betrokken gemeenten (er zijn 15 abortusklinieken in 14 gemeenten). Kliniekbestuurders geven aan dat zij soms vrouwen vooraf inlichten over plaats en tijd van een (aangekondigde) demonstratie. Bij het inplannen van het kliniekbezoek van de vrouw kan daar dan desgewenst rekening mee worden gehouden. De vrouw kan ervoor kiezen om een bekende mee te nemen naar de kliniek, of ze kan begeleid worden door een «buddy».2 Ik heb geen signalen dat abortuszorg als gevolg van demonstraties moet worden uitgesteld, of dat vrouwen vanwege demonstraties afzien van abortuszorg. Ik zie geen aanleiding om hier nader onderzoek naar te laten verrichten.
Welke rol ziet u voor zich bij het garanderen van het recht tot zorg voor vrouwen, ook het recht tot abortuszorg? Welke rol ziet u, in het bijzonder, voor u in verhouding met de collega-bewindspersonen van andere ministeries?
Ik sta pal voor goede en toegankelijke abortuszorg. Het Ministerie van VWS draagt daar op verschillende manieren actief aan bij, middels wet- en regelgeving, abortusbeleid, en de financiering van abortusklinieken en (huis)artsen. Als het gaat om de toegankelijkheid van abortuszorg in relatie tot demonstraties onderhoud ik nauw contact met de collega-bewindslieden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (primair verantwoordelijk voor de Wet openbare manifestaties) en ook het Ministerie van Justitie en Veiligheid (politie en handhaving).
Kunt u nader toelichten hoe het mogelijk is dat een brief, opgesteld door uw collega-bewindspersonen, op het laatste moment via de ministerraad geblokkeerd is door een andere collega-bewindspersoon, wiens ministerie niet direct een relatie heeft met het onderhavige onderwerp?
De beraadslagingen van de ministerraad zijn vertrouwelijk dus hier kan ik geen antwoord op geven. Wel wijs ik erop dat demonstratierecht raakvlakken heeft met diverse ministeries. Bovendien is het een onderwerp dat veel politieke en maatschappelijke aandacht krijgt. Vanuit dat opzicht is het niet vreemd dat verschillende bewindslieden zich buigen over een Kamerbrief waarin het demonstratierecht centraal staat.
Indien er vanuit de landelijke overheid geen handvaten worden geboden aan lokale bestuurders, bijvoorbeeld in de vorm van landelijke richtlijnen over bufferzones, hoe ziet u erop toe dat het recht op en de vrije en veilige toegang tot abortuszorg gegarandeerd blijft?
De uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bieden handvatten aan lokale bestuurders. Ook zal het kabinet voor het mei reces een kabinetsreactie sturen op het recente onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) door een onderzoeksteam vanuit de Rijksuniversiteit Groningen, Pro Facto, de Universiteit van Amsterdam en Tilburg University.3 In deze reactie zal ook ingegaan worden op demonstraties bij abortusklinieken. Daarnaast zijn er wel degelijk verschillende handvatten beschikbaar voor lokale ambtenaren en bestuurders om demonstraties (bij abortusklinieken) in goede banen te leiden, zoals de handreiking van de gemeente Amsterdam en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters.4 5 Door de Rijksuniversiteit Groningen is een landelijke website ontwikkeld waarop iedereen kosteloos informatie over het demonstratierecht kan vinden. De site biedt bijvoorbeeld antwoord op de vraag wat de burgemeester en de politie mogen en moeten doen bij demonstraties. Ook kan er een online adviestool worden geraadpleegd voor juridisch advies op maat.6
Oekraïne en het Ottawa verdrag tegen personeelslandmijnen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Is het kabinet op de hoogte van de verklaring van maatschappelijke organisaties over de door Oekraïne aangekondigde opschorting van het landmijnverdrag?1
Ja, het kabinet is hiervan op de hoogte.
Beschikt u over inhoudelijke bezwaren tegen deze verklaring? Zo ja, welke?
Nee. Het staat deze organisaties vrij een dergelijke verklaring te publiceren.
Deelt u de opvatting dat het landmijnverdrag geen mogelijkheid tot opschorting kent, zoals Oekraïne nu beoogt? Zo nee, op basis waarvan niet?
Ja.
Kunt u toelichten wat de Nederlandse inzet was tijdens de bijeenkomst van de staten die partij zijn bij het landmijnverdrag? Heeft Nederland daar expliciet aangegeven dat opschorting niet is toegestaan en verzocht dit in een publieke verklaring op te nemen? Is formeel bezwaar gemaakt, zoals Zwitserland heeft gedaan? Zo nee, waarom niet?2
Het kabinet betreurt het feit dat Oekraïne zich genoodzaakt ziet het Verdrag van Ottawa te willen opschorten, maar heeft begrip voor de situatie gezien de voortdurende Russische agressieoorlog tegen Oekraïne. Tijdens de bijeenkomst van de staten die partij zijn bij het Verdrag van Ottawa, heeft Nederland in de nationale verklaring expliciet aandacht gevraagd voor de context waarin Oekraïne dit besluit heeft genomen. Nederland heeft de Russische Federatie opgeroepen haar agressie te staken en zich bij het Verdrag van Ottawa aan te sluiten. Nederland heeft tevens aangegeven dat het Verdrag van Ottawa geen bepaling bevat die opschorting van verplichtingen onder het Verdrag toestaat. Nederland heeft in context zoals aangegeven geen formeel bezwaar gemaakt tegen het Oekraïense besluit.
In overeenstemming met motie Dobbe (Kamerstuk 21 501–02, nr. 3195), heeft Nederland bilateraal de zorgen over opschorting onder de aandacht gebracht van de Oekraïense autoriteiten, waarbij aandacht is gevraagd voor de juridische grondslag van de opschorting. Ook is Oekraïne opgeroepen de verdragsverplichtingen te blijven nakomen. Hierbij werd benadrukt dat Nederland oog heeft voor de veranderende veiligheidssituatie in Oekraïne en Europa.
In het unaniem aangenomen eindrapport van de bijeenkomst wordt bevestigd dat het Verdrag geen opschorting van zijn werking – en daarmee ook niet van de daaruit voortvloeiende verplichtingen – toestaat. Ook vermeldt het rapport dat de Vergadering Oekraïne, als Verdragspartij, heeft opgeroepen zich onverminderd te blijven inzetten voor de naleving van het Verdrag.
De uitvoering van de motie Dijk c.s. over één periodieke tandartscontrole per jaar vanuit het basispakket vergoeden |
|
Jimmy Dijk , Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Lager inkomen of opleiding? Grotere kans op kiespijn en kunstgebit»?1
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) monitort de mondgezondheid in Nederland en ziet dat de meeste Nederlanders (73% in 2023) hun mondgezondheid als goed ervaren, maar er zijn verschillen tussen sociaaleconomische groepen, waarbij lagere groepen het minder goed ervaren.2 De (financiële) toegankelijkheid van de mondzorg en het belang van preventieve mondzorg, zoals twee keer per dag poetsen met fluor, verdienen daarom aandacht.
Hoe kijkt u naar het feit dat één op de vijf mensen met een laag inkomen de tandarts mijdt vanwege de kosten?
We zien helaas dat circa 640.000 Nederlanders om financiële redenen niet regelmatig naar de tandarts gaan. Dit is natuurlijk onwenselijk, omdat dit kan leiden tot mondziekten en grotere problemen met de gezondheid. Ik merk op dat de financiële redenen vaak samengaan met andere redenen om de mondzorg te mijden (en dat het vaak begint met goede preventieve mondzorg). Het is daarom belangrijk dat een volgend kabinet de problematiek integraal bekijkt, waaronder de financiële toegankelijkheid van de mondzorg, en daarin keuzes maakt.
Deelt u de mening dat het een bizarre situatie is dat mondzorg nog steeds wordt behandeld als een luxeproduct, door het niet uit de basisverzekering te financieren, terwijl het enorm belangrijk is voor de mondgezondheid, de bredere gezondheid, de arbeidsparticipatie en het welzijn van mensen?
Ik deel noch de mening dat mondzorg «een luxeproduct» is, noch dat de mondzorg zo behandeld wordt. Ik ben wel van mening dat we moeten voorkomen dat we grote kostbare en minder gerichte maatregelen, zoals pakketmaatregelen, om de problemen bij een relatief kleine groep op te lossen. De gehele mondzorg in het basispakket heeft gevolgen voor de betaalbaarheid van de zorg en de zorgpremie, terwijl het gewenste effect «minder ongewenste zorgmijding», maar beperkt wordt behaald. Ik heb uw Kamer daarom op 10 december een brief gestuurd met daarin mogelijke gerichtere maatregelen3 ter overweging aan het volgende kabinet.
Zo ja, bent u bereid om mondzorg voortaan uit de basisverzekering te vergoeden? Zo nee, waarom hecht u zo weinig belang aan het belang van goede mondzorg voor iedereen?
Ik begrijp de vraag vanuit uw Kamer om meer mondzorg vanuit het basispakket te vergoeden. Ook ik hecht er veel waarde aan dat mensen in Nederland een goede mondgezondheid hebben. Het uitbreiden van het pakket met meer mondzorg is echter, zoals ik hierboven heb genoemd, een grote maatregel. Het Zorginstituut Nederland (hierna: Zorginstituut) is daarom gevraagd om te adviseren over een passende aanspraak op mondzorg. Uw Kamer is eerder geïnformeerd over de fases en de tijdlijnen van dit adviestraject.4 , 5
Daarnaast heb ik, mede gezien de roep om de aanspraak op mondzorg uit te breiden, aan het Zorginstituut gevraagd om versneld te toetsen of mondzorg voor volwassenen in beginsel voldoet aan de wettelijke criteria van de Zvw, een zogenaamde principiële toets. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd in mijn brief van dd. 10 december 2025. Het Zorginstituut heeft geconcludeerd dat op preventie gerichte mondzorg in principe niet voldoet aan het ingangscriterium van de Zvw. De op behandeling gerichte mondzorg voldoet in principe wel aan het ingangscriterium van de Zvw. Dit betekent niet dat het Zorginstituut nu al adviseert om op behandeling gerichte mondzorg in het pakket op te nemen. Om te bepalen welke mondzorg eventueel passend is voor het pakket weegt het Zorginstituut namelijk naast de wettelijke criteria ook de maatschappelijke pakketcriteria mee. Bovendien is besluitvorming over het uitbreiden van het pakket aan een volgend kabinet.
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van met een zeer brede meerderheid aangenomen motie Dijk c.s., die de regering verzocht «om één periodieke controle per jaar vanuit het basispakket te vergoeden, en de kosten te dekken door actieve fraudebestrijding in de zorg en door zo spoedig mogelijk nieuwe medisch specialisten alleen nog in loondienst te nemen»?2
Ik heb in mijn brief van dd. 10 december 2025 toegelicht hoe ik de motie Dijk c.s. heb afgedaan. De voorgestelde dekking om (nieuwe) medisch specialisten in loondienst te brengen, is zeer onzeker vanwege de benodigde wetgeving die ingrijpt in eigendom. Deze is moeilijk te onderbouwen en moeilijk uitvoerbaar. Daarbij is er al een opdracht om op de beloning van medisch specialisten 150 miljoen te besparen.7Deze maatregel hangt daar mee samen. Bovendien heeft het Zorginstituut geconcludeerd dat de op preventie gerichte mondzorg zonder medische indicatie in principe niet voldoet aan het ingangscriterium van de Zvw. Opname in het basispakket van de periodieke controle is dan ook vooralsnog niet aan de orde. Tot slot blijkt uit onderzoek dat circa 40% van de mensen na een tandartscontrole nog aanvullende (curatieve) mondzorg nodig hebben.8
Eén periodieke controle vergoeden vanuit het basispakket biedt daarom geen (volledige) oplossing voor de mensen die om financiële redenen de tandarts vermijden.
Waarom schreef u in antwoord op feitelijke vragen over deze motie dat het «aan het nieuwe kabinet [is] om te bezien of opname in het basispakket wenselijk is en hoe deze extra uitgaven financieel gedekt worden»?3 Waarom voert u dit besluit van een ruime Kamermeerderheid niet gewoon uit, aangezien deze motie heel duidelijk was over de opdracht en de financiële dekking daarvan?
In bovengenoemde brief aan uw Kamer heb ik toegelicht waarom ik de motie heb afgedaan. Ik zal dat normaals kort toelichten: De voorgestelde dekking om (nieuwe) medisch specialisten in loondienst te brengen, is zeer onzeker vanwege de benodigde wetgeving die ingrijpt in eigendom. Deze is moeilijk te onderbouwen en moeilijk uitvoerbaar. Daarbij is er al een opdracht om op de beloning van medisch specialisten 150 miljoen te besparen. Deze maatregel hangt daar mee samen. Bovendien heeft het Zorginstituut geconcludeerd dat de op preventie gerichte mondzorg zonder medische indicatie in principe niet voldoet aan het ingangscriterium van de Zvw. Opname in het basispakket van de periodieke controle is dan ook vooralsnog niet aan de orde. Tot slot blijkt uit onderzoek dat circa 40% van de mensen na een tandartscontrole nog aanvullende (curatieve) mondzorg nodig hebben. Eén periodieke controle vergoeden vanuit het basispakket biedt daarom geen (volledige) oplossing voor de mensen die om financiële redenen de tandarts vermijden.
Herinnert u zich de uitspraak van Minister-President Schoof tijdens de algemene beschouwingen «U heeft gelijk: die motie is aangenomen en heeft daarmee ook een duidelijk signaal afgegeven. We zullen de motie ter hand nemen – dat is logisch – en het op zo’n manier aanpakken dat het volgende kabinet alle bouwstenen heeft om hiermee verder te gaan. Op die manier hoop ik iets van beweging te krijgen.»? Is het kabinet inmiddels wel bereid om te erkennen dat de Kamer niet demissionair is en aangenomen moties niet kunnen worden overlaten aan het volgende kabinet?
Ja, dat herinner ik mij. Ik heb dan ook, zoals de Minister-President aangaf, de motie serieus in overweging genomen. Het was om bovengenoemde redenen niet haalbaar om de motie uit te voeren. Dit neemt niet weg dat ik het signaal dat er mensen zijn die om financiële redenen de tandarts mijden serieus neem. Ik zet mij nog steeds in om voor deze groep mensen tot een oplossing te komen.
Bent u bereid om deze vragen één voor één en voor de begrotingsbehandeling VWS te beantwoorden?
Ja.
Het gebruik van robots in de ouderenzorg |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Regels voor robots in ouderenzorg nodig: «De menselijke maat moet gehandhaafd blijven»»?1
Het nieuwsitem geeft een beeld hoe de ouderenzorg zich ontwikkelt en welke vraagstukken er spelen als het gaat om innovatieve technologie.
Bent u het ermee eens dat de inzet van robots in de ouderenzorg alleen een aanvulling kan zijn op de inzet van zorgverleners als mensen dat zelf willen en dat ouderen dus de optie moeten houden van menselijke zorg?
Ja, daar ben ik het mee eens. Zoals in het HLO is beschreven kan slimme digitale ondersteuning directe voordelen bieden voor ouderen en zorgverleners. Robots kunnen een aanvulling zijn op de inzet van zorgverleners zodat zorgverleners tijd hebben om de intensieve zorg uit te blijven voeren. Ouderen behouden hierdoor de menselijke zorg.
Bent u het ermee eens dat de inzet van robots vooral nuttig kan zijn bij taken waarbij sociaal contact minder belangrijk is en veel minder voor zorgtaken die ook een belangrijke sociale functie hebben?
Ja, hier ben ik het mee eens. Robots moeten ingezet worden zodat mensen het mensenwerk kunnen doen.
Bent u het ermee eens dat de inzet van robots geen alternatief is voor een echte inzet op het oplossen van het personeelstekort in de zorg? Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de motie-Dobbe, die opriep «om een wervingscampagne op te zetten, vergelijkbaar met de wervingscampagne van Defensie, om mensen te werven om in de zorg te werken, en de Kamer hier voor de begrotingsbehandeling over te informeren»?2
Het inzetten van robots is één van de vele technologieën die wordt ingezet om het personeel in de zorg te ondersteunen om invulling te geven aan het personeelstekort. Daarbij kan inzet van technologie wel degelijk een bijdrage leveren aan het oplossen van het arbeidsmarktvraagstuk. Naast de voordelen op het gebied van personeel kan inzet van technologie de zorg ook aanvullen en zorgen voor betere ondersteuning aan de cliënt. Een voorbeeld is zorgrobot Tessa die al bij meer dan 175 zorgorganisaties wordt gebruikt. Tessa begeleidt cliënten verbaal en herinnert hen aan (zorg)taken zodat ze de taken ook uitvoeren wat hun zelfredzaamheid vergroot.
De motie-Dobbe roept op om een wervingscampagne in de zorg te starten. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor het brede arbeidsmarktbeleid in de zorg. Hij merkt op dat werving van personeel de verantwoordelijkheid is van werkgevers in zorg en welzijn. Het Ministerie van VWS is, in tegenstelling tot het Ministerie van Defensie, geen werkgever. Tevens zijn er in vele maatschappelijke sectoren personeelstekorten en acht hij het gelet daarop ook niet passend om een dergelijke grootschalige wervingscampagne vanuit het Ministerie van VWS op te zetten. Dit is in lijn met de brede arbeidsmarktagenda van dit kabinet, waarin voor de sectorale inzet juist de afstemming en samenwerking tussen sectoren wordt onderstreept 3.
Om deze redenen ziet de Minister van VWS af van de uitvoering van deze motie. Wel is hij, gelet op de urgentie van de personeelstekorten in de sector, bereid om te onderzoeken welke andere opties er zijn om met de beschikbare middelen invulling te geven aan de gedachte achter deze motie. In het AZWA is bijvoorbeeld afgesproken dat bestaande loopbaaninstrumenten die bijdragen aan de instroom, doorstroom en behoud van medewerkers geïntegreerd voortgezet worden. Hij zal uw Kamer voor de begrotingsbehandeling nader informeren over de uitkomst hiervan.
Bent u het ermee eens dat robots niet ingezet mogen worden voor zorg of ondersteuning bij ouderen tenzij deze goedgekeurde en getest zijn en ouderen nooit proefkonijn mogen zijn voor bedrijven? In hoeverre wordt dit nu gegarandeerd?
Robots moeten goedgekeurd en getest zijn voordat ze worden ingezet. Zo bestaat er Europese en Nederlandse normering voor zorgtechnologie. Veiligheid, privacy en betrouwbaarheid zijn absolute randvoorwaarden voor de inzet van zorgtechnologie. Ouderen mogen niet als proefkonijn dienen en onderzoek wordt getoetst bij regionale Medisch Ethische Toetsingscommissies.
Bent u het ermee eens dat, als robots worden ingezet voor ondersteuning, deze toegankelijk en betaalbaar moeten zijn voor iedereen en niet alleen voor mensen die geld hebben? In hoeverre wordt hier nu rekening mee gehouden?
Zorg moet altijd toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit zijn, dat geldt ook voor robots die worden ingezet in de zorg.
Bent u het ermee eens dat er regels nodig zijn om te bepalen wanneer robots verantwoord kunnen worden ingezet in de zorg?
De stelselverantwoordelijkheid van VWS reikt niet tot ontwikkelaars van zorgtechnologie. Daarnaast stelt de sector zelf kwaliteitskaders op voor de langdurige zorg, zoals in de ouderenzorg het Generiek Kompas «Samen werken aan kwaliteit van bestaan». Inzet van technologie is hier onderdeel van. Als er vanuit de zorgsector behoefte is om richtlijnen/ ethische regels aan te scherpen dan kan de zorgsector daartoe zelf het initiatief nemen.
Welke stappen worden momenteel gezet om regels op te stellen voor de inzet van robots in de ouderenzorg? In hoeverre wordt daarbij ook rekening gehouden met het feit dat commerciële producenten van zorgrobots niet altijd dezelfde belangen hebben als de ouderen en zorgverleners die deze gebruiken?
Ik ben niet bekend met regels die op dit moment worden ontwikkeld voor de inzet van robots in de ouderenzorg. Wel worden door organisaties zoals Vilans handvaten aan de sector aangeboden om digitaal hybride zorgtechnologie goed te organiseren.
Het bericht dat de Franse rechter van het Internationaal Strafhof, Nicolas Guillou, op de Amerikaanse sanctielijst staat |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nicolas Guillou, French ICC judge sanctioned by the US: «You are effectively blacklisted by much of the world’s banking system»»?1
Ja.
Was u al bekend dat, naast de hoofdaanklager, ook rechters van het internationaal strafhof op de Amerikaanse sanctielijst staan?
Ja. Als gastland van het Internationaal Strafhof (ISH) staat Nederland in nauw contact met het Hof en er vinden zeer regelmatig gesprekken plaats met de meest relevante functionarissen over de (mogelijke) gevolgen van de sancties. Nederland heeft in die hoedanigheid ook alle rechters die in het afgelopen jaar zijn gesanctioneerd uitgenodigd voor een gesprek.
Bent u bekend met de totale schaal en aard van Amerikaanse sancties jegens het internationaal strafhof? Zo ja, wilt u deze met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Sinds februari 2025 zijn er door de Verenigde Staten sancties opgelegd tegen de hoofdaanklager van het ISH. In de loop van het jaar zijn vervolgens ook sancties opgelegd tegen de beide plaatsvervangend aanklagers, acht rechters, een aantal non-gouvernementele organisaties en een Speciaal Rapporteur van de Verenigde Naties. Er zijn geen sancties opgelegd tegen het ISH zelf.
Deelt u de mening dat Nederland, als gastland van het strafhof, een speciale verantwoordelijkheid heeft om de goede werking van het strafhof te garanderen? Zo ja, hoe draagt u hier momenteel aan bij? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven2, heeft Nederland als gastland van het ISH een aantal bijzondere verplichtingen om ervoor te zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan functioneren. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland.3 Daarnaast is het Koninkrijk der Nederlanden één van de momenteel 125 partijen bij het Statuut van Rome. In het afgelopen jaar is het kabinet in beide hoedanigheden op verschillende terreinen betrokken geweest bij de mitigatie van de gevolgen van de sancties en de inzet op de preventie van verdere sancties. Voor een nadere toelichting op deze inzet verwijst het kabinet graag naar de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025 inzake de inzet tijdens de jaarlijkse Vergadering van verdragspartijen.4
Staat u nog steeds achter het antwoord dat Minister Brekelmans namens u gaf op mondelinge vragen op 20 mei 2025, namelijk: «Er wordt een beeld geschetst alsof het Strafhof volledig stil zou liggen en niet meer zou functioneren. Dat is niet het beeld dat wij krijgen in ons contact met het Strafhof. Er worden wel degelijk activiteiten voortgezet.»? Zo ja, welke activiteiten vinden nu nog volledig doorgang? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de sancties de gesanctioneerde ambtsdragers van het ISH in hun persoonlijke leven treffen, is het Hof vooralsnog in staat geweest om de meeste werkzaamheden ongehinderd voort te zetten, zowel in Nederland als in de verschillende landen waar het Hof actief is. Zo is in maart jl. de voormalige Filipijnse president Duterte door het ISH in hechtenis genomen en voorgeleid aan de rechters.5 In juli jl. is de strafzaak in eerste aanleg tegen twee verdachten uit de Centraal-Afrikaanse Republiek afgerond.6 In september jl. heeft het Hof voor het eerst bij verstek een hoorzitting inzake de bevestiging van de tenlastelegging gevoerd tegen de oprichter van de Oegandese Lord's Resistance Army, Joseph Kony.7 In oktober jl. is de strafzaak in eerste aanleg tegen een verdachte uit Soedan afgerond.8 Begin december heeft het ISH de Libische verdachte El Hishri in hechtenis genomen en voorgeleid aan de rechters.9 Voor een meer volledig overzicht verwijst het kabinet graag naar het jaarverslag van het ISH en het jaarverslag van het Parket van de Aanklager.10
Bent u bereid slachtoffers van Amerikaanse sancties, werkzaam bij het Internationaal strafhof, die momenteel grote moeite hebben met financiële diensten, te ondersteunen om alternatieve financiële faciliteiten te vinden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zowel het kabinet als het Hof houden de gevolgen van de sancties nauwlettend in de gaten. Met de doorlopende steun van de verdragspartijen bij het Statuut van Rome, waaronder gastland Nederland, worden de gevolgen hiervan door het Hof zo goed als mogelijk gemitigeerd. Zo staat Nederland bijvoorbeeld in contact met het Nederlandse bedrijfsleven, onder meer om zogenaamde overcompliance te voorkomen. Wegens de vertrouwelijkheid kan er niet in detail worden getreden over de inhoud van deze gesprekken.
Bent u bereid om het strafhof, door sancties gehinderd in haar ICT-mogelijkheden, alternatieve ICT-faciliteiten aan te bieden, eventueel binnen de systemen van de Nederlandse rijksoverheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025, ligt er momenteel geen verzoek van het Hof aan Nederland om alternatieve ICT-diensten aan te bieden.11 Voor een nadere toelichting verwijst het kabinet graag naar deze Kamerbrief.
Welke diplomatieke contacten zijn er, Europees en bilateraal, met de Amerikanen geweest sinds de instelling van de sancties en wat hebben deze opgeleverd?
Sinds de instelling van de sancties hebben Nederland en andere verdragspartijen doorlopend contact gehad met de Verenigde Staten. Zo zijn de Nederlandse zorgen over de sancties onder de aandacht gebracht bij Amerikaanse gesprekspartners, waaronder de Amerikaanse Secretary of State Rubio. Ook op hoogambtelijk niveau is Nederland terzake in gesprek met de Verenigde Staten en ook andere EU-lidstaten brengen het belang van het ISH op in de bilaterale contacten met de Verenigde Staten. Aangezien het van groot belang is dat de 125 verdragspartijen er samen voor zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan blijven functioneren, verwelkomt het kabinet het feit dat de Vergadering van verdragspartijen begin december jl. alle verdragspartijen heeft aangemoedigd om de dialoog met de VS voort te zetten.
Zijn er op dit moment nog diplomatieke inspanningen om sanctieverlichting te bereiken?
Zie het antwoord op vraag 8. Vanwege het vertrouwelijke karakter van deze gesprekken kan het kabinet hier verder niet op ingaan.
Deelt u de mening dat de VS zich momenteel positioneert als vijand van de internationale rechtsorde? Zo ja, welke consequenties heeft dit voor het bondgenootschap met de VS? Zo nee, hoe duidt u dit dan?
De trans-Atlantische relatie is cruciaal voor de Europese veiligheid en welvaart. Ondanks uitdagingen, zoals de sancties die zijn opgelegd tegen ambtsdragers van het ISH, is het belangrijk een positieve relatie met de VS te onderhouden en in te zetten op een diplomatieke oplossing.
Het bericht dat het Gelderse revalidatiecentrum Klimmendaal dreigt te verdwijnen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Ondergang dreigt voor bekend revalidatiecentrum: dit speelt achter de schermen»?1
Ik begrijp de zorgen over het voortbestaan van Klimmendaal bij zowel medewerkers als patiënten als gevolg van de huidige financiële uitdagingen. Ik heb begrepen van het bestuur van Klimmendaal dat er een concreet pakket aan steunmaatregelen voorligt, dat rust en ruimte kan bieden voor de komende jaren en dat zorgverzekeraars en andere financiers dit voorstel ondersteunen.
Deelt u de analyse dat het gebrek aan zeggenschap van werknemers hierbij problemen oplevert voor het revalidatiecentrum? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om de zeggenschap van zorgverleners te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
De zeggenschap van werknemers is van groot belang om goede zorg te leveren en goed werkgeverschap te bieden. Het revalidatiecentrum Klimmendaal geeft aan dat de ontstane financiële problemen primair het gevolg zijn van een verschil in verwachte inkomsten en uitgaven en feitelijke inkomsten en uitgaven, niet van een gebrek aan zeggenschap. Het is aan de instelling om zich te houden aan de wettelijke eisen omtrent zeggenschap van personeel. Het revalidatiecentrum heeft mij verzekerd hier aan te voldoen en in de toekomst het gesprek met medewerkers breed te willen voeren.
Zijn er nog meer revalidatiecentra waarbij vergelijkbare problemen spelen, gezien het feit dat het algemene inkoopbeleid van zorgverzekeraars hierbij een rol speelt? Zo ja, welke zijn dit?
Er is sprake van een veranderende vraag naar revalidatiezorg, die steeds meer poliklinisch en thuis plaatsvindt. Dat maakt het een uitdagende periode voor revalidatiecentra omdat er minder inkomsten zijn vanuit ligdagen in het revalidatiecentrum. Dit vraagt een omschakeling van revalidatiecentra in de bewegeing naar passende zorgverlening en bedrijfsvoering. Ik waardeer het dat revalidatiecentra zich actief inzetten om deze transformatie te maken ten behoeve van de patiënt.
Erkent u dat te lage tarieven of omzetplafonds door zorgverzekeraars in de weg staan van goede zorg? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Passende bekostiging en contractering zijn van groot belang om goede revalidatiezorg te kunnen bieden. Zorgverzekeraars hebben de zorgplicht om voldoende en kwalitatief goede zorg in te kopen die tegemoet komt aan de vraag. Ik herken het risico van sterk fluctuerende financiën bij zorgaanbieders met relatief kleine patiëntgroepen met gemiddeld hoge kosten per patiënt, zoals bij sommige vormen van revalidatiezorg. In dat kader zet ik onder meer in op meerjarige financiële afspraken tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders2, gebaseerd op een gezamenlijke langetermijnvisie, om zorgaanbieders financiële ruimte en zekerheid te geven om zorg anders te organiseren of te transformeren.
Deelt u de mening dat het extra onwenselijk is om omzetplafonds te gebruiken bij de revalidatiezorg, gezien het feit dat deze vaak lastig te voorspellen zijn? Zo ja, bent u bereid om stappen te zetten om het gebruik van omzetplafonds tegen te gaan? Zo nee, waaorm niet?
Nee.
Ik vind het van groot belang dat individuele patiënten passende zorg ontvangen, dat geldt uiteraard ook voor revalidatiezorg. Daarom hebben zorgverzekeraars een zorgplicht ten opzichte van hun verzekerden en moeten zij hun verzekerden helpen om de zorg te vinden waar zij recht op hebben. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt toezicht op de naleving van deze plicht van de zorgverzekeraars.
Een omzetplafond is een budgettaire grens in een contract tussen een zorgverzekeraar en een zorgaanbieder, waarin bepaald wordt hoeveel middelen een zorgaanbieder maximaal kan ontvangen van een zorgverzekeraar voor geleverde zorg binnen een bepaalde periode. Het omzetplafond is bedoeld om te sturen op de kosten, een goede verdeling van de personele inzet en op het kritisch kunnen bevragen van aanbieders. De NZa houdt toezicht op dit proces. De gedachte erachter is dat met het omzetplafond de schaarse middelen (personeel en financieel) besteed worden daar waar die het hardst nodig zijn. Ik onderschrijf deze gedachte en vind het omzetplafond een nuttig instrument, dat ook in de revalidatiezorg passend kan worden ingezet.
Wat zouden de gevolgen zijn voor patiënten en zorgverleners als Klimmendaal om zou vallen?
In een dergelijke situatie is het de zorgplicht van de zorgverzekeraars om voor patiënten tijdige, toegankelijke en kwalitatief goede zorg te organiseren.
Bent u bereid om samen met Klimmendaal, zorgverleners, patiënten, ziekenhuizen en zorgverzekeraars op zoek te gaan naar een oplossing voor de problemen?
Ik heb van het bestuur van Klimmendaal begrepen dat een concreet pakket aan steunmaatregelen voorligt, dat rust en ruimte kan bieden voor de komende jaren en dat zorgverzekeraars en andere financiers positief tegenover dit voorstel staan. De NZa is ook op de hoogte van de afspraken die partijen gezamenlijk gemaakt hebben. Ik heb het vertrouwen dat partijen met elkaar tot een oplossing komen die het beste is voor de patiënt.
Palestina |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Voorziet u meer medische evacuaties van kinderen uit Gaza na de vijf kinderen die reeds medisch zijn geëvacueerd naar Nederlandse ziekenhuizen (Kamerstuk 23 432, nr. 616)? Zo niet, is dit omdat de medische capaciteit in Nederland niet beschikbaar is, of zijn er andere redenen? Zo wel, op welke manier is het kabinet daarmee bezig? Kunt u een zo concreet mogelijke uitleg geven?
De medische evacuatie van de vijf kinderen maakt deel uit van het kabinetsbeleid om de bevolking uit Gaza toegang te bieden tot medische hulp. Het kabinet wil blijven bezien hoe een bijdrage kan worden geleverd aan de tekorten voor de complexe en hoog-specialistische zorg in de regio. De voorkeur van het kabinet gaat uit naar het versterken van de medische capaciteit in de regio, aangezien daar het grootste verschil gemaakt kan worden.
Tijdens het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken van 11 december jl. heeft de Minister van Buitenlandse Zaken toegezegd om, samen met de Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, een nieuwe inventarisatie te maken van de stand van zaken van de medische capaciteit in Gaza en de regio.
Deelt u de mening dat er nog steeds een tekort is aan beschikbare hoogspecialistische zorg in de regio en dat de behoefte aan medische evacuaties voor kinderen uit Gaza hoog blijft?
Het kabinet spant zich in om, samen met internationale en regionale partners, bij te dragen aan een versterking van de medische capaciteit in Gaza en omliggende landen. Zo ondersteunen humanitaire partners met behulp van Nederlandse financiering zowel (specialistische) medische behandelingen en revalidatiediensten, als structurele ondersteuning in de vorm van het versterken van ziekenhuizen en het herstel van water- en sanitaire voorzieningen.
U heeft aangekondigd dat Nederland medeorganisator is van een conferentie over de wederopbouw van Gaza: wat zijn de doelen van deze conferentie, wat zal daar worden besproken en met wie?1
Nu resolutie 2803 (2025) in de VNVR is aangenomen, is de verwachting dat op korte termijn een datum voor de conferentie zal worden vastgesteld. De agenda en deelnemers van de conferentie zijn nog niet bekend.
Wordt het Palestijnse zelfbeschikkingsrecht als uitgangspunt genomen bij deze conferentie en op welke manier? Kunt u hier een toelichting op geven? Zo niet, hoe waardeert u het zelfbeschikkingsrecht van het Palestijnse volk?
Het Palestijnse volk heeft recht op zelfbeschikking, daarom zet het kabinet in op een duurzame en vreedzame oplossing waarbij het uitgangspunt de tweestatenoplossing blijft. Naar mening van het kabinet dient de Palestijnse Autoriteit betrokken te worden bij de wederopbouwconferentie. Het kabinet onderstreept daarbij dat Hamas geen rol mag spelen in het toekomstige bestuur van Gaza. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Hoe verhoudt wat op deze conferentie zal worden besproken zich tot het Trump Investment Plan zoals onderdeel is van het staakt-het-vuren akkoord, en in hoeverre liggen bepaalde onderdelen of kaders van een wederopbouwplan al vast? Welke onderdelen en kaders zijn dit?
Regionale partners, waaronder Egypte, zijn nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van het 20-puntenplan van president Trump. Niet alle punten van het plan zijn even ver uitgewerkt, zoals onder andere het element van wederopbouw. De genoemde conferentie kan worden gezien als een forum dat bijdraagt aan de inzet voor de wederopbouw van Gaza.
Wat is uw reactie op het nieuws dat een gebrek aan financiering de hulpverlening en dienstverlening van UNRWA in de Palestijnse gebieden in gevaar brengt?2
De financiële tekorten waar UNRWA mee kampt hebben gevolgen voor de hulp- en dienstverlening van de organisatie in alle werkvelden waar UNRWA actief is (Palestijnse Gebieden, Syrië, Libanon en Jordanië).
Nederland ondersteunt UNRWA met financiële middelen volgens het aangenomen amendement (Kamerstuk 36 600 XVII, nr. 50). Daarnaast hecht het kabinet aan diversificatie van humanitaire hulp voor de Gazastrook. Nederland zet daar op in door ook middelen beschikbaar te stellen voor organisaties als de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en het World Food Programme.
Deelt u de mening dat UNRWA nog steeds een cruciale rol speelt in hulpverlening en dienstverlening aan Palestijnen, en hun werk op dit moment niet door andere organisaties op de schaal die nodig is kan worden overgenomen? Kunt u hierop een toelichting geven?
Het Internationaal Gerechtshof heeft in zijn advies van 22 oktober 2025 geoordeeld dat er momenteel geen realistisch alternatief voor UNRWA bestaat om adequaat diensten en ondersteuning te verlenen aan Palestijnse vluchtelingen. De kabinetsreactie op dit advies is uw Kamer toegekomen op 21 november jl.3
Zoals reeds aangegeven zet het kabinet in op verdere diversificatie van de humanitaire hulpverlening voor de Gazastrook. Daarnaast blijft bij het kabinet een aantal zorgen bestaan, bijvoorbeeld over de neutraliteit van het gebruikte onderwijsmateriaal. Daarom blijft het kabinet toezien op de implementatie van de aanbevelingen komende uit het Colonna rapport.
Herkent en erkent u de desinformatie campagne over UNRWA die Philippe Lazzarini beschrijft? Wat heeft u gedaan en gaat u doen om schadelijke desinformatie tegen te gaan?
Het kabinet is bekend met de uitingen vanuit UNRWA over mis- en desinformatie over de organisatie. Om neutraliteit en integriteit te waarborgen moet UNRWA blijven werken aan de aanbevelingen uit het Colonna rapport, zoals ook aangegeven in de beantwoording op vraag 7. Het kabinet pakt desinformatie in den brede aan middels de Rijksbrede strategie effectieve aanpak van desinformatie via twee sporen: 1) het versterken van het vrije en open publieke debat en 2) het verminderen van de invloed van desinformatie.
Gezien de enorme behoefte aan humanitaire hulp en basisvoorzieningen, zoals onderwijs en mentale zorg voor kinderen, bent u bereid om in 2025 extra middelen beschikbaar te stellen voor UNRWA en steun voor UNRWA voor 2026 onverminderd door te zetten? Zo niet, hoe verwacht u dan dat voldoende capaciteit, op hetzelfde niveau als UNRWA dat kan, voor humanitaire hulp en basisvoorzieningen zoals onderwijs en mentale zorg voor kinderen gerealiseerd kan worden?
Uw Kamer nam een amendement aan om financiering aan UNRWA voor de komende jaren af te bouwen (Kamerstuk 36 600 XVII, nr. 50). Hier houdt het kabinet zich aan. De vrijgevallen middelen zullen ten goede komen aan humanitaire hulp via andere organisaties, zoals de VN en de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging.
Wat is uw reactie op het bericht dat het Israëlische leger het staakt-het-vuren al zeker 282 keer heeft geschonden in de afgelopen 30 dagen?3
Beide kanten beschuldigen elkaar van het schenden van het staakt-het-vuren. Het staakt-het-vuren is fragiel, maar houdt stand. Het is zaak dat dit zo blijft en dat afspraken worden gemaakt over de tweede fase van het vredesplan, waaronder de ontwapening van Hamas. Dat is een grote uitdaging.
Klopt het dat verschillende grensovergangen, waaronder die tussen Rafah en Egypte, nog steeds gesloten zijn voor humanitaire hulp of dat humanitaire hulp nog steeds maar beperkt wordt toegelaten?
Tot op heden is de grensovergang Rafah gesloten. De grensovergangen Kerem Shalom, Zikim, en Kissufim zijn (gedeeltelijk) operationeel. Israël heeft aangekondigd de Allenby overgang tussen de Westelijke Jordaanoever en Jordanië op 17 december te zullen heropenen voor (humanitair) goederenverkeer.
Wat is uw reactie op het bericht dat cruciale noodhulp Gaza niet bereikt omdat Israël specifieke hulporganisaties weert vanwege hun vermeend anti-Israëlische standpunten en daardoor organisaties als Oxfam, Save the Children en de Norwegian Refugee Council al maanden geen toestemming krijgen van Israël om noodhulp aan Palestijnen te verstrekken?4
Het kabinet heeft, conform motie Ceder6 en motie Dobbe7, formeel protest aangetekend bij de Israëlische regering ten aanzien van de NGO-registratiewetgeving en zal zich blijven inspannen voor de ongehinderde, volledige en veilige toegang voor professionele, gemandateerde hulporganisaties tot de Palestijnse gebieden.
Bent u bereid maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat humanitaire organisaties wel noodhulp aan Palestijnen kunnen geven? Kunt u hierop een toelichting geven?
Nederland blijft zich inspannen voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor professionele, gemandateerde hulporganisaties, zoals de VN, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en internationale ngo’s. Zie ook het antwoord op vraag 12. Het is van belang dat deze organisaties alle mensen in nood in de gehele Gazastrook kunnen bereiken, evenals voor activiteiten op het gebied van herstel en wederopbouw, zodra de situatie in de Gazastrook zich hiervoor leent. Dit heeft de Minister van Buitenlandse Zaken recent benadrukt tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden in de gesprekken met de Israëlische president en Minister van Buitenlandse Zaken.
Wat heeft de Nederlandse regering sinds het staakt-het-vuren gedaan om de Israëlische regering ertoe te bewegen humanitaire hulp onbelemmerd toe te laten tot Gaza? Indien niets, waarom niet? Indien wel, welke sancties of maatregelen heeft u genomen en welke sancties of maatregelen overweegt u te nemen?
Het kabinet spreekt Israël continue aan op diens verplichtingen om humanitaire hulp ongehinderd toe te laten, ook sinds het ingaan van het staakt-het-vuren op 10 oktober jl., zie ook het antwoord op vraag 13.
Betekent het besluit van het kabinet met betrekking to de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen, zoals geschreven in de Kamerbrief van 14 november (Documentnummer 2025D46598), dat Nederland de komende 6 maanden geen F-35-onderdelen richting Israël zal exporteren of doorvoeren? Kunt u hierop een toelichting geven?
Op grond van de gedane herbeoordeling is besloten om de uitsluiting van Israël als eindbestemming voor de relevante algemene vergunning AV009 te handhaven.
Tegelijkertijd is er, gelet op de recente ontwikkelingen rondom het staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas en de verdere uitwerking van het vredesplan, sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 3 oktober jl. sprake van een nieuwe situatie op de grond. Gezien de veranderlijke situatie heeft het kabinet besloten tot een nieuwe herbeoordeling binnen een uiterlijke termijn van zes maanden. Tot een herbeoordeling blijft het eerdere besluit tot handhaving van de uitsluiting van Israël als eindbestemming voor de relevante algemene vergunning, van kracht.
Hoe wordt getoetst of F-35-onderdelen via derde landen, zoals de VS, alsnog in Israël terechtkomen na door Nederland te zijn uit- of doorgevoerd? Kan gegarandeerd worden dat dit niet gebeurt? Kunt u hierop een toelichting geven?
Op het moment van uitvoer van in Nederland geproduceerde, onderhouden of opgeslagen F-35-onderdelen naar de VS, bijvoorbeeld voor de productie van nieuwe toestellen, is het vanwege de werking van de internationale logistieke keten in het F-35-programma niet duidelijk aan wie de toestellen waarin de onderdelen worden geïntegreerd door de VS zullen worden geleverd. Er kunnen meerdere jaren zitten tussen de uitvoer van deze onderdelen uit Nederland en het moment dat het afgebouwde F-35-toestel vanuit de VS daadwerkelijk aan een F-35-gebruiker wordt geleverd.
Wat is het huidige beleid met betrekking tot de export en doorvoer van wapens, onderdelen van wapens of dual-use goederen met eindbestemming Israël?
Het kabinet toetst aanvragen voor de export van militaire- of dual-use goederen zorgvuldig en per transactie. Voor dual-use goederen geldt dat de export niet wordt toegestaan als een duidelijk risico bestaat op ongewenst eindgebruik. Dit is in lijn is met de Europese exportcontroleregels.
Ook op het vlak van controle op de uitvoer van militaire goederen gaat het kabinet gedegen en zorgvuldig te werk. Vergunningaanvragen worden per geval getoetst aan de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Daar waar een duidelijk risico bestaat dat militaire goederen gebruikt worden bij het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht, wordt een vergunningaanvraag afgewezen. Sinds 7 oktober 2023 zijn er elf aanvragen voor uitvoer militaire goederen met eindgebruik in Israël afgewezen. Daarnaast zijn er drie eerder afgegeven vergunningen met de Israëlische krijgsmacht als eindgebruiker, ingetrokken vanwege een verhoogd risico op ongewenst eindgebruik.8
Sinds januari 2025 zijn er twee uitvoervergunningen toegewezen met de Israëlische krijgsmacht als eindgebruiker van de uit te voeren goederen. Deze betreffen de uitvoer van onderdelen ten behoeve van het Iron Dome-luchtafweersysteem in Israël die het kabinet blijft toestaan.
Daarnaast zijn er sinds januari 2025 meerdere vergunningen afgegeven voor uitvoer van goederen naar Israël aan derden die niet door de Israëlische krijgsmacht worden gebruikt. Het betrof hier (tijdelijke) uitvoer ten behoeve van verdere productontwikkeling of reparatie- en/of onderhoudsdoeleinden in Israël. Het ging bijvoorbeeld om (onderdelen voor) militaire communicatiesystemen, onderdelen voor robotvoertuigen, camerasystemen, onderdelen voor robotvoertuigen, en onderdelen voor de vleugels van gevechtsvliegtuigen. Deze goederen worden na verdere productie, reparatie en/of onderhoud in Israël weer uitgevoerd naar een ander land, waaronder Nederland met als eindgebruiker de Nederlandse krijgsmacht.
De Staat handelt met het bovenstaande beleid zorgvuldig en voldoet aan zijn internationaalrechtelijke verplichtingen ten aanzien van wapenexportcontrole. Dat is onlangs nog bevestigd door het Gerechtshof Den Haag (d.d. 6 november).9
Heeft Nederland sinds januari 2025 wapens of onderdelen van wapens uit- of doorgevoerd met eindbestemming Israël? Kunt u zo specifiek mogelijk toelichten wat het huidige Nederlandse beleid hier op is, met daarin in ieder geval uitgesplitst om welke voorwaarden, welke aantallen, welke onderdelen of systemen het gaat? Graag antwoord op deze vraag die gezien de actualiteit niet kan wachten tot de jaarlijkse rapportage inzake wapenexport.
Zie antwoord vraag 17.
Wat is de voortgang van het verbieden van de import uit illegale nederzettingen in bezet Palestina?
Het kabinet gaat onverminderd door met de voorbereiding van een nationale maatregel om producten uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden te weren, en doet dit zoals toegezegd zo snel mogelijk.
Wat is de stand van zaken van de sancties die door de VS zijn opgelegd aan het Internationaal Strafhof?
Sinds februari 2025 zijn er door de VS sancties opgelegd tegen de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (ISH). In de loop van het jaar zijn vervolgens ook sancties opgelegd tegen de beide plaatsvervangend aanklagers, zes rechters een aantal non-gouvernementele organisaties en een Speciaal Rapporteur van de Verenigde Naties. Er zijn geen sancties opgelegd tegen het ISH zelf.
Wat is de impact van de sancties die zijn opgelegd aan het Internationaal Strafhof en op welke manier wordt het werk van het Strafhof belemmerd?
Het Hof is vooralsnog in staat geweest om de meeste werkzaamheden ongehinderd voort te zetten, zowel in Nederland als in de verschillende landen waar het Hof actief is. Zo zijn de strafzaken in eerste aanleg tegen verdachten uit de Centraal-Afrikaanse Republiek en Soedan afgerond en in september heeft het Hof voor het eerst bij verstek een hoorzitting inzake de bevestiging van de tenlastelegging gevoerd tegen de oprichter van de Oegandese Lord's Resistance Army, Joseph Kony. Wel is het zo dat de sancties de gesanctioneerden (in hun persoonlijk leven) treffen, bijvoorbeeld doordat Amerikaanse bedrijven hun dienstverlening aan hen hebben beëindigd. Zowel het kabinet als het Hof houden de gevolgen van de sancties zorgvuldig in de gaten. Met steun van de verdragspartijen bij het Statuut van Rome, waaronder gastland Nederland, worden de gevolgen hiervan door het Hof zo goed als mogelijk gemitigeerd.
Op welke manier steunt de Nederlandse regering momenteel het Internationaal Strafhof om haar werk onbelemmerd te kunnen doen?
Nederland is zowel gastland van het ISH, als één van de 125 partijen bij het Statuut van Rome. In het afgelopen jaar is Nederland in beide hoedanigheden op verschillende terreinen betrokken geweest bij de mitigatie van de gevolgen van de sancties en de inzet op de preventie van verdere sancties. Voor een nadere toelichting op deze inzet verwijst het kabinet graag naar de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025, waarin ook de Nederlandse inzet voor de jaarlijkse bijeenkomst van Verdragspartijen staat beschreven.10
Zijn er additionele verzoeken gedaan voor steun door het Strafhof waar de Nederlandse regering (nog) niet aan heeft voldaan en zo ja, welke?
Het kabinet verwijst hier eveneens graag naar de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025. Er zijn geen additionele verzoeken gedaan voor steun door het Strafhof waar de Nederlandse regering (nog) niet aan heeft voldaan.
Bent u bereid deze vragen een voor een en gezien de urgentie binnen uiterlijk twee weken te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De antwoorden op eerdere vragen over het bericht ‘Verpleeghuizen kampen met leegstand terwijl bijna 18.000 ouderen op de wachtlijst staan: hoe kan dat?’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de uitspraak «Maar als verpleeghuizen nu omvallen vanwege financiële problemen, heb je die kamers niet een-twee-drie terug als ze straks nodig zijn»?1
Ik ben het eens met de uitspraak dat kamers niet zomaar terugkomen. Daarom moeten we moeten voorkomen dat we nu plekken verliezen die we later nodig hebben, immers ouderen die aangewezen zijn op een plek in een verpleeghuis moeten erop kunnen rekenen dat deze dan ook beschikbaar is.
Over de verandering in de zorgvraag heb ik de afgelopen periode gesproken met zorgaanbieders in diverse regio’s. Het beeld van minder vraag naar ouderenzorg dan op grond van demografische trends verwacht had mogen worden, wordt vaak herkend. Dat leidt niet in iedere regio of bij iedere aanbieder tot leegstand. Het kan ook blijven bij een kortere wachtlijst dan voorheen. Zorgaanbieders die ik gesproken heb waar wel sprake is van enige leegstand, anticiperen op de ontstane situatie door kamers (tijdelijk) op een andere manier in te zetten. Voorbeelden zijn dat zij de samenwerking zoeken met de GGZ of jongeren (tijdelijk) een plek geven in vrijgekomen kamers.
Zorgaanbieders geven aan behoefte te hebben aan duidelijkheid over de oorzaak van de verminderde vraag naar ouderenzorg en een goede projectie voor de komende jaren. Zij hebben meer informatie nodig om toekomstgericht te kunnen sturen op hun organisatie en de capaciteit. Ik heb het RIVM gevraagd om hiernaar onderzoek te doen. Het RIVM zal onderzoeken of (en zo ja, in welke mate) sprake is van vraaguitval, welke verklaringen daarvoor zijn en of sprake is van tijdelijke of structureel verminderde vraag.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat er nu verpleeghuisplekken verdwijnen die we later juist hard nodig zullen hebben? Bent u bereid om meer te doen dan enkel te wachten op de resultaten van het RIVM-onderzoek?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel verpleeghuizen komen nu of op korte termijn in financiële problemen doordat er kamers leegstaan?
Het is aan zorgaanbieders om adequaat in te spelen op veranderende omstandigheden. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor een financieel gezonde bedrijfsvoering. Deze analyse van het RIVM is ook waar zorgaanbieders om vragen om hun verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Zorgaanbieders hebben helderheid nodig omtrent de vraagontwikkeling zodat zij kunnen sturen op de vraag van de toekomst. Zorgaanbieders stellen zich daar nu al op in door flexibel te zijn in de inzet van hun vastgoed. Uiteraard zal ik ook zelf de vinger aan de pols houden. Mochten zich onverhoopt financiële problemen bij een verpleeghuis voordoen, dan treedt het continuïteitsbeleid in werking waarbij het zorgkantoor als eerste aan zet is om de ontstane situatie te beoordelen.2
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat verpleeghuizen omvallen als gevolg van leegstaande kamers? Bent u bereid om meer te doen dan enkel te wachten op de resultaten van het RIVM-onderzoek?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre hangt de afname van het aantal aanvragen voor een verpleeghuisindicatie samen met uw beleid om ouderen te stimuleren langer thuis te blijven wonen?
Dit is onderdeel van het onderzoek van het RIVM. Daar wil ik niet op vooruitlopen.
Waar komen de ouderen die zich eerder zouden hebben gemeld voor een verpleeghuisplek nu terecht? Hoeveel daarvan blijven nu langer thuis wonen, hoeveel verhuizen naar een geclusterde woonvorm en hoeveel zijn nu afhankelijk van commerciële dure alternatieven?
In onderstaande tabel treft u de ontwikkeling van het aantal mensen dat wijkverpleging, een volledig pakket thuis (vpt) of een modulair pakket thuis (mpt) ontvangt. In de tabel is zichtbaar dat het aantal mensen dat een vpt of mpt ontvangt sterk is toegenomen.
2020
2021
2022
2023
2024
Wijkverpleging1
225.175
219.650
209.035
205.695
211.075
Zin volledig pakket thuis (vpt)2
10.335
12.345
15.585
18.500
22.175
Modulair pakket thuis (mpt)3
24.705
27.880
32.040
34.500
34.725
CBS: StatLine – Personen met gebruik Zvw-wijkverpleging; zorgvorm en huishouden
CBS: StatLine – Personen met gebruik Wlz-zorg in natura; leveringsvorm, zzp/zorgvorm, regio
CBS: StatLine – Personen met gebruik Wlz-zorg; leveringsvorm, zorgzwaartepakket
Hierbij zij opgemerkt dat het niet bekend is wat geclusterd en niet-geclusterd wordt geleverd en wat de organisatievorm is. Het RIVM onderzoek zal ons meer informatie geven over de ontwikkelingen in de ouderenzorg.
Het bericht ‘Extra MRI-scan voor vrouwen met dicht borstweefsel, maar pas vanaf 2030’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Extra MRI-scan voor vrouwen met dicht borstweefsel, maar pas vanaf 2030»?1
Nu besloten is vrouwen met zeer dicht borstweefsel een aanvullende MRI te bieden als onderdeel van het bevolkingsonderzoek, hebben we een echte doorbraak gerealiseerd in een discussie die al heel lang loopt. Ik heb dit besluit kenbaar gemaakt aan uw Kamer in mijn brief van 13 november 2025.2 Ik snap dat mensen teleurgesteld zijn dat de eerste MRI’s pas in 2030 zullen worden aangeboden. Ook ik vind dat pijnlijk. Met mijn hart zou ik het gisteren ingevoerd willen hebben, maar met mijn hoofd heb ik lastige keuzes moeten maken.
Dat enkele jaren nodig zijn om tot implementatie van MRI’s te komen, vloeit met name voort uit de keuze voor de organisatievorm. Het RIVM beschrijft in de uitvoeringstoets verschillende organisatievormen, twee waarbij het georganiseerd wordt via de zorg en twee waarbij het georganiseerd wordt via het bevolkingsonderzoek.3 Het organiseren via de zorg zou sneller te implementeren kunnen zijn, concludeert het RIVM. Het gaat hier echter om het aanpassen van zorgrichtlijnen, waar ik als Staatssecretaris niet over ga. Dit betreft namelijk invulling van wat verantwoorde zorg is, en daar staan de beroepsgroepen zelf voor aan de lat. Al had ik het gewild, dan had ik niet kunnen besluiten om het MRI-aanbod op deze manier via de zorg te organiseren. Daarnaast zie ik een aantal nadelen aan de organisatievormen via de zorg, namelijk dat de kans op verdringing groter is en de uniformiteit en kwaliteit van het aanbod minder goed gewaarborgd kan worden. Daarom heb ik ervoor gekozen om de MRI’s onder regie van het bevolkingsonderzoek aan te gaan bieden.
Het zal nog enkele jaren duren voordat noodzakelijke stappen en goede voorbereiding afgerond zijn. Tegelijkertijd verwacht ik op basis van het overleg met betrokkenen – zoals patiënten, artsen en onderzoekers – dat dit de beste en de minst vertragende stap vooruit is. We halen alles uit de kast om vrouwen met zeer dicht borstweefsel zo spoedig mogelijk baat te laten hebben bij deze verbetering. Een voorbeeld hiervan is dat ik heb besloten het MRI-aanbod in te richten op basis van bestaand advies van de Gezondheidsraad uit 2020. Daarmee is opnieuw advies vragen niet nodig en is tot een jaar tijdswinst behaald. Iedere andere mogelijke versnelling zal ik met beide handen aangrijpen.
Hoe reageert u op de stelling van Borstkankervereniging Nederland «als onnodige MRI's (zoals veel lage-rugonderzoeken) worden afgebouwd, kan er direct ruimte vrijkomen voor vrouwen bij wie de nood echt hoog is.»?
Het is belangrijk het onderscheid te maken tussen MRI’s in de zorg enerzijds, en anderzijds als onderdeel van een bevolkingsonderzoek. Hoe en voor welke diagnostiek MRI’s worden gebruikt is primair aan de betrokken beroepsgroepen die (vaak) samen met patiëntenorganisaties en zorgverzekeraars in professionele en kwaliteitsstandaarden vastleggen wat goede zorg is. Het is aan zorgverzekeraars om deze zorg in te kopen voor hun verzekerden. Het is niet aan mij om te bepalen wat goede zorg is.
Ik ben wel verantwoordelijk voor de inzet van MRI als onderdeel van het bevolkingsonderzoek borstkanker. In de Kamerbrief van 13 november 2025 heb ik uitgelegd te kiezen voor de organisatievorm waarbij de MRI’s worden uitgevoerd in ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra onder regie zoals die geldt bij het bevolkingsonderzoek. Deze organisatievorm heeft belangrijke voordelen. Zo vindt centrale aansturing en financiering plaats en is capaciteitssturing mogelijk waardoor het risico op verdringing van zorg kan worden verkleind. De benodigde MRI-capaciteit voor deze aanvullende MRI-screening zal moeten worden aanbesteed. Het RIVM schat in de uitvoeringstoets dat een dergelijke aanbesteding 2–3 jaar duurt. Bij een aanbesteding zijn we afhankelijk van de inschrijvende marktpartijen die MRI-capaciteit beschikbaar hebben en/of kunnen realiseren.
Heeft u al gekeken naar de mogelijkheden om de MRI-capaciteit van private klinieken inzetten, die zij nu gebruiken voor MRI-scans zonder medische aanleiding voor mensen die dit zich kunnen veroorloven? Zo ja, waarom wordt deze niet ingezet?
De contractering van instellingen die de MRI’s gaan uitvoeren gaat plaatsvinden via een aanbesteding. Alle instellingen die MRI-capaciteit beschikbaar hebben of kunnen maken, en voldoen aan de te stellen aanbestedingscriteria, kunnen inschrijven op de aanbesteding. In de uitvoeringstoets van het RIVM is in opdracht van het Ministerie van VWS expliciet ook gekeken naar beschikbare capaciteit van zelfstandige behandelcentra. Deze capaciteit is dus meegenomen in de resultaten van de uitvoeringstoets en in de beoordeling van de haalbaarheid van de verschillende scenario’s.
Ter illustratie, een belangrijk criterium is dat de instelling de juiste type MRI-apparatuur beschikbaar heeft. Zoals beschreven in de Kamerbrief van 13 november 2025 gaat het namelijk om 3Tesla-MRI-apparatuur. Lang niet alle instellingen hebben deze apparatuur beschikbaar. In 2020 had ca. 40% van alle instellingen (ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra) de beschikking over 3Tesla-MRI-apparatuur. De criteria voor de aanbesteding worden bepaald als onderdeel van het implementatieplan door het RIVM.
Wat zijn de juridische mogelijkheden om private klinieken te dwingen hun MRI-capaciteit ter beschikking te stellen, gezien het feit dat deze capaciteit nu vaak wordt gebruikt voor MRI-scans zonder medische aanleiding, terwijl er tegelijkertijd vrouwen het risico lopen om te sterven doordat zij geen MRI kunnen krijgen?
Die mogelijkheden zijn er niet. Het is aan aanbieders zelf om te bepalen of zij mee willen doen aan een mogelijke aanbesteding van dit onderdeel van het bevolkingsonderzoek borstkanker. In het algemeen geldt in Nederland dat voor het opsporen van kanker in een gezonde populatie, een vergunning nodig is op grond van de Wet op het bevolkingsonderzoek. Zonder deze vergunning is het verboden om te screenen op kanker. Bevolkingsonderzoek Nederland heeft een vergunning voor de uitvoering van de drie bevolkingsonderzoeken naar kanker, en deze vergunning moet aangepast zijn zodra de MRI onderdeel wordt van het bevolkingsonderzoek borstkanker.
Wat zijn de juridische mogelijkheden om te voorkomen dat klinieken zich hierdoor verrijken?
Doordat de contractering van instellingen die de MRI’s gaan uitvoeren plaats zal vinden via een aanbesteding, wordt gewaarborgd dat de aanbieders van MRI’s ten behoeve van deze werkzaamheden een marktconform tarief ontvangen. Dat wil zeggen dat het tarief past bij de aard, kwaliteit en omvang van de werkzaamheden.
Het bericht dat kraamzorg niet meer overal in Nederland gegarandeerd kan worden |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat kraamzorg niet meer overal in Nederland gegarandeerd kan worden?1
De signalen over toenemende krapte in de kraamzorg zijn mij bekend. Kraamzorg is een essentieel onderdeel van de integrale geboortezorg, die een belangrijke basis legt voor een goede en gezonde start van moeder, kind en gezin. De transitie naar passende kraamzorg is hard nodig, en de sector staat daarbij voor een grote opgave.
Erkent u dat de keuze van de afgelopen regeringen en de zorgverzekeraars om de kraamzorg te verwaarlozen de grondoorzaak is van de klassenverschillen die we nu zien in de kraamzorg? Zo ja, wat gaat u doen om weer te investeren in de kraamzorg en de klassenverschillen te verkleinen? Zo nee, waarom niet?
Het beeld dat de afgelopen regeringen of zorgverzekeraars bewust hebben gekozen om de kraamzorg te verwaarlozen herken ik niet. De afgelopen jaren is geïnvesteerd in de kraamzorg door subsidie beschikbaar te stellen voor projecten voor het anders inrichten van de kraamzorg. Er is subsidie verleend voor het opstellen van een nieuwe indicatiemethodiek. Een methodiek die nu bekend staat als de Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek (KLIM). Ook is er subsidie verleend voor het onderzoeken van een andere inrichting van de wachtdiensten door middel van partuspoules. Beide projecten krijgen een vervolg in de transformatie. Tegelijkertijd zijn sinds 2024 middelen beschikbaar gesteld voor het ontwikkelen van richtlijnen en protocollen in de kraamzorg via ZonMw. Tot slot hebben zorgverzekeraars sinds 2023 via convenanten landelijk afspraken gemaakt over het beschikbaar stellen van de max max tarieven. Voor de uitbraak van covid-19 hebben verzekeraars al eerder max max tarieven beschikbaar gesteld, in afwachting van de nieuwe tarieven in de kraamzorg per 2021.
Ik herken wel dat de kraamzorg al geruime tijd met structurele uitdagingen te maken heeft. Verschillende factoren hebben geleid tot verschillen in de beschikbaarheid en inzet van kraamzorg. Ook de verschillen die we zien tussen regio’s en groepen gezinnen zijn niet aan één oorzaak toe te schrijven, maar ontstaan door een combinatie van demografische, sociale, financiële en arbeidsmarktfactoren.
Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en Bo Geboortezorg werken samen met de sector aan de uitvoering van hun gezamenlijke visie en versnellingsagenda kraamzorg2. Deze agenda bevat acties op het gebied van arbeidsmarkt, regionale samenwerking en de doorontwikkeling en implementatie van de KLIM. Met de
KLIM wordt het mogelijk om meer zorg op maat te bieden, aansluitend bij de veranderende behoeftes en (sociale) context van de kraamvrouw. Voor een deel van de agenda zijn transformatiemiddelen beschikbaar gesteld (€ 9,8 miljoen).
In lijn met de motie van Dobbe en Dijk3 verken ik welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de toegankelijkheid van kraamzorg te waarborgen.
Deelt u de analyse dat marktwerking in de kraamzorg aanbieders stimuleert om wijken met een lagere sociaaleconomische status te mijden? Zo ja, bent u bereid om uit te werken hoe de kraamzorg kan worden ingericht zonder marktwerking? Zo nee, waarom niet?
Het is te kort door de bocht om te stellen dat de uitdagingen in de kraamzorg te wijten zijn aan marktwerking. De ontwikkelingen in de kraamzorg kennen meerdere oorzaken. In de zorg is bovendien sprake van gereguleerde marktwerking, waarin zorgverzekeraars een wettelijke zorgplicht hebben die voor alle verzekerden gelijk geldt, ongeacht sociaaleconomische status.
In plaats van energie te stoppen in een nieuw stelsel voor de kraamzorg, ben ik ervan overtuigd dat veldpartijen zelf binnen het huidige stelsel verantwoordelijkheid willen en kunnen nemen voor de uitdagingen in de kraamzorg. Dat gebeurt ook. In 2023 hebben zij met elkaar geconstateerd dat de toegankelijkheid van de kraamzorg te ver onder druk kwam te staan en dat de destijds geboden tarieven niet meer passend waren om de toegankelijkheid en continuïteit te borgen. Daartoe hebben zij gezamenlijk een convenant opgesteld om toekomstbestendige kraamzorg te borgen.
Ik vind dat een goed voorbeeld van de verantwoordelijkheid die veldpartijen in ons stelsel kunnen en moeten nemen om de toegankelijkheid van de zorg te borgen. Aan de hand van een gezamenlijke visie en versnellingsagenda blijven zij hieraan werken. Ik verwacht dat partijen deze inspanningen, gelet op de recente signalen, voortvarend voortzetten.
Hoeveel mensen maken nu geen gebruik van kraamzorg vanwege de eigen bijdrage?
Er zijn geen gegevens beschikbaar die specifiek inzicht bieden in hoeveel gezinnen vanwege de eigen bijdrage geen gebruik maken van kraamzorg. De Monitor Kansrijke Start 20244 laat zien dat in 2022 2,5% van de gezinnen geen kraamzorg heeft ontvangen. Dit percentage ligt hoger bij gezinnen in een meervoudig kwetsbare situatie (5,4%), gezinnen met een laag inkomen (5,2%) en moeders die een basisonderwijs of een vmbo-opleiding hebben afgerond.
Uit eerder onderzoek blijkt dat financiële overwegingen hierbij een rol spelen, maar niet de enige factor zijn. Onvoldoende toegespitste informatie over kraamzorg kan van invloed zijn, vooral voor doelgroepen in kwetsbare omstandigheden5. Daarnaast zijn ook de personele tekorten in de kraamzorg, onbekendheid met het zorgsysteem en/of culturele overtuigingen mogelijk een factor. Het RIVM voert verdiepend onderzoek uit naar kenmerken van gezinnen die wel en geen kraamzorg ontvangen. De resultaten van dit onderzoek verwacht ik begin 2026.
Tot slot wil ik benadrukken dat gezinnen waarbij het niet lukt om kraamzorg te krijgen en dit wél willen, zich kunnen melden bij de zorgbemiddeling van hun zorgverzekeraar. Verzekeraars hebben aangegeven dat zij tot op heden vrijwel iedereen, na zorgbemiddeling, van kraamzorg hebben kunnen voorzien.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Stoffer/Dijk over scenario’s en (financiële) effecten in kaart brengen voor het afschaffen van de eigen bijdragen voor kraamzorg en poliklinische bevalling?2
In het kader van de uitvoering van deze motie ben ik bezig de effecten van het afschaffen van de eigen bijdragen voor kraamzorg en poliklinische bevalling in kaart te brengen. Uw Kamer wordt vóór de behandeling van de VWS-begroting hierover geïnformeerd.
Bent u het ermee eens dat er dringend stappen moeten worden gezet om de klassenverschillen in de kraamzorg aan te pakken? Zo ja, wat gaat u hiervoor doen?
Ik vind het essentieel dat iedereen gelijke toegang heeft tot passende zorg, ongeacht inkomen, opleiding of postcode. ZN en Bo Geboortezorg werken samen met de sector aan de uitvoering van de gezamenlijke visie en versnellingsagenda kraamzorg7. Recent zijn € 9,8 miljoen aan transformatiemiddelen beschikbaar gesteld. De middelen zullen door de sector ingezet worden voor de verdere uitvoering van onderdelen van de versnellingsagenda, waaronder passende kraamzorg, digitale zorg en regionale samenwerking. In lijn met de motie van Dobbe en Dijk verken ik welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de toegankelijkheid van kraamzorg te waarborgen.
Wat is uw reactie op het feit dat er in de stad Utrecht nu een extra groot probleem is, doordat er twee zorgaanbieders zijn overgenomen door private equity? Bent nog steeds van mening dat dit soort parasieten enige toegevoegde waarde hebben voor de zorg, of bent u inmiddels wel bereid om private equity in de zorg te verbieden?
De signalen van terugtrekkende kraamzorgaanbieders in de stad Utrecht zijn mij bekend. Bo Geboortezorg heeft aangegeven dat de grootste oorzaak hiervoor ligt in het behoud van personeel en de continuïteit van organisatie en bedrijfsvoering. Het is mij echter niet bekend of het terugtrekken uit dergelijke wijken vaker gebeurt bij zorgaanbieders met betrokkenheid van private equity of vergelijkbare investeerders.
Uit onderzoek van EY uit 2024 naar private equity in de zorg blijkt niet dat er aantoonbare verschillen zijn in de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg door aanbieders met en zonder private equity betrokkenheid.8 Tegelijkertijd zie ik de risico’s van te risicovolle (private equity) investeringen, waarbij financiële belangen de overhand krijgen boven het verlenen van goede zorg. Ik wil deze risico’s zo veel mogelijk inperken. Dat doe ik bijvoorbeeld via het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), waarbij er onder andere voorwaarden gesteld worden aan winstuitkering. En met het wetsvoorstel aanscherping zorg specifieke fusietoets, waarbij fusies en overnames door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) op meer inhoudelijke gronden getoetst kunnen worden. Ik verwacht dat wetsvoorstel in het tweede kwartaal van 2026 aan uw Kamer te sturen.
ZN heeft daarnaast aan de Landelijke Tafel Integrale Geboortezorg (LTIG) gevraagd om meer inzicht in regionale samenwerkingen, zodat ze passende verantwoordelijkheden kunnen opnemen in de contractering van Verloskundige Samenwerkingsverbanden (VSV) vanaf 2027. Ook zijn verzekeraars op dit moment met aanbieders in gesprek om passende afspraken te maken, zodat in alle wijken voldoende zorg ingekocht kan worden.
Verder werkt de gemeente Utrecht aan een arbeidsmarktagenda, waarbij er gekeken wordt naar hoe de personeelskrapte op middellang termijn verzacht kan worden met behoud van kwaliteit van zorg. Deze arbeidsmarktagenda wordt opgesteld vanuit diverse kraamzorgorganisaties, de preferente zorgverzekeraar (Zilveren Kruis) en de gemeente Utrecht. Hierbij worden er ook intensiever gesprekken gevoerd met de kraamzorgorganisaties die eerder (grotendeels) uit de stad getrokken zijn.
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de motie Dijk/Dobbe3, die verzocht om «maatregelen te treffen om de kraamzorg in Nederland te behouden, en hiervoor voor het debat over de VWS-begroting voorstellen naar de Kamer te sturen en daarbij in ieder geval zorg te dragen voor toereikende tarieven voor de kraamzorg»?
Momenteel werk ik, in lijn met bovengenoemde motie, aan het in kaart brengen van maatregelen die nodig zijn om de toegankelijkheid en continuïteit van kraamzorg te waarborgen. Inmiddels heb ik diverse gesprekken gevoerd en bijeenkomsten bijgewoond, waaronder een meedenksessie met
kraamverzorgenden en een bijeenkomst op uitnodiging van de gemeente Utrecht om de situatie in de stad Utrecht te bespreken. Zoals toegezegd informeer ik de Kamer hierover voor de behandeling VWS-begroting.
Bent u het ermee eens dat de crisis in de kraamzorg alleen kan worden opgelost door zorgaanbieders dekkende tarieven te bieden, kraamverzorgenden een beter salaris en een fatsoenlijke wachtdienstvergoeding te geven?
Er spelen verschillende factoren als het gaat om de financiële randvoorwaarden in de kraamzorg. Daarbij vind ik het van belang dat deze goed zijn, zodat zorgaanbieders hun werk kunnen doen en kraamverzorgenden kunnen rekenen op passende arbeidsvoorwaarden. Goede financiële voorwaarden alleen zijn echter niet voldoende om de huidige knelpunten het hoofd te bieden. Uit onderzoek van RegioPlus komt naar voren dat de aantrekkelijkheid van werken in de zorg niet enkel afhankelijk is van het salaris. Zaken als professionele autonomie, zeggenschap en ontwikkelmogelijkheden spelen ook een grote rol in de keuze om wel of niet in de zorg te (blijven) werken.
Door de vergrijzing en personeelstekorten is de uitstroom in de kraamzorg groter dan de instroom en is de werk-privébalans door zorgverdeling en een toename in het aantal zzp’ers, verder onder druk komen te staan. Dit laat zien dat de oorzaak én oplossing niet (enkel) financieel is.
Voor wat betreft kostendekkende tarieven, salaris en wachtdienstvergoeding zijn de rollen en verantwoordelijkheden helder. De NZa draagt zorg voor kostendekkende max tarieven middels regulier kostprijsonderzoek. Het Ministerie van VWS stelt ieder jaar extra arbeidsvoorwaardenruimte beschikbaar, zodat vervolgens werkgevers binnen de zorg marktconforme cao’s kunnen worden afgesloten. Dit geldt ook voor de kraamzorg, hier komen bijvoorbeeld ook de afspraken over de wachtdienstvergoeding terug.
In de versnellingsagenda van Bo Geboortezorg en ZN zijn meerdere onderdelen opgenomen die moeten bijdragen aan het verbeteren van de arbeidsomstandigheden, zoals het toewerken naar passende kraamzorg met daarbij behorende passende bekostiging, het werken op rooster, de werk-privé balans en de inrichting van de partusassistentie met wachtdiensten. Ook de instroom van personeel en de balans tussen zzp'ers en kraamverzorgenden in loondienst krijgt aandacht. Ik ben ervan overtuigd dat juist deze brede benadering, de sector in staat stelt te komen tot de benodigde transitie en daarmee een toekomstbestendige en passende kraamzorg.
Belangenverstrengeling door enkele wetenschappers |
|
Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk |
|
Judith Tielen (VVD), Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Wetenschappers met belangen beïnvloeden obesitasdebat met «zeer overdreven» cijfers»?1
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving naar aanleiding van het onderzoek van Zembla. Het is nooit goed als (de schijn van) belangenverstrengeling wetenschappelijke stellingname verdacht maakt. Ter nuancering zou ik wel willen meegeven dat publiek-private samenwerking tussen de academie en farmaceutische industrie belangrijk is. Zo kunnen zij ieder vanuit hun eigen expertise en ervaring bijdragen aan geneesmiddelenontwikkeling. Het is vooral belangrijk dat er openheid is. Als onderzoekers transparant zijn over hun belangen, kan daarmee rekening worden gehouden. In dit geval heeft het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG), waar de wetenschappers aan verbonden zijn, aangegeven dat de onderzoekers zich niet aan de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI) hebben gehouden en dat de nevenbetrekkingen en mogelijke belangenverstrengeling vermeld hadden moeten worden bij ondertekening van het manifest.
Wat betreft de maatschappelijke kosten die worden genoemd, wijs ik graag op de beantwoording van schriftelijke vragen van de Tweede Kamer die naar aanleiding van publicatie van het genoemde onderzoek zijn gesteld in 2023.2 Hoewel we inmiddels verder in de tijd zijn, is de reflectie in deze beantwoording op het onderzoek ongewijzigd:
Deelt u de mening dat het onwenselijk is indien wetenschappers een rol spelen in het maatschappelijke en politieke debat, maar tegelijkertijd ook betaald worden door commerciële bedrijven die baat hebben bij een bepaalde uitkomst van dat debat?
De wetenschap is een sector die niet geïsoleerd werkt. Zij staat in verbinding met de samenleving, werkt daarmee samen en wordt daar ook door gefinancierd. Het is voor de innovatiekracht van ons land daarom van meerwaarde dat wetenschap en bedrijfsleven in nauwe verbinding staat met elkaar. Nieuwe wetenschappelijke inzichten kunnen op die manier sneller worden vertaald naar praktijkoplossingen. Transparantie is hierbij wel essentieel. Zo mag de financieringsbron van een leerstoel of onderzoek geen invloed hebben op de integriteit van wetenschappelijk onderzoek. Het is daarbij belangrijk dat de NGWI door wetenschappers en instellingen wordt gevolgd en dat er bij deelname aan het publieke debat open en eerlijk wordt gecommuniceerd over de rol waarin die deelname plaatsvindt en mogelijke belangenconflicten. Voor financiële relaties in de zorg is er het Transparantieregister Zorg, waarin zorgprofessionals (niet zijnde gezondheidseconomen) en zorgorganisaties, waaronder patiëntenorganisaties, hun relaties met bedrijven kunnen aangeven.
Is dit met meer medicijnen of hulpmiddelen gebeurd? Hoe houdt u hier zicht en controle op?
De meeste wetenschappelijke tijdschriften vragen om vermelding van nevenfuncties en belangen van de auteurs van hun artikelen. In Nederland hebben de wetenschappelijke instellingen ook gedragscodes waarin staat dat eventuele (tegenstrijdige) belangen vermeld dienen te worden. Zoals reeds genoemd is publiek-private samenwerking tussen academische onderzoekers en de farmaceutische industrie wenselijk en dit gebeurt dan ook regelmatig. Ik heb geen exacte cijfers over hoe vaak dit voorkomt, of hoe vaak nevenfuncties of belangen niet vermeld worden.
Maakt u zich zorgen over de beïnvloeding van commerciële belangen van bedrijven op politieke besluitvorming?
Het is altijd goed om hier alert op te blijven. Vanuit het Ministerie van VWS is er regelmatig contact met commerciële partijen en, waar dat passend is en kan bijdragen aan beleidsdoelstellingen, wordt ook met hen samengewerkt. Uiteraard blijven ambtenaren in deze contacten bewust van de belangen die spelen en staat bij het maken van afspraken het publieke belang voorop. Er zijn grote verschillen tussen industrieën en bedrijven en er is daarom niet één manier om hiermee om te gaan. Zo zijn de belangen van de tabaksindustrie fundamenteel onverenigbaar met ons volksgezondheidsbeleid. Op grond van het WHO-verdrag FCTC hebben we geen contact met (belangenbehartigers voor) de tabaksindustrie. Bij de farmaceutische industrie ligt dit genuanceerder. Ten eerste vanwege het grote maatschappelijke belang van geneesmiddelen en het beleid zich dus ook richt op de stimulering en facilitering van geneesmiddelenontwikkeling en -productie. Maar ook hier is terughoudendheid de norm, en moet contact het publieke belang dienen. Bovendien is het belangrijk om algemeen beleid te scheiden van individuele casuïstiek, zoals onderhandelingen over de prijs van een geneesmiddel of artikel 3, lid 2 verzoeken binnen de Wet geneesmiddelenprijzen.
Het uitgangspunt voor beleidsvraagstukken is mede daarom dat contact hierover via de brancheverenigingen loopt en niet met individuele bedrijven. Al kunnen er uitzonderingen zijn.
Welke waarborgen zijn er momenteel om dit soort belangenverstrengeling te voorkomen? In hoeverre zijn deze voldoende?
Het kabinet hecht groot belang aan de transparantie van belangenvertegenwoordiging. Zo regelt de gedragscode integriteit bewindspersonen dat een bewindspersoon in het contact met derden transparantie en gelijke toegang nastreeft. Verder zijn de openbare agenda’s bedoeld om inzichtelijk te maken wie contact hebben met bewindspersonen en waarover zij spreken. Naast het voornoemde Transparantieregister Zorg, waarmee de financiële belangen van zorgverleners- en instellingen inzichtelijk worden gemaakt voor de samenleving, zijn dit waarborgen die erop gericht zijn om verschillende belangen die het besluitvormingsproces trachten te beïnvloeden inzichtelijk te maken. In een recente Kamerbrief heeft het kabinet uw Kamer laten weten welke maatregelen getroffen worden om transparantie van besluitvorming verder te bevorderen.3
Welke consequenties volgen er indien een wetenschapper diens nevenfuncties niet vermeld en daarmee economische belangen boven publieke belangen zet? In hoeverre zijn deze voldoende?
Om de wetenschappelijke integriteit zo goed mogelijk te waarborgen, zijn er verschillende regelingen. Voor alle universiteiten geldt de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten. Op basis van de regeling moeten hoogleraren transparant zijn over hun nevenfuncties en moeten zij betaalde nevenfuncties waarbij mogelijk sprake is van belangenverstrengeling melden bij hun universiteit. Daarnaast geldt zoals gezegd de NGWI voor wetenschappers en hun werkgevers. Als één van de normen voor wetenschappers is daarin opgenomen: «Wees open en volledig over de rol van externe belanghebbenden, opdrachtgevers, financiers, mogelijke belangenconflicten en relevante nevenwerkzaamheden.»
Bij (vermeende) schendingen van wetenschappelijke integriteit, zoals het niet benoemen van nevenfuncties, is het aan de instellingen (werkgever) om de wetenschapper (werknemer) hierop aan te spreken. De NGWI biedt hiervoor een toetsingskader waarmee deze schendingen beoordeeld kunnen worden, en indien nodig, kunnen er maatregelen genomen worden. Een voorbeeld hiervan is een correctie op een publicatie. Ik vind deze regelingen voldoende.
In hoeverre is op het Ministerie van VWS en door het Zorginstituut het manifest waarbij deze belangenverstrengeling plaatsvond meegewogen bij het besluit om afslankmedicatie wel of niet te vergoeden?
Bij de beoordeling van geneesmiddelen kijkt het Zorginstituut niet alleen naar effectiviteit, maar ook de noodzakelijkheid, kosteneffectiviteit en uitvoerbaarheid. Bij de beoordeling van de kosteneffectiviteit wordt ook, waar relevant en wetenschappelijk onderbouwd, gekeken naar maatschappelijke kosten en baten, zoals arbeidsproductiviteit, van de aandoening en het geneesmiddel. Het manifest geldt niet als wetenschappelijke onderbouwing en wordt niet meegenomen in de beoordeling.
Het Zorginstituut heeft in juli 2024, voordat dit manifest is gepubliceerd, geadviseerd om het geneesmiddel Wegovy voor de indicatie obesitas niet op te nemen in het basispakket van de zorgverzekering. Het Zorginstituut kondigde op 6 november jl. aan dat zij een getrapte aanpak gaat hanteren bij de beoordeling van de nieuwe obesitasmiddelen. Bij de herbeoordeling van Wegovy en de nieuwe beoordeling van Mounjaro, twee geneesmiddelen voor de indicatie obesitas, wordt voorlopig alleen gekeken naar de effectiviteit en gezondheidswinst voor twee verschillende patiëntengroepen. Dit zijn mensen met een BMI vanaf 30 met ziektes die daarmee samenhangen, en mensen met ernstige of zeer ernstige obesitas met een BMI vanaf 35. De gekozen aanpak heeft de brede steun van zorgprofessionals, patiëntenverenigingen en zorgverzekeraars.
Deelt u de mening dat een nationaal geneesmiddelenfonds een begin zou kunnen zijn om dit soort commerciële belangen in de zorg voor mensen te voorkomen?
Ik zie een nationaal geneesmiddelenfonds niet als een oplossing om mogelijke belangenverstrengeling te voorkomen. Ik wil hier ook nogmaals benadrukken dat ik publiek-private samenwerking tussen de academie en de farmaceutische industrie belangrijk vind. Eerder dit jaar4 heb ik een schets voor een nationaal fonds voor geneesmiddelenontwikkeling met uw Kamer gedeeld. Daarbij heb ik aangegeven dat ik het onwenselijk vind om als overheid wetenschappers in dienst te nemen die zelf geneesmiddelen ontwikkelen. In plaats daarvan beschrijft de schets een samenhangend stelsel voor financiering met onderzoekssubsidies per fase van geneesmiddelenontwikkeling. In het algemeen kunnen we niet zonder de expertise van de farmaceutische industrie, vooral voor de latere fase van ontwikkeling, grootschalige productie van geneesmiddelen en het faciliteren van toegang en beschikbaarheid buiten Nederland. Het is voor academische ontwikkelaars meestal niet haalbaar om dit zelf te doen. Ik zet daarom in op synergie, zodat alle betrokken partijen hun expertise kunnen inzetten, en ondersteun initiatieven vanuit zowel de academie, als vanuit commerciële partijen. Bij trajecten waar individuen of organisaties een belang hebben is belangenverstrengeling altijd een risico. Dit valt niet te voorkomen. Dit geldt ook voor academici of publieke onderzoeks- en ontwikkeltrajecten. Om dit te ondervangen moet je dit onderkennen en door gedragscodes, wederzijdse transparantie en afspraken ondervangen.
De problemen met hulpmiddelenbedrijf Medipoint |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de vele klachten die mensen die hulpmiddelen nodig hebben uiten over hulpmiddelenbedrijf Medipoint?1, 2
Hulpmiddelen zijn belangrijk in het dagelijks leven van mensen om mee te kunnen doen of (langer) thuis te kunnen blijven wonen. Ik vind het daarom betreurenswaardig als mensen niet goed geholpen worden door een hulpmiddelenleverancier. Zeker wanneer mensen ernstig nadeel ondervinden van gebrekkige service, bijvoorbeeld als zij daardoor niet (zelfstandig) kunnen participeren.
Bent u het eens dat het onacceptabel is als mensen lang moeten wachten (soms zelfs in acute situaties), niet geholpen worden, afgewimpeld worden of de verkeerde onderdelen krijgen?
Ja, ik vind dit onacceptabel.
Deelt u de analyse dat marktwerking een rol bij deze problemen speelt, doordat gemeenten aanbestedingen uitschrijven waarbij teveel gestuurd wordt op de laagste prijs? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die analyse deel ik niet. Als gemeenten kiezen voor inkoop via aanbesteden is gunning op basis van de laagste prijs op basis van de Wmo 2015 niet toegestaan. Gemeenten dienen op basis van de Wmo 2015 – naast voldoende minimum kwaliteitseisen – ook een reële prijs te hanteren binnen de Wmo 2015. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld door het toepassen van een adequate tariefdifferentiatie rekening houden met een goede balans tussen reële prijs en kwaliteit. In deze balans wordt ook rekening gehouden met de beleidsruimte die individuele gemeenten hebben. De concrete invulling daarvan kan per regio of gemeente verschillen, maar wel effect hebben op de prijs, danwel de kwaliteit.
Gemeenten worden daarbij ondersteund door diverse kaders en informatie, waaronder de Handreiking Inkoop Hulpmiddelen van de VNG3, het Landelijk Normenkader Hulpmiddelen4 en de landelijke prijslijsten. Tegelijkertijd wordt op dit moment door het Ketenbureau i-Sociaal Domein gewerkt aan de
contractstandaarden voor hulpmiddelen voor de overeenkomst en de inkoopdocumenten. Dit project beoogt onnodige verschillen tussen gemeenten in de contractering van leveranciers te minimaliseren en administratieve lasten voor leveranciers te verlagen.
Bent u het eens dat het onacceptabel en onuitlegbaar is dat er nu grote verschillen zijn tussen gemeenten als het gaat om hoe goed de levering en het onderhoud van hulpmiddelen nu is geregeld? Zo ja, bent u bereid om zich ervoor in te zetten deze verschillen te verminderen, door gemeenten ertoe aan te zetten het Landelijk Normen Kader te ondertekenen? Zo nee, waarom niet?
Het onderhoud en de levering van hulpmiddelen moet ongeacht de gemeente waarin iemand woont, goed georganiseerd zijn. Dit is nog niet overal het geval. Daarom zet ik mij samen met de VNG, leveranciers, clientorganisaties en professionals in om de toegang en beschikbaarheid van hulpmiddelen de komende jaren te verbeteren. In de Werkagenda VN-verdrag Handicap, die ik afgelopen juli naar uw Kamer heb gestuurd, zijn meerdere maatregelen opgenomen gericht op het verbeteren van de beschikbaarheid en toegang tot hulpmiddelen.5 Met die maatregelen richten we ons onder andere op het vroegtijdig herkennen van complexe aanvragen en het verbeteren van de communicatie tussen verschillende bij hulpmiddelen betrokken partijen. En we werken aan een monitor om te meten of deze maatregelen leiden tot merkbare verbeteringen bij hulpmiddelengebruikers. Tot slot staan in de Werkagenda verschillende maatregelen gericht op het door gemeenten laten ondertekenen van de convenanten die voortkomen uit het Normenkader.
Welke stappen gaat u zetten om ervoor te zorgen dat mensen snel en goed geholpen worden als er problemen zijn met een hulpmiddel? Heeft u hier al over gesproken met Medipoint? Zo nee, bent u bereid om dit alsnog te doen?
De Wmo 2015 is een gedecentraliseerde wet. Het is daarom aan de gemeente om contractuele afspraken te maken met de leverancier en de leverancier erop aan te spreken als deze zich niet aan de afspraken houdt.
Vanuit VWS is wel met enige regelmaat contact met branchevereniging Firevaned, waar Medipoint onderdeel van is. Firevaned is actief betrokken bij de uitvoering van de maatregelen in de Werkagenda VN-verdrag Handicap, zoals benoemd bij het antwoord op vraag 4. Daarnaast is vanuit VWS gesproken met Medipoint over de klachten. Zie daarop het antwoord van vraag 6.
Heeft Medipoint inmiddels al concrete stappen gezet om de klantenservice te verbeteren? Zo nee, bent u bereid om hen daarop aan te spreken?
Medipoint gaf in gesprek met VWS aan dat zij het erg vervelend vindt dat de kwaliteit van haar klantenservice in enkele vestingen momenteel niet goed is. Zij lichtte toe hoe zij op dit moment werkt aan het verbeteren van de service, waaronder door training van medewerkers, uitbreiding van het klantenserviceteam en betere monitoring van klanttevredenheid. Deze werkwijze breidt zij uit met een «leermeester casemanagement», die casemanagers traint op onder andere klantgerichtheid en klantcommunicatie. Tot slot zegt Medipoint de voortgang op het verbetertraject actief te monitoren, te evalueren en bij te sturen waar nodig.
Het bericht ‘Kabinet stuurt vrouwen terug naar Taliban in Afghanistan’ |
|
Michiel van Nispen (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Op welke manier zet u zich in tegen de schendingen van vrouwenrechten door de Taliban?
Nederland zet in internationaal verband en multilaterale fora in op het waarborgen van mensenrechten in Afghanistan. Nederland heeft in EU- en VN-verband verklaringen afgegeven die oproepen tot eerbiediging van mensenrechten van de Afghaanse bevolking, met bijzondere aandacht voor rechten van vrouwen en meisjes. In de sporadische, operationele contacten die Nederland onderhoudt met de de-facto autoriteiten in Kabul worden de schendingen van de rechten van vrouwen en meisjes structureel opgebracht.
Daarnaast heeft Nederland in de Mensenrechtenraad zowel de oprichting van een onderzoeksmechanisme voor het tegengaan van straffeloosheid van mensenrechtenschendingen in Afghanistan, als de verlenging van het mandaat van de Special Rapporteur voor Afghanistan gesteund. Nederland heeft ook, zoals bekend, in september 2024 Afghanistan aansprakelijk gesteld voor het schenden van het Vrouwenverdrag (CEDAW), samen met Duitsland, Canada en Australië.
Nederland draagt via verschillende kanalen bij aan de humanitaire hulpverlening en basisnoden in Afghanistan. Nederland ondersteunt de lediging van basisnoden o.a. via het Afghanistan Resilience Trust Fund (ARTF) van de Wereldbank en via het mensenrechtenfonds voor mensenrechten in Afghanistan, met bijzondere aandacht voor Afghaanse vrouwen en journalisten.
Bent u nog steeds bezig met het zetten van juridische stappen tegen Afghanistan vanwege grove schendingen van de rechten van vrouwen? Wat is de stand van zaken van deze inzet?
Zoals hierboven aangegeven heeft Nederland, samen met Australië, Canada en Duitsland, Afghanistan aansprakelijk gesteld voor grove en systematische schendingen van het Vrouwenverdrag. Als eerste noodzakelijke stap bij een dergelijke aansprakelijkstelling is Afghanistan uitgenodigd om in onderhandeling te treden. Momenteel is Nederland, samen met Australië, Canada en Duitsland, bezig met de organisatie van deze onderhandelingen. Over dit proces kan het kabinet, in het belang van de aansprakelijkstelling, geen verdere uitspraken doen.
Staat u nog steeds achter de uitspraak die het kabinet vorig jaar heeft gedaan bij het indienen van de klacht, dat de situatie van Afghaanse vrouwen en meisjes «hartverscheurend» is? Kunt u dit toelichten?
Ja. Afghaanse vrouwen en meisjes moeten aanspraak kunnen maken op de rechten die zij hebben en alle schendingen door Afghanistan van de verplichtingen onder het Vrouwenverdrag moeten stoppen. Sinds de machtsovername door de Taliban in 2021 is de situatie voor vrouwen en meisjes in Afghanistan zeer moeilijk. Wetten zoals de «deugdwet» beperken het leven van vrouwen en meisjes in Afghanistan nog verder.
Bent u bekend met de vaststelling van VN-Vluchtelingenorganisatie UNHCR van afgelopen september dat Afghaanse vrouwen worden beperkt in hun recht om een adequate levenstandaard te bereiken, hun recht op bewegingsvrijheid en hun recht op vrijheid van meningsuiting? Is er voor u een reden om deze vaststelling in twijfel te trekken? Kunt u dit toelichten?
Ja, ik ben hiermee bekend. Er is geen reden deze vaststelling in twijfel te trekken. Ook uit het laatste ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over Afghanistan komt naar voren dat de positie van vrouwen en meisjes onder het bewind van de Taliban ernstig onder druk staat. In het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan wordt hier dan ook rekening mee gehouden.
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) vrouwen afwijst en terugstuurt, of wil terugsturen naar Afghanistan? Van hoeveel Afghaanse vrouwen is sinds 2021 de aanvraag afgewezen en met welke reden is dat gebeurd?1
In de Kamerbrief van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 23 januari 20242 is uw Kamer geïnformeerd over het geldende landgebonden asielbeleid voor Afghanistan. Daarin is destijds aangegeven dat uit het ambtsbericht blijkt dat de positie van vrouwen en meisjes na de machtsovername erg is verslechterd. Door de Taliban is een groot aantal maatregelen genomen dat de bewegingsvrijheid van vrouwen en meisjes in het normale maatschappelijke verkeer zeer inperkt. Op grond van de beperkende maatregelen, bovenop de reeds langer bestaande leefregels en de andere risico’s die vrouwen en meisjes in Afghanistan lopen, kunnen vrouwen en meisjes bij terugkeer dermate ernstig in hun mogelijkheden tot ontplooiing en sociale en maatschappelijke deelname worden beperkt dat zij in aanmerking kunnen komen voor bescherming. Of deze maatregelen en leefregels dermate ingrijpend zijn dat gesproken moet worden van vervolging zal per individu moeten worden beoordeeld.
Niet elke beperking in het leven is reden om vervolging aan te nemen.
Uit bovenstaande volgt dat bij de individuele beoordeling van asielaanvragen van Afghaanse vrouwen bijzondere aandacht is voor hun zeer kwetsbare positie en dat zeer snel geconcludeerd zal tot vluchtelingschap. Tegelijk volgt daaruit dat het in individuele gevallen evenwel mogelijk blijft dat de IND tot een afwijzing van het asielverzoek komt. Op korte termijn zal door het Ministerie van Buitenlandse Zaken een nieuwe ambtsbericht worden gepubliceerd.
De IND heeft sinds 2021 slechts in enkele gevallen de asielaanvraag van een Afghaanse vrouw afgewezen omdat geconcludeerd werd dat, gelet op de individuele aspecten van de betreffende zaak, om inhoudelijke gronden er geen noodzaak was tot asielbescherming. Afwijzingen op niet-inhoudelijke gronden, zoals op grond reeds verleende bescherming in een andere EU lidstaat of op grond van de Dublinverordening zijn hierbij buiten beschouwing gelaten.
Klopt het dat een van de criteria om Afghaanse vrouwen terug te sturen is dat ze zich «niet-westers kleden» of vooral «huishoudelijke dingen» doen?
Wat betekent «niet-westers kleden» volgens de IND? Is er een lijst met kledingstukken waaraan dat wordt getoetst? Mogen we die lijst ontvangen?
Wat is het oordeel van de IND en van u over vrouwen die «huishoudelijke dingen» doen? Wat is het oordeel van de IND en van u over mannen die «huishoudelijke dingen» doen?
Vindt u het «doen van huishoudelijke dingen» of de kleding die een vrouw draagt daadwerkelijk indicatoren dat vrouwen veilig kunnen leven in een voor vrouwen onveilig regime waar hun rechten en veiligheid ernstig worden overschreden?
Klopt het dat er een 79-jarige vrouw wordt teruggestuurd omdat ze zich volgens de IND kan aanpassen aan de leefregels van de Taliban?
Zoals uw Kamer bekend is ga ik niet in op individuele zaken. Zie verder het antwoord op de vragen 6 tot en met 9.
Welke waarde hecht u aan het oordeel van de rechtbank Den Haag die dit terugkeerbesluit eerder van tafel veegde?
Zie antwoord vraag 10.
Welke leefregels worden hier specifiek bedoeld, waaraan deze vrouw zich zou kunnen aanpassen?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe toetst de IND de leefregels met betrekking tot het niet naar school mogen gaan als je meisje of vrouw bent, het geen of minder recht hebben op zorg als je vrouw of meisje bent, het niet alleen mogen reizen als je vrouw of meisje bent, het niet mogen sporten als je vrouw of meisje bent, het gestraft kunnen worden voor het overtreden van leefregels zonder vorm van proces als je vrouw of meisje bent?
Het kader waarbinnen de IND individuele asielaanvragen toetst is het landgebonden beleid, zoals dit door mij wordt vastgesteld. Zoals hierboven reeds vermeld, beoordeelt de IND hoe zeer de vrouw door de Taliban opgelegde normen en leefregels in haar mogelijkheden tot ontplooiing en sociale en maatschappelijke deelname wordt beperkt en welke impact dat zal hebben op haar. Dit blijft steeds een individuele beoordeling.
Hoe geeft u opvolging aan de uitspraak van het Europees Hof van justitie van vorig jaar waarin werd geoordeeld dat de regels van de Taliban dermate mensonterend zijn dat vrouw-zijn een reden vormt voor vervolging?
Het Europese Hof van Justitie heeft naar mijn mening geoordeeld dat het samenstel van discriminerende maatregelen ten aanzien van vrouwen in Afghanistan onder het begrip «daad van vervolging» valt wanneer deze maatregelen, door hun cumulatieve effect, afbreuk doen aan de eerbiediging van de menselijke waardigheid. In het geval een Afghaanse vrouw vanwege die discriminerende maatregelen om bescherming verzoekt, zijn lidstaten gezien de specifieke ernst en opeenstapeling van de discriminerende maatregelen van het Talibanregime, verplicht om in het kader van de individuele beoordeling andere elementen dan het geslacht en de nationaliteit in aanmerking te nemen, maar dit mag volgens het Hof wel. Het Hof plaatst het toekennen van vluchtelingschap zonder nadere beoordeling in het kader van een «gunstiger» regeling in de zin van artikel 3 van de Kwalificatierichtlijn. Uit de uitspraak van het Hof volgt daarom nog niet dat aan iedere Afghaanse vrouw, ongeacht de reden waarom zij bescherming verzoekt, een verblijfsvergunning asiel moet worden verleend. Juridisch gezien blijft een individuele beoordeling van elke asielaanvraag mogelijk.
Op welke manier kan het te verantwoorden zijn dat de IND oordeelt dat vrouwen zich kunnen aanpassen aan een situatie waarbij vrouw-zijn een reden vormt voor vervolging en de veiligheid derhalve niet gegarandeerd kan worden?
Zie het antwoord op de vragen 6 t/m 9.
Bent u het eens dat uitvoering van het arrest van het Europees Hof betekent dat alle Afghaanse vrouwen die leven onder het Taliban regime erkend zouden moeten worden als vluchteling?
Zie antwoord vraag 14.
Hoe verhoudt dit besluit van de IND zich tot het verdrag van Geneve, waarbij geen mens mag worden teruggestuurd naar een land waar hij of zij gevaar loopt?
Afwijzing van een asielverzoek is enkel aan de orde indien wordt geoordeeld dat van vervolging bij terugkeer geen sprake is. Van strijdigheid met het Verdrag van Genève is derhalve geen sprake. Afwijzende besluiten kunnen worden voorgelegd aan de rechter.
Bent u bereid de terugkeerprocedures voor vrouwen naar Afghanistan te stoppen?
Indien er na de zorgvuldige beoordeling door de IND van de asielaanvraag onvoldoende gronden zijn om in aanmerking te komen voor bescherming dan zal de IND de aanvraag afwijzen. Binnen het stelsel van de vreemdelingenwet betekent dit vervolgens dat betrokkene in beginsel verplicht is Nederland te verlaten. Hierbij is het uitgangspunt dat betrokkene dit zelfstandig doet maar daarbij ook ondersteuning kan ontvangen van de Nederlandse overheid bij de terugkeer en herintegratie. Wanneer iemand niet zelfstandig vertrekt dan kan worden over gegaan tot gedwongen terugkeer. Ik zie geen aanleiding van dit stelsel af te wijken waar het gaat om personen uit Afghanistan. Wel is het zo dat voor Afghanistan op dit moment geldt dat gedwongen terugkeer feitelijk niet mogelijk is. Daarnaast zal op korte termijn het nieuwe ambtsbericht over Afghanistan door het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden gepubliceerd.
Welke verantwoordelijkheid neemt u voor de veiligheid en de rechten van Afghaanse vrouwen nadat zij worden teruggestuurd naar Afghanistan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 17 wordt bij de beoordeling op de asielaanvraag gekeken of personen bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging hebben of het risico lopen op ernstige schade.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De vragen zijn zoveel mogelijk afzonderlijk beantwoord. Daar waar het voor de beantwoording logischer leek zijn vragen samengepakt.