Het bericht ‘Tientallen jongeren vallen politie aan op kermis Purmerend’ |
|
Geert Wilders (PVV), Marjolein Faber (PVV), Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ernstige ongeregeldheden rondom de kermis in Purmerend waarbij politie en hulpdiensten zijn belaagd met stenen en vuurwerk?1
Klopt het dat er signalen bekend waren dat groepen zogenoemde «jongeren», waaronder personen uit Amsterdam en Zaandam, naar Purmerend zouden komen met de bedoeling om confrontaties en ongeregeldheden te veroorzaken? Zo ja, sinds wanneer waren deze signalen bekend?
Welke concrete maatregelen zijn vooraf genomen door politie, handhaving en het lokaal gezag om deze aangekondigde ongeregeldheden te voorkomen?
Waarom is er kennelijk niet voorkomen dat relschoppers zich konden verzamelen en ernstige wanordelijkheden konden veroorzaken in de nabijheid van een evenement waar veel gezinnen en kinderen aanwezig waren?
Hoeveel personen zijn aangehouden naar aanleiding van deze ongeregeldheden? Kunt u daarbij aangeven hoeveel van hen minderjarig zijn en hoeveel reeds eerder met politie of justitie in aanraking zijn geweest?
Klopt het dat de kermisexploitanten en bezoekers zelf geen rol hebben gespeeld bij de ongeregeldheden? Zo ja, waarom is er dan voor gekozen juist de kermis eerder te sluiten?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ondernemers, gezinnen en goedwillende bezoekers de dupe worden van het gedrag van relschoppers en straatterroristen?
Hoe beoordeelt u het besluit om de kermis reeds om 21.00 uur te sluiten terwijl omliggende horeca en fastfoodzaken niet noodzakelijkerwijs aan dezelfde beperkingen werden onderworpen?
Is er sprake van economische schade voor de betrokken exploitanten als gevolg van het vervroegd sluiten van de kermis? Zo ja, bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Purmerend over compensatie voor gedupeerde ondernemers?
Deelt u de opvatting dat relschoppers die politie en hulpdiensten aanvallen keihard aangepakt dienen te worden, bijvoorbeeld door middel van gebiedsverboden, snelrecht en het verhalen van schade op daders?
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre georganiseerde groepen via sociale media, waaronder drillrap-netwerken, betrokken waren bij het mobiliseren van personen voor deze ongeregeldheden?
Hoe vaak hebben zich in de afgelopen drie jaar vergelijkbare incidenten voorgedaan rondom kermissen, volksfeesten of andere publieke evenementen waarbij groepen relschoppers van buiten de gemeente doelbewust samenkwamen? En hoe vaak waren de ondernemers en bezoekers gedupeerd met vervroegde of aangepaste sluitingen?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat traditionele Nederlandse evenementen opnieuw doelwit worden van geweldplegers en georganiseerde overlastgroepen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het bericht ‘Niet alleen 110 banen weg: waarom het faillissement van Coldenhove heel Eerbeek raakt’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Niet alleen 110 banen weg: waarom het faillissement van Coldenhove heel Eerbeek raakt»?1
Wanneer ontving u de eerste signalen dat na het faillissement van De Hoop ook Coldenhove failliet dreigde te gaan?
Welke stappen heeft u na deze signalen genomen? Indien u geen stappen heeft ondernomen, waarom niet?
Welke stappen hebben u of uw voorganger genomen om een faillissement zoals bij Coldenhove te voorkomen, na het plenaire Kamerdebat op 20 maart 2024 over problemen in de papier- en kartonindustrie in Nederland als gevolg van de hoge energieprijzen?2
Hoeveel bedrijven in de Nederlandse maakindustrie dreigen door de opnieuw stijgende energieprijzen binnen het komende jaar ook failliet te gaan?
Wat doet u om dit te voorkomen?
Bent u het ermee eens dat de Nederlandse maakindustrie, waaronder de papier- en kartonproductie, essentieel is voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welke stappen neemt u om de ontslagen medewerkers van Coldenhove zo snel mogelijk aan nieuw werk te helpen?
Bent u het ermee eens dat een eventuele doorstart voor de medewerkers van Coldenhove een oplossing zou kunnen zijn? Zo ja, welke stappen neemt u om een eventuele doorstart van Coldenhove mogelijk te maken?
Gaat u in gesprek met de provincie Gelderland om eventuele obstakels voor een doorstart van de papier- en kartonindustrie in Eerbeek weg te nemen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
De overnames van vakantieparken en de stand van zaken van de nieuwe Kampeerwet |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Markt voor vakantiehuizen koelt in hoog tempo af»?1 Wat is u reactie op het feit dat er op makelaarssite Funda nu 4.979 recreatiewoningen te koop staan, 32% meer dan in maart 2025?
Herkent u de door makelaarsvereniging NVM geconstateerde trend dat steeds meer eigenaren van vakantiewoningen deze willen verkopen?
Onderschrijft u de woorden van recreatieadviseur Hans van Leeuwen dat straks 75% van de vakantiehuizen in Nederland geen rendement meer oplevert? Voorziet u net als hij een grote verkoopgolf?
De SP heeft jarenlang gewaarschuwd dat de overname van campings en de bouw van veel nieuwe vakantiewoningen ertoe zou leiden dat deze markt ook op een moment weer zou afkoelen, met grote gevolgen voor alle betrokkenen, erkent u dat dit nu gebeurt?
Ondanks de snel afkoelende markt voor vakantiehuizen, worden er nog steeds campings opgekocht en geherstructureerd voor de bouw van (luxe) vakantiewoningen, deelt u onze mening dat dit zeer onverstandig is?
Nog steeds verliezen recreanten hun vaste kampeerplek omdat ze moeten wijken voor de komst van duurdere vakantiewoningen, ondanks dat er een groter tekort is aan betaalbare vakantieplekken dan aan luxere vakantiewoningen, wat gaat u doen om deze trend te keren?
Kent u de oproep van Veluwse gemeenten «Overnamegolf vakantieparken baart gemeenten op Veluwe zorgen: «Voor veel mensen onbetaalbaar»»?2
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat steeds meer vakantieparken in handen komen van grote ketens?
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat vakanties daardoor te duur worden?
De Veluwse gemeenten spreken nu de, ook door de SP vaak geuite zorg uit, dat vakantieparken eenheidsworst worden en vakantie straks alleen nog te betalen is voor mensen met veel geld, deelt u deze zorg nu eveneens?
Erkent u dat het voor gemeentes nu vaak lastig is om de komst van vakantieketens te voorkomen? Kunt u in uw antwoord meenemen welke mogelijkheden gemeenten volgens u hebben om deze trend te keren?
Erkent u dat wanneer het voor gemeenten al lastig is om hier iets aan te doen, het voor recreanten die hun vaste plek dreigen te verliezen nog veel lastiger is?
Erkent u dat gemeenten bestaande instrumenten om recreatiebestemmingen te beschermen in de praktijk lang niet altijd benutten of handhaven?
Wat gaat u doen om te voorkomen dat gemeenten recreatief gebruik laten verdwijnen zonder duidelijke ruimtelijke afweging over de gevolgen voor betaalbare recreatie, leefbaarheid en toerisme?
Erkent u dat recreanten nu niet of nauwelijks beschermd zijn bij overnames en herstructureringen?
Wat vindt u ervan dat sommige recreanten niet eens precies weten wie de nieuwe eigenaar is omdat deze verscholen zit in een reeks bv’s? Zo is Metanoia, de nieuwe eigenaar van camping de Fontein, met 25 bv’s ingeschreven op één adres en staan er 60 bv’s op één adres in Zandvoort waaronder de nieuwe eigenaar van camping Sandevoerde, ziet u dit als onwenselijk?
Hoeveel campings en vakantieparken zijn sinds 2020 overgenomen door investeringsmaatschappijen, grote recreatieketens of vastgoedpartijen?
Heeft het kabinet zicht op hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen vijf jaar zijn verdwenen?
Hoeveel nieuwe recreatiewoningen, waaronder luxe recreatiewoningen, zijn de afgelopen vijf jaar vergund, en hoeveel betaalbare kampeerplaatsen zijn in dezelfde periode verdwenen?
Heeft u inzicht in het aantal overnames van campings en vakantieparken dat gepaard gaat met opzegging van vaste standplaatsen, herstructurering of omzetting naar recreatiewoningen?
Bent u bereid landelijk inzichtelijk te maken hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen jaren zijn verdwenen door overnames, herstructurering en transformatie van vakantieparken?
Erkent u dat recreatiewoningen en vakantieparken in toenemende mate worden gebruikt door bedrijven die vakantiewoningen opkopen voor de huisvesting van arbeidsmigranten, waardoor recreatiebestemmingen feitelijk verdwijnen?
Heeft u inzicht in hoeveel recreatieparken momenteel geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten?
Deelt u de mening dat recreatieparken primair bedoeld moeten blijven voor recreatie en betaalbare vakanties, en niet sluipenderwijs moeten veranderen in grootschalige huisvestingslocaties?
Erkent u dat de combinatie van grootschalige opkoop van vakantieparken, herstructurering en huisvesting van arbeidsmigranten leidt tot verdere afname van betaalbare recreatiemogelijkheden voor Nederlandse gezinnen?
Hoe verklaart u dat woningbouwprojecten in heel Nederland geregeld stilvallen vanwege stikstofregels, terwijl de uitbreiding of herstructurering van vakantieparken en de bouw van recreatiewoningen vaak wel doorgaan, óók nabij kwetsbare natuurgebieden?
Deelt u de mening dat het wringt dat betaalbare woningbouw regelmatig wordt tegengehouden vanwege stikstof, terwijl recreatieve vastgoedontwikkeling veelal wel mogelijk blijkt?
Erkent u dat stikstofberekeningen bij de herstructurering van vakantieparken doorgaans gebaseerd zijn op door initiatiefnemers zelf aangeleverde gegevens en berekeningen?
Hoe wordt gecontroleerd of de aangeleverde stikstofberekeningen, verkeersprognoses en natuuronderzoeken bij recreatieve herstructureringsprojecten daadwerkelijk volledig en realistisch zijn?
Heeft u signalen dat herstructureringen van vakantieparken gefaseerd worden uitgevoerd om stikstofeffecten of vergunningplichten te beperken of te omzeilen?
Wordt bij gefaseerde herstructurering van campings en vakantieparken altijd gekeken naar de totale cumulatieve stikstof- en natuureffecten van het volledige project?
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat grootschalige recreatieve vastgoedontwikkeling via deelprojecten of gefaseerde aanvragen onder natuur- en stikstofregels uitkomt?
Voorjaar 2025 werd ons voorstel aangenomen om te komen tot een nieuwe Kampeerwet om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen (motie Kamerstuk 36 452, nr. 4), hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Op 21 januari 2026, bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken, schreef u aan de Kamer «de uitvoering van de motie heeft mijn aandacht» en «naar verwachting wordt de reactie de binnenkort aan de Kamer gestuurd», wat is uw definitie van binnenkort?
Wanneer kunnen we de reactie op de aangenomen motie verwachten? Kunt u al zeggen welke maatregelen u gaat nemen om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen?
Welke maatregelen gaat u opnemen in de nota Ruimte om te borgen dat Nederland een divers recreatieaanbod heeft met mogelijkheden voor elk budget?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de «eerste verjaardag» van onze aangenomen motie om te komen tot een nieuwe Kampeerwet (binnen de termijn van drie weken)?
Het bericht dat het Rijk al maanden wist dat ze het dorp Moerdijk weg wilden hebben |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66), Boekholt-O’Sullivan , Herbert |
|
|
|
|
Klopt het dat nog voordat met de bewoners van Moerdijk gesproken is het ministerie al de conclusie had getrokken dat het dorp Moerdijk weg moest?1
Op welk moment precies zijn welke (concept) besluiten genomen en was informatie hierover beschikbaar en definitief? Kan dit verwerkt worden in een duidelijke tijdlijn met interne publicatie- en beslismomenten?
Waarom is deze informatie niet eerder met het dorp gedeeld?
Ziet u in dat hiermee ten onrechte de indruk is gewekt dat bewoners zeggenschap hebben in dit proces? Wat denkt u dat hiervan het gevolg is voor het vertrouwen van mensen in de overheid?
Waarom is deze informatie niet eerder met de Kamer gedeeld ondanks herhaalde informatieverzoeken en duidelijke aandacht van het parlement?
Gaat u alle beschikbare informatie met het parlement delen vóór het debat over het dorp Moerdijk?
Hoe reageert u op de stelling dat u het parlement en de bewoners van Moerdijk een valse voorstelling van zaken heeft gegeven?
Kunt u deze vragen een voor een en uiterlijk voorafgaand aan het debat over het dorp Moerdijk beantwoorden?
Het verlengen van het DigiD-contract |
|
Chris Stoffer (SGP), Barbara Kathmann (PvdA), Henk Vermeer (BBB) |
|
Eric van der Burg (VVD), Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Klopt het dat op 27 maart 2026 besloten is om het DigiD-contract met Solvinity nogmaals voor twee jaar te verlengen?
Op dit moment heeft Logius een contract met Solvinity dat uiterlijk in augustus 2028 afloopt. Binnen het huidige contract kan er gebruik worden gemaakt van een tweede en laatste verlengingsoptie voor de periode van 7 augustus 2026 tot (uiterlijk) 6 augustus 2028. Het gaat hierbij om het contract met Solvinity voor het uitvoeren van de beheerwerkzaamheden aan het platform waar onder andere DigiD op draait. Het is niet mogelijk om voor augustus 2026 over te stappen naar een andere partij zonder dat hierbij de continuïteit en veiligheid van DigiD en andere voorzieningen in gevaar komen. Derhalve heb ik op 27 maart 2026 ingestemd met een contractverlenging voor de periode van 7 augustus 2026 tot 6 augustus 2028.
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan deze keuze? Is het niet verlengen van het contract serieus overwogen?
De afgelopen maanden zijn er door Logius en BZK verschillende mogelijkheden verkend, zoals het versneld overstappen naar een andere leverancier of het zelf in beheer nemen van het platform waar voorzieningen als DigiD op draaien
Het beheer van het platform vraagt om een ervaren beheerorganisatie om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening blijvend te kunnen borgen. Op dit moment is het niet mogelijk om het platform in eigen beheer te nemen vanwege het feit dat Logius niet beschikt over voldoende kennis en capaciteit.
Het beheer van het platform versneld onderbrengen bij een andere beheerorganisatie kan ook leiden tot risico’s. De voornaamste reden hiervoor is dat een nieuwe beheerorganisatie kennis en ervaring moet opbouwen met het platform dat door Logius wordt gebruikt. Onder normale omstandigheden wordt hier een periode van 6 tot 12 maanden voor gehanteerd.
Deze overdracht kan plaatsvinden nadat een aanbestedingstraject is doorlopen en een nieuwe contractant is geselecteerd. Dat maakt het niet mogelijk om de overdracht naar een andere leverancier voor augustus 2026 af te ronden. Het vormgeven van een nieuwe aanbesteding en de overdracht naar een nieuwe leverancier is een langdurig traject dat zorgvuldig moet worden doorlopen, juist om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening te borgen.
Welke andere opties heeft u overwogen, behalve het contract met twee jaar verlengen? Waarom zijn deze opties afgevallen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke mogelijkheden heeft u om vóór het definitieve beslismoment begin mei alsnog af te zien van de contractverlenging van twee jaar? Kunt u een beroep doen op een voorwaarde in het contract of een wettelijke bevoegdheid om dit vervroegd te doen?
De Algemene Rijksinkoopvoorwaarden bij IT-opdrachten (ARBIT) zijn op deze overeenkomst van toepassing en bieden middels artikel 30 (onder voorwaarden) mogelijkheden tot het tussentijds ontbinden of opzeggen van de overeenkomst.
Voor het definitieve beslismoment van 6 mei 2026 heb ik geen mogelijkheden om af te zien van de contractverlenging. Zoals in de beantwoording op vraag 2 beschreven, zijn er op dit moment geen mogelijkheden om per augustus 2026 over te stappen naar een andere partij die in voldoende mate continuïteit en veiligheid kan borgen.
Zo niet, heeft u de mogelijkheid om het contract slechts onder voorbehoud te verlengen zolang Solvinity niet door een Amerikaans bedrijf wordt overgenomen? Bent u bereid om zo’n voorbehoud te maken?
Zie antwoord op vraag 2 en 4.
Heeft u de aangenomen motie-Stoffer c.s. (Kamerstuk 26 643, nr. 1467) en de twee moties-Kathmann c.s. (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1190) (Kamerstuk 26 643, nr. 1507) meegewogen in dit besluit? Zo ja, hoe?
Deze zijn meegenomen in het besluit. Het kabinet wacht het oordeel van de onafhankelijke toezichthouder in het kader van het driesporenbeleid zoals vermeld in de Kamerbrief van 10 februari 20261 en de kabinetsreactie van 21 april 20262 af, om vervolgens een besluit te kunnen nemen.
Om vanaf (uiterlijk) augustus 2028 over te stappen naar een contractant waarbij het zeggenschap in Nederlandse/Europese handen ligt3, 4, wor dt er door Logius samen met de Landsadvocaat gekeken naar onder welke voorwaarden de aanbesteding kan worden uitgezet in de markt. In juni 2026 zullen wij uw Kamer hierover informeren.
Kunt u concreet uitleggen hoe de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening in gevaar komt als het contract niet was verlengd? Op basis van welke onderzoeken concludeert u dat?
Logius heeft een leverancier nodig voor het leveren van diensten die benodigd zijn om het platform waarop voorzieningen zoals DigiD staan, te laten draaien. Logius moet daarom een contract afsluiten met een leverancier. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 2.
Is het mogelijk om de DigiD-diensten, die nu in beheer zijn bij Solvinity, binnen drie maanden over te schakelen naar een ander bedrijf? Is deze optie serieus onderzocht?
Zie beantwoording vraag 2.
Hoe kunt u het DigiD-contract met Solvinity in zo kort mogelijke tijd ontbinden, nog vóór 2028, als de Amerikaanse overname doorgang vindt? Kunt u de Kamer uiterlijk in juni 2026 informeren over de opties die u hiertoe heeft en wat hiervan de kosten zijn?
Zie antwoord op vraag 4 en 6. Ik zal uw Kamer in juni 2026 nader informeren.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het definitieve verlengen van het contract in begin mei beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Belgische winkels krijgen geen verplichte rustdag meer en mogen langer open' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Belgische winkels krijgen geen verplichte rustdag meer en mogen langer open»?1
Hoe reflecteert u op het bericht dat onze Zuiderburen de stap willen nemen om ondernemers zelf te laten bepalen wanneer zij open willen?
Bent u het, net als de Belgische Minister Simonet, ermee eens dat ondernemers zelf capabel genoeg zijn om te bepalen wanneer zij wel of niet open gaan? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn de gevolgen van het Belgische besluit voor de Nederlandse ondernemers in de grensregio die hun winkel op zondag gesloten of deels gesloten moeten houden?
Wat is de voortgang van de evaluatie van de Winkeltijdenwet en wanneer in het voorjaar van 2026 wordt deze, conform de aangenomen motie-Kisteman (Kamerstuk 26 419, nr. 113), met de Kamer gedeeld?
Wordt er tegelijk met het delen van de evaluatie van de Winkeltijdenwet een wetsvoorstel aan de Kamer voorgelegd indien de evaluatie daar voldoende aanknopingspunten toe biedt, zoals in dezelfde aangenomen motie-Kisteman om is verzocht? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat de eigenaar van Ticketmaster schuldig is bevonden aan monopolie en te hoge prijzen voor concerten |
|
Jan Schoonis (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Eigenaar Ticketmaster schuldig aan monopolie en te hoge prijzen voor concerten in VS»?1
Herkent u dat dezelfde combinatie van ticketverkoop, concertpromotie en afspraken met zalen ook in Nederland grotendeels via dit ene concern verloopt?
Krijgt u signalen van consumenten, kleinere zalen en onafhankelijke promotors over prijzen, service fees en voorwaarden bij Ticketmaster?
Bent u bereid de New Competition Tool zo vorm te geven dat deze ook kan worden ingezet tegen structurele marktmacht in verticaal geïntegreerde markten zoals ticketing, zonder dat er een recente fusie nodig is?
Wat vindt u van dynamic pricing en service fees die pas aan het einde van het bestelproces zichtbaar worden? Zijn de huidige consumentenregels hier toereikend, en worden ze in de praktijk nageleefd?
Welke bestaande bevoegdheden – artikel 24 Mededingingswet, (Europese) mededingings- en consumentenregels – kunt u nu al inzetten, vooruitlopend op nieuwe wetgeving?
Zet u zich in Brussel in voor een Europese aanpak van marktmacht in de ticketingsector?
Kunt u de Kamer vóór het zomerreces informeren over de voortgang van de call-in bevoegdheid en NCT, gesprekken met de ACM over ticketing, en de Nederlandse inzet in Europa?
Bent u bekend met de voorgenomen overname van Solvinity Group B.V. door Kyndryl Netherlands B.V., de rol van Solvinity als leverancier van het platform waarop DigiD draait, en de eerdere beantwoording van Kamervragen over deze casus?
Kunnen de Verenigde Staten volgens u gezien worden als een bondgenoot? Zo nee, waarom niet?
Acht u het waarschijnlijk dat een NAVO-bondgenoot als de Verenigde Staten doelbewust DigiD of vergelijkbare Nederlandse kritieke digitale overheidsinfrastructuur zou uitschakelen? Graag een onderbouwing op basis van dreiging, intentie, capaciteit, precedent en diplomatieke consequenties.
Acht u een dergelijk scenario realistisch, of gaat het primair om een theoretische mogelijkheid die in de risicoanalyse wel moet worden meegenomen, maar niet gelijkgesteld mag worden aan een waarschijnlijke dreiging? Graag een expliciet onderscheid tussen «mogelijk», «aannemelijk», «waarschijnlijk» en «urgent».
Kunt u per juridisch instrument, CLOUD Act, FISA Section 702, Executive Order 12333 en eventuele andere relevante Amerikaanse bevoegdheden, uiteenzetten wat de wettelijke grondslag is, welke autoriteit bevoegd is, welk type gegevens kan worden gevorderd of verzameld, welke rechterlijke toetsing plaatsvindt, of kennisgeving aan de betrokkene, Logius of de Nederlandse Staat verplicht, verboden of beperkt kan zijn en hoe dit zich verhoudt tot de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), verwerkersovereenkomsten en contractuele geheimhoudingsplichten?
Kunt u expliciet onderscheid maken tussen toegang tot gegevens enerzijds en operationele zeggenschap over systemen anderzijds? Klopt het dat wetgeving zoals de CLOUD Act primair ziet op toegang tot elektronische gegevens en niet zonder meer op het met «één druk op de knop» uitschakelen van infrastructuur?
Hoe verhoudt de stelling dat Solvinity in beginsel geen toegang heeft tot burgerservicenummers, adres en telefoonnummer van DigiD-gebruikers zich tot de eerdere kabinetsuitspraak dat Amerikaanse autoriteiten «in theorie» toegang kunnen krijgen tot gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt?
Bent u van mening dat er momenteel geen gelijkwaardige technologieën zijn op Nationaal/Europees gebied? Zo ja, bent u dan van mening dat hierdoor de continuiteit van de dienstverlening juist onder druk komt te staan?
Kunt u reflecteren op de gehele Amerikaanse verwevenheid met technologie, zoals de hardware waar de applicaties van Solvinity op draait, de datacenters en eveneens de zeekabels? Zijn deze componenten/diensten ook in handen van Amerikaanse bedrijven? Bent u het daarom eens met de mening dat het nationaliseren van Solvinity geen enkel effect heeft op deze risico’s, gezien de verwevenheid in de keten?
Welke concrete risico’s bestaan er momenteel volgens u op het gebied van het opvragen van data, inzage in data en het (eenzijdig) stopzetten van dienstverlening, en van welke vormen van dienstverlening maakt de overheid op dit moment gebruik bij niet-Nederlandse of niet-Europese partijen?
Welke aanvullende (theoretische) risico’s zouden volgens u kunnen ontstaan op deze punten als gevolg van de beoogde overname van Solvinity door Kyndryl?
Kunt u allen de voorgaande vragen los van elkaar beantwoorden?
Het bericht 'Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland' |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Eric van der Burg (VVD), Herbert |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel?1
Kunt u zich herinneren dat in het plenaire debat van 11 februari 2026, in reactie op vragen van het lid Heutink over het driesporenbeleid, u heeft geantwoord dat er, totdat de processen van die drie sporen zijn doorlopen, er niets zou gebeuren? Zo nee, wat heeft u dan wel gezegd?
Klopt het dat er na afronding van spoor twee al een handtekening door de koper en verkoper gezet zou kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Als blijkt dat er na afronding van spoor twee al een handtekening gezet zou kunnen worden, hoe kunt u dan zeggen dat er totdat de drie sporen zijn doorlopen er niets zou gebeuren?
Bestaat er een mogelijkheid dat u in uw reactie geantwoord heeft vanuit de context? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten en de context delen met de Kamer? Zo nee, waar komt dit antwoord dan vandaan?
Deelt u de mening dat u de Kamer destijds gerust heeft gesteld door te stellen dat er niets zou gebeuren, en er dus ook geen handtekening zou worden gezet, totdat de drie sporen zijn afgerond? Deelt u deze mening, nu u dit artikel leest, nog steeds? Zo ja, waarom? Zo nee, wat was dan de mening van het kabinet ten tijde van het debat geweest?
Uit welke wet blijkt dat het treffen van mitigerende maatregelen randvoorwaardelijk is om tot koop en verkoop door partijen over te gaan? Graag een uitgebreide toelichting.
Bent u bereid om geen onomkeerbare stappen te zetten en dus geen goedkeuring te verlenen inzake de overname van Solvinity door Kyndril voordat alle feiten op tafel liggen en voordat de Kamer hier een uitspraak over heeft gedaan?
Kunt u garanderen dat deze klokkenluider beschermd wordt en op geen enkele wijze benadeeld wordt en nu en in de toekomst op een veilige plek zijn werk kan verrichten?
Bent u bekend met het bericht «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering van de directeur van Fire Point dat de Nederlandse vergunningsprocedures aanvoelen als «rennen met een loodzware rugzak», mede in het licht van de toezegging van de Minister-President om flink te investeren in de gezamenlijke productie van drones?
Wij herkennen het geschetste beeld in het artikel van Nieuwsuur niet. Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Dit doen we onder andere door het organiseren van handelsmissies, het verwerven bij de Oekraïense defensie industrie en het scheppen van de randvoorwaarden voor succesvolle samenwerking tussen Oekraïense en Nederlandse bedrijven. Nederland neemt om deze reden actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Herkent u (de Minister van Defensie) het beeld dat bureaucratie een belemmering vormt voor de vestiging en opschaling van de defensie-industrie in Nederland? Is dit een knelpunt dat specifiek speelt bij de productie van drones en aanvalswapens, of herkent u dit bij de defensie-industrie in den brede?
Oekraïne is een land in oorlog, en kent momenteel andere wet- en regelgeving dan Europese landen, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid en milieu. Tegelijkertijd bevinden wij ons in een grijs gebied tussen vrede en oorlog. We moeten ons voorbereiden op een Hoofdtaak 1 scenario – de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. Dit vraagt om flexibele randvoorwaarden. Voor concrete interventies wordt gewacht op de uitkomsten van de economische beleidsanalyse (EBA).
Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) wil het kabinet de opschaling van de defensie-industrie faciliteren door knelpunten te adresseren. Zo werkt Defensie bijvoorbeeld samen in het publiek-private platform Defport om financieringsknelpunten te adresseren.2 Daarnaast werken we samen in EU-verband, bijvoorbeeld met de Defensie Omnibus. Dit is een pakket met wetgevingsvoorstellen die beogen de juridische en administratieve lastendruk te verminderen, procedures voor aanbestedingen en vergunningen te versnellen en grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren voor de gehele defensie-industrie.
Welke stappen onderneemt u om defensie-innovatiebedrijven uit landen als Oekraïne, die onder oorlogsomstandigheden een ongekend innovatietempo hebben ontwikkeld, te laten aansluiten op het Nederlandse defensie-ecosysteem zonder dat zij vastlopen in vergunningsstelsels die op vredestijd zijn ingericht?
Om te leren van Oekraïense innovaties werkt Defensie aan coproductie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven (Build With Ukraine). Hiermee wil het kabinet de industriesamenwerking met Oekraïne versterken. De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Welke concrete stappen heeft u sinds uw aantreden gezet om vergunningsprocedures voor de vestiging en opschaling van defensie-industrie in Nederland te versnellen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de doorlooptijd van vergunningen voor de productie van drones?
Het verminderen van regeldruk en het verbeteren van het vestigingsklimaat in Nederland zijn belangrijk onderwerpen in het coalitieakkoord. Hierover is de Kamer op 5 september jl. separaat geïnformeerd.3 Over de aanpak wordt periodiek aan uw kamer gerapporteerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het doel is om generiek tot verbeteringen te komen, er bestaan geen specifieke initiatieven voor de defensie-industrie.
Het kan per project verschillen of een vergunning nodig is voor militaire productie en zo ja, hoe lang een procedure duurt. Dit is onder andere afhankelijk van de locatie en de complexiteit van het project. Zeker als er gevaarlijke stoffen, milieubelastende behandelingen en/of de assemblage van munitie worden voorzien zijn de vergunningprocedures in Nederland complexer. Daarom staat Defensie in goed overleg met decentrale overheden om te onderzoeken hoe militaire productie zo snel mogelijk van start kan gaan, bijvoorbeeld via een eventuele gedoogconstructie. Uiteindelijk is het aan decentrale overheden als bevoegd gezag om hierover te besluiten.
Lopen er op dit moment initiatieven om het vestigingsklimaat voor defensie-innovatiebedrijven in Nederland gericht te verbeteren? Zo ja, welke zijn dat en op welke termijn verwacht u daar resultaat van?
Zie het antwoord op vraag 5.
Hoe verloopt de afstemming tussen de Ministeries van Defensie en van Economische Zaken en Klimaat over het wegnemen van knelpunten voor de defensie-industrie? Welk departement heeft hierbij de regie?
De ministeries van Defensie en Economische Zaken en Klimaat werken doorlopend met elkaar samen, ook in afstemming met brancheverenigingen en koepelorganisaties, bijvoorbeeld op het gebied van het wegnemen van knelpunten voor de opschaling van de defensie-industrie. Zo hebben de ministeries van Defensie en Economische Zaken en Klimaat gezamenlijk de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 geschreven.4
Het specifieke deelonderwerp bepaalt welk ministerie de regie heeft en welk ministerie daarbij ondersteunend is.
Bent u bereid om, naar Deens voorbeeld, een versnelde vergunningprocedure in te richten specifiek voor defensie-innovatiebedrijven die willen produceren in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse defensie-industrie is van strategisch belang voor onze nationale veiligheid en economische weerbaarheid. Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat.
Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Hoe voorkomt u dat Nederland achter landen als Denemarken aanloopt als vestigingsland voor defensie-innovatie, gegeven het feit dat Denemarken bewust regelgeving heeft aangepast aan de urgentie van de huidige veiligheidssituatie?
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de beperkte beschikbare ruimte en de grote druk op de fysieke leefomgeving. Een voorbeeld hiervan is het eerste coproductieproject tussen VDL en het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Hoe staat het met de operationalisering van het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?
Het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), dat is aangekondigd in het coalitieakkoord, gaat zich richten op het realiseren van technologische doorbraken voor maatschappelijke vraagstukken. NADI gaat werken met challenge-based programma’s waar parallel verschillende technologische oplossingen voor een probleem worden verkend. Dit kunnen zowel dual-use als civiele programma’s zijn. Voorafgaand aan de zomer zal ik uw Kamer informeren over de stappen die nodig zijn om NADI te realiseren.
Kunt u een tijdlijn geven voor de oprichting van de Nederlandse Defensie Innovatie Autoriteit naar het voorbeeld van het Amerikaanse Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA)?
In de aankomende Defensienota, die voor de zomer met uw Kamer zal worden gedeeld, zal meer bekendgemaakt worden over de oprichting van een Nederlandse autoriteit voor defensie-innovatie en opschaling.
Bent u bereid om een concreet plan van aanpak met de Kamer te delen waarin de knelpunten voor de vestiging en opschaling van defensie-industrie in Nederland worden geïnventariseerd en weggenomen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Om randvoorwaarden voor versnelling voor de gehele defensie-industrie te creëren, zal het kabinet de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie concretiseren, conform de motie van het lid Van Lanschot c.s. over de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie herzien. We zullen dit meenemen in de uitwerking hiervan, welke in Q3 2026 met uw Kamer wordt gedeeld.
Het bericht ‘Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, ‘te veel bureaucratie’’ |
|
Peter de Groot (VVD), Claire Martens-America (VVD) |
|
Derk Boswijk (CDA), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het cruciaal is voor de Nederlandse veiligheid én voor onze economische groei dat wij koplopers op het gebied van defensietechnologie, zoals de Oekraïense drone-industrie, faciliteren om zich in Nederland te vestigen?
Ja.
In hoeverre belemmert de huidige Nederlandse terughoudendheid bij de productie van aanvalswapens en -munitie volgens u de samenwerking met innovatieve Oekraïense partners?
Nederland sluit niks uit op het gebied van productie van militair materieel, zolang dit in lijn is met nationale regelgeving en internationale verdragen en past binnen de fysieke leefomgeving. Zo verkent het Ministerie van Defensie op dit moment de mogelijkheden voor coproductie van kapitale en drone- munitieproductie in Nederland. Het kabinet zet dit met prioriteit voort en streeft ernaar munitieproductie binnen drie jaar te realiseren, afhankelijk van factoren die buiten de invloedssfeer van Defensie liggen, zoals vergunningverlening.
Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Nederland neemt actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Hoe beoordeelt u het feit dat dit bedrijf de Nederlandse bureaucratie omschrijft als «rennen met een loodzware rugzak»?
Oekraïne is een land in oorlog, en kent momenteel andere wet- en regelgeving dan Europese landen, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid en milieu. Tegelijkertijd bevinden wij ons in een grijs gebied tussen vrede en oorlog. We moeten ons voorbereiden op een Hoofdtaak 1 scenario – de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. Dit vraagt om flexibele randvoorwaarden.
Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 (D-SII) wil het kabinet de opschaling van de defensie-industrie faciliteren.2 Zo werkt Defensie bijvoorbeeld samen in het publiek-private platform Defport om financieringsknelpunten te adresseren.3 Daarnaast werken we hieraan samen in EU-verband, bijvoorbeeld met de Defensie Omnibus. Dit is een pakket met wetgevingsvoorstellen die beogen de juridische en administratieve lastendruk te verminderen, procedures voor aanbestedingen en vergunningen te versnellen en grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren voor de defensie-industrie.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de directeur van Fire Point dat hij in Oekraïne in twee dagen een nieuwe productielijn opzet, terwijl hij in Europa (en Nederland) veel te veel tijd kwijt is aan papierwerk?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de analyse van de Oekraïense inspecteur-generaal Myronenko dat traditionele militaire bureaucratie «de grootste vijand van innovatie» is?
De oorlog in Oekraine laat het sterk toegenomen belang van kortere innovatiecycli zien die zich rechtstreeks vertalen in inzetbare gevechtscapaciteiten. Het is daarom zaak om de vereiste zorgvuldigheid bij verwervingsprocedures te betrachten en tegelijkertijd ruimte in te bouwen voor flexibiliteit en, conform de doelstellingen van de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII), het proces van innovatie voor Defensie te versnellen.4 Zie hiervoor het antwoord onder vraag 14.
Kunt u specifiek toelichten welke Nederlandse of Europese regels en vergunningsplichten (zoals op het gebied van exportcontrole, milieu of ruimtelijke ordening) in dit concrete geval de grootste hindernis vormden voor de vestiging van deze dronebouwer?
Nee. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke vestiging in Nederland. Zowel het Ministerie van Defensie als het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat waren niet op de hoogte van de interesse van deze droneproducent om productie te verplaatsen naar Nederland.
Is er vanuit de Ministeries van Defensie of Economische Zaken en Klimaat direct contact geweest met Fire Point om de specifieke knelpunten te achterhalen? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
Nee. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden tussen Fire Point en het Ministerie van Defensie of Economische Zaken en Klimaat over mogelijke productie in Nederland omdat de producent deze interesse niet kenbaar heeft gemaakt. Om deze reden is er ook niet in kaart gebracht welke Nederlandse of Europese regels of vergunningsplichten belemmerend zouden zijn voor de betreffende producent. Na de publicatie van het betreffende artikel van Nieuwsuur heeft Defensie Fire Point uitgenodigd voor een gesprek, zie het antwoord op vraag 9 en 10.
Zijn er na de afwijzing door Fire Point nog extra pogingen ondernomen vanuit de overheid of regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) om het bedrijf alsnog te faciliteren in Nederland?
Ja. Defensie heeft Fire Point uitgenodigd voor een gesprek. Hier is tot op heden geen gehoor aan gegeven. Nederland verwelkomt alle initiatieven in het kader van Build with Ukraine en gaat graag met producenten in gesprek over mogelijkheden voor samenwerking met Nederlandse bedrijven, waarbij gezamenlijk wordt verkend hoe productie in Nederland vorm kan krijgen.
Bent u bereid om alsnog proactief het gesprek aan te gaan met Fire Point om te bezien of en op welke manier bureaucratische belemmeringen weggenomen kunnen worden, zodat vestiging in Nederland alsnog mogelijk wordt?
Zie antwoord vraag 9.
Wat is uw reactie op het feit dat Denemarken volgens de dronebouwer wel bereid was om regels «overboord te gooien» om snel zakendoen mogelijk te maken?
Op 2 september 2025 maakte Denemarken bekend dat Fire Point zich in Denemarken vestigt om vaste raketbrandstof te produceren. De Deense regering maakt gebruik van een recent ingevoerde wet die de mogelijkheid biedt om nationale defensie- of crisisgerelateerde projecten versneld door te voeren.
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Welke lessen trekt u uit de Deense aanpak om het Nederlandse vestigingsklimaat voor defensiebedrijven concurrerender te maken?
De Nederlandse defensie-industrie is van strategisch belang voor onze nationale veiligheid en economische weerbaarheid. Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat. Hierover is de Kamer op 5 september jl. separaat geïnformeerd.5 Over de aanpak wordt periodiek aan uw kamer gerapporteerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.
Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Bent u bereid om, gezien de noodzaak tot economische groei en versterking van de defensiesector, de vergunningsprocedures voor de defensie-industrie drastisch te versnellen? Bent u bereid om bij de aankomende Vereenvoudigingswet hiervoor concrete vereenvoudigingen door te voeren?
Zie antwoord vraag 12.
Welke (verdere) concrete maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat (militaire) innovaties worden vertraagd, terwijl deze essentieel zijn voor het overleven van onze bondgenoten en onze eigen veiligheid?
Het belang van innovatie voor de slagkracht van onze krijgsmacht is één van de kernideeën achter de D-SII, waarin meerdere maatregelen worden aangekondigd om het proces van innovatie voor Defensie te versnellen.6 Defensie zet daarbij in op nieuwe vormen van samenwerking met kennisinstellingen, zoals TNO, NLR en Marin, om de nieuwste kennis sneller naar een hoger Technology Readiness Level te brengen, onder meer via constructies zoals scientists on the job. Daarnaast worden nieuwe financieringsinstrumenten gerealiseerd, zoals het SecFund, en wordt private financiering gemobiliseerd om innovatieve bedrijven te stimuleren.
Ook maken we werk van een steeds meer innovatiegericht inkoopproces via het SDIR kader, waarbij ruimte is voor experimenten en het opschalen van bewezen innovaties.7 Verder wordt gewerkt aan een nauwere samenwerking met Oekraïne op het gebied van kennisopbouw en -uitwisseling. Tot slot zal de oprichting van een defensie innovatie autoriteit bijdragen aan het versneld opschalen en implementeren van succesvolle innovaties binnen de krijgsmacht.
Kunt u de Kamer informeren over de huidige status van de gesprekken met Oekraïense defensiebedrijven en de resultaten die tot nu toe zijn geboekt?
Nederland wil de industriesamenwerking met Oekraïne versterken om te leren van Oekraïense innovaties. Om deze reden nemen we actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee de coproductie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven mogelijk gemaakt wordt. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend. Op 16 april jl. is hier een belangrijke volgende stap in gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne.
We zoeken actief naar volgende projecten die de industriesamenwerking met Oekraine verder versterken en verwelkomen aanvullende initiatieven voor gezamenlijke productie in Nederland. Over de status van lopende gesprekken met Oekraïense defensiebedrijven kan geen uitspraak gedaan worden in het kader van commerciële vertrouwelijkheid.
Het bericht 'Nieuwe Europese bedrijfsvorm oogst naast applaus ook kritiek' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eelco Heinen (VVD), Berendsen , Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het FD-artikel «Nieuwe Europese bedrijfsvorm oogst naast applaus ook kritiek» van 6 april 20261.
Deelt u de vrees van vakbonden dat EU Inc zorgt voor het uithollen van werknemersrechten en een «walhalla voor schijnconstructies en ontduiking» wordt? Waarom wel/niet?
Hoe strookt dit met de ambities van het kabinet om schijnconstructies juist aan te pakken?
Zijn er manieren om als lidstaat de mogelijkheden voor «flits- en brievenbusfirma’s» in te perken? Zo ja, wat zijn de mogelijkheden en zijn deze toereikend?
Bent u het ermee eens dat er sterke landelijke arbeidsrechten moeten zijn omdat een EU Inc daaraan gehouden is? Is het in dat kader verstandig om de meest flexibele arbeidsmarkt van West-Europa te hebben?
Onderschrijft u de zorgen van de FNV dat het voor werknemers totaal onduidelijk is waar zij hun recht zouden kunnen halen?
Kan het zijn dat het minimumloon in het geding komt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, hoe bent u hiervan verzekerd?
Onderschrijft u de zorgen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie dat EU Inc. een afbraak van rechtsbescherming en rechtszekerheid betekent?
Wat betekent dit voor witwaspraktijken, aangezien het volgens VNO-NCW aan robuuste anti-witwasmechanismen ontbreekt?
Vindt u het verschil dat kan ontstaan tussen werknemers met opties onder een EU Inc en werknemers met opties onder andere vennootschapsvormen wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hiertegen doen?
Vindt u het rechtvaardig dat wanneer een EU Inc failliet gaat de werknemer niet alleen zijn baan verliest maar dat ook het aandelenpakket dat aan de werknemer gegeven kan worden niets meer waard is?
Hoe kan het dat een pensioenregeling ontbreekt?
De grote kostenstijging van de 24-uurs bezorging van rouwkaarten |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Rouwkaart versturen die binnen 24 uur moet aankomen? Dat gaat je enkele euro’s per kaart kosten»?1
Ja.
Klopt het dat vanaf juli voor bezorging van rouwpost binnen 24 uur een apart en aanzienlijk hoger tarief zal gaan gelden dan het reguliere posttarief? Zo ja, hoe wordt dit tarief vastgesteld?
Ja, voor bezorging van rouwpost binnen 24 uur gaat per 1 juli 2026 inderdaad een hoger tarief gelden. Voor rouwpost is PostNL bezig een apart proces in te richten, waarbij deze post via het pakketnetwerk meegenomen en bezorgd wordt. De hogere kosten die daarmee gepaard gaan, worden doorberekend in het hogere tarief. Burgers hebben ook de mogelijkheid om een brief niet als rouwbrieven aan te bieden, maar als reguliere UPD-brief. In dat geval gelden de wettelijke eisen voor rouwpost niet en wordt de brief binnen twee dagen bezorgd tegen het tarief van reguliere UPD-post.
De tariefruimte en tarieven voor de UPD-post worden elk jaar getoetst door de ACM, waarna PostNL daarbinnen de tarieven per UPD-postsoort kan vaststellen. Na de beoordeling door de ACM, zal PostNL hierover extern communiceren wat de definitieve tarieven worden.
Vind u het wenselijk dat nabestaanden in een periode van rouw mogelijk geconfronteerd worden met fors hogere kosten voor het informeren van familie en kennissen?
De periode na het overlijden van een dierbare is voor mensen een roerige tijd, daar ben ik mij bewust van. Per 1 juli 2026 worden de kwaliteitseisen voor de UPD-post aangepast. Vanaf dan geldt voor reguliere UPD-post een bezorgtermijn van twee dagen (D+2), met een bezorgbetrouwbaarheid van ten minste 90%. De kwaliteitseisen voor rouwpost blijven ongewijzigd, namelijk bezorging binnen één dag (D+1) met 95% bezorgzekerheid.
Om te kunnen blijven voldoen aan bezorging van rouwpost binnen één dag richt PostNL een apart proces in. Deze post zal voortaan via het pakketnetwerk bezorgd worden. De hogere kosten die daarmee gepaard gaan, worden doorberekend in een nieuw, hoger tarief.
De burger heeft ook de keuze om rouwpost niet als zodanig aan te bieden, maar als reguliere UPD brief te versturen. In dat geval gelden de wettelijke eisen voor rouwpost niet en wordt de brief bezorgd binnen de voor reguliere UPD-post geldende termijn van twee dagen (en per 1 juli 2027 drie dagen). Hiervoor hanteert PostNL het tarief van reguliere UPD-post. Gelet op het speciale karakter van deze post, komt PostNL wel met een passende rouwpostzegel.
Daarbij hebben mensen ook de mogelijkheid om rouwpost met een langere overkomstduur tegen een lager tarief te versturen, of te kiezen voor een digitaal bericht. Dat wordt al veel gedaan.
Hoe groot is het aandeel van rouwpost binnen de universele postdienst, zowel in aantallen als in verhouding tot het totale postvolume?
Van PostNL begrijp ik dat zij in 2025 ongeveer 5 miljoen stukken rouwpost heeft verwerkt. In 2025 bedroeg het totale aantal UPD-brieven ongeveer 115 miljoen. Rouwpost vertegenwoordigt daarmee zo’n 4% van het totale aantal UPD-brieven. De volumedaling van rouwpost gaat met hetzelfde percentage als het totale brievenvolume: in 2025 ongeveer 8% ten opzichte van 2024.
Overigens gebruiken mensen voor het snel informeren over het overlijden van iemand al veelvuldig digitaal verzonden berichten.
Vindt u dat er voldoende wettelijke of beleidsmatige waarborgen bestaan om een tijdige, toegankelijke en betaalbare bezorging van rouwpost te bewerkstelligen?
In het gewijzigde Postbesluit heb ik de bestaande eisen voor de overkomstduur en bezorgbetrouwbaarheid van deze postsoort gehandhaafd. Daarmee blijft de wettelijke verplichting voor de UPD-verlener om rouwpost en medische post binnen 24 uur te bezorgen. De ACM stelt ieder jaar de tariefruimte vast voor de postdiensten die onder de reikwijdte van de UPD vallen. Dit betreft de maximale gemiddelde prijs die PostNL mag rekenen voor deze postdiensten.
Zolang PostNL invulling geeft aan de wettelijke verplichting om rouwpost binnen één dag te bezorgen, is het aan PostNL om eventueel ook dit soort post als een reguliere UPD-brief te bezorgen waarbij een andere overkomstduur of tarief van toepassing is. Het is vervolgens aan de burger om op basis van deze opties een keuze te maken.
In hoeverre bent u van mening dat rouwpost een bijzondere maatschappelijke functie vervult die een uitzonderingspositie rechtvaardigt ten opzichte van reguliere post?
Ik ben van mening dat tijdige en betrouwbare bezorging in het geval van zowel rouwpost als medische post belangrijk is. Daarom heb ik in het gewijzigde Postbesluit ook gekozen voor andere wettelijke kwaliteitseisen voor bezorging van rouwpost en medische post ten opzichte van de reguliere UPD-post. Daarmee is bezorging van rouwpost en medische post binnen 24 uur en met een betrouwbaarheid van 95% nog steeds gewaarborgd. Tegelijkertijd ben ik niet van mening dat het een dusdanig bijzondere maatschappelijke functie vervult om daarvoor een uitzondering te maken.
Zijn er alternatieven onderzocht om de kosten voor rouwpost te beperken, bijvoorbeeld via een sociaal tarief, compensatieregeling of uitzonderingsregeling? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel ik mij kan voorstellen dat de prijsstijging van de rouwpost voor mensen in tijden van rouw zwaar kan vallen, is het PostNL dat ervoor kiest om de hogere kosten die zij maakt voor de bezorging van rouwpost ook door te voeren in de prijs die mensen ervoor betalen. De verhoging is namelijk een weerspiegeling van stijgende kosten. Verder past het binnen de wettelijke tariefruimte.
Welke rol spelen de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en het kabinet bij de beoordeling van nieuwe tarieven voor spoedpost, waaronder rouwpost?
Rouwpost en medische post zijn onderdeel van de UPD. De ACM stelt jaarlijks de tariefruimte vast voor de postdiensten die onder de reikwijdte van de UPD vallen. Dit betreft de maximale gemiddelde prijs die PostNL mag rekenen voor deze postdiensten. Eind mei 2026 verstrekt PostNL de gegevens aan de ACM die nodig zijn voor de vaststelling van de tariefruimte voor 2027.
Het staat PostNL overigens vrij om te bepalen hoe ze de bezorging van UPD-post, waaronder rouwpost, logistiek organiseert. PostNL kan ervoor kiezen rouwpost via haar pakketnetwerk te bezorgen.
Het kabinet heeft de wettelijke kaders bepaald waarbinnen de ACM de tariefruimte voor de UPD vaststelt. De ACM toetst of de tarieven van UPD-producten daarbinnen passen. Het kabinet heeft geen rol bij de vaststelling van tarieven die PostNL rekent voor UPD en niet-UPD post.
PostNL heeft aan ACM laten weten dat er een algemeen prioriteitsproduct buiten de UPD komt voor consumentenpost met bezorging binnen 24 uur. Rouwpost en medische post vallen niet onder dit prioriteitsproduct. Daarnaast bieden ook andere marktpartijen prioriteitsproducten aan. Het prioriteitsproduct van PostNL wordt binnen één dag (D+1) bezorgd en PostNL zal hiervoor een hogere prijs rekenen dan voor de UPD-post. Het prioriteitsproduct valt buiten de reikwijdte van de UPD en het tarief ervan maakt dan ook geen deel uit van de tariefmelding door PostNL aan de ACM.
Verwacht u dat de aangekondigde wijzigingen ook gevolgen zullen hebben voor medische post of andere maatschappelijk urgente poststromen? Zo ja, welke?
Zoals in vraag 3 en 5 toegelicht, heb ik in het gewijzigde Postbesluit gekozen voor behoud van de huidige wettelijke verplichting van de UPD-verlener om bezorging van rouwpost en medische post binnen 24 uur en met een hoge bezorgzekerheidseis van ten minste 95% aan te bieden. De voorgenomen wijziging in het Postbesluit om de overkomstduur naar D+2 te verlengen voor reguliere UPD-post vanaf 1 juli 2026 heeft dus geen invloed op de overkomstduur en bezorgzekerheid van rouwpost en medische post.
PostNL heeft ervoor gekozen om medische post – net als rouwpost – vanaf juli 2026 via het pakkettennetwerk te gaan bezorgen tegen een hoger tarief. Het voorgenomen nieuwe tarief voor medische post is vergelijkbaar met het voorgenomen nieuwe tarief voor rouwpost binnen de UPD en is onderdeel van de tariefmelding bij de ACM. Voor rouwpost en medische post die binnen twee dagen wordt bezorgd, hanteert PostNL het tarief van reguliere UPD-post.
Bent u bereid in overleg te treden met PostNL en relevante stakeholders om te voorkomen dat tijdige bezorging van rouwpost voor mensen onbetaalbaar wordt, en de Kamer hierover te informeren?
Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de UPD ben ik regelmatig in contact met de ACM, PostNL en andere relevante stakeholders. Het is aan de ACM om te toetsen of de voorgenomen tarieven van PostNL voor producten onder de reikwijdte van de UPD vallen binnen de door de ACM volgens de wettelijke kaders vastgestelde tariefruimte.
Toenemende regeldruk voor lokale gemeenschapsactiviteiten |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Judith Buhler (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Eric van der Burg (VVD), Herbert , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Tentfeesten in gevaar door regels en kosten» van Hart voor Nederland en «Meer regels voor evenementen: onderzoek naar natuur soms nodig» van Omroep Land van Cuijk?1, 2
Deelt u de opvatting dat door de stapeling van regels en administratieve verplichtingen lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten onder druk komen te staan?
Hoe beoordeelt u de uitkomst van de landelijke enquête onder organisatoren van dorpsfeesten door Landelijke Vereniging Kleine Kernen (LVKK) dat 79 procent van de organisatoren van dorpsfeesten gemeentelijke regelgeving als een belemmering ervaart?3
Hoe verklaart u dat vooral de eisen rond veiligheid, vergunningen en bureaucratie als grootste struikelblokken worden genoemd? Welke rol ziet u voor de landelijke overheid om, in de context van de doelstelling om ten minste 500 regels te schrappen, hier regeldruk te verminderen?
Kunt u in kaart brengen aan welke landelijke regelgeving voldaan moet worden bij het organiseren van lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten? Zou u daarin per relevante wetgeving aan kunnen geven welke verplichtingen daaruit voort kunnen vloeien?
Kunt u aangeven welke ruimte er is voor gemeenten om binnen de Omgevingswet regeldruk in het buitengebied tegen te gaan?
Bent u van mening dat van lokale gemeenschapsactiviteit zoals dorpsfeesten niet verwacht kan worden dat zij aan dezelfde administratieve verplichtingen zouden moeten voldoen als grootschalige evenementen zoals festivals?
Is het binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijk om voor lokale gemeenschapsactiviteiten versoepelde vergunningsprocedures te laten gelden? Zo nee, bent u bereid om te verkennen op welke manier gemeenten in staat gesteld kunnen worden om voor bepaalde lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten versoepelde procedures te laten gelden?
Bent u bereid om samen met het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en maatschappelijke organisaties, zoals de LVKK, op te trekken om te kijken hoe regelgeving voor lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten, versoepeld kan worden?
Het bericht 'Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse industrie: ‘Je houdt je hart vast’' |
|
Erwin Prickaertz (PVV) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse industrie: «Je houdt je hart vast»»?1
Ja.
Hoeveel van deze krimp komt door hoge energieprijzen en klimaatbeleid? Kunt u dat concreet per sector inzichtelijk maken?
Er zijn verschillende factoren die het productieniveau van de Nederlandse industrie beïnvloeden, waaronder energieprijzen, internationale concurrentie en de conjunctuur. Door dit complexe samenspel van factoren en het verschil in energie- en CO2-intensiteit tussen sectoren is het niet mogelijk om het afzonderlijke effect van hoge energieprijzen en klimaatbeleid op de industrie en haar verschillende subsectoren exact inzichtelijk te maken.
Het kabinet heeft sinds 2019 wel jaarlijks een speelveldtoets laten uitvoeren om inzicht te geven in de effecten van het Nederlandse energie- en klimaatbeleid op de concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie. De speelveldtoets biedt zo wel enig inzicht in belangrijke factoren waar vervolgens het beleid op kan worden aangepast. Eerdere toetsen concludeerden bijvoorbeeld dat bepaalde nationale beleidsmaatregelen kunnen leiden tot CO2-weglekrisico’s, doordat deze hogere kosten met zich meebrengen ten opzichte van andere (Europese) landen. Mede daarom is ervoor gekozen om de CO2-heffing af te schaffen.
Hoe beoordeelt u het risico dat verdere productie uit Nederland verdwijnt richting landen met lagere kosten en minder regelgeving, en dat hetzelfde gebeurt met investeringen?
Het verplaatsen van industriële productie naar een ander land met lagere kosten is voor bedrijven soms noodzakelijk om concurrerend te blijven op de wereldmarkt. Nederland is een geavanceerde economie met hoge lonen. Daardoor kunnen we niet in elke internationaal opererende markt concurrerend zijn.
Tegelijkertijd is bekend dat het Nederlands concurrentievermogen op onderdelen onder druk staat. Het Wennink rapport «De route naar toekomstige welvaart»2 benadrukte dit in december nog. Ik werk dan ook aan een versterking hiervan. Zo werkt het kabinet onder andere aan het verminderen van regeldruk met een aanpak om per jaar 500 regels te vereenvoudigen of te schrappen.
Daarnaast neem ik de urgentie en aanbevelingen uit het Wennink rapport om het concurrentievermogen te versterken zeer serieus. Daarom kiest dit kabinet expliciet voor economische groei, en nemen we de inzet op 1,5% structurele economische groei over in het kabinetsbeleid en het versterken van randvoorwaarden. Dat is een kabinetsbrede opgave, en het kabinet is bereid om hiervoor de noodzakelijke keuzes te maken. Met de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat maken we snel stappen om een hoogproductieve economie met sterke randvoorwaarden mogelijk te maken. De prioriteiten hierbij liggen op het voeren van strategisch industriebeleid, het verbeteren van de economische randvoorwaarden en het versterken van de Nederlandse (durf)kapitaalmarkt.
Specifiek ten aanzien van de energieprijzen en het klimaatbeleid werkt het kabinet aan het verbeteren van een gelijk speelveld voor de energie-intensieve industrie. Allereerst wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft. Daarnaast verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten om elektrificatie aantrekkelijker te maken en te zorgen voor een gelijker speelveld. Hiervoor heeft het kabinet vanaf 2026 tot en met 2035 significante middelen gereserveerd, oplopend tot 1 miljard per jaar vanaf 2029. Als eerste stap breidt het kabinet de indirecte kostencompensatie voor ETS 1 (IKC-ETS) uit met 22 extra (sub)sectoren, in lijn met de door de EC geboden nieuwe mogelijkheden. De uitbreiding richt zich specifiek op sectoren die door hoge elektriciteitskosten in zwaar weer verkeren, zoals de chemie. Verder heeft het kabinet middelen gereserveerd in een aparte envelop voor elektriciteitskosten waarvoor op dit moment bestedingsopties worden uitgewerkt. Het kabinet informeert de Kamer uiterlijk op Prinsjesdag over de besteding van deze middelen en de uitwerking van de IKC-ETS.
Daarnaast onderneemt het kabinet actie op de gestegen energieprijzen vanwege de situatie in het Midden-Oosten, zoals gecommuniceerd in de kamerbrief «Acties Weerbaarheid Energieschok» van 20 april. Gegeven de huidige ontwikkelingen die zich materialiseren in de economie, neemt het kabinet een aantal maatregelen die burgers en bedrijven een steun in de rug geven, de weerbaarheid op lange termijn vergroten en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland verminderen. Deze maatregelen zijn tijdig, tijdelijk en toegepast op de knelpunten die zijn ontstaan door de schok in het energieaanbod en de economische gevolgen daarvan. Daarnaast schaalt het kabinet op naar fase 1 van het Landelijk Crisisplan Olie om goed voorbereid te zijn op ernstigere verstoringen in het aanbod van energie. Met dit pakket erkent het kabinet de ernst van de situatie en blijft het kabinet voorbereid op scenario’s waarin de situatie verder verslechtert en die om een andere mate en manier van overheidsingrijpen vragen.
Deelt u de zorgen over de huidige krimp in de industrie? Welke concrete maatregelen neemt u om deze ontwikkeling te keren en verdere de-industrialisatie van Nederland te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u, gelet op de huidige geopolitieke en economische ontwikkelingen, aanleiding om in te grijpen in de energiekosten voor de industrie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het artikel ‘Besteding van innovatiegeld moet doelmatiger’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Besteding van innovatiegeld moet doelmatiger»1 en de onderliggende analyse van Innovatiespotter in het artikel «Whitepaper Regionale groeimatrix»?2
Ja.
Herkent u het beeld dat met name kleine innovatieve ondernemers relatief weinig gebruik maken van het beschikbare ondersteuningsinstrumentarium? Zo ja, wat zijn volgens u de belangrijkste oorzaken hiervan op basis van de signalen die bij het ministerie zelf binnenkomen?
Nee, voor zover het mijn eigen instrumentarium betreft herken ik dat beeld niet. Uit de periodieke rapportage die ik recent naar uw Kamer heb gestuurd,3 blijkt dat het grootste deel van het EZK innovatie- en ondernemerschapsinstrumentarium doeltreffend is, waarbij doelgroepbereik is meegewogen. Voor zover het financiële ondersteuning betreft (subsidies en dergelijke) is de uitputting van de daarvoor beschikbare middelen op mijn begroting voor de meeste regelingen goed, in het bijzonder voor regelingen die (in belangrijke mate) gericht zijn op het innovatieve mkb. Hiermee kunnen dus niet meer, maar hooguit andere ondernemers bereikt worden.
Ik heb geen beeld van het doelgroepbereik van het regionale ondersteuningsinstrumentarium, wat de meerderheid is van alle ondersteuning. Daar zit ook veel instrumentarium bij dat geen financiële ondersteuning aan bedrijven biedt. Daarbij merk ik op dat onduidelijk is in hoeverre de groep innovatieve bedrijven die Innovatiespotter heeft geïdentificeerd ook doelgroep is van het beschikbare ondersteuningsinstrumentarium. Het doel van het instrumentarium is niet om zoveel mogelijk bedrijven te bereiken, maar om die bedrijven te bereiken die een knelpunt hebben waar een maatschappelijk belang is om dat op te lossen. Niet iedere innovatieve ondernemer heeft ook behoefte aan ondersteuning vanuit de overheid.
Het voorgaande wil niet zeggen dat ik het doelgroepbereik niet verder tracht te verbeteren. Ik verwijs daarbij naar het antwoord op vraag 4 en 5 hierna.
Deelt u de conclusie dat dit problematisch is en om verbetering vraagt?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u voornemens om de toegankelijkheid en de vindbaarheid van het ondersteuningsinstrumentarium te verbeteren en zo ja, wat is hierop uw inzet?
Ja, ik vind het van groot belang dat een zo groot mogelijk deel van de doelgroep van ondersteuningsinstrumentarium bereikt wordt. Daarbij zijn er verschillende acties vanuit publieke dienstverleners, zowel individueel als gezamenlijk, al dan niet ook samen met private dienstverleners.
Om publieke dienstverleners beter met elkaar en private ondersteuners samen te laten werken ten behoeve van de ondersteuning van ondernemers bestaat de Actieagenda mkb-dienstverlening. Dit programma richt zich op een vernieuwde samenwerking tussen bestuurslagen en private partijen binnen het stelsel van ondernemersdienstverlening voor het brede mkb. Binnen de Actieagenda wordt geëxperimenteerd met regionale, laagdrempelige ondersteuning dicht bij de ondernemer, via vertrouwde adviseurs en met meer praktische oplossingen, kennisdeling en inspiratie van andere ondernemers.
Daarnaast wordt ook gewerkt aan het beter regionaal te ontsluiten van informatie en advies waaronder over subsidieregelingen voor het brede mkb. Binnen het project Programma Generieke Digitale Infrastructuur – bouwsteen AI4 wordt een AI-infrastructuur met een datalaag, interface en ai-kennislaag opgezet waarmee ondernemers eenvoudig inzicht krijgen in voor hen relevante landelijke, provinciale en regionale informatie, advies en (al dan niet financiële) regelingen. Een eerste prototype wordt dit jaar verwacht. Daarbij wordt ingezet op een interface die regionaal kan worden ingezet, want uit onderzoek van KVK blijkt dat bijvoorbeeld voor digitalisering mkb-ers niet zoeken op overheidswebsites, maar eerder informatie halen bij collega ondernemers of brancheverenigingen. Er wordt dus ingezet om de informatie dáár juist ook te ontsluiten in plaats van in te zetten op één overheidswebsite. Een aanvullend onderzoek acht ik daarom niet noodzakelijk.
Dienstverleners werken ook nauw samen binnen het Ondernemersplein om versnippering van dienstverlening tegen te gaan. Op het Ondernemersplein kunnen ondernemers alle informatie en advies van de overheid voor ondernemers vinden. Hier is centraal de informatie beschikbaar van de KvK, Belastingdienst, RVO, CBS en andere overheidsorganisaties.
Naast deze gezamenlijke initiatieven van dienstverleners om het stelsel van ondernemersdienstverlening te verbeteren, werken individuele dienstverleners ook aan het verbeteren van de toegankelijkheid en de vindbaarheid van het ondersteuningsinstrumentarium. Zo maakt RVO zijn aanbod beschikbaar via de Open Data-website en werkt intern aan optimalisatie, zodat regionale en landelijke partijen het makkelijker kunnen integreren in hun platforms. Dit traject helpt om dubbelingen en tegenstrijdigheden te signaleren, waarna RVO actie onderneemt om de toegankelijkheid en vindbaarheid te verbeteren, in samenwerking met andere dienstverleners. Tevens stelt de KvK voor mkb ondernemers de financieringsgids beschikbaar om ondernemers beter te helpen in het vinden van passende financiering en werken de ROM’s binnen de strategie Bovenregionale Samenwerking aan betere aansluiting over de regio-grenzen heen.
Bent u daarbij bereid te onderzoeken of relevante regelingen en subsidies van het Rijk, regionale overheden en de Europese Unie (EU) beter centraal kunnen worden ontsloten, bijvoorbeeld via één overzichtelijk platform, om versnippering tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze wordt bij het ontwikkelen van regelingen en subsidies, en bij de communicatie daarover, rekening gehouden met de specifieke noden en behoeften van kleinere ondernemingen en wordt er ook gekeken of een maatregel inderdaad echt aanvullend is aan wat er al is?
Zoals in het antwoord op vragen 2 en 3 aangegeven is het doel van ondersteunende maatregelen om in te spelen op knelpunten van ondernemers waarbij er een maatschappelijke meerwaarde is om daar als overheid wat aan te doen. Daarbij streef ik naar de juiste balans tussen zo min mogelijk instrumentarium om het aantal regelingen en subsidies overzichtelijk te houden en gelijktijdig zo goed mogelijk in te spelen op de verschillende knelpunten van verschillende ondernemers. Als kleinere ondernemingen specifieke knelpunten hebben, dan wordt daar op ingespeeld, maar te veel maatwerk voor specifieke doelgroepen met vergelijkbare problematiek leidt tot versnippering, minder overzicht en hogere uitvoeringslasten. Qua communicatie wordt altijd een communicatiestrategie bepaald waarmee de doelgroep zo goed mogelijk bereikt wordt.
In hoeverre worden complexiteit en regeldruk voor aanvragers meegenomen in het ontwerp en de evaluatie van dergelijke regelingen?
Bij het ontwerpen van regelingen wordt scherp gekeken hoe deze zo eenvoudig mogelijk vormgegeven kunnen worden, zowel qua administratieve lasten voor ondernemers als qua uitvoeringslast voor de betreffende uitvoeringsorganisatie. Gelijktijdig moeten regelingen doeltreffend en doelmatig zijn, wat met zich meebrengt dat ik aan uw Kamer kan verantwoorden dat daarmee gemoeide middelen een goede en efficiënte besteding van belastinggeld zijn. Dat brengt enige verantwoordingslast voor ondernemers met zich mee, passend bij de omvang van subsidie die een ondernemer ontvangt. Hier zijn regels voor vastgelegd in het Uniform Subsidiekader.5
Onderdeel van evaluaties is onderzoek naar de doelmatigheid. Onderdeel daarvan is onderzoek naar in hoeverre de administratieve lasten en uitvoeringskosten van een regeling in verhouding staan tot de daarmee gemoeide beleidsmiddelen. Een negatief oordeel daarover is altijd aanleiding om de vormgeving van de regeling daarop aan te passen.
Hoe beoordeelt u het feit dat veel bedrijven zich genoodzaakt zien subsidieadviesbureaus in te huren bij het aanvragen van innovatiegelden?
Dat veel bedrijven gebruik maken van een subsidieadviesbureau is wat mij betreft niet per definitie negatief. De redenen waarom ondernemers een beroep doen op subsidieadviesbureaus of intermediairs is divers en bedrijven maken daarin hun eigen afweging. In de laatste evaluatie van de WBSO is onderzoek gedaan naar de beweegredenen om gebruik te maken van een intermediair. Daaruit blijkt dat andere redenen dan onbekendheid met de regelingen dominant zijn om gebruik te maken van een intermediair. Intermediairs hebben een belangrijke rol in het vergroten van het doelgroepbereik en kunnen ondernemers veel werk uit handen nemen. Dat neemt niet weg dat er bedrijven zijn die gebruik maken van subsidieadviesbureaus, omdat ze geen goed beeld hebben van de subsidiemogelijkheden. Om ondernemers daarbij te helpen lopen er dus verschillende acties zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 en 5.
Uit de WBSO-evaluatie bleek dat 80 procent van de WBSO-aanvragers gebruik te maken van een intermediair, maar bij andere regelingen voor het innovatieve mkb zoals het Innovatiekrediet en de regeling Mkb-innovatiestimulering Topsectoren (MIT) wordt 15 à 30 procent van de aanvragen ingediend met behulp van een intermediair. Bij de overige aanvragen kunnen intermediairs soms ook een rol spelen, maar daar is geen zicht op omdat de ondernemer de aanvraag vervolgens wel zelfstandig indient.
Heeft u inzicht in de vraag welk aandeel van de subsidieaanvragen (bijvoorbeeld binnen de innovatie-instrumenten) tot stand komt met ondersteuning van subsidieadviesbureaus?
Zie antwoord vraag 8.
De Amerikaanse MATCH Act en de gevolgen daarvan voor ASML |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden ingediende MATCH Act, waarin Republikeinse en Democratische politici voorstellen de exportbeperkingen voor chipfabricage machines naar China verder aan te scherpen?
Ja.
Klopt het dat dit wetsvoorstel beoogt ook voor bedrijven uit bondgenootschappelijke landen, waaronder Nederland en Japan, dezelfde beperkingen te laten gelden als voor Amerikaanse bedrijven?
De MATCH Act is een wetsvoorstel van het Amerikaanse Congres dat zowel in het Huis van Afgevaardigden als in de Senaat wordt geïnitieerd. Het gaat op dit moment om conceptwetgeving, die zowel in het Huis als de Senaat nog de formele processen moet doorlopen. Het gaat bovendien nog om twee eigenstandige teksten in het Huis en de Senaat. De teksten kunnen gedurende de behandeling in zowel het Huis als de Senaat nog worden aangepast.
In de kern stelt de MATCH Act exportcontroles op bepaalde halfgeleiderproductieapparatuur en componenten via diplomatie multilateraal te «harmoniseren». De tekst richt zich daarbij op Amerikaanse bondgenoten en partners. De conceptwetteksten specificeren niet om welke landen het gaat en richten zich op alle partnerlanden die belangrijke («chokepoint») halfgeleiderproductietechnologie maken.
Het Nederlandse bedrijfsleven heeft een positie in halfgeleiderproductieapparatuur, samen met bedrijven uit onder andere Verenigde Staten, Japan, Zuid-Korea, Duitsland en andere Europese landen. In het wetsvoorstel wordt de Amerikaanse regering opgedragen om in coördinatie met bondgenoten en partners tot meer restrictief beleid te komen, met landen-specifieke exportcontroles met als uitgangspunt dat alle aanvragen worden afgewezen («country-wide controls with presumption of denial»). Dit zou moeten gelden voor China, Rusland, Iran, Noord-Korea en andere landen die door het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken als «land van zorg» worden gezien.
De huidige versie van de MATCH Act omvat ook voorstellen omtrent service- en onderhoudsdiensten voor geavanceerde halfgeleiderapparatuur. Dit zou kunnen betekenen dat voor onderhoud van dergelijke apparatuur bij bepaalde eindgebruikers een vergunning vereist wordt. Dit voorstel van het VS-congres kan ertoe leiden dat bedrijven, ook voor reeds geleverde machines, geen onderhoud of ondersteuning meer mogen verrichten zonder vergunning, en stelt dat bij de vergunningbehandeling het uitgangspunt zou moeten gelden dat deze niet worden verleend («presumption of denial»). De uiteindelijke impact hangt af van de nadere uitwerking in uitvoeringsregelgeving en eventuele uitzonderingen.
Het initiatief voorziet erin dat, als bondgenoten en partners binnen de vastgestelde periodes niet tot geharmoniseerde controles komen, de Verenigde Staten via Amerikaanse wetgeving extraterritoriaal beperkingen kunnen op leggen op export uit deze landen. Het kabinet kijkt daarom met zorg naar de MATCH Act.
Het is aan de leden van het Amerikaanse Congres om hun eigen standpunt over deze conceptwetgeving te bepalen. Gezien de mogelijke impact van de MATCH Act op Nederland bij aanname in huidige vorm, heeft Nederland zijn bezwaren, in het bijzonder over de extraterritorialiteit, zowel bij leden van het Amerikaanse Congres als bij de Amerikaanse regering neergelegd (zie ook vraag 6).
Klopt het dat de MATCH Act er in de praktijk toe kan leiden dat ASML geen immersie-DUV-lithografiemachines meer aan China mag verkopen en evenmin onderhoud of service mag verrichten aan reeds geleverde machines, onder meer aan bedrijven als SMIC, Hua Hong, Huawei, CXMT en YMTC?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een verbod op onderhoud en service van reeds verkochte machines feitelijk kan neerkomen op gedwongen contractbreuk en daarmee grote juridische en economische risico’s voor ASML met zich mee kan brengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de mogelijke gevolgen van dit wetsvoorstel voor ASML, de Nederlandse toeleveringsketen en de werkgelegenheid, mede in het licht van het gegeven dat China in 2025 goed was voor 33 procent van de omzet van ASML en ASML zelf aangaf dat dit aandeel in 2026 naar circa 20 procent zou dalen?
Het kabinet is tegen de extraterritoriale werking die uitgaat van het Amerikaanse voorstel. Elk land is verantwoordelijk voor zijn eigen exportcontrolewetgeving.
Dergelijke brede maatregelen kunnen daarnaast potentieel significante invloed hebben op de omzet van halfgeleiderbedrijven, inclusief de Nederlandse, en hun marktpositie verslechteren. Ook kunnen ze de voorspelbaarheid van het handels- en investeringsklimaat aantasten. Dat is ook de boodschap die de Minister-President, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben afgegeven tijdens het bezoek van het Koninklijk Paar aan de Verenigde Staten.
In hoeverre acht het kabinet het wenselijk dat de Verenigde Staten via eigen wetgeving feitelijk verdere beperkingen opleggen aan de exportmogelijkheden en dienstverlening van een Nederlands bedrijf?
Het kabinet hecht aan goede samenwerking met partners. Nederland heeft als uitgangspunt dat ieder land verantwoordelijk is voor zijn eigen wetgeving en is dus geen voorstander van extraterritoriale wetgeving. Dat maken we altijd duidelijk in onze diplomatieke contacten met andere landen, zo ook met de Verenigde Staten.
Nederland deelt in algemene zin de veiligheidszorgen van zijn partners met betrekking tot de ongecontroleerde export van geavanceerde halfgeleidertechnologie en heeft daartoe zowel nationaal als in multilateraal verband exportcontrolemaatregelen voor ingesteld.
De aanpak van het kabinet is chirurgisch en gebaseerd op nationale veiligheidsrisico’s-, gericht op non-proliferatie en het voorkomen van ongewenst eindgebruik.
De EU Dual Use Verordening is het leidende juridische kader voor Nederland. Daaruit vloeit voort dat het Europese en Nederlandse exportcontrolebeleid landenneutraal is, elke vergunningaanvraag op zijn eigen merites («case-by-case») wordt beoordeeld en exportcontrole geen exportverbod is. Internationaal overleg over exportcontrole is de standaard en de inzet van Nederland is om met zoveel mogelijk landen tot overeenstemming te komen. Uiteindelijk gaat elk land zelf over de exportcontrolemaatregelen die nodig zijn om zijn nationale veiligheid te beschermen. Nationale veiligheidsoverwegingen zijn doorslaggevend bij exportcontrole.
Is het kabinet hierover reeds in gesprek met de Verenigde Staten, Japan, Taiwan, Zuid-Korea en de Europese Commissie, en wat is daarbij concreet de Nederlandse inzet?
Nederland staat in het kader van exportcontrole continu en op alle niveaus in contact met andere technologiehoudende landen, bilateraal alsook via de multilaterale exportcontroleregimes zoals het Wassenaar Arrangement. De MATCH Act is daar onderdeel van, gezien de nauwe verwevenheid van de internationale halfgeleidersector en de potentiële scope van de MATCH Act. Wegens de diplomatieke vertrouwelijkheid kan het kabinet niet in detail treden over de inhoud deze gesprekken.
Kunt u aangeven wat de verwachte verdere behandeling van de MATCH Act in de Verenigde Staten is, zowel in het Huis van Afgevaardigden als in de Senaat, en op welke termijn hierover meer duidelijkheid wordt verwacht?
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat het vooralsnog gaat om een voorstel. De inhoud en reikwijdte kunnen in het verdere Amerikaanse wetgevingsproces nog wijzigen, of het voorstel kan uiteindelijk niet worden aangenomen.
De behandeling van deze concept wettekst is in handen van het Amerikaanse Congres. Het is op dit moment niet duidelijk wanneer het Huis en de Senaat verdere behandeling van de concept wettekst zullen agenderen.
Het kabinet blijft in de tussentijd zijn zorgen over de concept wettekst nadrukkelijk onder de aandacht te brengen op alle niveaus.
Het bericht ‘Rouwkaart versturen die binnen 24 uur moet aankomen? Dat gaat je enkele euro's per kaart kosten’ |
|
Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het AD: «Rouwkaart versturen die binnen 24 uur moet aankomen? Dat gaat je enkele euro’s per kaart kosten»?1
Ja.
Hoe groot is de omvang van de rouwpost binnen de universele postdienst (UPD), zowel in absolute aantallen als in percentage van het totale postvolume?
Van PostNL begrijp ik dat zij in 2025 ongeveer 5 miljoen stukken rouwpost heeft verwerkt. In 2025 bedroeg het totale aantal UPD-brieven ongeveer 115 miljoen. Rouwpost vertegenwoordigt daarmee zo’n 4% van het totale aantal UPD-brieven. De volumedaling van rouwpost gaat met hetzelfde percentage als het totale brievenvolume: in 2025 ongeveer 8% ten opzichte van 2024.
Overigens gebruiken mensen voor het snel informeren over het overlijden van iemand al veelvuldig digitaal verzonden berichten.
Is het zeker dat de prijs van een rouwzegel binnenkort hoger komt te liggen dan reguliere postzegels?
Per 1 juli 2026 worden de kwaliteitseisen voor de UPD-post aangepast. Vanaf dan geldt voor reguliere UPD-post een bezorgtermijn van twee dagen (D+2), met een bezorgbetrouwbaarheid van ten minste 90%. De kwaliteitseisen voor rouwpost blijven ongewijzigd, namelijk bezorging binnen één dag (D+1) met 95% bezorgzekerheid.
Om te kunnen blijven voldoen aan de bezorging binnen één dag voor rouw- en medische post richt PostNL een apart proces in. Deze post zal voortaan via het pakketnetwerk bezorgd worden. De hogere kosten die daarmee gepaard gaan, worden doorberekend in een nieuw, hoger tarief. De burger heeft ook de keuze om een rouwbrief niet als zodanig aan te bieden, maar als reguliere UPD-brief te versturen. In dat geval gelden de wettelijke eisen voor rouwpost niet en wordt de brief bezorgd binnen een voor reguliere UPD-post geldende termijn van twee dagen (en per 1 juli 2027 drie dagen). Hiervoor hanteert PostNL het tarief van reguliere UPD-post. Gelet op het speciale karakter van deze post, komt PostNL wel met een passende rouwpostzegel.
Waarop is de uitspraak van Branchevereniging Gecertificeerde Nederlandse Uitvaartondernemingen (BGNU) gebaseerd dat de prijs van een rouwzegel mogelijk zal stijgen van € 1,40 naar circa € 3,25?
PostNL heeft in een eerder stadium aangegeven dat de prijzen voor de rouwpost binnen de UPD hoger zullen worden. Het is aan PostNL om hierover met partijen te communiceren, nadat de ACM de tarieven getoetst heeft. Ieder jaar legt PostNL de voorgenomen wijziging van de tarieven ter toetsing voor bij de ACM. De ACM beoordeelt momenteel of deze wijziging past binnen de door de ACM vastgestelde tariefruimte. PostNL zal vervolgens bekendmaken wat de definitieve tarieven worden.
Klopt het dat er gesprekken lopen met de Autoriteit Consument & Markt (ACM) over een apart tarief voor zogenaamde «pripost» waar rouwpost onder komt te vallen?
Nee, dat klopt niet. Rouwpost blijft, ook na 1 juli, als aparte postsoort onder de UPD vallen. De ACM stelt ieder jaar de tariefruimte vast voor de postdiensten die onder de reikwijdte van de UPD vallen vast. Dit betreft de maximale gemiddelde prijs die PostNL mag rekenen voor deze postdiensten. PostNL heeft de gegevens verstrekt aan de ACM die nodig zijn voor de vaststelling van de tariefruimte voor rouwpost en medische post vanaf juli 2026.
Daarbij heeft PostNL ook aan ACM laten weten dat er een algemeen prioriteitsproduct komt, waar rouwpost dus niet onder valt, met bezorging binnen D+1 voor consumentenpost en dat hiervoor een apart tarief zal gelden. Het prioriteitsproduct valt buiten de reikwijdte van de UPD en daarom maakt het voorgenomen tarief geen deel uit van de tariefmelding door PostNL aan de ACM.
Op welke wijze bent u betrokken bij deze gesprekken en besluitvorming?
Bij de vaststelling van de tarieven binnen de wettelijke tariefruimte en de contacten daarover tussen de ACM en PostNL ben ik niet betrokken. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de UPD heb ik wel regelmatig contact met de ACM en PostNL.
Hoe beoordeelt u een mogelijk hoger tarief voor rouwpost, in het licht van de terechte uitzonderingspositie voor rouw- en medische post in het Postbesluit ten aanzien van de bezorgtermijn (één dag) en de betrouwbaarheid (95%)?
Ik vind het belangrijk dat mensen de mogelijkheid houden tot snelle en betrouwbare bezorging van hun rouw- en medische post. Daarom heb ik in het gewijzigde Postbesluit de bestaande eisen voor de overkomstduur en bezorgbetrouwbaarheid van deze postsoort gehandhaafd. Tegelijkertijd is duidelijk dat PostNL hogere kosten maakt voor snelle bezorging en hoge betrouwbaarheid. Die kosten zullen in rekening gebracht moeten worden. Van belang hierbij is wel dat mensen de mogelijkheid behouden om rouwpost die binnen twee dagen bezorgd wordt tegen een lager tarief te kunnen versturen. Ook kan rouwpost via een digitaal bericht verstuurd worden. Dit wordt al veel gedaan. Er zijn dus alternatieven beschikbaar.
In hoeverre is bij de totstandkoming van het Postbesluit rekening gehouden met mogelijke gevolgen van deze uitzonderingspositie voor de tarifering van rouwpost?
Bij de aanpassing van het Postbesluit is rekening gehouden met de mogelijkheid dat PostNL ervoor kiest om voor een postproduct met snelle bezorging een hoger tarief te rekenen2. Dat weerspiegelt immers de kosten ervan. Dit is toegestaan zolang het tarief past binnen de wettelijke tariefruimte.
Deze aanpassing van het Postbesluit is mede gebaseerd op het onderzoek «De postmarkt in transitie» van de ACM van medio 2025. Daarin constateert de ACM dat bij de overgang naar D+2 voor standaard UPD-brieven, urgente brieven waarvoor het D+1 servicekader blijft gelden, zoals rouwpost, via het pakkettennetwerk zullen worden bezorgd tegen een aanzienlijk hoger tarief.
Hoe weegt u de mogelijke gevolgen van een hoger tarief voor rouwpost voor burgers die in een periode van rouw afhankelijk zijn van tijdige en betaalbare postbezorging?
De periode na het overlijden van een dierbare is voor mensen een roerige tijd, daar ben ik mij bewust van. Het is aan PostNL om constant een afweging te maken tussen enerzijds de stijgende kosten, afnemende volumes en arbeidsmarktkrapte en anderzijds de voorkeuren van gebruikers van postdiensten. In die afweging kan het voorkomen dat PostNL keuzes maakt die ertoe leiden dat burgers van dezelfde dienstverlening gebruik kunnen blijven maken tegen hogere prijzen. Binnen de wettelijke tariefruimte kan PostNL ervoor kiezen om de tarieven van postsoorten te verhogen. Het is in deze afweging en in de gehele context van de postmarkt dat PostNL ervoor kiest de prijzen voor postbezorging te verhogen. Dit kan ertoe leiden dat mensen hun rouwberichten via digitale alternatieven gaan versturen. Dit wordt overigens al veel gedaan.
Bent u het ermee eens dat een prijsstijging naar circa € 3,25 voor rouwpost onwenselijk is?
Ik ben mij ervan bewust dat een prijsverhoging vervelend kan zijn, maar PostNL kiest ervoor om de hogere kosten die zij maakt voor de bezorging van rouwpost ook door te voeren in de prijs die mensen ervoor betalen. Hierbij handelt PostNL binnen de ruimte die wordt gegeven. Dit geldt ook voor postdiensten, en in het bijzonder voor post die binnen een korte termijn met hoge betrouwbaarheid bezorgd moet worden. Dat is ook van toepassing op rouwpost.
Welke mogelijkheden ziet u om deze prijsstijging te voorkomen?
Het is aan de ACM om te toetsen of de prijsstijging past binnen de wettelijke tariefruimte. De ACM toetst dit op dit moment.
Bent u bekend met het bericht «Rattenplaag in horeca, explosieve stijging overtredingen: «Niet normaal, man!»»1 en het bericht «Muizen maken de dienst uit op ministeries, maar daar komt mogelijk verandering in: «Verbod op gif heroverwegen»»?2
Ja.
Wat is uw reflectie op deze berichten?
Beide artikelen benadrukken terecht dat ratten en muizen gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken en dat een effectieve en duurzame knaagdierbeheersing vakmanschap vereist. De titel van het artikel in De Telegraaf kan onjuist worden geïnterpreteerd, maar dat beeld wordt elders in het artikel genuanceerd. Van een «verbod op gif» is namelijk geen sprake: een deskundig bedrijf mag rodenticiden (biociden tegen ratten en muizen) toepassen, voor zover dat onvermijdelijk is.
Sinds enkele jaren is de toepassing van een effectieve en duurzame methode voor knaagdierbeheersing voorgeschreven, gebaseerd op integraal plaag management (ook wel «integrated pest management» of IPM genoemd).
Integraal plaag management gaat uit van een voorkeursvolgorde. Beheersing begint met preventieve maatregelen, zoals het opruimen van eetbaar afval en het verwijderen van schuilmogelijkheden voor knaagdieren. Voor zover die maatregelen onvoldoende toereikend zijn, worden niet-chemische maatregelen en methoden getroffen, zoals vallen, klemmen of het gebruik van een PCP-buks. Bij alle maatregelen is samenwerking tussen knaagdierbeheerser en opdrachtgever noodzakelijk.
Als de maatregelen onvoldoende blijken, mag een deskundig bedrijf als laatste redmiddel rodenticiden inzetten.
In het verleden werden soms direct rodenticiden toegepast, zonder aanpak van de oorzaken van het probleem. Dit was niet effectief, had zeer negatieve gevolgen voor mens, dier en het milieu. Het blijkt dat tientallen procenten van de muizen en ratten resistent zijn voor rodenticiden. Doorvergiftiging naar andere dieren blijft daarbij wel een reëel risico.
Bent u bekend met het feit dat ondernemers duizenden euro’s per jaar kwijt zijn aan ongediertebestrijding, maar dat dit volgens hen nauwelijks effect heeft op het daadwerkelijk terugdringen van het ongedierte?
Ratten en muizen komen voor in geheel Nederland, maar vooral op locaties met een ruim voedselaanbod en veel schuilmogelijkheden. De effectiviteit van knaagdierbeheersing wordt onder meer bepaald door de bereidheid en de mogelijkheden om de in antwoord 2 bedoelde preventieve maatregelen uit te voeren.
De kosten en de effectiviteit van knaagdierbeheersing zijn dan ook niet voor alle ondernemingen vergelijkbaar.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) steeds meer bedrijven moet sluiten vanwege ongedierteoverlast en dat diverse sectoren melden dat het uit de hand loopt, terwijl er volgens de overheid weinig tot geen extra maatregelen nodig zijn?
Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne verplicht horeca-ondernemers en ambachtelijke ondernemers tot de uitvoering van maatregelen. Het gaat, naast de algemene verplichting om hygiënisch te werken, om het voorkomen van toegang voor muizen en ratten door het dichten van gaten en kieren, het voorkomen van schuilplekken door goed opruimen, het opbergen van voedsel zodat dit niet toegankelijk is voor ongedierte en het zorgen voor afvalbeheer zodat afval geen plaagdieren aantrekt.
Ondernemers die deze acties uitvoeren, behoeven volgens de NVWA geen structureel probleem te hebben met plaagdieren. Extra of nieuwe wetgeving is niet nodig.
Wat is dan uw reflectie op het bericht dat nu het ministerie last heeft van ongedierte, er wordt overwogen om gif te herintroduceren?
Het bericht is onjuist. Er is geen sprake van een gebruiksverbod voor rodenticiden, dus evenmin van een «herintroductie van gif». Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat er voor ondernemers een gelijke aanpak mogelijk moet zijn als voor onze overheid?
Ja, en dat is ook het geval. De beginselen van integraal plaag management zijn voor ondernemers en overheden gelijk.
Hoe kijkt u aan tegen de kernadviezen van de NVWA voor ongediertebestrijding nu het ministerie hier zelf last van heeft? Deelt u de mening dat dit op papier een goed verhaal is, maar dat dit in de praktijk niet werkt? Zo nee, waarom niet?
Niet duidelijk is welke adviezen worden bedoeld.
De voorschriften, bedoeld in de antwoorden 2 en 4, zijn gebaseerd op praktijkkennis en -ervaring van (brancheorganisaties van) knaagdierbeheersingsbedrijven, toezichthouders, wetenschappelijke instellingen, opleidingsinstituten en anderen. Uitvoering gebeurt door probleemeigenaren en deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven.
Ik heb vertrouwen in deze aanpak.
Bent u bekend met de risico’s voor de volksgezondheid die optreden bij situaties waar muizen en ratten (en ander ongedierte) vrij spel hebben door het ontbreken van een goed maatregelenpakket en/of goede ongediertebestrijding?
Die risico’s zijn bekend. Op de website van het RIVM zijn publicaties over die risico’s beschikbaar. Probleemeigenaren en knaagdierbeheersingsbedrijven hebben voldoende instrumenten voor een effectieve en duurzame plaagbeheersing.
Welke bewindspersoon is daadwerkelijk verantwoordelijk voor de ongediertebestrijding in Nederland? Wie gaat de regie pakken op deze plagen die uit de hand lopen?
«Ongediertebestrijding» (plaagbeheersing) is primair een taak voor de eigenaar of gebruiker van een locatie. Plaagbeheersing is geen onderwerp voor één ministerie; meerdere ministeries hebben ermee te maken, door hun taken en bevoegdheden op beleidsterreinen als volksgezondheid, woningbouw, dierenwelzijn of milieubescherming. Vanwege deze gezamenlijke betrokkenheid hebben de Ministeries van BZK, LVVN, VWS en IenW een coördinatiestructuur opgezet, bedoeld voor het afwegen van een nationale rol, het delen van beschikbare kennis en afstemmen van mogelijke maatregelen.
Deelt u de mening dat ondernemers in deze tijd al met veel hoge kosten te maken hebben en dat euro’s die zij moeten inzetten voor ongediertebestrijding dus ook daadwerkelijk wat moeten opleveren?
Een ondernemer kan eerst zelf tal van preventieve en niet-chemische maatregelen en methoden inzetten om de aanwezigheid van knaagdieren te beheersen. Het gebruik van «middelen» (rodenticiden) is vervolgens echter voorbehouden aan deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven, vanwege de zeer gevaarlijke aard en eigenschappen van die middelen en de onaanvaardbare risico’s van ondeskundig gebruik. Om het perspectief op efficiënte en effectieve knaagdierbeheersing te vergroten zal ik best practices ophalen van juist gebruik van rodenticiden als laatste redmiddel.
Welke kansen ziet u om de kosten voor ondernemers te verlagen, bijvoorbeeld door het inzetten van middelen ter bestrijding van ongedierte toe te staan die wél werken?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht ‘700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
David van Weel (VVD), Herbert |
|
|
|
|
Slaan bij u niet de stoppen door bij het lezen van het bericht «700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen»?1 Hoe luidt uw reactie op dit bericht?
Het bericht is zorgelijk. Het beschreven geval, waarbij een consument 700 euro betaalt voor een half uur werk, het probleem onopgelost blijft en contact achteraf onmogelijk blijkt, illustreert een problematiek die al jaren speelt en die ik en mijn ambtsgenoot de Minister van Justitie en Veiligheid serieus nemen. Mensen die in een spoedsituatie snel een vakman nodig hebben zijn kwetsbaar voor dit soort praktijken.
De problematiek van malafide spoeddiensten die via internet consumenten oplichten is helaas niet nieuw. Zij deed zich eerder ook voor bij slotenmakers en loodgieters, en heeft inmiddels tot concrete handhaving geleid, waarop ik in de beantwoording van de volgende vragen nader inga. Het bericht en de toename in meldingen bij zowel ACM als de politie laten zien dat vergelijkbare praktijken zich ook bij elektriciens voordoen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de politie zijn op de hoogte van deze bredere problematiek en hebben hier actief stappen in gezet.
Kunt u meer delen over de aard en schaal van de schokkende problematiek van dergelijke malafide bedrijven, nadat eerder ook malafide slotenmakers in het nieuws kwamen en daar Kamervragen over werden gesteld?2 Indien er geen cijfers beschikbaar zijn, bent u dan bereid om de aard en schaal van deze problematiek beter in kaart te brengen?
Uit eerder onderzoek van de ACM is gebleken dat het gaat om georganiseerde netwerken van personen en bedrijven die stelselmatig van naam, website en telefoonnummer wisselen en professionele verhullingstechnieken toepassen.3 Dezelfde netwerken zijn actief in meerdere branches: naast slotenmakers ook bij loodgieters, elektriciens, rioolontstoppers, dakdekkers, schoorsteenvegers, ongediertebestrijders en pechhulp voor gemotoriseerd verkeer.
In 2025 heeft de ACM ruim duizend meldingen ontvangen die te relateren zijn aan deze problematiek bij «spoeddiensten», een toename van ruim 50% ten opzichte van 2024. De politie ziet ook een toename in het aantal meldingen: in de eerste negen maanden van 2025 lag het gemiddelde op 87 meldingen per maand, in het laatste kwartaal van 2025 op 150 meldingen per maand. In de eerste drie maanden van 2026 lag het gemiddelde op 141 meldingen per maand, waarbij het werkelijke aantal naar verwachting hoger ligt vanwege een na-ijleffect in de registratie van de meldingen.
Het is niet zeker of de problemen daadwerkelijk vaker voorkomen (dit lijkt wel aannemelijk) of dat mensen deze problemen enkel vaker melden bij de ACM en politie. Media-aandacht leidt er vaak toe dat het aantal meldingen toeneemt, omdat terecht wordt opgeroepen om problemen te melden bij betrokken instanties.
Welke (juridische) stappen kunnen gedupeerden zetten nadat ze slachtoffer zijn geworden van malafide vakmensen als malafide elektriciens, loodgieters en slotenmakers? Kunnen gedupeerden volgens u voldoende worden geholpen door bijvoorbeeld politie en banken? Zo nee, wat bent u van plan om te doen om het perspectief voor deze groep te verbeteren?
Gedupeerden die slachtoffer zijn geworden van malafide aanbieders van spoeddiensten kunnen een aantal stappen ondernemen. Ten eerste kunnen zij aangifte doen bij de politie van, afhankelijk van het specifieke geval, bijvoorbeeld oplichting (artikel 326 WvSr), valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr) of vernieling (artikel 350 WvSr). Daarnaast kunnen zij melding doen bij de Fraudehelpdesk, de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Ook kunnen zij contact opnemen met de bank om te laten onderzoeken of een eventuele betaling nog gestorneerd kan worden.
Tot slot kunnen gedupeerden een zaak starten, bijvoorbeeld via het Juridisch Loket of hun rechtsbijstandsverzekering. De gedupeerde stelt de malafide vakmensen dan officieel in gebreke waarna er in sommige gevallen via een geschillencommissie, beslaglegging of door tussenkomst van een rechter schade verhaald kan worden.
Op dit moment lopen er op deze problematiek een aantal strafrechtelijke onderzoeken. Zo is in 2023 een landelijke bende van criminele elektriciens aangehouden. De politie heeft het aangifteproces aangepast zodat gedupeerden sneller en eenvoudiger aangifte kunnen doen. In algemene zin geldt dat de capaciteit van politie schaars is en er, onder gezag van het Openbaar Ministerie, altijd keuzes gemaakt zullen worden over de inzet ervan.
Heeft de politie volgens u voldoende grip op de opsporing en het aanpakken van deze malafide elektriciens? Kan er bijvoorbeeld voldoende opvolging worden gegeven aan aangiftes die worden gedaan? Zo nee, wat zou volgens de politie helpen?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voldoende capaciteit bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) om dergelijke malafide praktijken aan te pakken? Zo nee, wat is nodig om deze capaciteit beter op orde te krijgen? Op welke manier zou de handhaving door de ACM volgens u kunnen worden verbeterd?
De aanpak van malafide spoeddiensten ligt bij meerdere instanties, waaronder de ACM, de politie en de FIOD. De ACM kan handhaven als sprake is van een collectieve inbreuk in het consumentenrecht, zoals misleiding of agressieve handelspraktijken. In de praktijk blijkt echter dat malafide spoeddiensten vaak opereren als criminele netwerken die zich schuldig maken aan strafrechtelijk handelen zoals oplichting, btw-fraude en witwassen. In dat geval zijn politie en FIOD de aangewezen instanties. Tussen de handhavingsinstanties wordt intensief samengewerkt en worden signalen uitgewisseld.
Een specifieke uitdaging bij de handhaving door de ACM is dat overtreders zich vaak niet goed identificeren, zich verhullen achter lege of opgeheven rechtspersonen of buitenlandse entiteiten en geen vaste vestigingsplaats hebben. Dergelijke omstandigheden hinderen het reguliere handhavingsinstrumentarium van de ACM en verhogen de onderzoeks- en handhavingskosten aanzienlijk met een onzeker resultaat.
Naast handhaving zet de ACM in op voorlichting om consumenten weerbaarder te maken. Consumenten worden geadviseerd niet direct op de bovenste link in zoekresultaten te klikken, omdat dit vaak een advertentie betreft, en vooraf duidelijke afspraken te maken over prijs en werkzaamheden. Meer tips zijn te vinden op ACM ConsuWijzer.4
Klopt het dat advertenties van loodgieters en slotenmakers inmiddels worden geweerd van Google? Geldt dit ook voor andere zoekmachines? In hoeverre is hierdoor de problematiek van malafide loodgieters en slotenmakers afgenomen?
Na overleg met de ACM heeft Google in 2021 toegezegd dat onbetrouwbare slotenmakers niet langer gebruik kunnen maken van Google Advertenties.5 Begin 2024 heeft Google daarnaast besloten geen advertenties van loodgieters meer te tonen.6
Of en in hoeverre de problematiek hierdoor is afgenomen valt moeilijk te beoordelen. Acties van Google hebben een hinderend effect op advertenties van malafide partijen, die na de acties zichtbaar afnemen. Tegelijkertijd vinden malafide partijen ook andere wegen om consumenten te benaderen. Bovendien leiden naast advertenties ook reguliere zoekresultaten naar websites van malafide bedrijven, waardoor het probleem hiermee niet volledig wordt opgelost. Een algeheel advertentieverbod voor alle spoeddiensten is niet proportioneel, omdat ook betrouwbare partijen adverteren en zij niet de dupe mogen worden van de aanpak.
Voor zover mij bekend zijn er door de ACM geen afspraken met andere zoekmachines gemaakt.
Zijn u of de ACM bereid om grote zoekmachines te vragen om voortaan snel advertenties te weren als er signalen komen over oplichting door malafide vakmensen, zoals in dit geval elektriciens? Zo nee, waarom deze weerstand?
Grote zoekmachines zoals Google hebben onder de Digitaledienstenverordening (DSA) verplichtingen die bijdragen aan de aanpak van dit soort misleidende praktijken. Ten eerste kwalificeert de zoekmachineadvertentiedienst van Google als hostingdienst onder de DSA. Dit betekent dat Google, zodra zij signalen ontvangt over illegale inhoud via advertenties, die meldingen tijdig en zorgvuldig moet behandelen en de betreffende advertenties moet verwijderen. Op grond van de DSA kan echter geen algemene verplichting worden opgelegd om alle informatie vooraf actief te monitoren.
Ten tweede zijn online platformen op grond van artikel 26 van de DSA verplicht transparantie te bieden over reclames. Voor elke advertentie moet duidelijk zijn dat het om reclame gaat, wie de adverteerder is, wie ervoor betaalt en waarom de advertentie wordt getoond. Dit vergroot de mogelijkheid om malafide adverteerders te identificeren en aan te pakken. Daarnaast moeten platformen maatregelen nemen om de identiteit van adverteerders te kennen en te verifiëren.
De ACM is niet de bevoegde toezichthouder op zeer grote online zoekmachines zoals Google onder de DSA. Omdat Google zijn Europese hoofdkantoor in Ierland heeft, is de Ierse toezichthouder primair bevoegd. Daarnaast heeft de Europese Commissie een rol bij de handhaving jegens zeer grote online platforms en zoekmachines. De ACM kan wel signalen doorgeven aan deze toezichthouders. Daarnaast voert de ACM in de praktijk gesprekken met platforms en zoekmachines, waaronder Google, en brengt zij dit soort kwesties daarin onder de aandacht.