Het bericht dat Defensie scherfvesten wil afnemen van Chinees-Israëlische makelij |
|
Judith Buhler (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Herbert , Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat Defensie binnen een bestaande raamovereenkomst met een Israëlisch bedrijf beschermende scherfvesten wil afnemen waarin Chinese vezels zijn verwerkt?1
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het voornemen uit de actieagenda «productie- en leveringszekerheid munitie en Defensiematerieel» van juni 2024, dat het mantra beste product, voor de beste prijs losgelaten wordt en dat de factor tijd en herkomst van het product – bij voorkeur Europees of Nederlands – zwaarder gaan meewegen?2
Hoe beoordeelt u de keuze voor Chinese sterke vezels in het licht van het rapport «Chemie en materialen voor Defensie», dat u onlangs met de Kamer heeft gedeeld?3
Wat is de totale looptijd van de genoemde raamovereenkomst met de Israëlische leverancier, op welke datum is deze ingegaan en wanneer loopt deze af? Welke verlengingsopties bevat de raamovereenkomst en onder welke voorwaarden kan Defensie daarvan gebruikmaken?
Welke juridische mogelijkheden heeft u om deze raamovereenkomst tussentijds te beëindigen, op te schorten of aan te passen wanneer sprake is van nieuwe strategische risico’s, zoals afhankelijkheid van Chinese materialen of onderdelen?
Bevat de raamovereenkomst bepalingen over de herkomst van kritieke materialen, ketentransparantie, leveringszekerheid en uitsluiting van leveranciers of grondstoffen uit risicolanden zoals China? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Is het gebruik van Chinese vezels door de leverancier vooraf aan u gemeld en door u goedgekeurd? Op welk moment bent u hiervan op de hoogte gesteld?
Herkent u de uitspraak van de Stichting Nederlandse industrie voor defensie en veiligheid (NIDV) dat Nederland juist op dit soort materialen over topbedrijven beschikt?
Zijn de Nederlandse en Europese partijen die de vesten, platen en daarvoor benodigde sterke vezels kunnen leveren benaderd door Defensie om ook mee te dingen naar deze opdracht? Zo nee, waarom niet?
Als deze Nederlandse en Europese partijen niet benaderd zijn, hoe weet u dan dat zij voor de beste oplossing hebben gekozen?
Is het binnen dit project mogelijk om alsnog te kiezen voor vesten en platen van Nederlandse of Europese makelij, met sterke vezels uit Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de afname van deze beschermende scherfvesten op te schorten totdat duidelijk is welke Nederlandse of Europese alternatieven beschikbaar zijn en welke risico’s kleven aan het gebruik van Chinese vezels?
Hoe voorkomt het kabinet in het algemeen dat Nederland voor essentiële defensiematerialen afhankelijk wordt van productielocaties buiten Europa?
Hoe wordt bij grote defensieorders geborgd dat Nederlandse bedrijven kunnen deelnemen aan de toeleveringsketen en dat kennis, innovatie en werkgelegenheid in Nederland behouden blijven?
Is het kabinet van mening dat de huidige aanbestedingsregels voldoende ruimte bieden om bij defensie-inkopen de strategische autonomie van Nederland en Europa mee te wegen?
Welke mogelijkheden benut u nu al om bij aanbestedingen leveringszekerheid, strategische autonomie en behoud van kritieke productiecapaciteit als gunningscriterium mee te wegen?
Is het kabinet bereid te onderzoeken hoe bij defensie-aanbestedingen meer gewicht kan worden toegekend aan productie, onderhoud en innovatie in Nederland of Europa, binnen de geldende Europese regelgeving?
Is het kabinet bereid zich in Europees verband in te zetten voor aanpassing van de aanbestedingsregels, zodat lidstaten bij defensie-inkopen meer ruimte krijgen om strategische economische belangen en leveringszekerheid mee te wegen?
In hoeverre biedt de Industrial Accelerator Act ruimte voor bescherming en versterking van de binnenlandse defensie-industrie?
Kunt u aangeven welke kansen u ziet om defensie-investeringen sterker te benutten voor de versterking van de Nederlandse maakindustrie en technologische kennisbasis?
Het bericht 'Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI»?1
In welke mate ziet u, net als uw Europese collega’s doen, risico’s voor Defensie en politie in het blijven werken met het Amerikaanse Palantir, en kunt u deze uitleggen?
Bent u in contact met uw Franse collega en heeft u aangegeven dat u graag bijdraagt aan de ontwikkeling van een Europees alternatief? Zo nee, waarom niet?
Overweegt u om ook binnen de Nederlandse overheid Palantir volledig te vervangen met een Europees alternatief?
Wat zou, met in acht neming van juridische haalbaarheid, het snelste pad zijn naar een volledige breuk met Palantir binnen onze overheid?
Bent u van mening dat nu kiezen voor Europese alternatieven betekent dat we dan niet meer de beste systemen kunnen gebruiken?
Zo ja, kunt u reflecteren op de self fulfiling prophecy dat wij geen alternatieven kunnen opbouwen als we daar geen politieke keuzes voor maken?
Bent u van mening dat we in Europa een eigen AI-industrie nodig hebben om niet afhankelijk te zijn van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, welke stappen zet u nu om hiertoe te komen?
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om niet aan te sluiten op de tender vanuit de Europese Unie voor een gigafabriek in Nederland?
Kunt u uitleggen waarom er geen middelen gereserveerd zijn voor de digitale ambities in het coalitieakkoord, inclusief de Nederlandse Digitaliseringsstrategie? En welke rol kan defensie hierin spelen?
Welk tijdspad ziet u als realistisch om de afhankelijkheid van Amerikaanse tech-industrie voldoende afgebouwd te hebben? En kunt u een beeld schetsen van wat u als voldoende acht in deze kwestie?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht 'Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: ‘Wij zijn het braafste jongetje van de klas’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: «Wij zijn het braafste jongetje van de klas»» uit de Telegraaf van 13 juni 2026, mede gebaseerd op uw Kamerbrief over dit onderwerp van 11 juni 2026?1, 2
Zou u het goed vinden als het uitzenden van voetbalwedstrijden op schermen tot 5000 bezoekers voor ondernemers gratis zou zijn?
Waar baseert u het op dat de NOS door het gratis uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen, dienstbaar zou zijn aan het maken van een meer dan normale winst van (horeca)ondernemers en dat het daarmee het dienstbaarheidsverbod in de Mediawet zou schenden, bijvoorbeeld indachtig onderzoek dat aantoont dat het WK-voetbal nauwelijks zorgt voor extra horeca-omzet omdat mensen hun bestedingspatroon verschuiven?3
Waar baseert u het op dat derden een concurrentievoordeel behalen als de NOS voor het uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen geen vergoeding vraagt, bijvoorbeeld indachtig het feit dat in dat geval iedere (horeca)ondernemer hiervan kan profiteren en er tussen (horeca)ondernemers onderling dus geen concurrentievoordeel ontstaat?
Waarom is de NOS in Nederland wel in het bezit van de rechten voor public viewings terwijl de Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie (VRT) in België dit niet is? Acht u het wenselijk dat de NOS bij volgende grote voetbaltoernooien niet in het bezit van deze public viewing is, om te voorkomen dat zij, volgens u, geld moet vragen voor deze public viewings?
Bent u van mening dat het gratis uitzenden van het WK-voetbal door de NOS tot 5.000 bezoekers tot «maatschappelijke problemen» leidt en/of een groot risico voor het «publiek belang» kent, welke kernwaarden van het toezichtkader van het Commissariaat van de Media vormen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom doet u dan geen moreel appel op het Commissariaat van de Media om in deze casus niet te handhaven op deze bepaling uit de Mediawet?
Waarom geeft u in de genoemde Kamerbrief als reactie op de motie niet aan dat u voor de lange termijn werkt aan een wetswijziging om deze situatie bij een Europees Kampioenschap over twee jaar te voorkomen? Bent u daartoe bereid?
Waarom geeft u in de Kamerbrief niet duidelijker aan het wenselijk te vinden als (horeca)ondernemers en Oranjesupporters ook in de overige 60% van de Nederlandse gemeenten kunnen genieten van ruimere openingstijden?
Kunt u deze vragen deze week nog beantwoorden, aangezien het WK al is begonnen?
Klopt het dat medio 2025 ambtelijk is gesignaleerd dat mogelijk defensiegevoelige infrastructuurgegevens openbaar beschikbaar waren op websites en in registers van de overheid, maar dat deze gegevens nog steeds online staan?1
Deelt u de opvatting dat bij een concreet risico op sabotage van militaire infrastructuur de nationale veiligheid leidend moet zijn en dat informatie daarom bij twijfel op zijn minst eerst tijdelijk moet worden afgeschermd, waarna de juridische discussie kan worden afgerond? Zo nee, waarom niet?
Kan de Minister van Defensie andere ministeries daadwerkelijk opdragen defensiegevoelige informatie onmiddellijk af te schermen? Zo nee, wie kan binnen het kabinet bij een acute dreiging wel een bindend besluit nemen?
Welke maatregelen zijn direct na de ambtelijke signalering van deze veiligheidsrisico’s medio 2025 genomen?
Klopt het dat pas in het najaar van 2025 is begonnen met het verwijderen of afschermen van deze informatie? Kunt u toelichten waarom dit na de eerste signalering nog maanden heeft geduurd?
Wat is de reden dat de Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Economische Zaken en Klimaat vooralsnog geen volledige uitvoering hebben gegeven aan het verzoek van de Minister van Defensie om de kwetsbare informatie per direct offline te halen?
Waarom is pas in maart 2026 een interdepartementale werkgroep «Openbaarheid en nationale veiligheid» ingesteld, terwijl al sinds medio 2025 bekend was dat mogelijk gevoelige informatie openbaar was?
Deelt u de opvatting dat het instellen van een ambtelijke werkgroep geen alternatief kan zijn voor een onmiddellijk bestuurlijk besluit wanneer informatie per direct offline moet worden gehaald vanwege risico’s op spionage en sabotage? Zo nee, waarom niet?
Zijn de MIVD, AIVD en de NCTV betrokken bij deze ambtelijke werkgroep? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe beoordelen zij dat deze gevoelige informatie nog niet offline is gehaald?
Erkent u dat deze gang van zaken – eerst signaleren, vervolgens maanden overleggen, daarna een werkgroep instellen en uiteindelijk nog steeds geen volledige verwijdering realiseren – niet past bij de snelheid en slagkracht die nodig zijn in de huidige veiligheidssituatie? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zo spoedig mogelijk alle gegevens die Defensie als potentieel sabotagegevoelig beoordeelt in ieder geval tijdelijk af te schermen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid één bewindspersoon aan te wijzen die doorzettingsmacht krijgt bij conflicten tussen openbaarmakingsverplichtingen en de nationale veiligheid, zodat niet opnieuw maandenlang interdepartementaal overleg nodig is voordat wordt ingegrepen? Zo nee, waarom niet?
Het wereldwijd uitschakelen van Anthropic's Fable- en Mythos-modellen |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat Anthropic op 12 juni 2026, na een Amerikaans exportcontrolebesluit, de modellen Fable 5 en Mythos 5 wereldwijd heeft uitgeschakeld voor niet-Amerikaanse staatsburgers?
Klopt het dat Nederlandse en Europese gebruikers hierdoor abrupt hun toegang tot een frontier-AI-model (grensmodel) verloren, uitsluitend op grond van een binnenlands Amerikaans besluit en zonder enige Europese inspraak of beroepsmogelijkheid?
Was u vooraf op de hoogte van dit besluit of het risico daarop en op welke wijze zijn Nederland en de EU hierover geïnformeerd of geconsulteerd?
Deelt u de analyse dat dit incident blootlegt hoe afhankelijk Nederland en Europa zijn van een handvol Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI, en dat die toegang aantoonbaar als geopolitiek drukmiddel kan worden in- en uitgeschakeld? Hoe verhoudt zich dat tot uw constatering in de beleidsbrief Economische Zaken en Klimaat van 24 april 2026 dat Nederland «niet chantabel» moet zijn door strategische afhankelijkheden af te bouwen?1
Welk Europees of Nederlands alternatief kan op dit moment een frontier-model van vergelijkbaar niveau leveren wanneer Amerikaanse toegang wegvalt, en hoe beoordeelt u de situatie indien een dergelijk alternatief ontbreekt?
Welke concrete risico’s brengt de blokkade van dit model met zich mee voor het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder wanneer toegang als drukmiddel wordt ingezet, en geldt dit risico naar uw oordeel ook voor andere frontier-modellen van Amerikaanse aanbieders zoals OpenAI (ChatGPT) en Google (Gemini)?
Heeft de plotselinge uitschakeling van Mythos – een model dat eerder met een select aantal organisaties in vitale sectoren werd gedeeld om softwarekwetsbaarheden op te sporen voordat kwaadwillenden deze konden misbruiken – gevolgen gehad voor de cyberweerbaarheid van Nederlandse of Europese organisaties die dit model gebruikten?
Welke risico’s ziet u in het gegeven dat een AI-model met dergelijke geavanceerde capaciteiten voor het opsporen van cyberkwetsbaarheden zowel defensief als offensief inzetbaar wordt geacht, en in hoeverre weegt dit mee in de Nederlandse of Europese beoordeling van AI-systemen met een hoog risicoprofiel?
Beschikken de rijksoverheid en de beheerders van vitale infrastructuur over een continuïteits- of exitstrategie voor het geval dat Amerikaanse frontier-modellen waarop hun diensten draaien plotseling wegvallen, en zo nee, bent u voornemens een dergelijke strategie te ontwikkelen?
Welke maatregelen treft u op korte termijn, al dan niet in Europees verband, om een dergelijke situatie te voorkomen of op te vangen?
Hoe versnelt u de totstandkoming van een Europees alternatief op topniveau, bijvoorbeeld door opschaling van de samenwerking met Mistral of door investeringen in rekencapaciteit?
Bent u bekend met het scenario «Europe 2031», waarin wordt beschreven hoe Europa bij voortzetting van de huidige AI-koers afglijdt naar irrelevantie?2
Onderschrijft u de bevinding dat Europa nog circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute beheerst tegenover circa 80 procent in de Verenigde Staten en dat de 200 miljard euro aan InvestAI grotendeels herverpakt geld betreft dat in het niet valt bij één jaar Amerikaanse investeringen? Zo nee, op welke punten en op basis van welke cijfers wijkt uw beeld af?
Deelt u de tijdsdiagnose dat de zomer van 2026 het laatste reële moment is om bij te sturen voordat de achterstand zichzelf versterkt? Zo nee, welk eigen ijkpunt hanteert u en waarop baseert u dat?
Bent u bereid dit incident en andere mogelijke strategische AI-afhankelijkheden te (laten) bestuderen en de Kamer te informeren hoe Nederland zich voorbereidt op een scenario waarin de toegang tot buitenlandse AI-modellen voor Nederlandse burgers abrupt wordt beperkt of als drukmiddel wordt ingezet, en daarbij in te gaan op de economische, strategische en soevereiniteitsgevolgen voor Nederland?
Wat doet u om meer strategische technologie te ontwikkelen waarvan anderen juist afhankelijk zijn – naar het voorbeeld van ASML – zodat de kans kleiner wordt dat Nederland wordt afgesloten van kritieke technologie zoals AI?
Bent u bereid de positie uit de brief aan de Kamer van 31 maart 2026 – dat er binnen de huidige begroting geen ruimte is voor de financiële verplichting om deel te nemen aan de Europese aanbesteding van rekencapaciteit en daarmee aanspraak te maken op het fonds van 20 miljard euro voor maximaal vijf AI-gigafabrieken – te heroverwegen, nu het Fable-incident precies de geopolitieke verstoring is die in diezelfde brief als reden werd genoemd waarom Nederland en Europa zelfstandig AI-modellen moeten kunnen ontwikkelen en hosten?3
Hoe verhoudt de ambitie om nationale rekencapaciteit op te bouwen zich tot de huidige netcongestie, de schaarse ruimte en het verbod op hyperscale-datacenters op nieuwe locaties, en welke concrete randvoorwaarden op het gebied van energie, netaansluiting en vergunningverlening neemt u op welke termijn weg?
Bent u bereid de oprichting van een Nederlands European Lab for Learning and Intelligent Systems (ELLIS) Instituut als nationaal AI-onderzoekscentrum, zoals aanbevolen in het rapport-Wennink, op korte termijn mogelijk te maken en te financieren? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, niet over een eigen AI Safety Institute beschikt en daarmee geen onafhankelijke capaciteit heeft om de frontier-modellen waarvan onze economie en vitale sectoren afhankelijk zijn zelf te beoordelen of te testen – zoals het Britse AI Safety Institute wel doet via toegangsafspraken met onder meer Anthropic, Google en OpenAI – mede in het licht van het gegeven dat juist een jailbreak (gevangenisuitbraak) van Mythos de aanleiding vormde voor het uitschakelen van Fable? Bent u bereid een Nederlands AI Safety Institute met die taak en passende bevoegdheden op te richten?
Onderschrijft u het feit dat het versterken van de brede strategische relevantie van op Nederland gerichte investeringen vraagt om technologische doorbraken over meerdere domeinen, en niet alleen in AI? Welke rol ziet u daarbij voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) als motor voor disruptieve doorbraken over de volle breedte van de door Wennink benoemde strategische domeinen (digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, gezondheid en biotechnologie, energie- en klimaattechnologie)?
Bent u bereid te laten onderzoeken of het NADI volgens de ARPA-methode een programma kan opzetten dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur op Europese bodem versterkt, in het bijzonder chips en de bijbehorende ontwerp- en productietooling?
Bent u bereid de Kamer vóór Prinsjesdag een samenhangend tijdpad te sturen voor het vergroten van de strategische relevantie van Nederland op AI- en breder technologisch gebied, met daarin in elk geval de besluitvorming over nationale rekencapaciteit en energie, een ELLIS Instituut, een AI Safety Institute, de versnelde oprichting van het NADI en de opschaling van de Nationale Investeringsinstelling?
De woonquote van starters |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Herbert , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Huurders veel groter deel inkomen kwijt aan woonlasten» van de Volkskrant en de onderliggende CBS-cijfers?1
Hoe ziet u de relatie tussen het schaarse aanbod in de koopsector en de private huursector en de oplopende woonlasten?
Hoe ziet u de relatie tussen de hoge inkomstenbelastingen en de woonquote?
Volgens het onderzoek zijn de absolute woonlasten met ruim 22% gestegen tussen 2018 en 2023, wat gaat u doen om de absolute lasten terug te dringen?
In hoeverre heeft de invoering van de Wet betaalbare huur bijgedragen aan het verder verkrappen van het aanbod en in hoeverre heeft dit geleid tot een netto uitstroom van huurwoningen uit de private sector?
In hoeverre zorgen fiscale prikkels als de overdrachtsbelasting voor een stagnerende doorstroom?
Bent u bereid dit fiscale instrument te heroverwegen?
In hoeverre heeft de toegenomen regulering van de huurmarkt particuliere beleggers ontmoedigd te investeren in nieuwe huurwoningen?
Hoeveel private huurwoningen zijn er de afgelopen drie jaar uit de markt gehaald als gevolg van de gewijzigde regelgeving rondom huurprijsregulering en de box 3-belasting?
Kunt u onderzoeken of een verlaging van de inkomstenbelasting, specifiek op werkenden, kan bijdragen aan het vergroten van de financiële ruimte?
Overweegt u een verhoging van de arbeidskorting of algemene heffingskorting als instrument om het netto besteedbaar inkomen van huurders reëel te vergroten?
Indien het antwoord op vraag 11 ontkennend luidt, welke alternatieven ziet u dan?
Het bericht ‘Tiktokshop komt naar Nederland, 'een giftige cocktail voor impulsaankopen’ |
|
Judith Buhler (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Aerdts , Herbert , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tiktokshop komt naar Nederland, «een giftige cocktail voor impulsaankopen»» van de NOS?1 Erkent u dat de combinatie van sociale media, verslavende aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve en onverantwoorde aankopen vergroot?
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van de Tiktokshop met Europese consumentenbeschermingsregels, nu gebruikers producten kunnen aanschaffen zonder de app te verlaten en daarmee voortdurend worden blootgesteld aan commerciële prikkels? Acht u het risico reëel dat hierbij sprake is van verboden manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns)?
Heeft u inzicht in de wijze waarop de Tiktokshop gebruikmaakt van livestreamverkoop, aftellende aanbiedingen, schaarsteclaims en influencer marketing? Erkent u dat deze technieken specifiek zijn ontworpen om consumenten aan te zetten tot snelle en impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten, met name onder jongeren?
Welke concrete stappen zetten de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en andere bevoegde toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Europese Commissie in het kader van de Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act), om de Tiktokshop vanaf de introductie actief te controleren op overtredingen van de toepasselijke regelgeving? Acht u deze toezichthouders voldoende toegerust qua bevoegdheden en capaciteit?
Bent u bereid de introductie van de Tiktokshop actief te monitoren, waaronder consumentenklachten, retourpercentages, signalen van misleiding en problematische impulsaankopen, en de Kamer hierover periodiek te informeren?
Welke ervaringen zijn bij u bekend uit landen waar de Tiktokshop reeds actief is, waaronder meldingen van consumentenmisleiding, agressieve verkooppraktijken en handhavingsmaatregelen door toezichthouders? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse situatie?
Deelt u de opvatting dat de bestaande regelgeving onvoldoende is toegesneden op social-commerceplatforms die aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopfunctionaliteiten combineren? Zo nee, waarop baseert u die conclusie? Zo ja, welke aanvullende maatregelen zult u in Europees verband bepleiten?
Een LinkedIn-bericht van minister-president Rob Jetten over regeldruk en ondernemerschap |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat regeldrukvermindering belangrijk is voor een aantrekkelijk ondernemersklimaat?1
Onderschrijft u de knelpunten in de regeldrukagenda van FME?
Gaat u opvolging geven aan de regeldruklijst van FME en zo ja, op welke termijn kan de Kamer resultaten verwachten?
Wanneer gaat u per ministerie een target opleggen voor regeldrukvermindering, conform het coalitieakkoord? Hoe gaat u handhaven op deze targets?
Wordt de Kamer nog voor de zomer geïnformeerd over uitgewerkte standaarden met gemeenten voor minder regeldruk voor ondernemers, conform een toezegging aan mij tijdens de afgelopen begrotingsbehandeling van Economische Zaken op 21 en 22 januari 2026 en zoals opgenomen in het coalitieakkoord?
Wanneer wordt er een oplossing gevonden voor de bijschrijfplicht in de horeca, conform de aangenomen motie-Kisteman uit 2025?2
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Judith Buhler (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
Bent u bekend met het artikel «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: «Dit is niet uit te leggen»»?1
Deelt u de mening dat het belangrijk is zorginnovaties met overheidsbeleid te ondersteunen zodat de kwaliteit van zorg hoog blijft, wachtlijsten worden teruggedrongen en economische groei wordt aangewakkerd?
Ziet u mogelijkheden om doorlooptijden van regelgeving voor medische innovaties, zoals vergunningen, te verkorten? Zo ja, op welke manier?
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Martens-America over het verbeteren van deal terms voor intellectueel eigendom (Kamerstuk 32 637, nr. 744), welke verzoekt om deal terms te verbeteren, bijvoorbeeld door medische universiteiten bij deal terms aan te laten sluiten? Gaat u de deadline halen om uiterlijk einde van dit jaar over verbeteringen aan de Kamer te rapporteren?
Bent u bereid een meer coördinerende rol op zich te nemen voor investeringen in innovaties vanuit de markt in de zorg, zodat bijvoorbeeld zorgverzekeraars worden verleid samen te investeren in innovaties en verzekeraars hier niet van afzien uit angst dat andere verzekeraars op hun innovaties «meeliften», zoals in het aangehaalde artikel beschreven?
Ziet u een rol weggelegd voor de nieuwe Nationale Investeringsinstelling met betrekking tot het stimuleren van medische innovaties en zo ja, welke?
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
Jimmy Dijk (SP), André Flach (SGP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
Het artikel 'NADI dreigt vast te lopen door gebrek aan relevant budget' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Instituut voor Publieke Economie (IPE) over het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het NADI-ontwerpvoorstel dat op 9 februari jl. met de Kamer is gedeeld, het huidige ontwerp betreft dat verder wordt uitgewerkt, inclusief doelen, werkwijze en besluitvorming?
Ja, het NADI-ontwerpvoorstel dat door mijn voorganger met uw Kamer is gedeeld is leidend voor de oprichting van NADI.
Deelt u de lezing van het IPE dat het ontwerp en het beoogde doel van NADI alleen kunnen worden gerealiseerd indien het agentschap beschikt over risicodragend kapitaal zonder minimumrendementseisen? Zo nee, waarom niet?
Ja, die analyse deel ik grotendeels. Het doel van NADI is om technologische oplossingen te ontwikkelen voor grote maatschappelijke uitdagingen. Daarbij gaat het om high-risk/high-reward trajecten die in het reguliere innovatiebeleid vaak moeilijk van de grond komen. Een volledige revolverendheidsdoelstelling staat naar verwachting op gespannen voet met de risicotolerantie die nodig is om de organisatie effectief te laten opereren.
Tegelijkertijd verwacht ik dat NADI mogelijk wel voor een klein deel revolverend kan worden vormgegeven, bijvoorbeeld via terugbetalingsverplichtingen bij succesvolle projecten, met een verwachte terugbetalingstermijn van 10 tot 15 jaar. Daarbij is het wel van belang dat deze afspraken zo worden vormgegeven dat zij geen drempel vormen voor partijen om aan een NADI-programma deel te nemen.
Ik ben bezig met de uitwerking waaronder de vormgeving en de voorgenomen financiering uit het Coalitieakkoord. U wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u uiteenzetten of de voorgenomen kapitaalstorting van 500 miljoen euro in NADI naar verwachting leidt tot een toename van de EMU-schuld, en zo nee, op basis van welke beoordeling u tot die conclusie komt?
Bij een niet saldo-relevante storting zal de staatsschuld oplopen, maar verslechtert het EMU-saldo niet.
Kunt u uiteenzetten wat het gevolg is van een niet-EMU-saldorelevante kapitaalstorting voor het ontwerp, het beoogde doel en de effectiviteit van NADI?
In lijn met mijn antwoord op vraag 3, ben ik de vormgeving in combinatie met de kapitaalstorting in het Coalitieakkoord aan het uitwerken. Ik kan hier niet op vooruitlopen, maar u wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u aangeven welke concrete dekkingsopties op dit moment door het kabinet worden overwogen voor de kapitaalstorting in NADI?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid alternatieve dekkingsopties te onderzoeken indien blijkt dat de doelen van het NADI-ontwerpvoorstel niet haalbaar zijn met de huidige voorgenomen financieringsopties?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het voorstel van IPE om de Innovatiebox te versoberen om NADI te financieren, mede in het licht van de beperkte effectiviteit en doelmatigheid van deze regeling?
Het voorstel van IPE gaat voorbij aan het hoofddoel van de innovatiebox: het bevorderen van het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. De innovatiebox bewerkstelligt, kort samengevat, dat winsten uit succesvolle R&D-activiteiten in Nederland effectief minder zwaar worden belast dan andere winsten. Als een innovatief bedrijf met kwalificerende activiteiten hogere winsten behaalt, dan heeft dat bedrijf een groter innovatieboxvoordeel maar betaalt het dus ook meer vennootschapsbelasting in Nederland. Dit voordeel is derhalve relatief.
Het kabinet hecht een groot belang aan een stabiel en voorspelbaar fiscaal vestigingsklimaat. Het kabinet onderschrijft in dat kader de primaire doelstelling van de innovatiebox, namelijk het bevorderen van het vestigings- en investeringsklimaat voor innovatieve ondernemingen. Uit de evaluatie blijkt dat de regeling hieraan bijdraagt door Nederland aantrekkelijk te houden voor R&D-investeringen en hoogwaardige werkgelegenheid. Het kabinet ziet daarom geen enkele aanleiding om de bestaande regeling te versoberen.
Het IPE stelt dat voor een EMU-relevante dekking circa 150 miljoen euro per jaar nodig is; herkent u dit bedrag en kunt u dit toelichten?
Zoals eerder gezegd kan ik niet vooruitlopen op besluitvorming over de vormgeving van NADI in combinatie met de in het Coalitieakkoord voorziene kapitaalstorting.
Tegelijkertijd begrijp ik dat het IPE op dit bedrag uitkomt, kijkend naar de jaarbudgetten van vergelijkbare organisaties in het buitenland, zoals de ARPA-organisaties in de Verenigde Staten (jaarbudget ca. € 7,5 miljard), SPRIND in Duitsland (jaarbudget ca. € 250 miljoen) en ARIA in het Verenigd Koninkrijk (jaarbudget ca. € 300 miljoen).
Hoe beoordeelt u de conclusie van het IPE dat deze dekking cruciaal is om NADI zodanig vorm te geven dat het daadwerkelijk kan functioneren conform het beoogde doel?
Die conclusie kan ik volgen. Maar in lijn met mijn eerdere antwoorden kan ik niet vooruitlopen op de besluitvorming hierover. Ik zal uw Kamer hier binnenkort over informeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het geplande commissiedebat Innovatie op 25 juni 2026?
Ja.
Het bericht 'Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: 'Dit is niet uit te leggen'' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Herbert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering»?1
Deelt u de constatering dat veel veelbelovende zorginnovaties niet verder komen dan de pilotfase en dat dit vooral te wijten is aan de complexe bekostiging? Zo nee, op basis van welke cijfers?
Hoeveel zorginnovaties die in een pilot- of proeftuinfase aantoonbaar kosteneffectief zijn gebleken, zijn de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk opgeschaald naar reguliere, structureel bekostigde zorg? Kunt u dit per jaar uitsplitsen?
Bent u bereid de Kamer per brief een overzicht te sturen van de gemiddelde kosten die medtech-bedrijven maken van concept tot markttoelating en vergoeding (R&D, klinische validatie, CE-markering/MDR, markttoegang), en die kosten zowel economisch als gezondheidseconomisch te duiden?
Bent u bereid in diezelfde brief dezelfde uitsplitsing op te nemen voor biotech-bedrijven, met onderscheid tussen diagnostiek en farmaceutische ontwikkeling, en die ook economisch en gezondheidseconomisch te duiden?
Beschikt u (of het Zorginstituut, de NZa en Invest-NL) überhaupt over een integraal beeld van deze kosten per subsector? Zo nee, hoe kan het kabinet dan gericht innovatie- en bekostigingsbeleid voeren?
Welk deel van deze kosten komt voort uit regeldruk en bekostigingseisen die de overheid zelf oplegt (MDR/IVDR, pakketbeoordeling, schotten in de bekostiging), en welke maatregelen neemt u om juist dat deel te verlagen?
Welk percentage van de medtech- en biotech-startups dat seed funding ontvangt, haalt een vervolgronde (Serie A en verder) en bereikt de markt? Kunt u dit uitsplitsen naar (a) medtech, (b) biotech-diagnostiek en (c) biotech-farma?
Kunt u deze slagingskansen ook uitsplitsen per regio of life-sciences-cluster (onder meer Leiden, Oss/Brabant, Eindhoven, Nijmegen, Groningen, Amsterdam, Utrecht en Limburg)? Welke regio’s blijven achter, en waarom?
Klopt het dat de meeste Nederlandse zorginnovaties sneuvelen in de fase na seed funding, de zogenoemde «valley of death»? Welk maatschappelijk en economisch rendement gaat hierdoor naar uw schatting jaarlijks verloren?
Hoeveel van de bedrijven die via het Nationaal Groeifonds zijn ondersteund (volgens recente analyses circa 1,3 miljard euro voor life sciences, waaronder 246 miljoen euro via het programma Biotech Booster) zijn inmiddels doorgegroeid naar de opschalings- of marktfase, en hoe verhoudt zich dat tot de gestelde doelen?2
Hoe verhouden de slagingskansen, doorlooptijden en kosten om zorginnovaties naar de markt te brengen zich tot die in België en Duitsland? Kunt u dit kwantitatief onderbouwen?
Op welke punten presteren België (onder meer Vlaanderen) en Duitsland aantoonbaar beter in het opschalen en vergoeden van bewezen zorginnovaties, en welke concrete lessen trekt u daaruit?
Deelt u de zorg dat Nederlandse zorginnovatoren en investeringen weglekken naar het buitenland wanneer opschaling en vergoeding hier trager en duurder verlopen dan over de grens? Zo nee, waarom niet?
Bent u of is uw ministerie de afgelopen kabinetsperiode met uw Belgische en Duitse ambtsgenoten in gesprek geweest over grensregionale samenwerking bij de financiering, validatie en opschaling van zorginnovaties? Zo ja, met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
Ziet u kansen om voor een grensregio als Limburg een gezamenlijke, grensoverschrijdende proeftuin voor zorginnovatie met gedeelde financiering op te zetten, samen met kennisinstellingen als Maastricht University, UHasselt en RWTH Aachen en de ROM LIOF (en de ROM-equivalenten België en Duitsland)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Interreg-structuren (Euregio Maas-Rijn en Vlaanderen–Nederland) gerichter in te zetten om financierings- en regelgevingsbarrières voor zorginnovaties in de grensregio weg te nemen?
Bent u bereid gezamenlijk te komen tot een concreet plan van aanpak om de «valley of death» voor bewezen, kostenbesparende zorginnovaties te overbruggen, inclusief meetbare doelen en een tijdpad waarop de Kamer de voortgang kan toetsen?
Bent u bereid de in de vragen 4 en 5 genoemde Kamerbrief uiterlijk voor de aanstaande begrotingsbehandeling te sturen en daarin ook (a) de slagingskansen na seed funding per regio en (b) een vergelijking met België en Duitsland op te nemen?
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel medtech- en biotech-bedrijven zich de afgelopen vijf jaar uit kansarme of krimpregio’s hebben teruggetrokken of zijn vertrokken naar de Randstad of het buitenland, welk verlies dat opleverde, en hoe de ROM-investeringen (e.g. LIOF, BOM, Oost NL, etc.) in zorginnovatie over de regio’s zijn verdeeld?
Welke formele eisen aan eigen inbreng of cofinanciering stellen publieke fondsen en de ROM’s (waaronder LIOF en BOM) bij seedfinanciering aan startups, en zijn deze publiek kenbaar?
In hoeverre hanteren individuele investment managers en investeringscommissies van deze fondsen daarbovenop informele, niet-gecodificeerde verwachtingen over eigen inbreng van oprichters (bijvoorbeeld een bedrag in de orde van 50.000 euro of een co-investeringseis), en in hoeveel gevallen is zo’n verwachting een drempel of afwijzingsgrond gebleken?
Welk deel van de ontwikkelkosten van veelbelovende medtech- en diagnostiekstartups gaat op aan het voldoen aan de MDR en IVDR (klinische evaluatie, technische documentatie, beoordeling door een aangemelde instantie), en hoeveel startups komen hierdoor in financiële problemen of haken af?
In hoeverre hanteren publieke fondsen en ROM’s bij seedfinanciering voorwaarden die een redelijk ondernemerssalaris voor oprichters beperken of ontmoedigen, en hoeveel oprichters stoppen mede daardoor?
In hoeverre leiden de rendements- en revolverendheidseisen aan de ROM’s ertoe dat publiek kapitaal vooral naar veilige, latere-fase- en Randstad-investeringen vloeit, ten koste van vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s?
Bent u bereid, als kansarme regio’s structureel blijken achter te blijven, gezamenlijk geoormerkt extra kapitaal vrij te maken voor de ROM’s in die regio’s, gericht op behoud en opschaling van zorginnovatie?
Bent u bereid de seedfinanciering voor zorgtechstartups (incl. biotech en medtech) te verhogen en de eis van een directe, substantiële eigen inbreng te schrappen of te versoepelen?
Bent u bereid een subsidieregeling in te richten die voor kansrijke medtech- en diagnostiekstartups een groot deel van de MDR- en IVDR-nalevingskosten vergoedt?
Bent u bereid de ROM’s en publieke fondsen ertoe aan te zetten oprichters tijdens de seedfase een redelijk salaris toe te staan, in plaats van te verlangen dat zij zonder inkomen ondernemen?
Bent u bereid de opdracht en rendementseisen van de ROM’s zo bij te stellen dat vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s wordt aangemoedigd, en de Kamer met meetbare doelen en periodieke rapportage te tonen of het extra kapitaal daadwerkelijk in die regio’s en die vroege fase terechtkomt?
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
Het bericht 'Geldstroom droogt op voor jonge, veelbelovende bedrijven in Nederland' |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geldstroom droogt op voor jonge, veelbelovende bedrijven in Nederland»1 en met het onderliggende onderzoek van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP), waaruit blijkt dat de fondsenwerving voor groeikapitaal in 2025 is gedaald tot € 32 miljoen, het laagste bedrag ooit gemeten, terwijl voor start-ups en buy-outs nog wél ruim kapitaal beschikbaar is?
Hoe verhoudt het opdrogen van juist het scale-upsegment zich tot de coalitieafspraak dat baanbrekende ondernemingen weer groot moeten kunnen worden in Nederland, en tot het feit dat het coalitieakkoord de grotere financieringsrondes van start- en scale-ups expliciet noemt als reden voor de Nationale Investeringsinstelling?
Deelt u de analyse dat hier geen sprake is van een kwaliteitsprobleem van Nederlandse bedrijven – gezien de slechts zes faillissementen en de aanhoudende interesse van buitenlandse investeerders – maar van een structureel tekort in de Nederlandse financieringsketen?
Hoe beoordeelt u, gelet op de waarschuwing in het rapport-Wennink dat scale-ups met een kapitaalbehoefte boven € 50 miljoen die financiering nauwelijks in Nederland kunnen vinden, het risico dat met de instap van buitenlandse investeerders hoofdkantoren, onderzoeksafdelingen, werkgelegenheid en daarmee verdienvermogen uit Nederland wegvloeien?
Welke concrete maatregelen neemt u om het door de NVP gesignaleerde gebrek aan exits (beursgangen en overnames) aan te pakken, bijvoorbeeld via de Europese kapitaalmarktunie, aantrekkelijkere beursnoteringen en het stimuleren van Nederlandse overnames van jonge innovatieve bedrijven?
Welke instrumenten krijgt de Nationale Investeringsinstelling om, conform de coalitieafspraak dat zij institutioneel kapitaal mobiliseert en op een schaal die aansluit bij het rapport-Wennink, het pensioenkapitaal (waarvan nu gemiddeld niet meer dan 0,1% naar start- en scale-ups gaat) daadwerkelijk los te trekken voor groeikapitaal, mede in het licht van initiatieven als het Scale-up Europe Fund en het Dutch Impact Growth Fund van Invest-NL?
In hoeverre verwacht u dat de aanhoudende geopolitieke onzekerheid de Nederlandse ambities op het gebied van groeikapitaal en innovatie-investeringen verder onder druk zet, en welke scenario’s of alternatieve plannen heeft u voor het geval de private investeringsbereidheid in het scale-upsegment structureel achterblijft?
Welke mogelijkheden ziet u om, gegeven de huidige budgettaire keuzes rondom het Toekomstfonds, de hefboomwerking van publieke investeringen voor het aantrekken van privaat groeikapitaal in stand te houden?
Het artikel ‘Nederland is inventief maar te weinig commercieel’ |
|
Judith Buhler (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Herbert , Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland is inventief maar te weinig commercieel» van auteur Killian McCarthy?1
Ja.
Deelt u de analyse dat Nederland internationaal sterk presteert op innovatie en kennisontwikkeling, maar achterblijft bij de opschaling en commercialisering van innovatieve bedrijven ten opzichte van andere innovatieve economieën?
Ik deel grotendeels de analyse uit het artikel. In de basis heeft Nederland alles in huis voor innovatie en ondernemende economie (Kamerstuk 32 637, nr. 690). We zijn de «gateway» naar Europa; hebben goed onderwijs, internationaal toponderzoek, internationaal toonaangevende bedrijven, een hoogopgeleide en internationaal georiënteerde, ondernemende beroepsbevolking en een fijn leefklimaat. In Nederland worden veel jonge innovatieve bedrijven opgericht. Echter we zien in Nederland dat de doorgroei van Nederlandse startups tot succesvolle scale-ups achterblijft, en zien we dat er in Nederland relatief weinig startups op basis van publieke kennis worden opgericht. Kortom: de commercialisering en opschaling blijft achter.
Met het startup en scale-up beleid werken wij middels een integrale aanpak aan het verbeteren van het ondernemingsklimaat voor jonge innovatieve tech-bedrijven. Het vorige kabinet heeft hiervoor de actieagenda startup en scale-up beleid2 gepresenteerd. Het kabinet zet deze aanpak voort en zal deze agenda uitvoeren. Daarbovenop zal het kabinet aanvullende maatregelen nemen om het ondernemingsklimaat voor jonge innovatieve tech-bedrijven te verbeteren. Ik zal u hierover later dit jaar informeren.
Heeft u inzicht in het aantal Nederlandse unicornbedrijven en de ontwikkeling daarvan sinds 2010? Zo nee, bent u bereid dit structureel inzichtelijk te maken?
Unicorns zijn private bedrijven – oftewel niet-beursgenoteerde bedrijven – met een waardering van ten minste één miljard dollar. Een bedrijf kan deze status verliezen door een beursgang, door de verkoop van het bedrijf of als de waardering van het bedrijf is gedaald. Doordat het private bedrijven betreft zijn de exacte waarderingen niet openbaar.
Verschillend private dataproviders zoals Dealroom, Crunchbase en CBInsights maken op basis van investeringsrondes schattingen van waarderingen en maken op basis daarvan overzichten van unicorns. Tussen de overzichten van verschillende dataproviders zitten aanzienlijke verschillen.
Sinds 2010 zijn volgens Dealroom 37 tech-bedrijven met een hoofdkantoor in Nederland op enig moment aan te merken geweest als een unicorn. Hiervan zijn volgens Dealroom 14 bedrijven met een hoofdkantoor in Nederland nog steeds aan te merken als unicorn.
Wordt het aantal unicornbedrijven door u gebruikt als indicator voor de effectiviteit van het Nederlandse startup- en scale-up ecosysteem en het investeringsklimaat? Zo nee, waarom niet?
Met het startup en scale-upbeleid streven wij ernaar om het ondernemingsklimaat voor jonge innovatieve techbedrijven te versterken zodat zoveel mogelijk tech-bedrijven doorgroeien tot techkampioenen van morgen. Onze stip op de horizon dat Nederland de komende tien jaar minstens 10 nieuwe technologie- en marktleiders voortbrengt3.
Om de effectiviteit van ons beleid in kaart te brengen kijken wij naar een mix van indicatoren, waaronder het aantal nieuwe tech-startups, het doorgroei percentage tot scale-ups en het geïnvesteerd kapitaal over de laatste jaren. Deze indicatoren tezamen hebben meer voorspellende waarde voor het toekomstig aantal unicorns dan het huidige aantal unicorns. Dit komt doordat het aantal nieuwe unicorns sterk fluctueert.
Wat is de actuele stand van zaken van de gesprekken met de pensioensector over investeringen in Nederlandse technologiebedrijven en scale-ups?
Het mobiliseren van institutionele beleggers zoals pensioenfondsen voor durfkapitaalinvesteringen – en met name Nederlandse technologiebedrijven en scale-ups – is een prioriteit. Hiervoor ben ik met sector en Invest-NL in gesprek.
Invest-NL werkt aan een fonds-in-fonds waar pensioenfondsen in kunnen investeren ten behoeve van start- en scale-up investeringen in hoge impact sectoren. Het fonds bevindt zich momenteel in een vergevorderde fase, waarbij de contouren en voorwaarden grotendeels zijn uitgewerkt en wordt gewerkt naar het vastleggen van zachte commitments. Daartoe voert Invest-NL momenteel actief gesprekken met de grootste pensioenfondsen en meerdere middelgrote en kleine pensioenfondsen, pensioenuitvoerders en verzekeraars.
Daarnaast heeft het Kabinet 200 miljoen euro vrijgemaakt voor het voorgenomen vervolg op het European Tech Champion Initiative (ETCI 2.0). Een belangrijk doel van ETCI is het mobiliseren van institutioneel kapitaal, hiertoe worden ook gesprekken gevoerd met de sector.
Kunt u inzicht geven in de omvang van investeringen van Nederlandse institutionele beleggers, waaronder pensioenfondsen en verzekeraars, in durfkapitaal en venturecapitalfondsen over de afgelopen tien jaar?
Pensioenfondsen investeren in toenemende mate in durfkapitaal, zowel direct in start- en scale-ups als indirect in durfkapitaalfondsen. Zo is er in de afgelopen jaren geïnvesteerd in private fondsen, zoals Innovation industries (600 miljoen euro), DeepTechXL (110 miljoen euro) en KEEN Ventures (40 miljoen).
In de bijlage van de Kamerbrief «Investeringen institutionele beleggers in durfkapitaal» wordt een overzicht gegeven van de durfkapitaal investeringen sinds 20104.
Daarnaast analyseert de NVP ook de investeringen van pensioenfondsen. Uit recente data blijkt dat er in 2023 en 2024 meer dan 3 miljard euro is opgehaald door durfkapitaalfondsen maar dat dit in 2025 wat is teruggezakt naar 816 miljoen euro (bron). Deze daling lijkt voornamelijk te komen doordat pensioenfondsen nu vaker direct investeren in Nederlandse scale-ups.
Welke aanvullende maatregelen neemt u om de beschikbaarheid van groeikapitaal voor startups en scale-ups te vergroten, aanvullend op de inzet via Invest-NL, de Nationale Investeringsinstelling, het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en de gesprekken met pensioenfondsen?
Het kabinet neemt verschillende aanvullende maatregelen om de beschikbaarheid van groeikapitaal voor startups en scale-ups te vergroten. Deze maatregelen bouwen voort op het bestaande durfkapitaalinstrumentarium en richten zich zowel op de vroege fase als op de opschalingsfase.
Voor de vroege fase blijven de Vroegefasefinanciering (VFF), SEED Capital, het Innovatiekrediet en de Thematische Technology Transfer-regeling van belang. Deze regelingen zijn tot 2030 verlengd. Met deze regelingen levert het kabinet een aanzienlijke bijdrage aan zowel valorisatie als de financiering van startups en scale-ups. Deze regelingen grijpen aan op knelpunten in de markt die voortkomen uit marktfalen of bij risicovolle investeringen in innovatieve projecten. Ook de ROM’s blijven hierbij een belangrijke rol spelen. Zij vormen een landelijk dekkend netwerk en ondersteunen innovatieve bedrijven in de vroege fase met risicokapitaal, innoveren en internationaliseren. Dit jaar vindt ook de verplichte beleidsevaluatie van de ROM’s plaats over de periode 2021–2025.
Voor de scale-up fase versterkt het kabinet bestaande en nieuwe initiatieven. Zo is voorgenomen € 130 miljoen beschikbaar te stellen voor versterking van het Deep Tech Fund bij Invest-NL. Samen met de inleg van Invest-NL groeit het fondsvermogen met € 360 miljoen naar € 610 miljoen. Daarmee kan het fonds blijven investeren in sleuteltechnologieën zoals fotonica, halfgeleiders, quantumtechnologie en kunstmatige intelligentie. Ook vergroot het kabinet haar inzet door middel van een Blended Finance Instrument waarvoor € 250 miljoen beschikbaar is gesteld. Dit instrument richt zich op het financieringsknelpunt bij opschaling en grotere tickets, met name voor kapitaalintensieve investeringen.
Door zachte voorwaarden aan te bieden kan het instrument aanvullende private investeringen mobiliseren. Het instrument wordt momenteel uitgewerkt in nauw overleg met de Europese Commissie, vanwege de vereiste staatssteun-goedkeuring. Ook zet het kabinet in op Europese opschalingsfinanciering. Het kabinet heeft € 200 miljoen vrijgemaakt voor ETCI 2.0. Daarmee wordt de slagkracht van Europese durfkapitaalfondsen vergroot en krijgen Nederlandse en Europese tech scale-ups betere toegang tot grotere financieringsrondes. Daarnaast verwelkomt het kabinet Europese initiatieven zoals het Scale-up Europe Fund, de EIC Accelerator en opschalingsfaciliteiten onder het toekomstige Fonds voor Europees Concurrentievermogen.
Tot slot is in 2025 de innovatiedekking binnen het exportkredietinstrumentarium geïntroduceerd. Met deze dekking kan de Staat garanties verstrekken op financiering van innovatieve bedrijven die investeren in sleuteltechnologieën met exportpotentieel. Hierdoor wordt het risico voor financiers verlaagd en kan aanvullend privaat kapitaal worden gemobiliseerd voor innovatieve startups en scale-ups, met name in de fase waarin substantiële investeringen nodig zijn voor opschaling.
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige beleid voldoende aansluit bij de behoeften van bedrijven in de zogenoemde grow-upfase? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik onderschrijf het belang van een goede aansluiting van ons beleid bij de financieringsbehoeften van ondernemingen. Het beleid en de aansluiting daarvan bij de praktijk zijn uitgebreid in beeld gebracht in het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Bedrijfsfinanciering5. Hieruit bleek onder meer een hardnekkig knelpunt op het gebied van opschalingsfinanciering, met name bij investeringsrondes vanaf € 50 miljoen.
Het kabinet zet zich in om een dergelijk knelpunt aan te pakken, bijvoorbeeld met een nieuw blended finance instrument en een voorgenomen aanvullende bijdrage aan het Deep Tech Fonds (DTF) onder Invest-NL, evenals een voorgenomen bijdrage aan het vervolg op het European Tech Champions Initiative (ETCI 2.0).
Het kabinet blijft de ontwikkelingen in de markt volgen en benut daarbij de inzichten uit bestaande onderzoeken, evaluaties en de uitvoering van deze maatregelen om het beleid waar nodig verder te versterken. Zo staat in 2027 een evaluatie van Invest-NL gepland, die naar verwachting verdere inzichten zal bieden in de doelmatigheid en doeltreffendheid van dit voor startups en scale-ups relevante instrument.
In hoeverre richt het kabinetsbeleid zich op het vergroten van exitmogelijkheden voor startups en scale-ups, waaronder beursgangen en strategische overnames?
We erkennen dat de exit-mogelijkheden binnen Nederland en Europa onvoldoende zijn voor start- en scale-ups. Uit onderzoek van KPMG6 en EIF7 blijkt dat de afgelopen jaren de slechtste jaren waren sinds lange tijd voor de exit-markt, zowel voor beursgangen als acquisities. Dit remt volgens KPMG de durfkapitaalcyclus waardoor onderinvesteringen ontstaan, zowel op fonds- als op deal-niveau.
Hoewel er signalen zijn van voorzichtig herstel, blijft beleggersvertrouwen kwetsbaar. De stagnerende exitmarkt is wereldwijd een knelpunt en dit wordt versterkt door de huidige geopolitieke spanningen.
Juist onder deze omstandigheden is publiek-private samenwerking essentieel. Het kabinetsbeleid is erop gericht om vanuit de publieke fondsen en instrumenten zoals Invest-NL te zorgen voor tijdig verkennen van exit mogelijkheden voor deze bedrijven of te zorgen voor tijdelijke overbruggingsfinanciering
Wat is naar verwachting het effect van het wetsvoorstel Implementatiewet noteringen en benchmarks2 op het aantal beursgangen (IPO’s) en het vestigingsklimaat voor groeibedrijven in Nederland?
Het wetsvoorstel strekt tot implementatie en uitvoering van een Europees wetgevingspakket (de Listing Act).9 Hiermee wordt beoogd de toegang tot de publieke markten voor ondernemingen te verbeteren door de regels voor de toegang tot de handel op een gereglementeerde markt, multilaterale handelsfaciliteit (MTF) of mkb-groeimarkt te vereenvoudigen en te harmoniseren alsmede de administratieve lasten te verminderen. Onderdeel van het wetsvoorstel is een verhoging van de vrijstellingsgrens van de prospectusplicht bij aanbiedingen van effecten aan het publiek (van € 5 miljoen naar € 12 miljoen).
Door de maatregelen uit het Listing Act wetgevingspakket wordt het met name voor mkb-ondernemingen makkelijker om een beursnotering te krijgen, zodat hun aandelen (en andere effecten) breed verkrijgbaar zijn op de publieke kapitaalmarkt. Dit maakt het voor mkb-ondernemingen eenvoudiger om financiering aan te trekken bij een breed beleggerspubliek en stelt bijvoorbeeld startups en scale-ups in staat om door te groeien na eerdere private investeringsrondes. De verwachting is dan ook dat het wetsvoorstel zal bijdragen aan een toename van het aantal beursnoteringen en verruiming van de financieringsmogelijkheden van (mkb)ondernemingen en daarmee aan versterking van hun groei- en innovatievermogen alsmede hun concurrentiepositie.
Wat is uw inzet om het ondernemersvliegwiel te verbeteren en werknemersparticipatie bij start ups aantrekkelijker te maken?
Het kabinet komt in september met een wetsvoorstel waarin ook een fiscale regeling is opgenomen om werknemersparticipatie bij startups en scale-ups te stimuleren met een lagere belastingheffing en een heffingsmoment bij verkoop van de aandelen. Een positief effect van medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups ingeval van een succesvolle groei is dat een grotere groep van medewerkers profiteert van de waardestijging van de onderneming. Deze waardestijging komt via deze vorm van beloning ook deels beschikbaar om te investeren in andere startups en scale-ups. Daarmee verbetert het ecosysteem voor startups en scale-ups en het ondernemersvliegwiel, zoals ook in het artikel wordt betoogd.
Welke maatregelen zijn er op fiscaal vlak in de in het artikel genoemde landen Zweden, Estland en Ierland, maar ook in de VS, Israël en Singapore, die specifiek innovaties verder ondersteunen?
Om de toegang tot kapitaal te verbeteren voor startups en scale-ups bestaan verschillende fiscale regelingen in de genoemde landen. De toegang tot kapitaal is een van de randvoorwaarden voor succesvolle innovatie bij startups en scale-ups en is fundamenteel voor het opschalen van de onderneming. De belastingstelsels van deze landen zijn niet een-op-een vergelijkbaar met het Nederlandse belastingstelsel, maar een aantal elementen kunnen worden onderscheiden in de verschillende regelingen.
Het stimuleren van initiële investeringen: landen als Ierland, Israël en Singapore kennen fiscale faciliteiten voor particuliere investeerders, business angels of investeringen in jonge innovatieve ondernemingen.
Het belonen van succesvolle investeringen bij realisatie: in bijvoorbeeld de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk bestaat een regeling waarbij vermogenswinst op aandelen in kwalificerende kleine ondernemingen onder voorwaarden fiscaal gunstig wordt behandeld.
Het stimuleren van herinvestering: in onder andere Estland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten worden winsten onder voorwaarden in beginsel pas bij uitkering belast. Onder voorwaarden is het ook mogelijk om zonder belastingheffing gerealiseerde winsten te investeren in andere startups en scale-ups. Zweden kent geen specifieke fiscale regeling met dit doel, maar wel een relevante aanvullende uitzondering binnen hun deelnemingsvrijstelling. Vermogensresultaten op bepaalde aandelenbelangen, waaronder niet-beursgenoteerde deelnemingen, worden onder voorwaarden fiscaal gunstig behandeld.
Voor het zomerreces informeer ik u mede namens de Staatssecretaris van Financiën over het onderzoek naar een fiscale stimulans om privaat kapitaal voor startups en het mkb te versnellen, mede naar aanleiding van het in het coalitieakkoord opgenomen onderzoek naar een win-win-lening en de moties Dassen/Martens-America (motie 21 501-30, nr. 642), Vermeer (motie 32 637, nr. 721) en Bontenbal (motie 36 933, nr. 31).
Welke aanvullende beleidsmaatregelen overweegt u om ervoor te zorgen dat Nederlandse innovaties vaker doorgroeien tot internationaal concurrerende ondernemingen?
In lijn met de inzet van het vorige kabinet, blijft het kabinet zich inzetten op het versterken van het Nederlandse startup- en scale-up ecosysteem. In de kamerbrief «Bouwen aan de tech-kampioenen van morgen»10, heeft het kabinet hiervoor reeds een aantal gerichte maatregelen aangekondigd. Op dit moment ligt de focus op de uitvoering van deze actieagenda. Bij de uitwerking van deze inzet wordt nadrukkelijk gekeken naar knelpunten die innovatieve bedrijven ervaren in de opschalingsfase, waaronder toegang tot talent, financiering en internationale markten.
Daarbij wordt onder meer ingezet op een meer structurele ondersteuning van deeptech bedrijven, onder andere via Techleap. Verder zet het kabinet in op het versterken van valorisatie. Het kabinet onderzoekt daarom naar aanleiding van de motie Oualhadj (motie 32 637, nr. 746) hoe valorisatie kan worden versterkt door structurele financiering voor academische spin-offcreatie te bieden en dit te koppelen aan ondernemersvriendelijke randvoorwaarden.
Daarnaast zet Nederland zich actief in voor een Europees startup- en scale-upbeleid. Het kabinet levert input aan de ontwikkeling van de Europese Startup and Scale-up Strategy en zal bezien hoe de uitkomsten hiervan kunnen bijdragen aan een beter functionerende Europese interne markt voor innovatieve ondernemingen. In dat kader volgt het kabinet ook de ontwikkelingen rond een mogelijke pan-Europese ondernemingsvorm die grensoverschrijdend ondernemerschap binnen de Europese Unie kan vereenvoudigen.
Ten slotte blijft het kabinet werken aan een aantrekkelijk ondernemings- en arbeidsmarktklimaat voor innovatieve bedrijven. Daarbij gaat het onder meer om het behouden van een concurrerend vestigingsklimaat voor internationaal talent.
Met deze inzet werkt het kabinet aan een samenhangend pakket van maatregelen om ervoor te zorgen dat meer Nederlandse innovaties kunnen doorgroeien tot internationaal concurrerende ondernemingen.
Zou u deze vragen kunnen beantwoorden voor het rondetafelgesprek in de Kamer over belastingmaatregelen ter ondersteuning van startups en scale-ups op 11 juni 2026?
Gezien de complexiteit van de vragen en de benodigde interdepartementale afstemming was dit helaas niet mogelijk. We hebben er naar gestreefd om de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
Het vooroplopen van Nederland in de halfgeleiderindustrie |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Onderschrijft u de conclusie uit de European Semiconductor Demand Study van 21 mei 2026 dat de Europese chipvraag richting 2040 verdubbelt? Welke consequenties trekt zij daaruit?1
Ja, ik onderschrijf de conclusie dat de Europese vraag naar halfgeleiders richting 2040 grofweg verdubbelt, en binnen de Europese industrie zelfs groeit naar circa 2,4 keer het huidige niveau. Deze sterke groei in sectoren als industriële automatisering, MedTech en mobiliteit biedt grote kansen voor de Nederlandse en Europese halfgeleiderketen (inclusief chipmachinebouw, fotonica en quantum).
De belangrijkste conclusie die ik uit de studie trek, is dat de marktvraag er is, maar dat investeringen in Europa niet vanzelfsprekend zijn. Om de Europese positie in zowel volwassen technologieën (zoals sensoren en microcontrollers) als in geavanceerde segmenten (zoals chipontwerp en AI) te behouden en uit te breiden, zijn gerichte politieke keuzes, langdurig publiek en privaat commitment én gezamenlijke actie van de industrie en eindmarkten noodzakelijk.
Klopt het dat de ambitie van de eerste Europese chipverordening een Europees marktaandeel van 20% was, en dat dit aandeel nu 8% bedraagt en bij de modernste chips zelfs 3%? Welke harde lessen trekt u hieruit?
De bestaande Chips Act heeft tot significante extra investeringen in de Europese halfgeleiderindustrie geleid, namelijk meer dan € 52 miljard2. Ook zijn er serieuze stappen op gebied van onderzoek en ontwikkeling gezet. Tegelijkertijd zien we dat er in andere delen van de wereld ook fors in de sector is geïnvesteerd, waardoor het relatieve aandeel van Europa vrij constant is gebleven.
In de communicatie rondom de eerste Chips Act is veel nadruk komen te liggen op een streefpercentage van 20% voor de productie van chips in Europa. Maar een dergelijk streefpercentage is geen doel op zich. Het gaat uiteindelijk om het versterken van de halfgeleiderindustrie in Europa. Nederland heeft daarom als aanjager van de Semicon Coalition de Commissie aangespoord in te zetten op 3 hoofddoelen voor een nieuwe Chips Act: onmisbaarheid nastreven in de mondiale waardenketen, weerbaarheid van de eigen positie versterken, en inzetten op welvaart voor Europa.
Herinnert u zich uw eerdere antwoord dat het kabinet «de komende weken» met het veld tot een shortlist van projecten zou komen, en kunt u bevestigen dat deze toezegging dateert van april 2026? Ligt deze shortlist er, en bent u bereid deze per ommegaande met de Kamer te delen?
De Semicon Visie 2035 die ik recent naar uw Kamer stuurde3 vormt de basis voor een gericht uitvoeringsprogramma voor de halfgeleiderindustrie, zoals bedoeld in het Industriebeleid met focus4. De agenda hiertoe werk ik momenteel in afstemming met het veld uit. Het krijgt vorm langs de 6 actielijnen uit de visie, en zal afhankelijk van het vraagstuk om verschillende soorten acties vragen: zo zal er naar verwachting onder andere sprake zijn van gebiedsgerichte opgaven, innovatie- en opschalingsvraagstukken en algemene beleidsinitiatieven. Daarbij is het goed om in ogenschouw te houden dat al veel werk in uitvoering is, zoals het versterkingsplan van microchiptalent, de IPCEI AST en de groeifondsprogramma’s voor fotonica en quantum.
De realisatie van deze opgaven is complex en moet in zorgvuldigheid worden uitgelopen, met private partijen, regionale partners en andere stakeholders. Ik wil voorkomen dat voortijdig verwachtingen worden gewekt over opgaven waarvoor nog geen commitment bestaat. Dit kan er namelijk voor zorgen dat deze initiatieven niet van de grond komen. In het najaar zal ik uw Kamer daarom via een brief informeren over de voortgang van het Nederlandse halfgeleiderbeleid. Hierin zal uitgebreider worden ingegaan op het gerichte uitvoeringsprogramma, inclusief lopende projecten.
Welke financiële omvang is gekoppeld aan de projecten op de shortlist?
Het uitgangspunt van het kabinet is om integraal knelpunten aan te pakken om verdere groei van de halfgeleiderindustrie mogelijk te maken. In de Semicon Visie 2035 is een analyse gemaakt van de totale investeringen die het komende decennium nodig zullen zijn om als Nederland een toonaangevende speler te blijven in de mondiale halfgeleiderindustrie. Samen met het veld worden de ambities uit de visie nader uitgewerkt in projecten en programma’s. Tevens werkt het kabinet aan nieuwe instrumenten die hierin een belangrijke rol kunnen hebben, zoals de Nationale Investeringsinstelling of het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie. Het is op dit moment nog niet mogelijk om een eenduidig antwoord te geven over de financiële vraag op projectniveau. In het najaar zal er een voortgangsbrief volgen die nader ingaat op de wijze waarop verschillende projecten zullen worden opgepakt.
Kunt u bevestigen dat u eerder heeft gesteld dat privaat financieel commitment essentieel is voor de uitvoering? Erkent u dat bedrijven juist wachten op een helder signaal van de overheid voordat zij investeren, en dat het huidige proces dit kip-en-ei-probleem in stand houdt? Hoe duidt u het in dit verband dat een project als ChipNL wel is opgenomen in de Nationale Technologiestrategie, maar zonder bijbehorende financiering?
Als Rijksoverheid proberen we investeringen in de Nederlandse halfgeleiderindustrie te stimuleren en spannen we ons maximaal in om knelpunten voor verdere groei weg te nemen. Hierbij is privaat commitment inderdaad essentieel, niet alleen in woord maar ook in daad. Ik ben principieel geen voorstander van op voorhand publiek financieel commitment afgeven voor projectplannen voordat deze in voldoende mate zijn uitgewerkt, inclusief zicht op privaat financieel commitment. Uit de Nationale Technologiestrategie (NTS) volgen de strategische technologische roadmaps voor Nederland, die erg belangrijk zijn om de inhoudelijke koers voor de komende jaren uit te zetten. Deze zullen echter moeten worden omgezet in concrete programma- en projectvoorstellen. Overigens zijn er wel degelijk verschillende instrumenten met financiering beschikbaar om innovatieprojecten voor de halfgeleiderindustrie te verwezenlijken, zoals de IPCEI-AST (die zich nadrukkelijk richt op de focusgebieden van ChipNL), de Chips Joint Undertaking-calls en de PPS-i middelen. Hier kunnen uitgewerkte projectvoorstellen op worden ingediend, in competitie met andere voorstellen. Deze instrumenten sluiten goed aan op de prioriteiten uit de NTS.
Kunt u bevestigen dat u eerder heeft aangegeven dat geen scenario's zijn doorgerekend voor het wegvallen van private investeringen in sleuteltechnologieën? Acht u dit, gezien de nu beschikbare cijfers over de Europese marktpositie, nog wenselijk?
Private investeringen in sleuteltechnologieën (zoals semicon, quantum, fotonica, AI en biotechnologie) staan onder druk door een combinatie van macro-economische tegenwind, randvoorwaarden die onvoldoende voorhanden zijn en geopolitieke onzekerheid. Omdat deze «deeptech»-sectoren een lange ontwikkeltijd en een hoog risicoprofiel hebben, trekken private investeerders zich bij onzekerheden sneller terug. Zoiets is niet makkelijk in een scenario-analyse door te rekenen. Om te voorkomen dat een tijdelijke crisis leidt tot structurele schade aan het toekomstige verdienvermogen, kan de overheid een actieve, risicodragende en faciliterende rol aannemen. Dat beogen we onder meer te doen met de oprichting van de Nationale Investeringsinstelling en via generieke oplossingen voor vraagstukken als netcongestie, talent en de stikstofproblematiek.
Kunt u bevestigen dat de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat samen met stakeholders zes hoogtechnologische markten zou stimuleren? Wanneer rapporteert deze taskforce concreet aan de Kamer?
Dat klopt. Dit is conform de in oktober jl. verzonden brief5 waarin het industriebeleid met focus uiteen wordt gezet. De Taskforce zal op korte termijn een voortgangsbrief verzenden aan de Kamer.
Hoe verhouden de Semicon Visie 2035, de Nationale Technologiestrategie, het werk van de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat, en de IPCEI AST zich tot elkaar? Werken deze trajecten parallel, of dreigt dubbeling en vertraging?
De Semicon Visie 2035 vormt de basis voor het Nederlandse beleid voor de halfgeleiderindustrie. Deze Visie beschrijft de overkoepelende ambities voor de komende jaren en geeft een integraal beeld van de uitdagingen en bijbehorende oplossingsrichtingen voor de verdere groei van deze cruciale industrie. In het gericht programma semicon, zoals bedoeld in de Industriebrief met focus6, komen deze verschillende opgaven samen onder één paraplu. Het stimuleren van innovatie is één van deze opgaven. Hiervoor worden instrumenten, zoals de IPCEI-AST, gebruikt om de technologie-roadmaps van de Nationale Technologiestrategie te verwezenlijken. Strategie en instrumenten sluiten dus goed op elkaar aan.
De Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat is opgericht om doorbraken te realiseren voor ons vestigingsklimaat en verdienvermogen. Ik ben daarom ook van plan om wanneer interventies uit de gerichte programma’s aanlopen tegen knelpunten, deze in te brengen in de Taskforce.
Onderschrijft u dat Nederland binnen de EU een onevenredig grote rol vervult in cruciale schakels van de halfgeleiderketen, van lithografie tot design en mature node-productie? Hoe waarborgt u dat Nederland niet slechts reageert op het voorstel van de Europese Commissie, maar deze positie actief inzet om de richting van de Chipverordening 2.0 mede vorm te geven?
Nederland vervult binnen de EU, maar ook daarbuiten, een vooraanstaande rol als het gaat om de waardeketen voor halfgeleiders. Dit is niet alleen te danken aan grote spelers als ASML, NXP, ASM en BESI, maar ook het ecosysteem van middelgrote ondernemingen, snelgroeiende bedrijven en gespecialiseerde kennisinstellingen.
Nederland is initiatiefnemer geweest voor de oprichting van de Semicon Coalition, waarvan de verklaring de Commissie heeft opgeroepen tot herziening van de eerste Chipverordening (Chips Act) op specifieke onderdelen. Deze verklaring werd door alle 27 Europese lidstaten ondersteund.7 Ook heeft NL in samenwerking met Duitsland de verdere uitwerking van de Semicon Businesscase, waar u naar refereert, ondersteund. Nederland opereert daarmee voortdurend in de Europese voorhoede om deze nieuwe Chips Act vorm te geven, en zal dit ook blijven doen.
Bent u bereid het BNC-fiche over het voorstel over de chipverordening 2.0 met spoed (dus niet binnen zes, maar bijvoorbeeld twee weken) naar de Kamer te zenden, zodat tijdig een debat over de uitvoering van de Semicon Visie 2035 hieraan kan worden gekoppeld?
Ik begrijp de wens van het lid Oualhadj om het BNC-fiche spoedig te ontvangen en ook het grote belang van een tijdige behandeling van het voorstel voor de Chips Act 2.0 via debat met de Kamer. Voor een gedegen en gedragen eerste kabinetsappreciatie van Commissievoorstellen, zoals het voorstel voor de Chips Act 2.0, is het wenselijk om de reguliere termijnen voor BNC-fiches aan te houden. Deze afspraken borgen de kwaliteit, zorgvuldigheid en afstemming van de Nederlandse positiebepaling. Dit draagt ook bij aan een kwalitatief goed debat. Bovendien zijn deze termijnen onderdeel van de EU-informatieafspraken die de Kamer in overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken (MBZ) hebben vastgesteld. Het is daarom niet zonder meer wenselijk om van deze standaardtermijn van zes weken af te wijken.
Het artikel ‘Zelfs tijdens het Amerikaanse bezoek van de koning lagen mogelijke exportrestricties voor ASML op tafel’ |
|
Joris Lohman (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zelfs tijdens het Amerikaanse bezoek van de Koning lagen mogelijke exportrestricties voor ASML op tafel»?1
Ja.
Op welke wijze trekt u in deze casus samen op met andere bondgenoten die mogelijk eveneens gevolgen ondervinden van het Amerikaanse wetsvoorstel MATCH Act (Multilateral Alignment of Technology Controls on Hardware)?
Hoe beoordeelt u inhoud en reikwijdte van de voorgestelde MATCH Act in het licht van bestaande bilaterale en multilaterale afspraken over exportcontrole en economische samenwerking met de Verenigde Staten?
Hoe duidt u de mogelijke extraterritoriale werking van deze Amerikaanse wet, waarbij van bondgenoten wordt verlangd hun exportbeleid aan te passen, en hoe verhoudt dit zich tot Nederlandse en Europese beleidsautonomie?
Welke gevolgen kunnen ontstaan indien de MATCH Act wordt aangenomen en bondgenoten niet overgaan tot aanscherping van hun eigen exportwetgeving?
Het kabinet is tegen de extraterritoriale werking die van de MATCH Act uitgaat. Dit druist in tegen het uitgangspunt dat Nederland haar eigen exportcontrolebeleid vormgeeft. Dergelijke brede maatregelen kunnen daarnaast potentieel significante invloed hebben op de omzet van halfgeleiderbedrijven, inclusief de Nederlandse, en hun marktpositie verslechteren. Ook kunnen ze de voorspelbaarheid van het handels- en investeringsklimaat aantasten. Dat is ook de boodschap die de Minister-President, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben afgegeven tijdens het bezoek van het Koninklijk Paar aan de Verenigde Staten. Dit zal ook in komende bezoeken aan de VS worden toegelicht.
In hoeverre acht u het risico reëel dat een serviceverbod kan leiden tot juridische claims wegens contractbreuk tegen ASML of Nederlandse toeleveranciers?
Kunt u aangeven of bestaande Nederlandse of Europese instrumenten bedrijven kunnen beschermen tegen eventuele extraterritoriale toepassing van Amerikaanse wetgeving?
In algemene zin zetten derde landen steeds meer unilaterale en extraterritoriale instrumenten in. Zowel Nederland als de EU zijn geen voorstander van dergelijke maatregelen. Europese wetgeving kent verschillende mitigatiemogelijkheden voor extraterritoriale bepalingen van andere landen.
Specifiek in relatie tot de MATCH Act hecht het kabinet eraan te benadrukken dat het vooralsnog gaat om een voorstel. De inhoud en reikwijdte kunnen in het verdere Amerikaanse wetgevingsproces nog wijzigen, of het voorstel kan uiteindelijk niet worden aangenomen.
De behandeling van deze concept wettekst is in handen van het Amerikaanse Congres. Het is op dit moment niet duidelijk wanneer het Huis en de Senaat verdere behandeling van de concept wettekst zullen agenderen. Het kabinet gaat niet speculeren over de inzet van welk instrument dan ook in relatie tot de Act.
Het kabinet blijft in de tussentijd zijn zorgen over de conceptwettekst nadrukkelijk in de VS onder de aandacht brengen op alle niveaus.
Hoe voorkomt u dat legitieme veiligheidszorgen rond China in de praktijk leiden tot onevenredige economische nadelen voor Europese bedrijven?
Nederland deelt in algemene zin de veiligheidszorgen van zijn partners met betrekking tot de ongecontroleerde export van geavanceerde halfgeleidertechnologie en heeft daartoe zowel nationaal als in multilateraal verband exportcontrolemaatregelen ingesteld.
De aanpak van het kabinet is chirurgisch en gebaseerd op nationale veiligheidsrisico’s-, gericht op non-proliferatie en het voorkomen van ongewenst eindgebruik. Overleg in multilaterale exportcontroleregimes draagt bij aan een breed gedeeld gelijkwaardig toetsingskader en aan een gelijk speelveld voor bedrijven. Nationale veiligheidsoverwegingen zijn doorslaggevend bij exportcontrole.
Welke Chinese tegenmaatregelen acht u realistisch indien de MATCH Act in de huidige vorm wordt aangenomen, en welke gevolgen zouden dergelijke maatregelen kunnen hebben voor Nederlandse bedrijven in de halfgeleidersector?
Het kabinet gaat niet speculeren over mogelijke tegenmaatregelen van derde landen.
In algemene zin geldt dat de halfgeleidersector zeer complexe internationale waardeketens kent die gevoelig zijn voor verstoringen.
Kunt u de Kamer informeren over de gevolgen van een mogelijke Chinese «Malicious Entity List» voor Nederlandse bedrijven?2
Het kabinet gaat niet speculeren over mogelijke tegenmaatregelen van derde landen.
In algemene zin richt het Countering foreign states» unlawful extraterritorial jurisdiction measuredecreet, dat is uitgevaardigd door de Chinese overheid, zich op extraterritoriale maatregelen van landen die volgens de Chinese overheid in strijd zijn met het internationale recht en basisnormen van internationale relaties die volgens China de soevereiniteit, veiligheid en ontwikkeling en de legitieme rechten en belangen van Chinese burgers en organisaties raken.
Dit decreet biedt China de mogelijkheid om tegenmaatregelen te treffen tegen extraterritoriale wetgeving. Die tegenmaatregelen kunnen op haar plaats ook weer extraterritoriaal zijn. Hierbij is onder andere aangekondigd dat China een entiteitenlijst opstelt van buitenlandse organisaties en individuen die meewerken aan de implementatie van buitenlandse extraterritoriale wetgeving.
Het bericht dat Moerdijk mogelijk mag blijven bestaan |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert , Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de berichtgeving vanuit het bestuur van Moerdijk dat het dorp mogelijk mag blijven bestaan?1
Het kabinet is bekend met de berichtgeving. Het kabinet heeft op 29 mei 2026 met een brief2 de Tweede Kamer geïnformeerd over het verkennen van een scenario met een kleiner ruimtebeslag waarbij het dorp Moerdijk kan blijven bestaan.
Is de lijst van zaken die volgens de gemeente verduidelijkt moet worden volledig, of liggen er nog andere vragen voor?
Het kabinet is in gesprek met gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant over de randvoorwaarden voor een alternatief scenario, met kleinere opgave. De hoofdpunten hierin zijn het borgen van de leefbaarheid van de omgeving en woonkernen en de lange termijn levensvatbaarheid van het haven- en industriecluster.
Klopt het dat er mogelijk minder ruimte nodig is voor energieprojecten en industrie in Moerdijk? Zo ja, waar zit dit verschil in met eerdere plannen? Waarom kon dit niet eerder duidelijk worden?
Het klopt dat er mogelijk minder ruimte nodig is voor energieprojecten en industrie in Moerdijk. Een aantal ontwikkelingen, zoals de nationale energieprojecten die al in procedure zijn, worden met grote zekerheid gerealiseerd in de regio Moerdijk. Hetzelfde geldt voor de verduurzaming van de bestaande industrie. Voor andere ontwikkelingen, zoals additionele circulaire en industriële activiteiten en energie-infrastructuur na 2040 zijn nog andere ruimtelijke keuzes te maken. Die hoeven niet per se in Moerdijk te landen. Het niet realiseren van deze projecten in Moerdijk betekent wel dat de ruimtelijke druk op andere gebieden in Nederland zal toenemen, bijvoorbeeld in de andere energie-intensieve haven- en industrieclusters van nationaal belang. Hiervoor werkt het kabinet, in lijn met het coalitieakkoord, verder aan een nationale ruimtelijk-economische strategie voor de haven- en industrieclusters van nationaal belang. Het niet afwentelen op andere ruimtelijke opgaven is hierbij van essentieel belang en wordt meegewogen in de besluitvorming.
Wanneer komt er duidelijkheid vanuit het Rijk voor de inwoners van Moerdijk? Hoe veel langer heeft het Rijk nodig voor haar onderzoek en besluitvorming? Kunt u hiervoor een tijdspad schetsen?
Dat is onderdeel van gesprek tussen het kabinet, de gemeente Moerdijk en de provincie Noord-Brabant. Het kabinet is van mening dat inwoners en ondernemers uit dorp Moerdijk en bredere omgeving zo spoedig mogelijk duidelijkheid moeten krijgen. Het kabinet vindt tegelijkertijd dat een besluit niet lichtvaardig genomen moet worden en wil daarom tijd nemen om tot goede besluitvorming te komen. Ook is het belangrijk om hierin gezamenlijk op te trekken met de gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant. Het is daarom lastig voor het kabinet om eenzijdig inschattingen over het tijdspad te geven.
Deelt u de mening dat inwoners rust verdienen?
Zie antwoord op vraag 4. Het kabinet begrijpt dat gesprekken over de toekomst van het dorp en het uitstellen van besluitvorming tot onzekerheid leiden bij inwoners en ondernemers uit de regio.
Deelt u de mening dat wanneer er duidelijkheid is dat het dorp kan blijven hiervoor dan ook langjarige garanties moeten worden afgegeven, zodat deze discussie niet wéér op kan laaien binnen een paar jaar? Welke juridische of bestuurlijke middelen bestaan er om zulk een garantie af te geven?
Het kabinet is aan het onderzoeken welke garanties er gegeven kunnen worden aan mensen in de regio, de gemeente en provincie, zodat de discussie niet opnieuw oplaait. In de ruimtelijke ordening kunnen overheden toezeggingen doen die enige zekerheid bieden, maar absolute juridische garanties kunnen niet gegeven worden. Ruimtelijke plannen kunnen namelijk weer gewijzigd worden op een later moment in de tijd.
Hoe gaat u zorgen dat wanneer het dorp mag blijven, de leefbaarheid, voorzieningen en omgevingskwaliteit hier gegarandeerd worden?
Het kabinet is met gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant in gesprek over hoe de gestelde randvoorwaarden door de gemeente zo goed mogelijk ingevuld kunnen worden, waaronder de leefbaarheid, voorzieningen en omgevingskwaliteit van en rondom het dorp Moerdijk, de overige kernen en het buitengebied.
Als het Rijk de voorkeur heeft het dorp op te heffen, hoeveel tijd en financiering zou het kosten om hierover een bindend referendum onder de bewoners te organiseren, waarbij zij de kans krijgen zich voor of tegen uit te spreken en voorwaarden te stellen? Kunt u deze vraag serieus en inhoudelijk beantwoorden, ook als u niet van mening bent dat er een referendum zou moeten komen?
Een juridisch bindend referendum zoals in de vraag geformuleerd is in Nederland staatsrechtelijk niet mogelijk. Dat vergt een grondwetswijziging die o.a. onderdeel is van het initiatiefwetsvoorstel tot aanpassing van de Grondwet voor een bindend correctief referendum.
Daarbij doet een bindend referendum gericht op het gebied alleen geen recht aan de complexiteit en de afwegingen die gemaakt dienen te worden. In Powerport Moerdijk komen nationale, regionale en lokale belangen samen. Het is wel van groot belang dat de belangen, wensen en meningen van het dorp Moerdijk en de omliggende woonkernen meegewogen worden. Daarom wordt ingezet op een zorgvuldig participatietraject met omwonenden. Daarnaast is het lastig in te schatten hoeveel tijd en financiering het kost om een referendum te organiseren voor bewoners, omdat dit sterk afhangt van de hoeveelheid mensen die in aanmerking komen voor het referendum. De verwachting is dat het organiseren van een referendum voor het dorp Moerdijk enkele maanden tot een halfjaar zou duren en enkele tienduizenden euro’s kost. Voor een precieze inschatting zou nader onderzoek gedaan moeten worden.